[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-road-traffic-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":49,"limit":50},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},65,"road-traffic-nl","Road Traffic","NL","2026-07-08T16:54:19.226Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2024-02-20T00:00:00.000Z","2026-04-21T00:00:00.000Z",[],[22,33,42],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"935","ECLI:NL:GHARL:2026:2455","ecli-nl-gharl-2026-2455","","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.316.457\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 184625\n\narrest van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,\n\nhierna: [appellant],\n\nadvocaat: mr. Chr.D. de Vos te Assen,\n\ntegen\n\nAllianz Benelux N.V.,\n\ndie is gevestigd in Rotterdam,\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,\n\nhierna: Allianz,\n\nadvocaat: mr. H.A. Kragt te Arnhem.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure bij het hof\n\n1.1. Naar aanleiding van het arrest van 9 september 2025 heeft [appellant] een akte na tussenarrest (met een productie) genomen en heeft Allianz een antwoordakte (met een productie) genomen.1.2. Vervolgens heeft het hof een datum vastgesteld voor dit arrest.\n\n2. Het oordeel van het hof\n\nWat heeft het hof eerder beslist2.1. In het tussenarrest van 20 februari 2024heeft het hof over de schade van [appellant] wegens verlies verdienvermogen - kort gezegd - het volgende beslist: - voor de situatie zonder ongeval moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] vanaf 1 juli 2004 een inkomen zou hebben gehad gelijk aan 110% van het minimumloon; - voor de situatie met ongeval moet zowel voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012 als voor de situatie vanaf 1 juli 2012 (tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd) worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] ; - als over de periode vanaf 1 juli 2012 sprake is van schade vanwege verlies verdienvermogen (doordat het inkomen met ongeval lager is dan het inkomen zonder ongeval) dient [appellant] de helft van deze schade zelf te dragen, omdat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen werk meer te zoeken.\n\n2.2. In dat tussenarrest heeft het hof de heer [naam1] , rekenkundige bij het NRL (hierna: de deskundige), tot deskundige benoemd om met inachtneming van deze uitgangspunten de schade vanwege het verlies verdienvermogen te berekenen. De deskundige heeft op 4 februari 2025 gerapporteerd.\n\n2.3. In het tussenarrest van 9 september 2025heeft het hof - kort gezegd - het volgende beslist: - het hof ziet in de door Allianz aangevoerde argumenten geen reden om terug te komen op zijn beslissing in het tussenarrest van 20 februari 2024 over het causaal verband; - de eisvermeerdering van [appellant] is wat betreft de pensioenschade niet toelaatbaar, maar wat betreft de afgifte van een aantal garanties (belasting-, participatiewet-, huur- en zorgtoeslaggarantie) wel toelaatbaar; - [appellant] mag nog reageren op het door Allianz in het geding gebrachte rapport van haar partijdeskundige [naam2] LRGD QC van Sedgwick (hierna: [naam2] ).\n\nEen nieuwe productie in het laatste processtuk van Allianz en een (verkapte) vermeerdering van eis2.4. In zijn akte heeft [appellant] gereageerd op het rapport van [naam2] . Hij heeft daarbij verwezen naar een als productie overgelegd uitvoerig rapport van zijn eigen partijdeskundige mr. [naam3] van De Bureaus (hierna: [naam3] ). Allianz heeft vervolgens weer op dat rapport gereageerd en heeft in dat verband verwezen naar een bijgevoegd stuk van [naam2] . Op dat stuk van [naam2] heeft [appellant] niet kunnen reageren. Het hof zal hem daar ook niet toe in de gelegenheid stellen, omdat het stuk van [naam2] niet meer dan een beknopte reactie betreft op het rapport van [naam3] , waarop Allianz uiteraard mocht reageren.2.5. Het hof volgt Allianz niet in haar betoog dat slechts acht mag worden geslagen op het rapport van [naam3] voor zover daarin rekenkundige aspecten in aanmerking worden genomen. Het onderscheid tussen juridische en rekenkundige aspecten is, gelet op het geschil tussen partijen (een juridisch geschil over onder meer rekenkundige vragen), gekunsteld.\n\n2.6. In een voetnoot in haar akte maakt [appellant] ook aanspraak op vergoeding van de kosten van [naam3] (€ 4.007,28), primair als onderdeel van een uit te spreken proceskostenveroordeling, subsidiair op grond van artikel 6:96 BW. Omdat [appellant] deze eisvermeerdering niet eerder kon doen, ziet het hof geen reden die buiten beschouwing te laten. Het hof zal bij de beslissing op deze vordering uiteraard het verweer van Allianz betrekken.\n\nHet deskundigenrapport en de kritiek daarop2.7 De deskundige heeft de schade vanwege verlies verdienvermogen in zijn rapport berekend op € 257.716,-. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n- € 36.972,- voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012; - € 59.911,- voor de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2025; - € 160.833,- voor de periode vanaf 1 januari 2025. Per 1 januari 2024 bedraagt de wettelijke rente over de verschenen schade volgens de deskundige € 28.233,-.\n\n2.8. \n [appellant] meent dat in de berekening van de deskundige ten onrechte geen rekening is gehouden met mogelijke fiscale schade (vooral schade vanwege de ‘box 3 belasting’), met pensioenschade en met schade vanwege een mogelijke terugvordering van een in het verleden toegekende uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens [appellant] mag geen rekening worden gehouden met deze uitkering, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de gemeente de uitkering zal terugvorderen als hij schadevergoeding ontvangt. [appellant] wil dat de deskundige een herberekening maakt, waarin wordt uitgegaan van een terugvordering. Ook voert hij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het mogelijk vervallen van toekomstige aanspraken op huur- en zorgtoeslag. Dat is ook de reden dat hij alsnog de afgifte van diverse garanties heeft gevorderd.\n\n2.9. Allianz is het ook niet eens met de bevindingen van de deskundige. Volgens haar heeft de deskundige zich er geen rekenschap van gegeven dat met een schadevergoeding door Allianz het gezinsinkomen van [appellant] (bestaande uit een uitkering op grond van de Participatiewet en diverse toeslagen voor [appellant] en zijn vrouw) op de tocht komt te staan. Ook miskent de deskundige volgens Allianz dat het feitelijke inkomen van [appellant] (zelfs wanneer geen rekening zou worden gehouden met de uitkering van zijn vrouw) lager is dan de helft van het fictieve inkomen (50% van 110% van het minimumloon). Verder meent Allianz dat de deskundige ten onrechte heeft gerekend met de helft van de gezinsbijstand. Ten slotte vindt Allianz dat de deskundige zowel voor de kapitalisatiedatum als voor de wettelijke rente 1 januari 2025 had moeten hanteren.\n\n2.10. Het hof zal de kritiek van partijen op het deskundigenrapport hierna bespreken.\n\nDe rekenkundige verwerking van de eigen schuld2.11 Het hof heeft in rov. 5.18 van het tussenarrest van 20 februari 2024 het volgende beslist over (de wijze van verwerking van) de eigen schuld: ‘De conclusie is dat in de situatie na ongeval tot 1 juli 2012 kan worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] . Voor de situatie vanaf 1 juli 2012 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd moet ook worden uitgegaan van het feitelijk inkomen. Maar als over die periode sprake is van schade, doordat het feitelijk inkomen lager is dan het hypothetisch inkomen, dient hij de helft van die schade zelf te dragen.’ De rekenkundige verwerking van de eigen schuld die Allianz bepleit, in navolging van haar partijdeskundige [naam2] , wijkt daarvan af. Waar het hof voor de fictieve situatie uitgaat van het volledige hypothetische inkomen (110% van het minimumloon) en aangeeft dat het percentage eigen schuld over het verschil tussen dat hypothetische inkomen en het feitelijke inkomen (de schade) moet worden berekend, past [naam2] het percentage eigen schuld ten onrechte toe op het hypothetisch inkomen, dat daarmee halveert tot 55% van het minimumloon. Dat er dan, gelet op de hoogte van het minimumloon, geen of nauwelijks (afhankelijk van de vraag of voor de fictieve situatie met de volledige bijstandsuitkering of met de helft ervan wordt gerekend) schade resteert, ligt voor de hand.\n\n2.12. De kritiek van Allianz op de rekenkundige verwerking door de deskundige van de eigen schuld, is gezien het voorgaande ongegrond.\n\nDe toepasselijke bijstandsnorm2.13 Voordat het hof ingaat op de vraag of rekening moet worden gehouden met de ontvangen uitkering op grond van de Participatiewet (hierna: ook bijstandsuitkering), zal het eerst ingaan op de vraag met welke uitkering rekening moet worden gehouden, met de door [appellant] en zijn vrouw ontvangen uitkering op basis van de gezinsnorm, of met de helft daarvan. De deskundige is bij de bepaling van de feitelijke situatie uitgegaan van de helft van de uitkering. Hij wijst er in dat verband op dat uit de jaaropgaven blijkt dat de uitkering fiscaal gescheiden wordt uitgekeerd. Om die reden heeft hij ook de helft van de ontvangen bijstandsuitkering aan [appellant] toegerekend.\n\n2.14. Allianz is het niet eens met deze benadering. Volgens haar verhoudt dit rekenuitgangspunt zich niet met het feit dat [appellant] heeft aangegeven, dat hij kostwinner zou zijn geweest in de hypothetische situatie. Allianz verwijst in dat verband naar het rapport van de door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige Hulsen, die heeft genoteerd: ‘Vervolgens had betrokkene voor het gezinsinkomen willen zorgen en hiervoor fulltime hebben gewerkt. Zijn echtgenote zou dan het volledige huishouden hebben gedaan.’ Nu het gezin in de hypothetische situatie met 110% van het minimumloon zou hebben moeten rondkomen, dient volgens Allianz voor de feitelijke situatie te worden uitgegaan van de volledige gezinsbijstand.\n\n2.15. Zoals Allianz zelf al aangeeft ziet de door haar aangehaalde opmerking van [appellant] op de hypothetische situatie. Het gaat hier echter niet om de hypothetische situatie, maar om de feitelijke situatie, dus om de vraag op welk inkomen [appellant] in die situatie daadwerkelijk aanspraak heeft. Voor het antwoord op die vraag zijn de relevante bepalingen uit en de strekking van de Participatiewet doorslaggevend. Op grond van artikel 11 lid 4 Participatiewet komt het recht op (gezins)bijstand (op een hier niet relevante uitzondering na) aan de echtgenoten tezamen toe. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de vraag of de uitkeringsgerechtigde alleenstaand of gehuwd is (artikel 21 Participatiewet) en bij de zogenaamde middelentoets worden de inkomsten van beide echtgenoten in aanmerking genomen (artikel 31 lid 1 Participatiewet). Het inkomen van de ene echtgenoot heeft dus niet alleen gevolgen voor diens eigen aanspraken op een uitkering, maar ook op die van de andere echtgenoot. Datzelfde geldt voor het vermogen; het gezinsvermogen is bepalend voor de aanspraken op een uitkering.\n\n2.16. Een belangrijk uitgangspunt bij de begroting van letselschade is dat de schade van het individuele slachtoffer moet worden begroot, los van diens gezinssituatie. Dat uitgangspunt past ook in de maatschappelijke opvatting waarin iemand, althans voor zijn financiële situatie, niet als onderdeel van een gezin, maar als een zelfstandig persoon wordt gezien en behandeld. Dat uitgangspunt stuit hier echter op de door de wetgever in de Participatiewet neergelegde realiteit dat voor het recht op een bijstandsuitkering de gezinssituatie van de bijstandsgerechtigde in hoge mate bepalend is. Het hof ziet onvoldoende reden om bij de begroting van de feitelijkesituatie te abstraheren van deze realiteit. Het hof zal dan ook de volledige bijstandsuitkering aan [appellant] toerekenen indien er rekening gehouden moet worden met de bijstandsuitkering. De vraag of en in hoeverre met de uitkering rekening moet worden gehouden, zal het hof hierna bespreken.\n\nMoet rekening worden gehouden met de bijstandsuitkering?2.17 De Participatiewet is een vangnet voor mensen die niet op eigen kracht in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De wet geeft hun, onder voorwaarden, het recht op een bijstandsuitkering die het eigen inkomen aanvult tot het niveau van het toepasselijke sociaal minimum. Gelet op deze vangnetfunctie heeft een gemeente de bevoegdheid om op elk moment te toetsen of een persoon (nog langer) voor bijstandverlening in aanmerking komt. Het ontvangen van een schadevergoeding uit een letselschadezaak kan van grote invloed zijn op het recht op bijstand, omdat in beginsel alle vermogens- en inkomstenbestanddelen van de bijstandsgerechtigde (en diens gezinsleden) op grond van artikel 31 lid 2 aanhef en onder m Participatiewet tot de middelen van de bijstandsgerechtigde worden gerekend, tenzij de ontvangen schadevergoeding naar het oordeel van de gemeente verantwoord is. De gemeente kan een uitgekeerde bijstandsuitkering onder omstandigheden op grond van artikel 58 lid 2 aanhef en onder f Participatiewet terugvorderen - in de woorden van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) - ‘als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend aanspraak op bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen.Dit hangt samen met het aanvullende karakter van de bijstand [onderstreping hof]. Voor het bepalen van de hoogte van het terugvorderingsbedrag moet achteraf een fictieve vermogensvaststelling plaatsvinden naar de situatie op de peildatum. Als de aanspraak na de aanvang van de bijstand is ontstaan, zoals in deze zaak, dan is de dag waarop de aanspraak is ontstaan de peildatum. Als uitgangspunt geldt dat de aanspraak op vergoeding van schade door een ongeval ontstaat op de datum van dat ongeval.’\n\n2.18. De bijstandsuitkering heeft, gelet op de genoemde vangnetfunctie van de Participatiewet, dus een aanvullend karakter. Dat betekent dat bij de begroting van de schade vanwege verlies verdienvermogen in beginselgeen rekening moet worden gehouden met een bijstandsuitkering. Dat is ook in lijn met de maatschappelijke opvatting dat degene die schade veroorzaakt zelf voor die schade moet instaan en die schade niet kan afwentelen op de algemene middelen. Maar ook hier geldt dat een principieel uitgangspunt in de praktijk tot praktische problemen kan leiden. Als de benadeelde bij de afwikkeling van de schade al enige tijd een bijstandsuitkering heeft ontvangen en daarmee bij de afwikkeling geen rekening wordt gehouden is het mogelijk dat de gemeente geen (of niet volledig) gebruik maakt van haar terugvorderingsbevoegdheid. In dat geval ontvangt de benadeelde over de periode waarover hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen meer schadevergoeding dan hij feitelijk aan schade heeft geleden.\n\n2.19. Allianz stelt in feite voor dat probleem op te lossen door bij de bepaling van de schade vanwege verlies arbeidsverleden over het verleden de ontvangen bijstandsuitkering als in de feitelijke situatie ontvangen inkomsten mee te nemen. Ook de deskundige hanteert dit uitgangspunt, zij het dat hij uitgaat van de helft van de ontvangen bijstandsuitkering. Het hof gaat daar niet in mee. Allereerst niet omdat daardoor het aanvullende karakter van de bijstandsuitkering miskend wordt. Het principiële uitgangspunt wordt op deze wijze geheel terzijde gesteld. Bovendien kan er niet van worden uitgegaan dat de gemeente geen gebruik zal maken van haar terugvorderingsbevoegdheid. De deskundige heeft daarover in het kader van zijn onderzoek informatie ingewonnen bij de gemeente. De gemeente heeft hem in een e-mail van 31 oktober 2024 onder meer geschreven dat een ontvangen schadevergoeding nietals middelen wordt beschouwd tenzij ‘met hetzelfde doel bijstand is verstrekt of hiervoor later bijstand wordt gevraagd’. In een e-mail van 20 november 2024 aan de deskundige schreef de gemeente dat het ontvangen van een schadevergoeding leidt tot toetsing en dat in dat kader zal worden beoordeeld of de uitkering beëindigd moet worden.\n\n2.20. \n [appellant] wil het probleem oplossen door bij de begroting van zijn schade geen rekening te houden met de door hem ontvangen bijstandsuitkering. Bij die benadering is het mogelijk dat [appellant] over de periode in het verleden én een bijstandsuitkering ontvangt én een vergoeding van schade vanwege verlies verdienvermogen die is vastgesteld zonder dat daarbij rekening is gehouden met het ontvangen van die uitkering. Het hof vindt dat niet verantwoord, ook omdat het om een lange periode gaat en met de uitkering in die periode een substantieel bedrag is gemoeid.\n\n2.21. Het hiervoor omschreven dilemma kan ook niet worden opgelost door afgifte van een Participatiewetgarantie. Wanneer het hof over de periode van de bijstandsverlening de oplossing van Allianz volgt, is zo’n garantie niet nodig; over deze periode wordt dan immers geen schade vanwege verlies arbeidsvermogen vergoed, zodat er voor de gemeente niets te verhalen valt. Zou het hof de oplossing van [appellant] volgen, dan is een garantie ook overbodig. [appellant] ontvangt dan immers teveel en wanneer hij het meerdere moet afdragen aan de gemeente is dat terecht en kan hij Allianz daarop niet aanspreken.\n\n2.22. Het hof kiest ervoor om (alleen) voor de periode van de bijstandsuitkering de zaak te verwijzen naar de schadestaat. Het hof stelt het begin van die periode op 1 juli 2012 en het einde op 1 oktober 2026, waarbij het ervan uitgaat dat [appellant] per die datum aanspraak heeft op betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding vanwege verlies arbeidsvermogen dat zijn aanspraken op bijstand komen te vervallen. De gemeente kan vervolgens over het verleden de balans opmaken en bepalen of en in hoeverre zij de betaalde uitkering wil terugvorderen. Indien dat het geval is, kan [appellant] alsnog aanspraak maken op betaling door Allianz van het terug te vorderen bedrag. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de gemeente er bij de terugvordering rekening mee houdt dat [appellant] ook over de periode van de bijstandsverlening slechts aanspraak heeft op de helft van zijn schade (bestaande uit het verschil tussen een inkomen op basis van 110% van het minimumloon, te vermeerderen met de daarnaast te ontvangen toeslagen - daarover hierna meer - en de daadwerkelijk ontvangen toelagen).\n\n2.23. Voor de periode tot 1 juli 2012 kunnen de ‘bijstandsperikelen’ buiten beschouwing blijven. Voor de periode vanaf 1 oktober 2026 ligt dat anders. Met ingang van die datum zal [appellant] geen aanspraak meer hebben op een bijstandsuitkering. In de feitelijke situatie is het inkomen (afgezien van toeslagen) nihil.\n\nSpelen de toeslagen een rol?2.24 De deskundige heeft in zijn rapport geen rekening gehouden met de invloed van toeslagen. Op het verzoek van de advocaat van [appellant] naar aanleiding van het concept-rapport om de toeslagen in zijn onderzoek te betrekken heeft de deskundige geantwoord:\n\n‘Om aspecten als huurtoeslag in de berekening op te nemen, is niet conform de opdracht van het hof. Een aspect als zorgtoeslag is ook niet in de berekening opgenomen en dit heeft te maken met de opdracht dat voor het inkomen na ongeval uitgegaan moet worden van het feitelijk inkomen. De feitelijke situatie is dat er een partner is, maar de partner moet worden\n\n'losgekoppeld' van de berekening. Er is dus een soort spagaat, want uitgaande van een\n\nalleenstaande zou de zorgtoeslag berekend kunnen worden, maar nu er een partner is, die niet (financieel) in de berekening opgenomen moet worden, lukt dit niet.’\n\n2.25. Het staat de deskundige vrij om de voor de berekening van de schade vanwege verlies arbeidsvermogen relevante aspecten in zijn beschouwingen te betrekken, ook als die niet expliciet zijn vermeld, nog daargelaten dat de deskundige in geval van twijfel zich tot de raadsheer-commissaris kan wenden. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van het hof moet bij de begroting van de schade vanaf 1 oktober 2026 wel rekening worden gehouden met de gevolgen van het volledig wegvallen van inkomen uit arbeid en de daartegenover staande ontvangst van een schadevergoedingsuitkering op de aanspraken op toeslagen. [appellant] heeft met het rapport van [naam3] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf de ontvangst van het schadebedrag betreffende de eerste en de derde periode, dus vanaf 1 juli 2026, geen aanspraak meer zal hebben op zorgtoeslag en al helemaal niet op huurtoeslag, gelet op de geldende vermogensdrempels. Bij het bepalen van de gevolgen voor de toeslagen moet worden uitgegaan van de gezinssituatie van [appellant] . Het hof verwijst voor de motivering naar wat het hiervoor bij de toepasselijke bijstandsnorm heeft overwogen.\n\n2.26. Voor de beide andere periodes kan een berekening van de consequenties voor de toeslagen achterwege blijven. Het hof gaat er daarbij vanuit dat die consequenties voor de periode tot 1 juli 2012 gering zijn. Indien de gemeente terugvordert, kunnen de consequenties van de toeslagen voor de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 worden begroot in de schadestaatprocedure. Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat [appellant] in de feitelijke situatie aanspraak heeft op de door hem daadwerkelijk ontvangen toeslagen, nu gesteld noch gebleken is dat de toegekende toeslagen zullen worden teruggevorderd vanwege een achteraf toegekende aanspraak op schadevergoeding. Integendeel, [naam3] geeft in zijn rapport expliciet aan dat toegekende toeslagen niet worden teruggevorderd omdat de vermogenstoets voor de toeslagen telkens per 1 januari van het desbetreffende jaar plaatsvindt.\n\nBelasting op grond van box 32.27 Indien [appellant] als gevolg van de ontvangst van een schadevergoedingsuitkering vermogensrendementsbelasting verschuldigd is, heeft hij aanspraak op vergoeding van die schade. De deskundige heeft een vraag van de advocaat van [appellant] daarover naar aanleiding van het concept-rapport als volgt beantwoord: ‘Er wordt geen fiscale component berekend, omdat er in de situatie met gebeurtenis\n\ngeen inkomsten zijn. Een (eventuele) heffing Box 3 wordt verrekend met de vrijgevalllen\n\nheffingskortingen.’ Hij wordt daarin bijgevallen door [naam2] , terwijl [naam3] zich niet uitlaat over dit punt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit geval geen sprake zal zijn van belastingschade vanwege de box 3 heffing over de te ontvangen schadevergoedingsuitkering.\n\nBuitengerechtelijke kosten2.28 [appellant] vordert ongeveer € 205.000,- aan kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. In het tussenarrest van 20 februari 2024 heeft het hof al overwogen dat geen wettelijke handelsrente verschuldigd is, maar voor zover al wettelijke rente verschuldigd is de ‘gewone’ wettelijke rente volstaat. Verder heeft het hof overwogen en beslist dat [appellant] nog aanspraak heeft op vergoeding van € 3.338,66 aan medische kosten. Bij dat bedrag is, conform de berekening van [appellant] zelf, al rekening gehouden met een betaald voorschot van € 5.000,-. Over de kosten is wettelijke rente verschuldigd. [appellant] dient die wettelijke rente te (laten) berekenen per 1 oktober 2026. Bij die berekening kan worden uitgegaan van de bedragen en de factuurdata die zijn vermeld in het als productie 51d bij memorie van grieven door [appellant] overgelegde overzicht. De wettelijke rente gaat steeds in 14 dagen na de factuurdatum.\n\n2.29. Zoals het hof in het tussenarrest van 20 februari 2024 heeft overwogen, heeft [appellant] aanspraak op € 15.000,- aan vertaalkosten. Over dit bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 1 oktober 2026, omdat gesteld noch gebleken is dat [appellant] dit bedrag al heeft betaald en evenmin dat hij wanneer hij het alsnog betaalt daarover wettelijke rente verschuldigd is.\n\n2.20. Over de kosten van de belangenbehartiger van [appellant] heeft het hof in het genoemde tussenarrest overwogen dat het gevorderde bedrag (ruim € 123.000,-) het hof als bovenmatig voorkomt, ook omdat alleen buitengerechtelijke kosten kunnen zijn gemaakt in de jaren 2008 - 2016 en in die jaren geen intensieve onderhandelingen hebben plaatsgevonden. Wel is in 2012 een deelgeschilprocedure gevoerd. Voor de kosten van het deelgeschil is al een vergoeding toegekend. Desondanks worden voor het jaar 2012 veel ‘uren geschreven’ en gevorderd betreffende dat deelgeschil. Ook op de specificaties betreffende andere jaren is het nodige op te merken.\n\n2.21. Al met al kan de vordering van [appellant] de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. Het is wel aannemelijk dat de belangenbehartigers van [appellant] buiten rechte enige werkzaamheden hebben verricht. Het hof zal die werkzaamheden, alles afwegende, schatten op € 20.000,- (inclusief btw). Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 oktober 2026. Het hof verwijst op dit punt naar wat het heeft overwogen over de vertaalkosten.\n\nHoe nu verder?2.22. Nu de resterende knopen zijn doorgehakt, kan de balans worden opgemaakt. Dat is in eerste instantie aan partijen. Het hof zal allereerst [appellant] in de gelegenheid stellen om op basis van de beslissingen van het hof te laten berekenen welk bedrag Allianz hem per saldo verschuldigd is. De (redelijke) kosten van het door [appellant] op te stellen berekeningsrapport komen voor rekening van Allianz. Het berekeningsrapport dient de volgende componenten te hebben: a. schade vanwege verlies verdienvermogen tot 1 juli 2012: De berekening van de deskundige kan worden gevolgd. De schade bedraagt dus € 36.972,-. Over dit bedrag dient de wettelijke rente per 1 oktober 2026 te worden berekend; b. schade vanwege verlies verdienvermogen vanaf 1 oktober 2026 tot aan pensioengerechtigde leeftijd: In de fictieve situatie wordt uitgegaan van 110% van het minimumloon, vermeerderd met de toeslagen waarop (het gezin) [appellant] aanspraak heeft. In de feitelijke situatie wordt uitgegaan van een inkomen van nihil, te vermeerderen met eventuele toeslagen waarop (het gezin) [appellant] , rekening houdend met het vermogen per 1 januari van elk jaar, aanspraak heeft. [appellant] heeft aanspraak op 50% van het verschil. De kapitalisatiedatum is 1 oktober 2026. c. Buitengerechtelijke kosten: Medische kosten van € 3.338,66, te vermeerderen met de wettelijke rente per 1 oktober 2026 (berekend overeenkomstig rov. 2.28), vertaalkosten van € 15.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026 en kosten rechtsbijstand van € 20.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026. Bij deze wijze van afdoening kan de afgifte van garanties achterwege blijven.\n\n2.23. \n [appellant] dient het rapport bij akte in het geding te brengen. Allianz kan bij akte reageren. In het vervolgens te wijzen arrest - naar verwachting het eindarrest - zal het hof het verschuldigde bedrag toewijzen en de zaak voor wat betreft (50% van) de schade vanwege verlies verdienvermogen in de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 verwijzen naar de schadestaat. Het hof gaat er vanuit dat partijen er aan zullen meewerken dat vóór 1 oktober 2026 arrest kan worden gewezen.\n\n3. De beslissing\n\nHet hof:\n\n3.1. verwijst de zaak naar de rol van 2 juni 2026 voor akte aan de zijde van [appellant] ;3.2. iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.E. Wichers en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2024:1232.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:5608.\n\n CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1406, met verwijzing naar CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:430.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2455","2026-04-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:55.581Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1609","ECLI:NL:RBNNE:2025:5930","ecli-nl-rbnne-2025-5930","2025-11-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 264635342\n\nzaaknummer: 11682592 BU VERZ 25-954\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van26 november 2025\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden’, verricht op 5 maart 2024, om 11:44 uur, op de Groningerstraat in Surhuisterveen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 429,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 26 november 2025 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordigster van de officier van justitie\n\nmr. P. Veenstra.\n\n1.3.. Na afloop van de behandeling op de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechterBeslissing\n\n2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nStandpunten\n\n3. Betrokkene voert aan dat hij geen mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden, maar zijn Justitiebadge. Hij heeft geblindeerde ramen en hij was aan het rommelen in zijn zakken, op zoek naar zijn badge. Deze badge heeft wel de vorm van een mobiele telefoon. De verbalisant vroeg aan hem wat voor telefoon hij had. Hij heeft zijn telefoon toen uit het opbergvakje gehaald, waar die lag op te laden. Gemachtigde voert aan dat betrokkene de verkeersovertreding consistent heeft ontkend. Betrokkene heeft dat ook direct bij de staandehouding gedaan. De verklaring van de verbalisant is niet compleet, omdat hij niet heeft verklaard hoe hij de verkeersovertreding heeft waargenomen. Het aanvullend proces-verbaal voegt ook niets toe aan de verklaring in het zaakoverzicht.\n\n4. De vertegenwoordigster stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. De verbalisant heeft verklaard dat hij alleen een boete oplegt als hij zeker is dat hij een verkeersovertreding heeft gezien. Daarnaast heeft betrokkene tijdens de staandehouding niet verklaard dat hij een badge uit zijn zak aan het halen was.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de verbalisant te twijfelen. Die verklaart dat hij zag dat betrokkene een mobiel elektronisch apparaat vasthad. Een badge is normaal niet zo groot dat die makkelijk verward kan worden met een mobiele telefoon. Daarnaast heeft betrokkene juist niet consistent aangevoerd dat hij een badge vasthad. Hij heeft dit namelijk in administratief beroep en bij de staandehouding niet aangevoerd, terwijl dat wel van hem verwacht mag worden als hij inderdaad een badge vasthad. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de boete te matigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. P.G. Wijtsma, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5930","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:29.474Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"940","ECLI:NL:GHARL:2024:1232","ecli-nl-gharl-2024-1232","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.316.457\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 184625\n\narrest van 20 februari 2024\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,\n\nhierna: [appellant],\n\nadvocaat: mr. Chr. D. de Vos te Assen,\n\ntegen\n\nAllianz Benelux N.V.,\n\ndie is gevestigd in Rotterdam,\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,\n\nhierna: Allianz Benelux N.V.,\n\nadvocaat: mr. H.A. Kragt te Arnhem.\n\n1. Het verloop van de procedure bij het hof\n\n1.1. Naar aanleiding van het arrest van 21 maart 2023 heeft op 1 februari 2024 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.1.2. Ter voorbereiding op de mondelinge behandeling heeft [appellant] bij akte nog een productie (productie 55) in het geding gebracht.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant] is in 2004, als fietser, gewond geraakt bij een ongeval dat is veroorzaakt door een bij (de rechtsvoorganger van) Allianz verzekerde bromfietser. Partijen verschillen van mening over de vraag of Allianz de schade van [appellant] al heeft vergoed dan wel [appellant] nog schadevergoeding verschuldigd is.\n\n2.2. \n [appellant] heeft, voor zover van belang, bij de rechtbank gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de door [appellant] geleden en nog te lijden schade geschat kan worden op een bedrag van € 1.000.000,- en Allianz veroordeelt om dit bedrag aan hem te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en te verminderen met het al betaalde voorschot van € 59.141,47.\n\n2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen voor een belangrijk deel afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.4 Het hof kan nog geen eindbeslissing nemen. Daarvoor is een onderzoek door een deskundige nodig. Het hof zal al wel wat knopen doorhakken. Die komen erop neer dat het hof op onderdelen anders zal oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal dat hierna uitleggen. 3. Vermeerdering van eis3.1 [appellant] heeft in de memorie van grieven zijn eis vermeerderd. Hij vordert nu ook betaling van € 191.283,13 aan buitengerechtelijke kosten en € 14.555,54 aan kosten van vóór 29 juli 2008 verleende rechtsbijstand en € 682,84 aan reiskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2 Allianz heeft zich niet tegen de vermeerdering van eis verzet. Het hof ziet ook geen reden om de vermeerdering van eis ambtshalve buiten beschouwing te laten en zal dan ook beslissen op de vermeerderde eis.\n\n4. De relevante feiten\n\n4.1. \n [appellant] (geboren [in] 1969) is op 21 januari 2004 als fietser aangereden door een bij London Verzekeringen, de rechtsvoorgangster van Allianz, conform de WAM verzekerde bromfietser. Hij heeft ten gevolge van dit ongeval letsel opgelopen, bestaande uit een fractuur van het bovenste deel van het scheenbeen (tibeaplateaufractuur) en een knie- en enkelfractuur. Na het ongeval is [appellant] enkele weken in het ziekenhuis opgenomen geweest, waarna hij heeft gerevalideerd. [appellant] is geopereerd waarbij in het scheenbeen en in de enkel plaatmateriaal (osteosynthesemateriaal) is geplaatst. Dat materiaal is in 2005 verwijderd uit het scheenbeen en in 2012 uit de enkel. In 2010 werd de rechterknie van [appellant] geïnjecteerd.\n\n4.2. \n\n [appellant] is vanuit Irak gevlucht en verbleef ten tijde van het ongeval ruim vijf jaren in Nederland. In 2002 heeft hij een verblijfsvergunning gekregen. Hij heeft toen een woning toegewezen gekregen en ontving een WWB-uitkering. In de periode van maart 2007 tot\n\nmei 2012 heeft hij geregeld gewerkt. Hij heeft toen, in periodes van werkloosheid, ook een WW-uitkering ontvangen. Vanaf 2012 heeft hij niet meer gewerkt. Hij ontvangt nu een uitkering op basis van de Participatiewet.\n\n4.3. Over de toedracht van en de aansprakelijkheid voor het ongeval bestond tussen partijen een verschil van inzicht. Anders dan de (toenmalige) rechtbank Zwolle-Lelystad heeft het (toenmalige) hof Arnhem in een arrest van 22 april 2008 het beroep op overmacht verworpen en voor recht verklaard dat (toen nog) London Verzekeringen volledig aansprakelijk is voor de door [appellant] geleden en nog te lijden schade.\n\n4.4. \n\nOp verzoek van [appellant] heeft de orthopedisch chirurg dr. [naam1] een medische expertise verricht naar het letsel van [appellant] en de gevolgen ervan. In een rapport van\n\n8 september 2010 concludeerde dr. [naam1] dat op zijn vakgebied sprake was van: “1. Status na tibiaplateaufractuur rechts met beginnende degeneratieve veranderingen ter hoogte van het mediale gewrichtscompartiment. Het kraakbeeninterval bedraagt hier 3 mm (normaal 4 mm).2. Bovenbeenatrofie rechts van 2 cm.3. Zonder restverschijnselen genezen enkelfractuur rechts.” Volgens dr. [naam1] is sprake van de volgende restklachten: “betrokkene heeft pijn aan de voorzijde van de rechterknie en in mindere mate aan de binnenzijde van de rechterenkel. De pijn in de rechterknie neemt toe na een halfuur lopen, na een halfuur staan, bij traplopen, bij hurken, knielen, tillen van gewichten van 15 kg of meer en bij duwen en trekken.”Volgens dr. [naam1] bestonden deze klachten niet voor het ongeval en zouden deze niet zijn ontstaan als [appellant] het ongeval niet was overkomen. Er is volgens dr. [naam1] bij [appellant] sprake van functionele invaliditeit van de rechter onderste extremiteit van 12%, voor de gehele mens is dat 5%. Met betrekking tot de rechterknie is volgens dr. [naam1] nog geen sprake van een eindtoestand. De degeneratieve veranderingen van de rechterknie zullen langzaam progressief zijn. Het is nog niet te zeggen wanneer wel sprake zal zijn van een eindtoestand. Een herhaald onderzoek over vijf jaar zal daarover uitsluitsel moeten geven.\n\n4.5. Op 22 december 2011 heeft [appellant] een deelgeschilprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Zwolle-Lelystad. Hij heeft dat verzoek in september 2012 aangevuld. In een beschikking van 5 november 2012 (hersteld op 5 december 2012) heeft die rechtbank overwogen dat veel van de door [appellant] ingestelde verzoeken zich niet lenen voor een beslissing in deelgeschil. Daarvoor zijn ze te complex en liggen de standpunten van partijen te ver uiteen. Gelet op de resterende klachten en beperkingen (zoals die blijken uit het rapport van dr. [naam1] ) acht de rechtbank € 12.000,- wegens immateriële schade passend. Zij veroordeelt London bij wijze van voorschot tot betaling van dit bedrag en tot betaling van € 15.000,- aan kosten voor tolk- en vertaalwerkzaamheden en van € 5.000,- aan externe kosten (medische informatie en rapportages). London Verzekeringen heeft aan deze veroordeling voldaan. Zij heeft op grond van deze veroordeling, vermeerderd met wettelijke rente en € 7.429,65 aan buitengerechtelijke kosten, in totaal € 59.141,47 aan [appellant] betaald.\n\n4.6. \n\nOp 19 oktober 2015 heeft dr. [naam1] een tweede expertiserapport uitgebracht. In dat rapport staat onder meer: “Resterende klachten: betrokkene heeft pijn aan de voorzijde van de rechterknie en in mindere mate aan de binnenzijde van de rechterenkel. De pijn in de rechterknie neemt toe na een halfuur lopen, na een halfuur staan, bij traplopen, bij hurken, knielen, tillen van gewichten van 15 kg of meer en bij duwen en trekken. Na een halfuur krijgt hij tintelingen in de gehele rechtervoet.(…)BESCHOUWING(…)Ten opzichte van de bevindingen van mijn rapport d.d. 8 september 2010 zijn de klachten hetzelfde gebleven, alleen heeft betrokkene daaraan toegevoegd dat hij na een halfuur stilstaan tintelingen in de gehele rechtervoet krijgt. Deze tintelingen kunnen door mij niet worden geobjectiveerd.(…)CONCLUSIES (op mijn vakgebied ten aanzien van de gevolgen van het ongeval d.d. 21 januari 2004):1. Status na in goede asstand geconsolideerde tibiaplateaufractuur rechts2. Posttraumatische degeneratieve veranderingen van het mediale gewrichtscompartiment. Het kraakbeeninterval bedraagt hier 3 mm (normaal 4 mm).\n\n3. Bovenbeenatrofie rechts van 2 cm.3. Daarnaast is er voor wat betreft de rechterknie sprake van een status na een partiële meniscectomie.5. In de anatomische stand geconsolideerde mediale malleolusfractuur rechts met cystevorming in het distale deel van de fibula.(…)In de beantwoording van de vragen verwijst dr. [naam1] voor de klachten van [appellant] naar wat hiervoor is geciteerd na “resterende klachten”. Volgens dr. [naam1] bestonden die klachten niet voor het ongeval en zouden ze zonder het ongeval niet zijn ontstaan. Dr. [naam1] schrijft dat sprake is van een totale functionele invaliditeit van de rechter onderste extremiteit van 14%, dat is 6% voor de gehele mens. [appellant] heeft volgens dr. [naam1] de volgende beperkingen: “Betrokkene is licht beperkt voor staan, lopen, trappenlopen, klimmen, klauteren, knielen, kruipen en hurken.Betrokkene is matig beperkt voor tillen, duwen, trekken en dragen.” Volgens dr. [naam1] is inmiddels wel sprake van een eindtoestand.\n\n4.7. In maart 2016 heeft London Verzekeringen [appellant] gedagvaard voor de rechtbank Overijssel. Zij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het causaal verband tussen de klachten van [appellant] en het ongeval ontbreekt, althans dat de schade van [appellant] door het ongeval niet meer beloopt dan € 59.141,47, het al door Londen Verzekeringen aan [appellant] betaalde bedrag. [appellant] heeft een reconventionele vordering ingesteld (zie 2.2). In de loop van de procedures zijn drie deskundigenonderzoeken uitgevoerd. Het betreft onderzoeken door respectievelijk de psychiater prof. dr. [naam2] , de verzekeringsgeneeskundige [naam3] en de arbeidsdeskundige [naam4] .\n\n4.8. \n\nProf. [naam2] heeft op 24 september 2018 gerapporteerd. In de beschouwing van zijn rapport schrijft hij: “Betrokkene heeft als gevolg van het hem overkomen ongeval in 2004 lichamelijke klachten gekregen, die bij twee eerdere expertises aandacht hebben gekregen. Ik verwijs daarnaar. Er zijn inmiddels tevens psychische klachten naar voren gekomen, maar ook bij zijn huidige presentatie tijdens dit onderzoek nemen ze een ondergeschikte positie in. Het lijkt er op dat ze pas na 2012 manifest zijn geworden in een vorm die hij zelf relateert aan het ongeval. Dat lijkt verbonden met de omineuze betekenis die hij geeft aan de prognose van zijn lichamelijke klachten. Hoe terecht dat is, kan ik niet beoordelen. De huisarts heeft in 2016 als zijn indruk gegeven dat de spannings- en stemmingsklachten verbonden lijken te zijn met zijn lichamelijke (pijn)klachten betreffende het rechter been. Dat is ook het beeld dat ontstaat bij dit onderzoek. Er zijn zeker aanwijzingen voor klachten die begrepen kunnen worden als passend bij een posttraumatische stress-stoornis (ptss), maar die zijn bescheiden van aard en doen zich niet aanhoudend voor. Betrokkene brengt deze aspecten ook niet spontaan naar voren. Een en ander betekent dat ze niet zodanig aanwezig zijn dat ze een diagnose rechtvaardigen (deze aanduiding lijkt voor het laatst te zijn gebruikt door een maatschappelijk werker in 2012, niet door een psychiater, en vermoedelijk is toen gedacht aan zijn belastende ervaringen in Irak). Daarnaast zijn er matige depressieve kenmerken, vermoedelijk vooral met een reactief karakter dus niet aanhoudend even ernstig. Wat dit betreft komen mijn bevindingen behoorlijk overeen met wat de huidige behandelend psychiater in 2016 berichtte. Deze stelt geen diagnose ptss en dat is ook mijn oordeel. Er zijn hoogstens van tijd tot tijd optredende klachten die in deze richting wijzen. De nageleverde stukken, die pas ingezien konden worden na het onderzoek, geven aanwijzingen dat betrokkene in Irak blootgesteld is geweest aan bedreigende gevangeniservaringen van zodanige aard dat het alleszins denkbaar is dat hij hier nog last van heeft. Hij heeft hier tegenover mij echter niets over verteld, hoewel de betrokken periode wel besproken is. Het is lastig om hier een waardering aan te geven. Hier ligt een potentiële bron van klachten die los staat van het ongeval. Maar ik stel vast dat er tegenstrijdigheden zijn en bovendien betreft dit niet de thematiek van zijn herbelevingsachtige ervaringen tegenwoordig. De huidige (matig) depressieve klachten zijn direct verbonden met de lichamelijke klachten en conditie, zoals betrokkene die ervaart en als gevolg van het ongeval beleeft. De indruk is overigens dat het meer nog de veronderstelde prognose is die hem dwars zit dan de lichamelijke klachten. De stukken, en aansluitend de toelichting door betrokkene, wijzen er op dat hij ook al voorafgaand aan het ongeval depressieve klachten had en daarmee de huisarts bezocht. Hij legt wat deze eerdere klachten betreft een verband met zijn onzekere en belastende omstandigheden als asielzoeker destijds. De stukken wijzen er ook op dat hij naderhand malaiseklachten had die verbonden waren met zijn partnerrelatie. Deze constellatie is lastig te exploreren en daarom wordt volstaan met de globale constatering. Het komt er op neer dat hij al vaker ook onafhankelijk van het ongeval depressieve klachten heeft gehad, maar momenteel lijken de resterende somatische ongevalsgevolgen en vooral de, al dan niet terechte, subjectieve beleving van een moeizame prognose in de vorm van toenemende beperkingen van lichamelijke aard de belangrijkste bron.” In antwoord op de aan hem gestelde vragen verwijst prof. [naam2] voor de anamnese naar een eerder onderdeel van zijn rapport. Hij vat samen: “Er is overwegend sprake van somatische ongevalsgevolgen, die ik niet nader zal waarderen. De beperkingen die betrokkene zelf ervaart vloeien hieruit voort. Ze drukken zijn stemming, maar psychische beperkingen zijn er niet in relevante mate.” Op de vraag naar zijn bevindingen bij psychiatrisch onderzoek antwoord prof. [naam2] : “Secundaire depressieve verschijnselen, in samenhang met resterende ongevalsgevolgen. Tevens enige posttraumatische stresskenmerken.” Als diagnose stelt hij: “Aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken (DSM-5 criteria)”.\n\nDe vraag naar de beperkingen van [appellant] beantwoordt prof. [naam2] als volgt: “Betrokkene zegt primair lichamelijke beperkingen te ervaren en die zal ik niet beoordelen. Op psychisch vlak geeft hij geen beperkingen aan. Hij maakt wel melding van ontmoediging en frustratie, maar brengt die zelf in direct verband met zijn lichamelijke klachten. Mijn waardering is dat er ook in meer objectieve zin geen relevante psychische beperkingen zijn vast te stellen.” Volgens prof. [naam2] is “op pragmatische gronden” verdedigbaar om een eindtoestand aan te nemen. Hij kan een toename van depressieve kernmerken niet uitsluiten wanneer de somatische toestand van [appellant] door [appellant] als verslechterd wordt beleefd. Prof. [naam2] schrijft dat zich ook in de jaren voorafgaand aan het ongeval depressieve klachten hebben voorgedaan, maar dat aannemelijk is dat die klachten van voorbijgaande aard zijn geweest. Hij ziet geen redenen om beperkingen aan te nemen die nog altijd uit die klachten voortvloeien. Aanwijzingen voor klachten of afwijkingen die er ook zouden zijn geweest wanneer het ongeval wordt weggedacht, zijn er niet volgens prof. [naam2] .\n\n4.9. Verzekeringsgeneeskundige mr. [naam3] heeft op 28 september 2020 gerapporteerd. In het hoofdstuk “beschouwing en conclusie” van zijn rapport schrijft hij onder meer: “Ondergetekende concludeert dat het huidige toestandsbeeld in essentie niet gewijzigd is ten opzichte van het beeld geschetst door expertiserend orthopeed [naam1] in 2010 en 2015 en expertiserend psychiater [naam2] in 2018.Sprekend over de beperkingen is ondergetekende van mening dat patiënt is aangewezen op arbeid\u002Factiviteiten waarbij beperkingen gelden met betrekking tot belasting van de rechter enkel en rechter knie.Er gelden dan ook beperkingen met betrekking tot staan, lopen, traplopen, knielen, kruipen, hurken etc. Lopen i.c.m. staan maximaal 6 uur\u002Fdag.De niet ongeval gerelateerde problematiek in de vorm van hypertensie en een verminderde schildklierwerking vormt geen aanleiding voor beperkingen.Evenals expertiserend psychiater [naam2] is ondergetekende van mening dat op basis van de bevindingen van expertiserend psychiater [naam2] en op basis van de eigen bevindingen er geen aanleiding is om beperkingen met betrekking tot persoonlijk en sociaal functioneren van toepassing te achten. (…)Ondergetekende heeft geen aanleiding om beperkingen te kunnen vaststellen die niet ongeval gerelateerd zijn.” [naam3] heeft de beperkingen vastgelegd in een beperkingenlijst.\n\n4.10. \n\nArbeidsdeskundige [naam4] heeft op 26 augustus 2021 zijn rapport uitgebracht. In de paragraaf “Hypothetische arbeidsmogelijkheden zonder ongeval” schrijft Van [naam4] : “Het ongeval weggedacht had betrokkene zich in 2004 en daarna kunnen richten op het vinden van passend werk in 1 van de genoemde richtingen productiewerk, voedselverwerkende industrie, logistiek of schoonmaak. Betrokkene zou aangewezen zijn geweest op werkzaamheden waarvoor geen specifieke diploma-eisen gelden en waar geen bijzondere eisen aan de taalvaardigheid zouden worden gesteld. Een gemeenschappelijk kenmerk van dergelijke werkzaamheden is dat deze een beloning kennen op het niveau van 100% tot maximaal 120% van het wettelijk minimumloon en veelal via uitzendbureaus wordt aangeboden, zeker als starter. Dat past bij de wijze waarop betrokkene later bij TNT Post aan het werk is gekomen. Het ongeval weggedacht was dan ook dezelfde route denkbaar geweest, zij het mogelijk enkele jaren eerder. (…)De cao van TNT Post voorziet weliswaar in doorgroeimogelijkheden die in schaal 2 op het loonpeil van 2007 tot trede 12 reikten - daarbij behoorde een fulltime salaris van€ 1.9121,12 bruto per maand - maar daar staat tegenover dat betrokkene in de situatie na ongeval geen vaste arbeidsovereenkomst aangeboden heeft gekregen en geenszins vaststaat dat dit zonder ongeval anders zou zijn geweest. Integendeel; in de logistiek is flexwerken de norm, bijkomend gevolg is dat van financiële doorgroeimogelijkheden in de praktijk niet of nauwelijks sprake is. (…)Naast de concrete mogelijkheid van eerdere indiensttreding bij TNT Post c.q. na beëindiging van de tijdelijke arbeidsovereenkomst na 2 jaar, had betrokkene arbeidsmogelijkheden gehad in soortgelijke logistieke dienstverlening; in productiewerk, bij een naaiatelier, bij een schoonmaakbedrijf et cetera. In het algemeen had hiermee een verdienvermogen van 100% tot maximaal 120% van het wettelijk minimumloon kunnen ontstaan. Van significante financiële doorgroeimogelijkheden was mijns inziens geen sprake geweest; enerzijds is sprake van arbeidsmogelijkheden in veelal laagbetaalde banen zoals de schoonmaaksector en bijvoorbeeld de naaiateliers, anderzijds bestaan weliswaar theoretische mogelijkheden om salarisschalen met hogere salaristreden te bereiken, maar gaan die gepaard met hogere kansen op het niet verlengen van tijdelijke arbeidsovereenkomsten om vaste aanstellingen te vermijden alsmede het bijbehorende werkloosheidsrisico.Goede en kwade kansen afwegend acht ik daarom door de jaren heen een hypothetisch verdienvermogen van 100% tot maximaal 120% van het wettelijk minimumloon realistisch.” Volgens [naam4] is geen sprake van concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat [appellant] nog een (niveau verhogende) opleiding was gaan volgen en evenmin om aan te nemen dat hij in staat zou zijn geweest om een opleiding tot lasser of een andere niveau verhogende opleiding te volgen. [appellant] mist daartoe voldoende beheersing van de Nederlandse taal en ook zijn opleidings- en arbeidsverleden in Nederland en Irak biedt die aanknopingspunten niet. In de paragraaf “Hypothetische arbeidsmogelijkheden na ongeval” zet [naam4] uiteen welke werkzaamheden [appellant] heeft verricht. Vervolgens geeft hij aan dat [appellant] vanwege zijn beperkingen niet in staat is om werkzaamheden in de logistiek te verrichten. Dat geldt ook voor beroepen in de industrie en de horeca. [appellant] zou wel werkzaamheden als schoonmaker kunnen verrichten, maar is verder aangewezen op zittend werk, bijvoorbeeld in een naaiatelier. Het verdienvermogen in deze functies is volgens [naam4] vergelijkbaar met het verdienvermogen zonder ongeval, 100% tot 120% van het minimumloon. Verder schrijft Van [naam4] : “Overigens moet worden bedacht dat voor de daadwerkelijke kans op aanvaarding van passend werk niet alleen de aan het ongeval gerelateerde beperkingen van belang zijn, maar ook eventuele andere (ervaren) beperkingen. Voor een theoretische inschatting van de arbeidsmogelijkheden zijn de beperkingen te scheiden in wel en niet aan het ongeval gerelateerd; ten aanzien van de praktische arbeidsmogelijkheden is dat onderscheid niet te maken. (…).Deze observaties overziend lijkt er gaandeweg een groeiende discrepantie te zijn ontstaan tussen de ervaren en de geduide belastbaarheid; inmiddels is het ongeveer 9 jaar geleden dat betrokkene voor het laatst heeft gewerkt. Hierdoor is gaandeweg een steeds grotere kloof tot de arbeidsmarkt ontstaan en is betrokkene het zicht op concrete oplossingen in passend werk kwijtgeraakt. Daarbij vormt inmiddels ook zijn vorderende leeftijd een knelpunt; alhoewel leeftijdsdiscriminatie niet is toegestaan, valt de invloed hiervan in de praktijk niet te ontkennen. Per saldo wordt het arbeidsmarktprofiel van betrokkene gedomineerd door het bestaan van langdurige werkloosheid, vorderende leeftijd, zowel de geduide als de ervaren beperkingen en de beperkte Nederlandse taalbeheersing. In het verlengde daarvan acht ik hem niet voldoende zelfredzaam op het vlak van het zelfstandig zoeken naar geschikte arbeidsmogelijkheden en vacatures, sollicitatieactiviteiten en omliggende communicatie. Voor een scholingstraject is een aanzienlijke, gerichte motivatie vereist, deze heb ik bij\n\nbetrokkene niet kunnen vaststellen. Tenslotte zijn ook na het ongeval de arbeidsmarktfactoren van toepassing zoals beschreven in paragraaf 4.3.2.\n\nAan de pluszijde van zijn profiel noteer ik zijn participatie in vrijwilligerswerk voor de\n\nStichting Vluchtelingenwerk. Hier kan betrokkene zijn talenkennis benutten en bijkomende werknemersvaardigheden ontwikkelen zoals gespreksvoering en computergebruik. Ook biedt het vrijwilligerswerk een doel, zingeving, waardering en structuur. Dat biedt echter geen direct zicht op betaald werk en maakt de dominante kenmerken van het geschetste arbeidsmarktprofiel nog niet anders; eerder acht ik het voortbestaan van het vrijwilligerswerk daarmee voor het welzijn van betrokkene van zelfstandige waarde. Bovendien is het vrijwilligerswerk als gevolg van de ontwikkelingen rondom het coronavirus al langere tijd stil komen te liggen.\n\nZodoende acht ik een aanzienlijke afstand tot de arbeidsmarkt aanwezig, zodanig dat ik de kansen op daadwerkelijke aanvaarding van passend werk somber inschat. Ik ben dan ook zeer voorzichtig in het benoemen van mogelijkheden om middels opleiding of begeleiding de kans op daadwerkelijke aanvaarding van passend werk significant te verhogen. Wanneer ik die kans buiten beschouwing laat, acht ik een re-integratietraject van tenminste 1 jaar vereist; primair gericht op het bemiddelbaar maken en aansluitend op het daadwerkelijk bemiddelen naar passend werk. Vanwege de ingeschatte beperkte zelfredzaamheid zou bij de bemiddeling een beroep op een re-integratiedeskundige met een lokaal\u002Fregionaal netwerk een vereiste zijn. Een mogelijke aanbieder hiervan is Weustink & Partners (…).\n\nOok bij daadwerkelijke inzet van een dergelijk re-integratietraject acht ik de kans van slagen in het licht van de totale beschreven situatie zeer beperkt. Weliswaar stijgt die kans door toedoen van de dan geboden begeleiding, maar waarschijnlijk niet zodanig dat die begeleiding succesvol kan worden genoemd. Illustratief hiervoor is de kans op\n\nsucces in re-integratie tweede spoor, zie het onderzoek van CS Opleidingen (bijlage); de re-integratiekansen bij een nieuwe werkgever worden hierin (veel) lager ingeschat dan bij de eigen werkgever. Daarbij wordt als belangrijkste succesfactor voor re-integratie vooral de motivatie van de werknemer zelf gezien. In relatie tot dit onderzoek moet worden bedacht dat het hier de populatie van werknemers binnen de eerste 2 jaar van ziekte betreft terwijl betrokkene al 9 jaar niet meer heeft gewerkt. Een andere vergelijking kan gemaakt worden met de WIA-populatie, zie bijvoorbeeld (…); hieruit blijkt dat langdurig arbeidsongeschikten amper uitstromen naar werk.Samenvattend acht ik de afstand tot de arbeidsmarkt zodanig groot dat ook bij de\n\neventuele inzet van een re-integratietraject sprake is van zeer beperkte kansen op\n\ndaadwerkelijke werkaanvaarding. Bij een eventuele investering in een\n\nre-integratietraject moet dan ook met een zeer kleine kans van slagen rekening worden\n\ngehouden.” De aan hem gestelde vragen beantwoordt [naam4] als volgt. Volgens [naam4] is [appellant] binnen de door de verzekeringsgeneeskundige beschreven belastbaarheid in staat te achten fulltime passende werkzaamheden te verrichten. Met die werkzaamheden is een inkomen van 100% tot 120% van het minimumloon realiseerbaar. [naam4] acht de kans op daadwerkelijke aanvaarding van passend werk zeer beperkt. De afstand tot de arbeidsmarkt kan met een re-integratietraject weliswaar worden verkleind, maar de kans op aanvaarding van passend werk neemt daardoor nauwelijks toe. Op vraag 5, wat [appellant] , uitgaande van zijn situatie ten tijde van het ongeval en rekening houdend met een normaal te verwachten carrière in de hypothetische situatie zonder ongeval zou hebben verdiend, antwoordde [naam4] dat [appellant] in de hypothetische situatie zonder ongeval eveneens 100% tot 120% van het minimumloon zou kunnen verdienen. Maar rekening houdend met de kans op werkloosheid is dit dichter bij 100% dan bij 120% te schatten. Uitgaand van frictiewerkloosheid zou [appellant] volgens [naam4] vanaf 2004 invulling hebben kunnen geven aan deze verdiencapaciteit.\n\nIn reactie op het commentaar van mr. Dolderman, de (toenmalige) advocaat van [appellant] , op het concept-rapport schrijft [naam4] : ”In paragraaf 4.3.1 heb ik de stelling van betrokkene besproken dat hij - het ongeval\n\nweggedacht - na zijn inburgering had willen werken of door had willen leren. Met\n\nbetrekking tot eventuele scholing had betrokkene nog geen vastomlijnd idee in welke\n\nrichting hij dat had willen doen. Vanuit het opleidings- en arbeidsverleden voorafgaand\n\naan het ongeval, heb ik geen aanknopingspunten gevonden om te beargumenteren dat\n\nbetrokkene - het ongeval weggedacht - alsnog een niveau verhogende opleiding zou\n\nhebben gevolgd. De heer Dolderman betoogt dat juist in die fase daartoe mogelijkheden zouden hebben kunnen ontstaan en dat het ongeval betrokkene die kans heeft ontnomen. Echter, ook in de hypothetische situatie zonder ongeval heb ik geen aanknopingspunten om aan te nemen dat betrokkene dan alsnog - op inmiddels bijna 35-jarige leeftijd - een hoger opleidingsniveau had kunnen bereiken dan in de jaren daarvoor.\n\nMet name ontbreken aanknopingspunten dat betrokkene daartoe het potentieel zou\n\nhebben gehad; de voorgeschiedenis biedt daar geen steun voor. In paragraaf 4.2 heb\n\nik uiteengezet dat het opleidings- en arbeidsverleden van betrokkene aanleiding geeft\n\nom het functioneren van betrokkene op maximaal functieniveau 2 in te schatten. Vanuit\n\ndie geschiedenis kan ik niet onderschrijven dat betrokkene in de hypothetische situatie\n\nzonder ongeval - op of na circa 35-jarige leeftijd - alsnog een hoger (opleidings)niveau\n\nhad kunnen bereiken.(…)Met betrekking tot het antwoord op vraag 5 het volgende. Met het woord 'eveneens'\n\nbenoem ik dat het verdienvermogen van betrokkene in de hypothetische situatie\n\nzonder ongeval grosso modo gelijk is aan de theoretische verdiencapaciteit na ongeval\n\nop basis van de geduide belastbaarheid. Dat is nog zonder beschouwing van het\n\nwerkloosheidsrisico. De genoemde 100% tot 120% van het wettelijk minimumloon is\n\neen bandbreedte; in het antwoord op vraag 5 geef ik aan dat medeweging van het\n\nwerkloosheidsrisico ertoe leidt dat het verdienvermogen zonder ongeval dichterbij de\n\n100% dan bij de 120% van het wettelijk minimumloon moet worden geschat. In de\n\nsituatie na ongeval heb ik het werkloosheidsrisico apart benoemd in het antwoord op\n\nvraag 4. Hieruit volgt dat het werkloosheidsrisico in de situatie na ongeval (veel) groter\n\nis dan in de hypothetische situatie zonder ongeval.”5. 5. De beoordeling van het geschil\n\nDe geschilpunten in hoger beroep5.1 De grieven van [appellant] tegen de beslissing in het deelgeschil en de verschillende (tussen)vonnissen van de rechtbank hebben alleen betrekking op de beslissingen van de rechtbank over de schade vanwege het verlies van verdienvermogen en de buitengerechtelijke kosten. De beslissingen van de rechtbank over het smartengeld, de kosten van huishoudelijke hulp, het verlies van zelfredzaamheid en de overige schade staan dan ook niet meer ter discussie.\n\n5.2. \n\nTussen partijen staan de rapporten en conclusies van orthopedisch chirurg [naam1]\n\n(zie 4.4 en 4.6), psychiater prof. [naam2] (zie 4.8) en verzekeringsgeneeskundige [naam3] (zie 4.9) ook niet ter discussie. Het hof kan dan ook uitgaan van de juistheid van die rapporten en conclusies.\n\nVerlies van verdienvermogen - uitgangspunten5.3 De rechtbank heeft de vordering van [appellant] betreffende het verlies van verdienvermogen afgewezen. De rechtbank heeft op basis van het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] (zie 4.10) vastgesteld dat het verdienvermogen van [appellant] in de situatie na ongeval gelijk is aan het verdienvermogen in de hypothetische situatie zonder ongeval. Om die reden is volgens de rechtbank geen sprake van een verlies aan verdienvermogen. Dat [appellant] feitelijk niet in staat is om zijn verdienvermogen te realiseren, kan volgens de rechtbank niet aan Allianz worden toegerekend.\n\n5.4. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat de schade wegens verlies aan verdienvermogen moet worden begroot door het verdienvermogen in de hypothetische situatie zonder ongeval te vergelijken met het verdienvermogen in de werkelijke situatie na ongeval. Tussen partijen staat dat ook niet discussie. Uit het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] volgt dat [appellant] in theoriein staat is om in de situatie na ongeval een inkomen te realiseren dat gelijk is aan het inkomen in de hypothetische situatie, maar dat de kans klein is dat hij die theoretische verdiencapaciteit zal realiseren. In de praktijk is daarvan nog geen sprake geweest ( [appellant] heeft immers een uitkering op grond van de Participatiewet) en het is niet te verwachten dat dit zal veranderen.\n\n5.5. Voor de te maken vergelijking is in beginsel niet het theoretische maar het feitelijke verdienvermogen na ongeval bepalend. Wanneer, zoals in dit geval, het theoretische verdienvermogen niet is gerealiseerd en naar verwachting ook niet zal worden gerealiseerd, rijst de vraag wat daarvan de oorzaak is. Als die oorzaak (mede) is gelegen in het feit dat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden (of in andere omstandigheden die aan hem kunnen worden toegerekend), dient naar de maatstaf van artikel 6:101 BW te worden beoordeeld of en in hoeverre de verplichting van Allianz om de schade vanwege het verlies aan verdienvermogen (het verschil tussen het verlies aan verdienvermogen in de situatie zonder ongeval en na ongeval) te vergoeden moet worden verminderd. In dat geval moet eerst een causale verdeling worden gemaakt van de omstandigheden die aan [appellant] en Allianz kunnen worden toegerekend waarna moet worden beoordeeld of een billijkheidscorrectie op zijn plaats is. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is ook gebleken dat de door de rechtbank gehonoreerde stelling van Allianz dat het feit dat [appellant] zijn theoretisch verdienvermogen na ongeval niet heeft gerealiseerd niet aan haar kan worden toegerekend, moet worden gezien als een beroep op de schadebeperkingsplicht\u002Feigen schuld van [appellant] . De stelplicht en bewijslast betreffende de omstandigheden die aan [appellant] moeten worden toegerekend, rusten op Allianz.\n\n5.6. Het hof zal hierna eerst het geschil van partijen over het verdienvermogen van [appellant] in de hypothetische situatie zonder ongeval bespreken en daarna ingaan op het verdienvermogen in de situatie na ongeval.\n\nVerdienvermogen zonder ongeval5.7 De rechtbank is ervan uitgegaan dat [appellant] in de situatie zonder ongeval vanaf 2004 een inkomen van 100% tot 120% van het minimumloon had kunnen verwerven. De rechtbank heeft zich daarbij gebaseerd op het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] . [appellant] is het niet eens met dit uitgangspunt. Volgens hem zijn de doorgroeimogelijkheden in de logistiek rooskleuriger dan [naam4] in zijn rapport heeft vermeld. [naam4] heeft bovendien geen rekening gehouden met toeslagen en met de plannen van [appellant] om een opleiding als lasser te gaan volgen.\n\n5.8. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de bepaling van de situatie zonder ongeval aan op ‘redelijke verwachtingen’ over toekomstige ontwikkelingen en een afweging van goede en kwade kansen. Op de benadeelde rust weliswaar de bewijslast van de schade wegens het derven van arbeidsinkomsten zonder ongeval, maar aan dat bewijs mogen geen al te strenge eisen worden gesteld. Zo nodig krijgt de benadeelde het voordeel van de twijfel omdat het de aansprakelijke partij is die hem de mogelijkheid heeft ontnomen zekerheid te verschaffen over wat in de hypothetische situatie zou zijn gebeurd. Centraal staan dus de redelijke verwachtingen. Die redelijke verwachtingen zullen doorgaans samenvallen met de realistische verwachtingen, de verwachtingen die, op basis van zoveel mogelijk concrete aanknopingspunten, overeenkomen met de voor deze benadeelde te verwachten normale gang van zaken.\n\n5.9. Arbeidsdeskundige [naam4] heeft in zijn rapport naar het oordeel van het hof helder en duidelijk uiteengezet dat [appellant] , gelet op zijn opleiding, arbeidsverleden en taalvaardigheid ook in de hypothetische situatie zonder ongeval aangewezen zou zijn op - kort gezegd - ongeschoold werk en dat met dit werk een inkomen van hooguit 20% boven het minimumloon valt te verdienen. Van [naam4] heeft ook inzichtelijk gemaakt dat het bij dit werk doorgaans om flexwerk gaat, waardoor de doorgroeimogelijkheden naar een hogere schaal en trede zeer beperkt zijn. Hij heeft dit geïllustreerd met de ervaringen van [appellant] bij TNT-Post in de situatie na ongeval; het contract van [appellant] bij TNT-Post is ook niet verlengd. Ook heeft [naam4] helder uiteengezet dat en waarom de stelling van [appellant] dat hij zonder ongeval een opleiding tot lasser zou hebben gevolgd niet realistisch is; [appellant] miste de daarvoor vereiste startkwalificaties gezien zijn opleiding en arbeidsverleden en beperkte beheersing van de Nederlandse taal.\n\n5.10. Gelet op het rapport van [naam4] heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat een redelijke verwachting van de situatie zonder ongeval inhoudt dat hij een inkomen van meer dan 120% van het minimumloon zou hebben verworven. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [appellant] nog betoogd dat indien Allianz hem beter zou hebben begeleid hij er beter voor zou hebben gestaan. [appellant] miskent dat hij in de situatie zonder ongeval niets met Allianz te maken zou hebben gehad. Allianz zou hem (ook) in die situatie niet hebben begeleid. [appellant] heeft ook verwezen naar informatie op een website waaruit zou blijken dat in de logistiek inmiddels ruimschoots meer dan het minimumloon wordt verdiend. Met deze enkele verwijzing, zonder enige context, heeft [appellant] het goed onderbouwde rapport van [naam4] , die als arbeidsdeskundige geacht mag worden toegang te hebben tot alle relevante informatie over lonen en loonontwikkelingen, onvoldoende weerlegd.\n\n5.11. Het hof zal [naam4] dan ook volgen in zijn benadering van het inkomen zonder ongeval. [naam4] heeft een marge van 100% tot 120% van het minimumloon aangehouden. Het hof zal, rekening houdend met goede en kwade kansen, uitgaan van een inkomen gelijk aan 110% van het minimumloon vanaf 1 juli 2004. Het hof neemt daarbij enerzijds in aanmerking dat [appellant] ten tijde van het ongeval nog geen werk had en dat, zoals [naam4] aangeeft, bij de banen waarop [appellant] aangewezen zou zijn geweest, sprake is van een werkloosheidsrisico. Omdat het veelal flexwerk betreft, is dat risico hoger dan gebruikelijk, al was het maar omdat met relatief korte tussenpozen ander werk gevonden moet worden. Anderzijds houdt het hof er, in het voordeel van [appellant] , rekening mee dat hij mogelijk (overwerk) toeslagen zou hebben ontvangen, waardoor zijn inkomen hoger zou zijn geweest. Per saldo komt het hof dan halfweg de door [naam4] genoemde bandbreedte uit.\n\nVerdienvermogen met ongeval5.12 [appellant] had ten tijde van het ongeval een bijstandsuitkering. In maart 2007 is hij bij TNT Post gaan werken. In maart 2009 is zijn tweemaal verlengde contract voor bepaalde tijd niet verlengd. [appellant] heeft toen een WW-uitkering gekregen. Van mei 2011 tot mei 2012 werkte hij als schoonmaker. Na de operatie van dat jaar aan zijn enkel (zie 4.1) heeft hij niet meer gewerkt. Hij ontvangt sindsdien een uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens [appellant] heeft de gemeente Zwolle hem ontheven van de op grond van die wet op hem rustende verplichting om te solliciteren. Hoewel stukken die dat bevestigen ontbreken, gaat het hof ervan uit dat dit het geval is. Niet ter discussie staat dat [appellant] niet gesolliciteerd heeft en toch niet is gekort op zijn uitkering. Dat biedt voldoende steun voor de stelling van [appellant] dat hij inderdaad is ontheven van de sollicitatieverplichting. Beide partijen gaan ervan uit dat [appellant] niet meer aan het werk zal komen omdat de afstand tot de arbeidsmarkt te groot is geworden, zoals arbeidsdeskundige [naam4] heeft vastgesteld. Het hof zal daar ook vanuit gaan.\n\n5.13. \n [appellant] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij na de operatie in 2012 niet meer heeft gesolliciteerd omdat hij vond dat hij vanwege pijnklachten niet kon werken. Volgens [appellant] is hij om die reden nog steeds niet tot werken in staat. De ook door [appellant] onderschreven rapporten van orthopedisch chirurg [naam1] , psychiater [naam2] en verzekeringsgeneeskundige [naam3] bieden echter geen steun voor de juistheid van die gedachte. Uit deze rapporten volgt dat er inderdaad sprake is van enkele beperkingen. [naam3] heeft die beperkingen uitgewerkt in een beperkingenlijst. Uit het op dit punt niet bestreden rapport van arbeidsdeskundige [naam4] blijkt dat die beperkingen op zichzelf niet aan het verrichten van loonvormende arbeid in de weg staan.\n\n5.14. Het tweede rapport van [naam1] en de andere rapporten zijn enkele jaren na 2012 opgesteld en geven dus niet zonder meer antwoord op de vraag of [appellant] in 2012 ook niet in staat was te werken. In dit verband is van belang dat [appellant] aanvoert dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij niet alleen geconfronteerd is met fysieke beperkingen maar ook met psychische klachten. Het rapport van psychiater [naam2] biedt inderdaad steun voor de gedachte dat [appellant] rond 2012 psychische klachten heeft ontwikkeld die [appellant] zelf in verband brengt met het ongeval. Volgens [naam2] lijken die klachten verbonden met “de omineuze betekenis die hij geeft aan de prognose van zijn lichamelijke klachten.” Het hof gaat ervan uit dat [naam2] doelt op het feit dat [naam1] in zijn eerste expertiserapport, van september 2010, heeft geconcludeerd dat nog geen sprake is van een eindtoestand vanwege de te verwachten (langzaam progressieve) degeneratieve veranderingen van de rechterknie. In het licht van dit alles is voldoende aannemelijk dat [appellant] in 2012 psychische klachten heeft gehad omdat hij bang was dat de situatie van zijn rechterknie verder zou verslechteren. Die angst is, gelet op het tweede rapport van [naam1] uit oktober 2015 onterecht gebleken, maar toen dat duidelijk werd, zat [appellant] al drie jaren thuis.\n\n5.15. Tussen partijen staat niet ter discussie dat geen poging is ondernomen om [appellant] te re-integreren. Partijen wijzen daarvoor naar elkaar. Allianz meent dat [appellant] daar ten onrechte niet om heeft gevraagd en daar ook niet op zat te wachten en [appellant] vindt dat Allianz ten onrechte niet heeft aangeboden hem te helpen om te re-integreren. [appellant] heeft Allianz wel om hulp gevraagd, stelt hij. Voor die stelling zijn wel aanknopingspunten te vinden. In de procedure in het deelgeschil heeft hij de rechtbank verzocht om Allianz te veroordelen mee te werken aan de re-integratie en de kosten daarvan te betalen. In de aanvulling op zijn verzoekschrift in het deelgeschil, in september 2012, heeft hij daarvoor een concreet voorstel gedaan. In dat verband heeft hij een offerte van AOB Compaz overgelegd betreffende een re-integratietraject. Dat traject houdt onder meer in dat de betrokkene wordt gestimuleerd los te komen uit zijn oude situatie, waardoor er “ruimte ontstaat voor een transitie naar een nieuwe situatie”. In die nieuwe situatie wordt de betrokkene intensief begeleid naar een nieuwe plek op de arbeidsmarkt. Gelet hierop is de stelling van Allianz dat re-integratie geen kans van slagen had omdat [appellant] meende niet meer te kunnen werken, niet op. Het re-integratietraject was er nu juist op gericht om [appellant] te stimuleren los te komen van de gedachte dat hij niet meer kon werken. Er kan ook niet van worden uitgegaan dat indien toen actie was ondernomen de kans dat [appellant] aan het werk zou zijn gekomen minimaal zou zijn geweest, zoals 9 jaar later, toen [naam4] rapporteerde, wel het geval was. Allianz had toen haar bekend werd dat [appellant] niet meer aan het werk was, moeten aanbieden om [appellant] te helpen met zijn re-integratie, al helemaal toen [appellant] zelf met een concreet voorstel voor een re-integratietraject kwam. [appellant] , die een inkomen rond het bestaansminimum had, kon de kosten van zo’n traject immers niet zelf betalen. In deze situatie, waarin Allianz niet zelf het initiatief heeft genomen tot een re-integratie van [appellant] , geweigerd heeft om het traject bij AOB Compaz te vergoeden en [appellant] niet de financiële middelen had om zelf dat traject te bekostigen, kan Allianz zich er niet met succes op beroepen dat [appellant] op dit punt heeft stilgezeten. Voor zover Allianz zich erop beroept dat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen re-integratietraject te bewandelen, faalt dat beroep. Anderzijds verwijt [appellant] Allianz terecht dat zij op het punt van zijn re-integratie is tekortgeschoten.\n\n5.16. Van belang is nog dat [appellant] ook zonder ongeval al een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt had. Door het ongeval zijn [appellant] ’s mogelijkheden om betaald werk te verrichten verder beperkt. Voor werk in de logistiek, de industrie en de horeca - belangrijke sectoren voor laaggeschoold werk - is hij volgens het rapport van arbeidsdeskundige [naam4] niet meer geschikt.\n\n5.17. Al met al heeft de (gelet op wat in 5.13 is overwogen: onjuiste) beslissing van [appellant] in 2012 om geen werk meer te zoeken eraan bijgedragen dat hij zijn theoretische verdiencapaciteit niet heeft benut en dat zijn theoretische en zijn feitelijke verdienvermogen uiteenlopen. Maar die aan hem toe te rekenen keuze is niet de enige omstandigheid die daaraan heeft bijgedragen. Ook de omstandigheid dat [appellant] door zijn beperkingen minder mogelijkheden had en heeft om zijn theoretische verdiencapaciteit te benutten en de omstandigheid dat Allianz niets heeft ondernomen om hem te helpen met zijn re-integratie, hebben eraan bijgedragen dat [appellant] ook na 2012 niet meer aan de slag is gekomen en dat zijn afstand tot de arbeidsmarkt alleen maar is toegenomen. Het hof is van oordeel dat de keuze van [appellant] om geen werk meer te zoeken een tweemaal zo hoge bijdrage heeft geleverd aan het negatieve verschil tussen feitelijke en theoretische verdiencapaciteit als de aan Allianz toe te rekenen omstandigheden. Op grond van de causale verdeling is dan ook een percentage ‘eigen schuld’ van 66,67 % op zijn plaats. Het hof ziet reden voor een billijkheidscorrectie tot 50% vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten. Enerzijds valt [appellant] gezien zijn psychische problematiek in 2012 een minder groot verwijt te maken van zijn onjuiste keuze en anderzijds valt het Allianz als professionele partij aan te rekenen dat zij in 2012 en nadien (nadat zij eerst vier jaar had geprocedeerd over de aansprakelijkheid en nadat vervolgens na vier jaar nog steeds geen regeling was bereikt) geen concrete stappen heeft ondernomen om te onderzoeken of de schade van [appellant] niet kon worden beperkt.\n\n5.18. De conclusie is dat in de situatie na ongeval tot 1 juli 2012 kan worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] . Voor de situatie vanaf 1 juli 2012 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd moet ook worden uitgegaan van het feitelijk inkomen. Maar als over die periode sprake is van schade, doordat het feitelijk inkomen lager is dan het hypothetisch inkomen, dient hij de helft van die schade zelf te dragen..\n\nDe schadeberekening5.19 Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [appellant] , anders dan de rechtbank heeft beslist, mogelijk wel schade vanwege verlies verdienvermogen heeft geleden en zal lijden. Het hof kan niet zelf bepalen of sprake is van schade en kan, als daarvan sprake is, de omvang niet zelf begroten. Daarvoor zal een rekenkundige moeten worden ingeschakeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het hof met partijen de mogelijkheid van de benoeming van een rekenkundige besproken. Partijen hebben te kennen gegeven in te stemmen met de benoeming van de heer [naam5] van het Nederlands rekencentrum Letselschade (NRL). De heer [naam5] heeft desgevraagd aangegeven bereid te zijn een berekeningsrapport op te stellen. Hij zal in zijn rapport ook rekening houden met de consequenties van het feit dat [appellant] een uitkering van de Participatiewet ontvangt en ook in de toekomst op die uitkering aangewezen zal zijn.\n\n5.20. \n [naam5] heeft aangegeven dat hij voor zijn werkzaamheden, uitgaande van een uurtarief van € 230,- ex btw, een voorschot van € 7.500,- inclusief btw verlangt. Het hof zal Allianz als de aansprakelijke partij belasten met de betaling van het voorschot.\n\nBuitengerechtelijke kosten5.21 De door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten bestaan allereerst uit medische kosten. Het gaat om kosten van de door hem ingeschakelde medische adviseur, kosten voor het opvragen van medische informatie en om de kosten van het eerste expertiserapport van [naam1] . [appellant] heeft bij de memorie van grieven een specificatie overgelegd van deze kosten. Allianz heeft die specificatie onvoldoende weersproken, zodat het hof van de juistheid ervan uitgaat. Dat betekent dat [appellant] nog aanspraak heeft op betaling van € 3.338,66.\n\n5.22. \n [appellant] vordert ook ruim € 64.000,- aan tolk- en vertaalkosten. Aan [appellant] is al € 15.000,- aan vertaalkosten toegekend. Dat is al fors. Dat nog veel meer kosten zijn gemaakt, heeft hij in het licht van het verweer van Allianz onvoldoende onderbouwd. Deze vordering is dan ook niet toewijsbaar.\n\n5.23. Dat geldt ook voor de gevorderde kosten over de periode tot 29 juli 2008. Gedurende het grootste deel van die periode procedeerden partijen over de aansprakelijkheid van London Verzekeringen. Indien [appellant] in die periode kosten heeft gemaakt, vallen die onder het bereik van een eventuele proceskostenveroordeling.\n\n5.24. Ten slotte heeft [appellant] bijna € 110.000,- aan buitengerechtelijke kosten en € 13.500,- aan kosten van telefoongesprekken (kennelijk gesprekken van zijn belangenbehartiger) gevorderd. Allianz heeft deze vordering bestreden. Het betreft volgens haar een exorbitant bedrag dat niet in verhouding staat tot de omvang van de vordering en de (geringe) complexiteit van de zaak. Bovendien zitten er dubbelingen in omdat [appellant] ook is bijgestaan door achtereenvolgens vier advocaten. Dat laatste verweer gaat niet op. Ter zitting is gebleken dat de advocaten geen buitengerechtelijke kosten in rekening hebben gebracht en zullen brengen aan Allianz. De kosten van die advocaten zitten ook niet in de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Het hof zal dan ook een bedrag aan buitengerechtelijke kosten toewijzen. Indien de gehele vordering wordt afgewezen, zoals Allianz betoogt, zou dat betekenen dat er - afgezien van de kosten van het deelgeschil - in het geheel geen buitengerechtelijke kosten zouden worden vergoed. Daar staat tegenover dat het gevorderde bedrag het hof als fors bovenmatig voorkomt, gelet op het feit dat de kosten betrekking hebben op een periode van maximaal 8 jaar (tussen het arrest van het hof en het aanhangig maken van de procedure over de omvang van de schade bij de rechtbank) en het er niet op lijkt dat partijen in die periode intensief onderhandeld hebben. Het hof zal, als partijen geen regeling bereiken, in het eindarrest een beslissing nemen over de hoogte van het bedrag aan buitengerechtelijke kosten.5.25. \n\n [appellant] heeft grote bedragen aan wettelijke rente gevorderd. Die bedragen zijn zo opgelopen omdat [appellant] ten onrechte de handelsrente in rekening heeft gebracht. Ter zitting is gebleken dat [appellant] nog geen vergoeding voor buitengerechtelijke kosten heeft betaald en dat die vergoeding ook nog niet opeisbaar is. [appellant] heeft nog geen facturen ontvangen. Dat betekent dat de vordering tot vergoeding van wettelijke rente niet toewijsbaar is.\n\nDe conclusie5.26 Het hof zal een rekenkundige benoemen. In afwachting van diens rapport en de reacties van partijen daarop wordt iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. \n\nHet hof benoemt tot deskundige:\n\n [naam5] , postbus 341, 2501 CH Den Haag, e-mail: [naam5] @nrl.nl\n\nom een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de volgende vragen: a. Wilt u de schade van [appellant] vanwege verlies van verdienvermogen berekenen vanaf 1 juli 2004 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd en daarbij de volgende uitgangspunten hanteren: - een inkomen zonder ongeval van 110% van het minimumloon; - een inkomen na ongeval gelijk aan het feitelijke inkomen - een percentage eigen schuld van 50% vanaf 1 juli 2012; - een rekenrente op basis van de meest recente aanbeveling van de rechtspraak? b. Wilt u op basis van de door u in te winnen informatie bij de gemeente(n) van wie [appellant] een bijstandsuitkering\u002Fuitkering op grond van de Participatiewet ontvangen heeft aangeven of (en in hoeverre) [appellant] zijn aanspraken op de ontvangen uitkering behoudt en in de toekomst aanspraak op een uitkering zal blijven houden? Wilt u ook aangeven wat de consequenties van een en ander zijn geweest voor uw berekening? c. Wilt u een berekening maken van de wettelijke rente per 1 januari 2024 over de door u berekende schadebedragen tot en met 31 december 2023? d. Geeft uw onderzoek u reden om opmerkingen te maken die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?\n\n6.2. Het hof stelt het voorschot van de deskundige vast op € 7.500,- (inclusief omzetbelasting), tenzij partijen binnen 14 dagen schriftelijk bezwaar maken tegen de hoogte van het voorschot. In dat geval zal het hof op dat bezwaar beslissen. Allianz moet het voorschot betalen. Aanwijzingen voor de deskundige\n\n6.3. Pas als de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald, hoeft de deskundige met het onderzoek te beginnen.\n\n6.4. De deskundige moet schriftelijk antwoorden op de hiervoor geformuleerde vragen. Hij dient zijn concept-rapport voor commentaar aan partijen voorleggen en in zijn definitieve rapport op het commentaar van partijen te reageren.\n\n6.5. Bij de uitvoering van het onderzoek moet de deskundige de Leidraad deskundige in civiele zaken volgen die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.\n\n6.6. Als de deskundige vragen heeft, kan hij die stellen aan mr. H. de Hek als raadsheer- commissaris.\n\n6.7. Het ondertekende deskundigenbericht moet vóór (20 mei 2024) worden gestuurd aan de griffie van dit hof (postbus 1704, 8901 CA in Leeuwarden).\n\nAanwijzingen voor partijen\n\n6.8. Het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal aan Allianz een voorschotfactuur sturen van € 7.500,- (inclusief btw). Dit voorschot moet binnen 4 weken na de datum op de factuur zijn betaald.\n\n6.9. \n [appellant] moet aan de deskundige een kopie van het dossier sturen. De griffier stuurt de deskundige een kopie van dit arrest.\n\n6.10. Partijen moeten de deskundige de inlichtingen geven waarom deze vraagt.\n\n6.11. Op dinsdag 18 juni 2024 kan [appellant] op het deskundigenbericht reageren. Op dinsdag 16 juli 2024 mag Allianz daarop reageren.\n\n6.12. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.E. Wichers en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n20 februari 2024.\n\n HR 13 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9243 (B\u002FOliviers).\n\n HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654 (Vehof\u002FHelvetia) en 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277 (Van ’t Sas\u002FInterpolis).\n\n Het deel van grief I dat over dit onderwerp gaat faalt.\n\n Zie ook HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3532.\n\n De grieven I en II slagen gedeeltelijk.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:1232","2026-07-13T00:28:55.910Z",1,20]