[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-victim-compensation-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":16,"limit":31},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},96,"victim-compensation-nl","Victim Compensation","NL","2026-07-08T16:56:12.456Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},1,{"min":18,"max":18},"2026-07-01T00:00:00.000Z",[],[21],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":29,"updatedAt":30},"1533","ECLI:NL:GHARL:2026:4287","ecli-nl-gharl-2026-4287","","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003848-25\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 1 september 2025 met parketnummer 18-143157-25 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [woonplaats] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof van 17 juni 2026 en de zitting bij de politierechter.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:\n\nveroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd;\n\noplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (te weten een contactverbod jegens aangeefster, haar kinderen, ouders en zus en een gebiedsverbod voor het dorp [dorp] ) voor de duur van 5 jaren;\n\ndadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel;\n\ntoewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. K. Boonstra, hebben aangevoerd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft bij vonnis van 1 september 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden:\n\neen meldplicht;\n\neen behandelverplichting;\n\neen drugsverbod;\n\neen contactverbod jegens aangeefster;\n\neen locatieverbod voor [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [dorp] .\n\nDe politierechter heeft een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een gebiedsverbod voor het dorp [dorp] , opgelegd en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 986,02 en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van haar vordering.\n\nHet hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 29 juni 2025 te [dorp] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door zich in voornoemde periode\n\n- meermalen (ongewenst) op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof bij de woning van haar ouders en\u002Fof vervolgens op ramen en deuren van die woningen te kloppen en\u002Fof aan te bellen en\u002Fof zijn auto vóór en\u002Fof op de oprit van die woningen te parkeren, en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] en\u002Fof haar vader [slachtoffer] meermalen te bellen en\u002Fof meermalen te appen, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging moet de ten laste gelegde periode worden opgesplitst in tweeën. In de periode van 11 augustus 2024 tot 5 oktober 2024 is volgens de raadsman geen sprake van een opzettelijke en wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, omdat verdachte na het gesprek bij het [Instantie] niet doorhad dat hij helemaal geen contact meer mocht zoeken met aangeefster.\n\nIn de periode vanaf 05 oktober 2024 waren – aldus de raadsman – de aard en frequentie van de gedragingen van verdachte dermate gering dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster geen sprake was. Daarbij was geen sprake van wederrechtelijkheid, nu verdachte alleen contact zocht met aangeefster in het belang van zijn contact met de kinderen. De raadsman heeft in dit kader wetsgeschiedenis aangehaald waaruit blijkt dat in dergelijke situaties terughoudend moet worden geoordeeld over de vraag of sprake is van belaging.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).\n\nHet hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte en aangeefster hebben tot begin 2024 een relatie gehad. Uit deze relatie zijn kinderen geboren. Op 5 augustus 2024 hebben verdachte en aangeefster bij het [Instantie] (hierna: [Instantie] ) een gesprek gehad in aanwezigheid van medewerkers van het [Instantie] en van [instantie 2] vanwege de zorgen rondom het gezin. Tijdens dat gesprek is op advies van het [Instantie] afgesproken dat verdachte aangeefster en de kinderen met rust zou laten voor de periode van een jaar. Verdachte heeft daar die dag mee ingestemd.\n\nOndanks deze toezegging heeft verdachte in de periode daarna regelmatig contact gezocht met aangeefster. Hij kwam bij haar huis en nam contact op met haar, haar zoon en haar ouders. Op 5 oktober 2024 heeft de politie een stopgesprek met verdachte gehouden waarin aan verdachte nadrukkelijk is uitgelegd dat hij geen contact meer moest zoeken met aangeefster en dat hij voor het treffen van een omgangsregeling contact op diende te nemen met zijn advocaat. Na dit gesprek blijft het korte tijd rustig blijft, maar vanaf eind oktober nemen de contactpogingen van verdachte richting aangeefster en haar omgeving weer toe.\n\nOp 1 december 2024 staat verdachte weer voor de woning van aangeefster. De politie komt ter plaatse en besluit verdachte aan te houden op verdenking van stalking. Na deze aanhouding ontvangt de politie geen meldingen meer van aangeefster over contactpogingen. Wel neemt nu haar vader regelmatig contact op met de politie omdat verdachte hem belt en berichten stuurt en bij hem thuis aanbelt. De laatste melding dateert van 16 juni 2025.\n\nVerdachte heeft op de zitting van het hof alle contact(poging)en erkend, maar daarbij aangegeven dat hij dat niet als strafbaar ziet omdat hij in gesprek wilde met aangeefster over de omgang met de kinderen. Zijn raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet begreep dat hij in het geheel geen contact met aangeefster mocht opnemen, ook niet via haar vader.\n\nHet hof verwerpt het verweer dat verdachte niet begrepen zou hebben dat aangeefster geen contact met hem wenste. Naar het oordeel van het hof was het gesprek bij het [Instantie] het eerste moment waarop het voor verdachte volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat aangeefster niet gediend was van contact. Het enkele feit dat verdachte het – volgens eigen verklaring: later – niet eens was met het standpunt van aangeefster en de afspraak die daarom bij dit gesprek is gemaakt, maakt immers niet dat hij dat standpunt niet begreep. Vervolgens is zowel bij het stopgesprek op 5 oktober 2024 als door de aanhouding van verdachte op 1 december 2024 telkens opnieuw duidelijk gemaakt aan verdachte dat hij aangeefster met rust moet laten. Ondanks al deze momenten is verdachte bewust contact blijven opnemen met aangeefster en\u002Fof haar omgeving. Naar het oordeel van het hof is hiermee het opzet van verdachte wettig en overtuigend bewezen.\n\nVerder overweegt het hof dat – hoewel de frequentie van de gedragingen van verdachte op het eerste gezicht beperkt lijkt – de aard en intensiteit van deze gedragingen maakt dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte is onder andere meerdere keren bij aangeefster en haar familie aan de deur geweest. Dit is een zeer indringende manier van contact zoeken, omdat verdachte zich hiermee in de directe omgeving van aangeefster bevindt en omdat deze fysieke vorm van contact zoeken de continue vrees voor een volgend contact met zich brengt.\n\nTot slot is het hof van oordeel dat sprake is van een wederrechtelijke inbreuk. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard vrij snel na het [Instantie] -gesprek een advocaat te hebben ingeschakeld om het contact met zijn kinderen te kunnen behouden\u002Fherstellen. Verdachte had omgang met de kinderen via deze juridische weg moeten bewerkstelligen. Het verweer van de raadsman dat in situaties omtrent omgang met kinderen terughoudend moet worden geoordeeld over de vraag of sprake is van belaging, schuift het hof terzijde. De wetsgeschiedenis waarnaar de raadsman verwijst, ziet op de situatie waarin tussen ouders van kinderen een omgangsregeling bestaat en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer erin bestaat dat een verdachte contact zoekt omdat de andere ouder zich niet aan deze omgangsregeling houdt. Van zo’n situatie is in onderhavige zaak geen sprake.\n\nAl met al is het hof van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De reden waarom verdachte herhaaldelijk contact met aangeefster en haar omgeving bleef zoeken (contact willen met de kinderen) doet daar niet aan af.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:\n\n1. De door verdachte op de terechtzitting bij de politierechter van 1 september 2025 afgelegde verklaring:\n\nIk ben in de ten laste gelegde periode naar de woning van aangeefster (het hof begrijpt: te [dorp] ) en die van haar ouders gegaan en heb daar de auto geparkeerd. Bij aangeefster heb ik ook op de ramen geklopt. Ik heb naar aangeefster en haar vader gebeld en aan hen WhatsApp-berichten verstuurd.\n\n2. De door verdachte op de terechtzitting van het hof van 17 juni 2026 afgelegde verklaring:\n\nIk heb steeds contact gezocht met aangeefster en haar omgeving om tot een gesprek te komen over de omgang met de kinderen. Het klopt dat de afspraak gemaakt is op 5 augustus 2024 bij het [Instantie] dat ik een jaar lang afstand zou houden van aangeefster en de kinderen.\n\nIk heb vrij snel na het gesprek bij het [Instantie] een advocaat ingeschakeld.\n\n3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 november 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024328914 d.d. 7 maart 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :\n\nAangifte van stalking, [adres 1] te [dorp] , gemeente [gemeente] .\n\nIk doe aangifte van stalking door mijn ex-vriend [verdachte] . Ik heb begin 2024 de relatie verbroken. Op 5 augustus 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden bij het [Instantie] vanwege alle zorgelijkheden (o.a. bij [slachtoffer] en mij). Dit gesprek heeft plaatsgevonden in bijzijn van [Instantie] , [instantie 2] , [verdachte] en mijzelf. Daar is geadviseerd door [Instantie] (en [verdachte] heeft daar ook in toegestemd) dat hij mij en de kinderen 1 jaar met rust zou laten, dus tot 5 augustus 2025.\n\nOmdat [verdachte] mij ondanks de afspraken die bij het [Instantie] zijn gemaakt toch bleef lastigvallen door bij mijn huis te komen, is er een afspraak op locatie gemaakt op mijn woning. Nadien ging contacten en langskomen door. Hij vraagt aan anderen, o.a. mijn ouders waar ik ben en waar de kinderen zijn. Hij kwam [voor het [Instantie] en stopgesprek] en ook op andere momenten aan de deur. Hij klopt of bonkt verscheidene malen op de deur en ramen, parkeert soms zijn auto op onze oprit of voor het huis en loopt weg om vervolgens terug te komen.\n\nOp 5 oktober 2024 heeft er een stopgesprek door de politie plaatsgevonden met [verdachte] . Hem is daarbij verteld dat hij moet stoppen met mij lastigvallen en dat hij zich moet houden aan de afspraken die er gemaakt zijn met de hulpverlening. Sinds 30 oktober nemen de contactpogingen weer toe, naar mij en ook mijn vader wordt gebeld. Hierna begint het langskomen weer.\n\n4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2024, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant] :\n\nIk, [verbalisant] , sprak op zaterdag 5 oktober 2024 op het politiebureau met\n\n [verdachte] . Ik heb duidelijk aan [verdachte] uitgelegd dat hij diende te stoppen\n\nmet het bezoeken van de woning van [slachtoffer] aan [adres 1] te [dorp] . Ook\n\nheb ik [verdachte] meerdere keren uitgelegd dat hij op geen enkele wijze contact moest\n\nzoeken met [slachtoffer] en dat hij via zijn advocaat de mogelijkheden moest verkennen\n\nvan een omgangsregeling.\n\n5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2024, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 2] :\n\nOp zondag 1 december 2024 werd een melding uitgegeven dat de ex van de bewoonster van de [adres 1] te [dorp] bij haar voor de deur zou staan en op de ramen had gebonkt. Ambtshalve is mij bekend, dat op genoemd adres [slachtoffer] met haar twee minderjarige\n\nkinderen woonachtig is. Ambtshalve is mij bekend dat [slachtoffer] onlangs aangifte heeft\n\ngedaan van stalking door haar ex-vriend, genaamd [verdachte] . [verdachte] zou in een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] zitten.\n\nTer plaatse in [adres 1] zag ik genoemd voertuig voor de woning [adres 1]\n\nstaan. Ik zag dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] alleen in het voertuig en op\n\nde bestuurderstoel zat. Na overleg met de Officier van Dienst Politie [naam] werd besloten om [verdachte] op heterdaad aan te houden ter zake stalking.\n\n6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2025, inhoudende het relaas van [verbalisant 3] :\n\nOp 7 januari 2025 ontving [slachtoffer] (dit is de vader van aangeefster) een WhatsApp bericht van [verdachte] , met de tekst: [7-1 15:42] [verdachte] : Als jij als vader en opa nu jezelf eens afvraag hoe [slachtoffer] de jongens bij me weg hou al 7 maanden lang, dan mag je mij\n\nooit vertellen of dat juist is. [slachtoffer] heeft niet gereageerd op deze whatsapp.\n\nOp 8 februari 2025 om 10.44 uur ontving [slachtoffer] een telefoontje van nummer:\n\n [telefoonnummer] , dit is het telefoon nummer van [verdachte] . Hierop heeft hij niet gereageerd. De telefonische oproep staat in de historie als: 8 feb. 10:44 (gemiste oproep).\n\nOp 24 februari 2025 komt [verdachte] bij [slachtoffer] aan de deur. En vraagt of [slachtoffer] met [slachtoffer] wil praten over de kinderen.\n\nOp 17 maart 2025 15.20 uur was [verdachte] weer aan de deur. Bewoners waren niet thuis.\n\nOp 19 maart 2025 15.56 uur was [verdachte] aan de deur. Is niet opengedaan.\n\nOp 10 april 2025 ontving [slachtoffer] wederom een WhatsApp: [10-4 14:13] [verdachte]\n\n : Beste [slachtoffer] , zou je [slachtoffer] erop willen attenderen dat de jongens ook nog een oma in [plaats] hebben waar het heel slecht mee gaat, en die toch ook nog graag [slachtoffer] een x zou willen zien. Wederom van telefoonnummer: [telefoonnummer] .\n\n6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2025, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :\n\nOp 14 mei 2025 stelde [slachtoffer] per e-mail de wijkagent in kennis dat [verdachte]\n\nwederom bij zijn woning aan [adres 2] te [dorp] is geweest.\n\nOp maandag 16 juni om 15.46 uur was een 112 melding gedaan door [slachtoffer] . Op 16 juni 2025 TP [het hof begrijpt: ter plaatse] gegaan aan [adres 2] . Op dit adres staan vader en moeder [slachtoffer] ingeschreven, samen met dochter [slachtoffer] en haar kinderen.\n\nDochter [slachtoffer] heeft een ex, [verdachte] . Deze stond op dat moment voor de woning.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij in de periode van 11 augustus 2024 tot en met 29 juni 2025 te [dorp] , gemeente [gemeente] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door zich in voornoemde periode\n\n- meermalen ongewenst op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en bij de woning van haar ouders en vervolgens op ramen en deuren van die woningen te kloppen en aan te bellen en zijn auto vóór en op de oprit van die woningen te parkeren;\n\n- die [slachtoffer] en haar vader [slachtoffer] meermalen te bellen en meermalen te appen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en te dulden.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:\n\nbelaging.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nBij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 9 maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Na de relatiebreuk heeft verdachte aangeefster tegen haar uitdrukkelijke wil telefonisch benaderd, zich bevonden bij haar woning en contact gezocht met haar directe omgeving. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en bij haar angstgevoelens teweeggebracht.\n\nVerdachte heeft zich niets aangetrokken van de duidelijke signalen op drie momenten in de bewezenverklaarde periode en telkens toch weer contact gezocht met aangeefster. Op de zitting van zowel de politierechter als het hof heeft verdachte een eigen versie van de feiten naar voren gebracht en ontkend wederrechtelijk te hebben gehandeld. Het hof heeft tijdens het verhoor van verdachte op de zitting herhaaldelijk geprobeerd verdachte het belang van wederkerigheid van relaties en interacties te doen inzien. Verdachte heeft daarbij een onvermogen getoond om zich in de situatie van een ander in te leven en in te zien wat de impact en gevolgen zijn van zijn handelen.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging gelet op de inhoud van het strafblad van verdachte van 07 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten veelal van andere aard en\u002Fof langer geleden gepleegd. Het hof weegt dit niet mee in de strafoplegging.\n\nVerder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof heeft kennis genomen van een verdachte betreffend reclasseringsrapport van 22 augustus 2025. De reclassering schrijft over een zwak probleeminzicht, zwakke impulscontrole, zwakke coping vaardigheden en narcistische en antisociale trekken bij verdachte. Verdachte zou slecht in staat zijn om conflicten adequaat op te lossen. Het middelengebruik van verdachte is volgens de reclassering delict gerelateerd. De reclassering adviseert oplegging van een voorwaardelijke straf, met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden.\n\nGelet op het hiervoor overwogene acht het hof van belang en noodzakelijk aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als stok achter de deur. Deze dient ertoe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAlles afwegende acht het hof het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Aan deze voorwaardelijke straf zal het hof de volgende bijzondere voorwaarden verbinden:\n\neen meldplicht;\n\neen behandelverplichting;\n\neen drugsverbod.\n\nVrijheidsbeperkende maatregel (contact- en gebiedsverbod)\n\nNaast bovengenoemde bijzondere voorwaarden adviseert de reclassering ook het opleggen van een contactverbod jegens aangeefster en een gebiedsverbod voor het adres van aangeefster. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het contactverbod ook geldt jegens de kinderen van aangeefster, haar ouders en haar zus en dat het gebiedsverbod geldt voor het hele dorp [dorp] . Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verboden worden opgelegd in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor overwogen omstandigheden waaronder dit is begaan, is het naar het oordeel van het hof noodzakelijk ter voorkoming van strafbare feiten dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, te weten een contactverbod jegens de volgende personen:\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,\n\nen een gebiedsverbod voor de bebouwde kom van het dorp [dorp] in de gemeente [gemeente] .\n\nZoals hiervoor overwogen toont verdachte geen enkel inzicht in (de gevolgen van) zijn handelen. Daarnaast weegt het hof mee dat omtrent de omgang met de kinderen een civiele procedure gaande is. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard die procedure als onlosmakelijk verbonden te beschouwen met deze strafzaak. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster, haar kinderen en\u002Fof haar familie. Het hof zal de vrijheidsbeperkende maatregel dan ook dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.236,02 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 986,02. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de oorspronkelijke vordering.\n\nOp de zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Ten aanzien van de materiële schade (reiskosten) overweegt het hof dat de vordering is onderbouwd met een overzicht van reiskosten naar de psycholoog.\n\nTen aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan onder meer een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in de persoon is aangetast. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van het bewezenverklaarde gevoelens van onveiligheid en spanning ervoer, een verminderde eetlust en concentratie had en psychische klachten kreeg. Hiervoor is de benadeelde partij naar de huisarts gegaan, die haar heeft doorverwezen naar en psycholoog. De benadeelde partij is gestart met EMDR-therapie en de behandeling is na enige tijd geïntensiveerd. Verder is de benadeelde partij niet in staat om (volledig) te werken en merkt ze dat ook haar kinderen spanningsklachten hebben. De vordering is onderbouwd met medische verklaringen en een verslaglegging van de psycholoog.\n\nDe verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding betwist. De raadsman heeft naar voren gebracht dat de therapie die aangeefster volgt niet alleen ziet op behandeling van trauma naar aanleiding van het bewezenverklaarde, zodat niet de gehele schade kan worden toegewezen. Het hof overweegt dat het bewezenverklaarde de directe aanleiding is geweest voor het starten van de therapie en dat de benadeelde partij haar vordering goed heeft onderbouwd. In het licht hiervan heeft de verdediging de vordering tot schadevergoeding onvoldoende gemotiveerd betwist.\n\nHet hof leidt uit voorgaande af dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van verdachte in de persoon is aangetast, zodat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW in aanmerking komt voor schadevergoeding.\n\n Het hof heeft zich voor het oordeel over de hoogte van de immateriële schade gebaseerd op de bandbreedtes uit de Rotterdamse Schaal. De eerste bandbreedte ziet op tamelijk ernstige belaging, waarbij de communicatie vanuit de dader minder frequent en dreigend is dan bij ernstige belaging. Aan tamelijk ernstige belaging wordt in de Rotterdamse Schaal een immaterieel schadebedrag tot € 2.000,00 gekoppeld. De tweede bandbreedte ziet op ernstige belaging, waarbij de communicatie vanuit de dader frequenter en intensiever is en waarbij verschillende communicatiemiddelen worden gebruikt om de benadeelde te benaderen. Aan ernstige belaging wordt een immaterieel schadebedrag van € 2.000,00 tot € 5.000,00 gekoppeld.\n\nNaar het oordeel van het hof is onderhavig geval een grensgeval tussen tamelijk ernstige en ernstige belaging. Het hof zal daarom de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op een bedrag van € 2.000,00.\n\nVerdachte moet de schade vergoeden. Het hof wijst dit deel van de vordering daarom toe, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\nHet hof kan in deze procedure van het overige deel van de gevorderde schade niet vaststellen dat deze veroorzaakt is door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dat deel van de vordering De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nHeft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een gebiedsverbod.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Verdachte volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden voor zover niet reeds in andere voorwaarden benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waar verdachte aan zal werken deze te behalen. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen veertien dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het [adres 4] te [plaats] .\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) in de Opiumwet gebruikt. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles door middel van urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\n- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.\n\n- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde:\n\nvoor de duur van 3 jaren zich niet bevindt in de bebouwde kom van het dorp [dorp] in de gemeente [gemeente]\n\nvoor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,\n\ntenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd. Als de reclassering dit noodzakelijk vindt, kan worden besloten dat het contact in het bijzijn van hulpverleners, te bepalen door de reclassering, dient plaats te vinden.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.236,02 (tweeduizend tweehonderdzesendertig euro en twee cent) bestaande uit € 236,02 (tweehonderdzesendertig euro en twee cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.236,02 (tweeduizend tweehonderdzesendertig euro en twee cent) bestaande uit € 236,02 (tweehonderdzesendertig euro en twee cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 22 (tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 juni 2025.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. H.J. Deuring en mr. M. van Kuilenburg, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4287","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:25.743Z",20]