[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-leeuwarden-violent-crime-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":62},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},70,"Leeuwarden","nl","leeuwarden",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},115,"violent-crime-nl","Violent Crime","NL","2026-07-08T16:56:56.704Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2024-05-08T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122730","Wetboek van Strafrecht","art. 39",1,[27,38,46,54],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1222","ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","ecli-nl-rbnne-2026-2624","","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18.289851.25\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden.\n\nHet openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar opzettelijk, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) diverse breuken van het aangezicht, inclusief het neusbeen, beide oogkassen, beide jukbeenderen en de rechterzijde van de bovenkaak en\u002Fof bloed onder het harde hersenvlies en\u002Fof bloed onder de zachte hersenvliezen en\u002Fof een gebroken tongbeen, schildkraakbeen en\u002Fof ringkraakbeen en\u002Fof meerdere letsels\u002Fhuidverkleuringen in de hals en\u002Fof ander inwendig en\u002Fof uitwendig letsel, heeft toegebracht, door meermalen fors geweld uit te oefenen, te weten door (onder meer) te slaan en\u002Fof te stompen en\u002Fof te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof te stampen en\u002Fof te knijpen en\u002Fof te drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, terwijl het door hem gepleegde geweld de dood van die [slachtoffer] , althans een persoon, als gevolg heeft gehad.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de primair ten laste gelegde moord en veroordeling gevorderd voor de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Er kan een bewezenverklaring volgen van de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak moord\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord, nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van voorbedachte rade. Zo verklaart verdachte dat hij enkel de stem en de beelden in zijn hoofd wilde stoppen, waarvan hij meende dat het slachtoffer die naar hem stuurde. Hij wilde het slachtoffer aanpakken, maar verklaart niet dat hij van plan was het slachtoffer te doden. Het is ook niet gebleken dat verdachte een voorwerp heeft meegenomen of heeft gebruikt bij het plegen van het geweld, wat zou kunnen duiden op een planmatige aanpak. Verder verklaart verdachte dat het geweld is gestopt omdat hij moe was. Hij is toen naar huis gegaan en op dat moment leefde het slachtoffer nog. Hij wist niet dat het slachtoffer dood was. Dat verdachte is gestopt met het plegen van geweld terwijl het slachtoffer nog leefde, is naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie voor moord.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\neen deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.068, d.d. 17 april 2026 opgemaakt door drs. P.M.I. van Driessche, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nhij op 27 oktober 2025 te Leeuwarden in een woning gelegen aan [adres] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten slaan en\u002Fof stompen en schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en in\u002Fop\u002Ftegen de hals van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nSubsidiair Doodslag.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de twee Pro Justitia-rapporten, gedateerd 12 maart 2026 en 9 maart 2026, opgesteld door drs. A. Banaei Kashani, psychiater en dr. M. ten Berge, GZ-psycholoog.\n\nBeide deskundigen stellen bij verdachte een psychische stoornis vast in de vorm van schizofrenie en een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine.\n\nDe psychiater beschrijft in het rapport dat verdachte ten tijde en in de aanloop tot het feit psychotisch was. Verdachte was de greep op de realiteit kwijt en heeft in blinde woede en onder invloed van forse psychotische ontregeling het slachtoffer om het leven gebracht. Ook al gebruikte verdachte amfetamine, wat de psychose wel heeft verergerd en onderhouden, primair is dit veroorzaakt door zijn schizofrenie. Omdat verdachte zodanig de grip op de realiteit kwijt was, kon van hem niet worden verwacht dat hij grip had op zijn gebruik. Geadviseerd wordt om verdachte het feit niet toe te rekenen omdat hij volledig heeft gehandeld vanuit zijn psychotische belevingen en hij daardoor geen controle heeft kunnen hebben over zijn gedrag en gedachten.\n\nDe psycholoog komt tot eenzelfde advies. Verdachte heeft gehandeld vanuit zijn sterk aanwezige, vanuit de schizofrenie voortkomende psychotische belevingen en overtuigingen. Het betreffen overtuigingen waarvan hij ook nu nog geen afstand ervaart.\n\nDe rechtbank kan zich met de adviezen van de deskundigen verenigen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over, maakt deze tot de hare en oordeelt dat het bewezenverklaarde vanwege de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet aan hem kan worden toegerekend.\n\nDe rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nMotivering van de maatregel\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van de subsidiair ten laste gelegde doodslag de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege zal worden\n\nopgelegd. De duur van deze maatregel is ongemaximeerd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft gepleit voor oplegging van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.\n\nOordeel van de rechtbank toerekeningsvatbaarheid\n\nBij de bepaling van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportages van psychiater drs. A. Banaei Kashani d.d. 12 maart 2026 en van GZ-psycholoog dr. M. ten Berge d.d. 9 maart 2026, het reclasseringsrapport d.d. 27 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft in een psychotische toestand het slachtoffer met fors geweld om het leven gebracht. Daarmee heeft hij het slachtoffer, die verdachte in het geheel niet kende, zijn kostbaarste bezit -zijn leven-ontnomen. En moeten de nabestaanden, met name zijn moeder, tante en nicht, zonder hem verder leven, wat voor hen een groot gemis is en veel verdriet veroorzaakt.\n\nHet advies van de deskundigen\n\nIn de eerder vermelde Pro Justitia-rapportages adviseren de deskundigen om aan verdachte een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. Om het hoog ingeschatte recidiverisico te beperken is een intensieve en langdurige behandeling en begeleiding van verdachte in een kliniek noodzakelijk, gelet op de chronische, hardnekkige en ernstige problematiek waar hij mee kampt. Het ontbreekt verdachte volledig aan inzicht en tot op heden is het, ondanks (medicamenteuze) hulpverlening, niet gelukt om stabilisatie te bereiken en tot gedragsverandering te komen. De psychotische stoornis van verdachte dient optimaal behandeld te worden waarbij abstinentie van middelen noodzakelijk is. Daarbij is het belangrijk dat verdachte niet wordt overschat en wordt er geadviseerd om te waken voor schijnaanpassing. Verdachte kan bij een kort gesprek een adequate en stabiele indruk maken; pas bij doorvragen verzandt hij in uitspraken die duidelijk wijzen op psychotische ontregeling.\n\nStevige en duidelijke kaders zijn nodig om stabilisatie en gedragsverandering te bereiken en om een gedegen risicomanagement uit te voeren. Verdachte wordt, gezien zijn ontregelde psychotische toestandsbeeld en zijn verlies van de realiteit, niet in staat geacht om zich aan voorwaarden te houden, ook al zou hij dat willen.\n\nOndanks de depotmedicatie heeft verdachte nog steeds psychotische belevingen, is er een gebrek aan inzicht, ontbreekt er bij verdachte besef voor wat hij heeft gedaan, is er een hoog recidiverisico en heeft hij onvoldoende openheid gegeven tijdens de eerdere behandeling. Derhalve wordt niet geadviseerd om aan verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen. Een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege is volgens hen het enige passende kader.\n\nOordeel van de rechtbank maatregel\n\nDe rechtbank stelt op grond van de hiervoor al genoemde psychiatrische en psychologische rapportages vast dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond. Het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het gaat bovendien om een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer\n\npersonen. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel.\n\nGelet op het advies van de gedragsdeskundigen is de rechtbank van oordeel dat uitsluitend een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege een passende afdoening van deze zaak is. Deze maatregel zal de rechtbank dan ook opleggen aan verdachte. De maatregel wordt opgelegd wegens doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de TBS niet in duur is beperkt.\n\nBenadeelde partij\n\n[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 17.500,00 aan affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat deze vordering moet worden toegewezen. Het slachtoffer is als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit overleden. [benadeelde partij] heeft recht op vergoeding van affectieschade omdat zij de moeder van het slachtoffer is. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding 17.500,00. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025.\n\nNu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar. Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nGelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nWijst de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij] te betalen:\n\nhet bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat te betalen een bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag betreft affectieschade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 112 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:10.818Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"488","ECLI:NL:RBNNE:2026:2636","ecli-nl-rbnne-2026-2636","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18-264665-25\n\nter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-384537-24\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kilinç, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan of bij het Noord aldaar, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een aan de linker- en rechterzijde gebroken onderkaak en een gebroken neus, heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist(en) en\u002Fof met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, geslagen en\u002Fof gestompt;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan of bij het Noord aldaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist(en) en\u002Fof met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en\u002Fof te stompen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan of bij het Noord aldaar, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist(en) en\u002Fof met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een aan de linker-en rechterzijde gebroken onderkaak en een gebroken neus, in elk geval enig lichamelijk letsel, tengevolge heeft gehad;\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\n1. Hij op of omstreeks 21 januari 2024 te Harkstede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door met een gaspistool, in elk geval een vuurwapen van categorie III onder 1, meermalen voor de woning gelegen aan [adres] , in de lucht te schieten en\u002Fof proberen te schieten.\n\n2 Hij op of omstreeks 21 januari 2024 te Harkstede, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, en\u002Fof een patroonmagazijn, te weten een onderdeel van het vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-264665-25 en voor feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-384537-24.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Verdachte kan worden veroordeeld voor het meer subsidiair ten laste gelegde.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft niet op de woning geschoten. Er was bovendien geen sprake van een vooropgezet plan om te schieten, althans verdachte was daarvan niet op de hoogte. Tot slot heeft aangever verklaard dat hij zich niet echt bedreigd voelde. Van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling is derhalve geen sprake.\n\nVoor wat betreft feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nDe rechtbank acht in de zaak met parketnummer 18-264665-25 het primair ten laste gelegde feit en in de zaak met parketnummer 18-384537-24 feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de feitelijke gedragingen die onder deze feiten zijn tenlastegelegd duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Op de verweren van de raadsman zal de rechtbank hieronder afzonderlijk ingaan.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 7 oktober 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025271728 d.d. 16 december 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;\n\neen schriftelijk bescheid, te weten een brief d.d. 8 oktober 2025 van [ziekenhuis] , opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam] .\n\nBewijsoverweging\n\nMet de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde zware mishandeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nVerdachte heeft bekend dat hij op 7 oktober 2025 aangeefster meermalen met zijn vuisten en met kracht in haar gezicht heeft geslagen. Als gevolg daarvan heeft aangeefster letsel opgelopen, te weten een gebroken onderkaak aan de linker- en rechterzijde. Uit het dossier blijkt dat zij hiervoor twee operatieve ingrepen heeft moeten ondergaan. Aangeefster heeft weken moeten revalideren, zo blijkt uit de toelichting\n\nop de vordering van de benadeelde partij. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.\n\nTen aanzien van het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank als volgt. Uit het letsel van aangeefster, de dubbele gebroken onderkaak, kan worden afgeleid dat verdachte zodanig veel kracht moet hebben gebruikt bij het toepassen van het geweld, dat het niet anders kan dan dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij bij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het met gebalde vuisten met veel kracht meermalen slaan in het gezicht tot breuken kan leiden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\nFeit 1\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 21 januari 2024,\n\nopgenomen op pagina 144 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024018046 d.d. 11 november 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .\n\nBewijsoverweging\n\nDe rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte heeft bekend dat hij op 21 januari 2024 te Harkstede voor de woning van aangever meermalen met een gaspistool in de lucht heeft geschoten. Verdachte heeft hierover bij de politie en ter zitting verklaard dat hij samen met vier anderen naar de woning van aangever is gereden. Tijdens de autorit vertelde de bestuurder dat hij een langdurig conflict had met aangever. Aangekomen bij de woning is verdachte uitgestapt en heeft hij voor de woning in de lucht meerdere schoten gelost. Volgens verdachte werd hij door de bestuurder van de auto aangespoord om uit te stappen en in de lucht te schieten als “waarschuwing” voor aangever. Het vuurwapen werd verdachte aangereikt door de persoon die naast hem in het voertuig zat.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat diegene zijn of haar leven zou kunnen verliezen en\u002Fof zwaar mishandeld zou worden. Bij de vraag of sprake is van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht is van belang of de bedreiging in het algemeen geschikt is om de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. De beoordeling of sprake is van vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het is dus niet van belang dat aangever zelf heeft verklaard dat hij zich door de schoten niet echt bedreigd heeft gevoeld. De rechtbank is van oordeel dat het meermalen in de lucht schieten met een gaspistool voor de woning van aangever, in een context van een bestaand conflict met de bestuurder van het voertuig, naar de uiterlijke verschijningsvorm een strafbare bedreiging oplevert.\n\nVoorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte de bedreiging tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Dit leidt de rechtbank af uit de omstandigheden dat verdachte samen met anderen naar de woning van aangever is gereden, dat de bestuurder van die auto een voortdurend conflict had met aangever en dat verdachte het vuurwapen kreeg van een andere inzittende van het voertuig. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de andere personen die in het voertuig aanwezig waren.\n\nFeit 2\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 13 februari 2024, opgenomen op pagina 211 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht in de zaak met parketnummer 18-264665-25 het primair ten laste gelegde feit en in de zaak met parketnummer 18-384537-24 feiten 1 en 2 en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nHij op 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan het Noord aldaar, aan [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een aan de linker- en rechterzijde gebroken onderkaak, heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuisten en met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, geslagen en gestompt.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\n1. Hij op 21 januari 2024 te Harkstede tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door met een gaspistool, in elk geval een vuurwapen van categorie III onder 1, meermalen voor de woning gelegen aan [adres] , in de lucht te schieten.\n\n2. Hij op 21 januari 2024 te Harkstede een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, en een patroonmagazijn, te weten een onderdeel van het vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25 primairzware mishandeling\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\nmedeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-264665-25 en feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-384537-24 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij vordert de officier van justitie de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op te leggen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de raadsman onder andere verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en het advies van de reclassering, waaruit blijkt dat een dergelijke straf ontwrichtend kan werken voor verdachte.\n\nVerdachte is nog relatief jong en reeds gestart met een forensische ambulante behandeling.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 21 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft zijn destijds zestienjarige vriendin zwaar mishandeld door meermalen met gebalde vuisten en met kracht in haar gezicht te slaan. Als gevolg van dit geweld heeft het slachtoffer een dubbele onderkaakfractuur opgelopen, waarvoor zij twee operaties heeft moeten ondergaan. Dergelijk geweld in de relationele sfeer wordt door de rechtbank als bijzonder ernstig aangemerkt. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook haar psychisch welzijn geschonden, zoals blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging in vereniging door in de nacht voor de woning van aangever met een gaspistool in de lucht te schieten. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen het gevoel van veiligheid van aangever aangetast, maar ook gevoelens van onrust en angst in de directe woonomgeving veroorzaakt.\n\nDeze feiten getuigen van een gewelddadige houding en een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en veiligheid van anderen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 21 mei 2026.\n\nUit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering de volgende risicofactoren bij verdachte signaleert: partnerrelaties, sociale contacten\u002Fnetwerk, psychosociaal functioneren en de houding van verdachte.\n\nBeschermende factoren zijn volgens de reclassering gelegen in de stabiele huisvesting bij zijn betrokken ouders, zijn baan en een gezonde financiële situatie. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. Hoewel er geen zwaarwegende contra-indicaties zijn voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, merkt de reclassering op dat een dergelijke straf voor verdachte ontwrichtend kan werken, gezien zijn relatief jonge leeftijd en het feit dat hij recentelijk is gestart met een forensische ambulante behandeling.\n\nOp te leggen straf\n\nNaar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank echter rekening met een aantal strafmatigende omstandigheden. Daarbij betrekt zij in het bijzonder de relatief jonge leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte reeds is gestart met een forensische ambulante behandeling. De rechtbank acht het onwenselijk deze behandeling te doorkruisen door een straf op te leggen die ertoe zou leiden dat verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een combinatie van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een groot voorwaardelijk deel, enerzijds om daarmee de ernst van de bewezenverklaarde feiten te onderstrepen en anderzijds om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, en daarnaast de maximale taakstraf passend en geboden.\n\nDe rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 240 uren en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod op te leggen, nu verdachte ter zitting heeft aangegeven geen contact meer te hebben met aangeefster. Gelet op het recidiverisico dat wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog, acht de rechtbank het noodzakelijk om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en de proeftijd, in afwijking van de eis van de officier van justitie, te stellen op\n\ndrie jaren.\n\nBenadeelde partij\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\n[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 12.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich, onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal, op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd tot een bedrag van ten hoogste 6.000,00.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder het primair bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 6.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.\n\nNu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.\n\nDe rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 285, 302, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-264665-25 en feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-384537-24 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\nEen gevangenisstraf voor de duur van 378 dagen.\n\nBepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 360 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.\n\nBeveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nStelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:\n\nzich meldt op afspraken met Reclassering Nederland, [adres] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.\n\nzich laat behandelen door Forensische Polikliniek GGZ Friesland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.\n\ndat betrokkene zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.\n\nGeeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nVoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.\n\nBeveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nEen taakstraf voor de duur van 240 uren.\n\nBeveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.\n\nHeft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:\n\neen bedrag van 6.000,00 (zegge: zesduizend euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 6.000,00 (zegge: zesduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nWijst de vordering voor het overige af.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 55 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. H.K. de Haan rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2026.\n\nMr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2636","2026-07-13T00:28:33.022Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":36,"updatedAt":53},"881","ECLI:NL:GHARL:2025:2164","ecli-nl-gharl-2025-2164","2025-04-09T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-002640-24\n\nUitspraak d.d.: 9 april 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juni 2024 met parketnummer 16-306213-22 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,\n\nwonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,\n\nverblijvende te [verblijfadres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 maart 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:\n\nveroordeling van verdachte voor de onder 1 primair (voor doodslag) en onder 2 (bedreiging) tenlastegelegde feiten;\n\nontslag van alle rechtsvervolging van verdachte ten aanzien van beide bewezenverklaarde feiten;\n\noplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met de voorwaarden zoals die ook zijn opgelegd door de rechtbank Midden-Nederland in haar vonnis van 7 juni 2024, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel, met bepaling dat die terbeschikkingstelling niet gemaximeerd is als die wordt omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;\n\noplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).\n\nDaarnaast heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 19.516,03 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 4.226,46 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;\n\nten aanzien van het beslag: onttrekking aan het verkeer van het alarmpistool en het stroomstootwapen en teruggave aan de rechthebbende van de overige inbeslaggenomen goederen.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. Y. Moszkowicz, en de advocaat van de benadeelde partijen, mr. F.J.M. Hamers, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 7 juni 2024, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld, de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en daarbij de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr opgelegd.\n\nTen aanzien van de benadeelde partijen heeft de rechtbank:\n\n de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 19.516,03, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige afgewezen;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] niet-ontvankelijk verklaard;\n\nde vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] toegewezen tot een bedrag van\n\n€ 4.226,46, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering voor het overige afgewezen.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank het inbeslaggenomen stroomstootwapen onttrokken aan het verkeer en ten aanzien van de overige inbeslaggenomen voorwerpen teruggave aan de rechthebbende gelast.\n\nHet hof is van oordeel dat de rechtbank grotendeels op juiste wijze heeft beslist, maar zal het vonnis vernietigen, omdat het tot een enigszins andere bewezenverklaring komt en een andere beslissing neemt over de duur van de gijzeling in verband met de schadevergoedingsmaatregel en het beslag voor wat betreft het alarmpistool.\n\nOmdat het hof de bewijsmotivering in het vonnis deels volgt, zal het hof hierna telkens de passages uit het vonnis aanhalen waarmee het zich verenigt en telkens aanduiden op welke punten het tot een ander oordeel komt.\n\nHet hof komt, ondanks die gewijzigde bewezenverklaring, tot een aan het vonnis gelijkluidende kwalificatie van het bewezenverklaarde. Ook het oordeel over de strafbaarheid van de feiten en van de verdachte, over de oplegging van de maatregel en de vorderingen van de benadeelde partijen zijn gelijk aan de beslissingen van de rechtbank.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg tenlastegelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland\n\n [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer] een medicijn althans een (genees)middel toe te dienen en\u002Fof geweld toe te passen op die [slachtoffer] door op die [slachtoffer] te gaan zitten en\u002Fof ( met kracht) de keel van die [slachtoffer] ( met zijn handen en\u002Fof zijn arm) dicht te knijpen en\u002Fof duwen en\u002Fof dicht te houden en\u002Fof uitwendige druk op de borstkas uit te oefenen, althans de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd te beletten en\u002Fof te belemmeren, ( aldus) die [slachtoffer] te wurgen en\u002Fof te smoren en\u002Fof te versmachten ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 te [plaats] is overleden;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] , in elk geval in Nederland aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in het schildkraakbeen, heeft toegebracht, door geweld toe te passen op die [slachtoffer] door op die [slachtoffer] te gaan zitten en\u002Fof ( met kracht) de keel van die [slachtoffer] ( met zijn handen en\u002Fof zijn arm) dicht te knijpen en\u002Fof te duwen en\u002Fof dicht te houden en\u002Fof uitwendige druk op de borstkas uit te oefenen, althans de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd te beletten en\u002Fof te belemmeren, ( aldus) die [slachtoffer] te wurgen en\u002Fof te smoren en\u002Fof te versmachten, terwijl het feit op 30 november 2022 te [plaats] de dood ten gevolge heeft gehad;\n\n2. hij op of omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"het is een dikke overdosis he. Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon zo’n bek hek erin gooid. Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\" en\u002Fof En je vader is ook zo dood gegaan he.’’ en\u002Fof ‘’ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.’’ althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof door op die [slachtoffer] te gaan zitten ten gevolge waarvan de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd werd belet.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot veroordeling van verdachte voor zowel het onder 1 primair en het onder 2 aan verdachte ten laste gelegde, in die zin dat verdachte veroordeeld wordt voor de onder 1 primair impliciet tenlastegelegde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken voor alle tenlastegelegde feiten en heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.\n\nMet betrekking tot het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het procesdossier niet kan worden bewezen dat verdachte een medicijn heeft toegediend aan het slachtoffer [slachtoffer] (hierna verder: [slachtoffer] ) en dat uit toxicologisch onderzoek volgt dat de in het bloed van [slachtoffer] aangetroffen olanzapine niet de doodsoorzaak van [slachtoffer] is geweest.\n\nDe raadsman heeft daarnaast meerdere alternatieve scenario’s naar voren gebracht. Eén van\n\ndeze alternatieve scenario’s houdt in dat het op basis van de inhoud van het procesdossier\n\nwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] zelf het in haar bloed aangetroffen middel buspiron heeft ingenomen, ten gevolge waarvan zij zou zijn overleden. Een ander alternatief scenario betreft de mogelijkheid dat [slachtoffer] is overleden door intoxicatie door middel van een koolmonoxidevergiftiging.\n\nMet betrekking tot de ten laste gelegde geweldshandelingen (wurgen, smoren en\n\nversmachten) in het onder feit 1 (primair en subsidiair) tenlastegelegde heeft de raadsman het navolgende bepleit. Niet kan worden uitgesloten dat het breukje in het schildkraakbeen is ontstaan door reanimatiehandelingen of samen met de blauwe plekken is ontstaan op het moment dat [slachtoffer] na de schermutseling in de keuken op de grond is gevallen of later, toen zij naast het bed is gevallen, en dat het letsel dus geen enkel verband houdt met door verdachte toegepast geweld en het overlijden van [slachtoffer] een week later. Daarnaast heeft hij bepleit dat het aangetroffen letsel niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr kan worden gedefinieerd.\n\nVerder heeft de raadsman ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat het causale verband tussen het eventuele handelen van verdachte en het latere overlijden van [slachtoffer] onvoldoende vast is komen te staan en dat verdachte geen opzet heeft gehad op haar dood. Uit de gedragingen die wel bewezen kunnen worden verklaard, kan niet worden afgeleid dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op voornoemde gevolgen heeft aanvaard.\n\nTot slot heeft de raadsman met betrekking tot de onder feit 1 primair ten laste gelegde moord gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten voor voorbedachte raad.\n\nDe raadsman heeft ten aanzien van feit 2 (bedreiging) betoogd dat verdachte weliswaar de woorden heeft uitgesproken die in de tenlastelegging staan, maar dat bij [slachtoffer] daardoor niet redelijkerwijs de vrees kon ontstaan dat deze bewoordingen daadwerkelijk zouden worden waargemaakt. Van een strafrechtelijke bedreiging is dus geen sprake geweest.\n\nHet oordeel van het hof\n\nFeit 1 primair\n\nVrijspraak moord\u002Fvoorbedachte raad\n\nHet hof heeft overeenkomstig de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsman uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade om het leven heeft gebracht. Het is het hof niet gebleken dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft beraden op het genomen besluit om zijn echtgenote te doden en dat hij dus niet zou hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van moord, zoals onder 1 primair is tenlastegelegd.\n\nVaststelling van de feiten\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis over de vaststelling van de feiten, het onderdeel ‘toedienen van het medicijn’ en de oorzaak van de reanimatiebehoeftige toestand het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVaststelling van de feiten\n\nOp 23 november 2022 omstreeks 02:17 uur is bij de meldkamer een melding binnengekomen van verdachte dat hij zich samen met zijn vrouw (hierna: [slachtoffer] ) in hun woning in [plaats] bevond. [slachtoffer] zou een overdosis hebben gehad en op dat moment bewusteloos zijn. Als de politie enkele minuten later ter plaatse komt, wordt [slachtoffer] in de slaapkamer naast het bed in een reanimatiebehoeftige toestand aangetroffen. De hulpdiensten zijn daar gestart met de reanimatie van [slachtoffer] , waarna zij is overgebracht naar het ziekenhuis in [plaats] . Vervolgens is [slachtoffer] op 30 november 2022 in het ziekenhuis overleden.\n\nUit een geluidsopname die verdachte heeft gemaakt in de avond van 22 november 2022 omstreeks 22:30 uur en uit de verklaring van verdachte zelf, volgt dat verdachte en [slachtoffer] die avond een handgemeen hebben gehad en dat verdachte toen [slachtoffer] bij haar keel heeft vastgepakt. Ook is verdachte op [slachtoffer] gaan zitten, waarna [slachtoffer] heeft aangegeven dat zij moeite had met ademhalen. Hoewel [slachtoffer] na deze geweldshandelingen nog aanspreekbaar lijkt te zijn, moet zij ergens tussen dit moment en het moment enkele uren later waarop de politie ter plaatse kwam (omstreeks 02:20 uur) in een reanimatiebehoeftige toestand zijn terechtgekomen.\n\nPartiële vrijspraak: toedienen medicijn\n\nDe rechtbank overweegt dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar een geneesmiddel toe te dienen. Verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onderdeel ‘toedienen van een medicijn, althans een geneesmiddel’.\n\nOorzaak reanimatiebehoeftige toestand\n\nUit het rapport van de patholoog volgt dat zowel stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking op de hals kunnen hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] . Uit het rapport van de toxicoloog blijkt dat een bijdrage van buspiron aan het overlijden niet kan worden geconcludeerd noch kan worden uitgesloten. Nu de oorzaak van het reanimatiebehoeftig worden (en het overlijden) van [slachtoffer] niet met 100% zekerheid kan worden vastgesteld, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de rechtbank ondanks deze onzekerheid tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag kan komen.\n\nHet hof neemt bovenstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nAlternatieve scenario’s\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting bij het hof twee alternatieve scenario’s aangevoerd. Die zijn ook aangevoerd in eerste aanleg. De rechtbank heeft in haar vonnis over het eerste alternatieve scenario ‘inname buspiron door [slachtoffer] ’ het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVan belang is allereerst dat in het bloed van [slachtoffer] buspiron en het omzettingsproduct hydroxybuspiron zijn aangetoond. Het scenario dat de verdediging heeft benoemd is dat [slachtoffer] een toxische hoeveelheid buspiron kan hebben ingenomen.\n\nDe gemeten concentratie (van ongeveer 0,0020 mg\u002F1) is een therapeutisch (werkzame) concentratie. Het bewustzijn\u002Fgedrag van [slachtoffer] was ten tijde van het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand dus waarschijnlijk (therapeutisch) beïnvloed door het aanwezige buspiron. Hoeveel hoger de concentratie was ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden kan volgens de deskundige moeilijk worden ingeschat, omdat de omzetting en uitscheiding van buspiron tussen personen verschilt en beïnvloed kunnen zijn tijdens de ziekenhuisopname.\n\nNu namens verdachte is aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] door inname van een toxische concentratie Buspiron om het leven is gekomen, wijst de rechtbank op de inhoud van het rapport van de forensisch toxicoloog van 29 februari 2024 naar aanleiding van aanvullende vragen die de rechtbank heeft gesteld. Daaruit volgt dat het in theorie mogelijk is dat de[toen] gemeten buspironconcentratie van ongeveer 0,0020 mg\u002Fl bloed ten tijde van het reanimatiebehoeftig worden een toxische concentratie is geweest. Het kan echter ook nog steeds een therapeutische concentratie zijn geweest. Verder wordt uitgelegd dat in de literatuur voor zover bekend geen gevallen zijn beschreven waarbij personen reanimatiebehoeftig zijn geworden door inname van buspiron of zijn overleden door (overdosering met) buspiron.[…] De rechtbank acht dit door de verdediging geschetste alternatieve scenario dan ook niet aannemelijk geworden.\n\nHet hof overweegt dat, nu niet aannemelijk is geworden dat buspiron de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] is geweest, het voor het oordeel van het hof niet relevant is of [slachtoffer] zelf deze medicatie heeft ingenomen of dat de medicatie op andere wijze (zoals toegediend door verdachte) in haar bloed is gekomen.\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis omtrent het alternatieve scenario ‘koolstofmonoxide’ het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nDe rechtbank vindt eveneens onvoldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer] door een koolmonoxidevergiftiging in een reanimatiebehoeftige toestand terecht is gekomen en uiteindelijk is overleden. Hiervoor bestaan geen aanwijzingen. Daar komt bij dat uit het dossier volgt dat er in de nacht van 23 november 2022 - direct na het aantreffen van [slachtoffer] - en de daaropvolgende dag meerdere politiefunctionarissen voor langere tijd in de woning aanwezig zijn geweest ten behoeve van het verrichten van (forensisch) onderzoek. Het had dan ook voor de hand gelegen dat één of meerdere van deze personen onwel zouden zijn geworden in het geval er daadwerkelijk sprake was geweest van hoge koolmonoxide waarden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank niets gebleken.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nGeweldshandelingen en causaliteit\n\nVervolgens staat het hof voor de vraag of verdachte in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 opzettelijk de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen tegen [slachtoffer] heeft verricht, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 is overleden.\n\nDe rechtbank heeft hieromtrent onder meer het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVoorop staan de bevindingen uit het forensische dossier. De forensisch patholoog komt tot de conclusie dat de krachtinwerking op de hals van [slachtoffer] , in de vorm van stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking op de hals, wat heeft geleid tot een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, kan hebben geleid tot of bijgedragen hebben aan het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand van [slachtoffer] .\n\nDaar komen op basis van de bewijsmiddelen in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten bij. In de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 bevond verdachte zich samen met [slachtoffer] in hun gezamenlijke woning. Er zijn geen aanwijzingen dat er die avond nog andere personen aanwezig zijn geweest in de woning. Verdachte heeft daarover ook niets verklaard. Verdachte en [slachtoffer] hadden in de periode voorafgaand aan 23 november 2022 relatieproblemen en hadden het voornemen om van elkaar te scheiden. Verdachte verkeerde daarbij al langere tijd, ook in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, in de waan dat [slachtoffer] hem wilde vergiftigen met ketamine. Uit de geluidsopname blijkt dat verdachte [slachtoffer] hiervan beschuldigde, dat [slachtoffer] dit bleef ontkennen en dat verdachte gefrustreerd raakte. Ook heeft verdachte tijdens de opname meerdere keren tegen [slachtoffer] gezegd dat hij haar dood wilde maken. Verder blijkt uit de geluidsopname dat hij dusdanig geweld tegen haar gebruikte dat zij in haar adem werd belemmerd.\n\nBij [slachtoffer] is enkele uren later, kort nadat zij in reanimatiebehoeftige toestand is\n\naangetroffen, letsel vastgesteld; er zijn verspreid over haar lichaam meerdere\n\nbloeduitstortingen geconstateerd. Over deze blauwe plekken verklaart de schouwarts dat een aantal, maar zeker niet alle, verklaard kunnen worden door medisch handelen in het AMC.\n\nDaarnaast was [slachtoffer] een relatief jonge vrouw en hebben de patholoog en schouwarts gerapporteerd dat zij gezond was. Ook kon er volgens voornoemde deskundigen geen ziekelijke oorzaak voor het ontstaan van de reanimatiebehoeftige toestand worden vastgesteld en was er waarschijnlijk geen sprake van natuurlijk overlijden. (…)\n\nHet hof neemt ook deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nIn aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte fors geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer] . Volgens het forensische rapport van drs. D.J. Rijken, arts en forensisch patholoog, was sprake van een breuk van de linker bovenste hoorn van het schildkraakbeen, die veroorzaakt is door stomp botsende, (samen)drukkende en\u002Fof toesnoerende krachtinwerking, met zwelling in de omliggende wekedelen. Het is daarnaast volgens de patholoog zeer onwaarschijnlijk dat deze breuk het gevolg is van reanimatiehandelingen.\n\nHet hof constateert dat het letsel typerend is voor verwurgingshandelingen. Daar komt bij dat uit een geluidsopname blijkt dat verdachte eerder die dag al tegen het slachtoffer heeft gezegd dat hij haar om het leven zou brengen. Op die geluidsopname is onder meer het volgende te horen:\n\nM (het hof begrijpt: verdachte): Nee, nee ik maak je van kant hoor\n\nV(het hof begrijpt: [slachtoffer] ): Ja nou… dat\n\nM: Nee, nee. [slachtoffer] luister, ik maak je van kant, echt woar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant. Ik maak je echt van kant.\n\nUit de geluidsopname blijkt niet dat verdachte op het moment van dat handgemeen al de keel van [slachtoffer] vastgepakt heeft. Op dezelfde geluidsopname is te horen dat verdachte en [slachtoffer] na het handgemeen normaal met elkaar spraken. Het hof gaat er daarom vanuit dat het letsel aan het schildkraakbeen niet toen al is ontstaan maar dat er daarna een incident moet zijn geweest waarbij [slachtoffer] kennelijk zodanig is verwurgd dat een breuk is ontstaan in haar schildkraakbeen en zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt. Daarnaast zijn rondom haar ogen en op meerdere plaatsen op haar lichaam blauwe plekken aangetroffen. Dergelijke verwondingen, en vooral de hoeveelheid ervan, dragen bij aan de overtuiging van het hof dat een later incident moet hebben plaatsgevonden, waarbij ook dit letsel aan [slachtoffer] is toegebracht.\n\nVerdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022, voor zover hij weet, geen andere mensen binnen in de woning zijn gekomen. Het is het hof niet gebleken dat er andere mensen in de woning waren die nacht.\n\nHet hof is gelet op voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat [slachtoffer] door verwurgingshandelingen van verdachte in een reanimatiebehoeftige toestand is gekomen. Die gedragingen zijn in de keten van gebeurtenissen een noodzakelijke factor geweest voor het ingetreden gevolg, te weten het overlijden van [slachtoffer] .\n\nVoorts is het hof van oordeel dat het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs aan de gedragingen van verdachte kunnen worden toegerekend. Zonder zijn handelingen zou [slachtoffer] niet in een reanimatiebehoeftige toestand zijn gekomen en zou zij niet in een zodanige toestand zijn geraakt dat haar nabestaanden de moeilijke, maar medisch en ethisch navolgbare beslissing hebben genomen de apparatuur die haar in leven hield uit te laten zetten.\n\nOpzet\n\nDe gedragingen van verdachte zijn zozeer gericht geweest op het dodelijk verwonden van [slachtoffer] , dat dit naar het oordeel van het hof vol opzet op het dodelijk letsel bij haar oplevert. Verdachte heeft de keel van [slachtoffer] kennelijk zo lang en met zodanige kracht dichtgeknepen dat zij in een reanimatiebehoeftige toestand is geraakt en daardoor letsel heeft opgelopen. Het dichtknijpen van de keel op de wijze waarop verdachte dat gedaan heeft, is naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van [slachtoffer] , dat het niet anders kan dan dat de verdachte haar met deze handeling heeft willen doden. Deze wens heeft verdachte tijdens het handgemeen in de keuken, dat auditief is opgenomen, zelfs meermalen uitgesproken. Het hof is daarom van oordeel, anders dan de rechtbank, dat de verdachte zogenaamd vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .\n\nConclusie\n\nHet hof is dan ook van oordeel dat verdachte zich op 23 november 2022 in [plaats]\n\nschuldig heeft gemaakt aan doodslag op [slachtoffer] , zoals hierna weergegeven.\n\nFeit 2\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nVoor een succesvolle vervolging ter zake van bedreiging is vereist dat de bedreiging\n\nplaatsvindt met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling en dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou laten dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.\n\nAnders dan in de meeste zaken waarin bedreiging wordt ten laste gelegd, kan het slachtoffer hier niet navertellen of zij angstig was door de gedragingen van verdachte. Maar uit de geluidsopnames kan dit wel worden afgeleid. Niet in geschil is dat verdachte meerdere keren tegen [slachtoffer] heeft gezegd \"ik maak je van kant\" en \"het is een dikke overdosis he. (..) Ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\" of woorden van die strekking. Die woorden in combinatie met de omstandigheden dat verdachte op [slachtoffer] zat en zij moeilijk kon ademen, moet bij [slachtoffer] redelijkerwijs de vrees hebben opgewekt dat verdachte zijn aangekondigde voornemen om [slachtoffer] ‘van kant te maken’ zou uitvoeren. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van bedreiging, zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt daaraan toe dat de vrees bij [slachtoffer] ook duidelijk te horen is in haar eigen bewoordingen, zoals op de geluidsopname te horen is. Onder andere zegt [slachtoffer] : ‘ik ben ook bange veur joe’en ‘ik ben echt bange veur joe’‘hoe jij nou mij behandelt’.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof is aldus van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 tenlastegelegde feiten wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nHet hof heeft, anders dan de rechtbank, niet kunnen vaststellen dat het overlijden van [slachtoffer] is veroorzaakt doordat verdachte op [slachtoffer] is gaan zitten en daarmee uitwendige druk op haar borstkas heeft uitgeoefend waardoor haar ademhaling enige tijd zou zijn belet of belemmerd. Die handelingen vonden kennelijk plaats ten tijde van de eerdergenoemde geluidsopname. Het hof acht, zoals hiervoor is uiteengezet, wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met kracht de keel van [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dicht heeft gehouden, ten gevolge waarvan zij is overleden.\n\nHet hof komt tot de volgende bewezenverklaring ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, te weten dat\n\nhij omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft\n\nberoofd, door geweld toe te passen op [slachtoffer] door met kracht de keel van die [slachtoffer] dicht te knijpen en dicht te houden, ten gevolge waarvan zij op 30 november 2022 te [plaats] is overleden.\n\nEn ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde dat\n\nhij omstreeks 23 november 2022 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen \"het is een dikke overdosis he. Als ik je laat liggen zo. Dit is al 30 keer meer. Dit is gewoon zo’n bek heb ik\n\nerin gooid. Dus ik denk als ik je even laat liggen zo dat je weg bent\", \"En je vader is ook zo\n\ndood gegaan he.\" en \"Ik maak je van kant, echt waar. Ik maak je echt van kant. Ik maak je\n\necht van kant. Ik maak je echt van kant.\" en door op die [slachtoffer] te gaan zitten, ten gevolge\n\nwaarvan de ademhaling van die [slachtoffer] gedurende enige tijd werd belet.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nZowel de raadsman als de advocaat-generaal hebben gesteld dat het hof de verdachte in geval van een bewezenverklaring van een of beide feiten dient te ontslaan van alle rechtsvervolging. Het hof kan verdachte de feiten namelijk als gevolg van een psychische stoornis niet toerekenen.\n\nArtikel 39 Sr luidt sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 januari 2018, houdende regels voor het kunnen verlenen van verplichte zorg aan een persoon met een psychische stoornis (Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, Stb. 2018, 37) op 1 januari 2020:\n\n“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap niet kan worden toegerekend.”\n\nDe rechter kan op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.\n\nDe rechtbank heeft het volgende overwogen (cursief opgenomen).\n\nOver verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:\n\n- een Pro Justitia rapport psychiatrisch onderzoek van 17 april 2023, opgemaakt door dr. S. Dragt , psychiater (hierna ook: de psychiater);\n\n- een Pro Justitia rapport psychologisch onderzoek van 22 februari 2023, opgemaakt door E.I.J. Peeters , GZ-psycholoog (hierna ook: de psycholoog).\n\nDe psycholoog en psychiater stellen vast dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis, te weten schizofrenie. Daarnaast komt de psychiater tot de conclusie dat eveneens sprake is van een lichte stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Sinds de zomer van 2022 was er sprake van toenemende paranoïde symptomen, mogelijk geluxeerd door medicatie ontrouw en (deels door) chronisch cannabisgebruik. Deze paranoïde symptomen bestonden uit achterdocht jegens zijn vrouw, waarbij hij steeds meer overtuigd raakte van het feit dat zij hem wilde vergiftigen. Verdachte handelde in de avond van het tenlastegelegde volledig vanuit deze paranoïde waan. Zowel de psycholoog als de psychiater concluderen daarom dat de ten laste gelegde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nHet hof verbetert de motivering van de rechtbank als volgt.\n\nHet hof stelt vast dat ten tijde van de ten laste gelegde feiten bij verdachte sprake was van een floride paranoïde psychose die wordt geclassificeerd als schizofrenie. Het hof acht aannemelijk geworden dat deze stoornis van verdachte tot gevolg heeft gehad dat hij de wederrechtelijkheid van de bewezenverklaarde feiten niet kon begrijpen.\n\nNet als de rechtbank acht het hof verdachte ontoerekeningsvatbaar en zal het verdachte daarom ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nOplegging van maatregelen\n\nDe raadsman van verdachte heeft, in het geval dat het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht aan verdachte geen maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) op te leggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat geen recidiverisico bestaat zolang verdachte zijn medicatie slikt en dat het enorme belang van het blijvend gebruiken van zijn medicijnen hem duidelijk is geworden tijdens de behandeling die al heeft plaatsgevonden. Mocht het hof dit standpunt passeren dan is bepleit dat wordt volstaan met het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden, zoals ook door de rechtbank is opgelegd.\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien hiervan het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nErnst van de feitenVerdachte heeft zich in de avond en nacht van 22 op 23 november 2022 schuldig gemaakt aan doodslag op zijn vrouw ( [slachtoffer] ). Nadat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood, heeft hij haar in hun gezamenlijke woning om het leven gebracht door haar te wurgen[…]. Het kan daarbij niet anders dan dat [slachtoffer] in de laatste minuten van haar leven doodsangsten heeft uitgestaan. Dat dit feit is gepleegd juist door haar partner - iemand die je per definitie zou moeten kunnen vertrouwen - in hun gezamenlijke woning - een plek waar je bij uitstek veilig zou moeten zijn - maakt het allemaal nog wranger. In het dossier komt naar voren dat verdachte volledig handelde vanuit een paranoïde waan, waardoor verdachte er al langere tijd van overtuigd was dat [slachtoffer] hem wilde vergiftigen. Dat verdachte, terwijl hij in een dergelijke waan verkeert, kennelijk in staat is om zulk extreem geweld toe te passen, is zeer zorgelijk.\n\nAan de nabestaanden van [slachtoffer] , waaronder haar zus en haar moeder, is onherstelbaar leed en verdriet toegebracht. Zij hebben het afgelopen anderhalf jaar enorm geleden. Sinds de dood van [slachtoffer] heerst bij de moeder een enorm verdriet, waardoor zij nog maar een schim van zichzelf is. De zus van [slachtoffer] zit met vele vragen over wat er is gebeurd; vragen waarop zij, omdat verdachte geen openheid van zaken geeft en blijft ontkennen dat hij iets met het overlijden van [slachtoffer] te maken heeft, waarschijnlijk nooit een antwoord zal krijgen. Ook andere nabestaanden zullen met deze vragen blijven zitten. Natuurlijk zijn niet alleen de zus en moeder van [slachtoffer] geraakt door haar gewelddadige dood. Dit geldt ook voor anderen, zoals de buren, vriendinnen en andere bekenden van [slachtoffer] . Daarnaast is ook de samenleving geschokt door dit soort feiten.\n\nDe persoon van verdachte\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte, naast de[…]genoemde rapportages van de psychiater en psycholoog, kennisgenomen van:\n\n- een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie ('strafblad') van 16 april 2024, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;\n\n- een reclasseringsadvies van 9 juni 2023, opgemaakt door [naam] ,\n\nreclasseringswerker van Tactus verslavingszorg;\n\n- een voortgangsverslag schorsingstoezicht, opgemaakt door [naam] ,\n\nreclasseringswerker van Verslavingsreclassering Inforsa.\n\nRapportages psychiatrisch en psychologisch onderzoek\n\nDe psychiater en psycholoog komen in hun rapportages tot de volgende conclusies. Het recidiverisico wordt geheel bepaald door de (ernstige en chronische) psychotische stoornis en wordt ingeschat als matig in het geval verdachte geen adequate behandeling krijgt. Geadviseerd wordt om de psychotische stoornis van verdachte te behandelen in een klinische setting, onder andere door verdachte in te stellen op medicatie. De verwachting is dat deze behandeling ten minste enkele maanden zal duren en dat aansluitend ambulante vervolgbehandeling nodig is. Hieruit volgend wordt een behandeling (van voldoende lengte) in een gedwongen kader noodzakelijk geacht en oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden geadviseerd. De inschatting is dat verdachte zal meewerken aan behandeling binnen dit kader en dat dit kader het recidiverisico voldoende zal terugdringen. De deskundigen geven daarnaast oplegging van een GVM in overweging, zodat deze maatregel eventueel aansluitend op de tbs-maatregel ten uitvoer kan worden gelegd en toezicht kan worden gehouden op de inname van medicatie en behandeltrouw.\n\nReclasseringsadvies\n\nUit het reclasseringsadvies van 9 juni 2023 volgt dat de reclassering het risico op recidive, letselschade en onttrekking aan voorwaarden inschat als gemiddeld. De reclassering acht behandeling in een langdurige, forensische setting in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk. De reclassering adviseert daarnaast de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is. Ten slotte geeft de reclassering ter overweging mee om een GVM op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel. Een GVM biedt de mogelijkheid om toezicht te kunnen houden op de inname van medicatie, daar verdachte zijn ziektebeeld ontkent en in het verleden zonder overleg de inname van zijn medicatie heeft gestaakt.\n\nDe op te leggen maatregelen\n\nBij het bepalen van de maatregel(en) houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze feiten door verdachte zijn begaan. De rechtbank houdt ten slotte nadrukkelijk rekening met de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.\n\nTbs-maatregel met voorwaarden\n\nOmdat verdachte ten tijde van de bewezen geachte feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was, kan aan hem geen straf worden opgelegd. Wel kan een maatregel aan verdachte worden opgelegd.[…]\n\nVoor de rechtbank staat vast dat het in het belang is van en ter bescherming van de\n\nmaatschappij, maar zeker en misschien nog wel meer in het belang van verdachte zelf, dat hij de noodzakelijke en passende hulpverlening krijgt. Uit het voortgangsverslag blijkt ook dat hij baat heeft bij de inmiddels gestarte behandelgesprekken. Uit de deskundigenrapporten volgt duidelijk dat verdachte een intensieve behandeling van ten minste enkele maanden nodig heeft in een kliniek om het recidiverisico terug te dringen en de deskundigen adviseren een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank onder\n\ndeze omstandigheden een tbs-maatregel met voorwaarden het meest passend en\n\nnoodzakelijk. De rechtbank overweegt dat wordt voldaan aan de eisen die de wet aan oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden stelt, te weten:\n\n- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;\n\n- op het door hem begane misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld;\n\n- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.\n\nDe rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde voorwaarden overnemen, zoals vermeld in het dictum. Verdachte heeft zich ook bereid verklaard tot naleving van die voorwaarden.[…]\n\nGeen gemaximeerde terbeschikkingstelling\n\nDe maatregel zal worden opgelegd wegens doodslag. Dit heeft te gelden als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling, indien in de toekomst alsnog zal worden bevolen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, niet op voorhand is gemaximeerd.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid tbs-maatregel met voorwaarden\n\nNu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder behandeling en begeleiding opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank tevens bevelen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.\n\nOplegging van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)\n\nVerdachte heeft onder invloed van zijn ziekte een zeer zwaar en uiteindelijk dodelijk\n\ngeweldsdelict gepleegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bescherming van de samenleving vereist dat toereikende maatregelen genomen worden om recidive te voorkomen. Aangezien er op dit moment een matig risico op recidive bestaat en voorkomen moet worden dat dit na ommekomst van de (eindige) tbs-maatregel met voorwaarden tot onveiligheid voor de samenleving leidt, is de rechtbank van oordeel dat de door de reclassering geadviseerde GVM moet worden opgelegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan, omdat een tbs-maatregel met voorwaarden wordt opgelegd.Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, gelet op de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit en het in de rapportages geschatte matige recidiverisico indien verdachte geen adequate behandeling krijgt. De rechtbank acht het van belang dat na het beëindigen van de tbs-maatregel toezicht kan worden gehouden op de inname van medicatie.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank derhalve van oordeel dat oplegging van deze maatregel in dit geval aangewezen is. Na afloop van de opgelegde tbs-maatregel kan beoordeeld worden in hoeverre het recidiverisico nog aanwezig is en of en zo ja, welke voorwaarden moeten worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen.\n\nHet hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nIn aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van een recentere reclasseringsrapportage, gedateerd 12 maart 2025, en hetgeen ter terechtzitting van het hof is verklaard door de deskundige [naam] van de reclassering.\n\nTer zitting heeft de deskundige verklaard dat extern risicomanagement nodig is om het medicijngebruik van verdachte te monitoren. Hij merkte daarbij op dat het contact met verdachte reactief is en verdachte in het begin zeer passief was. Inmiddels maakt verdachte een ontwikkeling door en geniet hij een aantal vrijheden. [naam] concludeert dat verdachtes behandeling voorspoedig verloopt, maar dat er zorgen zijn over de intrinsieke motivatie van verdachte omtrent zijn medicijngebruik, zeker als hij zelfstandig zou gaan wonen. Verdachte is nog steeds een stressgevoelig persoon en zelfstandig wonen zou daarom een te grote stap zijn.\n\nHet hof heeft hetgeen door de deskundige ter zitting is verklaard ook betrokken in zijn oordeel. Het hof heeft op basis van deze verklaring bevestigd gezien dat het recidivegevaar nog steeds aanwezig is. Hoewel dat gevaar door de deskundigen niet als hoog wordt ingeschat, betreft het wel een (matig) risico voor een zeer ernstig feit. Het hof schat het gevaar dat verdachte opnieuw zeer ernstige feiten pleegt daarom nog groot genoeg in om oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk te doen zijn.\n\nIn hoger beroep heeft verdachte opnieuw verklaard zich aan de door de reclassering voorgestelde voorwaarden te zullen houden, mocht het hof die voorwaarden stellen.\n\nHet hof zal vaststellen dat de tbs met voorwaarden ingegaan is op 7 juni 2024, nu de rechtbank deze maatregel en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard.\n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van de benadeelde partijen het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nDe vordering van [benadeelde 1]\n\nMateriële schade\n\nTen aanzien van de gestelde materiële schade(bedragen) overweegt de rechtbank het volgende.\n\nKosten voor lijkbezorging\n\nDe schade voor zover die betrekking heeft op de kosten voor lijkbezorging komt voor vergoeding in aanmerking. Deze schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van dit schadebedrag voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze schade niet weersproken. Nu de benadeelde partij geen bedrag heeft gevorderd voor de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de ring met vingerafdruk (as-sieraad), maar enkel voor de kosten van de urn, zal het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 769,01 in zijn geheel worden toegewezen.\n\nKosten verblijf ziekenhuis\n\nDe rechtbank overweegt dat het hier geen verplaatste schade betreft, maar schade die de moeder van [slachtoffer] stelt zelf te hebben geleden ten gevolge van het handelen van verdachte. De moeder en zus van [slachtoffer] behoorden tot de kring van directe naasten van [slachtoffer] . Gelet op de toestand waarin [slachtoffer] verkeerde als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit jegens haar, acht de rechtbank het voorstelbaar en redelijk dat haar moeder en zus in de directe nabijheid van [slachtoffer] wilden zijn. De moeder van [slachtoffer] heeft daarvoor reis- en verblijfskosten moeten maken. Ten aanzien van de gevorderde kosten die zijn gemaakt voor eten en drinken tijdens het verblijf in het ziekenhuis (€ 141,26) en de reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt van en naar het ziekenhuis (€ 845,76) geldt dat zij voldoende zijn onderbouwd en in rechtstreeks verband staan tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen. De omstandigheid dat de benadeelde partij een hotelverblijf heeft geboekt en vervolgens heeft geannuleerd, omdat zij bij nader inzien toch liever in haar vertrouwde omgeving wilde slapen, dient volgens de rechtbank niet voor rekening van verdachte te komen. De vordering ten aanzien van deze post (€ 260,-) zal daarom worden afgewezen.\n\nToekomstige schade\n\nDe rechtbank is van oordeel dat voor de post die ziet op de toekomstige schade (€ 5.000. -) geldt dat op geen enkele wijze is onderbouwd waaruit deze kosten zouden bestaan. Daarmee staat ook onvoldoende vast dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.\n\nImmateriële schade (affectieschade)\n\nHet vorderen van affectieschade in het strafproces is sinds 1 januari 2019 mogelijk voor de in artikel 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van een door een misdrijf overleden slachtoffer. De vergoeding ziet op het leed en verdriet dat nabestaanden is aangedaan. De wetgever heeft in het Besluit vergoeding affectieschade (hierna: het Besluit) per categorie nabestaanden vaste bedragen opgenomen. De ouders van een door misdrijf overledene komen op grond van artikel 6:108, lid 4 sub c BW in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De hoogte van de door de moeder van [slachtoffer] gevorderde schadevergoeding (€ 17.500,-) is in overeenstemming met het Besluit en zal door de rechtbank worden toegewezen.[…]\n\nConclusie\n\nAl met al betekent dit dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden materiële en immateriële schade (affectieschade) tot een totaalbedrag van € 19.256,03 zal toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.\n\nVeroordeling in de kosten\n\nVerdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het (als vergoeding voor immateriële en materiële schade samen toe te wijzen) bedrag van € 19.256,03, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.[…]\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de\n\nbenadeelde partij [benadeelde 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.\n\nDe vordering van [benadeelde 1] (in hoedanigheid van erfgenaam)\n\nDe benadeelde partij vordert hier schade van het [slachtoffer] en doet dit in haar hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] . De raadsman heeft betwist dat zij erfgenaam is. De advocaat van de benadeelde partij heeft laten weten dat er geen stukken zijn waaruit blijkt dat de benadeelde partij erfgenaam is, maar dat verdachte zelf een onwaardige erfgenaam is op grond van artikel 4:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\nDe rechtbank overweegt dat op dit moment niet kan worden vastgesteld dat [benadeelde 1] de hoedanigheid van erfgenaam van [slachtoffer] heeft. Ook dat verdachte een onwaardige erfgenaam is, kan nu niet worden vastgesteld omdat daarvoor een onherroepelijke veroordeling ter zake van het ombrengen van de overledene vereist is. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering en bepalen dat deze bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nDe vordering van [benadeelde 2]\n\nMateriële schade (kosten voor lijkbezorging)\n\nTen aanzien van de schadepost ‘kosten voor lijkbezorging’ overweegt de rechtbank dat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze schade is veroorzaakt door het handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft de hoogte van dit schadebedrag voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze schade niet weersproken. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 4.226,46 zal in zijn geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.\n\nToekomstige schade\n\nDe rechtbank is van oordeel dat voor de post die ziet op de toekomstige schade (€ 5.000. -) geldt dat op geen enkele wijze is onderbouwd waaruit deze kosten zouden bestaan. Daarmee staat ook onvoldoende vast dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. De rechtbank zal de vordering op dit punt afwijzen.\n\nVeroordeling in de kosten\n\nVerdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan\n\nverdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag van € 4.226,46, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 november 2022 tot de dag van volledige betaling.[…]\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de\n\nbenadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.\n\nAanvullend overweegt het hof dat het, anders dan de rechtbank, het aantal dagen gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel op nul dagen zal vaststellen, nu een eventuele gijzeling de door het hof noodzakelijk geachte en voortdurende behandeling op een onwenselijke manier zal kunnen doorkruisen.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank heeft in haar vonnis ten aanzien van het beslag het volgende overwogen (cursief opgenomen):\n\nBlijkens een \"Lijst van inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen met\n\nstrafrechtelijke beslagtitel' van 21 september 2023 is beslag gelegd op:\n\n1 1 STK GSM. grijs, merk: Cat, nummer G3080002;\n\n2 1 STK GSM. inclusief hoesje, zwart, merk: ONEPLUS, nummer G3080001;\n\n3 1 STK Harddisk, inclusief USB kabel, merk: Lacie, nummer G3094287;\n\n4 1 STK GSM. inclusief hoesje, WIT, nummer G3094294;\n\n5 1 STK Harddisk. Zwart, merk: Intenso, nummer G3094298:\n\n6 1 STK Harddisk, incl. adapter. Zwart, merk: Medion, nummer G3094301;\n\n7 1 STK Computer, incl. oplader. Zwart, merk: Lenovo, nummer G3094308;\n\n8 1 STK Computer, incl. lader en usb. Grijs, merk: Dell, nummer G3094297;\n\n9 1 STK Computer, met adaptor\u002Fzonder accu, merk: Acer, nummer G3094307;\n\n10 1 STK Harddisk, Zwart, merk: Medion, nummer G3094282;\n\n11 1 STK Videorecorder, met voedingstekker. Zwart, nummer G3080651:\n\n12 1 STK Shirt, zwart, nummer G3080069;\n\n13 1 STK Trui. Grijs, nummer G3080065;\n\n14 1 STK Broek, blauw, nummer G3080052;\n\n15 1 STK Broek, blauw, nummer G30800I 8;\n\n16 1 STK Ondergoed, zwart, nummer G3080020;\n\n17 1 STK Geldkist, nummer G3093980;\n\n18 1 STK Stroomstootwapen, nummer G3093924;\n\n19 1 STK Medicijn, nummer G3080025;\n\n20 1 STK Kwitantieboekje, zat in geldkist, nummer G3121632.\n\n(…)\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal het in beslag genomen stroomstootwapen, hierboven genoemd onder 18, onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Dit voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen. Het in beslag genomen voorwerp kan bovendien dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.\n\nTeruggave aan de rechthebbende(n)\n\nDe rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen voorwerpen zoals hiervoor omschreven onder 1 tot en met 17, 19 en 20 aan degene(n) die redelijkerwijs als rechthebbende(n) van deze voorwerpen kan\u002Fkunnen worden aangemerkt.\n\nHet hof neemt deze overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.\n\nBlijkens het dossier is ook een alarmpistool, goednummer G3093927, inbeslaggenomen. Het hof zal deze onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang en kan bovendien dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:\n\n1. Verdachte zal meewerken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat verdachte:\n\n* zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt waar en hoe vaak dat nodig is;\n\n* zich houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\n* de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is, die nodig is\n\nvoor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n* meewerkt aan huisbezoeken;\n\n* inzicht geeft aan de reclassering in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door\n\nandere instellingen of hulpverleners;\n\n* zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;\n\n* meewerkt aan en het geven van toestemming voor het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n2. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n3. Verdachte laat zich opnemen in Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) [locatie] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, zal verdachte meewerken aan de indicatiestelling of plaatsing.\n\n4. Verdachte laat zich - na afloop van de klinische behandeling - behandelen door een forensische polikliniek, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding. Het innemen van medicatie kan onderdeel zijn van de begeleiding.\n\n5. Verdachte verblijft - na afloop van de klinische behandeling - in een nader te bepalen instelling voor beschermd\u002Fbegeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor\n\nhem heeft opgesteld.\n\n6. Als de reclassering dat nodig acht en verdachte daarmee instemt, zal verdachte voor een time-out worden opgenomen in Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [locatie] of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n7. Verdachte gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt door middel van urine- en ademonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.\n\n8. Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n9. Verdachte geeft inzicht in zijn financiële situatie en conformeert zich aan de afspraken die met de reclassering worden gemaakt ten aanzien van zijn financiën.\n\n10. Verdachte geeft openheid omtrent zijn sociale contacten met betrekking tot familie, vrienden en kennissen.\n\nGeeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.\n\nHeft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid.\n\nBeveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan de dadelijk uitvoerbaar verklaarde terbeschikkingstelling met voorwaarden bij de uitvoering van de opgelegde terbeschikkingstelling met voorwaarden in mindering zal worden gebracht.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nBeveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK Stroomstootwapen, nummer G3093924;\n\n1. STK Alarmpistool, nummer G3093927.\n\nGelast de teruggaveaan de rechthebbende(n) van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n1. STK GSM. grijs, merk: Cat, nummer G3080002;\n\n1. STK GSM. inclusief hoesje, zwart, merk: ONEPLUS, nummer G3080001;\n\n1. STK Harddisk, inclusief USB kabel, merk: Lacie, nummer G3094287;\n\n1. STK GSM. inclusief hoesje, WIT, nummer G3094294;\n\n1. STK Harddisk. Zwart, merk: Intenso, nummer G3094298:\n\n1. STK Harddisk, incl. adapter. Zwart, merk: Medion, nummer G3094301;\n\n1. STK Computer, incl. oplader. Zwart, merk: Lenovo, nummer G3094308;\n\n1. STK Computer, incl. lader en usb. Grijs, merk: Dell, nummer G3094297;\n\n1. STK Computer, met adaptor\u002Fzonder accu, merk: Acer, nummer G3094307;\n\n1. STK Harddisk, Zwart, merk: Medion, nummer G3094282;\n\n1. STK Videorecorder, met voedingstekker. Zwart, nummer G3080651:\n\n1. STK Shirt, zwart, nummer G3080069;\n\n1. STK Trui. Grijs, nummer G3080065;\n\n1. STK Broek, blauw, nummer G3080052;\n\n1. STK Broek, blauw, nummer G30800I 8;\n\n1. STK Ondergoed, zwart, nummer G3080020;\n\n1. STK Geldkist, nummer G3093980; 1 STK Medicijn, nummer G3080025;\n\n1. STK Kwitantieboekje, zat in geldkist, nummer G3121632.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 19.256,03 (negentienduizend tweehonderdzesenvijftig euro en drie cent) bestaande uit € 1.756,03 (duizend zevenhonderdzesenvijftig euro en drie cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 19.256,03 (negentienduizend tweehonderdzesenvijftig euro en drie cent) bestaande uit € 1.756,03 (duizend zevenhonderdzesenvijftig euro en drie cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgename van [slachtoffer]\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar hoedanigheid van erfgename van [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.226,46 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenveertig cent) ter zake van materiële schade.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.226,46 (vierduizend tweehonderdzesentwintig euro en zesenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. J.A.M. Kwakman, voorzitter,\n\nmr. J. Hielkema en mr. E.C.M. Wolfert, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. I.I. Buitenhuis, griffier,\n\nen op 9 april 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\n Hoge Raad 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:2164","2026-07-13T00:28:52.668Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":36,"updatedAt":61},"772","ECLI:NL:GHARL:2024:3277","ecli-nl-gharl-2024-3277","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-000613-22\n\nUitspraak d.d.: 8 mei 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nVerkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2022 met parketnummer 16-289945-21 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,\n\nwonende te [woonplaats]\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte voor het tenlastegelegde feit tot een taakstraf van 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. F.N. Dijkers, naar voren is gebracht.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft verdachte bij vonnis van 25 januari 2022, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld voor het tenlastegelegde feit - mishandeling - tot een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorlopige hechtenis.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen en\u002Fof door een nekklem aan te leggen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverweging met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en heeft verzocht om het beroep op noodweer te verwerpen. Indien al uitgegaan zou worden van een noodweersituatie, dan is er volgens de advocaat-generaal geen sprake van een rechtmatige verdediging. De advocaat-generaal heeft daartoe naar voren gebracht dat verdachte kon en moest weglopen en dat niet heeft gedaan, waardoor verdachte is meegegaan in een fysieke confrontatie met aangever.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer en heeft in dat kader vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Volgens de raadsman moest verdachte zich verdedigen tegen de aanval van aangever en heeft verdachte gehandeld binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De raadsman heeft naar voren gebracht dat aangever begon met slaan, waardoor verdachte aangever bij zijn keel heeft gepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn spullen uit de auto wilde halen en handelde uit zelfverdediging nadat aangever begon te slaan. Verdachte erkent dat hij aangever bij zijn keel heeft gepakt, maar ontkent dat hij daarin heeft geknepen. Verdachte betwist ook dat het letsel in de nek van aangever door zijn handelen is ontstaan.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.\n\nWettelijk kader noodweer\n\nVooropgesteld dient te worden dat van noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, sprake is indien het strafbare handelen van de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Voor de beoordeling daarvan is onder meer van belang of de aan het verweer strekkende tot noodweer ten grondslag liggende feiten en omstandigheden voor het hof aannemelijk zijn geworden.\n\nWat betreft culpa in causa en noodweer(exces) moet het volgende worden vooropgesteld. Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel bij voorbeeld van een wapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456)\n\nFeiten en omstandigheden\n\nIn het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2021, waarin de camerabeelden van dit incident in stills zijn weergegeven en beschreven. Bij de beoordeling van het verweer van de verdediging gaat het hof, op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, uit van de volgende feiten en omstandigheden en stelt deze vast.\n\nOp 15 oktober 2021 is verdachte, samen met zijn broer - [naam broer] - en een vriend - [naam vriend] - bij het bergingsbedrijf [naam bergingsbedrijf] in [plaats] , omdat de auto van verdachte daar naartoe is gebracht. Verdachte is naar het bergingsbedrijf gekomen om spullen uit zijn auto te halen. Aangever [slachtoffer] is autoberger bij dat bedrijf en geeft aan dat zij even moeten wachten, omdat hij eerst andere klanten moet helpen. Verdachte en de twee anderen zijn het daar niet mee eens en willen direct de spullen uit de auto gaan halen. Vervolgens besluiten zij - tegen de regels van het bedrijf in - om achter aangever aan te lopen richting de loods waar de auto staat. Aangever is met het oog daarop voornemens om de politie te bellen en staat op dat moment in een halletje, waarvan hij de deur sluit. De broer van verdachte - [naam broer] - wil voorkomen dat de deur wordt gesloten, waardoor er bij die deur tussen aangever en [naam broer] een worsteling ontstaat. Door die worsteling is het raam van die deur gebarsten. Verdachte mengt zich vervolgens in die worsteling en op een gegeven moment staat de deur naar buiten weer open. Ondanks dat de deur weer openstaat, blijven verdachte en zijn broer in het halletje staan. Tussendoor is de tevens aanwezige [naam vriend] meerdere keren naar een andere ruimte gelopen. Opnieuw ontstaat er in het halletje een (verhitte) discussie tussen aangever, verdachte en diens broer [naam broer] . Verdachte pakt dan zijn telefoon erbij en besluit deze op aangever te richten om hem te filmen en\u002Fof te fotograferen. In reactie daarop pakt aangever de telefoon uit verdachtes hand en gooit deze weg. Daarna ontstaat er een handgemeen tussen verdachte en aangever, waarbij verdachte aangever bij zijn keel pakt en deze heeft dichtgeknepen. Aangever pakt verdachte vervolgens vast aan zijn kleding bij zijn hals en daarna hebben beiden elkaar vast bij de nek en geeft aangever verdachte een klap. Terwijl aangever slaat, blijft verdachte hem bij zijn nek vasthouden. Verdachte en aangever blijven in een worsteling, totdat [naam vriend] erbij komt en ingrijpt. Vervolgens is verdachte met zijn gezelschap alsnog - tegen de regels en instructies in - de spullen uit de auto gaan pakken en zijn ze vertrokken.\n\nAangever heeft van dit incident aangifte gedaan en had ten gevolge van dit incident last van zijn adamsappel en zichtbaar letsel aan zijn nek, waarvan foto’s zijn opgenomen in het dossier. Ten aanzien van het letsel stelt het hof vast dat het letsel dat aangever heeft opgelopen past bij de hiervoor beschreven handeling van verdachte, waarbij hij aangever bij zijn nek vast pakt. Het hof acht het, mede gelet op de beschrijving van de camerabeelden, niet aannemelijk geworden dat dit letsel door de eerdere worsteling of anderszins is ontstaan.\n\nBeoordeling beroep op noodweer\n\nUit voorgaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat er, nadat een worsteling heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte, een kort moment van relatieve rust is zonder uitoefening van geweld. Vervolgens is het aangever geweest die de telefoon van verdachte afpakt en weggooit. In zoverre is er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van een goed van verdachte.\n\nVerdachte heeft als reactie op deze gedraging vervolgens aangever bij zijn keel gepakt en deze dichtgeknepen.\n\nMet betrekking tot de vraag of verdachte ten aanzien van deze gedragingen succesvol een beroep kan doen op noodweer overweegt het hof als volgt. Verdachte, zijn broer en vriend luisterden niet naar aangever en hebben zich niet gehouden aan de algemene regels die golden binnen het bedrijf. Op het moment dat verdachtes auto - na berging daarvan - op dat bedrijf staat, is het bedrijf daarvoor verantwoordelijk. Bovendien heeft aangever aanwijzingen gegeven en verdachte en zijn gezelschap gevraagd om even te wachten, waaraan door hen geen gehoor is gegeven. Verdachte wilde zijn spullen uit de auto halen en was niet bereid om daarvoor te wachten. Vervolgens volgden zij aangever naar de andere ruimte en ontstaat er in de hal uiteindelijk een worsteling. Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte, samen met de twee anderen, dwingend was in zijn wens om zijn spullen uit zijn auto te halen en ook dat hij weinig boodschap had aan de binnen het bedrijf van aangever geldende regels en de door aangever gegeven instructies. Verdachte had tussendoor ook steeds de gelegenheid om naar buiten te gaan en te wachten maar heeft er desondanks bewust voor gekozen om in het halletje te blijven staan. Op een gegeven moment besluit verdachte dan om aangever - zonder diens toestemming en terwijl aangever in de uitoefening van zijn functie is - met zijn telefoon visueel vast te leggen. Verdachte heeft dat gedaan met de kennelijke wens om aangevers gedrag te sturen en heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend dat hij dat heeft ingezet als een in zijn ogen “legitiem wapen”. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen escalerende handelingen van verdachte zijn geweest, tijdens een al gespannen situatie en nadat er eerder al een worsteling bij de deur heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte. Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer ten aanzien van de telefoon uitgelokt.\n\nGelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden, de uiterlijke verschijningsvorm en in het bijzonder de wijze van handelen en het provocerende gedrag van verdachte, is het hof van oordeel dat verdachte zelf een prominent aandeel heeft gehad in zowel het ontstaan als in het laten escaleren van de situatie. Het hof merkt daarbij op dat verdachte de confrontatie eenvoudig had kunnen vermijden door naar de aanwijzingen van aangever te luisteren en rustig (buiten) te wachten totdat hij aan de beurt was, zelfs nog nadat de deur naar buiten weer opnieuw open stond. Verdachte was echter niet bereid om te wachten, luisterde niet en is direct de discussie met aangever aangegaan. Bovendien is verdachte bewust binnen blijven staan en heeft hij - tijdens de al gespannen situatie - zijn telefoon doelbewust als middel ingezet om zijn zin te krijgen en daarmee zelf (en opnieuw) de confrontatie met aangever opgezocht. Naar het oordeel van het hof is er daarom in het onderhavige geval sprake van bijzondere omstandigheden, waarbij de gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het kunnen slagen van een beroep op noodweer. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt en zal dit daarom verwerpen.\n\nConclusie\n\nGelet op voorgaande overwegingen, acht het hof het tenlastegelegde feit - mishandeling - wettig en overtuigend bewezen. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt verworpen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 15 oktober 2021 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer] , door hem bij zijn keel vast te pakken en deze dicht te knijpen. Door aldus te handelen heeft verdachte het slachtoffer pijn en letsel bezorgd. Verdachte heeft met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien versterkt dergelijk handelen de in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid. Het hof merkt daarbij op dat dit feit heeft plaatsgevonden bij een bedrijf, waar aangever - terwijl hij in de uitoefening was van zijn functie - door verdachte is mishandeld. Verdachte had in plaats daarvan naar de aanwijzingen van aangever moeten luisteren en niet zijn zin moeten doordrukken.\n\nTen aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 25 maart 2024, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (onder meer) mishandelingen. Dat heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij momenteel fulltime werkzaam is als kok en bezig is met een overstap naar de zorg om als persoonlijk begeleider met jongeren te gaan werken. Verdachte heeft hiervoor een opleiding afgerond en heeft voor de uitoefening van die functie onlangs een ‘Verklaring Omtrent het Gedrag’ (VOG) ontvangen. Verder heeft verdachte naar voren gebracht dat hij een relatie heeft, dat hij geen schulden heeft en dat er geen bijzonderheden zijn met betrekking tot middelengebruik.\n\nTen aanzien van de strafoplegging heeft de raadsman verzocht om, in geval van een bewezenverklaring, de LOVS-oriëntatiepunten te volgen. De raadsman heeft primair verzocht om een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en subsidiair om aan verdachte een voorwaardelijke geldboete op te leggen.\n\nMet betrekking tot het verzoek van de raadsman om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht overweegt het hof als volgt. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht in deze situatie geen recht doet aan de aard en de ernst van het feit. Het hof zal dat verzoek daarom niet volgen.\n\nVoorts stelt het hof vast dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is, mede gelet op de op te leggen straf, van oordeel dat kan worden volstaan met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.\n\nAlles afwegende, acht het hof voor dit feit het opleggen van een taakstraf van 40 uren, te vervangen door 20 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door20 (twintig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. G.A. Versteeg, voorzitter,\n\nmr. P.S. Bakker en mr. M.C. van Linde, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M.F. Bijlsma, griffier,\n\nen op 8 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:3277","2024-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.369Z",20]