[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":82},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2026-01-21T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124321","Wetboek van Strafrecht","art. 28",1,[27,37,44,51,58,67,75],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"1629","ECLI:NL:RBLIM:2026:6519","ecli-nl-rblim-2026-6519","","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.340006.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,\n\nwonende te [adres] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. S.L.B. Duijf, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 22 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:op 23 december 2023 heeft geprobeerd om zijn echtgenote [slachtoffer] van het leven te beroven door haar met een mes in de hand en\u002Fof het lichaam te steken (primair), dan wel zijn echtgenote [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld door haar in de hand en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken (subsidiair), dan wel een poging daartoe heeft gedaan (meer subsidiair);\n\nFeit 2:op 23 december 2023 [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd door haar enkels, armen en\u002Fof handen aan elkaar vast te binden met tape.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat er op grond van het dossier niet vastgesteld kan worden dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van het slachtoffer.\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiairtenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte boos was, dat hij het slachtoffer met ducttape heeft vastgebonden teneinde haar weerloos te maken en dat hij vervolgens met een uitbeenmes in de richting van het slachtoffer heeft gestoken, gezwaaid of gesneden. Het steken of snijden met een scherp uitbeenmes op een weerloos vastgebonden slachtoffer, roept de aanmerkelijke kans in het leven dat bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zal worden toegebracht. Door dat op deze manier te doen heeft verdachte die kans ook bewust aanvaard. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte snijverwondingen aan vier van haar rechtervingers opgelopen. Het slachtoffer is aan het letsel geopereerd, heeft na de operatie een gipsspalk gedragen en heeft drie maanden handtherapie gevolgd. Het slachtoffer kan de handpalm tot op heden nog steeds niet volledig plat leggen en er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen.\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat het slachtoffer met ducttape was vastgebonden, dat de woonkamerdeur was afgesloten en – zoals blijkt uit de geluidsopnames – dat de verdachte het slachtoffer met zijn uitlatingen meermalen heeft belet de woning te verlaten. Voor een bewezenverklaring van wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet vereist dat sprake is van een absolute onmogelijkheid van het slachtoffer om zich fysiek te verplaatsen, maar daarvan is in dit geval wel sprake geweest.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten bepleit.\n\nTen aanzien van feit 1 primairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Er is sprake van twee verhalen, welke beide niet voldoende ondersteund worden door de inhoud van het dossier, mede doordat er geen sporenonderzoek in de woning is gedaan. Daarnaast blijkt nergens uit het dossier dat de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiairen feit 1 meer subsidiairheeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier niet volledig is en zowel de verklaring van het slachtoffer als de verklaring van verdachte niet meer geverifieerd kunnen worden, vooral over op welke wijze het mes is gebruikt en door wie. Uit niets blijkt verder dat de verdachte de opzet had het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nTen aanzien van feit 2heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de beperking te kortdurend, te gering en niet absoluut genoeg was om te kunnen kwalificeren als vrijheidsberoving. De verdachte had geen opzet op de vrijheidsberoving en het is onduidelijk gebleven hoe de tape was aangebracht. Deze lijkt bovendien maar kortdurend op de mond van aangeefster te hebben gezeten. Er is daarom geen sprake van een (voltooid) delict.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeit 1 primair\n\nVrijspraak\n\nDe rechtbank is, samen met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte opzet had – ook niet in voorwaardelijke zin – op de dood van aangeefster. De primair tenlastegelegde poging tot doodslag kan daarom niet bewezenverklaard worden. De rechtbank zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nFeit 1 subsidiair\n\nBewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:\n\nOp 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug. Ik zag dat mijn man een schaar had. Ik zag en voelde dat hij mijn haren aan het afknippen was. Ik wist mijn handen los te krijgen. Ik dacht op dat moment nog steeds dat hij een schaar in zijn hand had. Ik dacht dat hij me wilde neersteken. Ik deed mijn rechterarm omhoog. Ik hield deze hand op, om hem af te weren. Ik voelde opeens een erge pijnscheut in mijn rechterhand. Ik zag dat er bloed uit mijn hand liep. Toen zag ik dat het een mes was dat mijn man in zijn hand hield.\n\nDe verklaring van getuige [slachtoffer] , afgelegd ter terechtzitting van 22 juni 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk zat met mijn knieën op de grond met mijn handen vastgebonden naar achter. Hij was mijn haren aan het knippen. Ik probeerde mijn handen los te krijgen en toen dat gelukt was heb ik mijn rechterarm\u002Fhand omhoog en naar voren gebracht. Ik zag op dat moment niet wat hij in zijn handen had. Ik kwam met mijn hand ergens tegenaan en voelde pijn. Toen ik keek zag ik dat hij een mes in zijn hand had. Ik dacht dat hij een schaar vast had, omdat hij mijn haren aan het knippen was, maar het was een mes.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming:\n\nOp 23 december 2023 te 02:15 uur werd in de woning op het adres [adres] te Heerlen een mes (geel) met bloedsporen aangetroffen en inbeslaggenomen.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland, voor zover inhoudende:\n\nConclusie letsel slachtoffer [slachtoffer]\n\n- Hand rechts: handpalm zijde van de vingers snijverwondingen van alle vingers, behalve dig II (wijsvinger) - Dig V (pink) relatief oppervlakkige wond van 1 cm midphalanx (vingerkootje) - Dig IV (ringvinger) en III (middelvinger) diepe wonden basisphalanx (vingerkootje) - Dig I (duim) diepe wond, lopende tot ulnaire zijde van de vinger, geschat over de helft van de totale omtrek van de duim\n\n- Sensibiliteit van alle vingers intact. Vasculair (bloedvaten) intact - Functieverlies FDS (Flexor Digitorum Superficialis; buig- of- flexpezen) van dig IV (ringvinger) en III (middelvinger), verder motoriek intact - Slachtoffer heeft na de operatie 5 dagen een gipsspalk gedragen, aansluitend is zij begonnen met EAM (Early Active Motion- handtherapie) - Twee weken na de operatie zijn de hechtingen verwijderd - 28 december 2023: Slachtoffer krijgt gedurendedrie maanden handentherapie - 14 februari 2023: Slachtoffer heeft moeite met buigen en strekken van de vingers, onder andere door de littekens.\n\nHet aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, voor zover inhoudende:\n\nMw. [slachtoffer] heeft een operatie gehad van de buigpezen van de middelvinger, de ringvinger en de pink. Binnen een week na de operatie is mw. begonnen met oefenen met de handtherapeut. Drie maanden na de operatie kan mw. de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen. Er is nog sprake van verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten.\n\nDe letsels zijn snijwonden die met bindweefselvorming zijn genezen. Nu zijn littekens zichtbaar. De beschreven verminderde hand- en vingerfunctie hangt samen met het door het incident veroorzaakte peesletsel.\n\nMw. kan de vingers van haar rechterhand niet volledig buigen en strekken.\n\nDe verwachte genezingsduur betreft bijna een half jaar na het incident alsnog minimaal 3 maanden. Het is onzeker of de rechterhandfunctie volledig terugkeert.\n\nBewijsoverweging\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de verklaring van aangeefster over de toedracht van het letsel aan haar hand telkens consistent en gedetailleerd is geweest. Daartegenover staat de telkens wisselende verklaring over de toedracht van het letsel bij aangeefster door de verdachte. De verdachte heeft inmiddels drie verschillende versies naar voren gebracht, die op wezenlijke onderdelen van elkaar verschillen. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig en zal deze tot uitgangspunt nemen voor de verdere beoordeling van de tenlastelegging.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of er in casu daadwerkelijk sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster. Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van die vraag, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.Aangeefster heeft aan de handpalmzijde van haar rechterhand snijverwondingen opgelopen in de pink, ringvinger, middelvinger en duim. Aangeefster heeft daardoor een operatie van de buigpezen van de middelvinger, ringvinger en pink ondergaan en heeft vervolgens drie maanden handtherapie gevolgd. Er is sprake van een verminderde functie van de pezen in de eindgewrichten; ze kan de eindgewrichten van de vingers nog matig bewegen en ze kan de vingers niet volledig strekken en buigen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze beperkingen van zodanige aard en ernst dat, mede in aanmerking genomen de belangrijke functie van de hand in het dagelijks leven, sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).\n\nDe vraag rijst of sprake is van (voorwaardelijk) opzetop het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de zijde van verdachte. De rechtbank ziet in de bewijsmiddelen onvoldoende aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring van vol opzet op zwaar lichamelijk letsel te komen. Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg zou hebben. De verdachte heeft aangeefster met een mes in haar hand gesneden, terwijl zij op haar knieën, met ducttape om haar enkels en armen, op de grond zat. De kans op zwaar lichamelijk letsel is aanmerkelijk te noemen wanneer iemand met een vlijmscherp mes steekt of snijdt in de richting van een (weerloos) slachtoffer. De verdachte moet zich hiervan ten tijde van zijn handelen bewust zijn geweest. Door met een mes in de richting van aangeefster te bewegen heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans dan ook bewust aanvaard. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan zijn echtgenote.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, voor zover inhoudende:\n\nOp 23 december 2023 werd ik omstreeks 01.30 uur plotseling wakker gemaakt door mijn man [verdachte] . Vervolgens zijn wij naar de woonkamer gelopen. Ik zag dat hij de woonkamerdeur afsloot. Ik moest op mijn knieën op de grond in de woonkamer gaan zitten. Mijn man begon ducttape om mijn hoofd en mond te wikkelen. Mijn man wikkelde mijn enkels in ducttape. Hierna wikkelde hij mijn armen en handen in ducttape. Mijn armen waren op dat moment achter mijn rug.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), voor zover inhoudende:\n\nTer plaatse trof ik het slachtoffer [slachtoffer] aan. Ik zag dat de vrouw een grijs stuk ducttape om haar nek had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk ducttape om haar rechterarm had zitten. Ik zag dat de vrouw een stuk grijze ducttape om haar rechterenkel had zitten.\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, voor zover inhoudende:\n\nNNV: Ga weg hier\n\nNNM: Nee\n\nNNV: Ga weg hier, ga opzij, ga weg hier, ik zeg dat je mij moet laten gaan\n\nNNM: Nee, nee, nee\n\nNNV: Ik wil weg van hier\n\nNNM: Nee, jij blijft hier\n\nNNV: Ik wil weg … [ntv] … praten\n\nNNM: Nee, nee je gaat daar zitten\n\nNNV: Ik ga niet praten\n\nNNM: Ga daar zitten, want anders bind ik je vast, ga daar zitten en beken zoals het een normaal mes betaamt en dan is het klaar, dan ga ik weg, is geen probleem\n\nNNM: Je gaat nergens naar toe, je gaat daar zitten in de hoek, je gaat niet bewegen, anders bind ik je vast en knip ik je haar helemaal af\n\nNNV: Nee, ik moet hier weg\u002Fuit\n\nNNM: Je gaat nergens naar toe\n\nNNV: Wat ga je dan doen?\n\nNNM: Je gaat daar zitten\n\nBewijsoverweging\n\nOp grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte aangeefster op haar knieën heeft laten zitten, dat hij haar heeft vastgebonden met ducttape bij haar enkels, armen en handen, dat hij de woonkamerdeur heeft afgesloten en dat hij haar meermalen heeft verboden om de ruimte te verlaten. Aangeefster kon zich daardoor niet op ieder gewenst ogenblik van de plaats waar zij zich bevond verwijderen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangeefster wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nFeit 1 subsidiair:\n\nop 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en peesletsel in meerdere vingers heeft toegebracht door in de hand van die [slachtoffer] met een mes te snijden;\n\nFeit 2:\n\nop 23 december 2023 in de gemeente Heerlen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door de enkels, armen en handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nzware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenote;\n\nFeit 2\n\nopzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe psychiater drs. R. Thomassen heeft een onderzoek ingesteld omtrent de persoon van de verdachte en heeft op 10 april 2024 een rapport uitgebracht. Uit dat rapport is gebleken dat bij de verdachte sprake is van een post-traumatische stresstoornis (PTSS) na een overval op zijn werk in 2014 en dat hij daar nog steeds klachten van ondervindt. De PTSS beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde echter niet. De rechtbank komt op basis van de in het rapport vervatte bevindingen niet tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 36 maanden (met aftrek van voorarrest), waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de complexe PTSS dan wel andere psychosociale problemen van de verdachte en daarom aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, dan wel geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest gelet op het tijdsverloop en de aan detentie verbonden negatieve consequenties voor de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn echtgenote, inmiddels ex-vrouw, en moeder van zijn kinderen. De verdachte heeft het slachtoffer vastgebonden met ducttape, een groot deel van haar haren afgeknipt met een schaar en vervolgens met een mes in de handpalm van het slachtoffer gesneden. Uitermate vernederend en respectloos gedrag, dat de rechtbank de verdachte zeer kwalijk neemt. Het slachtoffer heeft bovendien ter terechtzitting toegelicht dat ze haar vingers door het opgelopen letsel tot op heden niet volledig kan strekken en buigen en dus niet volledig meer kan gebruiken. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit en persoonlijke waardigheid van zijn echtgenote gemaakt en de rechtbank rekent hem dit zwaar aan. Bovendien heeft verdachte een geluidsopname van de feiten gemaakt en deze begaan terwijl zijn kinderen aanwezig waren in de woning. Zelfs hun aanwezigheid heeft de verdachte niet van het plegen van de feiten weerhouden.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de reclasseringsadviezen van 8 mei 2024, 5 december 2024 en 2 juni 2026. Daaruit blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van problemen op diverse leefgebieden. Naast de relatieproblematiek hebben mogelijk ook het gebrek aan dagbesteding, financiële problemen, overmatig gokken en zijn psychosociaal functioneren een rol gespeeld in het delictgedrag. De verdachte is gediagnosticeerd met PTSS. De verdachte is op 16 mei 2024 geschorst en onder toezicht gesteld van de reclassering en heeft zich tot op heden goed aan de afspraken en voorwaarden gehouden. De verdachte volgt een behandeling bij de Rooyse Wissel gericht op emotieregulatie en traumabehandeling. De scheiding is inmiddels geregeld en er is co-ouderschap ten aanzien van de twee jongste kinderen. Volgens de toezichthouder zijn alle doelen binnen het toezicht bereikt en hebben verdere bijzondere voorwaarden geen toegevoegde waarde meer. De reclassering schat het risico op recidive in als laag. De verdere behandeling van de PTSS kan doorlopen in een vrijwillig kader, aldus de reclassering.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, niet kan worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf. Een taakstraf of een geldboete doet onvoldoende recht aan de ernst van het gewelddadige handelen van verdachte en de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank heeft acht geslagen op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij het oriëntatiepunt voor opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen, gelet op het vastgestelde letsel, de gevolgen en de revalidatieperiode. Dit oriëntatiepunt gaat uit van een gevangenisstraf van 1 jaar. De rechtbank weegt de volgende omstandigheden strafverzwarend mee: het slachtoffer was de echtgenote van verdachte, er is sprake van huiselijk geweld, de verdachte heeft het slachtoffer uitermate vernederd door haar haren af te knippen, de verdachte heeft van zijn handelen een geluidsopname gemaakt en de verdachte heeft geen volledige openheid van zaken gegeven.\n\nGelet op al het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, passend. De rechtbank zal echter in strafmatigende zin rekening houden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De rechtbank overweegt dat die termijn op 23 december 2023 is aangevangen, de dag dat de verdachte door de politie is verhoord. Gelet hierop zou uiterlijk op 23 december 2025 een einduitspraak gewezen moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op de dag van deze uitspraak is overschreden met ruim 6 maanden. De rechtbank zal de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, daarom matigen van 26 maanden naar 24 maanden. De rechtbank ziet verder geen strafmatigende omstandigheden.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden – met aftrek van voorarrest – en waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. Het voorwaardelijke deel dient als stok achter de deur, om de verdachte ervan te weerhouden in te toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\n7. Het beslag\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen schaar verbeurdverklaren, nu dit een voorwerp betreft met behulp van welke het feit is begaan. De rechtbank zal teruggave aan de verdachte (beslagene) gelasten van de inbeslaggenomen GSM’s, de computer en de geluidsapparatuur, nadat hiervan de opnames verwijderd zijn. Het inbeslaggenomen vleesmes is reeds retour naar de eigenaar.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 282, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiairenfeit 2toteen gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;\n\nBeslag\n\n- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:\n\n1 STK Schaar (goednummer: 1665325);\n\n- gelast de teruggave van de volgende inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte:\n\n1 STK GSM (goednummer: 1665364);\n\n1 STK GSM (goednummer: 1665366);\n\n1 STK Computer (goednummer: 1665367);\n\n1 STK Geluidsapparatuur (nadat de opnames zijn verwijderd) (goednummer: 1665368).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na de wijziging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat\n\nFeit 1 primair:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe sneden en\u002Fof peesletsel in een of meerdere vingers, heeft toegebracht door in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] met een mes te snijden en\u002Fof steken;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn echtgenote [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de hand en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en\u002Fof gesneden,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nFeit 2:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2023 in de gemeente Heerlen, althans in Nederland opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door de enkels, armen en\u002Fof handen van die [slachtoffer] met tape aan elkaar vast te binden.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer PL2431-2023202228 (onderzoek: Banner), gesloten d.d. 30 maart 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 190.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.\n\n De kennisgeving van inbeslagneming (mes met bloedsporen), p. 168.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, medisch dossier Zuyderland van 28 maart 2024, p. 72.\n\n Het aanvullend proces-verbaal Forensisch onderzoek [slachtoffer] , met in de bijlage Forensisch medische letselrapportage d.d. 15 mei 2024, p. 11 en 12.\n\n Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, r.o. 2.4.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 23 december 2023, p. 44 en 45.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (verbalisant [naam] ), p. 22.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, uitwerking geluidsfragment, p. 99, 100, 101 en 105.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6519","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:30.469Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":43},"1664","ECLI:NL:RBLIM:2026:6518","ecli-nl-rblim-2026-6518","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.268186.23\n\nTegenspraak (gemachtigde raadsman)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1976,\n\ndomicilie kiezende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. H.G. Koopman, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDeze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.277358.23 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.142029.24.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (al dan niet samen met anderen):\n\nFeit 1: op 12 oktober 2023 opzettelijk (ongeveer) 32,87 gram heroïne, 4,54 gram cocaïne en 120,43 gram metamfetamine aanwezig heeft gehad;\n\nFeit 2: op 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht beide feiten bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] drugs en allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. De verdachte heeft verklaard uit die woning te zijn gekomen en betrokken te zijn bij de productie van drugs in die woning.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de voorbereidingshandelingen concludeert de verdediging tot vrijspraak. De verdachte heeft de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen niet aangeschaft. Niet in te zien is wat de bijdrage van de verdachte is geweest aan de voorbereidingshandelingen. De uiting van de voorbereidingshandelingen ligt niet op of omstreeks 12 oktober 2023, maar in de periode erna.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nTer bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.\n\nDe overwegingen van de rechtbank\n\nOp grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank het aanwezig hebben van de harddrugs (feit 1) en de voorbereiding\u002Fbevordering van de productie van synthetische drugs (feit 2) bewezen. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.\n\nDe verdachte is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning aan de [adres 2] nummer [huisnummer] te Heerlen. De verdachte hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van de verdachte kreeg de politie het vermoeden dat de verdachte zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop voornoemde woning binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen kunnen gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van de voornoemde woning is de medeverdachte [medeverdachte 1] . In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de verdachte.\n\nHet voorgaande levert redengevende feiten en omstandigheden op dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde samen met anderen heeft gepleegd: naast medeverdachte [medeverdachte 2] is dat medeverdachte [medeverdachte 1] , de huurder van de bedoelde woning. En in een geval als dit, mag van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verwacht. Die is door de verdachte op geen enkel moment gegeven.\n\nDe rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\n3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, en\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, en\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\n\n- een weegschaal, en\n\n- een speciekuip, en\n\n- een maatbeker, en\n\n- een mes, en\n\n- een (of meer) spatel(s), en\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,\n\nzijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt een straf op te leggen overeenkomstig de duur van de voorlopige hechtenis, te weten 244 dagen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat dat in de LOVS-oriëntatiepunten voor feit 1 een gevangenisstraf van 6 weken staat en dat de redelijke termijn is overschreden.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs en het bezit van een hoeveelheid harddrugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken.\n\nGelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank voor wat betreft het aanwezig hebben van de harddrugs gelet op de daarvoor geldende LOVS-oriëntatiepunten en voor wat betreft de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank stelt daarbij vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, geen volledige openheid van zaken heeft willen geven en geen (volledige) verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.\n\nDe rechtbank houdt er echter rekening mee dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 13 oktober 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met bijna negen maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Daarom zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf verminderen en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 243 dagen opleggen, overeenkomstig de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten en hoeft de verdachte niet terug naar de gevangenis.\n\n7. Het beslag\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen verdovende middelen en de verpakking daarvan onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de verdovende middelen overweegt de rechtbank dat de feiten met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De onttrekking aan het verkeer van een voorwerp omvat mede de verpakking, zodat ook deze zal worden onttrokken.\n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist daarnaast tot teruggave van de simkaart.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor beide feiten tot een gevangenisstraf van 243 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nBeslag\n\n- onttrekt aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646867);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646111);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646204);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646424);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646431);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646434);\n\n1. STK Verdovende Middelen (G1646219);\n\n1. STK Zak (G1646187);\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:\n\n1. STK Simkaart van zaktelefoon (G1646414).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk\n\naanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende heroïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nin elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende\n\nmetamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet\n\nbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel\n\n3a van die wet;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,\n\nbedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te\n\nweten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland\n\nbrengen, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,\n\nafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen,\n\nvan een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, in elk geval een (of meer)\n\nmiddel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\u002Fof\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\u002Fof\n\n- een weegschaal, en\u002Fof\n\n- een speciekuip, en\u002Fof\n\n- een maatbeker, en\u002Fof\n\n- een mes, en\u002Fof\n\n- een (of meer) spatel(s), en\u002Fof\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg,\n\nzijnde voorwerpen en\u002Fof stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat\n\nzij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nBIJLAGE II: De bewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.20-21\n\nOp 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewonde man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.23-24\n\nOp 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] \u002F [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:\n\n- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.\n\n- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen,\n\nalsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal\n\nmet resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan.\n\nHet proces-verbaal van aanhouding verdachtevan 12 oktober 2023, p.245\n\nOp 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [verdachte] te heten.\n\nHet proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 13 oktober 2023, p.34\n\nOp 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart, Gasmasker geel, Zakje cocaïne, Handschoenen zwart, Zakje brok heroïne, Zakje brok heroïne, Bolletje cocaïne, Zakje MDMA wit, Zakje MDMA bruin, Zak met opschrift “Caus 5kg”, Zak kleur paars met vloeistof, Zak met opschrift “Perka 3kg”, Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg”.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2023, p.117\n\nHet is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.163\n\nNaar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [medeverdachte 1] .\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.101\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198, 33 gram heroine bruto\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.104\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209, 6 gram bruto cocaine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.105\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213, 42 gram bruto amfetamine \u002F crystal meth\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.108\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224, 51 gram bruto crystal meth \u002F amfetamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.109\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231, 40 gram bruto mdma \u002F amfetamine\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelenvan 14 november 2023, p.68-73\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198\n\nSIN: AAQQ7919NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6444NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209\n\nSIN: AAQQ7920NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6445NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231\n\nSIN: AAQQ7921NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6446NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224\n\nSIN: AAQQ7922NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6447NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213\n\nSIN: AAQQ7923NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6448NL, AAQR6449NL, AAQR6450NL, AAQR6451NL\n\nDe deskundigenrapporten van ing. M. Visser-van Leeuwen,als rapporteur verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituutte Den Haag van 13 november 2023, p.74-81\n\nKenmerk: AAQR6444NLOmschrijving: brokjes, bruin, uit 32,87 gram\n\nConclusie: bevat heroïne\n\nKenmerk: AAQR6445NL\n\nOmschrijving: poeder, wit, uit 4,54 gram\n\nConclusie: bevat cocaïne\n\nKenmerk: AAQR6446NLOmschrijving: poeder en brokjes, bruin, uit 35,70 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6447NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 47,30 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6448NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 4,67 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6449NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 2,10 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6450NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 21,27 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6451NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 9,39 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 22 november 2023, p.180\n\nOp 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek.\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.91\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.95\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe deskundigenrapportagevan dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aanThe Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)\n\nDNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*\n\nMogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [verdachte] .\n\nOm een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [verdachte] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:\n\nHypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [verdachte] en twee onbekende, niet verwante personen.\n\nHypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante\n\npersonen.\n\nDe resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 2] (DNA-hoofdprofiel)\n\nBemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)\n\nDNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 2]\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6518","2026-07-13T00:29:32.342Z",{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":48,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":50},"1665","ECLI:NL:RBLIM:2026:6516","ecli-nl-rblim-2026-6516","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.142029.24\n\nTegenspraak (gemachtigde raadsman)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1991,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. P.E. van Zon, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDeze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.277358.23 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.268186.23.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nop 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het feit bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. Van de verdachte is DNA aangetroffen op een van deze goederen, te weten een aldaar aangetroffen gasmaker. De verdachte heeft daarvoor geen verklaring gegeven, anders dan dat hij wel eens in die woning kwam.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging concludeert tot vrijspraak. De verdediging voert daartoe aan dat het enige mogelijke bewijsmiddel een DNA spoor betreft op een verplaatsbaar voorwerp, waarvan niet vaststaat dat het delict gerelateerd is. Subsidiair voert de verdediging aan dat alleen het voorhanden hebben van een gasmasker niet voldoende is om voorbereidingshandelingen te bewijzen.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nTer bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.\n\nDe overwegingen van de rechtbank\n\nOp grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte 2] is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning aan de [adres 2] te Heerlen. [medeverdachte 2] hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van [medeverdachte 2] kreeg de politie het vermoeden dat hij zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop voornoemde woning binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen konden gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van voornoemde woning is de medeverdachte [medeverdachte 1] . In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de verdachte en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] .\n\nEr is DNA van de verdachte aangetroffen rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker. Op het gehele contactvlak met het gezicht van datzelfde gasmasker is daarnaast een DNA mengprofiel aangetroffen, met het DNA-hoofdprofiel van de verdachte. Het gasmasker betreft weliswaar een verplaatsbaar object, maar het wordt in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen in combinatie met drugs en een grote hoeveelheid andere voorwerpen die bedoeld zijn om harddrugs te vervaardigen. Daarom acht de rechtbank (de aanwezigheid van) dit gasmasker een daderspoor. Daarbij komt dat het procesdossier aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat het drugsgerelateerde strafbare feit, gepleegd in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] , door meerdere personen is gepleegd. Er zijn immers dadersporen aangetroffen en wel van de verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 2] , terwijl dit zich allemaal heeft afgespeeld in de woning van de andere medeverdachte, [medeverdachte 1] . En in een geval als dit, waarbij er aldus redengevende feiten en omstandigheden zijn die wijzen op een samenwerkingsverband waarvan de verdachte deel heeft uitgemaakt, mag van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verwacht. Die is door de verdachte niet gegeven. De verdachte heeft bij de politie slechts verklaard dat hij een paar keer in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] is geweest en dat hij niet weet wat hij toen heeft aangeraakt.\n\nDe rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\n\n- een weegschaal, en\n\n- een speciekuip, en\n\n- een maatbeker, en\n\n- een mes, en\n\n- een (of meer) spatel(s), en\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,\n\nzijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken.\n\nGelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.\n\nDe rechtbank dient er rekening mee te houden dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 9 april 2024, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met bijna 3 maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Zonder overschrijding van de redelijke termijn had de rechtbank aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf van 200 dagen waarvan een deel voorwaardelijk. Nu deze redelijke termijn wel is overschreden, zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel dient als een waarschuwing aan de verdachte: mocht hij nog eens overwegen om de wet te overtreden, dan weet hij wat hem mogelijk te wachten staat.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,\n\nbedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te\n\nweten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland\n\nbrengen, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,\n\nafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen,\n\nvan een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, in elk geval een (of meer)\n\nmiddel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\u002Fof\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\u002Fof\n\n- een weegschaal, en\u002Fof\n\n- een speciekuip, en\u002Fof\n\n- een maatbeker, en\u002Fof\n\n- een mes, en\u002Fof\n\n- een (of meer) spatel(s), en\u002Fof\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg,\n\nzijnde voorwerpen en\u002Fof stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat\n\nzij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nBIJLAGE II: De bewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.20-21\n\nOp donderdag 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de openbare weg, de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewone man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.23-24\n\nOp 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] \u002F [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:\n\n- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.\n\n- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen,\n\nalsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal\n\nmet resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan.\n\nHet proces-verbaal van aanhouding verdachtevan 12 oktober 2023, p.245\n\nOp donderdag 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [medeverdachte 2] te heten.\n\nHet proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 13 oktober 2023, p.34\n\nOp 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart (Partij 1), Gasmasker geel (Partij 3), Zakje cocaïne (Partij 14), Handschoenen zwart (Partij 2), Zakje brok heroïne (Partij 4), Zakje brok heroïne (Partij 5), Bolletje cocaïne (Partij 11), Zakje MDMA wit (Partij 17), Zakje MDMA bruin (Partij 18), Zak met opschrift “Caus 5kg” (Partij 19), Zak kleur paars met vloeistof (Partij 20), Zak met opschrift “Perka 3kg” (Partij 21), Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg” (Partij 22).\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2023, p.117\n\nHet is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.163\n\nNaar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [medeverdachte 1] .\n\nHet proces-verbaal van verhoor van de verdachte[verdachte] van 9 april 2024, p.295-300\n\nV: Door verbalisanten wordt onderstaande foto op A4( [medeverdachte 1] ) formaat getoond aan de verdachte. Herkent u deze man?A: Ja, dat is [medeverdachte 1] .V: Weet u waar deze persoon woont?A: Ik ben een paar keer bij hem thuis geweest. Ik weet waar hij woont. Het adres weet ik niet, het is in Heerlen.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 22 november 2023, p.180\n\nOp 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek. AAPV8333NL: een zwart gasmasker aangetroffen op het grote dressoir in de woonkamer.\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.91\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.95\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe deskundigenrapportagevan dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aan The Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)\n\nDNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*\n\nMogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [medeverdachte 2] .\n\nOm een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [medeverdachte 2] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:\n\nHypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [medeverdachte 2] en twee onbekende, niet verwante personen.\n\nHypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante\n\npersonen.\n\nDe resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [verdachte] (DNA-hoofdprofiel)\n\nBemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)\n\nDNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [verdachte]\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6516","2026-07-13T00:29:32.390Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":55,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":57},"1666","ECLI:NL:RBLIM:2026:6520","ecli-nl-rblim-2026-6520","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.277358.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1987,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. P.W. Szymkowiak, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDeze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.142029.24 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.268186.23.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte (al dan niet samen met anderen):\n\nFeit 1: op 12 oktober 2023 opzettelijk (ongeveer) 32,87 gram heroïne, 4,54 gram cocaïne en 120,43 gram metamfetamine aanwezig heeft gehad;\n\nFeit 2: op 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht beide feiten bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de verdachte drugs en allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. De officier van justitie voert aan dat op camerabeelden in de omgeving van de woning op 12 oktober 2023 iemand te zien is die erg op de verdachte lijkt. Het DNA van de verdachte is in de woning aangetroffen, waaronder op een gasmasker, al heeft daarvan geen berekening van de bewijswaarde plaatsgevonden. De verdachte heeft in de betreffende periode zijn telefoon niet gebruikt. De verdachte legt daarnaast wisselende verklaringen af over het al dan niet kennen van de medeverdachte [medeverdachte 2] . De verdachte wist volgens de officier van justitie wat er in de woning aanwezig was en heeft zich daarmee (ook) schuldig gemaakt aan de voorbereidingshandelingen.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit vrijspraak. De verdachte heeft zijn woning uitgeleend en hij heeft geen drugs voorhanden gehad en ook geen voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs getroffen. Als het al de verdachte op de camerabeelden is, dan zegt dat niet meer dan dat hij in de buurt was. Er is niet vastgesteld dat het DNA van de verdachte op het gasmasker zit. Er is ook niet duidelijk wat er geproduceerd zou gaan worden.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nTer bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II.\n\nDe overwegingen van de rechtbank\n\nOp grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank het aanwezig hebben van de harddrugs (feit 1) en de voorbereiding\u002Fbevordering van de productie van synthetische drugs (feit 2) bewezen. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte 2] is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning van de verdachte aan de [adres 2] te Heerlen. [medeverdachte 2] hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van [medeverdachte 2] kreeg de politie het vermoeden dat hij zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop de woning van de verdachte binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen kunnen gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van voornoemde woning is de verdachte. In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 1] en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] .\n\nHet voorgaande levert redengevende feiten en omstandigheden op dat de verdachte -die verantwoordelijk is voor hetgeen zich in zijn woning afspeelt en bevindt- zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde. De verklaring van de verdachte over dit alles is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. De verdachte heeft aangevoerd dat hij niet thuis was toen die spullen in zijn woning kwamen en dat hij in die tijd vaak bij zijn opa in Amsterdam was. Hij zou zijn woning hebben uitgeleend aan een Dominicaanse man, een zekere [naam 1] of [naam 2] . De rechtbank acht het echter niet geloofwaardig dat de verdachte zijn woning heeft uitgeleend aan een persoon waarvan hij de voornaam niet eens kent. Dat de verdachte aanvoert in het verleden op straat te hebben geleefd en het daarom niet vreemd te vinden om zijn woning achter te laten aan iemand die hij niet of nauwelijks kent, maakt niet dat de rechtbank zijn verklaring geloofwaardig(er) vindt. Daar komt bij dat de verdachte tijdens de terechtzitting heeft verklaard [medeverdachte 2] niet te kennen, terwijl hij in de raadkamer gevangenhouding heeft verklaard hem wel drie à vijf minuten te hebben gezien. Dit is een opvallende tegenstrijdigheid die de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte behoorlijk aantast.\n\nDe rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nten aanzien van feit 1:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, en\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, en\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\n\n- een weegschaal, en\n\n- een speciekuip, en\n\n- een maatbeker, en\n\n- een mes, en\n\n- een (of meer) spatel(s), en\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,\n\nzijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nten aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 180 dagen met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 85 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een taakstraf van 80 uren.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nBij bewezenverklaring dient een straf overeenkomstig de duur van het voorarrest te worden opgelegd. De verdediging voert daartoe aan dat de redelijke termijn is overschreden.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs en het bezit van een hoeveelheid harddrugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken.\n\nGelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank voor wat betreft het aanwezig hebben van de harddrugs gelet op de daarvoor geldende LOVS-oriëntatiepunten en voor wat betreft de voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank stelt daarbij vast dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, geen volledige openheid van zaken heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. In het voordeel van de verdachte rekent de rechtbank mee het door de reclassering uitgebrachte advies, waaruit volgt dat hij zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en dat hij bezig is om zijn leven weer positief op te bouwen. Verder houdt de rechtbank, in strafmitigerende zin, rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 22 oktober 2023, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met ruim acht maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken.\n\nGelet op de voornoemde strafmitigerende omstandigheden, zal de rechtbank de verdachte niet terugsturen naar de gevangenis. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 235 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het voorwaardelijke deel dient als een waarschuwing aan de verdachte: mocht hij nog eens overwegen om de wet te overtreden, dan weet hij wat hem mogelijk te wachten staat. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een taakstraf van 80 uren.\n\n7. Het beslag\n\nDe rechtbank beslist tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de gsm.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor de beide feiten tot een gevangenisstraf van 235 dagen, waarvan 140 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nstelt als bijzondere voorwaarde, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres Putgraaf 3, 6411 GT Heerlen;\n\ngeeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn\u002Fhaar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\nveroordeelt de verdachte voor beide feiten tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;\n\nbeveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;\n\nBeslag\n\n- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:\n\n1 STK GSM (G1648474).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I:De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk\n\naanwezig heeft gehad:\n\n- ongeveer 32,87 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende heroïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,54 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een\n\nmateriaal bevattende cocaïne, en\u002Fof\n\n- ongeveer 120,43 gram metamfetamine,\n\nin elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende\n\nmetamfetamine,\n\nzijnde heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet\n\nbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel\n\n3a van die wet;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\nhij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en\n\nin vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,\n\nbedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te\n\nweten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland\n\nbrengen, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,\n\nafleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen,\n\nvan een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en\u002Fof metamfetamine, in elk geval een (of meer)\n\nmiddel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel\n\naangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\n- twee gasmaskers (met filter), en\u002Fof\n\n- een paar rubberen handschoenen, en\u002Fof\n\n- een weegschaal, en\u002Fof\n\n- een speciekuip, en\u002Fof\n\n- een maatbeker, en\u002Fof\n\n- een mes, en\u002Fof\n\n- een (of meer) spatel(s), en\u002Fof\n\n- een (of meer) jerrycan(s), en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en\u002Fof\n\n- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg,\n\nzijnde voorwerpen en\u002Fof stoffen waarvan hij, verdachte, en\u002Fof zijn\n\nmededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat\n\nzij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad.\n\nBIJLAGE II: De bewijsmiddelen\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.20-21\n\nOp 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewonde man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.23-24\n\nOp 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] \u002F [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:\n\n- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.\n\n- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen,\n\nalsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal\n\nmet resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan.\n\nHet proces-verbaal van aanhouding verdachtevan 12 oktober 2023, p.245\n\nOp 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam 3] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam 3] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [medeverdachte 2] te heten.\n\nHet proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 13 oktober 2023, p.34\n\nOp 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart, Gasmasker geel, Zakje cocaïne, Handschoenen zwart, Zakje brok heroïne, Zakje brok heroïne, Bolletje cocaïne, Zakje MDMA wit, Zakje MDMA bruin, Zak met opschrift “Caus 5kg”, Zak kleur paars met vloeistof, Zak met opschrift “Perka 3kg”, Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg”.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 24 oktober 2023, p.117\n\nHet is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs.\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 12 oktober 2023, p.163\n\nNaar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [verdachte] .\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.101\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198, 33 gram heroine bruto\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.104\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209, 6 gram bruto cocaine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.105\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213, 42 gram bruto amfetamine \u002F crystal meth\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.108\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224, 51 gram bruto crystal meth \u002F amfetamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.109\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231, 40 gram bruto mdma \u002F amfetamine\n\nHet proces-verbaal onderzoek verdovende middelenvan 14 november 2023, p.68-73\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646198\n\nSIN: AAQQ7919NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6444NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646209\n\nSIN: AAQQ7920NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6445NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646231\n\nSIN: AAQQ7921NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6446NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646224\n\nSIN: AAQQ7922NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6447NL\n\nGoednummer: PL2300-2023162733-1646213\n\nSIN: AAQQ7923NL\n\nRelatie met SIN: AAQR6448NL, AAQR6449NL, AAQR6450NL, AAQR6451NL\n\nDe deskundigenrapporten van ing. M. Visser-van Leeuwen,als rapporteur verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituutte Den Haag van 13 november 2023, p.74-81\n\nKenmerk: AAQR6444NLOmschrijving: brokjes, bruin, uit 32,87 gram\n\nConclusie: bevat heroïne\n\nKenmerk: AAQR6445NL\n\nOmschrijving: poeder, wit, uit 4,54 gram\n\nConclusie: bevat cocaïne\n\nKenmerk: AAQR6446NLOmschrijving: poeder en brokjes, bruin, uit 35,70 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6447NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 47,30 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6448NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 4,67 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6449NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 2,10 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6450NL\n\nOmschrijving: kristal, crèmekleurig, uit 21,27 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nKenmerk: AAQR6451NL\n\nOmschrijving: kristal, wit, uit 9,39 gram\n\nConclusie: bevat metamfetamine\n\nHet proces-verbaal van bevindingenvan 22 november 2023, p.180\n\nOp 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] [huisnummer] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek.\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.91\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe kennisgeving van inbeslagnemingvan 13 oktober 2023, p.95\n\nPlaats: [adres 2] Heerlen\n\nDatum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur\n\nAAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer)\n\nDe deskundigenrapportagevan dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aanThe Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)\n\nDNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*\n\nMogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [medeverdachte 2] .\n\nOm een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [medeverdachte 2] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:\n\nHypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [medeverdachte 2] en twee onbekende, niet verwante personen.\n\nHypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante\n\npersonen.\n\nDe resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is.\n\nBemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 1] (DNA-hoofdprofiel)\n\nBemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)\n\nDNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard\n\nMogelijke donor van celmateriaal: [medeverdachte 1]\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6520","2026-07-13T00:29:32.446Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":62,"fullText":63,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":65,"parsedAt":35,"updatedAt":66},"661","ECLI:NL:GHSHE:2026:1741","ecli-nl-ghshe-2026-1741","2026-06-29T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000659-25\n\nUitspraak : 29 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 03-326567-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘mishandeling’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair 70 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan vergoeding van materiële schade en € 700,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorts heeft de verdediging verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven en\u002Fof te slaan.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 12 augustus 2023 te Afferden (L), gemeente Bergen (L), [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een kopstoot te geven.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie-eenheid Limburg, registratienummer PL2300-2023128211, gesloten d.d. 20 november 2023, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 42). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 15 augustus (p. 9-12), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer] :\n\nOp 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] . Deze camping is gelegen op [adres 2] .\n\nDe jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) rende naar boven weg en zei dat hij zijn vader ging halen. Op een gegeven moment hoor ik een jongensstem roepen: \"Daar is hij.\" Ik zie dat die jongen, die zijn vader ging halen, naar mij wijst. Op dat moment komt er een man naar mij toe en pakt mij vast. De man zei: \"Jij gaat mijn zoon niet aanraken of bedreigen\" en geeft mij vervolgens een kopstoot. Wat hierna gebeurde, weet ik niet meer. Ik werd op de grond gewerkt. Daarna werd de man door iemand anders van mij afgehaald.\n\nIk ben hierna naar de huisartsenpost gegaan. Ik heb 4 hechtingen bij mijn rechterwenkbrauw gekregen. Tevens zijn mijn bril en kleding kapotgegaan door de mishandeling. Mijn bril was verbogen en het brilmontuur is gescheurd. In mijn kleding zit bloed en dat krijg ik er niet meer uit.\n\nIk hoorde op de camping dat de man die mij mishandeld had [verdachte] betrof.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 november 2023 (p. 19-22), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 1] :\n\nOp 12 augustus 2023 was ik op camping [camping] te Afferden. De jongen (het hof begrijpt: de zoon van de verdachte) liep weg en zei nog dat hij zijn vader ging halen. In een keer hoorde ik een geschreeuw van de jongen die riep “Daar is hij papa.” Ik zag dat de vader van deze jongen met een versnelde pas op ons af kwam lopen en ik zag dat hij boos keek. Ik kon aan zijn houding zien dat hij boos was.\n\nIk zag dat deze man mijn man bij zijn schouder pakte en iets tegen hem zei in de zin van “Je bedreigt mijn zoon”. Ik zag dat deze man mijn man meteen een kopstoot gaf. Ik zag dat mijn man op zijn gezicht, op zijn shirt en op zijn handen onder het bloed zat. Ik zag dat mijn man's rechterwenkbrauw open was gesprongen.\n\nIk kreeg via de eigenaar van Camping [camping] te horen dat de man die mijn man aanviel [verdachte] heet.\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 november 2023 (p. 13-15), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] :\n\nIk ben werkzaam op camping [camping] in Afferden. Op 12 augustus 2023 stond ik achter de bar. Ik zag dat de zoon van [verdachte] huilend uit de speeltuin kwam en naar zijn vader liep. Daarop zag ik dat [verdachte] helemaal overstuur richting de speeltuin liep. Ik liep er meteen achteraan omdat ik dacht dat dit fout zou gaan. Ik ken [verdachte] al wat langer dus ik zag dat hij boos was.\n\nIk hoorde de zoon van [verdachte] ineens tegen zijn vader roepen 'Daar loopt hij'. Daarop hoorde ik dat [verdachte] de man aanriep. Toen ik de hoek omkwam zag ik dat [verdachte] de man op de grond gooide. Ik zag dat de man zich probeerde te verdedigen. Ik zag ook dat de man die op de grond lag bloed op zijn voorhoofd had.\n\n4. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2] voornoemd:\n\n [verdachte] liep naar beneden toe. Ik zei tegen mijn vrouw dat ik er beter achteraan kon gaan omdat ik dacht dat het uit de hand kon lopen, want je zag aan [verdachte] dat hij boos was. Er zat denk ik 15 tot 20 seconden tussen het moment dat [verdachte] was vertrokken en ik erachteraan ging. Toen ik de hoek om kwam zag ik een meneer op de grond liggen met een bebloed voorhoofd en [verdachte] erbovenop. Die meneer lag op de grond op zijn rug, [verdachte] zat op de borst van die meneer met zijn knie.\n\n5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 7 november 2023 (p. 16-18), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] :\n\nV: Kunt u zo gedetailleerd mogelijk verklaren wat u zag?\n\nA: Op 12 augustus 2023 bevond ik mij op het terras tegenover het zwembad op camping [camping] . De vader van het kindje dat geduwd werd (het hof begrijpt: de benadeelde partij [slachtoffer]) vroeg aan de andere vader (het hof begrijpt: de verdachte) of het normaal was dat er geduwd werd op de trampoline. De andere vader reageerde hier al meteen heel erg fel op. Ik hoorde dat de vader van het duwende kind begon te schreeuwen. Ik zag dat de man van het duwende kind daarna ook nog een harde kopstoot gaf tegen de andere vader. Hierop viel deze vader op de grond. Ik zag dat deze vader meteen bloed had bij de neus en mond en dat dit bloed naar de kin liep. Ik zag ook dat de bril van de man was afgevallen. Ik zag dat man die de mishandeling pleegde daarna ook boven op de andere man sprong.\n\nV: Weet u wie deze man is?\n\nA: Dit betreft een vaste gast van de camping. Volgens mij heeft hij [verdachte] .\n\n6. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [getuige 3] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 8 januari 2026, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3] voornoemd:\n\nRaadsman: Kunt u nog eens omschrijven wat er volgens uw herinnering gebeurde?\n\nGetuige: In eerste instantie werd er zoals het op het oog leek een beetje gepraat. Toen deelde de verdachte een kopstoot uit waardoor het slachtoffer op de grond viel. De verdachte sprong er toen echt bovenop.\n\nRaadsheer-commissaris: U zegt de verdachte sprong er bovenop.\n\nGetuige: Ik weet niet hoe ik dat moet uitleggen. De verdachte gaf die kopstoot, die andere man viel en de verdachte ging er bovenop. De getuige maakt een beweging waarbij ze haar lichaam van achteren naar voren beweegt en haar armen gebogen naar voren houdt.Na die kopstoot viel de andere man op zijn rug en hij probeerde een beetje naar de zijkant te draaien, meer een beschermende houding.\n\nRaadsheer-commissaris: Heeft u gezien of het slachtoffer ook fysieke handelingen heeft gedaan in de richting van de verdachte?\n\nGetuige: Alleen afweren.\n\nRaadsman: Heeft u op enig moment gezien dat zij met de hoofden tegen elkaar aan stonden?\n\nGetuige: Dat was secondewerk voordat de kopstoot werd uitgedeeld, na de duw. Het slachtoffer was terug op zijn voeten, toen stonden zij best dicht op elkaar door het terug stappen, dat was toen secondewerk waarop zij heel dicht bij elkaar hebben gestaan.\n\nRaadsman: Als ik u goed begrijp dan heeft u qua geweldshandelingen gezien dat er in eerste instantie werd geduwd door verdachte, daarop de andere meneer struikelde, wankelde en terugkwam. U heeft dat weren of afweren genoemd. Nadat zij dichtbij elkaar waren is er een kopstoot uitgedeeld, de andere meneer is op de grond gevallen…\n\nGetuige: Ja en toen is de verdachte er letterlijk meteen bovenop gesprongen. De verdachte zat op hem.\n\n7. Een overig geschrift, te weten een geneeskundige verklaring, betreffende het slachtoffer [slachtoffer] d.d. 17 november 2023 (p. 41), voor zover inhoudende als verklaring van [arts] , huisarts:\n\nMedische informatie betreffende:\n\nAchternaam: [slachtoffer]\n\nVoornamen: [slachtoffer]\n\nGeboren: [geboortedag 2] 1992\n\nGeboorteplaats: [geboorteplaats 2]\n\nOmschrijving van het letsel:\n\nUitwendig waargenomen letsel: Scheurwond rechterwenkbrauw aan de kant van de neus. Is gehecht.\n\nDatum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 12 augustus 2023.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsvrouw van de verdachte heeft in dat kader naar voren gebracht dat de verklaringen van getuige [getuige 3] onvoldoende betrouwbaar zouden zijn om als steunbewijs gebruikt te worden, omdat hierin discrepanties zouden zitten ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen. Voorts kan volgens de raadsvrouw van de verdachte niet met zekerheid gesteld worden dat het letsel dat bij de benadeelde partij [slachtoffer] is ontstaan het gevolg is van de tenlastegelegde handelingen. Hieromtrent wijst zij op het door de verdachte aangebrachte alternatieve scenario, waarbij het letsel zou zijn ontstaan doordat de verdachte en [slachtoffer] elkaar vasthielden en samen op de grond vielen, waarbij de verdachte met zijn elleboog op het gezicht van [slachtoffer] zou zijn gevallen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nTen aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen stelt het hof voorop dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan het hof. Ook de vraag of bepaalde verklaringen gelet op hun betrouwbaarheid voor het bewijs kunnen worden gebruikt is een kwestie van waardering van het bewijs en daarmee voorbehouden aan het hof. In deze zaak zijn verschillende getuigen gehoord, zowel door de politie als door de raadsheer-commissaris. Het hof is van oordeel dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] onafhankelijke getuigen zijn; zij hebben geen directe (familiaire) connectie met de verdachte, dan wel met de benadeelde partij [slachtoffer] en hebben het incident van dichtbij meegemaakt. De discrepanties in de getuigenverklaring van getuige [getuige 3] ten opzichte van de aangifte en overige getuigenverklaringen die door de raadsvrouw van de verdachte worden omschreven, herkent het hof niet. De getuigenverklaring is consistent en sluit aan bij het verhaal van de aangever en haar verklaring bij de raadsheer-commissaris bevestigt dit verhaal. Ook vindt deze verklaring op onderdelen bevestiging in de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 2] en in de verklaring van de partner van de aangever. Het hof acht daarmee de getuigenverklaring van [getuige 3] betrouwbaar om als bewijsmiddel in deze zaak gebezigd te worden.\n\nTen aanzien van het door de raadsvrouw van de verdachte geschetste alternatieve scenario overweegt het hof dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. Zoals hiervoor overwogen gaat het hof uit van de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] , omdat deze getuigen de meest onafhankelijke getuigen zijn. Hun verklaringen weerspreken het scenario zoals door verdachte geschetst op verschillende onderdelen. Zo weerspreken de getuigenverklaringen de verklaring van de verdachte dat het letsel van aangever [slachtoffer] zou zijn ontstaan doordat de verdachte op zijn gezicht zou zijn gevallen. Getuige [getuige 2] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] op de grond gooide, terwijl [slachtoffer] zich probeerde te verdedigen en waarbij hij op dat moment reeds bloedde in het gezicht. Getuige [getuige 3] omschrijft hoe de verdachte [slachtoffer] , na de kopstoot (waarbij zij direct bloed zag in het gezicht van [slachtoffer] ) hem eerst op de grond duwde en daarna boven op hem sprong. Door verschillende getuigen is verklaard dat de verdachte vervolgens bovenop [slachtoffer] zat. Ook door de partner van de aangever is verklaard dat zij na de kopstoot zag hoe [slachtoffer] in het gezicht bloedde. Het hof stelt op grond hiervan vast dat het letsel reeds is ontstaan voordat de verdachte en [slachtoffer] samen op de grond belandden. Het hof schuift het door de verdediging opgeworpen alternatieve scenario dan ook als ongeloofwaardig terzijde.\n\nHet tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.\n\nOp grond van de gebezigde en door het hof betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:\n\nmishandeling.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte primair bepleit dat het hof zal volstaan met de oplegging van een voorwaardelijke taakstraf zoals zou volgen uit de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en daarbij rekening houdt met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof in ieder geval niet een straf zal opleggen die hoger uitkomt dan deze oriëntatiepunten voorschrijven.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Hij heeft aan de benadeelde partij een kopstoot gegeven, waardoor letsel is ontstaan. Dit alles gebeurde op een camping, voor de ogen van hele jonge kinderen, waaronder zijn eigen kind en het kind van de aangever. Dit heeft logischerwijs een diepe indruk achtergelaten bij het slachtoffer en de mensen die eromheen stonden. De verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. De verdachte heeft met zijn handelswijze zich daar geen enkele rekenschap van gegeven, hetgeen hem door het hof wordt aangerekend.\n\nHet hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder, maar niet in de afgelopen vijf jaren, onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een strafbaarfeit te begaan.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 15 februari 2024. Hieruit komt naar voren dat de leefgebieden op orde lijken te zijn. Er kunnen geen (in)directe verbanden worden gelegd tussen de verdenking en mogelijke criminogene- of beschermende factoren. Een plan van aanpak met toezicht en\u002Fof interventies wordt niet geadviseerd. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft de verdediging gewezen op het feit dat de verdachte zzp’er is, maar door lichamelijke klachten beperkt wordt in zijn mogelijkheden. Ook toont de verdachte tekenen van een burn-out. De verdachte gebruikt pijn- en slaapmedicatie voor zijn klachten. De verdediging heeft voorts gewezen op de grote gevolgen die het campingverbod voor de verdachte heeft. Hij is niet meer welkom op de camping waar hij jarenlang met zijn familie stond en heeft zijn caravan met verlies moeten verkopen.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf tevens de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) in aanmerking genomen. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten kan bij een mishandeling door een kopstoot, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 120 uren als oriëntatiepunt aangehouden worden.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren passend en geboden.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 949,19, bestaande uit € 249,19 aan materiële schade en € 700,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schadevordering valt uiteen in de volgende onderdelen:\n\nBril € 199,20\n\nKorte broek € 29,99\n\nT-shirt € 20,00.\n\nBij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van\n\n€ 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.\n\nDe verdediging heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist en heeft daarbij mede gewezen op de verweren die in eerste aanleg zijn gevoerd, welke derhalve als herhaald en opnieuw ingelast zullen worden beschouwd. In dat kader is primair door de verdediging naar voren gebracht dat onvoldoende duidelijk is geworden dat het letsel het gevolg is van het bewezenverklaarde, wat ertoe zou moeten leiden dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Subsidiair is bepleit dat het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk dient te verklaren, omdat deze schade niet goed onderbouwd zou zijn en het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. Meer subsidiair is bepleit dat de immateriële schadevergoeding gematigd zou moeten worden, omdat er een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij zou bestaan doordat deze een vorm van confrontatie heeft gezocht bij het kind van de verdachte.\n\nHet hof overweegt als volgt\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is, anders dan de verdediging, gebleken dat het door de verdediging gevoerde scenario dat het letsel bij de benadeelde partij is ontstaan nadat de verdachte op het gezicht van de benadeelde partij zou zijn gevallen, onaannemelijk is. Uit de gebezigde en door het hof als betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat het niet is gegaan zoals de verdachte heeft verklaard. Dit weerspreekt de verklaring van de verdachte en daarmee ook de verklaring dat het letsel is ontstaan door een val. Wat resteert is de conclusie dat het letsel is ontstaan als gevolg van de kopstoot. Het hof verwerpt daarmee dit verweer.\n\nGelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de door de benadeelde partij gevorderde schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nAnders dan de verdediging, acht het hof het aannemelijk dat als gevolg van deze geweldshandeling schade is ontstaan aan de bril en kleding van de benadeelde partij. Hierover is ook door meerdere getuigen verklaard. Deze schade is voldoende onderbouwd middels het voegingsformulier en hetgeen ter terechtzitting namens de benadeelde partij naar voren is gebracht. Het hof erkent niet dat het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat bloedvlekken op koude temperatuur gewassen moeten worden. In ieder geval heeft de benadeelde partij naar het oordeel van het hof, conform het oordeel van de politierechter, zijn schadebeperkingsplicht niet geschonden.\n\nOp grond van het voorgaande zal het hof de vordering ten aanzien van de materiële schade geheel toewijzen.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106 sub b BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast.​\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten een scheurwond bij de rechterwenkbrauw aan de kant van de neus, een litteken ten gevolge hebbende.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nHet hof ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om het bedrag te matigen op grond van eigen schuld. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van een mate van eigen schuld aan de kant van de benadeelde partij doordat deze het kind van de verdachte had aangesproken op zijn speelgedrag. Het door een volwassene aanspreken van een kind over gedrag tijdens een speelactiviteit is geenszins reden om door een andere volwassene mishandeld te worden. De reactie daarop door de verdachte was buitensporig.\n\nGelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.\n\nWettelijke rente\n\nHet toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nProceskosten\n\nHet hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de kosten en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 949,19. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 949,19, te vermeerderen met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door60 (zestig) dagen hechtenis.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) als vergoeding van materiële schade en € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 949,19 (negenhonderdnegenenveertig euro en negentien cent) bestaande uit € 249,19 (tweehonderdnegenenveertig euro en negentien cent) aan materiële schadevergoeding en € 700,00 (zevenhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2023 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogte 9 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. G.M. Goes, voorzitter,\n\nmr. C.A. van Roosmalen en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zaalen, griffier,\n\nen op 29 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1741","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.730Z",{"id":68,"ecli":69,"slug":70,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":71,"fullText":72,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":71,"parsedAt":35,"updatedAt":74},"1805","ECLI:NL:RBLIM:2026:2520","ecli-nl-rblim-2026-2520","2026-03-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.126790.24\n\nTegenspraak (gemachtigde raadsman)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 17 maart 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1966,\n\nwonende te [adres] ,\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat kantoorhoudende te Brunssum.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 maart 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] , bijgestaan door mr. P. Boonen, is op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nfeit 1: in de periode van 1 juni 2020 tot en met 28 juli 2022 ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , terwijl zij ouder was dan twaalf jaar maar jonger was dan zestien jaar, waarbij de ontucht (mede) bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] .\n\nfeit 2: in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 mei 2023 ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg toevertrouwde [slachtoffer] , terwijl zij ouder was dan twaalf jaar maar jonger was dan zestien jaar.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), getoetst aan de criteria van de Hoge Raad, betrouwbaar zijn en kunnen meewerken aan het bewijs. Het procesdossier bevat daarnaast voldoende steunbewijs.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er wegens het ontbreken van steunbewijs niet tot een bewezen-verklaring van de ten laste gelegde feiten kan worden gekomen. Hij refereert daarbij aan een rapport van een door de verdediging geraadpleegde deskundige.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nJuridisch kader\n\nTen laste is gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zedenfeiten. Voorop gesteld moet worden dat zedenzaken zich veelal kenmerken door de aanwezigheid van slechts twee personen bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: een slachtoffer en een verdachte. Ook in deze zaak is dit het geval. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Deze bepaling ziet op de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing: als de verklaring van één getuige, waaronder ook een aangever\u002Fslachtoffer moet worden verstaan, op zichzelf staat en de daarin genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, kan er geen bewezenverklaring volgen. Het steunbewijs moet afkomstig zijn uit een andere bron dan de getuige zelf.\n\nArtikel 342, tweede lid, Sv heeft volgens vaste rechtspraak betrekking op de bewezen-verklaring als geheel en niet is vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Dit betekent dat in een zaak waar een verdachte het ten laste gelegde feit (deels) ontkent en er geen directe getuigen zijn van de verweten ontuchtige handelingen, de rechter eerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van een slachtoffer moet beoordelen en vervolgens moet beoordelen of er voldoende steunbewijs voor die verklaring in het dossier aanwezig is.\n\nUit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging in ander bewijsmateriaal vindt. Wel is vereist dat de verklaringen van een slachtoffer op specifieke punten bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer.\n\nBetrouwbaarheid verklaring aangeefster en het steunbewijs\n\nBij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] kijkt de rechtbank naar de authenticiteit van de verklaring en hoe concreet en gedetailleerd de verklaring is. De rechtbank betrekt daarin of [slachtoffer] steeds hetzelfde heeft verklaard.\n\n [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2006) heeft op 30 juni 2023 aangifte gedaan van seksueel misbruik door de verdachte, die sinds haar zesde haar stiefvader is. Zij heeft - kort samengevat - verklaard dat het seksueel misbruik drie jaren eerder is begonnen met het door de verdachte aanraken van haar borsten en vagina. Nadat zij dit aan haar (biologische) vader en moeder had verteld, is besloten dat zij meer bij haar vader zou gaan wonen. De verdachte is gestopt met het haar aanraken, maar enkele maanden later is hij er toch weer mee begonnen. Op de dag dat zij haar scooter kreeg (20 oktober 2021), heeft de verdachte haar gepenetreerd met een dildo. Daarna heeft hij haar meermalen tijdens ritten op de scooter gevingerd en moest zij een vibrator gebruiken. Het seksuele misbruik vond plaats wanneer haar moeder er niet was en gebeurde ook op vakanties in Griekenland en Turkije. Voorafgaand aan de aangifte had [slachtoffer] op 16 juni 2023 een informatief gesprek en na de aangifte werd zij op 4 juli 2023 nog een keer gehoord door de politie.\n\nDe verklaringen van [slachtoffer] zijn naar het oordeel van de rechtbank authentiek, gedetailleerd en consistent. [slachtoffer] heeft gedetailleerd verklaard over waar, wanneer en op welke manier het misbruik heeft plaatsgevonden en heeft daarover in de drie verhoren consistent verklaard. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer] betrouwbaar is en gebruikt kan worden voor het bewijs, en ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de door haar betrouwbaar geachte verklaringen van aangeefster in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet zo is en legt uit waarom.\n\nIn deze zaak zijn twee getuigen gehoord: [naam 1] , moeder van [slachtoffer] , en [naam 2] , vriendin van [slachtoffer] . De verklaringen van deze getuigen ondersteunen weliswaar de verklaring van [slachtoffer] , in die zin dat zij gelijkluidend zijn aan wat [slachtoffer] verklaard heeft, maar zij moeten voor het overgrote deel gezien worden als zogenoemde van horen zeggen(de auditu) verklaringen met als bron [slachtoffer] zelf. De getuigen hebben immers niet uit eigen waarneming verklaard, in die zin dat zij getuige zijn geweest van de ten laste gelegde feiten, maar hebben voornamelijk naar voren gebracht wat zij van [slachtoffer] hebben vernomen. Nu de verklaringen voortkomen uit dezelfde bron ( [slachtoffer] ), kunnen zij niet als steunbewijs worden aangemerkt. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat zij de onderdelen in de verklaringen van de getuigen waarin zij wél uit eigen waarneming hebben verklaard, van onvoldoende gewicht acht om als steunbewijs te dienen.\n\nIn het dossier zitten ook nog appberichten van [slachtoffer] aan de verdachte, waarin zij hem vraagt om te stoppen. In de berichten wordt niet specifiek aan de aan de verdachte verweten gedragingen gerefereerd. De rechtbank acht deze berichten daarom voor meerderlei uitleg vatbaar en de berichten geven daarom onvoldoende steun aan de verklaring van [slachtoffer] .\n\nOok de overige inhoud van het dossier biedt onvoldoende concreet steunbewijs om, gelezen in samenhang met de aangifte, tot het wettig bewijs te komen van de ten laste gelegde feiten. Gelet op het voorgaande zal de verdachte worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten.\n\n4. De benadeelde partij\n\n [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Nu de verdachte van de hem ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken, wordt de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- spreektde verdachtevrijvan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;\n\nverklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijkin de vordering;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M. el Jerrari, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en\n\nmr. M.B. Bax, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 maart 2026.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nT.a.v. feit 1:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 28 juli 2022 in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, en\u002Fof in Turkije en\u002Fof in Griekenland,\n\nmet [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die de leeftijd van twaalf jaren\n\nmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,\n\nbuiten echt,\n\neen of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of\n\nmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die\n\n [slachtoffer] ,\n\nte weten\n\n- het duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het duwen\u002Fbrengen van een vibrator, althans een voorwerp, in de vagina van die [slachtoffer] ;\n\nT.a.v. feit 2:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 mei 2023 in de gemeente Heerlen, in elk geval in Nederland, en\u002Fof in Turkije en\u002Fof in Griekenland,\n\nontucht heeft gepleegd\n\nmet zijn minderjarig stiefkind genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, althans met een kind dat hij verzorgde en\u002Fof opvoedde als behorend tot zijn gezin en\u002Fof met een minderjarige die aan zijn zorg en\u002Fof waakzaamheid was toevertrouwd\n\ndoor\n\n- bij die [slachtoffer] in bed te gaan liggen en\u002Fof die [slachtoffer] op hem, verdachte, te tillen en\u002Fof op hem, verdachte, te laten liggen en\u002Fof de billen van die [slachtoffer] vast te pakken en\u002Fof zijn lichaam tegen het lichaam van die [slachtoffer] te duwen en\u002Fof\n\n- de borsten en\u002Fof vagina van die [slachtoffer] aan te raken en\u002Fof te betasten en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] te masseren en\u002Fof in te smeren met olie en\u002Fof een vibrator, althans een voorwerp, tussen haar benen te leggen en\u002Fof in haar vagina te brengen\u002Fduwen en\u002Fof\n\n- een (trillende) vibrator, althans een trillend voorwerp, in de onderbroek van die [slachtoffer] te (laten) doen en\u002Fof\n\n- zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] te duwen\u002Fbrengen;","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2520","2026-07-13T00:29:39.816Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":79,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":35,"updatedAt":81},"1804","ECLI:NL:RBLIM:2026:591","ecli-nl-rblim-2026-591","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.325384.23\n\nTegenspraak, na aanhouding niet verschenen (gemachtigde raadsman)\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 21 januari 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1986,\n\nwonende te [adres 1]\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat kantoorhoudende te Brunssum.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 januari 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nHet minderjarig slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is niet in persoon op zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mevrouw [naam 1] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), terwijl zij jonger was dan 16 jaar;\n\nFeit 2:kinderporno heeft verspreid, aangeboden, openlijk tentoongesteld, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verworven, in bezig heeft gehad en\u002Fof zich daartoe toegang heeft verschaft.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is van mening dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen zijn.\n\nTen aanzien van feit 1 wijst de officier van justitie op de consistente, gedetailleerde, authentieke – en daarmee betrouwbare – verklaringen van [slachtoffer] . Deze verklaringen vinden steun in de verklaring van de moeder van [slachtoffer] over het moment van ‘disclosure’ en de emoties van [slachtoffer] op dat moment, het whatsapp-verkeer tussen getuige [naam 2] en de verdachte, alsook de evident leugenachtige verklaring van de verdachte dat hij op 8 september 2023 niet in de woning van [naam 2] is geweest. Het feit dat er DNA-materiaal van getuige [naam 2] op de sportbroek van [slachtoffer] is aangetroffen, kan worden verklaard door het stoeien en kietelen van die avond. [slachtoffer] is daarbij stellig in haar verklaringen dat niet [naam 2] , maar de verdachte haar onzedelijk heeft betast. Van het verweten ‘brengen van de hand in de broek’ van [slachtoffer] moet de verdachte partieel worden vrijgesproken, nu hiervoor het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.\n\nTen aanzien van feit 2 wijst de officier van justitie op de processen-verbaal van bevindingen inzake het aantreffen van de gegevensdragers, de daarop aangetroffen afbeeldingen en de omschrijving daarvan. Een deel van deze afbeeldingen was voor de verdachte benaderbaar in de verweten periode. De officier van justitie wijst erop dat het gegevensdragers betrof die van de verdachte zelf waren, deze bij hem in gebruik waren en dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aangetroffen afbeeldingen. De officier van justitie acht derhalve bewezen dat de verdachte de kinderpornografische afbeeldingen en de gegevensdragers waarop deze zijn aangetroffen in zijn bezit heeft gehad. Van de overige verweten gedragingen dient de verdachte partieel te worden vrijgesproken nu het bewijs daarvoor ontbreekt.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van feit 1 heeft de raadsman de vrijspraak van de verdachte bepleit. Hoewel de verdachte – volgens de raadsman om verschoonbare redenen – aantoonbaar heeft gelogen over zijn aanwezigheid in de woning van getuige [naam 2] op 8 september 2023, heeft de verdachte consequent en stellig ontkend het tenlastegelegde te hebben gepleegd. Daarnaast is op het sportbroekje van [slachtoffer] geen DNA-materiaal aangetroffen van de verdachte, maar van getuige [naam 2] , wat de stellige ontkenning van de verdachte ondersteunt. Door de getuige [naam 2] wordt volgens de raadsman onvoldoende uitleg gegeven voor de aanwezigheid van zijn DNA-materiaal op het sportbroekje van [slachtoffer] . De raadsman concludeert dat gezegd kan worden dat er weliswaar wettig bewijs is, maar dat uit dit bewijs de overtuiging niet kan worden verkregen.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat er wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte op zijn gegevensdragers kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad. Van de overige verweten gedragingen ten aanzien van dit materiaal dient te verdachte partieel te worden vrijgesproken.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nTen aanzien van feit 1\n\nBewijsmiddelenoverzicht\n\nOp 11 september 2023 heeft er een informatief gesprek zeden plaatsgevonden met [naam 3] , de vader van [slachtoffer] . De politie heeft over dit gesprek gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\nDe vader van het minderjarig slachtoffer [slachtoffer] vertelde dat op vrijdag 8 september 2023 omstreeks 19:00 uur zijn echtgenote [naam 4] hun drie kinderen had gebracht naar [naam 2] , wonende te [naam club] , [adres 2] . [naam 3] vertelde dat hun kinderen in de woning van [naam 2] verstoppertje hadden gespeeld waarbij een vriend van [naam 2] was aangesloten en mee had gedaan. Die man, genaamd: [verdachte] , had [slachtoffer] tweemaal tussen haar benen betast. Eén keer toen [slachtoffer] en [verdachte] samen onder een deken lagen, vermoedelijk in de buurt van de verwarming. Een tweede keer was dat gebeurd in de buurt van een deur in die woning. [verdachte] zou aan [slachtoffer] op enig moment hebben gevraagd: \"Mag ik doorgaan met spelen, met voelen?\" [slachtoffer] was afgelopen vrijdagavond 8 september te samen met haar zusjes naar bed gebracht door haar moeder maar kwam even later huilend naar beneden en vertelde tegen haar moeder het vorenstaande relaas.\n\nDe eerste tegen wie [slachtoffer] het had gezegd was haar moeder [naam 4] . Daarna is [slachtoffer] weer naar haar kamer gegaan; echter toen haar vader [naam 3] thuis kwam van zijn middagdienst, is zij weer naar beneden gegaan en heeft het relaas ook tegen haar vader [naam 3] verteld. [naam 3] vertelde dat [slachtoffer] hem huilend in zijn armen viel en dit relaas vertelde. Zij vertelde tegen [naam 3] dat die jongen bij haar onderbroekje tussen haar benen had gezeten. [slachtoffer] vertelde dat zij met die jongen onder de deken had gelegen bij de verwarming. Zij vertelde dat [slachtoffer] tegen haar vader heeft gezegd dat hij op haar sportbroekje is geweest. [naam 3] heeft gevraagd wat die jongen deed. Daarop heeft [slachtoffer] geantwoord dat hij daarover wreef waarbij [slachtoffer] heeft voorgedaan aan haar vader [naam 3] dat zij met haar hand(en) wreef over haar op dat moment gedragen kleding ter hoogte van haar vagina. [slachtoffer] heeft verteld dat die jongen tweemaal één van zijn handen op dat sportbroekje ter plekke van haar vagina heeft gelegd. Vader [naam 3] vertelde dat het beide keren was gestopt doordat [slachtoffer] zich had omgedraaid en weg was gegaan van die jongen.\n\nOp 15 september 2023 heeft [naam 3] vervolgens aangifte gedaan van seksueel misbruik tegen de verdachte. Hij heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nV: Tegen wie doe je aangifte?\n\nA: [verdachte] .\n\nV: Welke handelingen heeft [verdachte] bij [slachtoffer] gedaan?\n\nA: Met de handen tussen de benen op de schaamstreek gewreven. Gevraagd of hij verder mocht spelen en verder mocht voelen.\n\nV: Dat wrijven over de schaamstreek was dit in of over de kleding?\n\nA: Op het broekje.\n\nV: Wat voor broekje?\n\nA: Voetbalbroekje.\n\nV: Hoe vaak heeft dat plaatsgevonden?\n\nA: Twee keer.\n\nV: Wanneer heeft dat plaats gevonden? A: Op vrijdag 8 september 2023 rond 19.00 uur werd [naam 4] met de kinderen opgehaald door [naam 2] . Dus het moet gebeurd zijn tussen 19.30 uur en 22.30 uur. V: Waar heeft het feit plaatsgevonden?\n\nA: Bij [naam 2] thuis. [adres 2] te [naam club] .\n\nOp 1 november 2023 werd [naam 4] , de moeder van [slachtoffer] , als getuige gehoord. Zij heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nIk was gaan trainen bij [naam club] en de kinderen, [slachtoffer] en [naam 5] , zijn met [naam 2]\n\nnaar zijn huis gegaan om aldaar de wedstrijd van Nederland te kijken. Blijkbaar is\n\ntoen bij [naam 2] [verdachte] op bezoek gekomen. Ik ben toen tussen 22 en 23 uur thuis aangekomen met mijn fiets. Ik trof toen [naam 6] , [slachtoffer] en [naam 5] en ook [naam 2] bij mij thuis aan. Ik zei toen tegen [slachtoffer] en [naam 5] dat zij met mij naar boven moesten gaan. Wij gingen dus met ons drieën naar boven. Daar hebben [slachtoffer] en [naam 5] hun tanden gepoetst waarna zij naar hun eigen kamer zijn gegaan om te gaan slapen. Na 5 minuten kwam [slachtoffer] weer naar beneden. [slachtoffer] zei toen tegen mij: \"Mamma, ik moet je wat vertellen.\"\n\nV: Wat zegt [slachtoffer] tegen jou op haar kamer?\n\nA: Ze zei: \"Daar was een vriend van [naam 2] op bezoek. Wij gingen verstoppertje spelen onder de deken. Die meneer wilde bij mij twee keer in mijn broekje gaan maar ik heb tweede keer neen gezegd\". [slachtoffer] vertelde verder dat zij daarna achter een deur bij [naam 2] thuis hadden gestaan en dat die vriend weer bij haar in haar broekje wilde gaan maar dat [slachtoffer] toen weer neen tegen die vriend had gezegd.\n\nIk herinner mij wel dat zij even daarna weer naar beneden kwam en dat zij toen\n\nhuilde. [naam 3] was toen thuis. Zij kwam toen de woonkamer binnen. Ik had het toen net tegen [naam 3] verteld.\n\nV: Wat heeft [slachtoffer] toen nog verteld in de woonkamer toen zij de tweede keer naar\n\nbeneden kwam?\n\nA: Zij heeft niks verteld. Ze was alleen maar aan het huilen. Ze was heel erg\n\nverdrietig.\n\nOp 22 september 2023 werd [slachtoffer] gehoord in de kindvriendelijke verhoor studio. De politie heeft hieromtrent gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\n Als getuige werd gehoord:\n\n [slachtoffer]\n\nGeboren op [geboortedatum]\n\nDesgevraagd verklaarde [slachtoffer] , onder andere, dat:\n\n-Dat de vriend van [naam 2] haar heeft aangeraakt\n\n- Dat ze met de vriend van [naam 2] , [verdachte] bedoelt\n\n- Dat het aanraken twee keer gebeurd is\n\n- Dat het aanraken gebeurde op de slaapkamer van [naam 2]\n\nDesgevraagd verklaarde [slachtoffer] , onder andere, dat:\n\n- Hij haar heeft aangeraakt onder de dekens\n\n- Ze met hij [verdachte] bedoelde\n\n- Hij vroeg of hij aan haar vagina mocht zitten\n\n- Hij zijn hand bij haar broekje had gedaan, bij haar vagina\n\n- Hij zijn hand alleen op haar broekje had gedaan en niet erin\n\n- Hij erbij kwam liggen onder de dekens\n\n- Hij met zijn vingers bij haar vagina zat en daar hard deed drukken\n\n- Dat dit pijn deed omdat hij heel hard deed drukken\n\n- Hij vroeg of hij in het broekje mocht voelen\n\n- Zij nee tegen hem zei\n\n- Hij twee keer vroeg of hij mocht blijven voelen\n\n- Zij nee zei\n\n- Hij twee keer bij haar broekje heeft gevoeld\n\n- Hij wel probeerde om van bovenaf in haar broekje te komen\n\n- Dat het op twee verschillende momenten is gebeurd\n\n- [verdachte] de eerste keer bij haar in het bed lag onder de dekens\n\n- [verdachte] de tweede keer naast het bed lag bij de verwarming\n\nDesgevraagd verklaarde [slachtoffer] tot slot dat:\n\n- Er een halve meter tussen het bed en de verwarming zit\n\n- [verdachte] op zijn zij met zijn gezicht richting [slachtoffer] lag\n\n- Hij toch aan haar ging zitten ondanks dat [slachtoffer] nee zei\n\n- Hij de tweede keer op de grond naast het bed lag\n\n- Hij met zijn hand toen op het bed kwam\n\n- Zij wel op het bed lag\n\nOp 16 september 2025 wordt [slachtoffer] nogmaals in een verhoorstudio gehoord. Zij heeft daarbij verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nG Eh omdat d'r een man gewoon aan mij zat zonder dat ja, gewoon zonder iets. Ja, gewoon, gewoon ineens.\n\nV Hm hm. Oké. Nou dat is inderdaad ook waarom we nu weer hier zijn hè? Hé want die man die aan jou zat, zomaar ineens, wie was dat?\n\nG Nou een vriend van ja, wat, want m'n moeder en m'n vader waren bevriend van iemand van een club,\n\nG van [naam club] en\n\nV En wie was dat dan?\n\nG Eh [naam 2] .\n\nG Ja, en eh [naam 2] z'n vriend die kwam eh gewoon op bezoek, maar [naam 2] wist zelf ook niet dat hij zo was, want hun waren ook bevriend. En toen eh. Ik ging naar [naam 2] huis om voetballen daar te kijken.\n\nG En mijn broertje was d'r ook bij.\n\nG [naam 5] .\n\nV Dus je was bij [naam 2] , zei je.\n\nV Daar was een vriend van [naam 2] .\n\nG Ja.\n\nV Weet je nog hoe die heette?\n\nG Volgens mij [verdachte] of zo.\n\nV En wat was er gebeurd?\n\nG Ja, we gingen toen verstoppertje spelen\n\nG Eh in zijn huis.\n\nG En eh toen eh ging ik onder de deken verstoppen.\n\nG En eh toen kwam hij ineens ook gewoon onder de deken.\n\nG En toen eh zei die hallo of zo.\n\nG En toen eh eh ging die ineens met z'n hand ja, bij m'n vagina. En toen eh ging dier daar voelen. Maar ik dacht zo van: ja, hoezo doet die dat? En ik wou eigenlijk weg gaan. Maar toen zeit die: mag ik daar binnen voelen? En toen zei ik: nee, waarom? En toen zei die eh zo van: ja, gewoon. Ik zei: nee, waarom? En toen ja, had die ons gevonden en toen gingen we verder.\n\nG Eh nee, daarna zijn we. Toen heeft die ons naar huis gebracht. En daarna heb ik 't aan m'n vader en moeder verteld.\n\nV Ja. Oké. Ehm nou toen die eerste keer had je inderdaad verteld dat die avond bij [naam 2] iets was gebeurd wat je niet fijn vond.\n\nV Vertel eens, wat was dat?\n\nG Oh. Ja, ik vertelde gewoon ja, die man eh van [naam 2] , zijn vriend, die begon ineens aan mijn vagina te voelen. En eh ja, dat vind ik gewoon niet fijn dat die aan mij zit.\n\nV Dat bedoel. Dat die aan jouw vagina zat, dat had je eigenlijk net al verteld hè? Dat bedoelde jij met dat niet fijne?\n\nG Ja.\n\nV Duidelijk. Hé inderdaad wat eh. Aan jouw vagina zitten, want wie had dat bij jou gedaan?\n\nG Die vriend van [naam 2] .\n\nG Volgens mij, eh [verdachte] , ja. [verdachte] .\n\nGetuige [naam 2] heeft op 14 september 2023 een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nIk heb de kinderen opgehaald bij [naam 4] om iets voor 19:00 want om 19:00 heb ik de moeder bij [naam club] afgezet, zij moest met de dames trainen. Waarschijnlijk ben ik rond 19:30 thuis aangekomen met de kinderen. De kinderen zijn [naam 5] en [slachtoffer] . [verdachte] was mijn toenmalige vriend. Ik heb hem uitgenodigd om samen gezellig naar het voetbal te kijken. Rond de klok van 20:30 is hij gekomen zodat ik nog een uurtje rustig met de kinderen zelf bezig kon zijn en mijn huisje heb laten zien, omdat ze de eerste keer bij mij thuis waren. In dat uurtje hebben we nog tikkertje gespeeld, dat was voordat [verdachte] op bezoek kwam. De wedstrijd begon 20:45. De kinderen waren zich een beetje aan het vervelen, we hebben tikkertje gespeeld en toen wilde de kinderen verstoptikkertje doen. We doen alle 4 mee.\n\nRond 23:00 uur ben ik bij hun thuis gearriveerd. De kinderen werden naar bed gebracht en door moeder verzorgd, ik heb gewacht. Toen kwam de moeder terug van het naar bed brengen van de kinderen. Toen vertelde ze me dat [verdachte] met de hand in de broek van [slachtoffer] had gezeten, of in ieder geval op een plek waar hij de handen niet zou moeten hebben. Vader kwam thuis en die kreeg het ook te horen, die zat vol vragen wat er precies is gezegd en gevraagd, weet ik niet meer. Toen kwam [slachtoffer] met tranen in de ogen naar beneden omdat ze niet kon slapen.\n\nV: Heb jij gezien dat [slachtoffer] en [verdachte] op enig moment in jouw woning onder een\n\ndeken\u002Fdekbed hebben gezeten of gelegen?\n\nA: [verdachte] lag klem tussen het bed en verwarming op de slaapkamer, op dat moment lag [slachtoffer] wel onder het dekbed op het bed van mij.\n\nUit het proces-verbaal van bevindingen inzake de appgesprekken tussen de verdachte en getuige [naam 2] volgt, zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 september 2023 ontving ik, [naam 7] , drie mails van [naam 2] via zijn\n\nmailadres [e-mailadres] , inhoudende onder meer een app van [verdachte] waarin hij vertelt over het spelen van verstoppertje en tikkertje de avond ervoor.\n\nHet betreft appverkeer tussen kennelijk [naam 2] en [verdachte] ,\n\naanvangende op 7 mei 2023 te 08:51 uur en eindigend op 9 september 2023 op 09:31 uur.\n\nOp pagina 38, de laatste pagina van dit bestand, staat het volgende vermeld:\n\n\"09-09-2023 08:17 - [naam 2] : [verdachte] hierbij is onze vriendschap over nadat wat zich\n\nbij mij heeft voorgedaan gisteravond\n\n09-09-2023 09:04 - [verdachte] : Wat is dan voorgevallen gisteren avond waar heb jij het\n\nvoeg\n\n09-09-2023 09:04 - [verdachte] : Plus [naam 8] apte me net\n\n09-09-2023 09:05 - [verdachte] : Die van [naam 9] gaat wel door\n\n09-09-2023 09:06 - [verdachte] : Wat heeft zich gisteren bij jou voor gedaan dan dat mag jij me eens even gaan vertellen want dit snap ik even niet\n\n09-09-2023 09:17 - [verdachte] : We hebben gisteren alleen tikkertje en vertoooertje [de rechtbank verstaat: verstoppertje] gedaan ik heb niemand of wat dan ook aangeraakt alleen jij omdat jij de kinderen kent ik kan ze niet ja jij zei geef de kitteldood dat is het enige ik kan ook wat er van vinden dat jij die meid op de kont sloeg dat doe ik ook niet dus waar hebben we hebben jij het over\n\nBewijsoverwegingen\n\nGelet op het bewijsmiddelenoverzicht is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , betrouwbaar zijn. De verklaringen van [slachtoffer] , die zij heeft afgelegd ten overstaan van haar ouders en tijdens twee studioverhoren, zijn gedetailleerd, authentiek en consistent. Anders dan door de raadsman is betoogd, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] over de tenlastegelegde ontuchtige handelingen. Hoewel [slachtoffer] enigszins wisselend heeft verklaard over het al dan niet plaatsvinden van de ‘kieteldood’ in het huis van getuige [naam 2] staat voor de rechtbank op basis van het bewijsmiddelenoverzicht voldoende vast dat er een verstopspelletje en een tikspelletje heeft plaatsgevonden waarbij men elkaar moest aanraken om elkaar de beurt te geven.\n\nDe verklaringen van [slachtoffer] worden ondersteund door de verklaring over de ‘disclosure’ door getuige [naam 4] (moeder) en de emoties daarbij die [slachtoffer] vrijwel direct na thuiskomst toonde. Ook aangever [naam 3] (vader) heeft verklaard over de emoties van [slachtoffer] die avond.\n\nDoor de verdachte wordt stellig ontkend dat hij op 8 september 2023 in de woning van getuige [naam 2] aanwezig was en dat hij ontuchtige handelingen met [slachtoffer] heeft gepleegd. De ontkenning van de verdachte wordt evenwel weerlegd door het bewijsmiddelenoverzicht. Zowel door [slachtoffer] als getuige [naam 2] wordt immers verklaard dat de verdachte wel degelijk op genoemde avond in de woning aanwezig was. Daarbij kent de rechtbank ook gewicht toe aan het appgesprek tussen de verdachte en getuige [naam 2] op 9 september 2023, waarin getuige [naam 2] zijn vriendschap met de verdachte opzegt vanwege ‘wat zich bij mij heeft voorgedaan gisteravond’. In zijn reactie van 9 september 2023 om 09:17 uur reageert verdachte zodanig dat daaruit niet anders kan worden begrepen dat de verdachte wel degelijk ter plaatse was. De verdachte heeft aldus kennelijk leugenachtig verklaard over zijn aanwezigheid.\n\nZonder dat aan de verdachte enige context wordt gegeven in diens appgesprek voornoemd met getuige [naam 2] schrijft de verdachte daarin spontaan om 09:17 uur ‘ik heb niemand of wat dan ook aangeraakt’. Dat de verdachte uit zichzelf een dergelijk bericht als reactie aan getuige [naam 2] stuurt ziet de rechtbank als steunbewijs voor de verklaringen van [slachtoffer] .\n\nVolgens de raadsman leidt de omstandigheid dat op (de band en een gebied van 7 x 7 cm ter hoogte van het kruis van) het sportbroekje van [slachtoffer] DNA-materiaal is aangetroffen van getuige [naam 2] en níet het DNA van de verdachte, tot de conclusie dat de verdachte [slachtoffer] dus niet ontuchtig heeft aangeraakt. De rechtbank deelt deze conclusie niet. Dat er geen DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen op het sportbroekje van [slachtoffer] betekent niet dat er geen ontuchtige aanraking heeft plaatsgevonden door de verdachte. Niet ieder fysiek contact leidt tot DNA-overdracht, nu deze overdracht afhankelijk is van de mate van contact, de wijze waarop dit heeft plaatsgevonden en het materiaal van het betrokken goed. In de omstandigheid dat er geen DNA-materiaal van de verdachte op het sportbroekje is aangetroffen kan de rechtbank de redenering van de raadsman, inhoudende dat er dús geen ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden, niet volgen. Andersom geldt dat het aangetroffen DNA-materiaal van getuige [naam 2] op het sportbroekje van [slachtoffer] , past binnen de verklaring van getuige [naam 2] dat hij, in zijn woning, met [slachtoffer] heeft gestoeid en hij [slachtoffer] daarbij een tik op de billen heeft gegeven. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dan ook.\n\nNu de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar acht en daarvoor voldoende steunbewijs is, oordeelt zij dat er wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte met [slachtoffer] op twee momenten in de avond van 9 september 2023 ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die erin bestonden dat hij zijn hand en\u002Fof vingers tussen haar benen en op haar broek heeft gebracht, en vervolgens haar vagina haar aangeraakt of daarop heeft gedrukt. Er is geen bewijs voor het in de broek en\u002Fof onderbroek brengen van zijn handen en\u002Fof vingers. Van deze gedraging wordt de verdachte partieel vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nBewijsmiddelenoverzicht\n\nDe politie heeft onder de verdachte een Apple iPhone 14 inbeslaggenomen. Hierover heeft de politie gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\nOp woensdag 16 augustus 2023 werd de verdachte [verdachte] buiten heterdaad aangehouden in verband met overtreding van artikel 248B van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Hierbij werd zijn smartphone, Apple iPhone 14, wit van kleur inbeslaggenomen. Hierop ben ik, verbalisant, op woensdag 16 augustus 2023 omstreeks 13.00 uur gestart met het onderzoek in de smartphone.\n\nHet betreft een Apple iPhone 14, wit van kleur voorzien van de IOS versie 16.6.\n\nIn de app Foto's van de iPhone staan 845 foto's en 105 video's in diverse albums. In deze app zijn standaard twee mappen, te weten de map \"Recent verwijderd\" en de map \"Verborgen\" aangemaakt. In de map \"Verborgen\" kun je afbeeldingen of video's zetten die niet direct zichtbaar zijn. Hiervoor moet je een aantal handelingen uitvoeren. Allereerst moet je de betreffende afbeelding of video selecteren, vervolgens moet je in het menu kiezen voor \"verberg\". Door gebruik te maken van de door de verdachte vertelde toegangscode heb ik toegang gekregen tot deze mappen. In de map \"Verborgen\" trof ik, verbalisant meerdere afbeeldingen en video's aan.\n\nGoednummer: PL2300-2023095573-1630845\n\nCategorie omschrijving: Geluid en beeldapp\u002Fdrager\n\nObject: Communicatieap (Telefoon)\n\nKleur: Wit\n\nIn bijlage I bij het proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal heeft de politie het navolgende overzicht gevoegd, zakelijk weergegeven:\n\n Kinderporno\n\nGegevensdrager Foto’s Video’s\n\n1630845_iPhone Wit 77 6\n\n1631226_Desktop Zwart 6 0\n\n1631228_Samsung HDD 55 0\n\nTotaal 138 6\n\nOver de aangetroffen aantallen op de iPhone (goednummer 1630845) heeft de politie in een aanvullend proces-verbaal gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\nVanuit het onderzoeksteam zijn afbeeldingen her-beoordeeld waardoor de aantallen in proces­verbaal LBRBC23089-1 niet meer overeenkwamen met het beschrijving-PV. Ik deed daarom onderzoek in Griffeye naar de onderstaande gegevensdrager.\n\nGEGEVENSDRAGER: goed, Smartphone\n\nInbeslagname nummer: 1630845\n\nMerk en type: iPhone Wit\n\nOp deze gegevensdrager werden, binnen Griffeye, 83 afbeeldingen geclassificeerd als zijnde kinderpornografische afbeeldingen. Van 7 afbeeldingen, geclassificeerd als kinderpornografisch kon niet worden vastgesteld wanneer ze op de gegevensdragers waren opgeslagen. Van de bestanden waarvan kon worden achterhaald wanneer zij op de onderzochte gegevensdrager waren opgeslagen, bleek het onderstaande:\n\n76 afbeeldingen, geclassificeerd als kinderpornografisch waren tussen 1 april 2023 en 24 juli 2023 op de onderzochte gegevensdrager opgeslagen.\n\nDe politie heeft over het aangetroffen kinderpornografisch materiaal als volgt gerelateerd, zakelijk weergegeven:\n\nVastgesteld dat in de aan mij overgedragen bestanden in totaal 144 afbeeldingen voorkwamen die volgens bovengenoemde criteria kinderpornografisch zijn.\n\nHet betreffen 138 foto’s en 6 video’s.\n\nBijlage II (de rechtbank verstaat: bijlage I) geeft een overzicht van de aantallen aangetroffen kinderpornografische foto’s en video’s per in beslag genomen onderzochte gegevensdrager.\n\nUit de afbeeldingen (foto's en video’s) verwerkt in bijgevoegde collectiescan (bijlage I) (de rechtbank verstaat: bijlage II), zijnde een inhoudelijke beoordeling van het aangetroffen kinderpornografische materiaal, heb ik een representatieve doorsnede samengesteld.\n\n11 afbeeldingen zijn benaderbaar (iPhone).\n\nFoto 1\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren. Op de foto is een close-up van een vagina van een jong meisje, pre puberaal, te zien welke in het water ligt. Door het camerastandpunt, van boven, is nadrukkelijk de blote vagina van dit meisje in beeld gebracht waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nFoto 2\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren door een pre-puberaal minderjarig meisje met nadruk op haar blote borsten en vagina, haar hoofd is net niet te zien. Een meisje in de leeftijd tussen de 8-12 jaar met lichte borstvorming ligt naakt en maakt ogenschijnlijk zelf de foto. Door het camerastandpunt is nadrukkelijk de blote vagina en borsten van dit meisje in beeld gebracht waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nFoto 3\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren door een pre-puberaal minderjarig meisje tussen 6-10 jaar oud met nadruk op haar blote borsten en vagina. Het meisje is geheel naakt en heeft een versiering op haar hoofd en stickers\u002Fverfschildering net boven haar borsten.\n\nFoto 4\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren. Close-up foto van de vagina van een minderjarig meisje. De broek van het meisje is tot op haar knieën naar beneden en is nog deels te zien op de foto. Door het camerastandpunt is nadrukkelijk de blote vagina van dit meisje in beeld gebracht waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nFoto 5\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren door een prepuberaal meisje in de leeftijd tussen de 7-11 jaar met de nadruk van haar borsten en haar vagina. Het meisje staat geheel naakt voor een bankje. Ze kijkt in de camera. Ze heeft duivelsoortjes op haar hoofd en een duivelsdrietand stafje vast.\n\nFoto 6\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren Close- up foto van de vagina een jong meisje. Op de foto zijn alleen een klein deel van de bovenbenen te zien en haar vagina. Door het camerastandpunt, bovenzijde, is nadrukkelijk de blote vagina van dit meisje in beeld gebracht waarbij de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling\n\nFoto 7\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren Een meisje in de leeftijd tussen de 7 en 11 jaar ligt met haar rug op het gras. Ze heeft haar rechter been opgetrokken en haar benen licht gespreid waardoor haar vagina te zien is. De foto is genomen vanaf de voorzijde, haar onderbenen zijn niet te zien. Op haar borsten \u002Ftepels zijn rode hartjes geverfd en op haar buik is een rode pijl omhoog geverfd. Naast haar, zowel aan haar linker- en haar rechterzijde is een deel van een meisje zichtbaar. Het meisje aan de linkerzijde heeft een verfkwastje vast. Door het camerastandpunt is nadrukkelijk de blote vagina van dit meisje in beeld gebracht\n\nFoto 8\n\nGegevensdrager: 1630845Jphone Wit\n\nPoseren. Op deze afbeelding zijn 2 naakte meisjes te zien, alleen hun onderbenen zijn niet te zien. Deze meisjes zijn geknipt uit de voorpagina met meerdere foto’s van een nudisten promotie De meisjes staan naast elkaar, met hun armen naast hun lichaam. De nadruk van deze foto is gelegd op de naakte lijven van de meisjes.\n\nVideo 9\n\nGegevensdrager: 1630845Jphone Wit\n\nOntuchtige handeling. Een minderjarig meisje, leeftijd tussen de 12 en de 14 haar oud kleed zich geheel uit en gaat met haar benen wijd voor de camera op de grond zitten\u002F liggen. Een deel van haar bovenbenen, haar vagina, haar buik, haar borsten en haar gezicht zijn te zien. Zij trekt met beide handen haar vagina iets uit elkaar waarna zij met haar rechter wijsvinger haar vagina penetreert. Deze video heeft audio, er zijn alleen achtergrond geluiden te horen (waarschijnlijk een wasmachine). Deze videduurt 57 seconden.\n\nFoto 10\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nOntuchtige handelingen. Een minderjarig meisje, leeftijd tussen de 6 en 9 jaar, ze zit met haar benen wijd voor de camera op de grond. Een deel van haar bovenbenen, haar vagina, haar buik, haar borsten en haar gezicht zijn te zien. Zij trekt met beide handen haar vagina uit elkaar. Ze betast haar eigen vagina . Deze video heeft audio. Het meisje fluistert: “please pis alsjeblieft’’, “ (onverstaanbaar) “ik liet een scheetje”. Deze video duurt 30 seconden\n\nFoto 11\n\nGegevensdrager: 1630845_lphone Wit\n\nPoseren. Op de afbeelding is een meisje te zien in de leeftijd tussen de 8 en 12 jaar welke geheel naakt gehurkt op de grond zit met haar benen iets gespreid. Het meisje kijkt naar een vuurwerksterretje welke zij vast heeft in haar hand. De foto is van de voorzijde genomen waardoor haar vagina duidelijk zichtbaar is.\n\nDe verdachte heeft bij de politie op 7 december 2023 een verklaring afgelegd. Hij heeft daarbij verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nO: In een eerder onderzoek, voorzien van het BVH-nummer: 2023095573, waarin jij reeds tweemaal als verdachte bent gehoord, zijn ook drie gegevensdragers onder jou inbeslaggenomen, zijnde: een witte i-Phone, een zwarte desktop en een Samsung HDD. V: Wie heeft deze gegevensdragers in gebruik gehad? A: De i-Phone, ik zelf omdat die van mij is.\n\nBewijsoverwegingen inzake feit 2\n\nDe rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat op 17 augustus 2023 op de iPhone van de verdachte in totaal 83 kinderpornografische afbeeldingen (te weten: 77 foto’s en 6 video’s) zijn aangetroffen. Deze afbeeldingen zijn daar in de periode van 1 april 2023 tot en met 24 juli 2023 op geplaatst. Op twee andere gegevensdragers van de verdachte zijn eveneens kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen, maar deze waren niet langer benaderbaar op het moment van inbeslagname. Evenmin is gebleken dat deze afbeeldingen gedurende de tenlastegelegde periode voor de verdachte benaderbaar waren. Ten aanzien van deze gegevensdragers zal de verdachte partieel worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van de iPhone heeft de verdachte verklaard dat deze van hem is en bij hem in gebruik was. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aangetroffen kinderpornografische afbeeldingen op zijn telefoon.\n\nGelet op het bewijsoverzicht acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tussen 1 april 2023 en 17 augustus 2023 op zijn iPhone de in de bewezenverklaring omschreven foto’s en video’s in zijn bezit heeft gehad. Voor de overige verweten gedragingen (verspreiden, aanbieden, openlijk tentoonstellen, vervaardigen, invoeren, doorvoeren, uitvoeren, verwerven, en\u002Fof zich daartoe door middel de toegang verschaffen) tis geen wettig en overtuigend bewijs, om welke reden de rechtbank de verdachte van deze gedragingen partieel zal vrijspreken.\n\n3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\n feit 1:\n\nop 8 september 2023 in de gemeente Landgraaf, meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het meermalen\n\n- brengen van zijn, verdachtes, hand en\u002Fof vingers tussen de benen en op de broek van die [slachtoffer] en\u002F\n\n- aanraken van en\u002Fof drukken op de vagina van die [slachtoffer] .\n\n feit 2:\n\nop één of meer tijdstippen in de periode van 1 april 2023 tot en met 17 augustus 2023 in de gemeente Landgraaf, meermalen, afbeeldingen, te weten foto’s en\u002Fof video's – en een gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten een telefoon (Apple iPhone wit) -\n\nvan seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit heeft gehad\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met een vinger vaginaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n(video 9, p. 407 en 417 pv)\n\nen\n\nhet met (een) vinger(s)\u002Fhand betasten van het eigen geslachtsdeel door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n(video 10, p. 407, 417 en 418 pv)\n\nen\n\nhet geheel of gedeeltelijk naakt laten poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en\u002Fof poseert in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past\n\nen\u002Fof door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilms nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel en\u002Fof de borsten van deze persoon in beeld gebracht worden, waarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling\n\n(foto 1, pagina406 en 414 van het proces verbaal en\n\n foto 2, pagina 406 en 414 van het proces verbaal en\n\n foto 3, pagina406 en 415 van het proces verbaal en\n\n foto 4, pagina 406, 407 en 415 van het proces verbaal en\n\n foto 5, pagina407, 415 en 416 van het proces verbaal en\n\n foto 6, pagina 407 en 416 van het proces verbaal en\n\n foto 7, pagina 407en 416 van het proces verbaal en\n\n foto 8, pagina 407en 417 van het proces verbaal en\n\n foto 11, pagina. 407 en 418 van het proces verbaal).\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\n feit 1:\n\nmet iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.\n\n feit 2:\n\neen afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is\n\nbetrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd\n\nen\n\neen gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straffen6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze proeftijd dienen de door de reclassering in haar advies van 24 december 2025 geformuleerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden, inhoudende: een meldplicht, een ambulante behandeling, het vermijden van contact met minderjarigen en het vermijden van digitale omgevingen inzake seksueel kindermisbruik. De officier van justitie heeft gevorderd om deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren op grond van artikel 14e Sr. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte op te leggen een beroepsverbod op grond van artikel 28 Sr, inhoudende dat de verdachte gedurende 3 jaren geen werk, betaald of onbetaald, met kwetsbare doelgroepen – waaronder ook verstaan wordt: minderjarigen – mag verrichten. De officier van justitie heeft bij de formulering van deze strafeis acht geslagen op de ernst van de feiten en op de zorgen omtrent de persoon van de verdachte, mede gelet op het procesdossier en de daaruit voortvloeiende zorgen voor de veiligheid van minderjarigen, nu de verdachte werkzaam is als taxichauffeur voor onder andere kwetsbare minderjarigen en als scheidsrechter optreedt bij voetbalwedstrijden voor jeugdigen.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich, uitgaande van bewezenverklaring van uitsluitend feit 2, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ter zake van de straftoemeting. Wel heeft de raadsman verzocht om bij de straftoemeting acht te slaan op het feit dat de verdachte een ‘first offender’ is, hij relatief weinig kinderpornografische afbeeldingen voor relatief korte duur in zijn bezit had en op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ten slotte heeft de raadsman erop gewezen dat de redelijke termijn op grond van artikel 6 EVRM is overschreden.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft bij de destijds 11-jarige [slachtoffer] ontuchtige handelingen verricht. [slachtoffer] was op dat ogenblik, samen met haar broertje bij haar vaste oppas om voetbal te kijken, terwijl de verdachte daar ook te gast aanwezig was. Tijdens een verstopspelletje heeft de verdachte [slachtoffer] onzedelijk betast. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij met zijn handelen de lichamelijk integriteit van [slachtoffer] heeft geschonden. Naar algemene ervaringsregels kan dergelijk misbruik grote en langdurige (psychische) gevolgen veroorzaken, voor zowel slachtoffers, als ook voor hun omgeving, zoals de rechtbank ook is gebleken uit de onderbouwing van de vordering van [slachtoffer] en de ter zitting namens de ouders van [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring.\n\nDaarnaast heeft de verdachte kinderporno in zijn bezit gehad. In totaal zijn op de telefoon van de verdachte 144 kinderpornografische afbeeldingen (138 foto’s en 6 video’s) aangetroffen. De verdachte heeft deze afbeeldingen verzameld gedurende een periode van ongeveer 4,5 maand. De rechtbank slaat er ook acht op dat er kinderpornografisch materiaal is aangetroffen op beide computers van de verdachte, hoewel dit tijdens de bewezenverklaarde periode niet langer benaderbaar was voor de verdachte. Bij de vervaardiging van kinderporno worden kinderen seksueel misbruikt en geëxploiteerd. Door het verwerven en het bezit van kinderporno houdt de verdachte deze markt in stand. Het is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die hier het slachtoffer van zijn, psychologische schade oplopen die zij jaren later en soms zelfs hun hele leven nog met zich meedragen en dat beelden op internet niet zomaar verdwijnen, zodat het misbruik in feite onbeperkt doorgaat. Voor een effectieve bestrijding van de vervaardiging van dit soort porno is het noodzakelijk niet alleen degenen aan te pakken die het vervaardigen, maar ook degenen die het verzamelen, zoals in onderhavige zaak van de verdachte. De door verdachte gepleegde strafbare feiten zijn dan ook zeer ernstig.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting en op de straftoemeting in vergelijkbare zaken. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, de oplegging van een gevangenisstraf van 12 maanden geboden is.\n\nDe verdachte is niet eerder veroordeeld, ook niet voor zedenfeiten, en heeft daarom te gelden als een zogeheten ‘first offender’. Desondanks deelt de rechtbank de zorgen die de reclassering in haar advies van 24 december 2025 heeft geformuleerd over de persoon van de verdachte, gelet op de signalen uit het procesdossier van grensoverschrijdend gedrag en diens sociaal wenselijke houding aangaande mededelingen over zijn seksualiteit. Uit het reclasseringsadvies volgt ook dat de leefgebieden van de verdachte na zijn aanhouding instabieler zijn geworden: zijn partner heeft hem verlaten, wegens het ontbreken van een VOG kan hij niet meer werken als taxichauffeur voor een kwetsbare doelgroep of als scheids- c.q. grensrechter optreden bij voetbalwedstrijden en hij heeft schulden gemaakt. Daarnaast heeft de reclassering gesignaleerd dat de verdachte zich graag in een omgeving lijkt te begeven waarin zich kwetsbaren bevinden. De reclassering acht het van belang dat de verdachte onder meer een behandeling zal ondergaan waarin hij meewerkt aan verder onderzoek naar risicofactoren en de behandeling daarvan.\n\nGelet op het reclasseringsadvies ziet de rechtbank aanleiding een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen, met daaraan verbonden de door de reclassering in haar advies geformuleerde bijzondere voorwaarden. Het voorwaardelijk strafdeel dient daarbij als forse stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de daaraan te verbinden proeftijd daarbij stellen op drie jaren. De rechtbank acht deze termijn geboden vanwege de aard van de onderhavige delicten en de mogelijke duur van de ambulante behandeling van de verdachte.\n\nTen slotte overweegt de rechtbank dat, nu de verdachte op 7 december 2023 is aangehouden en dit vonnis 25 maanden later wordt gewezen, de redelijke termijn van twee jaren met 1,5 maand is overschreden. Vanwege deze geringe overschrijding zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering van de schending van de redelijke termijn zoals bepaald in artikel 6, van het EVRM.\n\nAlles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan deze proeftijd zal de rechtbank de door de reclassering in haar advies voornoemd geformuleerde bijzondere voorwaarden opleggen, inhoudende: een meldplicht, een ambulante behandeling, het vermijden van contact met minderjarigen en het vermijden van digitale omgevingen inzake seksueel misbruik.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om genoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren conform het bepaalde in artikel 14e Sr. Gelet op de aard van de door de verdachte gepleegde feiten, beiden minderjarigen betreffend en gedurende een periode van maanden gepleegd, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nBeroepsverbod\n\nNaast de gevangenisstraf acht de rechtbank ook een beroepsverbod passend. Het is van groot maatschappelijk belang dat wordt uitgedragen dat de verdachte, gelet op de door hem gepleegde feiten, zijn bezigheden als scheids- c.q. grensrechter dan wel zijn beroep als taxichauffeur voor kwetsbare groepen niet langer mag uitoefenen, dan wel uit hoofde van enige andere functie werkzaam is met minderjarigen. De rechtbank legt daarom conform artikel 28 lid 1 sub 5 Sr aan de verdachte een verbod op om gedurende een periode van 3 jaar werk te verrichten, betaald of onbetaald, met kwetsbare doelgroepen (waaronder ook verstaan wordt: minderjarigen).7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 2.521,82 euro ter zake van feit 1. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:\n\nverlofdagen: 108,96 euro\n\nreiskosten: 77,86 euro\n\nimmateriële schade: 2.335,00 euro\n\nDe benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering, onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft de afwijzing dan wel niet-ontvankelijkverklaring van de vordering aangevoerd, gelet op de bepleite vrijspraak ter zake van feit 1.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.\n\nDe vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering volledig toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van 2.521,81 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f, Sr op te leggen.\n\n8. Het beslag\n\nUit het procesdossier volgt dat onder de verdachte een drietal gegevensdragers zijn inbeslaggenomen (met goednummers G130845, G130845 en G1631226). De verdachte heeft geen afstand gedaan van deze gegevensdragers. Nu op deze gegevensdragers kinderpornografisch materiaal is aangetroffen, zijn dit voorwerpen met betrekking tot welke feit 2 is begaan. De rechtbank zal deze voorwerpen om die reden onttrekken aan het verkeer.\n\nDe inbeslaggenomen kledingstukken (met goednummers G1639227 en G1639230) dienen te worden teruggeven aan de als rechthebbende aan te merken persoon, zijnde [slachtoffer] .\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 28, 31, 36b, 36c, 36f, 57, 240b en 247,Sr, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nveroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstrafvan12 maanden, waarvan6 maanden voorwaardelijk, met eenproeftijd van 3 jaren;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\nstelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:\n\ndat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Heerderweg 25, 6224 LA Maastricht;\n\ndat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Rooyse Wissel Ambulant Behandelen of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag, schuldenproblematiek, woonoverlast en\u002Fof andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\ndat de veroordeelde op geen enkele wijze contact zoekt met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk. Als contacten onvermijdelijk zijn, zorgt betrokkene dat CAB&B of jeugdbeschermingsinstanties hierbij aanwezig zijn;\n\nat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n1. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;\n\n2. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;\n\ngames met chatfunctie, die specifiek ontwikkeld zijn voor minderjarigen vermijdt;\n\n3. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);\n\n4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\nHet toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de veroordeelde in gebruik heeft.\n\nDe veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die betrokkene in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de veroordeelde de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.\n\nDe controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) drie keer per aantal jaren proeftijd.\n\ngeeft aan de reclassering de opdrachtals bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\n- beveelt dat de gestelde voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n- ontzetde verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2uit het recht tot uitoefening van enig beroep, betaald of onbezoldigd, met kwetsbare doelgroepen (waaronder ook wordt verstaan: minderjarigen)gedurende een periode van3 jaar.\n\nBenadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van feit 1 toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer], van een bedrag van2.521,82 euro, bestaande uit 186,82 euro materiële schade en 2.335,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met dewettelijke rentevanaf 8 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\n- legt ten aanzien van fieit 1 aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 2.521,82 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 186,82 euro materiële schade en 2.335,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met dewettelijke rentevanaf 8 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\n- De verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nBeslag\n\n- onttrekt aan het verkeerde volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1 STK Telefoontoestel (G130845);\n\n1 STK Computer (G1631226);\n\n1 STK Computer (G1631228);\n\n- gelast de teruggavevan de volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1 STK Broek (G1639227);\n\n1 STK Ondergoed (G1639230);\n\naan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: [slachtoffer].\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. R.A.M.M. Gijselaers en mr. dr. W. Kieboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 januari 2026.\n\nBuiten staat\n\nmr. dr. W. Kieboom en mr. I.K. Bakker zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nT.a.v. feit 1:\n\nhij\n\nop of omstreeks 8 september 2023 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal, (telkens)\n\nmet [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,\n\nbuiten echt,\n\neen of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)\n\n- brengen en\u002Fof plaatsen van zijn, verdachtes, hand en\u002Fof vinger(s) tussen de benen en\u002Fof op en\u002Fof in de broek en\u002Fof op de onderbroek van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- aanraken en\u002Fof betasten van en\u002Fof wrijven over en\u002Fof drukken op de vagina en\u002Fof het kruis en\u002Fof de schaamstreek van die [slachtoffer] ;\n\nT.a.v. feit 2:\n\nhij\n\nop één of meer tijdstip(pen)\n\nin of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 17 augustus 2023 in de gemeente Landgraaf, in elk geval in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal, (telkens)\n\nafbeeldingen, te weten foto’s en\u002Fof video's en\u002Fof films - en\u002Fof gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten een telefoon (Apple iPhone wit) en\u002Fof een computer (zwarte desktop) en\u002Fof een HDD (Samsung) -\n\nvan seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,\n\nheeft verspreid, aangeboden, openlijk tentoongesteld, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verworven, in bezit gehad en\u002Fof zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft\n\nwelke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof (een) voorwerp(en) oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n(video 9, p. 407 en 417 pv)\n\nen\u002Fof\n\nhet met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof (een) voorwerp(en) betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de eigen anus, de eigen billen en\u002Fof borsten door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt\n\n(video 10, p. 407, 417 en 418 pv)\n\nen\u002Fof\n\nhet geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van\u002Fdoor een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met (een) voorwerp(en) en\u002Fof in een erotisch getinte houding\n\n(op een wijze) die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past\u002Fpassen\n\nen\u002Fof waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar kleding ontdoet\n\nen\u002Fof (waarna) door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van deze persoon in beeld gebracht worden,\n\n(waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling\n\n(foto 1, p. 406 en 414 pv en\u002Fof\n\n foto 2, p. 406 en 414 pv en\u002Fof\n\n foto 3, p. 406 en 415 pv en.of\n\n foto 4, p. 406, 407 en 415 pv en\u002Fof\n\n foto 5, p. 407, 415 en 416 pv en\u002Fof\n\n foto 6, p. 407 en 416 pv en\u002Fof\n\n foto 7, p. 407en 416 pv en\u002Fof\n\n foto 8, p. 407en 417 pv en\u002Fof\n\n foto 11, p. 407 en 418 pv);\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, Team Zeden, BHV-nummers 2023095573 (zaak 1), 2023143690 (zaak 2) en 2023197652 (zaak 3), gesloten d.d. 6 juni 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 443.\n\n Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden d.d. 12 september 2023, pg. 137 t\u002Fm 139.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [naam 3] d.d. 15 september 2023, pg. 141 t\u002Fm 147.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 10] d.d. 1 november 2023, pg. 158 t\u002Fm 161.\n\n Procs-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2023, pg. 165 t\u002Fm 167.\n\n Losbladig verslag verbatim studioverhoor [slachtoffer] d.d. 16 september 202, zonder doornummering, pg 1 t\u002Fm 21.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 2] d.d. 14 september 2023, pg. 149 t\u002Fm 156.\n\n Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 mei 2024, pg. 205 en 244.\n\n Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2023, pg. 95 t\u002Fm 98.\n\n Bijlage I bij proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 1 augustus 2024, ‘Overzicht aantallen kinderpornografische afbeeldingen en foto’s’, pg. 410.\n\n Proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal d.d. 1 augustus 2024, pg. 403 t\u002Fm 409.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 7 december 2023, pg. 354 t\u002Fm 362.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:591","2026-07-13T00:29:39.747Z",20]