[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-maastricht-tort-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":39,"limit":40},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},74,"Maastricht","nl","maastricht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},72,"tort-law-nl","Tort Law","NL","2026-07-08T16:54:31.314Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},2,{"min":18,"max":18},"2026-06-17T00:00:00.000Z",[],[21,32],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"478","ECLI:NL:RBLIM:2026:5657","ecli-nl-rblim-2026-5657","","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F337611 \u002F HA ZA 25-6\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats 2] ,\n\neisers,\n\nadvocaat: mr. H.T.L. Janssen,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2],\n\nbeiden te [plaats 3] (Duitsland),\n\ngedaagden,\n\nadvocaat: mr. J.P. van Mulken.\n\nPartijen worden hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 3 december 2025 - de akte van [eisers] van 7 januari 2026 - de akte van [gedaagden] van 7 januari 2026\n\n- de e-mail van de rechtbank van 2 februari 2026 aan partijen waarin zij geïnformeerd zijn dat de rechter die de zaak behandeld heeft tijdens de mondelinge behandeling en die het tussenvonnis van 3 december 2025 heeft gewezen, niet langer werkzaam is bij het team burgerlijk recht vanwege een roulatie naar een ander rechtsgebied en dat de zaak om die reden verder behandeld zal worden door de rechter die tijdens de mondelinge behandeling aanwezig was in de zaal.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nHet tussenvonnis van 3 december 2025\n\n2.1.. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 3 december 2025 (hierna: het tussenvonnis) in rov. 4.22. tot en met 4.28. een deskundigenonderzoek aangekondigd en partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n), de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen, en de maximaal acceptabele hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige(n). Partijen hebben zich hierover uitgelaten bij akte.\n\nDe wenselijkheid van een deskundigenbericht\n\n2.2.. Volgens [eisers] is een deskundigenonderzoek niet nodig om de herstelkosten te begroten. Hun [deskundige 1] heeft immers al een begroting gemaakt. Voor zover de rechtbank toch een deskundige wil inschakelen, zullen zij hun medewerking daaraan verlenen.\n\n2.3.. \n [gedaagden] betogen dat eerst een deskundige benoemd moet worden om te onderzoeken wat er moet gebeuren om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte. Dat hoeft niet per definitie te bestaan uit de werkzaamheden die genoemd zijn in het rapport van [deskundige 1] , aldus [gedaagden] Hun eigen deskundige heeft namelijk laten weten dat een bedrag van € 12.179,00 toereikend is om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte. Een deskundige benoemen om de omvang van de herstelkosten te laten vaststellen, is volgens hen niet nodig, omdat zij instemmen met een bedrag van € 12.179,00 als vergoeding voor herstelkosten. Als de rechtbank toch een deskundige benoemt om de kosten van herstel te berekenen, kan het rapport van [deskundige 1] niet als uitgangspunt dienen. Hij is niet onafhankelijk, zo menen zij. Ook gaat hij in zijn berekening uit van een volledig geïsoleerd dak, terwijl dat niet nodig is om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte. [gedaagden] wijzen in dat kader op de rechtsoverwegingen 4.12. en 4.13. van het tussenvonnis.\n\n2.4.. De rechtbank stelt het volgende voorop. In het tussenvonnis heeft de rechtbank de door [eisers] aangevoerde rechtsgronden voor hun vorderingen beoordeeld. Drie rechtsgronden slaagden niet, te weten onrechtmatige daad, dwaling en tekortkoming wegens schending vertrouwen dat het schuine dak van de woning geheel was geïsoleerd. De rechtsgrond tekortkoming wegens de aanwezigheid van een latent probleem dat de zolderverdieping ongeschikt maakt als leefruimte slaagde wel. De rechtbank volhardt bij deze oordelen.Verder heeft de rechtbank geoordeeld in dat tussenvonnis dat [gedaagden] bij conclusie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling niet hebben betwist dat herstel van het zolderplafond dient te geschieden overeenkomstig hetgeen daarover is opgenomen in het rapport van [deskundige 1] . Omdat partijen wel twistten over de hoogte van de kosten van die wijze van herstel heeft de rechtbank in het tussenvonnis geoordeeld dat een onafhankelijk deskundige nodig is om de omvang van de herstelkosten te begroten. De rechtbank volhardt ook bij deze oordelen.2.5.. \n [gedaagden] betwisten in de akte na het tussenvonnis alsnog de wijze van herstel zoals beschreven is door [deskundige 1] in zijn rapport. Deze betwisting is te laat aangevoerd in de procedure en wordt daarom gepasseerd. De verwijzing van [gedaagden] naar rov. 4.12. en 4.13. van het tussenvonnis kan hen niet baten. Die rechtsoverwegingen zagen immers op een andere, niet gehonoreerde rechtsgrond van [eisers] De slotsom is dat de rechtbank niet terugkomt op het oordeel dat de wijze van herstel, die [deskundige 1] beschreven heeft in zijn rapport, geldt als uitgangspunt voor de berekening van de herstelkosten. Het voorstel van [gedaagden] om eerst een deskundige te benoemen die beoordeelt wat er moet gebeuren om de zolderverdieping geschikt te maken als leefruimte, volgt de rechtbank daarom niet.\n\n2.6.. Omdat [gedaagden] de omvang van de kosten die [deskundige 1] berekend heeft, voor het tussenvonnis met offertes betwist had, heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek naar de omvang van de herstelkosten nodig geacht. Hetgeen [eisers] in hun akte na het tussenvonnis hebben aangevoerd, leidt niet ertoe dat de rechtbank aanleiding ziet om terug te komen op dat oordeel. Het deskundigenonderzoek zal in dit vonnis dan ook worden bevolen.\n\nHet aantal deskundigen\n\n2.7.. Beide partijen achten benoeming van één deskundige voldoende. De rechtbank zal daarom volstaan met het benoemen van één deskundige.\n\nDe persoon van de deskundige\n\n2.8.. Partijen hebben de rechtbank bij akten na het tussenvonnis laten weten dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over de benoeming van een deskundige. De griffier van de rechtbank heeft vervolgens als deskundige benaderd de heer ing. [deskundige 2] , verbonden aan [bedrijf] , die als deskundige ingeschreven is bij het Landelijk Register van Gerechtelijk Deskundigen. De deskundige heeft de rechtbank laten weten dat het hem vrijstaat om als deskundige op te treden in deze zaak. Na hierover in kennis te zijn gesteld, hebben beide partijen de rechtbank per mail bericht in te kunnen stemmen met benoeming van de heer [deskundige 2] . De rechtbank zal hem in dit vonnis als deskundige benoemen.\n\nDe vragen aan de deskundige\n\n2.9.. \n [eisers] stemmen in met de vragen die de rechtbank heeft voorgesteld in het tussenvonnis.\n\n2.10.. \n [gedaagden] stellen voor om als vraag te stellen: welke werkzaamheden zijn nodig om de zolderverdieping leefbaar te maken en hoeveel bedragen de kosten van deze werkzaamheden?\n\n2.11.. Gelet op wat de rechtbank hiervoor in dit vonnis heeft overwogen bij rov. 2.5 volgt de rechtbank [gedaagden] niet in de door hen voorgestelde vragen. De rechtbank zal aan de deskundige de vragen stellen:\n\n1. Hoeveel kost een herstel dat wordt verricht overeenkomstig de herstelwerkzaamheden opgenomen in het onderzoeksrapport van [deskundige 1] (gedateerd 24 september 2024)?\n\n2. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen, waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n2.12.. \n [eisers] hebben laten weten dat zij niet bereid zijn om mee te werken aan destructief onderzoek door de deskundige, omdat zij de zolder inmiddels in gebruik hebben genomen. Nu de deskundige kan uitgaan van de wijze van herstel zoals beschreven door [deskundige 1] en hij alleen diens kostenbegroting hoeft te beoordelen, gaat de rechtbank er van uit dat de deskundige in het kader van zijn onderzoek geen destructief onderzoek hoeft te verrichten. Mocht de deskundige daardoor niet in staat zijn (op onderdelen) een goede begroting te maken van de kosten, dan zal dat blijken uit zijn rapport. In dat geval komt de onmogelijkheid van het niet (volledig) kunnen begroten van de kosten voor risico van [eisers] Mocht de deskundige ten behoeve van zijn onderzoek wel de woning willen bezoeken, ondanks dat destructief onderzoek niet nodig is, dan zal de deskundige partijen dat laten weten.\n\nDe kosten van de deskundige\n\n2.13.. De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 1.706,10 (inclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot. De rechtbank zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 1.706,10 (inclusief btw).\n\n2.14.. De deskundige heeft de rechtbank meegedeeld dat er algemene voorwaarden van toepassing zijn. De rechtbank heeft partijen hiervan in kennis gesteld en hen de algemene voorwaarden ter kennisneming toegezonden. Partijen hebben daarna verklaard in te stemmen met benoeming van de deskundige. Over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden hebben zij zich niet expliciet uitgelaten. De rechtbank begrijpt dat zij zich niet verzetten tegen de toepasselijkheid van deze voorwaarden. Gelet hierop aanvaardt de rechtbank dit voorbehoud van de deskundige voor zover deze algemene voorwaarden voorzien in een beperking van aansprakelijkheid. De publiekrechtelijke aard van de rechtsverhouding tussen de rechtbank en een deskundige, zoals geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), verzet zich tegen integrale toepassing van de algemene voorwaarden. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat deze aansprakelijkheidsbeperking van toepassing is op de verhouding tussen de deskundige en partijen.\n\nHet voorschot\n\n2.15.. In de vorige beslissing is al aangekondigd en toegelicht door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald, namelijk [eisers]\n\n2.16.. \n [eisers] hebben laten weten dat zij van mening zijn dat [gedaagden] de kosten zouden moeten voorschieten, omdat zij de omvang van de kosten toereikend hebben toegelicht met het rapport van [deskundige 1] . Tegelijkertijd conformeren zij zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\n2.17.. De rechtbank ziet geen aanleiding in hetgeen [eisers] hebben aangevoerd om terug te komen op het oordeel dat [eisers] op grond van de hoofdregel van artikel 195 Rv belast worden met betaling van het voorschot van de kosten van de deskundige.\n\nOverig\n\n2.18.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven is. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n2.19.. Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.\n\n2.20.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. beveelt een onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\nHoeveel kost een herstel dat wordt verricht overeenkomstig de herstelwerkzaamheden opgenomen in het onderzoeksrapport van [deskundige 1] (gedateerd 24 september 2024)?\n\nZijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen, waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n3.2.. benoemt tot deskundige:\n\nde heer ing. [deskundige 2] , verbonden aan [bedrijf] ,\n\n [adres] ,\n\n [telefoonnummer] ,\n\n [e-mailadres] ,\n\n3.3.. bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,\n\nhet voorschot\n\n3.4.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 1.706,10 (inclusief btw),\n\n3.5.. bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n3.6.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek\n\n3.7.. bepaalt dat [eisers] het procesdossier in afschrift aan de deskundige moeten toesturen,\n\n3.8.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n3.9.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op www.rechtspraak.nl),\n\n- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en\u002Fof gedane verzoeken,\n\n- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse, gelegenheid moet bieden dit onderzoek bij te wonen; als slechts één partij (althans niet alle partijen) bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,\n\n- als partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,\n\n3.10.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n3.11.. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n3.12.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen om binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n3.13.. bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n3.14.. draagt de griffier op om de zaak op de rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of,\n\n- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,\n\n3.15.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Zie rov. 4.3. tot en met 4.17. van het tussenvonnis.\n\n Zie rov. 4.21. van het tussenvonnis.\n\n Productie 7 bij dagvaarding.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5657","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:32.440Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"786","ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","ecli-nl-rblim-2026-5664","RECHTBANK Limburg\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F340610 \u002F HA ZA 25-145\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1] ,\n\nte [plaats 1] , 2. [eiser 2],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. W.J.F. Geertsen,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. G.J.M. Philipsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 28 januari 2026 - de akte van [eisers] van 11 maart 2026 - de akte van [gedaagde] van 11 maart 2026 met de daarbij bijgevoegde producties 4 en 5.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Bij tussenvonnis van 28 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis) is door de rechtbank bepaald dat een onderzoek door (een) deskundige(n) zal worden bevolen. Daarbij is vermeld dat naar het oordeel van de rechtbank kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige op het gebied van bouwkunde. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal, het specialisme en de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de door de rechtbank opgestelde vragen. Dit deskundigenonderzoek zal in dit vonnis worden bevolen.\n\nDe wenselijkheid van een deskundigenbericht2.2.. \n [eisers] stemt in met benoeming van een deskundige. [gedaagde] heeft bij akte verzocht het voornemen om een deskundige te benoemen te herzien. Daartoe voert zij aan dat het bewijs ontbreekt dát er stankoverlast zou zijn.\n\n2.3.. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 28 januari 2026 in rechtsoverweging 4.5. in het kader van de stelplicht. De daar genoemde omstandigheden vormen voor de rechtbank voldoende aanleiding om tot het deskundigenonderzoek over te gaan.\n\nHet aantal deskundigen en de persoon van de deskundige2.4.. Partijen hebben bij akte te kennen gegeven dat zij de voorkeur geven aan benoeming van één deskundige. Zij zijn er niet in geslaagd om in onderling overleg overeenstemming te bereiken over de persoon van de te benoemen deskundige. [eisers] . hebben de heer [naam 1] van [bedrijf 1] voorgesteld en [gedaagde] heeft een medewerker van [bedrijf 2] of een medewerker van [bedrijf 3] voorgesteld.\n\n2.5.. Partijen hebben over en weer bezwaar gemaakt tegen de door de andere partij genoemde deskundige(n). In rechtsoverweging 4.29. van het tussenvonnis is door de rechtbank uitdrukkelijk overwogen dat een partij gemotiveerd dient aan te geven waarom de door de wederpartij voorgestelde deskundige niet voor benoeming in aanmerking mag komen. Beide partijen baseren hun bezwaar op de vrees dat er een professionele relatie bestaat tussen de voorgedragen deskundige en de tegenpartij. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat een advocaat in het verleden in andere procedures dezelfde deskundige heeft aangedragen als nu in deze zaak, onvoldoende is als onderbouwing van deze vrees. Het aantal deskundigen met ervaring in gerechtelijke procedures is beperkt, zodat het niet vreemd is dat advocaten vaker een bepaalde deskundige voorstellen. Verder geldt dat vóór benoeming aan de deskundigen standaard de vraag wordt voorgelegd of het hen vrij staat de zaak in behandeling te nemen. De rechtbank komt gelet op deze omstandigheden tot het oordeel dat benoeming van één van de aangedragen deskundigen geen bezwaar oplevert. Op basis van openbare informatie, die te vinden is op internet, over de drie voorgestelde deskundigen, bestaat bij de rechtbank het vertrouwen dat zij allen geschikt zijn als deskundige.\n\n2.6.. \n\nDe rechtbank zal de heer [naam 2] , werkzaam voor [bedrijf 1] , als deskundige benoemen. De rechtbank kiest voor deze deskundige, omdat [bedrijf 1] als enige van de drie voorgestelde bedrijven vermeld is in het landelijk register van deskundigen dat door gerechten geraadpleegd wordt als benoeming van een deskundige nodig is. De deskundige heeft te kennen gegeven bereid te zijn de zaak te aanvaarden en vrij te staan ten opzichte van partijen en hun advocaten. [gedaagde] heeft, nadat de rechtbank partijen in kennis heeft gesteld van het voornemen om de heer [naam 2] te benoemen, per e-mail van 8 juni 2026 de vraag opgeworpen of zijn expertise aansluit bij de vragen die door de rechtbank beantwoord moeten worden. De deskundige heeft dezelfde dag per e-mail aan de rechtbank laten weten 37 jaar werkervaring te hebben, dat zijn expertise van bouwkundige\u002Ftechnische aard is en dat hij meerdere deskundigenonderzoeken verricht heeft waarbij deze expertise nodig is. De rechtbank heeft [gedaagde] op 9 juni 2026 hiervan in kennis gesteld. [gedaagde] heeft vervolgens die dag per e-mail laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat [gedaagde] geen bezwaar heeft tegen de persoon van de heer [naam 2] .\n\nDe vraagstelling2.7.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de in het tussenvonnis door de rechtbank voorgestelde vraagstelling die ter beoordeling aan de deskundige moet worden voorgelegd. Partijen hebben hiermee ingestemd. Aan de deskundige zullen daarom de volgende vragen worden voorgelegd:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\nKosten deskundige2.8.. De deskundige heeft het voorschot begroot op € 7.260,00 (inclusief btw). [eisers] . hebben per e-mail op 1 juni 2026 laten weten in te stemmen met de hoogte van het voorschot. [gedaagde] heeft per e-mail van 8 juni 2026 de rechtbank verzocht bij de deskundige een specificatie op te vragen van dit voorschot. De rechtbank heeft dit verzoek vervolgens voorgelegd aan de deskundige, die op 8 juni 2026 een specificatie van de kosten heeft toegestuurd. Op 9 juni 2026 is deze informatie toegezonden aan [gedaagde] , die dezelfde dag heeft laten weten geen vragen of opmerkingen meer te hebben. De rechtbank leidt daaruit af dat ook [gedaagde] akkoord gaat de hoogte van het voorschot van de deskundige.\n\n2.9.. De rechtbank zal het voorschot vaststellen op een bedrag van € 7.260,00 (inclusief btw). In rechtsoverweging 4.27. van het tussenvonnis is al aangekondigd en toegelicht door welke partij ( [eisers] .) het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald.\n\nVerplichtingen partijen in het kader van het deskundigenonderzoek2.10.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing is omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n2.11.. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.\n\nVervolg procedure2.12.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. beveelt een onderzoek door één deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\n1e gebrek:ontbreken dakontluchting\n\n- Kan de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding is gerealiseerd leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en de zolder? Kunt u daarbij ingaan op de discussie tussen partijen of er wel\u002Fgeen dakontluchting aanwezig is?\n\n- Als de wijze waarop de doorvoer van de ontspanningsleiding gerealiseerd is nietkan leiden tot stankoverlast in de technische ruimte en op zolder, wat is dan de oorzaak van het door [eisers] . gestelde stankprobleem? Kunt u daarbij ingaan op de suggestie van [gedaagde] dat het gestelde stankprobleem vermoedelijk komt door het openbaar riool?\n\n2e gebrek: geborrel in de wc\n\n- Wat is de oorzaak van het geborrel op de toiletten: geen overdruk regulering door het ontbreken van dakontluchting (zoals [eisers] . stellen) of het openbaar riool (zoals [gedaagde] stelt), of andere oorzaken?\n\n3e gebrek: stankoverlast bij de H.W.A.’s\n\n- Wat is naar uw oordeel de oorzaak van de stank die van buiten komt en die [eisers] . stellen binnen te ruiken? Kunt u reageren op de mogelijke oorzaak die genoemd is door [eisers] . op basis van het rapport van RRS (zie rov. 4.13. van het tussenvonnis van 28 januari 2026).\n\n- Als er een oorzaak te duiden is: houdt die verband met het werk van [gedaagde] of ligt de oorzaak uitsluitend in het openbaar gebied waar [gedaagde] geen bemoeienis mee heeft?\n\n4e gebrek: verzakkingen in de terreinleiding\n\n- Neemt u verzakkingen waar, zo ja waar, en wat is de oorzaak van de verzakkingen die na de oplevering zijn ontstaan?\n\n5e gebrek: fout ontwerp binnenriolering\n\n- Is er een foutief ontwerp van de binnenriolering?\n\n- Zo ja, is er een causaal verband met de gestelde stankoverlast? Als er geen causaal verband is met de stankoverlast, tot welk probleem kan het foutieve ontwerp van de binnenriolering leiden?\n\n- Is aanpassing van de binnenriolering noodzakelijk (zo ja, hoe?), of zijn er andere oplossingen om problemen in de toekomst te voorkomen?\n\n6e gebrek: brandveiligheidsrisico\n\n- Bestaat er een toekomstig risico ten aanzien van brandveiligheid en op schimmelvorming door de wijze waarop de ontspanningsleiding uitkomt onder de zonnepanelen?\n\nOverig\n\n- Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?\n\n3.2.. benoemt tot deskundige:\n\nDe heer [naam 2] , werkzaam bij [bedrijf 1] B.V.,\n\n [adres] ,\n\n [telefoonnummer] ,\n\n [e-mailadres] ,\n\nhet voorschot\n\n3.3.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.260,00 (inclusief btw),3.4.. bepaalt dat [eisers] het voorschot moeten overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,\n\n3.5.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek3.6.. bepaalt dat [eisers] . hun procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen,\n\n3.7.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n3.8.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),\n\n- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,\n\n- indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,\n\n3.9.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n3.10.. draagt de deskundige op om uiterlijk drie maandenna het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n3.11.. wijst de deskundige er op dat:\n\n- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\n- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n3.12.. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\noverige bepalingen\n\n3.13.. draagt de griffier op om de zaak op de rol te plaatsen:\n\n- als het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen van beide partijen op een termijn van twee weken of\n\n- na ontvangst ter griffie van het rapport: voor conclusie na deskundigenbericht van beide partijen op een termijn van vier weken,\n\n3.14.. verwijst voor het overige naar de beslissingen in het tussenvonnis van 28 januari 2026,\n\n3.15.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5664","2026-07-13T00:28:47.989Z",1,20]