[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-child-protection-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":38,"total":16,"page":25,"limit":182},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},34,"child-protection-nl","Child Protection","NL","2026-07-08T16:53:25.882Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},19,{"min":18,"max":19},"2026-05-18T00:00:00.000Z","2026-05-21T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121912","Burgerlijk Wetboek","art. 1:255 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122076","art. 1:264 lid 1",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122246","art. 1:326 lid 2",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"121805","art. 1:255",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"122175","art. 1:261 lid 2",[39,50,58,65,72,81,88,95,102,109,116,123,130,137,146,153,161,168,175],{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":44,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":48,"updatedAt":49},"576","ECLI:NL:RBZWB:2026:5511","ecli-nl-rbzwb-2026-5511","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448408 \u002F JE RK 26-881\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\n- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026;\n\n- het telefonisch gesprek van de kinderrechter met de GI op 21 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.3.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juli 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 18 juli 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. De GI verzoekt aansluitend, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van een jaar bij de andere ouder met gezag.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\n4.2.. Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.\n\n4.3.. De kinderrechter beschouwt de verzoeken van de GI, gezien het bovenstaande, als één verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing, waarbij is verzocht dat ten aanzien van de eerste vier weken wordt beslist zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.\n\n4.4.. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De GI maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De zorgen betreffen met name het uitblijven van schoolgang, veelvuldig verzuim, gebrek aan structuur, zorgen omtrent de psychische belastbaarheid van de moeder en de beperkte beschikbaarheid in de opvoeding. De GI heeft sinds de start van de ondertoezichtstelling geprobeerd diverse hulpverlening in te zetten maar de moeder weigert iedere medewerking. Sinds oktober 2025 is de moeder uit contact met de GI. Hulpverlening wordt niet toegelaten. Sinds eind vorig jaar houdt de moeder de kinderen bij de vader weg. De kinderen gaan al geruime tijd niet naar school. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 26 maart 2026 heeft de moeder de GI de toegang tot de woning geweigerd Door omstandigheden is het daaropvolgende verzoek aan de rechtbank tot versnelde behandeling voor een machtiging uithuisplaatsing niet doorgekomen. Op 20 mei 2026 heeft de tante moederszijde huilend contact opgenomen met de GI met de melding dat de kinderen er onverzorgd uit zien, dat het huis vies is, de aanwezige katten onder de vlooien en teken zitten en dat de kinderen onvoldoende te eten krijgen. De kinderen mogen niets tegen derden zeggen, omdat de moeder zich anders op de kinderen afreageert. Het netwerk van de moeder, dat zich eerder terughoudend opstelde, maakt zich ernstig zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast zijn er grote zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. Deze klachten zijn verergerd na het overlijden van haar jongste kindje. De moeder ervaart heel veel wantrouwen ten opzichte van de hulpverlening. Om die reden onthoudt zij de kinderen ook medicatie wanneer ze deze nodig hebben. De moeder heeft in het verleden de kinderen zonder toestemming meegenomen naar het buitenland en de GI is bang dat de moeder dit opnieuw gaat doen als zij hoort dat de GI van mening is dat de kinderen voorlopig op een andere plaats moeten gaan wonen. Ook vanuit de familie van de moeder zijn signalen geuit dat de moeder voornemens is om naar het buitenland te vertrekken. In die situatie zijn de kinderen volledig uit beeld.\n\n4.5.. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.\n\n4.6.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat de kans aanwezig is dat de moeder met de kinderen naar het buitenland vertrekt. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken.\n\n4.7.. Uit het verzoek van de GI blijkt dat de vader betrokken is bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. De vader onderkent het belang van structuur en onderwijs en vormt met zijn nieuwe gezin een stabiele basis voor de kinderen. De opvoedsituatie bij de vader biedt de kinderen structuur, onderwijs, duidelijke grenzen en emotionele beschikbaarheid. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij bij hun vader worden geplaatst.\n\n4.8.. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n4.9.. De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te noemen zitting. Op die zitting zal ook het verzoek in de procedure met zaak- en rekestnummer C\u002F02\u002F448406 \u002F JE RK 26-880 worden behandeld. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026;\n\n5.2.. verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;\n\n5.4.. roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. Van de Merbel op [datum] 2026 om [uur]voor de duur van 60 minuten in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;5.5.. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;5.6.. bepaalt dat [minderjarige 1] bij aparte brief zal worden opgeroepen voor een kindgesprek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5511","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.588Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":54,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":55,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":48,"updatedAt":57},"611","ECLI:NL:RBZWB:2026:5454","ecli-nl-rbzwb-2026-5454","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446434 \u002F JE RK 26-515\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de pleegmoeder],\n\nhierna te noemen: de pleegmoeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest,\n\n [de pleegvader],\n\nhierna te noemen: de pleegvader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026;\n\nhet bericht van mr. Dorhout-Tielken met bijlage, ontvangen op 20 mei 2026;\n\nde pleitaantekeningen van mr. Dorhout-Tielken, overlegd tijdens de zitting.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde pleegvader;\n\neen tweetal vertegenwoordigsters van de GI.1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De kinderrechter heeft met [minderjarige 1] afgesproken dat de inhoud van het gesprek geheim moet blijven. De aanwezigen hebben kunnen reageren op hetgeen [minderjarige 2] heeft verteld.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van 1 augustus 2016 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder voogdij gesteld van de pleegouders.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen, sinds de beëindiging van de relatie van de pleegouders, bij de pleegmoeder.\n\n2.3.. Bij beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 mei 2024 en tot 23 mei 2025. Deze maatregel is daarna verlengd tot 23 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige 2] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het erg goed met haar gaat bij de pleegmoeder thuis. Het gaat ook goed op school. Daarnaast vertelt [minderjarige 2] dat ze de reisafstand naar de pleegvader te ver vindt. Ook vindt [minderjarige 2] het vervelend dat ze bij de pleegvader geen vriendinnen in haar omgeving heeft. Ze heeft geen goede band met de pleegvader. Ze verwacht ook niet dat dit binnen de ondertoezichtstelling beter zal worden. [minderjarige 2] staat er niet meer voor open en wil op dit moment liever geen contact met de pleegvader. [minderjarige 2] heeft er last van als zij steeds van omgeving moet wisselen, omdat ze tijd nodig heeft om zich aan te passen. Dit maakt dat zij zich bij de pleegvader ook niet goed kan concentreren voor schoolwerk. Verder licht [minderjarige 2] toe dat ze in de vakanties ook niet meer naar de pleegvader wil, omdat ze dan twee weken niemand heeft om mee af te spreken. [minderjarige 2] heeft een tijd geleden een e-mail gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader waarin ze dit heeft aangegeven. Ook vertelt [minderjarige 2] dat ze geen gesprekken meer wil met de hulpverleners, omdat het niet werkt. Tot slot geeft [minderjarige 2] aan dat ze klaar is met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de meerwaarde daarvan niet ziet.\n\n4.2.. De (zittingsvertegenwoordigster van de) GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat zij inmiddels als vaste jeugdbeschermer betrokken is. Het klopt dat [minderjarige 2] een e-mail heeft gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader. De jeugdbeschermer heeft toen contact opgenomen met de pleegvader en besloten dat [minderjarige 2] in de meivakantie niet naar de pleegvader hoefde te gaan. Op deze manier kon zij [minderjarige 2] het gevoel geven dat ze gehoord en gezien werd. Volgende week zal de jeugdbeschermer een gesprek voeren met [minderjarige 2] om te kijken wat zij wil en wat nog mogelijk is. Haar mening moet immers serieus worden genomen, zeker met het oog op de diagnose separatieangst. De GI gunt [minderjarige 2] een onbelast contact met de pleegvader, maar er moeten hiervoor nog veel stappen worden gezet. Er zal worden gekeken naar de inzet van hulpverlening. Ook is het belangrijk dat [minderjarige 1] niet wordt vergeten. Verder licht de GI toe dat [psychotherapeut] betrokken is voor de oudercommunicatie en het opstellen van een ouderschapsplan. Er zijn nog wat (juridische) patstellingen tussen de (pleeg)ouders waar een klap op moeten worden gegeven. Het ouderschapsplan is wel bijna klaar. Daarnaast verklaart de GI dat zij volgende week een huisbezoek zal inplannen, samen met de betrokken pleegzorgmedewerker, zodat kan worden bezien wat nodig is om de (gezamenlijke) pleegoudervoogdij te verbeteren. Het is momenteel niet de intentie van de GI om een machtiging uithuisplaatsing of een onderzoek door de Raad te verzoeken. Een constructieve oudercommunicatie is wel een van de voorwaarden voor gezamenlijke pleegoudervoogdij. Tot slot is de GI voornemens om te onderzoeken of de biologische ouders van de kinderen een rol in het leven van de kinderen willen en kunnen krijgen.\n\n4.3.. Door en namens de pleegmoeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. Het gaat heel goed met de kinderen. Ze hebben een flinke groei doorgemaakt. De pleegmoeder probeert [minderjarige 2] uit te leggen dat het de bedoeling is dat ze naar de pleegvader gaat, maar [minderjarige 2] wil niet. De (pleeg)ouders zoeken elkaar daarnaast op bij belangrijke zaken over de kinderen. Ook ziet de pleegmoeder dat het beter gaat met [minderjarige 2] op het gebied van haar separatieangst en dwanggedachten. Dit staat niet meer op de voorgrond, hetgeen maakt dat hulp nu niet nodig is. Het verzoek moet worden afgewezen, aangezien er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De communicatie tussen de (pleeg)ouders is verbeterd, de overdrachtsmomenten verlopen ontspannen en de kinderen ontwikkelen zich goed en durven hun gevoelens en wensen te uiten. Het verzoek is vooral gebaseerd op hypothetische scenario’s. Alle geschilpunten tussen de (pleeg)ouders met betrekking tot het ouderschapsplan zijn feitelijk afgehandeld. Er worden echter steeds nieuwe punten aangedragen die geen betrekking hebben op de ontwikkeling van de kinderen. Zo waren er voorheen geen zorgen over de rol van de biologische ouders in het leven van de kinderen. De biologische moeder heeft ook aangegeven geen contact met de kinderen te willen hebben. De biologische vader(s) van de kinderen is\u002Fzijn nooit bekend gemaakt. De (pleeg)ouders zijn in voldoende mate in staat om op constructieve wijze met elkaar te communiceren en de opvoedsituatie van de kinderen is goed genoeg. Het ouderschapsplan kan tot slot ook in een vrijwillig kader worden afgerond.\n\n4.4.. De pleegvader staat achter het verzoek en verklaart dat hij schrikt van hetgeen [minderjarige 2] vertelt over hun band. Het is lastig dat [minderjarige 2] geen contact meer wil. De deur staat wel altijd voor haar open. De pleegvader heeft het gevoel dat de kinderen al langer kampen met loyaliteitsproblematiek. Daarnaast licht de pleegvader toe dat de omgangsmomenten met [minderjarige 1] fijn verlopen. Verder geeft de pleegvader aan dat er geen sprake is van communicatie met de pleegmoeder, behalve door tussenkomst van een derde partij, zoals [psychotherapeut] . Algemene zaken zijn bespreekbaar, maar het is lastig als de (pleeg)ouders moeten praten over patstellingen. [psychotherapeut] is nodig om er samen uit te komen en ervoor te zorgen dat afspraken worden nagekomen. Het zou goed zijn als er een klap kan worden gegeven op bepaalde patstellingen, zodat het ouderschapsplan afgerond kan worden. De overdrachtsmomenten verlopen ook niet ontspannen en er is geen sprake onbelast contact met [minderjarige 2] . Tot slot vraagt de pleegvader zich af of er echt een e-mail is verstuurd door de biologische moeder dat zij de kinderen niet meer wil zien, aangezien deze e-mail nooit door iemand is gezien.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Allereerst stelt de kinderrechter vast dat de pleegouders, hoewel dat zowel voor de pleegouders als voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wel zo voelt, formeel niet de juridische ouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn. Zij zijn de pleegouders met voogdij. Ingevolge artikel 1:326 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen onder toezicht worden gesteld. Artikel 1:326 lid 2 BW verklaart afdeling 4 van titel 14 van overeenkomstige toepassing, van welke titel artikel 1:255 BW onderdeel uitmaakt.\n\n5.2.. Voorts is de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat nog wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:260 juncto 1:255 BW. De kinderrechter licht dit als volgt toe.\n\n5.3.. De kinderrechter stelt allereerst op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling vast dat zichtbaar is dat de pleegouders (hierna: de ouders) betrokken zijn en het beste voor de kinderen willen. Ook hebben de ouders de afgelopen periode stappen gezet, zoals het voeren van gezamenlijke gesprekken, het begroeten van elkaar bij overdrachtsmomenten en het onderhouden van e-mail contact met elkaar over belangrijke zaken, een en ander onder begeleiding van [psychotherapeut] . Voorts hebben de kinderen een flinke ontwikkeling laten zien, bijvoorbeeld op school en in contact met anderen. Dit stemt de kinderrechter positief. De kinderrechter stelt daarentegen ook vast – anders dan de pleegmoeder – dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het is de kinderrechter gebleken dat de kinderen al veel hebben meegemaakt. Na het uiteengaan van de ouders zijn grote spanningen en onrust ontstaan in het leven van de kinderen. De kinderen kampen daardoor al langdurig met loyaliteitsproblematiek en kunnen geen onbelast contact hebben met beide ouders. Zo heeft [minderjarige 2] aangegeven het liefst op dit moment geen contact meer te willen met de pleegvader. Ook heeft de kinderrechter de indruk dat [minderjarige 1] last heeft van het langdurig klem zitten tussen de ouders, gelet op het kindgesprek. Het loyaliteitsconflict maakt dat de kinderen niet voldoende kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Daarnaast is gebleken dat het de ouders, ondanks de betrokkenheid van intensieve hulpverlening, niet lukt om (zelfstandig) constructief met elkaar te communiceren en met elkaar het pleegoudervoogdijschap vorm te geven. Zo is gebleken dat de ouders nog altijd de intensieve begeleiding van [psychotherapeut] nodig hebben om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van de kinderen. Ook verschillen de ouders van visie met betrekking tot de voortgang omtrent het behalen van de doelen, zoals het verloop van de onderlinge communicatie en overdrachtsmomenten, alsmede over de noodzaak van een ondertoezichtstelling. Ook is het de kinderrechter gebleken dat er op een aantal punten bij het opstellen van een ouderschapsplan nog patstellingen zijn. De betrokken pleegzorgorganisatie (Vigere) heeft ook aangegeven dat de ouders momenteel niet voldoen aan de voorwaarden voor pleegoudervoogdij. De kinderen behoeven een voorspelbare, stabiele en conflictarme samenwerking tussen de ouders, hetgeen momenteel (nog) niet het geval is.\n\n5.4.. De ouders zijn niet in staat gebleken om de voornoemde ontwikkelingsbedreiging zelfstandig en gezamenlijk in het vrijwillige kader te doen wegnemen. De ouders behoeven immers nog altijd een derde partij om te komen tot overeenstemming, samenwerking en communicatie over de kinderen. Zo is het meermaals voorgekomen dat de GI moest interveniëren of knopen moest doorhakken. De kinderrechter stelt voorts vast dat de betrokkenheid van de GI de komende periode nog noodzakelijk is. Het is van belang dat de ouders zich, door middel van begeleiding van [psychotherapeut] en onder monitoring van de GI, blijven inzetten voor het afronden van een ouderschapsplan en het werken aan een constructieve oudercommunicatie. Hiervoor is het maken en nakomen van afspraken onder regie van de GI essentieel. Daarnaast is het van belang dat de GI met [minderjarige 2] het gesprek aangaat, haar mening aanhoort en onderzoekt of en op welke wijze het contactherstel met de pleegvader kan worden vormgegeven, waarbij als uitgangspunt moet gelden dat kinderen in principe baat hebben bij omgang met allebei de ouders en er vooralsnog onvoldoende redenen lijken te zijn om geen omgang te hebben met de pleegvader, een en ander op geleide van de minderjarige. Ook is het noodzakelijk dat de GI de wensen en behoeften van [minderjarige 1] in het oog houdt. Voorts dient de GI de komende periode de noodzakelijke hulpverleningstrajecten in te zetten, waaronder, indien nodig, een behandeltraject voor de separatiestoornis en dwanggedachten van [minderjarige 2] , en toe te zien op de continuering daarvan. Tot slot is het van belang dat de GI duidelijkheid verkrijgt over de eventuele rol van de biologische ouders van de kinderen in de levens van de kinderen, waarbij de draagkracht en behoeften van de kinderen leidend dienen te zijn.\n\n5.5.. De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van negen maanden. Het is van belang dat de ouders de komende periode aan de slag gaan met het afronden van het ouderschapsplan en het maken van goede afspraken, zodat de casus op een zorgvuldige wijze met een duidelijk borgingsplan kan worden overgedragen naar het vrijwillige kader. Het is niet wenselijk om tussentijds een nieuwe zitting te plannen, omdat er nog veel moet gebeuren en rust belangrijk is. De volle periode van negen maanden is nodig.\n\n5.6.. Tot slot merkt de kinderrechter het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het momenteel niet de bedoeling is van de GI om juridische maatregelen te nemen ten aanzien van de voogdij van de ouders. De kinderrechter acht het in het belang van de kinderen dat de ouders belast blijven met de voogdij en geeft de ouders op deze wijze de kans om te laten zien dat zij de komende periode voortvarend aan de slag gaan met het behalen van de doelen, zoals het verbeteren van de onderlinge communicatie, nu dit een voorwaarde is voor pleegoudervoogdij.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 23 mei 2026 en tot 23 februari 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5454","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.219Z",{"id":59,"ecli":60,"slug":61,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":62,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":63,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":48,"updatedAt":64},"606","ECLI:NL:RBZWB:2026:5463","ecli-nl-rbzwb-2026-5463","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446676 \u002F JE RK 26-566\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] ,\n\n [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 3] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,\n\n [minderjarige 1],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat mr. W. van der Sande uit Goes.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader met zijn advocaat;\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- twee vertegenwoordig(st)ers van de GI.1.3.. \n\nDe kinderrechter heeft [minderjarige 3] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 3] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 3] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om haar mening te geven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.\n\n2.3.. Het huwelijk van de ouders is op 20 juni 2025 door echtscheiding ontbonden.\n\n2.4.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .\n\n2.5.. \n [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun vader.\n\n2.6.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Na het uitspreken van de ondertoezichtstelling in mei 2025 is de zaak opgepakt door het instroomteam van de GI. In die periode is de SCHIP-therapie opnieuw opgestart en is er voor de kinderen een kindbehartiger betrokken geraakt die sindsdien gesprekken voert met alle drie de kinderen afzonderlijk. Sinds november 2025 is de huidige, vaste jeugdbeschermer betrokken. In de afgelopen periode is het SCHIP-traject – voor een tweede keer – tijdelijk door de ouders afgebroken. Het lukte de ouders (opnieuw) niet om door fase twee van het SCHIP-traject, de verdiepende fase, te komen. Vermoedelijk spelen spanningsvolle momenten daarin een rol. Wanneer er spanningsvolle momenten zijn waarbij er belangrijke adviezen of beslissingen in aantocht zijn, welke invloed kunnen hebben op bijvoorbeeld de zorgregeling, lijken ouders terug te vallen in oude patronen. De strijd verergert, kinderen worden belast met volwassen zaken en het winnen en verliezen lijkt voorop te staan, waarbij de belangen van de kinderen uit het oog verloren worden. Ook lukt het ouders op deze momenten niet altijd om afspraken na te komen. Uiteindelijk is het in overleg met beide ouders toch gelukt om het SCHIP-traject door te zetten. Dat is knap. De GI ziet twee ouders die zich inzetten en ook dingen bespreekbaar durven te maken. De GI heeft de indruk dat het met de kinderen ook beter lijkt te gaan. [minderjarige 3] lijkt minder last te hebben van spanningen en lijkt zich meer uit te durven spreken. [minderjarige 2] heeft speltherapie afgerond. Met [minderjarige 1] lijkt het ook beter te gaan. De GI vindt het belangrijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, zodat de voortgang van het SCHIP-traject nauwkeurig door de GI kan worden gemonitord. Indien blijkt dat voortzetting van het SCHIP-traject toch te veel spanningen oproept, dan zal de GI met de ouders opnieuw om de tafel gaan om te kijken of bijvoorbeeld parallel ouderschap passender is. De GI herkent verder de zorgen die door de ouders over en weer worden geuit. Er zijn over en weer zorgen, waarin het hele systeem een rol lijkt te spelen. De GI schakelt hierover met de begeleiders van SCHIP, maar ook met de IPT’ers. Bij acute onveiligheid wordt daarop door de GI gehandeld. De GI voert hier strakke regie op.\n\n4.2.. Door en namens de vader is aangegeven dat hij instemt met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij merkt dat er sprake is van een verbetering in de communicatie met de moeder, maar dat er nog wel veel winst te behalen is. Ook voor de kinderen is het belangrijk dat de ondertoezichtstelling doorloopt en dat er iemand is bij wie zij hun verhaal kwijt kunnen. Voor de vader voelt het wel dubbel. De hulpverlening is belastend en uitputtend, maar tegelijkertijd is de vader bang dat als de ondertoezichtstelling weg zou vallen de ouders terugvallen in oude patronen. Daarnaast heeft de vader, net als de moeder, zorgen, maar voelt hij zich niet gehoord. Het blijft moeilijk om die zorgen bespreekbaar te maken, terwijl die ruimte er wel zou moeten zijn. De vader hoopt dat daar iets mee wordt gedaan, zodat de ouders elkaar minder wantrouwend bekijken. De vader is blij dat het SCHIP-traject, dat zich nu in fase drie bevindt, wordt doorgezet. Hoewel de situatie nog pril is, worden er wel kleine stappen gezet. De vader hoopt dat deze lijn kan worden voortgezet. De kinderen ervaren meer rust nu. De vader merkt dat het beter met de kinderen gaat, zowel thuis als op school. Ook merkt de vader het aan de kinderen dat het bij de moeder thuis goed gaat.\n\n4.3.. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat ook zij instemt met een verlening van de ondertoezichtstelling. De situatie voor de kinderen lijkt iets stabieler te zijn. De kinderen genieten nu zichtbaar. Tegelijkertijd spelen er nog veel zaken waar de kinderen last van hebben. Het is duidelijk dat de kinderen nog klem zitten. Daarnaast is de echtscheidingsprocedure nog niet afgewikkeld. De moeder geeft regelmatig aan dat zij zich bij het SCHIP-traject niet prettig voelt. Voor haar is het lastig dat zij van verschillende professionals – de moeder heeft ook zelf een psycholoog – verschillende informatie krijgt over wat werkend is en wat niet. De moeder mist in de hulpverlening dat er weinig wordt gekeken naar de onderstromen die spelen, zoals de rol van opa en oma vaderszijde. Zij maakt zich zorgen over een aantal zaken, maar naar haar gevoel wordt daar niets mee gedaan. De moeder heeft dit bij SCHIP neergelegd, maar het wordt niet opgepakt. De moeder voelt zich daarin niet gehoord. Dit heeft volgens haar gevolgen voor de stappen die (kunnen) worden gezet. Het onderscheid tussen waar de ene ouder zich wel en niet mee mag bemoeien is lastig.\n\n4.4.. \n [minderjarige 3] heeft verteld dat het goed met hem gaat. De situatie is rustiger geworden. Hij vindt het zowel bij papa thuis als bij mama thuis gezellig. [minderjarige 3] vindt het fijn dat zijn ouders iets tegen elkaar zeggen bij het wisselen en dat ze zijn wens dat ze cadeaus voor elkaar kopen met moeder- en vaderdag bij moederdag zijn nagekomen. Ook is [minderjarige 3] blij dat zijn ouders samen naar een schoolgesprek zijn geweest. [minderjarige 3] vindt het goed als de GI langer betrokken blijft. Ook vindt hij de gesprekken met [persoon] (de kindbehartiger) op zich wel fijn. Vragen over vroeger vindt hij soms lastig. Wel maakt [minderjarige 3] zich zorgen over of hij van school moet wisselen. Hij zou graag willen weten of hij op zijn huidige school blijft of naar een andere school moet.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling.Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van één jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken ter zitting is gebleken dat het inmiddels beter met de kinderen gaat. Ze doen het goed, zowel thuis bij beide ouders als op school. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat er ook nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. Die zorgen hebben vooral nog te maken met de manier waarop de ouders met elkaar communiceren, het onderlinge wantrouwen tussen de ouders en de onderstromen die kennelijk een rol spelen en waar vooralsnog onvoldoende aandacht voor lijkt te zijn geweest. De kinderrechter kan zich goed voorstellen dat de betrokken hulpverlening – op dit moment is dat SCHIP en IPT voor de ouders en een kindbehartiger voor de kinderen – door de ouders als veel wordt ervaren, zeker in combinatie met de eerdere hulpverlening aan de ouders en de kinderen. De kinderechter vindt het echter wel belangrijk dat deze hulpverlening ook komende tijd door blijft lopen. De ouders zijn op de goede weg, maar de situatie is nog niet stabiel en voldoende duurzaam. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en er spelen nog te veel dingen om de ondertoezichtstelling nu af te kunnen sluiten. Daarom vindt de kinderrechter voortzetting van de betrokkenheid van de GI ook komend jaar nodig. In deze periode is het belangrijk dat de ouders door middel van SCHIP-therapie verder werken aan hun onderlinge communicatie. De ouders moeten daarbij de ruimte ervaren om hun zorgen bespreekbaar te maken. Ook de onderstromen die kennelijk een rol spelen moeten serieus genomen worden. Daarnaast is voortzetting van de gesprekken met de kinderen door de kindbehartiger noodzakelijk. Duidelijk moet worden hoe bepaalde verhalen bij de kinderen terecht komen en wat er bij de kinderen speelt, zodat uiteindelijk de misverstanden die er zijn uit de wereld geholpen kunnen worden. Mogelijk dat te zijner tijd, wanneer de situatie stabieler is, ook blijkt dat er aanvullende hulpverlening voor de kinderen dient te worden ingezet. Het is aan de GI om daar dan naar te handelen. Verder hoopt de kinderrechter dat er voor de ouders en de kinderen op korte termijn duidelijkheid komt in de echtscheidingsprocedure. Dit zal ook bijdragen aan de rust voor iedereen, maar vooral voor [minderjarige 3] die zich in het kindgesprek hier nadrukkelijk over heeft uitgesproken.\n\n5.3.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 27 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5463","2026-07-13T00:28:38.981Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":69,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":56,"parsedAt":48,"updatedAt":71},"562","ECLI:NL:RBZWB:2026:5451","ecli-nl-rbzwb-2026-5451","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447706 \u002F JE RK 26-759\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nDE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,\n\nlocatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. N.P.M Planthof te Goes,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat mr. E. Sijneseal te Middelburg.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,\n\nlocatie Eindhoven,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2026;\n\nhet arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- de moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\neen tweetal vertegenwoordigsters van de GI;\n\neen vertegenwoordigster van de Raad.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont bij zijn moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige] geeft in zijn gesprek met kinderrechter aan dat hij op dit moment geen contact heeft met zijn vader en dat hij dit ook niet wil. [minderjarige] heeft moeite met het gedrag van de vader, zoals roken en het huis rommelig maken. Daarnaast is [minderjarige] geschrokken toen de vader aan de deur bij de moeder heeft geschreeuwd. [minderjarige] zou graag willen dat er geen ruzie is tussen de vader en de moeder, maar ook in dat geval wil [minderjarige] niet naar de vader toe. Als [minderjarige] toch naar de vader zou moeten gaan zou hij graag willen dat er iemand mee gaat die hij vertrouwt, zoals de moeder of opa en oma van de vaderskant. Verder vindt [minderjarige] het niet leuk dat hij zijn halfbroer [persoon 1] niet ziet. Zijn andere halfbroer, [persoon 2] , ziet hij af en toe. Ook met de opa en oma van de vaderszijde heeft [minderjarige] op dit moment geen contact. Tot slot praat [minderjarige] eens in de aantal weken met [persoon 3] van buurtteams, met wie [minderjarige] over zijn gevoel kan praten.\n\n4.2.. De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. [minderjarige] is getuige geweest van escalaties tussen de ouders, wat heeft gezorgd voor een gevoel van onveiligheid bij [minderjarige] . Er is een jarenlange strijd tussen de ouders, waarbij er contactverlies is ontstaan tussen [minderjarige] en de vader. De ouders zijn daarnaast door de belastende situatie verminderd emotioneel beschikbaar voor [minderjarige] . De ouders geven daarnaast onvoldoende toestemming voor onbelast contact met de andere ouder. De focus op [minderjarige] verdwijnt bij de ouders steeds meer. Het is nodig dat deze situatie op een systematische manier benaderd wordt en dat trauma sensitieve hulpverlening wordt ingezet. Ook is interactie observatie tussen de vader en [minderjarige] nodig.\n\n4.3.. Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder het eens is met het verzoek van de Raad. Er moet zicht komen op de zorgen van [minderjarige] en in kaart worden gebracht welke hulpverlening het meest passend is voor [minderjarige] . Ook in de onderlinge verhouding tussen de ouders moet wat gebeuren. De moeder is het eens met de door de Raad gestelde doelen. Er kan gekeken worden wat de GI kan beteken in de omgangsregeling.\n\nDoor en namens de vader wordt aangevoerd dat de vader het eens in met het verzoek van de Raad. De vader is het eens met gestelde doelen, maar maakt bezwaar tegen het observeren van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De vader is bang dat het heel lang gaat duren voordat dit opgestart kan worden. De vader betreurt het ten zeerste dat hij nu geen contact heeft met [minderjarige] . Het gerechtshof heeft besloten dat de omgang er moet zijn, dus dit moet zo snel mogelijk opgestart worden.\n\n4.4.. De GI geeft aan dat er direct twee jeugdbeschermers beschikbaar zijn. Verder is er voor het begeleiden en observeren van het contact tussen de vader en [minderjarige] een wachttijd van maanden.\n\n5. De beoordeling\n\nWettelijk kader\n\n5.1.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nde verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.2.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.3.. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat [minderjarige] zich bevindt in een zeer kwetsbare positie. Er is een jarenlange, escalerende en aanhoudende strijd tussen de ouders. Hierdoor heeft [minderjarige] gevoelens van onveiligheid ontwikkeld. Op dit moment is er contactverlies tussen [minderjarige] en zijn vader. Doordat de moeder niet meewerkt aan het arrest van het gerechtshof van 31 maart 2026 waarin de moeder is veroordeeld om mee te werken aan de door partijen overeengekomen zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] , blijft dit contactverlies in stand. Dit is zeer zorgelijk. Het lukt de ouders daarnaast onvoldoende om de onderlinge strijd weg te houden bij [minderjarige] . Hierdoor ervaart [minderjarige] stress, verwarring en onrust en is er onvoldoende rust en voorspelbaarheid in zijn opvoedomgeving. De ouders voelen de noodzaak [minderjarige] tegen de andere ouder te beschermen en het ontbreekt hen aan inzicht in hun eigen aandeel in het conflict. Verder is er ook (dreigend) contactverlies met [persoon 1] en [persoon 2] , de half-broers van [minderjarige] . Daar komt bij dat [minderjarige] op dit moment ook geen contact heeft met de opa en oma van de vaderszijde. De kinderrechter maakt zich zorgen dat dit opnieuw verlieservaringen worden voor [minderjarige] . Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd. Het is belangrijk dat de GI onderzoekt welke hulpverlening het meest passend is voor [minderjarige] . Doordat de ouders zelf ook ingrijpende levensgebeurtenissen hebben meegemaakt is het belangrijk dat ook de ouders de passende hulpverlening krijgen. Het is daarbij van belang dat de ouders zich begeleidbaar opstellen en werken aan hun intrinsieke motivatie. De GI moet daarbij ook aandacht besteden aan de onderlinge communicatie van de ouders. Tot slot wil de kinderrechter ingaan op het monitoren via video-opnames van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De kinderrechter benadrukt dat het arrest van het gerechtshof als uitgangspunt geldt. In dit arrest wordt de moeder veroordeeld mee te werken aan de door ouders eerder overeengekomen zorgregeling. Dat de Raad op dit moment te weinig zicht heeft gekregen op de omgang tussen [minderjarige] en de vader is geen gegronde reden om de omgang op te schorten totdat de video-observatie ingezet kan worden, hetgeen volgens de GI een maandenlange wachttijd heeft. De kinderrechter vraagt dan ook aan de GI om de omgang tussen de vader en [minderjarige] zo snel mogelijk op een veilige manier op te starten ook als dat is zonder video-observatie. Het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] is van groot belang. De kinderrechter benadrukt richting de vader dat het zeer begrijpelijk is dat hij frustraties ervaart vanwege het gebrek aan contact met [minderjarige] . Voor het welzijn van [minderjarige] en het onderlinge contactherstel tussen de vader en [minderjarige] is het echter heel belangrijk dat [minderjarige] niet met die frustraties geconfronteerd wordt. Wanneer [minderjarige] zijn vader boos ziet, of anderszins, indirect, wordt geconfronteerd met die boosheid, veroorzaakt dat gevoelens van onveiligheid bij hem.\n\n5.4.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders vanwege de onderlinge strijd niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Het is nodig dat de GI de regie voert om de benodigde hulpverlening in te zetten en om besluiten te kunnen nemen in het belang van [minderjarige] .\n\n5.5.. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.\n\n5.6.. De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:\n\n- [minderjarige] groeit op in een (fysiek en emotioneel) veilige, stabiele en voorspelbare opvoedingsomgevingen, waarbij de ouders fysiek en emotioneel beschikbaar zijn, er in zijn opvoedbehoeften wordt voorzien, de ouders hem sensitief-responsief ouderschap bieden en hij zich kan richten op de ontwikkelingstaken die bij zijn leeftijd passen;\n\nDe ouders staken hun strijd, kunnen zich inleven in elkaars beleving, leren te reflecteren op zichzelf en stellen het belang van [minderjarige] voorop;\n\nHet contact tussen [minderjarige] en de vader is hersteld en de vorm hiervan ervaart [minderjarige] als veilig, hierbij krijgt hij emotionele toestemming van de moeder. De ouders communiceren op een manier die geen stress en loyaliteitsproblemen bij [minderjarige] geeft. [minderjarige] ervaart niet dat hij partij voor een ouder dient te kiezen;\n\nHet contact tussen [minderjarige] en zijn half-broers is (deels) hersteld, voor zover dit haalbaar is. [minderjarige] heeft hierover passende uitleg gekregen en het lukt hem zijn emoties hierover te delen;\n\n [minderjarige] en de ouders verwerken hun ingrijpende levensgebeurtenissen;\n\nDe vader heeft geleerd beter zijn emoties te reguleren en vertoont geen dreigend gedrag meer naar de moeder en ook naar betrokken hulpverlening ontstaan er niet langer situaties waarbij de ander zich onveilig voelt;\n\nDe draagkracht\u002Fdraaglast van de moeder is in balans;\n\nEr is zicht ontstaan op de interactie tussen [minderjarige] en de vader;\n\nDe ouders blijven zich begeleidbaar opstellen en houden zich aan de gemaakte afspraken.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5451","2026-07-13T00:28:36.868Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":48,"updatedAt":80},"549","ECLI:NL:RBZWB:2026:5428","ecli-nl-rbzwb-2026-5428","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447381 \u002F JE RK 26-689\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer uit Terneuzen,\n\nFamilie [de pleegouders] ,\n\nhierna te ne noemen de pleeg-\u002Fgrootouders,\n\nwonende te [plaats 2] .\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend en gehoord:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, hierna te noemen de Raad.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordiger van de GI (via Teams);\n\nde grootmoeder;\n\neen vertegenwoordigster van de Raad.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n\nDe kinderrechter van de rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van\n\n19 oktober 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 oktober 2023\n\nen tot 19 oktober 2024. Tevens heeft de kinderrechter bij dezelfde beschikking een\n\nmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de\n\ngrootouders moederszijde, verleend met ingang van 19 oktober 2023 en tot 19 juli 2024.\n\n2.3.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 juli 2024 de\n\nmachtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een\n\nnetwerkpleeggezin, te weten bij grootouders moederszijde, met ingang van 19 juli 2024 en\n\ntot 19 oktober 2024.\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van 15 oktober 2024 heeft de kinderrechter de\n\nondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang\n\nvan 19 oktober 2024 en tot 19 oktober 2025. Bij diezelfde beschikking is bepaald dat het\n\ngezag van de vader over [minderjarige] van rechtswege is geschorst.\n\n2.5.. Bij beschikking van 15 oktober 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 19 oktober 2026.\n\n2.6.. \n\nOp grond van de bovengenoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een\n\nnetwerkpleeggezin (bij grootouders moederszijde).\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI stelt dat er sinds de laatste verlenging van de ondertoezichtstelling er veel positief is veranderd voor [minderjarige] . Op haar tempo is het contact met de moeder hersteld. De moeder komt ook weer thuis bij de grootouders en [minderjarige] . Daarnaast gaat [minderjarige] sinds november 2025 weer naar school en loopt zij stage bij een kinderdagverblijf. Het gaat goed met [minderjarige] , zij zit goed in haar vel. De GI concludeert dat er geen ontwikkelingsbedreigingen meer worden gezien. Nu de moeder het ermee eens is dat [minderjarige] bij grootouders blijft wonen, zijn volgens de GI maatregelen in het gedwongen kader niet langer noodzakelijk. Voorlopig blijft de pleegzorgbegeleider [persoon 1] betrokken ter ondersteuning van [minderjarige] , de moeder en grootouders als ook [persoon 2] als JIM van [minderjarige] . Ook weet [minderjarige] bij wie zij terecht kan als zij in de toekomst ergens tegenaan loopt. De GI vindt dat de situatie voldoende gewaarborgd is om het gedwongen kader te verlaten.\n\n4.2.. De moeder staat achter het verzoek van de GI. In het afgelopen jaar is de situatie positief veranderd. Het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] verloopt goed. De moeder merkt dat [minderjarige] steeds meer toenadering tot haar zoekt. De moeder ziet geen noodzaak meer voor een ondertoezichtstelling. Zij accepteert de keuze van [minderjarige] om bij de grootouders te blijven wonen, al had zij graag gezien dat [minderjarige] weer bij haar zou komen wonen. De wens van [minderjarige] is leidend voor de moeder.\n\n4.3.. De grootmoeder is het eens met het verzoek van de GI. Hopelijk blijft de gezondheid van de grootouders zodanig dat zij nog heel lang kunnen zorgen voor [minderjarige] .\n\n4.4.. \n [minderjarige] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat het heel goed met haar gaat. Ze heeft in de afgelopen periode echt sprongen gemaakt qua werk en school. [minderjarige] loopt inmiddels stage bij een kinderdagverblijf en wil later gaan werken op een gespecialiseerd kinderdagverblijf voor zieke kinderen. Het contact met haar moeder is hersteld. [minderjarige] heeft nu geregeld contact met haar moeder. [minderjarige] weet bij wie zij straks terecht kan als er geen ondertoezichtstelling meer is en zij ergens mee zit. [persoon 1] (de pleegzorgbegeleidster) en [persoon 2] (JIM) blijven voor haar beschikbaar. Zij heeft met beiden een goede klik. [minderjarige] was erg blij dat [persoon 1] met het voorstel kwam om de ondertoezichtstelling te beëindigen. Het is een mooie afsluiting van de afgelopen periode.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW niet langer is vervuld. De kinderrechter kan dit volgens artikel 1:261 lid 2 BW doen op verzoek van de GI die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.\n\n5.2.. Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien de minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn gezaghebbende ouder(s), door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. Ook moet de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de gezaghebbende ouder(s) binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is\u002Fzijn te dragen.\n\n5.3.. De kinderrechter is van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling niet meer aanwezig zijn. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht concludeert de kinderrechter dat in het afgelopen jaar de situatie rondom [minderjarige] positief is veranderd. Zo gaat zij weer naar school, loopt zij stage en is het contact met de moeder hersteld. De kinderrechter is met de Raad en de GI van oordeel dat de ontwikkelingsbedreigingen in voldoende mate zijn weggenomen en dat sturing en begeleiding vanuit een gedwongen kader niet langer nodig is. Hoewel een borgingsplan ontbreekt, heeft de moeder duidelijk te kennen gegeven dat zij instemt met het verblijf van [minderjarige] bij de grootouders en dat zij zich conformeert aan de wens van [minderjarige] hierin. De kinderrechter vindt het in die omstandigheden in het belang van [minderjarige] dat de moeder weer zelfstandig de verantwoordelijkheid kan dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De kinderrechter heft dan ook met ingang van heden de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op.5.4.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. heft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van heden op;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 28 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5428","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:36.224Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":85,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":86,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":48,"updatedAt":87},"487","ECLI:NL:RBZWB:2026:5425","ecli-nl-rbzwb-2026-5425","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446984 \u002F JE RK 26-626\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\ngevestigd te 's-Hertogenbosch,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank onbekend adres in Bonaire.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;\n\nde brief van [minderjarige 1] , ontvangen op 18 mei 2026;\n\nhet bericht van de GI, ontvangen op 20 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder;\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\nDe vader zou digitaal aansluiten, maar is niet verschenen.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hier geen gebruik van gemaakt. [minderjarige 1] heeft hierover een brief geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 22 september 2025 is de moeder belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Bij beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 29 mei 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) tot 29 mei 2025. Bij beschikking van 21 mei 2025 is deze maatregel verlengd tot 29 mei 2026.\n\n2.3.. Bij beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 14 januari 2026 is de ondertoezichtstelling overgedragen en is de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant benoemd tot gezinsvoogd belast met het toezicht op de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.4.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. De GI geeft aan dat deze zaak een monitoringszaak betreft, hetgeen inhoudt dat er nog geen vaste jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin. Op dit moment monitort de GI de actuele veiligheid. [hulpverlening] gaat vanuit Nederland het contact tussen de vader en de kinderen begeleiden. De vader heeft aan de GI aangegeven het eens te zijn met de ondertoezichtstelling.\n\n4.2.. \n [minderjarige 1] geeft in haar brief aan de kinderrechter aan dat ze haar vader erg mist. Op [plaats] waren er zowel leuke als nare dingen. De nare dingen waren de ruzies en de week of week af regeling. De leuke dingen waren de spellen met papa en mama, de verjaardagen, film kijken, beneden slapen en de [hond] .\n\n4.3.. De moeder geeft aan achter het verzoek van de GI te staan. Het duurt lang om alle processen vanuit [plaats] ook in Nederland te laten lopen. Het is belangrijk dat er zo snel mogelijk hulp komt voor de kinderen. De kinderen hebben recentelijk kennis gemaakt met de kindbehartiger.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de kinderen voor een langere periode zijn blootgesteld aan een onveilig opvoedklimaat. Door jarenlange blootstelling aan de ernstige partnerproblematiek tussen de ouders en huiselijk geweld, hebben de kinderen traumagerelateerde klachten ontwikkeld. De kinderen laten wisselend gedrag zien en er is sprake van hoge gevoeligheid voor spanning. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen momenteel met de moeder in Nederland. De vader verblijft nog steeds in [plaats] . De onveilige dynamiek tussen de moeder en de vader blijft echter aanwezig. Dit heeft effect op de kinderen. Er is sprake van een loyaliteitsconflict bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Indien er niks verandert tussen de ouders zullen de kinderen op termijn emotioneel gedwongen worden om één ouder boven de ander te verkiezen. Ondanks de spanningen tussen de ouders blijft het belangrijk dat de kinderen in contact blijven met de vader. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders samen niet in staat zijn in het belang van de kinderen afspraken te maken. Het is nodig dat de GI regie voert om zo het belang van de kinderen voorop te stellen.\n\n5.3.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een voorspelbare gezinssituatie nodig waarin ze zich veilig voelen en waar er duidelijke regels en afspraken zijn. De huidige situatie, met complexe problematiek bij de kinderen en tussen de ouders, speelt al een langere tijd en hier lijkt geen ontwikkeling in te zitten. Het is positief dat [hulpverlening] betrokken is en dat een kindbehartiger is ingezet. [hulpverlening] moet echter de begeleiding van het contact tussen de kinderen en de vader nog opstarten. Ook de kindbehartiger is pas recentelijk gestart. Het is belangrijk dat de GI goed zicht krijgt op de kinderen en de noodzakelijke hulpverlening voor de kinderen gaat inzetten en monitoren. Daarnaast is het van belang dat de vader betrokken blijft bij het proces en dat het huidige patroon in de oudercommunicatie doorbroken wordt. Tot slot geeft de kinderrechter aan de GI mee dat het van groot belang is dat het gezin een vaste jeugdbeschermer krijgt. De kinderrechter verwacht bij een eventueel verlengingsverzoek een uitgebreid rapport, met volledige informatie. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.\n\n5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 29 mei 2026 tot 29 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 3 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5425","2026-07-13T00:28:32.972Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":92,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":48,"updatedAt":94},"449","ECLI:NL:RBZWB:2026:5421","ecli-nl-rbzwb-2026-5421","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F440348 \u002F JE RK 25-1754\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nRAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,\n\nlocatie Breda,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2025 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. F.J.V.H. Stoffels uit Zevenbergen,\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\nhierna te noemen de Gl,\n\ngevestigd te Middelburg.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de tussenbeschikking van 25 maart 2026 en de daarin vermelde stukken;\n\n- het aanvullende rapport van de Raad van 23 april 2026.\n\n1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordiger van de Raad;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.\n\n2.3.. \n\nBij beschikking van 29 juli 2025 van de kinderrechter te Breda zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\nvoorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 29 juli 2025 en tot 12 augustus 2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van 7 augustus 2025 van de kinderrechter te Breda zijn [minderjarige 1] en\n\n [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 12 augustus 2025 en tot 29 oktober 2025.\n\n2.5.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 oktober 2025\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 28 oktober 2025 en tot 28 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is\n\naangehouden.\n\n2.6. Bij beschikking van 25 maart 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 28 mei 2026 en is het resterende deel van het verzoek aangehouden.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. \n\nDe Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur\n\nvan een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. \n\nDe kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Aan de orde is het\n\nresterende deel van het verzoek voor de periode met ingang van 28 mei 2026 en tot 28\n\noktober 2026.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De Raad heeft gedurende het aanvullende onderzoek geconstateerd dat de moeder goede stappen maakt, maar ook dat de zorgen nog niet geheel zijn weggenomen. Zo is er onvoldoende zicht op de mentale gesteldheid van de moeder en op de vraag of er sprake is persoonlijke problematiek dan wel dat er trauma’s aanwezig zijn die haar in de weg staan. Daarnaast zijn er aandachtspunten voor de moeder in de opvoeding van de kinderen en met name omtrent het bieden van regels en grenzen. In het afgelopen halfjaar zijn er twee meldingen geweest met zorgen over schreeuwen van de moeder tegen de kinderen. Ook zijn er zorgen over de hygiëne in huis en heeft nog altijd het onderzoek van [minderjarige 1] naar zijn spraak-\u002Ftaalontwikkeling niet plaatsgevonden. De Raad vindt het belangrijk dat de hulpverlening wordt voortgezet. [hulpverlening] adviseert daarbij om ook Basic Trust in te zetten. De moeder ziet hier echter minder noodzaak voor. Opvallend is dat de moeder in de tweede fase van [hulpverlening] meerdere afspraken niet is nagekomen, waardoor betwijfeld wordt of de moeder wel intrinsiek gemotiveerd is voor de noodzakelijk bevonden hulpverlening en of deze vanuit een vrijwillig kader doorgang zou vinden. De Raad vindt dan ook dat er in de komende periode nog steeds sprake moet zijn van een ondertoezichtstelling en handhaaft daarom het resterende deel van zijn verzoek. De Raad begrijpt van de GI dat er vanaf heden een vaste ervaren jeugdbeschermer beschikbaar is. De Raad denkt dat de moeder en de kinderen hiervan kunnen profiteren.\n\n4.2.. De moeder heeft in de afgelopen jaren veel meegemaakt en merkt dat zij inmiddels meer tot rust komt. De moeder heeft veel moeite met het verplichte karakter van de ondertoezichtstelling. Er is veel hulpverlening betrokken bij de moeder. Zo heeft zij gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts en met maatschappelijk werk. Daarnaast heeft zij budgetbeheer en schuldhulpverlening en staat zij op de wachtlijst voor huishoudelijke hulp. Een ondertoezichtstelling heeft vaak als doel om hulp in te zetten. Het is voor haar dan ook niet duidelijk wat er dan nog meer van haar verwacht wordt. De moeder ervaart al deze hulpverlening als zeer intensief. De inzet van extra hulpverlening gaat meer druk leggen op haar draagkracht. Daarbij heeft de GI in de afgelopen maanden weinig betrokkenheid getoond. Dat de moeder enkele afspraken niet is nagekomen heeft een gegronde reden, waarbij sprake is geweest van overmacht. Zo is haar auto kapot gegaan en is er binnen haar gezin sprake geweest van buikgriep. Volgens de Raad heeft de moeder een goede ontwikkeling laten zien en is zij een stuk rustiger geworden. De moeder staat achter de inzet van Basic Trust, zoals is geadviseerd door [hulpverlening] . Dit kan dus vanuit een vrijwillig kader ingezet worden. De moeder verzoekt dan ook om het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling af te wijzen.\n\n4.3.. De GI sluit zich aan bij de zorgen zoals die benoemd zijn door de Raad. De GI vindt het belangrijk dat de draagkracht en -last van de moeder in balans blijft. De moeder staat er voornamelijk alleen voor en heeft daarom ondersteuning nodig om de stappen te kunnen maken die van haar verwacht worden. De GI benoemt dat er met ingang van heden een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, die met de moeder kan gaan werken aan de doelen die zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling.\n\n5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan en wijst daarom het resterende deel van het verzoek toe.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. In de beschikking van 28 oktober 2025 heeft de kinderrechter zorgen benoemd die een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zo hebben de kinderen in hun relatief korte leven al veel onrust, spanningen en instabiliteit in hun thuissituatie gehad. Daarbij hebben zij ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, zoals het overlijden van hun vader. De kinderrechter deelde destijds de zorgen van de Raad, in die zin dat het al langere tijd ontbreekt aan zicht op en hulp voor het gezin. Daarnaast speelt bij de moeder persoonlijke problematiek en zijn er zorgen over de emotieregulatie en beschikbaarheid van de moeder.\n\n5.3.. Uit de verkregen stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht, moet de kinderrechter helaas concluderen dat er in het afgelopen halfjaar geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar was, waardoor nauwelijks uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling. De kinderrechter betreurt dit, vooral omdat dit niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Inmiddels is duidelijk geworden dat er op korte termijn een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, die met moeder aan de slag kan om de zorgen die benoemd zijn in de vorige beschikking weg te nemen. De kinderrechter ziet namelijk niet dat die zorgen zijn opgelost. Er is nog geen compleet zicht op de opvoedsituatie van de kinderen. Met name ten aanzien van [minderjarige 1] moeten er nog stappen gezet worden. Hij is inmiddels drie jaar en zit in een essentiële fase van zijn opgroeien. Het is belangrijk dat in deze fase goed gekeken wordt wat hij nodig heeft om zo goed als mogelijk te ontwikkelen. Van belang is dat het onderzoek naar zijn taal-\u002Fspraakontwikkeling snel van de grond komt. Daarnaast moet de kinderrechter ook vaststellen dat het de moeder op momenten soms wel, maar soms ook niet goed lukt om de afspraken na te komen, zoals bij [hulpverlening] . Ook heeft de aanvraag voor het spraak- en taalonderzoek ten aanzien van [minderjarige 1] erg lang op zich laten wachten omdat de moeder er niet in slaagde een identiteitsbewijs voor [minderjarige 1] te bemachtigen. Bezien moet worden of de moeder voor zichzelf meer nodig heeft dan tot nu toe is ingezet. De kinderrechter beseft dat de ondertoezichtstelling een zwaar middel is dat drukt op de moeder, maar vindt dat de situatie nog onvoldoende is verbeterd om nu al het gedwongen kader los te laten. De kinderrechter adviseert de moeder om de ondersteuning van de jeugdbeschermer aan te grijpen; zij kan zaken uit handen nemen en de moeder bijstaan in het nemen van de stappen die nodig zijn om de zorgen weg te nemen en om uiteindelijk weer zelf de verantwoordelijkheid over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te kunnen dragen.\n\n5.3.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing in het belang van de hulpverlening aan de kinderen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 28 mei 2026 tot 28 oktober 2026;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 28 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5421","2026-07-13T00:28:30.899Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":99,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":48,"updatedAt":101},"453","ECLI:NL:RBZWB:2026:5440","ecli-nl-rbzwb-2026-5440","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F440959 \u002F JE RK 25-1875\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\n(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\n [de vader] ,\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. R. Wouters te Middelburg,\n\n [de stiefvader],\n\nhierna te noemen: de stiefvader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\ngevestigd te Middelburg.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\nis in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van deze rechtbank van 26 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\n- het bericht van de GI met bijlagen van 22 april 2026;\n\n- het bericht van mr. de Nooijer met bijlagen van 24 april 2026.\n\n1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader, bijgestaan door mr. Sijnesael als waarnemend advocaat voor mr. de Nooijer;\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordiger van de Raad;\n\n- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.\n\nDe stiefvader is niet op de zitting verschenen.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.\n\n2.3.. \n\nBij (echtscheidings)beschikking van [datum] 2020 is onder meer en voor zover\n\nhier van belang bepaald dat de overige regeling uit het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking.\n\n2.4.. \n\nPartijen hebben de (reguliere) zorgregeling, zoals vastgelegd in het ouderschapsplan gewijzigd, inhoudende dat de vader de zorg heeft voor de kinderen gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 16:30 uur tot zondagavond\n\n19:00 uur en iedere dinsdag na school tot woensdagochtend voor school.\n\n2.5.. Partijen hebben op 30 april 2025 in het kader van een door de vader opgestarte kortgedingprocedure afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in een proces- verbaal, inhoudende:\n\nBeide partijen nemen binnen één week contact op met het CJG met de mededeling dat na het studioverhoor van [minderjarige 1] onderzoek kan worden gestart.\n\nTot en met het studioverhoor van [minderjarige 1] zal vader geen contact hebben met de kinderen.\n\nNa het studioverhoor wordt het CJG verzocht onderzoek te doen danwel casusregie te voeren, waarbij als een door CJG te betrekken hulpinstantie aangeeft dat er contact kan zijn tussen vader en de kinderen of één van de kinderen hieraan door ouders medewerking wordt verleend, al dan niet met het maken van veiligheidsafspraken en aan CJG wordt specifiek verzocht de situatie van de kinderen apart te beoordelen.\n\nVoorgaande afspraken zijn gemaakt in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de Raad is opgemerkt in te kunnen stemmen met deze afspraken. Gelet op het belang dat de Raad hecht aan deze afspraken, zal de Raad ook zelfstandig contact opnemen met het CJG om het vorenstaande zo spoedig mogelijk in werking te stellen.\n\n2.6.. Bij beschikking van deze rechtbank van 26 november 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 november 2025 en tot 26 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling van heden.\n\n3. Het (nadere) verzoek\n\n3.1.. De vader verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op het verzoek beslist. Aan de orde is het resterende deel van het verzoek, te weten de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de periode met ingang van 26 mei 2026 en tot 26 november 2026.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. Door en namens de vader wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat het (restant)verzoek moet worden toegewezen voor de kortere periode van drie maanden, waarbij het restant moet worden aangehouden. Het is van belang dat een vinger aan de pols wordt gehouden. Er is weinig gebeurd sinds de ondertoezichtstelling is uitgesproken. De zaak heeft niet de hoogste prioriteit gekregen bij de GI. Over drie maanden is de strafzaak tegen de vader geëindigd. Op dat moment is ook duidelijk hoe de situatie verder kan worden beoordeeld. Daarnaast wordt namens de vader naar voren gebracht dat de complexiteit van deze zaak aan de houding van de moeder te wijten is. De moeder heeft de regie gepakt. Zo heeft zij zonder toestemming en overleg een paardencoach voor [minderjarige 1] ingezet. Ook bepaalt de moeder of de omgangsmomenten met [minderjarige 2] wel of niet doorgaan en waar deze omgangsmomenten moeten plaatsvinden. Er is sprake van ouderverstoting en daar wordt niets aan gedaan door de betrokken instanties. De zorgen over de kinderen stapelen zich op en zij kunnen geen onbelast contact hebben met de vader. De contactmomenten met [minderjarige 2] verlopen goed, zodat de vader geen begrip heeft voor de vermindering van de omgangsmomenten.\n\n4.2.. Door en namens de moeder wordt toegelicht dat zij de visie van de Raad volgt. Het is van belang dat het verzoek wordt toegewezen voor de volledige periode. De moeder ziet de meerwaarde van een nieuwe zitting over drie maanden niet in. Er is over drie maanden duidelijkheid over de strafzaak tegen de vader, maar er moeten dan nog plannen worden gemaakt over hoe nu verder. De moeder is meewerkend. De vader belast [minderjarige 2] met volwassenproblematiek. Het is daarom belangrijk dat de omgang begeleid blijft worden. Het klopt niet dat de moeder bepaalt dat de omgangsmomenten wel of niet doorgaan. Het is goed dat de omgangsbegeleiding nu rechtstreeks communiceert met [minderjarige 2] .\n\n4.3.. De Raad verklaart dat de kinderen in een complexe situatie zitten. Er zijn veel zorgen om de kinderen. Volgende maand zal de strafzaak van de vader op zitting worden behandeld. Het is belangrijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd. De uitkomst van de strafzaak zal tevens bepalen welke koers de GI met de ouders moet inslaan. De Raad kan de afweging van de GI, met betrekking tot het niet inzetten van een NICHD-interview bij [minderjarige 2] volgen, gelet op het risico op overbelasting. Het is van belang dat de GI overzicht en regie houdt en zorgt dat wordt voorkomen dat de vader het beeld krijgt dat de moeder de regie heeft. Gelet op de zorgen die er zijn, kan het verzoek voor de volledige duur worden toegewezen. Aan de andere kant is de uitspraak in de strafzaak over drie maanden wel bekend, waardoor er meer duidelijkheid zal zijn. Over drie maanden kan dan worden gekeken naar de voortgang en de toekomst, zodat ook gedacht kan worden aan toewijzing voor de duur drie maanden met aanhouding van het restant van het verzoek.\n\n4.4.. De GI licht toe dat zij halverwege maart 2026 betrokken is geraakt als vaste jeugdbeschermer. Het instroomteam heeft een veiligheidsplan opgesteld en de begeleide bezoeken tussen [minderjarige 2] en de vader gemonitord. Ook zijn de omgangsmomenten tussen [minderjarige 2] en de vader teruggeschroefd, nu zij stress-signalen vanuit [minderjarige 2] ontvingen. [minderjarige 2] heeft sindsdien minder last van somatische stressklachten. Sinds het moment dat de vaste jeugdbeschermer betrokken is, heeft zij zich vooral bezig gehouden met het vormen van een gezinsplan, het verzamelen van informatie, het opstellen van een patroon en het analyseren. Dit kost extra tijd, aangezien er geen rapport van de Raad is. De GI hoopt dat zo snel mogelijk naar fase 2 te kunnen gaan, zodat een zorgvuldig beeld van de situatie kan worden gecreëerd en passende hulpverlening kan worden ingezet. Er zijn veel zorgen over de kinderen. Er moet goed worden onderzocht wat nodig is voor de kinderen. Het is met momenten voor de vader lastig om de belangen van de kinderen mee te wegen. Zo geeft [minderjarige 2] spanningssignalen af omtrent de bezoeken aan vader, maar de vader lijkt dan wel druk uit te oefenen om de contactmomenten uit te breiden. Het verzoek moet worden toegewezen voor de volledige periode. De GI kan echter ook de redenering van de Raad volgen met betrekking tot de toewijzing voor drie maanden met aanhouding van het restant van het verzoek.\n\n5. De beoordeling\n\nWettelijk kader5.1.. Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\nInhoudelijke beoordeling5.2.. De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een (verlenging van de) ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.3.. De kinderrechter stelt allereerst vast dat de positief is dat er momenteel een vaste jeugdbeschermer betrokken is die - na aanvang van de betrokkenheid - voortvarend met de doelen aan de slag is gegaan, zodat geleidelijk meer duidelijkheid kan ontstaan. Ook lukt het de ouders steeds beter om te kijken naar wat de kinderen nodig hebben. Dit stemt de kinderrechter positief. De kinderrechter stelt echter ook vast dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De zorgen over de kinderen blijven voortduren en er is nog altijd weinig zicht op wat de structurele spanningen doen met de kinderen. Het staat vast dat de kinderen veel hebben meegemaakt en onder druk staan. Bij [minderjarige 1] is sprake van overbelasting, verslechterde schoolresultaten, slaapproblemen, verhoogde prikkelbaarheid en een toename in conflicten met leeftijdsgenoten. Bij [minderjarige 2] worden signalen van overbelasting en een loyaliteitsconflict waargenomen. Tevens moet de strafzaak tegen de vader nog op een zitting worden behandeld, hetgeen maakt dat er nog altijd onduidelijkheid bestaat over de beschuldigingen van seksueel misbruik. Voorts lukt het de ouders niet om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van de kinderen. De ouders hebben een verschillende visie en liggen niet op een lijn. Tot slot heeft [minderjarige 1] al een langere tijd geen contact meer met de vader en zijn de contactmomenten tussen [minderjarige 2] en de vader verder beperkt.\n\n5.4.. Het lukt de ouders niet om de noodzakelijke en passende hulpverlening binnen het vrijwillige kader te aanvaarden en te benutten. Ook heeft de vrijwillige hulpverlening zich teruggetrokken, omdat zij geen verdere mogelijkheden meer zagen. De betrokkenheid van de GI als regievoerder is de komende periode nog noodzakelijk. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat het gezin in fase 1 zit, te weten het analyseren, het vormen van een gezinsplan, het verkennen van het opvoedsysteem en het onderzoeken welke hulpverlening passend en noodzakelijk is. Aangezien er geen rapport van de Raad beschikbaar is, duurt deze fase langer dan gebruikelijk. De GI heeft aangegeven binnenkort het gezinsplan af te kunnen ronden. Het is van belang dat de GI voldoende tijd krijgt om fase 1 zorgvuldig af te ronden, zodat over kan worden gegaan naar fase 2. Ook dient de strafzaak tegen de vader nog te worden afgerond, hetgeen van belang zal zijn voor het verdere plan van aanpak van de GI. Binnen fase 2 kan de GI de noodzakelijke en passende hulpverleningstrajecten, zowel voor de kinderen als voor de ouders, inzetten en de voortgang daarvan monitoren. Ook is het van belang dat de GI zorgt dat de situatie veilig blijft voor de kinderen en onderzoek doet naar de opvoedsystemen van de kinderen. Tot slot dient de GI de komende periode te kijken naar de mogelijkheden van contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] , alsmede naar het behouden van contact tussen de vader en [minderjarige 2] , telkens in het tempo van de kinderen.\n\n5.5.. De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, in dit geval nodig. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen tot 26 november 2026. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling niet voor een kortere periode verlengen, zoals is verzocht door de vader. Uiteraard is de kinderrechter er niet gelukkig mee dat pas in maart 2026 een vaste jeugdbeschermer aan het gezin is gekoppeld. Dit heeft een aanmerkelijke vertraging in de aanpak tot gevolg gehad. Tegelijkertijd is het de kinderrechter gebleken dat de GI vervolgens zorgvuldig en daadkrachtig aan de slag is gegaan met de uitvoering van de ondertoezichtstelling binnen de onderzoeksfase. Er zijn geen redenen om te twijfelen dat dit in de komende fase anders zal zijn. Er is zoverre de komende zes maanden dan ook geen rol voor de kinderrechter. Het is van belang dat de ouders de komende periode met de GI in gesprek gaan en daarin niet hoeven te wachten op een nadere mondelinge behandeling. Er moet bovendien nog veel gebeuren, hetgeen maakt dat de volle zes maanden noodzakelijk zijn.\n\n5.6.. De kinderrechter verklaart de beslissing in het belang van de voortgezette hulpverlening aan de kinderen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 26 mei 2026 en tot 26 november 2026;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 28 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5440","2026-07-13T00:28:31.058Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":106,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":48,"updatedAt":108},"456","ECLI:NL:RBZWB:2026:5417","ecli-nl-rbzwb-2026-5417","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447432 \u002F JE RK 26-696\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBECHERMING BRABANT,\n\ngevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2022 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank onbekend adres.\n\n [de (biologische],\n\nhierna te noemen: de (biologische) vader,\n\nvolgens het BRP ingeschreven in [plaats 1] , feitelijk verblijvende in [plaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de (biologische) vader, bijgestaan door een tolk Pools;\n\n- de moeder, bijgestaan door een tolk Pools;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.\n\n2.2.. Bij beschikking van 22 augustus 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 22 augustus 2024 en tot 22 mei 2025. Bij beschikking van 19 mei 2025 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 22 mei 2026.\n\n2.3.. Bij beschikking van 28 februari 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 28 februari 2025 en tot 22 mei 2025. Bij beschikking van 19 mei 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 22 mei 2026.\n\n2.4.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing van de verzoeken naar de overgelegde stukken. In de komende periode zal een perspectiefonderzoek worden gedaan. Er gaat worden gekeken of het mogelijk is dat de ouders hun zaken dermate op orde krijgen dat [minderjarige] thuis kan komen wonen. Het is in ieder geval belangrijk dat de ouders een dak boven hun hoofd hebben. De ouders moeten ook een beslissing nemen over hun relatie. De GI geeft de complimenten aan de ouders, die volledig toestemming geven voor het verblijf van [minderjarige] bij het pleeggezin.\n\n4.2.. De moeder geeft aan achter de verzoeken van de GI te staan. De moeder is druk met zoeken naar een huis en naar werk. Dit is met name door haar borderline persoonlijkheidsstoornis een moeilijk proces. De moeder komt ook niet in aanmerking voor een uitkering. [minderjarige] zit goed bij het huidige pleeggezin. De moeder wil het allerbeste voor haar. De ex-partner heeft via een juridische procedure in Polen afstand gedaan van zijn rechten als gezaghebbende ouder van [minderjarige] . Het staat de vader nu vrij om [minderjarige] te erkennen. Hiervoor zal nog een afspraak met de ambassade worden gemaakt.\n\n4.3.. De vader geeft aan achter de verzoeken van de GI te staan. De vader heeft bijna een jaar een vaste baan en hij heeft sinds kort een kamer. De vader probeert zo veel mogelijk van zijn schulden af te betalen. De vader probeert een goede basis te creëren zodat [minderjarige] eventueel in de toekomst bij hem kan wonen.\n\n5. De beoordeling\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n5.1.. De kinderrechter constateert dat de moeder, de vader en [minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.\n\n5.2.. Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.\n\n5.3.. Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.\n\nDe (biologische) vader als belanghebbende\n\n5.4.. In het onderhavige geval is sprake van een (biologische) vader die niet mede is belast met het ouderlijk gezag. In zo’n geval wordt de (biologische) vader in beginsel niet beschouwd als belanghebbende in een procedure omtrent een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing. Niettemin merkt de kinderrechter de (biologische) vader in dit geval wel aan als belanghebbende. Gebleken is namelijk dat de moeder en de (biologische) vader handelen als ware er gezamenlijk gezag, naast dat de belangen en ‘family life’ van de (biologische) vader rechtstreeks door het voorliggende verzoek worden geraakt. Ingevolge artikel 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dient hij dan ook in voldoende mate in het besluitvormingsproces met betrekking tot deze kinderbeschermingsmaatregelen te worden betrokken.\n\nWettelijk kader\n\n5.5.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\n5.6.. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.7.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.8.. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de ouders niet in staat zijn een stabiele opvoedomgeving voor [minderjarige] te realiseren. Op dit moment is er geen stabiliteit in huisvesting, in financiën en in de onderlinge relatie tussen de ouders. De vader heeft al bijna een jaar een vaste baan en is bezig met het aflossen van zijn schulden. Het is belangrijk dat de vader dit vasthoudt. De moeder is op zoek naar een baan en huisvesting. Dit is vanwege de eigen problematiek van de moeder geen gemakkelijke opgave. Daarnaast is de relatiestatus van de ouders onduidelijk en wisselend. Voor [minderjarige] is het van belang dat hier een definitief besluit over wordt genomen. Op het moment dat er meer stabiliteit komt in de huisvesting en financiën van de ouders kan de GI opvoedondersteuning inzetten bij de ouders. Ook zullen de ouders minder spanning en stress ervaren waardoor de ouders meer beschikbaar zijn voor hun opvoedtaak. Het is de kinderrechter gebleken dat de ouders het beste voor hebben met [minderjarige] . Ook de contactmomenten worden door de ouders gewaardeerd. In het komende jaar moet hard worden gewerkt aan stabiliteit bij de ouders. In dit jaar zal moeten worden bepaald of het opgroei perspectief van [minderjarige] bij de ouders kan liggen.\n\n5.9.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders niet lukt om de huidige problematiek te stabiliseren. Het is belangrijk dat de GI de regie blijft voeren om de ouders te ondersteunen en zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige] . De huidige samenwerking tussen de GI en de ouders verloopt goed. Dit moet het komende jaar vastgehouden worden.\n\n5.10.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.\n\n5.11.. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de opvoeding en verzorging.Het is op dit moment (nog) niet mogelijk om [minderjarige] bij de ouders te laten wonen. De moeder heeft geen vaste verblijfplaats. De vader heeft momenteel een vaste kamer. Het is belangrijk dat er stabiliteit komt in de huisvesting van de ouders. Doordat de ouders op dit moment geen stabiele huisvesting hebben is de GI nog niet begonnen met opvoedondersteuning aan de ouders. Het pleeggezin biedt [minderjarige] voorspelbaarheid, duidelijkheid, structuur en rust. Ook de ouders beamen dat [minderjarige] goed zit bij het huidige pleeggezin. Gelet op het voorgaande is het van belang dat de uithuisplaatsing bij de pleegouders wordt gecontinueerd.\n\n5.12.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;\n\n6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 mei 2026 tot 22 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 3 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.\n\n Artikel 1:265c, tweede lid, BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5417","2026-07-13T00:28:31.230Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":113,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":48,"updatedAt":115},"423","ECLI:NL:RBZWB:2026:5424","ecli-nl-rbzwb-2026-5424","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441960 \u002F JE RK 25-2031\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nDE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,\n\nlocatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad.\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. N.P.M. Planthof uit Goes.\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nWILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de GI.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde beschikking van 25 november 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet rapport van de Raad van 12 maart 2026, ontvangen op 25 maart 2026;\n\nde briefrapportage met bijlagen van de GI van 3 april 2026, ontvangen op 9 april 2026;\n\nhet psychodiagnostisch onderzoeksverslag, ontvangen op 13 april 2026;\n\nhet bericht van mr. Planthof van 20 april 2026;\n\nhet bericht van de Raad van 20 april 2026;\n\nhet bericht van de GI van 22 april 2026, ontvangen op 24 april 2026;\n\nhet e-mailbericht van de vader van 7 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader heeft [minderjarige] op 21 november 2025 erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .2.2.. Bij beschikking van 25 november 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 november 2025 en tot 25 november 2026. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 november 2025 en tot 25 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.2.3.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek voor de periode van 25 mei 2026 tot 25 november 2026.\n\n4. De nadere beoordeling\n\nHet wettelijk kader\n\n4.1.. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\nDe pleegouders als belanghebbenden\n\n4.2.. Door de GI is in de briefrapportage van 3 april 2026 aangegeven dat zij de pleegouders willen aandragen als belanghebbenden omdat [minderjarige] daar al geruime tijd verblijft. De kinderrechter overweegt dat ingevolge artikel 798, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt wordt aangemerkt als belanghebbende. Omdat [minderjarige] nog geen jaar in het huidige pleeggezin verblijft en doordat gelet op de instemming van alle betrokkenen schriftelijk op dit verzoek wordt beslist, zal de kinderrechter de pleegouders op dit moment niet aanmerken als belanghebbenden.\n\nDe machtiging tot uithuisplaatsing\n\n4.3.. Uit het rapport van de Raad van 12 maart 2026 volgt dat [minderjarige] op dit moment nog niet bij de ouders kan wonen. Het is op dit moment namelijk nog onvoldoende duidelijk wat de ouders [minderjarige] kunnen bieden in haar verzorging en opvoeding, hoewel al wel duidelijk is dat zij op dit moment zonder ondersteuning de benodigde zorg niet kunnen bieden. Er zijn blijvende zorgen over de opvoedvaardigheden in relatie tot het cognitief functioneren en de leerbaarheid van beide ouders. Doordat bij beide ouders sprake is van een verstandelijke beperking, bestaat er onzekerheid over hun vermogen om opvoedvaardigheden aan te leren en deze zelfstandig en consequent toe te passen in de dagelijkse zorg voor [minderjarige] . De huidige zorgen over het cognitief functioneren en de leerbaarheid van de ouders maken dat het onzeker is of de ouders, ook met hulpverlening, voldoende kunnen groeien binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. De onderzoeken en opvolging van de hulpverlening moeten hier meer duidelijkheid over gaan geven. Daarbij betrekkende dat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin, acht de Raad het noodzakelijk dat de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin wordt voortgezet.4.4.. Uit de briefrapportage van de GI van 3 april 2026 blijkt dat het begeleide contact tussen [minderjarige] en de ouders goed verloopt. Ook wordt gezien dat de ouders open staan voor hulpverlening, goed meewerken en positief contact hebben met de pleegouders en de betrokken hulpverlening. Er zijn nog wel zorgen waaruit volgt dat het voor de ouders nog niet mogelijk is om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] in de eigen woonsituatie te realiseren. Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de opvoedvaardigheden van de ouders. Hierin hebben zij namelijk nog voortdurend begeleiding en ondersteuning nodig. Op dit moment lijkt het niet realistisch dat de ouders zelfstandig voor [minderjarige] kunnen gaan zorgen. In de komende periode zal aan de hand van het diagnostisch onderzoek van de moeder worden onderzocht of de inzet van opvoedondersteuning helpend kan zijn voor de moeder. Daarnaast wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn voor begeleid contact tussen de ouders en [minderjarige] in de thuissituatie van de ouders.4.5.. Op 20 april 2026 heeft mr. Planthof bericht dat de moeder akkoord is met schriftelijke afdoening van het resterende deel van het verzoek. Diezelfde dag heeft ook de Raad aangegeven akkoord te zijn met schriftelijke afdoening van het resterende deel van verzoek. Op 22 april 2026 heeft de GI ingestemd met het verzoek van mr. Planthof om het resterende deel van het verzoek schriftelijk af te doen. Uit het e-mailbericht van de vader van 7 mei 2026 blijkt dat hij ook akkoord is met schriftelijke afdoening van het resterende deel van het verzoek.4.6.. Op grond van de overgelegde stukken en de instemmingen van de Raad, de GI, mr. Planthof en de vader acht de kinderrechter een nadere zitting niet nodig.4.7.. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg in het belang van haar opvoeding en verzorging is en dat daarmee is voldaan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b, tweede lid, BW. Om die reden zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 25 november 2026 (artikel 1:265c, tweede lid, BW).\n\n4.8.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 25 mei 2026 en tot 25 november 2026;5.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5424","2026-07-13T00:28:29.125Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":120,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":48,"updatedAt":122},"474","ECLI:NL:RBZWB:2026:5418","ecli-nl-rbzwb-2026-5418","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447671 \u002F JE RK 26-753\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing\n\nin de zaak van\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\nde gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen de GI.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n\nBij beschikking van 22 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met\n\ningang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024. Ook is een machtiging tot\n\nuithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met\n\ningang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024. Het resterende deel van het verzoek tot\n\nondertoezichtstelling van [minderjarige] is aangehouden.\n\n2.3.. \n\nBij beschikking van 23 augustus 2024 heeft de kinderrechter de\n\nondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie\n\nvan een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 22 september 2024 en tot 22 maart\n\n2025.\n\n2.4.. Bij beschikking van 12 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 22 maart 2026. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 22 maart 2026.\n\n2.5.. Bij beschikking van 20 augustus 2025, hersteld bij beschikking van 25 september 2025, heeft de kinderrechter de voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk ingetrokken met ingang van 20 augustus 2025 en tot 18 oktober 2025 en is mr. M. Kalle benoemd tot bijzondere curator van [minderjarige] .\n\n2.6.. Bij beschikking van 17 oktober 2025 is Stichting Jeugdbescherming west Zeeland vervangen door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. De kinderrechter heeft tevens de voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk ingetrokken met ingang van 18 oktober 2025 en tot 15 januari 2026.\n\n2.7.. Bij beschikking van 16 januari 2026 is het (zelfstandige) verzoek van de moeder om voorlopig te bepalen dat [minderjarige] dag en nacht bij haar verblijft afgewezen, omdat de GI het verzoek omtrent de machtiging uithuisplaatsing heeft ingetrokken.\n\n2.8.. Bij beschikking van 24 februari 2026 heeft de kinderrechter zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 februari 2026 en tot 22 maart 2026.\n\n2.9.. Bij beschikking van 4 maart 2026 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 22 maart 2027. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is verlengd tot - naar de kinderrechter begrijpt - 22 september 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot een nader te plannen zitting begin september 2026.\n\n2.10.. Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige] op een zorggroep in [plaats] .\n\n2.11.. De GI heeft op 31 maart 2026 de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is de volgende regeling opgenomen: 1 keer per week 2 uur begeleid door de groep. Om de dag 10 minuten bellen om 19 uur. De regeling zal voor nu zo zijn tot deze loopt en we een aantal omgangen hebben gehad. Dan kunnen we gaan evalueren.\n\nU kan samen met de begeleiding een dag en tijd afspreken om langs te komen, minimaal 5 dagen van te voren moet dit van beide kanten bevestigd worden.\n\nU dient zelf zorg te dragen om naar de groep te komen.\n\nWij verwachten van u dat u [minderjarige] niet belast met volwassen zaken, zoals praten over uw financiën, uw ongenoegen uiten over hulpverlening en andere professionals tegen [minderjarige] en andere zaken waar [minderjarige] niets mee kan en bij hem voor onrust zorgen. De begeleiding ziet hierop toe en zal hier op aanspreken wanneer hier sprake van is. Dit wordt terug gegeven aan ons van de GI.\n\nWij verwachten van u dat u een fijn en onbelast moment met [minderjarige] kan hebben.\n\nU kan naast de bezoeken om de dag 10 minuten ongeveer bellen met [minderjarige] . [minderjarige] belt naar u. De begeleiding blijft in de buurt om erop toe te zien dat het een onbelast gesprek zal worden.\n\nNa afloop van deze duur zal het verloop van deze regeling worden geëvalueerd. U ontvangt hiervoor een uitnodiging.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De moeder stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat de door de GI in de schriftelijke aanwijzing bepaalde contactregeling voor haar niet haalbaar is. Van de moeder wordt verlangd dat zij iedere week afreist naar de groep waar [minderjarige] sinds eind februari jl. verblijft. Dit is haar tot op heden twee keer gelukt. De moeder kampt met een ernstige vorm van diabetes, waardoor het voor haar niet mogelijk is om zelfstandig naar [plaats] te reizen. De gezondheidsproblemen belemmeren de moeder geregeld in haar dagelijks leven en leiden geregeld tot uitval en ziekenhuisopnames. Dit is ook de reden waarom de moeder niet iedere keer kan deelnemen aan gesprekken omtrent [minderjarige] en de evaluaties. Daarnaast beschikt de moeder niet over voldoende financiële middelen voor alternatief vervoer. Tevens is niemand in haar netwerk bereid om de moeder naar [plaats] te brengen. Meerijden met de jeugdbeschermer is voor de moeder geen optie. Dit vindt zij niet prettig vanwege de verstoorde verhouding die zij met haar heeft. De moeder vindt dan ook dat de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaard moeten worden, nu deze voor haar niet haalbaar en uitvoerbaar is. In aanvulling op het voorgaande benoemt de moeder ook dat zij zich zorgen maakt om [minderjarige] en de groep waar hij nu verblijft. De moeder begrijpt dat [minderjarige] het erg naar de zin heeft op deze groep, want er worden veel uitjes ondernomen, maar zij vindt het zorgelijk dat [minderjarige] niet naar school gaat en geen dagbesteding heeft. De moeder vindt de vele kostbare uitjes die op de groep worden ondernomen onbegrijpelijk en niet passend. De begeleiding rijdt met de kinderen het hele land door. De moeder begrijpt dan ook niet dat [minderjarige] niet een keer bij haar op bezoek kan en mag komen. Ook vindt de moeder het gamegedrag van [minderjarige] zorgelijk, waarbij hij tikkies krijgt van andere groepsgenoten en er geld op zijn bankrekening wordt gezet. De moeder heeft dit meermaals gemeld bij de groepsleiding, maar zij weten hier niet naar te handelen.\n\n4.2.. De GI benoemt dat [minderjarige] sinds 24 februari jl. op de groep in [plaats] verblijft. Volgens de GI is moeder sindsdien drie keer bij [minderjarige] op bezoek in [plaats] geweest. Dit in tegenstelling tot de vorige groep, waar de moeder [minderjarige] geregeld kwam ophalen. De GI beseft dat de reisafstand tussen de moeder en [minderjarige] aanzienlijk is. De GI heeft naar mogelijkheden gezocht om een oplossing te vinden voor de belemmeringen van de moeder, ook in overleg met de groep. Volgens de GI is echter de medische en financiële situatie van de moeder niet de enige reden waarom bezoeken niet doorgaan. De moeder heeft namelijk ook een bezoek afgezegd omdat zij boos was op [minderjarige] . Tevens wil zij niet meerijden met de jeugdbeschermer. De GI merkt dat de redenen nogal wisselen. De GI wil zich inspannen voor het realiseren van begeleide bezoeken bij de moeder thuis, maar vindt het ook belangrijk voor [minderjarige] dat de moeder ook op de plek komt waar hij zijn dagelijkse leven heeft. De GI heeft het daarom noodzakelijk gevonden om de moeder een schriftelijke aanwijzing te geven, maar beseft ook dat het een lastige situatie is. Het is belangrijk dat er bezoeken met regelmaat doorgaan om evaluatiemomenten in te kunnen plannen. Dit is ook de reden waarom er geen specifieke data genoemd zijn in de schriftelijke aanwijzing. De GI weet niet of het voor de groep haalbaar is om af en toe bezoeken bij de moeder thuis te laten plaatsvinden en dus om [minderjarige] naar de moeder te brengen. Dit moet met de groep besproken worden. Ook de mogelijkheid om een fonds aan te spreken voor het vervoer van de moeder met eventueel een overnachting dient nader onderzocht te worden.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:263 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak een ouder een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt, niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan of als dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Het tweede lid bepaalt dat de met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing opvolgt.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat de termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek twee weken bedraagt en die termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.\n\n5.3.. De kinderrechter ziet zich dan ook allereerst voor de vraag gesteld of de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek. De schriftelijke aanwijzing is op 2 april 2026 aan de moeder uitgereikt en het verzoekschrift is op 16 april 2026 ingediend. Dit betekent dat het verzoek tijdig is ingediend. De kinderrechter zal de moeder dan ook ontvangen in haar verzoek en hierna inhoudelijk behandelen.\n\n5.4.. \n\nDe kinderrechter komt tot het oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 31 maart 2026 vervallen moet worden verklaard en zal uitleggen waarom hij dit vindt. In deze schriftelijke aanwijzing wordt van de moeder verlangd dat zij [minderjarige] iedere week twee uur bezoekt op de groep in [plaats] . De moeder dient minimaal vijf dagen van te voren met de begeleiding een dag en tijd hiervoor af te spreken. De bezoeken vinden onder begeleiding plaats. Daarnaast hebben de moeder en [minderjarige] om de dag een telefonisch contactmoment gedurende 10 minuten, waarbij de begeleiding op de buurt aanwezig is.\n\nDe kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat de bezoeken met de moeder onder begeleiding (blijven) plaatsvinden. Ook vindt hij het belangrijk dat de moeder meewerkt aan de begeleide bezoeken en de afspraken die gelden voor een fijn en onbelast contact van [minderjarige] met de moeder. De kinderrechter onderschrijft inhoudelijk dan ook de schriftelijke aanwijzing op deze punten. Wat de kinderrechter minder goed vindt, is dat in de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is weergegeven voor welke duur deze aanwijzing van toepassing is en wanneer de evaluaties zullen plaatsvinden. Daardoor is de schriftelijke aanwijzing onvoldoende helder en toetsbaar geformuleerd, zodat het de moeder onvoldoende duidelijk is wat de geldigheidsduur en de toetsingsmomenten zullen zijn.\n\nDaarnaast lijkt het voorschrift dat de moeder [minderjarige] één keer per week fysiek bezoekt op de groep in [plaats] voor haar niet haalbaar en uitvoerbaar, gelet op de gezondheidsproblemen van de moeder en de belemmeringen die zij hiervan ondervindt in haar dagelijks functioneren. De moeder kan de lange reis naar [minderjarige] in [plaats] niet zelfstandig maken en is daarin afhankelijk van derden of kostbare alternatieven. De kinderrechter vindt dat de uitvoerbaarheid van een schriftelijke aanwijzing zeker gesteld moet zijn op het moment dat deze door de GI aan een ouder wordt opgelegd. Dat is in de onderhavige kwestie naar het oordeel van de kinderrechter niet het geval. De kinderrechter zal daarom de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaren. Hij dringt bij de GI erop aan dat zij tot een nieuwe schriftelijke aanwijzing zal komen, waarin een duidelijke periode wordt opgenomen hoe lang de aanwijzing zal gelden als ook de manier waarop de maatregelen uitgevoerd moeten worden. Er moet daarbij gezocht worden naar mogelijkheden om het begeleide contact tussen de moeder en [minderjarige] structureel te kunnen vormgeven op een wijze die ook voor de moeder uitvoerbaar en haalbaar is. Daarnaast moeten er duidelijke afspraken komen, waarbij van de moeder wordt verwacht dat zij met de GI meedenkt over de mogelijkheden om de afspraken die rondom [minderjarige] gepland worden na te komen en om [minderjarige] te bezoeken op zijn woonplek. Het is zijn belang dat hij de omgeving waar hij woont en leeft kan laten zien aan zijn moeder. De moeder moet daar kennis van willen nemen.\n\n5.5.. Tot slot vraagt de kinderrechter bij de GI aandacht voor de zorgen die de moeder heeft aangekaart over het gamegedrag van [minderjarige] en het vermoeden dat hij als mogelijke katvanger door enkele groepsgenoten lijkt te worden ingezet. Van de GI wordt verwacht dat zij dit zo spoedig mogelijk met de groepsleiding oppakt.\n\n5.6.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verklaart de schriftelijke aanwijzing d.d. 31 maart 2026 vervallen.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5418","2026-07-13T00:28:32.259Z",{"id":124,"ecli":125,"slug":126,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":127,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":128,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":48,"updatedAt":129},"477","ECLI:NL:RBZWB:2026:5429","ecli-nl-rbzwb-2026-5429","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447612 \u002F JE RK 26-730\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nDE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,\n\nlocatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. Q. van Mossevelde uit Terneuzen,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. M. de Houck uit Terneuzen.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nde gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUDGBESCHERMING & JEUDGRECLASSERING,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de GI.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- de moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\neen vertegenwoordigster van de GI;\n\neen vertegenwoordigster van de Raad.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont bij zijn moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. [minderjarige] heeft kindeigenproblematiek en groeit op in een omgeving waarbij er zorgen zijn over het opvoedingshandelen van de ouders. Tussen de ouders is er een groot wantrouwen en een verschil in visie. De ouders hebben ook hun eigen problematiek. Mede daardoor is het voor de ouders lastig om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. De Raad verwijst naar de doelen uit het raadsrapport en voegt hieraan toe dat de Raad het nodig acht dat de ouders psycho-educatie krijgen over autismespectrumstoornissen (hierna: ASS) en een ontwikkelingsachterstand bij kinderen. De Raad ziet dat de grenzen van het vrijwillig kader bereikt zijn.\n\n4.2.. Door en namens de vader wordt aangevoerd dat de vader een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk vindt. De vader zal wel zijn medewerking verlenen als de ondertoezichtstelling wordt toegewezen. De vader vraagt zich af wat een ondertoezichtstelling meer gaat brengen dan hulpverlening in het vrijwillig kader. Hulpverlening voor de ouders en verder onderzoek naar [minderjarige] kan volgens de vader in het vrijwillig kader worden ingezet.\n\n4.3.. Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder instemt met de ondertoezichtstelling. De moeder denkt dat de ondertoezichtstelling helpend kan zijn voor [minderjarige] en haarzelf. [minderjarige] ervaart veel emoties en hij kan dit moeilijk onder woorden brengen. Er is intensievere begeleiding voor [minderjarige] nodig. Daarnaast moet er rust en voorspelbaarheid ontstaan in het contact met de vader. Ook hoopt de moeder dat de ondertoezichtstelling helpend zal zijn voor het vertrouwen in de vader.\n\n4.4.. De GI geeft aan dat er een jeugdbeschermer beschikbaar is.\n\n5. De beoordeling\n\nWettelijk kader\n\n5.1.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nde verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.2.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.3.. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat er veel zorgen zijn over [minderjarige] . [minderjarige] heeft ASS en een algehele ontwikkelingsachterstand. Deze kindeigenproblematiek maakt dat [minderjarige] een grote behoefte aan structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Daarnaast heeft [minderjarige] moeite met zijn emotieregulatie. Dit kan zich uiten is plotselinge agressie of onverklaarbaar gedrag. Hoewel de ouders veel om [minderjarige] geven, kunnen de vader en de moeder op dit moment de nodige structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid in de opvoedsituatie niet bieden. Er zijn namelijk grote zorgen over de opvoedomgeving van zowel de vader als de moeder. Dit komt mede door de eigen problematiek van de ouders. Bij de moeder zijn er zorgen over haar draagkracht, zowel mentaal als fysiek. De vader is snel overvraagd en zijn leerbaarheid is beperkt. Daarnaast is er tussen de ouders geen sprake van vertrouwen of constructieve communicatie, hetgeen zorgt dat [minderjarige] klem zit tussen de ouders. [minderjarige] ervaart last van de onderlinge spanningen tussen de ouders.\n\n5.4.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders tot nu in het vrijwillig kader niet is gelukt om blijvende verandering te bewerkstelligen. In de afgelopen anderhalf jaar is de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende aangestuurd. Het is belangrijk dat de GI de regie gaat voeren om hulpverlening gericht in te zetten en om voor [minderjarige] zo snel mogelijk een veilige opvoedsituatie te creëren.\n\n5.5.. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Het is belangrijk dat de GI gaat onderzoeken wat [minderjarige] nodig heeft in zijn ontwikkeling. Indien nodig dient de GI intensievere begeleiding voor [minderjarige] in te zetten. Daarnaast is het van belang dat de ouders meer in gesprek gaan met elkaar. Op deze manier kan [minderjarige] zo veel mogelijk onbelast contact hebben met beide ouders en daarbij meer rust ervaren. Tot slot moet er duidelijkheid komen in het contact en de omgang tussen de vader en [minderjarige] .\n\n5.6.. De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:\n\n- [minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie waarin er\n\nresponsief en sensitief op zijn behoeften wordt ingespeeld;\n\n- [minderjarige] weet emoties op een adequate en bij zijn ontwikkeling passende wijze te\n\nreguleren;\n\n- [minderjarige] ervaart duidelijkheid over wat hij kan verwachten in het contact en de\n\nomgang met zijn vader en voelt zich hierin voldoende gehoord (wat betekent dat\n\ner passend bij de behoefte van [minderjarige] contact is met de vader);\n\n- [minderjarige] ervaart vrijheid en ruimte om de band met beide ouders te onderhouden\n\nen zijn loyaliteit naar beide ouders vorm te geven;\n\n- De ouders blijven zich begeleidbaar opstellen en komen gemaakte afspraken met\n\nelkaar en anderen na en stellen het ouderschap van [minderjarige] centraal;\n\n- De ouders krijgen psycho-educatie, waarbij zij inzicht krijgen in welke opvoedingsaanpak passend is voor een kind met ASS en een ontwikkelingsachterstand.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 20 mei 2026 tot 20 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 3 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5429","2026-07-13T00:28:32.388Z",{"id":131,"ecli":132,"slug":133,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":134,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":135,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":48,"updatedAt":136},"481","ECLI:NL:RBZWB:2026:5436","ecli-nl-rbzwb-2026-5436","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447084 \u002F JE RK 26-644\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nLEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERINGte Eindhoven,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\nmr. D.J.A. BURLET,in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] ,\n\nhierna te noemen: de bijzondere curator,\n\nkantoorhoudende te Oostburg .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;\n\n- het bericht van de GI met bijlagen van 28 april 2026;\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder, bijgestaan door een tolk in de Russische taal;\n\neen tweetal vertegenwoordigsters van de GI;\n\nde bijzondere curator.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n\nBij beschikking van 25 juni 2018 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van\n\nde GI met ingang van 25 juni 2018 en tot 15 september 2018, met afwijzing van het\n\nresterende deel van het verzoek strekkende tot voorlopige ondertoezichtstelling. Tevens is\n\neen machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend\n\nmet ingang van 25 juni 2018 en tot 6 augustus 2018.\n\n2.3.. \n\nBij beschikking van 1 augustus 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing van\n\n [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 6 augustus 2018 en tot\n\n15 september 2018.\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van 13 september 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de\n\nGI met ingang van 13 september 2018 en tot 13 september 2019. Tevens is een machtiging\n\ntot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 13\n\nseptember 2018 en tot 13 februari 2019.\n\n2.5.. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 13 september 2021. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is steeds verlengd, tot 13 augustus 2020. [minderjarige] woonde sindsdien weer bij de moeder thuis.\n\n2.6.. Bij beschikking van 24 mei 2024 is [minderjarige] nogmaals onder toezicht gesteld met ingang van 24 mei 2024 en tot 24 mei 2025.\n\n2.7.. \n\nBij beschikking van 6 augustus 2024 is een (spoed)machtiging verleend om\n\n [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met\n\ningang van 6 augustus 2024 en tot 20 augustus 2024, onder aanhouding van het overige deel\n\nvan het verzoek.\n\n2.8.. \n\nBij beschikking van 13 augustus 2024 heeft de kinderrechter de spoedmachtiging\n\nvan 6 augustus 2024 herroepen met ingang van 17 augustus 2024 en het overige deel van het\n\nverzoek afgewezen.\n\n2.9.. \n\nBij beschikking van 16 augustus 2024 heeft de kinderrechter een\n\n(spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg\n\nverleend met ingang van 16 augustus 2024 en tot 30 augustus 2024, onder aanhouding van\n\nhet resterende deel van het verzoek.\n\n2.10.. \n\nBij beschikking van 22 augustus 2024 heeft de kinderrechter het resterende deel\n\nvan het (spoed)verzoek afgewezen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een\n\nvoorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 30 augustus 2024 en tot 24 januari\n\n2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.\n\n2.11.. \n\nBij beschikking van 7 november 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot\n\nuithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met\n\ningang van 7 november 2024 en tot 21 november 2024. De behandeling van het verzoek is\n\nvoor het overige aangehouden.\n\n2.12.. \n\nBij beschikking van 14 november 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot\n\nuithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toegewezen\n\nmet ingang van 21 november 2024 en tot 24 januari 2025, onder aanhouding van het\n\nresterende deel van het verzoek.\n\n2.13.. \n\nBij beschikking van 22 januari 2025 is de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende\n\ndag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met\n\ningang van 24 januari 2025 en tot 24 mei 2025.\n\n2.14.. Bij beschikking van 9 februari 2026 heeft de kinderrechter mr. D.J.A. Burlet benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] .\n\n2.15.. Bij beschikking van 20 mei 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder laatstelijk verlengd tot 24 mei 2026.\n\n2.16.. \n\n [minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde beschikking in een\n\naccommodatie van een jeugdhulpaanbieder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI - naar de kinderrechter begrijpt - de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI stelt dat sinds de betrokkenheid van de nieuwe jeugdbeschermers er forse zorgen zijn ontstaan over de veiligheid, het welzijn en de professionele zorg binnen het gezinshuis waar [minderjarige] verbleef. Er waren zorgen over ernstige verwaarlozing, waardoor de GI de situatie niet langer verantwoord vond voor [minderjarige] met als gevolg dat zij per direct is overgeplaatst naar een crisispleeggezin, gevolgd door een plaatsing in het huidige gezinshuis. Sinds de overplaatsing is een duidelijke verbetering zichtbaar in het welzijn van [minderjarige] . Het bedplassen komt sindsdien niet meer voor. Gezien wordt dat [minderjarige] meer rust ervaart en dat zij zich in toenemende mate veilig voelt binnen dit gezin. In de komende periode zal de GI onderzoeken hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder kan worden vormgegeven. De GI zal de (telefonische) contacten zelf begeleiden, waardoor goed zicht verkregen kan worden op het verloop hiervan. [minderjarige] en de moeder bellen nu één keer per maand gedurende 15 minuten met elkaar. Hiervoor was dit 30 minuten, maar dit is op verzoek van [minderjarige] in duur beperkt. Na drie keer zal het verloop van het contact geëvalueerd worden en zal bezien worden of dit kan worden uitgebreid. Het tempo en de mening van [minderjarige] zijn hierin leidend. In de komende periode zal Mentaal Beter gaan starten voor [minderjarige] . Er is inmiddels voor begin juli 2026 een intake gepland. De aanmelding heeft even on hold gestaan vanwege de overplaatsing naar het andere gezinshuis en om [minderjarige] de tijd te geven om binnen dit gezin te wennen. De GI zal de haalbaarheid van de wens van de moeder om [minderjarige] en haar zusje [persoon] samen verder te laten opgroeien in de komende periode meenemen in het onderzoek rondom het perspectief van [minderjarige] . Tot slot benoemt de GI het belangrijk te vinden dat de bijzondere curator voorlopig nog betrokken blijft bij [minderjarige] . Samenvattend concludeert de GI dat de ondertoezichtstelling nog langer noodzakelijk is en dat het verblijf van [minderjarige] in het huidige gezinshuis geborgd moet blijven. De GI handhaaft dan ook haar verzoeken. Ten aanzien van het verzoek zoals dat is gedaan, stelt de GI dat per abuis verlenging van de bestaande machtiging per 11 april 2026 is verzocht. Bedoeld is de bestaande machtiging te verlengen in aansluiting op de voorgaande machtiging. Daarbij is een machtiging bedoeld voor het verblijf van [minderjarige] in het gezinshuis. Dit valt binnen de categorie van een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.\n\n4.2.. De moeder heeft ernstige zorgen over de medische situatie en het welzijn van [minderjarige] . Volgens de moeder is [minderjarige] slachtoffer van pedofilie. Niemand mag haar dochter aanraken en is er erg boos over hoe dit heeft kunnen gebeuren. De moeder voelt zich niet gehoord in haar zorgen. De moeder heeft [minderjarige] al meer dan een jaar niet gezien. Vanaf december 2025 spreekt zij [minderjarige] telefonisch. De moeder is boos over het feit dat zij geen contact met [minderjarige] heeft mogen hebben in de periode rondom de kerstdagen en dat dit contact zelfs is teruggebracht tot 15 minuten per maand. De moeder mist [minderjarige] enorm. Zij heeft [minderjarige] haar excuses aangeboden, omdat zij vanwege haar verblijf in het buitenland niet voor haar beschikbaar was tijdens de acute situatie die is ontstaan rondom het vorige gezinshuis. De moeder benoemt dat zij en [minderjarige] veel hebben meegemaakt. De moeder weet niet of [minderjarige] in het gezinshuis moet blijven wonen. Dit is aan de kinderrechter. De moeder heeft hierin geen macht en benoemt daarbij het wel belangrijk te vinden dat haar dochters samen kunnen opgroeien, het liefst bij de [locatie] in [plaats] , het huis waar de zus van [minderjarige] , [persoon] , op dit moment woont.\n\n4.3.. De bijzondere curator geeft aan dat zij één keer [minderjarige] heeft bezocht in het gezinshuis. Daarna heeft de bijzondere curator voornamelijk gesproken met de gezinhuismoeder. Volgens de bijzondere curator is [minderjarige] heel duidelijk over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Het belangrijkste dat [minderjarige] aangeeft is dat zij nood heeft aan rust en duidelijkheid. [minderjarige] heeft haar ook verteld dat zij het fijn heeft in het nieuwe gezinshuis. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en kent daardoor een behoorlijke voorgeschiedenis. [minderjarige] gaat zich geleidelijk aan meer uitspreken over wat zij heeft meegemaakt. De zorgen die hierdoor ontstaan behoeven nader onderzoek. Waar deze zorgen over gaan wil de bijzondere curator nog niet delen. [minderjarige] moet hiervoor ruimte geboden worden en daarbij moet voorkomen worden dat de prille vertrouwensband tussen [minderjarige] en de gezinshuismoeder onder druk komt te staan. Dit moet dus voorzichtig worden opgepakt. Naast de informatie die vanuit [minderjarige] zelf komt, is er veel informatie beschikbaar bij derden, maar het is voor de bijzonder curator lastig gebleken om al deze informatie op te vragen en te verzamelen. De bijzondere curator kan niet anders dan in de procedure waarin zij is benoemd is tot bijzondere curator over [minderjarige] haar verslag van bevindingen met enige vertraging uiterlijk begin augustus 2026 in te dienen. Aan de hand van alle verkregen informatie zal zij ook nog in gesprek gaan met [minderjarige] en bezien of zij namens haar zelfstandig een verzoekschrift zal indienen. Voor nu vindt de bijzondere curator het belangrijk dat er snel duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . Dit heeft zij nodig. De constante onzekerheid over waar zij moet en mag zijn belast haar. De gezinshuisouders hebben aangegeven haar dit te kunnen bieden.\n\n4.4.. \n [minderjarige] heeft in een afzonderlijk gesprek de kinderrechter verteld dat zij is verhuisd naar een nieuw gezinshuis en dat zij het hier prettiger wonen vindt dat bij het vorige gezinshuis waarin vaak ruzie was. [minderjarige] heeft het ook naar de zin op haar nieuwe school en geeft haar leven momenteel een hoger cijfer dan een jaar geleden. Dit komt door het nieuwe gezinshuis. Ook heeft [minderjarige] verteld dat zij een aantal fijne contactmomenten met haar moeder heeft gehad, maar ook een aantal minder fijne. Dit is de reden waarom [minderjarige] heeft gevraagd om een korter contactmoment. Dit is nu zo en [minderjarige] vindt dit prettig. [minderjarige] is gestart bij Mentaal Beter en denkt dat zij hier echt wat aan zal hebben. [minderjarige] heeft veel meegemaakt in haar leven en ook op dit moment speelt er veel. Tevens heeft [minderjarige] eenmaal met de bijzondere curator gesproken. Zij wil graag dat dit een vervolg krijgt.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.Ook is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht concludeert de kinderrechter dat de zorgen die een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van [minderjarige] nog altijd onverminderd aanwezig zijn. Het lukt de GI niet om met de moeder een samenwerking aan te gaan om zodoende te werken aan de doelen die eerder zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling. Daarnaast zijn er sinds de wisseling van jeugdbeschermers in september 2025 forse zorgen ontstaan over de veiligheid, welzijn en de professionele zorg binnen het gezinshuis waar [minderjarige] verbleef. Omdat de situatie niet langer verantwoord was voor [minderjarige] , is zij terug overbrugging per direct overgeplaatst naar een crisispleeggezin en verblijft zij inmiddels in een ander gezinshuis. Naast de ernstige zorgen over haar ontwikkeling, waarvoor eerdaags Mentaal Beter zal starten, kent [minderjarige] ook een traumatische gang van alle opvangplekken die zij inmiddels gezien heeft. De kinderrechter vindt het daarom van cruciaal belang dat er snel duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . Zij heeft hier dringend behoefte aan. De GI wordt daarom verzocht dit zo spoedig mogelijk op te pakken door het perspectief te bepalen en een verzoek tot onderzoek aan de Raad te richten. De kinderrechter maakt zich daarbij zorgen over de beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige] en haar aanspreekbaarheid, mede gezien het grensoverschrijdende gedrag dat zij in het contact met de hulpverlening laat zien. Ook ter zitting heeft de kinderrechter moeten constateren dat de moeder zich nauwelijks laat sturen of aanspreekbaar is. Bezien moet worden wat zij in dit kader extra nodig heeft. Hopelijk lukt het de GI om in contact te komen met de hulpverlening die betrokken is bij de moeder dan wel eerder betrokken is geweest, zodat er meer zicht verkregen kan worden op haar persoon en behoeften. De kinderrechter vindt dit belangrijk, omdat dit blijkbaar ook haar contact met [minderjarige] in de weg staan. [minderjarige] ervaart de contacten met haar moeder als belastend. Op haar verzoek zijn de belcontacten inmiddels beperkt naar 15 minuten per maand.\n\n5.3.. Gelet op alle ontwikkelingen vindt de kinderrechter het noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] dat de GI langer betrokken blijft om vanuit het gedwongen kader de regie te voeren en de belangen van [minderjarige] te kunnen waarborgen. Daarnaast dient in het belang van haar verzorging en opvoeding en in afwachting van de perspectiefbepaling het verblijf van [minderjarige] in het huidige gezinshuis voor de komende periode gecontinueerd te worden. Daarbij zal de kinderrechter de verzochte machtiging beperken tot het gezinshuis waar zij nu verblijft, te weten [gezinshuis] . Daarmee wil de kinderrechter borgen dat dit de laatste plek voor [minderjarige] is tot – en zo mogelijk ook nadat - dat haar perspectief is bepaald. Beide verzoeken zullen worden toegewezen voor de duur van een jaar.\n\n5.4.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing in het belang van de ongestoorde voortzetting van de hulpverlening aan [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 24 mei 2026 en tot 24 mei 2027;\n\n6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten het [gezinshuis] , met ingang van 24 mei 2026 en tot 24 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.\n\n Artikel 1:265c, tweede lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5436","2026-07-13T00:28:32.598Z",{"id":138,"ecli":139,"slug":140,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":141,"fullText":142,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":143,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":48,"updatedAt":145},"322","ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","ecli-nl-rbzwb-2026-5374","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F439595\u002F FA RK 25-4588\n\nbeschikking betreffende voorziening voogdij d.d. 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde Gecertificeerde Instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen: de GI of de jeugdbescherming,\n\nbetreffende de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\nverblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen de minderjarigen respectievelijk [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n- [de pleegmoeder], de pleegmoeder\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. M. Kramer te Haarlem.\n\nAls informant wordt aangemerkt: - [de biologische moeder], de biologische moeder,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. C.M.M. Mikkers te Heeze.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het verloop van het geding\n\n1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 29 augustus 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan de Raad van 7 oktober 2025;\n\n- de brief van de Raad van 9 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer van 17 oktober 2025;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan mr. Kramer d.d. 23 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer d.d. 4 mei 2026 met bijlagen;\n\n- het op 11 mei 2026 ingediend F9-formulier van mr. Kramer met bijlagen;\n\n- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.\n\n1.2. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig een vertegenwoordigster van de GI, de pleegmoeder bijgestaan door mr. Kramer, de biologische moeder en een vertegenwoordigster van de Raad. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening aan de rechter kenbaar te maken. Mr. Kramer heeft namens de pleegmoeder het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota die op 11 mei 2026 al aan de rechtbank en andere belanghebbenden was toegezonden.2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 augustus 2017 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogd over hen benoemd.\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 november 2022 is de GI benoemd tot (opvolgend) voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de rechtbank haar op grond van artikel 1:322, lid 1, sub c, van het Burgerlijk Wetboek te ontslaan van de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten gunste van de pleegmoeder.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De beslissing die de rechtbank moet nemen raakt in het bijzonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf. Het gaat er namelijk om wie er in de toekomst belangrijke beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk in begrijpelijke taal uitleggen welke beslissing zij heeft genomen en waarom.\n\nWat moet de rechtbank beslissen?\n\n4.2.. De jeugdbescherming heeft de rechtbank gevraagd om ervoor te zorgen dat niet zij, maar de pleegmoeder belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dat noemen we “voogdij” en dat is in de wet geregeld in artikel 322 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:322 BW). In de wet staan twee voorwaarden. Voorwaarde een is dat de pleegmoeder schriftelijk moet hebben verklaard dat zij bereid is om de voogdij over te nemen. Voorwaarde twee is dat de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nDe beslissing in het kort\n\n4.3.. De rechtbank zal de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overdragen van de jeugdbescherming naar de pleegmoeder.\n\nWat is er aan de rechtbank verteld?\n\n4.4.. De rechtbank heeft tijdens een apart gesprek gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de zitting heeft de rechtbank gesproken met de pleegmoeder en haar advocaat, met de jeugdbescherming, met de Raad en met de biologische moeder. Hierna zal de rechtbank in het kort opschrijven wat zij aan de rechtbank hebben verteld.\n\n4.5.. De jeugdbescherming heeft verteld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al sinds zij 3 maanden oud waren bij de pleegouders wonen. Zij zijn daar samen opgegroeid. Sinds de scheiding van pleegouders wonen zij bij pleegmoeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegvader ook regelmatig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegouders als hun ouders. Zij hebben de jeugdbescherming meerdere keren verteld dat zij willen dat de pleegmoeder de voogdij over hen krijgt. Zij kan dan beslissingen over hen nemen zoals in een normaal gezin. Er is veel tijd en aandacht besteed om te onderzoeken wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben om fijn contact te hebben met hun biologische moeder. De jeugdbescherming heeft gezien dat zij geen hechte band hebben met hun biologische moeder. Uiteindelijk is er voor gekozen om het contact met de biologische moeder stop te zetten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich verder heel goed, ze hebben fijne sociale contacten en ze doen het zeer goed op school. In de thuissituatie bij pleegmoeder is de biologische moeder en de Indonesische afkomst van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd bespreekbaar. De pleegmoeder heeft het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de biologische moeder ook altijd ondersteund. Er is prettig contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De jeugdbescherming twijfelt er niet aan dat dat in de toekomst zo blijft.\n\n4.6.. De pleegmoeder en haar advocaat hebben de rechtbank verteld dat het overnemen van de voogdij een logische stap is. De pleegmoeder zorgt al jaren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook heeft de pleegmoeder altijd haar best gedaan om het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun biologische moeder te ondersteunen. Zij zal dit in de toekomst ook blijven doen.\n\n4.7.. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om de voogdij aan de pleegmoeder over te dragen. Zij zijn het eens met de jeugdbescherming.\n\n4.8.. De biologische moeder heeft de rechtbank verteld dat het voor haar niet zoveel uitmaakt wie de voogdij heeft. Het is voor haar vooral belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact met haar kunnen hebben. Dat er nu geen contact is tussen haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt zij niet in hun belang.\n\n4.9.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld dat het goed met hun gaat. Zij geven hun leven op dit moment een hoog cijfer. Op school doen zij het heel goed. Ze hebben ook al een idee wat zij in de toekomst zouden willen gaan doen. Ze willen graag dat de pleegmoeder de voogdij overneemt. Zij denken dat zij dat heel goed kan, zij luistert goed naar hen. Dat maakt het dan vervolgens veel makkelijker om dingen te regelen.\n\nWat vindt de rechtbank\n\n4.10.. De rechtbank stelt vast dat de pleegmoeder schriftelijk heeft verklaard dat zij bereid is de voogdij over te nemen. Er is dus voldaan aan de eerste voorwaarde in de wet.\n\n4.11.. Dan moet de rechtbank nog vaststellen of het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt van de jeugdbescherming (de tweede voorwaarde). De rechtbank vindt dat er ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. De rechtbank zal dat hierna toelichten.\n\n4.12.. De pleegmoeder zorgt al voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds zij drie maanden oud zijn. Door haar goede zorgen (en die van de pleegvader) ontwikkelen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich goed. Zij doen het zeer goed op school, hebben fijne sociale contacten, hebben hobby’s en interesses en een toekomstbeeld. Ook tijdens het gesprek dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gehad op de rechtbank heeft de rechter gezien dat zij goed in hun vel zitten. Zij konden ook open vertellen over het contact met hun biologische moeder. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de pleegmoeder de biologische moeder in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een plek zal blijven geven. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat de pleegmoeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd zal helpen om het contact te herstellen met hun biologische moeder als zij dat willen. Er is ook (goed) contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De pleegmoeder informeert de biologische moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongeveer vier keer per jaar. Er is door de jeugdbescherming een plan gemaakt waarin afspraken zijn vastgelegd. Dat kan de pleegmoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] helpen als zij in de toekomst misschien tegen problemen aan lopen. Zij weten dan bij wie zij hulp kunnen vragen. Ook de Raad vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nConclusie\n\n4.13.. De rechtbank zal onder punt 5 nog in juridische woorden de beslissing opschrijven, zodat iedereen precies weet wat de beslissing is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. ontslaat de GI van de voogdij over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012;\n\n5.2.. benoemt [de pleegmoeder] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1961, wonende te [woonplaats 1] , tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ‘t Westeinde, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nTegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nHet beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te\n\n's-Hertogenbosch.\n\nIngevolge artikel 1:322, lid 1, sub c, van het BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.340Z",{"id":147,"ecli":148,"slug":149,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":141,"fullText":150,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":151,"sourceTimestamp":144,"parsedAt":48,"updatedAt":152},"347","ECLI:NL:RBZWB:2026:5379","ecli-nl-rbzwb-2026-5379","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448271 \u002F JE RK 26-857 (spoedmachtiging gesloten jeugdhulp)\n\n C\u002F02\u002F448304 JE RK 26-862 (reguliere machtiging gesloten jeugdhulp)\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling DE JEUGD & GEZINSBESCHERMERS, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. M.A.J. Timmermans-Roelands te Bergen op Zoom.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nhet schriftelijke (gewijzigde) verzoek van de GI (met bijlagen), ontvangen op 19 mei 2026;\n\nde instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 18 mei 2026;\n\nde inhoud van het telefoongesprek van de kinderrechter met mevrouw [persoon 1] op 19 mei 2026;\n\nhet e-mailbericht van de GI van 19 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 22 februari 2023, hersteld bij beschikking van 23 februari 2023, heeft de kinderrechter [minderjarige] met ingang van 21 februari 2023 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De ondertoezichtstelling is vervolgens bij beschikking van 17 mei 2023 definitief uitgesproken en liep tot 17 mei 2024. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 mei 2026 voor de duur van een jaar, te weten tot 17 mei 2027. In deze beschikking werd tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij [behandelgroep 1] van [jeugdhulp] te [plaats 2] , maar verblijft nu feitelijk op de [behandelgroep 2] van [jeugdhulp] te [plaats 2] .\n\n3. De verzoeken\n\nJE RK 26-857 (spoedverzoek);\n\nDe GI verzoekt (bij gewijzigd verzoek) een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.\n\nJE RK 26-862 (regulier verzoek);\n\n3.1.. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 19 mei 2026. Vervolgens heeft de kinderrechter op 19 mei 2026 telefonisch gesproken met mevrouw [persoon 1] , jeugdbeschermer. Daarna is kennisgenomen van het gewijzigde verzoek van de GI en is gebleken dat de gekwalificeerde gedragswetenschapper instemt met de termijn in het gewijzigde verzoek, te weten vier weken.\n\n4.2.. Uit het dossier komt naar voren dat de kinderrechter bij beschikking van 15 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 juni 2026. Uit de overweging van de kinderrechter in die beschikking volgt dat de kinderrechter het nodig achtte om vinger aan de pols te houden gelet op de ernstige zorgen en de directe actie die daarop moest worden ondernomen door de GI. De kinderrechter stelt thans vast dat de in die beschikking omschreven zorgen nog steeds onverminderd aanwezig zijn en er inmiddels ook meer zicht is gekomen op de zorgen. Daar bovenop zijn nieuwe zorgen gekomen. Ondanks de machtiging tot uithuisplaatsing, verblijft [minderjarige] meer bij de moeder en buitenshuis, dan op de groep. Over de thuissituatie en opvoedingsomgeving van de moeder bestaan grote zorgen, waarin sprake is van een instabiele situatie met zorgen over middelengebruik door de moeder, overlastsituaties, politiecontacten en onveilige situaties voor [minderjarige] , waarbij door de moeder ook fysiek geweld zou worden gebruikt tegen [minderjarige] . [minderjarige] heeft eerder bij de hulpverlening (onder meer) aangegeven dat haar moeder haar in de buik heeft geschopt. Ook op de [behandelgroep 1] , waar [minderjarige] tot voor kort verbleef, en op de [behandelgroep 2] gaat het niet goed. [minderjarige] houdt zich niet aan de regels, accepteert onvoldoende begeleiding en is moeilijk te begrenzen. Daarnaast bestaan er ernstige zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] loopt gedurende de dag en de nacht regelmatig weg van de groep, waarbij zij bij de hulpverlening heeft aangegeven dat zij dan ook wegloopt naar twee broers en met één van hen zes tot zevenmaal per dag seksueel contact heeft op plekken zoals in het bos of in een tunneltje. [minderjarige] zou graag moeder willen worden en is inmiddels over tijd. Een zwangerschapstest moet hierover duidelijkheid gaan geven. Haar gedrag heeft tevens een negatieve invloed op de andere jongeren van de groep. [minderjarige] is zo bezig met de twee broers dat zij continue luid met hen aan het videobellen is, zowel op de groep als in de nacht. Hier hebben de andere jongeren op de groep last van en worden zij door het nachtelijk bellen van [minderjarige] uit hun slaap gehouden. [minderjarige] laat zich hierin niet sturen door de begeleiding en reageert verbaal agressief als zij hierop wordt aangesproken en dreigt met fysiek geweld. Inmiddels reageert [minderjarige] standaard op die manier. In het verleden heeft dit geleid tot fysieke escalaties waar de politie bij moest komen, dit wordt nu geprobeerd te voorkomen. Dit heeft echter tot gevolg dat de groep haar onvoldoende nabijheid, structuur, veiligheid en grenzen kan aanbieden. [minderjarige] verbleef eerder op de [behandelgroep 2] (waar ook veel en vergelijkbare zorgen waren over [minderjarige] ) en inmiddels verblijft zij hier wederom, na bedreigingen door jongeren op de [behandelgroep 1] . De GI heeft aangegeven dat de situatie onhoudbaar is geworden. De kinderrechter stelt vast dat de emotionele- en fysieke veiligheid van [minderjarige] op dit moment niet kan worden gewaarborgd binnen de thuissituatie of op een open groep.\n\n4.3.. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen..\n\n4.4.. Uit de verklaring van de onafhankelijk gedragswetenschapper, de heer [persoon 2] , volgt dat [minderjarige] het beste persoonlijk kan worden gesproken nadat zij gesloten is geplaatst, nu de GI het risico dat [minderjarige] zich anders zal onttrekken of door anderen wordt onttrokken, als groot inschat. De heer [persoon 2] heeft derhalve op basis van de informatie in het dossier schriftelijk ingestemd met het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp.\n\n4.5.. De kinderrechter heeft vervolgens telefonisch contact gehad met de hiervoor genoemde jeugdbeschermer. Hierop is het verzoek aangepast in die zin dat thans wordt verzocht een spoedmachtiging te verlenen voor de duur van vier weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Uit het e-mailbericht van de GI van 19 mei 2025 volgt dat de gedragswetenschapper ook met de gewijzigde termijn in het spoedverzoek kan instemmen.\n\n4.6.. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, met ingang van 19 mei 2025 en tot 2 juni 2026. Het resterende deel van het verzoek, alsmede de beslissing op het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden, zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. Verdere beslissingen op het (spoed)verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hierover te worden gehoord.\n\n4.7.. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij zo snel mogelijk, maar in elk geval vóór de hierna te noemen zitting, een nieuwe schriftelijke instemmingsverklaring van een gekwalificeerd gedragswetenschapper overlegt, waaruit blijkt dat de gedragswetenschapper met [minderjarige] heeft gesproken en waarin de gedragswetenschapper zich uitlaat over het (resterende deel van het) spoedverzoek en het verzoek van de GI strekkende tot het verlenen van een machtiging tot gesloten plaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden (regulier verzoek).\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nJE RK 26-857 (spoedverzoek);\n\n5.1.. verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 19 mei 2026 en tot 2 juni 2026;\n\nbeide zaaknummers;\n\n5.2.. bepaalt dat de GI, [minderjarige] en haar advocaat, de moeder en de vader zullen worden gehoord tijdens de zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Van de Merbel, kinderrechter, en houdt ook de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek en het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot gesloten jeugdhulp aan tot de hiervoor genoemde zitting, waarvoor 45 minuten wordt uitgetrokken;\n\n5.3.. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de GI, [minderjarige] en haar advocaat, en de moeder.\n\n5.4.. bepaalt dat de vader bij aparte brief zal worden opgeroepen voor de zitting;\n\n5.5.. behoudt zich iedere verdere beslissing voor.\n\nDeze beschikking is gegeven door Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5379","2026-07-13T00:28:25.461Z",{"id":154,"ecli":155,"slug":156,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":157,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":158,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":48,"updatedAt":160},"1825","ECLI:NL:RBZWB:2026:5330","ecli-nl-rbzwb-2026-5330","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448110 \u002F JE RK 26-826\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nWILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende te [woonplaats 2] .\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\n1.3.. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.1.4.. De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend aan de heer [de opa (mz)] , de opa moederszijde (hierna: mz), om bij de zitting aanwezig te zijn.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 januari 2027.\n\n2.3.. Bij beschikking van 25 november 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025.\n\n2.4.. Bij beschikking van 4 december 2025 is de beschikking van 25 november 2025 herroepen, waarbij een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is verleend met ingang van 25 november 2025 en het resterende deel van het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is afgewezen.\n\n2.5.. Bij beschikking van 12 mei 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.\n\n2.6.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. [minderjarige] verblijft met haar halfzusje mz in een pleeggezin en er is op dit moment geen andere manier om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen dan continuering van de plaatsing in het pleeggezin. Er is in de afgelopen maanden geprobeerd de opvoedsituatie van [minderjarige] te verbeteren, waaronder een verblijf in een moederkindhuis. Het leek daarna beter te gaan in de thuissituatie en de moeder pakte alles goed op, totdat zij de vader tegen de veiligheidsafspraken in op 3 mei 2026 heeft binnengelaten in haar woning en zwaar is mishandeld. Hierdoor is [minderjarige] opnieuw getuige geweest van huiselijk geweld. Daarbij is het ook zorgelijk dat de moeder van 7 uur ’s ochtends tot half 4 ’s middags buiten bewustzijn is geweest en onduidelijk is wat er die dag met [minderjarige] is gebeurd, maar zij naakt is aangetroffen door de politie. De GI maakt zich forse zorgen over de onvoorspelbaarheid en de dreiging vanuit de vader. De GI begrijpt dat de moeder graag wil dat [minderjarige] bij haar verblijft, maar is van mening dat de veiligheid van [minderjarige] dan onvoldoende wordt gewaarborgd. De moeder is op 3 mei 2026 namelijk naar de opa mz gegaan, maar heeft op 8 mei 2026 aangegeven dat zij graag terug wilde naar haar woning. Zij was van mening dat een videodeurbel haar veiligheid zou kunnen waarborgen. De GI ervaarde op dat moment druk vanuit de moeder dat zij terug naar huis wilde en zag hierin een wisselende houding bij de moeder. Het lukt de moeder niet om de keuzes te maken die zorgen voor een veilige leefomgeving voor [minderjarige] . Het is belangrijk dat de moeder gaat zorgen voor een veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] en alle hulp gaat aanpakken om met de vader te breken.4.2.. Door en namens de moeder is verzocht de spoedbeslissing van 12 mei 2026 te herroepen en het resterende deel van het verzoek af te wijzen. De moeder kan namelijk samen met [minderjarige] bij de opa mz verblijven. Dat is een veilige plek voor de moeder en [minderjarige] . Vanuit daar heeft de moeder ondersteuning van de opa mz en wil zij een andere woning zoeken. Daarbij verklaart de moeder dat zij voorafgaand aan de uithuisplaatsing niet heeft gezegd dat zij per direct terug naar huis wilde, maar heeft aangegeven dat zij terug naar huis zou gaan als dat veilig genoeg zou zijn. Zij kan immers niet tot [minderjarige] 18 jaar is bij de opa mz blijven wonen. Daar komt bij dat een terugkeer naar de thuissituatie ook voor de stabiliteit van [minderjarige] ten aanzien van de opvang en de zorgregeling met het halfzusje mz van belang is. Daarnaast heeft de moeder EMDR-therapie in Zeeland en vindt zij het belangrijk dat ze hier naartoe kan blijven gaan, zeker gelet op hetgeen er is gebeurd. Dit maakt dat de moeder enerzijds in Zeeland moet zijn, maar tegelijkertijd wordt de situatie in Zeeland onvoldoende veilig geacht. Hierdoor zit de moeder klem en zij heeft het gevoel dat zij steeds verder verstrikt raakt in deze situatie. Desgevraagd verklaart de moeder dat zij erg bang is geweest voor de vader. Zij kan niet inschatten waar hij toe in staat is. Hij heeft haar op 3 mei 2026 mishandeld en heeft aangegeven dat hij zichzelf aan het voorbereiden is om haar te vermoorden.5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 13 mei 2026, is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 18 mei 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 12 mei 2026 moet worden herroepen. De dreiging vanuit de vader was ten tijde van de spoedbeschikking namelijk dermate groot dat er geen andere manier was om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.5.2.. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] op dit moment nog niet kan terugkeren naar de thuissituatie. Gebleken is dat [minderjarige] al veel heeft meegemaakt en meermaals oor- en ooggetuige is geweest van huiselijk geweld. Op 3 mei 2026 is de moeder in haar woning mishandeld door de vader en [minderjarige] is hier getuige van geweest. Door de mishandeling is de moeder langere tijd buiten bewustzijn geweest. Op dat moment was de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd en het is onbekend wat er in de tussentijd met haar is gebeurd. Ook is gebleken dat de vader de moeder heeft gewurgd en heeft aangegeven dat hij de moord op de moeder aan het voorbereiden is. De moeder is op 3 mei 2026 met [minderjarige] naar de opa mz gegaan, maar heeft enkele dagen later aangegeven dat zij wilde terugkeren naar haar woning. Gelet op de onvoorspelbaarheid en de dreiging vanuit de vader is de kinderrechter van oordeel dat het voor [minderjarige] onvoldoende veilig om terug te keren naar de thuissituatie. Als de moeder met [minderjarige] terugkeert naar de thuissituatie, is immers sprake van een acuut gevaar voor [minderjarige] dat zij (opnieuw) getuige of slachtoffer wordt van ernstig geweld. Ook als de moeder met [minderjarige] bij de opa mz zou verblijven, is de kinderrechter van oordeel dat de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende is gewaarborgd. Het lukt de moeder namelijk niet altijd om keuzes te maken die zorgen voor een veilige situatie voor [minderjarige] en zij is niet betrouwbaar als het gaat om de vader, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit de omstandigheid dat zij hem tegen de veiligheidsafspraken in heeft toegelaten tot haar woning en hem vervolgens tegenover de politie in bescherming nam door te zeggen dat hij niet in haar woning was. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de duur van drie maanden, te weten tot 26 augustus 2026.5.3.. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek aanhouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 26 augustus 2026, zodat op dat moment opnieuw kan worden bezien wat de situatie is en welke stappen er zijn gezet om de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie te waarborgen. De kinderrechter verwacht dat de GIuiterlijk één week voorafgaand aan de nadere zittingschriftelijk zal informeren over het verloop van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de situatie van zowel de moeder als de vader.5.4.. De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat in de komende periode wordt gewerkt aan een veilige woonplek voor de moeder en [minderjarige] . Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met de moeder in gesprek gaat over de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd dient te zijn.5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 mei 2026 en tot 26 augustus 2026;6.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 26 augustus 2026, tegen welke zitting de GI, de (advocaat van de) moeder en de vader dienen te worden opgeroepen;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5330","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.633Z",{"id":162,"ecli":163,"slug":164,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":165,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":166,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":48,"updatedAt":167},"293","ECLI:NL:RBZWB:2026:5335","ecli-nl-rbzwb-2026-5335","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448098 \u002F JE RK 26-822\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nWILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonend op een voor de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M. Kalle uit Middelburg.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .2.2.. Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 januari 2027.\n\n2.3.. \n\nBij beschikking van 25 november 2025 is een spoedmachtiging verleend om\n\n [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 juli 2026.\n\n2.4.. Bij beschikking van 12 mei 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.2.5.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. Er is sprake van een dreigende situatie door de onvoorspelbaarheid van de ex-partner van de moeder. De ex-partner van de moeder weet namelijk waar de vader woont en de GI kan niet inschatten wat er zal gebeuren als hij naar de woning van de vader gaat. Wel weet de GI dat in het verleden sprake is geweest van fysieke agressie tussen de vader en de ex-partner van de moeder. De dreigende situatie vanuit de ex-partner van de moeder vormde aanleiding voor het spoedverzoek, maar dit neemt niet weg dat de GI al langere tijd zorgen heeft over de opvoedsituatie bij de vader. De GI wil daarom de mogelijkheden voor een gezinsopname bezien om te onderzoeken wat [minderjarige] op langere termijn nodig heeft en of de vader daarbij kan aansluiten. [minderjarige] heeft namelijk al veel meegemaakt en er is sprake van een licht verstandelijke beperking. Zij heeft dringend behandeling nodig, maar is op dit moment niet behandelbaar door de instabiliteit in haar omgeving. Het is belangrijk dat [minderjarige] rust krijgt. Deze rust kan worden geboden in het pleeggezin, waar [minderjarige] samen met haar halfzusje moederszijde (mz) verblijft.4.2.. De moeder stelt dat een voortzetting van de plaatsing in het pleeggezin op dit moment het beste is voor [minderjarige] . De moeder maakt zich namelijk zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie van de vader. [minderjarige] heeft meer nodig dan de vader kan bieden en de moeder heeft niet het gevoel dat [minderjarige] veilig is bij de vader. De vader is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten en de moeder heeft zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] , onder meer doordat [minderjarige] langere tijd moeite heeft gehad met plassen. Daarnaast leidt de moeder uit uitspraken van [minderjarige] af dat zij door de vader wordt belast met volwassen zaken. De moeder vraagt al langere tijd aandacht voor deze zorgen, maar voelt zich daarin onvoldoende gehoord. Verder vindt de moeder het belangrijk dat [minderjarige] samen blijft met haar halfzusje mz en dat zij niet uit elkaar worden gehaald. Ook vindt de moeder het belangrijk dat zij in de komende periode contact kan hebben met [minderjarige] en dat er een informatie- en consultatieregeling wordt opgesteld.4.3.. De vader verzoekt het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Hij wil graag dat [minderjarige] weer naar terug naar huis komt. Het gaat namelijk goed met [minderjarige] in de thuissituatie van de vader en er was een positieve ontwikkeling zichtbaar, ook op school. De vader wil deze positieve ontwikkeling voortzetten en staat daarbij open voor hulpverlening. Daar heeft hij al meermaals om gevraagd bij de GI. Uit de stukken volgt dat de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nodig acht vanwege de zorgen over de ex-partner van de moeder en de angst dat hij bij de vader zal langskomen. Uit de stukken volgt niet dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader dermate ernstig zijn dat [minderjarige] daar niet langer kan verblijven. De situatie bij de vader thuis is veilig. De voordeur zit op slot en de vader zal de ex-partner van de moeder niet in zijn woning laten als hij onverhoopt voor de deur staat. Ook kunnen afspraken worden gemaakt met school. Als de GI andere veiligheidsafspraken nodig acht, zal de vader daar aan meewerken.5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 13 mei 2026, is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling van 18 mei 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 12 mei 2026 moet worden herroepen. De dreiging vanuit de ex-partner van de moeder was ten tijde van de spoedbeschikking namelijk dermate groot dat er geen andere manier was om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.5.2.. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment niet noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat er al langere tijd veel zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbaar meisje en zij heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. [minderjarige] woonde bij de moeder, maar sinds 25 november 2025 verblijft zij op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. Hieruit leidt de kinderrechter af dat een plaatsing bij de vader op dat moment in het belang van [minderjarige] werd geacht en voldoende veilig werd bevonden. Dit blijkt ook uit de beschikking van 22 januari 2026 waarin is overwogen dat de plaatsing bij de vader voldoende veilig is en dat het in de thuissituatie goed gaat met [minderjarige] . Uit hetgeen de moeder en de GI naar voren hebben gebracht volgt dat er in de afgelopen periode zorgen naar voren zijn gekomen over de ontwikkeling van [minderjarige] en de opvoedsituatie bij de vader, maar deze zorgen hebben er kennelijk niet toe geleid dat [minderjarige] volgens de GI niet langer bij de vader kon verblijven. Dit volgt naar het oordeel van de kinderrechter ook niet uit de overgelegde stukken. Hoewel uit het verzoek volgt dat de plaatsing bij de vader gelet op de zorgvraag van [minderjarige] niet ideaal is op langere termijn, is ook door de GI toegelicht dat een gezinsopname mogelijk passend kan zijn in deze situatie. Door de vader is verklaard dat hij bereid is de benodigde hulpverlening te aanvaarden en zelf al langere tijd vraagt om hulp bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Ook neemt de kinderrechter in overweging dat weliswaar sprake is van een dreigende situatie door het onvoorspelbare gedrag van de ex-partner van de moeder, maar deze dreiging heeft zich in de afgelopen week niet geuit richting [minderjarige] of de vader. De vader heeft verklaard dat hij de ex-partner van de moeder niet in de woning zal toelaten als hij voor de deur staat en dat hij afspraken zal maken met de school van [minderjarige] voor als de ex-partner van de moeder daar ineens onverhoopt verschijnt. Daarnaast heeft de vader toegezegd zijn medewerking te verlenen aan door de GI noodzakelijk geachte veiligheidsafspraken. Het voorgaande maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie van de vader op dit moment voldoende kan worden gewaarborgd. Gelet daarop wordt niet voldaan aan de vereisten die de wet stelt aan een (wijziging van de) uithuisplaatsing. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom afwijzen. Dit betekent dat [minderjarige] op basis van de op 12 mei 2026 verleende spoedmachtiging tot 26 mei 2026 in het pleeggezin kan verblijven en dat voor afloop van deze machtiging moet worden toegewerkt naar een plaatsing bij de vader.5.3.. De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met de moeder in gesprek gaat over de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd dient te zijn.6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. wijst het resterende deel van het verzoek af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5335","2026-07-13T00:28:23.031Z",{"id":169,"ecli":170,"slug":171,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":172,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":48,"updatedAt":174},"290","ECLI:NL:RBZWB:2026:5340","ecli-nl-rbzwb-2026-5340","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F443639 \u002F JE RK 26-8\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nRAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] (Eritrea), hierna te\n\nnoemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een onbekend adres in [plaats 1] ,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,\n\n [de stiefmoeder],\n\nhierna te noemen de stiefmoeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg.\n\nDe gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,hierna te noemen de GI, gevestigd te Eindhoven.\n\nHet verdere verloop van de procedure\n\n1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde beschikking van 28 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet bericht van de Raad met bijlagen van 16 februari 2026;\n\nde brief van de GI van 10 april 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de GI van 15 mei 2026 met bijlagen.\n\n1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat;\n\nde moeder;\n\nde stiefmoeder;\n\neen vertegenwoordiger van de Raad;\n\neen vertegenwoordiger van de GI.\n\n1.3. De ouders en de stiefmoeder zijn tijdens de zitting bijgestaan door een tolk Tigrinya , te weten de heer [persoon] .2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] verblijft bij de vader.\n\n2.3.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026\n\n [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026. Tevens\n\nis een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een\n\njeugdhulpaanbieder en in aansluiting hierop in een gezinsgerichte opvang of voorziening\n\nvoor pleegzorg met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\n2.4.. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Tevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefmoeder, te weten bij mevrouw [de stiefmoeder] , en aansluitend hierop in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte opvang of voorziening voor pleegzorg met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot de zitting van heden.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen dan wel (mogelijk opvolgend) in een netwerkpleeggezin voor de duur van zes maanden. De Raad heeft het verzoek tijdens de zitting van 14 april 2026 gewijzigd in die zin dat thans wordt verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen bij de stiefmoeder ter overbrugging naar een plaatsing binnen een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder\u002Fnetwerkpleeggezin. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Thans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode van de ondertoezichtstelling met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027, alsmede de resterende periode van het verzoek tot uithuisplaatsing met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige] heeft tijdens het kindgesprek op 28 april 2026 verteld dat hij graag naar huis wil, waarmee hij bedoelt: bij de vader gaan wonen. Het is niet dat hij een hekel heeft aan zijn stiefmoeder, maar hij mist zijn vader. Hij begrijpt hem als een vriend. [minderjarige] heeft zijn vader drie dagen gezien en de vader heeft zijn haar toen geknipt en voor hem gekookt en [minderjarige] durft nu echt te zeggen dat hij is veranderd. De vader heeft wel stress over bepaalde dingen, zoals over problemen die hij met de gemeente heeft. [minderjarige] vond het niet leuk op de [woongroep] . Er zijn nu geen ruzie of problemen in de thuissituatie. [de zus] en [de broer] zijn altijd thuis. Hij mag zijn zus wel. [de broer] zit regelmatig in de garage scooters te repareren. [minderjarige] wil benadrukken dat het incident met het mes zag op een situatie waarbij hij zichzelf tijdens het snijden van groenten had gesneden. Hij heeft niet gevochten.\n\n4.2.. De Raad verzoekt het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing toe te wijzen. Gelet op de signalen en zorgen is de Raad van mening dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader niet in zijn belang is. Er is veel aan de hand, maar het blijft onvoldoende duidelijk wat precies.\n\n4.3.. De GI heeft naar voren gebracht dat het vermoeden bestaat dat [minderjarige] heel veel structuur nodig heeft. Hij heeft wat absentie-uren en zou opgeroepen worden door Halt. Er zijn daarnaast zorgen dat hij zich in criminele kringen bevindt. Daar is nog onduidelijkheid over. Maar de mensen om [minderjarige] heen, zowel school als hulpverlening, hebben best veel zorgen. Het is belangrijk dat [minderjarige] stabiliteit en veiligheid mag ervaren. Hoewel de GI het [minderjarige] zou gunnen dat hij bij de vader kan blijven, is de GI van mening dat dit nu niet het meest in het belang van [minderjarige] is. Daarbij komt dat onduidelijk is of [minderjarige] vanuit die situatie wel voldoende in de gelegenheid zal zijn om aan zijn toekomst te werken. Op een groep is er meer toezicht en sturing. Er moet eerst nog verder met de vader worden gewerkt. Daarnaast moet meer zicht komen op [minderjarige] en zijn netwerk. Het is wat de GI betreft niet uitgesloten dat [minderjarige] ooit weer terug kan keren naar de vader, maar de mogelijkheden daarvoor moeten dan eerst goed zijn onderzocht. Er moet zo snel mogelijk stabiliteit komen voor [minderjarige] .\n\n4.4.. De moeder herkent het verhaal van [minderjarige] over het mes. De moeder is eergisteren aangekomen in Nederland. Zij had [minderjarige] niet meer gezien sinds dat hij één jaar oud was. Er zijn in het verleden andere problemen geweest in Sudan. Het was niet gemakkelijk om [minderjarige] daar op te voeden. Daarom heeft de moeder [minderjarige] aan de vader meegegeven. [minderjarige] heeft tegen de moeder gezegd dat hij graag bij haar wil komen wonen. De moeder realiseert zich dat [minderjarige] is opgevoed door de vader. De moeder wil [minderjarige] graag leren kennen en hem Engeland laten zien.\n\n4.5.. De stiefmoeder herkent het verhaal van [minderjarige] over het mes, ook. Hij is altijd aan het knutselen. Zij is tevreden over het gedrag van [minderjarige] . Zij hebben een sterke verbinding. De stiefmoeder is blij dat [minderjarige] zijn moeder weer heeft gezien. Het is nu rustig thuis.\n\n4.6.. De advocaat van de stiefmoeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] een van de slechtste opties is, wat de stiefmoeder betreft. Door de inzet van hulpverlening kan ook bezien worden hoe de situatie bij de vader kan verbeteren. Niemand zit te wachten op de uithuisplaatsing van [minderjarige] en het feit dat [minderjarige] dan een ontevreden jongen is. Het geeft ook veel onzekerheid. [minderjarige] verblijft al sinds 4 mei jl. bij de vader. Vanuit die situatie kan ook aan verbetering worden gewerkt. Niet vanuit wéér een wisseling in verblijfplaats. De stiefmoeder vindt de ondertoezichtstelling wel passend.\n\n4.7.. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat het goed gaat met hem. Hij heeft geen stress. Alles is goed. [minderjarige] verblijft weer bij hem. Er zijn op dit moment twee contactpersonen bezig met zijn situatie en ook nog iemand anders. De vader wil niet dat [minderjarige] ergens anders naartoe gaat. Hij wil hem graag thuis hebben.\n\n4.8.. Door de advocaat van de vader wordt tijdens de zitting naar voren gebracht dat de vader geen verweer voert tegen de ondertoezichtstelling. De vader kan echter niet instemmen met de uithuisplaatsing. De vader ontvangt hulpverlening en ook is een gezinscoach bij hem betrokken. Door middel van de inzet van de GI kan verder worden onderzocht welke hulpverlening ingeschakeld moet worden. De vader is bereid om mee te werken aan alles wat nodig is voor [minderjarige] . De vader is van mening dat [minderjarige] bij hem thuis op zijn plek zit.\n\n5. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toegepast recht;\n\n5.1.. \n\nDe kinderrechter constateert dat [minderjarige] en de vader de\n\nEritrese nationaliteit hebben en de moeder de Britse. Dit brengt mee dat deze\n\nzaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te\n\nbeoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de\n\nkinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.\n\n5.2.. \n\nOp grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn\n\nter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het\n\ngrondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de\n\nzaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.\n\n5.3.. \n\nNu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond\n\nvan het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands\n\nrecht op het verzoek worden toegepast.\n\nInhoudelijke beoordeling;\n\n5.4.. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.. Belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Het resterende deel van het verzoek daartoe zal dan ook worden toegewezen voor de duur zoals verzocht. Ten aanzien van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] overweegt de kinderrechter als volgt. Gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat de zorgen, zoals omschreven in de beschikking van 28 januari 2026 nog steeds aanwezig zijn. [minderjarige] heeft het grootste gedeelte van zijn leven bij en met de stiefmoeder gewoond, maar is op 4 mei 2026 bij zijn vader ingetrokken. Daar verblijft hij nog steeds, ondanks dat ten aanzien van [minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend tot 19 mei 2026. Zowel de Raad als de GI hebben de opvatting dat het verblijf van [minderjarige] bij de vader en de stiefmoeder niet het meest in zijn belang is. De kinderrechter kan de GI en de Raad hierin volgen. Gebleken is namelijk dat de stiefmoeder niks herkent van de aangegeven zorgen over [minderjarige] en blijft al twee jaar bij het standpunt dat alles goed gaat. Daarnaast heeft de betrokken hulpverlening ( [hulpverlening] ) sterk de indruk dat de stiefmoeder onder druk wordt gezet, wat er mede toe zou hebben geleid dat [minderjarige] nu bij de vader is ingetrokken. De vader lijkt zijn eigen onmacht te erkennen en ook het patroon van boosheid, slaan, richting de gezinsleden en zichzelf, maar vertaalt dit ook naar betrokkenheid op de minderjarige en zijn broer en zusje en daarnaast verwachtte de vader gehoorzaamheid van hen. De hulpverlening ziet tevens dat vader kwetsbaar is. Hij is herstellende van ziekte, heeft zijn gezin verloren en verbleef tot voor kort alleen in de echtelijke woning. Daarnaast wordt gezien dat de vader moeilijkheden heeft om te functioneren binnen het Nederlandse systeem. De extra controles die de vader ontvangt vanuit de gemeente geeft hem veel stress en deze stress wordt ook opgemerkt door [minderjarige] . Vanuit school wordt een jarenlang patroon gezien waarbij [minderjarige] veel angst vertoont richting de vader. Zowel school als de gemeente en andere betrokkenen maken zich veel zorgen over [minderjarige] . Op school geeft [minderjarige] aan dat hij liever op een neutrale plek verblijft. [hulpverlening] merkt op dat [minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict bevindt, doorgegeven vanuit trauma. Betrokken hulpverlening signaleert dat [minderjarige] zich onttrekt aan het gezag van de ouders. Daarnaast signaleert school dat [minderjarige] op straat te vinden is, ook ’s nachts en er zijn inmiddels grote zorgen over het (criminele)netwerk waar [minderjarige] zich in bevindt. Daarbij komt dat het incident met het mes tegenstrijdige verhalen kent en [minderjarige] ook verschillende signalen afgeeft bij wie hij het liefst zou willen wonen.\n\n5.5.. De kinderrechter stelt aldus vast dat er grote zorgen zijn over [minderjarige] , hetgeen wordt bemoeilijkt doordat de ouders – maar ook [minderjarige] – blijven volhouden dat het goed gaat, terwijl er vanuit verschillende hoeken signalen komen dat daarvan geen sprake is. De kinderrechter is derhalve van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij uit de huidige situatie wordt gehaald en mag verblijven op een plek waar hem veiligheid, stabiliteit en rust kan worden geboden. Vanuit die situatie zal mogelijk meer zicht kunnen komen op de gebeurtenissen en zorgen rondom [minderjarige] en hetgeen hij daarvoor nodig heeft. Vanuit een situatie van rust, stabiliteit en veiligheid kan [minderjarige] zich weer gaan richten op zijn ontwikkelingstaken en stappen gaan zetten voor zijn toekomst. Dit betekent dat de kinderrechter het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal toewijzen. Zij geeft hierbij opdracht aan de GI om deze plaatsing op korte termijn te realiseren, waarbij het belang van [minderjarige] en zijn ontwikkelingsbehoeften voorop staan. De aankomende periode dient verder te worden gebruikt om zicht te krijgen op de (on)mogelijkheden van de ouders en de stiefmoeder in hun rol als opvoeder en verzorger van [minderjarige] . Vervolgens moet blijken of zij in staat zijn om [minderjarige] een blijvend veilig en stabiele opvoedingsomgeving te kunnen bieden, waarbij ook oog moet zijn voor de inzet van hulpverlening om dit dan wel te kunnen realiseren. Nu [minderjarige] uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij graag bij de vader wil wonen en hij daar nu ook feitelijk verblijft, dient in het bijzonder te worden gekeken of het mogelijk is dat [minderjarige] op -korte- termijn weer bij de vader kan wonen en wat daarvoor nodig is. De kinderrechter zal gelet op het voorgaande het resterende deel van het (onweersproken) verzoek tot ondertoezichtstelling toewijzen tot 28 januari 2027. Daarnaast zal de kinderrechter ook het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toewijzen met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026. In dit verband merkt de kinderrechter nog op dat op de zitting van heden niet is verzocht om een wijziging van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , ondanks het feitelijk verblijf van [minderjarige] bij de vader en de zorgen over de (opvoedingsomgeving van de) stiefmoeder. Dit betekent dat [minderjarige] – ter overbrugging naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte voorziening – bij de stiefmoeder zal verblijven. Gelet op de zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie bij zowel de vader als de stiefmoeder, benadrukt de kinderrechter dat een overbruggingsperiode aldaar niet wenselijk is en deze plaatsing derhalve, indien de GI zich toch genoodzaakt voelt om deze overbruggingsperiode te gebruiken om een andere plaatsing te kunnen realiseren, niet langer mag duren dan strikt noodzakelijk is. De kinderrechter verwacht in deze situatie nauwgezette opvolging en – indien de situatie daartoe aanleiding geeft – tijdig ingrijpen door de GI.\n\n5.6.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister .\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027;\n\n6.2.. verlengt de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefmoeder, te weten bij mevrouw [de stiefmoeder] ,en aansluitend hierop in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder dan wel gezinsgerichte opvang of voorziening voor pleegzorg met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026;\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.\n\n Artikel 1:265b, eerste lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5340","2026-07-13T00:28:22.902Z",{"id":176,"ecli":177,"slug":178,"caseNumber":43,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":179,"summary":43,"language":7,"source":45,"sourceUrl":180,"sourceTimestamp":159,"parsedAt":48,"updatedAt":181},"1839","ECLI:NL:RBZWB:2026:5334","ecli-nl-rbzwb-2026-5334","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F444379 \u002F JE RK 26-139\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nRAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 1] 2009, hierna te\n\nnoemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 2] 2012, hierna te\n\nnoemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt ten aanzien van [persoon] als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg.\n\nDe gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,hierna te noemen de GI, gevestigd te Eindhoven.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde beschikking van 28 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet bericht van de Raad met bijlagen van 16 februari 2026;\n\nde brief van de GI van 10 april 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de GI van 15 mei 2026 met bijlagen.\n\n1.2.. \n\nOp 18 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet.\n\nDaarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat;\n\nde moeder;\n\neen vertegenwoordiger van de Raad;\n\neen vertegenwoordiger van de GI;\n\n1.3.. De ouders zijn tijdens de zitting bijgestaan door een tolk Tigrinya, te weten de heer [tolk] .\n\n2. De feiten\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.1.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\nTevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van\n\neen jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\n2.2.. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Tevens is de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek werd aangehouden tot de zitting van heden.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nDe Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van\n\neen jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een\n\naccommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\nThans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode van de ondertoezichtstelling van beide minderjarigen met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027, alsmede de resterende periode van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat het goed met haar gaat. Ze woont bij haar moeder. [minderjarige 1] heeft haar therapie afgerond. Er wordt gezegd dat het thuis onderling niet goed gaat, maar niet alles daarvan is juist. Over haar broertjes klopt het wel dat het niet zo goed gaat. [persoon] woont tijdelijk bij hen. [minderjarige 2] woont zowel thuis als op de groep. [persoon] vindt het wel fijn als iedereen bij elkaar is. Er is niet per se sprake van ruzie thuis. [minderjarige 1] maakt zich juist meer zorgen als haar broertjes niet thuis wonen. [minderjarige 1] heeft haar vader al een tijd niet meer gezien. Zodra het weer goed gaat met de vader, verwacht [minderjarige 1] dat zij weer aan hun relatie kunnen werken. [minderjarige 2] heeft het verkeerde voorbeeld gehad. De vader zou meer contact met hem moeten zoeken en de moeder zou haar en haar broertjes niet altijd meer moeten zien als vrienden. [minderjarige 2] luistert nu goed thuis en houdt zich aan de regels. Voorheen was er voornamelijk ruzie omdat hij over grenzen heenging. [minderjarige 1] kan met haar moeder praten.\n\n4.2.. \n [minderjarige 2] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat het thuis gewoon normaal gaat. [minderjarige 2] zou het liefst bij zijn moeder blijven wonen. Hij wil niet met iemand praten. Wat hij heeft meegemaakt doet hem niets en weerhoudt hem er ook niet van om verder te leven. Hij belt elke dag met de vader. Hij begrijpt niet waarom mensen zeggen dat het niet goed gaat bij de moeder thuis. [minderjarige 2] is geopereerd geweest aan zijn arm, nadat hij met een gestolen bestelbus een auto-ongeluk heeft gehad. [minderjarige 2] reed overigens zelf niet. [minderjarige 2] vindt de hele situatie overdreven. Het gaat goed thuis. Voordat hij bij [woongroep] werd geplaatst had hij wel vier vechtpartijen gehad, maar dat was uit zelfverdediging. [woongroep] heeft hem zelf laten gaan.\n\n4.3.. De Raad handhaaft het verzoek. [woongroep] was niet de meest passende plek voor [minderjarige 2] . In het rapport heeft de Raad ook geadviseerd om eerst diagnostiek in te zetten, zodat duidelijk zou worden wat het meest passend is voor [minderjarige 2] . De Raad denkt niet dat de thuissituatie van de vader het meest passend is. Er zijn zorgen over het gedrag. Er is veel aan de hand, maar de Raad krijgt onvoldoende helder wát er precies speelt. Daarom vindt de Raad diagnostiek noodzakelijk. De Raad heeft gelezen dat gezinsopname wordt overwogen.\n\n4.4.. De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat is geprobeerd om een buddy in te zetten voor [minderjarige 2] , maar daar is hij mee gestopt. De GI vindt het noodzakelijk dat [minderjarige 2] hulp krijgt, maar hij wil nergens aan meewerken. Ook aan diagnostiek zal hij niet gaan meewerken, evenals aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] . Het is een uitdaging om een passende plek te vinden. Van belang is dat er voor [minderjarige 2] een plek komt waar hem veel kaders en duidelijkheid wordt geboden. Er is sprake van een goede band en liefde tussen de moeder en [minderjarige 2] . Daarom heeft de GI een gezinsopname overwogen. Dat wordt echter bemoeilijkt doordat [minderjarige 2] weigert mee te werken. De GI heeft ook een gesloten plaatsing overwogen. Het gedrag van [minderjarige 2] is daarvoor echter niet helemaal passend en er worden ook geen aanmeldingen meer gedaan omdat er geen bedden beschikbaar zijn. De moeder ontvangt wekelijks bezoek vanuit de hulpverlening en zij krijgt daarnaast ondersteuning vanuit [hulpverlening 2] . De moeder verblijft momenteel bij de veilige opvang van [hulpverlening 2] . [hulpverlening 1] komt twee maal per week langs. [hulpverlening 2] kan het standpunt van de GI volgen dat voor [minderjarige 2] een passende setting nodig is. Er zijn ook veiligheidsafspraken gemaakt. Ten aanzien van de vader vraagt de GI zich af of er passende hulpverlening ingezet kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van MST, maar zij denkt eigenlijk dat dit niet passend is voor de huidige situatie. Nu de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar is geworden, vindt de GI het wel noodzakelijk dat [minderjarige 2] uit huis wordt geplaatst. De GI heeft hiervoor al aanmeldingen gedaan, maar er is geen plek voor hem. Ook de gesloten instelling heeft geen plek. Als [minderjarige 2] niet thuis verblijft heeft de GI geen concrete zorgen over [minderjarige 1] .. Zij wil dit gedurende de ondertoezichtstelling wel goed blijven monitoren. Gelet op de onhoudbare situatie vindt de GI een uithuisplaatsing toch noodzakelijk voor [minderjarige 2] . Als de machtiging is toegewezen kan hij worden aangemeld, hoewel er al eerder – tevergeefs – aanmeldingen zijn gedaan. Er is nu geen plek en ook geen zicht op een plek. Een gezinsopname lijkt ook niet te kunnen, maar de GI wil de huidige situatie ook niet laten voortduren.\n\n4.5.. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zorgen heeft gehad over [minderjarige 2] . Hij is betrokken geweest bij een auto-ongeluk en drugsdeals. Toen [minderjarige 2] nog bij hem woonde gedroeg hij zich anders. Eigenlijk was het toen een prima kind. Op dit moment gaat het wel goed met [minderjarige 2] .\n\n4.6.. Namens de vader is tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij geen verweer voert tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op basis van de huidige zorgen zou een machtiging verleend kunnen worden. Echter is er geen duidelijkheid over een geschikte plek voor [minderjarige 2] en er ligt geen concreet behandelingsplan. Hij verblijft nu bij de moeder. Op het moment dat duidelijk wordt waar [minderjarige 2] geplaatst kan worden, dan kan alsnog een spoedverzoek worden ingediend. Het verzoek ziet nog op een periode van drie maanden. Niet wordt verwacht dat een plaatsing binnen deze periode gerealiseerd kan worden, temeer omdat er nog geen nieuwe aanmeldingen zijn gedaan en er sprake is van wachtlijsten. Het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] zou derhalve afgewezen moeten worden.\n\n4.7.. De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat de mening van de GI niet klopt. Het gezin leeft vredig. Alles is verbeterd met de minderjarigen. De moeder zegt niet dat zij perfect is, maar ze heeft veel geleerd en is veranderd. Ze geeft [minderjarige 2] advies en probeert hem elke zaterdag en zondag mee te nemen naar de kerk. Na het auto ongeluk is hij ook veranderd. Hij ging toen wel het verkeerde pad op. Ze zijn nu elke avond samen. Sinds november is de situatie ten positieve veranderd. [minderjarige 2] erkent zelf ook dat het voorheen niet goed ging.\n\n4.8.. Namens de moeder wordt ten aan zien van het verzoek tot ondertoezichtstelling gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder heeft wel bezwaar tegen de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Het verzoek is weinig concreet. Waar kan hij geplaatst worden? Wat houdt de plaatsing in? Waarom moet hij (daar) geplaatst worden? Welke diagnose heeft [minderjarige 2] ? Wat wordt aangepakt? Wat zijn de doelen? Het verzoek is summier en weinig onderbouwd. Het is aan de GI om het verzoek, indien zij een uithuisplaatsing toch nodig vindt, nader te onderbouwen. Het is niet de bedoeling dat de GI een blanco machtiging wordt gegeven. Binnen de ondertoezichtstelling komt steeds meer zicht op de situatie. Op basis van hetgeen er nu ligt, is de moeder van mening dat het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen moet worden. Daar komt bij dat er nu meer rust is in de situatie.\n\n5. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toegepast recht;\n\n5.1.. De kinderrechter constateert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de beide ouders de Eritrese nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.\n\n5.2.. \n\nOp grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn\n\nter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het\n\ngrondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de\n\nzaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.\n\n5.3.. \n\nNu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond\n\nvan het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands\n\nrecht op het verzoek worden toegepast.\n\nInhoudelijke beoordeling;\n\n5.4.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.Belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Gelet daarop, alsmede gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling toewijzen.\n\n5.5.. Ten aanzien van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter merkt allereerst op dat zij zich voor een dilemma voelt staan. De afgelopen periode heeft het gedrag van [minderjarige 2] ervoor gezorgd dat er geen mogelijkheid meer is voor deeltijdplaatsing bij [woongroep] en om die reden woont hij nu weer thuis bij de moeder. De GI, maar ook [hulpverlener] (de betrokken hulpverlener) benadrukken dat het verblijf van [minderjarige 2] bij de moeder geen wenselijke situatie is, gelet op de zorgen die [hulpverlener] , de school en [hulpverlening 2] aangeven. De hulpverlening ervaart dat er dreiging uitgaat vanuit [minderjarige 2] . Uit de gesprekken met [hulpverlener] komt verder naar voren dat [minderjarige 2] erop uit is om te intimideren en afwijzing opzoekt om te voorkomen dat hij iets anders aan moet gaan. [school] , de betrokken school van [minderjarige 2] , geeft aan dat [minderjarige 2] op dit moment geen passend onderwijs geniet. [minderjarige 2] is eerder getest op lager cognitief niveau, maar wil zich nu niet meer laten testen. Hij komt op dit moment niet aan leren toe, omdat het hem ontbreekt aan een intrinsieke motivatie om een vak te leren. [school] weet zich inmiddels geen raad meer met [minderjarige 2] . [hulpverlener] schat het risico op verder criminaliseren van [minderjarige 2] en het ontwikkelen van verdere gedragsproblemen in als groot. Hulpverlening heeft aanleiding om te denken dat bij [minderjarige 2] sprake is van psychische problematiek en er zijn vragen over zijn gewetensontwikkeling. De moeder heeft geen grip op hem. Ook [minderjarige 1] zou lijden onder de situatie, maar durft zich hier volgens de hulpverlening niet goed over uit te laten. Zowel de moeder, als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeggen dat het wel goed gaat. De vader maakt zich zorgen, maar vond dat het wel goed met [minderjarige 2] ging toe hij nog bij hem woonde. De kinderrechter stelt aldus vast dat er grote zorgen zijn over [minderjarige 2] , maar ook nog veel onduidelijkheden. Dat [minderjarige 2] weigert zijn medewerking te verlenen aan onderzoek of testen bemoeilijkt het verkrijgen van een beeld over [minderjarige 2] . Het is opmerkelijk dat beide ouders aangeven dat het goed gaat met [minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder of de vader, terwijl de rondom [minderjarige 2] betrokken hulpverlening een heel ander beeld heeft. Complicerend is dat er op dit moment geen plek is voor [minderjarige 2] en ook nog onduidelijk is welke plek dan het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Hoewel de situatie van [minderjarige 2] dus zeer zorgelijk is, ligt er voor hem op dit moment geen concreet plan. Daarbij komt dat het resterende deel van het verzoek ziet op een periode van drie maanden. Volstrekt onduidelijk is gebleven of [minderjarige 2] binnen die termijn kan worden geplaatst en of deze plek dan ook geschikt is voor [minderjarige 2] . Wel staat voor de kinderrechter vast dat er snel meer nodig is. Echter nu er geen passende plek beschikbaar is en de verwachting bestaat dat deze ook niet op korte termijn kan worden gerealiseerd, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing afwijzen. Dit betekent niet dat de kinderrechter een uithuisplaatsing niet nodig vindt, maar zij voelt zich in verband met het ontbreken van een passend plan voor de plaatsing van [minderjarige 2] genoodzaakt om het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] af te wijzen. De kinderrechter vindt het in dit kader wel noodzakelijk dat zicht blijft op de thuissituatie van [minderjarige 2] , de moeder en [minderjarige 1] en dat de komende periode wordt gebruikt om zicht te verkrijgen en onderzoek te doen naar de vraag welke plek het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Dit kan binnen de ondertoezichtstelling gebeuren. De kinderrechter wijst de GI erop dat zij de mogelijkheid heeft om een nieuwe (spoed)verzoek in te dienen op het moment dat zij daarvoor aanleiding ziet. De kinderrechter verwacht dan ook van de GI dat zij de situatie rondom [minderjarige 2] nauwlettend volgt en zo nodig ook ingrijpt.\n\n5.6.. Dit betekent dat het verzoek tot uithuisplaatsing zal worden afgewezen.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing tot ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5.8.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nOndertoezichtstelling;\n\n6.1.. \n\nverlengt de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van\n\n19 mei 2026 en tot 28 januari 2027;\n\n6.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nUithuisplaatsing van [minderjarige 2] ;\n\n6.3.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5334","2026-07-13T00:29:41.322Z",20]