[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":54,"limit":55},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,46],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1651","ECLI:NL:RBZWB:2026:6058","ecli-nl-rbzwb-2026-6058","","Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Middelburg\n\nParketnummer: 02-261941-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 2005,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,\n\nten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [plaats 1] ,\n\nraadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-261955-25) en [medeverdachte 2] (02-266502-25).2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging en diefstal dan wel afpersing van de telefoon en het horloge van [slachtoffer] .3. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.4. De beoordeling van het bewijs4.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.4.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.4.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nAangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:\n\n- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 22 juni 2026;\n\n- de aangifte van [slachtoffer] van 12 augustus 2025.4.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\n1 en zijn mededaders in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht - tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en heeft gestompt, en - tegen het lichaam heeft geschopt en - met een machete en\u002Fof een kapmes in de buik en het hoofd en het lichaam heeft gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat zij, verdachten, geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en - meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam, en - vervolgens te dwingen in een auto te stappen, en - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde rijdende auto, en - meermalen met kracht te slaan en stompen en met een mes te snijden in voornoemde rijdende auto, en - vervolgens achter voornoemde auto te gooien en - opnieuw meermalen met kracht te schoppen en te trappen tegen het lichaam;\n\n3 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn telefoon moest afgeven, en - vervolgens de telefoon uit de handen te trekken;\n\nen\n\nin de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, dat geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge moest afgeven;\n\n4 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] - meermalen een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\".\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.5. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.6. De strafoplegging6.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden.6.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden passend. De verdediging verzoekt geen voorwaardelijk strafdeel op te leggen, omdat verdachte niet instemt met de bijzondere voorwaarden.6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe aard en ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, namelijk poging zware mishandeling met voorbedachten rade, wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal, afpersing en bedreiging. Alle strafbare feiten zijn gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . Verdachte en zijn broer, [medeverdachte 1] , waren ervan overtuigd dat aangever betrokken was bij een incident waarbij hun jongere zus is geslagen. Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Verdachten hebben daarom het heft in eigen handen genomen en een afspraak gemaakt met aangever waarbij zij deden alsof zij interesse hadden in het kopen van zijn scooter. Eenmaal aangekomen op de afgesproken plek hebben de verdachten het kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gedaan en hem in de auto gesleurd. Hierbij is de aangever bedreigd en meermaals geslagen en geschopt. In de auto is aangever ook bedreigd met het kapmes en geslagen. Vervolgens is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen. Ook is aangever op enig moment met het kapmes gesneden als gevolg waarvan hij snijwonden had. Het behoeft geen betoog dat deze feiten zeer beangstigend zijn geweest voor aangever. Aangever verkeerde in de veronderstelling dat er een geïnteresseerde voor zijn scooter kwam en is uit het niets op schokkende wijze overmeesterd, mishandeld en bedreigd, hetgeen ook nog door de derde verdachte is gefilmd. Met dit handelen hebben de verdachten een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van aangever. Verder veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachten hebben hier geen rekening mee gehouden en zich enkel bekommerd om hun eigen belang, namelijk het nemen van wraak. Het lijkt er daarbij sterk op dat zij wraak namen op de verkeerde persoon, nu een derde heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij het incident met de zus en aangever heeft verklaard niet van een incident te weten. De rechtbank wijst erop dat ook als er wel een incident zou zijn geweest tussen aangever en de zus van de verdachten, eigenrichting onacceptabel is en niet kan worden getolereerd. Er is sprake geweest van ernstig geweld richting aangever. Verdachten hebben hem met zijn drieën aangevallen en bruut geweld toegepast waardoor aangever meerdere verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit alles de verdachten zwaar aan.\n\nDe persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 6 juni 2026. Hieruit blijkt dat er sprake is van recidive. Verdachte is eerder voor geweldsfeiten veroordeeld, hetgeen in het nadeel van verdachte wordt meegewogen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het advies van de psycholoog van 11 maart 2026 en de rapportage van de reclassering van 5 juni 2026. Bij verdachte is een lichte stoornis in cannabisgebruik en een gedragsstoornis geconstateerd. Daarnaast zijn de intellectuele capaciteiten van verdachte naar schatting op zwakbegaafd niveau. Ten tijde van de feiten werd verdachte volgens de psycholoog niet dwingend beïnvloed door de aanwezige stoornissen, waardoor geadviseerd wordt de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over.\n\nEr zijn geen redenen om het jeugdstrafrecht toe te passen, maar de rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte.\n\nDe straf\n\nGelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijk deel als flinke stok achter de deur passend, zodat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw agressief te handelen of het heft in eigen handen te nemen. Bij bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met eendaadse samenloop. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht passend en geboden. De rechtbank ziet geen redenen om hier de geadviseerde bijzondere voorwaarden aan te verbinden, omdat verdachte heeft aangegeven hieraan niet (geheel) te willen meewerken.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.7. Het beslag\n\nDe inbeslaggenomen telefoon wordt verbeurd verklaard. De telefoon is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat\n\nde telefoon aan verdachte toebehoort en de feiten met behulp van dit voorwerp zijn voorbereid en begaan. Op de telefoon van verdachte zijn de beelden aangetroffen van de feiten en via de telefoon van verdachte is een afspraak gemaakt voor de aankoop van de scooter.8. De vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.071,24.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.\n\nDe door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is niet (inhoudelijk) door de verdediging betwist, zij het dat er om matiging is gevraagd voor wat betreft de kosten voor de telefoon en ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. De rechtbank acht de schadevergoeding geheel toewijsbaar. Zij acht de gevorderde bedragen redelijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.\n\nTevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 12 augustus 2025.\n\nDe rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 282, 285, 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.10. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1:medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, en\n\nfeit 2:medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en\n\nfeit 3:diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door meer verenigde personen\n\nen\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en\n\nfeit 4:medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;\n\n- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1,2,3 en 4)\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.071,24, waarvan € 571,24 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.071,24 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;\n\nBeslag\n\n-verklaart de telefoon (Omschrijving: PL2000-2025211797-G2905734, Apple) verbeurd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is\n\nuitgesproken ter openbare zitting op 6 juli 2026.\n\nMrs. G.H. Nomes, S.C.S. van Bree en K. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1 hij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging, althans alleen, aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen en\u002Fof heeft gestompt, en\u002Fof - tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof heeft getrapt, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft gesneden en\u002Fof heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen al dan niet met voorbedachten rade aan [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen, en\u002Fof - tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken; ( art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat hij\u002Fzij, verdachte(n), geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en\u002Fof (vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en\u002Fof - meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam, en\u002Fof - (vervolgens) te dwingen in een auto te stappen, en\u002Fof - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - meermalen (met kracht) te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof met een mes te snijden en\u002Fof te steken in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - (vervolgens) achter voornoemde auto te gooien en\u002Fof - (opnieuw) meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam; ( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven, en\u002Fof - (vervolgens) de telefoon uit de handen te trekken en\u002Fof te rukken\n\nen\u002Fof\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en\u002Fof een derde toebehoorde(n) door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\"; ( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6058","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:31.608Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1653","ECLI:NL:RBZWB:2026:6062","ecli-nl-rbzwb-2026-6062","Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Middelburg\n\nParketnummer: 02-261955-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 2006,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,\n\nten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [plaats 1] ,\n\nraadsman mr. H. Goedegebure, advocaat te Middelburg.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-261941-25) en [medeverdachte 2] (02-266502-25).2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging en diefstal dan wel afpersing van de telefoon en het horloge van [slachtoffer] .3. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.4. De beoordeling van het bewijs4.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht bewezen dat verdachte betrokken was bij alle ten laste gelegde feiten. Meerdere bewijsmiddelen in het dossier ondersteunen dat verdachte op de avond van de feiten aanwezig was. Gelet op de aangifte en de beelden kan worden vastgesteld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. De officier van justitie acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vier ten laste gelegde feiten.4.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit een integrale vrijspraak, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om de betrokkenheid van verdachte vast te stellen. De verklaring van de medeverdachte dat verdachte aanwezig was, is ongeloofwaardig en kan niet voor het bewijs worden gebezigd.4.3.. Het oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.4.3.2.. \n\nDe bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank neemt de aangifte van [slachtoffer] als uitgangspunt omdat deze op belangrijke onderdelen steun vindt in het dossier en de rechtbank deze aangifte dan ook betrouwbaar acht. Op basis van de aangifte en de andere bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nEr heeft een geweldsincident plaatsgevonden tegen een jongere zus van verdachte en [medeverdachte 1] . Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. De verdachten waren ervan overtuigd dat aangever [slachtoffer] bij het incident met de zus betrokken was en zij wilden aangever daarom een lesje leren. Zij hebben op 11 augustus 2025 een afspraak gemaakt met aangever, waarbij zij deden alsof zij geïnteresseerd waren in het kopen van zijn scooter. Verdachte en de medeverdachten zijn samen naar aangever gereden. Eenmaal aangekomen op de afgesproken locatie hebben verdachten een kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gelegd en hem bedreigd. Vervolgens hebben de verdachten aangever gedwongen in de auto, welke op naam van verdachte stond, plaats te nemen. Daarbij hebben zij aangever geslagen en geschopt. Verdachte was bestuurder, verdachte [medeverdachte 2] was bijrijder en verdachte [medeverdachte 1] had het kapmes vast en zat op de achterbank naast aangever. Ook is aangever in de auto geslagen. Daarnaast hebben verdachten hem gedwongen zijn horloge af te geven en hebben zij zijn telefoon afgepakt. Op de [straat] te [plaats 2] heeft verdachte de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen, waarbij door alle verdachten geweldshandelingen zijn verricht. Aangever is op enig moment ook met het kapmes gesneden. [medeverdachte 2] heeft in opdracht van de medeverdachten van dit incident beelden gemaakt. Als gevolg van de geweldshandelingen heeft aangever [slachtoffer] letsel opgelopen.\n\nVoor zover verdachte heeft gesteld dat hij niet aanwezig was die bewuste avond wijst de rechtbank erop dat zijn broer, [medeverdachte 1] , heeft verklaard dat verdachte erbij was, dat de telefoon van verdachte ten tijde van het incident aanstraalt op de plek van het incident, dat het interieur van de auto op de videobeelden overeenkomt met de auto van verdachte en dat de bestuurder op de beelden dezelfde jas heeft als die verdachte draagt en die ook op zijn kamer is aangetroffen. Het voorgaande heeft geleid tot de vaststelling dat verdachte bij het incident aanwezig was en degene was die de auto bestuurde. Hierbij heeft de rechtbank ook nog meewogen dat verdachte in het geheel niet kan aantonen waar hij de bewuste avond dan wel geweest zou zijn.\n\nVoorbedachten rade (feit 1)\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen blijken, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een van tevoren afgesproken plan om aangever – kort gezegd – te mishandelen en dat het niet anders kan dan dat verdachte van dit plan op de hoogte was. Immers, de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachten – naar aanleiding van een incident met hun zus – verhaal wilden gaan halen bij aangever en hem een lesje wilden leren. Zij zijn samen met [medeverdachte 2] naar de woning van aangever gereden en hebben hem aangesproken over de zus. Er was daarbij sprake van een duidelijke rolverdeling. Zo onderhield verdachte het contact met aangever en fungeerde hij als chauffeur, bedreigde [medeverdachte 1] aangever met het kapmes en heeft [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om alles te filmen. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt niet dat in zijn bijzijn tussen verdachten een gesprek heeft plaatsgevonden over deze handelingen en rolverdeling. Dit alles impliceert dat verdachten tijdens de rit naar de woning van aangever over een en ander hebben gesproken. Bovendien begon het geweld tegen aangever vrijwel direct, hetgeen er eveneens op duidt dat was afgesproken om aangever te mishandelen. Bij dat geweld was verdachte ook actief betrokken. Voor de rechtbank staat vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, gezien de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, ten aanzien van alle feiten een voldoende nauwe en bewuste samenwerking is geweest tussen verdachte en de medeverdachten. De rechtbank wijst in dat kader op de taakverdeling waarin de verdachten elkaar aanvulden en verdachte een eigen substantiële rol had. Verdachte was bovendien gedurende het hele incident aanwezig en heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het medeplegen van alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\nDe rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, het medeplegen van diefstal en afpersing en het medeplegen van bedreiging.4.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\n1 en zijn mededaders in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht - tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en heeft gestompt, en - tegen het lichaam heeft geschopt en - met een machete en\u002Fof een kapmes in de buik en het hoofd en het lichaam heeft gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat zij, verdachten, geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en - meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam, en - vervolgens te dwingen in een auto te stappen, en - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde rijdende auto, en - meermalen met kracht te slaan en stompen en met een mes te snijden in voornoemde rijdende auto, en - vervolgens achter voornoemde auto te gooien en - opnieuw meermalen met kracht te schoppen en te trappen tegen het lichaam;\n\n3 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn telefoon moest afgeven, en - vervolgens de telefoon uit de handen te trekken;\n\nen\n\nin de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, dat aan die [slachtoffer] toebehoorde door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge moest afgeven;\n\n4 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] - meermalen een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\".\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.5. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.6. De strafoplegging6.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.6.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de jeugdige leeftijd, het beperkte strafblad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De eis van de officier van justitie is buiten proportie en dient te worden gematigd.6.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe aard en ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, namelijk poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal en bedreiging. Alle strafbare feiten zijn gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] waren ervan overtuigd dat aangever betrokken was bij een incident waarbij hun jongere zus is geslagen. Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Verdachten hebben daarom het heft in eigen handen genomen en een afspraak gemaakt met aangever waarbij zij deden alsof zij interesse hadden in het kopen van zijn scooter. Eenmaal aangekomen op de afgesproken plek hebben de verdachten het kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gedaan en hem in de auto gesleurd. Hierbij is de aangever bedreigd en meermaals geslagen en geschopt. In de auto is aangever ook bedreigd met het kapmes en geslagen. Vervolgens is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen. Ook is aangever op enig moment met het kapmes gesneden als gevolg waarvan hij snijwonden had. Het behoeft geen betoog dat dit alles feiten zeer beangstigend zijn geweest voor aangever. Aangever verkeerde in de veronderstelling dat er een geïnteresseerde voor zijn scooter kwam en is uit het niets op schokkende wijze overmeesterd, mishandeld en bedreigd. Met dit handelen hebben de verdachten een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van aangever. Verder veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachten hebben hier geen rekening mee gehouden en zich enkel bekommerd om hun eigen belang, namelijk het nemen van wraak. Het lijkt er daarbij sterk op dat zij wraak namen op de verkeerde persoon, nu een derde heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij het incident met de zus en aangever heeft verklaard niet van een incident te weten. De rechtbank wijst erop dat ook als er wel een incident zou zijn geweest tussen aangever en de zus van de medeverdachten, eigenrichting onacceptabel is en niet kan worden getolereerd. Er is sprake geweest van ernstig geweld richting aangever. Verdachten hebben met zijn drieën de aangever aangevallen en bruut geweld toegepast waardoor aangever meerdere verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. Te meer nu verdachte in zijn geheel geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Ondanks dat het dossier meerdere bewijsmiddelen bevat die verdachte op de plaats van de feiten plaatst, blijft verdachte enige betrokkenheid bij de feiten ontkennen. De rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in zijn nadeel mee.\n\nDe persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat er sprake is van recidive. Verdachte is eerder voor geweldsfeiten veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de psycholoog van 11 februari 2026 en het rapport van de reclassering van 4 mei 2026. Bij verdachte zijn geen stoornissen geconstateerd en hij is volledig toerekeningsvatbaar. De reclassering ziet ook geen aanleiding om aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat verdachte een ontkennende houding heeft en niet ontvankelijk is voor een toezicht. De rechtbank volgt de reclassering in deze.\n\nEr zijn geen redenen om het jeugdstrafrecht toe te passen, maar de rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte.\n\nDe straf\n\nGelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijk deel als flinke stok achter de deur passend, zodat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw agressief te handelen of het heft in eigen handen te nemen. Bij bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met eendaadse samenloop. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.7. Het beslag\n\nDe inbeslaggenomen telefoon wordt verbeurd verklaard. De telefoon is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat\n\nde telefoon aan verdachte toebehoort en de feiten met behulp van dit voorwerp is voorbereid en begaan. Op de telefoon van verdachte zijn de beelden aangetroffen van de feiten en via de telefoon van verdachte is een afspraak gemaakt voor de aankoop van de scooter.8. De vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.071,24.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.\n\nDe door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is niet (inhoudelijk) door de verdediging betwist, zij het dat er om matiging is gevraagd voor wat betreft de kosten voor de telefoon en ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding geheel toewijsbaar. Zij acht de gevorderde bedragen redelijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.\n\nTevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 12 augustus 2025.\n\nDe rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 282, 285, 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.10. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1:medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, en\n\nfeit 2:medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en\n\nfeit 3:diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door meer verenigde personen\n\nen\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en\n\nfeit 4:medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;\n\n- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1,2,3 en 4)\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.071,24, waarvan € 571,24 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.071,24 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;\n\nBeslag\n\n- verklaart de telefoon (Omschrijving: PL2000-2025211797-G2905735, Apple) verbeurd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is\n\nuitgesproken ter openbare zitting op 6 juli 2026.\n\nMrs. G.H. Nomes, S.C.S. van Bree en K. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1 hij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging, althans alleen, aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen en\u002Fof heeft gestompt, en\u002Fof - tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof heeft getrapt, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft gesneden en\u002Fof heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen al dan niet met voorbedachten rade aan [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen, en\u002Fof - tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken; ( art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat hij\u002Fzij, verdachte(n), geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en\u002Fof (vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en\u002Fof - meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam, en\u002Fof - (vervolgens) te dwingen in een auto te stappen, en\u002Fof - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - meermalen (met kracht) te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof met een mes te snijden en\u002Fof te steken in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - (vervolgens) achter voornoemde auto te gooien en\u002Fof - (opnieuw) meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam; ( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven, en\u002Fof - (vervolgens) de telefoon uit de handen te trekken en\u002Fof te rukken\n\nen\u002Fof\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en\u002Fof een derde toebehoorde(n) door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n 4 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\"; ( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6062","2026-07-13T00:29:31.741Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":43,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":45},"1652","ECLI:NL:RBZWB:2026:6060","ecli-nl-rbzwb-2026-6060","Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Middelburg\n\nParketnummer: 02-266502-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2007,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,\n\nraadsman mr. I. Azarkan, advocaat te Roosendaal.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-261941-25) en [medeverdachte 2] (02-261955-25).2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging en diefstal dan wel afpersing van de telefoon en het horloge van [slachtoffer] .3. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.4. De beoordeling van het bewijs4.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van alle ten laste gelegde feiten. Verdachte bekent ook hierbij betrokken te zijn geweest.4.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit ten aanzien van het primaire onder 1 ten laste gelegde feit vrijspraak vanwege het ontbreken van bewijs voor de voorbedachte rade. Ten aanzien van de overige feiten voert de verdediging een kwalificatieverweer. Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om medeplegen vast te stellen. Van medeplichtigheid kan sprake zijn, maar nu dit niet ten laste is gelegd dient verdachte vrij te worden gesproken van de overige ten laste gelegde feiten.4.3.. Het oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.4.3.2.. \n\nDe bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank neemt de aangifte van [slachtoffer] als uitgangspunt omdat deze op belangrijke onderdelen steun vindt in het dossier en de rechtbank deze aangifte dan ook betrouwbaar acht. Op basis van de aangifte en de andere bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nEr heeft een geweldsincident plaatsgevonden tegen een jongere zus van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. De medeverdachten waren ervan overtuigd dat aangever [slachtoffer] bij het incident met de zus betrokken was en zij wilden aangever daarom een lesje leren. Zij hebben op 11 augustus 2025 een afspraak gemaakt met aangever, waarbij zij deden alsof zij geïnteresseerd waren in het kopen van zijn scooter. Verdachte en de medeverdachten zijn samen naar aangever gereden. Eenmaal aangekomen op de afgesproken locatie hebben verdachten een kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gelegd en hem bedreigd. Vervolgens hebben de verdachten aangever gedwongen in hun auto plaats te nemen, waarbij zij hem hebben geslagen en geschopt. Verdachte [medeverdachte 2] was bestuurder, verdachte was bijrijder en verdachte [medeverdachte 1] had het kapmes vast en zat op de achterbank naast aangever. Ook in de auto is aangever geslagen. Daarnaast hebben verdachten hem gedwongen zijn horloge af te geven en hebben zij zijn telefoon afgepakt. Op de [straat] te [plaats] is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen waarbij door alle verdachten geweldshandelingen zijn verricht. Aangever is op enig moment ook met het kapmes gesneden. Verdachte heeft in opdracht van de medeverdachten van dit incident beelden gemaakt. Als gevolg van de geweldshandelingen heeft aangever [slachtoffer] letsel opgelopen.\n\nVoorbedachten rade (feit 1)\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen blijken, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een van tevoren afgesproken plan om aangever – kort gezegd – te mishandelen en dat het niet anders kan dan dat de verdachte van dit plan op de hoogte was. Immers, de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – naar aanleiding van een incident met hun zus – verhaal wilden gaan halen bij aangever en hem een lesje wilden leren. Zij zijn samen met verdachte naar de woning van aangever gereden. Bij aankomst (en tijdens de vrijheidsberoving) hebben de drie verdachten aangever aangesproken over de zus. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte al bij aankomst op de hoogte was van het eerdere incident met de zus van de medeverdachten. Bovendien was sprake van een duidelijke rolverdeling. Zo onderhield [medeverdachte 2] het contact met aangever en fungeerde hij als chauffeur, bedreigde [medeverdachte 1] aangever met het kapmes en heeft verdachte de opdracht gekregen om alles te filmen. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt niet dat in zijn bijzijn tussen verdachten een gesprek heeft plaatsgevonden over deze handelingen en rolverdeling. Dit alles impliceert dat verdachten tijdens de rit naar de woning van aangever over een en ander hebben gesproken. Bovendien begon het geweld tegen aangever vrijwel direct, hetgeen er eveneens op duidt dat was afgesproken om aangever te mishandelen. Bij dat geweld was verdachte ook actief betrokken. Voor de rechtbank staat vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Op grond van het voorgaande, en anders dan door de verdediging bepleit, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.\n\nMedeplegen (feiten 2, 3 en 4)\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.\n\nDe rechtbank overweegt met betrekking tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten en had verdachte daarin ook een eigen rol. Verdachte en de medeverdachten zijn vanaf het moment dat aangever in de auto moest stappen tot het moment dat hij op de [straat] achter werd gelaten bij elkaar gebleven en zij hebben zich op geen enkel moment aan de situatie onttrokken. Daarbij heeft verdachte actief bijgedragen aan de intimiderende en bedreigende sfeer in de auto. Ook is, zoals blijkt uit de aangifte, door verdachte zowel tijdens als na de rit geweld gebruikt tegen aangever.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen.\n\nMet betrekking tot de diefstal en afpersing (feit 3) overweegt de rechtbank dat voor het opzet op het medeplegen van de diefstal dan wel afpersing niet is vereist dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling zelf verrichten. De nauwe en bewuste samenwerking kan bijvoorbeeld blijken uit taakverdelingen, aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. De rechtbank stelt vast dat de verdachten in de auto aanwezig zijn geweest en dat ieder van hen aangever heeft aangesproken op het incident met de zus van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachten hebben er elk aan bijgedragen en gezamenlijk voor gezorgd dat aangever niet weg kon, waarbij hij door [medeverdachte 1] is gedwongen zijn horloge af te geven en door verdachte zijn telefoon is weggenomen. Daarnaast hebben verdachten samen voor het bedreigende karakter van de groep gezorgd waaronder de diefstal en afpersing konden plaatsvinden en heeft verdachte zelf de telefoon van aangever gepakt. De rechtbank acht het medeplegen van de diefstal en afpersing dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nDe rechtbank overweegt met betrekking tot de bedreiging (feit 4) dat uit de bewijsmiddelen volgt dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] en verdachte in het kader van de vrijheidsberoving bedreigingen hebben geuit. Daarnaast heeft verdachte zijn hand op de mond van aangever gelegd. Tussen de verdachten bestond dan ook ten aanzien van de bedreigingen een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van medeplegen.\n\n4.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\n1 en zijn mededaders in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht - tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en heeft gestompt, en - tegen het lichaam heeft geschopt en - met een machete en\u002Fof een kapmes in de buik en het hoofd en het lichaam heeft gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat zij, verdachten, geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en - meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam, en - vervolgens te dwingen in een auto te stappen, en - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde rijdende auto, en - meermalen met kracht te slaan en stompen en met een mes te snijden in voornoemde rijdende auto, en - vervolgens achter voornoemde auto te gooien en - opnieuw meermalen met kracht te schoppen en te trappen tegen het lichaam;\n\n3 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn telefoon moest afgeven, en - vervolgens de telefoon uit de handen te trekken;\n\nen\n\nin de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, dat geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge moest afgeven;\n\n4 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] - meermalen een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\".\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.5. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.6. De strafoplegging6.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden. De officier van justitie houdt in de strafmaat rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.6.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nIndien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging rekening te houden met de rapporten van de psycholoog en de reclassering. De verdediging acht een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van het voorarrest passend. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden.6.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe aard en ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, namelijk poging zware mishandeling met voorbedachten rade, wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal, afpersing en bedreiging. Alle strafbare feiten zijn gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . De verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren ervan overtuigd dat aangever betrokken was bij een incident waarbij hun jongere zus is geslagen. Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Verdachten hebben daarom het heft in eigen handen genomen en een afspraak gemaakt met aangever waarbij zij deden alsof zij interesse hadden in het kopen van zijn scooter. Eenmaal aangekomen op de afgesproken plek hebben de verdachten het kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gedaan en hem in de auto gesleurd. Hierbij is de aangever bedreigd en meermaals geslagen en geschopt. In de auto is aangever ook bedreigd met het kapmes en geslagen. Vervolgens is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen. Ook is aangever op enig moment met het kapmes gesneden als gevolg waarvan hij snijwonden had. Verdachte heeft van dit incident beelden gemaakt. Het behoeft geen betoog dat deze feiten zeer beangstigend zijn geweest voor aangever. Aangever verkeerde in de veronderstelling dat er een geïnteresseerde voor zijn scooter kwam en is uit het niets op schokkende wijze overmeesterd, mishandeld en bedreigd. Met dit handelen hebben de verdachten een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van aangever. Verder veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachten hebben hier geen rekening mee gehouden en zich enkel bekommerd om hun eigen belang, namelijk het nemen van wraak. Het lijkt er daarbij sterk op dat zij wraak namen op de verkeerde persoon, nu een derde heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij het incident met de zus en aangever heeft verklaard niet van een incident te weten. De rechtbank wijst erop dat ook als er wel een incident zou zijn geweest tussen aangever en de zus van de medeverdachten, eigenrichting onacceptabel is en niet kan worden getolereerd. Er is sprake geweest van ernstig geweld richting aangever. Verdachten hebben met zijn drieën de aangever aangevallen en bruut geweld toegepast waardoor aangever meerdere verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit alles de verdachten zwaar aan.\n\nDe persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de psycholoog van 23 maart 2026 en het rapport van de reclassering van 4 juni 2026. Bij verdachte is een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en psychotrauma- of stressorgerelateerde persoonlijkheidsontwikkeling geconstateerd die hem heeft beïnvloed ten tijde van de feiten. Verdachte heeft moeite met het overzien van (complexe) situaties en het inschatten van de gevolgen van zijn handelen. Verdachte kan, mede vanuit de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, beïnvloedbaar zijn door anderen en impulsief handelen. Er is door de stoornis sprake van een verhoogde kwetsbaarheid voor spanning en stress, waardoor verdachte in complexe of spanningsvolle situaties minder goed in staat is zijn gedrag te sturen of afstand te nemen van de situatie. Geadviseerd wordt om de feiten aan hem in verminderde mate toe te rekenen. Daarnaast adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank neemt deze adviezen over.\n\nIn het voordeel van verdachte weegt de rechtbank daarnaast zijn jeugdige leeftijd mee. De reclassering ziet enige aanwijzingen voor het (toepassen van) jeugdstrafrecht, namelijk op het gebied van handelingsvaardigheden maar dit is (naar de rechtbank begrijpt), gelet op de overige wegingsfactoren onvoldoende om toepassing van het jeugdstrafrecht te rechtvaardigen. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat verdachte nog beperkte handelingsvaardigheden heeft. Zoals hierboven geconcludeerd handelt verdachte impulsief en is hij beïnvloedbaar. Hij overziet niet de gevolgen van zijn handelen. Verdachte heeft baat bij de praktische ondersteuning die hem door hulpverlening wordt geboden en bij continuering van zijn schoolgang. Momenteel ontvangt verdachte hulpverlening en praktische ondersteuning in het kader van een schorsingstoezicht voorlopige hechtenis. Hij komt de hieraan gestelde schorsingsvoorwaarden goed na. Verdachte lijkt een stijgende lijn te hebben ingezet. De rechtbank acht het wenselijk dat deze stijgende lijn wordt doorgezet en acht het in dat kader van belang dat het reclasseringstoezicht wordt voortgezet.\n\nDe straf\n\nBij bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat er sprake is van eendaadse samenloop. Gelet op hetgeen hierboven overwogen, houdt de rechtbank bij bepaling van de strafmaat daarnaast rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn blanco strafblad, zijn persoonlijke omstandigheden, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en de positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt in het kader van het schorsingstoezicht. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafgedeelte worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering met uitzondering van het locatie ver- en gebod met elektronisch toezicht nu de rechtbank dit niet noodzakelijk acht. Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat naast de (on)voorwaardelijke straf een taakstraf van 100 uur te vervangen door 50 dagen hechtenis passend is.7. Het beslag7.1.. \n\nDe verbeurdverklaring\n\nDe inbeslaggenomen telefoon wordt verbeurd verklaard. De telefoon is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat\n\nde telefoon aan verdachte toebehoort en de feiten met behulp van dit voorwerp zijn begaan. Met de telefoon van verdachte zijn opnames gemaakt van de strafbare gedragingen.7.2.. \n\nDe onttrekking aan het verkeer\n\nHet inbeslaggenomen wapen wordt onttrokken aan het verkeer. Het wapen is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om dit wapen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.8. De vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.071,24.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.\n\nDe door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is niet (inhoudelijk) door de verdediging betwist, zij het dat er om matiging is gevraagd voor wat betreft de kosten voor de telefoon en ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding geheel toewijsbaar. Zij acht de gevorderde bedragen redelijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.\n\nTevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 12 augustus 2025.\n\nDe rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 282, 285, 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.10. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nDe eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1:medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, en\n\nfeit 2:medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en\n\nfeit 3:diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door meer verenigde personen\n\nen\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en\n\nfeit 4:medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;\n\n- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n* Meldplicht bij reclassering\n\ndat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n* Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden\n\ndat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-plus van de\n\nreclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;\n\n* Ambulante behandeling\n\nindien gedurende het reclasseringstoezicht blijkt dat ambulante behandeling noodzakelijk is, zal verdachte zich laten behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start wanneer dit gedurende het reclasseringstoezicht wordt geïndiceerd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;\n\n* Contactverbod\n\ndat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met:\n\n- Medeverdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] ;\n\n- Medeverdachte [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 3] ;\n\n- Aangever [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 4] ;\n\n*Dagbesteding\n\nverdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk of opleiding en\u002Fof\n\nvrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\n* Praktische ondersteuning\n\ndat verdachte meewerkt aan zijn huidige hulpverlening op het gebied van praktische ondersteuning bij Wijzijn en u-hulpverlening, of een soortgelijke hulpverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de ondersteuning nodig vindt;\n\n- van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:\n\n* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;\n\n* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde\u002Fvoorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;\n\n- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast van50 dagen;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1,2,3 en 4)\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.071,24, waarvan € 571,24 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.071,24 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;\n\nBeslag\n\n- verklaart de telefoon (Omschrijving: PL2000-2025211797-2916182, zwart) verbeurd;\n\n- onttrekt het wapen (Omschrijving: PL2000-2025211797-2916174, plastic replica, zwart) aan het verkeer;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is\n\nuitgesproken ter openbare zitting op 6 juli 2026.\n\nMrs. G.H. Nomes, S.C.S. van Bree en K. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1 hij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging, althans alleen, aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen en\u002Fof heeft gestompt, en\u002Fof - tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof heeft getrapt, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft gesneden en\u002Fof heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen al dan niet met voorbedachten rade aan [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen, en\u002Fof - tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken; ( art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat hij\u002Fzij, verdachte(n), geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en\u002Fof (vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en\u002Fof - meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam, en\u002Fof - (vervolgens) te dwingen in een auto te stappen, en\u002Fof - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - meermalen (met kracht) te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof met een mes te snijden en\u002Fof te steken in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - (vervolgens) achter voornoemde auto te gooien en\u002Fof - (opnieuw) meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam; ( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven, en\u002Fof - (vervolgens) de telefoon uit de handen te trekken en\u002Fof te rukken\n\nen\u002Fof\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en\u002Fof een derde toebehoorde(n) door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\"; ( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6060","2026-07-13T00:29:31.674Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":30,"updatedAt":53},"660","ECLI:NL:GHSHE:2026:1739","ecli-nl-ghshe-2026-1739","Parketnummer : 20-001407-25\n\nUitspraak : 29 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof’s-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-000821-24 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Voorts heeft de politierechter het in beslag genomen voorwerp verbeurd verklaard.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof is gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2022 te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A58, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 29 oktober 2022 te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A58, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het procesdossier van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt onder zaakregistratienummer PL2000-2022287388, door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van de politie, gesloten d.d. 15 december 2022, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde dossierpagina’s 1-45.\n\nHet hof zal, nu de verdachte heeft bekend dat hij het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld en zijn raadsman dienaangaande geen vrijspraak heeft bepleit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met de volgende opgave van de bewijsmiddelen:\n\nDe verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 15 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;\n\nHet proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 d.d. 29 oktober 2022, dossierpagina’s 8-9, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;\n\nHet schriftelijk bescheid, te weten een (aangetekende) brief van het CBR d.d. 4 december 2019, dossierpagina’s 43-44, gericht aan de verdachte en inhoudende het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs;\n\nHet schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai van het RDW-register d.d. 29 oktober 2022, dossierpagina’s 26-28;\n\nHet proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 oktober 2022, dossierpagina’s 17-18, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de\n\nfeiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nGeen straf of maatregel\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd en het hof eveneens verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om in ieder geval geen gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, gelet op de positieve ontwikkelingen die de verdachte de afgelopen tijd heeft doorgemaakt.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan besluiten van een instantie die mede met het oog op de verkeersveiligheid belast is met onder meer de beoordeling van de geldigheid van rijbewijzen.\n\nHet hof heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij de afgelopen jaren hard heeft gewerkt en positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Hij is inmiddels clean, woont in een huurwoning, heeft zijn rijbewijs gehaald en werkt als zzp’er voor meerdere opdrachtgevers.\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf, heeft het hof voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten. Het hof ziet echter de positieve ontwikkelingen van de afgelopen tijd, zoals door de verdediging ter terechtzitting naar voren gebracht, terug in het uittreksel. Voorts merkt het hof op dat de verdachte reeds een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken heeft opgelegd gekregen (politierechter 27 mei 2025, rechtbank Zeeland-West-Brabant), waarvan de proeftijd nog loopt. Hierdoor ziet het hof geen toegevoegde waarde in het opleggen van (nog) een voorwaardelijke straf.\n\nHoewel op zichzelf, onder meer gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, een straf zonder meer gerechtvaardigd is, ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop van de strafzaak aanleiding te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. De verdediging heeft overtuigend naar voren gebracht dat de verdachte positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en hard werkt om buiten politie en justitie te blijven. Naar het oordeel van het hof dient de verdachte de kans te krijgen om deze positieve ontwikkelingen voort te zetten. Het hof zal derhalve toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBeslag\n\nDe in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is dat tot het begaan van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is bestemd en deze onder de verdachte in beslag is genomen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nHet hof overweegt dat de personenauto (goednummer: PL2000-2022287359-1540329) weliswaar op de naam van [betrokkene] staat, maar aan de verdachte toebehoort. Uit het procesdossier (dossierpagina 24) blijkt dat alle voertuigen waarmee de verdachte in het verleden artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994 overtrad, steeds op de naam stonden van [betrokkene] . Het betreffende voertuig waarmee het bewezenverklaarde feit is begaan, werd blijkens de kennisgeving van inbeslagneming al twee keer eerder door de verdachte bestuurd toen hij een proces-verbaal kreeg. Verder heeft de verdachte ten overstaan van het hof verklaard dat hij al is gestraft doordat de auto in beslag is genomen en de personenauto nog een waarde van € 3.500,00 had. Ook heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat er door een verbeurdverklaring van de personenauto al sprake is van een financiële straf voor de verdachte en verzoekt het hof daarmee rekening te houden. Er is geen verweer gevoerd tegen de verbeurdverklaring van de auto.\n\nGelet op het voorhanden zijnde procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, is naar het oordeel van het hof de verdachte aan te merken als feitelijk gebruiker van de personenauto en behoort de personenauto aan de verdachte toe. De auto betreft een voorwerp waarmee het bewezenverklaarde is begaan, waardoor het hof van oordeel is dat de personenauto vatbaar is voor verbeurdverklaring. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nbepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;\n\nverklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- een personenauto (kenteken: [kenteken] , merk: Ford, goednummer: PL2000-2022287359-1540329).\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,\n\nmr. M.J.M.A. van der Put en mr. G.M. Goes, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffier,\n\nen op 29 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1739","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:41.671Z",1,20]