[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":36,"total":16,"page":25,"limit":179},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},18,{"min":18,"max":19},"2026-04-22T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122076","Burgerlijk Wetboek","art. 1:264 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122246","art. 1:326 lid 2",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"124354","art. 1:164",{"provisionId":33,"code":34,"article":35,"count":25},"124370","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 223 lid 1",[37,48,57,64,72,79,88,95,102,109,116,125,132,139,148,155,162,171],{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":42,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":45,"parsedAt":46,"updatedAt":47},"708","ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","ecli-nl-rbdha-2026-18498","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.22282\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R. Deniz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).\n\nProcesverloop\n\nIn het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een mvvongegrond verklaard.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Metselaar. Ook waren aanwezig referent [referent] en de [tolk] .\n\nOverwegingen\n\n1. Middels besluit van 25 april 2023 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van asiel.Op 8 juni 2023 heeft referent voor zijn vrouw en biologische kinderen een aanvraag ingediend om verlening van een mvv. Op dezelfde dag heeft referent voor eiser bij verweerder ook een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis. De aanvraag voor zijn vrouw en biologische kinderen is ingewilligd. Eiser is het gestelde kind van [broer van referent] (broer van referent) en [persoon] . Referent is de gestelde oom en pleegvader van eiser.\n\n2. In het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is de identiteit van de biologische moeder van eiser en de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aangetoond. De pleegrelatie en feitelijke gezinsband tussen eiser en referent hebben zij ook niet aannemelijk gemaakt. Tenslotte is er ook geen toestemmingsverklaring van de biologische vader overgelegd.\n\n3. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Referent is op 10 februari 2025 door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder alsnog de identiteit van de biologische moeder van eiser aannemelijk geacht. De familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders is nog altijd niet aannemelijk gemaakt, maar er is wel een begin van bewijs geleverd. Ditzelfde geldt voor de pleegrelatie tussen eiser en referent. De feitelijke pleegsituatie is nog altijd niet aannemelijk gemaakt.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat aan de overgelegde stukken meer bewijswaarde moet worden toegekend dan verweerder in het besluit toekent. De familierechtelijke relatie zou wel zijn aangetoond, net als de pleegrelatie en de feitelijke gezinsband. Verder acht eiser het besluit onlogisch en onduidelijk. Tenslotte wijst eiser op de belangen van het kind en artikel 8 van het EVRMen vindt hij dat de motivering daartoe zeer summier is.\n\n5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is en dat terecht in het bestreden besluit de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt, zodat nader onderzoek zinledig is. Volgens verweerder heeft hij de belangen van het kind voldoende meegewogen in het besluit en heeft hij gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6. Uit wet- en regelgevingvolgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin\n\nvan een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, als voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) moet daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij verweerder indienen. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort. Verweerder betrekt bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gestelde pleegkind in ieder geval:(-) de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn\u002Fhaar biologische ouders; (-) de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent; (-) de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent; (-) in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; (-) of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. Ook komt het pleegkind niet in aanmerking voor nareis als er een positieve verplichting onder artikel 8 van het EVRM bestaat om de biologische ouders te herenigen met het pleegkind in Nederland.\n\n7. Verweerder heeft in de besluitvorming voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom\n\nde familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet is aangetoond met de door eiser overgelegde documenten. Verweerder heeft daarbij ook terecht het standpunt ingenomen dat nader onderzoek niet aangeboden hoeft te worden. Ook indien de familierechtelijke relatie zou worden vastgesteld, kan dit niet leiden tot de afgifte van een mvv. Er wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser is aangetoond. De rechtbank zal deze voorwaarde hierna verder bespreken.\n\n8. Niet in geschil is dat eiser vanaf zijn 4e levensjaar tot aan het vertrek van de\n\noverige gezinsleden van referent naar Nederland (in 2024) gewoond heeft bij het gezin van referent. Op zichzelf is het enkele verblijf binnen het gezin niet voldoende om de feitelijke gezinsband aan te nemen. Verweerder heeft terecht alle omstandigheden meegewogen in de integrale beoordeling. Onder verwijzing naar Werkinstructie 2024\u002F4 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat de biologische ouder niet meer voor een kind kan of wil zorgen bij eiser ligt. Verweerder heeft daarbij niet ten onterechte naar voren gebracht dat, wanneer een biologische ouder nog in beeld is en deze ook nog steeds betrokken is bij de zorg of opvoeding van een kind, zwaardere eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing van een gestelde pleegrelatie. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder in dit geval bij de beoordeling kunnen betrekken dat de moeder en vader van eiser nog steeds in beeld zijn en dat niet is gebleken dat ieder contact tussen eiser en zijn biologische ouders duurzaam is verbroken. Uit de inhoud van de overgelegde documenten, waaruit volgt dat de biologische vader bij de rechtbank is verschenen om toestemming te verlenen en een verklaring af te leggen, blijkt dat de vader nog in beeld is en zich uitlaat over de zorg die verleend wordt aan eiser. Ook heeft eiser zelf verklaard dat zijn vader hem bezoekt op islamitische feestdagen. De gestelde medische problematiek van zijn biologische vader is niet onderbouwd met medische documenten. Verweerder mocht dit wel van eiser verwachten, nu referent ter zitting heeft aangegeven dat het mogelijk is om contact te leggen met de biologische vader. Hoewel de biologische moeder woonachtig is bij haar ouders, is er niet aannemelijk gemaakt dat zij niet voor eiser kan zorgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een duurzame overdracht van de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid naar referent en zijn echtgenote. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat alle feiten en omstandigheden samengenomen onvoldoende zijn om te spreken van een pleegsituatie.\n\n9. Verweerder heeft daarbij met verwijzing naar C2\u002F4.1.2.2. van de Vc terecht\n\nmeegewogen dat niet aannemelijk is dat het contact tussen eiser en zijn biologische ouders zo beperkt is dat er geen positieve verplichting in het kader van artikel 8 van het EVRM zou ontstaan om eiser met zijn biologische ouders te herenigen in Nederland.\n\n10. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7, 8 en 9 is overwogen heeft verweerder\n\nzich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen nader onderzoek hoefde te verrichten naar: (-)de familierechtelijke relatie tussen de biologische ouders en eiser, (-)de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde pleegouders en (-)de toestemmings-verklaringen.\n\n11. Eiser heeft tenslotte nog gewezen op het belang van het kind. Verweerder heeft\n\ngemotiveerd deze belangen meegewogen in het bestreden besluit. Daarbij is terecht meegewogen dat het in het belang van eiser is dat hij niet ongewenst wordt onttrokken aan het ouderlijk gezag. Bovendien heeft verweerder uitgelegd waarom eiser niet in schrijnende omstandigheden achterblijft in Jemen. Hij wordt verzorgd door de zus van referent en haar man, hij woont nog in hetzelfde huis, gaat naar school en referent heeft dagelijks contact met hem. Hiermee heeft verweerder voldoende kenbaar de belangen van eiser meegewogen in het bestreden besluit.\n\n12. Verder verwijst verweerder referent terecht naar de reguliere procedure voor een\n\ntoetsing aan artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4804) volgt dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb van toepassing is in nareiszaken en dat verweerder in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of, als de betreffende vreemdeling in het buitenland is, een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt. In het bestreden besluit is enkel gewezen op de aanwezigheid van een reguliere procedure voor de aanvraag van eiser en dat verweerder deze nationale procedure niet wil overslaan door direct aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. Verweerder heeft met deze algemene motivering niet in eisers individuele geval toegelicht waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Ook heeft verweerder niet verwezen naar toepasselijk beleid. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. In het verweerschrift heeft verweerder alsnog een nadere individuele motivering gegeven voor het niet ambtshalve doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hij heeft verwezen naar het peilmoment en naar de ingebrachte medische stukken. Hiermee heeft verweerder alsnog voldaan aan het motiveringsvereiste zoals de Afdeling dit vereist. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.\n\n13. Het beroep is ongegrond.\n\n14. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank\n\nverweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor\n\nhet verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.\n\n Zie artikel 29, tweede en vierde lid van de Vw, in samenhang met paragraaf C2\u002F4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geldig tot 12 juni 2026.\n\n Zie paragraaf C2\u002F4.1.2.2 van de Vc, geldig tot 12 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:44.158Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":46,"updatedAt":56},"611","ECLI:NL:RBZWB:2026:5454","ecli-nl-rbzwb-2026-5454","2026-05-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446434 \u002F JE RK 26-515\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Etten-Leur,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de pleegmoeder],\n\nhierna te noemen: de pleegmoeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest,\n\n [de pleegvader],\n\nhierna te noemen: de pleegvader,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2026;\n\nhet bericht van mr. Dorhout-Tielken met bijlage, ontvangen op 20 mei 2026;\n\nde pleitaantekeningen van mr. Dorhout-Tielken, overlegd tijdens de zitting.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\nde pleegvader;\n\neen tweetal vertegenwoordigsters van de GI.1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 2] heeft verteld. De kinderrechter heeft met [minderjarige 1] afgesproken dat de inhoud van het gesprek geheim moet blijven. De aanwezigen hebben kunnen reageren op hetgeen [minderjarige 2] heeft verteld.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van 1 augustus 2016 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder voogdij gesteld van de pleegouders.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen, sinds de beëindiging van de relatie van de pleegouders, bij de pleegmoeder.\n\n2.3.. Bij beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 23 mei 2024 en tot 23 mei 2025. Deze maatregel is daarna verlengd tot 23 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige 2] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter dat het erg goed met haar gaat bij de pleegmoeder thuis. Het gaat ook goed op school. Daarnaast vertelt [minderjarige 2] dat ze de reisafstand naar de pleegvader te ver vindt. Ook vindt [minderjarige 2] het vervelend dat ze bij de pleegvader geen vriendinnen in haar omgeving heeft. Ze heeft geen goede band met de pleegvader. Ze verwacht ook niet dat dit binnen de ondertoezichtstelling beter zal worden. [minderjarige 2] staat er niet meer voor open en wil op dit moment liever geen contact met de pleegvader. [minderjarige 2] heeft er last van als zij steeds van omgeving moet wisselen, omdat ze tijd nodig heeft om zich aan te passen. Dit maakt dat zij zich bij de pleegvader ook niet goed kan concentreren voor schoolwerk. Verder licht [minderjarige 2] toe dat ze in de vakanties ook niet meer naar de pleegvader wil, omdat ze dan twee weken niemand heeft om mee af te spreken. [minderjarige 2] heeft een tijd geleden een e-mail gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader waarin ze dit heeft aangegeven. Ook vertelt [minderjarige 2] dat ze geen gesprekken meer wil met de hulpverleners, omdat het niet werkt. Tot slot geeft [minderjarige 2] aan dat ze klaar is met een verlenging van de ondertoezichtstelling en de meerwaarde daarvan niet ziet.\n\n4.2.. De (zittingsvertegenwoordigster van de) GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat zij inmiddels als vaste jeugdbeschermer betrokken is. Het klopt dat [minderjarige 2] een e-mail heeft gestuurd naar de jeugdbeschermer en de pleegvader. De jeugdbeschermer heeft toen contact opgenomen met de pleegvader en besloten dat [minderjarige 2] in de meivakantie niet naar de pleegvader hoefde te gaan. Op deze manier kon zij [minderjarige 2] het gevoel geven dat ze gehoord en gezien werd. Volgende week zal de jeugdbeschermer een gesprek voeren met [minderjarige 2] om te kijken wat zij wil en wat nog mogelijk is. Haar mening moet immers serieus worden genomen, zeker met het oog op de diagnose separatieangst. De GI gunt [minderjarige 2] een onbelast contact met de pleegvader, maar er moeten hiervoor nog veel stappen worden gezet. Er zal worden gekeken naar de inzet van hulpverlening. Ook is het belangrijk dat [minderjarige 1] niet wordt vergeten. Verder licht de GI toe dat [psychotherapeut] betrokken is voor de oudercommunicatie en het opstellen van een ouderschapsplan. Er zijn nog wat (juridische) patstellingen tussen de (pleeg)ouders waar een klap op moeten worden gegeven. Het ouderschapsplan is wel bijna klaar. Daarnaast verklaart de GI dat zij volgende week een huisbezoek zal inplannen, samen met de betrokken pleegzorgmedewerker, zodat kan worden bezien wat nodig is om de (gezamenlijke) pleegoudervoogdij te verbeteren. Het is momenteel niet de intentie van de GI om een machtiging uithuisplaatsing of een onderzoek door de Raad te verzoeken. Een constructieve oudercommunicatie is wel een van de voorwaarden voor gezamenlijke pleegoudervoogdij. Tot slot is de GI voornemens om te onderzoeken of de biologische ouders van de kinderen een rol in het leven van de kinderen willen en kunnen krijgen.\n\n4.3.. Door en namens de pleegmoeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. Het gaat heel goed met de kinderen. Ze hebben een flinke groei doorgemaakt. De pleegmoeder probeert [minderjarige 2] uit te leggen dat het de bedoeling is dat ze naar de pleegvader gaat, maar [minderjarige 2] wil niet. De (pleeg)ouders zoeken elkaar daarnaast op bij belangrijke zaken over de kinderen. Ook ziet de pleegmoeder dat het beter gaat met [minderjarige 2] op het gebied van haar separatieangst en dwanggedachten. Dit staat niet meer op de voorgrond, hetgeen maakt dat hulp nu niet nodig is. Het verzoek moet worden afgewezen, aangezien er geen sprake meer is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen. De communicatie tussen de (pleeg)ouders is verbeterd, de overdrachtsmomenten verlopen ontspannen en de kinderen ontwikkelen zich goed en durven hun gevoelens en wensen te uiten. Het verzoek is vooral gebaseerd op hypothetische scenario’s. Alle geschilpunten tussen de (pleeg)ouders met betrekking tot het ouderschapsplan zijn feitelijk afgehandeld. Er worden echter steeds nieuwe punten aangedragen die geen betrekking hebben op de ontwikkeling van de kinderen. Zo waren er voorheen geen zorgen over de rol van de biologische ouders in het leven van de kinderen. De biologische moeder heeft ook aangegeven geen contact met de kinderen te willen hebben. De biologische vader(s) van de kinderen is\u002Fzijn nooit bekend gemaakt. De (pleeg)ouders zijn in voldoende mate in staat om op constructieve wijze met elkaar te communiceren en de opvoedsituatie van de kinderen is goed genoeg. Het ouderschapsplan kan tot slot ook in een vrijwillig kader worden afgerond.\n\n4.4.. De pleegvader staat achter het verzoek en verklaart dat hij schrikt van hetgeen [minderjarige 2] vertelt over hun band. Het is lastig dat [minderjarige 2] geen contact meer wil. De deur staat wel altijd voor haar open. De pleegvader heeft het gevoel dat de kinderen al langer kampen met loyaliteitsproblematiek. Daarnaast licht de pleegvader toe dat de omgangsmomenten met [minderjarige 1] fijn verlopen. Verder geeft de pleegvader aan dat er geen sprake is van communicatie met de pleegmoeder, behalve door tussenkomst van een derde partij, zoals [psychotherapeut] . Algemene zaken zijn bespreekbaar, maar het is lastig als de (pleeg)ouders moeten praten over patstellingen. [psychotherapeut] is nodig om er samen uit te komen en ervoor te zorgen dat afspraken worden nagekomen. Het zou goed zijn als er een klap kan worden gegeven op bepaalde patstellingen, zodat het ouderschapsplan afgerond kan worden. De overdrachtsmomenten verlopen ook niet ontspannen en er is geen sprake onbelast contact met [minderjarige 2] . Tot slot vraagt de pleegvader zich af of er echt een e-mail is verstuurd door de biologische moeder dat zij de kinderen niet meer wil zien, aangezien deze e-mail nooit door iemand is gezien.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Allereerst stelt de kinderrechter vast dat de pleegouders, hoewel dat zowel voor de pleegouders als voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wel zo voelt, formeel niet de juridische ouders van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn. Zij zijn de pleegouders met voogdij. Ingevolge artikel 1:326 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen kinderen die onder voogdij staan van natuurlijke personen onder toezicht worden gesteld. Artikel 1:326 lid 2 BW verklaart afdeling 4 van titel 14 van overeenkomstige toepassing, van welke titel artikel 1:255 BW onderdeel uitmaakt.\n\n5.2.. Voorts is de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat nog wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:260 juncto 1:255 BW. De kinderrechter licht dit als volgt toe.\n\n5.3.. De kinderrechter stelt allereerst op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling vast dat zichtbaar is dat de pleegouders (hierna: de ouders) betrokken zijn en het beste voor de kinderen willen. Ook hebben de ouders de afgelopen periode stappen gezet, zoals het voeren van gezamenlijke gesprekken, het begroeten van elkaar bij overdrachtsmomenten en het onderhouden van e-mail contact met elkaar over belangrijke zaken, een en ander onder begeleiding van [psychotherapeut] . Voorts hebben de kinderen een flinke ontwikkeling laten zien, bijvoorbeeld op school en in contact met anderen. Dit stemt de kinderrechter positief. De kinderrechter stelt daarentegen ook vast – anders dan de pleegmoeder – dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het is de kinderrechter gebleken dat de kinderen al veel hebben meegemaakt. Na het uiteengaan van de ouders zijn grote spanningen en onrust ontstaan in het leven van de kinderen. De kinderen kampen daardoor al langdurig met loyaliteitsproblematiek en kunnen geen onbelast contact hebben met beide ouders. Zo heeft [minderjarige 2] aangegeven het liefst op dit moment geen contact meer te willen met de pleegvader. Ook heeft de kinderrechter de indruk dat [minderjarige 1] last heeft van het langdurig klem zitten tussen de ouders, gelet op het kindgesprek. Het loyaliteitsconflict maakt dat de kinderen niet voldoende kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Daarnaast is gebleken dat het de ouders, ondanks de betrokkenheid van intensieve hulpverlening, niet lukt om (zelfstandig) constructief met elkaar te communiceren en met elkaar het pleegoudervoogdijschap vorm te geven. Zo is gebleken dat de ouders nog altijd de intensieve begeleiding van [psychotherapeut] nodig hebben om met elkaar te communiceren en samen te werken in het belang van de kinderen. Ook verschillen de ouders van visie met betrekking tot de voortgang omtrent het behalen van de doelen, zoals het verloop van de onderlinge communicatie en overdrachtsmomenten, alsmede over de noodzaak van een ondertoezichtstelling. Ook is het de kinderrechter gebleken dat er op een aantal punten bij het opstellen van een ouderschapsplan nog patstellingen zijn. De betrokken pleegzorgorganisatie (Vigere) heeft ook aangegeven dat de ouders momenteel niet voldoen aan de voorwaarden voor pleegoudervoogdij. De kinderen behoeven een voorspelbare, stabiele en conflictarme samenwerking tussen de ouders, hetgeen momenteel (nog) niet het geval is.\n\n5.4.. De ouders zijn niet in staat gebleken om de voornoemde ontwikkelingsbedreiging zelfstandig en gezamenlijk in het vrijwillige kader te doen wegnemen. De ouders behoeven immers nog altijd een derde partij om te komen tot overeenstemming, samenwerking en communicatie over de kinderen. Zo is het meermaals voorgekomen dat de GI moest interveniëren of knopen moest doorhakken. De kinderrechter stelt voorts vast dat de betrokkenheid van de GI de komende periode nog noodzakelijk is. Het is van belang dat de ouders zich, door middel van begeleiding van [psychotherapeut] en onder monitoring van de GI, blijven inzetten voor het afronden van een ouderschapsplan en het werken aan een constructieve oudercommunicatie. Hiervoor is het maken en nakomen van afspraken onder regie van de GI essentieel. Daarnaast is het van belang dat de GI met [minderjarige 2] het gesprek aangaat, haar mening aanhoort en onderzoekt of en op welke wijze het contactherstel met de pleegvader kan worden vormgegeven, waarbij als uitgangspunt moet gelden dat kinderen in principe baat hebben bij omgang met allebei de ouders en er vooralsnog onvoldoende redenen lijken te zijn om geen omgang te hebben met de pleegvader, een en ander op geleide van de minderjarige. Ook is het noodzakelijk dat de GI de wensen en behoeften van [minderjarige 1] in het oog houdt. Voorts dient de GI de komende periode de noodzakelijke hulpverleningstrajecten in te zetten, waaronder, indien nodig, een behandeltraject voor de separatiestoornis en dwanggedachten van [minderjarige 2] , en toe te zien op de continuering daarvan. Tot slot is het van belang dat de GI duidelijkheid verkrijgt over de eventuele rol van de biologische ouders van de kinderen in de levens van de kinderen, waarbij de draagkracht en behoeften van de kinderen leidend dienen te zijn.\n\n5.5.. De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van negen maanden. Het is van belang dat de ouders de komende periode aan de slag gaan met het afronden van het ouderschapsplan en het maken van goede afspraken, zodat de casus op een zorgvuldige wijze met een duidelijk borgingsplan kan worden overgedragen naar het vrijwillige kader. Het is niet wenselijk om tussentijds een nieuwe zitting te plannen, omdat er nog veel moet gebeuren en rust belangrijk is. De volle periode van negen maanden is nodig.\n\n5.6.. Tot slot merkt de kinderrechter het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het momenteel niet de bedoeling is van de GI om juridische maatregelen te nemen ten aanzien van de voogdij van de ouders. De kinderrechter acht het in het belang van de kinderen dat de ouders belast blijven met de voogdij en geeft de ouders op deze wijze de kans om te laten zien dat zij de komende periode voortvarend aan de slag gaan met het behalen van de doelen, zoals het verbeteren van de onderlinge communicatie, nu dit een voorwaarde is voor pleegoudervoogdij.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 23 mei 2026 en tot 23 februari 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5454","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.219Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":61,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":46,"updatedAt":63},"606","ECLI:NL:RBZWB:2026:5463","ecli-nl-rbzwb-2026-5463","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446676 \u002F JE RK 26-566\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] ,\n\n [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 3] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,\n\n [minderjarige 1],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat mr. W. van der Sande uit Goes.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader met zijn advocaat;\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- twee vertegenwoordig(st)ers van de GI.1.3.. \n\nDe kinderrechter heeft [minderjarige 3] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 3] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 3] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n [minderjarige 2] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om haar mening te geven.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.\n\n2.3.. Het huwelijk van de ouders is op 20 juni 2025 door echtscheiding ontbonden.\n\n2.4.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .\n\n2.5.. \n [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun vader.\n\n2.6.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 27 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Na het uitspreken van de ondertoezichtstelling in mei 2025 is de zaak opgepakt door het instroomteam van de GI. In die periode is de SCHIP-therapie opnieuw opgestart en is er voor de kinderen een kindbehartiger betrokken geraakt die sindsdien gesprekken voert met alle drie de kinderen afzonderlijk. Sinds november 2025 is de huidige, vaste jeugdbeschermer betrokken. In de afgelopen periode is het SCHIP-traject – voor een tweede keer – tijdelijk door de ouders afgebroken. Het lukte de ouders (opnieuw) niet om door fase twee van het SCHIP-traject, de verdiepende fase, te komen. Vermoedelijk spelen spanningsvolle momenten daarin een rol. Wanneer er spanningsvolle momenten zijn waarbij er belangrijke adviezen of beslissingen in aantocht zijn, welke invloed kunnen hebben op bijvoorbeeld de zorgregeling, lijken ouders terug te vallen in oude patronen. De strijd verergert, kinderen worden belast met volwassen zaken en het winnen en verliezen lijkt voorop te staan, waarbij de belangen van de kinderen uit het oog verloren worden. Ook lukt het ouders op deze momenten niet altijd om afspraken na te komen. Uiteindelijk is het in overleg met beide ouders toch gelukt om het SCHIP-traject door te zetten. Dat is knap. De GI ziet twee ouders die zich inzetten en ook dingen bespreekbaar durven te maken. De GI heeft de indruk dat het met de kinderen ook beter lijkt te gaan. [minderjarige 3] lijkt minder last te hebben van spanningen en lijkt zich meer uit te durven spreken. [minderjarige 2] heeft speltherapie afgerond. Met [minderjarige 1] lijkt het ook beter te gaan. De GI vindt het belangrijk dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, zodat de voortgang van het SCHIP-traject nauwkeurig door de GI kan worden gemonitord. Indien blijkt dat voortzetting van het SCHIP-traject toch te veel spanningen oproept, dan zal de GI met de ouders opnieuw om de tafel gaan om te kijken of bijvoorbeeld parallel ouderschap passender is. De GI herkent verder de zorgen die door de ouders over en weer worden geuit. Er zijn over en weer zorgen, waarin het hele systeem een rol lijkt te spelen. De GI schakelt hierover met de begeleiders van SCHIP, maar ook met de IPT’ers. Bij acute onveiligheid wordt daarop door de GI gehandeld. De GI voert hier strakke regie op.\n\n4.2.. Door en namens de vader is aangegeven dat hij instemt met een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij merkt dat er sprake is van een verbetering in de communicatie met de moeder, maar dat er nog wel veel winst te behalen is. Ook voor de kinderen is het belangrijk dat de ondertoezichtstelling doorloopt en dat er iemand is bij wie zij hun verhaal kwijt kunnen. Voor de vader voelt het wel dubbel. De hulpverlening is belastend en uitputtend, maar tegelijkertijd is de vader bang dat als de ondertoezichtstelling weg zou vallen de ouders terugvallen in oude patronen. Daarnaast heeft de vader, net als de moeder, zorgen, maar voelt hij zich niet gehoord. Het blijft moeilijk om die zorgen bespreekbaar te maken, terwijl die ruimte er wel zou moeten zijn. De vader hoopt dat daar iets mee wordt gedaan, zodat de ouders elkaar minder wantrouwend bekijken. De vader is blij dat het SCHIP-traject, dat zich nu in fase drie bevindt, wordt doorgezet. Hoewel de situatie nog pril is, worden er wel kleine stappen gezet. De vader hoopt dat deze lijn kan worden voortgezet. De kinderen ervaren meer rust nu. De vader merkt dat het beter met de kinderen gaat, zowel thuis als op school. Ook merkt de vader het aan de kinderen dat het bij de moeder thuis goed gaat.\n\n4.3.. Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat ook zij instemt met een verlening van de ondertoezichtstelling. De situatie voor de kinderen lijkt iets stabieler te zijn. De kinderen genieten nu zichtbaar. Tegelijkertijd spelen er nog veel zaken waar de kinderen last van hebben. Het is duidelijk dat de kinderen nog klem zitten. Daarnaast is de echtscheidingsprocedure nog niet afgewikkeld. De moeder geeft regelmatig aan dat zij zich bij het SCHIP-traject niet prettig voelt. Voor haar is het lastig dat zij van verschillende professionals – de moeder heeft ook zelf een psycholoog – verschillende informatie krijgt over wat werkend is en wat niet. De moeder mist in de hulpverlening dat er weinig wordt gekeken naar de onderstromen die spelen, zoals de rol van opa en oma vaderszijde. Zij maakt zich zorgen over een aantal zaken, maar naar haar gevoel wordt daar niets mee gedaan. De moeder heeft dit bij SCHIP neergelegd, maar het wordt niet opgepakt. De moeder voelt zich daarin niet gehoord. Dit heeft volgens haar gevolgen voor de stappen die (kunnen) worden gezet. Het onderscheid tussen waar de ene ouder zich wel en niet mee mag bemoeien is lastig.\n\n4.4.. \n [minderjarige 3] heeft verteld dat het goed met hem gaat. De situatie is rustiger geworden. Hij vindt het zowel bij papa thuis als bij mama thuis gezellig. [minderjarige 3] vindt het fijn dat zijn ouders iets tegen elkaar zeggen bij het wisselen en dat ze zijn wens dat ze cadeaus voor elkaar kopen met moeder- en vaderdag bij moederdag zijn nagekomen. Ook is [minderjarige 3] blij dat zijn ouders samen naar een schoolgesprek zijn geweest. [minderjarige 3] vindt het goed als de GI langer betrokken blijft. Ook vindt hij de gesprekken met [persoon] (de kindbehartiger) op zich wel fijn. Vragen over vroeger vindt hij soms lastig. Wel maakt [minderjarige 3] zich zorgen over of hij van school moet wisselen. Hij zou graag willen weten of hij op zijn huidige school blijft of naar een andere school moet.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI dient te worden toegewezen nu voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling.Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van één jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en dat wat is besproken ter zitting is gebleken dat het inmiddels beter met de kinderen gaat. Ze doen het goed, zowel thuis bij beide ouders als op school. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat er ook nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. Die zorgen hebben vooral nog te maken met de manier waarop de ouders met elkaar communiceren, het onderlinge wantrouwen tussen de ouders en de onderstromen die kennelijk een rol spelen en waar vooralsnog onvoldoende aandacht voor lijkt te zijn geweest. De kinderrechter kan zich goed voorstellen dat de betrokken hulpverlening – op dit moment is dat SCHIP en IPT voor de ouders en een kindbehartiger voor de kinderen – door de ouders als veel wordt ervaren, zeker in combinatie met de eerdere hulpverlening aan de ouders en de kinderen. De kinderechter vindt het echter wel belangrijk dat deze hulpverlening ook komende tijd door blijft lopen. De ouders zijn op de goede weg, maar de situatie is nog niet stabiel en voldoende duurzaam. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald en er spelen nog te veel dingen om de ondertoezichtstelling nu af te kunnen sluiten. Daarom vindt de kinderrechter voortzetting van de betrokkenheid van de GI ook komend jaar nodig. In deze periode is het belangrijk dat de ouders door middel van SCHIP-therapie verder werken aan hun onderlinge communicatie. De ouders moeten daarbij de ruimte ervaren om hun zorgen bespreekbaar te maken. Ook de onderstromen die kennelijk een rol spelen moeten serieus genomen worden. Daarnaast is voortzetting van de gesprekken met de kinderen door de kindbehartiger noodzakelijk. Duidelijk moet worden hoe bepaalde verhalen bij de kinderen terecht komen en wat er bij de kinderen speelt, zodat uiteindelijk de misverstanden die er zijn uit de wereld geholpen kunnen worden. Mogelijk dat te zijner tijd, wanneer de situatie stabieler is, ook blijkt dat er aanvullende hulpverlening voor de kinderen dient te worden ingezet. Het is aan de GI om daar dan naar te handelen. Verder hoopt de kinderrechter dat er voor de ouders en de kinderen op korte termijn duidelijkheid komt in de echtscheidingsprocedure. Dit zal ook bijdragen aan de rust voor iedereen, maar vooral voor [minderjarige 3] die zich in het kindgesprek hier nadrukkelijk over heeft uitgesproken.\n\n5.3.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 27 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5463","2026-07-13T00:28:38.981Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":68,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":46,"updatedAt":71},"576","ECLI:NL:RBZWB:2026:5511","ecli-nl-rbzwb-2026-5511","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448408 \u002F JE RK 26-881\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, gevestigd te Eindhoven,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\n- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 mei 2026;\n\n- het telefonisch gesprek van de kinderrechter met de GI op 21 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.\n\n2.2.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.3.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n2.4.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juli 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 18 juli 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. De GI verzoekt aansluitend, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van een jaar bij de andere ouder met gezag.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.\n\n4.2.. Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, te weten zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.\n\n4.3.. De kinderrechter beschouwt de verzoeken van de GI, gezien het bovenstaande, als één verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing, waarbij is verzocht dat ten aanzien van de eerste vier weken wordt beslist zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.\n\n4.4.. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. De GI maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De zorgen betreffen met name het uitblijven van schoolgang, veelvuldig verzuim, gebrek aan structuur, zorgen omtrent de psychische belastbaarheid van de moeder en de beperkte beschikbaarheid in de opvoeding. De GI heeft sinds de start van de ondertoezichtstelling geprobeerd diverse hulpverlening in te zetten maar de moeder weigert iedere medewerking. Sinds oktober 2025 is de moeder uit contact met de GI. Hulpverlening wordt niet toegelaten. Sinds eind vorig jaar houdt de moeder de kinderen bij de vader weg. De kinderen gaan al geruime tijd niet naar school. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek op 26 maart 2026 heeft de moeder de GI de toegang tot de woning geweigerd Door omstandigheden is het daaropvolgende verzoek aan de rechtbank tot versnelde behandeling voor een machtiging uithuisplaatsing niet doorgekomen. Op 20 mei 2026 heeft de tante moederszijde huilend contact opgenomen met de GI met de melding dat de kinderen er onverzorgd uit zien, dat het huis vies is, de aanwezige katten onder de vlooien en teken zitten en dat de kinderen onvoldoende te eten krijgen. De kinderen mogen niets tegen derden zeggen, omdat de moeder zich anders op de kinderen afreageert. Het netwerk van de moeder, dat zich eerder terughoudend opstelde, maakt zich ernstig zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. Daarnaast zijn er grote zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder. Deze klachten zijn verergerd na het overlijden van haar jongste kindje. De moeder ervaart heel veel wantrouwen ten opzichte van de hulpverlening. Om die reden onthoudt zij de kinderen ook medicatie wanneer ze deze nodig hebben. De moeder heeft in het verleden de kinderen zonder toestemming meegenomen naar het buitenland en de GI is bang dat de moeder dit opnieuw gaat doen als zij hoort dat de GI van mening is dat de kinderen voorlopig op een andere plaats moeten gaan wonen. Ook vanuit de familie van de moeder zijn signalen geuit dat de moeder voornemens is om naar het buitenland te vertrekken. In die situatie zijn de kinderen volledig uit beeld.\n\n4.5.. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis worden geplaatst.\n\n4.6.. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat de kans aanwezig is dat de moeder met de kinderen naar het buitenland vertrekt. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit huis te plaatsen voor de duur van twee weken.\n\n4.7.. Uit het verzoek van de GI blijkt dat de vader betrokken is bij de verzorging en opvoeding van de kinderen. De vader onderkent het belang van structuur en onderwijs en vormt met zijn nieuwe gezin een stabiele basis voor de kinderen. De opvoedsituatie bij de vader biedt de kinderen structuur, onderwijs, duidelijke grenzen en emotionele beschikbaarheid. De kinderrechter vindt het dan ook in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij bij hun vader worden geplaatst.\n\n4.8.. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n4.9.. De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te noemen zitting. Op die zitting zal ook het verzoek in de procedure met zaak- en rekestnummer C\u002F02\u002F448406 \u002F JE RK 26-880 worden behandeld. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag, met ingang van 21 mei 2026 tot 4 juni 2026;\n\n5.2.. verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.3.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;\n\n5.4.. roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. Van de Merbel op [datum] 2026 om [uur]voor de duur van 60 minuten in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;5.5.. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;5.6.. bepaalt dat [minderjarige 1] bij aparte brief zal worden opgeroepen voor een kindgesprek.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5511","2026-06-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.588Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":76,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":46,"updatedAt":78},"562","ECLI:NL:RBZWB:2026:5451","ecli-nl-rbzwb-2026-5451","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447706 \u002F JE RK 26-759\n\nDatum uitspraak: 21 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nDE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,\n\nlocatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. N.P.M Planthof te Goes,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat mr. E. Sijneseal te Middelburg.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING,\n\nlocatie Eindhoven,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2026;\n\nhet arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- de moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\neen tweetal vertegenwoordigsters van de GI;\n\neen vertegenwoordigster van de Raad.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont bij zijn moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige] geeft in zijn gesprek met kinderrechter aan dat hij op dit moment geen contact heeft met zijn vader en dat hij dit ook niet wil. [minderjarige] heeft moeite met het gedrag van de vader, zoals roken en het huis rommelig maken. Daarnaast is [minderjarige] geschrokken toen de vader aan de deur bij de moeder heeft geschreeuwd. [minderjarige] zou graag willen dat er geen ruzie is tussen de vader en de moeder, maar ook in dat geval wil [minderjarige] niet naar de vader toe. Als [minderjarige] toch naar de vader zou moeten gaan zou hij graag willen dat er iemand mee gaat die hij vertrouwt, zoals de moeder of opa en oma van de vaderskant. Verder vindt [minderjarige] het niet leuk dat hij zijn halfbroer [persoon 1] niet ziet. Zijn andere halfbroer, [persoon 2] , ziet hij af en toe. Ook met de opa en oma van de vaderszijde heeft [minderjarige] op dit moment geen contact. Tot slot praat [minderjarige] eens in de aantal weken met [persoon 3] van buurtteams, met wie [minderjarige] over zijn gevoel kan praten.\n\n4.2.. De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. [minderjarige] is getuige geweest van escalaties tussen de ouders, wat heeft gezorgd voor een gevoel van onveiligheid bij [minderjarige] . Er is een jarenlange strijd tussen de ouders, waarbij er contactverlies is ontstaan tussen [minderjarige] en de vader. De ouders zijn daarnaast door de belastende situatie verminderd emotioneel beschikbaar voor [minderjarige] . De ouders geven daarnaast onvoldoende toestemming voor onbelast contact met de andere ouder. De focus op [minderjarige] verdwijnt bij de ouders steeds meer. Het is nodig dat deze situatie op een systematische manier benaderd wordt en dat trauma sensitieve hulpverlening wordt ingezet. Ook is interactie observatie tussen de vader en [minderjarige] nodig.\n\n4.3.. Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder het eens is met het verzoek van de Raad. Er moet zicht komen op de zorgen van [minderjarige] en in kaart worden gebracht welke hulpverlening het meest passend is voor [minderjarige] . Ook in de onderlinge verhouding tussen de ouders moet wat gebeuren. De moeder is het eens met de door de Raad gestelde doelen. Er kan gekeken worden wat de GI kan beteken in de omgangsregeling.\n\nDoor en namens de vader wordt aangevoerd dat de vader het eens in met het verzoek van de Raad. De vader is het eens met gestelde doelen, maar maakt bezwaar tegen het observeren van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De vader is bang dat het heel lang gaat duren voordat dit opgestart kan worden. De vader betreurt het ten zeerste dat hij nu geen contact heeft met [minderjarige] . Het gerechtshof heeft besloten dat de omgang er moet zijn, dus dit moet zo snel mogelijk opgestart worden.\n\n4.4.. De GI geeft aan dat er direct twee jeugdbeschermers beschikbaar zijn. Verder is er voor het begeleiden en observeren van het contact tussen de vader en [minderjarige] een wachttijd van maanden.\n\n5. De beoordeling\n\nWettelijk kader\n\n5.1.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nde verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.2.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.3.. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat [minderjarige] zich bevindt in een zeer kwetsbare positie. Er is een jarenlange, escalerende en aanhoudende strijd tussen de ouders. Hierdoor heeft [minderjarige] gevoelens van onveiligheid ontwikkeld. Op dit moment is er contactverlies tussen [minderjarige] en zijn vader. Doordat de moeder niet meewerkt aan het arrest van het gerechtshof van 31 maart 2026 waarin de moeder is veroordeeld om mee te werken aan de door partijen overeengekomen zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] , blijft dit contactverlies in stand. Dit is zeer zorgelijk. Het lukt de ouders daarnaast onvoldoende om de onderlinge strijd weg te houden bij [minderjarige] . Hierdoor ervaart [minderjarige] stress, verwarring en onrust en is er onvoldoende rust en voorspelbaarheid in zijn opvoedomgeving. De ouders voelen de noodzaak [minderjarige] tegen de andere ouder te beschermen en het ontbreekt hen aan inzicht in hun eigen aandeel in het conflict. Verder is er ook (dreigend) contactverlies met [persoon 1] en [persoon 2] , de half-broers van [minderjarige] . Daar komt bij dat [minderjarige] op dit moment ook geen contact heeft met de opa en oma van de vaderszijde. De kinderrechter maakt zich zorgen dat dit opnieuw verlieservaringen worden voor [minderjarige] . Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig wordt bedreigd. Het is belangrijk dat de GI onderzoekt welke hulpverlening het meest passend is voor [minderjarige] . Doordat de ouders zelf ook ingrijpende levensgebeurtenissen hebben meegemaakt is het belangrijk dat ook de ouders de passende hulpverlening krijgen. Het is daarbij van belang dat de ouders zich begeleidbaar opstellen en werken aan hun intrinsieke motivatie. De GI moet daarbij ook aandacht besteden aan de onderlinge communicatie van de ouders. Tot slot wil de kinderrechter ingaan op het monitoren via video-opnames van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De kinderrechter benadrukt dat het arrest van het gerechtshof als uitgangspunt geldt. In dit arrest wordt de moeder veroordeeld mee te werken aan de door ouders eerder overeengekomen zorgregeling. Dat de Raad op dit moment te weinig zicht heeft gekregen op de omgang tussen [minderjarige] en de vader is geen gegronde reden om de omgang op te schorten totdat de video-observatie ingezet kan worden, hetgeen volgens de GI een maandenlange wachttijd heeft. De kinderrechter vraagt dan ook aan de GI om de omgang tussen de vader en [minderjarige] zo snel mogelijk op een veilige manier op te starten ook als dat is zonder video-observatie. Het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] is van groot belang. De kinderrechter benadrukt richting de vader dat het zeer begrijpelijk is dat hij frustraties ervaart vanwege het gebrek aan contact met [minderjarige] . Voor het welzijn van [minderjarige] en het onderlinge contactherstel tussen de vader en [minderjarige] is het echter heel belangrijk dat [minderjarige] niet met die frustraties geconfronteerd wordt. Wanneer [minderjarige] zijn vader boos ziet, of anderszins, indirect, wordt geconfronteerd met die boosheid, veroorzaakt dat gevoelens van onveiligheid bij hem.\n\n5.4.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders vanwege de onderlinge strijd niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Het is nodig dat de GI de regie voert om de benodigde hulpverlening in te zetten en om besluiten te kunnen nemen in het belang van [minderjarige] .\n\n5.5.. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.\n\n5.6.. De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:\n\n- [minderjarige] groeit op in een (fysiek en emotioneel) veilige, stabiele en voorspelbare opvoedingsomgevingen, waarbij de ouders fysiek en emotioneel beschikbaar zijn, er in zijn opvoedbehoeften wordt voorzien, de ouders hem sensitief-responsief ouderschap bieden en hij zich kan richten op de ontwikkelingstaken die bij zijn leeftijd passen;\n\nDe ouders staken hun strijd, kunnen zich inleven in elkaars beleving, leren te reflecteren op zichzelf en stellen het belang van [minderjarige] voorop;\n\nHet contact tussen [minderjarige] en de vader is hersteld en de vorm hiervan ervaart [minderjarige] als veilig, hierbij krijgt hij emotionele toestemming van de moeder. De ouders communiceren op een manier die geen stress en loyaliteitsproblemen bij [minderjarige] geeft. [minderjarige] ervaart niet dat hij partij voor een ouder dient te kiezen;\n\nHet contact tussen [minderjarige] en zijn half-broers is (deels) hersteld, voor zover dit haalbaar is. [minderjarige] heeft hierover passende uitleg gekregen en het lukt hem zijn emoties hierover te delen;\n\n [minderjarige] en de ouders verwerken hun ingrijpende levensgebeurtenissen;\n\nDe vader heeft geleerd beter zijn emoties te reguleren en vertoont geen dreigend gedrag meer naar de moeder en ook naar betrokken hulpverlening ontstaan er niet langer situaties waarbij de ander zich onveilig voelt;\n\nDe draagkracht\u002Fdraaglast van de moeder is in balans;\n\nEr is zicht ontstaan op de interactie tussen [minderjarige] en de vader;\n\nDe ouders blijven zich begeleidbaar opstellen en houden zich aan de gemaakte afspraken.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Borm, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5451","2026-07-13T00:28:36.868Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":46,"updatedAt":87},"474","ECLI:NL:RBZWB:2026:5418","ecli-nl-rbzwb-2026-5418","2026-05-20T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447671 \u002F JE RK 26-753\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing\n\nin de zaak van\n\n [de moeder] ,\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\nde gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen de GI.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n\nBij beschikking van 22 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met\n\ningang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024. Ook is een machtiging tot\n\nuithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met\n\ningang van 22 maart 2024 en tot 22 september 2024. Het resterende deel van het verzoek tot\n\nondertoezichtstelling van [minderjarige] is aangehouden.\n\n2.3.. \n\nBij beschikking van 23 augustus 2024 heeft de kinderrechter de\n\nondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie\n\nvan een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 22 september 2024 en tot 22 maart\n\n2025.\n\n2.4.. Bij beschikking van 12 maart 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd tot 22 maart 2026. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 22 maart 2026.\n\n2.5.. Bij beschikking van 20 augustus 2025, hersteld bij beschikking van 25 september 2025, heeft de kinderrechter de voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk ingetrokken met ingang van 20 augustus 2025 en tot 18 oktober 2025 en is mr. M. Kalle benoemd tot bijzondere curator van [minderjarige] .\n\n2.6.. Bij beschikking van 17 oktober 2025 is Stichting Jeugdbescherming west Zeeland vervangen door William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. De kinderrechter heeft tevens de voornoemde machtiging tot uithuisplaatsing tijdelijk ingetrokken met ingang van 18 oktober 2025 en tot 15 januari 2026.\n\n2.7.. Bij beschikking van 16 januari 2026 is het (zelfstandige) verzoek van de moeder om voorlopig te bepalen dat [minderjarige] dag en nacht bij haar verblijft afgewezen, omdat de GI het verzoek omtrent de machtiging uithuisplaatsing heeft ingetrokken.\n\n2.8.. Bij beschikking van 24 februari 2026 heeft de kinderrechter zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 24 februari 2026 en tot 22 maart 2026.\n\n2.9.. Bij beschikking van 4 maart 2026 is de ondertoezichtstelling laatstelijk verlengd tot 22 maart 2027. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder is verlengd tot - naar de kinderrechter begrijpt - 22 september 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek tot een nader te plannen zitting begin september 2026.\n\n2.10.. Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige] op een zorggroep in [plaats] .\n\n2.11.. De GI heeft op 31 maart 2026 de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is de volgende regeling opgenomen: 1 keer per week 2 uur begeleid door de groep. Om de dag 10 minuten bellen om 19 uur. De regeling zal voor nu zo zijn tot deze loopt en we een aantal omgangen hebben gehad. Dan kunnen we gaan evalueren.\n\nU kan samen met de begeleiding een dag en tijd afspreken om langs te komen, minimaal 5 dagen van te voren moet dit van beide kanten bevestigd worden.\n\nU dient zelf zorg te dragen om naar de groep te komen.\n\nWij verwachten van u dat u [minderjarige] niet belast met volwassen zaken, zoals praten over uw financiën, uw ongenoegen uiten over hulpverlening en andere professionals tegen [minderjarige] en andere zaken waar [minderjarige] niets mee kan en bij hem voor onrust zorgen. De begeleiding ziet hierop toe en zal hier op aanspreken wanneer hier sprake van is. Dit wordt terug gegeven aan ons van de GI.\n\nWij verwachten van u dat u een fijn en onbelast moment met [minderjarige] kan hebben.\n\nU kan naast de bezoeken om de dag 10 minuten ongeveer bellen met [minderjarige] . [minderjarige] belt naar u. De begeleiding blijft in de buurt om erop toe te zien dat het een onbelast gesprek zal worden.\n\nNa afloop van deze duur zal het verloop van deze regeling worden geëvalueerd. U ontvangt hiervoor een uitnodiging.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De moeder stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat de door de GI in de schriftelijke aanwijzing bepaalde contactregeling voor haar niet haalbaar is. Van de moeder wordt verlangd dat zij iedere week afreist naar de groep waar [minderjarige] sinds eind februari jl. verblijft. Dit is haar tot op heden twee keer gelukt. De moeder kampt met een ernstige vorm van diabetes, waardoor het voor haar niet mogelijk is om zelfstandig naar [plaats] te reizen. De gezondheidsproblemen belemmeren de moeder geregeld in haar dagelijks leven en leiden geregeld tot uitval en ziekenhuisopnames. Dit is ook de reden waarom de moeder niet iedere keer kan deelnemen aan gesprekken omtrent [minderjarige] en de evaluaties. Daarnaast beschikt de moeder niet over voldoende financiële middelen voor alternatief vervoer. Tevens is niemand in haar netwerk bereid om de moeder naar [plaats] te brengen. Meerijden met de jeugdbeschermer is voor de moeder geen optie. Dit vindt zij niet prettig vanwege de verstoorde verhouding die zij met haar heeft. De moeder vindt dan ook dat de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaard moeten worden, nu deze voor haar niet haalbaar en uitvoerbaar is. In aanvulling op het voorgaande benoemt de moeder ook dat zij zich zorgen maakt om [minderjarige] en de groep waar hij nu verblijft. De moeder begrijpt dat [minderjarige] het erg naar de zin heeft op deze groep, want er worden veel uitjes ondernomen, maar zij vindt het zorgelijk dat [minderjarige] niet naar school gaat en geen dagbesteding heeft. De moeder vindt de vele kostbare uitjes die op de groep worden ondernomen onbegrijpelijk en niet passend. De begeleiding rijdt met de kinderen het hele land door. De moeder begrijpt dan ook niet dat [minderjarige] niet een keer bij haar op bezoek kan en mag komen. Ook vindt de moeder het gamegedrag van [minderjarige] zorgelijk, waarbij hij tikkies krijgt van andere groepsgenoten en er geld op zijn bankrekening wordt gezet. De moeder heeft dit meermaals gemeld bij de groepsleiding, maar zij weten hier niet naar te handelen.\n\n4.2.. De GI benoemt dat [minderjarige] sinds 24 februari jl. op de groep in [plaats] verblijft. Volgens de GI is moeder sindsdien drie keer bij [minderjarige] op bezoek in [plaats] geweest. Dit in tegenstelling tot de vorige groep, waar de moeder [minderjarige] geregeld kwam ophalen. De GI beseft dat de reisafstand tussen de moeder en [minderjarige] aanzienlijk is. De GI heeft naar mogelijkheden gezocht om een oplossing te vinden voor de belemmeringen van de moeder, ook in overleg met de groep. Volgens de GI is echter de medische en financiële situatie van de moeder niet de enige reden waarom bezoeken niet doorgaan. De moeder heeft namelijk ook een bezoek afgezegd omdat zij boos was op [minderjarige] . Tevens wil zij niet meerijden met de jeugdbeschermer. De GI merkt dat de redenen nogal wisselen. De GI wil zich inspannen voor het realiseren van begeleide bezoeken bij de moeder thuis, maar vindt het ook belangrijk voor [minderjarige] dat de moeder ook op de plek komt waar hij zijn dagelijkse leven heeft. De GI heeft het daarom noodzakelijk gevonden om de moeder een schriftelijke aanwijzing te geven, maar beseft ook dat het een lastige situatie is. Het is belangrijk dat er bezoeken met regelmaat doorgaan om evaluatiemomenten in te kunnen plannen. Dit is ook de reden waarom er geen specifieke data genoemd zijn in de schriftelijke aanwijzing. De GI weet niet of het voor de groep haalbaar is om af en toe bezoeken bij de moeder thuis te laten plaatsvinden en dus om [minderjarige] naar de moeder te brengen. Dit moet met de groep besproken worden. Ook de mogelijkheid om een fonds aan te spreken voor het vervoer van de moeder met eventueel een overnachting dient nader onderzocht te worden.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Ingevolge artikel 1:263 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak een ouder een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder niet instemt, niet of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van het plan of als dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. Het tweede lid bepaalt dat de met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing opvolgt.\n\n5.2.. Ingevolge artikel 1:264 lid 1 BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat de termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek twee weken bedraagt en die termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.\n\n5.3.. De kinderrechter ziet zich dan ook allereerst voor de vraag gesteld of de moeder kan worden ontvangen in haar verzoek. De schriftelijke aanwijzing is op 2 april 2026 aan de moeder uitgereikt en het verzoekschrift is op 16 april 2026 ingediend. Dit betekent dat het verzoek tijdig is ingediend. De kinderrechter zal de moeder dan ook ontvangen in haar verzoek en hierna inhoudelijk behandelen.\n\n5.4.. \n\nDe kinderrechter komt tot het oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van 31 maart 2026 vervallen moet worden verklaard en zal uitleggen waarom hij dit vindt. In deze schriftelijke aanwijzing wordt van de moeder verlangd dat zij [minderjarige] iedere week twee uur bezoekt op de groep in [plaats] . De moeder dient minimaal vijf dagen van te voren met de begeleiding een dag en tijd hiervoor af te spreken. De bezoeken vinden onder begeleiding plaats. Daarnaast hebben de moeder en [minderjarige] om de dag een telefonisch contactmoment gedurende 10 minuten, waarbij de begeleiding op de buurt aanwezig is.\n\nDe kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat de bezoeken met de moeder onder begeleiding (blijven) plaatsvinden. Ook vindt hij het belangrijk dat de moeder meewerkt aan de begeleide bezoeken en de afspraken die gelden voor een fijn en onbelast contact van [minderjarige] met de moeder. De kinderrechter onderschrijft inhoudelijk dan ook de schriftelijke aanwijzing op deze punten. Wat de kinderrechter minder goed vindt, is dat in de schriftelijke aanwijzing onvoldoende is weergegeven voor welke duur deze aanwijzing van toepassing is en wanneer de evaluaties zullen plaatsvinden. Daardoor is de schriftelijke aanwijzing onvoldoende helder en toetsbaar geformuleerd, zodat het de moeder onvoldoende duidelijk is wat de geldigheidsduur en de toetsingsmomenten zullen zijn.\n\nDaarnaast lijkt het voorschrift dat de moeder [minderjarige] één keer per week fysiek bezoekt op de groep in [plaats] voor haar niet haalbaar en uitvoerbaar, gelet op de gezondheidsproblemen van de moeder en de belemmeringen die zij hiervan ondervindt in haar dagelijks functioneren. De moeder kan de lange reis naar [minderjarige] in [plaats] niet zelfstandig maken en is daarin afhankelijk van derden of kostbare alternatieven. De kinderrechter vindt dat de uitvoerbaarheid van een schriftelijke aanwijzing zeker gesteld moet zijn op het moment dat deze door de GI aan een ouder wordt opgelegd. Dat is in de onderhavige kwestie naar het oordeel van de kinderrechter niet het geval. De kinderrechter zal daarom de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaren. Hij dringt bij de GI erop aan dat zij tot een nieuwe schriftelijke aanwijzing zal komen, waarin een duidelijke periode wordt opgenomen hoe lang de aanwijzing zal gelden als ook de manier waarop de maatregelen uitgevoerd moeten worden. Er moet daarbij gezocht worden naar mogelijkheden om het begeleide contact tussen de moeder en [minderjarige] structureel te kunnen vormgeven op een wijze die ook voor de moeder uitvoerbaar en haalbaar is. Daarnaast moeten er duidelijke afspraken komen, waarbij van de moeder wordt verwacht dat zij met de GI meedenkt over de mogelijkheden om de afspraken die rondom [minderjarige] gepland worden na te komen en om [minderjarige] te bezoeken op zijn woonplek. Het is zijn belang dat hij de omgeving waar hij woont en leeft kan laten zien aan zijn moeder. De moeder moet daar kennis van willen nemen.\n\n5.5.. Tot slot vraagt de kinderrechter bij de GI aandacht voor de zorgen die de moeder heeft aangekaart over het gamegedrag van [minderjarige] en het vermoeden dat hij als mogelijke katvanger door enkele groepsgenoten lijkt te worden ingezet. Van de GI wordt verwacht dat zij dit zo spoedig mogelijk met de groepsleiding oppakt.\n\n5.6.. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verklaart de schriftelijke aanwijzing d.d. 31 maart 2026 vervallen.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5418","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:32.259Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":92,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":46,"updatedAt":94},"477","ECLI:NL:RBZWB:2026:5429","ecli-nl-rbzwb-2026-5429","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447612 \u002F JE RK 26-730\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nDE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,\n\nlocatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat mr. Q. van Mossevelde uit Terneuzen,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. M. de Houck uit Terneuzen.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\nde gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUDGBESCHERMING & JEUDGRECLASSERING,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de GI.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- de moeder bijgestaan door haar advocaat;\n\neen vertegenwoordigster van de GI;\n\neen vertegenwoordigster van de Raad.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont bij zijn moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. [minderjarige] heeft kindeigenproblematiek en groeit op in een omgeving waarbij er zorgen zijn over het opvoedingshandelen van de ouders. Tussen de ouders is er een groot wantrouwen en een verschil in visie. De ouders hebben ook hun eigen problematiek. Mede daardoor is het voor de ouders lastig om [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. De Raad verwijst naar de doelen uit het raadsrapport en voegt hieraan toe dat de Raad het nodig acht dat de ouders psycho-educatie krijgen over autismespectrumstoornissen (hierna: ASS) en een ontwikkelingsachterstand bij kinderen. De Raad ziet dat de grenzen van het vrijwillig kader bereikt zijn.\n\n4.2.. Door en namens de vader wordt aangevoerd dat de vader een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk vindt. De vader zal wel zijn medewerking verlenen als de ondertoezichtstelling wordt toegewezen. De vader vraagt zich af wat een ondertoezichtstelling meer gaat brengen dan hulpverlening in het vrijwillig kader. Hulpverlening voor de ouders en verder onderzoek naar [minderjarige] kan volgens de vader in het vrijwillig kader worden ingezet.\n\n4.3.. Door en namens de moeder wordt aangevoerd dat de moeder instemt met de ondertoezichtstelling. De moeder denkt dat de ondertoezichtstelling helpend kan zijn voor [minderjarige] en haarzelf. [minderjarige] ervaart veel emoties en hij kan dit moeilijk onder woorden brengen. Er is intensievere begeleiding voor [minderjarige] nodig. Daarnaast moet er rust en voorspelbaarheid ontstaan in het contact met de vader. Ook hoopt de moeder dat de ondertoezichtstelling helpend zal zijn voor het vertrouwen in de vader.\n\n4.4.. De GI geeft aan dat er een jeugdbeschermer beschikbaar is.\n\n5. De beoordeling\n\nWettelijk kader\n\n5.1.. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:\n\nde zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;\n\nde verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.2.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.3.. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat er veel zorgen zijn over [minderjarige] . [minderjarige] heeft ASS en een algehele ontwikkelingsachterstand. Deze kindeigenproblematiek maakt dat [minderjarige] een grote behoefte aan structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Daarnaast heeft [minderjarige] moeite met zijn emotieregulatie. Dit kan zich uiten is plotselinge agressie of onverklaarbaar gedrag. Hoewel de ouders veel om [minderjarige] geven, kunnen de vader en de moeder op dit moment de nodige structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid in de opvoedsituatie niet bieden. Er zijn namelijk grote zorgen over de opvoedomgeving van zowel de vader als de moeder. Dit komt mede door de eigen problematiek van de ouders. Bij de moeder zijn er zorgen over haar draagkracht, zowel mentaal als fysiek. De vader is snel overvraagd en zijn leerbaarheid is beperkt. Daarnaast is er tussen de ouders geen sprake van vertrouwen of constructieve communicatie, hetgeen zorgt dat [minderjarige] klem zit tussen de ouders. [minderjarige] ervaart last van de onderlinge spanningen tussen de ouders.\n\n5.4.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het de ouders tot nu in het vrijwillig kader niet is gelukt om blijvende verandering te bewerkstelligen. In de afgelopen anderhalf jaar is de hulpverlening in het vrijwillig kader onvoldoende aangestuurd. Het is belangrijk dat de GI de regie gaat voeren om hulpverlening gericht in te zetten en om voor [minderjarige] zo snel mogelijk een veilige opvoedsituatie te creëren.\n\n5.5.. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. Het is belangrijk dat de GI gaat onderzoeken wat [minderjarige] nodig heeft in zijn ontwikkeling. Indien nodig dient de GI intensievere begeleiding voor [minderjarige] in te zetten. Daarnaast is het van belang dat de ouders meer in gesprek gaan met elkaar. Op deze manier kan [minderjarige] zo veel mogelijk onbelast contact hebben met beide ouders en daarbij meer rust ervaren. Tot slot moet er duidelijkheid komen in het contact en de omgang tussen de vader en [minderjarige] .\n\n5.6.. De kinderrechter geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:\n\n- [minderjarige] groeit op in een veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie waarin er\n\nresponsief en sensitief op zijn behoeften wordt ingespeeld;\n\n- [minderjarige] weet emoties op een adequate en bij zijn ontwikkeling passende wijze te\n\nreguleren;\n\n- [minderjarige] ervaart duidelijkheid over wat hij kan verwachten in het contact en de\n\nomgang met zijn vader en voelt zich hierin voldoende gehoord (wat betekent dat\n\ner passend bij de behoefte van [minderjarige] contact is met de vader);\n\n- [minderjarige] ervaart vrijheid en ruimte om de band met beide ouders te onderhouden\n\nen zijn loyaliteit naar beide ouders vorm te geven;\n\n- De ouders blijven zich begeleidbaar opstellen en komen gemaakte afspraken met\n\nelkaar en anderen na en stellen het ouderschap van [minderjarige] centraal;\n\n- De ouders krijgen psycho-educatie, waarbij zij inzicht krijgen in welke opvoedingsaanpak passend is voor een kind met ASS en een ontwikkelingsachterstand.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering met ingang van 20 mei 2026 tot 20 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 3 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5429","2026-07-13T00:28:32.388Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":99,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":100,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":46,"updatedAt":101},"481","ECLI:NL:RBZWB:2026:5436","ecli-nl-rbzwb-2026-5436","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F447084 \u002F JE RK 26-644\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nLEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERINGte Eindhoven,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\nmr. D.J.A. BURLET,in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [minderjarige] ,\n\nhierna te noemen: de bijzondere curator,\n\nkantoorhoudende te Oostburg .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 april 2026;\n\n- het bericht van de GI met bijlagen van 28 april 2026;\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder, bijgestaan door een tolk in de Russische taal;\n\neen tweetal vertegenwoordigsters van de GI;\n\nde bijzondere curator.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n\nBij beschikking van 25 juni 2018 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van\n\nde GI met ingang van 25 juni 2018 en tot 15 september 2018, met afwijzing van het\n\nresterende deel van het verzoek strekkende tot voorlopige ondertoezichtstelling. Tevens is\n\neen machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend\n\nmet ingang van 25 juni 2018 en tot 6 augustus 2018.\n\n2.3.. \n\nBij beschikking van 1 augustus 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing van\n\n [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 6 augustus 2018 en tot\n\n15 september 2018.\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van 13 september 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de\n\nGI met ingang van 13 september 2018 en tot 13 september 2019. Tevens is een machtiging\n\ntot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 13\n\nseptember 2018 en tot 13 februari 2019.\n\n2.5.. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 13 september 2021. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is steeds verlengd, tot 13 augustus 2020. [minderjarige] woonde sindsdien weer bij de moeder thuis.\n\n2.6.. Bij beschikking van 24 mei 2024 is [minderjarige] nogmaals onder toezicht gesteld met ingang van 24 mei 2024 en tot 24 mei 2025.\n\n2.7.. \n\nBij beschikking van 6 augustus 2024 is een (spoed)machtiging verleend om\n\n [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met\n\ningang van 6 augustus 2024 en tot 20 augustus 2024, onder aanhouding van het overige deel\n\nvan het verzoek.\n\n2.8.. \n\nBij beschikking van 13 augustus 2024 heeft de kinderrechter de spoedmachtiging\n\nvan 6 augustus 2024 herroepen met ingang van 17 augustus 2024 en het overige deel van het\n\nverzoek afgewezen.\n\n2.9.. \n\nBij beschikking van 16 augustus 2024 heeft de kinderrechter een\n\n(spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg\n\nverleend met ingang van 16 augustus 2024 en tot 30 augustus 2024, onder aanhouding van\n\nhet resterende deel van het verzoek.\n\n2.10.. \n\nBij beschikking van 22 augustus 2024 heeft de kinderrechter het resterende deel\n\nvan het (spoed)verzoek afgewezen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een\n\nvoorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 30 augustus 2024 en tot 24 januari\n\n2025, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.\n\n2.11.. \n\nBij beschikking van 7 november 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot\n\nuithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met\n\ningang van 7 november 2024 en tot 21 november 2024. De behandeling van het verzoek is\n\nvoor het overige aangehouden.\n\n2.12.. \n\nBij beschikking van 14 november 2024 heeft de kinderrechter de machtiging tot\n\nuithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder toegewezen\n\nmet ingang van 21 november 2024 en tot 24 januari 2025, onder aanhouding van het\n\nresterende deel van het verzoek.\n\n2.13.. \n\nBij beschikking van 22 januari 2025 is de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende\n\ndag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met\n\ningang van 24 januari 2025 en tot 24 mei 2025.\n\n2.14.. Bij beschikking van 9 februari 2026 heeft de kinderrechter mr. D.J.A. Burlet benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] .\n\n2.15.. Bij beschikking van 20 mei 2025 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder laatstelijk verlengd tot 24 mei 2026.\n\n2.16.. \n\n [minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde beschikking in een\n\naccommodatie van een jeugdhulpaanbieder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI - naar de kinderrechter begrijpt - de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI stelt dat sinds de betrokkenheid van de nieuwe jeugdbeschermers er forse zorgen zijn ontstaan over de veiligheid, het welzijn en de professionele zorg binnen het gezinshuis waar [minderjarige] verbleef. Er waren zorgen over ernstige verwaarlozing, waardoor de GI de situatie niet langer verantwoord vond voor [minderjarige] met als gevolg dat zij per direct is overgeplaatst naar een crisispleeggezin, gevolgd door een plaatsing in het huidige gezinshuis. Sinds de overplaatsing is een duidelijke verbetering zichtbaar in het welzijn van [minderjarige] . Het bedplassen komt sindsdien niet meer voor. Gezien wordt dat [minderjarige] meer rust ervaart en dat zij zich in toenemende mate veilig voelt binnen dit gezin. In de komende periode zal de GI onderzoeken hoe het contact tussen [minderjarige] en de moeder kan worden vormgegeven. De GI zal de (telefonische) contacten zelf begeleiden, waardoor goed zicht verkregen kan worden op het verloop hiervan. [minderjarige] en de moeder bellen nu één keer per maand gedurende 15 minuten met elkaar. Hiervoor was dit 30 minuten, maar dit is op verzoek van [minderjarige] in duur beperkt. Na drie keer zal het verloop van het contact geëvalueerd worden en zal bezien worden of dit kan worden uitgebreid. Het tempo en de mening van [minderjarige] zijn hierin leidend. In de komende periode zal Mentaal Beter gaan starten voor [minderjarige] . Er is inmiddels voor begin juli 2026 een intake gepland. De aanmelding heeft even on hold gestaan vanwege de overplaatsing naar het andere gezinshuis en om [minderjarige] de tijd te geven om binnen dit gezin te wennen. De GI zal de haalbaarheid van de wens van de moeder om [minderjarige] en haar zusje [persoon] samen verder te laten opgroeien in de komende periode meenemen in het onderzoek rondom het perspectief van [minderjarige] . Tot slot benoemt de GI het belangrijk te vinden dat de bijzondere curator voorlopig nog betrokken blijft bij [minderjarige] . Samenvattend concludeert de GI dat de ondertoezichtstelling nog langer noodzakelijk is en dat het verblijf van [minderjarige] in het huidige gezinshuis geborgd moet blijven. De GI handhaaft dan ook haar verzoeken. Ten aanzien van het verzoek zoals dat is gedaan, stelt de GI dat per abuis verlenging van de bestaande machtiging per 11 april 2026 is verzocht. Bedoeld is de bestaande machtiging te verlengen in aansluiting op de voorgaande machtiging. Daarbij is een machtiging bedoeld voor het verblijf van [minderjarige] in het gezinshuis. Dit valt binnen de categorie van een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.\n\n4.2.. De moeder heeft ernstige zorgen over de medische situatie en het welzijn van [minderjarige] . Volgens de moeder is [minderjarige] slachtoffer van pedofilie. Niemand mag haar dochter aanraken en is er erg boos over hoe dit heeft kunnen gebeuren. De moeder voelt zich niet gehoord in haar zorgen. De moeder heeft [minderjarige] al meer dan een jaar niet gezien. Vanaf december 2025 spreekt zij [minderjarige] telefonisch. De moeder is boos over het feit dat zij geen contact met [minderjarige] heeft mogen hebben in de periode rondom de kerstdagen en dat dit contact zelfs is teruggebracht tot 15 minuten per maand. De moeder mist [minderjarige] enorm. Zij heeft [minderjarige] haar excuses aangeboden, omdat zij vanwege haar verblijf in het buitenland niet voor haar beschikbaar was tijdens de acute situatie die is ontstaan rondom het vorige gezinshuis. De moeder benoemt dat zij en [minderjarige] veel hebben meegemaakt. De moeder weet niet of [minderjarige] in het gezinshuis moet blijven wonen. Dit is aan de kinderrechter. De moeder heeft hierin geen macht en benoemt daarbij het wel belangrijk te vinden dat haar dochters samen kunnen opgroeien, het liefst bij de [locatie] in [plaats] , het huis waar de zus van [minderjarige] , [persoon] , op dit moment woont.\n\n4.3.. De bijzondere curator geeft aan dat zij één keer [minderjarige] heeft bezocht in het gezinshuis. Daarna heeft de bijzondere curator voornamelijk gesproken met de gezinhuismoeder. Volgens de bijzondere curator is [minderjarige] heel duidelijk over de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Het belangrijkste dat [minderjarige] aangeeft is dat zij nood heeft aan rust en duidelijkheid. [minderjarige] heeft haar ook verteld dat zij het fijn heeft in het nieuwe gezinshuis. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en kent daardoor een behoorlijke voorgeschiedenis. [minderjarige] gaat zich geleidelijk aan meer uitspreken over wat zij heeft meegemaakt. De zorgen die hierdoor ontstaan behoeven nader onderzoek. Waar deze zorgen over gaan wil de bijzondere curator nog niet delen. [minderjarige] moet hiervoor ruimte geboden worden en daarbij moet voorkomen worden dat de prille vertrouwensband tussen [minderjarige] en de gezinshuismoeder onder druk komt te staan. Dit moet dus voorzichtig worden opgepakt. Naast de informatie die vanuit [minderjarige] zelf komt, is er veel informatie beschikbaar bij derden, maar het is voor de bijzonder curator lastig gebleken om al deze informatie op te vragen en te verzamelen. De bijzondere curator kan niet anders dan in de procedure waarin zij is benoemd is tot bijzondere curator over [minderjarige] haar verslag van bevindingen met enige vertraging uiterlijk begin augustus 2026 in te dienen. Aan de hand van alle verkregen informatie zal zij ook nog in gesprek gaan met [minderjarige] en bezien of zij namens haar zelfstandig een verzoekschrift zal indienen. Voor nu vindt de bijzondere curator het belangrijk dat er snel duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . Dit heeft zij nodig. De constante onzekerheid over waar zij moet en mag zijn belast haar. De gezinshuisouders hebben aangegeven haar dit te kunnen bieden.\n\n4.4.. \n [minderjarige] heeft in een afzonderlijk gesprek de kinderrechter verteld dat zij is verhuisd naar een nieuw gezinshuis en dat zij het hier prettiger wonen vindt dat bij het vorige gezinshuis waarin vaak ruzie was. [minderjarige] heeft het ook naar de zin op haar nieuwe school en geeft haar leven momenteel een hoger cijfer dan een jaar geleden. Dit komt door het nieuwe gezinshuis. Ook heeft [minderjarige] verteld dat zij een aantal fijne contactmomenten met haar moeder heeft gehad, maar ook een aantal minder fijne. Dit is de reden waarom [minderjarige] heeft gevraagd om een korter contactmoment. Dit is nu zo en [minderjarige] vindt dit prettig. [minderjarige] is gestart bij Mentaal Beter en denkt dat zij hier echt wat aan zal hebben. [minderjarige] heeft veel meegemaakt in haar leven en ook op dit moment speelt er veel. Tevens heeft [minderjarige] eenmaal met de bijzondere curator gesproken. Zij wil graag dat dit een vervolg krijgt.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.Ook is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht concludeert de kinderrechter dat de zorgen die een bedreiging vormen voor de ontwikkeling van [minderjarige] nog altijd onverminderd aanwezig zijn. Het lukt de GI niet om met de moeder een samenwerking aan te gaan om zodoende te werken aan de doelen die eerder zijn gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling. Daarnaast zijn er sinds de wisseling van jeugdbeschermers in september 2025 forse zorgen ontstaan over de veiligheid, welzijn en de professionele zorg binnen het gezinshuis waar [minderjarige] verbleef. Omdat de situatie niet langer verantwoord was voor [minderjarige] , is zij terug overbrugging per direct overgeplaatst naar een crisispleeggezin en verblijft zij inmiddels in een ander gezinshuis. Naast de ernstige zorgen over haar ontwikkeling, waarvoor eerdaags Mentaal Beter zal starten, kent [minderjarige] ook een traumatische gang van alle opvangplekken die zij inmiddels gezien heeft. De kinderrechter vindt het daarom van cruciaal belang dat er snel duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . Zij heeft hier dringend behoefte aan. De GI wordt daarom verzocht dit zo spoedig mogelijk op te pakken door het perspectief te bepalen en een verzoek tot onderzoek aan de Raad te richten. De kinderrechter maakt zich daarbij zorgen over de beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige] en haar aanspreekbaarheid, mede gezien het grensoverschrijdende gedrag dat zij in het contact met de hulpverlening laat zien. Ook ter zitting heeft de kinderrechter moeten constateren dat de moeder zich nauwelijks laat sturen of aanspreekbaar is. Bezien moet worden wat zij in dit kader extra nodig heeft. Hopelijk lukt het de GI om in contact te komen met de hulpverlening die betrokken is bij de moeder dan wel eerder betrokken is geweest, zodat er meer zicht verkregen kan worden op haar persoon en behoeften. De kinderrechter vindt dit belangrijk, omdat dit blijkbaar ook haar contact met [minderjarige] in de weg staan. [minderjarige] ervaart de contacten met haar moeder als belastend. Op haar verzoek zijn de belcontacten inmiddels beperkt naar 15 minuten per maand.\n\n5.3.. Gelet op alle ontwikkelingen vindt de kinderrechter het noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] dat de GI langer betrokken blijft om vanuit het gedwongen kader de regie te voeren en de belangen van [minderjarige] te kunnen waarborgen. Daarnaast dient in het belang van haar verzorging en opvoeding en in afwachting van de perspectiefbepaling het verblijf van [minderjarige] in het huidige gezinshuis voor de komende periode gecontinueerd te worden. Daarbij zal de kinderrechter de verzochte machtiging beperken tot het gezinshuis waar zij nu verblijft, te weten [gezinshuis] . Daarmee wil de kinderrechter borgen dat dit de laatste plek voor [minderjarige] is tot – en zo mogelijk ook nadat - dat haar perspectief is bepaald. Beide verzoeken zullen worden toegewezen voor de duur van een jaar.\n\n5.4.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing in het belang van de ongestoorde voortzetting van de hulpverlening aan [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 24 mei 2026 en tot 24 mei 2027;\n\n6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten het [gezinshuis] , met ingang van 24 mei 2026 en tot 24 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 29 mei 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.\n\n Artikel 1:265c, tweede lid, BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5436","2026-07-13T00:28:32.598Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":106,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":46,"updatedAt":108},"487","ECLI:NL:RBZWB:2026:5425","ecli-nl-rbzwb-2026-5425","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F446984 \u002F JE RK 26-626\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,\n\ngevestigd te 's-Hertogenbosch,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres.\n\nDe kinderrechter merkt als informant aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende op een bij de rechtbank onbekend adres in Bonaire.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;\n\nde brief van [minderjarige 1] , ontvangen op 18 mei 2026;\n\nhet bericht van de GI, ontvangen op 20 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder;\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\nDe vader zou digitaal aansluiten, maar is niet verschenen.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft hier geen gebruik van gemaakt. [minderjarige 1] heeft hierover een brief geschreven. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 22 september 2025 is de moeder belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.2.. Bij beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 29 mei 2024 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN) tot 29 mei 2025. Bij beschikking van 21 mei 2025 is deze maatregel verlengd tot 29 mei 2026.\n\n2.3.. Bij beschikking van het Gerecht in Eerste Aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire, van 14 januari 2026 is de ondertoezichtstelling overgedragen en is de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant benoemd tot gezinsvoogd belast met het toezicht op de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.4.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing van het verzoek naar de overgelegde stukken. De GI geeft aan dat deze zaak een monitoringszaak betreft, hetgeen inhoudt dat er nog geen vaste jeugdbeschermer betrokken is bij het gezin. Op dit moment monitort de GI de actuele veiligheid. [hulpverlening] gaat vanuit Nederland het contact tussen de vader en de kinderen begeleiden. De vader heeft aan de GI aangegeven het eens te zijn met de ondertoezichtstelling.\n\n4.2.. \n [minderjarige 1] geeft in haar brief aan de kinderrechter aan dat ze haar vader erg mist. Op [plaats] waren er zowel leuke als nare dingen. De nare dingen waren de ruzies en de week of week af regeling. De leuke dingen waren de spellen met papa en mama, de verjaardagen, film kijken, beneden slapen en de [hond] .\n\n4.3.. De moeder geeft aan achter het verzoek van de GI te staan. Het duurt lang om alle processen vanuit [plaats] ook in Nederland te laten lopen. Het is belangrijk dat er zo snel mogelijk hulp komt voor de kinderen. De kinderen hebben recentelijk kennis gemaakt met de kindbehartiger.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.\n\n5.2.. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat de kinderen voor een langere periode zijn blootgesteld aan een onveilig opvoedklimaat. Door jarenlange blootstelling aan de ernstige partnerproblematiek tussen de ouders en huiselijk geweld, hebben de kinderen traumagerelateerde klachten ontwikkeld. De kinderen laten wisselend gedrag zien en er is sprake van hoge gevoeligheid voor spanning. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen momenteel met de moeder in Nederland. De vader verblijft nog steeds in [plaats] . De onveilige dynamiek tussen de moeder en de vader blijft echter aanwezig. Dit heeft effect op de kinderen. Er is sprake van een loyaliteitsconflict bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Indien er niks verandert tussen de ouders zullen de kinderen op termijn emotioneel gedwongen worden om één ouder boven de ander te verkiezen. Ondanks de spanningen tussen de ouders blijft het belangrijk dat de kinderen in contact blijven met de vader. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders samen niet in staat zijn in het belang van de kinderen afspraken te maken. Het is nodig dat de GI regie voert om zo het belang van de kinderen voorop te stellen.\n\n5.3.. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een voorspelbare gezinssituatie nodig waarin ze zich veilig voelen en waar er duidelijke regels en afspraken zijn. De huidige situatie, met complexe problematiek bij de kinderen en tussen de ouders, speelt al een langere tijd en hier lijkt geen ontwikkeling in te zitten. Het is positief dat [hulpverlening] betrokken is en dat een kindbehartiger is ingezet. [hulpverlening] moet echter de begeleiding van het contact tussen de kinderen en de vader nog opstarten. Ook de kindbehartiger is pas recentelijk gestart. Het is belangrijk dat de GI goed zicht krijgt op de kinderen en de noodzakelijke hulpverlening voor de kinderen gaat inzetten en monitoren. Daarnaast is het van belang dat de vader betrokken blijft bij het proces en dat het huidige patroon in de oudercommunicatie doorbroken wordt. Tot slot geeft de kinderrechter aan de GI mee dat het van groot belang is dat het gezin een vaste jeugdbeschermer krijgt. De kinderrechter verwacht bij een eventueel verlengingsverzoek een uitgebreid rapport, met volledige informatie. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.\n\n5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 29 mei 2026 tot 29 mei 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 3 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:260 BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5425","2026-07-13T00:28:32.972Z",{"id":110,"ecli":111,"slug":112,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":113,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":114,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":46,"updatedAt":115},"496","ECLI:NL:RBZWB:2026:5441","ecli-nl-rbzwb-2026-5441","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F419261 \u002F FA RK 24-764 (echtscheiding met nevenvoorzieningen) C\u002F02\u002F439527 \u002F FA RK 25-4561 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)\n\nbeschikking d.d. 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. M. Kalle, kantoorhoudende te Middelburg,\n\nen\n\n [de man],\n\nbriefadres te [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: voorheen mr. E.A.G. van Acker (gedesisteerd), thans mr. N.P.M. Planthof, kantoorhoudende te Goes.\n\nOuders van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011; - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen de GI.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren.\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\n- de brief d.d. 1 april 2025 van mr. Kalle, met nadere producties;\n\n- de brief d.d.13 mei 2025 van mr. Planthof, met nadere producties;\n\n- het op 13 juni 2025 ingekomen rapport en advies van de Raad d.d. 11 juni 2025;\n\n- de brief d.d. 17 november 2025 van mr. Planthof tevens houdende aanvullend verzoek, met nadere producties;\n\n- het F-formulier van mr. Planthof d.d. 19 november 2025;\n\n- de brief d.d. 5 december 2025 van mr. Kalle, houdende verweerschrift laatste verzoek, tevens aanvulling verzoeken en overlegging stukken, met bijlagen;\n\n- de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Planthof overgelegde draagkrachtberekening;\n\n- de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Kalle overgelegde draagkrachtberekening.\n\n1.2.. De zaak is laatstelijk behandeld op de mondelinge behandeling van 16 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. De man is verder bijgestaan door zijn forensisch begeleidster. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.\n\n1.3.. Na afloop van de mondelinge behandeling zijn de navolgende stukken ontvangen:\n\n- het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 2 maart 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 maart 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 5 maart 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 18 maart 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 31 maart 2026 van mr. Kalle, met daarbij gevoegd een door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst;\n\n- het F-formulier d.d. 1 april 2026 van mr. Planthof.\n\n1.4.. De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt door middel van een kindgesprek op 12 december 2025 en [minderjarige 1] door middel van het schrijven van een brief.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nIn de procedure FA RK 24-764;\n\n2.1.. De rechtbank verwijst naar de beschikking van 27 februari 2025 waarbij de echtscheiding in het huwelijk tussen partijen is uitgesproken en het hoofdverblijf van de minderjarigen is bepaald bij de vrouw. De echtscheidingsbeschikking is op 20 mei 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n2.2.. Verder volgt uit voornoemde beschikking van 27 februari 2025 dat de Raad naar aanleiding van diverse zorgmeldingen een beschermingsonderzoek zal starten ten aanzien van de minderjarigen. De Raad zal in dit beschermingsonderzoek tevens onderzoek doen naar de zorgregeling.\n\n2.3.. De Raad heeft op 11 juni 2025 gerapporteerd en geadviseerd. Samengevat en voor zover van belang adviseert de Raad om de minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van 12 maanden en de behandeling van de verzoeken m.b.t. de zorgregeling en het contact aan te houden voor een periode van een jaar in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling.2.4.. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 22 juli 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI van 22 juli 2025 tot 22 juli 2026.\n\n2.5.. In geschil zijn nog de (schorsing van de) zorgregeling, de informatieregeling en de kinderbijdrage.\n\nZorgregeling en informatieregeling;\n\n2.6.. De vrouw verzoekt om voor de duur van één jaar te bepalen dat er geen contacten zijn tussen vader en de kinderen, dan wel te bepalen dat de zorgregeling nader door hulpverlening zal worden vastgesteld. Verder heeft de vrouw verzocht te bepalen dat partijen eens per drie maanden met elkaar informatie zullen uitwisselen en zullen raadplegen volgens een nader door de hulpverlening vast te stellen wijze.\n\n2.7.. \n\nDe man kan niet instemmen met het verzoek van de vrouw om te bepalen dat er één jaar geen contact tussen de kinderen en de man zal zijn en is van mening dat dit verzoek dient te worden afgewezen. De man is van mening dat het contact tussen hem en de kinderen – met tussenkomst van de hulpverlening – zo spoedig mogelijk dient te worden hersteld.\n\nDe man is voorts van mening dat de informatieregeling die door de vrouw is verzocht, te beperkt is. De man krijgt weinig tot geen informatie over de kinderen. In het verlengde hiervan is de man van mening dat de vrouw één keer per maand op de eerste van iedere maand per e-mailbericht hem dient te informeren over de ontwikkelingen en het welzijn van de kinderen\n\n2.8.. Door de Raad is ter zitting onder verwijzing naar het raadsrapport van 11 juni 2025 geadviseerd om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen en over de informatievoorziening bij de GI te beleggen in het kader van de ondertoezichtstelling.\n\n2.9.. De rechtbank stelt vast dat er al geruime tijd geen contact is tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Beide minderjarigen hebben verklaard op dit moment ook geen contact met hun vader te willen. Duidelijk is dat beide minderjarigen angst hebben voor de man. Hoe dit beeld is ontstaan en of het is ‘aangepraat’ zoals door de man wordt gesteld, doet niet af aan de huidige feitelijke situatie bij de minderjarigen. Van belang is dat dit angstbeeld eerst moet verdwijnen. De minderjarige [minderjarige 1] staat wel open voor contact met zijn vader en er vinden - zo is ter zitting door de man verklaard - ook contacten plaats tussen hen. Verder is door de vrouw verklaard dat er door haar via de GI tweewekelijks een informatieoverdracht plaatsvindt over de minderjarigen aan de man.\n\n2.10.. De rechtbank is van oordeel dat de prioriteit moet liggen bij de kwetsbare minderjarigen. Zij moeten eerst kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkeling. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het er over eens zijn - overeenkomstig het advies van de Raad – om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen alsmede over de informatieregeling te beleggen bij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. De rechtbank zal dit op onderstaande wijze bepalen. Partijen hebben ter zitting hun verzoeken ingetrokken.\n\nKinderbijdrage;\n\n2.11.. De vrouw verzoekt om een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen van € 300,= per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift ‒ zijnde 26 juni 2024.\n\nBehoefte minderjarigen;\n\n2.12.. Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen.\n\n2.13.. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (verder: NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2023, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.\n\n2.14.. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het erover eens zijn dat het NBGI € 6.279,= bedroeg, hetgeen ook volgt uit de door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de tabel bedraagt op basis van dat NBGI € 1.630,=. Geïndexeerd naar 2024 is dit € 1.731,=.\n\nDraagkracht onderhoudsplichtigen;\n\n2.15.. Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2024 bij inkomens vanaf € 2.065,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.065,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.\n\n2.16.. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders NBI, waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.\n\nDraagkracht man;\n\n2.17.. De rechtbank gaat bij gebrek aan recente inkomensgegevens van de man uit van de door de man overgelegde loonstroken over 2024. Daaruit volgt een jaarinkomen van € 51.584,=. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.\n\n2.18.. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 3.240,= per maand, hetgeen ook volgt uit voornoemde door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening.\n\nDraagkracht vrouw;\n\n2.19.. De rechtbank zal aan de zijde van de vrouw eveneens uitgaan van haar inkomensgegevens over 2024. De rechtbank zal geen rekening houden met het hogere inkomen van de vrouw per 1 augustus 2025 zoals dat volgt uit de door haar overgelegde salarisspecificaties, omdat de man mogelijk ook een hoger inkomen heeft en dit – in tegenstelling tot de vrouw - niet inzichtelijk heeft gemaakt.\n\n2.20.. De vrouw heeft volgens de jaaropgaaf over 2024 een inkomen van € 40.137,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige inkomen van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.010 ,= per maand. Het NBI van de vrouw wordt verhoogd met het kind gebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop waarvoor zij thans in aanmerking komt. Het totale NBI van de vrouw bedraagt aldus € 3.949,=. Dit NBI volgt overigens ook uit de draagkrachtberekeningen die door advocaten ter zitting zijn overgelegd.\n\nDraagkrachtvergelijking;\n\n2.21.. De draagkracht van de man is volgens vorenstaande formule € 699,= per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.046,= per maand.\n\n2.22.. \n\nDe verdeling van de kosten van de minderjarigen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de minderjarigen, oftewel:\n\nhet aandeel van de man bedraagt: € 699 \u002F € 1.745 x € 1.731 = € 693,=;\n\nhet aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.046 \u002F € 1.745 x € 1.731 = € 1.038,=.\n\nZorgkorting;\n\n2.23.. Partijen zijn het erover eens dat er geen zorgkorting van toepassing is. Dit betekent dat de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht, zijnde € 693,= ofwel € 231,= per kind per maand in de kosten van de minderjarigen moet voorzien. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook deels toewijzen.\n\nIngangsdatum;\n\n2.24.. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van die bijdrage laten ingaan op 26 juni 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met de vaststelling van een bijdrage en deze ingangsdatum tussen partijen verder ook niet in geschil is.\n\nIn de procedure FA RK 25-4561;\n\n2.25.. Partijen zijn op 25 april 2008 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben partijen huwelijkse voorwaarden opgemaakt bij akte op 23 april 2008. Deze akte is verleden door [notaris] , notaris te [plaats 1] . De huwelijkse voorwaarden houden een gemeenschap van inboedel in, met uitsluiting van elke andere gemeenschap van goederen.\n\n2.26.. Partijen hebben na een schorsing ter zitting overeenstemming bereikt. Partijen zijn overeengekomen dat de voormalige echtelijke woning staande en gelegen te [plaats 1] , gemeente Borsele, [adres] , zal worden verkocht en dat de man (van zijn deel van de verkoopopbrengst) eenmalig een bedrag van € 6.000,= zal voldoen aan de vrouw. Partijen stellen dat daarmee de huwelijkse voorwaarden zijn afgewikkeld. Partijen hebben voornoemde afspraken nader uitgewerkt en vastgelegd in de door mr. Kalle bij F-formulier van 31 maart 2026 ter kennisneming ingediende door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst.\n\n2.27.. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, welke mede is vastgelegd in een door hen opgemaakte vaststellingsovereenkomst, zullen de verzoeken van partijen worden afgewezen. Mr. Kalle heeft met instemming van mr. Planthof aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de vaststellingsovereenkomst aan de beschikking wordt gehecht. De rechtbank laat dit dan ook achterwege. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat partijen aan de door hen overeengekomen afspraken zijn gebonden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat de regie over de zorgregeling en over de informatieregeling betreffende de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011, en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016, bij de GI zal zijn;\n\nbepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen op € 231,= per kind per maand, met ingang van 26 juni 2024;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af hetgeen meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5441","2026-07-13T00:28:33.438Z",{"id":117,"ecli":118,"slug":119,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":120,"fullText":121,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":122,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":46,"updatedAt":124},"378","ECLI:NL:RBZWB:2026:5383","ecli-nl-rbzwb-2026-5383","2026-05-19T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nZittingsplaats: Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F441403 \u002F FA RK 25-5579\n\ndatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking betreffende wijziging gezag\n\n in de zaak van\n\n [de man] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.\n\nen\n\n [de stiefmoeder] ,\n\nhierna te noemen: de stiefmoeder,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. I. de Dobbelaere-Woets te Terneuzen.\n\nbetreffende de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011, hierna te noemen: [minderjarige 1] ;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012, hierna te noemen: [minderjarige 2] .\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1. Het procesverloop\n\nWelke stukken neemt de rechtbank mee in haar beoordeling?1.1.. De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:\n\n- het op 24 oktober 2025 ontvangen verzoek van mr. De Vleesschauwer met bijlagen;\n\n- de op 18 mei 2026 ontvangen referteverklaring van mr. De Dobbelaere-Woets.\n\nDe aanwezigen tijdens de zitting\n\n1.2.. De advocaat van de vrouw, mr. De Dobbelaere-Woets, heeft de rechtbank middels een brief d.d. 18 mei 2026 op de hoogte gesteld dat de vrouw en haar advocaat niet aanwezig zullen zijn bij de zitting.\n\n1.3.. Het verzoek is mondeling behandeld op 19 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de stiefmoeder, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.\n\n1.4.. Voorafgaand aan de zitting zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt en hebben op 18 mei 2026, ieder apart, een gesprek met de kinderrechter gehad.\n\n2. De feiten\n\nWat vaststaat:\n\n2.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende (op dit moment nog minderjarige) kinderen zijn geboren:\n\n- [minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012.\n\n2.2.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de man en de stiefmoeder.\n\n2.3.. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.4.. Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld dat is bekrachtigd bij beschikking door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 14 juli 2022.\n\n3. De verzoeken\n\nWat er in het kort aan de rechtbank is gevraagd:\n\n3.1.. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij belast wordt met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3.2.. De man en de stiefmoeder verzoeken, bij wijze van voorwaardelijk verzoek en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man en de stiefmoeder gezamenlijk belast zullen worden met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3.3.. De vrouw heeft in haar referteverklaring aangegeven dat zij zich niet verzet tegen de verzoeken van de man. Zij zal hiertegen geen verweer voeren.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De beslissing die de rechtbank moet nemen raakt in het bijzonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf. Het gaat er namelijk om wie er in de toekomst belangrijke beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk in begrijpelijke taal uitleggen welke beslissing zij heeft genomen en waarom.\n\nWat moet de rechtbank beslissen?\n\n4.2.. De man heeft de rechtbank allereerst gevraagd om ervoor te zorgen dat hij alleen, en dus niet samen met de vrouw, belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dat heet het “eenhoofdig gezag”. Op dit moment is het zo dat de man en de vrouw het gezamenlijke gezag hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n4.3.. In artikel 253n van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:253n BW) is geregeld dat het gezamenlijk gezag beëindigd kan worden. Dat kan alleen als de omstandigheden zijn gewijzigd, of als er bij het nemen van een eerdere beslissing over het gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Als hier sprake van is, kan de rechtbank bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt.\n\nDe wet regelt ook voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om het gezag te kunnen wijzigen. Die voorwaarden staan genoemd in artikel 251a onder punt 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:251a lid 1 BW). De voorwaarden zijn:\n\ner moet een groot risico zijn dat bij instandhouding van het gezamenlijk gezag de minderjarigen klem of verloren zouden raken tussen hun ouders en\n\ndat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen.\n\nDe wet regelt verder dat als er niet aan deze voorwaarden is voldaan, maar wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is, gezamenlijk gezag kan worden omgezet naar eenhoofdig gezag.\n\n4.4.. Indien bovenstaand verzoek wordt toegewezen door de rechtbank (dus van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig), vraagt de man om ervoor te zorgen dat niet alleen hij, maar ook de stiefmoeder belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dit is in de wet geregeld in artikel 253t van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:253t BW) en heet “gezamenlijk gezag”. In de wet staan twee voorwaarden. Voorwaarde een is dat de ouder en de ander, in dit geval de stiefmoeder, gedurende tenminste een aaneengesloten periode van een jaar gezamenlijk de zorg voor de minderjarigen hebben gehad. Voorwaarde twee is dat de ouder die het verzoek doet gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.\n\nDe beslissing in het kort\n\n4.5.. De rechtbank zal bepalen dat de man en de stiefmoeder samen het gezag zullen hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nWat is er aan de rechtbank verteld?\n\n4.6.. De man, de stiefmoeder en hun advocaat hebben de rechtbank verteld dat er sprake is van een hechte gezinssituatie. De man zorgt al vanaf de geboorte voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en is in 2017 getrouwd met de stiefmoeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al ruim 9,5 jaar van hun leven samen met hun stiefmoeder en hebben een zeer warme en bestendige relatie met de stiefmoeder. Het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw is sinds een aantal jaren helemaal verbroken. Er zijn meerdere pogingen gedaan om het contact te herstellen, ook in het kader van een eerdere ondertoezichtstelling, maar dit is niet gelukt. De man en de stiefmoeder zullen het contact tussen de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw daarentegen altijd blijven stimuleren. De man en de stiefmoeder zouden graag belast worden met het gezamenlijk gezag. De gezondheid van de man is zeer kwetsbaar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn angstig dat zij niet bij de stiefmoeder mogen blijven wonen, als de man komt te overlijden. Naar aanleiding hiervan zijn de man en de stiefmoeder de procedure gestart, om ervoor te zorgen dat alles geregeld is en om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust te geven. De advocaat verzoekt de rechtbank om de driejaarstermijn in artikel 1:253t lid 2 sub b BW terzijde te schuiven nu toewijzing van het verzoek in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is.\n\n4.7.. De advocaat van de vrouw, mr. De Dobbelaere-Woets heeft op 18 mei 2026 een door de vrouw ondertekende en door mr. De Dobbelaere-Woets medeondertekende referteverklaring overgelegd. Hieruit volgt dat de vrouw kennis heeft genomen van het verzoek, dat zij zich daartegen niet verzet en dat zij geen verweer voert tegen de verzoeken van de man. Kort samengevat betekent dit dat de vrouw het niet erg zou vinden als de man en de stiefmoeder belast worden met het gezamenlijk gezag.\n\n4.8.. De Raad adviseert de rechtbank om de verzoeken van de man toe te wijzen. Er is al langdurig geen contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw. De stiefmoeder is al een lange tijd betrokken in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de gezondheid van de man is onzeker. De Raad kan het zich in dat kader voorstellen dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de stiefmoeder ook belangrijke beslissingen mag nemen over hen, samen met de man. Dit zou [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een vorm van veiligheid en rust geven. Bovendien heeft de vrouw ook geen bewaar tegen de verzoeken. Of het verzoek van de man en de stiefmoeder ook vanuit een juridisch oogpunt kan worden toegewezen, laat de Raad aan de rechtbank over.\n\n4.9.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld dat het goed met hun gaat. Zij geven hun leven op dit moment een hoog cijfer. Het gaat goed op school, zij hebben fijne vrienden en vinden het thuis erg fijn. Zij ervaren de stiefmoeder als hun “echte” moeder en zijn angstig dat zij terug naar de vrouw moeten als er iets met de man gebeurt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen contact met de vrouw en hebben hier ook geen behoefte aan. Zij hebben een grote behoefte aan duidelijkheid en willen graag dat de man en de stiefmoeder belangrijke beslissingen voor hen mogen nemen.\n\nWat vindt de rechtbank\n\nTen aanzien van het verzoek van de man tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag\n\n4.10.. De rechtbank heeft onder punt 4.2 en 4.3 de voorwaarden opgeschreven die de wet stelt om eenhoofdig gezag vast te leggen. De rechtbank vindt dat aan die voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat de rechtbank zal bepalen dat de man het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft. De rechtbank zal hieronder opschrijven waarom zij vindt dat aan die voorwaarden is voldaan.\n\n4.11.. Het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk gezag hebben en houden over hun kinderen. De rechtbank heeft gehoord en gelezen dat er tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw al erg lang geen contact meer is. De vrouw en de man hebben ook geen contact. De vrouw reageert niet op de berichten van de man die over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaan. De vrouw heeft ook al een lange tijd geen enkele rol in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw heeft wel gezag, maar zij handelt daar niet naar. In dat geval is gezamenlijk gezag (gezag bij de man en de vrouw) niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vrouw kan namelijk geen goede beslissingen nemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omdat zij geen idee heeft hoe het met hen gaat en wat hen bezighoudt. Ook bestaat het risico dat de man geen belangrijke beslissingen kan nemen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terwijl dat wel nodig is, omdat de vrouw niet reageert op berichten van de man. De vrouw heeft tot slot de rechtbank laten weten dat zij het eens is met eenhoofdig gezag (en ook met gezamenlijk gezag bij de man en de stiefmoeder). De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de vrouw in de toekomst ook geen verandering wil brengen in deze situatie.\n\nTen aanzien van het verzoek van de man en de stiefmoeder tot het verkrijgen van gezamenlijk gezag\n\n4.12.. De rechtbank heeft in punt 4.4. opgeschreven welke voorwaarden de wet stelt aan gezag bij de man en bij de stiefmoeder samen. De rechtbank vindt dat aan die voorwaarden is voldaan. Dat betekent dat de rechtbank zal daarom bepalen dat de man en de stiefmoeder samen het gezag zullen hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank zal hieronder opschrijven waarom zij vindt dat aan die voorwaarden is voldaan.\n\n4.13.. De rechtbank stelt vast dat de stiefmoeder een hele grote rol speelt in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . In de wet wordt dat “een nauwe persoonlijke betrekking” genoemd. De man en de stiefmoeder hebben al meer dan 9,5 jaar gezamenlijk de zorg over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dat betekent dat wordt voldaan aan de eerste voorwaarde die staat beschreven in de wet.\n\n4.14.. Aan de tweede voorwaarde, dat de man gedurende drie jaar alleen met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet zijn belast, wordt niet voldaan. De man heeft namelijk pas door deze beslissing het eenhoofdig gezag gekregen. Ondanks dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, zal de rechtbank het verzoek toch toewijzen, omdat de rechtbank vindt dat wel is voldaan aan de redenen waarom die voorwaarde in de wet is opgenomen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.\n\n4.15.. De tweede voorwaarde is opgenomen in de wet om te voorkomen dat er lichtvaardig (zonder er goed over na te denken) gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om het gezag aan iemand anders dan een ouder te geven. De rechtbank is van mening dat er in dit geval heel goed nagedacht is over de mogelijkheid om het gezag aan de man en de stiefmoeder te geven. De relatie tussen de man en de vrouw is rond 2013 beëindigd. Na de relatie is er weinig tot geen contact geweest tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw en sinds ongeveer drie jaar is het contact helemaal verbroken. De man is in 2017 getrouwd met de stiefmoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen al het grootste gedeelte van hun leven samen met de man en de stiefmoeder. De man heeft sinds de geboorte feitelijk alleen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ingevuld, hij had geen contact of overleg met de vrouw over belangrijke beslissingen in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De relatie tussen de man en de stiefmoeder is al een lange tijd goed en de rechtbank verwacht dat deze relatie ook goed blijft. De band tussen de stiefmoeder en de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is zeer hecht. Daarnaast hebben de man en de stiefmoeder verklaard dat zij altijd het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw zullen blijven stimuleren. In de afgelopen periode is de man ernstig ziek geworden. De man heeft vanwege zijn nierziekte een niertransplantatie gehad en de situatie is nog steeds kwetsbaar. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maken zich zorgen over de mogelijke gevolgen als er iets met de man gebeurt. Zij willen dan in hun vertrouwde omgeving bij de stiefmoeder en hun broertjes blijven wonen en absoluut niet bij de vrouw wonen. De rechtbank vindt het belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een gevoel van rust en veiligheid ervaren. Tot slot is de vrouw het ermee eens dat de man en de stiefmoeder het gezag samen zullen hebben.\n\nConclusie\n\n4.16.. De rechtbank zal onder punt 5 de beslissing nog in juridische woorden opschrijven, zodat iedereen precies weet wat de beslissing is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. \n\nbeëindigt het gezag van de vrouw over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2011;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2012,\n\nen bepaalt dat het gezag over de minderjarigen voortaan toekomt aan de man en de stiefmoeder.\n\n5.2.. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Voorn, rechter, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5383","2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:26.810Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":120,"fullText":129,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":46,"updatedAt":131},"347","ECLI:NL:RBZWB:2026:5379","ecli-nl-rbzwb-2026-5379","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448271 \u002F JE RK 26-857 (spoedmachtiging gesloten jeugdhulp)\n\n C\u002F02\u002F448304 JE RK 26-862 (reguliere machtiging gesloten jeugdhulp)\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling DE JEUGD & GEZINSBESCHERMERS, gevestigd te Amsterdam,\n\nhierna te noemen: de GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] ,\n\nadvocaat: mr. M.A.J. Timmermans-Roelands te Bergen op Zoom.\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbende aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:\n\nhet schriftelijke (gewijzigde) verzoek van de GI (met bijlagen), ontvangen op 19 mei 2026;\n\nde instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 18 mei 2026;\n\nde inhoud van het telefoongesprek van de kinderrechter met mevrouw [persoon 1] op 19 mei 2026;\n\nhet e-mailbericht van de GI van 19 mei 2026.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 22 februari 2023, hersteld bij beschikking van 23 februari 2023, heeft de kinderrechter [minderjarige] met ingang van 21 februari 2023 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De ondertoezichtstelling is vervolgens bij beschikking van 17 mei 2023 definitief uitgesproken en liep tot 17 mei 2024. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 mei 2026 voor de duur van een jaar, te weten tot 17 mei 2027. In deze beschikking werd tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 juni 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.\n\n2.3.. \n [minderjarige] verblijft bij [behandelgroep 1] van [jeugdhulp] te [plaats 2] , maar verblijft nu feitelijk op de [behandelgroep 2] van [jeugdhulp] te [plaats 2] .\n\n3. De verzoeken\n\nJE RK 26-857 (spoedverzoek);\n\nDe GI verzoekt (bij gewijzigd verzoek) een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.\n\nJE RK 26-862 (regulier verzoek);\n\n3.1.. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 19 mei 2026. Vervolgens heeft de kinderrechter op 19 mei 2026 telefonisch gesproken met mevrouw [persoon 1] , jeugdbeschermer. Daarna is kennisgenomen van het gewijzigde verzoek van de GI en is gebleken dat de gekwalificeerde gedragswetenschapper instemt met de termijn in het gewijzigde verzoek, te weten vier weken.\n\n4.2.. Uit het dossier komt naar voren dat de kinderrechter bij beschikking van 15 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd met ingang van 17 mei 2026 en tot 17 juni 2026. Uit de overweging van de kinderrechter in die beschikking volgt dat de kinderrechter het nodig achtte om vinger aan de pols te houden gelet op de ernstige zorgen en de directe actie die daarop moest worden ondernomen door de GI. De kinderrechter stelt thans vast dat de in die beschikking omschreven zorgen nog steeds onverminderd aanwezig zijn en er inmiddels ook meer zicht is gekomen op de zorgen. Daar bovenop zijn nieuwe zorgen gekomen. Ondanks de machtiging tot uithuisplaatsing, verblijft [minderjarige] meer bij de moeder en buitenshuis, dan op de groep. Over de thuissituatie en opvoedingsomgeving van de moeder bestaan grote zorgen, waarin sprake is van een instabiele situatie met zorgen over middelengebruik door de moeder, overlastsituaties, politiecontacten en onveilige situaties voor [minderjarige] , waarbij door de moeder ook fysiek geweld zou worden gebruikt tegen [minderjarige] . [minderjarige] heeft eerder bij de hulpverlening (onder meer) aangegeven dat haar moeder haar in de buik heeft geschopt. Ook op de [behandelgroep 1] , waar [minderjarige] tot voor kort verbleef, en op de [behandelgroep 2] gaat het niet goed. [minderjarige] houdt zich niet aan de regels, accepteert onvoldoende begeleiding en is moeilijk te begrenzen. Daarnaast bestaan er ernstige zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] loopt gedurende de dag en de nacht regelmatig weg van de groep, waarbij zij bij de hulpverlening heeft aangegeven dat zij dan ook wegloopt naar twee broers en met één van hen zes tot zevenmaal per dag seksueel contact heeft op plekken zoals in het bos of in een tunneltje. [minderjarige] zou graag moeder willen worden en is inmiddels over tijd. Een zwangerschapstest moet hierover duidelijkheid gaan geven. Haar gedrag heeft tevens een negatieve invloed op de andere jongeren van de groep. [minderjarige] is zo bezig met de twee broers dat zij continue luid met hen aan het videobellen is, zowel op de groep als in de nacht. Hier hebben de andere jongeren op de groep last van en worden zij door het nachtelijk bellen van [minderjarige] uit hun slaap gehouden. [minderjarige] laat zich hierin niet sturen door de begeleiding en reageert verbaal agressief als zij hierop wordt aangesproken en dreigt met fysiek geweld. Inmiddels reageert [minderjarige] standaard op die manier. In het verleden heeft dit geleid tot fysieke escalaties waar de politie bij moest komen, dit wordt nu geprobeerd te voorkomen. Dit heeft echter tot gevolg dat de groep haar onvoldoende nabijheid, structuur, veiligheid en grenzen kan aanbieden. [minderjarige] verbleef eerder op de [behandelgroep 2] (waar ook veel en vergelijkbare zorgen waren over [minderjarige] ) en inmiddels verblijft zij hier wederom, na bedreigingen door jongeren op de [behandelgroep 1] . De GI heeft aangegeven dat de situatie onhoudbaar is geworden. De kinderrechter stelt vast dat de emotionele- en fysieke veiligheid van [minderjarige] op dit moment niet kan worden gewaarborgd binnen de thuissituatie of op een open groep.\n\n4.3.. Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen..\n\n4.4.. Uit de verklaring van de onafhankelijk gedragswetenschapper, de heer [persoon 2] , volgt dat [minderjarige] het beste persoonlijk kan worden gesproken nadat zij gesloten is geplaatst, nu de GI het risico dat [minderjarige] zich anders zal onttrekken of door anderen wordt onttrokken, als groot inschat. De heer [persoon 2] heeft derhalve op basis van de informatie in het dossier schriftelijk ingestemd met het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp.\n\n4.5.. De kinderrechter heeft vervolgens telefonisch contact gehad met de hiervoor genoemde jeugdbeschermer. Hierop is het verzoek aangepast in die zin dat thans wordt verzocht een spoedmachtiging te verlenen voor de duur van vier weken, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Uit het e-mailbericht van de GI van 19 mei 2025 volgt dat de gedragswetenschapper ook met de gewijzigde termijn in het spoedverzoek kan instemmen.\n\n4.6.. De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, met ingang van 19 mei 2025 en tot 2 juni 2026. Het resterende deel van het verzoek, alsmede de beslissing op het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van drie maanden, zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. Verdere beslissingen op het (spoed)verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om hierover te worden gehoord.\n\n4.7.. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij zo snel mogelijk, maar in elk geval vóór de hierna te noemen zitting, een nieuwe schriftelijke instemmingsverklaring van een gekwalificeerd gedragswetenschapper overlegt, waaruit blijkt dat de gedragswetenschapper met [minderjarige] heeft gesproken en waarin de gedragswetenschapper zich uitlaat over het (resterende deel van het) spoedverzoek en het verzoek van de GI strekkende tot het verlenen van een machtiging tot gesloten plaatsing van [minderjarige] voor de duur van drie maanden (regulier verzoek).\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nJE RK 26-857 (spoedverzoek);\n\n5.1.. verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 19 mei 2026 en tot 2 juni 2026;\n\nbeide zaaknummers;\n\n5.2.. bepaalt dat de GI, [minderjarige] en haar advocaat, de moeder en de vader zullen worden gehoord tijdens de zitting van [datum] 2026 om [uur], ten overstaan van mr. Van de Merbel, kinderrechter, en houdt ook de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek en het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot gesloten jeugdhulp aan tot de hiervoor genoemde zitting, waarvoor 45 minuten wordt uitgetrokken;\n\n5.3.. bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de GI, [minderjarige] en haar advocaat, en de moeder.\n\n5.4.. bepaalt dat de vader bij aparte brief zal worden opgeroepen voor de zitting;\n\n5.5.. behoudt zich iedere verdere beslissing voor.\n\nDeze beschikking is gegeven door Zuijdweg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026, in aanwezigheid van Casant als griffier.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5379","2026-07-13T00:28:25.461Z",{"id":133,"ecli":134,"slug":135,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":120,"fullText":136,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":137,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":46,"updatedAt":138},"322","ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","ecli-nl-rbzwb-2026-5374","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F439595\u002F FA RK 25-4588\n\nbeschikking betreffende voorziening voogdij d.d. 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde Gecertificeerde Instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen: de GI of de jeugdbescherming,\n\nbetreffende de minderjarigen\n\n- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\n- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2013,\n\nverblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nhierna te noemen de minderjarigen respectievelijk [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n- [de pleegmoeder], de pleegmoeder\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. M. Kramer te Haarlem.\n\nAls informant wordt aangemerkt: - [de biologische moeder], de biologische moeder,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. C.M.M. Mikkers te Heeze.\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, (hierna: de Raad), de rechtbank over het verzoek geadviseerd.\n\n1. Het verloop van het geding\n\n1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 29 augustus 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan de Raad van 7 oktober 2025;\n\n- de brief van de Raad van 9 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer van 17 oktober 2025;\n\n- het e-mailbericht van de griffier aan mr. Kramer d.d. 23 oktober 2025;\n\n- de brief van mr. Kramer d.d. 4 mei 2026 met bijlagen;\n\n- het op 11 mei 2026 ingediend F9-formulier van mr. Kramer met bijlagen;\n\n- de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.\n\n1.2. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig een vertegenwoordigster van de GI, de pleegmoeder bijgestaan door mr. Kramer, de biologische moeder en een vertegenwoordigster van de Raad. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening aan de rechter kenbaar te maken. Mr. Kramer heeft namens de pleegmoeder het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota die op 11 mei 2026 al aan de rechtbank en andere belanghebbenden was toegezonden.2. De feiten\n\n2.1.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 augustus 2017 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beëindigd en is Stichting Jeugdbescherming Brabant tot voogd over hen benoemd.\n\n2.2.. Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 24 november 2022 is de GI benoemd tot (opvolgend) voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, de rechtbank haar op grond van artikel 1:322, lid 1, sub c, van het Burgerlijk Wetboek te ontslaan van de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten gunste van de pleegmoeder.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De beslissing die de rechtbank moet nemen raakt in het bijzonder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf. Het gaat er namelijk om wie er in de toekomst belangrijke beslissingen over hen mag nemen. De rechtbank zal daarom zoveel mogelijk in begrijpelijke taal uitleggen welke beslissing zij heeft genomen en waarom.\n\nWat moet de rechtbank beslissen?\n\n4.2.. De jeugdbescherming heeft de rechtbank gevraagd om ervoor te zorgen dat niet zij, maar de pleegmoeder belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mag nemen. Dat noemen we “voogdij” en dat is in de wet geregeld in artikel 322 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (1:322 BW). In de wet staan twee voorwaarden. Voorwaarde een is dat de pleegmoeder schriftelijk moet hebben verklaard dat zij bereid is om de voogdij over te nemen. Voorwaarde twee is dat de rechtbank het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nDe beslissing in het kort\n\n4.3.. De rechtbank zal de voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overdragen van de jeugdbescherming naar de pleegmoeder.\n\nWat is er aan de rechtbank verteld?\n\n4.4.. De rechtbank heeft tijdens een apart gesprek gesproken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Tijdens de zitting heeft de rechtbank gesproken met de pleegmoeder en haar advocaat, met de jeugdbescherming, met de Raad en met de biologische moeder. Hierna zal de rechtbank in het kort opschrijven wat zij aan de rechtbank hebben verteld.\n\n4.5.. De jeugdbescherming heeft verteld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al sinds zij 3 maanden oud waren bij de pleegouders wonen. Zij zijn daar samen opgegroeid. Sinds de scheiding van pleegouders wonen zij bij pleegmoeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegvader ook regelmatig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun pleegouders als hun ouders. Zij hebben de jeugdbescherming meerdere keren verteld dat zij willen dat de pleegmoeder de voogdij over hen krijgt. Zij kan dan beslissingen over hen nemen zoals in een normaal gezin. Er is veel tijd en aandacht besteed om te onderzoeken wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nodig hebben om fijn contact te hebben met hun biologische moeder. De jeugdbescherming heeft gezien dat zij geen hechte band hebben met hun biologische moeder. Uiteindelijk is er voor gekozen om het contact met de biologische moeder stop te zetten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontwikkelen zich verder heel goed, ze hebben fijne sociale contacten en ze doen het zeer goed op school. In de thuissituatie bij pleegmoeder is de biologische moeder en de Indonesische afkomst van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd bespreekbaar. De pleegmoeder heeft het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de biologische moeder ook altijd ondersteund. Er is prettig contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De jeugdbescherming twijfelt er niet aan dat dat in de toekomst zo blijft.\n\n4.6.. De pleegmoeder en haar advocaat hebben de rechtbank verteld dat het overnemen van de voogdij een logische stap is. De pleegmoeder zorgt al jaren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook heeft de pleegmoeder altijd haar best gedaan om het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun biologische moeder te ondersteunen. Zij zal dit in de toekomst ook blijven doen.\n\n4.7.. De Raad heeft de rechtbank geadviseerd om de voogdij aan de pleegmoeder over te dragen. Zij zijn het eens met de jeugdbescherming.\n\n4.8.. De biologische moeder heeft de rechtbank verteld dat het voor haar niet zoveel uitmaakt wie de voogdij heeft. Het is voor haar vooral belangrijk dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact met haar kunnen hebben. Dat er nu geen contact is tussen haar en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vindt zij niet in hun belang.\n\n4.9.. \n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld dat het goed met hun gaat. Zij geven hun leven op dit moment een hoog cijfer. Op school doen zij het heel goed. Ze hebben ook al een idee wat zij in de toekomst zouden willen gaan doen. Ze willen graag dat de pleegmoeder de voogdij overneemt. Zij denken dat zij dat heel goed kan, zij luistert goed naar hen. Dat maakt het dan vervolgens veel makkelijker om dingen te regelen.\n\nWat vindt de rechtbank\n\n4.10.. De rechtbank stelt vast dat de pleegmoeder schriftelijk heeft verklaard dat zij bereid is de voogdij over te nemen. Er is dus voldaan aan de eerste voorwaarde in de wet.\n\n4.11.. Dan moet de rechtbank nog vaststellen of het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt van de jeugdbescherming (de tweede voorwaarde). De rechtbank vindt dat er ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. De rechtbank zal dat hierna toelichten.\n\n4.12.. De pleegmoeder zorgt al voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds zij drie maanden oud zijn. Door haar goede zorgen (en die van de pleegvader) ontwikkelen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich goed. Zij doen het zeer goed op school, hebben fijne sociale contacten, hebben hobby’s en interesses en een toekomstbeeld. Ook tijdens het gesprek dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gehad op de rechtbank heeft de rechter gezien dat zij goed in hun vel zitten. Zij konden ook open vertellen over het contact met hun biologische moeder. De rechtbank twijfelt er niet aan dat de pleegmoeder de biologische moeder in het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een plek zal blijven geven. Ook twijfelt de rechtbank er niet aan dat de pleegmoeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd zal helpen om het contact te herstellen met hun biologische moeder als zij dat willen. Er is ook (goed) contact tussen de pleegmoeder en de biologische moeder. De pleegmoeder informeert de biologische moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ongeveer vier keer per jaar. Er is door de jeugdbescherming een plan gemaakt waarin afspraken zijn vastgelegd. Dat kan de pleegmoeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] helpen als zij in de toekomst misschien tegen problemen aan lopen. Zij weten dan bij wie zij hulp kunnen vragen. Ook de Raad vindt het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de pleegmoeder de voogdij overneemt.\n\nConclusie\n\n4.13.. De rechtbank zal onder punt 5 nog in juridische woorden de beslissing opschrijven, zodat iedereen precies weet wat de beslissing is.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n5.1.. ontslaat de GI van de voogdij over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2012;\n\n5.2.. benoemt [de pleegmoeder] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1961, wonende te [woonplaats 1] , tot voogdes over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. Van ‘t Westeinde, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nTegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeslissing betreft hoger beroep worden ingesteld:\n\ndoor de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nHet beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te\n\n's-Hertogenbosch.\n\nIngevolge artikel 1:322, lid 1, sub c, van het BW kan iedere voogd zich van zijn bediening doen ontslaan indien een daartoe bevoegd persoon zich schriftelijk heeft bereid verklaard de voogdij over te nemen, en de rechtbank deze overneming in het belang van de minderjarigen acht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5374","2026-07-13T00:28:24.340Z",{"id":140,"ecli":141,"slug":142,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":143,"fullText":144,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":145,"sourceTimestamp":146,"parsedAt":46,"updatedAt":147},"293","ECLI:NL:RBZWB:2026:5335","ecli-nl-rbzwb-2026-5335","2026-05-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448098 \u002F JE RK 26-822\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nWILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonend op een voor de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. M. Kalle uit Middelburg.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .2.2.. Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 januari 2027.\n\n2.3.. \n\nBij beschikking van 25 november 2025 is een spoedmachtiging verleend om\n\n [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 juli 2026.\n\n2.4.. Bij beschikking van 12 mei 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.2.5.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek. Er is sprake van een dreigende situatie door de onvoorspelbaarheid van de ex-partner van de moeder. De ex-partner van de moeder weet namelijk waar de vader woont en de GI kan niet inschatten wat er zal gebeuren als hij naar de woning van de vader gaat. Wel weet de GI dat in het verleden sprake is geweest van fysieke agressie tussen de vader en de ex-partner van de moeder. De dreigende situatie vanuit de ex-partner van de moeder vormde aanleiding voor het spoedverzoek, maar dit neemt niet weg dat de GI al langere tijd zorgen heeft over de opvoedsituatie bij de vader. De GI wil daarom de mogelijkheden voor een gezinsopname bezien om te onderzoeken wat [minderjarige] op langere termijn nodig heeft en of de vader daarbij kan aansluiten. [minderjarige] heeft namelijk al veel meegemaakt en er is sprake van een licht verstandelijke beperking. Zij heeft dringend behandeling nodig, maar is op dit moment niet behandelbaar door de instabiliteit in haar omgeving. Het is belangrijk dat [minderjarige] rust krijgt. Deze rust kan worden geboden in het pleeggezin, waar [minderjarige] samen met haar halfzusje moederszijde (mz) verblijft.4.2.. De moeder stelt dat een voortzetting van de plaatsing in het pleeggezin op dit moment het beste is voor [minderjarige] . De moeder maakt zich namelijk zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie van de vader. [minderjarige] heeft meer nodig dan de vader kan bieden en de moeder heeft niet het gevoel dat [minderjarige] veilig is bij de vader. De vader is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten en de moeder heeft zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] , onder meer doordat [minderjarige] langere tijd moeite heeft gehad met plassen. Daarnaast leidt de moeder uit uitspraken van [minderjarige] af dat zij door de vader wordt belast met volwassen zaken. De moeder vraagt al langere tijd aandacht voor deze zorgen, maar voelt zich daarin onvoldoende gehoord. Verder vindt de moeder het belangrijk dat [minderjarige] samen blijft met haar halfzusje mz en dat zij niet uit elkaar worden gehaald. Ook vindt de moeder het belangrijk dat zij in de komende periode contact kan hebben met [minderjarige] en dat er een informatie- en consultatieregeling wordt opgesteld.4.3.. De vader verzoekt het resterende deel van het verzoek af te wijzen. Hij wil graag dat [minderjarige] weer naar terug naar huis komt. Het gaat namelijk goed met [minderjarige] in de thuissituatie van de vader en er was een positieve ontwikkeling zichtbaar, ook op school. De vader wil deze positieve ontwikkeling voortzetten en staat daarbij open voor hulpverlening. Daar heeft hij al meermaals om gevraagd bij de GI. Uit de stukken volgt dat de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nodig acht vanwege de zorgen over de ex-partner van de moeder en de angst dat hij bij de vader zal langskomen. Uit de stukken volgt niet dat de zorgen over de opvoedsituatie bij de vader dermate ernstig zijn dat [minderjarige] daar niet langer kan verblijven. De situatie bij de vader thuis is veilig. De voordeur zit op slot en de vader zal de ex-partner van de moeder niet in zijn woning laten als hij onverhoopt voor de deur staat. Ook kunnen afspraken worden gemaakt met school. Als de GI andere veiligheidsafspraken nodig acht, zal de vader daar aan meewerken.5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 13 mei 2026, is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling van 18 mei 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 12 mei 2026 moet worden herroepen. De dreiging vanuit de ex-partner van de moeder was ten tijde van de spoedbeschikking namelijk dermate groot dat er geen andere manier was om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.5.2.. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing op dit moment niet noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. Gebleken is dat er al langere tijd veel zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbaar meisje en zij heeft al veel meegemaakt in haar jonge leven. [minderjarige] woonde bij de moeder, maar sinds 25 november 2025 verblijft zij op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader. Hieruit leidt de kinderrechter af dat een plaatsing bij de vader op dat moment in het belang van [minderjarige] werd geacht en voldoende veilig werd bevonden. Dit blijkt ook uit de beschikking van 22 januari 2026 waarin is overwogen dat de plaatsing bij de vader voldoende veilig is en dat het in de thuissituatie goed gaat met [minderjarige] . Uit hetgeen de moeder en de GI naar voren hebben gebracht volgt dat er in de afgelopen periode zorgen naar voren zijn gekomen over de ontwikkeling van [minderjarige] en de opvoedsituatie bij de vader, maar deze zorgen hebben er kennelijk niet toe geleid dat [minderjarige] volgens de GI niet langer bij de vader kon verblijven. Dit volgt naar het oordeel van de kinderrechter ook niet uit de overgelegde stukken. Hoewel uit het verzoek volgt dat de plaatsing bij de vader gelet op de zorgvraag van [minderjarige] niet ideaal is op langere termijn, is ook door de GI toegelicht dat een gezinsopname mogelijk passend kan zijn in deze situatie. Door de vader is verklaard dat hij bereid is de benodigde hulpverlening te aanvaarden en zelf al langere tijd vraagt om hulp bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . Ook neemt de kinderrechter in overweging dat weliswaar sprake is van een dreigende situatie door het onvoorspelbare gedrag van de ex-partner van de moeder, maar deze dreiging heeft zich in de afgelopen week niet geuit richting [minderjarige] of de vader. De vader heeft verklaard dat hij de ex-partner van de moeder niet in de woning zal toelaten als hij voor de deur staat en dat hij afspraken zal maken met de school van [minderjarige] voor als de ex-partner van de moeder daar ineens onverhoopt verschijnt. Daarnaast heeft de vader toegezegd zijn medewerking te verlenen aan door de GI noodzakelijk geachte veiligheidsafspraken. Het voorgaande maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie van de vader op dit moment voldoende kan worden gewaarborgd. Gelet daarop wordt niet voldaan aan de vereisten die de wet stelt aan een (wijziging van de) uithuisplaatsing. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom afwijzen. Dit betekent dat [minderjarige] op basis van de op 12 mei 2026 verleende spoedmachtiging tot 26 mei 2026 in het pleeggezin kan verblijven en dat voor afloop van deze machtiging moet worden toegewerkt naar een plaatsing bij de vader.5.3.. De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met de moeder in gesprek gaat over de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd dient te zijn.6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. wijst het resterende deel van het verzoek af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5335","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:23.031Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":143,"fullText":152,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":146,"parsedAt":46,"updatedAt":154},"1839","ECLI:NL:RBZWB:2026:5334","ecli-nl-rbzwb-2026-5334","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F444379 \u002F JE RK 26-139\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nRAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 1] 2009, hierna te\n\nnoemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 2] 2012, hierna te\n\nnoemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt ten aanzien van [persoon] als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg.\n\nDe gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,hierna te noemen de GI, gevestigd te Eindhoven.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde beschikking van 28 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet bericht van de Raad met bijlagen van 16 februari 2026;\n\nde brief van de GI van 10 april 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de GI van 15 mei 2026 met bijlagen.\n\n1.2.. \n\nOp 18 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet.\n\nDaarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat;\n\nde moeder;\n\neen vertegenwoordiger van de Raad;\n\neen vertegenwoordiger van de GI;\n\n1.3.. De ouders zijn tijdens de zitting bijgestaan door een tolk Tigrinya, te weten de heer [tolk] .\n\n2. De feiten\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.1.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\nTevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van\n\neen jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\n2.2.. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Tevens is de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek werd aangehouden tot de zitting van heden.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nDe Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van\n\neen jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een\n\naccommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\nThans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode van de ondertoezichtstelling van beide minderjarigen met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027, alsmede de resterende periode van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat het goed met haar gaat. Ze woont bij haar moeder. [minderjarige 1] heeft haar therapie afgerond. Er wordt gezegd dat het thuis onderling niet goed gaat, maar niet alles daarvan is juist. Over haar broertjes klopt het wel dat het niet zo goed gaat. [persoon] woont tijdelijk bij hen. [minderjarige 2] woont zowel thuis als op de groep. [persoon] vindt het wel fijn als iedereen bij elkaar is. Er is niet per se sprake van ruzie thuis. [minderjarige 1] maakt zich juist meer zorgen als haar broertjes niet thuis wonen. [minderjarige 1] heeft haar vader al een tijd niet meer gezien. Zodra het weer goed gaat met de vader, verwacht [minderjarige 1] dat zij weer aan hun relatie kunnen werken. [minderjarige 2] heeft het verkeerde voorbeeld gehad. De vader zou meer contact met hem moeten zoeken en de moeder zou haar en haar broertjes niet altijd meer moeten zien als vrienden. [minderjarige 2] luistert nu goed thuis en houdt zich aan de regels. Voorheen was er voornamelijk ruzie omdat hij over grenzen heenging. [minderjarige 1] kan met haar moeder praten.\n\n4.2.. \n [minderjarige 2] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat het thuis gewoon normaal gaat. [minderjarige 2] zou het liefst bij zijn moeder blijven wonen. Hij wil niet met iemand praten. Wat hij heeft meegemaakt doet hem niets en weerhoudt hem er ook niet van om verder te leven. Hij belt elke dag met de vader. Hij begrijpt niet waarom mensen zeggen dat het niet goed gaat bij de moeder thuis. [minderjarige 2] is geopereerd geweest aan zijn arm, nadat hij met een gestolen bestelbus een auto-ongeluk heeft gehad. [minderjarige 2] reed overigens zelf niet. [minderjarige 2] vindt de hele situatie overdreven. Het gaat goed thuis. Voordat hij bij [woongroep] werd geplaatst had hij wel vier vechtpartijen gehad, maar dat was uit zelfverdediging. [woongroep] heeft hem zelf laten gaan.\n\n4.3.. De Raad handhaaft het verzoek. [woongroep] was niet de meest passende plek voor [minderjarige 2] . In het rapport heeft de Raad ook geadviseerd om eerst diagnostiek in te zetten, zodat duidelijk zou worden wat het meest passend is voor [minderjarige 2] . De Raad denkt niet dat de thuissituatie van de vader het meest passend is. Er zijn zorgen over het gedrag. Er is veel aan de hand, maar de Raad krijgt onvoldoende helder wát er precies speelt. Daarom vindt de Raad diagnostiek noodzakelijk. De Raad heeft gelezen dat gezinsopname wordt overwogen.\n\n4.4.. De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat is geprobeerd om een buddy in te zetten voor [minderjarige 2] , maar daar is hij mee gestopt. De GI vindt het noodzakelijk dat [minderjarige 2] hulp krijgt, maar hij wil nergens aan meewerken. Ook aan diagnostiek zal hij niet gaan meewerken, evenals aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] . Het is een uitdaging om een passende plek te vinden. Van belang is dat er voor [minderjarige 2] een plek komt waar hem veel kaders en duidelijkheid wordt geboden. Er is sprake van een goede band en liefde tussen de moeder en [minderjarige 2] . Daarom heeft de GI een gezinsopname overwogen. Dat wordt echter bemoeilijkt doordat [minderjarige 2] weigert mee te werken. De GI heeft ook een gesloten plaatsing overwogen. Het gedrag van [minderjarige 2] is daarvoor echter niet helemaal passend en er worden ook geen aanmeldingen meer gedaan omdat er geen bedden beschikbaar zijn. De moeder ontvangt wekelijks bezoek vanuit de hulpverlening en zij krijgt daarnaast ondersteuning vanuit [hulpverlening 2] . De moeder verblijft momenteel bij de veilige opvang van [hulpverlening 2] . [hulpverlening 1] komt twee maal per week langs. [hulpverlening 2] kan het standpunt van de GI volgen dat voor [minderjarige 2] een passende setting nodig is. Er zijn ook veiligheidsafspraken gemaakt. Ten aanzien van de vader vraagt de GI zich af of er passende hulpverlening ingezet kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van MST, maar zij denkt eigenlijk dat dit niet passend is voor de huidige situatie. Nu de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar is geworden, vindt de GI het wel noodzakelijk dat [minderjarige 2] uit huis wordt geplaatst. De GI heeft hiervoor al aanmeldingen gedaan, maar er is geen plek voor hem. Ook de gesloten instelling heeft geen plek. Als [minderjarige 2] niet thuis verblijft heeft de GI geen concrete zorgen over [minderjarige 1] .. Zij wil dit gedurende de ondertoezichtstelling wel goed blijven monitoren. Gelet op de onhoudbare situatie vindt de GI een uithuisplaatsing toch noodzakelijk voor [minderjarige 2] . Als de machtiging is toegewezen kan hij worden aangemeld, hoewel er al eerder – tevergeefs – aanmeldingen zijn gedaan. Er is nu geen plek en ook geen zicht op een plek. Een gezinsopname lijkt ook niet te kunnen, maar de GI wil de huidige situatie ook niet laten voortduren.\n\n4.5.. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zorgen heeft gehad over [minderjarige 2] . Hij is betrokken geweest bij een auto-ongeluk en drugsdeals. Toen [minderjarige 2] nog bij hem woonde gedroeg hij zich anders. Eigenlijk was het toen een prima kind. Op dit moment gaat het wel goed met [minderjarige 2] .\n\n4.6.. Namens de vader is tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij geen verweer voert tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op basis van de huidige zorgen zou een machtiging verleend kunnen worden. Echter is er geen duidelijkheid over een geschikte plek voor [minderjarige 2] en er ligt geen concreet behandelingsplan. Hij verblijft nu bij de moeder. Op het moment dat duidelijk wordt waar [minderjarige 2] geplaatst kan worden, dan kan alsnog een spoedverzoek worden ingediend. Het verzoek ziet nog op een periode van drie maanden. Niet wordt verwacht dat een plaatsing binnen deze periode gerealiseerd kan worden, temeer omdat er nog geen nieuwe aanmeldingen zijn gedaan en er sprake is van wachtlijsten. Het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] zou derhalve afgewezen moeten worden.\n\n4.7.. De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat de mening van de GI niet klopt. Het gezin leeft vredig. Alles is verbeterd met de minderjarigen. De moeder zegt niet dat zij perfect is, maar ze heeft veel geleerd en is veranderd. Ze geeft [minderjarige 2] advies en probeert hem elke zaterdag en zondag mee te nemen naar de kerk. Na het auto ongeluk is hij ook veranderd. Hij ging toen wel het verkeerde pad op. Ze zijn nu elke avond samen. Sinds november is de situatie ten positieve veranderd. [minderjarige 2] erkent zelf ook dat het voorheen niet goed ging.\n\n4.8.. Namens de moeder wordt ten aan zien van het verzoek tot ondertoezichtstelling gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder heeft wel bezwaar tegen de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Het verzoek is weinig concreet. Waar kan hij geplaatst worden? Wat houdt de plaatsing in? Waarom moet hij (daar) geplaatst worden? Welke diagnose heeft [minderjarige 2] ? Wat wordt aangepakt? Wat zijn de doelen? Het verzoek is summier en weinig onderbouwd. Het is aan de GI om het verzoek, indien zij een uithuisplaatsing toch nodig vindt, nader te onderbouwen. Het is niet de bedoeling dat de GI een blanco machtiging wordt gegeven. Binnen de ondertoezichtstelling komt steeds meer zicht op de situatie. Op basis van hetgeen er nu ligt, is de moeder van mening dat het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen moet worden. Daar komt bij dat er nu meer rust is in de situatie.\n\n5. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toegepast recht;\n\n5.1.. De kinderrechter constateert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de beide ouders de Eritrese nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.\n\n5.2.. \n\nOp grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn\n\nter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het\n\ngrondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de\n\nzaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.\n\n5.3.. \n\nNu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond\n\nvan het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands\n\nrecht op het verzoek worden toegepast.\n\nInhoudelijke beoordeling;\n\n5.4.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.Belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Gelet daarop, alsmede gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling toewijzen.\n\n5.5.. Ten aanzien van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter merkt allereerst op dat zij zich voor een dilemma voelt staan. De afgelopen periode heeft het gedrag van [minderjarige 2] ervoor gezorgd dat er geen mogelijkheid meer is voor deeltijdplaatsing bij [woongroep] en om die reden woont hij nu weer thuis bij de moeder. De GI, maar ook [hulpverlener] (de betrokken hulpverlener) benadrukken dat het verblijf van [minderjarige 2] bij de moeder geen wenselijke situatie is, gelet op de zorgen die [hulpverlener] , de school en [hulpverlening 2] aangeven. De hulpverlening ervaart dat er dreiging uitgaat vanuit [minderjarige 2] . Uit de gesprekken met [hulpverlener] komt verder naar voren dat [minderjarige 2] erop uit is om te intimideren en afwijzing opzoekt om te voorkomen dat hij iets anders aan moet gaan. [school] , de betrokken school van [minderjarige 2] , geeft aan dat [minderjarige 2] op dit moment geen passend onderwijs geniet. [minderjarige 2] is eerder getest op lager cognitief niveau, maar wil zich nu niet meer laten testen. Hij komt op dit moment niet aan leren toe, omdat het hem ontbreekt aan een intrinsieke motivatie om een vak te leren. [school] weet zich inmiddels geen raad meer met [minderjarige 2] . [hulpverlener] schat het risico op verder criminaliseren van [minderjarige 2] en het ontwikkelen van verdere gedragsproblemen in als groot. Hulpverlening heeft aanleiding om te denken dat bij [minderjarige 2] sprake is van psychische problematiek en er zijn vragen over zijn gewetensontwikkeling. De moeder heeft geen grip op hem. Ook [minderjarige 1] zou lijden onder de situatie, maar durft zich hier volgens de hulpverlening niet goed over uit te laten. Zowel de moeder, als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeggen dat het wel goed gaat. De vader maakt zich zorgen, maar vond dat het wel goed met [minderjarige 2] ging toe hij nog bij hem woonde. De kinderrechter stelt aldus vast dat er grote zorgen zijn over [minderjarige 2] , maar ook nog veel onduidelijkheden. Dat [minderjarige 2] weigert zijn medewerking te verlenen aan onderzoek of testen bemoeilijkt het verkrijgen van een beeld over [minderjarige 2] . Het is opmerkelijk dat beide ouders aangeven dat het goed gaat met [minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder of de vader, terwijl de rondom [minderjarige 2] betrokken hulpverlening een heel ander beeld heeft. Complicerend is dat er op dit moment geen plek is voor [minderjarige 2] en ook nog onduidelijk is welke plek dan het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Hoewel de situatie van [minderjarige 2] dus zeer zorgelijk is, ligt er voor hem op dit moment geen concreet plan. Daarbij komt dat het resterende deel van het verzoek ziet op een periode van drie maanden. Volstrekt onduidelijk is gebleven of [minderjarige 2] binnen die termijn kan worden geplaatst en of deze plek dan ook geschikt is voor [minderjarige 2] . Wel staat voor de kinderrechter vast dat er snel meer nodig is. Echter nu er geen passende plek beschikbaar is en de verwachting bestaat dat deze ook niet op korte termijn kan worden gerealiseerd, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing afwijzen. Dit betekent niet dat de kinderrechter een uithuisplaatsing niet nodig vindt, maar zij voelt zich in verband met het ontbreken van een passend plan voor de plaatsing van [minderjarige 2] genoodzaakt om het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] af te wijzen. De kinderrechter vindt het in dit kader wel noodzakelijk dat zicht blijft op de thuissituatie van [minderjarige 2] , de moeder en [minderjarige 1] en dat de komende periode wordt gebruikt om zicht te verkrijgen en onderzoek te doen naar de vraag welke plek het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Dit kan binnen de ondertoezichtstelling gebeuren. De kinderrechter wijst de GI erop dat zij de mogelijkheid heeft om een nieuwe (spoed)verzoek in te dienen op het moment dat zij daarvoor aanleiding ziet. De kinderrechter verwacht dan ook van de GI dat zij de situatie rondom [minderjarige 2] nauwlettend volgt en zo nodig ook ingrijpt.\n\n5.6.. Dit betekent dat het verzoek tot uithuisplaatsing zal worden afgewezen.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing tot ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5.8.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nOndertoezichtstelling;\n\n6.1.. \n\nverlengt de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van\n\n19 mei 2026 en tot 28 januari 2027;\n\n6.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nUithuisplaatsing van [minderjarige 2] ;\n\n6.3.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5334","2026-07-13T00:29:41.322Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":143,"fullText":159,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":160,"sourceTimestamp":146,"parsedAt":46,"updatedAt":161},"1840","ECLI:NL:RBZWB:2026:5344","ecli-nl-rbzwb-2026-5344","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaak-\u002Frekestnummer: C\u002F02\u002F446209 \u002F FA RK 26-1423\n\nbeschikking betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. M.S. Yap, kantoorhoudende te Bergen op Zoom,\n\ntegen\n\n [de man],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. R.G.J. van Kerkhof, kantoorhoudende te Gilze.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.\n\n1 Het procesverloop\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 11 maart 2026 ontvangen verzoekschrift, met producties;\n\n- de brief d.d. 23 maart 2026 van mr. Yap, met productie 6.\n\n1.2 Bij verzoekschrift ontvangen op 7 mei 2024 is de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C\u002F02\u002F422236 \u002F FA RK 24-2168. In de hoofdzaak ligt een verzoek tot wijziging van het gezag en vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling ter beoordeling voor.\n\n1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 24 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, waarnemend voor mr. M.S. Yap. Daarnaast was aanwezig de man, bijgestaan door zijn advocaat en een vertegenwoordigster namens de Raad.\n\n1.4 Na te noemen minderjarige [minderjarige] is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.2. De feiten\n\n2.1.. \n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgend, thans nog minderjarig, kind is geboren:\n\n- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017.2.2.. De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.2.3.. De minderjarige verblijft bij de vrouw.\n\n2.4.. Bij vonnis in kort geding van 21 mei 2024 van deze rechtbank is de vrouw veroordeeld tot nakoming van de omgangsregeling, inhoudende dat [minderjarige] en de man elke woensdag uit school tot 20:00 uur omgang met elkaar hebben, alsmede één keer in de veertien dagen op zaterdag omgang van 9:00 uur tot 20:00 uur. De vrouw is verder veroordeeld om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,- per keer dat zij niet aan de hiervoor opgenomen veroordeling tot nakoming van deze voorlopige omgangsregeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt. Verder zijn partijen en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West verwezen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nDe vrouw verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, te bepalen:\n\nI. dat voor de duur van de hoofdprocedure de omgang wordt gewijzigd, in de zin dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige wordt stopgezet;\n\nII. een dag en uur te bepalen, waarop de behandeling van dit verzoekschrift zal aanvangen.\n\n3.2.. Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat de vordering moet samenhangen met de hoofdvordering.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank hangt het onderhavige verzoek tot vaststelling van een zorg- c.q. omgangsregeling samen met het verzoek in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.\n\nWettelijk kader\n\n4.3.. Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien:\n\nomgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,\n\nde ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,\n\nhet kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,\n\nindien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.\n\n4.4.. De vrouw heeft verzocht voor de duur van de hoofdprocedure de omgang te wijzigen, in die zin dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarige wordt stopgezet. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij zorgen heeft over de opvoedsituatie en -omgeving van de man. Deze zorgen worden door de casusregisseur van [praktijk] gedeeld en bestaan onder andere uit: meldingen van geluidsoverlast, in het bezit zijn van verdovende middelen, het gebruiken van verdovende middelen en een incident waarbij een mishandeling heeft plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de politie de woning van de man verzegeld. Nu door de hulpverlening niet kan worden ingeschat hoe veilig het voor de minderjarige is om bij de man thuis te verblijven, is de vrouw door de hulpverlening geadviseerd om de omgangsregeling tijdelijk stop te zetten. De vrouw heeft dan ook de omgangsregeling stopgezet. Zij stelt zich op het standpunt dat de omgangsregeling kan worden hervat, mits er sprake is van begeleide omgang door een professional en deze omgang plaatsvindt op een neutrale locatie.\n\n4.5.. De vertegenwoordigster van de Raad adviseert dat er zo snel mogelijk weer contact tussen de minderjarige en de man moet komen, mits dit contact op een veilige wijze kan plaatsvinden. Gelet op de huidige omstandigheden is de inzet van een professional bij de omgangsbegeleiding het meest passend. Ook is het fijn voor de minderjarige als zij door een professional uitleg krijgt waarom het contact tussen haar en haar vader zeer abrupt gestopt is en wat zij de aankomende periode kan verwachten in het contact met haar vader.\n\n4.6.. Ter gelegenheid van de zitting hebben partijen overeenstemming bereikt. Zij zijn overeengekomen dat op zo kort mogelijke termijn gestart gaat worden met begeleide omgang tussen de minderjarige en de man onder regie van de casusregisseur van [praktijk] . Het is aan de casusregisseur om te bepalen op welke wijze, de locatie, frequentie en de duur van deze omgang dient plaats te vinden. Indien naar het inzicht van de casusregisseur ruimte bij de minderjarige ontstaat, alsmede de veiligheid van de minderjarige voldoende gewaarborgd blijft, kan worden overgaan tot uitbreiding van de omgangsmomenten en\u002Fof kunnen de omgangsmomenten onder begeleiding vanuit het eigen netwerk en\u002Fof onbegeleid plaatsvinden. Toegewerkt dient te worden naar de oorspronkelijke omgangsregeling, waarbij de man en de minderjarige elke woensdag uit school tot 20:00 uur, alsmede één keer in de veertien dagen op zaterdag omgang van 9:00 uur tot 20:00 uur omgang met elkaar hebben. Daarnaast hebben partijen afgesproken dat de man informatie vanuit zijn hulpverleningsinstelling, namelijk vanuit ‘ [voetbalclub] ’, onderdeel van Novadic Kentron, verstrekt aan de casusregisseur, zodat deze op de hoogte is van de actuele stand van zaken bij de man\n\n4.7.. Gelet op de bereikte overeenstemming, en nu de belangen van de minderjarige zich hiertegen niet verzetten, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak is beslist, dat de man en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, voorlopig recht hebben op begeleid contact met elkaar onder regie van de casusregisseur van [praktijk] , of een soortgelijke organisatie, op een door de casusregisseur te bepalen wijze, frequentie en duur, waarbij het ter beoordeling is aan de casusregisseur of en zo ja, wanneer en op welke wijze de omgang kan worden uitgebreid en\u002Fof onbegeleid kan plaatsvinden, zulks met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.6.;\n\n5.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, en, in tegenwoordigheid van mr. De Haard, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5344","2026-07-13T00:29:41.374Z",{"id":163,"ecli":164,"slug":165,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":166,"fullText":167,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":168,"sourceTimestamp":169,"parsedAt":46,"updatedAt":170},"1831","ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","ecli-nl-rbzwb-2026-5175","2026-05-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019 (echtscheiding) en\n\nC\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329 (boedel)\n\nbeschikking d.d. 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen.\n\n1 Het procesverloop\n\nin beide zaken\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 15 april 2025 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding, met producties;\n\n- het verweerschrift echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken, ontvangen op 9 juli 2025, met producties;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met producties;\n\n- het op 18 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 30 december 2025 van de kant van de vrouw, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 15 januari 2026 van de kant van de man, met een productie, met producties.\n\n1.2 De verzoeken zijn behandeld op de mondelinge behandeling van 29 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3. Na de mondelinge behandeling is – overeenkomstig daartoe tijdens die behandeling gemaakte afspraken – door de vrouw nog een akte houdende nadere producties overgelegd. De man heeft daarop bij akte uitlaten producties gereageerd. Daarna heeft de vrouw eigener beweging nog een akte houdende nadere productie genomen; nu de man bij brief op deze akte heeft gereageerd, zal de rechtbank deze akte – en ook de brief van de man – bij de beoordeling van de verzoeken betrekken.\n\n2 De feiten\n\nin beide zaken\n\n2.1. Partijen zijn op [datum] 1996 in het Marokkaanse consulaat te [plaats 1] , Duitsland, met elkaar gehuwd. Partijen hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit; daarnaast heeft de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Duitse.3. De verzoeken\n\nin beide zaken\n\n3.1.. \n\nDe man verzoekt de rechtbank\n\n(I) om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken,\n\nen voorts – na vermeerdering van zijn verzoeken – om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nII. de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na de beschikking medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot bemiddeling aan een lokale makelaar in de omgeving [woonplaats 2] met betrekking tot de verkoop van de woning, gelegen aan de [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nIII. de vrouw te veroordelen om vervolgens medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, één en ander te bepalen door de betreffende makelaar;\n\nIV. de vrouw te veroordelen om de woning uiterlijk twee weken voor de levering leeg, ontruimd en in goede staat achter te laten en niet verder te betreden;\n\nV. de man te machtigen, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in II en III, de beschikking in de plaats te doen stellen van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper(s).\n\nDe man heeft zich verweerd tegen de verzoeken van de vrouw, hierna in rechtsoverweging 3.2 weergegeven onder B.\n\n3.2.. \n\nDe vrouw verweert zich niet tegen het verzoek onder (I) van de man. Bij zelfstandige verzoeken vraagt zij de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nA. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, subsidiair een scheiding van tafel en bed;\n\nB. primair:te bepalen dat de man ex art. 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), zijn aandeel in het onroerend goed te Marokko, de bank- en spaarrekeningen inclusief saldo in Marokko, de inboedel en de auto verbeurt aan de vrouw, nu de man opzettelijk diverse bedragen c.q. de genoemde vermogensbestanddelen heeft weggemaakt in het vooruitzicht van de echtscheiding (verzwijging c.q. zoek maken c.q. verborgen houden) ten einde de vrouw te benadelen, althans ex art. 1:164 BW te bepalen dat de man de gemeenschap binnen zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding goederen van de gemeenschap heeft verspild en hierdoor de gemeenschap heeft benadeeld door diverse geldbedragen c.q. vermogensbestanddelen zonder toestemming van de vrouw over te boeken naar derden en\u002Fof verborgen te houden, zodat de man verplicht is deze geldbedragen en vermogensbestanddelen aan de huwelijksgoederengemeenschap te vergoeden;\n\nsubsidiair:\n\n1. te bepalen dat de woning door [taxateur] dan wel door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna de woning aan de vrouw zal worden toegedeeld;\n\n2. de hypotheek welke rust op de woning aan de vrouw toe te scheiden, onder de verplichting van de vrouw om de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;\n\n3. de man te veroordelen tot overlegging van verificatoire (eigendoms)stukken ten aanzien van het appartementencomplex te Marokko alsmede ten aanzien van de bankrekeningen te Marokko inclusief saldi per peildatum, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of gedeelte van de dag dat de man hiermee in gebreke blijft;\n\n4. te bepalen dat het appartementencomplex te Marokko behoort tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap en dat dit appartementencomplex door een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijk deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna dit onroerend goed aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de overwaarde tussen partijen van zowel de voormalige echtelijke woning als het appartementencomplex;\n\n5. te bepalen dat de spaarrekening(en) in Marokko aan de man kan\u002Fkunnen worden toegedeeld en de bankrekening van de vrouw bij ING aan de vrouw kan worden toegedeeld onder verrekening van de saldi tussen partijen bij helfte, per peildatum;\n\n6. te bepalen dat de personenauto, merk Jeep, aan de man zal worden toegedeeld onder de verplichting van de man om de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen;\n\n7. te bepalen dat de inboedel van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld en de inboedel in de woning van de man in Marokko aan de man wordt toebedeeld;\n\nmeer subsidiair: een zodanige verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.\n\n3.3.. Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nEchtscheiding\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n4.2.. Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n4.3.. Beide partijen verzoeken de echtscheiding in hun huwelijk uit te spreken. Zij hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nVerdeling van de huwelijksgoederengemeenschap\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.4.. De rechtbank heeft rechtsmacht om van de verzoeken van de man kennis te nemen, omdat de rechtbank rechtsmacht had ten aanzien van het echtscheidingsverzoek (artikel 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)\n\n4.5.. Volgens het Nederlandse internationaal privaatrecht wordt het toepasselijk recht op het huwelijksgoederenregime bepaald door het Verdrag van 14 maart 1987, Trb. 1988,130, inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (hierna te noemen: Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). Dit verdrag, dat op 1 september 1992 in werking is getreden, geldt voor echtgenoten die – zoals partijen – na 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden dan wel na die datum het toepasselijke recht op hun huwelijksvermogensregime hebben aangewezen.\n\n4.6.. Partijen hebben vóór of tijdens het huwelijk geen (geldige) rechtskeuze gemaakt overeenkomstig artikelen 3 en 6 van Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting allebei de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw had toen ook al de Duitse nationaliteit. De man heeft in 1997 naast de Marokkaanse ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Partijen zijn (kort) na de huwelijkssluiting in Nederland gaan wonen.\n\n4.7.. Partijen hadden aldus ten tijde van de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke nationaliteit, namelijk de Marokkaanse, terwijl hun gewone verblijfplaats na het huwelijk was gelegen in Nederland. Marokko is een zgn. nationaliteitsland en Nederland heeft een verklaring op grond van artikel 5 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 afgelegd. Dit betekent dat ten tijde van de huwelijkssluiting op grond van artikel 4 lid 2 onder a van dat verdrag Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen.\n\n4.8.. \n\nVervolgens is de vraag of op enig moment alsnog op het huwelijksgoederenregime van partijen Nederlands recht van toepassing is geworden. Artikel 7 lid 2 onder 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 bepaalt immers:\n\n“Het recht dat op grond van de bepalingen van het Verdrag van toepassing is, blijft van toepassing zolang de echtgenoten geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen, zelfs in geval van wijziging van hun nationaliteit of gewone verblijfplaats.\n\nIndien de echtgenoten echter noch het toepasselijke recht hebben aangewezen, noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, wordt in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen het interne recht van de Staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben, toepasselijk 1. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien de nationaliteit van die Staat hun gemeenschappelijke nationaliteit is, dan wel vanaf het tijdstip waarop zij die nationaliteit verkrijgen, of 2. wanneer zij na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar daar hun gewone verblijfplaats hebben gehad, of 3. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien hun huwelijksvermogensregime uitsluitend op grond van artikel 4, tweede lid, onder 3, was onderworpen aan het recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit.”4.9.. Nu partijen na de huwelijkssluiting Nederland als gewone verblijfplaats hadden, is dus na tien jaar gewone verblijfplaats in Nederland – dat wil zeggen: op [datum] 2006 – voldaan aan de vereisten voor een automatische wijziging overeenkomstig artikel 7, aanhef, sub 2 van het Verdrag van het op het huwelijksgoederenregime van partijen toepasselijke recht naar Nederlands recht.\n\n4.10.. Het vorenstaande betekent dat voor de tijdens het huwelijk door (een van) partijen verkregen goederen dan wel aangegane schulden geldt, dat zover deze goederen zijn verkregen of deze schulden zijn aangegaan vóór [datum] 2006; op de afwikkeling daarvan Marokkaans recht van toepassing is. Aangezien het Marokkaanse recht geen gemeenschap van goederen kent, betekent het vorenstaande voor die goederen\u002Fschulden dat deze blijven bij degene die ze had, heeft verkregen of is aangegaan. Vanaf [datum] 2006 geldt voor partijen het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, hetgeen betekent – nu zij geen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan – dat er sprake is van een gemeenschap van goederen.\n\ninhoudelijk\n\n4.11.. Voor de vaststelling van de omvang van de (sinds [datum] 2006 tussen partijen ontstane) bij de verdeling te betrekken huwelijksgoederengemeenschap geldt als peildatum de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, dus 15 april 2025.\n\n4.12.. De vrouw heeft de navolgende goederen genoemd als vermogensbestanddelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap behoren: - de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] ; - een appartementencomplex met grond, gelegen in [plaats 2] , Marokko; - spaartegoeden in Marokko op naam man, groot € 803.737,--; - een bankrekening op naam van de vrouw, met een saldo van € 784,15; - een auto, Jeep, in gebruik bij de man, met een waarde van € 40.000,--; - de inboedel van de woning [woonplaats 2] en van die in Marokko. Daarnaast noemt zij als in de gemeenschap vallende schuld: - hypothecaire schuld bij Woonfonds, groot € 31.346,--.. De man betwist dat de door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen in Marokko (het appartement en de spaartegoeden) en de auto tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoren; hij stelt dat deze zaken er helemaal niet zijn.\n\n4.13.. De rechtbank zal eerst ingaan op het verzoek van de vrouw (onder B, primair), om te bepalen dat de man zijn aandeel in een aantal door haar genoemde vermogensbestanddelen aan haar heeft verbeurd, zulks op grond van het bepaald in artikel 3:194 lid 2 BW, dan wel te bepalen dat de man op grond van artikel 1:164 BW gehouden is de vrouw door hem (gedurende de laatste zes maanden voor de indiening van het echtscheidingsverzoek) verspilde geldbedragen en goederen aan haar te vergoeden.\n\n4.14.. Artikel 3:194, lid 2 BW bepaalt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgeno(o)t(en) verbeurt. De vrouw stelt dat de man verzwijgt dan wel verborgen houdt, dat in Marokko tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen aanwezig zijn; zij noemt een stuk grond met daarop een appartement met inboedel, een spaarrekening met daarop een groot bedrag en een auto, Jeep. De man ontkent dat deze zaken er zijn.\n\n4.15.. De rechtbank overweegt en beslist ten aanzien van deze zaken als volgt:|\n\nde onroerende zaak (met inboedel) in Marokko4.16.1. Vast staat dat de man in juli 2006 in [plaats 2] , Marokko een tweetal stukken grond heeft gekocht. Gelet op het hiervoor onder 4.10 overwogene is die grond toen niet in een huwelijksgoederengemeenschap van partijen gevallen; de grond werd eigendom van alleen de man 4.16.2. De vrouw stelt dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd, welk complex, zo stelt zij, tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. De man betwist dat; hij stelt de grond in 2010 te hebben verkocht. Hij heeft van die gestelde verkoop een stuk, in de vertaling geheten “Belofte tot verkoop” overgelegd. De vrouw betwist de betrouwbaarheid van dat stuk en stelt dat dit valselijk is opgemaakt. Dat de man (ver) na de datum van de “Belofte tot verkoop” nog over de grond beschikte en er een appartement op heeft gebouwd, kan, zo stelt de vrouw, worden afgeleid uit een door haar overgelegd stuk, waaruit blijkt dat in oktober 2018 aan de man voor de betreffende percelen een bouwvergunning is afgegeven. Van dit stuk heeft de man weer gesteld dat het valselijk is opgemaakt. De vrouw heeft diverse foto’s en beeldfragmenten overgelegd (zonder bezwaar daartegen zijdens de man), die de bouw, dan wel het bestaan van een gebouw laten zien. De vrouw stelt verder nadere kadastrale stukken in Marokko te hebben opgevraagd.. 4.16.3. De rechtbank is van oordeel dat met het door de man overgelegde stuk onvoldoende is komen vast te staan dat hij de grond heeft verkocht. Daarmee staat evenwel nog niet vast, dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd. Weliswaar is hem – zo blijkt uit het door de vrouw overgelegde stuk, in 2018 een vergunning verleend, maar omdat de uitgewerkte bouwplannen, waarnaar genoemde vergunning verwijst en die bij die vergunning een bijlage zijn, niet zijn overgelegd, kan de rechtbank niet vaststellen waarop de bouwvergunning precies betrekking heeft. Of deze vergunning de bouw betreft van een appartementencomplex en dat die bouw zal plaatsvinden op de hier bedoelde grond van de man, kan de rechtbank niet vaststellen. Daarnaast kan ook uit de door de vrouw overgelegde foto’s en beeldfragmenten niet worden afgeleid (a) dat het daarop zichtbare gebouw wordt gebouwd op de hier bedoelde grond, (b) dat het de bouw betreft waarvoor genoemde bouwvergunning is verleend, en (c) dat de man bij die bouw betrokken was, terwijl voorts (d) niet blijkt dat de beelden zijn gemaakt in de door de vrouw genoemde – en door de man betwiste – jaren 2019 en 2020. Tenslotte moet worden vastgesteld dat het door de vrouw genoemde verzoek om kadastrale stukken uit Marokko– kennelijk – niet heeft geleid tot de verkrijging van stukken die erop wijzen dat er in [plaats 2] onroerende zaken op naam van de man zijn geregistreerd. De rechtbank ziet geen grond om nog langer op stukken te wachten. 4.16.4. Alles overziende oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat er op aan de man in eigendom toebehorende grond in [plaats 2] een appartementencomplex is gebouwd, dat onderdeel is van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen; dat zal dan ook voor een eventuele inboedel van dat complex gelden. Het door de vrouw aangeboden nadere bewijs – het als getuige doen horen van de zoon van partijen – zal hierin geen verandering kunnen brengen, nu de vrouw enkel heeft aangegeven dat de zoon kan verklaren over het bestaan van een appartementencomplex, maar niet van de omstandigheid dat dit complex onderdeel is geworden van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Dit bewijsaanbod zal dan ook worden gepasseerd. 4.16.5. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man de grond en een appartementencomplex in Marokko aan haar heeft verbeurd, zal op grond van het voorgaande moeten worden afgewezen.\n\nde spaarrekening met saldo in Marokko4.17.1. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat in Marokko een spaarrekening bestaat (of heeft bestaan) op naam van de man, met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire. Op deze rekening zijn in de jaren 2004 tot en met 2018 (grote) bedragen (tijdelijk) vastgezet, telkens voor één of twee jaar. In september 2018 bedroeg het saldo van deze rekening 8.500.000,-- MAD, zijnde de equivalent van € 803.734,--. De man betwist dat hij deze rekening heeft gehad – hij legt daartoe een verklaring over van de betreffende Banque Populaire, waarin wordt aangegeven dat de man bij die bank maar één bankrekening heeft, namelijk een rekening met [nummer 2] . 4.17.2. De door de man overgelegde verklaring is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de door de vrouw over de bankrekening met eindcijfers 009 overgelegde stukken – die betrekking hebben op een periode van veertien jaar –, onvoldoende om op grond daarvan te moeten vaststellen dat de genoemde spaarrekening 009 er nooit is geweest. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de rekening heeft bestaan en in 2018 het hierboven genoemde saldo had. De stellingen van de man moeten dan aldus worden begrepen, dat hij stelt dat die rekening\u002Fdat saldo er op de peildatum niet meer was. En het is dan aan de man – ook omdat de rekening op (alleen) zijn naam stond en werd aangehouden bij een bank in Marokko, waar partijen niet woonde maar waar, naar onbetwist is, de man al langere tijd verblijft – om toelichting te geven over wat er sinds 2018 met de rekening\u002Fhet saldo is gebeurd. De man heeft die toelichting niet gegeven; hij heeft enkel laten zien dat op dit moment de bankrekening niet meer bestaat. De rechtbank moet dan aannemen dat het saldo er nog wel is (zij het dat het mogelijk niet meer op de spaarrekening staat) en dat de man dat saldo bewust weghoudt uit deze (verdelings-)procedure. Vastgesteld moet dan worden dat het saldo onderdeel is van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap van partijen en dat de man ten aanzien van dat saldo handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt het geld opzettelijk, dan wel houdt het opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in dit saldo, hetgeen tot gevolg moert hebben dat het saldo geheel toekomt taan de vrouw. Nu de man geen inzicht heeft gegeven in het verloop van het saldo na september 2018, kan de rechtbank niet anders dan uitgaan van het laatst bekende saldo. De man zal dus een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen.\n\nde auto Jeep4.18.1. De vrouw heeft gesteld dat tot de gemeenschap behoort een auto, Jeep, die door de man (in Marokko) wordt gebruikt. De man heeft ontkent over een auto te beschikken. De vrouw heeft een foto van een Jeep – naar zij onbetwist heeft gesteld: gemaakt in 2025 – overgelegd, en voorts bij haar laatste akte een proces-verbaal van uitvoering (met vertaling in het Nederlands), waaruit blijkt dat door een daartoe bevoegde instantie op 8 april 2026 onderzoek is gedaan bij het voertuigenregistratie-kantoor te [plaats 2] en dat in dat onderzoek is vastgesteld dat daar een auto, Jeep, met [kenteken] op naam van de man is geregistreerd. In onderlinge samenhang beschouwd, leveren deze stukken voldoende bewijs op van de stelling van de vrouw dat de man op de peildatum over deze auto beschikte, en dat de auto dus tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoort. 4.18.2. De man heeft nog twee stukken overgelegd, waaruit naar hij stelt blijkt dat de Jeep met genoemd kenteken bij een ander – en dus niet bij hem – in eigendom is. Deze stukken zijn echter in het Marokkaans gesteld en niet voorzien van een vertaling in het Nederlands; de rechtbank kan daardoor de juistheid van de stelling van de man niet uit die stukken afleiden. Wel ziet de rechtbank dat de stukken betrekking (lijken te) hebben op feiten van op en na 8 april 2026 (de datum waarop het door de vrouw overgelegde onderzoek is gedaan). De stukken zijn dan onvoldoende om het hiervoor vastgestelde – dat de auto op de peildatum in bezit van de man was en tot de huwelijksgoederengemeenschap behoord – te weerleggen. 4.18.3. De rechtbank gaat er dus vanuit, dat de auto onderdeel is van de huwelijksgoederen-gemeenschap van partijen. Dan moet worden vastgesteld dat de man ten aanzien van deze auto handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt de auto opzettelijk, dan wel houdt deze opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in de auto, hetgeen feitelijk betekent dat die auto geheel zal toekomen aan de vrouw. De rechtbank zal aldus beslissen. Onder die omstandigheden is het niet meer nodig om een waarde van de auto vast te stellen.\n\n4.19.. Nu het primaire verzoek van de vrouw deels wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire verzoeken. De verzoeken onder B, 1 en 2 hebben betrekking op de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats 2] . Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen deze woning bindend te laten taxeren door een – door hen beide geaccordeerde – taxateur. Bij haar latere akte heeft de vrouw het van die taxatie opgemaakte rapport overgelegd; de man heeft zich met dit rapport akkoord verklaard. De waarde van de woning is door de taxateur vastgesteld op € 450.000,--; De vrouw heeft verzocht de woning aan haar toe te delen. Daarbij zal zij de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Zij heeft gesteld tot de overname van de woning in staat te zijn; de man heeft dat betwist. Na de taxatie zijn partijen op deze discussie niet meer teruggekomen. De rechtbank zal daarom aannemen dat de woning – nu de waarde bekend is – voor die waarde (€ 450.000,--) aan de vrouw kan worden toegedeeld; zij zal daartoe beslissen en bepalen dat de vrouw de hypothecaire schuld (die onbetwist € 31.346,-- bedraagt) als haar eigen schuld op zich zal nemen en zal voldoen, onder de verplichting de man het doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van (€ 450.000,-- – € 31.346,--) : 2= € 209.327,--. De vrouw heeft verder – onder B, 7 verzocht de inboedel van de echtelijke woning zonder verrekening aan haar toe te delen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling daarmee ingestemd. De rechtbank zal aldus beslissen.\n\n4.20.. De rechtbank zal het onbetwiste verzoek van de vrouw onder B, 5 om het saldo van de bankrekening op haar naam bij ING-bank met nr. [iban] aan haar toe te delen, toewijzen; de vrouw zal wegens overbedeling de helft van het saldo, dus (€ 784,15 : 2 =) € 397,08, aan de man dienen uit te keren. Het saldo op de bankrekening op naam van de man bij Banque Populaire in Marokko met [nummer 2] wordt – nu daartegen geen verweer is gevoerd – toegedeeld aan de man. Wegens overbedeling zal hij de helft van het saldo op de peildatum (15 april 2025) aan de vrouw dienen te vergoeden. Op grond van de door de man overgelegde bankafschriften kan het saldo op genoemde datum worden vastgesteld op 35.460,38 MAD, zijnde € 3.190,--. De man dient dus een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw uit te keren.\n\n4.21.. Aan de subsidiaire verzoeken betreffende de grond en het appartementencomplex (inclusief de inboedel) in Marokko, de bankrekeningen aldaar en de auto komt de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.16, 4.17 en 4.18 is overwogen en beslist, niet toe.\n\n4.22.. Resumerend zal de rechtbank de wijze van verdelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vaststellen: ● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\n4.23.. De rechtbank zal overeenkomstig rechtsoverweging 4.19 beslissen, en afwijzen wat meer of anders is verzocht.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nspreekt de echtscheiding uit in het op [datum] 1996 tussen partijen in het Marokkaans consulaat te [plaats 1] gesloten huwelijk;\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nstelt – uitvoerbaar bij voorraad – de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:\n\n● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\nwijst af hetgeen meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Dijk, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.942Z",{"id":172,"ecli":173,"slug":174,"caseNumber":41,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":175,"summary":41,"language":7,"source":43,"sourceUrl":176,"sourceTimestamp":177,"parsedAt":46,"updatedAt":178},"1924","ECLI:NL:RBZWB:2026:4488","ecli-nl-rbzwb-2026-4488","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F445479 \u002F KG ZA 26-96\n\nVonnis in kort geding van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiser in reconventie,\n\nadvocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.\n\nPartijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;\n\n- de op 13 april 2026 ontvangen aanvullende stukken van mr. Planthof.\n\n1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 15 april 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en\u002Fof de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.\n\n1.3. Tijdens die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.\n\n1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende nog minderjarige kinderen geboren:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022.\n\n2.2.. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.3.. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg d.d. 30 januari 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hebben en is, in afwachting van de inzet van ouderschapsbemiddeling, een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald. De beschikking van 30 januari 2025 is op 4 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Terneuzen.\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van 27 november 2025 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is de\n\nbeschikking van 30 januari 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bekrachtigd.\n\n2.5.. \n\nIn de door partijen opgestelde afsprakenlijst, welke door partijen op 5 juni 2025 is ondertekend, hebben partijen – voor zover voor deze procedure van belang – afgesproken:\n\n‘‘ [minderjarige 1] is ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op zaterdagochtend. [de vrouw] regelt dit ook voor [minderjarige 2] zodra zij 3 jaar is’’.\n\n3. Het geschil in conventie en reconventie\n\n3.1.. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. primair, de man te gebieden en te bevelen, binnen 24 uur na het in dezen te wijzen\n\nvonnis, de tussen partijen overeengekomen afspraak ten aanzien van de zwemles van\n\n [minderjarige 1] zoals beschreven in de afsprakenlijst na te komen, zulks op verbeurte van een\n\ndwangsom van € 250,00 voor elke dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke\n\nblijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00;\n\nsubsidiair, de afspraak ten aanzien van de zwemles van [minderjarige 1] zoals beschreven in de\n\nafsprakenlijst te wijzigen in die zin dat [minderjarige 1] de zwemles bij de zwemschool in [plaats 1]\n\nvolgt op de wijze zoals ingedeeld door de zwemschool en de man te veroordelen de\n\ngewijzigde afspraak na te komen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00\n\nvoor elke dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke blijft aan deze\n\nveroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00;\n\nII. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.\n\n3.2.. Door en namens de vrouw is daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Partijen hebben in de afsprakenlijst bewust de afspraak opgenomen dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op de zaterdagochtend. Ook toen partijen nog samen waren, was het al zo dat de kinderen naar de zwemschool in [plaats 1] zouden gaan. Dit vanwege de kwaliteit van de zwemschool en de historie die de vrouw met deze zwemschool in [plaats 1] heeft. De vrouw wil graag bij alle zwemlessen van [minderjarige 1] aanwezig zijn, nu dit zeer belangrijk voor haar is en zij zelf ook 25 jaar op een waterclub heeft gezeten. Nu blijkt dat de zwemlessen voor [minderjarige 1] voor twintig keer op de donderdagavond (groep 1) zijn, daarna volgens afspraak op de zaterdag (groep 2 en 3) en vervolgens op de vrijdag (groep 4). De vrouw is bereid om mee te denken in oplossingen. Zij stelt voor dat zij [minderjarige 1] ophaalt en terugbrengt, dat [minderjarige 1] op de donderdag bij de vrouw slaapt of dat het contactmoment van beide kinderen met de vrouw eens in de twee weken op de woensdag tijdelijk wordt gewisseld met de donderdag. Vanaf september 2026 kan [minderjarige 1] starten met de zwemlessen in [plaats 1] en de laatste zwemles zal op donderdagavond 7 januari 2027 zijn, waarna de Westerscheldetunnel vanaf 11 januari 2027 wordt afgesloten. Gezien de reisafstand voor de vrouw en de onduidelijkheid over op welke dagen en tijden de zwemlessen bij de door de man voorgestelde zwemschool in [plaats 2] zullen zijn, is dat geen optie. Verder is de communicatie tussen partijen verslechterd, nadat de ouderschapsbemiddeling is gestopt. De vrouw heeft het gevoel dat zij door de man buitenspel wordt gezet, nu de man zonder overleg beslissingen over de kinderen neemt. De vrouw geeft desgevraagd aan dat zij ervoor open staat om de ouderschapsbemiddeling te herstarten.\n\n3.3.. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen.\n\nDe man vordert in reconventie bij vonnis in kort geding, de man vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] bij de zwemschool te [plaats 2] .\n\n3.4.. Door en namens de man is daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De man is het niet meer eens met de door partijen gemaakte afspraak over de zwemlessen in [plaats 1] , zoals opgenomen in de afsprakenlijst. Destijds waren de zwemtijden voor de man niet bekend en ook was het nog niet bekend dat de vrouw hoger beroep zou instellen. Mede daardoor is het vertrouwen van de man beschadigd geraakt. De man stelt dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en zijn rust is om zwemlessen in [plaats 1] te volgen, niet tijdelijk op donderdagavond en ook niet op zaterdagochtend. De man kan zich niet vinden in de door de vrouw voorgestelde, tijdelijke oplossingen voor de twintig keer dat de zwemles op donderdagavond zal zijn, nu dit niet volgens de zorgregeling is, het tot extra reisbewegingen leidt en het te vermoeiend voor [minderjarige 1] zal zijn. Als [minderjarige 1] zwemles in [plaats 1] volgt, is hij op donderdagavond laat thuis terwijl hij vrijdagochtend vroeg naar school moet. Daar komt nog bij dat er vaak files zijn en dat de Westerscheldetunnel vanaf januari 2027 een tijd lang wordt afgesloten. Het is in het belang van [minderjarige 1] om in de buurt van zijn gewone verblijfplaats zwemlessen te volgen. In oktober 2026 kan [minderjarige 1] starten bij de zwemschool in [plaats 2] . Op welke dagen en tijden dit zal zijn, is voor de man nog niet bekend.\n\n3.5.. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en in reconventie\n\n4.1.. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. Belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] is dat hij op korte termijn bij een zwemschool wordt ingeschreven en zwemlessen kan volgen.\n\n4.2.. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\n4.3.. Tijdens de mondelinge behandeling van 15 april 2026 heeft de Raad, kort samengevat, aangegeven dat partijen in de afsprakenlijst de afspraak hebben gemaakt dat de kinderen bij de zwemschool in [plaats 1] zwemlessen zullen volgen en daar is de man volgens de Raad te makkelijk aan voorbij gegaan. De Raad erkent dat het gebruikelijk is dat kinderen zwemlessen in de buurt van hun gewone verblijfplaats volgen, maar partijen hebben dit bewust afgesproken en daarnaast gaat het om een tijdelijke situatie van twintig keer op de donderdagavond. Die situatie is volgens de Raad niet onoverkomelijk. Dat partijen niet bij elkaar in de buurt wonen, is op dit moment de situatie en daartoe moeten de kinderen zich ook leren verhouden. De Raad adviseert de tussen partijen gemaakte afspraak te volgen en daarmee dat [minderjarige 1] naar de zwemschool in [plaats 1] gaat. Aan partijen adviseert de Raad om hulpverlening gericht op de oudercommunicatie te gaan volgen.\n\n4.4.. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen in de op 5 juni 2025 ondertekende afsprakenlijst, als resultaat van het ouderschapsbemiddelingstraject bij [jeugdzorg] , overeen zijn gekomen dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op de zaterdagochtend. Gebleken is nu dat de zwemlessen bij de zwemschool in [plaats 1] zo zijn ingedeeld dat [minderjarige 1] in 4 groepen zijn ABC-diploma zal behalen. Groep 1 bestaat uit twintig zwemlessen op de donderdagavond in plaats van de zaterdagochtend, zoals partijen overeen waren gekomen. De zwemlessen in groep 2 en 3 zullen wel op de zaterdag zijn en de zwemlessen in groep 4 op de vrijdag. De man stelt nu dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en zijn rust is om zwemlessen in [plaats 1] te volgen, niet tijdelijk op donderdagavond en ook niet op zaterdagochtend en verzoekt om die reden vervangende toestemming aan de rechtbank om [minderjarige 1] bij de zwemschool in Zelzate in te schrijven.\n\n4.5.. De voorzieningenrechter betreurt allereerst dat de situatie en de communicatie tussen partijen is verslechterd en dat het vertrouwen in elkaar is beschadigd. Zij acht dit niet in het belang van de kinderen. Tegelijkertijd stelt zij ook vast dat dat niet wegneemt dat partijen destijds samen en bewust de afspraak hebben gemaakt dat de kinderen zwemlessen bij de zwemschool in [plaats 1] zullen volgen en dat de man tijdens het maken van deze afspraak blijkbaar ook heeft ingezien waarom het volgen van zwemlessen door de kinderen in [plaats 1] belangrijk voor de vrouw én de kinderen is. Daar komt bij dat de man met de kinderen toen ook al in [woonplaats 2] woonde. Dat de man nu verzoekt om vervangende toestemming om [minderjarige 1] bij de zwemschool in [plaats 2] in te schrijven, wijkt af van de afspraak die partijen hebben gemaakt. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter verder geconstateerd dat de vrouw bereid is om mee te denken in (tijdelijke) oplossingen en dat dit, hoewel begrijpelijk waar dit vandaan komt, bij de man in mindere mate aanwezig is. Zo is door en namens de vrouw voorgesteld dat de vrouw [minderjarige 1] ophaalt en terugbrengt, dat [minderjarige 1] op de donderdagavond bij de vrouw overnacht of dat tijdelijk het contactmoment tussen de vrouw en beide kinderen van eens in de twee weken op de woensdag wordt gewisseld met de donderdag. De man stelt slechts dat al deze opties niet mogelijk zijn.\n\n4.6.. Verder is door en namens de vrouw toegelicht dat het aanwezig zijn bij de zwemlessen en het leren zwemmen van de kinderen in [plaats 1] erg belangrijk voor de vrouw is en dat zij dit graag met de kinderen wil delen, hetgeen gelet op de door partijen gemaakte afspraak naar het oordeel van de voorzieningenrechter destijds ook door de man is erkend. Door de woonsituatie van de vrouw, wat mogelijk deels haar eigen keuze is, staat zij op een bepaalde afstand tot de kinderen. Het volgen van zwemlessen door [minderjarige 1] in [plaats 1] kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter iets zijn wat [minderjarige 1] echt met zijn moeder deelt en dat is waardevol en acht zij in het belang van [minderjarige 1] . Juist nu de kinderen bij de man hun gewone verblijfplaats hebben en ook veel momenten met hun vader delen. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter begrijpt dat het belastend voor [minderjarige 1] kan zijn om tijdelijk op de donderdagavond na school naar [plaats 1] te reizen om zwemles te volgen en dat hij wellicht iets later dan normaal naar bed zal gaan. Dit betreft echter een tijdelijke situatie van twintig keer welke zodanig is beperkt in tijd dat [minderjarige 1] rond 20.00 uur thuis bij de man in [woonplaats 2] kan zijn. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit niet onoverkomelijk is. Daarnaast is gebleken dat de laatste zwemles van [minderjarige 1] in groep 1 op donderdagavond 7 januari 2027 zal zijn en daarmee voor het afsluiten van de Westerscheldetunnel vanaf 11 januari 2027, zodat partijen daar op de donderdagavonden dat [minderjarige 1] zwemles in [plaats 1] volgt geen hinder van zullen ondervinden.\n\n4.7.. Gezien al het voorgaande en met name de afspraak die partijen samen en bewust over het volgen van zwemlessen in [plaats 1] hebben gemaakt en de tijdelijkheid van de zwemlessen op de donderdagavond (twintig keer) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het volgen van zwemlessen in [plaats 1] in het belang van [minderjarige 1] is. Zij geeft aan partijen mee om samen afspraken te maken voor de twintig keer dat de zwemles van [minderjarige 1] in [plaats 1] op de donderdagavond zal zijn en geeft met name aan partijen in overweging de door de vrouw aangeboden oplossing om tijdelijk het contactmoment tussen de vrouw en de kinderen van eens in de twee weken op de woensdag – en daarmee dus voor tien keer – te wisselen met de donderdag. Deze oplossing is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het meest in het belang van de kinderen en biedt de meeste rust aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder geeft zij aan partijen mee om het advies van de Raad op te volgen en opnieuw een hulpverleningstraject aan te gaan met als doel om de samenwerking en oudercommunicatie te verbeteren, zodat partijen in de toekomst op een constructieve manier samen en in overleg beslissingen voor en over de kinderen kunnen nemen. Beide partijen hebben aangegeven hiervoor open te staan.\n\n4.8.. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw in conventie toewijzen. Een deel van de primaire vordering kan niet worden toegewezen, nu de voorzieningenrechter bepaalt dat [minderjarige 1] eerst twintig zwemlessen op de donderdagavond bij de zwemschool in [plaats 1] zal volgen en niet zoals conform de door partijen in de afsprakenlijst gemaakte afspraak op de zaterdagochtend. De voorzieningenrechter zal voor die periode het subsidiaire verzoek van de vrouw toewijzen. Na die twintig zwemlessen op de donderdagavond zal [minderjarige 1] conform de door partijen in de afsprakenlijst gemaakte afspraak zwemlessen op de zaterdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgen en daarna op de vrijdag. De man wordt veroordeeld om dit na te komen. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat beide partijen deze beslissing zullen naleven. Om die reden ziet zij op dit moment onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.\n\n4.9.. De vordering van de man in reconventie zal worden afgewezen.\n\n4.10.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.\n\n4.11.. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n4.12.. Het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie zal worden afgewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. bepaalt dat [minderjarige 1] de eerste twintig zwemlessen op de donderdagavond bij de zwemschool in [plaats 1] volgt en na die periode conform de door partijen gemaakte afspraak in de op 5 juni 2025 ondertekende afsprakenlijst waarin overeen is gekomen dat [minderjarige 1] zwemlessen op de zaterdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgt en bepaalt dat [minderjarige 1] daarna zwemlessen op de vrijdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgt;\n\n5.2.. veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan het bepaalde in rechtsoverweging 5.1;\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Verschoor-Bergsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Vork, griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4488","2026-05-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.773Z",20]