[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-matrimonial-property-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":46},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},81,"matrimonial-property-nl","Matrimonial Property","NL","2026-07-08T16:55:03.427Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-12T00:00:00.000Z","2026-05-20T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124354","Burgerlijk Wetboek","art. 1:164",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"496","ECLI:NL:RBZWB:2026:5441","ecli-nl-rbzwb-2026-5441","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F419261 \u002F FA RK 24-764 (echtscheiding met nevenvoorzieningen) C\u002F02\u002F439527 \u002F FA RK 25-4561 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)\n\nbeschikking d.d. 20 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. M. Kalle, kantoorhoudende te Middelburg,\n\nen\n\n [de man],\n\nbriefadres te [plaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: voorheen mr. E.A.G. van Acker (gedesisteerd), thans mr. N.P.M. Planthof, kantoorhoudende te Goes.\n\nOuders van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011; - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,\n\ngevestigd te Middelburg,\n\nhierna te noemen de GI.\n\nOp grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren.\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2025 en alle daarin genoemde stukken;\n\n- de brief d.d. 1 april 2025 van mr. Kalle, met nadere producties;\n\n- de brief d.d.13 mei 2025 van mr. Planthof, met nadere producties;\n\n- het op 13 juni 2025 ingekomen rapport en advies van de Raad d.d. 11 juni 2025;\n\n- de brief d.d. 17 november 2025 van mr. Planthof tevens houdende aanvullend verzoek, met nadere producties;\n\n- het F-formulier van mr. Planthof d.d. 19 november 2025;\n\n- de brief d.d. 5 december 2025 van mr. Kalle, houdende verweerschrift laatste verzoek, tevens aanvulling verzoeken en overlegging stukken, met bijlagen;\n\n- de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Planthof overgelegde draagkrachtberekening;\n\n- de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Kalle overgelegde draagkrachtberekening.\n\n1.2.. De zaak is laatstelijk behandeld op de mondelinge behandeling van 16 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. De man is verder bijgestaan door zijn forensisch begeleidster. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.\n\n1.3.. Na afloop van de mondelinge behandeling zijn de navolgende stukken ontvangen:\n\n- het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 2 maart 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 3 maart 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 5 maart 2026 van mr. Planthof;\n\n- het F-formulier d.d. 18 maart 2026 van mr. Kalle;\n\n- het F-formulier d.d. 31 maart 2026 van mr. Kalle, met daarbij gevoegd een door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst;\n\n- het F-formulier d.d. 1 april 2026 van mr. Planthof.\n\n1.4.. De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt door middel van een kindgesprek op 12 december 2025 en [minderjarige 1] door middel van het schrijven van een brief.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nIn de procedure FA RK 24-764;\n\n2.1.. De rechtbank verwijst naar de beschikking van 27 februari 2025 waarbij de echtscheiding in het huwelijk tussen partijen is uitgesproken en het hoofdverblijf van de minderjarigen is bepaald bij de vrouw. De echtscheidingsbeschikking is op 20 mei 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.\n\n2.2.. Verder volgt uit voornoemde beschikking van 27 februari 2025 dat de Raad naar aanleiding van diverse zorgmeldingen een beschermingsonderzoek zal starten ten aanzien van de minderjarigen. De Raad zal in dit beschermingsonderzoek tevens onderzoek doen naar de zorgregeling.\n\n2.3.. De Raad heeft op 11 juni 2025 gerapporteerd en geadviseerd. Samengevat en voor zover van belang adviseert de Raad om de minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van 12 maanden en de behandeling van de verzoeken m.b.t. de zorgregeling en het contact aan te houden voor een periode van een jaar in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling.2.4.. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 22 juli 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI van 22 juli 2025 tot 22 juli 2026.\n\n2.5.. In geschil zijn nog de (schorsing van de) zorgregeling, de informatieregeling en de kinderbijdrage.\n\nZorgregeling en informatieregeling;\n\n2.6.. De vrouw verzoekt om voor de duur van één jaar te bepalen dat er geen contacten zijn tussen vader en de kinderen, dan wel te bepalen dat de zorgregeling nader door hulpverlening zal worden vastgesteld. Verder heeft de vrouw verzocht te bepalen dat partijen eens per drie maanden met elkaar informatie zullen uitwisselen en zullen raadplegen volgens een nader door de hulpverlening vast te stellen wijze.\n\n2.7.. \n\nDe man kan niet instemmen met het verzoek van de vrouw om te bepalen dat er één jaar geen contact tussen de kinderen en de man zal zijn en is van mening dat dit verzoek dient te worden afgewezen. De man is van mening dat het contact tussen hem en de kinderen – met tussenkomst van de hulpverlening – zo spoedig mogelijk dient te worden hersteld.\n\nDe man is voorts van mening dat de informatieregeling die door de vrouw is verzocht, te beperkt is. De man krijgt weinig tot geen informatie over de kinderen. In het verlengde hiervan is de man van mening dat de vrouw één keer per maand op de eerste van iedere maand per e-mailbericht hem dient te informeren over de ontwikkelingen en het welzijn van de kinderen\n\n2.8.. Door de Raad is ter zitting onder verwijzing naar het raadsrapport van 11 juni 2025 geadviseerd om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen en over de informatievoorziening bij de GI te beleggen in het kader van de ondertoezichtstelling.\n\n2.9.. De rechtbank stelt vast dat er al geruime tijd geen contact is tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Beide minderjarigen hebben verklaard op dit moment ook geen contact met hun vader te willen. Duidelijk is dat beide minderjarigen angst hebben voor de man. Hoe dit beeld is ontstaan en of het is ‘aangepraat’ zoals door de man wordt gesteld, doet niet af aan de huidige feitelijke situatie bij de minderjarigen. Van belang is dat dit angstbeeld eerst moet verdwijnen. De minderjarige [minderjarige 1] staat wel open voor contact met zijn vader en er vinden - zo is ter zitting door de man verklaard - ook contacten plaats tussen hen. Verder is door de vrouw verklaard dat er door haar via de GI tweewekelijks een informatieoverdracht plaatsvindt over de minderjarigen aan de man.\n\n2.10.. De rechtbank is van oordeel dat de prioriteit moet liggen bij de kwetsbare minderjarigen. Zij moeten eerst kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkeling. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het er over eens zijn - overeenkomstig het advies van de Raad – om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen alsmede over de informatieregeling te beleggen bij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. De rechtbank zal dit op onderstaande wijze bepalen. Partijen hebben ter zitting hun verzoeken ingetrokken.\n\nKinderbijdrage;\n\n2.11.. De vrouw verzoekt om een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen van € 300,= per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift ‒ zijnde 26 juni 2024.\n\nBehoefte minderjarigen;\n\n2.12.. Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen.\n\n2.13.. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (verder: NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2023, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.\n\n2.14.. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het erover eens zijn dat het NBGI € 6.279,= bedroeg, hetgeen ook volgt uit de door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de tabel bedraagt op basis van dat NBGI € 1.630,=. Geïndexeerd naar 2024 is dit € 1.731,=.\n\nDraagkracht onderhoudsplichtigen;\n\n2.15.. Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2024 bij inkomens vanaf € 2.065,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.065,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.\n\n2.16.. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders NBI, waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.\n\nDraagkracht man;\n\n2.17.. De rechtbank gaat bij gebrek aan recente inkomensgegevens van de man uit van de door de man overgelegde loonstroken over 2024. Daaruit volgt een jaarinkomen van € 51.584,=. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.\n\n2.18.. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 3.240,= per maand, hetgeen ook volgt uit voornoemde door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening.\n\nDraagkracht vrouw;\n\n2.19.. De rechtbank zal aan de zijde van de vrouw eveneens uitgaan van haar inkomensgegevens over 2024. De rechtbank zal geen rekening houden met het hogere inkomen van de vrouw per 1 augustus 2025 zoals dat volgt uit de door haar overgelegde salarisspecificaties, omdat de man mogelijk ook een hoger inkomen heeft en dit – in tegenstelling tot de vrouw - niet inzichtelijk heeft gemaakt.\n\n2.20.. De vrouw heeft volgens de jaaropgaaf over 2024 een inkomen van € 40.137,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige inkomen van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.010 ,= per maand. Het NBI van de vrouw wordt verhoogd met het kind gebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop waarvoor zij thans in aanmerking komt. Het totale NBI van de vrouw bedraagt aldus € 3.949,=. Dit NBI volgt overigens ook uit de draagkrachtberekeningen die door advocaten ter zitting zijn overgelegd.\n\nDraagkrachtvergelijking;\n\n2.21.. De draagkracht van de man is volgens vorenstaande formule € 699,= per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.046,= per maand.\n\n2.22.. \n\nDe verdeling van de kosten van de minderjarigen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de minderjarigen, oftewel:\n\nhet aandeel van de man bedraagt: € 699 \u002F € 1.745 x € 1.731 = € 693,=;\n\nhet aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.046 \u002F € 1.745 x € 1.731 = € 1.038,=.\n\nZorgkorting;\n\n2.23.. Partijen zijn het erover eens dat er geen zorgkorting van toepassing is. Dit betekent dat de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht, zijnde € 693,= ofwel € 231,= per kind per maand in de kosten van de minderjarigen moet voorzien. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook deels toewijzen.\n\nIngangsdatum;\n\n2.24.. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van die bijdrage laten ingaan op 26 juni 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met de vaststelling van een bijdrage en deze ingangsdatum tussen partijen verder ook niet in geschil is.\n\nIn de procedure FA RK 25-4561;\n\n2.25.. Partijen zijn op 25 april 2008 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben partijen huwelijkse voorwaarden opgemaakt bij akte op 23 april 2008. Deze akte is verleden door [notaris] , notaris te [plaats 1] . De huwelijkse voorwaarden houden een gemeenschap van inboedel in, met uitsluiting van elke andere gemeenschap van goederen.\n\n2.26.. Partijen hebben na een schorsing ter zitting overeenstemming bereikt. Partijen zijn overeengekomen dat de voormalige echtelijke woning staande en gelegen te [plaats 1] , gemeente Borsele, [adres] , zal worden verkocht en dat de man (van zijn deel van de verkoopopbrengst) eenmalig een bedrag van € 6.000,= zal voldoen aan de vrouw. Partijen stellen dat daarmee de huwelijkse voorwaarden zijn afgewikkeld. Partijen hebben voornoemde afspraken nader uitgewerkt en vastgelegd in de door mr. Kalle bij F-formulier van 31 maart 2026 ter kennisneming ingediende door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst.\n\n2.27.. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, welke mede is vastgelegd in een door hen opgemaakte vaststellingsovereenkomst, zullen de verzoeken van partijen worden afgewezen. Mr. Kalle heeft met instemming van mr. Planthof aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de vaststellingsovereenkomst aan de beschikking wordt gehecht. De rechtbank laat dit dan ook achterwege. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat partijen aan de door hen overeengekomen afspraken zijn gebonden.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbepaalt dat de regie over de zorgregeling en over de informatieregeling betreffende de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011, en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016, bij de GI zal zijn;\n\nbepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen op € 231,= per kind per maand, met ingang van 26 juni 2024;\n\nverklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af hetgeen meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5441","2026-06-20T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:33.438Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"1831","ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","ecli-nl-rbzwb-2026-5175","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummers: C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019 (echtscheiding) en\n\nC\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329 (boedel)\n\nbeschikking d.d. 12 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen,\n\nen\n\n [de vrouw],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. R.P.H.W. Haas te Heerlen.\n\n1 Het procesverloop\n\nin beide zaken\n\n1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:\n\n- het op 15 april 2025 ontvangen verzoekschrift tot echtscheiding, met producties;\n\n- het verweerschrift echtscheiding tevens houdende zelfstandige verzoeken, ontvangen op 9 juli 2025, met producties;\n\n- het op 1 augustus 2025 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken, met producties;\n\n- het op 18 september 2025 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 30 december 2025 van de kant van de vrouw, met bijlagen;\n\n- het F-formulier van 15 januari 2026 van de kant van de man, met een productie, met producties.\n\n1.2 De verzoeken zijn behandeld op de mondelinge behandeling van 29 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.\n\n1.3. Na de mondelinge behandeling is – overeenkomstig daartoe tijdens die behandeling gemaakte afspraken – door de vrouw nog een akte houdende nadere producties overgelegd. De man heeft daarop bij akte uitlaten producties gereageerd. Daarna heeft de vrouw eigener beweging nog een akte houdende nadere productie genomen; nu de man bij brief op deze akte heeft gereageerd, zal de rechtbank deze akte – en ook de brief van de man – bij de beoordeling van de verzoeken betrekken.\n\n2 De feiten\n\nin beide zaken\n\n2.1. Partijen zijn op [datum] 1996 in het Marokkaanse consulaat te [plaats 1] , Duitsland, met elkaar gehuwd. Partijen hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit; daarnaast heeft de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Duitse.3. De verzoeken\n\nin beide zaken\n\n3.1.. \n\nDe man verzoekt de rechtbank\n\n(I) om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken,\n\nen voorts – na vermeerdering van zijn verzoeken – om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nII. de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na de beschikking medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht tot bemiddeling aan een lokale makelaar in de omgeving [woonplaats 2] met betrekking tot de verkoop van de woning, gelegen aan de [adres] , te [woonplaats 2] (hierna: de woning);\n\nIII. de vrouw te veroordelen om vervolgens medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning tegen een zo hoog mogelijke opbrengst, één en ander te bepalen door de betreffende makelaar;\n\nIV. de vrouw te veroordelen om de woning uiterlijk twee weken voor de levering leeg, ontruimd en in goede staat achter te laten en niet verder te betreden;\n\nV. de man te machtigen, indien de vrouw niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in II en III, de beschikking in de plaats te doen stellen van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper(s).\n\nDe man heeft zich verweerd tegen de verzoeken van de vrouw, hierna in rechtsoverweging 3.2 weergegeven onder B.\n\n3.2.. \n\nDe vrouw verweert zich niet tegen het verzoek onder (I) van de man. Bij zelfstandige verzoeken vraagt zij de rechtbank om bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nA. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken, subsidiair een scheiding van tafel en bed;\n\nB. primair:te bepalen dat de man ex art. 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), zijn aandeel in het onroerend goed te Marokko, de bank- en spaarrekeningen inclusief saldo in Marokko, de inboedel en de auto verbeurt aan de vrouw, nu de man opzettelijk diverse bedragen c.q. de genoemde vermogensbestanddelen heeft weggemaakt in het vooruitzicht van de echtscheiding (verzwijging c.q. zoek maken c.q. verborgen houden) ten einde de vrouw te benadelen, althans ex art. 1:164 BW te bepalen dat de man de gemeenschap binnen zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding goederen van de gemeenschap heeft verspild en hierdoor de gemeenschap heeft benadeeld door diverse geldbedragen c.q. vermogensbestanddelen zonder toestemming van de vrouw over te boeken naar derden en\u002Fof verborgen te houden, zodat de man verplicht is deze geldbedragen en vermogensbestanddelen aan de huwelijksgoederengemeenschap te vergoeden;\n\nsubsidiair:\n\n1. te bepalen dat de woning door [taxateur] dan wel door een door de rechtbank aan te wijzen deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna de woning aan de vrouw zal worden toegedeeld;\n\n2. de hypotheek welke rust op de woning aan de vrouw toe te scheiden, onder de verplichting van de vrouw om de man te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;\n\n3. de man te veroordelen tot overlegging van verificatoire (eigendoms)stukken ten aanzien van het appartementencomplex te Marokko alsmede ten aanzien van de bankrekeningen te Marokko inclusief saldi per peildatum, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag of gedeelte van de dag dat de man hiermee in gebreke blijft;\n\n4. te bepalen dat het appartementencomplex te Marokko behoort tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap en dat dit appartementencomplex door een door de rechtbank aan te wijzen onafhankelijk deskundige zal worden getaxeerd op basis van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde, waarna dit onroerend goed aan de man zal worden toebedeeld onder verrekening van de overwaarde tussen partijen van zowel de voormalige echtelijke woning als het appartementencomplex;\n\n5. te bepalen dat de spaarrekening(en) in Marokko aan de man kan\u002Fkunnen worden toegedeeld en de bankrekening van de vrouw bij ING aan de vrouw kan worden toegedeeld onder verrekening van de saldi tussen partijen bij helfte, per peildatum;\n\n6. te bepalen dat de personenauto, merk Jeep, aan de man zal worden toegedeeld onder de verplichting van de man om de helft van de waarde aan de vrouw te voldoen;\n\n7. te bepalen dat de inboedel van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld en de inboedel in de woning van de man in Marokko aan de man wordt toebedeeld;\n\nmeer subsidiair: een zodanige verdeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.\n\n3.3.. Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nEchtscheiding\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n4.2.. Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n4.3.. Beide partijen verzoeken de echtscheiding in hun huwelijk uit te spreken. Zij hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nVerdeling van de huwelijksgoederengemeenschap\n\nbevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.4.. De rechtbank heeft rechtsmacht om van de verzoeken van de man kennis te nemen, omdat de rechtbank rechtsmacht had ten aanzien van het echtscheidingsverzoek (artikel 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering)\n\n4.5.. Volgens het Nederlandse internationaal privaatrecht wordt het toepasselijk recht op het huwelijksgoederenregime bepaald door het Verdrag van 14 maart 1987, Trb. 1988,130, inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime (hierna te noemen: Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978). Dit verdrag, dat op 1 september 1992 in werking is getreden, geldt voor echtgenoten die – zoals partijen – na 1 september 1992 in het huwelijk zijn getreden dan wel na die datum het toepasselijke recht op hun huwelijksvermogensregime hebben aangewezen.\n\n4.6.. Partijen hebben vóór of tijdens het huwelijk geen (geldige) rechtskeuze gemaakt overeenkomstig artikelen 3 en 6 van Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Partijen hadden ten tijde van de huwelijkssluiting allebei de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw had toen ook al de Duitse nationaliteit. De man heeft in 1997 naast de Marokkaanse ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Partijen zijn (kort) na de huwelijkssluiting in Nederland gaan wonen.\n\n4.7.. Partijen hadden aldus ten tijde van de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke nationaliteit, namelijk de Marokkaanse, terwijl hun gewone verblijfplaats na het huwelijk was gelegen in Nederland. Marokko is een zgn. nationaliteitsland en Nederland heeft een verklaring op grond van artikel 5 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 afgelegd. Dit betekent dat ten tijde van de huwelijkssluiting op grond van artikel 4 lid 2 onder a van dat verdrag Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen.\n\n4.8.. \n\nVervolgens is de vraag of op enig moment alsnog op het huwelijksgoederenregime van partijen Nederlands recht van toepassing is geworden. Artikel 7 lid 2 onder 1 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 bepaalt immers:\n\n“Het recht dat op grond van de bepalingen van het Verdrag van toepassing is, blijft van toepassing zolang de echtgenoten geen ander toepasselijk recht hebben aangewezen, zelfs in geval van wijziging van hun nationaliteit of gewone verblijfplaats.\n\nIndien de echtgenoten echter noch het toepasselijke recht hebben aangewezen, noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, wordt in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen het interne recht van de Staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben, toepasselijk 1. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien de nationaliteit van die Staat hun gemeenschappelijke nationaliteit is, dan wel vanaf het tijdstip waarop zij die nationaliteit verkrijgen, of 2. wanneer zij na het huwelijk gedurende meer dan tien jaar daar hun gewone verblijfplaats hebben gehad, of 3. vanaf het tijdstip waarop zij daar hun gewone verblijfplaats vestigen, indien hun huwelijksvermogensregime uitsluitend op grond van artikel 4, tweede lid, onder 3, was onderworpen aan het recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit.”4.9.. Nu partijen na de huwelijkssluiting Nederland als gewone verblijfplaats hadden, is dus na tien jaar gewone verblijfplaats in Nederland – dat wil zeggen: op [datum] 2006 – voldaan aan de vereisten voor een automatische wijziging overeenkomstig artikel 7, aanhef, sub 2 van het Verdrag van het op het huwelijksgoederenregime van partijen toepasselijke recht naar Nederlands recht.\n\n4.10.. Het vorenstaande betekent dat voor de tijdens het huwelijk door (een van) partijen verkregen goederen dan wel aangegane schulden geldt, dat zover deze goederen zijn verkregen of deze schulden zijn aangegaan vóór [datum] 2006; op de afwikkeling daarvan Marokkaans recht van toepassing is. Aangezien het Marokkaanse recht geen gemeenschap van goederen kent, betekent het vorenstaande voor die goederen\u002Fschulden dat deze blijven bij degene die ze had, heeft verkregen of is aangegaan. Vanaf [datum] 2006 geldt voor partijen het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, hetgeen betekent – nu zij geen huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan – dat er sprake is van een gemeenschap van goederen.\n\ninhoudelijk\n\n4.11.. Voor de vaststelling van de omvang van de (sinds [datum] 2006 tussen partijen ontstane) bij de verdeling te betrekken huwelijksgoederengemeenschap geldt als peildatum de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, dus 15 april 2025.\n\n4.12.. De vrouw heeft de navolgende goederen genoemd als vermogensbestanddelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap behoren: - de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats 2] ; - een appartementencomplex met grond, gelegen in [plaats 2] , Marokko; - spaartegoeden in Marokko op naam man, groot € 803.737,--; - een bankrekening op naam van de vrouw, met een saldo van € 784,15; - een auto, Jeep, in gebruik bij de man, met een waarde van € 40.000,--; - de inboedel van de woning [woonplaats 2] en van die in Marokko. Daarnaast noemt zij als in de gemeenschap vallende schuld: - hypothecaire schuld bij Woonfonds, groot € 31.346,--.. De man betwist dat de door de vrouw genoemde vermogensbestanddelen in Marokko (het appartement en de spaartegoeden) en de auto tot de huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoren; hij stelt dat deze zaken er helemaal niet zijn.\n\n4.13.. De rechtbank zal eerst ingaan op het verzoek van de vrouw (onder B, primair), om te bepalen dat de man zijn aandeel in een aantal door haar genoemde vermogensbestanddelen aan haar heeft verbeurd, zulks op grond van het bepaald in artikel 3:194 lid 2 BW, dan wel te bepalen dat de man op grond van artikel 1:164 BW gehouden is de vrouw door hem (gedurende de laatste zes maanden voor de indiening van het echtscheidingsverzoek) verspilde geldbedragen en goederen aan haar te vergoeden.\n\n4.14.. Artikel 3:194, lid 2 BW bepaalt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgeno(o)t(en) verbeurt. De vrouw stelt dat de man verzwijgt dan wel verborgen houdt, dat in Marokko tot de gemeenschap behorende vermogensbestanddelen aanwezig zijn; zij noemt een stuk grond met daarop een appartement met inboedel, een spaarrekening met daarop een groot bedrag en een auto, Jeep. De man ontkent dat deze zaken er zijn.\n\n4.15.. De rechtbank overweegt en beslist ten aanzien van deze zaken als volgt:|\n\nde onroerende zaak (met inboedel) in Marokko4.16.1. Vast staat dat de man in juli 2006 in [plaats 2] , Marokko een tweetal stukken grond heeft gekocht. Gelet op het hiervoor onder 4.10 overwogene is die grond toen niet in een huwelijksgoederengemeenschap van partijen gevallen; de grond werd eigendom van alleen de man 4.16.2. De vrouw stelt dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd, welk complex, zo stelt zij, tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. De man betwist dat; hij stelt de grond in 2010 te hebben verkocht. Hij heeft van die gestelde verkoop een stuk, in de vertaling geheten “Belofte tot verkoop” overgelegd. De vrouw betwist de betrouwbaarheid van dat stuk en stelt dat dit valselijk is opgemaakt. Dat de man (ver) na de datum van de “Belofte tot verkoop” nog over de grond beschikte en er een appartement op heeft gebouwd, kan, zo stelt de vrouw, worden afgeleid uit een door haar overgelegd stuk, waaruit blijkt dat in oktober 2018 aan de man voor de betreffende percelen een bouwvergunning is afgegeven. Van dit stuk heeft de man weer gesteld dat het valselijk is opgemaakt. De vrouw heeft diverse foto’s en beeldfragmenten overgelegd (zonder bezwaar daartegen zijdens de man), die de bouw, dan wel het bestaan van een gebouw laten zien. De vrouw stelt verder nadere kadastrale stukken in Marokko te hebben opgevraagd.. 4.16.3. De rechtbank is van oordeel dat met het door de man overgelegde stuk onvoldoende is komen vast te staan dat hij de grond heeft verkocht. Daarmee staat evenwel nog niet vast, dat de man op de grond een appartementencomplex heeft gebouwd. Weliswaar is hem – zo blijkt uit het door de vrouw overgelegde stuk, in 2018 een vergunning verleend, maar omdat de uitgewerkte bouwplannen, waarnaar genoemde vergunning verwijst en die bij die vergunning een bijlage zijn, niet zijn overgelegd, kan de rechtbank niet vaststellen waarop de bouwvergunning precies betrekking heeft. Of deze vergunning de bouw betreft van een appartementencomplex en dat die bouw zal plaatsvinden op de hier bedoelde grond van de man, kan de rechtbank niet vaststellen. Daarnaast kan ook uit de door de vrouw overgelegde foto’s en beeldfragmenten niet worden afgeleid (a) dat het daarop zichtbare gebouw wordt gebouwd op de hier bedoelde grond, (b) dat het de bouw betreft waarvoor genoemde bouwvergunning is verleend, en (c) dat de man bij die bouw betrokken was, terwijl voorts (d) niet blijkt dat de beelden zijn gemaakt in de door de vrouw genoemde – en door de man betwiste – jaren 2019 en 2020. Tenslotte moet worden vastgesteld dat het door de vrouw genoemde verzoek om kadastrale stukken uit Marokko– kennelijk – niet heeft geleid tot de verkrijging van stukken die erop wijzen dat er in [plaats 2] onroerende zaken op naam van de man zijn geregistreerd. De rechtbank ziet geen grond om nog langer op stukken te wachten. 4.16.4. Alles overziende oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat er op aan de man in eigendom toebehorende grond in [plaats 2] een appartementencomplex is gebouwd, dat onderdeel is van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen; dat zal dan ook voor een eventuele inboedel van dat complex gelden. Het door de vrouw aangeboden nadere bewijs – het als getuige doen horen van de zoon van partijen – zal hierin geen verandering kunnen brengen, nu de vrouw enkel heeft aangegeven dat de zoon kan verklaren over het bestaan van een appartementencomplex, maar niet van de omstandigheid dat dit complex onderdeel is geworden van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Dit bewijsaanbod zal dan ook worden gepasseerd. 4.16.5. Het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man de grond en een appartementencomplex in Marokko aan haar heeft verbeurd, zal op grond van het voorgaande moeten worden afgewezen.\n\nde spaarrekening met saldo in Marokko4.17.1. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat in Marokko een spaarrekening bestaat (of heeft bestaan) op naam van de man, met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire. Op deze rekening zijn in de jaren 2004 tot en met 2018 (grote) bedragen (tijdelijk) vastgezet, telkens voor één of twee jaar. In september 2018 bedroeg het saldo van deze rekening 8.500.000,-- MAD, zijnde de equivalent van € 803.734,--. De man betwist dat hij deze rekening heeft gehad – hij legt daartoe een verklaring over van de betreffende Banque Populaire, waarin wordt aangegeven dat de man bij die bank maar één bankrekening heeft, namelijk een rekening met [nummer 2] . 4.17.2. De door de man overgelegde verklaring is naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van de door de vrouw over de bankrekening met eindcijfers 009 overgelegde stukken – die betrekking hebben op een periode van veertien jaar –, onvoldoende om op grond daarvan te moeten vaststellen dat de genoemde spaarrekening 009 er nooit is geweest. Dat betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de rekening heeft bestaan en in 2018 het hierboven genoemde saldo had. De stellingen van de man moeten dan aldus worden begrepen, dat hij stelt dat die rekening\u002Fdat saldo er op de peildatum niet meer was. En het is dan aan de man – ook omdat de rekening op (alleen) zijn naam stond en werd aangehouden bij een bank in Marokko, waar partijen niet woonde maar waar, naar onbetwist is, de man al langere tijd verblijft – om toelichting te geven over wat er sinds 2018 met de rekening\u002Fhet saldo is gebeurd. De man heeft die toelichting niet gegeven; hij heeft enkel laten zien dat op dit moment de bankrekening niet meer bestaat. De rechtbank moet dan aannemen dat het saldo er nog wel is (zij het dat het mogelijk niet meer op de spaarrekening staat) en dat de man dat saldo bewust weghoudt uit deze (verdelings-)procedure. Vastgesteld moet dan worden dat het saldo onderdeel is van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap van partijen en dat de man ten aanzien van dat saldo handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt het geld opzettelijk, dan wel houdt het opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in dit saldo, hetgeen tot gevolg moert hebben dat het saldo geheel toekomt taan de vrouw. Nu de man geen inzicht heeft gegeven in het verloop van het saldo na september 2018, kan de rechtbank niet anders dan uitgaan van het laatst bekende saldo. De man zal dus een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen.\n\nde auto Jeep4.18.1. De vrouw heeft gesteld dat tot de gemeenschap behoort een auto, Jeep, die door de man (in Marokko) wordt gebruikt. De man heeft ontkent over een auto te beschikken. De vrouw heeft een foto van een Jeep – naar zij onbetwist heeft gesteld: gemaakt in 2025 – overgelegd, en voorts bij haar laatste akte een proces-verbaal van uitvoering (met vertaling in het Nederlands), waaruit blijkt dat door een daartoe bevoegde instantie op 8 april 2026 onderzoek is gedaan bij het voertuigenregistratie-kantoor te [plaats 2] en dat in dat onderzoek is vastgesteld dat daar een auto, Jeep, met [kenteken] op naam van de man is geregistreerd. In onderlinge samenhang beschouwd, leveren deze stukken voldoende bewijs op van de stelling van de vrouw dat de man op de peildatum over deze auto beschikte, en dat de auto dus tot de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap behoort. 4.18.2. De man heeft nog twee stukken overgelegd, waaruit naar hij stelt blijkt dat de Jeep met genoemd kenteken bij een ander – en dus niet bij hem – in eigendom is. Deze stukken zijn echter in het Marokkaans gesteld en niet voorzien van een vertaling in het Nederlands; de rechtbank kan daardoor de juistheid van de stelling van de man niet uit die stukken afleiden. Wel ziet de rechtbank dat de stukken betrekking (lijken te) hebben op feiten van op en na 8 april 2026 (de datum waarop het door de vrouw overgelegde onderzoek is gedaan). De stukken zijn dan onvoldoende om het hiervoor vastgestelde – dat de auto op de peildatum in bezit van de man was en tot de huwelijksgoederengemeenschap behoord – te weerleggen. 4.18.3. De rechtbank gaat er dus vanuit, dat de auto onderdeel is van de huwelijksgoederen-gemeenschap van partijen. Dan moet worden vastgesteld dat de man ten aanzien van deze auto handelt zoals is omschreven in artikel 3:194, lid 2 BW: hij verzwijgt de auto opzettelijk, dan wel houdt deze opzettelijk verborgen. Hij verbeurt daarmee zijn aandeel in de auto, hetgeen feitelijk betekent dat die auto geheel zal toekomen aan de vrouw. De rechtbank zal aldus beslissen. Onder die omstandigheden is het niet meer nodig om een waarde van de auto vast te stellen.\n\n4.19.. Nu het primaire verzoek van de vrouw deels wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire verzoeken. De verzoeken onder B, 1 en 2 hebben betrekking op de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats 2] . Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen deze woning bindend te laten taxeren door een – door hen beide geaccordeerde – taxateur. Bij haar latere akte heeft de vrouw het van die taxatie opgemaakte rapport overgelegd; de man heeft zich met dit rapport akkoord verklaard. De waarde van de woning is door de taxateur vastgesteld op € 450.000,--; De vrouw heeft verzocht de woning aan haar toe te delen. Daarbij zal zij de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Zij heeft gesteld tot de overname van de woning in staat te zijn; de man heeft dat betwist. Na de taxatie zijn partijen op deze discussie niet meer teruggekomen. De rechtbank zal daarom aannemen dat de woning – nu de waarde bekend is – voor die waarde (€ 450.000,--) aan de vrouw kan worden toegedeeld; zij zal daartoe beslissen en bepalen dat de vrouw de hypothecaire schuld (die onbetwist € 31.346,-- bedraagt) als haar eigen schuld op zich zal nemen en zal voldoen, onder de verplichting de man het doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van (€ 450.000,-- – € 31.346,--) : 2= € 209.327,--. De vrouw heeft verder – onder B, 7 verzocht de inboedel van de echtelijke woning zonder verrekening aan haar toe te delen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling daarmee ingestemd. De rechtbank zal aldus beslissen.\n\n4.20.. De rechtbank zal het onbetwiste verzoek van de vrouw onder B, 5 om het saldo van de bankrekening op haar naam bij ING-bank met nr. [iban] aan haar toe te delen, toewijzen; de vrouw zal wegens overbedeling de helft van het saldo, dus (€ 784,15 : 2 =) € 397,08, aan de man dienen uit te keren. Het saldo op de bankrekening op naam van de man bij Banque Populaire in Marokko met [nummer 2] wordt – nu daartegen geen verweer is gevoerd – toegedeeld aan de man. Wegens overbedeling zal hij de helft van het saldo op de peildatum (15 april 2025) aan de vrouw dienen te vergoeden. Op grond van de door de man overgelegde bankafschriften kan het saldo op genoemde datum worden vastgesteld op 35.460,38 MAD, zijnde € 3.190,--. De man dient dus een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw uit te keren.\n\n4.21.. Aan de subsidiaire verzoeken betreffende de grond en het appartementencomplex (inclusief de inboedel) in Marokko, de bankrekeningen aldaar en de auto komt de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.16, 4.17 en 4.18 is overwogen en beslist, niet toe.\n\n4.22.. Resumerend zal de rechtbank de wijze van verdelen van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vaststellen: ● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\n4.23.. De rechtbank zal overeenkomstig rechtsoverweging 4.19 beslissen, en afwijzen wat meer of anders is verzocht.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F434457 \u002F FA RK 25-2019\n\nspreekt de echtscheiding uit in het op [datum] 1996 tussen partijen in het Marokkaans consulaat te [plaats 1] gesloten huwelijk;\n\nin de zaak met nummer C\u002F02\u002F440942 \u002F FA RK 25-5329\n\nstelt – uitvoerbaar bij voorraad – de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaan hebbende huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:\n\n● de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] (inclusief de inboedel) wordt toegedeeld aan de vrouw; zij zal de op die woning rustende hypothecaire schuld als eigen schuld op zich nemen en voldoen, en de man doen ontslaan uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld. Wegens overbedeling zal de vrouw aan de man dienen uit te keren een bedrag van € 209.327,--; ● het saldo van de bankrekening bij ING-bank met nr. [iban] wordt toegedeeld aan de vrouw; wegens overbedeling zal de vrouw € 397,08, aan de man dienen uit te keren ● het saldo op de bankrekening met [nummer 2] bij Banque Populaire in Marokko wordt toegedeeld aan de man; wegens overbedeling zal de man een bedrag van € 1.595,-- aan de vrouw dienen uit te keren; ● het saldo van de spaarrekening met nr. [nummer 1] bij de Banque Populaire in Marokko komt geheel toe aan de vrouw; de man zal een bedrag van € 803.734,-- aan de vrouw dienen te betalen; ● de auto Jeep, met [kenteken] , komt geheel toe aan de vrouw; de man zal de auto aan de vrouw dienen af te geven.\n\nwijst af hetgeen meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Van Dijk, en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.\n\nMededeling van de griffier:\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\n- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\n- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5175","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.942Z",20]