[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-parental-responsibility-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":48,"limit":49},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},64,"parental-responsibility-nl","Parental Responsibility","NL","2026-07-08T16:54:19.202Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-04-22T00:00:00.000Z","2026-05-18T00:00:00.000Z",[],[22,33,40],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1825","ECLI:NL:RBZWB:2026:5330","ecli-nl-rbzwb-2026-5330","","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F448110 \u002F JE RK 26-826\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nNadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nWILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Amsterdam,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen: [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen: de moeder,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat mr. E.A.G. van Acker uit Sint Jansteen,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen: de vader,\n\nwonende te [woonplaats 2] .\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- de beschikking van 12 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;\n\n- een vertegenwoordigster van de GI.\n\n1.3.. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.1.4.. De kinderrechter heeft bijzondere toestemming verleend aan de heer [de opa (mz)] , de opa moederszijde (hierna: mz), om bij de zitting aanwezig te zijn.2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. Bij beschikking van 10 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 januari 2025 en tot 10 januari 2026. Deze maatregel is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 10 januari 2027.\n\n2.3.. Bij beschikking van 25 november 2025 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend met ingang van 25 november 2025 en tot 23 december 2025.\n\n2.4.. Bij beschikking van 4 december 2025 is de beschikking van 25 november 2025 herroepen, waarbij een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is verleend met ingang van 25 november 2025 en het resterende deel van het verzoek strekkende tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin is afgewezen.\n\n2.5.. Bij beschikking van 12 mei 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.\n\n2.6.. Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een pleeggezin.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt onverwijld en zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden, met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.3.2.. De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. [minderjarige] verblijft met haar halfzusje mz in een pleeggezin en er is op dit moment geen andere manier om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen dan continuering van de plaatsing in het pleeggezin. Er is in de afgelopen maanden geprobeerd de opvoedsituatie van [minderjarige] te verbeteren, waaronder een verblijf in een moederkindhuis. Het leek daarna beter te gaan in de thuissituatie en de moeder pakte alles goed op, totdat zij de vader tegen de veiligheidsafspraken in op 3 mei 2026 heeft binnengelaten in haar woning en zwaar is mishandeld. Hierdoor is [minderjarige] opnieuw getuige geweest van huiselijk geweld. Daarbij is het ook zorgelijk dat de moeder van 7 uur ’s ochtends tot half 4 ’s middags buiten bewustzijn is geweest en onduidelijk is wat er die dag met [minderjarige] is gebeurd, maar zij naakt is aangetroffen door de politie. De GI maakt zich forse zorgen over de onvoorspelbaarheid en de dreiging vanuit de vader. De GI begrijpt dat de moeder graag wil dat [minderjarige] bij haar verblijft, maar is van mening dat de veiligheid van [minderjarige] dan onvoldoende wordt gewaarborgd. De moeder is op 3 mei 2026 namelijk naar de opa mz gegaan, maar heeft op 8 mei 2026 aangegeven dat zij graag terug wilde naar haar woning. Zij was van mening dat een videodeurbel haar veiligheid zou kunnen waarborgen. De GI ervaarde op dat moment druk vanuit de moeder dat zij terug naar huis wilde en zag hierin een wisselende houding bij de moeder. Het lukt de moeder niet om de keuzes te maken die zorgen voor een veilige leefomgeving voor [minderjarige] . Het is belangrijk dat de moeder gaat zorgen voor een veilige opvoedsituatie voor [minderjarige] en alle hulp gaat aanpakken om met de vader te breken.4.2.. Door en namens de moeder is verzocht de spoedbeslissing van 12 mei 2026 te herroepen en het resterende deel van het verzoek af te wijzen. De moeder kan namelijk samen met [minderjarige] bij de opa mz verblijven. Dat is een veilige plek voor de moeder en [minderjarige] . Vanuit daar heeft de moeder ondersteuning van de opa mz en wil zij een andere woning zoeken. Daarbij verklaart de moeder dat zij voorafgaand aan de uithuisplaatsing niet heeft gezegd dat zij per direct terug naar huis wilde, maar heeft aangegeven dat zij terug naar huis zou gaan als dat veilig genoeg zou zijn. Zij kan immers niet tot [minderjarige] 18 jaar is bij de opa mz blijven wonen. Daar komt bij dat een terugkeer naar de thuissituatie ook voor de stabiliteit van [minderjarige] ten aanzien van de opvang en de zorgregeling met het halfzusje mz van belang is. Daarnaast heeft de moeder EMDR-therapie in Zeeland en vindt zij het belangrijk dat ze hier naartoe kan blijven gaan, zeker gelet op hetgeen er is gebeurd. Dit maakt dat de moeder enerzijds in Zeeland moet zijn, maar tegelijkertijd wordt de situatie in Zeeland onvoldoende veilig geacht. Hierdoor zit de moeder klem en zij heeft het gevoel dat zij steeds verder verstrikt raakt in deze situatie. Desgevraagd verklaart de moeder dat zij erg bang is geweest voor de vader. Zij kan niet inschatten waar hij toe in staat is. Hij heeft haar op 3 mei 2026 mishandeld en heeft aangegeven dat hij zichzelf aan het voorbereiden is om haar te vermoorden.5. De nadere beoordeling\n\n5.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 13 mei 2026, is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 mei 2026 tot 26 mei 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 18 mei 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en\u002Fof omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 12 mei 2026 moet worden herroepen. De dreiging vanuit de vader was ten tijde van de spoedbeschikking namelijk dermate groot dat er geen andere manier was om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.5.2.. De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] op dit moment nog niet kan terugkeren naar de thuissituatie. Gebleken is dat [minderjarige] al veel heeft meegemaakt en meermaals oor- en ooggetuige is geweest van huiselijk geweld. Op 3 mei 2026 is de moeder in haar woning mishandeld door de vader en [minderjarige] is hier getuige van geweest. Door de mishandeling is de moeder langere tijd buiten bewustzijn geweest. Op dat moment was de veiligheid van [minderjarige] niet gewaarborgd en het is onbekend wat er in de tussentijd met haar is gebeurd. Ook is gebleken dat de vader de moeder heeft gewurgd en heeft aangegeven dat hij de moord op de moeder aan het voorbereiden is. De moeder is op 3 mei 2026 met [minderjarige] naar de opa mz gegaan, maar heeft enkele dagen later aangegeven dat zij wilde terugkeren naar haar woning. Gelet op de onvoorspelbaarheid en de dreiging vanuit de vader is de kinderrechter van oordeel dat het voor [minderjarige] onvoldoende veilig om terug te keren naar de thuissituatie. Als de moeder met [minderjarige] terugkeert naar de thuissituatie, is immers sprake van een acuut gevaar voor [minderjarige] dat zij (opnieuw) getuige of slachtoffer wordt van ernstig geweld. Ook als de moeder met [minderjarige] bij de opa mz zou verblijven, is de kinderrechter van oordeel dat de veiligheid van [minderjarige] onvoldoende is gewaarborgd. Het lukt de moeder namelijk niet altijd om keuzes te maken die zorgen voor een veilige situatie voor [minderjarige] en zij is niet betrouwbaar als het gaat om de vader, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit de omstandigheid dat zij hem tegen de veiligheidsafspraken in heeft toegelaten tot haar woning en hem vervolgens tegenover de politie in bescherming nam door te zeggen dat hij niet in haar woning was. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlenen voor de duur van drie maanden, te weten tot 26 augustus 2026.5.3.. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek aanhouden tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 26 augustus 2026, zodat op dat moment opnieuw kan worden bezien wat de situatie is en welke stappen er zijn gezet om de veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie te waarborgen. De kinderrechter verwacht dat de GIuiterlijk één week voorafgaand aan de nadere zittingschriftelijk zal informeren over het verloop van de uithuisplaatsing van [minderjarige] en de situatie van zowel de moeder als de vader.5.4.. De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie blijft voeren en de belangen van [minderjarige] blijft bewaken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat in de komende periode wordt gewerkt aan een veilige woonplek voor de moeder en [minderjarige] . Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met de moeder in gesprek gaat over de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de moeder, waarbij de veiligheid van [minderjarige] gewaarborgd dient te zijn.5.5.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 26 mei 2026 en tot 26 augustus 2026;6.2.. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen voor 26 augustus 2026, tegen welke zitting de GI, de (advocaat van de) moeder en de vader dienen te worden opgeroepen;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. De Beer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 1 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5330","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:40.633Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"1839","ECLI:NL:RBZWB:2026:5334","ecli-nl-rbzwb-2026-5334","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Middelburg\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F444379 \u002F JE RK 26-139\n\nDatum uitspraak: 18 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nRAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg,\n\nhierna te noemen de Raad,\n\nover\n\n [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 1] 2009, hierna te\n\nnoemen [minderjarige 1] ,\n\n [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 2] 2012, hierna te\n\nnoemen [minderjarige 2] .\n\nDe kinderrechter merkt ten aanzien van [persoon] als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats] ,\n\nadvocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg.\n\nDe gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,hierna te noemen de GI, gevestigd te Eindhoven.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nde beschikking van 28 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;\n\nhet bericht van de Raad met bijlagen van 16 februari 2026;\n\nde brief van de GI van 10 april 2026, met bijlagen;\n\nde brief van de GI van 15 mei 2026 met bijlagen.\n\n1.2.. \n\nOp 18 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet.\n\nDaarbij waren aanwezig:\n\nde vader met zijn advocaat;\n\nde moeder;\n\neen vertegenwoordiger van de Raad;\n\neen vertegenwoordiger van de GI;\n\n1.3.. De ouders zijn tijdens de zitting bijgestaan door een tolk Tigrinya, te weten de heer [tolk] .\n\n2. De feiten\n\nDe ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.1.. \n\nDe kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026\n\n [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\nTevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van\n\neen jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.\n\n2.2.. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Tevens is de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek werd aangehouden tot de zitting van heden.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nDe Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van\n\neen jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een\n\naccommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.\n\nThans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode van de ondertoezichtstelling van beide minderjarigen met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027, alsmede de resterende periode van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat het goed met haar gaat. Ze woont bij haar moeder. [minderjarige 1] heeft haar therapie afgerond. Er wordt gezegd dat het thuis onderling niet goed gaat, maar niet alles daarvan is juist. Over haar broertjes klopt het wel dat het niet zo goed gaat. [persoon] woont tijdelijk bij hen. [minderjarige 2] woont zowel thuis als op de groep. [persoon] vindt het wel fijn als iedereen bij elkaar is. Er is niet per se sprake van ruzie thuis. [minderjarige 1] maakt zich juist meer zorgen als haar broertjes niet thuis wonen. [minderjarige 1] heeft haar vader al een tijd niet meer gezien. Zodra het weer goed gaat met de vader, verwacht [minderjarige 1] dat zij weer aan hun relatie kunnen werken. [minderjarige 2] heeft het verkeerde voorbeeld gehad. De vader zou meer contact met hem moeten zoeken en de moeder zou haar en haar broertjes niet altijd meer moeten zien als vrienden. [minderjarige 2] luistert nu goed thuis en houdt zich aan de regels. Voorheen was er voornamelijk ruzie omdat hij over grenzen heenging. [minderjarige 1] kan met haar moeder praten.\n\n4.2.. \n [minderjarige 2] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat het thuis gewoon normaal gaat. [minderjarige 2] zou het liefst bij zijn moeder blijven wonen. Hij wil niet met iemand praten. Wat hij heeft meegemaakt doet hem niets en weerhoudt hem er ook niet van om verder te leven. Hij belt elke dag met de vader. Hij begrijpt niet waarom mensen zeggen dat het niet goed gaat bij de moeder thuis. [minderjarige 2] is geopereerd geweest aan zijn arm, nadat hij met een gestolen bestelbus een auto-ongeluk heeft gehad. [minderjarige 2] reed overigens zelf niet. [minderjarige 2] vindt de hele situatie overdreven. Het gaat goed thuis. Voordat hij bij [woongroep] werd geplaatst had hij wel vier vechtpartijen gehad, maar dat was uit zelfverdediging. [woongroep] heeft hem zelf laten gaan.\n\n4.3.. De Raad handhaaft het verzoek. [woongroep] was niet de meest passende plek voor [minderjarige 2] . In het rapport heeft de Raad ook geadviseerd om eerst diagnostiek in te zetten, zodat duidelijk zou worden wat het meest passend is voor [minderjarige 2] . De Raad denkt niet dat de thuissituatie van de vader het meest passend is. Er zijn zorgen over het gedrag. Er is veel aan de hand, maar de Raad krijgt onvoldoende helder wát er precies speelt. Daarom vindt de Raad diagnostiek noodzakelijk. De Raad heeft gelezen dat gezinsopname wordt overwogen.\n\n4.4.. De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat is geprobeerd om een buddy in te zetten voor [minderjarige 2] , maar daar is hij mee gestopt. De GI vindt het noodzakelijk dat [minderjarige 2] hulp krijgt, maar hij wil nergens aan meewerken. Ook aan diagnostiek zal hij niet gaan meewerken, evenals aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] . Het is een uitdaging om een passende plek te vinden. Van belang is dat er voor [minderjarige 2] een plek komt waar hem veel kaders en duidelijkheid wordt geboden. Er is sprake van een goede band en liefde tussen de moeder en [minderjarige 2] . Daarom heeft de GI een gezinsopname overwogen. Dat wordt echter bemoeilijkt doordat [minderjarige 2] weigert mee te werken. De GI heeft ook een gesloten plaatsing overwogen. Het gedrag van [minderjarige 2] is daarvoor echter niet helemaal passend en er worden ook geen aanmeldingen meer gedaan omdat er geen bedden beschikbaar zijn. De moeder ontvangt wekelijks bezoek vanuit de hulpverlening en zij krijgt daarnaast ondersteuning vanuit [hulpverlening 2] . De moeder verblijft momenteel bij de veilige opvang van [hulpverlening 2] . [hulpverlening 1] komt twee maal per week langs. [hulpverlening 2] kan het standpunt van de GI volgen dat voor [minderjarige 2] een passende setting nodig is. Er zijn ook veiligheidsafspraken gemaakt. Ten aanzien van de vader vraagt de GI zich af of er passende hulpverlening ingezet kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van MST, maar zij denkt eigenlijk dat dit niet passend is voor de huidige situatie. Nu de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar is geworden, vindt de GI het wel noodzakelijk dat [minderjarige 2] uit huis wordt geplaatst. De GI heeft hiervoor al aanmeldingen gedaan, maar er is geen plek voor hem. Ook de gesloten instelling heeft geen plek. Als [minderjarige 2] niet thuis verblijft heeft de GI geen concrete zorgen over [minderjarige 1] .. Zij wil dit gedurende de ondertoezichtstelling wel goed blijven monitoren. Gelet op de onhoudbare situatie vindt de GI een uithuisplaatsing toch noodzakelijk voor [minderjarige 2] . Als de machtiging is toegewezen kan hij worden aangemeld, hoewel er al eerder – tevergeefs – aanmeldingen zijn gedaan. Er is nu geen plek en ook geen zicht op een plek. Een gezinsopname lijkt ook niet te kunnen, maar de GI wil de huidige situatie ook niet laten voortduren.\n\n4.5.. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zorgen heeft gehad over [minderjarige 2] . Hij is betrokken geweest bij een auto-ongeluk en drugsdeals. Toen [minderjarige 2] nog bij hem woonde gedroeg hij zich anders. Eigenlijk was het toen een prima kind. Op dit moment gaat het wel goed met [minderjarige 2] .\n\n4.6.. Namens de vader is tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij geen verweer voert tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op basis van de huidige zorgen zou een machtiging verleend kunnen worden. Echter is er geen duidelijkheid over een geschikte plek voor [minderjarige 2] en er ligt geen concreet behandelingsplan. Hij verblijft nu bij de moeder. Op het moment dat duidelijk wordt waar [minderjarige 2] geplaatst kan worden, dan kan alsnog een spoedverzoek worden ingediend. Het verzoek ziet nog op een periode van drie maanden. Niet wordt verwacht dat een plaatsing binnen deze periode gerealiseerd kan worden, temeer omdat er nog geen nieuwe aanmeldingen zijn gedaan en er sprake is van wachtlijsten. Het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] zou derhalve afgewezen moeten worden.\n\n4.7.. De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat de mening van de GI niet klopt. Het gezin leeft vredig. Alles is verbeterd met de minderjarigen. De moeder zegt niet dat zij perfect is, maar ze heeft veel geleerd en is veranderd. Ze geeft [minderjarige 2] advies en probeert hem elke zaterdag en zondag mee te nemen naar de kerk. Na het auto ongeluk is hij ook veranderd. Hij ging toen wel het verkeerde pad op. Ze zijn nu elke avond samen. Sinds november is de situatie ten positieve veranderd. [minderjarige 2] erkent zelf ook dat het voorheen niet goed ging.\n\n4.8.. Namens de moeder wordt ten aan zien van het verzoek tot ondertoezichtstelling gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder heeft wel bezwaar tegen de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Het verzoek is weinig concreet. Waar kan hij geplaatst worden? Wat houdt de plaatsing in? Waarom moet hij (daar) geplaatst worden? Welke diagnose heeft [minderjarige 2] ? Wat wordt aangepakt? Wat zijn de doelen? Het verzoek is summier en weinig onderbouwd. Het is aan de GI om het verzoek, indien zij een uithuisplaatsing toch nodig vindt, nader te onderbouwen. Het is niet de bedoeling dat de GI een blanco machtiging wordt gegeven. Binnen de ondertoezichtstelling komt steeds meer zicht op de situatie. Op basis van hetgeen er nu ligt, is de moeder van mening dat het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen moet worden. Daar komt bij dat er nu meer rust is in de situatie.\n\n5. De beoordeling\n\nBevoegdheid en toegepast recht;\n\n5.1.. De kinderrechter constateert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de beide ouders de Eritrese nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.\n\n5.2.. \n\nOp grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn\n\nter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het\n\ngrondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de\n\nzaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.\n\n5.3.. \n\nNu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond\n\nvan het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands\n\nrecht op het verzoek worden toegepast.\n\nInhoudelijke beoordeling;\n\n5.4.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.Belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Gelet daarop, alsmede gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling toewijzen.\n\n5.5.. Ten aanzien van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter merkt allereerst op dat zij zich voor een dilemma voelt staan. De afgelopen periode heeft het gedrag van [minderjarige 2] ervoor gezorgd dat er geen mogelijkheid meer is voor deeltijdplaatsing bij [woongroep] en om die reden woont hij nu weer thuis bij de moeder. De GI, maar ook [hulpverlener] (de betrokken hulpverlener) benadrukken dat het verblijf van [minderjarige 2] bij de moeder geen wenselijke situatie is, gelet op de zorgen die [hulpverlener] , de school en [hulpverlening 2] aangeven. De hulpverlening ervaart dat er dreiging uitgaat vanuit [minderjarige 2] . Uit de gesprekken met [hulpverlener] komt verder naar voren dat [minderjarige 2] erop uit is om te intimideren en afwijzing opzoekt om te voorkomen dat hij iets anders aan moet gaan. [school] , de betrokken school van [minderjarige 2] , geeft aan dat [minderjarige 2] op dit moment geen passend onderwijs geniet. [minderjarige 2] is eerder getest op lager cognitief niveau, maar wil zich nu niet meer laten testen. Hij komt op dit moment niet aan leren toe, omdat het hem ontbreekt aan een intrinsieke motivatie om een vak te leren. [school] weet zich inmiddels geen raad meer met [minderjarige 2] . [hulpverlener] schat het risico op verder criminaliseren van [minderjarige 2] en het ontwikkelen van verdere gedragsproblemen in als groot. Hulpverlening heeft aanleiding om te denken dat bij [minderjarige 2] sprake is van psychische problematiek en er zijn vragen over zijn gewetensontwikkeling. De moeder heeft geen grip op hem. Ook [minderjarige 1] zou lijden onder de situatie, maar durft zich hier volgens de hulpverlening niet goed over uit te laten. Zowel de moeder, als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeggen dat het wel goed gaat. De vader maakt zich zorgen, maar vond dat het wel goed met [minderjarige 2] ging toe hij nog bij hem woonde. De kinderrechter stelt aldus vast dat er grote zorgen zijn over [minderjarige 2] , maar ook nog veel onduidelijkheden. Dat [minderjarige 2] weigert zijn medewerking te verlenen aan onderzoek of testen bemoeilijkt het verkrijgen van een beeld over [minderjarige 2] . Het is opmerkelijk dat beide ouders aangeven dat het goed gaat met [minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder of de vader, terwijl de rondom [minderjarige 2] betrokken hulpverlening een heel ander beeld heeft. Complicerend is dat er op dit moment geen plek is voor [minderjarige 2] en ook nog onduidelijk is welke plek dan het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Hoewel de situatie van [minderjarige 2] dus zeer zorgelijk is, ligt er voor hem op dit moment geen concreet plan. Daarbij komt dat het resterende deel van het verzoek ziet op een periode van drie maanden. Volstrekt onduidelijk is gebleven of [minderjarige 2] binnen die termijn kan worden geplaatst en of deze plek dan ook geschikt is voor [minderjarige 2] . Wel staat voor de kinderrechter vast dat er snel meer nodig is. Echter nu er geen passende plek beschikbaar is en de verwachting bestaat dat deze ook niet op korte termijn kan worden gerealiseerd, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing afwijzen. Dit betekent niet dat de kinderrechter een uithuisplaatsing niet nodig vindt, maar zij voelt zich in verband met het ontbreken van een passend plan voor de plaatsing van [minderjarige 2] genoodzaakt om het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] af te wijzen. De kinderrechter vindt het in dit kader wel noodzakelijk dat zicht blijft op de thuissituatie van [minderjarige 2] , de moeder en [minderjarige 1] en dat de komende periode wordt gebruikt om zicht te verkrijgen en onderzoek te doen naar de vraag welke plek het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Dit kan binnen de ondertoezichtstelling gebeuren. De kinderrechter wijst de GI erop dat zij de mogelijkheid heeft om een nieuwe (spoed)verzoek in te dienen op het moment dat zij daarvoor aanleiding ziet. De kinderrechter verwacht dan ook van de GI dat zij de situatie rondom [minderjarige 2] nauwlettend volgt en zo nodig ook ingrijpt.\n\n5.6.. Dit betekent dat het verzoek tot uithuisplaatsing zal worden afgewezen.\n\n5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing tot ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n5.8.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\nOndertoezichtstelling;\n\n6.1.. \n\nverlengt de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van\n\n19 mei 2026 en tot 28 januari 2027;\n\n6.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\nUithuisplaatsing van [minderjarige 2] ;\n\n6.3.. wijst het verzoek af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:255 BW.\n\n Artikel 2 Besluit gezagsregisters.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5334","2026-07-13T00:29:41.322Z",{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":31,"updatedAt":47},"1924","ECLI:NL:RBZWB:2026:4488","ecli-nl-rbzwb-2026-4488","vonnisRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nMiddelburg\n\nZaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F02\u002F445479 \u002F KG ZA 26-96\n\nVonnis in kort geding van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiseres in conventie,\n\nverweerster in reconventie,\n\nadvocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde in conventie,\n\neiser in reconventie,\n\nadvocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen.\n\nPartijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;\n\n- de op 13 april 2026 ontvangen aanvullende stukken van mr. Planthof.\n\n1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling op 15 april 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en\u002Fof de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.\n\n1.3. Tijdens die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.\n\n1.4.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn de navolgende nog minderjarige kinderen geboren:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2020;\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2022.\n\n2.2.. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .\n\n2.3.. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg d.d. 30 januari 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de man hebben en is, in afwachting van de inzet van ouderschapsbemiddeling, een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald. De beschikking van 30 januari 2025 is op 4 april 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Terneuzen.\n\n2.4.. \n\nBij beschikking van 27 november 2025 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is de\n\nbeschikking van 30 januari 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bekrachtigd.\n\n2.5.. \n\nIn de door partijen opgestelde afsprakenlijst, welke door partijen op 5 juni 2025 is ondertekend, hebben partijen – voor zover voor deze procedure van belang – afgesproken:\n\n‘‘ [minderjarige 1] is ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op zaterdagochtend. [de vrouw] regelt dit ook voor [minderjarige 2] zodra zij 3 jaar is’’.\n\n3. Het geschil in conventie en reconventie\n\n3.1.. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. primair, de man te gebieden en te bevelen, binnen 24 uur na het in dezen te wijzen\n\nvonnis, de tussen partijen overeengekomen afspraak ten aanzien van de zwemles van\n\n [minderjarige 1] zoals beschreven in de afsprakenlijst na te komen, zulks op verbeurte van een\n\ndwangsom van € 250,00 voor elke dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke\n\nblijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00;\n\nsubsidiair, de afspraak ten aanzien van de zwemles van [minderjarige 1] zoals beschreven in de\n\nafsprakenlijst te wijzigen in die zin dat [minderjarige 1] de zwemles bij de zwemschool in [plaats 1]\n\nvolgt op de wijze zoals ingedeeld door de zwemschool en de man te veroordelen de\n\ngewijzigde afspraak na te komen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,00\n\nvoor elke dag of gedeelte daarvan waarop de man in gebreke blijft aan deze\n\nveroordeling te voldoen met een maximum van € 25.000,00;\n\nII. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.\n\n3.2.. Door en namens de vrouw is daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Partijen hebben in de afsprakenlijst bewust de afspraak opgenomen dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op de zaterdagochtend. Ook toen partijen nog samen waren, was het al zo dat de kinderen naar de zwemschool in [plaats 1] zouden gaan. Dit vanwege de kwaliteit van de zwemschool en de historie die de vrouw met deze zwemschool in [plaats 1] heeft. De vrouw wil graag bij alle zwemlessen van [minderjarige 1] aanwezig zijn, nu dit zeer belangrijk voor haar is en zij zelf ook 25 jaar op een waterclub heeft gezeten. Nu blijkt dat de zwemlessen voor [minderjarige 1] voor twintig keer op de donderdagavond (groep 1) zijn, daarna volgens afspraak op de zaterdag (groep 2 en 3) en vervolgens op de vrijdag (groep 4). De vrouw is bereid om mee te denken in oplossingen. Zij stelt voor dat zij [minderjarige 1] ophaalt en terugbrengt, dat [minderjarige 1] op de donderdag bij de vrouw slaapt of dat het contactmoment van beide kinderen met de vrouw eens in de twee weken op de woensdag tijdelijk wordt gewisseld met de donderdag. Vanaf september 2026 kan [minderjarige 1] starten met de zwemlessen in [plaats 1] en de laatste zwemles zal op donderdagavond 7 januari 2027 zijn, waarna de Westerscheldetunnel vanaf 11 januari 2027 wordt afgesloten. Gezien de reisafstand voor de vrouw en de onduidelijkheid over op welke dagen en tijden de zwemlessen bij de door de man voorgestelde zwemschool in [plaats 2] zullen zijn, is dat geen optie. Verder is de communicatie tussen partijen verslechterd, nadat de ouderschapsbemiddeling is gestopt. De vrouw heeft het gevoel dat zij door de man buitenspel wordt gezet, nu de man zonder overleg beslissingen over de kinderen neemt. De vrouw geeft desgevraagd aan dat zij ervoor open staat om de ouderschapsbemiddeling te herstarten.\n\n3.3.. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen.\n\nDe man vordert in reconventie bij vonnis in kort geding, de man vervangende toestemming te verlenen voor de inschrijving van [minderjarige 1] bij de zwemschool te [plaats 2] .\n\n3.4.. Door en namens de man is daartoe, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De man is het niet meer eens met de door partijen gemaakte afspraak over de zwemlessen in [plaats 1] , zoals opgenomen in de afsprakenlijst. Destijds waren de zwemtijden voor de man niet bekend en ook was het nog niet bekend dat de vrouw hoger beroep zou instellen. Mede daardoor is het vertrouwen van de man beschadigd geraakt. De man stelt dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en zijn rust is om zwemlessen in [plaats 1] te volgen, niet tijdelijk op donderdagavond en ook niet op zaterdagochtend. De man kan zich niet vinden in de door de vrouw voorgestelde, tijdelijke oplossingen voor de twintig keer dat de zwemles op donderdagavond zal zijn, nu dit niet volgens de zorgregeling is, het tot extra reisbewegingen leidt en het te vermoeiend voor [minderjarige 1] zal zijn. Als [minderjarige 1] zwemles in [plaats 1] volgt, is hij op donderdagavond laat thuis terwijl hij vrijdagochtend vroeg naar school moet. Daar komt nog bij dat er vaak files zijn en dat de Westerscheldetunnel vanaf januari 2027 een tijd lang wordt afgesloten. Het is in het belang van [minderjarige 1] om in de buurt van zijn gewone verblijfplaats zwemlessen te volgen. In oktober 2026 kan [minderjarige 1] starten bij de zwemschool in [plaats 2] . Op welke dagen en tijden dit zal zijn, is voor de man nog niet bekend.\n\n3.5.. Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.\n\n4. De beoordeling in conventie en in reconventie\n\n4.1.. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. Belangrijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] is dat hij op korte termijn bij een zwemschool wordt ingeschreven en zwemlessen kan volgen.\n\n4.2.. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\n4.3.. Tijdens de mondelinge behandeling van 15 april 2026 heeft de Raad, kort samengevat, aangegeven dat partijen in de afsprakenlijst de afspraak hebben gemaakt dat de kinderen bij de zwemschool in [plaats 1] zwemlessen zullen volgen en daar is de man volgens de Raad te makkelijk aan voorbij gegaan. De Raad erkent dat het gebruikelijk is dat kinderen zwemlessen in de buurt van hun gewone verblijfplaats volgen, maar partijen hebben dit bewust afgesproken en daarnaast gaat het om een tijdelijke situatie van twintig keer op de donderdagavond. Die situatie is volgens de Raad niet onoverkomelijk. Dat partijen niet bij elkaar in de buurt wonen, is op dit moment de situatie en daartoe moeten de kinderen zich ook leren verhouden. De Raad adviseert de tussen partijen gemaakte afspraak te volgen en daarmee dat [minderjarige 1] naar de zwemschool in [plaats 1] gaat. Aan partijen adviseert de Raad om hulpverlening gericht op de oudercommunicatie te gaan volgen.\n\n4.4.. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen in de op 5 juni 2025 ondertekende afsprakenlijst, als resultaat van het ouderschapsbemiddelingstraject bij [jeugdzorg] , overeen zijn gekomen dat [minderjarige 1] wordt ingeschreven voor zwemlessen in [plaats 1] op de zaterdagochtend. Gebleken is nu dat de zwemlessen bij de zwemschool in [plaats 1] zo zijn ingedeeld dat [minderjarige 1] in 4 groepen zijn ABC-diploma zal behalen. Groep 1 bestaat uit twintig zwemlessen op de donderdagavond in plaats van de zaterdagochtend, zoals partijen overeen waren gekomen. De zwemlessen in groep 2 en 3 zullen wel op de zaterdag zijn en de zwemlessen in groep 4 op de vrijdag. De man stelt nu dat het niet in het belang van [minderjarige 1] en zijn rust is om zwemlessen in [plaats 1] te volgen, niet tijdelijk op donderdagavond en ook niet op zaterdagochtend en verzoekt om die reden vervangende toestemming aan de rechtbank om [minderjarige 1] bij de zwemschool in Zelzate in te schrijven.\n\n4.5.. De voorzieningenrechter betreurt allereerst dat de situatie en de communicatie tussen partijen is verslechterd en dat het vertrouwen in elkaar is beschadigd. Zij acht dit niet in het belang van de kinderen. Tegelijkertijd stelt zij ook vast dat dat niet wegneemt dat partijen destijds samen en bewust de afspraak hebben gemaakt dat de kinderen zwemlessen bij de zwemschool in [plaats 1] zullen volgen en dat de man tijdens het maken van deze afspraak blijkbaar ook heeft ingezien waarom het volgen van zwemlessen door de kinderen in [plaats 1] belangrijk voor de vrouw én de kinderen is. Daar komt bij dat de man met de kinderen toen ook al in [woonplaats 2] woonde. Dat de man nu verzoekt om vervangende toestemming om [minderjarige 1] bij de zwemschool in [plaats 2] in te schrijven, wijkt af van de afspraak die partijen hebben gemaakt. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter verder geconstateerd dat de vrouw bereid is om mee te denken in (tijdelijke) oplossingen en dat dit, hoewel begrijpelijk waar dit vandaan komt, bij de man in mindere mate aanwezig is. Zo is door en namens de vrouw voorgesteld dat de vrouw [minderjarige 1] ophaalt en terugbrengt, dat [minderjarige 1] op de donderdagavond bij de vrouw overnacht of dat tijdelijk het contactmoment tussen de vrouw en beide kinderen van eens in de twee weken op de woensdag wordt gewisseld met de donderdag. De man stelt slechts dat al deze opties niet mogelijk zijn.\n\n4.6.. Verder is door en namens de vrouw toegelicht dat het aanwezig zijn bij de zwemlessen en het leren zwemmen van de kinderen in [plaats 1] erg belangrijk voor de vrouw is en dat zij dit graag met de kinderen wil delen, hetgeen gelet op de door partijen gemaakte afspraak naar het oordeel van de voorzieningenrechter destijds ook door de man is erkend. Door de woonsituatie van de vrouw, wat mogelijk deels haar eigen keuze is, staat zij op een bepaalde afstand tot de kinderen. Het volgen van zwemlessen door [minderjarige 1] in [plaats 1] kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter iets zijn wat [minderjarige 1] echt met zijn moeder deelt en dat is waardevol en acht zij in het belang van [minderjarige 1] . Juist nu de kinderen bij de man hun gewone verblijfplaats hebben en ook veel momenten met hun vader delen. Dat neemt niet weg dat de voorzieningenrechter begrijpt dat het belastend voor [minderjarige 1] kan zijn om tijdelijk op de donderdagavond na school naar [plaats 1] te reizen om zwemles te volgen en dat hij wellicht iets later dan normaal naar bed zal gaan. Dit betreft echter een tijdelijke situatie van twintig keer welke zodanig is beperkt in tijd dat [minderjarige 1] rond 20.00 uur thuis bij de man in [woonplaats 2] kan zijn. Met de Raad is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit niet onoverkomelijk is. Daarnaast is gebleken dat de laatste zwemles van [minderjarige 1] in groep 1 op donderdagavond 7 januari 2027 zal zijn en daarmee voor het afsluiten van de Westerscheldetunnel vanaf 11 januari 2027, zodat partijen daar op de donderdagavonden dat [minderjarige 1] zwemles in [plaats 1] volgt geen hinder van zullen ondervinden.\n\n4.7.. Gezien al het voorgaande en met name de afspraak die partijen samen en bewust over het volgen van zwemlessen in [plaats 1] hebben gemaakt en de tijdelijkheid van de zwemlessen op de donderdagavond (twintig keer) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het volgen van zwemlessen in [plaats 1] in het belang van [minderjarige 1] is. Zij geeft aan partijen mee om samen afspraken te maken voor de twintig keer dat de zwemles van [minderjarige 1] in [plaats 1] op de donderdagavond zal zijn en geeft met name aan partijen in overweging de door de vrouw aangeboden oplossing om tijdelijk het contactmoment tussen de vrouw en de kinderen van eens in de twee weken op de woensdag – en daarmee dus voor tien keer – te wisselen met de donderdag. Deze oplossing is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het meest in het belang van de kinderen en biedt de meeste rust aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder geeft zij aan partijen mee om het advies van de Raad op te volgen en opnieuw een hulpverleningstraject aan te gaan met als doel om de samenwerking en oudercommunicatie te verbeteren, zodat partijen in de toekomst op een constructieve manier samen en in overleg beslissingen voor en over de kinderen kunnen nemen. Beide partijen hebben aangegeven hiervoor open te staan.\n\n4.8.. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw in conventie toewijzen. Een deel van de primaire vordering kan niet worden toegewezen, nu de voorzieningenrechter bepaalt dat [minderjarige 1] eerst twintig zwemlessen op de donderdagavond bij de zwemschool in [plaats 1] zal volgen en niet zoals conform de door partijen in de afsprakenlijst gemaakte afspraak op de zaterdagochtend. De voorzieningenrechter zal voor die periode het subsidiaire verzoek van de vrouw toewijzen. Na die twintig zwemlessen op de donderdagavond zal [minderjarige 1] conform de door partijen in de afsprakenlijst gemaakte afspraak zwemlessen op de zaterdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgen en daarna op de vrijdag. De man wordt veroordeeld om dit na te komen. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat beide partijen deze beslissing zullen naleven. Om die reden ziet zij op dit moment onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een dwangsom.\n\n4.9.. De vordering van de man in reconventie zal worden afgewezen.\n\n4.10.. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de opvoeding en ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.\n\n4.11.. Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n4.12.. Het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie zal worden afgewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n5.1.. bepaalt dat [minderjarige 1] de eerste twintig zwemlessen op de donderdagavond bij de zwemschool in [plaats 1] volgt en na die periode conform de door partijen gemaakte afspraak in de op 5 juni 2025 ondertekende afsprakenlijst waarin overeen is gekomen dat [minderjarige 1] zwemlessen op de zaterdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgt en bepaalt dat [minderjarige 1] daarna zwemlessen op de vrijdag bij de zwemschool in [plaats 1] volgt;\n\n5.2.. veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan het bepaalde in rechtsoverweging 5.1;\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde in conventie en reconventie af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Verschoor-Bergsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Vork, griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het\n\ngerechtshof ’s-Hertogenbosch.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:4488","2026-05-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:45.773Z",1,20]