[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-middelburg-road-traffic-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":40,"limit":41},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},62,"Middelburg","nl","middelburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},65,"road-traffic-nl","Road Traffic","NL","2026-07-08T16:54:19.226Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2024-12-12T00:00:00.000Z","2026-06-29T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"660","ECLI:NL:GHSHE:2026:1739","ecli-nl-ghshe-2026-1739","","Parketnummer : 20-001407-25\n\nUitspraak : 29 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof’s-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-000821-24 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Voorts heeft de politierechter het in beslag genomen voorwerp verbeurd verklaard.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met een aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof is gebonden aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2022 te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A58, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij op 29 oktober 2022 te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Rijksweg A58, als bestuurder een motorrijtuig, te weten een personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het procesdossier van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, op ambtsbelofte opgemaakt onder zaakregistratienummer PL2000-2022287388, door verbalisant [verbalisant 1] , brigadier van de politie, gesloten d.d. 15 december 2022, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde dossierpagina’s 1-45.\n\nHet hof zal, nu de verdachte heeft bekend dat hij het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld en zijn raadsman dienaangaande geen vrijspraak heeft bepleit, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan met de volgende opgave van de bewijsmiddelen:\n\nDe verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 15 juni 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;\n\nHet proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet 1994 d.d. 29 oktober 2022, dossierpagina’s 8-9, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;\n\nHet schriftelijk bescheid, te weten een (aangetekende) brief van het CBR d.d. 4 december 2019, dossierpagina’s 43-44, gericht aan de verdachte en inhoudende het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs;\n\nHet schriftelijk bescheid, te weten een uitdraai van het RDW-register d.d. 29 oktober 2022, dossierpagina’s 26-28;\n\nHet proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 oktober 2022, dossierpagina’s 17-18, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de\n\nfeiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nGeen straf of maatregel\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd en het hof eveneens verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om in ieder geval geen gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, gelet op de positieve ontwikkelingen die de verdachte de afgelopen tijd heeft doorgemaakt.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto, terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan besluiten van een instantie die mede met het oog op de verkeersveiligheid belast is met onder meer de beoordeling van de geldigheid van rijbewijzen.\n\nHet hof heeft gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij de afgelopen jaren hard heeft gewerkt en positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt. Hij is inmiddels clean, woont in een huurwoning, heeft zijn rijbewijs gehaald en werkt als zzp’er voor meerdere opdrachtgevers.\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf, heeft het hof voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld voor strafbare feiten. Het hof ziet echter de positieve ontwikkelingen van de afgelopen tijd, zoals door de verdediging ter terechtzitting naar voren gebracht, terug in het uittreksel. Voorts merkt het hof op dat de verdachte reeds een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht weken heeft opgelegd gekregen (politierechter 27 mei 2025, rechtbank Zeeland-West-Brabant), waarvan de proeftijd nog loopt. Hierdoor ziet het hof geen toegevoegde waarde in het opleggen van (nog) een voorwaardelijke straf.\n\nHoewel op zichzelf, onder meer gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, een straf zonder meer gerechtvaardigd is, ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop van de strafzaak aanleiding te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. De verdediging heeft overtuigend naar voren gebracht dat de verdachte positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt en hard werkt om buiten politie en justitie te blijven. Naar het oordeel van het hof dient de verdachte de kans te krijgen om deze positieve ontwikkelingen voort te zetten. Het hof zal derhalve toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nBeslag\n\nDe in beslag genomen en nog niet teruggegeven personenauto, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is dat tot het begaan van het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is bestemd en deze onder de verdachte in beslag is genomen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nHet hof overweegt dat de personenauto (goednummer: PL2000-2022287359-1540329) weliswaar op de naam van [betrokkene] staat, maar aan de verdachte toebehoort. Uit het procesdossier (dossierpagina 24) blijkt dat alle voertuigen waarmee de verdachte in het verleden artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994 overtrad, steeds op de naam stonden van [betrokkene] . Het betreffende voertuig waarmee het bewezenverklaarde feit is begaan, werd blijkens de kennisgeving van inbeslagneming al twee keer eerder door de verdachte bestuurd toen hij een proces-verbaal kreeg. Verder heeft de verdachte ten overstaan van het hof verklaard dat hij al is gestraft doordat de auto in beslag is genomen en de personenauto nog een waarde van € 3.500,00 had. Ook heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat er door een verbeurdverklaring van de personenauto al sprake is van een financiële straf voor de verdachte en verzoekt het hof daarmee rekening te houden. Er is geen verweer gevoerd tegen de verbeurdverklaring van de auto.\n\nGelet op het voorhanden zijnde procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting, is naar het oordeel van het hof de verdachte aan te merken als feitelijk gebruiker van de personenauto en behoort de personenauto aan de verdachte toe. De auto betreft een voorwerp waarmee het bewezenverklaarde is begaan, waardoor het hof van oordeel is dat de personenauto vatbaar is voor verbeurdverklaring. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nbepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;\n\nverklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- een personenauto (kenteken: [kenteken] , merk: Ford, goednummer: PL2000-2022287359-1540329).\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,\n\nmr. M.J.M.A. van der Put en mr. G.M. Goes, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. B.J.M. van de Luijtgaarden, griffier,\n\nen op 29 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1739","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:41.671Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":39},"566","ECLI:NL:RBZWB:2024:8498","ecli-nl-rbzwb-2024-8498","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 24\u002F4104\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2024 in de zaak tussen\n \n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. L.P. Kabel),\n\nen\n\nde algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 25 april 2024 over het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid en het schorsen van haar rijbewijs.\n\n1.1.. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en namens het CBR mr. J.A. Launsbach.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of het CBR terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd en het rijbewijs heeft geschorst. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n3.1.. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten en omstandigheden\n\n4. Op 8 december 2023 reden twee verbalisanten van de eenheid Zeeland-West-Brabant in een politieauto in het teamgebied Bergen op Zoom. Zij reden op de Markiezaatsweg in de richting van het kruispunt met de Van Konijnenburgweg. Aan de rechterzijde van de Markiezaatsweg is het winkelgebied “De Zeeland” gevestigd. Vanaf dit winkelgebied is het mogelijk om vanaf het parkeerterrein rechtsaf de Markiezaatsweg op te rijden. Er wordt ter plaatse een verplichte rijrichting aangegeven middels drie verkeersborden. De verbalisanten zagen een voertuig hun kant op komen. Ze hebben de bestuurder van het voertuig staande gehouden. De bestuurder heeft zich geïdentificeerd als eiseres. Eiseres leek de situatie niet te begrijpen. Zij gaf aan de verkeersborden niet te hebben gezien en dat het voor haar niet duidelijk was dat ze enkel rechtsaf mocht afslaan. De verbalisanten zijn met eiseres langs de plaats gereden waar zij de verkeerde richting in reed.\n\n4.1.. Naar aanleiding van het incident heeft de politie op 8 december 2023 een mededeling gedaan aan het CBR over een vermoeden dat eiseres niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid.\n\n4.2.. Het CBR heeft met het besluit van 15 februari 2024 aan eiseres een onderzoek naar haar rijvaardigheid opgelegd. In afwachting van de uitkomst van het onderzoek is het rijbewijs van eiseres geschorst.\n\n4.3.. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n4.4.. Het CBR heeft met het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n4.5.. Op 1 mei 2024 heeft het eerste onderzoek naar de rijvaardigheid plaatsgevonden. Daarna heeft er nog een tweede onderzoek plaatsgevonden. In beide onderzoeken is geconcludeerd dat eiseres niet over de vereiste rijvaardigheid beschikt. Haar rijbewijs is met het besluit van 17 juli 2024 ongeldig verklaard. Zij heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Haar bezwaar is op 30 oktober 2024 ongegrond verklaard.\n\nOmvang van het geding\n\n5. Dit beroep ziet op het opleggen van het onderzoek en het schorsen van het rijbewijs en niet op het uiteindelijk ongeldig verklaren van haar rijbewijs. De omvang van het geding beperkt zich dus tot het bestreden besluit.\n\nOpleggen onderzoek naar de rijvaardigheid\n\n6.1.. Eiseres heeft betoogd dat aan haar ten onrechte een onderzoek naar haar rijvaardigheid is opgelegd. Zij heeft enkel een vergissing gemaakt en hanteert geen verkeerde of slechte kijktechniek. De situatie ter plaatse was onduidelijk en was voorheen anders. Doordat de borden haaks op de weg stonden, kon ze de borden niet goed zien toen zij er langsreed. Daarnaast zorgt de middenberm voor verwarring. Hoewel mogelijk formeel wordt voldaan aan de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: Regeling), is er in dit geval toch geen vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid. Ten slotte leidt het opleggen van het onderzoek er in veel gevallen toe dat het rijbewijs uiteindelijk ongeldig wordt verklaard. Hierdoor weegt het opleggen van het rijbewijs te zwaar in verhouding tot de gevolgen voor eiseres.\n\n6.2.. Het CBR heeft gesteld dat uit de mededeling van de politie blijkt dat eiseres geen adequaat rijgedrag heeft vertoond. De situatie ter plaatse was duidelijk. Dat de situatie voorheen anders was, rechtvaardigt haar rijgedrag niet. Het CBR was ertoe gehouden om een onderzoek op te leggen, het feit dat dit vaak leidt tot ongeldigverklaring doet daar niet aan af.\n\n6.3.. Als bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden voor van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\nEen vermoeden wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage bij de Regeling.In de bijlage bij de Regeling is opgenomen dat een vermoeden bestaat dat betrokkene niet langer beschikt over de rijvaardigheid voor het besturen van een motorrijtuig, als de betrokkene niet adequaat kijkgedrag hanteert, bestaande uit het hanteren van een verkeerde kijktechniek en slecht kijkgedrag al dan niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet dan wel manifesterend door slecht kijkgedrag in het algemeenof indien sprake is van gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden.\n\nAls een schriftelijke mededeling van het vermoeden is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid.Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid in geval van feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage, onder A, onderdeel II van de Regeling.\n\n6.4.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR terecht het vermoeden had dat eiseres niet langer beschikte over de vereiste rijvaardigheid. Eiseres reed vanaf de parkeerplaats de weg op. Bij de uitrit stonden drie borden die de verplichte rijrichting aangaven. Deze borden heeft zij niet opgemerkt en zij is de weg opgereden tegen de rijrichting in. Vervolgens is zij, zonder het te merken, tegen de rijrichting in blijven rijden totdat zij staande is gehouden door de politie. Hierna bleek de verplichte rijrichting alsnog niet helder te zijn voor eiseres, terwijl de rijbanen voor haar rijrichting zich rechts van haar, aan de overzijde van de middenberm bevonden. Dit wijst op het feit dat eiseres een verkeerde kijktechniek hanteert. Het feit dat zij de borden mogelijk nog niet kon zien op het moment dat ze nog evenwijdig aan de Markiezaatsweg op de parkeerplaats reed, doet daar niet aan af. Zij had de borden moeten, en kunnen, zien voordat zij de parkeerplaats afreed. Daarnaast is het niet vereist dat eiseres de verkeersovertreding bewust heeft begaan. Het vermoeden wordt namelijk niet enkel afgeleid uit het feit dat zij tegen de rijrichting heeft ingereden, maar ook uit het feit dat zij een verkeerde kijktechniek hanteert.6.5.. Nu het CBR uit de mededeling een vermoeden van het ontbreken van rijvaardigheid mocht afleiden, diende zij een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen. Ook als het opleggen van het onderzoek in veel gevallen leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, betekent dat niet dat het opleggen van het onderzoek onevenredig is. Dit betreft namelijk geen bijzondere omstandigheid die niet of niet ten volle is verdisconteerd in de afweging van de wetgever.\n\nSchorsen rijbewijs\n\n7.1.. Eiseres heeft betoogd dat haar rijbewijs ten onrechte is geschorst. De politie zag op het moment van staandehouding geen aanleiding om haar rijbewijs in te vorderen. Dit komt omdat eiseres geen gevaar vormt. Zij heeft namelijk niemand in gevaar gebracht met het rijden tegen de rijrichting in.\n\n7.2.. Het CBR heeft gesteld dat zij gezien het belang van de verkeersveiligheid gehouden was om het rijbewijs te schorsen. Om het rijbewijs te schorsen, is niet vereist dat een gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Eiseres heeft tegen de rijrichting in gereden en heeft daardoor gevaarzettend gehandeld. Spookrijden kan namelijk zeer gevaarlijke situaties veroorzaken.\n\n7.3.. Bij het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid wordt de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene geschorst, als de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder aan het verkeer deel te nemen.Op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de Regeling is daarvan sprake in het geval dat de betrokkene met een motorrijtuig tegen de rijrichting heeft ingereden (spookrijden). In dat geval schorst het CBR de geldigheid van het rijbewijs, tenzij een educatieve maatregel wordt opgelegd of het CBR afziet van het opleggen van een onderzoek.\n\n7.4.. De rechtbank is van oordeel dat het CBR terecht het rijbewijs heeft geschorst. Gelet op bovenstaande regelgeving diende het CBR het rijbewijs de schorsen, omdat eiseres tegen de rijrichting heeft ingereden. Het CBR heeft voldoende gemotiveerd waarom eiseres hierdoor gevaarzettend heeft gehandeld en waarom het van belang is dat haar bevoegdheid wordt ontnomen om langer als bestuurder aan het verkeer deel te nemen. Het enkele feit dat de politie het rijbewijs niet heeft ingevorderd, doet niet af aan het feit dat eiseres de veiligheid op de weg in gevaar kan brengen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het CBR terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd en het rijbewijs van eiseres heeft geschorst. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 12 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWegenverkeerswet 1994 (WVW)\n\nArtikel 130, eerste lid, van de WVW\n\nIndien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.\n\nArtikel 131 van de WVW\n\n1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:\n\nb. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.\n\nHet besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.\n\n2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:\n\na. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;\n\nArtikel 133, eerste lid, van de WVW\n\nIn de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.\n\nRegeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (Regeling)\n\nArtikel 2, eerste lid, van de Regeling\n\nEen vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.\n\nArtikel 3, eerste lid, van de Regeling\n\nFeiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:\n\na. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;\n\nb. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of\n\nc. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.\n\nArtikel 5, aanhef en onder d, van de Regeling\n\nEen vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen: betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden).\n\nArtikel 6 van de Regeling\n\nIn de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.\n\nArtikel 23, derde lid, onder a, van de WVW\n\nHet CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid: in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer.\n\n Artikel 130, eerste lid, van de WVW.\n\n Artikel 2, eerste lid, van de Regeling.\n\n Artikel A, onder II, onder II.1, onder f, van de bijlage bij de Regeling.\n\n Artikel A, onder II, onder II.2, onder a, van de bijlage bij de Regeling.\n\n Artikel 131, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW.\n\n Artikel 23, derde lid, onder a, van de Regeling.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.\n\n Artikel 130, derde lid, in samenhang met artikel 131, tweede lid, onder a, van de WVW.\n\n Artikel 6 van de Regeling.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2024:8498","2026-07-13T00:28:37.033Z",1,20]