[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-roermond-asylum-procedure-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":49},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},66,"Roermond","nl","roermond",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},123,"asylum-procedure-nl","Asylum Procedure","NL","2026-07-08T16:57:28.077Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-06T00:00:00.000Z","2026-06-18T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124207","Handvest van de grondrechten van de Europese Unie","art. 1",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"124208","Vreemdelingenwet","art. 82",[31,41],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1062","ECLI:NL:RBDHA:2026:16421","ecli-nl-rbdha-2026-16421","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.51713 T\n tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser],\n\ngeboren [geboortedatum] 1991, Oekraïense nationaliteit, eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 21 oktober 2025 heeft verweerder de (opvolgende) asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. In dit besluit is overwogen dat het op 24 februari 2020 vastgestelde terugkeerbesluit, waarin Oekraïne is aangemerkt als land van terugkeer, en het op diezelfde dag uitgevaardigde inreisverbod nog geldig zijn.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer NL25.51714).\n\nNadat de eerder op 7 april 2026 geplande zitting door de rechtbank op 1 april 2026 wegens onvoorziene omstandigheden is aangehouden, is partijen met de brief van 8 juni 2026 bericht dat de zitting is bepaald op 16 juni 2026.\n\nVerweerder heeft bij brief van 12 juni 2026 medegedeeld dat het besluit van 21 oktober 2025 is ingetrokken.\n\nDe rechtbank heeft eiser op 15 juni 2026 om 09:59 uur verzocht om te reageren op het bericht van verweerder van 12 juni 2026.\n\nEiser heeft op 15 juni 2026 om 10:51 uur verzocht om het beroep om te zetten naar een beroep niet tijdig beslissen en een termijn van zes weken voor het nemen van een nieuw besluit te bepalen onder verbeurte van een dwangsom. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht een proceskostenveroordeling uit te spreken. Eiser heeft zijn verzoek om een voorlopige voorziening op 15 juni 2026 ingetrokken.\n\nDe rechtbank heeft op 15 juni 2026 om 14:11 uur een bericht voor partijen in het dossier geplaatst en daarin medegedeeld dat de op 16 juni 2026 geplande zitting doorgaat en zowel de intrekking van het bestreden besluit, als het verzoek van eiser ter zitting zal worden besproken en afhankelijk van de reden voor de intrekking, de rechtbank zal onderzoeken\n\nof in de zaak regie kan worden gevoerd met het oog op finale geschilbeslechting.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de behandeling van de zaak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten.\n\nOp 17 juni 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek wordt heropend en dat de rechtbank een tussenuitspraak zal doen.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser, die de Oekraïense nationaliteit heeft, heeft op 11 februari 2020 een asielaanvraag ingediend. De afwijzing van deze aanvraag staat in rechte vast gelet op de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2020.\n\n2. Eiser heeft op 17 februari 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft in het relaas van eiser drie zogenoemde ‘asielmotieven’ geduid:\n\n-identiteit en nationaliteit;\n\n-eiser wil niet in militaire dienst;\n\n-de algemene situatie in Oekraïne.\n\nVerweerder acht alle asielmotieven geloofwaardig, maar heeft in zijn besluit van 21 oktober 2025 beslist dat aan eiser geen internationale bescherming hoeft te worden verleend.\n\n3. Eiser stelt zich op het standpunt dat aan hem de vluchtelingenstatus, dan wel een subsidiaire beschermingsstatus moet worden verleend. Eiser heeft in beroep actuele informatie overgelegd over de algemene veiligheidssituatie in Oekraïne, en met name over mobilisatie en de gevolgen van dienstweigering. Eiser heeft tevens een ‘SUA Q&A’, gedateerd op 20 november 2025 en geldig tot en met 22 mei 2026, overgelegd waarin de vraag of ‘er sprake kan zijn van 15c als er geen landgebonden beleid is’ wordt beantwoord.\n\n4. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser niet valt onder de werkingssfeer van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, zodat verweerder een besluit moet nemen op het (opvolgende) verzoek om internationale bescherming.\n\n5. Eiser heeft zijn opvolgende asielaanvraag op 17 februari 2023 ingediend. Door pas op 21 oktober 2025 op deze aanvraag te beslissen, heeft verweerder de maximaal toegestane beslistermijn fors overschreden.\n\n6. Op 4 september 2023heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin onder meer het navolgende is vermeld:\n\n“(…)\n\nOp 28 februari 2022 is uw Kamer geïnformeerd over uw besluit een besluit- en vertrekmoratorium in te stellen voor asielzoekers met de Oekraïense nationaliteit voor de duur van een half jaar. Dit besluit- en vertrekmoratorium stond los van de inwerkingstelling van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) op 4 maart 2022 en was in de praktijk alleen van toepassing op personen met Oekraïense nationaliteit die niet onder de richtlijn vallen. Het besluitmoratorium is nadien nog twee keer met een halfjaar verlengd en liep af op 28 augustus 2023. In mijn brief van 16 maart 2023 heb ik aangegeven dat het na 4 maart 2023 niet meer mogelijk was het vertrekmoratorium te verlengen.\n\n(…)\n\nDe situatie met betrekking tot Oekraïne is nog niet wezenlijk veranderd. Tegelijkertijd schrijft de Procedurerichtlijn voor dat de behandelingsprocedure ook tijdens een besluitmoratorium binnen 21 maanden na de indiening van het verzoek moet worden afgerond. Ik verwacht dat het aantal zaken waarin deze termijn wordt bereikt vanaf november 2023 zal gaan oplopen. In deze zaken zal dan een beslissing moeten worden genomen en een besluitmoratorium zal in de praktijk dus geen effect meer hebben.\n\nInmiddels zijn er in toenemende mate (openbare) bronnen beschikbaar gekomen die een beschrijving geven van de situatie in Oekraïne. Ik ben voornemens om die informatie te verzamelen en op basis daarvan een landenbeleid te formuleren voor Oekraïners die niet vallen onder de RTB.\n\nDit landenbeleid zal worden toegepast met ingang van 28 november 2023, dus precies 21 maanden nadat het besluitmoratorium voor de eerste keer werd ingesteld. Over de inhoud van dit landenbeleid zal ik uw Kamer vanzelfsprekend informeren. (…) Op basis van het voorgaande heb ik besloten het besluitmoratorium nog eenmaal met drie maanden te verlengen, tot 28 november 2023.\n\n(…)”.\n\n7. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de minister de Tweede Kamer nadien nog in deze context over de situatie in Oekraïne heeft bericht. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven niet over andere informatie te beschikken.\n\n8. De rechtbank heeft verweerder ter zitting gevraagd waarom op 12 juni 2026 is overgegaan tot het intrekken van het bestreden besluit dat op 21 oktober 2025 is genomen omdat de mededeling over de intrekking niet is toegelicht. Verweerder heeft daarop aangegeven dat aanleiding bestaat om opnieuw te beoordelen of sprake is van een zogenoemde ‘15c-situatie’ en dat deze beoordeling pas kan worden verricht als er landgebonden beleid is vastgesteld. Verweerder heeft verder toegelicht dat verwacht wordt dat dit landgebonden beleid binnen enkele weken wordt vastgesteld en dat niet bekend is of op korte termijn een algemeen en\u002Fof thematisch ambtsbericht wordt uitgebracht.\n\n9. De rechtbank overweegt dat het zonder enige toelichting intrekken van een besluit kort voor de zitting waar de rechtmatigheid van dat besluit en het daartegen gerichte beroep worden behandeld om meerdere redenen storend is. Verweerder kan het bovendien niet zijn ontgaan dat deze rechtbank en zittingsplaats recent meermalen heeft geoordeeld dat ongemotiveerde intrekkingsbesluiten die kort voor de zitting worden genomen, worden gekwalificeerd als het misbruik maken van bevoegdheid en deze intrekkingsbesluiten daarom pleegt te vernietigen als de beroepen in die procedures worden gehandhaafd.\n\n10. De rechtbank overweegt voorts dat het zonder meer intrekken van het besluit zonder een nieuw besluit te nemen of mede te delen wanneer dit zal gebeuren, misplaatst is omdat verweerder wéétdat de beslistermijn ruimschoots is verstreken enwéétdat hij moet beslissen op de asielaanvraag van eiser. Door eenvoudigweg niet te beslissen of door eenvoudigweg eerder genomen besluiten in te trekken en daardoor een rechterlijke controle van zijn besluit te vermijden, handelt verweerder in strijd met zijn -Unierechtelijke en nationaalrechtelijke- verplichtingen. Verweerder is niet bevoegd om een nieuw besluitmoratorium in te stellen, maar meent kennelijk door feitelijk niet te beslissen deze verplichtingen voor zich uit te kunnen schuiven. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat deze handelwijze onbehoorlijk is jegens eiser die recht heeft op een tijdige en deugdelijke beoordeling van zijn asielaanvraag. Dat eiser een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend, betekent niet dat voor verweerder een andere beslistermijn of minder verstrekkende verplichtingen gelden.\n\n11. Eiser heeft verzocht om zijn beroep tegen het ingetrokken bestreden besluit aan te merken als een zogenoemd ‘beroep niet tijdig’ en verweerder onder verbeurte van een dwangsom een termijn van zes weken te geven om alsnog op zijn asielaanvraag van 17 februari 2023 te beslissen.\n\n12. De rechtbank ziet aanleiding om in deze procedure niet over te gaan tot het bepalen van de door eiser voorgestelde beslistermijn voor verweerder met toekenning van een dwangsom indien niet wordt voldaan aan de opdracht om binnen deze termijn opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft het besluit ingetrokken zonder aan te geven wanneer opnieuw op de asielaanvraag wordt beslist en verweerder kan thans ook niet aangeven wanneer landgebonden beleid voor Oekraïne wordt vastgesteld. De rechtbank sluit niet uit dat verweerder niet zal voldoen aan een opdracht van de rechtbank om binnen een bepaalde termijn opnieuw te beslissen en het verbeuren van dwangsommen voor lief zal nemen. De praktijk leert dat het bepalen van een dwangsom om besluiten te nemen in asielprocedures bepaald niet leidt tot snellere beslissingen en in veel gevallen zelfs niet leidt tot besluitvorming, terwijl de rechtszoekende geen enkel ander middel heeft om besluitvorming af te dwingen.\n\n13. De rechtbank is gelet op artikel 47 van het Handvest verplicht om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden en zal daarom overgaan tot een andere wijze van geschilbeslechting.\n\n14. De rechtbank overweegt dat het relaas van eiser integraal geloofwaardig is geacht. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de procedure aan te houden in afwachting van het arrest van het Hof dat zal worden gewezen naar aanleiding van de prejudiciële vragen die deze rechtbank en zittingsplaats op 7 januari 2025 heeft gesteld over -kort gezegd- de geloofwaardigheidsbeoordeling ((ECLI:NL:RBDHA:2025:136, C-7\u002F25 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139, C-8\u002F25). De rechtbank overweegt voorts dat geen aanleiding bestaat om verweerder op te dragen om eiser aanvullend te horen.\n\n15. De rechtbank zal het intrekkingsbesluit in deze procedure niet vernietigen, maar verweerder opdragen om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag die eiser op 17 februari 2023 heeft ingediend. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn van vier weken gelet op de reeds ontstane overschrijding van de beslistermijn en gelet op de omstandigheid dat niet gebleken is van enige noodzaak om eiser voorafgaand aan het nemen van dat besluit aanvullend te horen. Ook indien binnen vier weken geen landgebonden beleid Oekraïne is vastgesteld, acht de rechtbank verweerder zeer wel in staat om te beoordelen of het geloofwaardig geachte relaas noopt tot het verlenen van internationale bescherming en een mogelijk afwijzend besluit draagkrachtig te motiveren. De rechtbank merkt hierbij op dat er voldoende (openbare) bronnen beschikbaar zijn die een beschrijving geven van de situatie in Oekraïne en wijst in dit verband op de door eiser in beroep overgelegde stukken. Eiser zal in de gelegenheid worden gesteld om beroepsgronden aan te voeren tegen het nieuw te nemen besluit en de rechtbank zal daarvoor na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit een termijn bepalen.\n\n16. De rechtbank deelt partijen mee dat indien verweerder binnen de door de rechtbank bepaalde termijn van vier weken geen beslissing neemt op de asielaanvraag, de rechtbank voornemens is om zelf te voorzien door te beoordelen of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. In voorkomend geval zal de rechtbank daarover een bindende uitspraak doen zoals bedoeld in de arresten van het Hof van 4 juni 2026 in de zaken C-198\u002F25 (Quotal, ECLI:EU:C:2026:447) en C-440\u002F25 (Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448). In die arresten heeft het Hof (onder meer) het navolgende voor recht verklaard:\n\n(…)\n\nArtikel 46, lid 3, van richtlijn 2013\u002F32\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking\n\nvan de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van\n\nde grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat ten eerste die bepaling een rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht, en ten tweede de lidstaten deze bevoegdheid niet mogen beperken.\n\n(…)\n\n17. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 67, derde lid, van Verordening 2024\u002F1348, dat een op dit punt vergelijkbare bepaling kent over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zodat de bovengenoemde arresten ook betekenis hebben voor rechterlijke uitspraken vanaf 12 juni 2026.\n\n18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- draagt verweerder op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak een beslissing te nemen op de asielaanvraag die eiser op 17 februari 2023 heeft ingediend;\n\n- houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 juni 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\n Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 19 637, nr. 3163, 36045 Vreemdelingenbeleid Situatie in Oekraïne.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16421","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:02.145Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":45,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":39,"updatedAt":48},"1710","ECLI:NL:RBDHA:2026:10757","ecli-nl-rbdha-2026-10757","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.24991uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser], V-nummer: [V-nummer], geboren op [geboortedatum] 2000 in Syrië, eiser,\n\n(gemachtigde: mr. J.P. van Mulken),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\nvoorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,\n\n(gemachtigden: mr. W. Epema en mr. S.H.J. Muijlkens).\n\nProcesverloop\n\nOp 23 maart 2027 heeft verweerder eisers verzoek om internationale bescherming ingewilligd en hem subsidiaire bescherming verleend en een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verstrekt met ingang van 7 januari 2016 en geldig tot 7 januari 2021. Deze verblijfsvergunning is met het besluit van 19 april 2021 laatstelijk verlengd tot 7 januari 2026.\n\nMet het besluit van 23 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de subsidiaire beschermingsstatus ingetrokken.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, vergezeld door M. van Dijk, ambulant forensisch begeleider en bijgestaan door zijn gemachtigde, die werd vergezeld door een stagiaire. Als tolk was ter zitting aanwezig Z. Hanina. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Epema.\n\nOp 12 maart 2025 heeft de rechtbank een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (Hof) gesteld (ECLI:NL:RBDHA:2025:3843).\n\nHet Hof heeft op 26 maart 2026 de prejudiciële vragen van de rechtbank beantwoord en het arrest Tadmur gewezen (C-202\u002F25, ECLI:EU:C:2026:257).\n\nOp verzoek van de rechtbank hebben beide partijen schriftelijk op het arrest gereageerd en hun standpunt gegeven over een andere in het beroep voorliggende kwestie.\n\nDe rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting voortgezet op 7 april 2026. Eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder, mr. S.H.J. Muijlkens, zijn verschenen. Eiser werd ook deze zitting vergezeld door M. van Dijk, ambulant forensisch begeleider\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak bouwt voort op de verwijzingsuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de verwijzingsnuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.\n\n2. Het verzoek om een prejudiciële beslissing in deze zaak betreft de uitlegging van de artikel 6 van richtlijn 2008\u002F115, gelezen in samenhang met meerdere andere bepalingen van deze richtlijn en gelezen in samenhang met meerdere bepalingen van richtlijn 2011\u002F95. Het verzoek ziet op de verplichting om een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een illegaal op het grondgebied verblijvende derdelander die is uitgesloten van subsidiaire bescherming, en\n\nmeer in het bijzonder op de vraag welke gevolgen het niet kunnen verwijderen door de\n\nautoriteiten heeft voor deze verplichting.\n\n3. Alvorens toe te komen aan de wijze waarop de rechtbank de uitleg van het Unierecht door het Hof van Justitie in het arrest Tadmur betrekt bij haar eigen beslissing in deze procedure, zal de rechtbank eerst de beroepsgronden beoordelen die eiser heeft gericht tegen de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus.\n\n3.1.. De rechtbank blijft bij haar (voorlopig) oordeel in de verwijzingsuitspraak dat de beroepsgronden gericht tegen de intrekking niet slagen en overweegt daartoe het volgende.\n\nDe intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus\n\n4. Aan eiser is met ingang van 7 januari 2016 subsidiaire bescherming verleend vanwege zijn herkomst uit Syrië. In het besluit van 23 maart 2017, waarmee het verzoek om internationale bescherming is ingewilligd, is bepaald dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan hem de vluchtelingenstatus moet worden verleend. Redengevend hiervoor is dat verweerder ten tijde van het inwilligen van het verzoek om internationale bescherming de vermoedens van eiser dat hij bij terugkeer naar Syrië in militaire dienst zal moeten, niet aannemelijk heeft geacht.\n\n5. Aan de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus en de verblijfsvergunning van eiser heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser vanwege de door hem gepleegde strafbare feiten en de daarop gevolgde veroordeling een bedreiging vormt voor de openbare orde. De intrekking heeft plaatsgevonden vanaf 27 juni 2021, zijnde de pleegdatum van de strafbare feiten. Eiser vormt volgens verweerder door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft dit onderbouwd door onder meer naar de ernst van de strafbare feiten, de concrete omstandigheden waarin die feiten hebben plaatsgevonden en\n\nde opgelegde langdurige gevangenisstraf te verwijzen. Verweerder heeft de houding van\n\neiser ten aanzien van de door hem gepleegde feiten bij zijn beoordeling betrokken.\n\nVerweerder heeft de strafbare gedragingen van eiser gekwalificeerd als een “ernstig misdrijf”,\n\nwelke kwalificatie een grondslag voor intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus\n\nbiedt. Verweerder heeft de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig geacht en heeft zich op het standpunt gesteld dat ook dat artikel 8 van het EVRM niet aan het intrekken van de verblijfsvergunning in de weg staat en ook niet noopt tot vergunningverlening op grond van artikel 8 van het EVRM.\n\n5.1.. \n\nVerweerder heeft verder aangenomen dat eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade loopt. Ten tijde van het intrekkingsbesluit heeft verweerder tevens\n\naannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar Syrië de militaire dienstplicht moet vervullen,\n\nmaar heeft hierin geen grond gezien om aan eiser de vluchtelingenstatus te verlenen. Ook in de vrees van eiser om bij terugkeer naar Syrië gerekruteerd te worden door het\n\nvrijstandsleger, heeft verweerder geen aanleiding gezien om aan eiser de vluchtelingenstatus toe te kennen. Verweerder heeft eiser geen terugkeerbesluit op grond van richtlijn 2008\u002F115 opgelegd vanwege het beginsel van non-refoulement. Op grond van de nationale wetgeving (artikel 61 van de Vw) heeft verweerder eiser wel een vertrekplicht opgelegd, waarbij is overwogen dat verweerder verwacht dat eiser tracht te voldoen aan zijn vertrekplicht en Nederland zal verlaten. Tot slot heeft verweerder eiser voor de duur van 10 jaar gesignaleerd in het informatiesysteem van de Nederlandse politie (E&S), alsook in het Schengeninformatiesysteem (SIS).\n\nHet bij de intrekking toepasselijke toetsingskader\n\n6. Eiser, die toen hem de subsidiaire beschermingsstatus werd verleend minderjarig was, heeft primair aangevoerd dat verweerder in de bestreden besluitvorming ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij in ieder geval vanaf zijn 18e levensjaar in aanmerking komt voor een a-status. Toen eiser 18 jaar werd, ging het toepasselijke beleid immers bij een vrees voor de militaire dienstplicht uit van vluchtelingschap. Verweerder heeft (ten tijde van het intrekkingsbesluit) ook zelf aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar Syrië de militaire dienstplicht moet vervullen. De militaire dienstplicht geldt volgens het algemeen ambtsbericht tot en met 42 jaar. Eiser, ten tijde van het bestreden besluit 23 jaar oud, behoort dus (nog steeds) tot de dienstplichtige leeftijdscategorie. Bij de intrekking had verweerder dit moeten erkennen en het toetsingskader moeten toepassen als ware eiser in het bezit van de vluchtelingenstatus, hetzij vanaf het moment dat eiser de leeftijd van 18 jaar had bereikt, hetzij vanaf het moment van de verlengingsbeslissing. In plaats van te beoordelen of werd voldaan aan de voor de intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus toepasselijke voorwaarde dat een “ernstig misdrijf” is gepleegd, had verweerder bij de intrekking moeten toetsen aan het criterium “bijzonder ernstig misdrijf” dat bij de vluchtelingenstatus geldt.\n\n6.1.. Verweerders argument dat eiser eerder geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 23 maart 2017 waarmee eisers subsidiairebeschermingsstatus is erkend, en ook niet tegen het besluit van 19 april 2021 waarmee eisers aanvraag om verlenging van de hem verleende verblijfsvergunning is ingewilligd, acht de rechtbank niet steekhoudend. Op grond van de rechtspraak van de Afdeling was het (en is het tot op de dag van vandaag) immers niet mogelijk om tegen een besluit waarbij subsidiaire bescherming wordt verleend op te komen om zodoende de vluchtelingenstatus in plaats van de subsidiaire beschermingsstatus te verkrijgen. De Afdeling pleegt met dit doel aangewende rechtsmiddelen niet-ontvankelijk te verklaren bij gebrek aan procesbelang, omdat in de huidige nationale rechtspraktijk aan beide statussen vergelijkbare aanspraken kunnen worden ontleend. Aangenomen moet dan ook worden dat indien eiser bij de erkenning van zijn subsidiairebeschermingsstatus, of bij de inwilliging van zijn verlengingsaanvraag dergelijke rechtsmiddelen wel zou hebben aangewend, het aanwenden van die rechtsmiddelen bij voorbaat kansloos zou zijn geweest. Dit doet dan ook af aan de houdbaarheid van deze tegenwerping.\n\n6.2.. De rechtbank stelt evenwel vast dat het Unierecht niet verplicht tot eisers standpunt dat verweerder in het kader van de besluitvorming over de intrekking van eisers verblijfsstatus had moeten nagaan of eiser op enig moment nadat hem de subsidiaire beschermingsstatus was verleend, heeft voldaan aan de criteria voor vluchtelingschap. De rechtbank stelt voorop dat het bereiken van de leeftijd van 18 jaar geen beslismoment is, waarop voor verweerder reden of aanleiding bestond om het aan eiser verleende verblijfsrecht opnieuw tegen het licht te houden om te bezien of hem alsnog de vluchtelingenstatus toekwam. Het moment van inwilliging van de verlengingsaanvraag verplichtte verweerder daartoe evenmin. Zoals in het verweerschrift met juistheid is toegelicht geeft richtlijn 2013\u002F33 immers geen regels voor procedures over de verlenging van verblijfsvergunningen. Uit richtlijn 2011\u002F95 kan evenmin worden afgeleid dat lidstaten naar aanleiding van een aanvraag om verlenging van een verblijfsvergunning die is ingediend door een vreemdeling die als subsidiair beschermde is aangemerkt, gehouden zouden zijn om – indien aan de voorwaarden voor inwilliging voldaan wordt - opnieuw te onderzoeken of de vreemdeling op dat moment mogelijk kan worden aangemerkt als vluchteling. Ook de Nederlandse wetgever heeft er met de bestaande verlengingsprocedure voor gekozen om enkel een regeling te geven voor verlenging van de vergunning die is verleend op grond van de eerder toegekende beschermingsstatus. Het door eiser ingevulde aanvraagformulier heeft overigens ook geen andere strekking dan verlenging van de geldigheidsduur van de hem verleende verblijfsvergunning. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij de intrekking van eisers verblijfsrecht terecht is uitgegaan van de subsidiairebeschermingsstatus die aan eiser is toegekend en in het kader van de intrekking daarvan terecht heeft beoordeeld of voldaan werd aan de voor die status toepasselijke voorwaarde dat “een ernstig misdrijf” is gepleegd. Dit betekent dat eisers betoog dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser sprake is van een “bijzonder ernstig misdrijf” niet slaagt, reeds omdat in het voorgaande is geoordeeld dat het gestelde dat hem de vluchtelingenstatus had moeten worden verleend, niet aan de orde is. Voor de intrekking van de status van subsidiaire bescherming die eiser daadwerkelijk had, moet (onder meer) gemotiveerd worden dat sprake is van een “ernstig misdrijf” en dat daaraan in deze zaak voldaan wordt heeft eiser als zodanig niet weersproken.\n\n6.3.. Eisers betoog ter zitting van 7 april 2026 dat de omstandigheid dat eiser op enig moment zou hebben gekwalificeerd voor vluchtelingschap moet worden meegewogen in de beoordeling van de evenredigheid van de intrekking slaagt evenmin. Weliswaar stelt eiser terecht dat in dit kader alle feiten en omstandigheden moeten worden meegewogen. Dit betekent echter niet dat ook feiten of omstandigheden die zich in een hypothetisch geval zouden hebben voorgedaan bij die beoordeling betrokken zouden moeten worden. De rechtbank overweegt hierbij dat artikel 10, tweede lid, van richtlijn 2013\u002F32 weliswaar bepaalt dat bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming de beslissingsautoriteit eerst nagaat of de verzoekers als vluchteling kunnen worden aangemerkt en zo niet, of zij voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen. Dit ziet evenwel op de vereisten voor behandeling van verzoeken. De Uniewetgever heeft niet een vergelijkbare verplichting aan de lidstaten opgelegd waaruit volgt dat zij gedurende de gehele periode dat aan een derdelander een subsidiairebeschermingsstatus is verleend, zich er van moeten vergewissen of sprake is van gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst, dan wel in de persoonlijke situatie van de derdelander. Nu de Uniewetgever in richtlijn 2013\u002F32 enkel vereisten heeft opgenomen voor de behandeling voor verzoeken, en in richtlijn 2011\u002F95 enkel de materiële intrekkingsgronden van een internationale beschermingsstatus heeft bepaald, en de nationale procedure voor de verlenging van een vergunning die is gebaseerd op een eerder toegekende beschermingsstatus niet in strijd is met het Unierecht, slaagt deze beroepsgrond niet. Het aannemen van een dergelijke verplichting zou overigens het gevolg (kunnen) hebben dat degene wiens status van subsidiaire bescherming niet wordt ingetrokken (in verband met gevaar voor de openbare orde), niet voor een dergelijke hernieuwde beoordeling in aanmerking zou komen, hetgeen de rechtbank onredelijk voorkomt. Aan de stelling van eiser dat hij op enig moment voor de intrekking voldeed aan de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus, die door verweerder overigens gemotiveerd is betwist, en de intrekking daarom niet evenredig is, kom daarom geen betekenis toe bij de beoordeling van het besluit tot intrekking. De evenredigheidstoets behelst dus niet dat voor verweerder een verplichting tot een voortdurende beoordeling van de feiten en omstandigheden na het verlenen van de subsidiairebeschermingsstatus geldt en dat indien verweerder dit niet onverplicht doet, het besluit niet evenredig is.\n\nBeoordeling vluchtelingschap ten tijde van het bestreden besluit\n\n7. De rechtbank stelt vervolgens vast dat, zoals de toepasselijke Unierechtelijke en nationale regelgeving op dit punt wel uitdrukkelijk vereisen, verweerder ten tijde van de intrekkingsbesluitvorming heeft beoordeeld of eiser op het moment van die besluitvorming voor de vluchtelingenstatus in aanmerking kwam. Verweerder heeft geconcludeerd dat dat niet het geval was. Zoals blijkt uit het bestreden besluit heeft verweerder het op grond van het algemeen ambtsbericht van 7 augustus 2023 aannemelijk geacht dat eiser- die ten tijde van het bestreden besluit 23 jaar oud was – gezien de leeftijdscategorie waartoe hij behoort bij terugkeer naar Syrië de militaire dienstplicht zou moeten vervullen. Maar de door eiser gestelde voorgenomen dienstweigering leidt desondanks niet tot vluchtelingschap omdat eiser niet voldoet aan één van de drie criteria die volgens het landgebonden beleid voor Syrië in dit kader hebben te gelden. Ten eerste heeft verweerder het niet aannemelijk geacht dat eiser als dienstplichtige handelingen zal moeten verrichten die oorlogsmisdrijven (of andere misdrijven die onder artikel 1F vallen) vormen. Ten tweede heeft verweerder het niet aannemelijk geacht dat eiser disproportioneel of discriminatoir bestraft zal worden op grond van zijn dienstweigering. In de derde plaats zijn de verklaringen van eiser dat hij de militaire dienstplicht niet wil vervullen omdat hij geen onschuldige mensen wil doden volgens verweerder onvoldoende om hem aan te merken als gewetensbezwaarde. Daar komt bij dat eisers vrees dat hij door het vrijstandsleger gerekruteerd zal worden in de visie van verweerder enkel is gebaseerd op vermoedens. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser, die afkomstig is uit Damascus, bij een eventuele terugkeer naar Syrië niet buiten Damascus hoeft te gaan wonen. Hij heeft tijdens het nader gehoor immers verklaard dat hij tot aan zijn vertrek uit Syrië op 12 oktober 2014, in Damascus of in Rif Damascus heeft gewoond.\n\n7.1.. Eisers betoog dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet wordt voldaan aan (een van) de drie criteria voor het aannemen van vluchtelingschap slaagt evenmin. Over het eerste criterium overweegt de rechtbank dat verweerder er in het bestreden besluit niet ten onrechte op heeft gewezen dat de veiligheidssituatie in Syrië is veranderd en dat geen sprake meer is van grootschalige gevechten, waardoor het niet meer vanzelfsprekend is dat een dienstplichtige Syriër handelingen moet uitvoeren die mogelijk oorlogsmisdrijven vormen. Verweerder heeft eisers betoog, dat in verweerders visie neerkomt op een beroep op de algemene situatie in Syrië, daarom onvoldoende geacht om aan te nemen dat eiser oorlogsmisdrijven, of andere misdrijven die onder artikel 1F van het Verdrag van Genève vallen, zal moeten verrichten en op die grond in aanmerking zou komen voor vluchtelingschap.\n\n7.2.. Eiser kan zich in dit standpunt niet vinden en heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 8 september 2023 van de rechtbank, zittingsplaats Utrecht. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling in die zaak zijn vrees dat hij zal moeten deelnemen aan het plegen van oorlogsmisdrijven niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep op die uitspraak gaat echter in de zaak van eiser niet op, omdat die zaak niet zonder meer vergelijkbaar is met die van eiser. De vreemdeling in de uitspraak van de rechtbank Utrecht heeft namelijk niet alleen algemene informatie ingeroepen maar bijvoorbeeld ook aangevoerd dat hij afkomstig is uit een gebied dat eerder door de oppositie werd gecontroleerd. In die zaak was verder niet in geschil dat de man al een oproep voor de reservistendienst had ontvangen, terwijl dat in het geval van eiser niet duidelijk is. Zoals de rechtbank Utrecht in de genoemde uitspraak heeft overwogen, zou de vreemdeling in die zaak (onder meer) daardoor eerder kans lopen om naar de frontlinies te worden gestuurd. In de zaak van eiser, die afkomstig is uit Rif Damascus, en van wie niet duidelijk is of hij al een oproep heeft ontvangen, zijn dergelijke omstandigheden niet aangevoerd. Met zijn beroep op de uitspraak van zittingsplaats Utrecht heeft eiser het standpunt van verweerder dus onvoldoende weerlegd. Verweerders standpunt dat aan het eerste criterium niet voldaan wordt, houdt dan ook in rechte stand.\n\n7.3.. Over het tweede criterium oordeelt de rechtbank dat de door eiser geciteerde passage uit de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 14 februari 2024 onvoldoende gewicht in de schaal legt voor het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn dienstweigering disproportioneel of discriminatoir zal worden bestraft. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij niet eerder persoonlijk politieke problemen heeft ondervonden en niet in de negatieve aandacht van de autoriteiten heeft gestaan. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser zelf geen omstandigheden heeft aangevoerd die onderbouwen dat juist hem als dienstweigeraar een disproportionele of discriminatoire bestraffing te wachten zou staan. De aangehaalde informatie uit de brief van Vluchtelingenwerk Nederland leidt niet tot een ander oordeel. Wat daar overigens ook van zij, is met die informatie nog niet aannemelijk gemaakt dat eiser de daarin genoemde behandeling, zoals marteling en andere vormen van mishandeling, te wachten staat. Dit geldt te meer omdat volgens het algemeen ambtsbericht van augustus 2023 de mogelijkheid bestaat om de dienstplicht af te kopen, zodat niet duidelijk is of eiser de in die informatie genoemde mogelijke behandeling ook daadwerkelijk ten deel zal vallen. Dat dienstweigeraars eenmaal terug in het leger slechter af zouden zijn dan andere dienstplichtigen die de dienstplicht niet hebben ontdoken, is tot slot geen discriminatoire of disproportionele bestraffing in eerder bedoelde zin. Het algemeen ambtsbericht geeft ook geen aanknopingspunten om van een discriminatoire of disproportionele bestraffing uit te gaan. Volgens het algemeen ambtsbericht van augustus 2023 was in vredestijd de straf voor het ontlopen van de dienstplicht een tot zes maanden gevangenisstraf, waarna de ontduiker de volledige dienstplicht alsnog moest vervullen. In oorlogstijd kon deze overtreding gestraft worden met gevangenisstraffen van maximaal vijf jaar. Het ambtsbericht meldt verder dat de afgelopen jaren – het is niet duidelijk wanneer dit precies begonnen was - het echter de praktijk was dat dienstplichtontduikers rechtstreeks naar het leger gestuurd werden, als ze zich meldden of gepakt werden. Mannen die de dienstplicht hebben ontdoken en deze alsnog moeten vervullen als ze gepakt zijn, zouden volgens een vertrouwelijke bron een zwaardere behandeling krijgen dan dienstplichtigen die conform de regels hebben gehandeld. Waaruit deze zwaardere behandeling bestond, wist deze bron niet te vertellen. Een andere vertrouwelijke bron maakte hierbij de kanttekening dat een dienstplichtontduiker in de handen van de militaire politie bleef totdat er een nieuwe basistraining voor dienstplichtigen startte. Volgens de bron stonden deze trainingen normaliter voor april en september ingepland. Een dienstplichtontduiker die afkomstig is uit een gebied dat eerder door de oppositie werd gecontroleerd zal, als hij gepakt werd, met meer achterdocht bejegend worden en liep eerder de kans om naar de frontlinies gestuurd te worden of om in de gevangenis terecht te komen, aldus een vertrouwelijke bron. Dat dit in het geval van eiser aan de orde zou zijn, is niet gebleken.\n\n7.4.. Over het derde criterium heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn bezwaren tegen het vervullen van de dienstplicht geen blijk geven van ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege godsdienst of andere diepgewortelde overtuigingen die hebben geleid tot dienstweigering. Dat eiser het feit dat hij niet wil vechten in een oorlog tegen zijn eigen volk en niet wil deelnemen aan oorlogsmisdaden en onderdrukking tegen zijn eigen volk zelf wel als onoverkomelijke gewetensbezwaren ziet, legt onvoldoende gewicht in de schaal om verweerder standpunt onjuist te achten.\n\n7.5.. Nu aan geen van de drie criteria wordt voldaan, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking kwam.\n\n7.6.. Een dag vóór de zitting van 26 februari 2025 heeft verweerder de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep voor de duur van vier weken aan te houden, om nog nader onderzoek te doen naar de actuele situatie in Syrië met betrekking tot de dienstplicht. Ter zitting van 26 februari 2025 heeft verweerder dit aanhoudingsverzoek ingetrokken. Indien naar dat moment alsnog een actuele beoordeling gemaakt zou moeten worden van de door eiser aangedragen feiten en omstandigheden, dan zou de rechtbank wijzen op de wezenlijke veranderingen in Syrië nu het regime van Assad is gevallen, zodat ook die omstandigheid niet tot een ander oordeel leidt.\n\nWerkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang\n\n8. Eiser voert ook aan dat verweerder niet voldoende heeft gemotiveerd dat zijn gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh en I.O.. De enkele strafrechtelijke veroordeling is in zijn ogen onvoldoende om aan te nemen dat aan dit criterium voldaan is. Uit de rapporten die hij heeft overgelegd volgt dat het recidivegevaar laag is en dat hij zich goed, zo niet voorbeeldig heeft gedragen in detentie en louter gedreven is om zijn fouten goed te maken en niet meer de fout in te gaan. Het criterium van een “actuele bedreiging” brengt volgens eiser met zich mee dat met name gekeken moet worden naar het gedrag van de vreemdeling sinds de veroordeling en naar alle omstandigheden op het moment van de besluitvorming. Verweerder heeft alleen gekeken naar de aard en ernst van het gepleegde misdrijf en heeft onvoldoende rekening gehouden met het actuele gedrag van eiser in detentie en met het lage recidive niveau.\n\n8.1.. De rechtbank stelt vast dat de kern van het geschil op dit punt is dat verweerder volgens eiser niet goed heeft gemotiveerd dat ook nu nog een dreiging van (het gedrag van) eiser uitgaat. Verweerder heeft in de besluitvorming in aanmerking genomen dat eiser in Nederland op 27 juni 2021 drie ernstige geweldsmisdrijven heeft gepleegd, waarvoor hij is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaar. Ten tijde van het bestreden besluit was eiser vanwege deze misdrijven gedetineerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat van het gedrag van eiser lange tijd een dreiging uitgaat heeft verweerder er onder meer op gewezen dat eiser zeer ernstige misdrijven heeft gepleegd, waaronder een poging tot doodslag, waardoor de dreiging die van hem uitgaat langer actueel blijft. Het bestreden besluit geeft er blijk van dat verweerder het rapport van Pro Justitia en de rapporten van de reclassering bij zijn beoordeling betrokken heeft. Verweerder benoemt ook dat eiser niet eerder is veroordeeld voor een (vergelijkbaar) misdrijf en waardeert het positief dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. Maar verweerder weegt in de besluitvorming ook mee dat eiser ernstige misdrijven heeft gepleegd waar hij volgens verweerder weinig tot geen verantwoordelijkheid voor neemt, in die zin dat hij er geen blijk van heeft gegeven te vinden dat hij ander gedrag had moeten laten zien. Zo heeft verweerder in het bestreden besluit uitgelegd dat eiser tijdens het intrekkingsgehoor een andere lezing heeft gegeven van de omstandigheden waaronder de misdrijven zijn gepleegd, dan uit het vonnis van de strafrechter naar voren komt. Eiser lijkt daarmee volgens verweerder zijn eigen aandeel kleiner te willen maken dan het in werkelijkheid was. Daarnaast heeft verweerder het zorgwekkend genoemd dat eiser in het openbaar een mes op zak heeft en begrijpt verweerder niet waarom eiser – die zich er tijdens het intrekkingsgehoor op beroepen heeft niet te weten dat zijn slachtoffer een politieman buiten dienst was – (kennelijk) onderscheid maakt tussen het neersteken van een burger en een politieagent buiten dienst. Verweerder heeft ook uitgelegd dat de in dit kader te maken beoordeling van het recidiverisico een eigen beoordeling van de IND betreft, waarbij aan een oordeel van een gedragsdeskundige (indien dat beschikbaar is) weliswaar zwaar gewicht toekomt, maar ook dan blijft het aan de IND om een eigen inschatting te maken van alle beschikbare informatie. Verweerder heeft wel positief gewaardeerd dat eiser zich in de gevangenis goed gedraagt en aan zichzelf werkt, maar wijst er ook op dat het leven in de gevangenis niet vergelijkbaar is met het leven in de maatschappij buiten de gevangenis en dat eerst als sprake is van een langere periode van goed gedrag in vrijheid, kan worden aangenomen dat eiser geen gevaar meer vormt.\n\n8.2.. Tijdens beide zittingen 2026 heeft eiser tegenover de rechtbank spijt betuigd en verklaard dat hij zijn straf nu heeft geaccepteerd en weet dat hij fout is geweest. Hij heeft eraan gewerkt om een andere versie van zichzelf te laten zien, aan Nederland, aan zijn ouders en aan hemzelf. Hij is aan het werk en dat gaat goed en hij wil graag aan een opleiding beginnen. Hij is naar zijn zeggen inmiddels twee jaar buiten en heeft in die tijd geen problemen meer gehad.\n\n8.3.. Alle positieve ontwikkelingen die zich na de besluitvorming hebben voorgedaan kunnen relevant zijn voor de vraag of het bestreden besluit stand kan houden. Maar deze omstandigheden ten spijt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan deze meest recente ontwikkelingen geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toe te kennen. Hoewel het tijdsverloop sinds het plegen van de strafbare feiten op zichzelf een relevant gegeven is dat verweerder bij zijn beoordeling moet betrekken, kan eisers verklaring dat hij tot op heden geen misdrijven meer heeft gepleegd en dat zijn gedrag in de gevangenis en na zijn vrijlating een positieve wending heeft genomen, in het licht van de gepleegde ernstige geweldsmisdrijven en de duur van de daarvoor opgelegde gevangenisstraf, niet op dit moment en op zichzelf al afdoen aan het standpunt van verweerder over de ernst van de gepleegde misdrijven, en over de duur en aard van de opgelegde straffen en dan dus ook niet aan het standpunt van verweerder dat een poging tot doodslag naar zijn aard een belangrijke indicatie voor een voldoende ernstige dreiging is die voor langere duur blijft bestaan. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat eiser ook twee jaar na de expiratie van zijn gevangenisstraf nog steeds onder begeleiding staat. De rechtbank weegt in dit verband positief mee dat eiser openstaat voor begeleiding en zich, blijkens de overgelegde documenten en de ter zitting gegeven toelichting, ook begeleidbaar opstelt en de begeleiding positieve veranderingen met zich brengt. Anderzijds betrekt de rechtbank in dit verband dat gelet op de aard van de gepleegde delicten, het relatief korte tijdsverloop sinds de invrijheidstelling en de omstandigheid dat eiser steeds begeleiding heeft gekregen, onvoldoende aannemelijk is dat eiser niet langer een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eisers gedrag een actuele werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.\n\n9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank blijft bij haar (voorlopig) oordeel in de tussenuitspraak van 12 maart 2025, dat de beroepsgronden die eiser heeft gericht tegen de intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus niet slagen. De intrekking van eisers subsidiaire beschermingsstatus houdt dan ook in rechte stand.\n\nBeoordeling ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier\n\n10. Omdat eiser door de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel het recht verliest om in Nederland te wonen, moet verweerder beoordelen of hij in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM wordt verleend. Eiser krijgt ook geen verblijfsvergunning regulier als slachtoffer of getuige van mensenhandel en kan geen verblijfsrecht ontlenen aan het Unierecht. Over de verblijfsvergunning als slachtoffer\u002Faangever van mensenhandel en het verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft eiser geen beroepsgronden aangevoerd, zodat die onderdelen geen beoordeling door de rechtbank behoeven.\n\nVerblijfsvergunning artikel 8 EVRM\n\n11. Verweerder heeft vastgesteld dat eisers vader, moeder, broer en zus in Nederland wonen.Gezien zijn leeftijd wordt eiser als jongvolwassene gezien en wordt aangenomen dat tussen eiser en zijn ouders sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. Eiser heeft de Syrische nationaliteit. Zijn ouders hebben sinds 26 januari 2024 de Nederlandse nationaliteit. Tussen eiser en zijn broer en zus heeft verweerder geen beschermingswaardig familieleven aangenomen, omdat geen sprake is van meer dan de normale (emotionele) banden tussen deze meerderjarige familieleden. Het intrekken van eisers verblijfsvergunning is een inmenging in het familieleven tussen eiser en zijn ouders. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt waarbij het persoonlijk belang van eiser bij voortzetting van het gezinsleven in Nederland wordt afgewogen tegen het algemeen belang bij bescherming van de openbare orde. Die belangenafweging is verricht aan de hand van de regels die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Boultif en Üner heeft opgesteld voor de situatie dat een vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd. Verweerder heeft geconcludeerd dat de inmenging die het bestreden besluit vormt op het familieleven tussen eiser en zijn ouders is toegestaan. In het kader van het privéleven heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser sinds 7 januari 2016 in Nederland verblijft en dat zijn leven zich sindsdien in Nederland afspeelt. Verweerder neemt aan dat eiser privéleven in Nederland heeft, maar ook hiervoor geldt volgens verweerder dat de inmenging op dit recht, gezien de uitkomst van de gemaakte belangenafweging is toegestaan.\n\n11.1.. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM heeft verleend, omdat niet alle aangevoerde omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken en onvoldoende is gemotiveerd waarom de gemaakte belangenafweging niet in zijn voordeel is uitgevallen. Om te beginnen heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat hij een actueel gevaar voor de openbare orde is. Verder heeft verweerder onvoldoende in aanmerking genomen dat eiser zijn volledige familie- en privéleven in Nederland heeft. Hij is even lang uit Syrië weg als dat hij in Nederland verbleven heeft. Zijn familieleden hebben de Nederlandse nationaliteit, hij heeft in Nederland opleidingen gevolgd. In Syrië heeft hij geen sociaal netwerk meer. Hij heeft meer en sterkere banden met Nederland dan met zijn land van herkomst. Hij kan niet terugkeren naar Syrië en niet is gebleken van een ander land waar hij kan verblijven en waar hij sterkere banden mee zou hebben dan met Nederland. Hieraan had zwaar gewicht moeten worden toegekend bij de belangenafweging, maar het is in het bestreden besluit in het geheel niet door verweerder onderkend.\n\n11.2.. \n\nDe rechtbank is, zoals in het voorgaande reeds is overwogen, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft deze bedreiging in de belangenafweging heel zwaar laten wegen. Verweerder heeft ook in aanmerking genomen dat de mate van samenwoning tussen eiser en zijn ouders er blijk van geeft dat aan het familieleden een beperkte invulling werd gegeven. Vanaf eisers vertrek uit Syrië in 2014 (samen met zijn broer) Syrië tot 5 april 2018, toen eiser weer met zijn nagereisde ouders ging samenwonen, heeft eiser niet met zijn ouders samengewoond. Ook vanwege zijn gevangenisstraf, die eiser aan zichzelf te wijten heeft, heeft eiser langere tijd niet met zijn ouders samengewoond. Aan de ernst van de inbreuk op het familieleven heeft verweerder daarom geen groot gewicht toegekend. Eiser heeft betoogd dat zijn beide ouders oud zijn en ziek. Ze zijn van hem afhankelijk voor zorg, omdat hij helpt bij het huishouden en helpt met het vertalen voor zijn ouders als hij meegaat naar doktersafspraken. De vader en moeder van eiser hebben een schriftelijke verklaring aan verweerder gestuurd, waarin zij de band met eiser beschrijven en hoe hij hen helpt. Ze hebben verweerder gevraagd om eisers verblijfsvergunning niet in te trekken. Het betoog van eiser en de verklaringen van zijn ouders hebben verweerder niet tot een andersluidend besluit gebracht.\n\nVerweerder heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat eiser sinds 27 juni 2021 in de gevangenis zit en zal daar nog tot ongeveer 25 juni 2024 moeten blijven. De afgelopen jaren kon hij daardoor niet voor zijn ouders zorgen. Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn in Nederland verblijvende zus voor zijn ouders zorgt. Verweerder heeft hieruit afgeleid dat eisers ouders dus al geruime tijd voor de zorg die zij nodig hebben niet meer afhankelijk zijn van eiser. Omdat eiser nu niet gedwongen uitgezet zal worden naar zijn land van herkomst, speelt de vraag in hoeverre eisers ouders problemen zouden ondervinden als zij eiser zouden willen volgen naar het land van herkomst nu niet. Al bij al heeft verweerde geconcludeerd dat het belang van de openbare orde beduidend zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser en zijn ouders bij het voortzetten van het familieleven in Nederland. Voor het voortzetten van het contact mag verwacht worden dat zij dat contact op afstand hebben. Dit geldt ook voor het contact met zijn broer en zus en andere familieleden. Het belang van de bescherming van de openbare orde weegt volgens verweerder namelijk heel zwaar. Eiser en zijn ouders kunnen elkaar ontmoeten in een derde land, of via de telefoon of internet hun familieleven voortzetten.\n\n11.3.. \n\nWat het privéleven betreft heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser in 2014 uit Syrië is vertrokken en in 2016 Nederland is in gereisd. Hij was 13 jaar oud toen hij Syrië verliet en 15 jaar oud toen hij in Nederland aankwam. Dit betekent volgens verweerder dat hij een groot deel van zijn vormende jaren in Syrië heeft doorgebracht en niet in Nederland. Dit maakt zijn banden met Nederland minder sterk dan iemand die hier van jongs af aan is opgegroeid. Eiser woont en leeft (ten tijde van het voornemen 6 jaar) ten tijde van het bestreden besluit ongeveer 8 jaar in Nederland op basis van een verblijfsvergunning. Volgens verweerder is dat een redelijk korte periode. Dit weegt mee in eisers voordeel, maar heeft geen zwaar gewicht. Het betekent volgens verweerder niet dat eisers belang zwaarder weegt dan het belang van Nederland. Niet alleen de duur van het verblijf in Nederland is namelijk belangrijk. Het gaat vooral om de banden die eiser met Nederland heeft. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen sterke banden heeft met Nederland. Door het plegen van de ernstige misdrijven heeft hij namelijk helemaal niet gedacht aan wat de meeste mensen in Nederland normaal en belangrijk vinden. Het maakt zijn sociale en culturele banden met Nederland daarom minder sterk. Dit weegt mee in zijn nadeel. Verweerder heeft verder in het voordeel van eiser meegewogen dat eiser voorafgaand aan zijn verblijf in de gevangenis, in de periode van april 2018 tot september 2020, verschillende periodes heeft gewerkt. Omdat eiser echter slechts voor korte periodes werkte en weinig uren maakte, heeft verweerder daaraan weinig gewicht toegekend. Ook de omstandigheid dat eiser sinds december 2020 voor een aantal periodes een uitkering heeft ontvangen, weegt verweerder is eisers nadeel mee.\n\nIn Nederland heeft hij twee MBO opleidingen gevolgd maar die heeft hij niet afgemaakt. Daarnaast heeft hij in de gevangenis een aantal opleidingen gevolgd. Eiser spreekt goed Nederlands. Verweerder heeft verder in aanmerking genomen dat eiser verschillende familieleden in Nederland heeft. Met een deel van die familieleden is er geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM. Wel heeft hij daardoor banden met Nederland. Hij heeft ook aangevoerd dat hij in Nederland een aantal vrienden heeft en één goede vriendin. Deze vriendin heeft een brief naar verweerder gestuurd waarin zij haar band met eiser beschrijft en verweerder vraag om zijn vergunning niet in te trekken. Ook deze omstandigheden weegt verweerder positief, maar met het plegen van ernstig geweldsmisdrijven heeft eiser zelf de (wijze van) voortzetting van het contact op het spel gezet. Deze gevolgen komen dan ook voor zijn eigen rekening. In de toekomst kan hij het contact met hen (blijven) onderhouden door gebruik te maken van de moderne communicatiemiddelen. Dat eiser vraagt om een tweede kans en aangeeft dat hij droomt van een goed leven en wil bewijzen dat hij een tweede kans waard is, heeft verweerder evenmin tot een andersluidend besluit gebracht. Dat eiser stappen zet richting de toekomst weegt verweerder in eisers voordeel mee, maar verweerder kent daar geen zwaar gewicht aan toe. De plannen die eiser heeft voor de toekomst zijn nog geen echt opgebouwde banden. Dat eiser zijn toekomst in Nederland ziet betekent niet dat de Nederlandse overheid hem dit moet toestaan. Artikel 8 EVRM geeft namelijk geen recht op een vrije keuze van het land waar hij gaat wonen. Dat eiser nu niet terug kan terugkeren naar Syrië, betekent niet dat hij inmiddels sterkere banden heeft met Nederland. Verweerder heeft verder in aanmerking genomen dat eiser vanwege het plegen van de ernstige misdrijven sinds 30 juni 2021 in de gevangenis zit en in totaal 3 jaar in de gevangenis moet blijven. Het verblijf in de gevangenis is volgens verweerder nadelig voor het opgebouwde privéleven in Nederland. Het verblijf in de gevangenis is namelijk anders dan het opbouwen van privéleven buiten de gevangenis. Ook dit maakt eisers huidige sociale en culturele banden met Nederland in de ogen van verweerder minder sterk en weegt in het nadeel van eiser mee. Over het geheel genomen heeft dit verweerder tot de conclusie geleid dat eiser geen sterke banden heeft met Nederland. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat Nederland eiser op dit moment niet zal uitzetten naar Syrië. Eiser moet wel zelf naar een ander land buiten de Europese Unie vertrekken. Gelet op het zware belang dat Nederland heeft bij de bescherming van de openbare orde is het volgens verweerder niet onredelijk om dit van hem te verwachten. Vanwege zijn jonge leeftijd mag verweerder ook verwachten dat hij ergens anders opnieuw een privéleven kan opbouwen.\n\n12. De rechtbank kan verweerder een heel eind volgen in de in het voorgaande weergegeven belangenafweging. Dit neemt echter niet weg dat eiser terecht aanvoert dat verweerder geheel voorbij gegaan is aan zijn betoog dat hij niet kan terugkeren naar Syrië en dat niet is gebleken van een ander land waar hij zou kunnen verblijven en waar hij sterkere banden mee zou hebben dan met Nederland. Eiser voert terecht aan dat hieraan zwaar gewicht had moeten worden toegekend bij de belangenafweging. Dit klemt te meer omdat verweerder in het kader van de gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat eiser zelf naar een ander land buiten de Europese Unie moet vertrekken - waarmee verweerder kennelijk doelt op de in het bestreden besluit opgelegde vertrekplicht ex artikel 61 van de Vw 2000 - en daaraan heeft toegevoegd dat van eiser verwacht mag worden dat hij gezien zijn jonge leeftijd ergens anders opnieuw een privéleven kan opbouwen. Zoals hierna nader aan de orde zal komen, blijkt uit het arrest Tadmur immers dat het opleggen van een vertrekplicht krachtens de Vw 2000 onverenigbaar is met het Unierecht als geen terugkeerbesluit en dus terugkeerverplichting op grond van richtlijn 2008\u002F115 kan worden opgelegd. De rechtbank ziet in die omstandigheid aanleiding om de (hierna te bespreken) beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd over de (evenredigheid van de) rechtsgevolgen van het bestreden besluit ook aan te merken als zijnde gericht tegen verweerders besluit om – op basis van de gemaakte belangenafweging - aan eiser geen ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier te verlenen. De rechtbank zal dan ook het besluitonderdeel waarin is bepaald dat aan eiser geen ambtshalve te verlenen vergunning op reguliere gronden wordt verleend vernietigen, omdat de in dit kader gemaakte belangenafweging niet berust op een voldoende draagkrachtige motivering. Verweerder zal alsnog moeten motiveren of in de omstandigheden dat de intrekking van de verblijfsvergunning geen vertrekplicht tot gevolg kan hebben en eiser zich (vooralsnog) ook niet rechtmatig naar een andere lidstaat, dan wel naar een derde land kan begeven, aanleiding wordt gezien om de belangenafweging in het voordeel van eiser te doen uitvallen. In het geval dat vervolgens opnieuw geconcludeerd zou worden dat een dergelijke verblijfsvergunning regulier niet aan eiser wordt verleend, dient opnieuw gemotiveerd te worden of wel of geen aanleiding bestaat om met gebruik van de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb, dan wel op grond van het evenredigheidsbeginsel, in afwijking van de toepasselijke regelgeving niettemin een verblijfsvergunning te verlenen. Verweerder dient daarbij ook kenbaar in te gaan op eisers vraag hoe de openbare orde en nationale veiligheid beter zou worden beschermd met dit bestreden besluit dan bij de toekenning van een verblijfsvergunning en de mogelijkheid bieden om daadwerkelijk terug te kunnen keren in de maatschappij met enig perspectief.\n\nRechtsgevolgen van de intrekking\n\n13. De rechtbank komt vervolgens toe aan de beoordeling van de rechtsgevolgen van de intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus zoals die in het bestreden besluit zijn opgenomen.\n\n14. In dit kader heeft eiser onder meer aangevoerd dat het doel van de intrekking, te weten het beschermen van de openbare orde en de nationale veiligheid, niet zal worden gerealiseerd omdat eiser niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst en verweerder niet is nagegaan of eiser naar een ander derdeland kan vertrekken. Verweerder heeft eiser met het bestreden besluit echter een vertrekplicht op een nationaalrechtelijke grondslag opgelegd en verwacht dat eiser zich zal inspannen om Nederland te verlaten. Verweerder heeft daarbij overwogen dat dit geen vertrekplicht op grond van richtlijn 2008\u002F115 is omdat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen in verband met het refoulementverbod en hij eiser derhalve niet heeft verwijderd. Eiser heeft ook aangevoerd dat het niet geven van een toestemming tot verblijf terwijl hij niet voldoet aan de vertrekplicht betekent dat hij illegaal op het grondgebied van Nederland zal verblijven. Hij zal dan, kort gezegd, geen toekomstperspectief hebben, terwijl hij tijdens zijn detentie en de korte periode na expiratie daarvan juist een positieve gedragsverandering heeft laten zien en hard werkt aan het voortzetten van deze persoonlijke ontwikkeling.\n\n15. Voor zover verweerder in het kader van de hernieuwde beoordeling bedoeld onder 12 niet alsnog concludeert tot verlening van een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier, heeft te gelden dat eiser doordat zijn subsidiairebeschermingsstatus is ingetrokken, niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verblijf. Er is in dat geval sprake van illegaal verblijf. Dit betekent dat eiser dan onder de werkingssfeer van richtlijn 2008\u002F115 komt te vallen. Deze werkingssfeer wordt uitsluitend bepaald door de situatie van illegaal verblijf, ongeacht de redenen die aan deze situatie ten grondslag liggen of de maatregelen die tegen hem kunnen worden genomen.\n\n16. Het Hof heeft in het arrest Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. van\n\n6 juli 2023de in artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 neergelegde algemene regel aldus uitgelegd, dat deze algemene regel zich verzet jegens de uitvaardiging van een terugkeerbesluit wanneer dat besluit een land van bestemming aanwijst ten aanzien waarvan er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat die derdelander daar in geval van uitvoering van dat besluit zou worden blootgesteld aan een reëel risico van behandelingen in strijd met artikel 18 of artikel 19, lid 2, van het Handvest.\n\n17. In de verwijzingsuitspraak heeft de rechtbank (onder punt 54) overwogen dat toepassing van de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 in het arrest Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. van 6 juli 20232 in de zaak van eiser zou betekenen dat verweerder zolang het refoulementrisico dit noodzakelijk maakt geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen en dus ook niet bevoegd is om een inreisverbod op te leggen. De rechtbank overwoog daarover het volgende.\n\n“Indien het Hof deze uitleg in de onderhavige procedure bevestigt en ook in de\n\nconcrete feiten en omstandigheden van het hoofdgeding een intermediaire status ontstaat\n\ndoordat er geen vaststelling van onrechtmatig verblijf in een terugkeerbesluit plaatsvindt,\n\nrijst de vraag of het tot de procedurele autonomie van de lidstaten behoort om een\n\nvertrekplicht op te leggen die is gestoeld op nationale regelgeving. De situatie van illegaal\n\nverblijf wordt immers beheerst door het Unierecht en als het Unierecht aldus moet worden\n\nuitgelegd dat het zich verzet tegen de oplegging van een terugkeerbesluit en dus het opleggen van een terugkeerverplichting aan de illegaal verblijvende derdelander, komt het\n\nrechtbank voor dat deze uitleg niet kan worden omzeild en een dergelijke nationale regeling\n\ndan ook onverenigbaar met het Unierecht moet worden geacht. De rechtbank wijst er op dat\n\nrichtlijn 2008\u002F115 krachtens artikel 4, lid 3, onverlet laat dat de lidstaten bepalingen kunnen\n\naannemen of handhaven die gunstiger zijn voor de personen op wie de richtlijn van\n\ntoepassing is, mits deze bepalingen verenigbaar zijn met de richtlijn. Dit lijkt echter niet het\n\ngeval te zijn bij een bepaling die het verweerder toestaat om een nationaalrechtelijk\n\nvertrekplicht op te leggen, indien het uitgesloten moet worden geacht dat verweerder een\n\nterugkeerbesluit, en dus ook een terugkeerverplichting waaraan verzoeker zelfstandig moet\n\nvoldoen, uitvaardigt. Dit zou dan ook meebrengen dat de lidstaat het verblijf op hun\n\ngrondgebied van derdelanders die zijn uitgesloten van subsidiaire bescherming moet gedogen, danwel hun verblijf moet regulariseren door een verblijfstitel op grond van nationale regelgeving te verlenen”.\n\n18. Het Hof heeft in het arrest Tadmur de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 in het arrest Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. in de onderhavige procedure bevestigd. Het Hof heeft immers onder meer het navolgende verduidelijkt:\n\n“30. Behoudens de uitzonderingen van artikel 2, lid 2, ervan, is richtlijn 2008\u002F115 van toepassing op alle illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelanders. Voorts moet een derdelander, wanneer hij binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt, met het oog op zijn terugkeer in beginsel worden onderworpen aan de gemeenschappelijke normen en procedures waarin die richtlijn voorziet, zolang zijn verblijf – in voorkomend geval – niet is geregulariseerd [arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69\u002F21, EU:C:2022:913, punt 52, en 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663\u002F21, EU:C:2023:540, punt 45].\n\n31. Vanuit dit oogpunt volgt uit artikel 6, lid 1, van deze richtlijn dat er, zodra vaststaat dat een derdelander illegaal op het grondgebied verblijft, een terugkeerbesluit tegen hem moet worden uitgevaardigd, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 van dat artikel vastgelegde uitzonderingen en met strikte inachtneming van de in artikel 5 van die richtlijn gestelde vereisten, en in dat besluit moet worden vermeld naar welk van de in artikel 3, punt 3, van richtlijn 2008\u002F115 bedoelde derde landen hij moet worden verwijderd [arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69\u002F21, EU:C:2022:913, punt 53, en 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663\u002F21, EU:C:2023:540, punt 46].\n\n32. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat een derdelander van wie de vluchtelingenstatus is ingetrokken moet worden geacht illegaal op het grondgebied te verblijven, tenzij de lidstaat waar hij zich bevindt hem een verblijfsvergunning op een andere grondslag heeft verleend [arrest van 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663\u002F21, EU:C:2023:540, punt 47].\n\n33. Dat geldt ook voor een derdelander zoals in het hoofdgeding, van wie de subsidiairebeschermingsstatus krachtens artikel 19, lid 3, onder a), van richtlijn 2011\u002F95, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 1, ervan, is ingetrokken zonder dat de lidstaat op het grondgebied waarvan deze derdelander zich bevindt hem een verblijfsvergunning op een andere grondslag heeft verleend.\n\n34. Zoals in punt 31 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet een terugkeerprocedure tegen een dergelijke derdelander evenwel worden gevoerd met strikte inachtneming van de in artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 gestelde vereisten.\n\n35. Dat artikel 5, dat een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, verplicht in het bijzonder de bevoegde nationale autoriteit om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, dat als grondrecht is gewaarborgd in artikel 18 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 33 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], alsmede in artikel 19, lid 2, van het Handvest. Dat geldt met name wanneer die autoriteit, na de betrokkene te hebben gehoord, voornemens is jegens hem een terugkeerbesluit vast te stellen [zie in die zin arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69\u002F21, EU:C:2022:913, punt 55, en 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663\u002F21, EU:C:2023:540, punt 49].\n\n36. Bijgevolg verzet artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 zich ertegen dat jegens een derdelander een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd wanneer dat besluit een land van bestemming aanwijst ten aanzien waarvan er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat die derdelander daar in geval van uitvoering van dat besluit zou worden blootgesteld aan een reëel risico van behandelingen in strijd met artikel 18 of artikel 19, lid 2, van het Handvest [arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69\u002F21, EU:C:2022:913, punt 56, en 6 juli 2023, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Vluchteling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd), C‑663\u002F21, EU:C:2023:540, punt 50].\n\n37. Dit is precies het geval in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding, waarin de bevoegde autoriteit als potentieel land van bestemming enkel het land van herkomst van de betrokken derdelander heeft aangewezen, maar reeds heeft geconstateerd dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de terugkeer van die derdelander naar zijn land van herkomst”.\n\n19. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder terecht geen terugkeerbesluit heeft vastgesteld. In punt 44 van het arrest Tadmur laat het Hof er voorts geen twijfel over bestaan dat “de bevoegde autoriteit, in een situatie waarin de in artikel 5 van richtlijn 2008\u002F115 geformuleerde verplichting tot eerbiediging van het beginsel van non-refoulement eraan in de weg staat dat een terugkeerbesluit wordt vastgesteld, evenmin een besluit, zoals dat in het hoofdgeding, kan vaststellen dat is gebaseerd op het nationale recht en waarbij de betrokken derdelander wordt bevolen het grondgebied van de betrokken lidstaat te verlaten, zonder zijn verwijdering toe te staan of een lidstaat van bestemming aan te wijzen”.\n\nZoals verweerder ter zitting ook heeft erkend, betekent dit dat de in het bestreden besluit op grond van het nationale recht (artikel 61 van de Vw) aan eiser opgelegde vertrekplicht niet kon worden opgelegd en moet worden vernietigd.\n\n20. Eiser voert aan dat wanneer inderdaad aangenomen moet worden dat hij een gevaar zou vormen voor de openbare orde en veiligheid en hij niet uitgezet kan worden, nu dit in strijd is met het non-refoulement beginsel en hij niet in enig ander land een verblijfsrecht heeft, doch hem geen enkele mogelijkheid wordt geboden om op een veilige en reguliere manier deel te nemen aan de maatschappij, hij in een positie wordt gedwongen van een illegaal bestaan in Nederland. Hij kan immers nergens anders naartoe en heeft hier in Nederland zijn familie- en gezinsleven, die hier rechtmatig verblijven. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat eiser kan en gaat vertrekken onder deze omstandigheden. Eiser wijst erop dat hier niet op ingegaan wordt in het bestreden besluit, zodat ook hierom het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Eiser wijst er verder op dat het uiteindelijke doel van het bestreden besluit, namelijk het beschermen van de openbare orde en nationale veiligheid niet met dit bestreden besluit wordt gerealiseerd en dit doel zelfs alleen maar verder weg brengt. Het niet kunnen beschikken over een woonruimte, het niet mogen werken en dus actief deelnemen aan de maatschappij en het leven in de illegaliteit en op straat zullen negatieve gevolgen hebben voor de fysieke en mentale gezondheid van eiser of hem in een toestand van achterstelling kunnen brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Bovendien zouden dit stressfactoren kunnen zijn die een negatief effect kunnen hebben op zijn mentale gezondheid. Hier is in het bestreden besluit niet kenbaar rekening mee gehouden.\n\n21. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat van het door eiser bedoelde leven in de illegaliteit geen sprake zal zijn. Van eiser wordt immers verwacht dat hij zélf streeft naar, en pogingen doet om, te voldoen aan zijn vertrekplicht. De rechtbank overweegt dat nu uit het arrest Tadmur volgt dat aan eiser geen vertrekplicht kan worden opgelegd, verweerders standpunt in het bestreden besluit over de (evenredigheid van de) rechtsgevolgen van dit besluit nadere motivering behoeft in het licht van wat eiser hierover heeft aangevoerd, zoals dat hiervoor is weergegeven onder 20.\n\n22. De rechtbank tekent daarbij in de eerste plaats nog aan dat het Hof in Tadmur heeft overwogen dat, wanneer is uitgesloten dat een derdelander wiens status als subsidiair beschermde is ingetrokken terugkeert naar zijn land van herkomst, hieruit niet kan worden afgeleid dat, de toepassing van artikel 19 van richtlijn 2011\u002F95 in de praktijk geen effect heeft, omdat de intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus zelfs in dergelijke gevallen tot rechtstreeks gevolg heeft dat de betrokken derdelander niet langer beschikt over de rechten en voordelen als bedoeld in hoofdstuk VII van richtlijn 2011\u002F95, die verband houden met de internationale bescherming waarin die richtlijn voorziet.\n\n23. In de tweede plaats wijst de rechtbank erop dat het Hof in Tadmur verder heeft verduidelijkt dat het feit dat, in een situatie als die in het hoofdgeding, is uitgesloten dat er een terugkeerbesluit wordt vastgesteld waarin het land van herkomst van de betrokkene wordt aangewezen als het land van bestemming of waarin geen land van bestemming wordt aangewezen, dit geenszins in de weg staat aan de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteit om een terugkeerbesluit vast te stellen waarin een land van bestemming wordt aangewezen dat onder het tweede of het derde streepje van artikel 3, punt 3, van richtlijn 2008\u002F115 valt en, zo nodig, om de verwijdering van de betrokken derdelander vervolgens uit te voeren, waardoor het vertrek van de betrokken derdelander van het grondgebied van de lidstaat in kwestie aldus wordt gewaarborgd, met de volledige inachtneming van de vereisten die voortvloeien uit artikel 5 van deze richtlijn en uit het Handvest. In het bestreden besluit is hierover niets vermeld.\n\n24. In de derde plaats wijst de rechtbank op haar verwijzingsuitspraak, waarin de rechtbank (onder 54) in dit kader het volgende heeft overwogen:\n\n“Het Hof heeft meermalen uitgelegd dat geen enkele bepaling van richtlijn 2008\u002F115 aldus\n\nkan worden uitgelegd dat zij vereist dat een lidstaat een verblijfstitel verleent aan een\n\nillegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander en dat artikel 6, lid 4, van richtlijn\n\n2008\u002F115 is beperkt tot de mogelijkheid voor de lidstaten om op basis van hun nationale\n\nrecht in schrijnende gevallen op humanitaire gronden een verblijfsrecht toe te kennen aan\n\nillegaal op hun grondgebied verblijvende derdelanders. Het betekent echter ook dat als op\n\ngrond van het nationale recht geen verblijfstitel wordt verstrekt zolang de verwijdering niet\n\nplaatsvindt, deze derdelander zich kan beroepen op de rechten die zowel door het Handvest\n\nals door artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008\u002F115 worden gewaarborgd. Verzoeker heeft\n\nevenwel dan terecht aangedragen dat hij bij illegaal verblijf niet op rechtmatige wijze een\n\ninkomen zal kunnen verwerven, zich zal niet kunnen verzekeren voor ziektekosten en zal\n\nzich niet kunnen inschrijven voor een woning, omdat deze omstandigheden niet op het\n\nmoment dat deze ontstaan (reeds) onverenigbaar zullen zijn met de rechten zoals\n\ngewaarborgd in het Handvest en door artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008\u002F115 en zoals\n\ngepreciseerd in het arrest van het Hof van 12 september 2024 in de zaak Changu. De vraag\n\ndie dan resteert is de vraag hoe lang een situatie van een uitgestelde verwijdering kan\n\nvoortduren voordat deze situatie, ondanks het kunnen beroepen op deze rechten,\n\nonverenigbaar wordt met artikel 1 Handvest. Deze vraag is in het hoofdgeding echter\n\n(vooralsnog) niet aan de orde, zodat de rechtbank een antwoord op die vraag niet nodig\n\nheeft om uitspraak te kunnen doen en het hoofdgeding te kunnen beslechten”.\n\nMet de nadere verduidelijking die het Hof in het arrest Tadmur heeft gegeven, ligt deze vraag in de zaak van eiser alsnog binnen het bereik van de onderhavige procedure.\n\n25. De rechtbank wijst er verder op dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bij verwijzingsuitspraak van 27 augustus 2025onder meer de prejudiciële vraag aan het Hof heeft voorgelegd of een nationale wettelijke regeling waarbij illegaal in Nederland verblijvende derdelanders die, wegens een risico op schending van het non-refoulementbeginsel in het land van herkomst, voor onbepaalde tijd niet kunnen worden verwijderd en geen verblijfsrecht krijgen, en gedurende een periode van minstens tien jaar alleen bij wijze van uitzondering aanspraak kunnen maken op elementaire voorzieningen, verenigbaar is met richtlijn 2008\u002F115\u002FEG. De twee zaken waarop de verwijzingsuitspraak betrekking heeft, zijn anders dan de zaak van eiser, (onder meer) in die zin dat het gaat om derdelanders aan wie het bepaalde in artikel 1F van het Verdrag van Genéve is tegengeworpen. In beide zaken is niet in geschil dat beide appellanten illegaal in Nederland verblijven en bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico lopen op schending van het non-refoulementbeginsel, bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest, waardoor zij voor onbepaalde tijd niet gedwongen kunnen worden verwijderd. In de zaak van appellant 1 ligt de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsrecht voor. In de zaak van appellant 2 is dat niet het geval. Daarin ligt een verzoek om opheffing van het inreisverbod voor. Maar een eventuele opheffing van het inreisverbod levert voor appellant 2 geen verblijfsrecht op. Voor beide appellanten geldt dat sprake is van onzekerheid over hun verblijfsstatus.\n\n26. Ook de Afdeling heeft in deze verwijzingsuitspraak overwogen dat uit de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister gehouden is om in de situatie van appellanten alsnog een verblijfsrecht toe te kennen. De Afdeling overweegt verder dat dit ook niet volgt uit het arrest AA. Ook uit het arrest van het Hof van 12 september 2024, Changu, ECLI:EU:C:2024:78, punten 62 tot en met 79, lijkt dit naar het oordeel van de Afdeling niet onmiddellijk te volgen. “Maar in punten 74 en 75 van het arrest Changu heeft het Hof wel overwogen dat bij de uitvoering van de Terugkeerrichtlijn het uit artikel 4 van het EU Handvest voortvloeiende verbod van onmenselijke of vernederende behandelingen in acht moet worden genomen en dat dit verbod wordt geschonden indien de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid (zie in die zin de arresten van 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punt 92, en van 16 juli 2020, Addis, ECLI:EU:C:2020:579, punt 51). Uit het arrest van het Hof van 18 december 2014, Abdida, ECLI:EU:C:2014:2453, punt 60, volgt echter dat de waarborg van artikel 14 van de Terugkeerrichtlijn alleen effectief is wanneer lidstaten ook voorzien in de basisbehoeften van de betrokken vreemdeling. De wijze waarop lidstaten in deze basisbehoeften voorzien, mogen zij zelf bepalen”.\n\n27. Eiser heeft zich in de onderhavige procedure ook beroepen op het Jawo-arrest. De rechtbank overweegt daarom dat ook in de zaak van eiser beoordeeld moet worden of hij onder de gegeven omstandigheden in een situatie als bedoeld in het arrest Jawo kan terechtkomen. Eiser kan immers net als de appelanten in de zaken van de Afdeling geen aanspraak maken op voorzieningen in de vorm van uitkeringen en financiële tegemoetkomingen voor de kosten van een zorgverzekering of de huur van een woning, omdat die aanspraak krachtens het Nederlandse stelsel gekoppeld is aan een verblijfsrecht. Het Nederlandse stelsel voorziet ook niet in een verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf, bedoeld in het vierde lid van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn, voor vreemdelingen die wegens een risico op schending van het non-refoulementbeginsel voor onbepaalde tijd niet kunnen worden verwijderd. Ter zitting bij de Afdeling heeft verweerder toegelicht dat vreemdelingen zoals appellanten, die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken en aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, of die om een andere reden een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, niet in aanmerking komen voor een zogeheten buitenschuldvergunning. Dat is een speciale verblijfsvergunning voor vreemdelingen die er alles aan hebben gedaan om terug te keren naar het land van herkomst, maar waarbij dit niet is gelukt.\n\n28. Eiser kan wellicht net als vreemdelingen aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, op voet van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 aanspraak maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan, indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid, of de rechtsbijstand. Voor 1F’ers bestaat echter daarnaast de mogelijkheid om, na een periode van tien jaar, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, onder voorwaarden, in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Een vreemdeling komt alleen in aanmerking voor een dergelijke vergunning, als voldaan is aan een zogeheten duurzaamheids- en proportionaliteitstoets. Bij die toets, uitgewerkt in paragraaf C2\u002F7.10.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, beoordeelt verweerder onder meer of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag te handhaven. Indien de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond en de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleent de IND krachtens artikel 3.6b, onder a, Vb ambtshalve een verblijfsvergunning onder de beperking humanitair tijdelijk op grond van artikel 3.48, tweede lid aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder e, VV. De verblijfsvergunning wordt in dat geval voor maximaal een jaar verleend en kan telkens met maximaal een jaar worden verlengd (artikel 3.58, eerste lid onder q, Vb). Met dit beleid wordt beoogd om te voorkomen dat Nederland een vrijhaven vormt voor plegers van ernstige misdrijven, waarbij straffeloosheid wordt bestreden.\n\n29. Voor eiser, die tot aan het intrekkingsbesluit op grond van de aan hem verleende subsidiaire bescherming rechtmatig in Nederland heeft verbleven en in die periode zijn familie- en privéleven heeft uitgeoefend, die veroordeeld is voor het plegen van ernstige geweldsmisdrijven, maar die zijn straf heeft uitgezeten, die stappen heeft gezet en wil zetten om zijn leven een positieve wending te geven, om een tweede kans verzoekt, en die door de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel zoals zijn gemachtigde heeft aangevoerd wordt gedwongen tot een illegaal bestaan in Nederland, omdat hij nergens anders heen kan terwijl verweerder op geen enkele manier onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden voor eiser om zich elders te vestigen, geldt dit beleid niet. De rechtbank acht evenwel in de situatie van eiser net zo goed een duurzaamheids- en proportionaliteitstoets aangewezen en ziet daarom aanleiding om te bepalen dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit moet motiveren hoe lang een situatie van een uitgestelde verwijdering in een situatie als deze kan voortduren voordat deze situatie, ondanks het kunnen beroepen op de rechten die zowel door het Handvest als door artikel 14, eerste lid, van richtlijn 2008\u002F115 worden gewaarborgd, onverenigbaar wordt met artikel 1 Handvest.\n\nBesluit tot signalering\n\n30. Ten aanzien van het besluit tot signalering voert eiser aan dat geen sprake is van de voorwaarden genoemd in artikel 24 van de Verordening 2018\u002F1861waarop verweerder dit besluitonderdeel heeft gebaseerd. In het voornemen wordt ten aanzien van de signalering verwezen naar artikel 67a van de Vw 2000. Deze bepaling verwijst naar de voorwaarden genoemd in artikel 24 van de Verordening 2018\u002F1861. Uit het eerste lid van deze bepaling volgt dat het hierbij gaat om een beslissing tot weigering van toegang en verblijf. Volgens eiser is er hier geen sprake van een beslissing van de weigering van toegang en verblijf ex artikel 24, eerste lid, van Verordening 2018\u002F1861, althans daarvan is niet gebleken, zodat ook geen grond bestaat voor signalering van eiser in voornoemde systemen, althans de signalering daartoe niet voldoende is gemotiveerd.\n\n31. Op grond van artikel 67a van de Vw 2000 kan de minister een besluit als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, van de SIS-verordening grenscontroles nemen, indien de in het tweede lid van artikel 24 van die verordening genoemde situaties zich voordoen.\n\nArtikel 24, eerste lid, van Verordening 2018\u002F1861 getiteld ‘Voorwaarden voor de invoering van signaleringen met het oog op weigering van toegang en verblijf’ luidt als volgt:\n\n1. De lidstaten voeren een signalering in met het oog op weigering van toegang en verblijf uit indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:\n\na)\n\nde lidstaat is tot de slotsom gekomen dat op basis van een individuele evaluatie, waarbij de persoonlijke omstandigheden van de betrokken onderdaan van een derde land en de gevolgen van een weigering van toegang en verblijf zijn geëvalueerd, de aanwezigheid van die onderdaan van een derde land op zijn grondgebied een bedreiging vormt voor de openbare orde of veiligheid of de nationale veiligheid, en de lidstaat heeft dientengevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing tot weigering van toegang en verblijf genomen en heeft daartoe overeenkomstig zijn nationaal recht een nationale signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf ingevoerd, of\n\nb)\n\nde lidstaat heeft overeenkomstig procedures met inachtneming van Richtlijn 2008\u002F115\u002FEG een inreisverbod ten aanzien van een onderdaan van een derde land uitgevaardigd.\n\n32. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen genoegzaam heeft gemotiveerd waarom eiser voldoet aan de voorwaarde onder a. Eiser krijgt het besluit tot signalering omdat zijn aanwezigheid op het grondgebied van Nederland een bedreiging vormt voor de openbare orde. Eiser is namelijk veroordeeld voor een strafbaar feit waarvoor een vrijheidsstraf van tenminste één jaar geldt. Dit blijkt volgens verweerder uit veroordeling 1 in de bijlage belangrijke veroordelingen. Deze bijlage is met het voornemen van 22\n\njuni 2022 meegezonden. In het voornemen is vermeld dat de IND concrete aanwijzingen heeft dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is uitgelegd in het voornemen onder het kopje “Werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging”. Verweerders standpunt hierover heeft in eerdere overwegingen van deze uitspraak stand gehouden. Eisers stelling dat uit het eerste lid van de bepaling volgt dat het hierbij gaat om een beslissing tot weigering van toegang en verblijf en dat een dergelijke beslissing in deze zaak niet voorligt, berust op verkeerd begrip van die zinsnede in het eerste lid. De in het eerste lid genoemde weigering van toegang en verblijf is geen voorwaarde voor toepassing van de signalering, maar is het gevolg van de signalering.\n\n33. De rechtbank stelt vervolgens vast dat ook de in lid 2 genoemde situaties zich voordoen. Dit artikellid luidt als volgt:\n\n2. De in lid 1, onder a), genoemde situaties doen zich voor wanneer:\n\na)\n\neen onderdaan van een derde land in een lidstaat veroordeeld is voor een strafbaar feit waarvoor een vrijheidsstraf van ten minste één jaar geldt;\n\nb)\n\ner zijn gegronde redenen om aan te nemen dat een onderdaan van een derde land een ernstig strafbaar feit, onder meer een terroristisch misdrijf, heeft gepleegd of er zijn duidelijke aanwijzingen dat hij overweegt een dergelijk feit te plegen op het grondgebied van een lidstaat, of\n\nc)\n\neen onderdaan van een derde land heeft het Unierecht of het nationale recht inzake binnenkomst in en verblijf op het grondgebied van de lidstaten omzeild of gepoogd deze te omzeilen.\n\n34. Het derde lid van artikel 24 maakt vervolgens duidelijk dat bedoelde signalering ook kan worden opgelegd als de betrokken derdelander nog op het grondgebied van de signalerende lidstaat verblijft. In dat artikellid is immers bepaald dat de signalerende lidstaat ervoor zorgt dat de signalering van kracht wordt zodra de betrokken derdelander het grondgebied van de lidstaat heeft verlaten, of zo spoedig mogelijk indien de signalerende lidstaat over duidelijke aanwijzingen beschikt dat dit het geval is, teneinde die onderdaan van een derde land te beletten opnieuw binnen te komen.\n\n35. In het voornemen is de verdere gang van zaken als volgt toegelicht:\n\n‘De overheid signaleert betrokkene vanwege het besluit tot signalering eerst in Executie & Signalering (E&S). E&S is een informatiesysteem van de Nederlandse politie en de Koninklijke Marechaussee. Na raadpleging kunnen zij betrokkene tegenhouden om Nederland binnen te komen. Direct daarna verwijdert de overheid de overheid de signalering van betrokkene in E&S en wordt betrokkene in het Schengen Informatie Systeem (SIS) gesignaleerd. Alle overheden van Schengenlanden zijn aangesloten op het SIS en kunnen\n\ncontroleren of betrokkene een besluit tot signalering heeft gekregen.\n\nAls betrokkene later een verblijfsrecht krijgt in een andere lidstaat van de EU (zonder Ierland), aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein verwijdert de overheid de signalering in het SIS. Betrokkene wordt dan vanwege het besluit tot signalering weer in E&S gesignaleerd.\n\nDe duur van de signalering in het SIS begint te lopen op het moment dat betrokkene het grondgebied van de lidstaten van de EU (zonder Ierland), aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein heeft verlaten. De duur dat betrokkene buiten Nederland (maar binnen het grondgebied van de lidstaten) heeft verbleven tijdens de signalering in E&S telt\n\nde IND daarbij mee. Betrokkene moet daarvoor wel een verzoek tot opheffing van het besluit tot signalering indienden. Dit volgt uit paragraaf A4\u002F4.2.1 tot en met 4.3 Vc.\n\nDe gevolgen van dit besluit worden uitgesteld totdat de beroepstermijn voorbij is. Als betrokkene beroep instelt, worden de gevolgen uitgesteld totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Dit volgt uit artikel 82 Vw. Dit betekent dat betrokkene de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.’\n\n36. De rechtbank concludeert dat het besluit tot signalering, verenigbaar is met het Unierecht en op goede gronden is opgelegd en berust op een deugdelijke motivering en dus kan bestaan zonder vaststelling van een terugkeerbesluit, nu dit besluit(onderdeel) is gebaseerd op Verordening 2018\u002F1861.\n\nConclusies en gevolgen\n\n37. De rechtbank concludeert dat het beroep van eiser deels ongegrond en deels gegrond is. Voor zover het beroep zich richt tegen de intrekking van eisers status als subsidiair beschermde is het beroep ongegrond. De intrekking van eisers subsidiaire beschermingsstatus blijft dus in stand.\n\nHet niet verlenen van een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het bijzonder de in dit kader gemaakte belangenafweging berusten niet op een voldoende draagkrachtige motivering. Voor dit deel is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zoverre. Verweerder dient het besluit op dit onderdeel opnieuw te motiveren met inachtneming van wat de rechtbank hierover heeft overwogen.\n\nDe rechtbank concludeert verder dat verweerder terecht geen terugkeerbesluit heeft vastgesteld. De op grond van het nationale recht aan eiser opgelegde vertrekplicht ex artikel 61 van de Vw 2000 wordt vernietigd.\n\nBij het ontbreken van enige vertrekplicht, zonder dat aan eiser een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend, dient verweerder aan te geven welke rechtsgevolgen hij aan het bestreden besluit verbindt. Net als verweerder in de zaken van 1F’ers pleegt te doen, acht de rechtbank in dat kader een duurzaamheids- en proportionaliteitstoets aangewezen. Daarbij moet verweerder in voorkomend geval in het bijzonder motiveren hoe lang een situatie van een uitgestelde verwijdering in een geval als dat van eiser kan voortduren, voordat deze situatie, ondanks het kunnen beroepen op de rechten die zowel door het Handvest als door artikel 14, eerste lid, van richtlijn 2008\u002F115 worden gewaarborgd, onverenigbaar wordt met artikel 1 Handvest.\n\n38. Omdat de rechtbank het beroep deels gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser de proceskosten moet vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage bij dit Besluit.\n\nDe rechtbank stelt de proceskosten als volgt vast:\n\nInstellen beroep 1 punt\n\nZitting rechtbank 26 februari 2025 1 punt\n\nSchriftelijke opmerkingen Hof 2 punten\n\nSchriftelijke reactie na arrest 0,5 punt\n\nZitting rechtbank 7 april 2026 1 punt\n\nDe rechtbank kent aan elk punt een wegingsfactor van 1,5 toe zoals bedoeld in Bijlage onder C1, omdat de rechtbank een prejudiciële procedure aanmerkt als “zwaar”.\n\nDe waarde per punt is gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht Bijlage B1.2. € 934,-. Dit betekent dat de rechtbank een bedrag van € 7.705,50,- (5,5 punten x 1,5 x 934,-) zal toekennen voor bovengenoemde verrichte proceshandelingen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n-verklaart het beroep voor zover gericht tegen de intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus ongegrond;\n\n-vernietigt het besluit voor zover dit betrekking heeft op het niet verlenen van een ambtshalve verblijfsvergunning op reguliere gronden en draagt verweerder op hierover opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- vernietigt het besluit voor zover dit betrekking heeft op de grond van artikel 61 van de Vw 2000 opgelegde vertrekplicht en draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak aan te geven welke rechtsgevolgen hij hieraan verbindt;\n\n-verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit tot signalering ongegrond;\n\n-bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van\n\n€ 7.705,50,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 mei 2026.\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1025) en van 21\n\nseptember 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2709).\n\n Verwezen wordt naar het na het delict van eiser gewijzigde beleid neergelegd in paragraaf C2\u002F3.2 van de Vc 2000 en het Informatiebericht SUA nummer 2024\u002F11. Door deze beleidswijziging is bij de beoordeling van dienstweigering\u002Fdesertie het algemene beleid voor dienstweigering en desertie van toepassing geworden.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2023:13621.\n\n ECLI:EU:C:2015:377.\n\n Dit volgt uit artikel 3.6a, eerste en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Vb.\n\n Zie ook het voornemen van 22 juni 2022.\n\n De ‘guiding principles’ uit de arresten van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 augustus 2001, inzake Boultif tegen Zwitserland (54273\u002F00) en Üner, van 18 oktober 2006. (46410\u002F99).\n\n Arrest van het Hof van 19 december 2024 in de gevoegde zaken C‑244\u002F24 en C‑290\u002F24, Kaduna,\n\npunt 137 en arrest van het Hof van 17 oktober 2024, in de zaak Ararat, C-156\u002F23,\n\nECLI:EU:C:2024:892, punten 31 en 32.\n\n Arrest van het Hof van 6 juli 2023 in de zaak Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A.\n\nC-663\u002F21, ECLI:EU:C:2023:540\n\n Arrest van het Hof van 12 september 2024 in de zaak Changu, C‑352\u002F23, ECLI:EU:C:2024:748.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:4046.\n\n Verordening EU 2018\u002F1861 van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987\u002F2006.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10757","2026-05-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:34.814Z",20]