[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-roermond-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":93},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},66,"Roermond","nl","roermond",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},8,{"min":18,"max":19},"2024-07-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123485","Burgerlijk Wetboek","art. 1:392",1,[27,37,46,53,60,69,77,85],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"534","ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","ecli-nl-rblim-2026-6673","","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.227940.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1997,\n\nthans verblijvende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L.M.J. de Ruiter, advocaat kantoorhoudende te Venlo.1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 april 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Vervolgens is op 8 juli 2026 het onderzoek ter terechtzitting gesloten.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 25 augustus 2025 een kussen tegen het gezicht van haar baby heeft gedrukt en zodoende heeft geprobeerd om haar baby te doden (primair). Deze handelswijze is subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegd als een poging tot zware mishandeling dan wel een mishandeling\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen. Zij heeft hierbij verwezen naar de bekennende verklaring van de verdachte, de aangifte van haar partner en de berichten die zijn gestuurd in de groepsapp van de familie op Whatsapp.\n\nVoorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een volledig verstoorde wil bij de verdachte, nu uit onderzoek is gebleken dat zij slechts verminderd en niet volledig ontoerekeningsvatbaar was.\n\n3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat er bij de verdachte sprake was van een verstoorde wil, waardoor de wilscomponent ontbreekt, hetgeen reeds om die reden tot vrijspraak moet leiden. Daarnaast heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel niet bewust aanvaard. Haar handelen was immers een uiting van onmacht, waardoor vrijspraak moet volgen voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde feit.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe bewijsmiddelen\n\n [naam 1] , de vader van [naam 2]heeft namens hem aangifte gedaan en heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nIk doe aangifte van poging doodslag.\n\nOns gezin bestaat uit mijn partner [verdachte] , mijn dochter [naam 3] (2 jaar) en mijn zoontje [naam 2] die geboren is op [geboortedatum 2] 2025. Wij wonen met zijn vieren op de [adres 2] , binnen de gemeente Venlo.\n\nOp 25 augustus 2025, om 17:45 uur, kwam [verdachte] naar beneden. Ik zat op de bank. [naam 2] lag in de box. Ik zag dat [verdachte] om de box liep naar de bank. Ik zag dat [verdachte] van de rechterhoek van de bank een kussen vastpakte. Ik zag dat [verdachte] het kussen vasthad met beide handen. Ik zag dat [verdachte] terugliep naar de box. Ik zag dat [verdachte] voor de box stond. Ik zag dat [naam 2] in het midden van de box lag. Ik zag dat [verdachte] voorovergebogen bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen in een snelle beweging liet zakken. Ik zag dat [verdachte] met beide handen, het kussen tegen het gezicht van [naam 2] drukte. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard drukte op het gezicht van [naam 2] . Dit zag ik doordat [verdachte] hard kneep in het kussen. Ze had witte knokkels en ik zag dat het matras\u002Fmatje werd ingedrukt. Ik hoorde dat ze niets zei. Ik zei: “Niet doen!” Ik zag dat [naam 2] met zijn beentjes begon te spartelen. Ik hoorde dat [naam 2] geen geluid maakte. Ik ben erop gevlogen om het te stoppen. Ik denk dat ik binnen ongeveer 4 seconden bij de box stond. Ik zag dat [verdachte] het kussen hard op het gezicht van [naam 2] bleef duwen en dat [naam 2] nog steeds spartelde met zijn benen. Ik heb [verdachte] vervolgens geslagen op haar rug, om het te stoppen. Ik zag dat [verdachte] niet stopte. Ik heb [verdachte] toen nogmaals geslagen. Ik sloeg haar tegen haar arm en of zij. Ik zag dat [verdachte] toen nog niet stopte. Ik heb toen nogmaals geslagen tegen haar arm en of zij. Daarna heb ik haar weggeduwd van de box. Ik denk dat dit ongeveer 8 tot 10 seconden heeft geduurd. Ik heb toen zelf het kussen van het gezicht van [naam 2] gehaald. Ik heb [naam 2] opgetild, want ik hoorde dat hij hard aan het huilen was. Dit klonk anders dan normaal. Ik heb dit ervaren als een paniek huil. Ik zag dat de tranen over zijn wangen rolden. Ik zag dat [naam 2] harder dan normaal ademde. Ik hoorde dat [naam 2] aan een stuk bleef huilen.\n\nIk was heel angstig dat [naam 2] iets zou overkomen. Ik kan niet inschatten of ze ermee was gestopt of dat ze het had doorgezet.\n\nVerbalisant [naam 4], die op 25 augustus 2025 aanwezig was bij de aanhouding van de verdachte, relateerde in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte:\n\nIk vroeg aan [verdachte] : \"Ik heb gehoord dat jij een kussen op het gezicht van [naam 2] had gedrukt. Klopt dat?\" Ik hoorde dat [verdachte] zei: \"Ja dat klopt.\" Ik zag dat ze dit zei zonder emotie. Ik zei: \"Wilde je hem dood maken?” Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Ja, dat kan best.”\n\nDe verdachteheeft tijdens haar eerste verhoor bij de politie onder meer het volgende verklaard:\n\nOp 25 augustus 2025 knapte er iets in mij en toen heb ik het kussen op het hoofd van mijn jongste kind, [naam 2] , geduwd. [naam 1] duwde mij weg en ik begon te schreeuwen. Ik heb het kussen een paar seconden op zijn hoofd geduwd.\n\nTijdens haar tweede verhoor bij de politie heeft de verdachtehet volgende verklaard:\n\nV: Je dochtertje zat bij je he?\n\nA: Ze zat bij mij op de schoot.\n\nV: Waarom richtte je je niet tot haar in plaats van op je zoontje?\n\nA: Omdat hij zich nog niet kan verweren, dus dan is het makkelijker.\n\nV: Wat was dan makkelijker?\n\nA: Om me daar op af te reageren omdat hij zich toch niet kan verweren.\n\nV: Wat ging er door je heen toen je naar de box liep?\n\nA: Ik weet niet meer precies, het was alsof ik dat moest doen om overal vanaf te zijn.\n\n(…)\n\nV: Gisteren kwam het ‘achter het behang plakken’ ter sprake. Dat we dit gevoel allemaal wel kennen. Wanneer heb je voor het eerst gedacht je zoontje echt wat aan te willen doen? We bedoelen dus het gevoel dat verder gaat dan 'achter het behang plakken’.\n\nA: Ik heb het wel eens gedacht, maar niet tot actie om gezet.\n\nV: Wanneer heb je dit voor het eerst gedacht?\n\nA: Een paar weken terug.\n\nV: Hoe zagen die gedachtes eruit?\n\nA: Als dit zo door blijft gaan, dan doe ik hem dadelijk iets aan.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte op 25 augustus 2025 in haar woning een kussen op het gezicht van haar baby heeft gedrukt en gedrukt heeft gehouden. De partner van de verdachte heeft haar moeten wegduwen en slaan om haar te laten stoppen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan deze gedraging, gelet op haar uiterlijke verschijningsvorm, worden aangemerkt als een gedraging die is gericht op het beëindigen van het leven van het slachtoffer. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat het drukken van een kussen op het hoofd de ademhaling belemmert en tot verstikking kan leiden. Dit geldt in het bijzonder voor een baby van zes maanden oud, die vanwege diens fysieke kwetsbaarheid en afhankelijkheid in het geheel niet in staat is zich aan een dergelijke situatie te onttrekken.\n\nDe rechtbank leidt uit deze uiterlijke verschijningsvorm af dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op de dood van haar baby. De rechtbank slaat daarbij ook acht op de uitlatingen die de verdachte tegenover de politie heeft gedaan dat het best zou kunnen dat zij haar zoontje op dat moment wilde dood maken, dat zij sinds een paar weken gedachtes had dat zij haar zoontje iets aan kon doen en dat zij zich bewust tot haar zoontje richtte, omdat hij zich nog niet kan verweren.\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte handelde vanuit een geestelijke stoornis, waardoor sprake zou zijn geweest van een verstoorde wilsvorming. De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de onder 5 nader te noemen triple rapportage naar de persoon van de verdachte weliswaar volgt dat zij leed aan een psychische stoornis, maar dat niet is gebleken dat deze stoornis haar wilsvrijheid zodanig heeft aangetast dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of overeenkomstig die wil te handelen. Dat de verdachte nog in staat was om bewuste keuzes te maken, blijkt bovendien reeds uit de omstandigheid dat zij zich tot haar zoontje richtte omdat hij zich nog niet kan verweren. Dat de verdachte mogelijk vanuit haar stoornis heeft gehandeld, maakt niet dat haar wil volledig was uitgeschakeld.\n\nDe rechtbank verwerpt daarom het verweer en acht de poging tot doodslag zoals primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nPrimair\n\nop 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) van het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt en gedrukt gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:\n\nPrimair\n\nPoging tot doodslag.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nGZ-psycholoog dhr. T. ’t Hoen, psychiater mw. C.M.A. Matton en forensisch milieuonderzoeker dhr. D.A. de Ruiter hebben op 18 december 2025 een triple rapportage uitgebracht over de persoon van de verdachte. In genoemd rapport is vermeld dat de verdachte een zeer kwetsbare, gesloten en getraumatiseerde vrouw is, bij wie een forse scheefgroei in haar persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling wordt gezien waarvoor de basis al is gelegd in haar problematische en belaste jeugd. Er is sprake van een op de voorgrond staande borderline-persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is bij de verdachte terugkerend sprake van een mengbeeld van stemmingsklachten en trauma-gerelateerde klachten, die ook in aanloop naar het feit op de voorgrond kwamen. Tevens kan er volgens de deskundigen worden gesproken van een stoornis in het gebruik van speed (amfetamine), licht van aard en thans in remissie in de gereguleerde omgeving van detentie.\n\nVolgens de deskundigen was van bovenstaande stoornissen ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde feit en werden de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde feit ook door de psychische stoornissen beïnvloed.\n\nIn aanloop naar het tenlastegelegde feit liepen de spanningen en psychische problemen bij de verdachte steeds meer op. Haar draagkracht schoot steeds meer tekort om de toenemende draaglast het hoofd te bieden, wat leidde tot een sterke toename van psychische klachten in de vorm van forse spannings- en stemmingsklachten (waaronder prikkelbaarheid). Doordat de spanningen en problemen bleven aanhouden en zelfs toenamen, lukte het haar niet langer om de afgesplitste woede en agressie te controleren. Dit kwam al tot uiting in de toenemende woede en agressie jegens zichzelf in de vorm van automutilatie en suïcidaliteit. Daarnaast lijkt de afgesplitste woede ook naar buiten te zijn geslagen in de vorm van de agressieve impulsdoorbraak jegens haar paar maanden oude zoontje. De verdachte was al met al als gevolg van haar ernstige persoonlijkheidspathologie op dat moment onvoldoende in staat om haar gedrag op een gezondere wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. De deskundigen adviseren daarom het feit in verminderde mate toe te rekenen.\n\nOp grond van dit rapport is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend, omdat zij het feit heeft begaan onder invloed van een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens.\n\nGelet op het voorgaande is er géén sprake van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte voor het bewezenverklaarde in het geheel uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie gaat ervan uit dat het feit in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen. Daarnaast heeft zij in acht genomen dat het een zeer ernstig feit betreft, waar normaliter lange gevangenisstraffen tegenover staan. Zij heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Overeenkomstig het reclasseringsadvies heeft zij gevorderd om de aan de tbs te verbinden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de voorlopige hechtenis te schorsen onder dezelfde voorwaarden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte gebaat is bij hulp en behandeling en acht tbs met voorwaarden een passende sanctie. Wel heeft zij verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe ernst van het feit\n\nDe verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd door een kussen op het gezicht van haar zes maanden oude baby te drukken en gedrukt te houden. Daarmee heeft zij de gezondheid en het leven van haar baby ernstig in gevaar gebracht. [naam 2] was als jonge baby compleet weerloos en volledig afhankelijk van de zorg en bescherming van zijn ouders. Door zo te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op haar ouderlijke plicht om haar baby te verzorgen en te beschermen en zich te onthouden van elk handelen dat het kind schade kan berokkenen. Dat het handelen van de verdachte geen blijvend letsel of het overlijden van de baby heeft veroorzaakt, is alleen te danken aan het ingrijpen van haar partner.\n\nDe rechtbank heeft er oog voor dat de verdachte heeft gehandeld vanuit frustraties en onmacht die een oorzaak vinden in haar trauma’s en stoornis. Dat kan helpen verklaren hoe het tot dit handelen is gekomen, maar rechtvaardigt het gedrag niet. Juist in zulke situaties mag van een moeder worden verwacht dat zij hulp zoekt of afstand neemt, in plaats van haar kind in gevaar te brengen.\n\nZoals reeds onder 5 is uiteengezet, komt de rechtbank op basis van de daar genoemde triple rapportage wel tot de conclusie dat het bewezenverklaarde verminderd aan de verdachte moet worden toegerekend, omdat de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde feit door de psychische stoornissen van de verdachte werden beïnvloed. De rechtbank zal daar rekening mee houden bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregelen.\n\nDe straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee, dat zij van het begin af aan openheid van zaken heeft gegeven en ook ten volle heeft meegewerkt aan het triple onderzoek. Omdat de rechtbank van oordeel is dat in deze zaak de focus op de behandeling van de verdachte dient te liggen, zal zij de gevangenisstraf beperken tot een straf gelijk aan de duur van het voorarrest en aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 268 dagen. Omdat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels al is geschorst onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd in het kader van de tbs met voorwaarden, betekent dat dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.\n\nDe maatregel van terbeschikkingstelling\n\nIndien het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld.\n\nHet bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld en hiervoor heeft de rechtbank al geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Ten aanzien van het risico voor de algemene veiligheid van personen of goederen (het recidiverisico) en de behandelmogelijkheden, komt in de triple rapportage naar voren dat bij de verdachte een matig risico aanwezig is op herhaling van een soortgelijk feit. De deskundigen achten een langdurige, intensieve behandeling binnen een forensische kliniek noodzakelijk om dat risico terug te dringen. Deze behandeling dient zich te richten op de borderlinepersoonlijkheidsstoornis van de verdachte en de bijkomende psychische klachten en symptomen. Middels behandeling dient het inzicht van de verdachte in haar emotionele binnenwereld te worden vergroot, moet er aandacht zijn voor haar emotieregulatie en het versterken van haar copingvaardigheden. De deskundigen adviseren om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen. Zij zien enkele aanknopingspunten voor het opleggen van tbs met voorwaarden, maar zien hier ook de beperkingen van. Zij hebben namelijk zorgen of de verdachte een dergelijk intensief en langdurig behandeltraject aankan. De deskundigen hebben uiteindelijk geadviseerd om de reclassering onderzoek te laten doen naar de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden.\n\nDe reclassering heeft op 12 maart 2026 advies uitgebracht. De reclassering schat het risico dat de verdachte zich zal onttrekken aan de voorwaarden in als laag, maar spreekt wel haar twijfels uit over het antwoord op de vraag in hoeverre de verdachte zich vanuit haar ernstige persoonlijkheidspathologie langdurig weet te conformeren aan een ingrijpende en intensieve behandeling. Desalniettemin acht zij een tbs met voorwaarden wel uitvoerbaar. De reclassering heeft daarom geadviseerd om in dat kader aan de verdachte onder meer de volgende voorwaarden op te leggen: meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, verblijf in beschermd\u002Fbegeleid wonen, meewerken aan ambulante gezinsbegeleiding en een alcohol- en verdovende middelen verbod.\n\nDe rechtbank is op basis van de triple rapportage en het advies van de reclassering van oordeel dat adequate zorg rondom de verdachte opgezet zal moeten worden om te voorkomen dat zij niet of onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij en om ervoor te zorgen dat zij langere tijd behandeld en gemonitord wordt.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de genoemde wettelijke vereisten om de maatregel van tbs met voorwaarden te kunnen opleggen en zal ter bescherming van de veiligheid van anderen de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte opleggen, zoals benoemd in het advies van de reclassering. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van deze voorwaarden. Uit de rapporten en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zij het liefst zo snel mogelijk dient te beginnen met de klinische behandeling bij de Rooyse Wissel. Daarom heeft de rechtbank op de zitting van 29 april 2026 de voorlopige hechtenis geschorst met ingang van het moment dat deze behandeling is aangevangen onder dezelfde voorwaarden als geadviseerd door de reclassering in het kader van de tbs met voorwaarden.\n\nDe rechtbank stelt voorts vast dat deze maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe rechtbank zal bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zonder directe intensieve behandeling en begeleiding zal terugvallen in gedrag dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe gedrag beïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nMede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om de verdachte, ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr op aan de verdachte.\n\n7. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvan268 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\na. De veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n De veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n De veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen.\n\n De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n De veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n De veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken.\n\n De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n De veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n De veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n De veroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door de Rooyse Wissel of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijk wonen gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\n De veroordeelde laat zich – na afloop van een klinische behandeling – behandelendoor een nader te bepalenforensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n De veroordeelde verblijft na afloop van een klinische behandeling, indien nodig, gedurende de proefperiode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een nader te bepalen begeleid of beschermd woneninstelling of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-outworden opgenomen in een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;\n\n De veroordeelde gaat niet naar het buitenlandof het Caribisch gebied van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;\n\n De veroordeelde gebruikt geen verdovende middelengenoemd in lijst I (harddrugs), en\u002Fof lijst II (softdrugs) en\u002Fof geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n De veroordeelde werkt, zolang de reclassering dit nodig acht, mee aan ambulante gezinsbegeleiding en\u002Fof jeugdbeschermingen houdt zich aan de afspraken met de betrokken hulpverlening. In het belang van de veiligheid van de veroordeelde zelf, de partner en de kinderen van de veroordeelde, is de veroordeelde open over haar psychische gesteldheid richting hulpverlening en de reclassering. De reclassering en de hulpverlening hebben overleg met elkaar;\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\n- legt aan de veroordeelde op de maatregelstrekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking(artikel 38z Sr).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. M.J.A.G. van Baal en mr. R.M.M. Menting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Menting is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nPrimair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\nopzettelijk een ander, te weten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025)\n\nvan het leven te beroven, een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft\n\ngedrukt en\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf\n\nniet is voltooid;\n\nSubsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te\n\nweten [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) opzettelijk zwaar lichamelijk\n\nletsel toe te brengen een kussen tegen het gezicht van die [naam 2] heeft gedrukt\n\nen\u002Fof gedrukt gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is\n\nvoltooid,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen haar kind;\n\nMeer subsidiair:\n\nzij op of omstreeks 25 augustus 2025 in de gemeente Venlo\n\n [naam 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2025) heeft mishandeld, door een kussen\n\ntegen het gezicht van die [naam 2] te drukken en\u002Fof gedrukt te houden, terwijl\n\nverdachte dit misdrijf beging tegen haar kind.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025143771, gesloten d.d. 30 oktober 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 182.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] mede namens [naam 2] van 25 augustus 2025, pg. 15 en 16.\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 26 augustus 2025, pg. 144 en 145.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 26 augustus 2025, pg. 162 en 163.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 27 augustus 2025, pg. 166-168.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6673","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:35.466Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"1258","ECLI:NL:RBLIM:2026:6530","ecli-nl-rblim-2026-6530","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 03.207417.25; 20.002155.21 (tul); 03.050076.23 (tul); 03.344019.21 (tul)\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [Verdachte] ,\n\ngeboren te Sittard-Geleen op [geboorte datum] 2003,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nmomenteel gedetineerd in P.I. te Grave.\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L. van Tiggelen, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. [slachtoffer 2] is op zitting verschenen. [slachtoffer 1] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partijen is A.C.M. Vaes, werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:zijn levensgezel [slachtoffer 1] heeft mishandeld;\n\nFeit 2:een gouden ketting van [slachtoffer 1] heeft gestolen;\n\nFeit 3:[slachtoffer 3] heeft bedreigd door hem een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp te tonen (primair)dan wel onder bedreiging met dat voorwerp hem heeft gedwongen een pannenkoek (met ontlasting) te eten(subsidiair);\n\nFeit 4:zijn levensgezel [slachtoffer 2] heeft mishandeld;\n\nFeit 5:[slachtoffer 2] heeft belaagd(primair)dan wel haar auto heeft vernield(subsidiair).\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van feit 1 verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het geven van een kopstoot, het dichtknijpen van de keel en het slaan tegen het hoofd van aangeefster [slachtoffer 1] wegens onvoldoende bewijs.\n\nTen aanzien van feit 3 verzoekt de verdediging, indien de rechtbank toekomt aan het subsidiair ten laste gelegde, de verdachte partieel vrij te spreken van het gedeelte ‘met\n\nontlasting’.\n\nTen aanzien van feit 5 verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van de primair ten laste gelegde belaging voor in ieder geval de periode tot en met 8 maart 2025, nu in die periode aangeefster [slachtoffer 2] zelf ook heeft bijgedragen aan het in stand houden van het contact. Daarnaast verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van de ten laste gelegde vernielingen van de auto(banden) en het raam van aangeefster [slachtoffer 2] wegens onvoldoende bewijs.\n\nVoor het overige en ten aanzien van feit 2 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 5 (primair en subsidiair)\n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op verschillende momenten de autobanden van aangeefster lek heeft gestoken en\u002Fof de auto heeft bekrast. De verdachte ontkent deze feiten. De vraag die vervolgens voorligt is of de aangifte voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier die niet van dezelfde bron afkomstig zijn. Dat is niet het geval. De camerabeelden die zich in het dossier bevinden zijn niet van dien aard dat de politie daar een herkenning van de verdachte op heeft kunnen doen. Daarnaast kan uit de verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte op de momenten dat de vernielingen plaatsvonden daadwerkelijk bij de auto van aangeefster aanwezig was. Weliswaar geldt voor bepaalde momenten dat de telefoon van de verdachte bepaalde masten aanstraalde in de buurt van de woning van aangeefster, maar nu die masten een groot gebied aanstraalt is dat onvoldoende als steunbewijs. Per saldo is dus slechts één bewijsmiddel beschikbaar in de vorm van de aangifte en de daarin door aangeefster genoemde herkenning van de verdachte op de beelden. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste bewijsminimum zodat de rechtbank niet bewezen acht dat het de verdachte is geweest die op verschillende momenten de autobanden van aangeefster lek heeft gestoken. Ditzelfde geldt voor het gooien van stenen tegen het raam van aangeefster, zodat de rechtbank dat ook niet bewezen acht.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier voor het overige van de ten laste gelegde gedragingen, te weten het door de straat rijden en veelvuldig contact opnemen met aangeefster door haar berichten te sturen en te bellen, naar aard, duur, frequentie en intensiteit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de voor belaging vereiste stelselmatigheid te komen. Daarbij speelt mee dat gedurende een gedeelte van de tenlastegelegde periode de politie heeft geconstateerd dat ook sprake was van contact dat werd geïnitieerd door aangeefster en dat een groot deel van de berichten die volgens aangeefster door de verdachte zijn verzonden niet objectief aan hem te linken zijn. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde, alsmede van het subsidiair ten laste gelegde, nu reeds is overwogen dat het lek steken van de autobanden niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.\n\nBewezenverklaring feit 1, 2, 3 (primair) en 4\n\nFeit 1\n\nBewijsmiddelen\n\nIn het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] van 6 juli 2025staat het volgende gerelateerd:\n\nIk ben woonachtig op de [woonplaats 2] . Op maandag 9 juni 2025 hebben wij elkaar voor het eerst gezien in mijn woning. Deze avond is hij gewoon naar huis gegaan. De volgende dag 10 juni 2025 is hij weer naar mijn woning gekomen en is hij eigenlijk niet meer weg gegaan van af toen. Wij hebben toen officieel een relatie gekregen. De eerste 1,5 week was nog alles \"goed\". Vanaf maandag 23 juni 2025 is het geweld richting mij begonnen, deze maandag hadden wij ruzie gekregen omdat [Verdachte] een airco zou gaan ophalen via marktplaats in Heerlen. In de tijd van maandag 23 juni 2025 tot zondag 29 juni 2025 hebben wij vaker ruzie gehad en heeft hij mij ook meerdere malen met een platte hand geslagen.\n\nZondag 29 juni 2025 kwam ik thuis in mijn woning. Deze zondag heeft hij mij ook fysiek weer mishandeld. Hij heeft mij toen geslagen met een platte hand, geduwd ter hoogte van mijn borst en mijn keel dicht geknepen met één of twee handen. Deze mishandelingen hebben een paar uur geduurd waarbij hij dit meerdere malen heeft gedaan. Ik voelde toen ook pijn aan mijn lichaam van deze mishandelingen.\n\nOp maandag 30 juni heeft hij mij ook met gebalde vuisten geslagen op mijn lichaam ik voelde meteen pijn in mijn lichaam en moest huilen van de pijn, schrik en de angst.\n\nDinsdag 1 juli 2025 was een hele extreme dag qua mishandelingen en hiervan heb ik ook heel veel letsel opgelopen. Rond 12 uur stond ik in de badkamer in mijn woning. [Verdachte] verweet mij dat ik wat verkeerds had gedaan, toen ik vroeg wat ik verkeerd had gedaan voelde ik dat [Verdachte] mij met gebalde rechtervuist zeker vijf keer op de linkerkant van mijn hoofd sloeg. Ik voelde meteen heel veel pijn in mijn hoofd en schreeuwde het uit van de pijn. Hij sloeg mij ook met gebalde rechtervuist op mijn bovenbenen, hier heb ik ook blauwe plekken van. Ook kneep hij mij op dat moment in mijn linker bovenarm, hier heb ik een grote blauwe plek van op mijn arm staan. Ik heb toen heel hard moeten huilen van de pijn. [Verdachte] heeft mij toen aan mijn kleding meegetrokken naar mijn woonkamer. Ik heb toen gezegd dat de politie zou komen naar aanleiding van mijn geschreeuw en dat ik niet meer kon liegen omdat ik helemaal onder de blauwe plekken zat. Hij heeft mij toen nog in mijn onderrug geknepen en getrokken aan mijn vel. Op mijn onderrug heb ik hier ook een blauwe plek van. [Verdachte] wilde toen weg uit de woning en wilde naar de [plaats] gaan om daar in de zon te gaan zitten. Ik mocht van hem niet in mijn eigen woning blijven. Ik ben toen ook met hem richting de [plaats] moeten gaan. Onderweg naar de [plaats] heeft [Verdachte] mij drie keer met een gebalde vuist op mijn rechter bovenarm geslagen waarvan ik een grote blauwe plek heb gekregen. Rond 14.30 uur zijn wij terug naar huis gegaan en heb ik andere kleren aangetrokken om mijn blauwe plekken te verbergen.\n\nWoensdag 2 juli 2025 is [Verdachte] wederom boos geworden op mij, ik weet eigenlijk niet eens meer waarom. Toen ik op de bank in de woonkamer zat zag ik dat [Verdachte] mij sloeg met een slipper op mijn linker hoofd [de rechtbank begrijpt: de linkerkant van mijn hoofd]. Dit is de plek waar hij mij eerder al heeft geslagen met gebalde vuisten en ik nog steeds pijn van ondervind. Ook zag en voelde ik dat hij mij met kracht met zijn rechtervoet met hieraan een slipper ook weer tegen de linkerkant van mijn hoofd trapte. Ik voelde van deze klappen meteen nog meer pijn aan mijn hoofd. Ik zag dat [Verdachte] zijn slippers uit deed en deze verruilde voor zijn werkschoenen met stalen neus. Ik zag dat hij met zijn rechtervoet met kracht tegen mijn linkerbeen schopte. Ook dit deed pijn en hiervan heb ik een blauwe plek op mijn been.\n\nDonderdag 3 juli 2025 kan ik mij niet meer goed herinneren maar ook deze dag hebben er weer mishandelingen plaats gevonden richting mij. Iedere dag hebben er\n\nmishandelingen plaatsgevonden vanaf de vorige zondag.\n\nZaterdag 5 juli 2025 ben ik rond 10 uur opgestaan. De afspraak was dat mijn dochtertje [dochter] deze dag naar mijn ouders zou gaan. [Verdachte] was boos dat mijn ouders nog aan het slapen waren en zij dus nog steeds in de woning was. [Verdachte] is vervolgens op mij afkomen lopen en gaf mij een kopstoot tegen mijn voorhoofd. Ik begon gelijk te schreeuwen van de pijn. Ik zat op dat moment op de bank samen met mijn dochtertje.\n\nWij hebben ons toen klaar gemaakt en zijn met zijn drieën richting mijn ouders gereden. Onderweg kregen wij nog ruzie met elkaar en werd hij wederom boos in de auto op mij. Hij heeft mij hierbij heel hard in mijn rechterbeen geknepen terwijl ik aan het autorijden was. Ik ben toen heel hard op de rem moeten gaan. Ik heb vervolgens keihard geschreeuwd van de pijn.\n\nVandaag 6 juli zijn wij samen opgestaan rond 11 of 12 uur en heb ik eigenlijk gelijk aangegeven aan [Verdachte] dat ik mij niet goed voelde en veel pijn had en dat ik het niet meer wilde op deze manier. Ik zat op dat moment hangend op de bank met mijn kont richting [Verdachte] . Ik voelde dat [Verdachte] met kracht met zijn rechtervoet tegen mijn rechterbil trapte en mij met een platte hand op mijn linkerarm sloeg. Ik voelde meteen pijn aan mijn bil en arm en begon te huilen en te schreeuwen. Ik voelde dat [Verdachte] mij vervolgens met twee handen bij mijn keel pakte en deze dichtkneep. Dit omdat ik stil moest zijn en mij niet moest aanstellen. Dit deed hij een paar, ongeveer vijf, seconden en toen liet hij mijn keel los. Tijdens die vijf seconden kreeg ik geen lucht. Ik ben vervolgens naar de keuken gelopen en ik zag dat [Verdachte] mij achterna kwam gelopen. Ik ben in de keuken op de grond gegooid door [Verdachte] en voelde en zag dat hij mij met gebalde vuisten met kracht op mijn lichaam sloeg. Ik ben vervolgens ineengedoken om mij te verweren tegen deze slagen.\n\nOmstreeks 14.00 uur ben ik opgestaan en ben naar de slaapkamer gelopen en ben op bed gaan huilen. [Verdachte] is mij wederom achterna gelopen en heeft op de slaapkamer het raam gesloten. [Verdachte] is vervolgens toen ik op bed lag op mij gesprongen en heeft mij met twee handen mijn keel dichtgeknepen. Dit dichtknijpen heeft ongeveer 10 of 15 seconden geduurd. Hiervan heb ik ook letsel aan mijn keel. Omdat vandaag mijn dochtertje teruggebracht zou worden door mijn ouders moest ik mij gaan klaar maken van [Verdachte] , want ik moest er normaal uitzien voor mijn ouders. Dit was omstreeks 14.30 uur. Deze mochten niet zien dat ik blauwe plekken of striemen op mijn lichaam had. Ik moest vervolgens van [Verdachte] make-up op mijn striemen in mijn nek smeren om dit te verbergen. Om 15.20 uur zag ik dat mijn ouders met mijn dochtertje [dochter] bij mijn woning stonden. [Verdachte] is vervolgens de deur uitgegaan om boodschappen te doen. Ik heb vervolgens tegen mijn moeder gezegd dat zij de politie moest bellen. Mijn moeder heeft vervolgens meteen de politie gebeld waarna jullie kwamen.\n\nIn het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2025 (met als bijlage het fotoblad betreffende het letsel van [slachtoffer 1] )staat het volgende gerelateerd:\n\nOp zondag 6 juli 2025, omstreeks 15.40 uur kwamen wij verbalisanten op de [woonplaats 2] , dit betrof een flatgebouw waarbij dochter [slachtoffer 1] woonachtig is op de eerste verdieping. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat [slachtoffer 1] blauwe plekken had op haar beide benen, armen en rug. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] zei dat zij ook striemen in haar nek had, maar dat hier make-up op zat. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat zij de make-up uit haar nek wegveegde. Ik zag dat er rode striemen aan de linkerkant van haar nek zaten. Al het letsel werd op foto vastgelegd.\n\nIn het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025staat het volgende gerelateerd:\n\n Ik wens een getuigenverklaring af te leggen in verband met vele ruzies op het adres\n\nvan mijn onderbuurvrouw, [woonplaats 2] . De onderbuurvrouw heeft sinds vier weken een relatie gestart met een manspersoon. Sinds een week of twee geleden kwam de buurvrouw op een zondagmiddag thuis. De buurvrouw kwam toen thuis van een weekend logeren bij haar ouders. Deze zondag werd er flink geschreeuwd in de woning. Ik hoorde de buurvrouw meermaals hard roepen: \"auw laat mij los, ik vind dit niet leuk.\" Ik hoorde de man in de woning continu schreeuwen. Ik hoorde de buurvrouw schreeuwen, alsof zij enorm veel pijn had. Na die zondag spelen de ruzies dagelijks, meerdere momenten op de dag. Ik hoor de\n\nbuurvrouw zo vaak schreeuwen. Ik hoorde de buurvrouw vaker schreeuwen: \"Mijn kind, mijn kind. Waarom sla je mij zo hard? Je doet mij pijn, laat mij los. Ik heb mijn kind op schoot zitten, ik wil dit niet. Je maakt mij gewoon kapot, ik trek dit niet meer.\"\n\nIk zag dat de buurvrouw vaker in de ochtend het kind naar de school\u002Fopvang bracht. Ik zag dat de buurvrouw sinds haar relatie veelvuldig make-up op deed, dit zag ik\n\nnormaal nooit bij de buurvrouw. Ik zag dat de buurvrouw ten tijde van de relatie niet lekker in haar vel zat. Ik zag dat de buurvrouw nooit vrolijk was, zodra zij met kind naar buiten liep. Ik zag dat de buurvrouw een stille indruk maakte met haar houding en mimiek. Normaal was de buurvrouw veel vrolijker, zeker voor deze relatie plaatsvond. Ik zag dat de buurvrouw sinds de relatie krom liep. Ik zag dat de buurvrouw voorover liep, hier kreeg ik een vreemd gevoel van.\n\nIn het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 2] van 7 juli 2025staat het volgende gerelateerd:\n\nMijn moeder is woonachtig op de [woonplaats 3] . Ik ben hier in de weekenden, in de avonden en ’s morgens vroeg. In de tijd dat ze hier woont, een jaar, heb ik nooit een jongen over de vloer gezien, vooral vriendinnen, tot vier weken terug ongeveer. Op het begin hoorde ik veel gelach tussen de twee en leek het een leuke en gezellig relatie. Na ongeveer anderhalve week ging het van lachen naar huilen. Dit werd met de dag steeds erger. Ik hoor meerdere keren dat er een klap werd gegeven en hierop hoorde ik [slachtoffer 1] : \"Auw!\" roepen.\n\nOok hoor ik op het moment dat de vriend [slachtoffer 1] slaat en [slachtoffer 1] hierop schreeuwt van de pijn, dat de vriend begint te lachen.\n\nErgens in de derde week van hun relatie stond ik te roken op het balkon. Haar\n\nwoonkamer raam stond open en ligt schuin onder mijn balkon, hierdoor kon ik\n\nmeeluisteren wat ze bespraken in de woonkamer van [slachtoffer 1] . Ik hoorde [slachtoffer 1] zich\n\nafvragen waarom het nu zo slecht gaat in de relatie en dat het op het begin ook goed\n\nging. Hierop hoorde ik twee klappen die gegeven werden. Vervolgens hoorde ik dat [slachtoffer 1] iets wilde zeggen en hierop een zware klap kreeg. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] haar zin niet kon afmaken en de lucht uit haar geperst werd. Vervolgens werd het raam van de woonkamer dichtgemaakt waardoor ik niks meer hoorde.\n\nDe verdachte verklaarde tijdens de terechtzitting van 23 juni 2026als volgt:\n\nHet klopt dat ik [slachtoffer 1] vaker heb geslagen en geknepen.\n\nOverweging\n\nDe verdachte heeft bekend [slachtoffer 1] meermaals te hebben geslagen en geknepen. De rechtbank acht echter ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt, haar een kopstoot heeft gegeven en dat hij tweemaal haar keel heeft dichtgeknepen. De verbalisanten die op 6 juli 2025 ter plaatse komen, zien bij [slachtoffer 1] blauwe plekken op haar beide benen, armen en rug en rode striemen aan de linkerkant van haar nek. Getuige [getuige 2] , de buurman van [slachtoffer 1] , verklaart tevens dat hij tijdens een ruzie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte hoorde dat zij haar zin niet kon afmaken en lucht uit haar geperst werd. Daarnaast verklaren de buren [getuige 1] en [getuige 2] dat zij na ongeveer anderhalve week sinds de verdachte in beeld is klappen, geschreeuw van de verdachte en geschreeuw van pijn horen. Getuige [getuige 1] verklaart ook dat [slachtoffer 1] sindsdien veel make-up draagt en een ongelukkige houding aanneemt. De incidenten en gedragsveranderingen die de buren waarnemen, komen hierin ook overeen met de verklaring van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verklaart immers zelf dat na anderhalve week de relatie veranderde en zij make-up op deed ter verbloeming van haar letsel.\n\nDe rechtbank passeert op grond van bovenstaande dan ook de gedeeltelijke ontkenning van de verdachte en acht de verklaring van [slachtoffer 1] in zijn geheel betrouwbaar. De verklaring van aangeefster vindt steun in de bevindingen van de verbalisanten, maar ook in de waarnemingen van de getuigenverklaringen omtrent de ruzies, incidenten en gedragsveranderingen.\n\nFeit 2\n\nAangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 juli 2025.\n\nFeit 3 (primair)\n\nAangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2026;\n\n- het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025.\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij van de ten laste gelegde periode van 10 juni 2025 tot en met 18 juni 2025 en van 24 juli 2025 tot en met 6 juli 2025. De video waarop te zien is dat de verdachte [slachtoffer 3] bedreigt, is opgenomen in de woning van [slachtoffer 1] . Zij heeft verklaard dat de verdachte in het weekend van 21 juni 2025 alleen in haar woning is geweest en dat zij op 19 juni 2025 nog pannenkoeken in de koelkast had gezet voor hem. Dit maakt dat het niet anders kan dan dat de bedreiging in de periode van 19 juni 2025 tot en met 23 juni 2025 heeft plaatsgevonden. [slachtoffer 1] verklaart immers ook dat zij na terugkomst van het weekendverblijf bij haar ouders samen de betreffende video bekeken hebben.\n\nDe verdediging heeft daarnaast verzocht ‘met ontlasting’ uit te strepen. De rechtbank komt in het kader van de bewijsvraag echter niet toe aan de vraag of de pannenkoek met of zonder ontlasting door [slachtoffer 3] werd gegeten, omdat deze vraag enkel aan de orde is bij het subsidiair ten laste gelegde en zij het primair ten laste gelegde bewezen acht.\n\nFeit 4\n\nAangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 november 2024 (in samenhang bezien met het bijbehorende fotoblad).3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nFeit 1\n\nop meerdere tijdstippen in de periode van 23 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2] [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en te schoppen,\n\n- meermalen in de arm en rug van die [slachtoffer 1] te knijpen,\n\n- die [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en\n\n- door meermalen de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\nFeit 2\n\nin de periode van 1 juli 2025 tot en met 5 juli 2025 te [woonplaats 2] een gouden ketting die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nFeit 3 (primair)\n\nin de periode van 19 juni 2025 tot en met 23 juni 2025 te [woonplaats 2] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag of mes te tonen;\n\nFeit 4\n\nop 16 november 2024 te [woonplaats 4] [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nmishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd\n\nFeit 2\n\ndiefstal\n\nFeit 3 primair\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling\n\nFeit 4\n\nmishandeling, begaan tegen zijn levensgezel\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Tevens dient de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) te worden opgelegd.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Aan het voorwaardelijk op te leggen deel kan, naast ambulante behandeling en begeleiding bij zijn problemen, een contact- en locatieverbod worden opgelegd. Oplegging van een tbs-maatregel of GVM is volgens de verdediging niet opportuun en disproportioneel.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van [slachtoffer 2] die destijds zijn levensgezel was. Hij heeft haar een kopstoot gegeven midden op een openbare parkeerplaats waar meerdere mensen getuige van zijn geweest. [slachtoffer 2] schaamde zich daarvoor en voelde zich daarnaast onveilig en bang. Ook heeft de verdachte [slachtoffer 1] mishandeld, die na [slachtoffer 2] zijn levensgezel werd. De verdachte heeft [slachtoffer 1] geslagen, geknepen, geschopt, haar een kopstoot gegeven en tweemaal haar keel dichtgeknepen. Vaak deed de verdachte dit in aanwezigheid van het dochtertje van destijds drie jaar oud.\n\nHuiselijk geweld is een van de meest ingrijpende vormen van geweld: het vindt plaats binnen de privésfeer, waar iemand zich veilig zou moeten voelen. Het is algemeen bekend dat huiselijk geweld een bijzonder destructieve vorm van geweld is, waarvan de gevolgen jarenlang kunnen doorwerken in het leven van het slachtoffer en diepe psychische sporen kunnen achterlaten. Het tast het gevoel van eigenwaarde aan, leidt tot gevoelens van angst en wantrouwen en veroorzaakt niet zelden sociaal isolement. Dat de feiten psychisch grote indruk hebben gemaakt op de slachtoffers bleek ook ter zitting uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] en uit de toelichting op de vorderingen tot schadevergoeding.\n\nOok is in zeer korte tijd het geweld dat de verdachte gebruikte geïntensiveerd, hetgeen de rechtbank ernstige zorgen baart. In het dossier ziet de rechtbank een patroon van toenemende agressie en verlies van controle. De rechtbank vreest hierdoor voor verdere escalatie met mogelijk fatale gevolgen. In dit kader wijst de rechtbank op het reële risico voor femicide: geweld gepleegd door een (ex-)partner tegen een vrouw dat leidt tot de dood. Dit vormt een groot maatschappelijk probleem en het zijn zeer ernstige feiten die de samenleving in ernstige mate schokken en waarbij veelvuldig blijkt hoe moeilijk het is vrouwen en meisjes hiertegen te beschermen. In dit geval zijn er meerdere risicofactoren aanwezig: het escalerende fysieke geweld (waaronder de keel dichtknijpen van [slachtoffer 1] ), het controlerende gedrag, de jaloezie en de bedreiging. Uit de verklaringen van de slachtoffers in deze zaak, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt dat zij allemaal heel erg bang zijn voor de verdachte en daadwerkelijk vrezen voor wat de verdachte hen zou kunnen aandoen.\n\nNaast het huiselijk geweld heeft de verdachte [slachtoffer 3] bedreigd en dit gefilmd. Hij droeg daarbij een bivakmuts en bedreigde hem met een zaag\u002Fmes. De verdachte heeft [slachtoffer 3] daarmee gedwongen een pannenkoek op te eten. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat deze pannenkoek besmeurd was met poep van de verdachte, nu [slachtoffer 1] verklaard heeft dat de verdachte dat tegen haar heeft gezegd en zij geen enkel belang had om dit te verzinnen ten overstaan van de politie. Deze omstandigheid past ook bij de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij, nadat van hem in het verleden een vernederend filmpje is gemaakt, ook een keer wilde ervaren hoe het is om een vernederend filmpje te maken van iemand anders. Het dwingen van het eten van een pannenkoek met ontlasting is buitengewoon vies, vernederend en respectloos en dit handelen miskent de menselijke waardigheid op ernstige wijze. Dit heeft diepe angst en walging veroorzaakt bij het slachtoffer. Dat blijkt ook uit de enorme angst die [slachtoffer 3] nog steeds heeft voor de verdachte als de politie hem komt bevragen over wat er precies gebeurd zou zijn.\n\nTot slot heeft de verdachte een gouden ketting van [slachtoffer 1] gestolen. Een ketting die emotionele waarde had, omdat de 3-jarige dochter van [slachtoffer 1] die van een tante van haar uit Italië had gekregen. De verdachte heeft laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendom. Hij heeft deze stiekem verkocht, terwijl [slachtoffer 1] in de auto op hem aan het wachten was.\n\nDe rechtbank acht het van groot belang om dergelijke feiten zoals begaan door de verdachte krachtig te veroordelen, mede ter bescherming van (potentiële) slachtoffers en ter voorkoming van verdere escalatie.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 3 juni 2026, waaruit blijkt dat hij meerdere keren met justitie in aanraking is geweest en is veroordeeld, onder andere voor mishandeling, brandstichting en het voorhanden hebben van een wapen. Eerdere veroordelingen en opgelegde straffen hebben de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke feiten.\n\nDeskundigenrapportages\n\nVerder heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van de psychiater [psychiater 1] , onder supervisie van psychiater [psychiater 2] , en van klinisch psycholoog [psycholoog] , klinisch psycholoog, opgesteld op 9 maart 2026. De verdachte heeft te kennen gegeven niet te zullen meewerken aan een NIFP-onderzoek en hij heeft ook niet meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hij ging met zowel de psychiaters, de\n\npsycholoog als de milieuonderzoeker niet (inhoudelijk) in gesprek. De verdachte liet zich wel zien op de verblijfafdeling van het PBC, zodat op basis van deze informatie en enkele referenten, een rapport is opgesteld.\n\nUit de PBC-rapportage blijkt dat er bij de verdachte op 5-jarige leeftijd ontwikkelingsstoornissen, autisme en ADHD zijn vastgesteld, waarna gedurende de levensloop werd gezien dat de verdachte telkens weer in de problemen komt, met name in interpersoonlijke relaties. Dit heeft geleid tot problemen op alle levensgebieden.\n\nUit de beschikbare informatie komt niet naar voren dat er periodes zijn geweest waarin hij gezond en stabiel functioneerde en ook nu is daar geen sprake van. Inmiddels kan gesproken worden van een duurzaam patroon van afwijkend gedrag. Zo is sprake van problemen in aandacht en concentratie, korte-termijn-denken en gerichtheid op directe behoeftebevrediging, problemen in de frustratietolerantie en de emotie-, impuls- en\n\nagressieregulatie (leidend tot verbale en fysieke agressie), instrumentele, bewust ingezette\n\nagressie vanuit opportunisme (waaronder ook afdwingen en dreigen), zich niet houden aan\n\nafspraken, regels en wetten, grensoverschrijdend en provocerend gedrag, vernederend\n\ngedrag met soms een sadistische kleuring, gebrekkige empathische vermogens en gebrekkige\n\ngewetensfuncties. Door deze functionele problemen overschrijdt hij grenzen van anderen,\n\nkomt hij voortdurend in conflict met anderen en roept hij agressie over zichzelf af. De deskundigen vragen zich af of en in hoeverre hij in staat is om zijn gedrag op anderen af te\n\nstemmen en rekening te houden met mensen in zijn omgeving.\n\nDe psychiaters komen tot de classificatie van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (volgens DSM-5-TR) en de psycholoog tot de meer algemene classificatie van een ongespecificeerde psychische stoornis (DSM-5-TR). De deskundigen concluderen hoe dan ook dat sprake is van chronische, complexe en ernstige psychiatrische problematiek, en zien dezelfde forensisch relevante functiebeperkingen. Het is mogelijk dat andere comorbide diagnoses (zoals de in de jeugd vastgestelde stoornissen) ook aan deze functiebeperkingen ten grondslag liggen. De psychiaters zien gezien het chronische patroon van maladaptieve gedragingen in ieder geval genoeg grond voor het classificeren van een persoonlijkheidsstoornis in algemene zin, naast eventuele comorbide (ontwikkelings)pathologie. De deskundigen benadrukken dat het slechts om een verschil in classificatie gaat en dat er overeenstemming bestaat over dat sprake is van chronische, complexe en ernstige psychiatrische problematiek. Ze stellen dat de psychische stoornis chronisch is en derhalve aanwezig was ten tijde van het plegen van de feiten.\n\nHet is de deskundigen onduidelijk gebleven, betrekking hebbende op feit 1, 2 en 4, hoe en onder welke omstandigheden de feiten zich hebben afgespeeld. Ze kunnen derhalve niet inschatten of en in hoeverre de verdachte beperkt was in zijn wilsvrijheid en kunnen daarom geen advies geven over de toerekenbaarheid bij deze feiten. De kans dat de psychische stoornis helemaal niet heeft doorgewerkt in deze feiten achten zij echter onwaarschijnlijk. Betreffende de diefstal van de gouden ketting komen uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren die aanleiding geven om de verdachte dit feit minder of niet toe te rekenen.\n\nOp basis van de gestandaardiseerde risicotaxatie concluderen de deskundigen dat er een hoge kans op recidive van gewelddadig gedrag bestaat. Als risicofactoren komen in ieder geval naar voren: eerder gewelddadig en overig antisociaal gedrag; een historie van problemen binnen intieme en niet-intieme relaties; problemen in het arbeidsverleden en mogelijk ook met middelengebruik (cannabis); affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit; instabiele levensomstandigheden en gebrekkige respons op toezicht\u002F behandeling. Verdere beschermende factoren lijken niet aanwezig te zijn, met name doordat de verdachte tot nog toe geen pro-sociaal leven heeft opgebouwd.\n\nDoor de hiervoor besproken beperkingen van het onderzoek konden de deskundigen geen gericht advies geven over een behandeling die de kans op recidive zou kunnen verminderen. Zij hebben om die reden ook geen advies gegeven over binnen welk juridisch kader een eventuele behandeling zou moeten plaatsvinden.\n\nHet openbaar ministerie heeft voorts de reclassering verzocht te adviseren over de (on)mogelijkheden voor het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden. Uit het reclasseringsrapport van 5 juni 2023 volgt dat de verdachte ook bij de reclassering terughoudend is in gesprekken. De reclassering adviseert daarom en gelet op zijn verleden en zijn wens tot autonomie negatief over het opleggen van (tbs met) voorwaarden. Wel adviseert de reclassering een GVM op te leggen. De reclassering schat het risico op recidive, net als de psychiaters en de psycholoog, hoog in.\n\nGetuige-deskundigen [psychiater 2] , psychiater en werkzaam bij het PBC, en [getuige-deskundige] , werkzaam bij Reclassering Nederland, zijn ter zitting gehoord en hebben aangegeven bij hun conclusies uit hun rapporten te blijven.\n\nDe rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nGezien de vastgestelde stoornis bij de verdachte, het chronische karakter daarvan en het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte behandeld en begeleid zal worden ter voorkoming van nieuw strafbaar gedrag. Daarbij ligt allereerst de vraag voor of deze behandeling plaats kan vinden in een ambulant kader, zoals een toezicht in de vorm van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Dit kader is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt ontoereikend, omdat bij het niet meewerken en vervolgens uitzitten van het voorwaardelijk strafdeel, het gevolg is dat de verdachte onbehandeld weer terug de maatschappij in kan keren, met alle risico’s van dien.\n\nTen aanzien van de mogelijkheid van een tbs-maatregel met voorwaarden overweegt de rechtbank dat dit een intensieve inzet en medewerking van de verdachte vereist. Gelet op de gebrekkige medewerking aan het deskundigenonderzoek, de complexe problematiek wat betreft zijn stoornissen en de problematiek in contact met anderen, ziet de rechtbank niet in hoe de verdachte zich zou kunnen conformeren aan voorwaarden. Van de verdachte zou in een dergelijk kader verwacht worden dat hij gedurende een langere periode blijk geeft van een consistente bereidheid om aan behandeling, begeleiding en risicobeperking mee te werken. De verdachte heeft een dergelijke duurzame en intensieve inspanning tot op heden niet laten zien. Dat hij ter terechtzitting een meer bereidwillige houding heeft aangenomen, maakt dat niet anders, gelet op het gebrek aan inzicht in zijn beperkingen.\n\nDe officier van justitie heeft om diezelfde redenen een tbs-maatregel met dwangverpleging geëist.\n\nDe rechtbank stelt allereest vast dat de verdachte pertinent heeft geweigerd om mee te werken aan alle rapportages over zijn geestvermogens. De rechtbank acht zich, ook gezien hetgeen is opgenomen in artikel 37a, vierde lid, Sr, voldoende voorgelicht op basis van voornoemde rapportages.\n\nDe rechtbank stelt vast dat, ondanks de weigering van de verdachte om mee te werken aan het onderzoek naar zijn geestvermogens, aan de formele eisen voor oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging is voldaan.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen is er bij de verdachte immers sprake van een tijdens het begaan van de feiten aanwezige ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De deskundigen benadrukken daarbij dat sprake is van complexe en ernstige psychiatrische problematiek, dat deze chronisch is en ook al aanwezig was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Daarmee is aan het vereiste van artikel 37a lid 1 sub 1 Sr voldaan.\n\nDe rechtbank stelt daarnaast vast dat de maatregel zal worden opgelegd voor misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, namelijk de mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die ten tijde van het plegen van die mishandeling zijn levensgezel waren. De bewezenverklaarde bedreiging betreft een specifiek beschreven misdrijf in sub 2 van artikel 37a lid 1 Sr. Daarmee is aan het vereiste van artikel 37a lid 1 sub 2 Sr voldaan.\n\nDe rechtbank stelt daarnaast op basis van de rapporten van de deskundigen vast dat sprake is van een hoog recidiverisico.\n\nDe rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw dat de tbs-maatregel met dwangverpleging een zware maatregel is, maar toch acht zij de tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval proportioneel gezien de ernst van de delicten en het hoge recidiverisico met het risico op escalatie indien de onderliggende psychiatrische problematiek van de verdachte onbehandeld zal blijven. Daarbij wijst de rechtbank ook op de chronische aard van die problematiek, leidend tot problemen op alle leefgebieden van de verdachte. De rechtbank ziet tevens een gedragspatroon waarin geweld, naar in dit geval zijn partners, in zeer korte tijd ernstig is toegenomen. De rechtbank heeft ten aanzien hiervan al aangestipt dat zij gezien deze dynamiek vreest voor een verdere escalatie met mogelijk fatale gevolgen. De rechtbank ziet met andere woorden een reëel risico op femicide. Tevens ziet de rechtbank dat de verdachte zonder een goede aanleiding en vrij willekeurig ernstig gewelddadig gedrag naar andere mensen vertoont, hetgeen de rechtbank ernstige zorgen baart voor de toekomst. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet uit te leggen als de verdachte onbehandeld terug zou mogen keren in de maatschappij met alle hiervoor beschreven risico’s van dien.\n\nGezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, de maatregel van terbeschikkingstelling vereist en de rechtbank zal deze dan ook opleggen, waarbij de rechtbank voorts zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nDe maatregel wordt opgelegd wegens misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen in de zin van artikel 38e Sr, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen, nu zij reeds overgaat tot oplegging van een niet gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging. Onvoldoende duidelijk is waarom de in artikel 38z maatregel bij deze verdachte aanvullend zou moeten worden opgelegd. Om diezelfde reden gaat de rechtbank ook niet over tot het opleggen van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van enkel een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. Naast de maatregel zal de rechtbank daarom, gelet op de ernst van het feit, in verband met een juiste normhandhaving, ook een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij vrijheidsbeneming op zijn plaats en acht daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft geëist, nu zij de verdachte vrijspreekt van het onder 5 tenlastegelegde feit.\n\nDe verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor een programma dat de verdachte helpt terug te keren in de maatschappij (penitentiair programma).\n\n7. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.518,57, bestaande uit € 18,57 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade ter zake van feit 1 en 2.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 8.845,58, bestaande uit € 7.345,58 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade ter zake van feit 4 en 5.\n\nDe benadeelden hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van beide vorderingen. De vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en toegewezen te worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich betreffende het materiële deel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en betreffende het immateriële deel verzocht het bedrag te matigen tot € 750,-. Het verzoek tot matiging vloeit mede voort uit het verzoek om partiële vrijspraak voor het letsel aan het hoofd van [slachtoffer 1] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze vordering pas op zitting is aangebracht. Subsidiair verzoekt de verdediging betreffende de materiële schade deze af te wijzen gelet op de bepleitte partiële vrijspraak, en meer subsidiair verzoekt de verdediging het gevorderde schadebedrag te matigen, omdat deze in te ver verwijderd verband staan tot de gedragingen van de verdachte. Betreffende de immateriële schade verzoekt de verdediging rekening te houden met het feit dat er wederzijds contact is geweest tijdens een bepaalde periode van de tenlastelegging. De verdediging verzoekt daarom het gevorderde schadebedrag te matigen.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nDoor de benadeelde wordt een bedrag van € 18,57 gevorderd aan reiskosten. De kostenpost is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken, zodat de rechtbank dit deel van de vordering toewijst.\n\nDaarnaast wordt door de benadeelde een bedrag van € 1.500,- gevorderd aan immateriële schade. Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Een van die gevallen is wanneer sprake is van een aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel (sub b). Daar is in het onderhavige geval sprake van. Dat de benadeelde als gevolg van het handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen is voldoende onderbouwd en komt in het dossier ook evident naar voren. De benadeelde is in korte tijd zeer intensief door de verdachte mishandeld, vaak in het bijzin van haar dochtertje. Zij liet de verdachte op goed vertrouwen in haar woning verblijven, maar de verdachte heeft dit vertrouwen beschadigt. De benadeelde heeft lange tijd psychische gevolgen hiervan ondervonden en is nog steeds bezig met de verwerking.\n\nDe rechtbank heeft voor het toe te wijzen bedrag rekening gehouden met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en acht het gevorderde bedrag van € 1.500,- billijk en zal dit toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot de dag van volledige betaling.\n\nOm te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank daarnaast de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.\n\nBenadeelde partij D. [slachtoffer 2]\n\nNu aan de vordering betreffende de materiële schade een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor de verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 4 bewezenverklaarde feit. Zij heeft hierdoor immers letsel opgelopen, zodat aan haar een vergoeding toekomt op basis van artikel 6:106 sub b BW. De benadeelde had meteen pijn na de kopstoot, liep een bloedneus op en kreeg daarna zichtbare blauwe plekken op haar gezicht. Benadeelde is hier erg van geschrokken en werd erg angstig na het incident. De verdachte heeft met zijn handelen haar gevoel van veiligheid aangetast.\n\nDe rechtbank acht, gelet op vergelijkbare zaken, een bedrag van € 500,- billijk en zal dit toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot de dag van volledige betaling. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.8. De vorderingen tenuitvoerlegging\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 20.002155.21\n\nBij arrest van 14 december 2022 heeft het gerechtshof ‘s Hertogenbosch de verdachte onder meer veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.050076.23\n\nBij vonnis van 10 juli 2023 heeft de rechtbank Limburg de verdachte veroordeeld tot onder meer een werkstraf van 160 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.344019.21\n\nBij vonnis van 24 juli 2023 heeft de rechtbank Limburg de verdachte veroordeeld tot onder meer een werkstraf van 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.8.1. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nGebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de overige inhoud van dit vonnis. Gelet echter op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aan de verdachte op te leggen ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging, is de rechtbank van oordeel dat tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen geen strafrechtelijk doel dient. De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.\n\n9. Het beslag\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen zaag met goednummer 1819956 verbeurd verklaren, omdat het onder 3 bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan en deze ten tijde van het begaan van dat feit aan de verdachte toebehoorde.\n\nTeruggave aan de verdachte\n\nVan de twee telefoons, met goednummers 1819940 en 1819942 zal teruggave aan de verdachte worden bevolen, omdat naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze inbeslaggenomen goederen.\n\n10. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 63, 285, 300, 304 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van de onder feit 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor het onder 1, 2, 3 primair en 4 bewezenverklaardetot eengevangenisstraf van 9 maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregelen\n\n- gelast dat de verdachte voor het onder 1, 3 primair en 4 bewezenverklaardeter beschikking wordt gestelden beveelt dat hijvan overheidswege wordt verpleegd;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1] (t.a.v. feit 1 en 2)\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van€ 1.518,57, bestaande uit € 18,57 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.518,57, bestaande uit € 18,57 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2] (t.a.v. feit 4)\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van€ 500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige van de vordering;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nVorderingen tot tenuitvoerlegging\n\n- wijst afde vordering met parketnummer 20.002155.21 van de officier van justitie van 14 december 2022;\n\n- wijst afde vordering met parketnummer 03.050076.23 van de officier van justitie van 10 juli 2023;\n\n- wijst afde vordering met parketnummer 03.344019.21 van de officier van justitie 24 juli 2023;\n\nBeslag\n\n- verklaart verbeurdde volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1 STK Zaag, goednummer 1819956;\n\n- gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerpaan de verdachte:\n\n1 STK GSM, goednummer 1819940;\n\n1 STK GSM, goednummer 1819942.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Y.R.S. Piekhaar en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nFeit 1\n\nhij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juni 2025 tot en met 06 juli 2025 te [woonplaats 2] , gemeente Kerkrade [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof te schoppen,\n\n- meermalen, althans eenmaal, in de arm en\u002Fof rug van die [slachtoffer 1] te knijpen,\n\n- die [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en\u002Fof\n\n- door meermalen, althans eenmaal, (in) de keel\u002Fnek van die [slachtoffer 1] (dicht) te knijpen,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\nFeit 2\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2025 tot en met 5 juli 2025 te [woonplaats 2] en\u002Fof Heerlen een gouden ketting, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nFeit 3\n\nhij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2]\n\n [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp te tonen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2] , een ander, te weten [slachtoffer 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid en\u002Fof door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en\u002Fof te dulden, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp te tonen en\u002Fof die [slachtoffer 3] onder bedreiging met een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp, terwijl hij, verdachte, een bivakmuts droeg te dwingen een pannenkoek, in elk geval enig voedsel (met ontlasting) te eten;\n\nFeit 4\n\nhij op of omstreeks 16 november 2024 te Brunssum [slachtoffer 2] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\nFeit 5\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 22 maart 2025 te Brunssum en\u002Fof Vijlen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , door meermalen, althans eenmaal\n\n- autobanden van de auto van die [slachtoffer 2] lek te steken en\u002Fof de auto van die [slachtoffer 2] te bekrassen,\n\n- een steen tegen het raam van de woning van die [slachtoffer 2] te gooien,\n\n- door de straat van die [slachtoffer 2] te rijden,\n\n- die [slachtoffer 2] (veelvuldig) berichten te sturen via Snapchat, Whatsapp, iMessage, e-mail en\u002Fof Instagram en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 2] te (video)bellen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 22 maart 2025 te Brunssum en\u002Fof Vijlen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en wederrechtelijk (autobanden van) een auto, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.\n\n Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] van 6 juli 2025, pagina 11 tot en met 15.\n\n Het proces-verbaal van het verhoor van bevindingen van 8 juli 2025, pagina 21 tot en met 28 en 39.\n\n Het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025, pagina 41 en 42.\n\n Het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025, pagina 48 en 49.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 juli 2025, pagina 96, 97 en 100.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2026, pagina 5, 6 en 9 tot en met 20 van het aanvullend proces-verbaal.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025, pagina 83 tot en met 85.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 29 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 316.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 november 2024, pagina 240 en 249.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6530","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.502Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":35,"updatedAt":52},"1259","ECLI:NL:RBLIM:2026:6579","ecli-nl-rblim-2026-6579","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 03.122499.25, 03.222572.24 (ttz.gev.)\n\ntegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige strafkamer van 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte]\n\ngeboren te Venlo op [geboorte datum] 2005,\n\nthans gedetineerd in P.I. Sittard te Sittard.\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe nabestaanden [nabestaande 1] en [nabestaande 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hen is mr. P.G.J.M. Boonen gehoord. De nabestaanden [nabestaande 3] en [nabestaande 4] hebben zich ook als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hen is mr. F.E.L. Teerling gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Tevens hebben [nabestaande 1] , [nabestaande 2] en [nabestaande 4] het spreekrecht uitgeoefend.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\n [benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij is niet verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe – gewijzigde – tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nNa wijziging tenlastelegging komt de verdenking er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nop 21 april 2025 in Venlo:\n\nfeit 1:opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft gedood door met een vuurwapen een kogel in zijn (boven)lichaam te schieten;\n\nfeit 2:een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24:\n\nop 29 oktober 2023 in Venlo:\n\nfeit 1:[benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling;\n\nfeit 2:heeft geprobeerd [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel hem heeft mishandeld, door hem met een theeglas tegen zijn hoofd te slaan.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het navolgende standpunt gesteld:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag. Hij heeft verwezen naar de melding van het schietincident, het ter plaatse aantreffen van een neergeschoten persoon, zijnde [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) de getuigenverklaringen van getuigen [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), de aanhouding van de verdachte, de bekennende verklaring van de verdachte tijdens het derde politieverhoor, het sectieverslag van de Forensische Opsporing en de camerabeelden.\n\nDe officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de verdachte van plan was iets te gaan doen, zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte juist [slachtoffer] iets wilde aandoen. De beslissing om op [slachtoffer] te schieten is op dat moment genomen en moet worden gekwalificeerd als doodslag.\n\nDe verdachte heeft op korte afstand met een pistool op [slachtoffer] geschoten, waarbij deze in zijn hart is getroffen. Het met een vuurwapen op zo’n korte afstand schieten op het lichaam van een persoon is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood dat dit niet anders kan worden uitgelegd dan als een bewust handelen gericht op de dood.\n\nHoewel het dossier aanwijzingen geeft dat de verdachte samen met anderen [getuige 3] en aanhang zou treffen, is daarmee nog niet gezegd dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de uiteindelijke doodslag. Het onderzoek heeft geen duidelijkheid, dan wel invulling over die rol gegeven. Dit dient te leiden tot partiële vrijspraak van het bestanddeel ‘medeplegen’.\n\nDe officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat het vuurwapen niet is aangetroffen, maar dat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer door een afgevuurd 9mm patroon dodelijk is getroffen. Dit patroon was afkomstig uit een wapen dat door de verdachte werd afgevuurd. Ter plaatse is ook een huls en nog een patroon aangetroffen.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging en de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Verwezen wordt naar de aangifte van [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ), de foto’s van het letsel, de medische verklaring, de getuigenverklaringen van getuigen [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ) en [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) en de (deels) bekennende verklaring van de verdachte. De verdachte heeft [benadeelde partij] met een glas tegen het hoofd geslagen. Uit de stukken valt op te maken dat deze slag met behoorlijke kracht heeft plaats gevonden. Het glas is immers gebroken. Gelet op zijn uiterlijke verschijningsvorm heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij] bewust aanvaard.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft het navolgende aangevoerd:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 1 tenlastegelegde moord. Bij de verdachte was geen sprake van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. De onder feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag kan wel worden bewezen.\n\nDe verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geschoten met een vuurwapen zoals bedoeld in categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling vanwege een gebrek aan bewijs.\n\nDe verdediging beroept zich ten aanzien van de onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling op noodweer. De verdachte werd door [benadeelde partij] geslagen, waarop hij hem terugsloeg met de mok nog in zijn hand.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank3.3.1.. \n\nDe zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nInleiding\n\nOp 21 april 2025 omstreeks 17:14 uur ontving de politie een melding van een schietincident op de [plaats delict] te Venlo. De melder had gezien dat een persoon een pistool uit zijn zak pakte en hiermee het slachtoffer neerschoot. De schutter zou zijn gevlucht. Ter plaatse werd het slachtoffer liggend op de grond aangetroffen op de parkeerplaats tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek. Het slachtoffer had een schotwond in zijn borst en hier kwam bloed uit. Korte tijd later is het slachtoffer overleden. De verdachte werd na een intensief opsporingsonderzoek op 23 april 2025 aangehouden. Op 1 mei 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten.\n\nFeit 1\n\nVoorbedachte raad\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk blijkt dat de verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer] van het leven te beroven. De verdachte had met [getuige 3] afgesproken vanwege een langlopend conflict. Op enig moment ziet de verdachte [getuige 3] en [slachtoffer] op zich af komen. [slachtoffer] liep voorop en droeg, zo bleek, een mes bij zich. De verdachte heeft het vuurwapen ter hand genomen en daarmee gericht geschoten. De rechtbank kan niet vaststellen dat er eerder bij de verdachte het plan bestond om juist [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank ziet onvoldoende bewijsmiddelen om vast te kunnen stellen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘voorbedachten rade’.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe rechtbank acht de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit misdrijf op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen. Daarbij zal de rechtbank, nu de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen verweer is gevoerd met betrekking tot de impliciet subsidiair aan hem tenlastegelegde doodslag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:\n\n- De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting;\n\n- De beschrijving van de camerabeelden door de politie;\n\n- Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict;\n\n- Het rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden van 9 mei 2025;\n\n- Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] ;\n\n- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] .\n\nDe verdachte heeft met een vuurwapen één kogel op [slachtoffer] afgeschoten. Ten gevolge van één doorschot door de romp is [slachtoffer] overleden. Het handelen van verdachte kan redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan gericht op het doden van [slachtoffer] .\n\nMedeplegen\n\nHoewel het dossier diverse aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van anderen is de rechtbank van oordeel dat daarmee niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘medeplegen’.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank\n\nDe verdachteheeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – verklaard:\n\nHet is juist dat ik op 21 april 2025 in Venlo met een vuurwapen op [slachtoffer] heb geschoten. Het vuurwapen was geladen en was schietklaar.\n\nIn het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlostaat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nOp 21 april 2025, omstreeks 18:20 uur, kwamen wij, naar aanleiding van een doodslag\u002Fmoord, voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [plaats delict] Venlo. De plaats van het incident is gelegen voor de bedrijfspanden [adres 1] Bij de parkeervakken voor perceel [adres 1] te Venlo werden een huls en een patroon aangetroffen. De huls lag, gemeten vanaf de overledene, op een afstand van ongeveer 10 meter en de patroon op een afstand van ongeveer 12 meter. De huls ( [gegevens munitie] ) en de patroon ( [gegevens munitie] ) zijn verpakt in een koker en veiliggesteld.\n\nIn het proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoekstaat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nMunitie van plaats delict, [plaats delict] te Venlo\n\n [gegevens munitie]\n\n [gegevens munitie]\n\nIk zag dat de kogelpatroon [gegevens munitie] (plaats delict) was voorzien van de\n\nbodemstempel \"W-W 9mm Luger\". De kogel in de patroon was koperkleurig en het\n\nslaghoedje was zilverkleurig. De huls [gegevens munitie] was voorzien van bodemstempel\n\n\"MEN-85-5 9x19\". Het slaghoedje van de huls was roodkleurig.\n\nAlle onderzochte kogelpatronen zijn van de merken Winchester Western (W-W) en Sellier & Bellot (S&B). Alle onderzochte kogelpatronen hebben het kaliber 9 mm Luger. De aangetroffen huls heeft het kaliber 9x19 dat een synoniem is voor het kaliber 9 mm Luger. De huls is van de fabriek Metallwerk Eisenhutte (MEN), waarbij 85 staat voor het jaartal en 5 staat voor lotnummer.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de vorm van een pistool, van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, alsmede van munitie, van categorie III van voormelde wet. De verdachte heeft verklaard dat hij met een vuurwapen op [slachtoffer] heeft geschoten. Het vuurwapen is niet gevonden. Op de plaats delict zijn wel een huls en een patroon aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij het wapen in Belfeld in de Maas heeft gegooid. Uit het vergelijkend sporenonderzoek is komen vast te staan dat de huls en het kogelpatroon het kaliber 9mm Luger hebben. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk gaat om een vuurwapen, omdat deze patronen alleen in een vuurwapen kunnen worden geplaatst en afgevuurd.\n\n3.3.2.. \n\nDe zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe bewijsmiddelen t.a.v. feit 1 en 2\n\n [benadeelde partij]heeftaangiftegedaan en – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:\n\nIk ben werkzaam bij Redos, een woongroep van cliënten met psychische of\n\ngedragsproblematiek. De woongroep is gelegen op de [adres 2] te Venlo. Sinds ongeveer 10 maanden woont [verdachte] ook in een van de studio’s.\n\nBij [adres 2] is ons kantoor gelegen. Op 29 oktober 2023 was ik werkzaam op de groep zoals hierboven beschreven. Omstreeks 09.45 uur kwam mijn collega [getuige 5] binnen. [verdachte] had een bord met een wrap met kaas en een theeglas met melk voor zich op tafel staan. Het is gebruikelijk dat wij als begeleiding de overdracht doen zonder andere cliënten erbij. Daarom verwees ik [verdachte] naar zijn eigen studio om daar verder te gaan eten. Dit accepteerde [verdachte] echter niet. Ik ben tegenover [verdachte] aan tafel gaan zitten. De afstand tussen ons was maximaal 90-100cm. Ik zag dat [verdachte] uit zijn stoel opstond, zijn theeglas vast had in zijn rechterhand en met een soort lompe boerenslag het theeglas tegen de linkerkant van mijn hoofd, ter hoogte van mijn oor, met kracht kapot sloeg. Ik voelde daarbij meteen een flinke pijn aan mijn linkeroor en de zijkant van mijn hoofd. Ik voelde aan mijn linkeroor en zag dat ik bloedde. Ik zag dat [verdachte] een groot vleesmes vastpakte dat op het aanrecht lag. Ik zag dat [verdachte] dreigend met het mes op mij afkwam. Ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei: \"Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen.\" Ik voelde me toen nog meer in het nauw gedreven door [verdachte] . De afstand tussen [verdachte] en mij was ongeveer 1 meter op dat moment.\n\nIk ben naar de SEH van het VieCuri te Venlo gereden om mijn verwondingen te laten verzorgen. Bij de arts van het SEH begreep ik pas dat er glas in mijn oor zat. Dat is verwijderd en uiteindelijk is er een hechting in mijn oor gezet en hebben ze de andere schrammen geplakt. Ik was op dat moment echt bang en ik was er van overtuigd dat [verdachte] meende wat hij zei, dat hij mij zou gaan neersteken.\n\n [getuige 4]is door de politie alsgetuigegehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:\n\nIk ben zelf woonachtig bij Redos op het adres [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 hoorde ik flink geschreeuw. Ik hoorde dat [verdachte] en [benadeelde partij] naar elkaar aan het schreeuwen waren. Ik zag dat er overal bloed lag, op de grond, op de muren en op de tafel. Ik zag dat er nog iemand van de begeleiding was, dat was [getuige 5] . Op enig moment hoorde ik dat [verdachte] weer begon te schreeuwen en in de richting van [getuige 5] en [benadeelde partij] stormde. Ik hoorde dat [verdachte] zei “Ik steek je dood\". Ik heb [benadeelde partij] uit de situatie gehaald en ik ben met [benadeelde partij] naar het ziekenhuis gegaan.\n\n [getuige 5]is door de politie alsgetuigegehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:\n\nIk werk ook als begeleider bij Redos, op de locatie [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 rond 9:30 uur kwam ik aan in studio [adres 2] . Ik hoorde toen ik boven aan kwam meteen al dat mijn collega [benadeelde partij] en cliënt [verdachte] flink in discussie waren. Ik hoorde glasgerinkel. Ik liep hierop terug naar de gezamenlijke ruimte en zag overal bloed op de vloer, de tafel de muur, de rechterhand van [verdachte] en het linkeroor van [benadeelde partij] . Op enig moment werd [verdachte] weer heel erg boos. Ik zag dat [verdachte] meteen een groot vleesmes van het aanrecht afpakte, dit in de richting van [benadeelde partij] richtte en ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei:\" Ik steek je dood\".\n\nBewijsoverweging feit 1\n\nOp basis van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde partij] heeft bedreigd. Uit de aangifte van [benadeelde partij] blijkt dat de verdachte met een mes op [benadeelde partij] richtte en dat [benadeelde partij] vreesde voor zijn leven. De verdachte heeft daaraan de dreigende woorden, namelijk: “Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen” en “Ik steek je dood”, althans woorden van gelijke strekking toegevoegd. Dit blijkt ook uit de getuigenverklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] . Bij [benadeelde partij] kon de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte hem iets wilde aandoen, dit temeer nu aan deze bedreiging de slag met het theeglas voorafging.\n\nBewijsoverweging feit 2\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 29 oktober 2023 in Venlo met een theeglas tegen het hoofd van [benadeelde partij] heeft geslagen, dat daarbij het glas kapotgegaan is en dat [benadeelde partij] hierdoor letsel heeft opgelopen aan zijn oor.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het opzet van de verdachte ten aanzien van het onder feit 2 primair tenlastegelegde erop gericht was om aan [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte willens en wetens heeft getracht [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag is vervolgens of de verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met een theeglas tegen het hoofd van de verdachte heeft geslagen en dat het theeglas vervolgens kapot is gesprongen. Hierbij is er glas in het oor van [benadeelde partij] terecht gekomen. Dit is zonder meer fors geweld. Aangever heeft verklaard dat het met kracht gebeurde. Het glas is ook kapot gegaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop toe genomen.\n\n3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25:\n\nfeit 1:\n\nop 21 april 2025 te Venlo [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel in het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;\n\nfeit 2:\n\nop 21 april 2025 te Venlo een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool, en (bijbehorende) munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24:\n\nfeit 1:\n\nop 29 oktober 2023 te Venlo [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik steek je neer\" en\u002Fof \"Ik steek je dood\" en\u002Fof \"moet ik je eraan rijgen\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en door daarbij een mes te tonen en door met dit mes dreigend richting die [benadeelde partij] te lopen;\n\nfeit 2 primair:\n\nop 29 oktober 2023 te Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een theeglas tegen het hoofd van die [benadeelde partij] kapot heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nfeit 1:doodslag;\n\nfeit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24:\n\nfeit 1:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling;\n\nfeit 2 primair:poging tot zware mishandeling.5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde5.1. Het standpunt van de verdediging\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging stelt zich primair ten aanzien van de doodslag op het standpunt dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. De verdachte werd continu door [getuige 3] bedreigd. [getuige 3] nam het initiatief om af te spreken. De verdachte wilde niet afspreken, maar hem werd eigenlijk geen keuze gelaten. De verdachte werd, aldus de verdediging, geconfronteerd met drie agressieve mannen die op hem af kwamen rennen. Twee mannen ( [getuige 3] en [slachtoffer] ) kwamen van de voorkant en een van opzij. De verdachte werd omsingeld en in het nauw gedreven. De verdachte zag dat [slachtoffer] hevig onder invloed was, dat [slachtoffer] een voorwerp vast had waarvan de verdachte dacht dat het een (vuur)wapen was en dat [slachtoffer] zijn hand omhoog bracht. Dit in combinatie met de eerder naar de verdachte gestuurde doodsbedreigingen en het feit dat er werd geroepen dat ze de verdachte zouden schieten, maakt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft hierop gereageerd door eenmaal te schieten. Het schieten was gepast en geboden. Er was voor de verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de dreigende aanranding te onttrekken.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe verdediging stelt zich ten aanzien van feit 2 primair op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich kan beroepen op noodweer. De verdachte werd door [benadeelde partij] geslagen, waarop hij hem terugsloeg met de mok nog in zijn hand.5.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er is geen sprake van verdediging. De verdachte heeft zelf de aanval gekozen. Hij is immers op [slachtoffer] afgelopen en heeft vrijwel direct een vuurwapen getrokken en daarmee in een vrijwel vloeiende beweging geschoten. Nu hij zelf de aanval kiest is er geen sprake van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Bovendien strandt een beroep op noodweer op de “eigen schuld”. De verdachte heeft immers de confrontatie gezocht of aanvaard waarbij hij een vuurwapen bij zich had. Daarnaast was het handelen van de verdachte niet proportioneel en subsidiair.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer moet daarom worden verworpen.5.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. Er was sprake van een langlopend conflict tussen de verdachte en [getuige 3] over onder meer een ondeugdelijke wapen dat [getuige 3] aan de verdachte zou hebben verkocht. Beiden waren bevriend met getuige [getuige 6] , waarbij zij ook in elkaars vaarwater zaten. Ze kwamen elkaar tegen in een milieu waarover de verdachte weinig duidelijkheid wil geven. Op grond van het berichtenverkeer is duidelijk dat ze elkaar bleven opzoeken en uitdagen. Op 21 april 2025 hebben de verdachte en [getuige 3] telefonisch en via whatsapp contact gehad wat erin heeft geresulteerd dat zij hebben afgesproken bij de woning van de verdachte op de [plaats delict] in Venlo. Uit de inhoud van deze berichten leidt de rechtbank af dat [getuige 3] uit was op een confrontatie (Van de zijde van [getuige 3] kwam het bericht: “Wie je wil bellen van Venlo of Blerick, bel wie je wil. Opkankeren met jou, ik ben nu hier”)en dat de verdachte deze confrontatie niet uit de weg ging(“De achterdeur is open voor jullie”). Toen de verdachte samen met [medeverdachte] op de scooter via de [straat 1] de [plaats delict] inreed zag hij [getuige 3] en [slachtoffer] op de hoek bij de Voedselbank staan. De verdachte is toen samen met [medeverdachte] doorgereden naar de hoek van de parkeerplaats ( [plaats delict] , tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek [apotheek] ). De verdachte is dan in het bezit van zijn vuurwapen, dat geladen is, en dat zelfs doorgeladen en direct schietklaar is. Nadat [medeverdachte] enkele korte rondjes in de nabijheid van de verdachte heeft gereden, gebaart de verdachte dat hij weg moet rijden en vraagt hij [medeverdachte] , zo verklaart deze, om verderop te wachten op de verdachte. [medeverdachte] vertrekt dan in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] . De verdachte blijft, met zijn helm nog op, in de hoek op de stoep achter een boom staan. Vervolgens komen [getuige 3] en [slachtoffer] vanuit de richting van de Voedselbank in de richting van de verdachte lopen, waarbij [slachtoffer] voorop loopt met – op enig moment – een voorwerp in zijn rechterhand. Achteraf blijkt dit een mes te zijn. Op dat moment komt de verdachte achter de boom vandaan, zet een paar stappen in de richting van [slachtoffer] en [getuige 3] , pakt zijn vuurwapen, richt zijn arm(en) naar voren, komt tot stilstand, spreidt zijn benen en schiet op [slachtoffer] . [slachtoffer] maakt op het moment dat de verdachte schiet een opwaartse beweging met zijn rechterarm, loopt drie passen achteruit en valt op de grond waarbij het mes uit zijn rechterhand valt. De verdachte rent daarna weg in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] , waar [medeverdachte] kort daarvoor uit het zicht van de camera is verdwenen. De door de Forensische Opsporing gemeten afstand tussen de positie van de verdachte op het moment van schieten en de positie van [slachtoffer] bedroeg tussen de 12,25 en 15 meter. Niet exact duidelijk is of daarbij is uitgegaan van de plek waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen of de plek waarop [slachtoffer] zich bevond ten tijde van het schieten. Zelfs als van het eerste wordt uitgegaan en rekening houdende met de drie achterwaartse passen, bevond [slachtoffer] zich ten tijde van het schieten op ruime afstand van de verdachte. Tijdens al het vorenstaande is, afgezien van de scooterrijder [medeverdachte] en een verderop voorbijrijdende fietser, tot op het moment waarop de verdachte schiet op [slachtoffer] niemand anders op de beelden te zien dan de verdachte, [slachtoffer] en [getuige 3] .\n\nDe verdachte stelt dat hij heeft geschoten, omdat hij zich moest verdedigen.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht en de vaste jurisprudentie hierover dient allereerst aannemelijk te zijn dat er sprake is geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen: (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen vervolgens noodzakelijke verdediging geboden was.\n\n Gelet op het voorgaande is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] richting de verdachte. Vervolgens is de vraag of op dat moment sprake is geweest van een daartoe onmiddellijk dreigend gevaar. De rechtbank is van oordeel dat daarvan evenmin sprake is geweest. Weliswaar liepen [slachtoffer] en [getuige 3] op de verdachte af waarbij [slachtoffer] een mes in zijn rechterhand had, maar op het moment van schieten bevond [slachtoffer] zich nog op afstand van de verdachte. Daarbij komt dat uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] tijdens het lopen zijn arm omlaag hield, geen stekende beweging richting de verdachte heeft gemaakt en pas op het moment dat de verdachte schoot een opwaartse beweging met zijn rechterarm heeft gemaakt. Dat er een derde persoon vanuit de richting van de apotheek op de verdachte is afgekomen waardoor er a. sprake zou zijn van een onmiddellijk dreigend gevaar en er b. geen mogelijkheid zou bestaan om in die richting weg te rennen acht de rechtbank evenmin aannemelijk geworden. Dit vindt geen steun in de camerabeelden. De wel door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] genoemde derde persoon, die dus niet op de camerabeelden te zien is, loopt volgens die verklaringen in dezelfde richting als – en in het bijzijn van – [getuige 3] en [slachtoffer] . De rechtbank acht evenmin aannemelijk geworden dat [slachtoffer] heeft geroepen dat ze op de verdachte zouden schieten. Dit vindt geen steun in het dossier. Integendeel. Getuige [getuige 2] verklaart juist dat [getuige 3] en de derde persoon – en niet [slachtoffer] – iets naar de verdachte riepen. Dit rijmt bovendien niet met de eerdere verklaring van de verdachte dat tegen hem zou zijn gezegd: “Als je wat hebt, schiet dan.” Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.\n\nVoor zover er al sprake zou zijn geweest van een dreigend gevaar, zou het beroep op noodweer falen, omdat niet is voldaan aan de subsidiariteitseis. De verdachte had zich aan de aanranding kunnen en moeten onttrekken. De verdachte had de mogelijkheid om weg te gaan, nu de weg rechts van hem vrij was. Bovendien heeft de verdachte er klaarblijkelijk voor gekozen om niet te roepen dat hij zou schieten, niet te waarschuwen dat hij zou schieten, niet een waarschuwingsschot te lossen en ook niet te richten op een ander deel van het lichaam dan het bovenlichaam, wat stuk voor stuk toe te passen opties zouden kunnen zijn geweest om [slachtoffer] af te remmen of af te schrikken.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. De stelling dat de verdachte eerst door [benadeelde partij] werd geslagen, waarop hij hem terugsloeg met het theeglas nog in zijn hand, vindt geen steun in ander (objectief) bewijsmateriaal. Het dossier bevat geen getuigenverklaringen of camerabeelden die het gestelde noodweerscenario bevestigen. Nu niet is gebleken van een noodweersituatie waartegen verdediging geboden was, verwerpt de rechtbank reeds hierom het beroep op noodweer.\n\nin beide zaken\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte6.1. Het standpunt van de verdediging\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging stelt zich subsidiair ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt. Er is sprake geweest van een situatie waarin de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen, omdat hij zich verontschuldigbaar (het dreigende gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De verdachte dacht dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich droeg en dat mocht hij ook denken gelet op de eerder gestuurde berichten, hetgeen er geroepen werd en de voorkennis over bij [getuige 3] dat deze over vuurwapens beschikt. Mocht de rechtbank van mening zijn dat de verdachte in zijn verdediging te ver is gegaan, dan stelt de verdediging zich meer subsidiair op het standpunt dat die overschrijding van de proportionaliteit te wijten is aan een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. Daarmee komt aan de verdachte in elk geval een geslaagd beroep op (putatief) noodweerexces toe. De verdachte dient in alle gevallen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe verdediging stelt zich ten aanzien van feit 2 subsidiair op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich kan beroepen op noodweerexces.6.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) of noodweerexces toekomt, nu er geen sprake was van een noodweersituatie en van een hevige gemoedstoestand eveneens niets is gebleken.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt, nu niet gebleken is dat er sprake was van een noodweersituatie.6.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nNoodweerexces\n\nZoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen noodweersituatie bestaan. In dat oordeel ligt tevens besloten dat de verdachte geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt. Bovendien is de rechtbank niets gebleken van een hevige gemoedsbeweging. Op basis van het dossier ontstaat namelijk juist een beeld van de verdachte die met zijn helm op zijn hoofd ogenschijnlijk rustig op [getuige 3] en [slachtoffer] staat te wachten, bij hun nadering zelf kalm op hen afloopt, daarbij zonder aarzeling in een vloeiende beweging het doorgeladen en schietklare vuurwapen pakt, met dat wapen met zijn beide handen aanlegt en richt, zijn benen in een spreidstand positioneert en ten slotte schiet op een moment dat er door [slachtoffer] nog niet met het mes was bewogen. Daarna verdwijnt de verdachte met medeneming van zijn wapen in de richting waarvan hem bekend is dat [medeverdachte] er met zijn scooter op hem staat te wachten en gaat hij met zijn helm op achterop bij [medeverdachte] zitten. Nergens is sprake van paniek. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweerexces.\n\nDe verdediging heeft ter aanvullende onderbouwing van het beroep op noodweerexces nog aangevoerd dat de scooterrijder [medeverdachte] heeft verklaard dat, toen de verdachte bij hem terugkwam, deze er geschrokken uitzag zoals hij hem nog niet eerder had gezien.\n\nNiets wijst er echter op dat deze door [medeverdachte] waargenomen gemoedstoestand ook voorafgaand aan en op het moment van schieten op [slachtoffer] bestond.\n\nPutatief noodweer(exces)\n\nVan putatief noodweer is sprake, wanneer een verdachte verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Aannemelijk dient te zijn dat er omstandigheden waren die de verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer] met een vuurwapen op hem afkwam. Dit rijmt evenwel niet met zijn eerdere verklaring en uitlatingen tegenover anderen dat [slachtoffer] hem met een mes wilde steken. De rechtbank verwijst in dit verband voorts naar rechtsoverweging 5.3. Zelfs als de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde, hetgeen de rechtbank niet aannemelijk acht, dat [slachtoffer] een vuurwapen in zijn rechterhand had, mocht de verdachte redelijkerwijs niet menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan. De verdachte had een ander middel kunnen aanwenden om [slachtoffer] te stoppen door bijvoorbeeld een waarschuwingsschot te lossen. Gelet op het voorgaande kan het beroep op putatief noodweer niet slagen.\n\nIn dit oordeel van de rechtbank ligt tevens besloten dat de verdachte geen beroep op putatief noodweerexces toekomt. De rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op putatief noodweerexces.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nZoals hiervoor onder 5.3 is overwogen heeft naar het oordeel van de rechtbank geen noodweersituatie bestaan. In dat oordeel ligt tevens besloten dat de verdachte geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweerexces.\n\nConclusie\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De straf7.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft, gelet op hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie weegt daarbij het strafblad, het meenemen van een vuurwapen en de locatie en het tijdstip van het schietincident in strafverzwarende zin mee.7.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit om bij een strafoplegging rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval en de mate van geweld die vanuit de kant van [getuige 3] kwam en te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van hooguit 5 jaren.7.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Het zwaartepunt van die feiten ligt uiteraard bij de doodslag op [slachtoffer] . De verdachte is op klaarlichte dag in een woonwijk nabij het centrum van Venlo bewust de confrontatie aangegaan en is met een doorgeladen vuurwapen naar de afgesproken locatie gegaan. Aanleiding voor deze confrontatie was een langlopend conflict tussen de verdachte en de schoonbroer van het slachtoffer, [getuige 3] . Toen [slachtoffer] en [getuige 3] op de verdachte af kwamen lopen heeft de verdachte doelgericht op [slachtoffer] geschoten, die als gevolg van een doorschot door de romp kansloos was en ter plaatse is overleden. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht en heeft het slachtoffer diens meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. De verdachte is gevlucht en heeft zich schuilgehouden tot zijn arrestatie. Hij heeft bekend geschoten te hebben, maar dit uit zelfverdediging, hetgeen de vraag oproept in hoeverre hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Het behoeft geen betoog dat de verdachte met zijn handelen een onomkeerbaar verlies teweeg heeft gebracht en de nabestaanden van [slachtoffer] groot leed heeft aangedaan. Het leed van de nabestaanden blijkt ook uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Hierin weerklinkt het grote gemis en verdriet dat het handelen van de verdachte bij de naasten heeft teweeggebracht. De jonge dochters van het slachtoffer hebben indringend verwoord dat ze nooit meer voor advies of om gewoon te praten bij hun vader terecht zullen kunnen, waarmee de verdachte ook in hun leven iets kapot heeft gemaakt. Naast het leed en verdriet bij de nabestaanden heeft het handelen van de verdachte ook grote gevoelens van onveiligheid en onrust met zich gebracht voor de buurt en de samenleving als geheel. Met zijn handelswijze heeft de verdachte ook omstanders die hiervan ongewild getuige waren, schrik en angst aangejaagd.\n\nDe verdachte, toen 20 jaar, inmiddels 21 jaar, heeft [slachtoffer] , een vader van 50 jaar, doodgeschoten. De verdachte heeft zich daarmee tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.\n\nIn strafverzwarende zin neemt de rechtbank voorts in overweging dat de verdachte andere jongere mannen in zijn spoor heeft meegenomen en hen daarmee heeft beschadigd; anderen hebben met aanhouding en detentie te maken gehad, gelet op hetgeen de verdachte teweeg heeft gebracht. Bovendien heeft de verdachte, blijkens de nadien beluisterde telefoongesprekken, anderen bewogen om de scooter of telefoons weg te gooien, waarmee hij hen verder betrok in mogelijk strafbaar handelen.\n\nVanaf het moment dat de verdachte verklaarde over de gebeurtenissen in de [plaats delict] , heeft hij zich erop beroepen dat [getuige 7] hem van rechts naderde waardoor hij niet kon vluchten, en dat [getuige 3] en [slachtoffer] met een mes op hem af kwamen gerend. Echter, op de camerabeelden is te zien dat ze liepen, ze renden niet. Naderhand heeft de verdachte verklaard dat hij niet zeker wist of [getuige 7] hem de vlucht belette. Mogelijk ging het toch om een onbekend iemand. Met zijn – wisselende – verklaringen heeft de verdachte wellicht getracht omstandigheden aan te voeren die zijn gedrag enigszins acceptabel maken. Dat is het echter op geen enkele manier.\n\nDe rechtbank weegt mee dat het feit zich op klaarlichte dag heeft afgespeeld in een woonwijk nabij het centrum van Venlo en dat de verdachte zich kennelijk niets heeft aangetrokken van dit gevaar voor derden.\n\nNaast de feiten van 21 april 2025 heeft de verdachte een bedreiging en een poging tot zware mishandeling van een begeleider gepleegd. Ook bij dit feit stelt de verdachte slechts te handelen als reactie op de actie van de ander. Dit is een miskenning van zijn onvermogen de situatie zonder geweld op te lossen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.\n\nDe rechtbank houdt er rekening mee dat het schietincident heeft plaatsgevonden vanwege een hoogoplopend conflict tussen de verdachte en [getuige 3] waarbij [getuige 3] evenzeer ernstige bedreigingen richting de verdachte heeft geuit en ook [getuige 3] de confrontatie heeft gezocht. Dit conflict is [getuige 3] zwager fataal geworden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 2 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. De rechtbank leidt ook daaruit af dat de verdachte geweld niet schuwt.\n\nDe rechtbank heeft tevens acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de verdachte.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte al vanaf jonge leeftijd problemen ervaart en veroorzaakt. Hij is daarvoor in behandeling geweest en begeleid. De reclassering adviseert om het volwassenstrafrecht toe te passen en om nu een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De verdachte heeft stellig aangegeven niet open te staan voor reclasserings(interventies) en bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet gezien de houding van de verdachte en de beperkte openheid die hij heeft gegeven op de leefgebieden vooralsnog geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken. De rechtbank neemt dit advies over.\n\nHoewel de rechtbank de door de officier van justitie aangehaalde strafverzwarende omstandigheden aldus deelt, komt zij desondanks tot een lagere strafoplegging dan geëist. Dit is er in gelegen dat de rechtbank de omstandigheden anders weegt in het bepalen van de hoogte van de straf en daarbij nadrukkelijk gewicht toekent aan de rol van [getuige 3] .\n\nAlles afwegende is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken voor doodslag worden opgelegd, te weten een gevangenisstraf tussen de acht en twaalf jaren. Uitgaande van die bandbreedte, de LOVS-oriëntatiepunten en met inachtneming van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf jaren met aftrek van het voorarrest geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nGelet op de door de raadsman ten aanzien van de doodslag gevoerde verweren tot rechtvaardiging dan wel tot strafuitsluiting heeft hij opheffing van het bevel voorlopige hechtenis verzocht. Gelet op de verwerping van al die verweren en gelet op de door de rechtbank hierna te nemen beslissing zal de rechtbank het bevel voorlopige hechtenis niet opheffen.8. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel8.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\n [nabestaande 1] , de partner van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 43.566,26 bestaande uit € 20.000,00 wegens affectieschade, € 20.000,00 wegens schokschade, € 2.900,01 wegens kosten lijkbezorging en € 666,25 wegens kosten behandeling (eigen risico);\n\n [dochter 1] , de minderjarige dochter van het slachtoffer, vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger mevrouw [nabestaande 1] , vordert een schadevergoeding van € 22.700,00 bestaande uit € 20.000,00 wegens affectieschade en € 2.700,00 wegens gederfd levensonderhoud;\n\n [dochter 2] , de meerderjarige dochter van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 17.500,00 wegens affectieschade;\n\n [zoon] , de meerderjarige zoon van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 20.000,00 wegens affectieschade en € 17,80 wegens kosten uittreksel geboorteregister.\n\nAlle benadeelde partijen vorderen bovendien de wettelijke rente over de gevorderde bedragen en verzoeken de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe heer [benadeelde partij] heeft het schadevergoedingsverzoek-formulier ingediend, maar heeft geen bedrag aan schade gevorderd.8.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de partner gevorderde affectieschade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 en de overige door de partner gevorderde bedragen volledig kunnen worden toegewezen. Hij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de door [dochter 2] en [zoon] gevorderde affectieschade kan worden toegewezen tot € 15.000,00. De door [zoon] gevorderde kosten wegens opvragen van het uittreksel geboorteregister kunnen worden toegewezen. De vordering van [dochter 1] kan geheel worden toegewezen. De officier heeft ten aanzien van alle vorderingen gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de benadeelde partij geen bedrag aan schade heeft gevorderd.8.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen, gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vorderingen dienen te worden gematigd wegens eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer, [getuige 3] en de partner van het slachtoffer. Verder voert de verdediging verweer tegen de door de partner gevorderde schok- en affectieschade. De verdediging betwist voor wat betreft de schokschade de onverhoedse confrontatie, het geestelijk letsel en het causaal verband hiertussen. De verdediging betwist voorts dat de partner de levensgezel van het slachtoffer was en zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. Bovendien kan vanwege de samenloop van schok- en affectieschade niet beide (onbeperkt)worden toegewezen. Tot slot betwist de verdediging de hoogte van de schok- en affectieschade. De verdediging voert ook verweer tegen de door [dochter 1] gevorderde kosten wegens gederfd levensonderhoud. Niet gebleken is dat het slachtoffer mede in haar levensonderhoud voorzag. De partner is op grond van artikel 1:392 BW verplicht om [dochter 1] in levenshoud te voorzien. Tot slot voert de verdediging verweer tegen de hoogte van de door [zoon] gevorderde affectieschade. De verdediging betwist dat de zoon thuiswonend is.8.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nHet feit dat [slachtoffer] en [getuige 3] de confrontatie met de verdachte hebben opgezocht, is een omstandigheid die in beginsel zou kunnen leiden tot een causaliteitsverdeling. Het handelen van de verdachte staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in verhouding tot het handelen van [slachtoffer] en [getuige 3] . Van eigen schuld van de partner is in het geheel geen sprake. De verdachte is daarom volledig aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal hierna de schadevorderingen van de benadeelde partijen per post beoordelen. Affectieschade (partner en kinderen)Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW kunnen nabestaanden affectieschade vorderen in het geval het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander, in dit geval de verdachte, aansprakelijk is. De partner maakt aanspraak op vergoeding van affectieschade van € 20.000,00. Zij heeft gesteld dat zij de partner\u002Flevensgezel van [slachtoffer] is en dat zij tot zijn overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormden (artikel 6:108 lid 4 onder b BW). Zij heeft in dat verband aangevoerd dat zij weliswaar formeel op een ander adres stonden ingeschreven, maar dat zij in de praktijk samenwoonden en op alle mogelijke manieren een gezamenlijke huishouding voerden. De verdediging heeft betwist dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank zal de partner niet in de gelegenheid stellen om dit nader te onderbouwen, omdat dat dat een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Wel stelt de rechtbank vast dat de partner en [slachtoffer] al jarenlang een affectieve relatie hadden en samen een dochter - [nabestaande 2] - hebben. Daarmee staat de partner in zo’n nauwe persoonlijke betrekking tot [slachtoffer] dat haar een beroep toekomt op de zogenaamde hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g BW). Gelet op het voorgaande zal de rechtbank overeenkomstig het Besluit vergoeding affectieschade een bedrag van € 17.500,00 aan de partner toewijzen en haar voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. De kinderen van [slachtoffer] behoren tot de vaste kring van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade (artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder d BW). De rechtbank zal daarbij uitgaan van de bedragen zoals vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. [dochter 1] is minderjarig, zodat de rechtbank een bedrag van € 20.000,00 zal toewijzen. [dochter 2] is meerderjarig en uitwonend, zodat de rechtbank een bedrag van € 17.500,00 zal toewijzen. [zoon] is meerderjarig. De rechtbank zal een bedrag van € 17.500,00 toewijzen, omdat de zoon tegenover de gemotiveerde betwisting van de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat hij thuiswonend is. Weliswaar staat vast dat de zoon stond ingeschreven op het adres van [slachtoffer] , maar onduidelijk is in hoeverre hij nog op dit adres woonde. [zoon] krijgt geen gelegenheid om het meerdere alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank zal [zoon] daarom voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.Schokschade (partner)De rechtbank stelt voorop dat iemand die een ander (het primaire slachtoffer) door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden - ook onrechtmatig kan handelen jegens degene (het secundaire slachtoffer) bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het antwoord op de vraag óf jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig is gehandeld is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn: - de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad; - de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met die onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan; - en de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Het recht op vergoeding van schokschade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot schade die volgt uit geestelijk letsel. Het moet gaan om geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig en in voldoende mate objectiveerbaar is. Bij samenloop van affectie- en schokschade moet de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wegens schokschade rekening moet worden gehouden met de vergoeding wegens affectieschade.\n\nZoals hiervoor is overwogen is [slachtoffer] met één schot om het leven gekomen. De partner heeft gesteld dat de confrontatie tijdens de identificatie in het mortuarium een hevig emotionele schok bij haar teweeg heeft gebracht. De beelden die dit bij haar heeft opgeroepen zijn niet volledig te vergelijken met de feitelijke en directe waarneming van de gevolgen van misdrijven, maar zijn evenzeer emotioneel schokkend. Ook de berichten die de partner heeft ontvangen hebben tot gevolg gehad dat zij voortdurend is geconfronteerd met details. Dit geldt ook voor de periode daarna aangezien deze details in het strafrechtelijk onderzoek uitgebreid zijn behandeld en zij ook is geconfronteerd met de beelden. Uit de brief van de GZ-psycholoog van 2 april 2026 blijkt dat de partner hierdoor met traumaklachten (waaronder flashbacks) kampt, dat de diagnose PTSS is gesteld en dat zij hiervoor in behandeling is. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de partner in aanmerking komt voor vergoeding van schokschade. Een precieze afbakening tussen schokschade en affectieschade is doorgaans niet mogelijk. Dat geldt ook hier. Voor wat betreft de hoogte heeft de rechtbank gekeken naar bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank acht in redelijkheid en billijkheid, naast de toe te wijzen affectieschade, een bedrag van € 10.000, gelet op alle omstandigheden in deze zaak, passend en zal het meer gevorderde afwijzen.\n\nKosten lijkbezorging (partner)De rechtbank zal het door de partner gevorderde bedrag van € 2.900,01 wegens kosten lijkbezorging toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.\n\nZiektekosten (partner)De rechtbank zal het door de partner gevorderde bedrag van € 666,25 wegens kosten behandeling (eigen risico) toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.\n\nKosten levensonderhoud (dochter [dochter 1] )[dochter 1] heeft een bedrag van € 2.700,00 gevorderd voor (toekomstig) gederfd levensonderhoud, omdat haar vader niet meer in haar levensonderhoud kan voorzien. [dochter 1] heeft voor wat betreft de hoogte van het bedrag aansluiting gezocht bij de situatie waarin haar ouders zouden zijn gescheiden en [slachtoffer] kinderalimentatie had moeten betalen. [dochter 1] is daarbij uitgegaan van een periode van 54 maanden, te weten 21 april 2025 (datum overlijden) tot 22 oktober 2029 (datum waarop zij 18 jaar zal worden). [dochter 1] stelt zich primair op het standpunt dat een bedrag van € 50,00 per maand redelijk en billijk is. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat uitgegaan dient te worden van een bedrag van € 25,00 per maand. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juli 2025, ECLI:GHARL:2025:4282. De verdediging betwist deze post en stelt zich – onder verwijzing naar artikel 1:392 BW - op het standpunt dat het slachtoffer niet verplicht is levensonderhoud aan de dochter te verstrekken, omdat dit van de partner kan worden verkregen.\n\nOp grond van 6:108 lid 1 BW is de verdachte verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan de minderjarige dochter van [slachtoffer] en wel tot ten minste het bedrag van het haar krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud. Op grond van artikel 1:392 BW zijn ouders verplicht om in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien. De rechtbank heeft geen aanwijzingen om te veronderstellen dat [slachtoffer] tot zijn overlijden op geen enkele wijze heeft bijdragen aan de kosten van het levensonderhoud van [dochter 1] . Evenals [dochter 1] zoekt de rechtbank aansluiting bij de situatie waarin haar ouders zouden zijn gescheiden en [slachtoffer] kinderalimentatie had moeten betalen. Op grond van het rapport alimentatienormen 2026 bedraagt de minimumdraagkracht € 25,00 per maand, zodat de rechtbank - bij gebrek aan inkomensgegevens - daarvan zal uitgaan. Uitgaande van 54 maanden komt dit neer op € 1.350,00. Het meerdere is onvoldoende onderbouwd. [dochter 1] krijgt geen gelegenheid het meerdere alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank zal daarom [dochter 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nKosten uittreksel geboorteregister (zoon [zoon] )De rechtbank zal het door [zoon] gevorderde bedrag van € 17,80 wegens kosten uittreksel geboorteregister toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.ConclusieDe rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt toewijzen: - de partner: € 31.066,26; - de dochter [dochter 1] : € 21.350,00; - de dochter [dochter 2] : € 17.500,00; - de zoon [zoon] : € 17.517,80.\n\nDe wettelijke rente over voormelde bedragen wordt eveneens toegewezen en wel met ingang van 21 april 2025 tot de dag van algehele voldoening.\n\nDaarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.\n\nDe rechtbank zal, om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en gijzeling opleggen. Gelet op de maximale duur van de gijzeling, zal het maximale totaal aantal dagen worden verdeeld over de vier vorderingen.\n\nOmdat [dochter 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank, zoals gevorderd, dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nIn de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe vordering van de heer [benadeelde partij] voldoet niet aan de vereisten van artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering, nu er geen schadebedragen zijn ingevuld. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nDaarnaast wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 60a, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55, leden 1 en 3 van de Wet wapens en munitie.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van11 (elf) jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstrafin minderingzal worden gebracht;\n\nBenadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen\n\nIn de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\n [nabestaande 1]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 31.066,26, bestaande uit € 3.566,26 materiële schade en € 27.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 1] van een bedrag van € 31.066,26, bestaande uit € 3.566,26 materiële schade en € 27.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;\n\n [nabestaande 2]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [dochter 1] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 21.350,00, bestaande uit € 1.350,00 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 1] van een bedrag van € 21.350,00, bestaande uit € 1.350,00 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;\n\n [nabestaande 4]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [dochter 2] toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 17.500,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 2] van een bedrag van €17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;\n\n [nabestaande 3]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [zoon] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 17.517,80, bestaande uit € 17,80 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [zoon] van een bedrag van €17.517,80 bestaande uit € 17,80 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;In de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nbepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering tot schadevergoeding en de vordering slechts bij de burgerlijke rechtere rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. L.H.M. Geuns en mr. B. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. Adams, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. B. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging (na wijziging)\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nIn de zaak met parketnummer 03-122499-25:\n\nfeit 1:\n\nhij, op of omstreeks 21 april 2025 te Venlo, in de gemeente Venlo, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer (onbekend gebleven) ander(en), althans alleen,\n\n [slachtoffer]\n\nopzettelijk, al dan niet\n\nmet voorbedachten rade\n\nvan het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;\n\nfeit 2:\n\nhij, op of omstreeks 21 april 2025 te Venlo, in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,\n\neen wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te\n\nweten een pistool, in elk geval zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en\u002Fof pistool en\n\neen of meer (bijbehorende) munitie van categorie III,\n\nvoorhanden heeft gehad;\n\nIn de zaak met parketnummer 03-222572-24:\n\nfeit 1:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo\n\n [benadeelde partij] heeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik steek je neer\" en\u002Fof \"Ik steek je dood\" en\u002Fof \"moet ik je eraan rijgen\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof door daarbij een mes te tonen en\u002Fof door met dit mes (dreigend) richting die [benadeelde partij] te lopen;\n\nfeit 2 primair:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan [benadeelde partij]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\neen mok of theeglas tegen het hoofd van die [benadeelde partij] kapot heeft geslagen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 2 subsidiair:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan [benadeelde partij]\n\nheeft mishandeld\n\ndoor die [benadeelde partij] , al dan niet met een voorwerp, tegen het hoofd te slaan.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB1R025042, onderzoek Quokka, gesloten d.d. 22 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1652.\n\n De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, pagina. 270 en 277 tot en met 279.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo, pagina 1031, 1033 en 1034.\n\n Het rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 9 mei 2025, pagina 1144, 1147 en 1148.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 16 mei 2025, pagina 1516.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 21 april 2025, pagina 120 en 121.\n\n De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo d.d. 1 juli 2025, pagina 1031 tot en met 1033.\n\n Het proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoek d.d. 29 april 2025, pagina 1117 en 1118.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023173127, gesloten d.d. 24 juni 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 31.\n\n Het proces-verbaal aangifte van [benadeelde partij] d.d. 29 oktober 2023, pagina 2 tot en met 4.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige 4] d.d. 2 november 2023, pagina 18 en 19.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 2 november 2023, pagina 21 en 22.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6579","2026-07-13T00:29:12.565Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":57,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":41,"parsedAt":35,"updatedAt":59},"1318","ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","ecli-nl-rblim-2026-6631","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.109661.25\n\nTegenspraak, na aanhouding verschenen\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,\n\nthans gedetineerd in [verblijfplaats] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. S.L.T.A. Scheepers, advocaat kantoorhoudende te Venlo.\n\nNamens de benadeelde partij [naam cafetaria] is niemand op zitting verschenen.\n\nDe rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:op 8 april 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 2:op 12 maart 2025 heeft geprobeerd om [slachtoffer] (al dan niet met voorbedachten rade) te doden dan wel (al dan niet met voorbedachten rade) heeft geprobeerd om hem zwaar te mishandelen.\n\nFeit 3:op 8 april 2025 een deur van [naam cafetaria] heeft vernield.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde als poging tot moord bewezen kan worden verklaard. De verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaard door meermalen met kracht met een ijzeren staaf op het hoofd te slaan. Daarnaast is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte zich gedurende ongeveer een kwartier heeft kunnen beraden op zijn voorgenomen besluit, in die tijd rugdekking heeft geregeld en vervolgens bewapend op zoek is gegaan naar [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat op basis van de camerabeelden niet kan worden vastgesteld dat de verdachte met een ijzeren staaf met kracht op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen en het hoofdletsel van [slachtoffer] daarvan afkomstig moet zijn. Enkel kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] op zijn arm en schouder heeft geraakt met de ijzeren staaf. Daarmee was geen sprake van een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel, maar wel op zwaar lichamelijk letsel. Deze heeft de verdachte ook bewust aanvaard, reden waarom het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit volgens de officier van justitie wel bewezen kan worden verklaard. Ook hier is sprake van voorbedachte raad, nu de verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn voorgenomen besluit en vervolgens bewapend op pad is gegaan.\n\nTot slot heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot feit 1 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of het handelen van de verdachte een poging tot doodslag oplevert. Van voorbedachte raad is echter geen sprake. De verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken omdat hij heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Daarbij heeft de raadsvrouw ook gewezen op de deskundigenrapportages waaruit onder meer volgt dat de bij de verdachte geconstateerde problematiek maakt dat hij impulsief handelt.\n\nMet betrekking tot het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit heeft de verdediging verzocht de verdachte vrij te spreken. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte [slachtoffer] met de ijzeren staaf een klap op het hoofd heeft gegeven, nu dit niet is te zien op de camerabeelden en de arm waarin de verdachte de staaf vast heeft wel in beeld blijft. De verdachte herinnert zich dat [slachtoffer] tegen een kast of een deur is gevallen. Dat zou een mogelijke oorzaak kunnen zijn van de wond op het achterhoofd van [slachtoffer] . Er kan slechts worden vastgesteld dat de verdachte één klap heeft gegeven op de linkerarm of het linker schouderblad van [slachtoffer] . Een enkele klap op die plaats van het lichaam kan niet leiden tot een poging tot zware mishandeling of een poging tot doodslag. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ook van voorbedachte raad geen sprake kan zijn.\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraakoverweging feit 2\n\nDe rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat de verdachte op 12 maart 2025 achter [slachtoffer] is aangerend met een ijzeren staaf en hem vervolgens met die staaf eenmaal heeft geslagen op zijn rug\u002Fschouder, waarna [slachtoffer] een winkel binnenrent.\n\nVervolgens is de verdachte met de ijzeren staaf in de rechterhand in de deuropening van de winkel blijven staan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw heeft de rechtbank ter zitting op grond van de camerabeelden waargenomen dat de verdachte gedurende de tijd dat hij in de deuropening heeft gestaan geen slaande beweging heeft gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat als de verdachte op dat moment [slachtoffer] geslagen zou hebben die slaande beweging deels zichtbaar zou moeten zijn geweest op de camerabeelden, omdat de verdachte de staaf in zijn rechterhand had en de rechterschouder en\u002Fof arm nagenoeg steeds in beeld is geweest. De zeer korte tijd waarin dit niet het geval is, is zo kort dat de slaande beweging op het hoofd, waarover [slachtoffer] heeft verklaard, niet in die tijd heeft kunnen plaatsvinden, mede gelet op de houding van het bovenlichaam van de verdachte dat steeds in beeld blijft.\n\nOp een gegeven moment is te zien dat de verdachte wegloopt uit de deuropening. Even later komt [slachtoffer] naar buiten. Op dat moment is een bloedende hoofdwond aan de achterzijde van zijn hoofd zichtbaar.\n\n [slachtoffer] heeft tot driemaal toe verklaard dat hij vlak na de slag tegen de rug\u002Fschouder ook op het hoofd is geslagen met de ijzeren staaf door de verdachte, dat dat pijn deed en bloedde en dat hij daar de hoofdwond aan heeft overgehouden. Op grond van voorgaande vaststellingen omtrent de camerabeelden komt de rechtbank tot de conclusie dat het tijdstip waarop de verdachte volgens [slachtoffer] op zijn hoofd heeft geslagen niet kan kloppen. Daar komt bij dat [slachtoffer] tijdens zijn verklaringen niet heeft verklaard dat hij op enig ander moment op het hoofd zou zijn geraakt.\n\nAlhoewel duidelijk is dat [slachtoffer] een bloedende hoofdwond heeft opgelopen, valt niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat dit het gevolg is geweest van het handelen van de verdachte. Op de camerabeelden is immers ook te zien hoe [slachtoffer] tegen een deur aanloopt als hij de winkel invlucht. De winkelmedewerker die daar destijds aan het werk was heeft ook niet verklaard dat [slachtoffer] bij het binnengaan of gedurende de tijd die hij heeft doorgebracht in de winkel met de ijzeren staaf op het hoofd is geslagen. Dit terwijl wel is verklaard over het lopen tegen de deur. Gezien al het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.\n\nTen aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank dat de verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer] zwaar te mishandelen en dat evenmin kan worden geoordeeld dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is van vol opzet. Een enkele slag met een ijzeren staaf op de rug\u002Fschouder levert naar het oordeel van de rechtbank ook geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, waardoor er geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Nu het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt, dient de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken te worden.\n\nGezien het voorgaande zal de rechtbank de verdachte integraal vrijspreken van feit 2.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte meerdere malen met een ijzeren staaf op\u002Ftegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025;\n\n- de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] tijdens de aanhouding van de verdachte op 8 april 2025.\n\nOverwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte juridisch moet worden gekwalificeerd.\n\nOpzet op de dood\n\nDe rechtbank dient allereerst te beoordelen of de verdachte met zijn gedragingen het opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Er is sprake van ‘vol opzet’ indien willens en wetens wordt gehandeld, dat wil zeggen indien een bepaald gevolg – in dit geval de dood van [slachtoffer] – wordt beoogd. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte, met in zijn rechterhand een langwerpig, grijs voorwerp, naar de toegangsdeur van de cafetaria rent waar [slachtoffer] zich bevindt en naar binnen rent naar die [slachtoffer] toe, hem vastpakt en meerdere keren met kracht met een ijzeren voorwerp richting [slachtoffer] slaat, waaronder meermalen met kracht op zijn hoofd. Bij een van die slagen heeft de verdachte het ijzeren voorwerp met beide handen vast, terwijl hij dit tot boven zijn schouders heeft geheven om vervolgens met kracht te slaan tegen het hoofd van [slachtoffer] . Als [slachtoffer] daarna op de grond belandt, gaat de verdachte boven hem staan en blijft op eenzelfde wijze doorgaan met het slaan van [slachtoffer] . De uiterlijke verschijningsvorm van dit handelen kan niet anders worden uitgelegd als zijnde gericht op de dood van [slachtoffer] . Daar komt bij dat uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat de verdachte tijdens het slaan tegen hem heeft gezegd dat hij hem dood gaat maken. Tijdens zijn aanhouding heeft de verdachte bovendien tegenover de politieambtenaren verklaard dat het de eigen schuld van [slachtoffer] was, dat hij het niet erg vond om hiervoor te gaan zitten en dat hij hem liever dood had geslagen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .\n\nPartiële vrijspraak voorbedachte raad\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de verdachte voorafgaand aan het slaan met de ijzeren staaf voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad voor beraad en bezinning. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De enkele vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van voorbedachte raad en hoeft de rechtbank er bovendien niet van te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.\n\nDe verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het besluit om [slachtoffer] met de ijzeren staaf te slaan heeft genomen op het moment dat hij bij de cafetaria arriveerde en uit de auto stapte. De ijzeren staaf zou volgens de verdachte al op de achterbank van de auto hebben gelegen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte eerder dan dat moment het plan zou moeten hebben opgevat om [slachtoffer] op zijn hoofd te slaan met het ijzeren voorwerp. Dat de rest van het gereedschap door de politie is aangetroffen in de kofferbak van het voertuig van de verdachte, maakt naar het oordeel van de rechtbank immers niet dat het ijzeren voorwerp daarom niet op de achterbank had kunnen liggen zoals door de verdachte is verklaard. Zodoende kan niet worden vastgesteld dat het besluit van de verdachte om [slachtoffer] met een ijzeren staaf op zijn hoofd te slaan zo ver voor het feit is genomen dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het dossier meer aanknopingspunten bevat dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Zijn handelen is kennelijk getriggerd door het telefoontje dat hij van [verbalisant 1] ontving, waarna hij geëmotioneerd in de auto is gestapt en een al bij hem aanwezig familielid met hem mee is gegaan.\n\nGelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming en de uitvoering in een zodanig korte tijdspanne hebben plaatsgevonden dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van het bestanddeel ‘met voorbedachte raad’.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte zich op 8 april 2025 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen ten aanzien van feit 3\n\nDe rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte het tenlastegelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een (tussen)deur van [naam cafetaria] , op grond van:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nde aangifte van [aangever] van 8 april 2025;\n\n- de beschrijving van de camerabeelden door verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nop 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen (met kracht) met een (ijzeren) staaf, op\u002Ftegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nop 8 april 2025 te Venlo opzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur die aan [naam cafetaria] toebehoorde, heeft vernield.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\npoging tot doodslag\n\nT.a.v. feit 3:\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\n [naam psycholoog] , GZ-psycholoog, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 2 juli 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nEr is bij betrokkene sprake van ADHD en een antisociale en borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. Betrokkene ging impulsief op het slachtoffer af. Hoewel dit op het eerste gezicht vooral berekenend en antisociaal aandoet, is hierin juist ook de (emotionele) impulsiviteit passend bij de borderline problematiek herkenbaar waarin hij zich niet liet remmen, gedreven werd door woede vanuit angst om iemand voor wie hij zich verantwoordelijk voelt en de walging (devaluatie) jegens iemand die niet voldoet aan zijn standaarden. Dit werd ook gezien in de klappen. Betrokkene sloeg agressief en dacht niet meer na. Hij sloeg tegen het hoofd, ook toen de man al lag en voelde zich vooral woedend. Hij verklaart in dezen overigens ook duidelijk dat “het” niet allemaal bewust is geweest en dat hij niet geloofd had dat het zo ernstig was als gesteld werd, als hij de beelden ervan niet had gezien. Er zijn naast antisociale, ook narcistische elementen herkenbaar in het feit dat hij het zelf ging regelen en niet de politie inschakelde. Betrokkene voelde in zijn recht te staan, begreep eigenlijk niet dat hij als dader en niet als held ontvangen werd bij justitie hoewel hij realiteitszin genoeg had deze afwijzing voor te zijn. De onderliggende ADHD die voortdurende onrust in hem teweegbrengt, dreef hem tot snelle actie. Gezien de relatie tussen de gediagnosticeerde problematiek en het hem ten laste gelegde en het feit dat met name de borderline dynamiek er debet aan geweest is dat hij zijn eigen handelen volstrekt onvoldoende onder controle kon houden, wordt geadviseerd het hem slechts in verminderde mate toe te rekenen.\n\n [naam psychiater] , psychiater, heeft over de geestvermogens van de verdachte op 24 november 2025 een rapport uitgebracht. In de rapportage komt – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren.\n\nBij betrokkene is sprake van ADHD, een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken, stoornis in het gebruik van cocaïne en partner-relatieproblemen. ADHD en de gestelde persoonlijkheidspathologie zijn altijd aanwezig. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren er op de voorgrond staande stoornissen in de emotie- en agressieregulatie en impulsiviteit en schoten de copingsvaardigheden van betrokkene tekort. De partnerrelatie was de belangrijkste trigger in deze. Het advies is om betrokkene de beide tenlastegelegde feiten, mits deze bewezen worden\n\ngeacht, verminderd toe te rekenen. Allereerst speelt daar zijn ADHD een belangrijke rol in, gezien dit zijn handelen duidelijk impulsiever heeft gemaakt en betrokkene zijn gedrag hierdoor minder kan controleren. Deze impulsiviteit vanuit zijn ADHD heeft ook zijn disfunctionele gedrag voortkomende uit zijn persoonlijkheidspathologie duidelijk aangejaagd. Betrokkene is fors getriggerd geraakt, doordat zijn belangrijkste naasten, namelijk Nathalie en zijn zoontje, in zijn ervaring belaagd en vernederd werden door het slachtoffer. De borderlinepathologie van betrokkene zorgt ervoor dat grenzen tussen zelf en de ander vervagen en daardoor worden zeker de belangrijkste naasten als partners, ouders en kinderen beleefd als ware het betrokkene zelf. De beledigingen en bedreigingen van het slachtoffer aan zijn vriendin en zoontje zullen door betrokkene dan ook als gericht op hemzelf zijn ervaren. Dit zal voor betrokkene ten diepste beangstigend zijn geweest en deze ernstige emotionele ontregeling heeft een trigger voor impulsiviteit\n\nen verlies van zelfcontrole gevormd. Desalniettemin heeft betrokkene in een aantal stappen weldegelijk gerichte keuzes gemaakt vanuit een instrumenteel motief. Dat motief was over een langere termijn afgewogen en betrof dat het slachtoffer moest worden afgestopt en vergelding moest plaatsvinden. Als er niet werd ingegrepen door politie\u002Fjustitie, dan betekende dat voor betrokkene dat hij voor eigen rechter moest spelen. In die keuzes heeft betrokkene weldegelijk handelings- en wilsvrijheid genoten: hij had immers ook die dag weg kunnen blijven en naar het bos kunnen gaan, zoals hij eerder had gedaan. Of hij had het aanbod van zijn vriend kunnen volgen om afleiding te zoeken, maar “die dag was de emmer vol”. Betrokkene was in staat het ongeoorloofde van zijn handelen in te zien, maar keurde dit desondanks goed.\n\nDe rechtbank verenigt zich met de adviezen en de conclusies van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid, neemt deze over en maakt deze tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten acht de rechtbank de verdachte strafbaar.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij rekening gehouden met de aard en ernst van het feit, de justitiële documentatie van de verdachte en de rapporten van de psycholoog en de psychiater waaruit blijkt dat de feiten in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Uit de rapporten van de psycholoog en de psychiater blijkt dat sprake is van een hoog recidiverisico en dat het van belang is dat de verdachte wordt behandeld. De algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en dit is ook de meest passende maatregel. De officier van justitie ziet geen meerwaarde in een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbenemende maatregel op grond van artikel 38z Sr. Tot slot heeft de officier van justitie verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijk strafdeel.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafbepaling rekening moet worden gehouden met de aanleiding van het conflict en de meewerkende houding van de verdachte. Daarnaast heeft de verdachte er zelf voor gekozen om hulp te zoeken binnen de p.i. en kunnen de feiten in verminderde mate worden toegerekend aan de verdachte. De raadsvrouw heeft twee strafvoorstellen gedaan. Het eerste voorstel houdt in dat aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden en een gevangenisstraf van 2 jaren wordt opgelegd. De verdachte is gemotiveerd om snel met behandeling te beginnen. Het tweede voorstel is om aan de verdachte een gevangenisstraf van 4 jaren waarvan 2 jaren voorwaardelijk op te leggen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden dan bijzondere voorwaarden moeten worden gekoppeld. De raadsvrouw benadrukt tot slot dat er rekening mee moet worden gehouden dat het opleggen van een tbs-maatregel een ultimum remedium is.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door meerdere malen hard met een ijzeren staaf op het hoofd van [slachtoffer] te slaan. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een deur. Door zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Het gaat om potentieel levensbedreigend geweld. Dit heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer, maar de verdachte heeft door zijn handelen, in een friettent waar ook andere mensen aanwezig waren, bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Wat [slachtoffer] ook gedaan of gezegd zou hebben tegen de ex-partner van de verdachte, dat rechtvaardigt niet deze afranseling waarbij [slachtoffer] zoals gezegd zomaar het leven had kunnen laten. De rechtbank rekent het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij voor eigen rechter heeft gespeeld. Daarbij geldt dat het enkel aan toeval en niet aan terughoudendheid van de verdachte is te danken dat het slachtoffer niet is overleden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 juni 2026, waaruit onder meer blijkt dat hij op 29 februari 2024 is veroordeeld voor een vernieling.\n\nDe straf\n\nBij de strafoplegging ligt het accent niet verwonderlijk op de bewezenverklaarde poging tot doodslag van [slachtoffer] . De rechtbank is, evenals de officier van justitie, van oordeel dat, gelet op de ernst van dit feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Zoals eerder gezegd zal de rechtbank de feiten aan de verdachte in verminderde mate toerekenen.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Een lagere gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit indien deze gevangenisstraf gepaard zou gaan met de oplegging van een tbs-maatregel, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De verdachte zal tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting verblijven, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\nDe maatregel\n\nUit de rapportages van de psychiater en de psycholoog volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere psychische stoornissen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Beide deskundigen schatten het recidiverisico als hoog in. Zij wijzen daarbij onder meer op de uitgebreide justitiële voorgeschiedenis van de verdachte, waarbij sprake is van uiteenlopende typen slachtoffers, de invloed van een pro-crimineel netwerk, een beperkt arbeidsverleden, verslavingsproblematiek, een hoge mate van impulsiviteit en gebrekkige copingvaardigheden ten aanzien van emotieregulatie.\n\nDe psycholoog adviseert behandeling binnen een voorwaardelijk strafkader, waarbij de verdachte een behandeltraject volgt bij een forensische polikliniek. De psychiater acht een behandeling binnen een voorwaardelijk kader ook mogelijk, maar adviseert een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Hij vindt van belang dat wordt voorkomen dat de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij indien hij op enig moment besluit niet langer mee te werken aan de behandeling of de gestelde voorwaarden. In dat geval kan een tbs met voorwaarden worden omgezet in een tbs met dwangverpleging, zodat de noodzakelijke behandeling ter vermindering van het recidiverisico kan worden voortgezet. Uit het reclasseringsrapport en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte bereid is mee te werken aan een tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert hierover voorzichtig positief en heeft ter zitting vermeld dat reeds een indicatiestelling voor een langdurige klinische behandeling is geregeld.\n\nDe rechtbank neemt het advies van de psychiater en de reclassering over en is van oordeel dat, naast voornoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf, aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden moet worden opgelegd. Gelet op de ernst van de feiten, de bij de verdachte aanwezige stoornissen en het hoge recidiverisico acht de rechtbank het onverantwoord om het risico te lopen dat de verdachte zonder behandeling in de maatschappij terugkeert. Hoewel de rechtbank het positief acht dat de verdachte zich thans bereid toont aan behandeling mee te werken, dient ermee rekening te worden gehouden dat hij zich op dit moment bevindt in de gestructureerde omgeving van de penitentiaire inrichting. Niet kan worden uitgesloten dat zijn motivatie onder minder beschermde omstandigheden en met toename van prikkels van buitenaf onder druk kan komen te staan.\n\nDe rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel. De bewezenverklaarde poging tot doodslag betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht. Ten tijde van het begaan van het feit bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis dan wel gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen, eist het opleggen van de maatregel. Aan de maatregel zullen de hierna te noemen, door de reclassering geadviseerde, voorwaarden worden verbonden.\n\nDe rechtbank overweegt daarbij dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van poging tot doodslag. Dat is een misdrijf dat is gericht tegen, dan wel gevaar veroorzaakt voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e Sr. Dit brengt mee dat de duur van de terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd tot vier jaren indien deze op enig moment wordt omgezet naar een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege.\n\nGelet op het psychiatrisch toestandsbeeld van de verdachte, de ernst van het bewezenverklaarde feit onder 1 en het hoge recidiverisico ziet de rechtbank aanleiding de tbs met voorwaarden op grond van artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Gezien de duur van de daarnaast opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank geen aanleiding om, anders dan door de officier van justitie verzocht, de voorlopige hechtenis te schorsen vanaf het moment dat de straf gelijk wordt aan de duur van het voorarrest en onder gelijkluidende voorwaarden als de tbs-maatregel. Dit moment ligt immers dusdanig ver in de toekomst dat het te ver gaat om daarover reeds nu een beslissing te nemen.\n\nGedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe reclassering heeft geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, zodat ook na afloop van de terbeschikkingstelling gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden kunnen worden toegepast. De rechtbank begrijpt dat het adviseren van een GVM onderdeel uitmaakt van de standaardwerkwijze van de reclassering. Desgevraagd heeft de deskundige ter zitting niet nader kunnen concretiseren welke toegevoegde waarde deze maatregel in dit geval heeft, buiten de aanwezigheid van een mogelijk forensisch kader na afloop van de maatregel. De rechtbank stelt vast dat door oplegging van deze maatregel de verdachte uiteindelijk gedurende lange tijd fors in zijn vrijheden kan worden beperkt. De enkele notie dat er zodoende altijd een vangnet mogelijk is vindt de rechtbank onder deze omstandigheden, waarin er verder geen concrete toegevoegde waarde van de maatregel zelf benoemd kon worden, onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 en 2)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 14.000,00 euro ter zake van de feiten 1 en 2. Deze vordering bestaat uit immateriële schade. Er is bij de benadeelde partij onder meer sprake van hersenletsel, een breuk aan de middelvinger, een breuk in de neus, littekens in het aangezicht en een breuk in het sleutelbeen. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.830,00 euro ter zake van feit 3. Deze vordering ziet op de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken voor een nieuwe deur. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te moeilijk is om te beoordelen. De vordering is op meerdere punten onvoldoende onderbouwd en bij de beoordeling moet worden betrokken of er sprake is van eigen schuld van de benadeelde partij.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hoewel er geen offerte is bijgevoegd, heeft de verdachte zich bereid verklaard om de schade te betalen. De gijzeling kan in dit geval worden vastgesteld op één dag.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de vordering te onduidelijk is en daardoor een onevenredige belasting voor het strafproces vormt. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om alleen een bedrag toe te wijzen voor de breuk in de neus, de vordering sterk te matigen en rekening te houden met een mate van eigen schuld.\n\nMet betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [naam cafetaria] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, ondanks dat de vordering niet is onderbouwd en niet voldoet aan de formele eisen omdat de handtekening ontbreekt. De verdachte is immers bereid om de schade te betalen.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1)\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek onder meer mogelijk indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten breuken van de neus en middelvinger en licht traumatisch hersenletsel. Gelet op de aard en ernst van het letsel, de pijn die daarvan het gevolg is geweest en de onderbouwing daarvan aan de hand van foto’s en medische informatie, acht de rechtbank een vergoeding van immateriële schade van € 5.000,00 billijk. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot dat bedrag toe. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor het overige onvoldoende onderbouwd is. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering dan ook niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, met het bijbehorende aantal dagen gijzeling.\n\nVordering benadeelde partij [naam cafetaria] (feit 3)\n\nDe rechtbank is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd. De vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk voorkomt en de verdachte zich bereid heeft verklaard de schade te vergoeden, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\nEr zal maar één dag gijzeling worden toegepast, gelet op de gebreken die aan de vordering kleven en de overeenstemming ter zitting over de duur van de toe te passen gijzeling.\n\n8. Het beslag\n\nNu de verdachte zal worden vrijgesproken van feit 2 dient het inbeslaggenomen goed – te weten een ijzeren pijp\u002Fstaaf – teruggegeven te worden aan de verdachte.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreektde verdachtevrijvan feit 2;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezenzoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feitenoplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregel\n\ngelast dat de verdachte ter beschikkingwordtgesteld met voorwaardenten aanzien van feit 1 primair;\n\nstelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden:\n\n1. Geen strafbaar feit plegen\n\nVeroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.\n\n2. Meewerken aan reclasseringstoezicht\n\nVeroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n- Veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;\n\n- Veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;\n\n- Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;\n\n- Veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;\n\n- Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners;\n\n- Veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;\n\n- Veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht.\n\n3. Meewerken aan time-out\n\nAls de reclassering dat nodig vindt en veroordeelde daarmee instemt, kan veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling (FPK \u002F FPA). Deze time-out duurt totdat de reclassering of veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n4. Niet naar het buitenland\n\nVeroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n5. Opneming in een zorginstelling\n\nVeroordeelde laat zich opnemen in en behandelen door een forensisch psychiatrische kliniek (FPK) of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie (NIFP-IFZ \u002F DIZ). De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de agressieproblematiek, de ADHD, de persoonlijkheidsstoornis en de verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n6. Ambulante behandeling\n\nVeroordeelde laat zich na afronding van de klinische behandeling behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychische en verslavingsproblematiek, en de agressiebeheersing, schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nVeroordeelde verblijft in een begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien en zolang de reclassering nodig acht. Het verblijf start na de klinische behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\n8. Verbod verdovende middelen\n\nVeroordeelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n9. Alcoholverbod\n\nVeroordeelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n10. Contactverbod\n\nVeroordeelde zoekt of heeft op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] .\n\n11. Dagbesteding\n\nVeroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\n12. Aflossing schulden\n\nVeroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nToezicht\n\n- geeft opdracht aan de reclassering om toezichtte houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\n- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 1\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van5.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijkis en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van5.000,00 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nBenadeelde partij [naam cafetaria] en schadevergoedingsmaatregel t.a.v. feit 3\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam cafetaria] , van een bedrag van1.830,50 euro, bestaande uit materiële schade;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskostendoor de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot opnihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staatten behoeve van [naam cafetaria] van een bedrag van1.830,50 euro;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rentevanaf 8 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;Beslag\n\n- gelast de teruggave vanhet volgende inbeslaggenomen goed aan de rechthebbende:\n\n1. STK pijp (G1786919).\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. K. Mestrom en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.H.G. Staals, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nMr. Y.R.S. Piekhaar is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nT.a.v. feit 1 primair:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf en\u002Fof moersleutel, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 primair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 2 subsidiair:\n\nhij, op of omstreeks 12 maart 2025 te Venlo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een (ijzeren) staaf, althans (telkens) met enig (hard) voorwerp, op\u002Ftegen het hoofd, in elk geval het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nT.a.v. feit 3:\n\nhij, op of omstreeks 8 april 2025 te Venlo\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een (tussen)deur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [naam cafetaria] en\u002Fof [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer OL2300-2025056739, gesloten d.d. 27 mei 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 215.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 8 april 2025, pg. 13-15.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.\n\n Proces-verbaal van aanhouding verdachte van 8 april 2025, pg. 184-186.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 april 2025, pg. 55-57.\n\n Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 9 april 2025, pg. 102-115.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6631","2026-07-13T00:29:15.725Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":35,"updatedAt":68},"1801","ECLI:NL:RBLIM:2026:6417","ecli-nl-rblim-2026-6417","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.288300.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 2006,\n\nwonende te [adres] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 7 september 2024 in Koningsbosch als bestuurder van een motorrijtuig (primair) een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel (subsidiair) zich zodanig heeft gedragen dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht het primair tenlastegelegde bewezen. De verdachte heeft in een onoverzichtelijke bocht aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en zodoende een ongeval veroorzaakt, door niet voldoende rechts te houden, zijn voertuig niet onder controle te houden en zijn snelheid niet dusdanig te verlagen dat hij tijdig tot stilstand kon komen. De verdachte reed midden op een smalle weg richting een onoverzichtelijke bocht en wist dit ook. Hij heeft zijn snelheid en positie hier niet op aangepast en heeft onvoldoende geanticipeerd op de omstandigheden op de weg ter plaatse. Hoewel zijn zicht op eventuele tegenliggers was belemmerd, heeft hij de bocht min of meer afgesneden. Als gevolg van de aanrijding heeft slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en is slachtoffer [slachtoffer 1] overleden.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, omdat de verdachte geen schuld had in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Er was geen sprake van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De verdachte werd plotseling geconfronteerd met fietsers die in het midden van de weg fietsten en hem op snelheid naderden. Hij zag zich genoodzaakt om op de rem te gaan om een ongeval te vermijden, waardoor het voertuig van de verdachte onbedoeld in een slip terechtkwam. De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de stuurbeweging\u002F-correctie kan worden toegeschreven aan het proberen een ongeval te vermijden. Op basis van het dossier is onduidelijk wat de positie en snelheid van de fietsers was op het moment voor de botsing. Bovendien heeft de zonsituatie een rol gespeeld, althans het effect van de zon kan niet worden uitgesloten.\n\nDe raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde, omdat geen sprake was van evident gevaarzettend gedrag. De verdachte heeft immers gas losgelaten in de bocht, zag de fietsers later door de zon, heeft geremd en is in een slip geraakt. Dit is juist het handelen wat van een bestuurder mag worden verwacht. Er is geen sprake van een (duidelijke) verkeersfout, maar juist van een reddingspoging.3.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde\n\nOp 7 september 2024, omstreeks 13:44 uur, vond op de [straatnaam 1] in Koningsbosch een verkeersongeval plaats. De verdachte reed in een motorrijtuig (de Jiayuan Eidola, een elektrische ‘microcar’ met een topsnelheid van 78 km\u002Fh) en de slachtoffers reden in tegengestelde richting op (elektrische) fietsen. Toen zij elkaar passeerden, kwamen de fietsen van de slachtoffers met de voorzijde van het motorrijtuig van de verdachte in botsing. Als gevolg van het ongeval is slachtoffer [slachtoffer 1] ter plaatse overleden en heeft slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het motorrijtuig van de verdachte kwam vervolgens in botsing met een boom, alwaar hij ook tot stilstand kwam.\n\nDe [straatnaam 1] heeft voorbij het kruispunt met de [straatnaam 2] een recht en vlak wegverloop. Ongeveer 50 meter voorbij dit kruispunt is een bocht naar links gelegen in het wegverloop. Op de foto’s, weergegeven in het proces-verbaal FO verkeer, is te zien dat dit een flauwe bocht betreft. De plaats van het ongeval was gelegen in het einde van deze bocht. Ter hoogte van de plaats van het ongeval is de rijbaan van de [straatnaam 1] niet verdeeld in rijstroken en bestemd voor verkeer uit tegengestelde rijrichtingen. Er is geen wegbelijning op het wegdek aangebracht. De rijbaan heeft een breedte van ongeveer 4,3 meter. De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedraagt 60 kilometer per uur.\n\nIn deze zaak staan de wegposities van zowel de verdachte als de slachtoffers voorafgaand aan de botsing ter discussie. De officier van justitie en de raadsman trekken daarover verschillende conclusies op basis van dezelfde gegevens. In dit onderzoek is geen bewijsmateriaal gevonden van de ruimere periode die voorafging aan de botsing. Er zijn geen camerabeelden, geen getuigenverklaringen en geen voertuigdata. Alleen de verdachte heeft iets verklaard over wat hij zag en deed. Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft geen herinnering aan het ongeval. Het rapport van de VerkeersOngevallenAnalyse (VOA) vertelt slechts het verhaal van de laatste fractie van een seconde voor de botsing.\n\nOp de rijbaan werd in de bocht naar links in het wegverloop, op ongeveer 24 meter voor de boom waartegen de verdachte met zijn motorrijtuig tot stilstand kwam, en op ongeveer 3,3 meter van de linker rijbaankant, op de rechter weghelft een bandenspoor aangetroffen, zijnde een slipspoor. Dit spoor betrof het eerste aangetroffen spoor op het wegdek (hierna: spoor 1, overeenkomend met de spoornummering in het proces-verbaal op p. 82 e.v.). Het motorrijtuig had tijdens het aftekenen van voornoemd slipspoor gereden met een indicatieve snelheid gelegen tussen ongeveer 53 km\u002Fh en 61 km\u002Fh. Op de rijbaan, op ongeveer 12,8 meter voorbij het punt van de eerste aftekening van spoor 1, werd in\u002Fop de linker weghelft een krassporenbeeld met in het verlengde daarvan een vierde bandenspoor aangetroffen, zijnde een wringspoor (hierna: spoor 4). Ongeveer in het midden van de linker weghelft, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte en ter hoogte van het aangetroffen wringspoor (spoor 4), kwam het motorrijtuig van de verdachte met de voorzijde rechts in botsing met de voorzijde van de zwarte fiets waarop slachtoffer [slachtoffer 1] zich bevond. Daarna kwam het motorrijtuig met de voorzijde links in botsing met de voorzijde van de blauwe fiets waarop slachtoffer [slachtoffer 2] zich bevond. De afstand tussen spoor 1, zijnde het eerste slipspoor, en spoor 4, waar het motorrijtuig van de verdachte en de fietsers met elkaar in botsing zijn gekomen, betrof ongeveer 12,8 meter. Gelet op de vastgestelde indicatieve snelheid van het motorrijtuig heeft het motorrijtuig die afstand in minder dan een seconde afgelegd.\n\nDe officier van de justitie en de raadsman interpreteren de gegevens over spoor 1 allebei op hun eigen manier. De officier van justitie stelt dat dit spoor is gezet door de rechter achterband en concludeert daaruit dat de verdachte de bocht afsneed. De raadsman stelt dat dit spoor is gezet door de linker achterband en concludeert daaruit dat de verdachte voldoende rechts reed. De rechtbank volgt de officier van justitie wel in zijn stelling, maar niet in zijn conclusie. De deskundige rapporteert dat dit spoor is gezet door de rechter achterband en motiveert navolgbaar waarop die conclusie is gebaseerd (p. 106). De rechtbank is het niet eens met de raadsman dat de foto’s en de tekeningen van dit spoor tot een andere conclusie dwingen. De rechtbank stelt daarom vast dat spoor 1 is gezet door de rechter achterband. Het rapport vermeldt dat dit spoor op ongeveer 3,3 meter van de linker berm is gezet, maar beschrijft niet op welk punt in dit spoor deze afstand is gemeten: de linker zijkant, het midden of de rechter zijkant. De rechtbank gaat daarom in het voordeel van de verdachte uit van de linker zijkant als meetpunt. Omdat één weghelft 2,15 meter breed is, ligt dat punt op 1,15 meter rechts van het midden. Uit het dossier blijkt dat de auto 1,29 meter breed is (p. 113) en de banden 14,5 cm breed zijn (p. 100). Bij het begin van de slip was de linkerkant van de auto dus 1,145 meter links van het meetpunt van spoor 1. Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte op dat moment nog (net) volledig op zijn eigen weghelft reed.\n\nZijn indicatieve snelheid was toen tussen 53 km\u002Fh en 61 km\u002Fh en dus op of onder de ter plaatse toegestane maximumsnelheid. Naar het oordeel van de rechtbank is de bocht naar links niet zodanig onoverzichtelijk dat de verdachte zijn snelheid hierop had moeten aanpassen. Daarnaast is de rijbaan breed genoeg. De rijbaan heeft immers een breedte van ongeveer 4,3 meter en het motorrijtuig van de verdachte had een breedte van 1,29 meter waardoor de verdachte en de fietsers elkaar, ieder rijdend op hun eigen weghelft, hadden moeten kunnen passeren.\n\nDe verdachte is met zijn motorrijtuig desondanks kennelijk vanwege het remmen of een stuurbeweging in een slip geraakt, waardoor hij op de linker weghelft terecht is gekomen en in botsing gekomen met de aldaar fietsende slachtoffers. Over de aanleiding voor deze slip geeft het dossier geen informatie, behalve de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij schrok van de fietsers, die onverwacht breed fietsten, en daarom remde waardoor hij in een slip terecht kwam.\n\nHet VOA-rapport beschrijft dat slachtoffer [slachtoffer 1] op het moment van de botsing ongeveer midden op zijn eigen weghelft reed en dat slachtoffer [slachtoffer 2] op het moment van de botsing ‘een schuinstand naar rechts’ had en ‘mogelijk nog uitgeweken’ was richting de berm. Deze conclusies passen naar het oordeel van de rechtbank even goed in het scenario van de verdachte als in het scenario van de officier van justitie. De deskundige rapporteert immers niet waar de fietsers reden op het moment van de blik, de schrik en de slip.\n\nNiet kan dus worden vastgesteld wie waar reed en hoe werd gereden in de momenten voorafgaand aan de laatste seconde. De verdachte reed ten tijde van het ontstaan van het eerste slipspoor niet onvoldoende rechts, niet te hard, hij was niet onder invloed van middelen en er zijn rond het tijdstip van het ongeval geen gebruikershandelingen in de data van de telefoon van de verdachte aangetroffen. Ook is niet gebleken dat de verdachte anderszins was afgeleid van het verkeer.\n\nDe rechtbank is – al het voorgaande overwegende – van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een verkeersfout. Aldus kan ook niet worden vastgesteld dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, in die zin dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW, of dat sprake is van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag dat inbreuk maakt op de veiligheid van de weg in de zin van artikel 5 WVW. De rechtbank zal de verdachte dan ook om die reden vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.\n\nDe rechtbank hecht eraan te benadrukken dat het verdriet van de nabestaanden door het overlijden van hun echtgenoot en vader en de ernst van het opgelopen letsel van slachtoffer [slachtoffer 2] onvoorstelbaar groot moet zijn. De rechtbank betreurt dit ten zeerste. Voor zover uit dit onderzoek blijkt, was het echter een noodlottig ongeval en geen strafbaar feit.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. van de Pasch, voorzitter, mr. I.T.H.L. van de Bergh en mr. J. van Berchum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. J. van Berchum is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Koningsbosch, gemeente Echt-Susteren als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend rijgedrag, te weten, dat verdachte:\n\n- op voornoemde weg heeft gereden waarbij hij zijn voertuig niet voldoende rechts heeft gehouden en\u002Fof voornoemd voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor hij geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook, in aanrijding is gekomen met twee zich op die rijstrook bevindende fietsers, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] werd gedood en\u002Fof een ander, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Koningsbosch, gemeente Echt-Susteren als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam 1] ,\n\n- op voornoemde weg heeft gereden waarbij hij zijn voertuig niet voldoende rechts heeft gehouden en\u002Fof voornoemd voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor hij geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook, in aanrijding is gekomen met twee zich op die rijstrook bevindende fietsers,, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6417","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:39.568Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":73,"fullText":74,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":64,"parsedAt":35,"updatedAt":76},"663","ECLI:NL:GHSHE:2026:1754","ecli-nl-ghshe-2026-1754","2026-06-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001527-25\n\nUitspraak : 26 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 2 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer\n\n03-324688-24 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘poging tot zware mishandeling’ (feit 1 primair) en ’mishandeling’ (feit 2) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van gronden en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde. Daarnaast is een strafmaatverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. primair hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, haar:\n\n- heeft geknepen in het lichaam en\u002Fof vervolgens;\n\n- heeft geduwd en\u002Fof vervolgens;\n\n- meermalen heeft geslagen in haar gezicht en\u002Fof vervolgens;\n\n- aan haar haren heeft getrokken en\u002Fof vervolgens;\n\n- hardhandig bij haar keel heeft vastgepakt en\u002Fof haar keel heeft dicht geknepen en\u002Fof vervolgens;\n\n- meermalen heeft geschopt terwijl zij op de grond lag,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar te knijpen en\u002Fof te duwen en\u002Fof meermalen te slaan en\u002Fof aan haar haren te trekken en\u002Fof hardhandig bij haar keel vast te pakken en\u002Fof vervolgens haar keel dicht te knijpen en\u002Fof haar meermalen te schoppen;\n\n2. hij op of omstreeks 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem hardhandig aan zijn baard te trekken en\u002Fof haren uit zijn baard te trekken en\u002Fof te slaan.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak van het onder feit 1 primair tenlastegelegde\n\nHet hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nOp basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan het hof genoegzaam vaststellen dat de verdachte forse geweldshandelingen heeft verricht tegen slachtoffer [slachtoffer 1] . Zoals hierna zal worden overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte het slachtoffer heeft geknepen, geduwd, geslagen, geschopt, aan haar haren heeft getrokken, bij haar keel heeft vastgepakt en haar keel heeft dichtgeknepen. Het hof is evenwel, met de verdediging, van oordeel dat daarmee nog niet is komen vast te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen kan het hof onvoldoende vaststellen of het handelen van de verdachte in de gegeven omstandigheden van dien aard was dat de kans aanmerkelijk was dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen zoals is bedoeld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal de verdachte daarom van het onder feit 1 primair tenlastegelegde vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. subsidiair hij op 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar te knijpen en te duwen en meermalen te slaan en aan haar haren te trekken en hardhandig bij haar keel vast te pakken en vervolgens haar keel dicht te knijpen en haar meermalen te schoppen;\n\n2. hij op 12 oktober 2024 te Blitterswijck, gemeente Venray, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem hardhandig aan zijn baard te trekken en haren uit zijn baard te trekken en te slaan.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIn de hiernavolgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – telkens verwezen naar dossierpagina’s van het eindproces-verbaal van de politie Eenheid Limburg met zaakregistratienummer PL2300-2024167001, gesloten d.d. 26 februari 2025 door verbalisant [verbalisant] , digitaal doorgenummerde pagina's 1 tot en met 136, nader te noemen: het dossier.\n\nAlle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 13 oktober 2024 (pg. 26-28 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1]:\n\nPlaats delict: [adres 2] , binnen de gemeente Venray.\n\n [verdachte] en ik hebben sinds begin 2024 een relatie met elkaar. Op 12 oktober 2024, omstreeks 15.00 uur, waren wij op de camping op voorgenoemde locatie. Er werd vanuit de camping voor chalethouders en seizoenbewoners een afsluitend feest georganiseerd. Het feest eindigde rond 21.00 uur. Rond dit tijdstip zijn wij, [verdachte] en ik, ook naar ons chalet gelopen. Ik weet dat [verdachte] minimaal deze middag 20 glazen bier op had van 0.25 liter. Op een gegeven moment viel hij op het asfalt. Ik zag dat hij toen bleef liggen. Ik zag dat hij een hoofdwond had. De beheerder heeft hierop de ambulance met spoed gebeld aangezien hij stil op de grond bleef liggen. Ik merkte dat hij opstandig werd toen hij weer bij bewustzijn kwam.\n\nWij kwamen aan bij het chalet waar wij sliepen. Hij deed de lamellen naar beneden toen hij bij het raam stond. Ik zei tegen hem dat hij dat niet moest doen want de hulpdiensten zouden komen om naar zijn hoofdwond te kijken. Hierop werd hij boos en greep mij met zijn hand tegen mijn rechterborst. Hier kneep hij hard en duwde mij weg.\n\nIk draaide mij om en ik zag dat [verdachte] met zijn hand mij een klap in het gezicht gaf. Door deze klap viel ik op de grond. Ik probeerde op te staan maar [verdachte] trok aan mijn haren. [verdachte] trok aan mijn haren zodat ik weer op de grond zou belanden. Dit was hem ook gelukt. Hij trok mij toen in de richting van de badkamer. Ik lag op de grond in de badkamer. Ik merkte dat hij mij begon te wurgen. Hij greep mijn keel dicht en ik merkte dat hij hier veel kracht bij zette. Hij kneep mijn strottenhoofd dicht. Toen ik op de grond lag, schopte [verdachte] mij ook zeker twee keer met zijn voet.\n\n2. Een geschrift, te weten een letselrapportage forensische geneeskunde van GGD Limburg d.d. 14 oktober 2024 (pg. 70-80 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van forensisch arts [naam arts]:\n\nNaam: [slachtoffer 1]\n\nDatum letselonderzoek: 14-10-2024\n\nDatum incident: 12-10-2024\n\nLetsel(s) Lichaamsdeel: hoofd Beschrijving: aangezicht: linkerwang tot de mond: meerdere (ongeveer 7) oppervlakkige schrammen in lengte variërend van circa 5 mm tot ca 20mm lengte en\n\nca 2-3mm breed die ongeveer richting linker mondhelft wijzen vanuit verschillende richtingen Gemelde toedracht bij het letsel: slagen in het gezicht , poging(en) tot verwurging, aan de haren over de grond gesleept worden Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: hoofd Beschrijving: aangezicht: kneuzing boven de rechter wenkbrauw lopend tot in de wenkbrauw; kneuzing met wondje onderlip rechts Gemelde toedracht bij het letsel: slagen in het gezicht, stompen, schoppen, over de grond slepen aan de hoofdharen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: hals Beschrijving: roodverkleuring van de hals voorzijde, rond en op het strottenhoofd Gemelde toedracht bij het letsel: poging(en) tot verwurging Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: hoofd Beschrijving: vlekkige roodheid hoofdhuid boven achter, niet meer actief bloedende\n\nverwonding behaarde hoofdhuid Gemelde toedracht bij het letsel: aan de haren over de grond gesleept, slagen op de behaarde hoofdhuid Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: rechterarm Beschrijving: meerdere kleinere diffuse bloeduitstortingen van wisselende grootte\n\nen lengte, van duimgroot tot vingerlang, met name bovenarm en schouder Gemelde toedracht bij het letsel: vastgrijpen, knijpen, slagen, stompen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: rug Beschrijving: midden op de rug ongeveer ter hoogte van de eerste lendenwervel\n\nbevindt een diffuse ovaalvormige bloeduitstorting van ca 5cm lang en ca 3 cm breed diagonaal ongeveer van rechtsboven naar linksonder lopend Gemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen en schoppen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: heup Beschrijving: forse bloeduitstortingen op beide heupen ter hoogte het bovenste\n\nbotuitsteeksel van de bovenbenen (trochanter major femur) alsook enkele diffusere bloeduitstortingen Gemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen, schoppen, tegen de grond gooien, over de grond slepen aan de haren Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\nLichaamsdeel: rechterbeen Beschrijving: rechterkuit onder de knie een diffuse bloeduitstorting in een\n\nzogenaamde takkenbos-ader (besenreiser)\n\nGemelde toedracht bij het letsel: slagen, stompen, schoppen, tegen de grond gooien Past gemelde toedracht bij letsel: mogelijk\n\nLichaamsdeel: borst Beschrijving: bloeduitstortingen c.q. kneuzingen van de rechterborst met enkele\n\nongeveer vingertop grote hematomen in het linker (mediane) bovenkwadrant van de borst en een groter diffuus van vrijwel het gehele linker (mediane) onderkwadrant overgaand naar het rechter (laterale) onderkwadrant\n\nGemelde toedracht bij het letsel: zeer hard met hand gegrepen en geknepen in met name de rechterborst, slagen en stompen Past gemelde toedracht bij letsel: goed\n\n3. Het proces-verbaal van verhoor slachtoffer d.d. 30 oktober 2024 (pg. 93-98 van het dossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van slachtoffer [slachtoffer 2]:\n\nV: Vraag verbalisant\n\nA: Antwoord slachtoffer\n\nV: Kan je mij vertellen wat er precies heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2024?\n\nA: Om 21.15 uur ongeveer kregen mijn collega en ik een melding, we werden verzocht om naar een man te gaan die kortstondig zijn bewustzijn verloren had nadat hij gevallen\n\nwas op zijn hoofd, mogelijk vanwege dronkenschap. Wij reden naar de camping waar dit voorval zou hebben plaatsgevonden (het hof begrijpt: de camping [camping] , gelegen op [adres 2] , binnen de gemeente Venray). We werden door een medewerkster van de camping naar het chalet gebracht. Ik zag dat de man om wie het ging in de slaapkamer stond. Ik pakte de man bij zijn elleboog en wilde hem begeleiden naar de ambulance. Ik hoorde dat hij zei dat hij niet mee wilde en voelde dat hij zich afweerde. Terwijl de man nog op bed zat, zag ik dat mijn collega in de ruimte naast de slaapkamer was. Ik zag dat mijn collega mij aankeek en ik hoorde dat zij zei dat ze een tweede ambulance en politie ter plaatse wilde hebben. Ik hoorde dat mijn collega iets in de trant van: 'huiselijk geweld of mishandeling' zei. Ergens tussendoor hoorde ik van een persoon in de chalet dat de man die wij wilden onderzoeken ' [verdachte] ' (het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte [verdachte]) heette. Toen ik mijn portofoon pakte en bij de meldkamer een tweede ambulance en een politie-eenheid ter plaatse vroeg, vroeg de meldkamer waarom. Ik gaf via de portofoon antwoord en denk, dat weet ik niet meer zeker, dat ik zei dat er mogelijk sprake was van mishandeling. Nadat ik het woord mishandeling uitsprak, voelde ik, voordat ik het wist, dat ik bij mijn baard werd gegrepen. [verdachte] trok zich aan mijn baard omhoog. Terwijl [verdachte] mijn baard vasthad zag ik dat [verdachte] met zijn andere arm uithaalde in de richting van mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] mij met een gebalde vuist sloeg. Ik voelde een hele harde klap tegen mijn linker kaak. Ik wilde [verdachte] terug naar de grond duwen en hem op de grond houden, maar op dat moment voelde ik dat [verdachte] mijn portofoon uit mijn rechterhand sloeg. Ik voelde dat [verdachte] heel hard tegen mijn rechterhand sloeg en voelde een enorme pijnscheut door mijn hand.\n\nV: Wat voor fysiek letsel hield jij over aan de mishandeling?\n\nA: Allereerst trok de man mijn baard er grotendeels af.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 oktober 2024 (pg. 104-106 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige]:\n\nOp 12 oktober 2024 was ik werkzaam als ambulanceverpleegkundige. Ik zat\n\ndeze dienst samen met [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hierna telkens: aangever [slachtoffer 2]) op de ambulance. Wij ontvingen een melding dat er een man op zijn achterhoofd was gevallen. De melding betrof op camping [camping] , gelegen op [adres 2] . (…) Wij stonden voor het huisje waar de man binnen zou zijn. Ik hoorde dat deze man [verdachte] (het hof begrijpt hierna telkens: de verdachte [verdachte]) heette. (…) Ik zag dat de vriendin van [verdachte] overal bloed had zitten, op haar vest, handen en gezicht. Ik liep met de vriendin van [verdachte] naar de woonkamer om haar verwondingen beter te kunnen beoordelen. [verdachte] en [slachtoffer 2] waren op dat moment op de slaapkamer. (…) Hierna rende ik naar de slaapkamer waar [verdachte] op zijn rug lag in de slaapkamer. Ik zag dat er een grote pluk baardhaar van [slachtoffer 2] op de borst van [verdachte] lag. Ik zag dat de portofoon van [slachtoffer 2] op de grond lag.\n\n5. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 1 november 2024\n\n(pg. 101-103 van het dossier), voor zover inhoudende als relaas van [naam huisarts] (huisartsenpraktijk Maasoever):\n\nMedische informatie betreffende:\n\n [slachtoffer 2] . Uitwendig waargenomen letsel: Baard gehalveerd Drukpijn jukbeen Datum waarop werd onderzocht: 13 oktober 2024 en 1 november 2024. Overige van belang zijnde informatie: - Pijn re hand.\n\n6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 oktober 2024 (pg. 114-119 van het dossier), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte]:\n\nV: Vraag verbalisant\n\nA: Antwoord verdachte\n\nV: Met wie heb je een relatie op dit moment?\n\nA: Met [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer 1]).\n\nV: [verdachte] , gisteravond (het hof begrijpt: 12 oktober 2024) ben jij door de collega's aangehouden op verdenking van twee mishandelingen.\n\n V: Klopt het dat je haar hebt geslagen? A: Ja, geslagen.\n\n V: Volgens de verklaring van de ambulancebroeder (het hof begrijpt: aangever [slachtoffer 2] )heb jij hem, terwijl hij jou wilde helpen, bij zijn baard gepakt en hier met kracht aan getrokken. Zo hard dat jij zelfs een stuk van zijn baard af hebt getrokken. Tevens heb je de ambulancebroeder met een vuist in het gezicht geslagen. Vertel eens waarom jij dit deed? A: Omdat ik niet mee wilde.\n\n7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, d.d. 2 juni 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte]:\n\nHet klopt dat ik [slachtoffer 1] geslagen heb. En het klopt dat ik [slachtoffer 2]\n\naan de baard heb getrokken en daarbij enkele haren uit de baard heb getrokken.\n\nBewijsoverwegingen\n\nI. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nII. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.\n\nIII. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde bepleit omdat de verdachte gehandeld zou hebben uit noodweer. Daartoe is in de kern aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. De ambulancemedewerker, aangever [slachtoffer 2] , wilde immers herhaaldelijk medische zorg aan de verdachte verlenen, terwijl de verdachte dat niet wilde. Verdediging daartegen was gerechtvaardigd en er is daarbij voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de grenzen van de proportionaliteit zijn overschreden, doet de verdediging subsidiair een beroep op noodweerexces.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient in de eerste plaats sprake te zijn van een noodweersituatie, te weten een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.\n\nHet hof gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Op 12 oktober 2024 hadden de verdachte en zijn partner [slachtoffer 1] een feest op de camping. De verdachte had een grote hoeveelheid alcohol genuttigd. Op de weg terug naar hun chalet is de verdachte gevallen, waarna hij op de grond bleef liggen en een hoofdwond had. Daarom is de ambulance voor de verdachte gebeld. De verdachte is vervolgens met zijn partner teruggegaan naar hun chalet. Aldaar heeft hij zijn partner mishandeld. De ambulancemedewerkers, waaronder aangever [slachtoffer 2] , kwamen vervolgens ter plaatse. Aangever trachtte de verwondingen van de verdachte te controleren en wilde hem begeleiden naar de ambulance. De verdachte wilde niet mee en weerde zich af. Aangever vernam vervolgens dat de partner van de verdachte mogelijk door de verdachte mishandeld zou zijn. Mede daardoor besloot aangever extra hulpdiensten op te roepen. Op dat moment pakte de verdachte de baard van aangever vast en sloeg hem in het gezicht. Ook heeft hij een pluk baardhaar uit de baard van aangever getrokken en zijn portofoon uit zijn hand geslagen.\n\nNaar het oordeel van het hof kunnen voornoemde gedragingen van aangever niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn lijf, eerbaarheid of goed. Het is de plicht van aangever, als ambulancemedewerker, om hulpbehoevenden te helpen. Aangever had een melding gekregen van een man, later zijnde de verdachte, met een flinke hoofdwond die kortstondig zijn bewustzijn had verloren. Uit het dossier volgt dat de verdachte een aanmerkelijke verwonding aan zijn hoofd had (en geen schaafwondje, zoals de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard). Zijn partner [slachtoffer 1] en overige getuigen hebben immers verklaard dat de verdachte een behoorlijke hoofdwond had, buiten bewustzijn was en dat er bloed rondom het hoofd van de verdachte lag. De verdachte was aldus hulpbehoevend, hetgeen de gedragingen van aangever, verricht om de verwonding van de verdachte te controleren, rechtvaardigt. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat in het substantief ‘aanranding’ besloten ligt dat tegen de wil van de getroffene wordt gehandeld. Naar het oordeel van het hof heeft aangever niet tegen de wil van de verdachte gehandeld, nu de verdachte op dat moment redelijkerwijs niet in staat mocht worden geacht om zijn wil adequaat te uiten. Uit het dossier, waaronder het rapport van Maasstad Ziekenhuis, en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte een grote hoeveelheid alcohol genuttigd had. Hij was onvast ter been, zwalkte, is ten val gekomen en was verbaal en fysiek agressief. De ambulancemedewerkers troffen hem aan in zijn onderbroek en T-shirt en zagen dat hij moeite had om op zijn eigen benen te staan. Het hof is daardoor van oordeel dat de verdachte niet in staat was de ernst van zijn verwonding in te schatten, hetgeen te meer rechtvaardigt dat aangever, als ambulancemedewerker, de verwonding van de verdachte diende te controleren. Al het voorgaande in acht nemend, is het hof van oordeel dat de gedragingen van aangever niet aan te merken waren als een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte zijn lijf, eerbaarheid of goed. Hetgeen door de verdediging voor het overige is aangevoerd met betrekking tot artikel 11 van de Grondwet, nog daargelaten het zogenoemde toetsingsverbod, alsmede de artikelen 7:448 en verder van het Burgerlijk Wetboek, maakt het oordeel van het hof in het licht van het hiervoor overwogene niet anders.\n\nConcluderend is het hof van oordeel dat er geen sprake was van, kortweg, een noodweersituatie, waardoor de verdachte reeds daarom geen succesvol beroep op noodweer en, in het verlengde hiervan, ook geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt.\n\nHet hof verwerpt derhalve het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmishandeling.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe verdediging heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep verzocht om aan de verdachte een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een geldboete.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 12 oktober 2024 schuldig heeft gemaakt aan twee mishandelingen. De verdachte was samen met zijn partner [slachtoffer 1] op een feest. Op de terugweg is hij gevallen waardoor hij kortstondig buiten bewustzijn raakte en een forse hoofdwond opliep. Zijn partner probeerde hem te helpen, maar bij terugkomst in hun chalet heeft de verdachte haar mishandeld. Hoewel het hof niet tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is gekomen, betreft het wel een mishandeling van zeer ernstige aard die zich nabij de grens van zware mishandeling bevindt. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers dat de verdachte een pluraliteit aan geweldshandelingen heeft verricht, waarbij slachtoffer [slachtoffer 1] ook een veelheid aan letsels heeft opgelopen. Met het plegen van deze mishandeling heeft de verdachte op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn eigen partner, die nota bene doende was met de behartiging van het welzijn van de verdachte op het moment dat hij aanleiding zag om jegens haar geweld uit te oefenen. Voorts heeft zijn handelen bij haar gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht, terwijl juist in een relatie en in de huiselijke sfeer eenieder zich veilig behoort te voelen.\n\nNa de mishandeling van zijn partner [slachtoffer 1] , is de verdachte naar zijn slaapkamer gegaan alwaar ambulancemedewerker [slachtoffer 2] ter plaatse kwam om de hoofdwond van de verdachte te controleren. Hoewel [slachtoffer 2] daar aanwezig was om de verdachte te helpen, heeft de verdachte [slachtoffer 2] mishandeld door hem te slaan en aan zijn baard te trekken. Door te handelen als bewezenverklaard heeft de verdachte niet alleen pijn en letsel veroorzaakt bij [slachtoffer 2] , maar heeft hij zich ook schuldig gemaakt aan volstrekt onacceptabel geweld tegen hulpverleners. Het hof rekent het de verdachte met name aan dat zijn agressieve gedragingen gericht waren jegens de mensen die het beste met hem voor hadden, te weten zijn partner en de ambulancemedewerker. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin bij de strafoplegging mee.\n\nDe verdachte heeft voorts geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn wandaden. Ook dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 mei 2026.\n\nVerder heeft het hof rekening gehouden met de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte veel van onderhavig incident heeft geleerd. Hij is minder gaan drinken en heeft zijn leven weer op orde. Hij en zijn partner [slachtoffer 1] hebben het incident achter zich gelaten en zijn weer samen. Voorts heeft hij een eigen installatiebedrijf met zijn zoon. Een gevangenisstraf zou een negatief effect hebben op het bedrijf van de verdachte, aldus de verdediging.\n\nHet hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 14 mei 2025. In voornoemd rapport heeft de reclassering te kennen gegeven dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat er geen sprake is van een delictpatroon en er ook geen aanwijzingen zijn voor geweld binnen de relatie.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van de bewezenverklaarde geweldsfeiten, bijeengenomen, in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het op deze delicten gestelde wettelijk strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een taakstraf, zoals de politierechter heeft gedaan en is verzocht door de verdediging, ziet het hof in het licht van de ernst van de bewezenverklaarde feiten geen ruimte.\n\nAlles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Het hof komt daarmee tot oplegging van een lichtere straf dan door de advocaat-generaal is gevorderd. Hoewel het hof van oordeel is dat de ernst van de feiten de door de\n\nadvocaat-generaal gevorderde straf op zich rechtvaardigen, houdt het hof ten voordele van de verdachte in meerdere mate dan de advocaat-generaal rekening met zijn persoonlijke omstandigheden en de gevolgen van een langdurige gevangenisstraf voor zijn bedrijf. Bovendien is het hof van oordeel dat met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht en de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) weken;\n\nbepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.C. van Campen, voorzitter,\n\nmr. S.V. Pelsser en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. N.H.P. van der Linde, griffier,\n\nen op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1754","2026-07-13T00:28:41.859Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":81,"fullText":82,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":35,"updatedAt":84},"1803","ECLI:NL:RBLIM:2026:3286","ecli-nl-rblim-2026-3286","2026-04-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 03.102525.25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 april 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 2005,\n\nwonende te [adres] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. C.A.L.C. van Putten, advocaat kantoorhoudende te Venlo.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 maart 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nHet slachtoffer [benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is op de zitting verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. P.G.J.M. Boonen, advocaat kantoorhoudende te Sittard. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 28 juli 2024 in Weert de destijds 13-jarige [benadeelde partij] heeft aangerand en verkracht.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is van mening dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is. Zij heeft daartoe betoogd dat de verklaring van [benadeelde partij] authentiek is, consistent is op hoofdlijnen, alsook gedetailleerd op bepaalde punten, en daarmee betrouwbaar kan worden geacht. Daarnaast is er voldoende steunbewijs voor haar verklaring. Getuigen hebben bij [benadeelde partij] emoties waargenomen toen zij hen vertelde wat haar was overkomen en spreken over een gedragsverandering. Daarbij komt dat de verklaring van [benadeelde partij] past binnen de tijdlijn, zoals deze uit het procesdossier volgt. Ten slotte is niet gebleken van enig alternatief scenario voor de belastende verklaringen van [benadeelde partij] .3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft de integrale vrijspraak van de verdachte bepleit. Zij heeft daartoe naar voren gebracht dat er op relevante onderdelen onvoldoende steun voor de aangifte is te vinden in objectieve bewijsmiddelen, in de vorm van onafhankelijke waarnemingen of forensische sporen. Direct na het vermeende voorval nemen getuigen geen noemenswaardige emoties waar bij [benadeelde partij] . Er zijn daarnaast onvoldoende aanknopingspunten om te spreken van een gedragsverandering van [benadeelde partij] als gevolg van het vermeende voorval. De verklaring van [benadeelde partij] is daarmee de enige dragende bron waarop de overige getuigenverklaringen zijn gebaseerd. Daardoor wordt het bewijsminimum-vereiste niet behaald.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nJuridisch kader\n\nAan de verdachte is een zedendelict tenlastegelegd. Zedenzaken zijn bewijstechnisch lastige zaken en kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) seksuele handelingen, namelijk degene die zich als slachtoffer ziet en degene die als dader wordt gezien. Veelal is het ook zo dat de (belastende) verklaring van het slachtoffer lijnrecht tegenover de (ontkennende) verklaring van de verdachte staat. Andere getuigen van de gebeurtenissen zijn er vaak niet. Ook in deze zaak is dit het geval.\n\nIn artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend mag worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Er moet altijd steunbewijs zijn. Als hetgeen de getuige verklaart op zichzelf staat en niet wordt ondersteund door een ander bewijsmiddel, moet de rechter de verdachte vrijspreken. Oók als de rechter de verklaring van de getuige geloofwaardig en betrouwbaar acht. Dat wordt niet anders als de getuige haar ervaringen met anderen heeft gedeeld. De belastende verklaring is dan immers nog altijd uit één bron afkomstig.\n\nOf er voldoende steunbewijs is, is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Toch zijn daarvoor wel enige aanknopingspunten in de jurisprudentie geformuleerd. In sommige gevallen kan een verklaring van een getuige die niet ter plaatse aanwezig is geweest, echter wel als steunbewijs worden aangenomen. Dit kan als die getuigenverklaring ook een eigen waarneming inhoudt ten aanzien van de emotionele of fysieke toestand van aangever vlak nadat het strafbare feit zou zijn gepleegd.\n\nDe beoordeling van de rechtbank met bovenstaand kader als uitgangspunt\n\nOp basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting staat vast dat de verdachte (destijds 18 jaar oud) en [benadeelde partij] (destijds 13 jaar oud) op 28 juli 2024 om circa 19:30 uur in de woning van de verdachte, die nog bij zijn ouders woont, arriveerden. Zij waren daarvoor in een café in Weert geweest, tezamen met de ouders van de verdachte en de vader van [benadeelde partij] . In de woning waren zij alleen. Om 20:01 uur heeft de verdachte avondeten besteld voor [benadeelde partij] en hemzelf. Nadat het eten werd bezorgd, hebben [benadeelde partij] en de verdachte gegeten. Rond 21:00 uur waren de ouders van de verdachte thuis.\n\n [benadeelde partij] en de verdachte verklaren tegenstrijdig over wat er tussen beiden is gebeurd in de woning van de verdachte, grofweg binnen het tijdsbestek van 20:30 tot 21:00 uur. Volgens [benadeelde partij] heeft de verdachte op zijn slaapkamer ontuchtige handelingen met haar gepleegd, waarbij hij ook haar lichaam seksueel is binnengedrongen. De verdachte ontkent echter ten stelligste dat er seksuele handelingen tussen hem en [benadeelde partij] hebben plaatsgevonden en dat [benadeelde partij] in zijn slaapkamer is geweest.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het dossier naast de verklaring van [benadeelde partij] onvoldoende steunbewijs bevat dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.\n\n De aangifte door de moeder van [benadeelde partij] en de getuigenverklaringen van de ouders van [benadeelde partij] en haar jongere zusje [naam 1] zijn immers allemaal terug te voeren op één bron, te weten [benadeelde partij] , en kunnen om die reden dus geen steunbewijs opleveren. Zij hebben alle drie ‘de auditu’ (dus ‘van horen zeggen’) van [benadeelde partij] gehoord wat er zou zijn gebeurd.\n\n Over waargenomen emoties tijdens het disclosuregesprekmet [naam 1] een dag later, verklaart [naam 1] dat [benadeelde partij] huilde. Verder heeft [benadeelde partij] moeder verklaard dat haar dochter op 16 september 2024 huilde toen zij haar in bijzijn van [benadeelde partij] stiefvader voor het eerst vertelde over de gebeurtenissen op 28 juli 2024. De vader van [benadeelde partij] verklaarde dat hij kort na dit gesprek werd geïnformeerd door [benadeelde partij] moeder en stiefvader in bijzijn van [benadeelde partij] . [benadeelde partij] stond er toen stil bij en knikte. Voor wat betreft de door de moeder en vader van [benadeelde partij] waargenomen emoties op het moment dat [benadeelde partij] heeft verteld wat haar is overkomen, geldt dat deze waarnemingen niet zijn gedaan vlak nadat het strafbare feit zou zijn gepleegd, maar pas anderhalve maand later. Die waarnemingen staan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband met hetgeen gebeurd zou zijn om de verklaring van [benadeelde partij] in voldoende mate te kunnen ondersteunen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat ook de verklaring van [benadeelde partij] zusje dat [benadeelde partij] huilde, geen toereikend steunbewijs oplevert.\n\n Daarbij komt dat uit het procesdossier, anders dan door de officier van justitie is betoogd, in objectieve zin niet is gebleken van een wezenlijke gedragsverandering van [benadeelde partij] vanaf het plegen van het vermeende strafbare feit.\n\nVerklaringen van ‘ [naam 2] ’ en ‘ [naam 3] ’ (vrienden van zowel [benadeelde partij] als de verdachte, tegen wie de verdachte – volgens [benadeelde partij] – zou hebben ‘opgeschept’ over het tenlastegelegde feit) zouden mogelijk steun hebben kunnen bieden aan de verklaring van [benadeelde partij] . Zij zijn echter niet door de politie als getuige gehoord. Ook andere bewijsmiddelen – zoals forensisch bewijs – ontbreken in het procesdossier.\n\nDe slotsom is dat de verklaring van [benadeelde partij] op zichzelf blijft staan.\n\nDe rechtbank is daarom van oordeel dat hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd niet wettig kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.\n\n4. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel4.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van in totaal 12.500,00 euro ter zake van het tenlastegelegde feit. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:\n\ntoekomstige schade: 5.000,00 euro;\n\nsmartengeld: 7.500,00 euro.\n\nDe benadeelde partij heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.4.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de post ‘smartengeld’ ad 7.500,00 euro, onder vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De post ‘toekomstige schade’ dient niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van een onderbouwing.4.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nAangezien de verdediging de integrale vrijspraak van de verdachte heeft bepleit, is zij van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de benadeelde partij voor wat betreft de post ‘toekomstige schade’ niet-ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard wegens het ontbreken van een onderbouwing. Daarnaast heeft zij verzocht om bij toewijzing van de post ‘smartengeld’ geen wettelijke rente toe te wijzen, nu het smartengeld al is geïndexeerd.4.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nNu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor de verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;\n\nBenadeelde partij\n\nbepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. B. de Groot en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.K. Bakker, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 april 2026.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nhij op of omstreeks 28 juli 2024,\n\nin de gemeente Weert,\n\nmet een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] 2010), een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten;\n\n- het duwen en\u002Fof brengen van zijn tong op en\u002Fof in de vagina van die [benadeelde partij] en\u002Fof\n\n- het duwen en\u002Fof brengen van zijn penis in de mond van die [benadeelde partij] en\u002Fof\n\n- het duwen en\u002F of brengen van zijn penis in de vagina van die [benadeelde partij] ;\n\n Hieronder wordt ook de verklaring van het slachtoffer verstaan.\n\n Hiermee wordt bedoeld het moment waarop [benadeelde partij] aan anderen heeft verteld wat haar is overkomen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3286","2026-07-13T00:29:39.671Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":89,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":91,"parsedAt":35,"updatedAt":92},"1008","ECLI:NL:RBLIM:2024:4808","ecli-nl-rblim-2024-4808","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummer : 03.206787.23\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2024\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboortegegevens] 1988,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. S.C.H. Rutjens, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 juli 2024. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nHet slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. J. Rensen. De benadeelde partij [slachtoffer] zelf is niet op de zitting verschenen. Haar moeder was wel aanwezig. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1: in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 ontucht heeft gepleegd met de minderjarige [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), bestaande uit onder meer het seksueel binnendringen van haar lichaam;\n\nFeit 2: in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 opzettelijk de minderjarige [slachtoffer] aan het wettig over haar gesteld gezag heeft onttrokken;\n\nFeit 3: in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 seksuele afbeeldingen via chats aan de eerder genoemde [slachtoffer] heeft verzonden, hetgeen primair ten laste is gelegd als het aanbieden van pornografie aan minderjarigen en subsidiair als het ongevraagd toezenden van pornografie;\n\nFeit 4: in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer] heeft verworven en deze in bezit heeft gehad.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van feit 3 acht de officier van justitie het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging refereert zich ten aanzien van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank. Datzelfde geldt voor feit 4, met dien verstande dat de verdediging erop wijst dat er geen afbeeldingen in het dossier zitten. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Zij voert daartoe ten aanzien van feit 2 aan dat de verdachte in de eerste plaats niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was en in de tweede plaats verdachte geen beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen haar en degene die het gezag over haar uitoefent. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde onder feit 3 geldt ook dat de verdachte niet op de hoogte was van de minderjarigheid van [slachtoffer] . Wat betreft het subsidiair tenlastegelegde onder feit 3 geldt dat [slachtoffer] zelf om “dingen” heeft gevraagd.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nInleiding\n\nOp 29 juli 2023 rond 19.30 uur heeft de toen 14-jarige [slachtoffer] de woning van haar moeder in [plaatsnaam] verlaten met de mededeling dat zij naar een vriendin zou gaan en hier zou overnachten. De moeder vertrouwde het niet en probeerde de hele avond contact met haar dochter te krijgen. Dat lukte niet. Moeder heeft de vader van [slachtoffer] ingelicht (die elders woont) en ze zijn op onderzoek uitgegaan. Via de app “find my phone” kwamen ze erachter dat hun dochter ergens in Weert zou moeten verblijven. Ze zijn naar Weert gegaan en hebben daar naar haar gezocht, maar konden haar niet vinden. Ze hebben zich gemeld bij het politiebureau in Weert. Ook de politie heeft gezocht, maar zonder resultaat.\n\nDe volgende ochtend, op 30 juli 2023, kwamen ze er achter dat [slachtoffer] via een tikkie geld had gekregen van ene [verdachte] . Ze meldden dit aan de politie in Weert. Uit onderzoek van de politie komt vervolgens onder die naam de verdachte naar voren, die woonachtig is in Weert, in de straat waar [slachtoffer] volgens de “find my phone”-app zou moeten verblijven. De politie gaat naar de woning van de verdachte. Daar treffen ze [slachtoffer] aan, in haar ondergoed en ze lijkt onder invloed van verdovende middelen te zijn. [slachtoffer] wordt herenigd met haar ouders. Zij doen aangifte tegen de verdachte van seksueel misbruik en onttrekking aan het ouderlijk gezag.\n\nBewijsmiddelen\n\nFeit 1\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 ontucht heeft gepleegd met de toen 14-jarige [slachtoffer] . De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het tenlastegelegde heeft bekend en door of namens hem met betrekking tot dit feit geen vrijspraak is bepleit:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juli 2024;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden.\n\nFeiten 2, 3 en 4\n\nDe aangifte van [naam 1]vermeldt – zakelijk weergegeven – onder meer:\n\nIk doe aangifte van onttrekken aan het ouderlijk gezag van mijn minderjarige dochter [slachtoffer] . [slachtoffer] is 14 jaar oud en is geboren op [geboortedatum] .\n\nGister, zaterdag 29 juli 2023, is [slachtoffer] omstreeks 19.30 uur vertrokken met de fiets. Zij zou bij een vriendin, [naam 2] , gaan logeren. Ik belde [slachtoffer] om 20.20 uur, maar ze nam niet op. Om 20.25 uur zag ik dat ik een bericht van [slachtoffer] kreeg waarin ze zei: 'Ik ben ff bezig, ik bel je zo wel'. Ik gaf aan dat ik nu meteen gebeld wilde worden. Ik zag dat [slachtoffer] enkele minuten later schreef: 'Mam wacht ff' . Ik bleef [slachtoffer] bellen en appen, maar kreeg geen contact met haar. Om 20.49 uur zag ik dat [slachtoffer] stuurde dat ze bij [naam 2] was en dat ik haar moest vertrouwen. Ik stuurde weer terug: 'Bel me nu'. Hierna kreeg ik helemaal geen contact meer. Ik ging vervolgens naar het politiebureau in Weert. We zijn blijven zoeken in Weert, samen met de politie, maar konden [slachtoffer] niet vinden.\n\nVanochtend, zondag 30 juli 2023, zag [naam 3] op de rekening van [slachtoffer] dat zij een Tikkie had gestuurd en dat er 18 euro op haar rekening was bijgeschreven, gestort door [verdachte] . [naam 3] heeft de politie gebeld en ik heb de naam [verdachte] en het rekeningnummer ook doorgegeven aan de politie in Weert. De politie is naar een adres gegaan en even later kwamen zij met [slachtoffer] terug.\n\nIn een informatief gesprek zeden heeft het slachtoffer [slachtoffer] , d.d. 3 augustus 2023– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\n [slachtoffer] is 14 jaar en woont in [plaatsnaam] .\n\n [verdachte] en [slachtoffer] hebben 2 keer eerder afgesproken, het ging goed, ze hadden een relatie en ze wilden een stapje verder gaan. Ze hebben elkaar via Snapchat leren kennen ongeveer 2 maanden geleden.\n\nOngeveer een week geleden heeft ze foto’s van de lul van [verdachte] ontvangen. [slachtoffer] heeft meerdere bikinifoto’s gestuurd naar [verdachte] . Ze heeft ook een foto van zichzelf naakt onder de douche gestuurd. Hierop is alles te zien.\n\n [verdachte] weet dat [slachtoffer] 14 jaar oud is. Dit hebben ze online al met elkaar besproken. [verdachte] had [slachtoffer] ouder ingeschat. [verdachte] is 35 volgens [slachtoffer] .\n\n [verdachte] heeft [slachtoffer] op zaterdag 29 juli 2023 om 19:30 uur opgehaald op het station in [plaatsnaam] . Hierna zijn ze met de trein terug naar Weert gegaan.\n\nVerbalisant [naam 4]heeft onderzoek gedaan naar de telefoon van het slachtoffer en relateert – zakelijk weergegeven – als volgt:\n\nOp zondag 30 juli 2023 heeft om 13.30 uur te Weert een informatief gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer] (geboortedatum [geboortedatum] ). In dit gesprek gaf [slachtoffer] aan dat de gesprekken met de verdachte [verdachte] (geboortedatum [geboortegegevens] ) hebben plaatsgevonden via Snapchat.\n\nIk zag dat er in de chat gesproken wordt over het kopen van een treinticket. Ik zag dat [verdachte] om 17.37 uur vroeg ‘Heb je ticket’ en dat [slachtoffer] om 17.37 uur antwoordde met ‘Thanksss’.\n\n [verdachte] :\n\nKoop nu wel. Welke e-mail moet die heen, je ticket\n\nIk ( [slachtoffer] )\n\n [e-mail]\n\nTijdens het studioverhoor heeft het slachtoffer [slachtoffer]– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:\n\nV: Wat had jij [verdachte] over jezelf verteld voordat jullie elkaar ontmoet hadden?\n\nG: Dat ik veertien was. (…) Hij weet ook dat ik een zus heb. Dat m’n ouders zijn gescheiden. Dat ik op Mavo zit, in de toen, volgens mij nog tweede. (…)\n\nV: Toen jij op zaterdag 29 juli 2023 van huis vertrok, dacht je moeder dat je naar je vriendin [naam 2] ging.\n\nG: Ja\n\nV: Wat had jij daarover tegen [verdachte] gezegd?\n\nG: Hij wist wel dat ik tegen m’n ouders had gezegd dat ik had gezegd dat ik bij [naam 2] ging slapen.\n\nV: Heb je wel eens filmpjes van jezelf gestuurd naar [verdachte] , waarop seksuele handelingen te zien zijn?\n\nG: Ja\n\nDe verdachte verklaartin een verhoor bij de politie – zakelijk weergegeven – onder meer;\n\nV: Wat voor soort foto’s heb jij van haar ontvangen?\n\nA: Naaktfoto’s. (…)Toen kreeg ik een kort filmpje waarin ze met een haarborstel tekeer ging. Ze deed die in haar vagina. Toen zei ik al: doe eens rustig aan, straks maak je dingen kapot daar.\n\nV: Hoe weet je dat zij het was op dat filmpje?\n\nA: Ze had het echt constant over die borstel.\n\nV: Waarop je haar later kon herkennen?\n\nA: Ik herkende haar wel toen ik haar eenmaal zag afgelopen zaterdag.\n\nV: Welke foto’s heb jij naar haar gestuurd?\n\nA: Gewoon, mijn lul.\n\nV: Heb je ook video’s gestuurd?\n\nA: Korte video’s ja.\n\nV: Wat is daarop te zien?\n\nA: Video’s van mezelf en met mijn ex heb ik weleens een keer een video gemaakt.\n\nBewijsoverwegingen\n\nMinderjarigheid\n\nUit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer] ten tijde van de ten laste gelegde feiten 14 jaar oud was en derhalve minderjarig.\n\nDe rechtbank acht ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit wist. [slachtoffer] heeft bij de politie in het informatief gesprek zeden verklaard dat zij haar leeftijd aan de verdachte heeft verteld en daarna tijdens het studioverhoor heeft zij deze verklaring herhaald. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] . Daar komt bij dat de rechtbank de verklaring van de verdachte, dat hij niet wist dat [slachtoffer] minderjarig was en dat zij had gezegd 18 jaar te zijn, juist niet geloofwaardig acht. De rechtbank betrekt hierbij dat in het e-mailadres van [slachtoffer] dat in het bezit van de verdachte was het getal [geboortejaar] staat vermeld, zijnde het geboortejaar van [slachtoffer] . Ook wist de verdachte dat [slachtoffer] op de mavo zat en tegen haar moeder een smoesje had verzonnen, omdat zij anders geen toestemming zou krijgen elders te overnachten.\n\nT.a.v. feit 2: Opzettelijk onttrekken aan wettig gezag\n\nZoals gezegd volgt uit de bewijsmiddelen dat [slachtoffer] minderjarig was en dat de verdachte dit wist. Uit de bovengenoemde bewijsmiddelen volgt bovendien dat de ouders van [slachtoffer] in de periode van 29 tot en met 30 juli 2023 geruime tijd niet op de hoogte waren van haar verblijfplaats, geen contact met haar konden krijgen en haar niet konden vinden, terwijl [slachtoffer] (naar achteraf bleek) gedurende die tijd in gezelschap van de verdachte was en in zijn woning heeft verbleven. Dit brengt de rechtbank bij de vraag of de verdachte [slachtoffer] hierdoor heeft onttrokken aan het wettig gezag. De rechtbank overweegt dat in het geval een minderjarige zelf het initiatief neemt om de ouderlijke woning te verlaten, het niet van belang is of degene die de minderjarige opvangt \u002F of waar de minderjarige daarna verblijft, heeft bijgedragen aan de besluitvorming van de minderjarige om weg te lopen. Het is in die situatie vervolgens wel vereist dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag uitoefent.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van een beslissende invloed door de verdachte. De verdachte is [slachtoffer] vanuit Weert in [plaatsnaam] gaan ophalen, heeft haar treinkaartje betaald en wist dat zij continu gebeld werd door haar bezorgde ouders en zus. De verdachte moet dus hebben geweten dat haar familie zich zorgen maakte. Van een volwassen man (zoals verdachte is) mag dan worden verwacht dat hij zelf de ouders van [slachtoffer] belt om de situatie te bespreken. De verdachte heeft dit echter niet gedaan. Integendeel. Hij heeft haar gedurende de nacht bij zich gehouden, seks met haar gehad, met haar drugs gebruikt en ook de volgende ochtend geen aanstalten gemaakt haar te overreden terug naar huis te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door te handelen zoals hij heeft gedaan, [slachtoffer] met (voorwaardelijk) opzet heeft onttrokken aan het wettig gezag.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nT.a.v. feit 3: Aanbieden pornografische afbeeldingen aan minderjarigen\n\nDe verdachte heeft bekend dat hij foto’s van zijn ontblote penis en een korte video waar hij seksuele handelingen verricht met zijn ex naar [slachtoffer] heeft gestuurd. [slachtoffer] was op dat moment 14 jaar oud. Zoals hiervoor reeds overwogen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte wist dat ze pas 14 was. De afbeeldingen zijn bovendien van zodanig expliciet seksuele aard, dat vertoning daarvan aan personen beneden de leeftijd van 16 jaar een risico op schade met zich brengt.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nT.a.v. feit 4: Bezitten en verwerven van kinderpornografie\n\nDe rechtbank overweegt dat de door [slachtoffer] verstuurde foto en filmpje binnen de context waarin zij zijn gestuurd een onmiskenbare seksuele strekking hadden. Het feit dat de beelden zich niet in het dossier bevinden acht de rechtbank in dit geval niet relevant, nu het slechts om een zeer geringe hoeveelheid gaat, duidelijk is wat hier op te zien is en met name om welke persoon het gaat. Doordat duidelijk is dat [slachtoffer] de persoon op de afbeeldingen is, is duidelijk dat het om een minderjarige gaat en dat de verdachte dit wist.\n\nDe rechtbank acht het tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nT.a.v. feit 1:\n\nin de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\nT.a.v. feit 2:\n\nin de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag;\n\nT.a.v. feit 3 primair:\n\nin de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in Nederland afbeeldingen, waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten foto's en video's waarop zijn, verdachtes, ontblote penis te zien is en waarop te zien is dat hij, verdachte, seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, via Snapchat, althans via een chatprogramma heeft verstrekt aan een minderjarige van wie hij wist dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] );\n\nT.a.v. feit 4:\n\nop één of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert afbeeldingen, te weten een foto en een video van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) is betrokken heeft verworven en in bezit gehad, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\nhet met een borstel vaginaal penetreren van het eigen lichaam door die [slachtoffer] en\n\nhet geheel naakt poseren door die [slachtoffer] , waarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam\n\nT.a.v. feit 2:\n\nopzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over haar gesteld gezag\n\nT.a.v. feit 3 primair:\n\neen afbeelding, bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, verstrekken aan een minderjarige van wie hij weet dat deze jonger is dan zestien jaar\n\nT.a.v. feit 4:\n\neen afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken verwerven en in bezit hebben\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf en\u002Fof de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een locatieverbod voor het adres van de moeder, de vader, het werk en de school van [slachtoffer] .\n\nDe officier van justitie heeft bij de formulering van zijn strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten, de impact van het handelen op [slachtoffer] en haar omgeving en de persoonlijke omstandigheden en proceshouding van de verdachte. De officier van justitie acht als strafverzwarende omstandigheden het aanbieden van cocaïne aan [slachtoffer] en dat de verdachte haar heeft ontmaagd. Strafverminderend acht de officier van justitie dat de seks consensueel is geweest en de verdachte op eigen initiatief hulp heeft gezocht.\n\n6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest gecombineerd met een voorwaardelijk deel, waar de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd aan verbonden kunnen worden en daarnaast een taakstraf. Zij benadrukt dat het van groot belang is dat de verdachte niet naar de gevangenis gaat.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij de toentertijd 14-jarige [slachtoffer] , welke tevens bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. De verdachte was op dat moment 35 jaar oud. Hij heeft haar meegenomen naar zijn huis om met haar seks te hebben en heeft haar daarbij cocaïne aangeboden. Zij heeft dit aanvankelijk geweigerd, maar nadat hij bleef aandringen heeft zij het toch gebruikt. Om seks met haar te kunnen hebben, heeft hij [slachtoffer] in [plaatsnaam] opgehaald en heeft haar treinkaartje naar Weert betaald. [slachtoffer] is vervolgens een hele avond, nacht en ochtend onbereikbaar geweest voor haar familie. De verdachte wist dit ook, omdat zij veelvuldig door hen gebeld werd. Dit heeft bij de ouders (en zus) enorme onrust en spanningen veroorzaakt. Daarnaast heeft hij als volwassen man foto’s van zijn ontblote penis en filmpjes waarop seksuele handelingen te zien zijn naar de minderjarige [slachtoffer] gestuurd. Confrontatie met dergelijke afbeeldingen en filmpjes kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van jeugdigen en zij dienen hiertegen beschermd te worden. Tot slot heeft de verdachte een naaktfoto en -filmpje van [slachtoffer] verworven en in zijn bezit gehad.\n\nDe bewezenverklaarde ontucht bestond onder meer uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Hoewel van dwang niet is gebleken, dient een meisje op die leeftijd beschermd te worden. De wetgever heeft er juist voor gekozen om seks met personen onder de 16 jaar ongeclausuleerd strafbaar te stellen, omdat deze jongeren zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase bevinden en zij vaak onvoldoende in staat zijn om hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag te overzien.\n\nDoor zijn handelen heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat veel slachtoffers van dit soort feiten zich, vanwege hun jonge leeftijd, pas op latere leeftijd realiseren wat er daadwerkelijk is gebeurd en daarvan nog lang nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dat de handelingen consensueel waren, doet daar niet aan af.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de soort en hoogte van de straf kennis genomen van het strafblad van 11 juni 2024 en rekening gehouden met het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 1 maart 2024. In dit rapport komt naar voren dat de verdachte een slecht sociaal ingebedde, eenzame, man is, die een problematische relatie heeft met zijn moeder en hoge behoefte heeft aan genegenheid. Het niet hebben van een relatie ervaart hij als een gemis. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.\n\nStraf\n\nDe eis van de officier van justitie begrijpt de rechtbank in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat een lagere straf dient te worden opgelegd, met name omdat van dwang geen sprake is geweest, het initiatief tot afspreken van beide kanten lijkt te zijn gekomen, er sprake was van een emotionele band tussen [slachtoffer] en de verdachte en mede gelet op de persoonlijke omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden volstaan met een straf zoals door de verdediging is bepleit. De bewezenverklaarde feiten zijn daarvoor te ernstig, waarbij de rechtbank in strafverzwarende zin met name meeweegt het forse leeftijdsverschil, dat de verdachte de 14-jarige [slachtoffer] meermaals cocaïne heeft aangeboden en samen met haar heeft gebruikt, alsmede het feit dat hij de familie van [slachtoffer] al die tijd in onzekerheid heeft gelaten over waar zij was.\n\nAlles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar passend en geboden is. De rechtbank zal daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. De rechtbank zal geen locatieverbod opleggen, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte [slachtoffer] heeft opgezocht of zal gaan opzoeken en de verdachte middels het contactverbod al op geen enkele wijze direct of indirect contact met [slachtoffer] mag opnemen.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering.\n\n7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 117.045,78 euro. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:\n\nreis- en parkeerkosten voor de moeder van [slachtoffer] : 544,22 euro\n\nreis- en parkeerkosten voor de vader van [slachtoffer] : 490,07 euro\n\nmorning-after pil: 11,49 euro\n\nimmateriële schade: 16.000,- euro\n\nverhoging immateriële en materiële schade: 100.000,- euro.\n\nDe benadeelde partij heeft verzocht de post ‘verhoging immateriële en materiële schade’ niet ontvankelijk te verklaren omdat dit is opgenomen met het oog op een eventueel hoger beroep en nog niet voorziene schade.\n\nDe benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de vordering ten aanzien van de onderbouwde materiële en immateriële schade geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts heeft hij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nTen aanzien van het voorschot, de verhoging immateriële en materiële schade voor een bedrag van 100.000,- euro, heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade, gelet op de onvoldoende onderbouwing, dient te worden afgewezen. Niet is gebleken welke afspraken voor [slachtoffer] noodzakelijk waren, met bijvoorbeeld afspraakbevestigingen. De vordering ten aanzien van de immateriële schade wordt tot een bedrag van 10.000,- euro niet door de verdediging betwist.\n\nTen aanzien van de verhoging van de vordering met een bedrag van 100.000,- euro stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat door [slachtoffer] schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde.\n\nDe rechtbank acht een bedrag van 365,58 euro ten aanzien van de materiële schade toewijsbaar. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor de morning-after pil en de reiskosten die de ouders van [slachtoffer] hebben gemaakt door op 29 en 30 juli van [plaatsnaam] naar Weert en terug te rijden. De rechtbank acht deze kosten aannemelijk en in zoverre voldoende onderbouwd. De verder opgegeven reiskosten zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, wanneer de benadeelde partij nu in de gelegenheid zou worden gesteld de vordering op dat onderdeel nader te onderbouwen.\n\nVoor het nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding omdat zij in haar persoon is aangetast. De rechtbank stelt de door de benadeelde partij geleden immateriële schade vast op een bedrag van 10.000,- euro. De vordering is in zoverre niet betwist en komt de rechtbank niet onredelijk of ongegrond voor. De rechtbank ziet in de onderbouwing van de vordering en gelet op de toegewezen schadebedragen in vergelijkbare zaken op dit moment geen aanleiding tot toewijzing van het meerdere en zal de benadeelde partij derhalve voor het overige niet ontvankelijk verklaren. Zij zal de benadeelde partij eveneens niet ontvankelijk verklaren in haar vordering voor zover deze ziet op de verhoging van de materiële en immateriële schade van een bedrag van 100.000,- euro nu dit deel van de vordering niet is onderbouwd.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling van de wettelijke rente over de toegewezen bedragen, te rekenen vanaf 30 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank zal hiervoor tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.\n\n8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 240a, 240b, 245, 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van3 jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\nstelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:\n\nMeldplicht bij de reclassering\n\na. de veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ reclassering Limburg op het adres [adres 2] (telefoonnummer [telefoonnummer] ). De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nAmbulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)\n\nde veroordeelde laat zich behandelen door De Rooyse Wissel of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.\n\nBij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;\n\nContactverbod\n\nde veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;\n\nMiddelencontrole\n\nde veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van cocaïne om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.\n\ngeeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\nvoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;\n\nBenadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel\n\nwijst gedeeltelijk toede vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van10.365,58 euro, bestaande uit 365,58 euro materiële schade en 10.000,- euro immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met dewettelijke rentevanaf30 juli 2023tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaaltdat [slachtoffer] voor de overige gevorderde schade niet-ontvankelijk is en zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 10.365,58 euro, te vermeerderen met dewettelijke renteover dat bedrag vanaf30 juli 2023tot aan de dag der algehele voldoening, subsidiair86 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde partij bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. H.E.G. Peters en mr. L. Bastiaans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.N.F. Roelofs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juli 2024.\n\nBuiten staat\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\n1 hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ; ( art 245 Wetboek van Strafrecht )\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] , heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende; ( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) afbeelding(en), een voorwerp of een gegevensdrager, bevattende (een) afbeelding(en), waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van 16 jaar, te weten een of meer foto('s) en\u002Fof video('s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man aan het masturberen is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, (via Snapchat, althans via een chatprogramma) heeft verstrekt en\u002Fof aangeboden en\u002Fof vertoond aan een minderjarige van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was dan 16 jaar, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ); ( art 240a Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer afbeelding(en), waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die afbeelding(en) aanstotelijk is\u002Fzijn voor de eerbaarheid, te weten een of meer foto('s) en\u002Fof video('s) waarop zijn, verdachtes, althans een ontblote (stijve) penis te zien is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man, aan het masturberen is en\u002Fof waarop te zien is dat hij, verdachte, althans een (volwassen) man seksuele handelingen verricht met\u002Fbij een (volwassen) vrouw, anders dan op diens verzoek heeft toegezonden aan een persoon genaamd [slachtoffer] ; ( art 240 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht )\n\n4 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2023 tot en met 30 juli 2023 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten foto's en\u002Fof video's en\u002Fof films - en\u002Fof een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen, te weten een telefoon - van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), althans iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft verworven en\u002Fof in bezit gehad en\u002Fof zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit: het met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof een borstel, althans (een) voorwerp(en) oraal, vaginaal en\u002Fof anaal penetreren van het eigen lichaam door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\u002Fof het met (een) vinger(s)\u002Fhand en\u002Fof (een) voorwerp(en) betasten en\u002Fof aanraken van het eigen geslachtsdeel, de eigen anus, de eigen billen en\u002Fof borsten door die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en\u002Fof het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van\u002Fdoor die [slachtoffer] , althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon gekleed is en\u002Fof opgemaakt is en\u002Fof poseert in een omgeving en\u002Fof met (een) voorwerp(en) en\u002Fof in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past\u002Fpassen en\u002Fof waarbij die [slachtoffer] , althans deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van haar kleding ontdoet en\u002Fof (waarna) door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die [slachtoffer] , althans deze persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's \u002Ffilm(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die [slachtoffer] , althans deze persoon in beeld gebracht worden, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en\u002Fof strekt tot seksuele prikkeling (één of meer foto('s) en \u002Fof video('s), omschreven en\u002Fof waarover verklaard door [slachtoffer] op p. 12 van het pv en\u002Fof door getuige [naam 1] op p. 17 van het pv en\u002Fof door verdachte op p. 60 van het pv en\u002Fof in het pv bevindingen op p. 23 van het pv); ( art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023119700, gesloten d.d. 4 augustus, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 62.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – informatief gesprek zeden d.d. 3 augustus 2023, pg. 12-14.\n\n Proces-verbaal van aangifte [naam 1] d.d. 3 juli 2023, pg. 7-10.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – informatief gesprek zeden d.d. 3 augustus 2023, pg. 12-14.\n\n Proces-verbaal van bevindingen – onderzoek telefoon d.d. 31 juli 2023, pg. 22-26.\n\n (Aanvullend) proces-verbaal van studioverhoor met VRH-nummer 2024-05-661067 d.d. 15 mei 2024, pg. 1-18.\n\n Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 31 juli 2023, pg. 52-62.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2024:4808","2024-07-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:58.711Z",20]