[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-roermond-family-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":64},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},66,"Roermond","nl","roermond",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},31,"family-law-nl","Family Law","NL","2026-07-08T16:53:14.188Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123903","Burgerlijk Wetboek","art. 1:235 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123904","art. 1:235",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123905","art. 1:237 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122599","art. 3:168",[36,47,56],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":45,"updatedAt":46},"1521","ECLI:NL:RBLIM:2026:6522","ecli-nl-rblim-2026-6522","","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12258659 \\ HA VERZ 26-3\n\nBeschikking van 2 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nJULIAN MAESEN,\n\nte Venlo,\n\nhierna te noemen: Julian,\n\nverzoekende partij.\n\nDe kantonrechter merkt als belanghebbenden aan: [moeder],\n\nen\n\n [vader],\n\nbeiden wonende te [plaatsnaam] ,\n\nhierna gezamenlijk te noemen: de ouders.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 1 juli 2026.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Julian is geboren op 10 april 2009 te Venlo. Op dit moment is hij 17 jaar oud. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over Julian.\n\n2.2.. De vennootschap onder firma JTecom, een onderneming in detailhandel (via internet) in kleding en kledingaccessoires, is sinds 1 juni 2026 opgericht en geregistreerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel onder nummer 42067555.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Julian heeft de kantonrechter verzocht om verkrijging van een handlichting als bedoeld in artikel 1:235 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het verzoek is mede ondertekend door de wettelijke vertegenwoordigers van Julian, de ouders.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Op verzoek van een minderjarige kan op grond van artikel 1:235 lid 1 BW een handlichting door de kantonrechter worden verleend. Handlichting betekent dat aan een minderjarige bepaalde bevoegdheden van een meerderjarige worden toegekend. Een verzoek tot handlichting kan worden ingediend wanneer de minderjarige de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt. Bij de beoordeling van het verzoek moet de kantonrechter zich laten leiden door het belang van de minderjarige en beoordelen of de gevraagde handlichting verantwoord is. Op grond van het tweede lid van artikel 1:235 BW wordt de handlichting niet verleend tegen de wil van de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen.\n\n4.2.. De kantonrechter heeft vastgesteld dat Julian 17 jaar is, dat de ouders met zijn verzoek instemmen en dat zij als de handlichting wordt verleend toezicht zullen uitoefenen op de manier waarop Julian hieraan uitoefening geeft.\n\n4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat Julian goed heeft uitgelegd waarom hij de handlichting nodig heeft. Julian heeft samen met een meerderjarige vennoot, [vennoot] , een vennootschap onder firma (VOF) opgericht. Om deze VOF verder op te richten \u002Fvoort te zetten, het openen en beheren van een zakelijke bankrekening, het verrichten van betalingen ten behoeve van de VOF en het aangaan van overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de VOF is handlichting nodig.\n\n4.4.. Gelet op de inhoud van het verzoekschrift en de tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting, is de kantonrechter van oordeel dat de verlening van handlichting in het belang is van Julian en dat dit verantwoord is. Het verzoek zal daarom worden toegewezen op de manier zoals hierna onder het kopje “De beslissing” is vermeld.\n\n4.5.. In artikel 1:237 lid 1 BW is bepaald dat een beschikking waarbij handlichting is verleend, bekend moet worden gemaakt in de Staatscourant. De bedoeling van de wetgever is daarbij geweest dat op die manier zoveel mogelijk personen kennis kunnen nemen van de handlichting. Daarnaast zal de beschikking (niet geanonimiseerd) door de griffier worden gepubliceerd op de internetpagina www.rechtspraak.nl, zodat de inhoud daarvan ook via die weg kenbaar is. Julian moet er rekening mee houden dat de verleende handlichting niet eerder geldt dan wanneer de publicatie in de Staatscourant een feit is.\n\n4.6.. Op grond van artikel 36 Handelsregisterbesluit 2008 dienen gegevens met betrekking tot de handlichting, te worden ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit betekent dat de datum waarop de handlichting is verkregen en de bevoegdheden die daarbij zijn toegekend aan Julian moeten worden ingeschreven. Bij de opgave ter inschrijving wordt de datum van uitgave en het nummer van de Staatscourant overgelegd waarin de rechterlijke beschikking inzake de handlichting is openbaar gemaakt, of een authentiek afschrift van de beschikking met vermelding van de dagtekening en het nummer van die Staatscourant. Julian moet hier zelf voor zorgen.\n\n4.7.. \n\nDe kantonrechter wijst voor de goede orde en volledigheidshalve nog op het bepaalde in het derde lid van artikel 1:235 BW, waarin is bepaald dat Julian door de verleende handlichting niet bekwaam wordt tot het beschikken over registergoederen, effecten of door hypotheek gedekte vorderingen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verleent aan Julian handlichting tot het zelfstandig uitoefenen van de onderneming VOF JTecom en aldus de rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn om samen met [vennoot] de onderneming uit te oefenen (zoals het aangaan van de VOF), en waaronder het openen en beheren van een zakelijke bankrekening, het verrichten van betalingen ten behoeve van de onderneming, het aangaan van overeenkomsten die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van de VOF,\n\n5.2.. bepaalt dat de publicatie van deze beschikking tot handlichting in de Staatscourant en (niet geanonimiseerd) op www.rechtspraak.nl dient te worden gepubliceerd en dat de griffier hiervoor zorg dient te dragen,\n\n5.3.. verstaat dat Julian zal zorgen voor inschrijving van de gegevens met betrekking tot de handlichting in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\n FK","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6522","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:25.239Z",{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":51,"fullText":52,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":45,"updatedAt":55},"828","ECLI:NL:RBLIM:2026:5745","ecli-nl-rblim-2026-5745","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Roermond\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12109816 \\ OV VERZ 26-9\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [de man],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij, verwerende partij voor wat betreft het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: de man,\n\ngemachtigde: mr. J.I.L. Laumans,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverwerende partij, verzoekende partij voor wat betreft het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\ngemachtigde: mr. A.M.A. Kok-Verheijde.\n\n1. Waar gaat deze zaak over\n\nPartijen hebben een relatie gehad die in juli 2025 is beëindigd. Sindsdien verblijft de vrouw met uitsluiting van de man in hun gezamenlijk woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] (hierna de woning). Partijen hebben samen een minderjarig kind, waarover zij gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. Beide partijen willen dat de kantonrechter een beheersregeling vaststelt in die zin dat wordt bepaald wie in de woning mag verblijven totdat die is verdeeld.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 8\n\n- het verweerschrift met producties 1 tot en met 10\n\n- de akte van de man met productie 9\n\n- de producties 10 en 11 van de man\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarbij de man spreekaantekeningen heeft overgelegd.\n\n2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, hebben samengewoond en hebben een kind van 4 jaar waarover zij gezamenlijk het gezag hebben. Zij hebben de afspraken over hun samenleving op 12 oktober 2018 vastgelegd in een notariële samenlevingsovereenkomst. De samenleving tussen partijen is beëindigd in juli 2025. Vanaf die tijd heeft de man de woning van partijen verlaten, waarna hij bij zijn ouders is gaan wonen. Partijen zijn beiden eigenaar van de woning, ieder voor de helft. Partijen verschillen van mening over de vraag wie de meeste aanspraak heeft om de woning te bewonen.\n\n3.2.. De waarde van de woning is op 2 september 2025 getaxeerd door [bedrijf] B.V. op € 400.000,00. De WOZ-waarde per 1 januari 2025 bedraagt € 441.000,00. De vrouw betaalt gebruikerslasten en de man betaalt alle eigenaarslasten en de hypotheek.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De man verzoekt de kantonrechter te bepalen dat hij in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning te blijven bewonen en te bepalen dat de vrouw de woning binnen vier weken dient te verlaten op straffe van een dwangsom.4.2.. De vrouw wil de woning niet overnemen, maar verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en heeft als tegenverzoek de kantonrechter gevraagd te bepalen dat zij in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning te blijven bewonen.\n\n5. De beoordeling\n\nDe bevoegdheid van de kantonrechter5.1.. \n\nIn artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst staat dat na het einde van de samenleving beide partijen het recht hebben nog gedurende drie maanden te wonen in hun woning. In onderling overleg zal worden uitgemaakt wie daarna in redelijkheid de meeste aansprakelijk heeft om de woning te blijven bewonen. Als het partijen niet lukt om hierover afspraken te maken, kan de kantonrechter worden gevraagd een beslissing te nemen.\n\nVerder bepaalt artikel 3:168 BW dat deelgenoten het genot, gebruik en beheer van gemeenschappelijke goederen (zoals een woning) bij overeenkomst kunnen regelen en voor zover een overeenkomst ontbreekt dat de kantonrechter op verzoek van een van partijen een regeling kan treffen. Daarbij houdt de kantonrechter rekening met zowel de belangen van partijen als met het algemeen belang. De kantonrechter is daarom bevoegd een beslissing te nemen over het verzochte.\n\nEen belangenafweging5.2.. Hoewel de verzoeken van partijen anders zijn geformuleerd begrijpt de kantonrechter dat beide partijen het uitsluitend gebruik van de woning willen hebben in afwachting van hetzij toedeling aan de man, hetzij verkoop aan een derde. Partijen hebben dit desgevraagd tijdens de zitting bevestigd.\n\n5.3.. Het geschil tussen partijen spitst zich daarom toe op de vraag wie van partijen daarbij het meeste belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat de man het uitsluitend gebruik van de woning moet krijgen maar slechts voor de duur van zes maanden. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij tot deze beslissing is gekomen.\n\n5.3.1.. De kantonrechter stelt vast dat de vrouw weliswaar in de woning verblijft, maar de eigenaarslasten en de hypotheek daarvan niet kan betalen. De man betaalt dit. De vrouw wil de woning ook niet toebedeeld krijgen. De man wil dat wel en zegt dat hij dat ook kan financieren, uitgaande van de getaxeerde waarde van € 400.000,00. Hij zegt dat hij daarvoor naar een hypotheekadviseur is geweest.\n\n5.3.2.. \n\nDe man voert ter onderbouwing van zijn belang om in de woning te mogen wonen in afwachting van de verdeling van de woning het volgende aan.\n\nDe man wil niet langer bij zijn ouders verblijven omdat dit hen belast en omdat hij wil voorkomen dat de irritaties tussen hem en zijn ouders oplopen. Hij stelt dat ook de vrouw niet wil dat de man bij zijn ouders woont zodat hun kind daar niet hoeft te verblijven. Dat was voor haar al eerder reden om de omgangsregeling met het kind tijdelijk stop te zetten. Verder stelt dat man dat hij voor de verdeling geen andere woning kan kopen of huren, omdat hij alle lasten van de gemeenschappelijke woning draagt. Het ligt volgens de man voor de hand dat hij het gebruiksrecht van de woning krijgt omdat hij alle lasten draagt en de woning toegedeeld wil krijgen, terwijl de vrouw dat niet wil.\n\n5.3.3.. De vrouw stelt dat het in het belang van het kind is dat zij in de woning blijft totdat de woning is verdeeld, omdat zij het meest voor het kind zorgt en het haar niet zal lukken andere woonruimte te vinden, waardoor zij met het kind op straat komt te staan. Ze geeft aan dat zij bij Wonen Limburg staat ingeschreven, maar dat er een hele lange wachtlijst is. Verder stelt ze dat zij geen urgentiestatus krijgt als zij de woning moet verlaten, omdat zij nog een koopwoning in mede-eigendom heeft. Zij wil zo snel mogelijk de woning verdelen ofwel door toedeling van haar aandeel aan de man ofwel door verkoop aan een derde zodat zij een eigen woning kan kopen. In dat kader merkt de vrouw nog op dat de woning meer waard is dan € 400.000,00, dat zij niet gehouden is aan de taxatie van 2 september 2025 en dat moet worden gekeken naar de waarde van de woning op het moment van verdelen. De vrouw stelt dat de man niet heeft aangetoond dat hij financieel in staat is haar aandeel in de woning over te nemen.\n\n5.3.4.. De kantonrechter stelt voorop dat de woning uiteindelijk verdeeld moet worden en dat de woning hoe dan ook niet aan de vrouw wordt toebedeeld omdat zij dat niet wil en niet gefinancierd krijgt. De vrouw zal de woning daarom hoe dan ook op enig moment moeten verlaten. Hierdoor ligt het voor de hand het gebruiksrecht van de woning in afwachting van de verdeling aan de man toe te kennen. Dit lig verder ook voor de hand omdat de man de eigenaarslasten en de hypotheek van de woning betaalt. Het belang van het kind wordt niet geschaad als de man het gebruiksrecht krijgt, want het kind verblijft ongeveer de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw. In dat kader is relevant dat de voorzieningenrechter bij vonnis van 19 december 2025 een zorgregeling heeft vastgesteld, inhoudende dat het kind een groot deel van de week bij zijn vader verblijft (namelijk wekelijks van woensdagochtend schooltijd (9:00 uur) tot vrijdagochtend (9:00 uur) en wekelijks zaterdagmiddag 12:00 uur tot zondagmiddag 12:00 uur. De vrouw voert nog aan dat de ouders van de man (met wie zij geen goede verhouding heeft) een groot deel van de zorg voor het kind gedurende die tijd op zich nemen omdat de man werkt en het kind ook naar een kinderdagverblijf\u002Fschool gaat (sinds 2 mei 2026). De man brengt daartegenin dat hij de tijd na zijn werk wel degelijk zelf de zorg voor het kind op zich neemt. Hoe dan ook leidt dit argument er niet toe dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning moet krijgen. Uiteraard moet er tijdens het werk kinderopvang zijn en dat betekent niet dat iemand niet voor zijn kind zorgt. De vrouw heeft verder nog gesteld dat zij geen vervangende woonruimte heeft en op straat komt te staan, maar de man heeft gesteld dat zij naar een tante in [plaats 2] zou kunnen gaan of woonruimte zou kunnen regelen via haar werkgever en daar heeft de vrouw niet voldoende onderbouwd op gereageerd. Bovendien geldt ook hier weer dat zij de woning hoe dan ook op enig moment moet verlaten.\n\n5.4.. De kantonrechter ziet wel aanleiding om het uitsluitend gebruik van de woning slechts voor de duur van zes maanden aan de man toe te kennen gelet op het belang van de vrouw dat er spoedig een definitieve verdeling van de woning volgt. Zonder die verdeling heeft zij geen financiële ruimte om zelf een woonruimte te kopen. Bovendien hebben partijen op zitting aangegeven dat een regeling over alle andere vermogensbestanddelen ook in het verschiet ligt zodra de woning definitief is verdeeld.\n\n5.5.. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd, zoals hierna opgenomen in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. bepaalt dat de man in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning aan [adres] te [plaats 1] te blijven bewonen, gedurende zes maanden vanaf het moment dat de vrouw deze woning heeft verlaten,\n\n6.2.. bepaalt dat de vrouw de onder 6.1. genoemde woning binnen vier weken na deze beschikking dient te verlaten en niet meer mag betreden, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte hiervan dat de vrouw hiertoe in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00,\n\n6.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.4.. wijst af het door de man of vrouw anders of meer verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5745","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.060Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":60,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":62,"parsedAt":45,"updatedAt":63},"616","ECLI:NL:RBLIM:2026:5981","ecli-nl-rblim-2026-5981","RECHTBANK LIMBURG\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Roermond\n\nZaaknummer: C\u002F03\u002F352443 \u002F JE RK 26-890\n\nDatum uitspraak: 9 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over vervangende toestemming medische behandeling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, kantoorhoudend in Venlo,\n\nhierna te noemen de GI,\n\nover\n\n [de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [de minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonend op een bij de rechtbank bekend adres,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonend in [plaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 mei 2026.\n\n1.2.. \n\nDe zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Daarbij was aanwezig:\n\n- een vertegenwoordiger van de GI.\n\nBeide ouders hebben zich via de GI afgemeld voor de zitting.\n\n1.3.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld.Deze beschikking is de schriftelijke uitwerking van die uitspraak.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .\n\n2.2.. \n [de minderjarige] woont bij de moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 12 juni 2026.\n\n2.4.. De vader heeft toestemming geweigerd voor de medische behandeling van [de minderjarige] bij [zorgverlener] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI verzoekt vervangende toestemming te verlenen voor de medische behande-ling van [de minderjarige] . Deze medische behandeling betreft de plaatsing binnen de vroegbehandelgroep van [zorgverlener] . De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.2.. De GI onderbouwt het verzoek als volgt. [de minderjarige] heeft een ernstige taal- en spraak-achterstand in combinatie met een gehoorbeperking. [de minderjarige] is pas op een latere leeftijd gestart met het dragen van gehoorapparatuur, wat een negatieve invloed heeft gehad op zijn taalontwikkeling. [de minderjarige] verblijft op dit moment binnen de reguliere [kinderopvang] . Deze opvang heeft meerdere keren aangegeven dat zij niet de specialistische ondersteuning kunnen bieden die passend is bij zijn ontwikkelingsbehoeften, waardoor zijn taalontwikkeling fors achter blijft. Ondanks dat er enige vooruitgang zichtbaar is in de concentratie en deelname aan activiteiten, blijft er sprake van beperkte communicatie, imitatiegedrag en onvoldoende taalverwerking. Het is noodzakelijk dat [de minderjarige] geplaatst wordt binnen een gespecialiseerde vroegbehandelgroep. Deze behandelgroep is specifiek gericht op kinderen met ernstige taal- en spraakproblematiek en biedt intensieve specialistische begeleiding die [de minderjarige] op dit moment nodig heeft. Uitstel van passende behandeling vergroot de kans op ontwikkelingsschade, terwijl juist op een jonge leeftijd specialistische stimule-ring van taal en communicatie essentieel is. De moeder stemt in met de voorgenomen plaatsing, de vader weigert echter toestemming te verlenen. De vader heeft herhaaldelijk aangegeven niet akkoord te gaan met een plaatsing binnen een gespecialiseerde setting, zonder een duidelijk argument te geven waarom hij niet akkoord gaat. Dit past binnen een breder patroon, waarbij de vader vaker noodzakelijke beslissingen rondom de kinderen belemmerd heeft. De vader is beperkt betrokken bij de dagelijkse opvoeding van de kinderen. De kinderen wonen volledig bij de moeder en de vader heeft sporadisch en onregelmatig contact met de kinderen. De vader is formeel gezaghebbende ouder, maar levert in de praktijk nauwelijks een bijdrage aan de dagelijkse verzorging en opvoeding. De weigering van de vader leidt tot stagnatie van de noodzakelijke hulpverlening en brengt risico’s mee voor de ontwikkeling van [de minderjarige] . De GI is van mening dat noodzakelijke behandeling niet kan worden uitgesteld totdat de ouders mogelijk alsnog een overeenstem-ming bereiken, nu eerdere ervaringen hebben laten zien dat dit een langdurige vertraging oplevert. Het belang van [de minderjarige] dient hierbij voorop te staan.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. De moeder is niet naar de zitting gekomen en heeft geen verweer gevoerd.\n\n4.2.. De vader is niet naar de zitting gekomen en heeft geen verweer gevoerd.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De moeder heeft de Marokkaanse nationaliteit. Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De kinderrechter is van oordeel, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland ligt. Gelet op dit laatste feit is Nederlands recht op de verzoeken van toepassing.\n\n5.2.. De kinderrechter kan, gelet op artikel 265h van het Burgerlijk Wetboek, vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert.\n\n5.3.. De kinderrechter is van oordeel dat een plaatsing op de gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] , zoals de GI heeft verzocht, in het belang van [de minderjarige] is. [de minderjarige] heeft een gehoorbeperking en hij kan niet goed mee bij de huidige kinderopvang, omdat hij de juf niet begrijpt of verstaat. Ook anderen verstaat en begrijpt hij niet goed. De huidige kinderopvang kan [de minderjarige] niet bieden wat hij nodig heeft. Daardoor blijft hij achter in zijn ontwikkeling en komt hij niet toe aan zijn ontwikkeltaken. De gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] is specifiek ingesteld op kinderen van [de minderjarige] leeftijd met een ontwikkelingsachterstand en ernstige gehoorbeperking. Het gaat om een medische behandeling. Gelet op [de minderjarige] beperkingen en om hem in zijn ontwikkeling te kunnen ondersteunen, is het noodzakelijk dat [de minderjarige] gaat deelnemen aan deze behandelgroep. De vader weigert – ten nadele van [de minderjarige] – hier toestemming voor te geven. Daarom zal de kinderrechter de vervangende toestemming verlenen die in plaats treedt van de toestemming van de vader.\n\n5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verleent vervangende toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, voor de medische behandeling van [de minderjarige] , inhoudende: een plaatsing binnen de gespecialiseerde vroegbehandelgroep van [zorgverlener] ;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 door mr. dr. Van Binnebeke, kinderrechter, in aanwezigheid van Kock als griffier, en op schrift gesteld op 23 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5981","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:39.449Z",20]