[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-drug-offences-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":109,"limit":110},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},110,"drug-offences-nl","Drug Offences","NL","2026-07-08T16:56:56.630Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},11,{"min":18,"max":19},"2025-03-28T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,48,56,64,72,79,86,93,102],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1224","ECLI:NL:RBROT:2026:8069","ecli-nl-rbrot-2026-8069","","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F043912-23\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.D. Polat\n\nOfficier van justitie: mr. T. Lucas\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van valsheid in geschrift, het medeplegen van witwassen en meineed. Hij wordt veroordeeld voor het medeplegen van het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd van 30 uren met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Het geldbedrag dat bij de verdachte in beslag is genomen zal aan hem worden teruggegeven.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nhij in of omstreeks de periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 11,51 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2\n\nHij in of omstreeks de periode van 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te Leusden en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland,\n\n(van) een Rolex horloge, althans een voorwerp- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft\n\nverborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie\n\nvoorwerp(en) was\u002Fwaren,\n\nen\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,\n\nen\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.\n\n3\n\nHij in of omstreeks de periode 18 januari 2022 tot en met 28 februari 2024 te\n\nRotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nmeermalen althans eenmaal\n\nopzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en\u002Fof vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten\n\neen (afschrift van) een factuur met datum 11 februari 2021 van [horlogewinkel] met\n\nfactuurnummer [factuurnummer]\n\nals ware het echt en onvervalst, door\n\ndeze aan de politie over te leggen, althans te doen overleggen.\n\n4\n\nHij op of omstreeks 20 december 2023 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\nin een geval waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vorderde\n\nen\u002Fof daaraan rechtsgevolgen verbond, te weten\n\nter terechtzitting van de rechtbank Rotterdam op 20 december 2023 (zaaknr.\u002Frolnr. C\u002F10\u002F652291 \u002F HA ZA 23-129) als getuige gehoord zijnde in een civielrechtelijke procedure tegen [medeverdachte] , althans enige rechter,\n\nmondeling, persoonlijk, opzettelijk een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, te weten – zakelijk weergegeven – dat hij begin 2021 aanwezig was bij de verkoop van een Rolex horloge, door [naam 1] aan [medeverdachte] .2. Bewijs feit 1 \u002F vrijspraak feiten 2 tot en met 42.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten.2.3.. Oordeel van de rechtbank\n\nFeit 12.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte feit 1 heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit 1 is gebaseerd op de opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 18 januari 2022 waren wij, verbalisanten, belast met algemene surveillance op en rond autosnelweg A28.\n\nOmstreeks 16.45 uur stonden wij geparkeerd in een parkeervak bij de foodcourt. Wij zagen dat een voertuig, van het merk Mercedes, voorzien van het kenteken [kentekennummer 1] , de foodcourt op reed. Wij zagen dat er zich in het voertuig een persoon bevond. Dit bleek later de verdachte: [verdachte] te zijn. (..)\n\nWij zagen dat de genoemde Mercedes naast een Fiat Punto, voorzien van het kenteken, [kentekennummer 2] geparkeerd stond. Nadat wij nog geen minuut later in onze binnen spiegel keken, zagen wij dat er inmiddels een andere man als bijrijder in de Mercedes zat. Deze bijrijder bleek later [naam 2] te zijn. Wij zagen dat [naam 2] uit de Mercedes stapte. Wij zagen dat [naam 2] vervolgens in de naast gelegen genoemde Fiat Punto stapte.\n\n(..) Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 gaven wij een stopteken, aan de bestuurder van de Fiat Punto. Hieraan werd door de bestuurder voldaan.\n\n(..) Hierop verklaarde [naam 2] uit zichzelf dat hij zojuist 17 ponypacks met cocaïne had gekocht van de bestuurder van de Mercedes. Wij zagen dat [naam 2] een klein zakje uit zijn zak haalde. Later bleken daar 17 zogenoemde ponypacks in te zitten.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\n(..)Op 18 augustus 2022 is [verdachte] staande gehouden.\n\n(..) Ik heb vervolgens genoemde Mercedes doorzocht. Ik trof enkele getekende aantekeningen welke over bedragen gingen.\n\nIk heb vervolgens een transportfouillering uitgevoerd bij verdachte [verdachte] . Hierna trof ik in de linker broekzak van verdachte een gebundeld contant geldbedrag aan van totaal 2775 Euro. Dit bedrag bestond uit diverse biljetten van 5 en 50 euro.\n\n3. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\nV: Wie was de man waarbij jij in de Mercedes bent gestapt?\n\nA: Dat is [naam 3] .\n\nV: Hoeveel geld had u afgegeven aan [naam 3] ?\n\nA: Dat weet ik niet precies, maar ik dacht ongeveer 3000 euro. Bij benadering dan.\n\nV: Wanneer heeft u die 17 cachetjes gekregen?\n\nA: Vrijdag\n\nV: Hoe hebben jullie een afspraak gemaakt, McDonalds Amersfoort?\n\nA: Telegram.\n\nO: Je hebt aan een collega van de politie de code van de telefoon gegeven die je bij je had. Hierin zijn chatberichten aangetroffen vanaf 17 januari 2022 vanaf 13.06 uur.\n\nV: Wat kun je verklaren over deze chatberichten en dan bedoel ik de berichten die van belang zijn betreffende hetgeen jij wordt verdacht?\n\nA: Het ging in ieder geval over het ophalen van deze cocaïne en het wegbrengen en collecteren. Waar het heen moest etc. Ik had alleen met [naam 3] contact via Telegram.\n\n4. Verklaring van de medeverdachte [naam 2]\n\n0: In het voertuig van uw medeverdachte zijn briefjes aangetroffen, verbalisant toont 4 foto's bijgevoegd als fotobijlage 1. Herkent u deze briefjes?\n\nA: Ja.\n\nV: Wat kan u vertellen over deze briefjes, wat betekenen ze of kunnen we lezen op deze briefjes?\n\nA: Nou ja.\n\nFoto 1, van fotobijlage 1:\n\naanvang 34, betreft dan aanvang 34 ponypacks.\n\nEinde 12, betreft wat er over is na 1 dag.\n\n3 zijn er dan weggegeven zonder te betalen. Of later terug te betalen. 1 was met korting voor 40 euro. Dan bleven er 18 over. Die zijn verkocht voor 50 euro per stuk waardoor je uit komt op 940 euro.\n\nV: Heeft u deze briefjes geschreven en overhandigd aan \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\nV: De persoon bij wie u in de auto, een Mercedes-Benz, bent gestapt op 18 januari 2022 op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort, waarna u bent uitgestapt en bent weggereden betreft deze persoon in de Mercedes Benz deze \" [naam 3] \"?\n\nA: Ja.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 was ik, belast met het testen, wegen en bemonsteren van de vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen bij verdachte [naam 2] op 18 januari 2022.\n\nIk zag dat er 17 ponypacks in beslag waren genomen onder goednummer [beslagnummer] .\n\n6. Proces-verbaal van de politie\n\nDe aangeboden partij verdovende middelen bestond uit:\n\nGoednummer: [beslagnummer]\n\nSIN: AAQA1727NL\n\nRelatie met SIN: AAQW1827NL\n\nAantal: 17\n\nOmschrijving: wikkels met wit poeder\n\nBijzonderheden: 17 ponypacks met opschrift van pinguïn en smart seal de luxe\n\nGewicht netto: 11,51 gram\n\nRuybal: positief op cocaïne\n\n7. Deskundigenverslag\n\nKenmerk\n\nOmschrijving FO\n\nConclusie\n\nAAQW1827NL\n\nPoeder, wit, uit 11,51 gram; aantal 3 bemonsteringen in onderzoek\n\nBevat cocaïne\n\n8. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 20 januari 2022 heb ik, [naam 4] , de navolgende zaken bekeken:\n\n- Verhoor van verdachte [naam 2] ,\n\n- Chatgesprek op Telegram, op de telefoon behorende bij [naam 2] ,\n\n- Bevindingen van verbalisanten ter plaatse McDonalds Amersfoort,\n\n- Telefoon behorende bij [naam 2]\n\nIn de telefoon wordt bevestigd dat verdachte [naam 2] met ene \" [naam 3] \" communiceert via de\n\ndienst Telegram.\n\nOp 18 januari 2022 hebben deze [naam 3] en verdachte [naam 2] een gesprek.\n\n [naam 3] 06:04: Goedemorgen als je de enveloppen meeneemt dan ik je op de terugweg rond\n\n16:00 meeten ergens kalm an\n\nBij1 09:51: Isg\n\n [naam 3] 14:55: Geef je ff een gil als je vertrokken bent\n\n [naam 3] 15:27: Maat je hebt bestelling 17:05 Comschate\n\nWaar zie ik je tussendoor en Hoelaat kan je waar zijn\n\n(..)\n\n [naam 3] 15:47: Beter als je naar Mcdonald's huis ter heide rijdt\n\nNu is dat nog op je heenweg\n\nJe rijdt daar toch langs\n\n [naam 2] 15:47: Red ik nooit\n\nAank 16:30\n\nRed ik colm niet\n\n [naam 3] 15:49 Oke ik kom Amersfoort\n\nJooo\n\n [naam 2] : 1620\n\nZorg dat je er bent\n\n [naam 2] 16:22 Ik ben er\n\nWaar rij je\n\n [naam 3] 16:22 Onderweg\n\nHaal maar broodje voor jezelf\n\neerder rijd afspreken\n\nNiet 45 min van te voren tot zo\n\n [naam 2] 16:23: Als ik nu vertrek ben ik pas om 17:06 in colm\n\njij schreef rond 16 uur\n\nMaatje\n\n [naam 3] 16:23: Het is jou schuld\n\nNiet\n\nDus don't worry\n\n [naam 2] 16:23: Ik doe mijn best\n\nIn deze chat is te zien dat [naam 3] en verdachte [naam 2] afspreken op de parkeerplaats bij de McDonalds te Amersfoort op 18 januari 2022. Deze [naam 3] geeft aan er niet om 16.00\n\nuur te kunnen zijn maar rond 16.30 uur. Gezien de bevindingen van de collega's bij de McDonalds Amersfoort kan worden aangenomen dat deze \" [naam 3] \" verdachte [verdachte] is.\n\nTevens blijkt uit de telefoon van verdachte [naam 2] dat er zeker vanaf 14 januari dagelijks meermaals contact is tussen deze \" [naam 3] \" en verdachte [naam 2] . Tevens hebben verbalisanten onderzoek gedaan in het voertuig van verdachte [verdachte] . Daarop werden onder andere een viertal briefjes aangetroffen zoals deze ook is verstuurd tussen verdachte [naam 2] en verdachte [verdachte] via de app Telegram.\n\nDit betreft exact hetzelfde briefje als is gestuurd tussen Verdachte [naam 2] en \" [naam 3] \" via de Telegram app.\n\nZondag 16\u002F1\u002F22\n\nAanvang: 23\n\nEinde: 12\n\n-------------------\n\n11 x 50 = 550\n\nRetour P ---- 50\n\nCash 6002.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte ‘ [naam 3] ’ is. De rechtbank verwerpt dit verweer. [naam 2] heeft verklaard dat hij de drugs heeft ontvangen van de man in de Mercedes die hij kent als ‘ [naam 3] ’ en waar hij contact mee heeft via Telegram. Deze verklaring wordt gestaafd door de bevindingen van de politie. Zij zien een ontmoeting tussen [naam 2] en de verdachte en uit het onderzoek naar de telefoon van de [naam 2] volgt dat hij met ‘ [naam 3] ’ afspreekt rond het tijdstip op de locatie waar door de politie een ontmoeting wordt gezien tussen de verdachte en [naam 2] . Bovendien heeft [naam 2] verklaard dat de getekende aantekeningen die in de auto van de verdachte zijn aangetroffen hem bekend voorkomen, omdat hij deze briefjes aan ‘ [naam 3] ’ heeft gegeven en komt de inhoud van de briefjes ook terug in het gesprek tussen [naam 2] en ‘ [naam 3] ’ op Telegram. Op basis van deze bevindingen gaat de rechtbank ervan uit dat [naam 2] de cocaïne heeft gekregen van de verdachte.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode samen met de medeverdachte 11,51 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Ten aanzien van het ten laste gelegde verstrekken en verhandelen van de cocaïne bevat het dossier onvoldoende bewijs.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nhij in of omstreeksde periode van 14 januari 2022 tot en met 18 januari 2022 te Amersfoort, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althanseenmaal,\n\nopzettelijk\n\nheeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijkaanwezig heeft gehad,\n\nongeveer11,51 gram,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal\n\nbevattendecocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\n2.3.4.. Vrijspraak feiten 2 tot en met 4\n\nFeit 2 (Witwassen)\n\nVaststaande feiten\n\nBij de aanhouding op 18 januari 2022 voor bovengenoemd feit droeg de verdachte een Rolex-horloge. De verdachte heeft bij zijn staandehouding verklaard dat het horloge van zijn moeder is (medeverdachte [medeverdachte] ). Uit onderzoek volgt dat het betreffende Rolex-horloge een marktwaarde heeft van tussen de € 71.000,- en € 95.000,-. Uit bevraging van de Infodesk Crimineel & Onverklaarbaar Vermogen (ICOV) bleek niet dat de verdachte over zodanig legaal inkomen of vermogen beschikte dat die een dergelijke uitgave zouden kunnen verklaren.\n\nBeoordelingskader\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid onder a en b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opgenomen bestanddeel \"afkomstig uit enig misdrijf\", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van witwassen vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp \"afkomstig is uit enig misdrijf\" kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.\n\nAls door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Wanneer na dit onderzoek een legale herkomst met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten, staat vast dat het voorwerp een criminele herkomst heeft.\n\nBeoordeling\n\nHet gegeven dat de verdachte werd verdacht van het medeplegen dan wel aanwezig hebben van cocaïne tezamen met de resultaten van de ICOV-bevraging met betrekking tot de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bieden zonder meer grondslag voor een vermoeden van witwassen. Daar staat tegenover dat de verklaring van de verdachte dat het horloge van zijn moeder is, wordt ondersteund door de verklaring van zijn moeder, tevens medeverdachte, [medeverdachte] . Zij heeft verklaard dat zij in aanwezigheid van de verdachte het horloge heeft gekocht bij [horlogewinkel] voor € 36.500,-, waarbij zij een ander horloge heeft ingeruild en een bedrag van € 19.500,- contant heeft bijbetaald. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij dit horloge heeft kunnen kopen van het geld (de overwaarde) dat zij na verkoop van een woning op haar rekening gestort heeft gekregen. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft zij (schermopnames van) bankafschriften verstrekt waaruit volgens haar zou moeten volgen dat zij een groot bedrag heeft ontvangen van de notaris en in een korte periode meermaals contante bedragen heeft opgenomen. Ook heeft zij de onder feit 3 ten laste gelegde factuur verstrekt van de aankoop van genoemde Rolex bij [horlogewinkel] .\n\nDeze verklaring is naar oordeel van de rechtbank concreet en verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar de verklaring van de medeverdachte.\n\nUit het onderzoek volgt dat de medeverdachte € 115.438,27 op haar bankrekening gestort heeft gekregen na verkoop van haar woning en zij daarna in een korte periode meerdere keren grote bedragen contant van haar bankrekening heeft opgenomen.\n\nDaarnaast is nader onderzoek verricht door de eigenaar van [horlogewinkel] , de heer [naam 1] , als getuige te horen. [naam 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij de door de medeverdachte aangeleverde factuur niet heeft opgesteld, dat hij de medeverdachte niet kent, dat de handtekening op de factuur niet van hem is en dat hij maar één horloge heeft verkocht van het type dat bij de verdachte is aangetroffen en dat dat aan een man was. [naam 1] is ook gehoord als getuige in een civielrechtelijke procedure die de medeverdachte is gestart bij de rechtbank om het horloge terug te krijgen. [naam 1] heeft toen verklaard dat hij twee horloges van dat type heeft verkocht, waarvan hij er één heeft verkocht aan een zekere [naam 5] . Na zijn verhoor bij de politie heeft [naam 1] een factuur met hetzelfde factuurnummer overgelegd aan de politie. Die factuur verschilt op meerdere punten van de door de verdachte overgelegde factuur.\n\nVerder onderzoek heeft het Openbaar Ministerie niet verricht.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] , met name bezien zijn tweede, op sommige punten tegenstrijdige, verklaring in de civiele procedure, aanknopingspunten biedt voor nader onderzoek. Zo had de administratie van [naam 1] kunnen worden onderzocht of de heer [naam 5] worden gehoord. Dat is echter niet gebeurd. Het dossier bevat ook geen objectieve gegevens die de verklaring van [naam 1] ondersteunen, noch gegevens waaruit volgt dat de door de medeverdachte gegeven verklaring onmogelijk of onjuist is anders dan de verklaring van [naam 1] . Daarmee resteert in essentie de verklaring van de medeverdachte tegenover de verklaring van [naam 1] .\n\nGelet op het bovenstaande heeft het Openbaar Ministerie naar oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzoek verricht naar de verklaring van de verdachte. Dat betekent dat niet met voldoende zekerheid kan worden uitgesloten dat het horloge een legale herkomst heeft, waardoor niet kan worden bewezen dat het horloge afkomstig is uit enig misdrijf. Dat betekent dat niet is bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte het ten laste gelegde horloge heeft witgewassen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nFeit 3 (valsheid in geschrift)\n\nTen aanzien van de ten laste gelegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank als volgt. Het verrichte onderzoek heeft niet uitgewezen dat de inhoud van de factuur onjuist is. De door de medeverdachte gegeven uitleg is weliswaar niet bevestigd, maar evenmin voldoende weerlegd. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek, dat hiervoor duidelijkheid had kunnen verschaffen, ontbreekt.\n\nOnder deze omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de factuur vals of vervalst is. De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nFeit 4 (meineed)\n\nTen aanzien van de onder feit 4 ten laste gelegde meineed overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte tijdens de civielrechtelijke procedure omtrent de teruggave van het Rolex-horloge aan de medeverdachte onder ede onjuist heeft verklaard over zijn aanwezigheid bij de aankoop van het horloge.\n\nZoals hiervoor reeds is overwogen, bevat het dossier onvoldoende objectieve aanknopingspunten om de verklaring van de verdachte als onwaar aan te merken. Nu aldus niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard, volgt vrijspraak.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1\n\nMedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor alle feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 11,51 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat drugs ontwrichtend werken in levens van veel mensen en daarmee ontwrichtend zijn voor de samenleving. Ook is veel criminaliteit verbonden aan drugs.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit en volgt verder dat artikel 63 Sr van toepassing is.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 19 januari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die doorgaans bij het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden verdovende middelen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het geval van het voorhanden hebben van de bewezenverklaarde hoeveelheid cocaïne wordt een taakstraf voor de duur van 80 uren als oriëntatiepunt genoemd. Omdat artikel 63 Sr van toepassing is en er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere straf op te leggen.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uren met aftrek van voorarrest passend en geboden.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 2.775,- dat in beslag is genomen verbeurd moet worden verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft gelet op het pleidooi tot vrijspraak bepleit dat het geldbedrag dient te worden teruggeven aan de verdachte.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nOp grond van artikel 33a, eerste lid, onder a, Sr zijn vatbaar voor verbeurdverklaring onder meer voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.Ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard het medeplegen van het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs. Het in beslag genomen geldbedrag van € 2.775,- kan niet door middel van of uit de baten van dit strafbare feit zijn verkregen. Om die reden zal dit geldbedrag worden teruggegeven aan de verdachte.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 24 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n-gelast de teruggave aan de verdachte van een geldbedrag van € 2.775,-.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 3\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 24 tot en met 26\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 69 tot en met 75.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina’s 76 tot en met 80.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 52 tot en met 58.\n\n Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, pagina’s 94 tot en met 96.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 97.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 64 tot en met 69.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8069","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:10.921Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"1227","ECLI:NL:RBROT:2026:8071","ecli-nl-rbrot-2026-8071","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F009948-25\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. N. Hendriksen\n\nOfficier van justitie: mr. W.L. van Prooijen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn\u002Fhaar mededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 kwam container [containernummer] in de haven van Rotterdam aan met het containerschip [naam schip] . De container was geladen met druiven, afkomstig uit Peru en de ontvanger was het bedrijf [naam bedrijf 1] . te Ridderkerk. Na aankomst in de haven van Rotterdam werd de container gecontroleerd door de douane en tijdens deze controle werden er in de achterwand van deze container 70 pakketten (70.05 kilogram) cocaïne aangetroffen. Nadat de verdovende middelen waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal.\n\nTevens bleek dat de container op 20 december 2022 omstreeks 08.03 uur was uitgehaald door chauffeur [verdachte] met gebruikmaking van zijn truck gekentekend [kentekennummer 1] , namens het transportbedrijf [naam bedrijf 2] . De container was na het uithalen vervoerd naar het bedrijf [naam bedrijf 3] . te Hoek van Holland. Uit de gegevens van het douanesysteem AFIS bleek dat de container diezelfde dag ook leeg was ingeleverd om 13.45 uur.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 19 december 2022 werd ik gebeld door de wachtcommandant van Douanekantoor Rotterdam Haven. Hij vertelde mij dat door speurhondengeleiders van Douane Rotterdam Haven, in een container, vermoedelijk verdovende middelen waren aangetroffen.\n\nTer plaatse aangekomen op wees een speurhondengeleider mij een container aan voorzien van een uniek nummer [containernummer]\n\nIk zag dat de lading was gelost. Wij hebben vervolgens een gedeelte van het kopschot verwijderd en zagen daarachter in de luchtkanalen een onbekende hoeveelheid pakketten vermoedelijk verdovende middelen zitten. Vervolgens heb ik de 70 pakketten vermoedelijk verdovende middelen in beslag genomen op grond van de Opiumwet.\n\nBerekening netto gewicht\n\nNetto gewicht van 1 pakket = 7005,5 \u002F 7 = 1000,78 gram\n\nNetto gewicht 70 pakketten = 1000,78 gram x 70 pakketten= 70.05 kilogram\n\nVervolgens maakte ik ter begeleiding van de 7 gripzakjes inhoudende circa 3 gram witte poederachtige substantie een aanvraagformulier ten behoeve van de analyse door Douanelaboratorium. Hierna werden alle gripzakjes aangeboden bij het Douanelaboratorium. D0115954NL, D0115953NL, D0115952NL, D0115951NL, D0115950NL, D0115949NL, D0115948NL.\n\n3. Deskundigenverslag\n\nOp 03-01-2023 ontving ik een verzegelde plastic zak met daarin:\n\nD011954NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011953NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011952NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011951NL) een plastic zakje met wit. korrelig materiaal\n\nD011950NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011949NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nD011948NL) een plastic zakje met wit, korrelig materiaal\n\nHet materiaal werd onderzocht. Hierbij werd vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde SIN-nummers cocaïne bevatte. Deze substantie is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.\n\n4. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 13 juni 2023 werd in het kader van onderzoek 03Farao een doorzoeking gedaan in de woning van verdachte [medeverdachte] . Bij deze doorzoeking werd een Apple iPhone 7 in beslag genomen.\n\nIn dit proces-verbaal worden specifiek twee video's beschreven die zijn aangetroffen in de iPhone 7.\n\nDe twee video's zijn op 11 april 2023 door het telefoonnummer [gsm-nummer 1] met naam \" [naam 1] \" (geïdentificeerd als zijnde [medeverdachte] ) via Signal verstuurd\n\nBeschrijving videodeel 1\n\nIk zie vervolgens dat de vrachtwagen met de container achterwaarts verder het terrein op komt rijden. Ik zie tegelijkertijd linksboven in beeld een man aan komen lopen richting de ingang van de loods (NNman1).\n\nIk zie dat de vrachtwagen dichter naar de ingang van de loods rijdt. Ik zie nu op de container het containernummer [containernummer] en [kenmerk] staan. Ik zie dat de oplegger voorzien is van kenteken [kentekennummer 2] .\n\nIk zie dat de camera weer beweegt naar de achterzijde van de vrachtwagen. Ik zie aan de linkerzijde (bestuurderszijde) van de vrachtwagen een man in beeld komen (NNman2). Omdat hij van de bestuurderszijde van de vrachtwagen aan komt lopen vermoed ik dat hij de chauffeur van vrachtwagen is.\n\nIk zie dat NNman2 verder de loods in loopt. Vervolgens zie ik een andere man (NNman3) in beeld komen. Deze persoon draagt zwarte handschoenen en een zwarte bivakmuts over het hoofd. Ik zie dat NNman2 de man met de bivakmuts (NNman3) een hand geeft.\n\nIk zie dat NNman3 naar de container loopt en de vergrendeling van de container vast pakt. Ik zie dat tegelijkertijd NNman2 een andere persoon met zwarte handschoen en zwarte mouw (NNpersoon4) een boks geeft.\n\nIk zie dat NNman3 de vergrendeling van de container los maakt en de rechterdeur van de container opent.\n\nIk zie dat NNman3 richting de houten kast rechts in de loods loopt. Ik zie op deze kast een opengeklapte zwarte laptop en daarnaast een lichtblauwe weegschaal staan.\n\nIk zie dat NNman2 de container in kijkt. Ik zie vervolgens dat de inhoud van de container nog even gefilmd wordt. Ik zie dat de container geen lading in de laadruimte bevat.\n\nBeschrijving video deel 2\n\nIk zie dat Nnman3 naar de open container loopt. Ik zie dat hij een rood doosje, een schroefboormachine en nog wat gereedschap bij zich heeft en dit in de container zet. Ik zie dat hij via het keukentrapje in de container klimt.\n\nIk zie dat degene die aan het filmen is ook naar de container verplaatst, in de container komt en vervolgens de binnenzijde van de container filmt. Ik zie dat het containernummer [containernummer] , welke ook in de binnenzijde van de container staat, gefilmd wordt.\n\nIk zie dat NNman3 de schroefboormachine tegen de achterwand houdt.\n\nIk zie dat het NNman3 lukt om de schroef uit de achterwand te schroeven. Ik zie hem de schroef op de grond leggen en vervolgens met de schroefboormachine naar een andere schroef in de achterwand van de container gaan. Vervolgens wordt de video beëindigd.\n\nLocatie\n\nDoor mij is de locatie op de [adres 2] in [plaats] bekeken op Google maps \u002F streetview. Ik zag dat de omgeving van deze locatie overeenkwam met het bedrijventerrein wat zichtbaar is op de video. Hieruit maak ik op dat de video's zijn gemaakt in de loods van het bedrijf op de [adres 2] in [plaats] . Deze loods ligt op circa 24 kilometer afstand ten zuiden van de Rotterdamse haven.\n\nVrachtwagen\n\nIn de video wordt de container vervoerd met een vrachtwagen oplegger met het kenteken [kentekennummer 2] . Uit de politiesystemen blijkt dat dit kenteken sinds 01-09-2020 op naam staat van rechtspersoon [naam verhuurbedrijf] De gevolmachtigde van [naam verhuurbedrijf] is [verdachte] ( [geboortedatum] -1965).\n\nDoor mij is de rijbewijsfoto van [verdachte] bekeken. Ik zag hierbij zeer sterke gelijkenissen met NNman2 welke zichtbaar is in de video. Ik zie overeenkomsten in het donkere haar (op de video wordt het haar wat langer gedragen), de oren, wenkbrauwen, neus mond en kin\u002Fonderkin. Op basis van bovenstaande identificeer ik NNman2 als zijnde [verdachte] .\n\nDoor mij is in de iPhone 7 van [medeverdachte] gezocht op de roepnaam \" [naam 2] \" om te onderzoeken of hij mogelijk contact heeft gehad met [verdachte] . Ik zag in de contactenlijst van het toestel twee maal de naam [naam 2] staa:\n\n [naam 3] - [gsm-nummer 2]\n\n [naam 4] - + [gsm-nummer 3]\n\nMij is ambtshalve bekend dat met \"Tp\" transport bedoeld wordt. Dit sluit dus aan bij NNman2 die de chauffeur van de vrachtwagen met container lijkt te zijn. Het telefoonnummer [gsm-nummer 2] komt in de politiesystemen voor en is gekoppeld aan [verdachte] . Ik zag dat er op 10 april 2023 20 24 uur verzonden werden) door [accountnaam 1] ( [medeverdachte] ) het WhatsApp bericht \"Hey maat kan je op onze vriend reageren .!” gestuurd werd naar [accountnaam 2] .\n\n5. Verhoor van de verdachte\n\n0: Zoals reeds eerder in het vorige verhoor werd aangegeven was container [containernummer] beladen met druiven en moest deze in opdracht van [naam bedrijf 1] gelost worden bij [naam bedrijf 3] te Hoek van Holland en na lossing leeg weer ingeleverd worden op de Maasvlakte. U bent echter met deze lege container naar een loods gelegen aan de [adres 2] te [plaats] gereden.\n\n0: Wij tonen de verdachte drie snapshots uit de getoonde filmpjes en hebben deze snapshots genummerd en als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. 2408201255.D01, D02 en D03.\n\nV: Bent u dat op dat beeld?\n\nA: Ja dat ben ik.\n\nV: Waar kent u deze personen van?\n\nA: Ik heb ze in de loods gezien.\n\nV: Waarom moest de persoon met de bivakmuts de container openen, de container in klimmen en boren\u002Fschroeven in de achterwand van deze container?\n\nV: Vond je dat niet vreemd?\n\nA: Tuurlijk is dat vreemd, maar er zat niks achter die wand, ik heb gezien dat de achterwand werd los gemaakt.\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nStandpunt verdediging\n\nHet kan niet worden bewezen dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin, op het plegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Met de verklaring van de verdachte bij de politie dient behoedzaam te worden omgegaan, omdat hem is gevraagd naar gebeurtenissen eind 2023 terwijl de zaak zich afspeelde eind 2022.\n\nVaststaande feiten\n\nOp 19 december 2022 is een container met containernummer [containernummer] (hierna: de container) in de haven van Rotterdam binnengekomen die afkomstig was uit Peru. De container is gecontroleerd en na het losschroeven van de achterwand werden 70 pakketten aangetroffen. Uit onderzoek door het NFI is gebleken dat deze pakketten in totaal 70,05 kilogram cocaïne bevatten. Nadat de pakketten waren verwijderd, werd de container weer teruggeplaatst op de ECT Delta Terminal. De verdachte heeft de container vervolgens op 20 december 2022 opgehaald met behulp van zijn vrachtwagen. In een in een ander strafrechtelijk onderzoek in beslag genomen video is de truck met de container te zien terwijl deze een loods in [plaats] binnenrijdt. Ook de verdachte komt in beeld terwijl hij een hand geeft aan een persoon die een bivakmuts draagt. Deze persoon schroeft vervolgens de achterwand van de container los. Verder bevindt het telefoonnummer van de verdachte zich in de telefoon van diegene bij wie de video is aangetroffen.\n\nVerklaring verdachte\n\nDe verdachte heeft tijdens zijn politieverhoren verklaard dat hij inderdaad in de loods aanwezig is geweest, dat hij de container heeft vervoerd en naar de loods heeft gebracht, dat hij te zien is op de video, dat hij het wel vreemd vond dat in de loods door iemand met een bivakmuts over zijn gezicht de achterwand van de container werd opengeschroefd, maar dat hij dit alles onder bedreiging had gedaan. Ter terechtzitting heeft hij zijn verklaring deels gewijzigd in die zin dat hij niet onder bedreiging met de container naar de loods was gegaan en dat er niets uit de container zou worden gehaald maar dat hij de container daar in het kader van zijn reguliere werkzaamheden moest laten controleren. Hij heeft aangevoerd dat hem tijdens de verhoren ten onrechte het jaartal 2023 is voorgehouden, waardoor hij dacht dat de vragen betrekking hadden op een incident uit 2023. Daardoor zou hij gebeurtenissen met elkaar hebben verward.\n\nDe rechtbank acht deze verklaring op de terechtzitting niet geloofwaardig. Indien de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde dat hem vragen werden gesteld over een andere gebeurtenis, had het op zijn weg gelegen dit reeds tijdens zijn tweede verhoor, dat ongeveer twee weken na het eerste verhoor plaatsvond, naar voren te brengen. Dat heeft hij niet gedaan. Daarbij betrekt de rechtbank tevens dat de verdachte heeft verklaard slechts eenmaal in [plaats] te zijn geweest en slechts eenmaal te zijn benaderd. Dat maakt zijn beroep op een vergissing ten aanzien van de gebeurtenissen des te minder geloofwaardig.\n\nDe rechtbank gaat daarom uit van de verklaring van de verdachte bij de politie, met dien verstande dat niet is gebleken van enige dwang of dreiging jegens de verdachte zoals de verdachte in eerste instantie heeft gesteld. De video toont dat de verdachte zich direct na aankomst in de loods begeeft naar de aanwezige personen, hun begroet door ze een hand dan wel een boks te geven en vervolgens aanwezig blijft terwijl de achterwand van de container wordt losgeschroefd. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar met de aanvankelijke stelling van de verdachte dat er sprake was van dwang of dreiging.\n\nTer zitting heeft de verdachte gezegd dat hij niet wist dat zich verdovende middelen in de vrachtwagen bevonden. Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig. Alleen al niet omdat degene die in het bijzijn van de verdachte in de container de achterwand openschroefde een bivakmuts droeg, hetgeen duidt op illegale activiteiten. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat het een feit van algemene bekendheid is dat personen die betrokken zijn bij het vervoer van een zeer waardevolle illegale lading, zoals een grote hoeveelheid cocaïne, het transport daarvan in de regel niet overlaten aan een willekeurige of onwetende derde.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap had van het criminele karakter van het transport en nauw en bewust heeft meegewerkt aan het vervoer van de container naar een andere locatie dan het officiële afleveradres met als doel daar cocaïne uit te halen. Door als chauffeur het transport naar de loods in [plaats] te verzorgen, heeft hij een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan de voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne.\n\nDe rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op of omstreeks 20 december 2022 te Rotterdam (Maasvlakte)\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nom een feit, bedoeld in het vierde ofvijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buitenhet grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof\n\n- het opzettelijk vervaardigen\n\nvan 70,05 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid enmiddelenen\u002Fof inlichtingentot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen,eenvervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelenvoorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fofzijn\u002Fhaarmededaders, wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoedendatzijhetbestemdwarenwastot het plegen van dat feit, door\n\n-de container van het haventerrein op te halen en\u002Fof\n\n-zich te begeven naar een loods te [plaats] en\u002Fof\n\n-in voornoemde loods de container heeft laten openen en\u002Fof betreden en\u002Fof\n\ndoorzoeken, teneinde\n\nde achterwand van de container te verwijderen om de aanwezigheid van de cocaïne te controleren en\u002Fof die cocaïne uit die zeecontainer te (laten) verwijderen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en een vervoermiddel voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het bestemd is tot het plegen van dat feit\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van 3 jaren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte is als chauffeur betrokken geweest bij voorbereidingshandelingen met betrekking tot cocaïne. Hij heeft een container opgehaald en naar een andere locatie gebracht voordat hij de container bij het officiële afleveradres afleverde, zodat op de tussenlocatie de cocaïne uit de container kon worden gehaald. Het is\n\nalgemeen bekend dat (hard)drugs schadelijk zijn en daarmee een ernstige bedreiging\n\nvormen voor de volksgezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit waarmee de maatschappij te maken heeft, direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft bij het plegen\n\nvan de feiten kennelijk alleen oog gehad voor zichzelf en zich laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder zich te bekommeren om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de\n\nnadelige gevolgen van de mogelijk daarmee gepaard gaande criminaliteit.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Verder volgt uit het strafblad van de verdachte dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nGelet op het voorgaande wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 10a van de Opiumwet.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 6 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 28 tot en met 29.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 36 tot en met 42.\n\n Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut met kenmerk [kenmerknummer] , pagina 53.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 1 tot en met 27.\n\n Proces-verbaal verhoor verdachte op 13 september 2024, pagina’s 68 tot en met 72.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8071","2026-07-13T00:29:11.058Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":47},"1820","ECLI:NL:RBROT:2026:7841","ecli-nl-rbrot-2026-7841","2026-06-26T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-140095-21\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. A.W.J. van der Meer\n\nOfficier van justitie: mr. R.S. Dhoen\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich in de periode van 7 maart 2020 tot en met 4 februari 2021 samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van en handel in cocaïne. De verdachte was werkzaam bij [bedrijf] en had daardoor de beschikking over loslijsten, containernummers en informatie over douanecontroles. Deze informatie heeft hij gedeeld met zijn mededaders. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke corruptie en het overnemen van niet-openbare gegevens. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn, wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 240 uren en een geldboete van € 10.000,-.1. Tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging houdt in dat de verdachte\n\n1.\n\nin of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,\n\n- het opzettelijk afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,\n\ndoor\n\n- met één of meer mededader(s) contacten te onderhouden en\u002Fof informatie uit te wisselen en\u002Fof afspraken te maken over het afleveren en\u002Fof uithalen en\u002Fof verstrekken en\u002Fof vervoeren van de cocaïne, en\u002Fof\n\n- aan zijn mededader(s) informatie te verschaffen met betrekking tot douanecontroles, en\u002Fof\n\n- aan zijn mededader(s) foto’s te verstrekken van loslijsten en containernummers;\n\n2.\n\nop één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland\n\nanders dan als ambtenaar, te weten als planner en dispatcher, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten,\n\n(meermalen, althans éénmaal) een gift, belofte en\u002Fof dienst, te weten geld, heeft aangenomen en\u002Fof heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en\u002Fof vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;\n\n3.\n\nop één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 7 maart 2023 te Rotterdam, althans in Nederland\n\nmeermalen, althans éénmaal, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens, te weten informatie met betrekking tot één of meer containerschepen en\u002Fof containers en\u002Fof douanecontroles, die waren opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk (te weten het computersysteem van [bedrijf] ), voor zichzelf en\u002Fof voor een ander heeft overgenomen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat alle feiten bewezen worden verklaard.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nTen aanzien van feit 1 dient de verdachte te worden vrijgesproken van wat is tenlastegelegd onder de eerste, tweede, derde en vijfde gedachtestreepjes. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 is er onvoldoende bewijs dat er daadwerkelijk giften zijn aangenomen en moet vrijspraak volgen.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering\n\nDe bewezenverklaring staat hieronder en is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen en de nadere bewijsmotivering. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. \n\nNadere bewijsmotivering\n\nIdentificatie verdachte\n\nOp grond van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van de Sky ECC accounts met gebruikersnamen [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] . De verdachte heeft via deze accounts informatie verschaft over douanecontroles, loslijsten en containernummers aan zijn medeverdachten. Hiertoe heeft de verdachte foto’s verstuurd van gegevens en systemen van zijn toenmalige werkgever [bedrijf] .\n\nRol verdachte\n\nVoorts blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende over de rol van de verdachte. Op basis van de door de verdachte verstrekte informatie met betrekking tot douanecontroles, loslijsten en containernummers werd onder meer besloten of cocaïne zou worden meegestuurd (geshoot) met een reguliere lading. Daarnaast kon de verdachte de blokkade van containers eraf halen als deze op ‘rood’ binnenkwamen, dat wil zeggen voor controle in aanmerking kwamen. Ook kon de verdachte van binnenuit de poort voor de uitsluis van het haventerrein openen. De verdachte heeft hierover gecommuniceerd met de medeverdachten.\n\nFinanciële beloning\n\nAnders dan de verdachte heeft verklaard, volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte geld heeft ontvangen of heeft gevraagd aan de medeverdachten voor de diensten die hij heeft verleend of zou verlenen. Zo stuurde de verdachte onder meer de berichten ‘Ik moet even met mijn maat praten hierover. En kijken hoe het met geld zit, als het de moeite waard is om potentieel ontslagen te worden’, ‘Ik doe mijn best. Maar als iedereen blijft pushen om dingen, bro ik heb nog geen euro gezien hé’, ‘Zit ik zonder baan. Omdat je ff 1x doekoe wou pakken. dat is toch niet slim man. Kunnen we straks jaren knallen’, en ‘Je weet zelf dat je overdrijft he, niemand wilt geen shit met jou doen omdat je altijd slecht betaald heb, wie is de enige die nog kwam checken bij je of je nog kon shooten? Precies ik ben dat’. Gelet hierop constateert de rechtbank dat vaststaat dat er een financiële vergoeding tegenover het verschaffen van de informatie stond of zou staan. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat tegenover het leveren van dergelijke (criminele) diensten door havenmedewerkers (hoge) vergoedingen staan.2.3.3.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat de verdachte:\n\nFeit 1\n\nin de periode van 7 maart2020 tot en met21 februari 2021in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met anderen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,\n\n- het opzettelijk afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\ndoor\n\n- met één of meer mededaders contacten te onderhouden en\u002Fof informatie uit te wisselen en\u002Fof afspraken te maken over het afleveren en\u002Fof uithalen en\u002Fof verstrekken en\u002Fof vervoeren van de cocaïne, en\n\n- aan zijn mededaders informatie te verschaffen met betrekking tot douanecontroles, en\n\n- aan zijn mededaders foto’s te verstrekken van loslijsten en containernummers;\n\nFeit 2\n\nop tijdstippen in de periode van 7 maart2020 tot en met21 februari 2021in Nederland, anders dan als ambtenaar, te weten als planner en dispatcher, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij [bedrijf] , naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, meermalen een gift, te weten geld, heeft aangenomen en\u002Fof heeft gevraagd, terwijl hij verdachte dit aannemen en\u002Fof vragen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;\n\nFeit 3\n\nop tijdstippen in de periode van 7 maart2020 tot en met21 februari 2021te Rotterdam, meermalen, telkens opzettelijk en wederrechtelijk, niet-openbare gegevens, te weten informatie met betrekking tot één of meer containerschepen en\u002Fof containers en\u002Fof douanecontroles, die waren opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk (te weten het computersysteem van [bedrijf] , voor zichzelf en\u002Fof voor een ander heeft overgenomen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nFeit 2\n\nanders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking heeft gedaan\u002Fnagelaten, dan wel zal doen of nalaten, een gift aannemen dan wel vragen, bestaande het handelen in strijd met zijn plicht uit het in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever van het aannemen dan wel vragen van een gift, meermalen gepleegd;\n\nFeit 3\n\nopzettelijk en wederrechtelijk niet-openbare gegevens die zijn opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk, voor zichzelf of voor een ander overnemen, meermalen gepleegd.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nHet onderzoek aan de telefoon van de verdachte en de daarin opgeslagen gegevens is onrechtmatig , nu deze onderzoeken niet zijn getoetst door een rechterlijke instantie. De verdediging verwijst hierbij naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 in de zaak CG\u002FBezirkhauptmannschaft Landeck (hierna te noemen: de Landeck-uitspraak). Er is een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Ter compensatie van de zwaarte van de inbreuk dient een matiging van de op te leggen straf te volgen.\n\nBij een bewezenverklaring is het opleggen van een taakstraf de meest passende strafmodaliteit. Het bij de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag zou kunnen worden gebruikt voor het voldoen van een geldboete.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in de periode van 7 maart 2020 tot en met 4 februari 2021 samen met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van en handel in cocaïne. De verdachte was werkzaam bij [bedrijf] en had daardoor de beschikking over loslijsten, containernummers en informatie over douanecontroles. Deze informatie heeft hij gedeeld met zijn mededaders. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan niet-ambtelijke corruptie en het overnemen van niet-openbare gegevens. Voor het ter beschikking stellen van de gegevens heeft de verdachte gelden ontvangen en\u002F of gevraagd.\n\nMet zijn handelen was de verdachte een belangrijke schakel in de invoer van harddrugs via de Rotterdamse haven. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. Dit vergroot de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte, door informatie te delen, het vertrouwen van zijn werkgever ernstig geschaad. Omkoping heeft een ondermijnend en corrumperend karakter ten opzichte van de samenleving en een negatieve invloed op het (internationale) handelsverkeer en de integriteit hiervan. De verdachte lijkt uitsluitend gedreven te zijn geweest door eigen gewin.\n\n4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 15 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 11 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe verdachte kan zelf geen duidelijk motief geven voor zijn handelen. Dit gebrek aan inzicht kan een risico zijn. De reclassering ziet verder dat er geen financiële noodzaak was voor het plegen van het delict. Dit wekt het vermoeden dat de verdachte mogelijk puur uit winstbejag heeft gehandeld.\n\nAnderzijds ziet de reclassering ook voldoende beschermende factoren. De verdachte is op 7 maart 2023 aangehouden en diezelfde dag weer op vrije voeten gesteld. [bedrijf] heeft hem ontslagen maar hij is sinds september 2023 elders werkzaam en heeft een inkomen uit arbeid en een vast contract. Daarnaast heeft hij geen problematische schulden, een koopwoning, goede partnerrelatie en de zorg voor twee nog jonge kinderen. Ook is er sprake van een positief ondersteunend familienetwerk. Er zijn ook geen aanwijzingen van verslavingsproblematiek of psychische dan wel psychiatrische problematiek.\n\nGelet op het bovenstaande en omdat de verdachte de druk van justitie als zwaar ervaart, en hij beseft dat hij veel te verliezen heeft, hij de risicovolle werkomgeving heeft verlaten en hij geen contact meer heeft met mensen uit het criminele netwerk, wordt het risico op recidive ingeschat als laag.\n\nBij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen meerwaarde in het adviseren van een reclasseringstoezicht met gedragsinterventies. Na het plegen van het onderhavig delict is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met justitie. Daarnaast zijn er voldoende stabiele factoren aanwezig en heeft de verdachte geen hulpvraag voor de reclassering.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 7 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 3 jaar, 3 maanden en 20 dagen verstreken.\n\nOmdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn van berechting in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat die redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nHet onderzoek aan de telefoon van verdachte\n\nIn het opsporingsonderzoek is de telefoon van de verdachte in beslag genomen op 7 maart 2023. Deze telefoon is met toestemming van de officier van justitie uitgelezen en de verkregen gegevens zijn onderzocht. Daaruit is voor de verdachte vrij veel belastend bewijsmateriaal naar voren gekomen.\n\nDe Landeck-uitspraak ziet op het onderzoek aan gegevensdragers en de inbreuk die zo’n onderzoek oplevert op de grondrechten die door artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgd worden. Daaruit volgt dat toestemming van een officier van justitie niet volstaat: een rechter of een onafhankelijke bestuurlijke autoriteit moet een voorafgaande toetsing doen en een machtiging afgeven zodra sprake is van meer dan een beperkt onderzoek aan de gegevensdrager. De Hoge Raad is vervolgens ingegaan op de betekenis van deze uitspraak voor de Nederlandse opsporingspraktijk met het arrest van 18 maart 2025, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2025:409. De Hoge Raad heeft in dit arrest eerdere rechtspraak bijgesteld.\n\nGelet op deze jurisprudentie stelt de rechtbank vast dat in de onderhavige zaak sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De officier van justitie had (achteraf bezien) de rechter-commissaris om een toetsing moeten vragen en zijn of haar machtiging moeten hebben voor het onderzoek aan de telefoon van de verdachte. Die rechterlijke toestemming is er niet , terwijl het onderzoek aan de telefoon van de verdachte meer dan beperkt was. Dat kan niet achteraf worden gecorrigeerd. Uit de Nederlandse uitspraken naar aanleiding van de Landeck-uitspraak volgt echter dat het enkele gegeven dat de privacy zonder voorafgaande rechterlijke toets is geschonden niet zonder meer moet leiden tot bewijsuitsluiting of matiging van de op te leggen straf. Er zijn in deze zaak geen bijzondere omstandigheden die maken dat in dit geval anders moet worden geoordeeld. Daarom zal worden volstaan met het enkele constateren van het vormverzuim.4.3.5.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten zou een gevangenisstraf passend zijn. De rechtbank acht dit echter in dit geval niet op zijn plaats gelet op de volgende omstandigheden. De feiten zijn ongeveer 5 à 6 jaar geleden gepleegd. Sindsdien is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met justitie. De verdachte heeft tijdens de zitting de verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en daarover openheid van zaken gegeven. De rechtbank houdt ook rekening met het aandeel van de verdachte bij de strafbare feiten. Hoewel de rol van de verdachte in het geheel belangrijk was, lijkt de bijdrage van de verdachte in omvang vrij beperkt. Verder heeft de verdachte ook persoonlijk de consequenties van zijn handelen ervaren. Hij is zijn baan en bijbehorend sociaal netwerk verloren en heeft zijn leven in de afgelopen jaren opnieuw moeten opbouwen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met name vanuit winstbejag heeft gehandeld. De rechtbank acht het daarom passend en geboden dat hij financieel de gevolgen van zijn handelen draagt en legt, naast de hierna te noemen verbeurd verklaring van het geldbedrag van € 6.255,-, een geldboete op van € 10.000,-. Daarnaast wordt een taakstraf opgelegd van 240 uur.5. In beslag genomen voorwerpen (verbeurdverklaring)5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe in beslag genomen iPhone en het contante geldbedrag van € 6.255,-, moet worden verbeurd verklaard.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe iPhone kan worden verbeurdverklaard. Het inbeslaggenomen geldbedrag zou kunnen worden gebruikt voor het voldoen van een geldboete.5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nAls bijkomende straf voor de feiten 1, 2 en 3 worden de in beslag genomen iPhone (met goednummer [goednummer 1] ) en een contant geldbedrag van € 6.255,- (met goednummer [goednummer 2] ) verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte.\n\nDe iPhone en het geldbedrag van € 6.255,- zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.\n\nDe iPhone en het geldbedrag van € 6.255,- behoren aan de verdachte toe.\n\nAangenomen wordt dat het geldbedrag van € 6.255,- uit de baten van de strafbare feiten is verkregen.\n\nDe strafbare feiten zijn met behulp van de iPhone gepleegd.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 23, 24c, 33, 33a, 47, 57, 60, 138c en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 236 uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 118 dagen;\n\nGeldboete\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 10.000,-;\n\nbeveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van75 dagen;\n\nVerbeurdverklaring\n\nverklaart verbeurd voor de feiten 1, 2 en 3 de in beslag genomen:\n\n- grijze iPhone (met goednummer [goednummer 1] ); en\n\n- contant geldbedrag van € 6.255,- (met goednummer [goednummer 2] ).\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. L. Feraaune, voorzitter,\n\nen mrs. M.K. Asscheman-Versluis en H. Wielhouwer, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nMrs. L. Feraaune en H. Wielhouwer zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7841","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.358Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":52,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":55},"1228","ECLI:NL:RBROT:2026:8070","ecli-nl-rbrot-2026-8070","2026-06-23T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nDatum uitspraak: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. A.H.J. Strak\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft een woninginbraak gepleegd en 5,1 gram cocaïne vervoerd. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor deze feiten tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 12 dagen. Daarnaast wordt aan de verdachte een taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks 8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een of meerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fof een fietssleutel, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fof die weg te nemen goederen onder zijn\u002Fhun bereik heeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbreking en\u002Fof inklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks 11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor beide feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het ten laste gelegde vervoer van de cocaïne. Voor het overige heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte beide feiten heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.2.3.2.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\nhij op of omstreeks8 april 2022 te Krimpen aan den IJssel,\n\ntezamen en in vereniging met een of meeranderen,althans alleen\n\nin een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] te Krimpen aan den IJssel, alwaar verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),\n\neen hoeveelheid contant geld, een ofmeerdere waardebonnen, een autosleutel en\u002Fofeen fietssleutel,in elk geval enig goed, diegeheel of ten deleaan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s)toebehoorde(n)\n\nheeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,\n\nterwijl verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)zich de toegang tot de plaats van het misdrijfheeft\u002Fhebben verschaft en\u002Fofdie weg te nemen goederen onderzijn\u002Fhun bereikheeft\u002Fhebben gebracht door middel van braak, verbrekingen\u002Fofinklimming.\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nhij op of omstreeks11 september 2021 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fofvervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\nongeveer 7,01 gram, in elk gevaleen hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F089597-22\n\ndiefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;\n\nParketnummer 10\u002F243807-21\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straffen4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht geen gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen van een langere duur dan de tijd die hij al heeft doorgebracht in voorarrest en daarnaast eventueel een taakstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak. Dit is een ernstig feit. Het moet heel beangstigend zijn geweest voor de bewoner om te ontdekken dat vreemden zijn woning zijn binnengedrongen en daar goederen hebben gestolen. Daarnaast veroorzaken dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van harddrugs. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen zoals cocaïne grote risico’s voor de gezondheid oplevert. De verspreiding van en handel in drugs gaan bovendien gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en geweld. Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een poging tot woninginbraak en voor overtreding van de Opiumwet. Daarnaast houdt de rechtbank er in het voordeel van de verdachte rekening mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van de Reclassering Nederland staat het volgende.\n\nDe verdachte heeft niet mee willen werken aan het opstellen van het reclasseringsadvies en daardoor is er weinig zicht op de criminogene factoren van de verdachte. Uit dossieronderzoek en de politieverklaring van de verdachte komt naar voren dat bij de verdachte mogelijk sprake is van problemen op het gebied van financiën, het ontbreken van een zinvolle dagbesteding en een negatief sociaal netwerk. Bovendien zijn er ook signalen van middelengebruik. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen aan de verdachte, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 gestart op 9 april 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. In de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 is de redelijke termijn gestart op 12 september 2021, omdat de verdachte toen als verdachte is gehoord. Tot aan de datum van dit vonnis is in beide zaken een periode van ruim 4 jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaken twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank zal hier rekening mee houden bij de strafoplegging.4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nBij het bepalen van de strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in\n\nvergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het\n\nbepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Alles afwegend vindt de rechtbank, net als de officier van justitie, een combinatie van een taakstraf en een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.\n\nAan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf van 12 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 uur.\n\n5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F243807-21 verbeurd moet worden verklaard en dat de voorwerpen die in de zaak met parketnummer 10\u002F089597-22 in beslag zijn genomen, moeten worden teruggeven aan de rechthebbende.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nVerbeurdverklaring\n\nAls bijkomende straf voor het onder parketnummer 10\u002F243807-21 ten laste gelegde wordt het in beslag genomen geldbedrag van € 420,- verbeurdverklaard, omdat dit geldbedrag door middel van het strafbare feit is verkregen.5.3.2.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer] . Deze voorwerpen zijn in beslag genomen onder parketnummer 10\u002F089597-22.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen en maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F089597-22 en 10\u002F243807-21, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen en maatregel\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- verklaart € 420,-verbeurd voor het feit onder parketnummer 10\u002F243807-21;\n\n- beveelt de teruggave van € 27,20,-, 2 STK Waardebon, 1 STK Munt, 1 STK Foto en 1 STK Manchetknoop aan de rechthebbende.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8070","2026-07-13T00:29:11.097Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":60,"fullText":61,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":30,"updatedAt":63},"1505","ECLI:NL:RBROT:2026:7032","ecli-nl-rbrot-2026-7032","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4414\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. Z. Badrane),\n\nen\n\nde burgemeester van Goeree-Overflakkee\n\n(gemachtigde: mr. R. van Achteren).\n\nSamenvatting\n\nDe burgemeester wil verzoekers woning sluiten vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs, versnijdingsmiddel, drugsgerelateerde spullen en een groot geldbedrag. Ook heeft de politie meldingen ontvangen over de handel in drugs vanuit verzoekers woning. Verzoeker heeft in het verleden al een last onder dwangsom opgelegd gekregen omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid harddrugs in zijn auto had. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Verder zijn de gevolgen van de sluiting niet onevenwichtig. Verzoeker woont in een koopwoning, waardoor hij na de sluiting in beginsel zal kunnen terugkeren naar de woning. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 7 mei 2026 heeft de burgemeester verzoekers woning gesloten voor zes maanden vanwege een overtreding van de Opiumwet.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat is er gebeurd?\n\n4. Verzoeker woont op het adres [adres]. Hij is ook de eigenaar van deze woning.\n\n5. De politie heeft medio maart 2026 twee meldingen ontvangen dat verzoeker (mogelijk) zou dealen. De politie heeft op 20 maart 2026 gepost, waarbij is gezien dat verzoeker met een schoudertas naar een bepaald adres gaat. De politie heeft met een machtiging verzoekers woning geforceerd en bij het binnentreden zagen ze een ponypack met opdruk. Verzoeker is vervolgens door de politie vanaf het andere adres meegenomen naar zijn woning. De politie heeft de volgende zaken in verzoekers woning aangetroffen: 39,1 gram cocaïne (waarvan 24,4 gram verpakt in 16 ponypacks; 15 van de ponypacks zijn aangetroffen in eerdergenoemde schoudertas), 4,4 gram hennep, 224,7 gram inositol (versnijdingsmiddel), een grammenweegschaal, een kom en vijzel, en een pak met ponypack vouwblaadjes. Verder zat er € 550,- aan briefgeld in de schoudertas en had verzoeker € 2.720,- aan contant geld in zijn broekzak. Dit blijkt uit een bestuurlijke rapportage van 23 maart 2026.\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester besloten om verzoekers woning te sluiten voor zes maanden. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij in zijn woning mag blijven wonen totdat er beslist is op zijn bezwaarschrift. De burgemeester heeft toegezegd dat de woning open blijft tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek af\n\n7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nIs er een spoedeisend belang?\n\n8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.\n\n9. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, heeft verzoeker immers de komende zes maanden geen toegang tot zijn woning.\n\nBeoordelingskader\n\n10. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen harddrugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.\n\n11. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Goeree-Overflakkee tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidsregel Damoclesbeleid gemeente Goeree-Overflakkee 2019. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning. Volgens dit beleid wordt een woning voor zes maanden gesloten als er een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen.\n\nBevoegdheid, geschiktheid en noodzaak\n\n12. De politie heeft in verzoekers woning in ieder geval 14,7 gram harddrugs aangetroffen. Dit is een handelshoeveelheid. Daarnaast had verzoeker nog 15 ponypacks met harddrugs bij zich in zijn schoudertas. Dat de harddrugs voor eigen gebruik was, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat verzoeker heeft gehandeld in harddrugs in of vanuit zijn woning. Er is een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen (er was geen sprake van een geringe overschrijding van de handelshoeveelheid), de drugs waren verpakt in meerdere ponypacks, er zijn drugsgerelateerde spullen aangetroffen (versnijdingsmiddel, grammenweegschaal, een kom, een vijzel en een pak met ponypacks) en er zijn twee meldingen over de handel in drugs door verzoeker vanuit zijn woning. Daarnaast was verzoeker in het bezit van een groot geldbedrag. Verzoeker zou dit geld hebben gekregen van zijn ouders (als bijdrage in de vaste lasten), door de verkoop van zijn auto aan zijn moeder en door de verkoop van enkele persoonlijke (luxe) goederen, maar verzoeker heeft dit niet met verifieerbare bewijsstukken onderbouwd. Dit alles maakt dat de burgemeester in beginsel bevoegd was om de woning te sluiten.\n\n13. Voor de voorzieningenrechter staat verder buiten kijf dat het voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat beter zou zijn als verzoekers woning voor langere tijd zou worden gesloten; sluiting van de woning is met andere woorden een geschikt middel om dat doel te bereiken. De voorzieningenrechter ziet bovendien niet in dat in dit geval dat doel zonder meer met een minder ingrijpend middel, zoals een waarschuwing of een last onder dwangsom, zou kunnen worden bereikt. De burgemeester heeft in 2023 al een last onder dwangsom aan verzoeker opgelegd, omdat hij ’s nachts een handelshoeveelheid cocaïne bij zich had in de auto (21 ponypacks) en € 800,-. De voorzieningenrechter vindt dat de burgemeester nu een zwaardere maatregel mocht opleggen. Het betreft bovendien een ernstig geval, waarbij de sluiting er onder meer op is gericht om de bekendheid van de woning in het criminele circuit te doorbreken, herhaling te voorkomen en de loop op de woning eruit te halen om zo het woon- en leefklimaat in de wijk te herstellen. Sluiting van de woning kan dus noodzakelijk worden geacht.\n\nEvenwichtigheid\n\n14. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor verzoeker nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken.\n\n15. Verzoeker voert aan dat de sluiting van zijn woning niet evenwichtig is. Hij zal door de sluiting dakloos worden. Hij kampt met een drugsverslaving en zal door dakloosheid in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Verzoeker heeft na de inval in zijn woning gelijk hulp gezocht en is al enige tijd clean. Hij is sinds kort gaan werken in het bedrijf van zijn broer. Volgens verzoeker zou een woningsluiting deze positieve verandering doorkruisen.\n\n16. De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. Verzoeker kan een verwijt worden gemaakt van de aangetroffen harddrugs in zijn woning. Daarnaast heeft verzoeker een koopwoning, waardoor hij – anders dan mensen die een sociale huurwoning huren – na de sluiting in beginsel niet geconfronteerd zal worden met verdergaande maatregelen waardoor hij zijn woning definitief dreigt te verliezen. Op dit moment in ieder geval niet gebleken dat de sluiting gevolgen heeft voor de hypotheek. Gelet op de grote hoeveelheid harddrugs heeft de burgemeester de belangen bij sluiting van de woning zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoeker bij het voortgezet gebruik van de woning.\n\n17. De sluiting van de woning is een inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en daarom bij de wet voorzien. De sluiting dient daarnaast een legitiem doel, namelijk het herstel van de openbare orde. Zoals onder 11 al is geoordeeld, mocht de burgemeester de sluiting van de woning noodzakelijk achten en heeft hij niet hoeven volstaan met een lichtere maatregel. De sluiting van de woning is daarom ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester verzoekers woning mag sluiten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak\n\nte tekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7032","2026-07-13T00:29:24.398Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":69,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":70,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":71},"1841","ECLI:NL:RBROT:2026:7845","ecli-nl-rbrot-2026-7845","2026-05-20T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F750545-20\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nDatum zitting: 6 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. K. Blonk\n\nOfficier van justitie: mr. E.M. ter Braak\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze verdovende middelen. Daarnaast heeft hij een vlindermes voorhanden gehad. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 174 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van (medeplegen van) het voorhanden hebben van een vuurwapen en kogelpatronen en het voorhanden hebben van een vlindermes.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam,\n\nalthans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en\u002Fof 134,0 gram Mannitol en\u002Fof 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en\u002Fof\n\n- een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een vacuurmachine en\u002Fof een weegschaal en\u002Fof een\u002Fof meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n4.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam (in een pand aan [adres 2] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\neen wapen als bedoeld in art. 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, te weten een Zastava (type M57) voorhanden heeft gehad\n\nen\u002Fof\n\n9 kogelpatronen (van het merk GFL, type 7.62 Mm), als in art. 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie;\n\n5.\n\nhij op of omstreeks 12 maart 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 3] ),\n\ntezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 610,6 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en\u002Fof\n\n- ongeveer 5,6 gram cannabis, in elke geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cannabis, zijnde cannabis een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;.\n\n6.\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 december 2020 tot en met 12 maart 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 918 gram Paracetamol en\u002Fof cafeïne, voorhanden gehad,\n\nen\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een\u002Fof meer plastic zak(ken) voorhanden gehad;\n\n7.\n\nhij op of omstreeks 29 mei 2021 in [woonplaats] , (in de woning aan [adres 1] ),\n\ntezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk voorhanden heeft gehad een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vlindermes;\n\n8.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\n2. Procesafspraken\n\nTotstandkoming van de procesafspraken\n\nDe verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 4 februari 2025 is ondertekend door de officier van justitie en op 16 februari 2025 is ondertekend door de verdachte en zijn raadsvrouw. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.\n\nInhoud van de procesafspraken\n\nVoor zover van belang en zakelijk weergegeven houden de procesafspraken het volgende in:\n\nDe verdachte:\n\ntrekt eventuele ingediende onderzoekswensen in en dient geen nieuwe onderzoekswensen in\n\nvoert geen bewijsverweren;\n\nhoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;\n\nzal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;\n\nDe officier van justitie:\n\nzal vrijspraak vorderen voor de feiten 4, 5, 6 en 8;\n\nzal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten de feiten 1, 2 en 7;\n\nzal een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 174 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 60 uur eisen. Uiteraard min de aftrek van de 96 dagen voorarrest.\n\nBeide partijen:\n\n- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.3. Bewijs \u002F Vrijspraak3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 7 en wordt vrijgesproken van de feiten 4, 5, 6 en 8.\n\nDe verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.3.2.. Oordeel van de rechtbank3.2.1.. \n\nVrijspraak feiten 4, 5, 6 en 8\n\nDe beschuldiging, zoals onder 4, 5, 6 en 8 ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.3.2.2.. \n\nBewezenverklaring feiten 1, 2 en 7 en bewijsmiddelen\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het onder 1, 2 en 7 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten (grotendeels) zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.\n\nOver feit 7 (het voorhanden hebben van een vlindermes) overweegt de rechtbank het volgende. Een proces-verbaal, waarin is aangegeven dat het in de woning van de verdachte in beslag genomen vlindermes een vlindermes is in de zin van de Wet wapens en munitie ontbreekt. De officier van justitie heeft bij requisitoir opgemerkt dat een zodanig proces-verbaal niet is opgemaakt.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat op 29 mei 2021 tijdens de doorzoeking in verdachtes woning aan [adres 1] te [woonplaats] een “vlindermes” in beslag is genomen. Een vlindermes is een wapen dat met zoveel woorden is genoemd in artikel 2 lid 1, categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie. De verbalisant die het voorwerp in beslag heeft genomen ter onttrekking aan het verkeer heeft het een vlindermes genoemden ter zitting is niet door verdachte betwist dat het voorwerp een vlindermes in de zin van de Wet wapens en munitie was. De rechtbank acht de omschrijving “vlindermes” voldoende duidelijk om vast te stellen dat het gaat om het desbetreffende wapen genoemd in de Wet wapens en munitie.\n\nBewezen is dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad - 1.390 gram cocaïne en - 183,8 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s): - de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en beschikbaar gesteld (gekregen) en - versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en 134,0 gram Mannitol, voorhanden gehad, en - bundels geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en - een drukpers en een vacumeermachine en een weegschaal en\u002Fof een of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n7.\n\nhij op 29 mei 2021 in [woonplaats] , (in de woning aan [adres 1] ), opzettelijk voorhanden heeft gehad een wapen van categorie I, onder 1° van de Wet wapens en munitie,\n\nte weten een vlindermes.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nFeit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nFeit 7:\n\nhandelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straffen5.1.. \n\nBeoordeling van de procesafspraken\n\nTijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.5.2.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1, 2 en 7 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 174 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Zij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een iets lagere straf op te leggen dan wat in de procesafspraken met het de officier van justitie is overeengekomen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen 1.390 gram cocaïne en 183,8 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Ook heeft hij samen met zijn mededaders gedurende een periode van bijna twee maanden voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in cocaïne en heroïne. Zij maakten gebruik van een woning, waarin voorwerpen, stoffen en bundels met geld aanwezig waren, die bestemd waren voor het versnijden en dealen van deze harddrugs. De verdachte had hierbij een uitvoerende rol.\n\nHij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.\n\nDaarnaast heeft de verdachte in zijn eigen woning een vlindermes voorhanden gehad. Ongecontroleerd wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving en leidt veelal tot het plegen van geweldsdelicten. Daarom dient streng te worden opgetreden tegen het onbevoegde bezit daarvan.5.4.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.5.4.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 mei 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna 5 jaren verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.5.4.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en het onvoorwaardelijke deel daarvan te beperken tot de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast een taakstraf op te leggen.\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.\n\nDe periode van 96 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.6. Voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank heeft de voorlopige hechtenis bij bevel van 31 augustus 2021 geschorst met ingang van het moment waarop de verdachte zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld aan de officier van justitie of een door deze aan te wijzen instantie. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte 96 dagen in voorarrest doorgebracht.\n\nGelet op de straf die wordt opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk is aan het al door de verdachte ondergane voorarrest, zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis – zoals door de officier van justitie gevorderd – opheffen.7. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.8. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 4, 5, 6 en 8 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 7, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 270 dagen (tweehonderdzeventig) dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat 174 (honderdvierenzeventig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.\n\n9. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,\n\nen mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.\n\nMrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nHet eerder ten laste gelegde feit 3 is geseponeerd en wordt daarom niet weergegeven.\n\nZie pv van doorzoeking ter inbeslagneming [proces-verbaalnummer] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7845","2026-07-13T00:29:41.429Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":76,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":78},"1842","ECLI:NL:RBROT:2026:7846","ecli-nl-rbrot-2026-7846","Rechtbank Rotterdam\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F750053-21\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nDatum zitting: 6 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. K. Blonk\n\nOfficier van justitie: mr. E.M. ter Braak\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze verdovende middelen. Daarnaast heeft hij een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van (medeplegen van) het voorhanden hebben van een vuurwapen en kogelpatronen.\n\nDe volledige tenlastelegging(hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof - ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof - zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof - voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s): - de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof - versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en\u002Fof 134,0 gram Mannitol en\u002Fof 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en\u002Fof - een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en\u002Fof - een (druk)pers en\u002Fof een vacuurmachine en\u002Fof een weegschaal en\u002Fof een\u002Fof meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n3.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam (in een pand aan [adres 2] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\neen wapen als bedoeld in art. 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, te weten een Zastava (type M57) voorhanden heeft gehad\n\nen\u002Fof\n\n9 kogelpatronen (van het merk GFL, type 7.62 Mm) en\u002Fof 4 kogelpatronen (van diverse kaliber), als in art. 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie;\n\n5.\n\nhij op of omstreeks 12 maart 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 3] ),\n\ntezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 610,6 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en\u002Fof\n\n- ongeveer 5,6 gram cannabis, in elke geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cannabis, zijnde cannabis een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;.\n\n6.\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 december 2020 tot en met 12 maart 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 918 gram Paracetamol en\u002Fof cafeïne, voorhanden gehad,\n\nen\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een\u002Fof meer plastic zak(ken) voorhanden gehad;\n\n7.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.2. Procesafspraken\n\nTotstandkoming van de procesafspraken\n\nDe verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 4 februari 2025 is ondertekend door de officier van justitie en op 18 februari 2025 is ondertekend door de verdachte en zijn raadsvrouw. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.\n\nInhoud van de procesafspraken\n\nVoor zover van belang en zakelijk weergegeven houden de procesafspraken het volgende in:\n\nDe verdachte:\n\ntrekt eventuele ingediende onderzoekswensen in en dient geen nieuwe onderzoekswensen in;\n\nvoert geen bewijsverweren;\n\nhoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;\n\nzal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;\n\ndoet afstand van de in beslag genomen goederen, te weten € 917,-.\n\nDe officier van justitie:\n\nzal vrijspraak vorderen voor de feiten 5, 6 en 7;\n\nzal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten de feiten 1, 2 en 3;\n\nzal een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en een taakstraf voor de duur van 240 uren eisen.\n\nBeide partijen:\n\n- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.\n\nOp de zitting heeft de officier van justitie bij requisitoir opgemerkt dat het in beslag genomen geldbedrag € 917,30 betreft en zij er vanuit gaat dat de verdachte ook afstand doet van de overige 30 cent. De verdachte en zijn raadsvrouw hebben dat bevestigd.\n\nDe officier van justitie heeft ook opgemerkt dat (gelet op de procesafspraken) in de strafeis rekening wordt gehouden met 96 dagen voorarrest.3. Bewijs \u002F Vrijspraak3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3 en wordt vrijgesproken van de feiten 5, 6 en 7.\n\nDe verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.3.2.. Oordeel van de rechtbank3.2.1.. \n\nVrijspraak feiten 5, 6 en 7\n\nDe beschuldiging, zoals onder 5, 6 en 7 ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.3.2.2.. \n\nBewezenverklaring feiten 1, 2 en 3 en bewijsmiddelen\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.\n\nBewezen is dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad - 1.390 gram cocaïne en - 183,8 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s): - de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en beschikbaar gesteld (gekregen) en - versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en 134,0 gram Mannitol, voorhanden gehad, en - bundels geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en - een drukpers en een vacumeermachine en een weegschaal en\u002Fof een of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n3.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam (in een pand aan [adres 2] ),\n\neen wapen als bedoeld in art. 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet, te weten een Zastava (type M57)\n\nen\n\n9 kogelpatronen (van het merk GFL, type 7.62 Mm), zijnde munitie als bedoeld in art. 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie,\n\nvoorhanden heeft gehad.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nFeit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nFeit 3:\n\nDe eendaadse samenloop van:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straffen5.1.. \n\nBeoordeling van de procesafspraken\n\nTijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.5.2.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Zij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een iets lagere straf op te leggen dan in de procesafspraken met de officier van justitie is overeengekomen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen 1.390 gram cocaïne en 183,8 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Ook heeft hij samen met zijn mededaders gedurende een periode van bijna twee maanden voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in cocaïne en heroïne. Zij maakten gebruik van een woning, waarin voorwerpen, stoffen en bundels met geld aanwezig waren, die bestemd waren voor het versnijden en dealen van deze harddrugs. De verdachte had hierbij een uitvoerende rol.\n\nHij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.\n\nDaarnaast heeft de verdachte in voornoemde woning een vuurwapen met bijbehorende munitie, die zich bevond in de patroonhouder van dit wapen, voorhanden gehad. Ongecontroleerd wapenbezit vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Vuurwapens worden vaak gebruikt om ernstige misdrijven mee te plegen en ruzies mee te beslechten, waarbij regelmatig (dodelijke) slachtoffers vallen. De ervaring leert dat het aanwezig hebben van een vuurwapen ook snel gepaard gaat met het gebruik van dat wapen. De bedenkelijke omstandigheden waaronder dit vuurwapen is aangetroffen, namelijk in de woning waar de verdachte de voornoemde harddrugsdelicten heeft gepleegd, maken het extra zorgelijk. Het is algemeen bekend dat dealpanden worden bewaakt en daarbij vuurwapens worden gebruikt.5.4.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, waaronder in de vijf jaren voorafgaand aan de gepleegde feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus enerzijds tot een hogere straf. Anderzijds weegt de rechtbank mee dat uit het strafblad blijkt dat de verdachte na deze feiten, die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Dit onderbouwt de verklaring van verdachte dat hij zijn levenswijze heeft veranderd en een andere weg is ingeslagen.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij nu goed is gere-integreerd en werk heeft als artiest en acteur en muziek maakt.5.4.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 mei 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna 5 jaren verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.5.4.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en daarnaast de maximale taakstraf op te leggen.\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.\n\nDe periode van 96 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.6. In beslag genomen voorwerpen\n\nTer zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand doet van het in beslag genomen voorwerp zoals vermeld op de overgelegde lijst. Dit brengt met zich dat er geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.7. Voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank heeft de voorlopige hechtenis bij bevel van 31 augustus 2021 geschorst met ingang van het moment waarop de verdachte zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld aan de officier van justitie of een door deze aan te wijzen instantie. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte 96 dagen in voorarrest doorgebracht.\n\nDe officier van justitie heeft gelet op de geëiste straf de opheffing van de voorlopige hechtenis gevorderd. De verdediging heeft zich daaraan gerefereerd.\n\nDe rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 5, 6 en 7 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat 10 (tien) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,\n\nen mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.\n\nMrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nHet eerder ten laste gelegde feit 4 is geseponeerd en wordt daarom niet weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7846","2026-07-13T00:29:41.495Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":83,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":85},"1843","ECLI:NL:RBROT:2026:7848","ecli-nl-rbrot-2026-7848","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F115340-22 en 10-050974-22 (ter terechtzitting gevoegd)\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nDatum zitting: 6 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [plaats] (detentieadres), zonder vaste woon- of verblijfplaats.\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. K. Blonk\n\nOfficier van justitie: mr. E.M. ter Braak\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft samen met anderen verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze verdovende middelen. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen en gewoontewitwassen. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 50.000,-, subsidiair 285 dagen vervangende hechtenis.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs. Daarnaast wordt de verdachte beschuldigd van het medeplegen van witwassen en gewoontewitwassen.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F115340-22\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam,\n\nalthans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en\u002Fof 134,0 gram Mannitol en\u002Fof 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en\u002Fof\n\n- een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een vacuurmachine en\u002Fof een weegschaal en\u002Fof een\u002Fof meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n3.\n\nhij in of omstreeks de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 3] ), althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;\n\nParketnummer 10-050974-22\n\n1.\n\nhij op een of meer tijdstip(pen) in\u002Fof omstreeks de periode van 21 februari 2019 tot en met 24 september 2019, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een voorwerp, te weten\n\n- een geldbedrag van 40.000 euro aan contant geld\n\nheeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en\u002Fof omgezet, en\u002Fof van voornoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;\n\n2.\n\nhij op een of meer tijdstip(pen) in\u002Fof omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 24 september 2019, te Rotterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader\n\n(een of meer voorwerpen, te weten\n\n- een geldbedrag van 86.363 euro en\u002F of\n\n- een geldbedrag van 5.558,10 euro en\u002Fof\n\n- een geldbedrag van 1.250 euro en\u002Fof\n\n- een geldbedrag van 720 euro\n\nheeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en\u002Fof omgezet en\u002Fof van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf.2. Procesafspraken\n\nTotstandkoming van de procesafspraken\n\nDe verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 9 januari 2025 is ondertekend door de officier van justitie en op 22 april 2025 is ondertekend door de verdachte en zijn raadsvrouw. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.\n\nInhoud van de procesafspraken\n\nVoor zover van belang houden de procesafspraken het volgende in:\n\nDe verdachte:\n\nzal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;\n\ndoet afstand van de in beide zaken in beslag genomen goederen, te weten:\n\n in de zaak met parketnummer 10\u002F115340-22 (de zaak [zaaknaam 1] ): contant geld ter waarde van in totaal € 5.701,28;\n\n in de zaak met parketnummer 10-050974-22 (de zaak [zaaknaam 2] ): contant geld ter waarde van € 45.089,06 en een auto (Seat) ter waarde van € 16.800,- en kleding ter waarde van € 8.191,-.\n\nTotale waarde van het beslag = € 70.800,-.\n\nDe officier van justitie:\n\nzal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten alle ten laste gelegde feiten;\n\nzal een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk (voor de feiten in de zaak [zaaknaam 1] ) en een geldboete van € 50.000,- (in de zaak [zaaknaam 2] ) eisen.\n\nBeide partijen:\n\n- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.3. Bewijs3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor alle ten laste gelegde feiten.\n\nDe verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.3.2.. Oordeel van de rechtbank3.2.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F115340-22\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad - 1.390 gram cocaïne en - 183,8 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne telkens een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s): - de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en beschikbaar gesteld (gekregen) en - versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en 134,0 gram Mannitol, voorhanden gehad, en - bundels geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en - een drukpers en een vacumeermachine en een weegschaal en\u002Fof een of meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n3.\n\nhij in de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 3] ), meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken, van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld gekregen en\n\n- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;\n\nParketnummer 10-050974-22\n\n1.\n\nhij op 21 februari 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een voorwerp, te weten\n\n- een geldbedrag van 40.000 euro aan contant geld\n\nheeft voorhanden gehad\n\nterwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;\n\n2.\n\nhij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 24 september 2019, te Rotterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en zijn mededader\n\nvoorwerpen, te weten\n\n- een geldbedrag van 86.363 euro en\n\n- een geldbedrag van 5.558,10 euro en\n\n- een geldbedrag van 1.250 euro en,\n\n- een geldbedrag van 7.230 euro\n\nheeft verworven en voorhanden gehad en van voornoemde voorwerpen gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F115340-22\n\nFeit 1:\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nFeit 2:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nFeit 3:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nParketnummer 10-050974-22\n\nFeit 1:\n\nmedeplegen van witwassen;\n\nFeit 2:\n\nmedeplegen van gewoontewitwassen.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straffen5.1.. \n\nBeoordeling van de procesafspraken\n\nTijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsvrouw besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.5.2.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 50.000,-, aanvullend op de procesafspraken heeft de officier van justitie subsidiair 285 dagen vervangende hechtenis gevorderd.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Zij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, een iets lagere straf op te leggen dan in de procesafspraken met de officier van justitie is overeengekomen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen 1.390 gram cocaïne en 183,8 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Ook heeft hij samen met zijn mededaders gedurende een periode van bijna twee maanden voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in cocaïne en heroïne. Zij maakten gebruik van een woning, waarin voorwerpen, stoffen en bundels met geld aanwezig waren, die bestemd waren voor het versnijden en dealen van deze harddrugs. Daarnaast heeft de verdachte samen met een andere mededader gedurende een periode van bijna een jaar voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in heroïne, waarbij zij gebruikt maakten van een andere woning en daarin aanwezige versnijdingsvoorwerpen. De verdachte had hierbij een grote, aansturende rol. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan witwassen en gewoontewitwassen. Door uit criminele activiteiten verkregen geld in de reguliere economie om te zetten, wordt de integriteit van het economische verkeer aangetast en dat is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer.5.4.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 7 april 2026 blijkt van een aantal veroordelingen van lang geleden.5.4.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 4 maart 2024, de datum waarop de dagvaarding in de zaak met parketnummer 10\u002F115340-22 aan de verdachte is betekend. De rechtbank gaat uit van deze datum omdat de verdachte pas later is aangehouden, namelijk op 9 november 2025 nadat hij in Nederland is aangekomen. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en twee maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.5.4.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar (en langer) geleden zijn gepleegd, er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen in combinatie met een geldboete van € 50.000,-.\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsvrouw is verzocht.\n\nDe periode van 179 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.6. In beslag genomen voorwerpen\n\nTer zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand doet van de in beslag genomen voorwerpen zoals vermeld op de overgelegde lijsten. Dit brengt met zich dat er geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.7. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.8. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10\u002F115340-22 en de feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 10-050974-22, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat 6 (zes) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nGeldboete\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend);\n\nbeveelt dat, voor het geval de geldboete niet wordt betaald en geen verhaal mogelijk is, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van285 (tweehonderdvijfentachtig dagen).9. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,\n\nen mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.\n\nMrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7848","2026-07-13T00:29:41.568Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":68,"fullText":90,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":92},"1844","ECLI:NL:RBROT:2026:7850","ecli-nl-rbrot-2026-7850","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10\u002F750453-20\n\nDatum uitspraak: 20 mei 2026\n\nDatum zitting: 6 mei 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J.W. Vedder\n\nOfficier van justitie: mr. E.M. ter Braak\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich bezig gehouden met de handel in verdovende middelen (heroïne) en samen met een ander voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze harddrugs. Daarnaast heeft hij verdovende middelen (cocaïne en heroïne) opzettelijk aanwezig gehad en munitie voorhanden gehad. De verdediging en de officier van justitie hebben procesafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn door de rechtbank getoetst. De verdachte wordt, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 264 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - betrokken is geweest bij (voorbereidings- en bevorderingshandelingen met betrekking tot) de handel in cocaïne en heroïne en het in meerdere panden voorhanden hebben van deze drugs.\n\nDaarnaast wordt de verdachte beschuldigd van het witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 19.600,- en het voorhanden hebben van kogelpatronen.\n\nDe volledige tenlastelegging(hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 26 augustus 2020 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 1.390 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 183,8 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en heroïne (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2.\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2020 tot en met 26 augustus 2020 in Rotterdam,\n\nalthans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende cocaïne en heroïne, zijnde cocaïne en heroïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 2] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 364,1 gram Fenacetine en\u002Fof 134,0 gram Mannitol en\u002Fof 877,6 gram zetmeel, voorhanden gehad, en\u002Fof\n\n- een of meerdere bundel(s) geld, met een totaal bedrag van 6620 euro, voorhanden gehad en\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een vacuurmachine en\u002Fof een weegschaal en\u002Fof een\u002Fof meer zakje(s) met poeder(s) voorhanden gehad;\n\n4.\n\nhij op of omstreeks 12 maart 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 3] ),\n\ntezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 610,6 gram heroine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine, zijnde heroine (telkens) een middel bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en\u002Fof\n\n- ongeveer 5,6 gram cannabis, in elke geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cannabis, zijnde cannabis een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;.\n\n6.\n\nhij in of omstreeks de periode van 20 december 2020 tot en met 12 maart 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 3] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsmiddelen, te weten 918 gram Paracetamol en\u002Fof cafeïne, voorhanden gehad,\n\nen\u002Fof\n\n- een (druk)pers en\u002Fof een\u002Fof meer plastic zak(ken) voorhanden gehad;\n\n7.\n\nhij in of omstreeks de periode van 28 februari 2021 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam en\u002Fof Eindhoven en\u002Fof Steenbergen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof heroïne, zijnde cocaïne en\u002Fof heroïne, (telkens) een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet;\n\n8.\n\nhij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\neen geldbedrag (ter hoogte van ongeveer 19.600 euro) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en\u002Fof omgezet\n\nen\u002Fof de werkelijke aard en\u002Fof de herkomst en\u002Fof de vindplaats en\u002Fof de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof verhuld en\u002Fof heeft verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende was en\u002Fof wie dit voorwerp voorhanden had,\n\nterwijl hij en\u002Fof zijn medeverdachte wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat dit geld - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;\n\n9.\n\nhij in of omstreeks de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 4] ), althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroine, zijnde heroine, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die\u002Fdat feit(en) te plegen en\u002Fof om behulpzaam daarbij te zijn en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof (een) of meer ander(en) gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van die\u002Fdat feit(en) heeft getracht te verschaffen en\u002Fof\n\n- voorwerpen en\u002Fof vervoersmiddelen en\u002Fof stoffen en\u002Fof gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het\u002Fde hierboven bedoelde feit(en)\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 4] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld (gekregen) en\u002Fof\n\n- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;\n\n10.\n\nhij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 5] ),\n\ntezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- ongeveer 14,2 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 22,5 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n11.\n\nhij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam (in de woning aan [adres 6] ), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,\n\nvoorhanden heeft gehad, 9 kogelpatronen (type 7.65 Mm), als bedoeld in art. 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie.2. Procesafspraken\n\nTotstandkoming van de procesafspraken\n\nDe verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, en de officier van justitie hebben onderhandelingen gevoerd over een mogelijke afdoening van deze zaak. Die onderhandelingen hebben geresulteerd in procesafspraken. De procesafspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 4 februari 2025 door de officier van justitie en de verdachte en zijn raadsman is ondertekend. De rechtbank is niet betrokken geweest bij (de totstandkoming van) deze procesafspraken. De overeenkomst is voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie aan de rechtbank verstrekt.\n\nInhoud van de procesafspraken\n\nVoor zover van belang houden de procesafspraken het volgende in:\n\nDe verdachte:\n\ntrekt eventuele ingediende onderzoekswensen in en dient geen nieuwe onderzoekswensen in\n\nvoert geen bewijsverweren;\n\nhoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;\n\nzal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;\n\ndoet afstand van de in beslag genomen goederen, te weten een auto (Peugeot), telefoon en € 600,-.\n\nDe officier van justitie:\n\nzal vrijspraak vorderen voor de feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 8;\n\nzal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie overeenkomstig de feiten zoals die in de overeenkomst zijn opgenomen, te weten de feiten 7, 9, 10 en 11;\n\nzal een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 264 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur eisen. Uiteraard met aftrek van de 96 dagen voorarrest.\n\nBeide partijen:\n\n- zien af van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform deze overeenkomst plaatsvindt.3. Bewijs \u002F Vrijspraak3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 7, 9, 10 en 11 en wordt vrijgesproken van de feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 8.\n\nDe verdediging geen bewijsverweren gevoerd.3.2.. Oordeel van de rechtbank3.2.1.. \n\nVrijspraak feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 8\n\nDe beschuldiging, zoals onder 1, 2, 4, 5, 6 en 8 ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.3.2.2.. \n\nBewezenverklaring feiten 7, 9, 10 en 11 en bewijsmiddelen\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank het onder 7, 9, 10 en 11 ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.\n\nBewezen is dat:\n\n7.\n\nhij in de periode van 28 februari 2021 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam en\u002Fof Eindhoven en\u002Fof Steenbergen meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd, gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet;\n\n9.\n\nhij in de periode van 25 juni 2020 tot en met 29 mei 2021 in Rotterdam (in een pand aan [adres 4] ), meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander,\n\nom een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren en verstrekken, van een of meer hoeveelheid\u002Fheden van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen\n\n- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit\n\nhebbende\u002Fis verdachte en\u002Fof (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s):\n\n- de woning gelegen aan [adres 4] gebruikt en\u002Fof beschikbaar gesteld gekregen en\n\n- versnijdingsgereedschap (vergiet met mesje, glas, spatels, zeef), voorhanden gehad;\n\n10.\n\nhij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam, (in de woning aan [adres 5] ),\n\nopzettelijk aanwezig heeft gehad\n\n- 12,1 gram cocaïne, en\n\n- ongeveer 22,5 gram heroïne,\n\nzijnde cocaïne en\u002Fof heroïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n11.\n\nhij op of omstreeks 29 mei 2021 in Rotterdam (in de woning aan [adres 6] ),\n\nvoorhanden heeft gehad, 9 kogelpatronen (type 7.65 Mm), zijnde munitie als bedoeld in art. 1 onder 4, gelet op artikel 2, lid 2 cat III van de Wet Wapens en Munitie.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 7:\n\nopzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nFeit 9:\n\nmedeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nFeit 10:\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nFeit 11:\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straffen5.1.. \n\nBeoordeling van de procesafspraken\n\nTijdens het onderzoek op de zitting van 6 mei 2026 zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsman besproken. Daarbij zijn de vrijwilligheid van de procesafspraken, de bewustheid van de verdachte ten aanzien van de (inhoud van de) procesafspraken en de (mogelijke) gevolgen van de procesafspraken aan de orde gesteld. Bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen uit de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) centraal, in het bijzonder de vragen die betrekking hebben op het bewijs en de op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, weloverwogen en vrijwillig tot de procesafspraken is gekomen en dat hij zich bewust is van de inhoud van de gemaakte afspraken, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan. Ook zijn de procesafspraken voor zowel de totstandkoming als de inhoud als eerlijk te bestempelen.5.2.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 7, 9, 10 en 11 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 264 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft naar voren gebracht dat het inmiddels ruim een jaar geleden is dat de procesafspraken zijn gemaakt en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd en zijn leven ondertussen verder is gegaan. Hij heeft daarom verzocht om, gelet op het tijdsverloop, een taakstraf op te leggen van iets kortere duur dan wat in de procesafspraken met de officier van justitie is overeengekomen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van drie maanden bezig gehouden met de handel in heroïne. Ook heeft hij gedurende een periode van bijna een jaar samen met een ander voorbereidingshandelingen gepleegd voor de handel in deze harddrugs. Zij maakten daarbij gebruik van een woning en daarin aanwezige versnijdingsvoorwerpen. De verdachte had een uitvoerende rol, maar dealde ook zelf. Daarnaast heeft hij in de woning van zijn moeder 12,1 gram cocaïne, en ongeveer 22,5 gram heroïne opzettelijk aanwezig gehad. Hij heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in het land. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Feiten als deze brengen bovendien onrust voor de samenleving met zich mee en zijn maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Tenslotte leidt de handel in en het gebruik van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. De verdachte heeft zich hier niet om bekommerd en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin.\n\nDaarnaast heeft de verdachte in de woning van zijn vriendin 9 kogelpatronen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving mee.5.4.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 7 april 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en dat dit ten opzichte van de onderhavige feiten (van juni 2020 tot en met mei 2021) langer geleden is (in 2014). Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij werk heeft.5.4.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 29 mei 2021, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna 5 jaren verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden.5.4.4.. \n\nOplegging straffen\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De overeengekomen straffen staan naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding tot de ernst van de zaak en de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt daarbij mee dat het gaat om feiten die bijna 6 jaar geleden zijn gepleegd, er sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de verdachte al die tijd in onzekerheid heeft geleefd over de afdoening van de zaak. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op deze omstandigheden, en met name het tijdsverloop, acht de rechtbank het – evenals de officier van justitie en de verdediging – passend om een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en het onvoorwaardelijke deel daarvan te beperken tot de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast de maximale taakstraf op te leggen.\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straffen passend en geboden. In deze straffen is al uitdrukkelijk rekening gehouden met het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn. Gelet daarop ziet de rechtbank geen reden voor verdere matiging van de straf, zoals door de raadsman is verzocht.\n\nDe periode van 96 dagen die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.6. In beslag genomen voorwerpen\n\nTer zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand doet van de in beslag genomen voorwerpen zoals vermeld op de overgelegde lijst. Dit brengt met zich dat er geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.7. Voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank heeft de voorlopige hechtenis bij bevel van 31 augustus 2021 geschorst met ingang van het moment waarop de verdachte zijn paspoort ter beschikking heeft gesteld aan de officier van justitie of een door deze aan te wijzen instantie. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte 96 dagen in voorarrest doorgebracht.\n\nGelet op de straf die wordt opgelegd, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk is aan het al door de verdachte ondergane voorarrest, zal de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis – zoals door de officier van justitie gevorderd – opheffen.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 63, van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 4, 5, 6 en 8 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten 7, 9, 10 en 11, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraffen\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 360 dagen (driehonderdzestig) dagen;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nbepaalt dat 264 (tweehonderdvierenzestig) dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,\n\nen mrs. C. Sikkel en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.\n\nMrs. F.P.J. Schoonen en A.K. van Zanten zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nHet eerder ten laste gelegde feit 3 is geseponeerd en wordt daarom niet weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7850","2026-07-13T00:29:41.622Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":97,"fullText":98,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":99,"sourceTimestamp":100,"parsedAt":30,"updatedAt":101},"1507","ECLI:NL:RBROT:2026:7914","ecli-nl-rbrot-2026-7914","2026-04-21T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 71-399555-24\n\nDatum uitspraak: 21 april 2026\n\nDatum zitting: 7 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres van de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] : [detentieadres] , [postcode] [detentieplaats] .\n\nAdvocaten van de verdachte: mrs. S. Weening en T.T.M. Bekx\n\nOfficier van justitie: mr. M. van Nes\n\nBenadeelde partij: [benadeelde]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. M.R.M. Schaap\n\nLeeswijzer\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte - samengevat - van betrokkenheid in 2020 bij een poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade, subsidiair uitlokking van bedreiging en meer subsidiair van bedreiging, telkens van het slachtoffer [slachtoffer] (feit 1). Daarnaast wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij in 2019 en 2020 als mededader betrokken is geweest bij de invoer van vier grote partijen cocaïne met een totaalgewicht van ruim 1.700 kilogram, subsidiair dat hij betrokken is geweest bij de voorbereiding en bevordering van die invoer (feiten 3 tot en met 6) en dat hij zich in 2025 heeft beziggehouden met voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de invoer van cocaïne (feit 2). De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.\n\nDe officier van justitie mag de verdachte vervolgen. Deze beslissing wordt in hoofdstuk 2 uitgelegd.\n\nDe feiten 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 zijn bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren\n\nstaan in hoofdstuk 3. Een overzicht van de bewijsmiddelen staat in bijlage 1.\n\nFeit 2 is niet bewezen. De argumenten die tot vrijspraak van dit feit hebben geleid staan ook in hoofdstuk 3.\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 4.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 56 maanden. In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.\n\nIn hoofdstuk 6 staan de beslissingen over de inbeslaggenomen goederen.\n\nDe benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vordering wordt deels toegewezen. In hoofdstuk 7 wordt deze beslissing uitgelegd.\n\nIn hoofdstuk 9 staan alle beslissingen in het kort.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\nfeit 1 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020, te Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , door het verschaffen van middelen en\u002Fof inlichtingen, te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] en met dat opzet voornoemde personen meermalen heeft benaderd om dit strafbare feit te plegen, althans te laten plegen en\u002Fof die personen\n\ndaartoe de:\n\n* adresgegevens en\u002Fof\n\n* een signalement en\u002Fof een foto van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer]\n\nheeft verstrekt;\n\nfeit 1 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020, te Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , door het verschaffen van middelen en\u002Fof inlichtingen, heeft bewogen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling van [slachtoffer] , door die [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] :\n\n* de adresgegevens en\u002Fof\n\n* een signalement en\u002Fof een foto van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer] te verstrekken;\n\nfeit 1 meer subsidiair\n\nde verdachte op of omstreeks 15 april 2020 te Ridderkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] te richten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans éénmaal, de trekker van een\u002Fdat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) over te halen en\u002Fof de slede van een\u002Fdat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)naar achter te halen;\n\nfeit 2\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 6 januari 2025 tot en met 10 januari 2025 te Barendrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en\u002Fof\n\n- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\ndoor met een telefoon chatberichten te sturen en te communiceren over:\n\n* bedrijven die producten importeren vanuit Ghana en\u002Fof\n\n* het kunnen importeren van machines en\u002Fof onderdelen en\u002Fof\n\n* 'groene' lijnen en\u002Fof lopende lijnen\n\n* het 'zwanger' maken van een bestaande lijn en\u002Fof\n\n* het beschikbaar hebben van een Duits en\u002Fof Nederlands bedrijf en\u002Fof\n\n* het importeren van hogedruk onderdelen vanuit China en\u002Fof\n\n* machines met een stash erin;\n\nfeit 3 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 2 oktober 2019 tot en met 22 februari 2020 via de Westerschelde en\u002Fof de Nederlandse territoriale wateren en\u002Fof te Antwerpen, in elk geval in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nopzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 259 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 3 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 31 januari 2020 tot en met 10 februari 2020 te Barendrecht en\u002Fof Antwerpen, althans in Nederland en\u002Fof België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst T, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 259 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:\n\n* een loods ter beschikking te stellen, en\u002Fof\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:\n\n* gereedschap en\u002Fof machines (vorkheftruck) en\u002Fof één of meerdere voertuigen;\n\nfeit 4 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 via de Westerschelde en\u002Fof de Nederlandse territoriale wateren en\u002Fof te Antwerpen, in elk geval in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nopzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 4 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 te Barendrecht en\u002Fof Antwerpen, althans in Nederland en\u002Fof België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:\n\n* een loods ter beschikking te stellen, en\u002Fof\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:\n\n* gereedschap en\u002Fof machines (vorkheftruck) en\u002Fof één of meerdere voertuigen;\n\nfeit 5 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 3 april 2020 via de Westerschelde en\u002Fof de Nederlandse territoriale wateren en\u002Fof te Antwerpen, in elk geval in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 5 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 7 april 2020 te Barendrecht en\u002Fof Antwerpen, althans in Nederland en\u002Fof België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst T, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:\n\n* een loods ter beschikking te stellen, en\u002Fof\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:\n\n* gereedschap en\u002Fof machines (vorkheftruck) en\u002Fof één of meerdere voertuigen;\n\nfeit 6\n\nde verdachte op of omstreeks 12 maart 2020, te Breda en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie2.1.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVoor de feiten 3 tot en met 6 is de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. Er is sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat de feiten 3 tot en met 6 in het tegen de verdachte gewezen Belgische vonnis van 17 juni 2021 al zijn gebruikt voor de bewijsconstructie van de in dat vonnis bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie. Als de rechtbank dit standpunt van de verdediging niet volgt, wordt verzocht om de officier van justitie opdracht te geven het Belgische strafdossier bij de stukken te voegen, zodat duidelijk wordt op welke feiten de Belgische strafzaak zag.2.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. De beschuldiging in feiten 3 tot en met 6 ziet op andere strafbare feiten dan waarvoor de verdachte in België is veroordeeld. Er kan niet worden vastgesteld dat er samenhang bestaat tussen de feiten 3 tot en met 6 en de bewezenverklaring in het Belgische vonnis.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nToevoeging van het Belgische procesdossier vindt de rechtbank niet noodzakelijk. Het Belgische vonnis maakt deel uit van het dossier. Voor de rechtbank is voldoende duidelijk uit dit vonnis gebleken welke informatie de Belgische rechter aan zijn beslissingen ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank acht zich daarmee voldoende ingelicht. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt afgewezen.2.3.2.. \n\nGeen schending ne bis in idem beginsel\n\nDe verdachte is door de Belgische rechter veroordeeld voor de invoer, de uitvoer en het vervoer van 2 partijen cocaïne van respectievelijk 1842,4 kilogram en 2316,8 kilogram en voorts voor deelneming aan een criminele organisatie.De bewezenverklaring van deze feiten door de Belgische rechter is gebaseerd op de resultaten van de observaties en doorzoekingen op 22 en 23 april 2020 in onder meer (en voor zover relevant) de loods die de verdachte in Antwerpen huurde en (overige) bevindingen van de Belgische opsporingsdiensten en douane met betrekking tot deze 2 partijen cocaïne. De feiten 3 tot en met 6 waarvan de verdachte thans wordt beschuldigd hebben samenhang met de bewezenverklaring in het Belgische vonnis, omdat de verdenking ziet op nagenoeg dezelfde periode en ook de loods van de verdachte bij de verdenking een prominente plaats in neemt, evenals in de Belgische zaak. Dat betekent echter nog niet dat de vervolging voor de feiten 3 tot en met 6 in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. Dat is alleen in bijzondere omstandigheden het geval.Daarvan is hier geen sprake. Uit het Belgische vonnis kan niets anders worden afgeleid dan dat ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard dat hij deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die naast de invoer, uitvoer en het vervoer van de 2 eerdergenoemde partijen cocaïne, een duplicaatcontainer met een lading inktvis heeft aangeboden. De drugstransporten die de verdachte thans als feiten 3 tot en met 6 worden verweten, worden niet concreet in het Belgische vonnis genoemd. Ook anderszins kan niet uit het Belgische vonnis worden afgeleid dat de vervolging van de verdachte in België ook het begaan van de feiten 3 tot en met 6 omvatte. Er is dus geen sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel door de officier van justitie met de vervolging van de verdachte voor de feiten 3 tot en met 6.\n\nDe conclusie is dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte voor de feiten 3 tot en met 6.3. Bewijs3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe feiten 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 kunnen worden bewezen verklaard. Het standpunt van de officier van justitie zal verder, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.3.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2. De verdediging refereert zich ten aanzien van feit 1 subsidiair aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, indien nodig, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.3.3.. Oordeel van de rechtbank3.3.1.. \n\nVrijspraak feit 2\n\nVolgens de officier van justitie heeft de verdachte in januari 2025 voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet gepleegd door met [persoon A] Signal-berichten uit te wisselen die zien op het opzetten van transportlijnen voor de invoer van verdovende middelen.\n\nDe verdediging heeft niet betwist dat de verdachte degene is geweest die de Signal-berichten heeft uitgewisseld met [persoon A] . Volgens de verdediging waren het echter slechts globale gesprekken op een abstract niveau en kunnen deze berichten geen strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet opleveren.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit de Signal-chatberichten die door de verdachte zijn verstuurd tussen 6 tot en met 10 januari 2025 onmiskenbaar volgt dat wordt gesproken over invoer van verdovende middelen, zoals cocaïne. De rechtbank is evenwel van oordeel dat met het wisselen van deze chatberichten nog geen sprake is geweest van strafbare voorbereiding van de invoer van cocaïne. De berichten zijn onvoldoende concreet om te kunnen spreken van daadwerkelijke voorbereidingshandelingen en lijken een meer oriënterend karakter te hebben. Er wordt gesproken over potentiële landen van waaruit invoer kan plaatsvinden. De verdachte benoemt dat hij een Duits en een Nederlands bedrijf heeft en dat hij goederen exporteert uit China. In de berichten wordt enkel in zijn algemeenheid gesproken over producten die via die bedrijven besteld kunnen worden en over wat voor soort producten verhandeld worden. Tenslotte schrijft de verdachte dat hij mogelijk een kennis heeft die naar Ghana gaat, en dat hij bij iemand heeft nagevraagd of hij of zij openstaat voor handel vanuit Ghana, maar ook hieruit blijkt niets concreets. Er is sprake van kennis- en informatieuitwisseling, waardoor men blijft hangen in het voorstadium van strafbare voorbereiding.\n\nOmdat dus niet kan worden bewezen dat de verdachte strafbare voorbereidingshandelingen heeft gepleegd en evenmin dat sprake is geweest van strafbare bevorderingshandelingen, wordt de verdachte vrijgesproken van feit 2.3.3.2.. \n\nBewezenverklaring feiten 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6\n\nBewezen is dat de verdachte:\n\nfeit 1 primair\n\nin de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020 te Barendrecht, tezamen en in vereniging met anderen, heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , door het verschaffen van inlichtingen, te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] en met dat opzet voornoemde personen meermalen heeft benaderd om dit strafbare feit te plegen, althans te laten plegen en die personen daartoe de:\n\n* adresgegevens en\n\n* een foto van [slachtoffer] en\n\n* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en\n\n* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer] heeft verstrekt;\n\nfeit 3 primair\n\nin de periode van 2 oktober 2019 tot en met 22 februari 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 259 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nfeit 4 primair\n\nin de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nfeit 5 primair\n\nin de periode van 2 april 2020 tot en met 3 april 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nfeit 6\n\nop 12 maart 2020, te Breda en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.3.3.3.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande nadere bewijsmotivering.3.3.4.. \n\nNadere bewijsmotivering feit 1 primair\n\nOp 15 april 2020 is [slachtoffer] voor zijn woning benaderd door een onbekende man met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp. Op 15 september 2020 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door de rechtbank veroordeeld voor hun betrokkenheid bij dit feit. De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] degene is geweest die het (nep)vuurwapen op [slachtoffer] heeft gericht en hem met het wapen op zijn hoofd heeft geslagen en dat [medeverdachte 2] de vluchtauto bestuurde. In het vonnis tegen [medeverdachte 1] is bewezenverklaard dat hij zich hiermee heeft schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. [medeverdachte 2] is veroordeeld voor medeplichtigheid aan deze bedreiging.\n\nLater zijn in de telefoon van de verdachte SkyECC-berichten aangetroffen die betrekking hebben op dit incident. De verdachte heeft bekend dat hij deze berichten heeft verstuurd en dat hij met anderen communiceerde via het SkyECC-account [accountnaam 1] .\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geprobeerd met deze berichten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit te lokken om het slachtoffer zwaar te mishandelen, zoals is tenlastegelegd. Volgens de verdediging was de opzet van de verdachte alleen gericht op het bedreigen van het slachtoffer.\n\nHet verweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te bewegen om het slachtoffer zwaar te mishandelen met voorbedachten rade. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nHet incident vond plaats op 15 april 2020, omstreeks 6.10 uur. In de dagen daaraan voorafgaand communiceerde de verdachte via zijn SkyECC-account in een chatgroep waar, naast de verdachte, ook de medeverdachte [medeverdachte 3] en een andere onbekend gebleven SkyECC-gebruiker [accountnaam 2] aan deelnamen. Uit de berichten die [accountnaam 2] in de chatgroep zette, kan worden afgeleid dat hij (buiten de chatgroep) in direct contact stond met de uitvoerders. In deze chatgroep gaf de verdachte op 13 april 2020 aanvankelijk de opdracht om het slachtoffer “goed bang te maken”en“ervoor te zorgen dat hij weggaat bij zijn huidige baas”.Op de vraag van [accountnaam 2] wat er moest gebeuren, berichtte [medeverdachte 3] :“slopen, breek beide knieen ofs”. Daarna zette de verdachte desgevraagd een foto van [slachtoffer] in de chatgroep. Door [accountnaam 2] werd vervolgens gevraagd of er nog iets tegen [slachtoffer] gezegd moest worden, waarop [medeverdachte 3] negatief antwoordde en zei:“gwn total loss te slaan”en“beide benen te breken”. In berichten later die middag zette de verdachte nadere informatie over de honden en de auto van het slachtoffer in de chatgroep. Een dag later wisselden de deelnemers aan de chatgroep ook berichten over het slachtoffer uit, onder meer over waar hij zich die dag bevond en hoe laat hij naar zijn werk ging. De verdachte drong daarbij aan op actie, onder meer door in de chatgroep te berichtten:“dan wordt het vandaag eind van de dag ff langs zijn huis rijden broer”. In de vroege ochtend van 15 april 2020 werden de deelnemers aan de chatgroep door [accountnaam 2] ervan op de hoogte gesteld dat de uitvoerders klaarstonden.\n\nUit de inhoud van de chatberichten en het verloop daarvan volgt dat het aanvankelijk geopperde plan om het slachtoffer bang te maken is verlaten en dat de chatberichten uiteindelijk gericht waren op het zwaar mishandelen van [slachtoffer] en dat met voorbedachten rade. Anders dan de verdediging, vindt de rechtbank dat ook de opzet van de verdachte op dit misdrijf gericht is geweest. [medeverdachte 3] heeft steeds gezegd wat er concreet moest gebeuren met het slachtoffer en de verdachte heeft daaraan in ruime mate bijgedragen. Enerzijds door dat niet te weerspreken en anderzijds door actief informatie over [slachtoffer] te blijven verschaffen en aan te dringen op het realiseren van de plannen. Dat uiteindelijk een ander misdrijf is gepleegd door de uitvoerders, maakt dat de handelwijze van de verdachte en zijn medeverdachten moet worden gezien als een poging tot uitlokking.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1 primair\n\nmedeplegen van poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade;\n\nfeit 3 primair\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 4 primair\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 5 primair\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 6\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf5.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet aan de verdachte een geldboete worden opgelegd van € 260.000,-, waarvan € 200.000,- als afroomboete en € 60.000,- als boete met een punitief karakter. De afroomboete is gebaseerd op de verdiensten die de verdachte zelf zegt te hebben ontvangen. Als rekening wordt gehouden met de Belgische veroordeling van de verdachte, dan heeft de verdachte weliswaar een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd gekregen, maar daarvan heeft hij niet meer dan drie jaar vastgezeten in België.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVoor feit 1 zou, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, hooguit een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd kunnen worden. Ten aanzien van feiten 3 tot en met 6 moet toepassing worden gegeven aan artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en zou hooguit een gevangenisstraf van twee jaren opgelegd moeten worden. Aan de verdachte moet geen geldboete worden opgelegd. De afroomboete is niet op feiten gebaseerd. De verdachte heeft een ruwe schatting van zijn verdiensten gemaakt, toen hij daar door de officier van justitie naar werd gevraagd op de zitting. Dit dient in een ontnemingsprocedure verder aan de orde te komen.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft in 2020 samen met anderen geprobeerd om personen te bewegen om het slachtoffer [slachtoffer] zwaar te mishandelen. De verdachte en het slachtoffer hadden een zakelijk conflict over de hoogte van het geldbedrag dat de verdachte het slachtoffer schuldig was. In de aangetroffen chatberichten wordt aan de uitvoerders de opdracht gegeven om het slachtoffer ‘total loss’ te slaan, en zijn benen of knieën te breken. Een van de uitvoerders is met een (nep)vuurwapen naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft de trekker meerdere malen overgehaald. Bij een worsteling die daarna is ontstaan tussen de uitvoerder en het slachtoffer heeft het slachtoffer een hoofdwond opgelopen. Hierdoor is op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de het slachtoffer en zijn gevoel van veiligheid. Uit de verklaring van het slachtoffer en de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat het gebeuren veel impact op hem en zijn gezin heeft gehad. Het gevoel van veiligheid dat iedereen in en rond zijn eigen huis moet hebben, is hierdoor ook ernstig geschaad. Dergelijke feiten veroorzaken veelal ook gevoelens van onrust in de directe omgeving en in de maatschappij in het algemeen. De verdachte heeft zich totaal niet bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer. Het kennelijke gemak waarmee de verdachte samen met anderen via de chatberichten heeft aangedrongen op het plegen van zwaar geweld is zeer verontrustend.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich eind 2019 en de eerste maanden van 2020 samen met anderen beziggehouden met de internationale handel in cocaïne. Hij heeft bijgedragen aan de invoer van drie grote partijen cocaïne met een gewicht van in totaal ruim 1.500 kilogram. Hij heeft deze cocaïne in containers via de Westerschelde ons land binnengebracht en deze vervolgens naar de haven van Antwerpen laten doorvoeren. Twee containers waarin de cocaïne was vervoerd, zijn aangetroffen in Antwerpen in de loods van de verdachte. Verder heeft de verdachte, ook in 2020, samen met anderen 200 kilogram cocaïne met auto’s vanuit België naar Nederland gebracht. De verdachte had een faciliterende rol bij de invoer van deze partijen cocaïne. Hij huurde in Antwerpen een loods waar de containers naartoe werden gebracht en de cocaïne eruit zou worden gehaald. Hij had daarvoor diverse machines (zoals een heftruck) en gereedschappen gekocht. Ook regelde hij mensen voor het lossen van de containers en was hij daarbij zelf ook veelal aanwezig. Tevens onderhield hij de contacten met zijn opdrachtgevers. Met zijn handelen is de verdachte dus een belangrijke schakel in de keten geweest om cocaïne in te voeren en op de illegale markt te brengen.\n\nDoor de invoer van meerdere grote partijen cocaïne, wat ook nog in een vrij korte periode plaatsvond, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. Hiermee wordt schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij en het gevoel van veiligheid van burgers. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en was enkel uit op eigen financieel gewin.5.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland. Wel is de verdachte in 2021 in België veroordeeld, waarop hieronder zal worden ingegaan.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft last van mentale klachten vanwege zijn aanhouding in deze zaak. Zijn detentie valt hem zwaar. De verdachte is van plan om na zijn detentie weer te werken voor zijn eigen bedrijf. Zijn compagnon heeft voorlopig de leiding van het bedrijf op zich genomen.5.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan wordt rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook is rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten.\n\nDe rechtbank heeft zich afgevraagd welke straf passend zou zijn geweest als de feiten – per soort – afzonderlijk van elkaar aan de rechtbank zouden zijn voorgelegd. Voor het medeplegen van de poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade (feit 1) vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten voor artikel 302 Sr, meer specifiek de categorie onder d, namelijk: ‘het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van een wapen’. De rechtbank heeft daarbij niet alleen rekening gehouden met wat de afgesproken plannen waren, maar ook met wat er uiteindelijk is gebeurd, namelijk dat het slachtoffer ernstig is bedreigd met een wapen en een hoofdwond heeft opgelopen, wat een enorme impact op het slachtoffer heeft gehad. Dat het in dit geval bij een poging is gebleven, is vanwege omstandigheden die niet aan de verdachte te danken zijn. Hierin wordt dus geen reden gezien om aan de verdachte een lagere straf op te leggen. Als het aan de verdachte had gelegen was het slachtoffer zwaar mishandeld.\n\nVoor de invoer van de vier partijen cocaïne van in totaal ruim 1.700 kilogram (feiten 3 tot en met 6) zou op zichzelf beschouwd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden passend zijn, gelet op de LOVS oriëntatiepunten en de ondersteunende rol van de verdachte in het geheel. De rechtbank ziet redenen om in het voordeel van de verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten, gelet op de ouderdom van de bewezen feiten.\n\nVerder is van belang dat de verdachte op 17 juni 2021 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en een geldboete van € 32.000,- voor soortgelijke feiten. De rechtbank zal gelet hierop en gezien de overeenkomende aard van de feiten waarvoor de verdachte in België is veroordeeld, in strafmatigende zin rekening houden met deze veroordeling. Daarom vindt de rechtbank voor de feiten 3 tot en met 6 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend. Beperking van de gevangenisstraf tot twee jaar, zoals de verdediging heeft verzocht, doet onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden.\n\nIn totaal komt de rechtbank dan uit op een gevangenisstraf van 56 maanden met aftrek van voorarrest. De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 9 jaar vindt de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, te hoog. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\nDe gevorderde geldboete vindt de rechtbank niet op zijn plaats. De verklaring van de verdachte op de zitting biedt onvoldoende concrete handvatten om de hoogte van de verdiensten van de verdachte vast te kunnen stellen. Het bepalen van de hoogte van een daarop gebaseerde geldboete wordt daarmee in zekere zin willekeurig. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om naast een gevangenisstraf van langere duur, ook nog een geldboete op te leggen. Daarbij weegt ook mee dat de verdachte in zijn financiële positie is getroffen door de veroordeling in België, omdat hij daar wel is veroordeeld tot een geldboete. Ten slotte weegt hierbij mee dat de officier van justitie voor het afnemen van de criminele verdiensten een ontnemingsvordering kan indienen, omdat hij deze op de zitting heeft aangekondigd.\n\nMet de officier van justitie ziet de rechtbank op dit moment geen noodzaak om aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] op te leggen, gelet op de duur van de gevangenisstraf die de verdachte moet ondergaan. Indien nodig kan een contactverbod eventueel worden opgelegd als voorwaarde in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.6. In beslag genomen voorwerpen6.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen OMIX-telefoon wordt verbeurd verklaard en dat de crypto-ledger van het merk Nano S. wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, omdat (nog) niet vastgesteld is dat de ledger van de verdachte is.6.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om teruggave van de crypto-ledger van het merk Nano S aan de verdachte.6.3.. Oordeel van de rechtbank6.3.1.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank zal de teruggave van de in beslag genomen OMIX-telefoon (nummer 7) aan de verdachte gelasten, gelet op de vrijspraak van feit 2.\n\nDe rechtbank zal ook de teruggave van de in beslag genomen crypto-ledger van het merk Nano S (nummer 9) aan de verdachte gelasten. Deze crypto-ledger is in de woning van de verdachte aangetroffen. De officier van justitie heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de crypto-ledger niet zou toebehoren aan de verdachte.7. Vordering van de benadeelde partij7.1.. \n\nVordering [benadeelde]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 schadevergoeding gevorderd. De vordering ziet op bedragen van € 6.505,- voor verhuiskosten, € 5.437,50 voor notariskosten, € 544,50 voor makelaarskosten en € 346,50 voor reiskosten, als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij is aangevoerd dat de benadeelde partij voor zijn huis is aangevallen en dat de daders zijn adres wisten, waardoor hij zich niet meer veilig voelde in zijn huis. Hij heeft het huis daarom in oktober 2021 in de verkoop gezet en in de zomer van 2022 is hij verhuisd. De hiermee samenhangende kosten zijn te zien als schade die in direct verband tot het strafbare feit staat. Ook heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel door het strafbare feit opgelopen en heeft hij geestelijke gevolgen door het strafbare feit ondervonden. Hij is uiteindelijk in augustus en september 2025 uitgevallen op zijn werk, waarna hij zich heeft gemeld voor therapie. Hij heeft psychologische hulp gekregen voor PTSS-klachten die zijn ontstaan door het strafbare feit. Het gevoel van veiligheid van de benadeelde partij is aangetast. Hij heeft de reiskosten moeten maken in verband met de therapiesessies. Ter onderbouwing van de vordering is namens de benadeelde partij gewezen op vergelijkbare zaken.7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor de gevorderde reiskosten. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering van de met de verhuizing samenhangende kosten, omdat onvoldoende is gebleken van causaal verband tussen de verhuizing en het strafbare feit. Niet is gebleken dat de benadeelde partij zich uit angst voor de verdachte genoodzaakt zag om te verhuizen. Enerzijds omdat uit verschillende berichten en uitlatingen van de benadeelde partij blijkt dat hij niet bang was voor de verdachte. Anderzijds omdat er chatberichten in het dossier zitten dat de benadeelde partij al vóór het strafbare feit bezig was met de aankoop van een nieuwe woning, zodat de wens om te verhuizen er al was. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is onvoldoende onderbouwd dan wel bovenmatig. De diagnose PTSS is niet bij de benadeelde partij gesteld. Dat de benadeelde klachten ervaart die passen bij PTSS kan niet worden gelijkgesteld met een vastgestelde stoornis. Daarnaast is in de strafzaken tegen twee andere verdachten een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- toegewezen, terwijl er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die rechtvaardigen dat de verdachte een hogere vergoeding dient te betalen. De vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBLIM:2023:7380) waarnaar is verwezen, komt niet overeen met deze zaak. Verzocht wordt hoofdelijke veroordeling voor het immateriële deel van de vordering, zodat de verdachte deze schadevergoeding samen met de andere verdachten moet voldoen.7.4.. Oordeel van de rechtbank7.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden bestaande uit reiskosten als gevolg van het onder 1 genoemde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering op dit punt niet betwist. De gevorderde reiskosten komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom voor dit deel toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 346,50 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade in de vorm van makelaars-, notaris en verhuiskosten. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.7.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een hoofdwond. Voorts heeft het strafbare feit psychische gevolgen voor de benadeelde partij gehad.\n\nDie schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. De benadeelde partij is door het handelen van de verdachte niet alleen aangetast in zijn lichamelijke integriteit, maar ook in zijn persoonlijke levenssfeer omdat het strafbare feit plaatsvond bij zijn woonadres. Voor wat betreft de aard en ernst van het letsel houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de overgelegde medische informatie volgt dat sprake is geweest van oppervlakkig letsel aan het hoofd en dat de verdachte gezondheidsproblemen heeft die vallen onder de noemer PTSS, waardoor de benadeelde partij in 2025 voor een periode van twee maanden is uitgevallen op het werk. Dat deze klachten enkele jaren na het incident (in ernstigere mate) aanwezig zijn, is, gezien het verloop van de strafzaak, begrijpelijk. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de begroting van de schade die de uitvoerders aan de benadeelde partij hebben moeten vergoeden. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe verdachte heeft getracht anderen uit te lokken om de benadeelde partij zwaar te mishandelen. Daarmee heeft de verdachte zelf, dus los van aan die anderen te maken verwijten, onrechtmatig jegens de benadeelde partij gehandeld, zodat geen plaats is voor hoofdelijke veroordeling met de uitvoerders, zoals door de verdediging is verzocht.7.4.3.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 15 april 2020, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden. Wat de reiskosten betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt vanaf 1 oktober 2025 gedurende een periode van 6 maanden, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode, te weten vanaf 1 januari 2026, zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 13 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van de straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46a, 47, 57 en 303 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVoorvragen\n\nverklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair, feit 3 primair, feit 4 primair, feit 5 primair en feit 6, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 56 (zesenvijftig) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\nbeveelt de teruggave van de OMIX-telefoon (nummer 7) en de crypto-ledger van het merk Nano S. (nummer 9) aan de verdachte;\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] (feit 1 primair), te betalen een bedrag van € 1.346,50, bestaande uit € 346,50 als vergoeding van materiële schade en € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over het materiële schadebedrag vanaf 1 januari 2026 en de wettelijke rente over het immateriële schadebedrag vanaf 15 april 2020 tot de dag van volledige betaling;\n\nwijst af de vordering van het resterende deel van de immateriële schade;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering van de materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 primair de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat€ 1.346,50te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade van € 346,50 vanaf 1 januari 2026 en de wettelijke rente over de immateriële schade van € 1.000,- vanaf 15 april 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur vanmaximaal 13 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\n10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. W.J. de Veld, voorzitter,\n\nen mrs. M.K. Asscheman-Versluis en M.S. Polet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 april 2026.\n\nMr. Polet is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Vonnis Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen 17 juni 2021, pagina 41 e.v. van het zaaksdossier [dossiernaam] .\n\n HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:387, r.o. 3.3.1.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7914","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:24.526Z",{"id":103,"ecli":104,"slug":105,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":106,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":108},"1838","ECLI:NL:RBROT:2025:15805","ecli-nl-rbrot-2025-15805","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 2\n\nParketnummer: 10-155418-24\n\nDatum uitspraak: 28 maart 2025\n\nTegenspraak\n\nVerkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres\n\n [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\nten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in\n\nde Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,\n\nraadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2025.2. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op\n\nde terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.\n\nDe tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.3. Procesafspraken\n\nHet Openbaar Ministerie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, hebben op 3 maart 2025 een overeenkomst gesloten waarbij procesafspraken zijn gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming daarvan. De procesafspraken zijn voorafgaand aan de zitting naar de rechtbank gestuurd.\n\nOp zitting hebben de verdachte en de officier van justitie bevestigd dat het - voor zover relevant - gaat om de volgende afspraken:\n\nhet Openbaar Ministerie zal bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vorderen;\n\nhet Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting een gevangenisstraf van 38 maanden vorderen met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,=;\n\nde verdachte\u002Fde verdediging ziet af van het indienen van onderzoekswensen, zal geen bewijsverweren voeren en doet afstand van alle inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen;\n\ndoor de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte\u002Fde verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken en de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken.\n\nTijdens de zitting heeft de rechtbank de gemaakte afspraken met de verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. B.J.G. Leeuw, besproken. De verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken en dat hij goed begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak kunnen hebben.\n\nOordeel rechtbank\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Ook is sprake van een eerlijk proces en wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het EVRM stelt. De beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in deze strafzaak is leidend. Die beantwoording volgt hierna.4. Bewijs\n\nStandpunt officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. B.J.G. Leeuw heeft gevorderd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging refereert zich voor de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank, voor zover dit aansluit bij de inhoud van de gemaakte procesafspraken.\n\nBewezenverklaring\n\nDe overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage, met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:\n\n1.\n\nhij in of omstreeksde periode van 29 januari 2021 tot en met 8 maart 2021te Rotterdam, althansin Nederland, tezamen en in vereniging met(een)ander(en),althans alleen (van)\n\neen voorwerp, althans een of meervoorwerpen, te weten:\n\n- een contant geldbedrag van € 499.900,- op 3 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.065.000,- op 5 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.000.000,- op 13 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 267.000,- op 24 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 721.350,- op 25 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 384.900,- op 1 maart 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 855.000,- op 6 maart 2021;sub a\n\n- de werkelijke aard, de herkomst de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)sub b\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt,terwijl hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)wist(en)datdat\u002Fdie voorwerp(en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstigwas\u002Fwaren uit enig misdrijf en hij, verdachte en\u002Fofzijn mededader(s)van het plegen van witwassen een gewoonteheeft\u002Fhebben gemaakt.\n\n2.\n\nhij op of omstreeks4 december 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\nongeveer 49,3kilogram cocaïne,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,zijndecocaïneeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.,\n\ndan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.5. Strafbaarheid feiten\n\nDe bewezen feiten leveren op:\n\n1.\n\nmedeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken;\n\n2.\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van\n\nde feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.6. Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.7. Strafmotivering\n\nEis officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft een gevangenisstraf geëist voor de duur van 38 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,=, subsidiair 365 dagen hechtenis.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging verzoekt primair de rechtbank om de procesafspraken op het punt van de gevorderde gevangenisstraf te volgen en om de gevorderde geldboete met 25% te matigen.\n\nSubsidiair verzoekt de verdediging de procesafspraken - en daarmee de eis van de officier van justitie - te volgen.\n\nOordeel rechtbank\n\nDe straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten,\n\nde omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten en straffen in soortgelijke zaken\n\nDe verdachte heeft in zijn woning en de daarbij behorende berging ruim 49,3 kilogram cocaïne voorhanden gehad. Daarnaast heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van grote contante geldbedragen. Cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Verdovende middelen zijn verslavend en kunnen de gezondheid schaden. Bovendien hangt het gebruik van en de handel in en verspreiding van verdovende middelen samen met allerlei bijkomende vormen van schadelijke en overlastgevende (zware) criminaliteit.\n\nHet witwassen van crimineel geld faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast het vertrouwen aan dat men moet kunnen hebben in het financieel-economische verkeer. Daarmee wordt ook het legale handelsverkeer ondermijnd en gecorrumpeerd. Bij de bepaling van de soort en duur van de straffen heeft de rechtbank ook rekening gehouden\n\nmet straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 20 februari 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit betekent dat het strafblad niet strafverzwarend meeweegt. In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte geen sturende rol had binnen de organisatie en op de zitting openheid van zaken heeft gegeven.\n\nConclusies\n\nAlles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Het primaire verzoek van de raadsman zal daarom worden afgewezen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.8. In beslag genomen voorwerpen\n\nTer zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand heeft gedaan van alle onder hem in beslag genomen goederen.\n\nDit brengt met zich dat er binnen deze procedure geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nGelet is op de artikelen 23, 24c, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.10. Bijlage\n\nDe in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.11. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 (achtendertig) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100.000,= (honderdduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 365 (driehonderd-vijfenzestig dagen) hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,\n\nen mr. H. Wielhouwer en mr. J.C. Oord, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting op 28 maart 2025.\n\nDe oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I\n\nTekst gewijzigde tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt ten laste gelegd dat\n\n1.\n\nhij in of omstreeks de periode van 29 januari 2021 tot en met 8 maart 2021 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (van)\n\neen voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten:\n\n- een contant geldbedrag van € 499.900,- op 3 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.065.000,- op 5 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 1.000.000,- op 13 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 267.000,- op 24 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 721.350,- op 25 februari 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 384.900,- op 1 maart 2021;\n\n- een contant geldbedrag van € 855.000,- op 6 maart 2021;\n\nsub a\n\n- de werkelijke aard, de herkomst de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof\n\n- heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\nsub b\n\n- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof\n\n- gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) -\n\nonmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf en hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt.\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 december 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad\n\nongeveer 49,3kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,\n\ndan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15805","2026-07-13T00:29:41.277Z",1,20]