[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":42,"total":16,"page":25,"limit":141},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},11,{"min":18,"max":19},"2025-08-07T00:00:00.000Z","2026-06-29T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,36,39],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123307","Burgerlijk Wetboek","art. 7:668 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122290","art. 7:672 lid 11",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"123002","art. 7:673 lid 7",{"provisionId":33,"code":34,"article":35,"count":25},"123003","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 288",{"provisionId":37,"code":34,"article":38,"count":25},"123141","art. 130 lid 1",{"provisionId":40,"code":23,"article":41,"count":25},"123143","art. 5:2",[43,54,63,72,81,89,98,106,115,124,133],{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":48,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"1308","ECLI:NL:RBROT:2026:7443","ecli-nl-rbrot-2026-7443","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nzaaknummer: 711202 HA RK 25-1185\n\ndatum uitspraak: 29 juni 2026\n\nBeschikking van de rechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwoonplaats: [woonplaats],\n\nverzoekster,\n\nadvocaat: mr. H.B. Dekker,\n\ntegen\n\nStichting Nederlands Fotomuseum,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\nverweerster,\n\nadvocaat: mr. M. Hurks.\n\nVerzoekster\u002Fwerkneemster wordt hierna ‘de bestuurder’ genoemd. Verweerster\u002Fwerkgever wordt hierna ‘de RvT’ of ‘werkgever’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van de bestuurder, met bijlagen;\n\nhet verweerschrift van de RvT met bijlagen;\n\nde aanvullende bijlagen van de bestuurder;\n\nde spreekaantekeningen van de advocaten;\n\nde schriftelijke verklaring die de bestuurder tijdens de zitting heeft voorgedragen.\n\n1.2.. Op 18 mei 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. De bestuurder was aanwezig met haar advocaat. Namens de RvT waren de voorzitter en drie leden aanwezig, met de advocaat.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. De bestuurder werkte bij werkgever als directeur-bestuurder. De RvT heeft de bestuurder op 18 juli 2025 ontslagen, met een opzegtermijn van twee maanden. De arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 oktober 2025. De bestuurder is het niet eens met het ontslag. Zij vraagt een verklaring voor recht dat er geen redelijke grond was om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, dan wel dat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de RvT. De bestuurder vraagt primair een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto inclusief onderzoekskosten en juridische kosten. Als dit bedrag niet wordt toegewezen vraagt de bestuurder een billijke vergoeding van € 300.000,- bruto plus onderzoekskosten en juridische kosten. Ook vraagt de bestuurder om werkgever te veroordelen een rectificatie op de website te plaatsen en deze te sturen aan de hoofdredacteuren van de Volkskrant, NRC, het AD, de NOS en het ANP. De RvT vindt dat de verzoeken moeten worden afgewezen.\n\nDe uitkomst\n\n2.2.. De bestuurder krijgt gelijk. De rechter oordeelt dat er geen redelijke grond was voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst en dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Werkgever moet aan de bestuurder de gevraagde billijke vergoeding betalen van € 400.000,- bruto. Ook moet werkgever een rectificatie plaatsen. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\nWat is er gebeurd?\n\n2.3.. De bestuurder werkte sinds 15 november 2018 bij werkgever als directeur-bestuurder.\n\n2.4.. In april\u002Fmei 2024 vernam de bestuurder dat de Volkskrant bezig was met een onderzoek naar de werksfeer bij werkgever. In overleg met de RvT is een statement en Q&A-lijst voor medewerkers opgesteld. In september 2024 kreeg de RvT signalen dat de Volkskrant bezig was met een artikel. Op initiatief van de RvT is vervolgens een Cultuuronderzoek uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau (Kroll).\n\n2.5.. In mei 2025 ontving de bestuurder een concept artikel van de Volkskrant, waarin zij werd beschuldigd van narcisme, toxisch management en schrikbewind. De bestuurder heeft dit concept doorgestuurd aan de RvT, personeelsvertegenwoordiging (‘PVT’) en het managementteam (‘MT’). De bestuurder heeft aan de Volkskrant een reactie gestuurd op het concept. De RvT stuurde ook een reactie aan de Volkskrant en een met de PVT en het MT afgestemd statement. Daarin werd steun aan de bestuurder uitgesproken.\n\n2.6.. Op 19 juni 2025 heeft de RvT de bestuurder per direct geschorst. Als reden gaf de RvT dat hij de vorige dag informatie uit de organisatie had ontvangen over het functioneren van de bestuurder. De RvT wilde niet zeggen welke informatie dat was. De RvT kondigde aan dat hij een intern onderzoek zou starten. Vanaf dat moment had de bestuurder geen toegang meer tot haar mailbox. De RvT heeft de schorsing per e-mail bevestigd en de bestuurder uitgenodigd voor de RvT-vergadering van 18 juli 2025, waarin haar voorgenomen ontslag als bestuurder op de agenda stond. De RvT heeft na de schorsing van de bestuurder bij de Volkskrant het statement met de steun aan de bestuurder ingetrokken.\n\n2.7.. De bestuurder heeft diezelfde dag per mail tegen de schorsing geprotesteerd. De volgende dag heeft zij gevraagd om een nadere toelichting en om toegang tot haar e-mail.\n\n2.8.. \n\nOp 23 juni 2025 heeft de RvT de bestuurder laten weten dat de RvT serieuze signalen had gekregen dat hij verschillende malen informatie had ontvangen, die mogelijk door\n\nde bestuurder zou zijn beïnvloed. Daardoor zou de RvT zijn controlerende taak niet volledig of naar behoren hebben kunnen uitvoeren.\n\n2.9.. Op 24 juni 2025 heeft de advocaat van de bestuurder nogmaals gevraagd om een toelichting op het schorsingsbesluit. Op 26 juni 2025 heeft de advocaat van de RvT de bestuurder en haar advocaat uitgenodigd voor een hoorgesprek op 3 juli 2025.\n\n2.10.. Op 26 juni 2025 heeft de Volkskrant gepubliceerd over de schorsing van de bestuurder. Op 1 juli 2025 verscheen in de Volkskrant een uitgebreid artikel over de bestuurder.\n\n2.11.. Op 3 juli 2025 vond het hoorgesprek plaats. Op 8 juli 2025 heeft de bestuurder schriftelijk een aanvullende reactie gegeven op onderwerpen die tijdens het hoorgesprek aan de orde kwamen. Op 9 juli 2025 heeft de bestuurder gereageerd op de notulen van het hoorgesprek die zij twee dagen daarvoor ontving. Ook heeft de bestuurder op 9 juli 2025 gereageerd op aanvullende vragen van de RvB. Diezelfde dag heeft de RvB weer aanvullende vragen gesteld. Deze heeft de bestuurder op 10 juli 2025 beantwoord.\n\n2.12.. Op 11 juli 2025 heeft de RvT de bestuurder laten weten dat het voorgenomen ontslag in stand bleef. De bestuurder ontving de conclusies van het onderzoek, een brief met daarin de redenen voor het voorgenomen ontslag en een agenda voor de vergadering op 18 juli 2025.\n\n2.13.. Op 14 juli 2025 heeft de bestuurder gereageerd op het onderzoek van de RvT. Zij heeft gevraagd om de Whatsapp berichten en de managementrapportages van 2024 en 2025 waarnaar de RvT verwees. Zij vroeg ook opnieuw om toegang tot haar mailbox. De RvT heeft alleen de managementrapportages verstrekt en geweigerd om de andere gevraagde informatie aan de bestuurder te verstrekken. De bestuurder kreeg ook geen toegang tot haar mailbox.\n\n2.14.. Op 16 juli 2025 heeft de bestuurder aanvullende stukken gestuurd aan de RvB. Op 17 juli 2025 ontving de bestuurder een aangepast onderzoeksrapport. Daarop heeft de bestuurder diezelfde dag nog gereageerd.\n\n2.15.. Op 18 juli 2025 is de bestuurder tijdens de RvT vergadering ontslagen als bestuurder. De arbeidsovereenkomst tussen de RvT en de bestuurder is per 1 oktober 2025 geëindigd.\n\n2.16.. Op 19 juli 2025 om 06.00 uur heeft de RvT op haar website een statement over het ontslag van de bestuurder geplaatst. Op dat moment is een pushbericht verstuurd aan meer dan 130 personen in binnen- en buitenland, die zich op persnieuwsberichten van werkgever hebben geabonneerd.\n\n2.17.. Na het ontslag van de bestuurder, in september 2025, heeft de RvT door extern onderzoeksbureau Unravelling een onderzoek laten uitvoeren naar de cultuur binnen de organisatie.\n\nWat vindt de rechter?\n\nHet ontslag was onterecht\n\n2.18.. Werkgever had geen redelijke grond om de arbeidsovereenkomst met de bestuurder op te zeggen. Op de zitting heeft de RvT gesteld dat sprake zou zijn van de h-grond en anders de g-grond. Voor de h-grond is nodig dat sprake is van omstandigheden die zodanig zijn dat van de RvT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de g-grond moet sprake zijn van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, waardoor van de RvT niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.\n\n2.19.. De verwijten die de RvT in dit verband aan de bestuurder maakt zijn naar het oordeel van de rechter onterecht. Het is niet gebleken dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur, veroorzaakt door de leiderschapsstijl van de bestuurder. Evenmin heeft de bestuurder de RvT niet voldoende of onjuist geïnformeerd over sociale onveiligheid en personeelsverloop, waardoor de RvT zijn toezichthoudende taak onvoldoende heeft kunnen uitoefenen. Verder staat niet vast dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde relatie. Voor zover er kritiek was op het leiderschap van de bestuurder, de wijze waarop de RvT geïnformeerd werd of sprake was van een verstoring in de werkrelatie, dan was dat in de gegeven omstandigheden nog geen reden voor ontslag. De RvT, die de bestuurder hier al die jaren niet op heeft aangesproken of vragen over heeft gesteld, kan dan niet ineens grijpen naar zo’n zware sanctie. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.\n\nGeen sociale onveiligheid en angstcultuur\n\n2.20.. Het staat niet vast dat sprake was van sociale onveiligheid en cultuurproblemen (angstcultuur) door het leiderschap van de bestuurder.\n\n2.21.. Het is wel zo dat er bij sommige medewerkers en oud-medewerkers de nodige weerstand was tegen de bestuurder. De bestuurder heeft uitgelegd dat dit te maken had met de opdracht die zij in 2018 bij haar aantreden van de RvT de opdracht kreeg. Dat was de opdracht om de organisatie weer op de rails te krijgen. De organisatiestond er zowel financieel als organisatorisch zeer slecht voor. De bestuurder heeft verschillende maatregelen getroffen en veranderingen doorgevoerd in de organisatie, waarbij zij merkte dat niet iedereen openstond voor die veranderingen en zij zelfs werd tegengewerkt. Dat wordt bevestigd door het onderzoek van Berenschot in 2020. Berenschot concludeerde dat een aantal medewerkers moeite had met de voortvarende aanpak van de bestuurder, terwijl een deel juist waardering had voor de frisse wind van de bestuurder en erkende dat verandering nodig was. Volgens Berenschot was er in het verleden sprake geweest van vrijblijvendheid en hobbyisme. In het rapport schrijft Berenschot: “dat er een schisma is tussen de oude garde en de nieuwelingen”, “Er is weerstand maar niet precies duidelijk is waartegen”, “Er zijn koninkrijkjes in het museum”, “Het benoemen financiële crisis, vormen crisisteam en bevriezen MT en het ontslag van twee “aanwezige” medewerkers is bij aantal medewerkers verkeerd gevallen. Dit wordt door aantal medewerkers aangegrepen om dwars te liggen (in gedrag en houding). Weerstand is nadrukkelijk zichtbaar bij maatregelen\u002Finterventies directeur.”\n\n2.22.. Volgens de bestuurder kende de RvT dit rapport. In 2021 had de bestuurder haar eerste en enige functioneringsgesprek met de RvT (met de toenmalige voorzitter en een van de leden). De bestuurder heeft onweersproken gesteld dat in dit gesprek veel waardering is uitgesproken voor het functioneren van de bestuurder, en ook voor het feit dat de bestuurder nadat ze zag wat ze aantrof binnen de organisatie, de baan niet had teruggegeven. Ook vroegen zij de bestuurder tijdens dat gesprek hoe zij het gif uit de organisatie ging halen. De bestuurder antwoordde daarop ‘Door mensen aan te spreken op hun gedrag. Maar dat zal niet makkelijk zijn.' De RvT heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De bestuurder heeft ook allerlei organisatorische veranderingen doorgevoerd, zoals het instellen van een externe vertrouwenspersoon, een gedragscode, een klokkenluidersregeling, het aanstellen van een HR-medewerker en het invoeren van drie functioneringsgesprekken per jaar en het organiseren van teamuitjes. Daarmee is door de bestuurder een forse verbeterslag gemaakt op het gebied van professionalisering van de organisatie.\n\n2.23.Volgens de bestuurder was de RvT op de hoogte van alle veranderingen die zij heeft doorgevoerd en was de RvT in zijn jaarlijkse verslagen altijd zeer lovend over de verrichtingen van de bestuurder en haar team. Het is niet vast komen te staan dat na 2021 met de bestuurder is gesproken over haar functioneren. De RvT stelt dat zij periodiek feedbackgesprekken had met de bestuurder, maar die betwist dat. Dat waren volgens de bestuurder koffiemomenten die plaatsvonden in het kader van de re-integratie van de bestuurder na een ernstige ziekte. Zij kreeg daarin geen feedback op haar functioneren. De RvT heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat dat anders is. Er zijn wel stukken en e-mails van de periode na 2021, maar daarin staat niets over (enige feedback op) het functioneren van de bestuurder.\n\n2.24.. Dat er andere zorgelijke signalen waren over het leiderschap van de bestuurder, of dat zelfs sprake was van een angstcultuur binnen de organisatie, zoals de RvT stelt, is evenmin gebleken. De bestuurder stelt onweersproken dat er de afgelopen jaren zes externe onderzoeken zijn uitgevoerd binnen de organisatie en dat daar niets uit is gekomen wat wijst op sociale onveiligheid of problemen in de cultuur. In 2018 en 2022 zijn onderzoeken uitgevoerd door Berenschot, in 2022 en in 2024 vonden medewerkersonderzoeken plaats. In januari 2024 verscheen een rapport van de Visitatiecommissie van OCW. De commissie concludeerde dat er een open relatie was tussen de RvT en de bestuurder, de RvT en de medewerkers en tussen de bestuurder en de medewerkers. Ook werd volgens de commissie adequaat gereageerd op incidenten die raken aan een veilige werkomgeving binnen het museum. De commissie was zeer onder de indruk van de betrokkenheid en bevlogenheid van zowel de medewerkers als de bestuurders. Wel werd de werkdruk door sommige medewerkers als hoog ervaren door de aankomende verhuizing. In 2024 heeft de externe vertrouwenspersoon een rapport uitgebracht. Daarin stond dat in 2023 een minimaal beroep op de vertrouwenspersoon was gedaan en dat medewerkers goed de weg wisten te vinden als er sprake is van (mogelijk) grensoverschrijdend gedrag. In 2024 vond het Cultuuronderzoek door Kroll plaats. Uit het rapport blijkt dat erkend werd dat het museum een noodzakelijke ontwikkeling had doorgemaakt van een familiale cultuur naar een meer hiërarchische cultuur en dat dit nodig was geweest. De ondervraagden hadden er begrip voor dat de verandering ook had geleid tot het vertrek van medewerkers. Volgens de bestuurder zijn uit al deze onderzoeken geen signalen naar voren gekomen die de beschuldigingen van de RvT ondersteunen. De RvT heeft dit alles niet weersproken. De RvT trekt nu de betrouwbaarheid van die onderzoeken in twijfel, omdat zij meent dat de bestuurder die uitkomsten zou hebben beïnvloed. Die beschuldiging is onterecht, zoals hierna zal worden uitgelegd. Op de zitting heeft de RvT nog gezegd dat het rapport van de externe vertrouwenspersoon niet zoveel zegt, omdat medewerkers niet naar de externe vertrouwenspersoon durfden, maar de RvT onderbouwt dat niet. Er is geen reden om aan te nemen dat wat de RvT zegt klopt. Volgens het rapport van de vertrouwenspersoon wisten medewerkers de weg naar de vertrouwenspersoon juist goed te vinden.\n\n2.25.. De bestuurder heeft er ook op gewezen dat in de periode in 2022, toen zij langdurig afwezig was vanwege een ernstige ziekte en vervangen werd door een interim-directeur, van zijn kant ook geen signalen zijn gekomen dat sprake was van een onveilige cultuur. De bestuurder heeft er in dit verband ook onweersproken op gewezen dat deze interim-directeur volgens de RvT ‘warm en benaderbaar’ was. Als er serieuze problemen waren binnen de organisatie, dan ligt het voor de hand dat dit ook onder de aandacht van de interim directeur zouden zijn gebracht.\n\n2.26.. Uit signalen van de PVT blijkt evenmin dat sprake was van sociale onveiligheid of een angstcultuur. De RvT legt een brief over van de PVT uit 2020 aan de RvT, waaruit volgens de RvT blijkt dat de PVT ernstige zorgen heeft over de bestuurder. De PVT heeft deze brief echter nooit verstuurd. Op de zitting heeft de RvT uitgelegd dat dat was omdat het de bedoeling van de PVT was om deze brief te sturen namens het hele personeel, maar niet iedereen stond hier achter. De RvT stelt in het verweerschrift dat zij in 2021 van de PVT “zorgelijke signalen kreeg over de organisatie en met name de onrust en werkdruk voor het personeel” maar dit is verder niet onderbouwd. Uit niets blijkt dat de RvT hierop enige actie heeft ondernomen of dit met de bestuurder heeft besproken. De RvT legt verder nog een brief over van de PVT aan de bestuurder van 22 februari 2024. De bestuurder heeft uitgelegd dat zij hier uitgebreid op heeft gereageerd en dat zij naar aanleiding van deze brief ook verschillende maatregelen heeft getroffen, die zij ook benoemt. De bestuurder zegt dat zij niet heeft gehoord dat de PVT de acties niet voldoende vond. Zij heeft daarna geen signalen meer gekregen van de PVT. Ook niet van de RvT, aan wie zij de brief van de PVT en haar uitgebreide reactie daarop had doorgestuurd. De RvT heeft dit alles niet weersproken.\n\n2.27.. De RvT onderbouwt de gestelde sociale onveiligheid en angstcultuur verder met zijn eigen onderzoek en een onderzoek door Unravelling. Uit het eigen onderzoek zijn volgens de RvT signalen gekomen dat er al lange tijd iets mis lijkt met de cultuur. Volgens de RvT worden die uitkomsten bevestigd door het in september 2025 uitgevoerde cultuuronderzoek door extern onderzoeksbureau Unravelling. De rechter is het met de bestuurder eens dat beide onderzoeken onvoldoende objectief zijn en onvoldoende met feiten onderbouwd zijn. Daarom leveren zij geen deugdelijke onderbouwing op voor de gestelde ontslagredenen en de verwijten die de RvT aan de bestuurder maakt.\n\n2.28.. Het eigen intern onderzoek van de RvT is naar het oordeel van de rechter onvoldoende betrouwbaar. De rechter is het eens met de conclusies uit het rapport van Verinorm, dat door de bestuurder is ingeschakeld en neemt deze over. Verinorm komt tot de conclusie dat het onderzoek onvoldoende onpartijdig, onafhankelijk, zorgvuldig en objectief is uitgevoerd. De RvT heeft in het kader van het eigen onderzoek met een beperkt aantal personen gesproken. De bestuurder werd vervolgens uitgenodigd voor een hoorgesprek, zonder dat zij wist waar dat over zou gaan. Ondanks herhaald verzoek kreeg zij geen toegang tot haar e-mail. De bestuurder is daardoor onvoorbereid het drie uur durende hoorgesprek in gegaan, waarin zij allerlei verwijten te horen kreeg. Verder was de RvT zelf ook partij bij een van de verwijten aan de bestuurder, namelijk het verwijt dat de bestuurder hem onvoldoende zou hebben geïnformeerd. De beschuldiging over beïnvloeding van het Cultuuronderzoek en medewerkersonderzoek is – naar de rechter begrijpt – gebaseerd op enkele verklaringen van anonieme medewerkers. De verklaringen van deze medewerkers ontbreken en ook de stukken waarop de RvT zich kennelijk baseert, zitten niet bij hun onderzoeksrapport. De bestuurder heeft ook niet de beschikking gekregen over deze stukken en\u002Fof verklaringen, zodat zij zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen verweren. Het rapport lijkt vooral een bevestiging van vooraf ingenomen conclusies. De vragen die aan de bestuurder zijn gesteld waren sturend en de RvT baseert zich grotendeels op subjectieve verklaringen en ervaringen van enkele anonieme medewerkers. Uit het rapport blijkt niet dat deze verklaringen zijn getoetst aan andere (objectieve) data. Aan de verklaringen van de bestuurder en de stukken die zij heeft aangeleverd heeft de RvT ten onrechte weinig waarde gehecht, terwijl de bestuurder daarmee het overgrote deel van de gemaakte verwijten deugdelijk heeft weerlegd. Dit was overigens mede te danken aan het feit dat de bestuurder kortdurend – zonder dat de RvT dit overigens mogelijk had gemaakt – toegang bleek te hebben tot haar mailbox, waardoor zij meerdere belangrijke stukken boven water heeft kunnen halen.\n\n2.29.. De rechter is met de bestuurder van oordeel dat ook het onderzoek van Unravelling onvoldoende betrouwbaar is en geen deugdelijke onderbouwing oplevert voor de gestelde sociale onveiligheid door het leiderschap van de bestuurder. Dit onderzoek is achteraf, na het ontslag van de bestuurder, in opdracht van de RvT uitgevoerd. De bestuurder is niet op de hoogte gesteld van dit onderzoek. Hoewel het onderzoek werd gepresenteerd als een ‘cultuuronderzoek’, ging het gelet op de vraagstelling grotendeels over het leiderschap door de bestuurder. De bestuurder kwam hier pas achter nadat de onderzoekers aan haar ook een vragenformulier hadden toegezonden als ‘oud-medewerker’. De uitkomsten van het onderzoek zijn beïnvloed door de suggestieve presentatie en vraagstelling, zoals Verinorm ook constateert. Zo staat bijvoorbeeld in de uitnodiging die is verzonden aan de medewerkers en oud-medewerkers dat de RvT had besloten tot dit onderzoek omdat meerdere (oud)medewerkers naar aanleiding van het vertrek van de bestuurder hun ervaringen wilden delen “met het oog op verwerking en herstel”. Verder blijkt uit het rapport dat alle medewerkers en oud-medewerkers anoniem zijn ondervraagd naar hun negatieve ervaringen met de bestuurder. De uitkomsten zijn onvoldoende representatief omdat het gaat om een kleine groep deelnemers. In het rapport staat “Het aantal respondenten is te klein om statistisch significante uitspraken te doen”. Bovendien staan in het rapport alleen meningen en ervaringen van de anonieme deelnemers aan het onderzoek. Niet is onderzocht of beoordeeld of de ervaringen feitelijk juist zijn. Opvallend is ook dat alle oud-medewerkers uit de bestuursperiode van de bestuurder zouden zijn uitgenodigd om deel te nemen, maar enkele door de bestuurder genoemde personen die positief verklaren over haar functioneren zijn niet uitgenodigd voor het onderzoek. Gelet op dit alles kunnen er naar het oordeel van de rechter geen algemene conclusies over de cultuur en de leiderschapsstijl van de bestuurder worden getrokken op basis van dit onderzoeksrapport, laat staan de conclusie dat sprake was van een angstcultuur.\n\n2.30.. Hiermee wil de rechter overigens niet afdoen aan de beleving van sommige (oud) medewerkers over hun ervaringen met de bestuurder, zoals die blijken uit het onderzoeksrapport. Er was sprake van directief leiderschap, dat mede gelet op de opdracht die de bestuurder van de RvT had meegekregen – het gif uit de organisatie halen – niet bij alle medewerkers steeds in goede aarde is gevallen. Er zijn ingrijpende maatregelen getroffen, zoals het gedwongen vertrek van twee medewerkers met een lange staat van dienst. Ook was de werkdruk binnen de organisatie hoog vanwege de verhuizing naar een nieuwe locatie en alle voorbereidingen die hiermee samenhingen. Maar als er pas achteraf, nadat de bestuurder al is ontslagen, met een onderzoek op de manier zoals dat hier is ingestoken, signalen over onvrede bij medewerkers en oud-medewerkers worden opgehaald, dan moeten de bevindingen wel kritisch worden beschouwd en in het juiste perspectief worden geplaatst. Daarbij had de RvT rekening moeten houden met wat hij al die tijd al wist, namelijk dat er een tweedeling was tussen de oude en de nieuwe garde, waarbij sommige medewerkers nu eenmaal moeite hadden met de voortvarende aanpak van de bestuurder. Dit heeft de RvT onvoldoende gedaan.\n\nDe bestuurder heeft de RvT niet onvoldoende of onjuist ingelicht\n\n- Uitstroomcijfers en vertrekredenen\n\n2.31.. In het verweerschrift maakt de RvT aan de bestuurder een nieuw verwijt, te weten dat de bestuurder de RvT onvolledig of onjuist heeft geïnformeerd over de jarenlange zorgelijk hoge uitstroomcijfers. De bestuurder voert terecht aan dat de uitstroomcijfers over de eerdere jaren niet aan haar ontslag ten grondslag zijn gelegd. Het ontslag had te maken met de uitstroom over 2024. Bovendien waren de uitstroomcijfers in de bestuursperiode van de bestuurder niet hoger dan in de jaren voordat de bestuurder aantrad. Verder heeft de bestuurder gemotiveerd weersproken dat de RvT al die jaren niet op de hoogte was van de uitstroomcijfers of dat de bestuurder hierover onjuiste informatie heeft verstrekt. De uitstroomcijfers staan volgens de bestuurder in alle jaarverslagen en waren de RvT dus bekend. Volgens de bestuurder heeft de RvT nooit vragen gesteld over de uitstroomcijfers of zijn zorgen hierover uitgesproken. De RvT heeft dit allemaal onvoldoende weersproken.\n\n2.32.. Het verwijt dat de bestuurder de RvT onvoldoende of onjuist heeft geïnformeerd over de vertrekredenen en feedback van de in 2024 vertrokken medewerkers, is eveneens onterecht. De RvT stelt dat de bestuurder in het jaarverslag 2024 onjuiste informatie heeft verstrekt, omdat daarin staat dat uit de exitgesprekken met de vertrekkende medewerkers geen algemene reden voor hun vertrek naar voren is gekomen. Volgens de RvT blijkt uit de e-mail van HR die de bestuurder op 30 september 2024 ontving wel degelijk een rode draad in de feedback uit de exitgesprekken. De RvT stelt dat hij de informatie die de bestuurder heeft achtergehouden nodig had om zijn toezichthoudende taak te kunnen uitoefenen, zeker gezien de Cultuurscan die zou starten.\n\n2.33.. \n\nDe bestuurder heeft de mail van HR van 30 september 2024 niet gedeeld met de RvT. Dit kan de bestuurder niet worden verweten. De rechter vindt leest in die e-mail geen informatie, die maakte dat deze e-mail door de bestuurder met de RvT moest worden gedeeld. In die mail staat het volgende over het vertrek van zes medewerkers in 2024:\n\n\"Feedback die in exitgesprekken meerdere malen naar voren kwam:\n\n. onduidelijkheid over mandaten\n\n. micromanagement wordt meermaals genoemd\n\n. ervaren gebrek aan (gewenste) transparantie, met name over medewerkers die eerder uit dienst gingen, sociale (on)veiligheid wordt hierdoor sterker beleefd\n\n. weinig worden betrokken bij processen, (dit speelt ook onder medewerkers in dienst)\n\n. te veel ad hoc werk wat ervaren werkdruk vergroot”\n\n2.34.. De bestuurder heeft in haar aanvullende reactie op het hoorgesprek aan de RvT al uitgelegd, dat volgens haar uit het overzicht van HR geen patroon in de vertrekredenen kan worden afgeleid. De rechter is het hiermee eens. Uit de e-mail blijkt dat sprake was van verschillende, deels persoonlijke vertrekredenen. De bestuurder verwijst naar een e-mail van HR van 22 augustus 2024, dat haar standpunt bevestigt. Er staat: “In de jaarplannen staat aangegeven dat uit de exitgesprekken met de uitdiensttredende medewerkers geen algemene reden voor vertrek is gekomen. Het deels natuurlijke verloop is conform de beweging die op de arbeidsmarkt in de cultuursector te zien was. Dit klopt in mijn ogen grotendeels wel, ook als we kijken naar andere organisaties in de sector”.Volgens de bestuurder heeft HR deze e-mail opgesteld voor het overleg met de PVT van 29 augustus 2024, waarbij ook een RvT lid aanwezig was. Volgens de bestuurder heeft dit RvT-lid tijdens dat overleg ook gezegd dat de uitstroom volgens zijn ervaring niet ongebruikelijk was. De RvT heeft dit niet weersproken. Volgens de bestuurder was de RvT bovendien al op de hoogte van het vertrek en de vertrekreden van drie van de zes medewerkers (de directiesecretaresse, de controller en de zakelijk leider) waar de mail van HR over ging. Van de andere drie medewerkers heeft de bestuurder de redenen toegelicht: twee hadden een andere uitdaging gevonden en één medewerker gaf aan dat zijn baan te veel stress opleverde. Ook dit heeft de RvT onvoldoende weersproken.\n\n2.35.. De bestuurder voert verder onweersproken aan dat zij naar aanleiding van de feedback uit de exitgesprekken ook de nodige acties heeft ondernomen. De onderwerpen 'onduidelijkheid mandaten, micromanagement, weinig betrokken bij processen' zijn meegenomen in het Organisatie Ontwikkelingsplan, dat begin 2024 is gestart en in het Management development Traject, dat begin 2025 van start is gegaan. Naar aanleiding van de feedback ‘te veel adhoc werk wat de werkdruk verder vergroot' is de afspraak gemaakt dat alleen teamleiders aan medewerkers een opdracht kunnen geven en niet collega’s onderling. Om collega's weerbaarder te maken en tegen collega's durven te zeggen dat ze geen opdracht kunnen aannemen, is daaraan aandacht besteed in de door de bestuurder georganiseerde cursus feedback voor alle medewerkers. Naar aanleiding van de feedback 'ervaren gebrek aan (gewenste) transparantie over medewerkers die uit dienst gaan', is in de teams uitleg gegeven, namelijk dat over een afscheid van een medewerker vaak niets gezegd kan worden in verband met privacy of omdat er nog gesprekken plaatsvinden met de betreffende medewerker.\n\n2.36.. De rechter is van oordeel dat op basis van de feedback uit de exitgesprekken inderdaad niet kan worden geconcludeerd dat sprake was van een rode draad, die wijst op een cultuurprobleem. Bovendien was de RvT al op de hoogte van de vertrekredenen van drie van de zes medewerkers. De rechter vindt daarom dat de bestuurder geen verwijt valt te maken dat zij de RvT niet heeft geïnformeerd over de e-mail van 30 september 2024. Als de RvT meer informatie had gewild of vragen had over de uitstroomcijfers, had de RvT hiernaar kunnen vragen. Maar daar zag de RvT toen kennelijk geen reden voor. Bovendien heeft de bestuurder de feedback ter harte genomen en adequate acties genomen.\n\n2.37.. De RvT maakt aan de bestuurder ook een verwijt rondom de opzegging van zijn dienstverband door curator [naam 1] (hierna: de curator) na 20 jaar dienstverband. De RvT stelt in dit verband dat de bestuurder de opzeggingsbrief van de curator van 30 september 2024 twee weken onbeantwoord heeft gelaten, daarop vervolgens harteloos heeft gereageerd en de RvT niet heeft geïnformeerd over zijn ontslag. De bestuurder betwist dat. Zij heeft erop gewezen dat zij de voltallige RvT direct per e-mail op de hoogte heeft gebracht van het ontslag van de curator. Daarnaast zegt de bestuurder dat zij in een persoonlijk gesprek met de curator heeft gesproken over zijn beweegredenen en dat zij samen met hem de berichtgeving over zijn vertrek heeft opgesteld. Verder heeft de bestuurder een verrassingsafscheid georganiseerd, waarbij zij de curator heeft toegesproken en een waardebon van € 600,- heeft gegeven voor een nieuwe I-pad. Dit alles heeft de RvT niet weersproken. De Rvt heeft op de zitting gezegd dat hij niet wist van het gesprek tussen de bestuurder en de curator. Dat had de RvT niet afgeleid uit de ontslagbevestiging die de bestuurder aan de curator heeft gestuurd, en heeft vervolgens zelf de conclusie getrokken dat geen gesprek had plaatsgevonden, zonder dit bij de bestuurder of de curator na te vragen. Verder meent de RVT dat de brief van de bestuurder aan de curator harteloos was. In die brief schrijft de bestuurder onder meer: “(…) lk waardeer je uitgebreide toelichting, openheid en feedback die je in jouw ontslagbrief meegeeft. Dit biedt waardevolle inzichten die ons kunnen helpen bij het verbeteren van de organisatie(processen). Indien je jouw feedback verder wenst toe te lichten, ben je van harte uitgenodigd een exitgesprek te voeren met [naam medewerker] van HR. Door jouw ervaringen en feedback beter te begrijpen, kunnen we gerichter werken aan verbeteringen die onze organisatie in ontwikkeling ten goede komen. (…) Ik wil je hartelijk bedanken voor jouw bijzonder waardevolle bijdrage, die je jarenlang aan het fotomuseum hebt geleverd. Ik wens je veel voorspoed in je verdere carrière en hoop dat je een positieve herinnering aan jouw tijd bij [naam werkgever] (…) zult bewaren. Tot slot kijk ik ernaar uit om ook in de toekomst in het museum tentoonstellingen van jouw hand te zien.”De RvT heeft op de vraag van de rechter niet kunnen uitleggen wat hier harteloos aan is. Dat de curator in de gelegenheid is gesteld om met HR een exitgesprek te voeren, in plaats van met de bestuurder, waarvan de RvT ook een punt maakt, is naar het oordeel van de rechter juist positief te noemen. HR kan zo’n gesprek neutraler voeren dan de leidinggevende van de vertrekkende medewerker.\n\n- Beïnvloeding uitkomsten Cultuurscan en medewerkersonderzoek\n\n2.38.. Dat de bestuurder medewerkers onder druk heeft gezet, waardoor zij de uitkomsten van de Cultuurscan en het medewerkersonderzoek heeft beïnvloed, staat naar het oordeel van de rechter niet vast.\n\n2.39.. Volgens de RvT blijkt uit haar eigen onderzoek dat twee medewerkers zich in het najaar van 2024 door de bestuurder onder druk gezet voelden om de interviews ten behoeve van het Cultuuronderzoek op een voor de bestuurder positieve wijze in te vullen. Een andere medewerker voelde zich onder druk gezet het medewerkersonderzoek 2024 meerdere keren in te vullen.\n\n2.40.. De bestuurder heeft de beschuldigingen gemotiveerd weersproken. Zij voert aan dat zij geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij de beide onderzoeken en ook niet wist welke vragen gesteld zouden worden aan de medewerkers. Zij heeft alleen op verzoek van het onderzoeksbureau Kroll de uitnodigingen verstuurd voor het Cultuuronderzoek. De bestuurder voert aan dat zij medewerkers met vragen juist naar Kroll heeft verwezen. Zij heeft hen niet gevraagd om de vragen voor te bereiden. De bestuurder onderbouwt dit met een e-mail, waaruit blijkt dat zij een medewerker die vragen had, heeft verwezen naar het onderzoeksbureau. Verder voert de bestuurder aan dat de RvT bij het onderzoeksbureau had kunnen informeren of de bestuurder wist welke vragen gesteld zouden worden en ook of de uitkomsten van het onderzoek wel of niet representatief waren. Dat alles heeft de RvT niet gedaan. De RvT heeft ook niet gesteld dat de uitkomsten afwijkend waren. Over het medewerkersonderzoek voert de bestuurder aan dat het helemaal niet mogelijk was om dat meerdere keren in te vullen. Ook dat had de RvT kunnen navragen bij het onderzoeksbureau.\n\n2.41.. De RvT baseert zijn conclusie op een door hem zelf uitgevoerd intern onderzoek. Het zou gaan om twee medewerkers. Niet duidelijk is welke medewerkers zijn gehoord en wat zij precies hebben verklaard. De RvT zegt dat hij beschikt over aanvullend bewijs in de vorm van Whatsappberichten tussen een van die medewerkers en diens partner en nog andere documenten. Op basis van die stukken vindt de RvT die verklaringen van die medewerkers geloofwaardig, ondanks de ontkenning van de bestuurder. De bestuurder heeft de stukken waarop de RvT zich baseert, ondanks herhaald verzoek, niet mogen inzien. Ook de rechter kent die stukken niet. De RvT zegt dat dat vanwege privacy is en dat het ook niet nodig is, omdat de bestuurder stellig ontkent dat zij de medewerkers heeft beïnvloed. Volgens de RvT heeft bewijs leveren dan geen zin. Dat standpunt is onjuist en onbegrijpelijk. Het uitgangspunt is juist dat een partij die iets stelt, wat door een ander gemotiveerd wordt betwist, zijn standpunt moet onderbouwen. Van de RvT had dus verwacht mogen worden dat hij de zeer ernstige beschuldigingen aan de bestuurder zou onderbouwen met (eventueel geanonimiseerde) stukken, waarover hij zegt te beschikken. De RvT krijgt geen gelegenheid om die stukken alsnog te overleggen. Daar heeft hij genoeg kans voor gehad. De RvT heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de twee werknemers door de bestuurder zijn beïnvloed. Ook heeft de RvT niet toegelicht dat de uitkomsten daadwerkelijk zijn beïnvloed. Uit het rapport van Kroll blijkt juist dat er lange, open gesprekken met de medewerkers zijn gevoerd. Overigens valt ook niet goed in te zien dat de uitkomst van het Cultuuronderzoek, waarin met meerdere personen in de organisatie is gesproken door het onderzoeksbureau, erg beïnvloed zouden worden doordat de bestuurder twee medewerkers onder druk zou hebben gezet om positief over de organisatie te verklaren. Omdat de RvT zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.\n\n2.42.. Het staat ook niet vast dat de bestuurder een medewerker onder druk heeft gezet het medewerkersonderzoek dat is uitgevoerd door onderzoeksbureau Solon in 2024 twee keer in te vullen. De RvT stelt dat, maar de bestuurder betwist dat. Zij voert aan dat Solon heeft gezegd dat het helemaal niet mogelijk is om het onderzoek meerdere keren in te vullen. De RvT heeft haar stelling niet nader onderbouwd, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. De RvT verwijst alleen naar haar eigen interne onderzoek waarin de betreffende medewerker dit zou hebben verklaard, maar enige onderbouwing ontbreekt, evenals relevante stukken. De rechter kan dus niet vaststellen of dit verwijt klopt. De RvT krijgt geen gelegenheid om haar stelling nader te onderbouwen, daar heeft zij genoeg kans voor gehad en niet voldaan aan haar stelplicht.\n\n- Medewerkersonderzoek 2024\n\n2.43.. Niet gebleken is dat de bestuurder de RvT onvoldoende of onjuist heeft ingelicht over de uitkomsten van het medewerkersonderzoek in 2024.\n\n2.44.. De RvT verweet de bestuurder tijdens het drie uur durende hoorgesprek, dat zij het rapport van het medewerkersonderzoek niet met de RvT had gedeeld. De bestuurder heeft dat weerlegd en aangetoond dat zij het rapport op 14 februari 2025 heeft gemaild aan de voorzitter [naam 2] en aan RvT lid [naam 3]. Toen kwam er een nieuw verwijt, dat de bestuurder bijlage 3 bij dat rapport niet had verstrekt, met daarin de antwoorden op de open vragen. De bestuurder heeft erkend dat zij die bijlage niet heeft meegestuurd op 14 februari 2025. Maar tijdens het onderzoek en ook op de zitting heeft de bestuurder uitgelegd dat zij die bijlage op 14 februari 2025 nog niet had. Zij kon die toen dus ook niet doorsturen. De bestuurder verwijst naar haar mail van 14 februari 2025 aan [naam 2] en [naam 3] waarin zij schrijft dat zij het onderzoeksbureau Solon heeft gevraagd om de antwoorden op de open vragen nog in het rapport te verwerken. De bestuurder legt daarin ook uit dat Solon dat aanvankelijk niet gedaan vanwege de vrees tot herleidbaarheid, maar dat zou alsnog worden gedaan. De bestuurder schrijft dat zodra dat er is, zij dit zal doorsturen. De bestuurder heeft bij die mail ook de e-mailcorrespondentie met Solon overgelegd. De RvT heeft nooit gevraagd aan de bestuurder om de bijlage bij het rapport aan hem door te sturen.\n\n2.45.. De bestuurder heeft verder uitgelegd dat de toegevoegde waarde van bijlage 3 beperkt is, omdat de resultaten alsnog waren verwerkt in het rapport. De bestuurder voert verder aan dat de RvT pas in het kader van het vervolg van het onderzoek met het verwijt is gekomen over de bijlage 3. De RvT heeft hier niet naar gevraagd op het moment dat de bestuurder het medewerkersonderzoek mailde in februari 2025 en ook niet op een later moment De RvT heeft tegen al deze argumenten van de bestuurder onvoldoende ingebracht. De voorzitter van de RvT heeft verklaard dat zij vanwege privé omstandigheden niet had gezien dat de bestuurder het onderzoeksrapport had gemaild op 14 februari 2025. Daarom was de e-mail van de bestuurder aan haar aandacht ontsnapt en ging de RvT er in het hoorgesprek vanuit dat het rapport niet aan RvT ter beschikking was gesteld.\n\n2.46.. De RvT maakt de bestuurder ook een verwijt dat zij de uitkomsten van het medewerkersonderzoek niet afzonderlijk met de RvT heeft besproken. Maar de RvT heeft daar ook niet om gevraagd. Verder voert de bestuurder onweersproken aan dat de RvT was uitgenodigd om de presentatie bij te wonen, waar de resultaten besproken zijn en de vervolgestappen met de medewerkers zijn afgesproken. Het was de bedoeling dat de voorzitter van de RvT daar een presentatie zou geven, maar omdat zij verhinderd was heeft RvT-lid [naam 3] dat gedaan. Daarnaast heeft de bestuurder de resultaten verwerkt in het jaarverslag en de managementletters. De RvT heeft hier toen geen vragen over gesteld. Daar zag de RvT kennelijk geen aanleiding voor. De rechter is met het de bestuurder eens dat zij er daarom van uit mocht gaan dat zij de resultaten niet nogmaals afzonderlijk met de RvT hoefde te bespreken.\n\n2.47.. Het staat ook niet vast dat sprake was van een sterke achteruitgang van het welbevinden van de medewerkers. Het verwijt dat de bestuurder deze achteruitgang heeft gebagatelliseerd en in managementletters en het jaarverslag geflatteerd heeft weergegeven is evenmin juist. De bestuurder betwist dat sprake was van een sterke achteruitgang. Volgens onderzoeksbureau Solon was de uitkomst van het medewerkersonderzoek – waaruit een daling naar voren kwam over de mate van medewerkerstevredenheid ten opzichte van het vorige onderzoek – niet ongebruikelijk bij een tweede onderzoek. Er was dus volgens de bestuurder geen reden om aan te nemen dat die achteruitgang te maken had met sociale onveiligheid of cultuurproblemen. De RvT heeft dit verwijt ook niet verder toegelicht of onderbouwd.\n\n- Eenzijdige besluiten bestuurder om reputatie te redden\n\n2.48.. Het staat niet vast dat de bestuurder eenzijdig besluiten heeft doorgedrukt om haar eigen reputatie te redden, met het oog op het artikel in de Volkskrant. De RvT verwijt de bestuurder onder andere dat zij het MT onder druk heeft gezet om een waarschuwingsbrief te tekenen aan een medewerker en dat zij de opening van pakhuis Santos op 25 september 2025 er eenzijdig doorgedrukt heeft.\n\nCasus medewerker B\n\n2.49.. De bestuurder erkent dat zij het voltallige MT heeft gevraagd een waarschuwingsbrief te ondertekenen, die gericht was aan een medewerker. De bestuurder vroeg dat omdat zij wilde dat de brief ‘extra indruk zou maken’ op deze medewerker. De bestuurder heeft uitgelegd dat zij tijdens het Management Development-traject in bijzijn van een externe begeleider heeft gezegd dat zij betreurde dat enkele MT-leden zich kennelijk onder druk gezet hadden gevoeld en dat zij een vergelijkbare situatie in de toekomst zal voorkomen. Volgens de bestuurder was het daarmee uitgesproken. De RvT heeft niet gezegd dat dit voor het MT anders was. De rechter is het met de RvT eens dat het wellicht beter was geweest als de bestuurder het MT hier niet op deze manier in had betrokken. Dat erkent de bestuurder ook. Maar de rechter vindt dat uit het handelen van de bestuurder daarna kan worden afgeleid dat zij open heeft gestaan voor de feedback van MT leden en deze serieus heeft genomen.\n\nOpening Santos\n\n2.50.. Niet gebleken is dat de bestuurder het besluit tot de opening van de nieuwe locatie, Santos, op 25 september 2025 eenzijdig doorgedrukt heeft. De RvT maakt de bestuurder wel dat verwijt, maar dat is niet terecht. De bestuurder heeft verschillende verklaringen overgelegd waaruit blijkt dat er tijdens de vergaderingen van de MT stuurgroepen steeds is besproken of de geplande datum haalbaar was. Uit die verklaringen blijkt ook dat tijdens het MT overleg op 17 juni 2025 de laatste stand van zaken is besproken en dat zowel het MT-lid Hoofd Presentatie & Publieksbereik als het MT-lid Team Actieplan hebben bevestigd dat de planning haalbaar was. Uit een van die verklaringen blijkt ook dat tijdens het overleg voldoende ruimte was om tegengas te geven, maar dat niemand heeft aangegeven dat de planning niet haalbaar was. De RvT heeft tegenover deze verklaringen onvoldoende ingebracht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bestuurder op een vraag van de rechter geantwoord dat bovendien wekelijks tijdens de MT-overleggen is gesproken over de planning en de openingsdatum van Santos. Van de MT-overleggen zijn ook steeds verslagen opgemaakt. De RvT heeft die verslagen niet overgelegd en deze stelling van de bestuurder niet gemotiveerd weersproken, zodat de rechter uitgaat van de juistheid van wat de bestuurder op dit punt heeft gesteld. Het is ook niet voorstelbaar dat de bestuurder zo’n belangrijke datum, de verhuizing waar een aantal jaren naartoe is gewerkt en waar allerlei adviseurs bij betrokken waren, er eenzijdig ‘doorheen zou hebben gedrukt’. De RvT is met niets gekomen waaruit blijkt dat dit verwijt terecht is. Dat na het ontslag van de bestuurder besloten is om de verhuizing uit te stellen, betekent nog niet dat de verhuisdatum niet haalbaar was op het moment dat in het MT tot de verhuisdatum werd besloten.\n\n- Weghouden medewerkers bij RvT en de RvT bij PVT?\n\n2.51.. De bestuurder betwist dat zij medewerkers heeft weggehouden bij de RvT doordat zij de RvT heeft afgeschilderd als een groep personen die niet serieus genomen hoefde te worden of de indruk heeft gewekt dat zij goed bevriend was met de voorzitter. De RvT heeft dit niet nader onderbouwd. Ook betwist de bestuurder dat zij de RvT heeft weggehouden bij de PVT. Aanvankelijk was daar volgens de bestuurder inderdaad discussie over, nadat de bestuurder had ontdekt dat RvT-lid [naam 3] zonder dat de bestuurder dit wist, tweemaal overleg had gehad met de PVT. Dat heeft de bestuurder met [naam 3] en de voorzitter RvT besproken. Afgesproken is dat twee keer per jaar een bijeenkomst zou plaatsvinden tussen de RvT en PVT, zonder aanwezigheid van de bestuurder (die wel nadien zou aansluiten). De RvT heeft deze uitleg van de bestuurder niet weersproken. Het is voor de rechter onduidelijk gebleven waarom dit overleg niet van de grond is gekomen, zeker na de ontvangst van de brief van de PVT van 22 februari 2024 (zie hiervoor). De RvT stelt dat er sinds 2023 ‘pittige discussies’ werden gevoerd met de bestuurder hierover, maar heeft geen stukken overgelegd waaruit dat blijkt of verder uitgelegd waarover deze discussies dan zouden zijn gegaan. De bestuurder betwist dat zij de RvT negatief heeft afgeschilderd. Zij voert aan dat de RvT altijd werd uitgenodigd voor bijeenkomsten met medewerkers, maar dat de RvT hier bijna nooit aanwezig was. De RvT heeft geen stukken of verklaringen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de bestuurder de RvT op een negatieve manier heeft afgeschilderd.\n\n2.52.. Het is naar het oordeel van de rechter eerder zo geweest, dat de RvT op het enkele signaal dat wel bij hen is binnengekomen, geen adequate actie heeft ondernomen om de PVT en\u002Fof de medewerkers zelf te kunnen spreken. Zo heeft de RvT tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat naar aanleiding van de brief van de PVT van 22 februari 2024 (zie r.o. 2.26), die ook aan de RvT was gestuurd, er geen concrete stappen door de RvT zijn genomen om met de PVT en\u002Fof de medewerkers hierover in gesprek te gaan. Als het echt zo zou zijn geweest dat zo’n gesprek werd gedwarsboomd door de bestuurder, zoals de RvT lijkt te willen stellen maar niet verder onderbouwt, dan is niet te begrijpen waarom de RvT dit al die tijd heeft laten gebeuren en waarom daarover dan niets staat in de e-mails die tussen de RvT en de bestuurder zijn gewisseld.\n\nGeen duurzaam verstoorde verhouding\n\n2.53.. Voor zover al moet worden aangenomen dat sprake is van een onwerkbare situatie tussen de bestuurder en het MT en andere belangrijke sleutelpersonen, is de rechter van oordeel dat de RvT geen enkele poging heeft gedaan om hiervoor een oplossing te zoeken, anders dan tot ontslag over te gaan.\n\n2.54.. Dat sprake was van een zodanige verstoring dat de samenwerking blijvend onmogelijk was geworden, is naar het oordeel van de rechter in elk geval niet gebleken. De RvT stelt dat tijdens het onderzoek zou zijn gebleken dat de leden van het MT geen vertrouwen meer hebben in een samenwerking met de bestuurder. Ook andere sleutelpersonen hebben volgens de RvT het vertrouwen in de bestuurder opgezegd. De bestuurder betwist dat. Zij voert onweersproken aan dat tijdens het onderzoek helemaal niet met haar is gesproken over een verstoring in de verhouding met MT leden of andere sleutelpersonen. Pas in het ontslagbesluit is dit voor het eerst gezegd. De bestuurder heeft hierop tijdens het onderzoek dus helemaal niet kunnen reageren. De bestuurder betwist dat sprake is van een onwerkbare relatie. Zij weet niet de ‘andere sleutelpersonen’ zijn. De bestuurder voert aan dat de verhouding met het MT goed was tot het moment van de schorsing. De bestuurder wijst onder meer op de steun die zij op 31 mei 2025 kreeg van het MT naar aanleiding van het aangekondigde artikel in de Volkskrant. De bestuurder heeft ook 40 steunbetuigingen overgelegd, waarvan 25 van verschillende medewerkers. Ook legt de bestuurder een Whatsapp-bericht van de voorzitter van de PVT over, waarin zij ook haar steun betuigt aan de bestuurder. De rechter gaat voorbij aan de opmerking van de RvT dat aan de door de bestuurder overgelegde steunbetuigingen weinig waarde worden gehecht, omdat die medewerkers alleen hun steun hebben betuigd om niet verdacht over te komen als de bestuurder eventueel zou terugkeren. Dit blijkt nergens uit en vindt ook geen steun in de grote hoeveelheid steunbetuigingen.\n\n2.55.. De RvT heeft niet concreet gemaakt waaruit de verstoorde relatie verder precies zou bestaan. Zij heeft alleen een niet-ondertekende zeer algemene verklaring van het MT overgelegd, waarin staat dat het MT geen vertrouwen meer heeft in de bestuurder. De rechter vindt dat van de RvT verwacht had mogen worden dat zij meer had toegelicht en met stukken onderbouwd waaruit de gestelde onwerkbare situatie zou bestaan. Dat geldt ook voor de gestelde vertrouwensbreuk met “andere belangrijke sleutelpersonen”. De RvT heeft niet toegelicht om wie het gaat en waaruit de onwerkbare relatie blijkt. Hiernaast is vaste rechtspraak dat van een werkgever kan worden verlangd om stappen te ondernemen om een verstoorde arbeidsverhouding te herstellen, bijvoorbeeld door het inzetten van mediation. Dat is niet eens geprobeerd.\n\nVoor zover er zorgen waren, dan nog geen ontslag\n\n2.56.. Voor zover de RvT kritiek of zorgen had over het leiderschap van de bestuurder of de informatie die zij aan de RvT verstrekte, dan was dit nog geen rechtvaardiging om de bestuurder te ontslaan en haar te behandelen zoals de RvT dat heeft gedaan. Van de RvT had verwacht mogen worden om over hun zorgen met de bestuurder in gesprek te gaan en zo nodig duidelijke afspraken te maken om tot verbetering te komen. Hiernaast mocht van de RvT, zoals hiervoor is overwogen, ook worden verwacht dat hij zich zou inspannen om de gestelde verstoorde relatie te herstellen. Dit alles is niet gebeurd.\n\n2.57.. Hierbij neemt de rechter in aanmerking dat vaststaat dat de bestuurder goede resultaten heeft geboekt. De bestuurder heeft ervoor gezorgd dat de financiële positie van het museum sterk is verbeterd, de interne organisatie is geprofessionaliseerd, nieuwe huisvesting is mogelijk gemaakt en het museum is naar buiten toe (nationaal en internationaal) weer op de kaart gezet. Ook is van belang dat de RvT altijd lovend over de bestuurder is geweest en haar niet eerder heeft aangesproken op haar functioneren. De RvT had in deze omstandigheden andere maatregelen moeten treffen in plaats van te kiezen voor de meest verstrekkende maatregel van ontslag.\n\nWerkgever moet een billijke vergoeding betalen van € 400.000,-\n\n2.58.. Omdat de arbeidsovereenkomst is opgezegd zonder redelijke grond, heeft de bestuurder recht op een billijke vergoeding.Herstel van het dienstverband is juridisch gezien niet mogelijk, aangezien het gaat om het ontslag van een bestuurder van een stichting. De wet biedt geen mogelijkheid om zo’n ontslag te laten vernietigen. De rechter kan alleen een billijke vergoeding toekennen aan een bestuurder, als die onterecht is ontslagen.\n\n2.59.. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De rechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de RvT wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de bestuurder wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De rechter vindt in dit geval de gevraagde billijke vergoeding van € 400.000,- bruto, wat ongeveer neerkomt op twee jaarsalarissen, passend. Bij de begroting van dit bedrag houdt de rechter rekening met de volgende omstandigheden.2.60.. De rechter gaat er van uit dat als de arbeidsovereenkomst niet door het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever zou zijn geëindigd, deze nog minimaal twee jaar zou hebben voortgeduurd. Er is geen reden om aan te nemen dat de arbeidsovereenkomst eerder zou zijn geëindigd. De bestuurder heeft in de jaren dat zij het museum heeft geleid goede resultaten geboekt en de RvT heeft haar nooit eerder aangesproken op haar leiderschap of op het onvoldoende verstrekken van informatie. De rechter verwerpt het standpunt van de RvT de arbeidsovereenkomst van de bestuurder door de uitkomsten van het onderzoek van Unravelling in ieder geval rechtsgeldig zou kunnen worden opgezegd per 1 juni 2026. Hiervoor is al uitgelegd dat dit onderzoek naar het oordeel van de rechter onvoldoende objectief en feitelijk onderbouwd is en dus geen rechtvaardiging vormt voor een ontslag van de bestuurder.2.61.. De rechter houdt ook rekening met de omstandigheid dat de bestuurder heeft verklaard dat zij sinds haar ontslag geen vergelijkbare positie met een vergelijkbaar inkomen heeft kunnen verwerven en ook niet verwacht dat dit binnen afzienbare termijn zal lukken. De mooie loopbaan van de bestuurder is door het onterechte ontslag tot een abrupt einde gekomen. Volgens de bestuurder is haar verdere (internationale) carrière geruïneerd door alle negatieve publiciteit, die zoals gezegd mede door de onzorgvuldige handelwijze van RvT ten opzichte van de bestuurder verder is gevoed. De RvT heeft hiertegen onvoldoende ingebracht en gelet op de hele gang van zaken is de rechter van oordeel dat dit inderdaad aannemelijk is. De rechter ziet in de gegeven situatie geen aanleiding om de WW-uitkering in mindering te brengen. Zonder het ernstig verwijtbaar handelen van de RvT zou de bestuurder haar WW-rechten nog niet hoeven op te souperen.\n\n2.62.. De rechter neemt ook de mate van het ernstig verwijtbaar handelen van werkgever in aanmerking. De RvT heeft zeer ernstig verwijtbaar gehandeld rondom de schorsing, de onderzoeken en het ontslag en heeft steeds veel te weinig oog gehad voor de belangen van de bestuurder. Het valt de RvT ernstig aan te rekenen dat zij de bestuurder drie maanden voor de geplande opening van Santos abrupt heeft geschorst, zonder eerst in gesprek te gaan en zonder een toelichting te geven over de redenen voor de schorsing. De bestuurder moest direct haar sleutels inleveren, mocht niet meer in het museum komen en geen contact hebben met medewerkers. Erg kwalijk is ook dat aan de bestuurder de toegang tot haar mail is ontzegd, en geweigerd is om haar op een later moment nog toegang tot haar mail te geven, zodat zij zich niet behoorlijk kon verdedigen tegen de forse beschuldigingen. De RvT heeft de bestuurder ook naar buiten toe als een baksteen laten vallen. De RvT heeft direct de Volkskrant geïnformeerd over de schorsing en het statement waarin de RvT eerder steun uitsprak aan de bestuurder, bij de Volkskrant “ingetrokken”. Vooruitlopend op de uitkomsten van het eigen onderzoek heeft de RvT de bestuurder al geïnformeerd dat haar voorgenomen ontslag op 18 juli 2025 op de agenda stond. Dat doet vermoeden dat voor de RvT de uitkomst van het onderzoek al vaststond, zoals de bestuurder ook stelt. Dat de RvT het onderzoek dat leidde tot het ontslag van de bestuurder zelf heeft gedaan en niet een extern bureau hiervoor heeft ingeschakeld, en de wijze waarop dit onderzoek door de RvT is uitgevoerd, was onzorgvuldig, onpartijdig en onvoldoende objectief.\n\n2.63.. De bestuurder heeft ondanks herhaald verzoek geen toegang gekregen tot haar mail en kreeg ook geen nadere uitleg over de beschuldigingen. Vervolgens is zij in een drie uur durend gesprek ondervraagd. Hoewel de bestuurder de gemaakte verwijten vervolgens grotendeels met stukken heeft kunnen weerleggen, heeft de RvT de bestuurder op 18 juli 2025 toch ontslagen. Kennelijk heeft de RvT hoe dan ook niet willen wijken van de op 19 juni 2025 ingezette ramkoers. De rechter sluit niet uit dat het vernietigende artikel in de Volkskrant daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld en voor de RvT reden was om de bestuurder ‘voor de bus te gooien’. Bij dit alles heeft de RvT onvoldoende rekening gehouden met de zeer ernstige gevolgen van het ontslag voor de bestuurder, ook door de vele negatieve publiciteit. En er was geen redelijke ontslaggrond. Een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto is in de gegeven omstandigheden dan ook gerechtvaardigd.\n\n2.64.. De RvT heeft overigens ook na het ontslag nog een aantal beschadigende acties ondernomen, waarbij onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de bestuurder. Hoewel de RvT tegen de bestuurder had gezegd dat hij terughoudend zou zijn met de berichtgeving, heeft de RvT het ontslag de volgende ochtend meteen bekend gemaakt op de website van werkgever, met een zeer gedetailleerd, negatief en beschadigend bericht. Hiervan is ook een pushbericht gestuurd aan 130 personen die zich hadden ingeschreven voor nieuws van het museum. De RvT heeft op de zitting uitgelegd dat het versturen van dat pushbericht niet de bedoeling was, maar zij heeft niets gedaan om de gevolgen te beperken. De RvT heeft ook geen excuses aangeboden. Daarna is de reputatie van de bestuurder nog verder beschadigd door het onderzoek van Unravelling. De uitkomsten van dat onderzoek heeft de RvT gedeeld met alle medewerkers en meerdere stakeholders, waaronder de gemeenteraad en het Ministerie. Het staat vast dat het ontslag van de bestuurder en alle negatieve publiciteit, die verder is gevoed door de handelwijze van de RvT, zeer ernstige en beschadigende gevolgen heeft gehad voor de bestuurder, ook voor haar gezondheid door alle stress die bij de bestuurder is veroorzaakt.\n\n2.65.. Tot slot nog een opmerking over de onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten. De bestuurder heeft gesteld dat als aan haar een billijke vergoeding van € 400.000,- bruto wordt toegekend, zij geen separate vergoeding voor onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten vraagt. Gelet hierop hoeft niet meer te worden beslist over de onderzoekskosten en buitengerechtelijke kosten. \n\nRectificatie\n\n2.66.. De verzochte rectificatie wordt grotendeels toegewezen. De werkgever hoeft in de rectificatie niet de gevraagde excuses en het dankwoord op te nemen. Daarvoor bestaat naar het oordeel van de rechter geen grond. Gelet op de aankondiging van werkgever dat zij voornemens is om het een en ander aan de tekst toe te voegen, als de rectificatie wordt toegewezen, bepaalt de rechter dat het werkgever niet is toegestaan om in de rectificatie een verwijzing te maken naar het onderzoek van Unravelling of anderszins de tekst te wijzigen en\u002Fof iets toe te voegen.\n\nWerkgever moet de volgende tekst plaatsen en niet meer dan dat:\n\n\"De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking d.d. 29 juni 2026 Stichting Nederlands Fotomuseum veroordeeld tot het plaatsen dan wel delen, van de volgende rectificatie:\n\nDe Raad van Toezicht van Stichting Nederlands Fotomuseum verklaart hierbij dat hij ten onrechte [verzoekster] heeft beschuldigd van het herhaaldelijk achterhouden en onjuist presenteren van informatie. De RvT heeft zijn toezichthoudende taak derhalve naar behoren kunnen uitoefenen, ook met betrekking tot het welzijn in de organisatie. De Raad is te overhaast overgegaan tot de schorsing van [verzoekster] en had niet zelf een onderzoek moeten uitvoeren, dat vervolgens heeft geleid tot een ontslag van [verzoekster] op onterechte gronden. Ten onrechte is daarbij het beeld ontstaan dat [verzoekster] onvoldoende zou hebben gezorgd voor een veilige werksfeer in het museum.\"\n\n2.67.. De gevraagde dwangsom wordt toegewezen. De rechter ziet aanleiding om de dwangsom te maximeren op € 100.000,-.\n\nWerkgever moet de proceskosten betalen\n\n2.68.. De proceskosten komen voor rekening van werkgever omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De rechter begroot de kosten die werkgever aan de bestuurder moet betalen op € 331,- aan griffierecht, € 1.766,- aan salaris voor de advocaat en € 189,- aan nakosten. Dit is totaal € 2.286,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.\n\n2.69.. Werkgever hoeft niet de volledige advocaatkosten te vergoeden die de bestuurder heeft gemaakt in het kader van deze procedure, zoals de bestuurder wel vraagt. Dat hoeft namelijk alleen maar als sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Dit kan niet snel worden aangenomen, omdat iedereen het recht heeft om een zaak te laten beoordelen door de rechter (artikel 6 EVRM).In dit geval zijn er niet zulke buitengewone omstandigheden. Dat werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld ten opzichte de bestuurder rechtvaardigt geen volledige proceskostenveroordeling.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.70.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de bestuurder dat heeft gevraagd en werkgever daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechter:\n\n3.1.. verklaart voor recht dat de RvT ten onrechte is overgegaan tot het ontslag van de bestuurder, waardoor er geen redelijke grond bestaat voor de opzegging van haar arbeidsovereenkomst door werkgever;\n\n3.2.. verklaart voor recht dat (de RvT van) werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de wijze waarop de schorsing, het onderzoek en het ontslag van de bestuurder tot stand is gekomen;\n\n3.3.. veroordeelt werkgever om aan de bestuurder een billijke vergoeding te voldoen van € 400.000,- bruto, binnen een week na betekening van de beschikking;\n\n3.4.. veroordeelt werkgever om binnen 24 uur na betekening van de beschikking, de in 2.66 genoemde rectificatie – met de daarbij gegeven aanwijzing – te plaatsen op de website van het werkgever als nieuwsbericht, met verzending van een pushbericht aan de abonnees van nieuwsberichten van werkgever, aan alle huidige medewerkers van werkgever en aan alle ex-medewerkers vanaf 2019 aan wie de uitnodiging voor het onderzoek van Unravelling in september 2025 is verstuurd en aan de hoofdredacteur van de landelijke dagbladen Volkskrant, NRC en AD, evenals aan de NOS en het ANP, op straffe van een dwangsom van op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per (gedeelte van een) dag dat werkgever hiermee in gebreke is, met een maximum van € 100.000,-;\n\n3.5.. veroordeelt werkgever in de proceskosten, die aan de kant van de bestuurder tot vandaag worden vastgesteld op € 2.286,-;\n\n3.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door rechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.\n\n3168\n\n Een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 7:669 lid 3 onder h BW\n\n Artikel 7:669 lid 3 onder g BW.\n\n Artikel 7:682 lid 3 onder a BW en artikel 7:671 lid 1 onder e BW\n\n Artikel 2:298a lid 1 Burgerlijk Wetboek\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)\n\n Uit Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, volgt overigens ook dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding met buitengerechtelijke kosten geen rekening kan worden gehouden.\n\n Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, 5.3.3 en 5.3.4","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7443","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:15.176Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"792","ECLI:NL:RBROT:2026:7056","ecli-nl-rbrot-2026-7056","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Dordrecht\n\nzaaknummer: 12054548 CV EXPL 26-153\n\ndatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\nSportpersoneel B.V.,\n\nvestigingsplaats: Baarn,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. A. Robustella,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwoonplaats: [woonplaats],\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. E. Huijser.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 7 januari 2026, met bijlagen;\n\nhet antwoord;\n\nde nadere bijlagen 1 en 2 van Sportpersoneel;\n\nde pleitaantekeningen van Sportpersoneel.\n\n1.2.. Op 11 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\n [naam] namens Sportpersoneel, met mr. Robustella;\n\n [gedaagde] met mr. Huijser en twee belangstellenden.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. \n [gedaagde] werkte vanaf 1 januari 2025 bij Sportpersoneel als sportbegeleider op basis van een arbeidsovereenkomst van 10 maanden. Sportpersoneel wilde dit contract niet verlengen. Daarop heeft [gedaagde] op 18 juli 2025 gemaild dat hij ergens anders wil gaan werken en daarom eerder bij Sportpersoneel wil stoppen. De arbeidsovereenkomst is hierdoor op 1 september 2025 geëindigd. Vanaf 1 september 2025 werkt [gedaagde] bij Sportprofessional. Volgens Sportpersoneel werkt [gedaagde] daar voor dezelfde opdrachtgevers als waarvoor hij werkte toen hij in dienst was bij Sportpersoneel en handelt hij daardoor in strijd met twee artikelen uit de arbeidsovereenkomst. Per artikel eist Sportpersoneel een boete van € 7.500,-. Sportpersoneel eist ook dat [gedaagde] € 1.629,68 betaalt, omdat hij tijdens zijn dienstverband te weinig uren heeft gewerkt. [gedaagde] erkent dat hij voor dezelfde opdrachtgevers werkt(e), maar betwist dat hij daardoor in strijd handelt met een artikel uit de arbeidsovereenkomst. Hij voert verder aan dat hij zich altijd beschikbaar heeft gehouden om al zijn uren te werken en daarom betwist hij dat hij enig bedrag aan Sportpersoneel hoeft te betalen. [gedaagde] krijgt op beide punten gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit het oordeel is.\n\nOm welke artikelen uit de arbeidsovereenkomst gaat het?\n\n2.2.. Volgens Sportpersoneel heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met deze artikelen uit de arbeidsovereenkomst:\n\nArtikel 6.1\n\nWerknemer is gehouden tot geheimhouding gedurende en na beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van alle feitelijkheden en bijzonderheden, waarvan Werknemer uit hoofde van haar dienstbetrekking kennisneemt of draagt, voor zover Werknemer redelijkerwijs moet begrijpen dat deze feitelijkheden en bijzonderheden een vertrouwelijk karakter hebben, dan wel aan haar ter zake door Werkgever een uitdrukkelijke geheimhouding is opgelegd. Deze geheimhouding betreft in het bijzonder informatie met betrekking tot relaties\u002Fklanten van Werkgever en informatie met betrekking tot de organisatie van Werkgever zelf.\n\nArtikel 6.5\n\nWerknemer verklaart tijdens en na beëindiging van het dienstverband op zorgvuldige wijze om te gaan met de contacten, die zij heeft opgebouwd met relaties van Werkgever en zal zowel tijdens als na einde dienstverband de belangen van Werkgever in relatie tot genoemde relaties niet schaden.\n\n [gedaagde] hoeft geen boete te betalen\n\n2.3.. \n [gedaagde] mocht tegen zijn nieuwe werkgever zeggen voor welke opdrachtgevers hij bij Sportpersoneel werkte. Daarbij mocht hij ook de namen noemen van het betreffende kinderdagverblijf en de basisschool. Het is logisch dat dit in een sollicitatieprocedure aan de orde komt. [gedaagde] hoefde niet te begrijpen dat deze feitelijkheden een vertrouwelijk karakter hadden. Sportpersoneel heeft niet uitgelegd waarom dat wel zo zou moeten zijn. Sportpersoneel heeft daarnaast niet aangevoerd dat hierover een geheimhouding aan [gedaagde] is opgelegd.\n\n2.4.. Sportpersoneel voert aan dat [gedaagde] ook tegen zijn nieuwe werkgever heeft gezegd dat als ze hem zouden nemen hij twee opdrachtgevers mee zou nemen, maar dat betwist [gedaagde] en heeft Sportpersoneel niet (nader) onderbouwd. Het lijkt wel of Sportpersoneel beredeneert dat het ‘zo wel heeft moeten gaan’, maar dat is niet hoe het in een juridische procedure werkt. Sportpersoneel moet feiten stellen, maar dat heeft zij niet gedaan. Uit het enkele feit dat [gedaagde] bij zijn nieuwe werkgever voor dezelfde opdrachtgevers heeft gewerkt als voor Sportpersoneel, blijkt in ieder geval niet dat hij deze opdrachtgevers zelf heeft meegenomen naar zijn nieuwe werkgever. In het voordeel van [gedaagde] spreekt bovendien dat hij onbetwist heeft aangevoerd dat hij zelfs uitgebreid afscheid heeft genomen bij het kinderdagverblijf waar hij via Sportpersoneel werkte. Dat deze opdrachtgever na zijn vertrek niet met een nieuwe medewerker van Sportpersoneel in zee wilde gaan, maar liever weer met [gedaagde] via zijn nieuwe werkgever wilde werken, is het goed recht van de opdrachtgever. Daar staat [gedaagde] buiten. Zijn enige inbreng hierin is (blijkbaar) zijn goede functioneren, maar dat kan niet tegen hem worden gebruikt. Ditzelfde geldt voor de basisschool.\n\n2.5.. \n [gedaagde] heeft deze artikelen uit de arbeidsovereenkomst niet overtreden. Hij hoeft dus ook geen boete te betalen.\n\n [gedaagde] hoeft niets aan Sportpersoneel te betalen voor te weinig gewerkte uren\n\n2.6.. Het klopt dat [gedaagde] minder uren heeft gewerkt dan de gemiddeld 31 uur per week die de partijen hebben afgesproken. Omdat dat naar het oordeel van de kantonrechter in redelijkheid voor rekening van Sportpersoneel komt, moet Sportpersoneel toch gewoon het loon van [gedaagde] betalen.Ook over de niet gewerkte uren. Het is namelijk de verantwoordelijkheid van Sportpersoneel om ervoor te zorgen dat [gedaagde] gemiddeld 31 uur per week kon werken. Dat heeft Sportpersoneel niet gedaan. [gedaagde] heeft zich altijd beschikbaar gehouden om te werken op de afgesproken dagen. Het is Sportpersoneel die hem voor minder uur heeft ingezet. Sportpersoneel erkent dat het een hele uitdaging is om ‘iedereen zijn uren te laten maken’. Daarvoor heeft zij weliswaar initiatieven ontplooid (sportdagen en -kampen organiseren in de zomervakantie), maar dat is kennelijk niet genoeg om alle werknemers hun gemiddeld overeengekomen uren te kunnen laten werken. Voor het aanmelden voor dit extra werk in de zomervakantie geldt immers naar eigen zeggen van Sportpersoneel vol=vol. Ongeacht wat hierover in de arbeidsovereenkomst staat, is het in dit geval en onder deze omstandigheden niet redelijk om dit voor risico van [gedaagde] te laten komen.\n\nSportpersoneel moet de proceskosten betalen\n\n2.7.. De proceskosten komen voor rekening van Sportpersoneel, omdat zij ongelijk krijgt.De kantonrechter begroot de kosten die Sportpersoneel aan [gedaagde] moet betalen op € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.008,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de vordering af;\n\n3.2.. veroordeelt Sportpersoneel in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.008,-.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. C. van Steenderen - Koornneef en in het openbaar uitgesproken.\n\n703\n\n Dat staat in artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7056","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:48.214Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":71},"675","ECLI:NL:RBROT:2026:6745","ecli-nl-rbrot-2026-6745","2026-06-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12125346 VZ VERZ 26-774\n\ndatum uitspraak: 12 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [voormalig werknemer],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\nverzoeker, verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. P. Wolbers,\n\ntegen\n\nLidl Nederland GmbH,vennootschap naar Duits recht,\n\nvestigingsplaats: Huizen,\n\nverweerster, verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. A. van Kerkhof.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van [voormalig werknemer] , met bijlagen;\n\nhet verweerschrift van Lidl met (voorwaardelijk) tegenverzoek, met bijlagen;\n\nde pleitaantekeningen van [voormalig werknemer] .\n\n1.2.. Op 1 juni 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de partijen en hun gemachtigden besproken op de rechtbank in Dordrecht.\n\n2. De beoordeling\n\nSamenvatting en conclusie\n\n2.1.. \n [voormalig werknemer] werkte sinds 1 september 2008 bij Lidl. Hij is op 5 januari 2026 op staande voet ontslagen. Heel kort samengevat omdat Lidl hem beschuldigt van fraude met de urenregistratie van het personeel. Hij was toen supermarktmanager van een filiaal in Rotterdam. [voormalig werknemer] legt zich bij het ontslag neer, maar vraagt om een billijke vergoeding, een transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, achterstallig loon en een rectificatie. Lidl vindt dat het verzoek moet worden afgewezen en vraagt zelf om een gefixeerde schadevergoeding. [voormalig werknemer] krijgt gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\n [voormalig werknemer] heeft recht op een billijke vergoeding\n\n2.2.. \n [voormalig werknemer] heeft recht op een billijke vergoeding.Dat is omdat [voormalig werknemer] niet akkoord is gegaan met de opzegging en er niet is voldaan aan alle voorwaarden voor een ontslag op staande voet.Er is namelijk geen dringende reden voor een ontslag op staande voet. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en\u002Fof gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband.Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier geen sprake is van een dringende reden.\n\nGeen dringende reden\n\n2.3.. Het grootste verwijt dat Lidl [voormalig werknemer] maakt is dat hij heeft gefraudeerd met de urenregistratie van zijn personeel. Hierdoor zou zowel het personeel als Lidl schade hebben geleden en kon Lidl naar eigen zeggen niet met [voormalig werknemer] verder. Ten eerste oordeelt de kantonrechter dat niet vast is komen te staan dat [voormalig werknemer] heeft gefraudeerd. Als [voormalig werknemer] zou hebben gedaan waarvan Lidl hem beschuldigt, is bovendien niet gebleken dat werknemers of Lidl daardoor schade hebben geleden. Ten slotte geldt dat [voormalig werknemer] al meer dan zeventien jaar naar tevredenheid werkte bij Lidl. Dan ligt een (stevige) waarschuwing in dit geval meer voor de hand. Een ontslag op staande voet is echt het allerlaatste redmiddel. Voor de duidelijkheid: in deze procedure is niet komen vast te staan dat [voormalig werknemer] heeft gedaan waarvan Lidl hem beschuldigt. Het is alleen niet nodig om daarvoor een bewijsopdracht te geven, omdat ook als het wel vast zou komen te staan, er naar het oordeel van de kantonrechter gelet op alle omstandigheden geen sprake is van een dringende reden.\n\nWaarvan beschuldigt Lidl [voormalig werknemer] ?\n\n2.4.. Volgens Lidl heeft [voormalig werknemer] uren van personeel uit het systeem verwijderd, terwijl die wel waren gewerkt en er geen reden was om die uren te verwijderen. De uren zouden volgens Lidl ‘op zwart’ hebben gestaan. Dat betekent dat de uren werden geaccepteerd door het systeem. [voormalig werknemer] erkent dat hij wel eens uren van medewerkers uit het systeem verwijderde, maar volgens hem was dat omdat die uren ‘op rood’ stonden. Dat betekent dat er iets mis mee was, bijvoorbeeld geen begin- of eindtijd of geen pauze, waardoor de uren niet werden geaccepteerd in het systeem of dat de uren om een andere reden rood kleurde, bijvoorbeeld een systeemfout. Het is in deze procedure niet komen vast te staan of [voormalig werknemer] ‘zwarte’ of ‘rode’ uren heeft verwijderd. Lidl voert weliswaar aan dat zij daar onderzoek naar heeft gedaan en dat zij daarmee hebben weerlegd dat sprake was van ‘rode’ uren, maar daarmee miskent zij ten eerste dat Lidl de partij is die moet aantonen dat sprake was van het verwijderen van ‘zwarte’ uren. Dat is iets anders dan weerleggen dat sprake is van ‘rode’ uren. Bovendien is het onderzoek dat door Lidl is gedaan zeer summier en (daarom) niet sluitend. Dat een andere manager op een bepaald moment geen ‘rode’ uren ziet, betekent niet dat de uitleg van [voormalig werknemer] niet kan kloppen. Zo is er bijvoorbeeld niet getest op het account van [voormalig werknemer] . [voormalig werknemer] is überhaupt niet betrokken bij het onderzoek. Maar hoe dit ook zit, ook als [voormalig werknemer] ‘zwarte’ uren zou hebben verwijderd, levert dit onder de omstandigheden die hierna worden besproken geen dringende reden op.2.5.. \n [voormalig werknemer] heeft zich altijd transparant opgesteld. De urenoverzichten werden in beginsel wekelijks in de kantine van het filiaal opgehangen. Het personeel kon dus zien welke uren er waren geregistreerd. [voormalig werknemer] verklaart dat als er iemand naar hem toe kwam om te zeggen dat zijn of haar urenregistratie niet klopte, hij dit door het invullen van een PZE-correctieformulier herstelde. Dit is ook de werkwijze die volgens Lidl moet worden gevolgd, maar zij verwijt [voormalig werknemer] dat hij dit niet deed. In de ontslagbrief schrijft Lidl echter zelf over een hulpkracht waarbij [voormalig werknemer] dit wel meerdere keren heeft gedaan. Kennelijk bedoelt Lidl dat [voormalig werknemer] dit niet altijd direct zelf heeft gedaan nadat er uren zijn verwijderd en dat wel had moeten doen.\n\n2.6.. \n\nLidl vindt dat een juiste urenregistratie de verantwoordelijkheid is van de supermarktmanager; [voormalig werknemer] dus. Daarom had [voormalig werknemer] volgens Lidl altijd zelf na het verwijderen van uren een PZE-correctieformulier moeten invullen. De kantonrechter is het met Lidl eens dat een juiste urenregistratie de verantwoordelijkheid is van de Supermarktmanager. De kantonrechter ziet alleen niet in waarom de manier waarop [voormalig werknemer] leiding gaf aan zijn filiaal dit niet voldoende waarborgde. Hij heeft van Lidl ook nooit gehoord dat hij iets verkeerd deed. Volgens Lidl is dat omdat zij niet wist van de werkwijze van [voormalig werknemer] . Dat zou betekenen dat het door Lidl niet wordt gesignaleerd als een supermarktmanager meer dan vijftien keer in drie maanden tijd uren verwijdert. Volgens Lidl is het onbegrijpelijk dat [voormalig werknemer] dit niet aan haar heeft gemeld. De kantonrechter redeneert andersom: dit betekent kennelijk dat dit kan gebeuren zonder dat er alarmbellen afgaan bij Lidl. Dat betekent dat Lidl haar eigen organisatie niet met voldoende waarborg voor de juistheid van urenregistratie heeft ingericht. Dat kan niet tegen [voormalig werknemer] worden gebruikt.\n\nZeker niet, omdat bovendien uit appverkeer tussen [voormalig werknemer] en zijn regiomanager blijkt dat de regiomanager akkoord is met het doorgeven van alle codes van en door [voormalig werknemer] aan een invalmanager. Daarnaast komt het de kantonrechter ondoenlijk voor om van al je hulpkrachten aan het einde van de dag precies te weten hoe laat ze op die dag zijn begonnen, geëindigd en hoe lang ze pauze hebben gehad. Op het moment dat de uren werden verwijderd, was het personeel zelf meestal al vertrokken uit het filiaal. Niet altijd werkten dezelfde (hulp)krachten de volgende dag en [voormalig werknemer] was ook wel eens een dag vrij of druk. Dat [voormalig werknemer] die check en het initiatief tot correctie bij het personeel liet liggen, acht de kantonrechter onder deze omstandigheden niet in strijd met zijn verantwoordelijkheden. Uit de stukken blijkt niet dat personeel aan [voormalig werknemer] heeft gevraagd om uren te corrigeren en hij dat niet heeft gedaan. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat [voormalig werknemer] op het verzoek van personeel altijd hun uren heeft gecorrigeerd en deugdelijk zorg heeft gedragen voor een juiste urenregistratie en dus uitbetaling.\n\n2.7.. Lidl wijst erop dat niet alle verwijderde uren door [voormalig werknemer] zijn gecorrigeerd en dat daardoor een belletje bij hem hadden moeten gaan rinkelen dat er iets niet goed ging. [voormalig werknemer] verklaart echter dat niet alleen hij, maar alle managers van het filiaal een PZE-correctieformulier konden indienen. Lidl erkent dat dit een gedeelde taak is van het hele filiaalmanagementteam, maar benoemt dat de meeste supermarktmanagers daar graag zelf de verantwoordelijkheid voor houden. Bij [voormalig werknemer] was dit dus niet het geval en hoefde dat ook niet zo te zijn. Dat betekent dat zijn collega filiaalmanagers ook correcties konden en mochten aanmaken. Uit de verklaringen van die managers blijkt ook niet dat zij dit niet deden. Daarom hoefde [voormalig werknemer] er niet vanuit te gaan dat personeelsleden te weinig betaald kregen. Dat neemt niet weg dat hij dit proces en de samenwerking met zijn collega managers beter had kunnen inrichten om te voorkomen dat dit toch kon gebeuren, maar dat levert geen dringende reden op.\n\n2.8.. Dat de PZE-correctieformulieren van het afgelopen jaar niet meer in de kluis in het filiaal lagen terwijl dat volgens de regels wel verplicht was, maakt dit niet anders. [voormalig werknemer] erkent dat hij de formulieren niet lang genoeg heeft bewaard, maar heeft weggegooid zodra de correctie was verwerkt in het systeem. Hierdoor is niemand in enig belang geschaad. Lidl heeft niet aangevoerd met welk (ander) doel de formulieren een jaar bewaard moesten worden.\n\n2.9.. \n [voormalig werknemer] erkent dat hij in december een opleidingsdag van de assistent supermarktmanager per ongeluk heeft verwijderd, omdat hij was vergeten dat die collega die dag een opleiding had. Wel wist hij dat die collega die dag niet had gewerkt. Wat dus ook klopte. De kantonrechter schaart dit onder de uitdrukking ‘waar gewerkt wordt worden fouten gemaakt.’\n\n2.10.. Enige vorm van kwade opzet om te manipuleren ziet de kantonrechter niet. Lidl noemt als mogelijk motief de ‘stuksprestatie’, maar het verwijderen van enkele werkdagen per maand van personeel heeft daar zo’n kleine invloed op dat de kantonrechter dit niet overtuigend vindt.\n\n2.11.. Lidl geeft aan dat personeel is benadeeld en dat zij zelf schade heeft geleden. Dat staat allebei niet vast en is ook niet aannemelijk. Personeel kon en kan nog steeds door het laten invullen van een PZE-correctieformulier aanspraak maken op uitbetaling van de daadwerkelijk gewerkte uren. Als het personeel dat doet en Lidl de daadwerkelijk gemaakte uren alsnog betaalt, valt ook niet in te zien dat Lidl daardoor schade lijdt. Immers, er wordt dan weliswaar later betaald, maar niet meer uren dan dat terecht zijn geregistreerd.\n\n2.12.. Last but not least werkte [voormalig werknemer] al meer dan 17 jaar bij Lidl. In die jaren is hij manager geweest in verschillende filialen. Hij heeft altijd goed gefunctioneerd. Een enkel(e) ontwikkelpunt(en) in een functioneringsverslag maakt dat beeld niet anders. Lidl is veel te voortvarend te werk gegaan door zo’n medewerker in de gegeven situatie op staande voet te ontslaan. Lidl had allerlei minder vergaande maatregelen kunnen nemen die naar het oordeel van de kantonrechter passender waren geweest. Zoals een waarschuwing geven samen met het doornemen van de procedures, bespreken van (eventuele) afwijkende praktijkgewoontes en de onwenselijkheid daarvan, met eventueel een opfriscursus en\u002Fof begeleiding.\n\n2.13.. Verder verwijt Lidl [voormalig werknemer] dat hij een medewerker uit dienst heeft gemeld, zonder dat daarvoor een geldige reden was, en terwijl deze medewerker zich ziek had gemeld. Niet alleen geldt dat Lidl zelf aanvoert dat [voormalig werknemer] deze medewerker niet daadwerkelijk uit dienst heeft gemeld, zodat dit daarom al geen dringende reden kan zijn. Ook geldt dat als [voormalig werknemer] dit wel zou hebben gedaan, een ontslag op staande voet – onder de hiervoor besproken omstandigheden – veel te doortastend zou zijn geweest.\n\n2.14.. Omdat het ontslag hierdoor al niet geldig is, hoeft niet meer te worden beoordeeld of aan de andere voorwaarden voor een ontslag op staande voet is voldaan.\n\nLidl moet een billijke vergoeding betalen van € 100.000,-\n\n2.15.. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter vindt in dit geval een billijke vergoeding van € 100.000,- bruto passend. Lidl wordt veroordeeld om dit bedrag binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak aan [voormalig werknemer] te betalen. De rente wordt toegewezen vanaf veertien dagen na deze uitspraak. Hierna worden de omstandigheden besproken die de kantonrechter heeft betrokken bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding.2.16.. \n\n [voormalig werknemer] werkte al 17 jaar bij Lidl. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [voormalig werknemer] Lidl wilde verlaten. Gelet op het oordeel van de kantonrechter is het ook niet aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn op verzoek van Lidl ontbonden mocht worden. [voormalig werknemer] heeft weliswaar heel snel een nieuwe, vergelijkbare baan gevonden, maar niet is betwist dat dat tegen een aanzienlijk lager loon is. Het zal even duren voordat [voormalig werknemer] bij zijn nieuwe werkgever ook weer is opgeklommen richting het mooie salaris dat hij bij Lidl verdiende. Lidl heeft de berekeningen van [voormalig werknemer] over hierover niet betwist. De billijke vergoeding is echter niet bedoeld als een soort verzekering. En bovendien kan niemand in de toekomst kijken. Rekening houdend met alles dat vast staat, maar ook met alle onzekerheden, acht de kantonrechter het redelijk dat [voormalig werknemer] de komende drie jaar door Lidl wordt gecompenseerd voor zijn verlies aan inkomen. Met de berg aan werkervaring die [voormalig werknemer] bij Lidl heeft opgedaan, acht de kantonrechter hem in staat om in die periode ook bij zijn nieuwe werkgever te zijn gegroeid naar een loon dat in de buurt komt van wat hij bij Lidl verdiende.\n\nLidl moet een transitievergoeding betalen\n\n2.17.. \n\n [voormalig werknemer] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [voormalig werknemer] (artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW).\n\nDaarbij wordt uitgegaan van een bruto maandloon van € 6.390,25 inclusief meeruren, vakantietoeslag en toeslagen, omdat Lidl de juistheid hiervan niet heeft betwist. [voormalig werknemer] berust in het ontslag op staande voet, dus de einddatum van de arbeidsovereenkomst is 5 januari 2026. Op basis van dit loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 36.950,62 bruto. Dit bedrag moet Lidl betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.\n\nLidl moet een gefixeerde schadevergoeding betalen\n\n2.18.. Lidl moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging aan [voormalig werknemer] betalen. Lidl heeft namelijk de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd zonder rekening te houden met een opzegtermijn (artikel 7:672 lid 11 BW). Die vergoeding is – kort gezegd – gelijk aan het loon dat [voormalig werknemer] zou hebben gekregen als Lidl bij de opzegging wel rekening zou hebben gehouden met de opzegtermijn. [voormalig werknemer] was 17 jaar in dienst. Daarom geldt een opzegtermijn van vier maand(en). De arbeidsovereenkomst had dus niet eerder dan per 1 juni 2026 kunnen worden beëindigd. De partijen zijn het er op de zitting over eens dat hierbij een vergoeding van € 30.928,81 past. Dit bedrag moet Lidl betalen. De wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.\n\n [voormalig werknemer] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen\n\n2.19.. Lidl heeft geen recht op een gefixeerde schadevergoeding, omdat het ontslag niet geldig is.\n\nLidl moet een rectificatie sturen\n\n2.20.. Rayonmanager [rayonmanager] van Lidl heeft op 5 januari 2026 in een appgroep een bericht gestuurd dat als volgt begint:\n\nGoedemiddag allemaal,\n\nVia dit bericht informeer ik jullie over een personele wijziging binnen het filiaal. [voormalig werknemer]\n\nis vandaag per direct uit dienst gegaan. Dit besluit is genomen naar aanleiding\n\nvan geconstateerde fraude en was, hoe vervelend ook, noodzakelijk.\n\nGelet op wat in deze uitspraak is geoordeeld, klopt dit bericht niet. [voormalig werknemer] heeft er belang bij dat in dezelfde appgroep een nieuw bericht wordt gestuurd door Lild. Lidl wordt veroordeeld om dat binnen zeven dagen na de datum van deze uitspraak te doen. Lidl moet een kopie van het bericht aan de gemachtigde van [voormalig werknemer] sturen. De inhoud van het bericht moet zijn:\n\nGoedemiddag allemaal,\n\nOp 5 januari 2026 hebben jullie een bericht gekregen van [rayonmanager] (rayonmanager). Daarin informeerde hij jullie over een personele wijziging binnen het filiaal, namelijk dat [voormalig werknemer] ( [voormalig werknemer] ) per direct uit dienst is gegaan. Ik stuur jullie dit bericht in opdracht van de kantonrechter. Om aan jullie te laten weten dat [voormalig werknemer] niet zelf uit dienst is gegaan, maar is ontslagen. Hij is het niet met zijn ontslag eens, maar hij ‘berust’ er wel in. In de app van 5 januari stond ook dat er fraude was geconstateerd. Ik laat jullie hierbij weten dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van fraude. Dit verandert niets aan de situatie. [voormalig werknemer] werkt inmiddels bij een andere supermarkt.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n*naam verzender*\n\nVoor iedere dag dat Lidl hiermee te laat is, moet zij € 1.000,- aan [voormalig werknemer] betalen, met een maximum van € 30.000,-.2.21.. \n\nLidl had binnen een maand na het einde van het dienstverband al het loon en wat daarbij hoort aan [voormalig werknemer] moeten betalen.Dat heeft zij niet gedaan.\n\nLidl heeft de ADV-uren van € 7.417,03 netto pas op 26 mei 2026 aan [voormalig werknemer] betaald. Daarom moet Lidl daarover tot die datum wettelijke verhoging betalen berekend vanaf 5 februari 2026.De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging tot een bedrag van € 1.000,-. Lidl wordt veroordeeld om dit bedrag te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak.\n\nOmdat Lidl het loon niet op tijd heeft betaald, moet zij ook de wettelijke rente over het loon betalen vanaf de eerste dag na de maand die zij niet op tijd heeft betaald. De rente over de verhoging wordt toegewezen vanaf veertien dagen na deze uitspraak. \n\nLidl betwist niet dat zij nog € 40,40 bruto aan vakantietoeslag moet betalen. Daartoe wordt zij veroordeeld, met rente en verhoging van 10%.\n\n [voormalig werknemer] heeft niet duidelijk gemaakt dat hij verder nog salaris had moeten krijgen.\n\nLidl moet de proceskosten betalen\n\n2.22.. De proceskosten komen voor rekening van Lidl, omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die Lidl aan [voormalig werknemer] moet betalen op € 753,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.762,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.23.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [voormalig werknemer] dat heeft gevraagd en Lidl daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt.Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] een billijke vergoeding van € 100.000,- bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf veertien dagen na de datum van deze uitspraak tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.2.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] de transitievergoeding van € 36.950,62 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.3.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] een gefixeerde schadevergoeding van € 30.928,81 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 5 januari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.4.. veroordeelt Lidl om binnen zeven dagen na de datum van deze uitspraak in dezelfde appgroep als waarin de rayonmanager op 5 januari 2026 het bericht over de personele wijziging heeft gestuurd dit bericht, met een kopie aan de gemachtigde van [voormalig werknemer] , te sturen:\n\nGoedemiddag allemaal,\n\nOp 5 januari 2026 hebben jullie een bericht gekregen van [rayonmanager] (rayonmanager). Daarin informeerde hij jullie over een personele wijziging binnen het filiaal, namelijk dat [voormalig werknemer] ( [voormalig werknemer] ) per direct uit dienst is gegaan. Ik stuur jullie dit bericht in opdracht van de kantonrechter. Om aan jullie te laten weten dat [voormalig werknemer] niet zelf uit dienst is gegaan, maar is ontslagen. Hij is het niet met zijn ontslag eens, maar hij ‘berust’ er wel in. In de app van 5 januari stond ook dat er fraude was geconstateerd. Ik laat jullie hierbij weten dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van fraude. Dit verandert niets aan de situatie. [voormalig werknemer] werk inmiddels bij een andere supermarkt.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n*naam verzender*\n\nen bepaalt dat Lidl voor iedere dag dat zij hiermee te laat is € 1.000,- aan [voormalig werknemer] moet betalen, met een maximum van € 30.000,-;\n\n3.5.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] te betalen de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het bruto equivalent van € 7.417,03 vanaf 5 februari 2026 tot 26 mei 2026 en de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW vastgesteld op een bedrag van € 1.000,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 daarover vanaf veertien dagen na de datum van deze uitspraak tot de dag dat dit bedrag volledig is betaald;\n\n3.6.. veroordeelt Lidl om aan [voormalig werknemer] te betalen € 40,40 bruto aan vakantietoeslag, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 5 februari 2026 tot de dag dat volledig is betaald en met de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW van 10% met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf veertien dagen na de datum van deze uitspraak tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.7.. veroordeelt Lidl in de proceskosten, die aan de kant van [voormalig werknemer] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.762,-;\n\n3.8.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.9.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken.\n\n703\n\n Artikel 7:681 lid 1 onder a en artikel 7:671 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:678 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Het gewerkte aantal uren in relatie tot de omzet van een filiaal.\n\nHoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow).\n\n Artikel 7:686a lid 1 tweede zin van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:686a lid 1 eerste zin van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:677 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 7:623 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 6:119 en artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n De rente is namelijk pas verschuldigd vanaf het moment van verzuim volgens artikel 6:119 BW.\n\n Artikel 288 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6745","2026-06-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:42.613Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":76,"fullText":77,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":78,"sourceTimestamp":79,"parsedAt":52,"updatedAt":80},"1101","ECLI:NL:RBROT:2026:6833","ecli-nl-rbrot-2026-6833","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F700535 \u002F HA ZA 25-450\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nTUNED IMPORTS B.V.,\n\nte Schiedam,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerenede partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Tuned,\n\nadvocaat: mr. P.A. Visser,\n\ntegen\n\n [persoon A] H.O.D.N. [handelsnaam A],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [persoon A] ,\n\nadvocaat: mr. J.A.Th. van den Berg.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [persoon A] is [naam functie 1] geweest bij vestigingen van Tuned in Nederland en Spanje. Tuned stelt dat [persoon A] frauduleus heeft gehandeld, onder meer door werknemers van Tuned op kosten van Tuned eigen auto’s van [persoon A] te laten repareren. Tuned heeft Hoffmann onderzoek laten doen. Het rapport van dat onderzoek en wat Tuned daarnaast heeft aangevoerd zijn onvoldoende om de stellingen van Tuned tegenover de betwisting door [persoon A] te onderbouwen. De vordering van Tuned wordt voor het grootste gedeelte afgewezen. Ook de vordering van [persoon A] in reconventie wordt voor het grootste gedeelte afgewezen omdat zij onvoldoende is onderbouwd.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 mei 2025 met producties 1-10; - de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van 8 oktober 2025 met producties 1-50;\n\n- de akte van [persoon A] van 30 april 2026 (gedateerd op 11 mei 2026) tot vermeerdering van de eis in reconventie met producties 51-84;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie van 6 mei 2026 (gedateerd op 11 mei 2026) met productie 7;\n\n- de akte overlegging producties, tevens vermeerdering van de eis in conventie van Tuned van 7 mei 2026 (gedateerd op 11 mei 2026);\n\n- de spreekaantekeningen van Tuned en [persoon A] voor de mondelinge behandeling op 11 mei 2026.\n\n2.2.. \n [persoon A] heeft bezwaar gemaakt tegen de conclusie van antwoord in reconventie van 6 mei 2026 en de akte van Tuned van 7 mei 2026. Die zijn te laat ingediend en moeten daarom buiten beschouwing blijven, aldus [persoon A] . De rechtbank oordeelt dat de conclusie van antwoord in reconventie weliswaar te laat is ingediend (artikel 87 lid 6 Rv), maar laat haar niet buiten beschouwing, omdat Tuned met die akte heeft gereageerd op een eis in reconventie, die [persoon A] bij akte van 30 april 2026 met een aanzienlijk aantal producties heeft gewijzigd. Tuned had redelijkerwijs niet veel eerder kunnen reageren. De akte van Tuned van 7 mei 2026 houdt een wijziging in van de eis. Op grond van artikel 130 lid 1 Rv kan Tuned haar eis wijzigen totdat eindvonnis is gewezen. Dat de wijziging in strijd is met de goede procesorde heeft [persoon A] niet aangevoerd. De eiswijziging wordt daarom toegelaten. De rechtbank laat productie 12 bij die akte buiten beschouwing. Die productie is te laat ingediend.\n\n2.3.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Tuned restaureert en repareert auto’s en verhandelt die. Tuned heeft een vestiging in Spanje en een in Nederland. [persoon B] is indirect, via [holding B] ., [naam functie 2] van Tuned.\n\n3.2.. Ook [persoon A] restaureert, repareert en verhandelt auto’s onder de naam van zijn eenmanszaak “ [eenmanszaak A] ”. [persoon A] is van oorsprong plaatwerker en hij heeft in die hoedanigheid werkzaamheden voor Tuned verricht. Zo hebben partijen elkaar leren kennen.\n\n3.3.. \n [persoon A] is van oktober 2019 tot 14 juni 2024 [naam functie 1] geweest van de ondernemingen van Tuned in Nederland en Spanje. De afspraken hierover zijn niet schriftelijk vastgelegd. [persoon A] stuurde Tuned maandelijks een factuur voor een vaste overeengekomen managementvergoeding.\n\n3.4.. Het was [persoon A] tijdens de samenwerking met Tuned toegestaan om in de werkplaatsen van Tuned in Nederland en in Spanje eigen auto’s op te (laten) knappen en te verkopen. Hij mocht daarbij het gereedschap van Tuned gebruiken. [persoon A] heeft daarbij ook met medeweten van Tuned medewerkers van Tuned ingezet. Dat was toegestaan, mits [persoon A] die medewerkers voor die werkzaamheden zelf betaalde.\n\n3.5.. Tuned en [persoon A] hebben ook afgesproken dat zij samen auto’s zouden kopen om die vervolgens na het restaureren ervan te verkopen. De afspraken over dit onderdeel van de samenwerking staan ook niet op schrift. Partijen zijn het er niet over eens hoe die afspraken precies luiden, maar zij zijn het er wel over eens dat zij de winst bij verkoop gelijk zouden delen.\n\n3.6.. \n [persoon A] verrichte zijn werkzaamheden als [naam functie 1] vanuit Nederland. In Spanje was [persoon C] verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. [persoon C] had daar de titel van [naam functie 3] . [persoon C] is in februari 2024 bij Tuned weggegaan. Na het vertrek van [persoon C] bekleedde [persoon A] vanuit Nederland de functie van [naam functie 3] van de Spaanse vestiging totdat [persoon A] op 14 juni 2024 bij Tuned wegging. [persoon A] is tussen oktober 2019 en 14 juni 2024 ca. acht keer op de vestiging van Tuned in Spanje geweest.\n\n3.7.. Tuned heeft Hoffmann Bedrijfsrecherche op of omstreeks 27 augustus 2024 opdracht verleend om onderzoek te doen naar signalen van fraude door [persoon A] . Die signalen waren afkomstig van [persoon C] . Hoffmann heeft haar bevindingen opgeschreven in een rapport van 11 april 2025. Het rapport is voorzien van 41 genummerde bijlagen. Twaalf van die bijlagen zijn verslagen van gesprekken tussen medewerkers van Hoffmann en medewerkers van Tuned\n\n3.8.. In het rapport van Hoffmann staat onder meer (p. 4\u002F 5):\n\n“Doel van het onderzoek was:\n\nVaststellen of de heer [persoon A] fraude heeft gepleegd;\n\nIndien hier sprake van is, de aard en omvang van de fraude vaststellen.\n\nVoorafgaand aan en gedurende het onderzoek is een plan van aanpak met de volgende\n\nwerkzaamheden overeengekomen:\n\nHet houden van een voorbespreking;\n\nHet analyseren van het beschikbare dossier;\n\nHet voeren van gesprekken met medewerkers van de twee vestigingen van Tuned Imports;\n\nHet voeren van een gesprek met de heer [persoon A] ;\n\nHet opstellen van een eindrapport.\n\n(…)\n\nHet onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode september - oktober 2024. Het conceptrapport is op vrijdag 15 november 2024 verzonden naar de heer [persoon B] . Wegens omstandigheden heeft de heer [persoon B] op maandag 31 maart 2025 een reactie en aanvulling kunnen geven op het conceptrapport. Deze aanvullingen zijn verwerkt in de rapportage.\n\n(…)”\n\n3.9.. In het rapport zijn de bevindingen als volgt samengevat (p. 6):\n\n“2. Samenvatting\n\nDe informatie in deze samenvatting is gebaseerd op de gevoerde gesprekken en op gegevens uit verkregen administratieve bescheiden, die als bijlagen zijn opgenomen in dit rapport. De uitkomsten van het onderzoek worden in de onderstaande paragrafen per doelstelling -zoals vermeld in de inleiding- besproken.\n\n2.1. Vaststellen of de heer [persoon A] fraude heeft gepleegd\n\nUit onderzoek werd bekend dat de heer [persoon A] fraude heeft gepleegd bij Tuned Imports in Nederland, maar ook bij de vestiging van Tuned Imports in Spanje.\n\nUit onderzoek werd bekend dat de heer [persoon A] bij de aankoop van een stuk grond in Spanje deed alsof hij heeft onderhandeld met de oud eigenaar. Volgens de heer [persoon A] bedroeg de aankoopprijs van de grond € 14.500,-.\n\nUit onderzoek werd bekend dat de verkoopprijs van de grond in werkelijkheid € 7.000,- bedroeg en dat de heer [persoon A] niet degene is geweest die over de grond heeft onderhandeld met de oud eigenaar. Derhalve heeft de heer [persoon B] de heer [persoon A] ten onrechte een bedrag van € 7.500,- in contanten betaald.\n\nUit gesprekken met medewerkers van Tuned Imports in Spanje werd bekend dat zij in opdracht van de heer [persoon A] onder werktijd tussen 08.00 en 12.00 uur aan auto’s van de heer [persoon A] moesten werken.\n\nOok werd bekend dat de heer [persoon A] contant geld en gereedschap heeft meegenomen bij Tuned Imports in Spanje.\n\nUit de gesprekken met medewerkers van Tuned Imports in Nederland werd tevens bekend dat de heer [persoon A] medewerkers onder werktijd van Tuned Imports aan zijn eigen auto's liet werken. Ook zou de heer [persoon A] op onrechtmatige wijze urenregistraties van uitzendkrachten en zzp’ers hebben aangepast. De uren die deze medewerkers in het weekend werkten aan auto's van de heer [persoon A] , zouden zijn aangepast en verplaatst naar doordeweekse dagen en werden ten onrechte door Tuned Imports betaald. Ook werd bekend dat de heer [persoon A] een medewerker van Tuned Imports zou hebben gedwongen om hem € 2.000,- contant te betalen in ruil voor het terugdraaien van vakantieverlof en het ‘opboeken’ van overuren.\n\nVoorts werd uit gesprekken met medewerkers van Tuned Imports bekend dat zij in opdracht van de heer [persoon A] onderdelen wegnamen van auto’s van Tuned Imports en deze monteerden op auto’s van de heer [persoon A] . Volgens meerdere medewerkers kregen zij van de heer [persoon A] ook opdracht om goede onderdelen van auto’s van Tuned Imports te verwisselen voor defecte onderdelen afkomstig van de auto’s van de heer [persoon A] .\n\n2.2. Indien hier sprake van is, de aard en omvang van de fraude vaststellen\n\nDoor de frauduleuze handelswijze van de heer [persoon A] is er schade voor Tuned Imports ontstaan. De totale schade wordt ingeschat tussen € 283.578,- en € 331.578,- en is als volgt opgebouwd:\n\n- Aankoop grond in Spanje: € 7.500,-;\n\n- Onder werktijd werken aan auto’s van de heer [persoon A] in Spanje: € 88.335,-;\n\n- Onrechtmatig gebruik materialen in Spanje: € 17.500,- \u002F € 20.000,-;\n\n- Wegnemen contant geld: € 8.936,-;\n\n- Wegnemen gereedschap: € 1.329,-;\n\n- Onder werktijd werken aan auto’s van de heer [persoon A] in Nederland: € 97.500,- \u002F€ 130.000,-;\n\n- Onrechtmatig weggenomen en\u002Fof verwisselde onderdelen: € 25.000,- \u002F € 30.000,-;\n\n- Onrechtmatig gebruikte materialen: € 20.000,- \u002F€ 25.000,-;\n\n- Niet afgerekende gezamenlijke projecten: € 17.000,- \u002F€ 20.000,-;\n\n- Openstaande creditnota’s € 477,83.”\n\n3.10.. Als toelichting op de schattingen van de schadebedragen in het rapport wordt verwezen naar bijlagen 5, 6, 11, 17, 19, 21 en 22 bij het rapport. Die bijlagen zijn eigen opstellingen en schattingen van [persoon B] .\n\n3.11.. Hoffmann heeft voor het onderzoek een bedrag van € 33.137,86 gefactureerd.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie:\n\n4.1.. Tuned vordert - samengevat en na vermeerdering van de eis - veroordeling van [persoon A] tot betaling van € 355.683,00 in hoofdsom plus € 33.137,86 aan kosten voor vaststelling van de aansprakelijkheid en de schade, vermeerderd met rente en (beslag)kosten. Tuned vordert daarnaast een bedrag van € 49.750,00 aan stallingkosten voor de auto’s van [persoon A] die al zijn opgehaald en een bedrag van € 16.950,00 voor twee auto’s van [persoon A] die nog bij Tuned staan, te vermeerderen met een bedrag ad. € 50,00 voor iedere dag na 7 mei 2026 dat die twee resterende auto's van [persoon A] nog bij Tuned blijven staan.\n\n4.2.. Tuned legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [persoon A] is tekortgekomen in de nakoming van een managementovereenkomst met Tuned, althans hij heeft jegens Tuned onrechtmatig gehandeld, door frauduleus te handelen. [persoon A] heeft auto’s bij Tuned gestald en hij moet daarvoor stallingskosten betalen, omdat [persoon A] ongerechtvaardigd is verrijkt.\n\n4.3.. \n [persoon A] voert verweer. [persoon A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Tuned, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Tuned, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Tuned in de kosten van deze procedure.\n\nIn reconventie:\n\n4.4.. \n [persoon A] vordert – samengevat en na wijziging van de eis – veroordeling van Tuned tot betaling van verschillende bedragen die optellen tot een bedrag van € 207.384,82, vermeerderd met rente en kosten, alsmede tot het afgeven van de harde schijf van [persoon A] op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 per dag tot een maximum van € 100.000,00.\n\n4.5.. \n [persoon A] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [persoon A] is cessionaris van een vordering van [naam autobedrijf] , die Tuned in 2023 een factuur heeft gestuurd die onbetaald is gebleven. Ook facturen van [persoon A] zijn onbetaald gebleven. [persoon A] heeft arbeid gestoken in een Jaguar E-type van Tuned, waardoor Tuned ongerechtvaardigd is verrijkt. [persoon A] vordert ook vergoeding van uren die hij in andere gezamenlijke projecten heeft gestoken (nakoming of ongerechtvaardigde verrijking). Tuned heeft auto’s van [persoon A] beschadigd teruggegeven en spullen achtergehouden. De vordering tot het afgeven van de harde schijf is gegrond op onrechtmatige daad.\n\n4.6.. Tuned voert verweer. Tuned concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure\n\n4.7.. Op de stellingen van partijen in conventie en in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie:\n\nHet rapport van Hoffmann\n\n5.1.. De centrale stelling van Tuned in de dagvaarding is dat [persoon A] “frauduleus heeft gehandeld” (dagvaarding 57 en 58). Die stelling is door Tuned onderbouwd met het rapport van Hoffmann van 11 april 2025. Dat geeft de rechtbank grond om dat rapport van Hoffmann te bespreken voordat de afzonderlijke stellingen van Tuned aan de orde komen.\n\n5.2.. De onderzoekswerkzaamheden van Hoffmann hebben zich volgens het rapport (p. 4) beperkt tot het bestuderen van het “beschikbare dossier” en gesprekken met medewerkers van Tuned in Spanje en Nederland. Uit het rapport van Hoffmann blijkt niet dat Hoffmann zelfstandig de administratie van Tuned heeft onderzocht. Voor zover Hoffmann informatie uit de administratie van Tuned in haar onderzoek heeft betrokken, zoals exportoverzichten uit het urenregistratieprogramma Shiftbase en het door dat programma bijgehouden logbestand, gaat het om informatie die in Excel is aangeleverd door medewerkers van Shiftbase (p. 8).\n\n5.3.. In het rapport staat dat [persoon B] tijdens het onderzoek fungeerde als contactpersoon voor de medewerkers van Hoffmann (p. 5). In het rapport staat ook dat gedurende het onderzoek meerdere malen, al dan niet telefonisch, overleg heeft plaatsgevonden met [persoon B] (p. 31). Wanneer die gesprekken hebben plaatsgevonden, met welke frequentie en wat tijdens het onderzoek tussen Hoffmann en [persoon B] is besproken, is niet in het rapport vastgelegd.\n\n5.4.. In het rapport staat dat een concept van het rapport op 15 november 2024 aan [persoon B] is voorgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon B] verklaard dat het conceptrapport dat hem is voorgelegd vergezeld ging van de bijlagen. In het rapport staat dat de reactie en aanvullingen van [persoon B] in het rapport zijn verwerkt (p. 5). In het rapport staat niet dat een concept van het rapport aan [persoon A] is voorgelegd. [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij geen concept van het rapport heeft ontvangen. Hij heeft daar dus niet op kunnen reageren. [persoon A] heeft op 10 oktober 2024 een gesprek gehad met medewerkers van Hoffmann. Een verslag van dat gesprek is bij het rapport gevoegd als bijlage 41. Uit dat gespreksverslag blijkt dat [persoon A] op 10 oktober 2024 door Hoffmann tijdens het gesprek met bevindingen uit het onderzoek is geconfronteerd. Het wederhoor is daartoe beperkt gebleven.\n\n5.5.. Bijlage 30 bij het rapport is een verslag van een gesprek tussen medewerkers van Hoffmann en [persoon D] , een medewerker van Tuned die werkzaam was in Nederland. Het verslag is door [persoon D] ondertekend. [persoon A] heeft als productie 13 drie versies overgelegd van het verslag van het gesprek tussen Hoffmann en [persoon D] . [persoon A] heeft die versies gekregen van Ortegea. Daarover heeft [persoon A] – onbetwist – het volgende verklaard:\n\nde eerste versie is een concept dat aan [persoon D] is voorgelegd door Hoffmann;\n\nde tweede versie is het concept van Hoffmann met de handgeschreven verbeteringen en tekstvoorstellen van [persoon D] ;\n\nde derde versie is door [persoon D] op of omstreeks 24 september 2024 ondertekend en die versie bevat handgeschreven opmerkingen van [persoon B] .\n\n5.6.. Er zijn verschillen tussen de versies onder b. en onder c. die niet verklaard kunnen worden door het handgeschreven commentaar van [persoon D] . Die verschillen zijn materieel. Een voorbeeld is dat in de versie die uiteindelijk door [persoon D] is getekend niet meer staat dat [persoon D] door [persoon A] voor bepaalde werkzaamheden in contanten is betaald. In het rapport van Hoffmann staat (p. 21): “De heer [persoon D] deelde tevens mee dat hij onder werktijd van Tuned Imports heeft gewerkt aan meerdere auto’s van de heer [persoon A] .” Voor zover de handgeschreven opmerkingen van [persoon D] niet in het definitieve verslag zijn verwerkt, zijn die opmerkingen niet uit het rapport of de bijlagen erbij kenbaar.\n\n5.7.. \n [persoon A] heeft een email overgelegd van een medewerker van Hoffmann aan [persoon D] van 13 september 2024 (productie 14 van [persoon A] ). Dat was vóór [persoon D] versie c. van het gespreksverslag ondertekende. In die email brengt Hoffmann “in support of the adjustments” punten onder de aandacht van [persoon D] waarover [persoon D] met [persoon B] zou hebben gesproken:\n\n“In support of the adjustments, I wanted to give you the following points\u002Ftopics that [naam 1] [ [persoon B] , rechtbank] sent to me that you had spoken to him about:\n\n• Changing parts for [naam 2] , which [naam 2] would say about that he already ordered new parts or arranged it with [naam 1] .\n\n• Replacing 3 Jaguar XK8 engines, while none of [naam 1] his Jaguar engines needed to be replaced. So this was for [naam 2] . How long and with whom have you worked on these engines?\n\n• The removing of your hours in Shiftbase by [naam 2] while he said that he would settle it with [naam 1]\n\n• That you do think that [naam 2] ripped off or cheated [naam 1] , but that you do not want everybody to know, you said that.”\n\n5.8.. Bijlage 32 bij het rapport is een verslag van een gesprek tussen medewerkers van Hoffmann met [persoon E] , een medewerker van Tuned die werkzaam was in Nederland. Het verslag van dat gesprek is niet door [persoon E] ondertekend. In het rapport van Hoffmann staat niet dat [persoon E] het verslag niet heeft ondertekend en een toelichting op het ontbreken van de handtekening van [persoon E] onder het verslag ontbreekt. In het rapport baseert Hoffmann bevindingen op het gesprek met [persoon E] (o.a. p. 21, waar staat: “Volgens de heer [persoon E] heeft hij aan meerdere auto's van de heer [persoon A] gewerkt onder werktijd van Tuned Imports.”).\n\n5.9.. \n [persoon A] heeft een schriftelijke verklaring overgelegd van [persoon E] van 26 augustus 2025. In die verklaring van [persoon E] staat:\n\n“I hereby declare that I did not sign Hoffmann's interview because the transcript does not correspond to what I actually said. Since my statement has not been accurately reproduced, I could not and cannot approve this report and have therefore not signed it.”\n\n5.10.. Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport van Hoffmann als onderbouwing van de stelling dat [persoon A] frauduleus heeft gehandeld onvoldoende. Daartoe is het volgende redengevend. De bevindingen van Hoffmann berusten overwegend op verklaringen van medewerkers van Tuned. Hoffmann heeft niet, althans niet kenbaar boekenonderzoek gedaan. De keuze voor deze beperking is in het rapport niet uitgelegd.\n\n5.11.. Hoffmann heeft kennelijk toegestaan dat [persoon B] niet alleen achteraf op het concept rapport met bijlagen reageerde, maar ook dat [persoon B] betrokken was bij het tot stand komen van het rapport en de verklaringen van de medewerkers waarop het overwegend berust. Dat blijkt uit de email van Hoffmann aan [persoon D] van 13 september 2024 met suggesties voor aanpassing van het gespreksverslag met punten die [persoon B] kennelijk graag in het verslag van [persoon D] opgenomen wilde zien. Het was [persoon D] uit de manier waarop de email was verwoord duidelijk dat [persoon B] deze aanpassingen van het gespreksverslag verlangde. Dat Hoffmann die email stuurde, maakt aannemelijk dat [persoon B] een concept van dat gespreksverslag had beoordeeld voordat het verslag door [persoon D] werd getekend. De verschillen tussen de versie die door [persoon D] van handgeschreven opmerkingen werd voorzien (versie b.) en de definitieve versie (versie c.) zijn ook een aanwijzing voor de betrokkenheid van [persoon B] , net als de handgeschreven opmerkingen van [persoon B] op die definitieve, getekende versie.\n\n5.12.. De medewerkers van Tuned, zoals [persoon D] en [persoon E] , stonden tijdens het onderzoek in een gezagsrelatie met Tuned of waren van opdrachten van Tuned afhankelijk. Van medewerkers van Tuned kon niet zonder meer worden verwacht dat zij weerstand boden aan de druk die van de bemoeienis van [persoon B] met het onderzoek uitging. Waar dat mogelijk wel is gebeurd, zoals in het geval van [persoon E] , die volgens zijn verklaring geweigerd heeft om zijn gespreksverslag te tekenen, heeft Hoffmann dit niet vermeld en is het gespreksverslag zonder toelichting gebruikt om de bevindingen in het rapport te onderbouwen.\n\n5.13.. De verstrekkende conclusie in de samenvatting van het rapport dat door de frauduleuze handelswijze van [persoon A] schade is ontstaan die wordt ingeschat tussen € 283.578,00 en € 331.578,00 is niet door onderzoek van Hoffmann onderbouwd. Alle genoemde schadebedragen zijn begroot door [persoon B] . Hoffmann heeft daarbij geen kenbare betrokkenheid gehad. Dat is bij lezing van het rapport en de bijlagen daarbij weliswaar kenbaar, maar de samenvatting suggereert dat de schade door Hoffmann is ingeschat.\n\n5.14.. Deze omstandigheden roepen vragen op over de objectiviteit van het onderzoek en het rapport van Hoffmann. Daarom acht de rechtbank het onderzoek en het rapport niet zonder meer voldoende om zelfstandig te kunnen dienen als onderbouwing van de stellingen van Tuned. Het lot van die stellingen van Tuned hangt daardoor met name af van de specifieke onderbouwing per onderzoeksbevinding, de betwisting door [persoon A] en de mate waarin die betwisting is onderbouwd. Die stellingen van Tuned zal de rechtbank hierna stuk voor stuk beoordelen.\n\nAankoop van een stuk grond in Spanje\n\n5.15.. Tuned heeft het volgende gesteld. [persoon A] heeft Tuned € 7.500,00 meer laten betalen voor een stuk grond in Spanje dan [persoon A] met de verkoper was overeengekomen. In WhatsApp-berichten aan [persoon B] heeft [persoon A] geschreven dat de verkoper € 15.000,00 wilde hebben en dat [persoon A] ging proberen om de deal voor € 14.500,00 te sluiten. De verkoper zou € 7.000,00 per bank willen ontvangen en € 7.500,00 in contanten. In werkelijkheid was de aankoopprijs € 7.000,00 en stak [persoon A] € 7.500,00 in eigen zak. Tuned verwijst naar het Hoffmann rapport (p. 9-11).\n\n5.16.. \n [persoon A] heeft deze gang van zaken op zichzelf niet betwist. [persoon A] meent dat het bedrag van € 7.500,00 moet worden aangemerkt als bemiddelingsfee. Hij heeft dit bedrag in contanten van Tuned ontvangen en niet afgedragen aan de verkoper. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon A] desgevraagd verklaard dat hij met Tuned niet over een bemiddelingsfee heeft gesproken.\n\n5.17.. De rechtbank oordeelt als volgt. De WhatsApp-berichten (bijlage 1 bij het rapport van Hoffman) onderbouwen de stelling van Tuned dat [persoon A] haar heeft voorgehouden dat het gehele bedrag van € 14.500,00 moest worden betaald aan een derde als koopprijs. [persoon A] deed dat in zijn hoedanigheid van [naam functie 1] van Tuned, een functie waarvoor hij van Tuned een managementvergoeding ontving. Door deze gedragingen schoot [persoon A] tekort in de nakoming van zijn verplichtingen onder de managementovereenkomst. Die verplichtingen waren weliswaar niet opgeschreven, maar Tuned mocht verwachten dat [persoon A] bij het aankopen van dit stuk grond niet heimelijk zijn eigen belangen boven die van Tuned zou stellen. Tuned heeft hierdoor schade geleden die zij begroot op € 7.500,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding (21 mei 2025). [persoon A] zal worden veroordeeld om de schade van € 7.500,00 te vergoeden vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna wordt overwogen.\n\nOnder werktijd werken aan auto’s van [persoon A] in Spanje\n\n5.18.. Tuned heeft het volgende gesteld. Gedurende een periode van één tot anderhalf jaar hebben vier tot acht medewerkers van de vestiging van Tuned in Spanje dagelijks tussen 08:00 en 12:00 uur structureel gewerkt aan auto’s van [persoon A] . Dat gebeurde tussen 08:00 en 12:00 uur, omdat [persoon B] na 12:00 uur de werkplaats via camerabeelden kon bekijken. Er is in die periode maar één auto van Tuned afgemaakt. De betrokken werknemers werden betaald door Tuned, die hierdoor een schade heeft geleden van € 88.335,00. Dat bedrag heeft Tuned begroot op de helft van de personeelskosten volgens de winst en verliesrekening van de Spaanse vestiging over 2022 (€ 117.778,73) x 1,5 (18 maanden). Tuned verwijst naar het rapport van Hoffmann (p. 11-13).\n\n5.19.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij medewerkers van Tuned op kosten van Tuned heeft laten werken aan zijn auto’s. [persoon A] heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Niet [persoon A] maar [persoon C] was in Spanje verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Het was de verantwoordelijkheid van [persoon C] om de gewerkte uren bij te houden, niet de verantwoordelijkheid van [persoon A] . [persoon C] nam namens Tuned reparatiewerk aan schadeauto’s aan van derden en er werd ook gewerkt aan auto’s van Tuned. Dat er in 18 maanden maar één auto van Tuned is afgemaakt, betekent daarom niet dat er dus overwegend aan auto’s van [persoon A] werd gewerkt. Het is juist dat een aantal auto’s van [persoon A] naar Spanje was getransporteerd, maar dat was Tuned bekend. Tuned heeft de transportkosten aan [persoon A] gefactureerd en [persoon A] heeft de facturen betaald. Het ging om vijf auto’s en die zijn uiteindelijk niet in Spanje afgemaakt. Voor werkzaamheden door medewerkers van Tuned aan die auto’s heeft [persoon A] contant betaald. Er hingen gedurende het eerste jaar geen camera’s in Spanje, dus er was geen reden om werktijden aan te passen aan mogelijk cameratoezicht door [persoon B] .\n\n5.20.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [persoon B] desgevraagd nog het volgende verklaard. Het klopt dat er het eerste jaar geen camera’s in Spanje hingen. Mogelijk werd er toen op andere tijden dan tussen 08:00 en 12:00 uur aan auto’s van [persoon A] gewerkt. Het was voor Tuned onverklaarbaar waarom er ca. € 118.000,00 per jaar aan loonkosten werd uitgegeven, terwijl daar geen noemenswaardige omzet tegenover stond. [persoon C] heeft voor zijn vertrek verklaard dat die omzet achterbleef, omdat er aan auto’s van [persoon A] gewerkt moest worden. [persoon B] hoort nu voor het eerst dat [persoon C] door werknemers van Tuned reparatiewerkzaamheden aan schadeauto’s voor derden liet verrichten.\n\n5.21.. De rechtbank oordeelt als volgt. Medewerkers van Tuned in Spanje hebben in gesprekken met Hoffmann verklaard dat zij tussen 08:00 en 12:00 uur aan auto’s van [persoon A] moesten werken. Zij hebben echter ook verklaard dat zij vaak niet wisten welke auto’s van [persoon A] waren en welke auto’s niet en ook dat zij daar soms pas achteraf achter kwamen. De verklaringen zijn daardoor weinig concreet. De bevindingen in het rapport van Hoffmann zijn op dit punt ten onrechte stelliger (zie hiervoor onder 3.9).\n\n5.22.. \n [persoon A] heeft onbetwist gesteld dat hij met medeweten van [persoon B] eigen auto’s naar Spanje heeft getransporteerd. De stelling dat [persoon C] in Spanje reparaties aan schadeauto’s van derden liet verrichten, heeft Tuned ( [persoon B] ) niet werkelijk betwist met de verklaring ter zitting dat hij dat niet eerder had gehoord. In de werkplaats in Spanje bevonden zich dus tegelijkertijd auto’s van Tuned, auto’s van [persoon A] en auto’s van derden. Kennelijk werd in Spanje niet goed bijgehouden welke medewerker aan welke auto werkte, welke werkzaamheden werden verricht en hoeveel uren daarmee gemoeid waren, althans dergelijke informatie is niet door Hoffmann in het onderzoek betrokken en ook niet in het geding gebracht. Daardoor is achteraf niet meer met voldoende zekerheid vast te stellen of, en zo ja op welke schaal aan auto’s van [persoon A] is gewerkt en ook niet of Tuned voor de loonkosten is opgedraaid. Tuned maakt daarvan [persoon A] een verwijt, maar zij heeft niet uitgelegd hoe [persoon A] dit vanuit Nederland beter had kunnen regelen, terwijl de dagelijkse leiding in Spanje bij [persoon C] berustte. Het had in de eerste plaats op de weg van [persoon B] gelegen, als statutair bestuurder van Tuned, om te zorgen voor een deugdelijke administratie en rapportagestructuur bij haar vestiging in Spanje. Dat gold temeer nadat [persoon B] , zoals hij heeft verklaard, niet in staat bleek om de loonkosten met de omzet te rijmen.\n\n5.23.. De stelling van Tuned dat [persoon A] frauduleus heeft gehandeld door in Spanje werknemers van Tuned op kosten van Tuned aan eigen auto’s te laten werken is al met al onvoldoende onderbouwd. Ook de aanname dat de helft van de personeelskosten van Tuned in Spanje gedurende 18 maanden als vergoedbare schade moet worden aangemerkt, is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal dit onderdeel van de vorderingen daarom afwijzen.\n\nOnrechtmatig gebruik van materialen in Spanje\n\n5.24.. Tuned heeft het volgende gesteld. Bij werkzaamheden aan auto’s van [persoon A] in Spanje is materiaal van Tuned verwerkt. De schade die gemoeid is met het onrechtmatig gebruik van de betreffende materialen in Spanje wordt door Hoffmann geschat op € 17.500,00 tot € 20.000,00, omdat in die periode slechts één auto van Tuned is afgemaakt.\n\n5.25.. \n [persoon A] heeft gemotiveerd betwist dat in zijn auto’s in Spanje materiaal van Tuned is verwerkt. [persoon A] heeft aangevoerd dat het gebruik van materiaal verklaard wordt, doordat aan auto’s van Tuned is gewerkt en ook aan auto’s van derden (zie hiervoor onder 5.19).\n\n5.26.. De rechtbank oordeelt als volgt. In het rapport van Hoffmann staat het volgende (p. 14):\n\n“Volgens de heer [persoon B] zijn er in de eerste 18 maanden 12 auto’s voor de heer [persoon A] klaargemaakt en één auto voor Tuned Imports. Er zou volgens de heer [persoon B] in totaal per jaar ruim € 20.000,- aan materiaal zijn uitgegeven. De totale schade wordt geschat op € 17.500,- \u002F € 20.000,-.”\n\n5.27.. Hieruit blijkt dat Tuned haar stelling onderbouwt met een bevinding in het rapport van Hoffmann die uitsluitend berust op mededelingen van [persoon B] . Hoffmann heeft niet kenbaar enige eigen onderzoeksactiviteit verricht naar het gebruik van materialen door [persoon A] en heeft ook niet kenbaar de schatting van Tuned geverifieerd. Ook op dit punt is in Spanje kennelijk geen goede administratie gevoerd. Tuned heeft haar stelling welbeschouwd niet met meer onderbouwd dan met een mededeling van haar bestuurder [persoon B] . Dat is tegenover de betwisting van [persoon A] onvoldoende en dit onderdeel van de vordering wordt afgewezen.\n\nBetalingen van contant geld aan [persoon A]\n\n5.28.. Tuned heeft het volgende gesteld. Gebleken is uit gesprekken met medewerkers van de Spaanse vestiging dat enkele medewerkers meerdere malen onder druk van [persoon A] geld en contanten hebben klaargelegd voor [persoon A] . Het salaris van [persoon F] , een medewerker van Tuned in Spanje, is in oktober 2023 met € 200,00 per maand verlaagd. In november 2023 is bij vergissing het oorspronkelijke salaris betaald. Op instructie van [persoon A] heeft [persoon F] € 200,00 in contanten aan [persoon A] gegeven, die dat bedrag niet aan Tuned heeft afgedragen. [persoon F] heeft ook een keer € 626,36 voor [persoon A] gepind, nadat een onbekende klant dit bedrag op verzoek van [persoon A] op de rekening van [persoon F] had betaald. In Nederland heeft [persoon A] zich in december 2023 € 2.000,00 laten betalen door een werknemer voor het bijboeken van vakantiedagen en overuren. Tuned heeft de desbetreffende werknemer vervolgens € 3.500,00 betaald voor niet genoten vakantiedagen en overuren. [persoon A] heeft € 580,00 van een klant ( [naam 3] ) ontvangen voor een reparatie en hij heeft dat geld niet aan Tuned afgedragen. [persoon A] heeft ook een betaling van € 800,00 in contanten van een zekere [naam 2] niet afgedragen. De schade als gevolg van het wegnemen van contante betalingen bedraagt in totaal € 8.936,36. Tuned verwijst naar het rapport van Hoffman (p. 14 – 16). Tijdens de zitting heeft Tuned haar vordering met € 2.800,00 verminderd, omdat zij er bij de begroting van haar schade ten onrechte vanuit is gegaan dat [persoon F] niet één keer maar 15 keer het teveel ontvangen salaris in contanten aan [persoon A] heeft betaald. Na vermindering van de eis vordert Tuned dus € 6.136,36 (spreekaantekeningen Tuned, onder 44).\n\n5.29.. \n [persoon A] heeft erkend dat hij in totaal bij verschillende gelegenheden een bedrag van € 630,00 dat aan Tuned toebehoorde in contanten heeft ontvangen, inclusief de € 200,00 van [persoon F] . Dat bedrag van € 630,00 is uitgegeven aan boodschappen en is besteed om met medewerkers van Tuned uit eten te gaan. [persoon A] heeft betwist dat hij meer dan dit bedrag aan geld in contanten heeft ontvangen dat aan Tuned toebehoorde. Van [naam 3] heeft [persoon A] niets ontvangen. De betaling van € 626,36 had betrekking op werkzaamheden die [persoon A] zelf voor een Spaanse klant in Nederland had verricht. Omdat die klant op een Spaanse bankrekening wilde betalen, heeft [persoon F] op verzoek van [persoon A] zijn Spaanse bankrekening beschikbaar gesteld. [persoon F] heeft dit bedrag vervolgens gepind en aan [persoon A] gegeven. [persoon A] heeft betwist dat hij van [naam 2] € 800,00 in contanten zou hebben ontvangen. [persoon A] heeft deze betwisting onderbouwd met een verklaring van [naam 2] , waarin staat dat [naam 2] met [persoon A] geen enkele transactie heeft gehad. [persoon A] betwist ook dat hij zich voor het bijboeken van vakantiedagen en overuren heeft laten betalen.\n\n5.30.. De rechtbank oordeelt als volgt. De stellingen van Tuned berusten uitsluitend op het rapport van Hoffmann. Hoffmann baseert haar bevindingen op verklaringen van individuele medewerkers van Tuned in Spanje en Nederland over specifieke (kas)transacties. Die verklaringen worden niet door andere verklaringen en ook niet door relevant schriftelijk bewijs ondersteund. Hoffmann rapporteert ook welbeschouwd niet iets anders dan dat [persoon A] bij enkele gelegenheden betalingen in contanten heeft ontvangen, behalve op p. 16, waar zonder nadere toelichting staat dat [persoon A] contant geld heeft “weggenomen” waardoor er “schade is ontstaan voor Tuned Imports in Spanje”. Uit de verklaringen van medewerkers volgt met name niet dat de uitleg van [persoon A] over de reden en achtergrond van die contante betalingen onjuist is. Op de uitleg van [persoon A] heeft Tuned in deze procedure niet meer gereageerd, behalve met de mededeling dat [persoon A] niet bewijst dat hij € 626,36 heeft ontvangen voor reparatiewerkzaamheden (spreekaantekeningen Tuned, onder 46). Dat is op zich juist, maar het rapport van Hoffmann biedt al geen steun voor het uitgangspunt dat deze betaling aan Tuned toekwam (p. 15). De stellingen van Tuned in de spreekaantekeningen onder 48 en 49 zijn in samenhang met het rapport van Hoffmann niet goed te volgen.\n\n5.31.. De stelling dat [persoon A] zich in Nederland heeft laten betalen voor het bijboeken van vakantiedagen en overuren heeft Hoffmann gebaseerd op de verklaring van [persoon G] , de desbetreffende werknemer. [persoon G] heeft Hoffmann op zijn telefoon laten zien dat hij op twee data in verschillende transacties bij geldautomaten € 2.000,00 in contanten heeft opgenomen (bijlage 18 bij het rapport). Dat is mogelijk ongebruikelijk, maar het biedt geen steun aan de stelling dat [persoon G] dat bedrag aan [persoon A] heeft betaald. Omdat Hoffmann in het rapport heeft gerapporteerd (p. 23) dat [persoon A] “op onrechtmatige wijze verlofuren van de heer [persoon G] heeft aangepast in Shiftbase”, had het voor de hand gelegen dat Hoffmann deze specifieke mutaties in 2023 in Shiftbase zou hebben onderzocht. Uit het rapport blijkt niet dat dat is gebeurd. Ook van een poging daartoe blijkt niet uit het rapport. De bevindingen in het rapport van Hoffmann zijn ook op dit punt onvoldoende om de stellingen van Tuned tegenover de betwisting door [persoon A] te onderbouwen.\n\n5.32.. Wat overblijft is het bedrag van € 630,00, waarvan [persoon A] erkent dat het Tuned toekomt, maar dat hij ten behoeve van de medewerkers stelt te hebben uitgegeven aan boodschappen en om met medewerkers van Tuned uit eten te gaan. Van dergelijke uitgaven ten laste van de kas had [persoon A] bonnetjes moeten indienen. [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij dit niet heeft gedaan. Van een [naam functie 1] mocht Tuned anders verwachten. [persoon A] is tekortgekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit zijn managementovereenkomst. [persoon A] zal worden veroordeeld om de schade van € 630,00 te vergoeden vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna wordt overwogen.\n\nBestellen en wegnemen gereedschap\n\n5.33.. \n [persoon A] heeft erkend dat hij in Spanje op kosten van Tuned gereedschap heeft gekocht bij [naam winkel] voor een bedrag van € 1.329,00. [persoon A] stelt dat hij dit heeft gedaan met toestemming van [persoon B] , hetgeen [persoon B] heeft betwist. Wat hiervan ook zij, [persoon A] heeft erkend dat hij voor dat gereedschap had moeten betalen en dat heeft hij niet gedaan. [persoon A] is daardoor tekortgekomen in de nakoming van zijn verplichtingen uit zijn managementovereenkomst. [persoon A] zal worden veroordeeld om de schade van € 1.329,00 te vergoeden vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna wordt overwogen.\n\nOnrechtmatig aanpassen uren van medewerkers Shiftbase\n\n5.34.. Tuned heeft het volgende gesteld. [persoon A] had als [naam functie 1] toegang tot Shiftbase, het urenregistratieprogramma, waarin de gewerkte uren van medewerkers in Nederland werden bijgehouden. [persoon A] heeft tussen 2019 en 2024 ongeveer 3.642 onrechtmatige aanpassingen verricht in Shiftbase. [persoon A] heeft uren van vaste medewerkers, uitzendkrachten en zzp'ers aangepast. Uren die in werkelijkheid in het weekend waren gewerkt zijn verplaatst naar weekdagen. Medewerkers van Tuned hebben op kosten van Tuned aan 252 auto’s van [persoon A] gewerkt. Het betrof in ieder geval een Citroën, twee Porsches, een Mercedes en de motoren van drie Jaguars. Tuned begroot de schade die zij hierdoor heeft geleden op een bedrag tussen € 97.500,00 en € 130.000,00.\n\n5.35.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij onrechtmatige aanpassingen heeft verricht. Hij heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Medewerkers dienen in en uit te klokken. Die kloktijden worden in Shiftbase verwerkt. Als medewerkers dat vergaten, moest [persoon A] handmatig kloktijden invoeren. Dat gebeurde regelmatig. Ook het accorderen van de ingevoerde kloktijden werd door Shiftbase als een aanpassing geteld. Tuned betaalde een deel van de medewerkers zwart en die uren moest [persoon A] op instructie van [persoon B] uit Shiftbase verwijderen. Het kwam ook voor dat medewerkers nog geen papieren hadden of geen BSN. De uren van die medewerkers werden dan tijdelijk bij een collega geboekt en later door [persoon A] gecorrigeerd. De uren van [persoon D] zijn op instructie van [persoon B] uit Shiftbase verwijderd, omdat hij wilde voorkomen dat [persoon D] als schijnzelfstandige zou worden aangemerkt. [persoon D] had geen andere opdrachtgevers dan Tuned, maar hij werd als ZZP-er beloond. Tuned liet hem vaste bedragen per project factureren. Het verwijderen van de uren van [persoon D] verklaart al 1.371 aanpassingen in Shiftbase. Er is niet aan 252 auto’s van [persoon A] gewerkt. Er werd aan auto’s van [persoon A] gewerkt, maar dat gebeurde buiten werktijd en [persoon A] heeft de medewerkers daarvoor in contanten betaald.\n\n5.36.. De rechtbank oordeelt als volgt. [persoon A] heeft niet betwist dat hij handmatig wijzigingen heeft aangebracht in Shiftbase. Tuned heeft op haar beurt erkend dat ook het accorderen van ingevoerde kloktijden door Shiftbase als een aanpassing wordt geteld (spreekaantekeningen Tuned, onder 60). Het werkelijke aantal aanpassingen is daardoor niet bekend. [persoon A] heeft voor de handmatige aanpassingen die hij heeft gemaakt verklaringen gegeven die weer door Tuned worden betwist.\n\n5.37.. Hoffmann heeft gerapporteerd dat uit de urenregistratie van Shiftbase (althans uit de Excelbestanden die Hoffmann in haar onderzoek heeft betrokken) niet kan worden afgeleid welkeaanpassingen door [persoon A] zijn gemaakt. Kennelijk is alleen te ziendater aanpassingen zijn gemaakt (p. 19).\n\n5.38.. Dat de aanpassingen door [persoon A] “onrechtmatig” zouden zijn geweest, baseert Hoffmann uitsluitend op mededelingen van [persoon B] . Het rapport bevat de volgende passage (p. 18):\n\n“Volgens de heer [persoon B] heeft de heer [persoon A] in de periode 2019-2024 op onrechtmatige wijze uren van medewerkers aangepast. De heer [persoon B] zou ontdekt hebben dat de heer [persoon A] vaak maanden later pas uren van medewerkers wijzigde van de een naar de andere dag of uren erbij zette. De heer [persoon B] deelde verder mee dat de heer [persoon A] in de tijd dat hij voor Tuned Imports werkte, ook aan zijn eigen auto’s werkte. Volgens de heer [persoon B] verwijderde de heer [persoon A] de uren van uitzendkrachten die in het weekend aan de auto's van de heer [persoon A] werkten. De uren van de uitzendkrachten zouden volgens de heer [persoon B] zijn verplaatst naar doordeweekse werkdagen, waardoor het volgens de heer [persoon B] leek alsof uitzendkrachten in het weekend niet hadden gewerkt. De uren die uitzendkrachten doordeweeks maakten werden volgens de heer [persoon B] door Tuned Imports betaald.”\n\n5.39.. De manier waarop Hoffmann vervolgens haar conclusie formuleert (zie hiervoor onder 3.9) brengt tot uitdrukking dat Hoffmann die conclusie niet werkelijk voor haar rekening neemt. Daarop wijst het gebruik van de hypothetische verleden tijd (“zou”):\n\n“Ook zou de heer [persoon A] op onrechtmatige wijze urenregistraties van uitzendkrachten en zzp’ers hebben aangepast. De uren die deze medewerkers in het weekend werkten aan auto's van de heer [persoon A] , zouden zijn aangepast en verplaatst naar doordeweekse dagen en werden ten onrechte door Tuned Imports betaald.”\n\n5.40.. De stelling van Tuned dat [persoon A] op onrechtmatige wijze aanpassingen in Shiftbase heeft gemaakt en dat [persoon A] uren die in werkelijkheid in het weekend zijn gewerkt heeft verplaatst naar weekdagen is daarom op geen enkele wijze onderbouwd. Ook de onderbouwing van de stelling dat medewerkers van Tuned op kosten van Tuned hebben gewerkt aan 252 auto’s van [persoon A] ontbreekt. Medewerkers van Tuned hebben tegenover Hoffmann verklaard dat zij aan tenminste negen auto’s van [persoon A] hebben gewerkt. Net als de medewerkers van Tuned in Spanje hebben ook de medewerkers die in Nederland werkzaam waren verklaard dat zij niet altijd wisten van wie de auto was waaraan zij werkten, maar het verschil tussen 252 auto’s en negen auto’s is onverklaarbaar groot. Twee van de vijf in Nederland werkzame medewerkers van Tuned die door Hoffmann zijn ondervraagd, hebben verklaard dat zij door [persoon A] contant zijn betaald voor hun werkzaamheden voor [persoon A] ( [persoon D] en [persoon E] ). Een derde medewerker (Herbet) heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [persoon A] medewerkers betaalde.\n\n5.41.. Tuned wekt dus wel de suggestie dat [persoon A] op grote schaal werknemers op kosten van Tuned aan auto’s van [persoon A] heeft laten werken, maar noch de stellingen over het aantal auto’s, noch de stellingen over het manipuleren van de administratie van de gewerkte uren, zijn tegenover de betwisting door [persoon A] voldoende onderbouwd. Ook de schade die Tuned stelt te hebben geleden is onvoldoende onderbouwd. Tuned heeft aangenomen dat er drie tot vier jaar lang gedurende 52 weken per jaar wekelijks 25 uur aan auto’s van [persoon A] werd gewerkt tegen een gemiddeld uurloon van € 25,00 (Bijlage 17 bij het Hoffmann rapport) en dat dat tot een schade heeft geleid van € 97.500,00 tot € 130.000,00. Waarop dit aantal uren is gebaseerd, heeft Tuned niet gesteld. Het is een “schatting” van [persoon B] die kennelijk samenhangt met het aantal van 252 auto’s. De vordering wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.\n\nVerwisselen van onderdelen\n\n5.42.. Tuned heeft gesteld dat [persoon A] onderdelen van haar auto’s heeft weggenomen en op eigen auto’s heeft laten monteren. Tuned verwijst naar het Hoffmann rapport (p. 23 – 24). Tuned raamt de schade op een bedrag van € 25.000,00 - € 30.000,00.\n\n5.43.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij uitsluitend onderdelen van auto’s voor eigen gebruik heeft weggenomen of laten wegnemen. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat het uitwisselen van onderdelen onderdeel was van de normale bedrijfsvoering bij Tuned. Dit kwam voort uit de wens auto’s snel verkoopklaar te maken. Dat gebeurde over en weer en [persoon B] was hiermee bekend.\n\n5.44.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. In het rapport van Hoffmann worden zes voorbeelden genoemd van onderdelen die van een auto van Tuned zouden zijn verwijderd en gebruikt voor een auto van [persoon A] (p. 25). Die voorbeelden bieden onvoldoende steun aan de bevinding dat er “door de modus operandi van de heer [persoon A] jarenlang\n\nhonderden onderdelen van auto’s van Tuned Imports werden weggenomen” (Hoffmann rapport, p. 25 bovenaan en bijlage 19) en ook niet dat het uitwisselen van onderdelen éénrichtingsverkeer was, zoals Tuned impliceert. De begroting van de schade in bijlage 19 van het Hoffmann rapport is afkomstig van [persoon B] . Het daar geschatte bedrag van € 25.000,00 - € 30.000,00 mist een deugdelijke onderbouwing. De vordering wordt afgewezen.\n\nOnrechtmatig gebruik van materialen\n\n5.45.. Tuned heeft gesteld dat namens haar bestellingen zijn gedaan bij leverancier [naam leverancier] van materialen die niet aan haar maar aan [persoon A] ten goede zijn gekomen. Tuned begroot de schade op een bedrag van € 20.000,00 tot € 25.000,00.\n\n5.46.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij materialen van [naam leverancier] heeft gebruikt.\n\n5.47.. De rechtbank wijst ook dit deel van de vordering af, omdat het onvoldoende is onderbouwd. In het rapport van Hoffmann is slechts een mededeling van [persoon B] als onderbouwing opgenomen van de bevinding dat [persoon A] “onrechtmatig materialen heeft gebruikt” (p. 26). De schade is onderbouwd met grootboekkaarten waaruit blijkt wat Tuned tussen 2019 en 2023 heeft besteed bij [naam leverancier] , maar welk deel van die uitgaven voor rekening van [persoon A] zou moeten komen en waarom heeft Tuned niet gesteld en Hoffmann heeft er geen onderzoek naar gedaan.\n\nNiet afgerekende gezamenlijke projecten\n\n5.48.. Tuned vordert dat [persoon A] wordt veroordeeld tot het vergoeden van een schade van € 17.500,00 tot € 20.000,00 wegens “gezamenlijke projecten die nimmer afgerekend zijn”. Tuned heeft gesteld dat [persoon A] heeft geweigerd inzicht te geven in de uren die door werknemers van Tuned aan die projecten zijn besteed. Tuned verwijst naar het rapport van Hoffmann (p. 25 en 26).\n\n5.49.. \n [persoon A] heeft betwist dat hij heeft geweigerd inzicht te geven in de bestede uren. De uren werden in Nederland bijgehouden door Herbet, die lijsten in het daarvoor bestemde postbakje van [persoon B] heeft gelegd. 95% van het werk deed [persoon A] zelf; werknemers van Tuned hebben niet meer dan 5% van het werk gedaan.\n\n5.50.. De rechtbank oordeelt als volgt. Tuned heeft op haar beurt betwist dat [persoon A] 95% van het werk heeft gedaan en ook dat dit was overeengekomen (spreekaantekeningen Tuned, onder 78). Tuned heeft echter niet concreet gesteld wat de gezamenlijke projecten dan wel inhielden en welke verbintenissen partijen in dit verband over en weer op zich hebben genomen. In de dagvaarding heeft Tuned gesteld dat over die projecten “een conflict met [persoon A] is ontstaan, omdat [persoon A] weigerde inzicht te geven in [door] medewerkers gemaakte uren” (dagvaarding, onder 49), terwijl Tuned in de spreekaantekeningen stelt dat “Tuned dienaangaande met geen geschil bekend is.” (spreekaantekeningen Tuned, onder 3). Ook de verwijzing naar het rapport van Hoffmann (p. 25 en 26) en de daar opgenomen bevindingen maken het voor de rechtbank niet mogelijk om de grondslag van de vordering te beoordelen. Waarom [persoon A] tot het vergoeden van schade veroordeeld zou moeten worden, is onvoldoende duidelijk en dit deel van de vordering wordt afgewezen.\n\nOverige vorderingen\n\n5.51.. Tuned vordert een schadevergoeding van € 22.000,00, omdat [persoon A] de eigendomsbewijzen van een Jaguar E-type uit de kluis van Tuned heeft meegenomen. [persoon A] heeft dit niet betwist. Hij heeft aangevoerd dat de auto van [persoon B] en [persoon A] gezamenlijk is.\n\n5.52.. De rechtbank wijst de vordering van Tuned af. Tuned heeft niet betwist dat de auto eigendom is van [persoon B] en [persoon A] gezamenlijk. Tuned heeft kennelijk geen aandeel in de auto. Waarom de eigendomsbewijzen bij Tuned bewaard moet worden en niet bij [persoon A] en waarom Tuned hierdoor schade heeft geleden heeft Tuned niet gesteld. Het ligt voor de hand dat [persoon B] en [persoon A] afspraken maken over de verkoop van de auto aan één van hen of aan een derde en over de verdeling van de opbrengst. Als die verkoop aanstaande is, zal [persoon A] het eigendomsbewijs en de tenaamstellingscode niet mogen achterhouden, maar dat geeft Tuned geen recht op schadevergoeding.\n\nStallingskosten\n\n5.53.. Tuned heeft het volgende gesteld. [persoon A] heeft twaalf auto’s bij Tuned laten staan. Tuned heeft [persoon A] bij brief van 2 juni 2025 gesommeerd om die binnen vier dagen op te halen, bij gebreke waarvan Tuned € 25,00 per auto per dag aan stallingskosten zal rekenen. Pas vanaf 18 december 2025 heeft [persoon A] tien auto’s opgehaald. Dat is na 199 dagen. Tuned vordert 10 x € 25,00 x 199 = € 49.750,00. Er staan nog twee auto’s die er op 7 mei 2026 339 dagen hebben gestaan. Voor die twee auto’s vordert Tuned 2 x € 25,00 x 339 = € 16.750,00 aan stallingskosten, te vermeerderen met € 50,00 per dag tot [persoon A] ze heeft opgehaald. De vordering is gegrond op ongerechtvaardigde verrijking. Tuned heeft ruimte ter beschikking moeten stellen. Tuned had de auto’s bezwaarlijk buiten kunnen zetten.\n\n5.54.. \n [persoon A] heeft de vordering van Tuned als volgt bestreden. [persoon A] heeft na zijn vertrek bij herhaling geprobeerd om zijn auto’s op te halen. Dat kon niet zonder medewerking van Tuned, omdat de auto’s achter auto’s van Tuned staan en niet weggehaald kunnen worden zonder eerst die auto’s van Tuned te verrijden. Bovendien heeft Tuned zich op het standpunt gesteld dat [persoon A] zich schuldig maakte aan huisvredebreuk toen hij zijn auto’s kwam inspecteren. Tuned heeft ook voorwaarden gesteld aan het ophalen van de auto’s, zoals het betalen van stallingskosten, terwijl daarvoor geen rechtsgrond bestond. Uiteindelijk mocht [persoon A] een deel van de auto’s ophalen. Pas op 23 april 2026 heeft Tuned toestemming gegeven om de laatste twee voertuigen op te halen (een zwarte Porsche 928s en een zwarte Mercedes SL500). Tuned heeft niet gesteld dat de aanwezigheid van auto’s van [persoon A] haar heeft belet om andere auto’s te stallen en Tuned heeft niet onderbouwd voor welk bedrag zij is verarmd of schade heeft geleden.\n\n5.55.. De rechtbank oordeelt als volgt. Tuned heeft niet gesteld dat zij met [persoon A] is overeengekomen dat zij de auto’s in bewaring zou nemen. Ook uit de feitelijke gang van zaken kan niet worden afgeleid dat partijen een dergelijke overeenkomst voor ogen hebben gehad. Tuned vordert ook geen gebruikelijk of redelijk loon. Tuned vordert schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Wil die vordering kunnen worden toegewezen, dan moet vast komen staan dat de verrijking van [persoon A] ten koste is gegaan van Tuned. Daartoe heeft Tuned niet meer gesteld dan dat zij ruimte heeft moeten afstaan. Tuned heeft niet, ook niet desgevraagd tijdens de zitting en in respons op het verweer van [persoon A] (spreekaantekeningen [persoon A] , onder 2.15), concreet gesteld dat zij schade heeft geleden, bijvoorbeeld doordat zij geen stallingsruimte kon aanbieden aan betalende klanten of doordat zij werkzaamheden niet heeft kunnen uitvoeren door gebrek aan ruimte. Om die reden strandt de vordering. Daarom kan in het midden blijven aan wie het ligt dat [persoon A] zijn auto’s niet eerder heeft opgehaald.\n\nSlotsom in conventie\n\n5.56.. De rechtbank zal de vorderingen van Tuned toewijzen voor een bedrag van € 9.459,00. Dat is de optelsom van de schadeposten van € 7.500,00 (bemiddelingsfee), € 630,00 (niet verantwoorde kasopnamen) en € 1.329,00 (gereedschap). Het meerdere wordt afgewezen.\n\nWettelijke rente\n\n5.57.. Tuned vordert de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarden (21 mei 2025). [persoon A] heeft wel verweer gevoerd tegen de gevorderde handelsrente, maar niet tegen de gevorderde rente als zodanig. De rechtbank zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 9.459,00 toewijzen vanaf 21 mei 2025 tot de dag van betaling. Het gaat om een vordering tot vergoeding van schade en daarom is de handelsrente niet toewijsbaar.\n\nKosten van Hoffmann komen niet voor vergoeding in aanmerking\n\n5.58.. Tuned heeft recht op de kosten van het vaststellen van schade en aansprakelijkheid voor zover die kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt (artikel 6:96 lid 2 onder b BW). De kosten van Hoffmann komen niet voor vergoeding in aanmerking. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Hoffmann heeft gerapporteerd dat [persoon A] frauduleus heeft gehandeld en dat daardoor een schade is ontstaan van tussen € 283.578,00 en € 331.578,00. Op die conclusie valt zoveel af te dingen dat de kosten van Hoffmann niet redelijk zijn en niet in redelijkheid zijn gemaakt. De opzet van het onderzoek en de uitvoering ervan roepen al vragen op over de objectiviteit van het onderzoek en de rapportage. Hoffmann heeft de schadeopstellingen van [persoon B] zonder enige eigen inbreng overgenomen en in haar samenvatting weergegeven. Daarmee wekt Hoffmann ten onrechte de indruk dat deze inschatting haar eigen inschatting is en dat zij het resultaat is van onderzoek. Ook de conclusie dat sprake is geweest van fraude wordt onvoldoende door onderzoek van Hoffmann ondersteund. De gestelde aanpassingen in Shiftbase en het werken aan eigen auto’s in Nederland vertegenwoordigen in het rapport de grootste schadepost (€ 97.500,00 tot € 130.000,00), maar het onderzoek van Hoffmann biedt geen enkele steun aan de conclusie dat op dit punt sprake is geweest van fraude. De conclusie dat [persoon A] “frauduleus heeft gehandeld” valt naar het oordeel van de rechtbank hooguit ten aanzien van de bemiddelingsfee van € 7.500,00 te verdedigen. Het geheel komt meer neer op “munitie op bestelling” dan op een “onderzoek ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid”. Daarvoor hoeft [persoon A] niet te betalen.\n\nBeslagkosten\n\n5.59.. Tuned vordert [persoon A] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering wordt afgewezen. Het beslag was onnodig, omdat de vordering van Tuned op [persoon A] minder bedraagt dan de vordering van [persoon A] op Tuned (zie de beoordeling in reconventie). Tuned had door verrekening betaling van haar vordering kunnen verkrijgen.\n\nIn reconventie:\n\nDe geldvorderingen\n\n5.60.. \n [persoon A] vordert in reconventie betaling van een bedrag van € 207.384,82, vermeerderd met rente en kosten. Hierna zal de rechtbank steeds verwijzen naar het petitum zoals dat na de wijziging van de eis bij akte van [persoon A] van 30 april 2026 is gaan luiden.\n\nFacturen\n\n5.61.. De vordering van [persoon A] omvat in de eerste plaats de volgende facturen (petitum onder ii en iv):\n\nFactuur\n\nBedrag\n\nPrestatie\n\nStandpunt Tuned\n\nFactuur van 21 december 2023 van [naam autobedrijf] die aan [persoon A] is gecedeerd\n\n€\n\n10.866,90\n\nVerkoop Mercedes Benz 350 SL\n\nNiet betwist\n\nFactuur van 22 mei 2024, nr. [factuurnummer 1]\n\n€\n\n9.126,96\n\nVerkoop Mercedes Benz C32 AMG\n\nNiet betwist\n\nFactuur van 10 juni 2024, nr. [factuurnummer 2]\n\n€\n\n1.884,88\n\nDoorbelasting [naam 4]\n\nBetwist\n\nFactuur van 9 juli 2024, nr. [factuurnummer 3]\n\n€\n\n2.722,50\n\nManagementfee juni 2024\n\nBetwist\n\nFactuur van 9 juli 2024, nr. [factuurnummer 4]\n\n€\n\n21.445,14\n\nVerkoop Jaguar E-type Roadster\n\nBetwist\n\nCreditfactuur 21 mei 2024, nr. [factuurnummer 5]\n\n€\n\n235,16\n\nVoorgeschoten kosten\n\nNiet betwist\n\nCreditfactuur 1 augustus 2024, nr. [factuurnummer 6]\n\n€\n\n242,67\n\nVoorgeschoten kosten\n\nNiet betwist\n\n5.62.. De vordering van [persoon A] wordt toegewezen voor een bedrag van € 22.238,53. Dat bedrag is de optelsom van de onbetwiste (credit)facturen, vermeerderd met het factuurbedrag van € 2.722,50 (factuur 2024,036; managementfee over juni 2024).\n\n5.63.. \n [persoon A] heeft onbetwist gesteld dat de gefactureerde managementvergoeding over juni de helft is van de overeengekomen maandelijkse managementvergoeding. [persoon A] is per 14 juni 2024 bij Tuned vertrokken. Tuned heeft onvoldoende concreet betwist dat zij de helft van de managementfee over juni verschuldigd is. [persoon A] heeft de verschuldigdheid van de overige factuurbedragen tegenover de gemotiveerde betwisting door Tuned onvoldoende onderbouwd. De afspraken over de gezamenlijk te restaureren auto’s zijn onduidelijk gebleven, maar partijen zijn het er wel over eens dat zij de opbrengst bij verkoop aan een derde gelijk delen. De Jaguar E-type Roadster is niet verkocht. Waarom [persoon A] dan recht heeft op restitutie van zijn aandeel in de aankoopprijs is onvoldoende duidelijk. Dat geldt ook voor het mogen doorbelasten van een factuur van [naam 4] .\n\nWettelijke handelsrente\n\n5.64.. \n [persoon A] vordert de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarden. De rechtbank gaat ervan uit dat [persoon A] de dag van haar conclusie van eis in reconventie, dus 8 oktober 2025, bedoelt. Tuned heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gericht. De rechtbank zal de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 22.238,53 toewijzen vanaf 8 oktober 2025 tot de dag van betaling.\n\nAchtergebleven onderdelen en andere voorwerpen\n\n5.65.. \n [persoon A] vordert een bedrag van € 55.042,00 ten titel van schadevergoeding (petitum onder vi). Hij heeft hiertoe het volgende gesteld. Bij Tuned bevinden zich nog onderdelen en andere voorwerpen. Het gaat om voorwerpen die [persoon A] in een afgesloten stalen kast, een bureaublok en elders in de panden van Tuned heeft achtergelaten. De ontbrekende voorwerpen zijn gespecificeerd op een lijst die door [persoon A] als productie 64 is overgelegd. Daarop staat ook dat de voorwerpen een aanschafwaarde hebben van € 55.042,00. Tuned schendt het eigendomsrecht van [persoon A] en dat is onrechtmatig.\n\n5.66.. Tuned heeft erkend dat bij haar nog een afgesloten metalen kast van [persoon A] staat, maar zij sluit niet uit dat de spullen die daarin zijn opgeslagen van haar zijn, omdat [persoon A] heeft gefraudeerd. Er staan ook nog twee auto’s van [persoon A] bij Tuned (een zwarte Porsche 928S en een zwarte Mercedes-Benz Sl500). Tuned heeft betwist dat er meer spullen zijn achtergebleven.\n\n5.67.. De rechtbank oordeelt als volgt. [persoon A] heeft de stelling dat onderdelen en spullen bij Tuned zijn achtergebleven niet onderbouwd met foto’s of stukken uit zijn administratie, zoals aankoopbonnen. Ook de hoogte van de aanschafwaarde die op de lijst staat is op geen enkele wijze onderbouwd. Tuned heeft betwist dat deze voorwerpen zich nog bij haar bevinden met uitzondering van de afgesloten metalen kast en twee laatste auto’s. [persoon A] heeft geen gespecificeerd aanbod gedaan om te bewijzen dat deze spullen zich bij Tuned bevinden. Bij die stand van zaken is de vordering onvoldoende concreet en zij wordt afgewezen.\n\n5.68.. \n [persoon A] heeft haar vordering tot het teruggeven van de metalen kast en de twee laatste auto’s niet gehandhaafd (akte van 30 april 2026, onder 4), omdat Tuned heeft toegezegd die te zullen teruggeven. Daar heeft [persoon A] ook recht op (artikel 5:2 BW) en de rechtbank gaat ervan uit dat dit ook gebeurt.\n\nBeschadigde en verdwenen onderdelen\n\n5.69.. \n [persoon A] heeft onder vii gevorderd dat Tuned wordt veroordeeld om haar een bedrag te betalen van € 75.274,27. [persoon A] heeft het volgende gesteld. Nadat [persoon A] zijn auto’s bij Tuned heeft opgehaald, is hem gebleken dat onderdelen zijn verwijderd, zijn beschadigd of zijn verwisseld met onderdelen afkomstig van derden. De als gevolg daarvan geleden schade aan de opgehaalde voertuigen bedraagt in totaal € 75.274,27. Dit bedrag is gespecificeerd in het als productie 64 overgelegde Excel-bestand.\n\n5.70.. Tuned heeft betwist dat onderdelen van auto’s zijn weggenomen en zijn beschadigd. De auto's waren restauratieprojecten en bevatten geen onderdelen die in andere auto's konden worden gebruikt. [persoon A] heeft zich pas vier maanden nadat hij de auto’s bij Tuned heeft opgehaald op dat standpunt gesteld. Dat maakt het standpunt van [persoon A] ongeloofwaardig, aldus Tuned.\n\n5.71.. De rechtbank oordeelt als volgt. [persoon A] heeft weliswaar foto’s overgelegd van auto’s in beschadigde staat en autowrakken, maar die foto’s onderbouwen niet dat Tuned die beschadigingen heeft toegebracht. Het had, zoals Tuned ter onderbouwing van haar betwisting heeft aangevoerd, voor de hand gelegen dat [persoon A] onmiddellijk na het ophalen van zijn auto’s over de schade had geklaagd en daarmee niet vier maanden had gewacht. Ook op dit punt heeft [persoon A] geen concreet bewijsaanbod gedaan. De rechtbank wijst de vordering van [persoon A] af.\n\nNiet afgerekende gezamenlijke projecten\n\n5.72.. De vorderingen onder viii van € 11.250,00 onder viii van € 20.250,00 zijn gegrond op de overeenkomst tussen [persoon A] en Tuned om gezamenlijk auto’s te kopen, op te knappen en te verkopen. De vorderingen van [persoon A] in reconventie zijn de tegenhanger van de vorderingen van Tuned in conventie die hiervoor onder 5.48 zijn beoordeeld en afgewezen. Tuned en [persoon A] zijn het oneens over hoe die afspraken luiden en zij hebben ervoor gekozen om die afspraken niet op te schrijven. Zij hebben ook de uren die aan gezamenlijke auto’s zijn gewerkt niet bijgehouden, althans die urenbesteding is niet (meer) beschikbaar. Net zo min als Tuned voldoende concreet heeft gesteld dat zij recht heeft op vergoeding van de kosten voor de uren van haar medewerkers, heeft [persoon A] voldoende concreet gesteld dat hij recht heeft op een vergoeding van zijn eigen uren. De vorderingen worden afgewezen.\n\nAfgifte harde schijf\n\n5.73.. \n [persoon A] vordert dat Tuned wordt veroordeeld om de harde schijf uit de computer van [persoon A] aan [persoon A] terug te geven. [persoon A] heeft het volgende gesteld. Om zijn werkzaamheden voor Tuned te verrichten heeft [persoon A] gebruik gemaakt van een eigen computer die bij Tuned op kantoor stond. De harde schijf is na het vertrek van [persoon A] bij Tuned uit die computer verdwenen. Medewerkers van Tuned, zoals [persoon D] en Herbet kunnen dit bevestigen. Tuned heeft geweigerd om de harde schijf terug te geven.\n\n5.74.. Tuned heeft betwist dat zij over de harde schijf beschikt. Tuned vermoedt dat [persoon A] de harde schijf door [persoon D] of een van de medewerkers van Tuned uit de computer heeft laten halen. Tuned heeft dan ook niet geweigerd om de harde schijf terug te geven, aldus Tuned.\n\n5.75.. \n [persoon A] heeft in reactie op deze betwisting gewezen op de volgende passage in de conclusie van antwoord in reconventie van Tuned, onder 12:\n\n“Verder stelt [persoon A] dat hij minimaal 450 uur aan diverse auto's zou hebben gewerkt. Dat zou blijken uit de urenoverzichten op de harde schijf van [persoon A] . Dat blijkt daar echter niet uit. Tuned heeft [persoon A] al tijden gevraagd om specificaties voor werkzaamheden aan deze auto's. Die specificaties zijn er niet, maar ook geen berichten of anderszins waaruit blijkt dat [persoon A] aan een auto heeft gewerkt.”\n\n5.76.. De rechtbank oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat de harde schijf van [persoon A] uit de computer van [persoon A] is verdwenen, terwijl die computer zich in een kantoor van Tuned bevond. [persoon A] had op dat moment zelf geen toegang meer tot die computer. Dat biedt steun aan de stelling van [persoon A] dat de harde schijf zich ook nu nog onder Tuned bevindt. De hiervoor onder 5.75 geciteerde passage wijst erop dat Tuned ook op die harde schijf heeft gekeken. De uitleg ter zitting dat deze passage op een vergissing berust, is onvoldoende. De vordering tot afgifte wordt daarom als onvoldoende betwist toegewezen op verbeurte van een dwangsom, zoals onder de beslissing is weergegeven.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n5.77.. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen in aansluiting bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van dat Besluit heeft Tuned recht op € 997,39 en dat bedrag wordt toegewezen.\n\nIn conventie en in reconventie\n\nDe proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd\n\n5.78.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn conventie:\n\n6.1.. veroordeelt [persoon A] om aan Tuned te betalen € 9.459,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 mei 2025 tot de dag van betaling,\n\n6.2.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nIn reconventie:\n\n6.3.. veroordeelt Tuned om aan [persoon A] te betalen € 22.238,53, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 8 oktober 2025 tot de dag van betaling,\n\n6.4.. veroordeelt Tuned om aan [persoon A] te betalen € 997,39,\n\n6.5.. veroordeelt Tuned om de harde schijf van [persoon A] die zich bevond in de persoonlijke computer van [persoon A] die aanwezig was op het kantoorpand van Tuned Imports op het adres Fokkerstraat 505 te (3125 BD) Schiedam, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [persoon A] af te geven, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 100.000,00,\n\n6.6.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nIn conventie en reconventie:\n\n6.7.. compenseert de proceskosten zo dat elke partij de eigen proceskosten draagt,\n\n6.8.. verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026. 3669\u002F1980\n\n De bonnetjes die als bijlage 8 bij het rapport zijn gevoegd zijn deels onleesbaar en zij bieden zonder nadere uitleg, die in het rapport ontbreekt, ook geen steun aan de bevinding dat [persoon A] contant geld van Tuned heeft “weggenomen” (rapport, p. 16).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6833","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:04.101Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":88},"796","ECLI:NL:RBROT:2026:7441","ecli-nl-rbrot-2026-7441","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11893274 CV EXPL 25-20266\n\ndatum uitspraak: 5 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. G. Bloem,\n\ntegen\n\n [bedrijf] B.V.,\n\nvestigingsplaats: [plaats] ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. A.E.B. de Hollander.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 16 september 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlage;\n\nde repliek, met bijlagen;\n\nde dupliek;\n\nde rolbeslissing van 6 maart 2026;\n\nde bijlagen bij de dagvaarding van 16 september 2025.\n\n1.2.. De kantonrechter heeft vervolgens vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [eiseres] heeft met [gedaagde] een conflict gehad over het doorbetalen van haar loon tijdens haar ziekte vanaf april 2023. [eiseres] is een kort geding-procedure gestart om [gedaagde] te verplichten het achterstallig loon en toekomstig loon door te betalen. Uiteindelijk hebben partijen tijdens de zitting van 18 januari 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin onder andere het volgende is opgenomen:\n\n“1. [gedaagde] betaalt aan [eiseres] het achterstallig loon vanaf april 2023 op basis van een arbeidsomvang van 30,4 uur per week, zijnde per april 2023 € 1.742,45 bruto per maand en voorts conform de CAO [gedaagde] . Daarbij wordt ervan uitgegaan dat [eiseres] vanaf 17 april 2023 onafgebroken arbeidsongeschikt is.\n\n2. Op het aan [eiseres] toekomende bedrag wordt de netto betaling van € 850,- in mindering gebracht. Het resterende bedrag – voor zover verschuldigd tot en met december 2023 – zal uiterlijk betaald worden op 9 februari 2024, vermeerderd met 10% wettelijke verhoging. Bij deze betaling zal ook het salaris over januari 2024 betrokken worden.\n\n(…)\n\n4. [gedaagde] zal uiterlijk op 9 februari 2024 de correcte loonstroken over de periode april 2023 tot en met januari 2024 aan [eiseres] sturen. Loonstroken over de daaropvolgende maanden zullen op de gebruikelijke wijze worden verstrekt.\n\n(…)”.\n\n2.2.. \n [gedaagde] heeft het achterstallige loon van april 2023 tot en met januari 2024 in februari 2024 verwerkt in één loonstrook en aan [eiseres] betaald. Dit loon is vervolgens door [gedaagde] volledig toegerekend aan het jaar 2024. Dit heeft een nadelige invloed op de belastingaangifte van [eiseres] , haar toeslagen en de kwijtschelding van de gemeente- en waterschapsbelasting in 2024. Zo moet zij toeslagen terugbetalen, komt zij niet meer in aanmerking voor kwijtschelding van gemeentelijke lasten, heeft zij over 2024 geen correcte belastingaangifte kunnen doen, verwacht zij een IB aanslag van € 1.705,- over 2024 en heeft zij geen teruggave van te veel betaalde belasting over 2023 ontvangen.\n\n2.3.. \n [eiseres] heeft aan [gedaagde] gevraagd dit te corrigeren, omdat [eiseres] vindt dat [gedaagde] niet heeft gehandeld volgens de afspraken die partijen hebben gemaakt in de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] weigert dit. [eiseres] heeft aan de Belastingdienst uitgelegd dat het hier vooral loon van 2023 betreft. Dat was voor De Belastingdienst niet voldoende. De Belastingdienst heeft volgens [eiseres] aangegeven dat [gedaagde] de loonaangiften moet corrigeren. In deze procedure eist [eiseres] daarom dat:\n\n [gedaagde] correcte maandelijkse loonstroken – een separate loonstrook voor iedere maand – aan [eiseres] verstrekt over de maanden april 2023 tot en met januari 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\n [gedaagde] aantoonbaar de loonaangiften van [eiseres] van 2023 en 2024 corrigeert, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\n [gedaagde] correcte jaaropgaven aan [eiseres] verstrekt over de jaren 2023 en 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nde kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van het proces-verbaal van 18 januari 2024 dan wel onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de hierdoor door [eiseres] geleden schade moet vergoeden;\n\n [gedaagde] een schadevergoeding aan [eiseres] moet betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;\n\n [gedaagde] aan [eiseres] een voorschot op die schadevergoeding betaalt van € 6.047,-; en\n\n [gedaagde] de kosten van de procedure betaalt.\n\n2.4.. \n [gedaagde] is het niet eens met de eisen van [eiseres] . Zij vindt dat [eiseres] eerder had moeten klagen over het feit dat het achterstallige loon op één loonstrook is opgenomen. Nu zij dit pas een jaar na het opstellen van de vaststellingsovereenkomst heeft gedaan, kan zij niet meer van [gedaagde] verlangen om correcte loonstroken op te stellen. Daarnaast geeft [gedaagde] aan dat zij het loon correct aan 2024 heeft toegerekend. Het loon is namelijk uitbetaald (genoten) in 2024. Als een correctieaangifte voor [eiseres] zou moeten worden gedaan, moet dit voor alle medewerkers worden gedaan. [gedaagde] vindt dat dit niet van haar verlangd kan worden. Tot slot geeft zij aan dat als [gedaagde] wordt veroordeeld om de loonaangiften te corrigeren, [eiseres] weer recht heeft op toeslagen; dan is er geen sprake (meer) van schade.\n\n2.5.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de loonaangiften van [eiseres] moet corrigeren en de correcte loonstroken en jaaropgaven moet verstrekken. De schadevergoeding en verwijzing naar de schadestaatprocedure worden afgewezen. Dit oordeel wordt hieronder uitgelegd.\n\n [eiseres] heeft op tijd geklaagd\n\n2.6.. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] op tijd heeft geklaagd over de (in haar visie) onjuiste loonstroken, jaaropgaven en het probleem met de loonaangiften. [eiseres] kon namelijk redelijkerwijs niet eerder dan bij het invullen van de aangifte inkomstenbelasting 2024 weten dat [gedaagde] het volledige achterstallige loon heeft toegerekend aan 2024. Zij heeft toen direct geklaagd bij [gedaagde] . Anders dan [gedaagde] stelt, oordeelt de kantonrechter dat [eiseres] uit het enkele feit dat alle achterstallige maandbedragen op één loonstrook staan niet had hoeven op te maken dat het achterstallige loon volledig in de loonaangifte van 2024 was verwerkt. Hier had zij namelijk geen zicht op. Dit betekent dat het beroep van [gedaagde] op (het niet naleven van) de klachtplicht niet slaagt.\n\n [eiseres] mocht verwachten dat het achterstallige loon zou worden toegerekend aan het jaar waarin het loon betaald had moeten worden\n\n2.7.. Partijen verschillen van mening over de vraag aan welk jaar het achterstallige loon van april 2023 tot en met december 2023 moet worden toegerekend. Volgens [eiseres] moet het loon van deze periode worden toegerekend aan 2023. [eiseres] zegt dat dit blijkt uit de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] zegt gebonden te zijn aan de wet. Daarin staat dat belasting wordt geheven over alles wat uit een dienstbetrekking wordt genoten. Dat genietingsmoment ligt volgens [gedaagde] in 2024, omdat het loon op dat moment is uitbetaald.\n\n2.8.. De afspraken over het uitbetalen van het loon en het opstellen van de correcte loonstroken (en daarmee het verwerken van de loonadministratie) moeten worden uitgelegd aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs hebben mogen afleiden en verwachten (Haviltex-maatstaf).\n\n2.9.. In de vaststellingsovereenkomst staat dat “het achterstallig loon vanaf april 2023”(€ 1.742,45 bruto per maand) alsnog zal worden betaald aan [eiseres] . Deze afspraak moet gelezen worden in samenhang met de afspraak dat [gedaagde] over het loon“voor zover verschuldigd tot en met december 2023”(..) “10% wettelijke verhoging”zal betalen en dat zij “de correcte loonstroken” (onderstreping kantonrechter)“over de periode van april 2023 tot en met januari 2024”aan [eiseres] zal sturen. Hieruit kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat is afgesproken dat [gedaagde] aan [eiseres] alsnog loon zou betalen over de periode vanaf april 2023, dat zij vanaf april 2023 per maand een correcte loonstrook zou opstellen en de volgens die loonstroken verschuldigde bedragen alsnog aan [eiseres] zou betalen. Dat het loon pas in 2024 is betaald brengt niet mee dat dit pas in 2024 is genoten; de gemaakte afspraken impliceren immer dat dit deels (namelijk voor wat betreft het loon over april tot en met december 2023) in 2023 verschuldigd en toen ook inbaar was. Dat wordt ook nog onderstreept door de afspraak om over dit deel 10% wettelijke verhoging te betalen. Wettelijke verhoging ziet immers op het te laat betalen van loon. In het verlengde hiervan mocht [eiseres] verwachten dat het loon voor zover verschuldigd over april tot en met december 2023 in de loonadministratie van [gedaagde] aan 2023 zou worden toegerekend en (pas) het loon vanaf 1 januari 2024 aan 2024. Feiten of omstandigheden die tot een andere uitleg moeten leiden, zijn niet gesteld of gebleken.\n\n [gedaagde] moet correcte loonstroken en jaaropgaven verstrekken en de loonaangiften corrigeren\n\n2.10.. \n [gedaagde] moet daarom binnen een maand na betekening van het vonnis:\n\ncorrecte loonstroken verstrekken over de periode van april 2023 tot en met januari 2024. Dit houdt in dat vanaf april 2023 per maand een aparte loonstrook moet worden verstrekt;\n\ncorrecte jaaropgaven verstrekken over 2023 en 2024 in die zin dat het loon van april tot en met december 2023 aan 2023 wordt toegerekend en het loon vanaf januari 2024 tot de einddatum van het dienstverband (9 april 2024) wordt toegerekend aan 2024;\n\ncorrectie-aangiften opstellen en indienen bij de Belastingdienst en het UWV, waarbij het loon van april tot en met december 2023 wordt toegerekend aan 2023 en het loon vanaf januari 2024 tot de einddatum 9 april 2024 wordt toegerekend aan 2024. [gedaagde] moet een bewijs hiervan aan [eiseres] sturen.\n\nAan deze veroordelingen zal een dwangsom worden verbonden. De kantonrechter stelt de dwangsom per verplichting vast op € 50,00 per dag met een maximum van € 2.500,00 per verplichting.\n\n2.11.. De kantonrechter gaat niet mee met het standpunt van [gedaagde] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van haar te verlangen de loonaangiften te corrigeren. Dat [gedaagde] mogelijk (zij heeft dat wel gesteld maar dit is door [eiseres] betwist en vervolgens door [gedaagde] niet nader onderbouwd) de loonaangiften van alle werknemers moet corrigeren, is daartoe in elk geval niet voldoende; uit niets blijkt hoeveel tijd\u002Fgeld dit kost en waarom dit gelet op het belang dat [eiseres] heeft bij de correctieaangiften niet van haar kan worden gevergd. Omdat [gedaagde] haar verweer op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, is er ook geen reden om haar toe te laten tot bewijslevering.\n\nDe gevorderde schadevergoeding is dubbelop\n\n2.12.. De kantonrechter wijst de gevorderde schadevergoeding af. Zij is het namelijk met [gedaagde] eens dat uit de stellingen van [eiseres] volgt dat zij geen schade meer heeft als de loonaangiften worden gecorrigeerd. Door het corrigeren heeft zij een lager geregistreerd inkomen in 2023 en 2024 en zou zij dus weer recht moeten hebben op toeslagen. In dat geval heeft zij geen schade. Voor het geval [eiseres] vindt dat zij onder deze omstandigheden ook nog schade lijdt (die door [gedaagde] vergoed moet worden), heeft zij dit niet onderbouwd.\n\nOnvoldoende belang bij de verklaring voor recht\n\n2.13.. De gevorderde verklaring voor recht wordt ook afgewezen. [gedaagde] wordt al veroordeeld om de loonaangiften te corrigeren en in te dienen. Daarnaast moet zij de correcte loonstroken en jaaropgaven verstrekken aan [eiseres] . Niet gesteld of gebleken is welk belang [eiseres] daarnaast nog heeft bij een verklaring voor recht.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.14.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 144,47 aan dagvaardingskosten, € 90,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.098,47. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.15.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis de correcte loonstroken – een separate loonstrook voor iedere maand – over de periode april 2023 tot en met januari 2024 te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [gedaagde] niet (volledig) aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,00;\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis de loonaangiften ten aanzien van [eiseres] over de jaren 2023 en 2024 te corrigeren in die zin dat het loon van april tot en met december 2023 wordt toegerekend aan het jaar 2023 en het loon vanaf januari 2024 tot de einddatum 9 april 2024 wordt toegerekend aan het jaar 2024 én deze correcties op de loonaangiften 2023 en 2024 in te dienen bij de Belastingdienst en het UWV onder verstrekking aan [eiseres] van een bewijs van indiening, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [gedaagde] niet (volledig) aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,00;\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan [eiseres] gecorrigeerde jaaropgaven te verstrekken over 2023 en 2024 in die zin dat het loon van april tot en met december 2023 wordt toegerekend aan het jaar 2023 en het loon vanaf januari 2024 tot de einddatum 9 april 2024 wordt toegerekend aan het jaar 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [gedaagde] niet (volledig) aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500,00;\n\n3.4.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.098,47;\n\n3.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.6.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.\n\n In zoverre wijkt deze casus af van de casus die voorlag in ECLI:NL:GHARL2025:7085","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7441","2026-07-13T00:28:48.628Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":93,"fullText":94,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":96,"parsedAt":52,"updatedAt":97},"1036","ECLI:NL:RBROT:2026:5550","ecli-nl-rbrot-2026-5550","2026-05-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11671332 VZ VERZ 25-3047\n\ndatum uitspraak: 12 mei 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nvestigingsplaats: Vlaardingen,\n\nverzoekster en verweerster,\n\ngemachtigde: mr. T. Koomen,\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\nwoonplaats: Zoetermeer,\n\nverweerster en verzoekster,\n\ngemachtigde: mr. S.P. Koerselman.\n\nDe partijen worden hierna “werkgever” en “werkneemster” genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van werkgever (ontvangen op 25 april 2025), met bijlagen 1 t\u002Fm 17;\n\nhet verweerschrift van werkneemster met voorwaardelijk tegenverzoek (ontvangen op 20 augustus 2025), met bijlagen 1 t\u002Fm 15;\n\nde akte houdende overlegging producties tevens aanvulling op het verweerschrift met tegenvordering, met bijlagen 1 t\u002Fm 51;\n\nde spreekaantekeningen van werkgever van de zitting van 24 november 2025;\n\nde spreekaantekeningen van werkneemster van de zitting van 24 november 2025;\n\nde zittingsaantekeningen van de zitting van 24 november 2025;\n\nhet wrakingsverzoek van werkneemster;\n\nde reactie van de kantonrechter op het wrakingsverzoek;\n\nde akte houdende overlegging producties van werkneemster, met bijlagen 52 t\u002Fm 55;\n\nde brief van werkgever, met bijlagen 18 en 19;\n\nde akte houdende overlegging producties van werkneemster, met bijlagen 58 t\u002Fm 61;\n\nde akte houdende overlegging producties van werkneemster, met bijlage 62;\n\nde spreekaantekeningen van werkgever van de zitting van 7 april 2026;\n\nde spreekaantekeningen van werkneemster van de zitting van 7 april 2026.\n\n1.2.. De kantonrechter die aanvankelijk de zaak behandelde heeft zich neergelegd bij de wraking. Op 7 april 2026 is de zaak opnieuw tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken.\n\n2. Waar gaat de zaak over?2.1.. Werkneemster is vanaf 17 oktober 2022 bij werkgever in dienst als teammanager Informatiebeheer. Werkgever heeft naar aanleiding van een incident met een medewerker onderzoek laten doen naar onder meer de werksfeer binnen het team Informatiebeheer (hierna: “team IB”). Dit onderzoek is afgerond op 23 december 2024.\n\n2.2.. Werkgever verzoekt de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden, primair omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen door werkneemster (e-grond) en subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). Meer subsidiair omdat sprake is van een combinatie van omstandigheden die in de wet zijn genoemd waardoor het niet redelijk is dat de arbeidsovereenkomst blijft bestaan (i-grond).\n\n2.3.. Werkneemster is het niet eens met het ontbindingsverzoek en vindt dat het moet worden afgewezen. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, verzoekt werkneemster om de werkgever te veroordelen om een transitievergoeding te betalen. Ook verzoekt werkneemster in dat geval om een billijke vergoeding van € 450.000,- bruto. Volgens werkneemster is de ontbinding namelijk het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever.\n\n2.4.. Werkneemster verzoekt de kantonrechter verder op grond van artikel 22 Rv te gelasten dat werkgever inlichtingen moet verstrekken zoals door haar is verzocht aan werkgever, althans toegang te verstrekken tot haar werktelefoon en zakelijke e-mails, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag dat die toegang niet wordt verleend, met een maximum van € 50.000,-.\n\n3. Wat is er gebeurd?3.1.. In april 2024 hebben [naam 1] , directeur bedrijfsvoering en leidinggevende van werkneemster (hierna: “directeur bedrijfsvoering”) en het hoofd HRM intern onderzoek gedaan. Aanleiding voor het onderzoek waren een bedreigende opmerking van een ingehuurde medewerker in het team van werkneemster, die een collega dreigde “op zijn bek te slaan”, en geruchten over de werksfeer binnen team IB. Van de bevindingen is een verslag opgesteld. In dit verslag staat onder meer:\n\n“De medewerkers beschrijven hun teammanager als een warme en betrokken persoon met een hart van goud. Helaas voelen niet alle teamleden zich vrij om volledig open te zijn, uit angst voor contractbeëindiging. Ook willen ze zichzelf beschermen om uitputting te voorkomen. Sommige medewerkers vinden de communicatie van de teammanager intens; als ze iets niet weet, kan ze fel reageren. Volgens sommigen heeft dit zelfs geleid tot het vertrek van enkele collega’s, omdat ze alles persoonlijk lijkt op te vatten in plaats van er lessen uit te halen.”\n\n3.2.. Op 7 mei 2024 heeft een bijeenkomst van team IB plaatsgevonden. Bij deze bijeenkomst waren 10 medewerkers aanwezig en daarnaast de directeur bedrijfsvoering en een HR adviseur. Van de bijeenkomst is een verslag opgemaakt. In het verslag staat onder meer:\n\n“Het algemene beeld dat naar voren komt tijdens deze bijeenkomst is dat er binnen\n\nhet team een gevoel van onveiligheid en onrust heerst, en dat er grote behoefte is aan rust en veiligheid.”\n\n3.3.. Bij brief van 8 mei 2024 is werkneemster geschorst voor haar werkzaamheden en is aan haar een officiële waarschuwing opgelegd. In de brief staat onder meer:\n\n “In de afgelopen maanden hebben zich met betrekking tot jouw functioneren\n\nmeerdere incidenten voorgedaan, die wij als organisatie niet kunnen tolereren en die haaks staan op de waarden en normen die wij nastreven.\n\nIn het najaar van 2023 is er een conflict ontstaan tussen jou en drie andere managers, waarbij jij aangaf je ernstig benadeeld te hebben gevoeld. Er is namens ons een mediationtraject opgestart tussen jou en de andere managers. Dit heeft niet tot een oplossing geleid.\n\nVervolgens ben jij naar je leidinggevende gestapt, omdat één van de managers waarmee jij een conflict hebt jou op een datingsite zou hebben geliked. Je leidinggevende is verhaal gaan halen bij deze manager. Hij ontkent dat hiervan sprake is. Je leidinggevende heeft vervolgens aan jou gevraagd om bewijs te leveren van de beschuldiging die jij doet naar jouw collega manager. Je geeft aan dit bewijs niet meer te hebben.\n\nOok heb je in januari van dit jaar via de mail een onsubtiele reactie gestuurd naar de gemeentearchivaris, waarbij je zes collega’s in deze mailwisseling meeneemt. Over deze situatie is beklag gedaan bij jouw leidinggevende. In de tussentijd is er een intern onderzoek gestart naar de samenwerking en veiligheid binnen jouw team, er loopt een verbetertraject ten aanzien van jouw functioneren en jij hebt je onlangs ziek gemeld.\n\nOp 6 mei jl. heeft zich opnieuw een voorval voorgedaan tussen jou en een nieuwe medewerker. Zij is sinds een aantal dagen onder jouw leiding bij ons in dienst. Je hebt haar op een dwingende wijze apart genomen in een spreekkamer. Je hebt aan haar kenbaar gemaakt dat jij niet wil dat zij omgaat met de coördinator, of naar haar luistert, omdat zij in een seksschandaal verwikkeld zou zijn met jouw leidinggevende en hier een onderzoek naar loopt. Je hebt aangegeven dat iedereen op de afdeling hiervan op de hoogte is en er kapot van is en jij om deze reden afgelopen week ziek bent geweest. Vervolgens zeg je tegen diezelfde medewerker dat je dit haar in vertrouwen vertelt en zij dit niet met anderen mag delen. Zij is hiervan erg geschrokken en overstuur geraakt en via een andere collega heeft zij hiervan melding gemaakt bij jouw leidinggevende.\n\nNaar aanleiding van dit voorval is je leidinggevende het gesprek met jou aangegaan. Hij heeft je gevraagd waarom je dit verhaal vertelt aan deze nieuwe medewerker. Je gaf in eerste instantie aan dat hij zich niet moet bemoeien met jouw zaken. Hij heeft je hierop nogmaals gevraagd waarom je dit verhaal hebt verteld aan de medewerker en of je hiervan ook bewijs hebt.\n\nDit bewijs heb je niet. Het blijken volgens jou roddels te zijn die rond zouden gaan in het team. Later geef je aan dat je denkt dat de coördinator jouw baan als leidinggevende zou willen overnemen. Dit voorval heeft ertoe geleid dat de HR-adviseur en jouw leidinggevende opnieuw in gesprek zijn gegaan met de medewerkers binnen jouw team. Hieruit komt een beeld naar voren dat jij stelselmatig bezig bent om bepaalde medewerkers in een kwaad daglicht te stellen. Een aantal medewerkers zou om deze reden al vertrokken zijn. Het blijkt ook dat jij het verhaal over het seksschandaal aan meerdere medewerkers hebt verteld. Ook heb jij een manager hiervan op de hoogte gebracht. Voor alle betrokkenen aan wie jij dit hebt verteld geldt dat zij geschokt zijn en totaal niet weten hoe de samenwerking met jou op een goede manier kan worden voortgezet. Een aantal medewerkers geeft aan niet vrijuit met jou te durven praten uit angst voor beëindiging van hun contract of opdracht. Al met al heerst er binnen het team een sterk gevoel van onrust en onveiligheid. Dit terwijl er juist behoefte bestaat aan rust en veiligheid.”\n\n3.4.. Op 15 mei 2024 heeft werkneemster een klachtbrief van 15 pagina’s per e-mail en per aangetekende post aan de gemeentesecretaris gestuurd, met als onderwerp “klachten over mijn leidinggevende”. Werkneemster schrijft onder andere over zelfverrijking door collega’s en dat verschillende medewerkers seksuele relaties onderhouden (dan wel onderhielden). Werkneemster schrijft onder meer over een relatie tussen haar leidinggevende (de directeur bedrijfsvoering) met een aan haar ondergeschikte medewerkster ( [naam 2] ). Uit de brief blijkt ook dat werkneemster de volgende appberichten aan de directeur bedrijfsvoering heeft gestuurd:\n\n“Hoi […], ik heb begrepen van aantal medewerkers van het team dat je vorige week 6 keer bent geweest, op zoek naar [naam 3] want je had chocolade voor haar. Omdat ze afwezig was, had je [naam 4] gevraagd om haar privé nummer – die is aan jou gegeven.\n\n[…], gaat het lukken om jouw romance met [naam 3] buiten mijn team te houden? Ik vind dit respectloos en vernederend naar mij toe. Ik accepteer dit niet van jullie beiden. (…)”\n\n“Dit gaat niet over [naam 5] en [naam 3] . Dit gaat over jou en [naam 3] . Want jullie hebben common understanding. En je wil haar tegemoet komen met mijn functie – toch? Dat gaat niet gebeuren, […]\n\nIk snap nu waarom zij aangeeft dat ik een verloren zaak ben en dat zij binnenkort de nieuwe teammanager IB wordt.\n\n[…], ik heb slecht nieuws voor jou: je kan noch mijn positie noch mijn functie van mij wegnemen. En vooral niet op deze manier. Trust me on that.\n\nLaat mij met rust. Blijf van mij en mijn team af. Gun mij de rust om te herstellen.\n\nEnjoy your common understanding while it last.\n\n(…)\n\nOh ja, is [naam 6] een verleden tijd? Just checking.”\n\n“Jij [naam directeur bedrijfsvoering], bent mijn probleem.”\n\n3.5.. Op 22 mei 2024 is werkneemster per brief uitgenodigd voor een gesprek op 27 mei 2024. In de brief is medegedeeld dat de schorsing voor onbepaalde tijd wordt verlengd. Werkneemster heeft bezwaar gemaakt tegen de schorsing.\n\n3.6.. Op 29 mei 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkgever en werkneemster en haar gemachtigde. In overleg met werkneemster is de schorsing omgezet in buitengewoon verlof.\n\n3.7.. Op 10 juni 2024 heeft de gemeentesecretaris gesprekken gevoerd met de directeur bedrijfsvoering en [naam 2] . Naar aanleiding van de gesprekken heeft werkgever besloten om een onderzoek te laten uitvoeren door Capra Advocaten.\n\n3.8.. Werkgever heeft de onderzoekers als onderzoeksopdracht\u002F-vraag voorgelegd:\n\n“Breng de feiten en omstandigheden in beeld met betrekking tot de geruchten en\n\nsignalen rondom het team Informatiebeheer. In hoeverre kunnen concrete feiten worden vastgesteld? Maak voorts inzichtelijk hoe de betrokken medewerkers de werksfeer hebben ervaren.”\n\n3.9.. Het onderzoek is gestart op 17 juni 2024. Na een aantal gesprekken hebben de onderzoekers de gemeentesecretaris geïnformeerd over enkele tussentijdse bevindingen en geadviseerd het onderzoek (deels) persoonsgericht te maken, omdat werkneemster door meerdere personen in de gesprekken werd aangewezen als oorzaak voor de (door hen als onveilig ervaren) werksfeer. Werkgever heeft daarmee ingestemd. Werkneemster is hierover bij brief van 10 juli 2024 geïnformeerd. In het kader van het onderzoek zijn in totaal 23 personen gehoord. De definitieve rapportage is uitgebracht op 23 december 2024.\n\n3.10.. Op 21 oktober 2024 heeft werkneemster zich ziek gemeld.\n\n3.11.. Op 28 januari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkneemster en de gemeentesecretaris, in aanwezigheid van de gemachtigden en HR. In het gesprek heeft de gemeentesecretaris de onderzoeksbevindingen samengevat en is werkneemster om een reactie gevraagd. Op verzoek van werkneemster heeft werkgever nadien nog een en ander nader uitgezocht.\n\n3.12.. Op 18 februari 2025 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden, waarbij dezelfde personen aanwezig waren. Enkele uren voorafgaand aan dat gesprek heeft de gemachtigde van werkneemster nog een e-mailbericht gezonden met vermeende “onjuistheden” en “onjuiste conclusies”. In het gesprek heeft de gemeentesecretaris kenbaar gemaakt dat hij geen aanleiding ziet om het onderzoek te heropenen en dat werkgever de wens heeft om het dienstverband met werkneemster te beëindigen. Werkneemster heeft aangegeven niet open te staan voor een vertrek. Werkgever heeft daarna aangekondigd dat een ontbindingsverzoek zal worden ingediend.\n\n4. De beoordeling\n\nOntbinding\n\n4.1.. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Er is namelijk voldaan aan de voorwaarden voor opzegging. Er geldt weliswaar een opzegverbod, maar het verzoek houdt hiermee geen verband. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de beslissing is.\n\nRedelijke grond\n\n4.2.. Een voorwaarde voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is (artikel 7:669 lid 1 BW). Werkgever stelt dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster, waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder e BW). De kantonrechter vindt dat sprake is van deze redelijke grond.\n\n4.3.. Werkgever maakt werkneemster meerdere verwijten. Volgens werkgever heeft werkneemster geruchten verspreid en beschuldigingen geuit over onder meer een “seksschandaal”, waarbij haar leidinggevende (de directeur bedrijfsvoering) en [naam 2] betrokken zouden zijn. Verder heeft werkneemster, zonder voldoende concrete onderbouwing, de integriteit van verschillende collega’s ter discussie gesteld. Volgens werkneemster zouden die collega’s via hun eigen bureaus uitzendkrachten inhuren en er zou sprake zijn van de aanschaf van “spookapplicaties”. Tot slot verwijt werkgever werkneemster dat zij zowel tijdens als na afloop van het onderzoek structureel en aanhoudend vertraagd heeft in haar communicatie en de correspondentie.\n\n4.4.. De kantonrechter ziet aanleiding om eerst de beschuldiging over het vermeende “seksschandaal” te beoordelen. De beschuldigingen die werkneemster heeft geuit over het vermeende “seksschandaal” en\u002Fof een of meer verhoudingen van [naam 2] , met name ook richting de directeur bedrijfsvoering, zijn naar het oordeel van de kantonrechter ernstig te noemen. Zoals blijkt uit r.o. 3.7 heeft werkgever een onderzoek laten uitvoeren door Capra Advocaten. De kantonrechter zal eerst de bezwaren van werkneemster tegen dat rapport bespreken.\n\nHet onderzoeksrapport\n\n4.5.. Anders dan werkneemster heeft aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat het onderzoek deugdelijk is uitgevoerd. Aan het begin van elk interview, zo blijkt uit de verslagen, hebben de onderzoekers gemeld bij de geïnterviewden dat zij een onderzoek uitvoeren in hoedanigheid van advocaat-onderzoekers in het kader van een advies, dat diende ter bepaling van de juridische positie van de gemeente. Het rapport is transparant over de informatie waarover de onderzoekers beschikten. Er zijn niet steeds open vragen gesteld, maar de vragen en antwoorden staan duidelijk in de gespreksverslagen, die integraal als bijlagen bij het rapport zijn opgenomen. Ook zijn gespreksverslagen in concept aan de geïnterviewden toegestuurd ter goedkeuring en konden zij wijzigingen in de tekst voorstellen. Het onderzoek richtte zich aanvankelijk niet specifiek op werkneemster, maar ook op de werksfeer bij team IB, het personeelsverloop en de start van nieuwe collega’s, de samenwerking van team IB met andere teams (Informatiemanagement, Business Intelligence en ICT), het project “Zaakgericht werken”, de applicatie My-Lex en de inhuur van externe medewerkers.\n\n4.6.. De onderzoekers hebben in het kader van hun onderzoek met 23 personen gesproken, inclusief werkneemster. Zoals werkneemster heeft erkend waren 14 van de geïnterviewden medewerkers in het team waaraan zij leiding gaf. De rest waren collega leidinggevenden en projectleiders met wie werkneemster samenwerkte of heeft samengewerkt. De onderzoekers waren naar het oordeel van de kantonrechter niet gehouden om ook nog de door werkneemster voorgedragen personen te horen. Slechts één van deze personen, [naam 7] , werkte destijds voor team IB, maar is inmiddels met pensioen. Alle andere personen die werkneemster heeft voorgedragen werkten niet voor team IB, team BI, team ICT of team IM. Van een “redelijke wens” om getuigen te laten horen door de onderzoekers, was dan ook geen sprake.\n\n4.7.. Anders dan werkneemster stelt, werpen de vijf getuigenissen die bij mr. Koerselman zijn afgelegd geen totaal ander licht op de toedracht, werkwijze en conclusies van het onderzoek. Naar aanleiding van deze getuigenissen is er dan ook geen aanleiding om te oordelen dat het rapport niet deugdelijk is en dat er personen die op wezenlijke punten de verklaringen zouden kunnen ontkrachten, niet door de onderzoekers zijn gehoord. Ook is het niet zo dat er louter negatieve verklaringen in het rapport staan. In een aantal verklaringen staan ook positieve passages over werkneemster (“[werkneemster] is een menselijke manager.”,“Ik vind [werkneemster] een betrokken persoon.”,“Ik vond de manier van leidinggeven van [werkneemster] heel fijn en menselijk.”). Deze enkele positieve verklaring kan echter niet opwegen tegen de veel grotere hoeveelheid negatieve verklaringen.\n\n4.8.. Werkneemster heeft tot in de kleinste details commentaar geleverd op de interviewverslagen en de inhoud van het rapport, maar dit geeft met name haar visie op de verklaringen en de gebeurtenissen weer. Dit kan echter niet afdoen aan de inhoud van de eigen verklaringen, zoals de geïnterviewden die hebben gegeven. Dat de onderzoekers hebben geweigerd het rapport volledig conform de wensen van werkneemster aan te passen, is dan ook begrijpelijk.\n\n4.9.. Werkneemster heeft verder nog aangevoerd dat het onderzoek dat werkgever heeft laten uitvoeren ondeugdelijk (namelijk structureel eenzijdig) was en dat zij daardoor reputatieschade heeft geleden. Volgens werkneemster richtte het onderzoek zich vanaf het begin alleen op haar. Dit blijkt volgens haar uit de zeer sturende vragen die zijn gesteld. De aanleiding voor het onderzoek was echter onder meer de klachtbrief van werkneemster, met ernstige aantijgingen jegens meerdere personen. Het is daarom begrijpelijk dat het onderzoek zich met name richtte op de zaken die werden genoemd in de klachtbrief. Ook het feit dat op sommige punten specifieke en gerichte vragen zijn gesteld, is begrijpelijk. Dit vloeit voort uit het feit dat er voorafgaand aan de interviews informatie is verstrekt aan de onderzoekers. Het rapport maakt duidelijk over welke informatie de onderzoekers beschikten. Aan de hand van die informatie zijn de onderzoekers vragen gaan stellen aan de medewerkers. De vragen die tijdens de zitting als “bijzonder sturende vragen” zijn benoemd, zijn dus begrijpelijk in het licht van de informatie waarover de onderzoekers beschikten. Ook maakt het rapport duidelijk dat de verslagen eerst in concept werden toegestuurd en later werden goedgekeurd. Dat de geïnterviewde medewerkers de gelegenheid hebben gekregen om hun verklaring in te zien en deze aan te passen als er volgens hun onjuistheden in stonden is niet ongebruikelijk. Aan haar stelling van werkneemster dat de directeur tijdens een lunchbijeenkomst tegen medewerkers heeft gezegd dat zij hun verklaring moesten aanpassen omdat deze niet negatief genoeg zou zijn, heeft werkneemster geen verdere handen en voeten gegeven. Het had op de weg van werkneemster gelegen om hierover verklaringen van de betrokken medewerkers in het geding te brengen. Dat heeft werkneemster niet gedaan.\n\nHet “seksschandaal” en de geruchten die werkneemster hierover heeft verspreid\n\n4.10.. Uit het onderzoek is niet gebleken dat er enig bewijs is voor het bestaan van een “seksschandaal” of van een affaire tussen [naam 2] en de directeur bedrijfsvoering en\u002Fof andere collega’s. Werkgever heeft uitgebreid onderzoek laten doen en in het kader van dat onderzoek is met allerlei betrokkenen gesproken. Alleen [naam 8] heeft verklaard dat de directeur bedrijfsvoering een keer chocolade naar [naam 2] heeft gebracht, maar haar verklaring is niet bevestigd door [naam 9] , die ook bij de bewuste gebeurtenis aanwezig zou zijn geweest. [naam 9] heeft verklaard dat zij toen geen chocolade heeft gezien en ook dat zij het niet speciaal vond dat de directeur bedrijfsvoering op zoek was naar [naam 2] . Overigens is de kantonrechter van oordeel dat het eenmalig brengen van chocolade naar een medewerkster ook nog niet betekent dat er sprake is van een affaire, maar dat terzijde. Uit het onderzoek is in elk geval niet gebleken dat er enig bewijs is voor het bestaan van een “seksschandaal” of van de door werkneemster genoemde affaire(s).\n\n4.11.. Meerdere medewerkers hebben verklaard het verhaal over het “seksschandaal” onwaarschijnlijk te vinden. Dat blijkt onder meer uit de volgende verklaringen:\n\n“Volgens [werkneemster] was [naam 3] zich omhoog aan het werken door met verschillende mensen van de organisatie het bed te delen. Dat verhaal geloof ik niet.”( [naam 10] )\n\n“ [naam 3] zou een relatie hebben gehad met meerdere collega’s. Ik geloof geen woord van dat gerucht.”( [naam 11] )\n\n“Je bent op een verkeerd tijdstip begonnen, want je bent betrokken geraakt bij een seksschandaal’. (...) [naam 3] had ik op mijn meeloopdag ontmoet en toen [werkneemster] het verhaal vertelde, dacht ik gelijk: dit kan niet waar zijn.”( [naam 12] )\n\n“(...) De roddel ging over een seksschandaal waar [naam 3] bij betrokken was. Ik gaf aan dat ik de roddel niet geloofde en dat ik dit niet wilde horen.”( [naam 13] )\n\n“Ik weet niet of dat klopt, maar het verhaal over de verhouding lijkt me totaal onwaarschijnlijk.”( [naam 14] )\n\n“[Bent u bekend met geruchten over affaires in de gemeente?] Ja, van roddel en achterklap. Ik heb gehoord dat [werkneemster] mensen beschuldigt, maar ik heb daar nooit iets over gezien of gehoord.”( [naam 15] )\n\n4.12.. Uit verklaringen van meerdere personen blijkt dat werkneemster diverse collega’s “in vertrouwen” heeft verteld over het vermeende “seksschandaal”, terwijl hiervoor geen bewijs is aangetroffen. Werkneemster heeft dit met meerdere personen besproken en sommigen zelfs al op een van hun eerste werkdagen hierover geïnformeerd.\n\n4.12.1.. \n\n [naam 16] heeft hierover verklaard:\n\n“[werkneemster] vertelde dat er iets is tussen [voornaam directeur bedrijfsvoering] en [naam 3] . (…) [werkneemster] heeft [naam 17] , [naam 8] en mij gevraagd om naar een kamer te komen. Toen heeft ze verteld over het seksschandaal tussen [naam directeur bedrijfsvoering] en [naam 3] .”\n\n4.12.2.. \n\n [naam 8] heeft hierover verklaard:\n\n“Ik heb over het seksschandaal gehoord van [werkneemster]. [werkneemster] heeft mensen apart genomen om ze te vertellen over het seksschandaal en ze heeft daarbij Whatsapp-berichten laten zien op haar telefoon. (…) [werkneemster] had informatie van andere managers ontvangen. Zij is door diverse mensen aangesproken over het gedrag van [naam 3] . (…) Ik was met [naam 16] , [naam 17] en [werkneemster]riep ons apart om de geruchten te vertellen.”\n\n4.12.3.. \n\n [naam 11] heeft hierover verklaard:\n\n“Ik liep de werkkamer binnen en toen was er een gesprek gaande tussen [naam 3] , [naam 5] en [naam 13] . Ik vroeg wat er was gebeurd en toen vertelde [naam 13] dat [werkneemster] haar het gerucht had verteld. Ik heb het gerucht niet direct van [werkneemster] zelf gehoord.”\n\n4.12.4.. \n\n [naam 18] heeft hierover verklaard:\n\n“[Er is een gerucht rondgegaan over [naam 3] , weet u waar dat over gaat?]\n\nJa, over affaires met Jan en alleman. Dat is een bekend patroon van [werkneemster]. [werkneemster] heeft dit ook gezegd bij haar vorige werkgever over een paar dames met wie ze in Leiden een conflict had. Twee van mijn toenmalige collega's uit Leiden, [naam 19] en [naam 20] , hadden volgens [werkneemster] verkering met de manager. Dat gaat bij mij het ene oor in en het andere oor uit. Ik geloof daar niets van. [werkneemster] gooit een bommetje en kijkt hoe dat eindigt.”\n\n4.12.5.. \n\n [naam 3] [naam 2] heeft hierover verklaard:\n\n“[Wanneer bent u op de hoogte geraakt van dat gerucht?]\n\nDat ging heel apart. Ik had [naam 5] gebeld en toen zei ze ‘kom maar even’. [naam 5] was in gesprek met [naam 13] en [voornaam directeur bedrijfsvoering]. Zij hebben mij toen ingelicht van het gerucht dat ik een relatie zou hebben met meerdere mannen. Ik wist toen nog niet met wie ik volgens [werkneemster] een relatie zou hebben gehad, want ik was bezig met het troosten van [naam 13] . Pas toen ik de stukken had gelezen, hoorde ik van de beschuldigingen.”\n\n4.12.6.. \n\n [naam 13] heeft hierover verklaard:\n\n“Ik was aan het werken in de postkamer en [werkneemster] kwam s ‘ochtends rond 09.00 langs om te vragen of ik die ochtend tijd had om even met haar te praten. Ze wilde een kort kennismakingsgesprekje houden, want dat doet ze met alle nieuwe collega’s. Ze vroeg het ook aan mijn collega, [naam 12] , want hij was ook nieuw. Nog geen half uur later liep ik met [naam 3] naar boven om naar de kamer van IB te gaan en toen kwamen we [naam werkneemster] tegen op de derde verdieping. [werkneemster] trok mij vervolgens aan mijn arm mee naar een lege kamer, want ze wilde gelijk met me praten. [werkneemster] zei toen dat ze absoluut niet wilde dat ik met [naam 3] omging, want er was een roddel over haar. De roddel ging over een seksschandaal waar [naam 3] bij betrokken was.” [Wat heeft [werkneemster] u verteld over het seksschandaal?] “[werkneemster] zei dat [naam 3] met meerdere mensen van het werk seksueel contact zou hebben gehad. [werkneemster] heeft geen namen genoemd.”\n\n4.12.7.. \n\n [naam 12] heeft het volgende verklaard over zijn eerste werkdag:\n\n“Na ongeveer een uur kwam [werkneemster] mij gedag zeggen in de postkamer. Met een heel serieuze blik zei ze: ‘Kan ik je zo even spreken?’. (...) [werkneemster] begon haar verhaal met: “Ik moet je mijn excuses aanbieden. Je bent op een verkeerd tijdstip begonnen, want je bent betrokken geraakt bij een seksschandaal”. Ik wist niet waar [werkneemster] het over had dus ik vroeg wat ze bedoelde. [werkneemster] zei dat het ging over [naam 3] en [directeur bedrijfsvoering] en dat ze zich daarom had ziekgemeld.”\n\n4.13.. Werkneemster heeft betwist dat zij de geruchten over het “seksschandaal” heeft verspreid. Volgens haar ging deze roddel rond in het team en heeft zij juist geprobeerd verspreiding te voorkomen door expliciet aan te geven dat de informatie niet verder mocht worden gedeeld. Dat blijkt echter niet uit de verklaringen die zijn afgelegd in het kader van het onderzoeksrapport, integendeel. Gelet op de inhoud en de onderlinge consistentie van de afgelegde verklaringen kan niet anders worden geconcludeerd dan dat werkneemster wel degelijk degene is geweest die deze geruchten heeft verspreid. Verder staat vast dat werkneemster een uitgebreide brief naar de gemeentesecretaris en de wethouder heeft gestuurd. In deze brief staat onder meer dat [naam 2] intieme relaties heeft gehad met zes collega’s, waaronder de directeur bedrijfsvoering, en dat de directeur bedrijfsvoering aan haar de positie van werkneemster heeft beloofd. Werkneemster heeft ook twee medewerkers van de postkamer, die daar net waren begonnen, geïnformeerd over deze brief. Dat werkneemster dit heeft gedaan om verdere verspreiding van het gerucht te voorkomen is gelet op alle bovenstaande verklaringen ongeloofwaardig. Uit die verklaringen blijkt juist dat werkneemster het gerucht breed heeft uitgemeten. Overigens hebben de onderzoekers ook geen aanwijzingen gevonden voor de vermeende belofte van de directeur bedrijfsvoering aan [naam 2] , dat zij de functie van werkneemster zou krijgen. Dat uit het rapport volgt dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor een “seksschandaal”, sluit niet uit dat werkneemster wel valse geruchten heeft verspreid. De omstandigheid dat voor de inhoud van het gerucht geen feitelijke grondslag is gebleken, betekent niet dat van verspreiding daarvan geen sprake kan zijn. Integendeel, juist het ontbreken van een feitelijke grondslag maakt dat sprake is van een valsgerucht. Op basis van bovengenoemde verklaringen kan er geen twijfel over zijn dat werkneemster de valse geruchten heeft verspreid. Overigens staat ook met zoveel woorden in het rapport dat werkneemster het gerucht over een “seksschandaal” heeft verspreid, terwijl er geen aanwijzingen zijn gevonden voor zo’n schandaal. Terzijde merkt de kantonrechter nog op dat, ook als er wel sprake zou zijn geweest van een feitelijke basis voor de beschuldigingen van werkneemster over promiscue gedrag van een van haar medewerksters in haar team, al dan niet (ook) met de leidinggevende van werkneemster, nog steeds niet valt in te zien waarom werkneemster als manager van het team dit met allerlei collega’s binnen het team heeft besproken. Dit is een manager onwaardig gedrag.\n\n4.14.. \n\nWerkneemster heeft – naast het verspreiden van valse geruchten – ook ongepaste appberichten gestuurd aan de directeur bedrijfsvoering, haar direct leidinggevende. Zo heeft zij bijvoorbeeld geschreven: “[naam directeur bedrijfsvoering], gaat het lukken om jouw romance met [naam 3] buiten mijn team te houden?”Daarbij heeft zij de kwestie in het persoonlijke getrokken door te schrijven “Ik vind dit respectloos en vernederend naar mij toe.”. Haar uitleg tijdens de zitting waarom zij dit zo ziet – kort gezegd dat de directeur bedrijfsvoering de rust en harmonie in het team zou verstoren en daarmee geen respect zou hebben voor wat werkneemster heeft gedaan en dat andere medewerkers, die al langer in dienst zijn dan [naam 2] , geen aandacht van de directeur bedrijfsvoering krijgen –\n\n is geen toereikende noch redelijke verklaring voor haar gedrag. Door woorden als “respectloos en vernederend” te gebruiken heeft zij de kwestie enorm opgeblazen en uit haar manier van communiceren (“Jij [naam directeur bedrijfsvoering], bent mijn probleem.”) blijkt ook een gebrek aan respect voor hiërarchische verhoudingen.\n\n4.15.. Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van verwijtbaar handelen en nalaten van werkneemster en dat daarmee sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Van werkgever kan redelijkerwijs niet verwacht worden de arbeidsovereenkomst met werkneemster voort te zetten.\n\nErnstige verwijtbaarheid\n\n4.16.. Vervolgens rijst de vraag of voornoemde gedragingen kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is slechts in uitzonderlijke gevallen sprake; de lat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten ligt hoog. Tegen de achtergrond van wat hiervoor is overwogen, is de kantonrechter echter van oordeel dat deze lat gehaald is. Werkneemster heeft als teammanager binnen de gemeente een voorbeeldfunctie. Aan haar gedrag mag werkgever hoge eisen stellen. De onacceptabele gedragingen van werkneemster ten aanzien van het vermeende “seksschandaal”, zoals hierboven beschreven, worden, in onderlinge samenhang bezien, als ernstig verwijtbaar aangemerkt. Werkneemster heeft het gerucht over het “seksschandaal” verspreid en medewerkers ook gewaarschuwd voor de persoon van [naam 2] , in het geval van [naam 12] zelfs op zijn eerste werkdag en in het geval van [naam 13] in haar eerste werkweek. Werkneemster heeft ook geprobeerd haar leidinggevende, de directeur bedrijfsvoering, ernstig in diskrediet te brengen. Werkneemster heeft in haar klachtbrief het bestaan van een affaire tussen de directeur bedrijfsvoering en [naam 2] in verband gebracht met de belofte dat zij de functie van werkneemster zou krijgen, terwijl de onderzoekers geen aanwijzingen hebben gevonden dat deze belofte is gedaan. Ook heeft werkneemster haar leidinggevende op een hele botte manier (“gaat het lukken om jouw romance met [naam 3] buiten mijn team te houden?”) beschuldigd van het hebben van een (seksuele) relatie met een ondergeschikte. Door ernstige, valse geruchten te verspreiden is werkneemster ver over de schreef gegaan. Werkneemster heeft niet alleen de door haar beschuldigde medewerker en haar leidinggevende door haar handelwijze ernstig geschaad, maar ook voor veel onrust en wantrouwen binnen team IB gezorgd. Van een leidinggevende als werkneemster bij de gemeente mag voorbeeldgedrag en integer handelen worden verwacht en werkneemster heeft het tegenovergestelde laten zien.\n\n4.17.. De overige verwijten die werkgever aan werkneemster heeft gemaakt hoeven niet meer besproken te worden, aangezien de gedragingen van werkneemster rondom het “seksschandaal” naar het oordeel van de kantonrechter al kwalificeren als ernstig verwijtbaar handelen en de arbeidsovereenkomst op deze grond wordt ontbonden.\n\nGeen herplaatsing\n\n4.18.. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster ligt herplaatsing niet in de rede en kan dit dan ook niet van werkgever worden gevergd (artikel 7:669 lid 1 BW).\n\nGeen verband met opzegverbod tijdens ziekte\n\n4.19.. Er is geen sprake van verband met een opzegverbod (artikel 7:671b lid 6 BW). Werkneemster is weliswaar arbeidsongeschikt en was dat ook al op het moment van het indienen van het ontbindingsverzoek, maar er is naar het oordeel van de kantonrechter geen verband tussen het ontbindingsverzoek en de arbeidsongeschiktheid van werkneemster. Het kan best zo zijn dat haar neiging om kortaf te reageren, snelle boosheid en (geëmotioneerd) weglopen uit overleggen verband houdt met (ernstige) pijnklachten dan wel de medicatie die werkneemster daarvoor gebruikt, maar het is niet gebleken dat de gedragingen van werkneemster rondom het verspreiden van valse geruchten over het “seksschandaal” enig verband houden met haar chronische ziekte. De hiervoor beschreven (ernstig) verwijtbare gedragingen van werkneemster houden geen enkel verband met de ziekte van werkneemster. Zij heeft zich overigens ook pas ziekgemeld ruim vijf maanden na haar schorsing. Ook het onderzoek liep toen al ruim vier maanden. Dit betekent dat het opzegverbod tijdens ziekte niet aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat.\n\nGeen verboden onderscheid chronische ziekte\n\n4.20.. Werkneemster stelt zich verder nog op het standpunt dat zij zich gediscrimineerd voelt vanwege haar chronische ziekte. Zij heeft in dit verband onder meer gesteld dat zij represailles in de zin van artikel 9a van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte heeft ondervonden na het indienen van haar klacht. Daarvan is de kantonrechter echter niets gebleken. Zoals uit wat hiervoor is overwogen blijkt, vinden het door werkgever ingestelde onderzoek en het daaropvolgende ontbindingsverzoek hun grondslag in objectieve omstandigheden, die geen verband houden met de chronische ziekte van werkneemster. Van verboden onderscheid is dan ook geen sprake.\n\nDatum einde arbeidsovereenkomst\n\n4.21.. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op vandaag (artikel 7:671b lid 9 BW). Er wordt geen rekening gehouden met de opzegtermijn en de duur van de procedure, omdat sprake is van ernstige verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster.\n\nGeen transitievergoeding\n\n4.22.. Werkgever hoeft geen transitievergoeding aan werkneemster te betalen omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkneemster (artikel 7:673 lid 7 BW).\n\nDe overige verwijten van werkneemster aan werkgever\n\n4.23.. Werkneemster maakt in haar verweerschrift en aanvullend verweerschrift nog allerlei andere verwijten aan werkgever. Dit gaat onder meer over schending van re-integratieverplichtingen, het ontbreken van een verbetertraject, pestgedrag, het niet verplichten van mede MT-leden tot mediation en inhuur van medewerkers op het teambudget van werkneemster, terwijl zij werkten voor andere teams. De kantonrechter is van oordeel dat het gestelde handelen, dat overigens door werkgever gemotiveerd is betwist, de hoge lat van ernstig verwijtbaar handelen aan de kant van werkgever niet haalt. Uit het voorgaande mag duidelijk zijn dat het verzoek van werkneemster om een billijke vergoeding ten laste van werkgever toe te kennen, dus wordt afgewezen. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen van werkneemster en niet andersom.\n\nVerzoek om stukken en\u002Fof toegang tot werktelefoon en zakelijke e-mails\n\n4.24.. Het verzoek van werkneemster op grond van artikel 22 Rv wordt afgewezen. Artikel 22 Rv geeft de rechter de bevoegdheid een partij te bevelen bescheiden over te leggen. De kantonrechter ziet geen aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken. Werkgever heeft er in dit verband op gewezen dat werkneemster geen gebruik heeft gemaakt van de bezwaarmogelijkheid die de Wet open overheid biedt. Verder is onvoldoende onderbouwd door werkneemster dat zij voldoende belang heeft bij de verzochte stukken. Hetzelfde geldt voor de toegang tot de werktelefoon en zakelijke e-mails.\n\nProceskosten\n\n4.25.. De proceskosten komen voor rekening van werkneemster, omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. De kantonrechter begroot de kosten die werkneemster aan werkgever moet betalen op € 135,- aan griffierecht en € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.433,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n4.26.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst per vandaag;\n\n5.2.. veroordeelt werkneemster in de proceskosten, die aan de kant van werkgever worden begroot op € 1.433,-;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.\n\n26975","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5550","2026-05-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.535Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":102,"fullText":103,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":102,"parsedAt":52,"updatedAt":105},"1030","ECLI:NL:RBROT:2026:5031","ecli-nl-rbrot-2026-5031","2026-04-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12094420 VZ VERZ 26-445\n\ndatum uitspraak: 30 april 2026 (bij vervroeging)\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker] ,\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\ngemachtigde: mr. T. Ecevit-Yegen,\n\ntegen\n\nTGK Logistics,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\nverweerster,\n\ngemachtigde: mr. M.D. Vrolijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van 10 februari 2026, met bijlagen 1 tot en met 10;\n\nhet verweerschrift van 6 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 42;\n\nde bijlagen 11 tot en met 16 van Werknemer;\n\nde pleitaantekeningen van beide partijen.\n\n1.2.. Op 9 april 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de partijen en hun gemachtigden besproken.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. Werknemer werkte sinds 22 april 2024 bij TGK als chauffeur containervervoer. Hij is op 11 december 2025 op staande voet ontslagen. Werknemer wil dat deze opzegging wordt vernietigd, dat hij weer aan het werk mag en dat TGK het salaris doorbetaalt. TGK vindt dat alle verzoeken van Werknemer moeten worden afgewezen.\n\nDe uitkomst is dat de opzegging wordt vernietigd. TGK moet het loon doorbetalen en Werknemer weer laten werken. Hierna wordt uitgelegd waarom dit het oordeel is. Het ontslag op staande voet is niet geldig\n\n2.2.. De opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd.Werknemer is namelijk niet akkoord gegaan met de opzegging en er is niet voldaan aan alle voorwaarden voor een ontslag op staande voet.Een van die eisen is dat er een dringende reden moet zijn. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en\u002Fof gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband.Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier geen sprake is van een dringende reden.\n\n2.3.. Werknemer heeft van TGK meerdere officiële waarschuwingen gekregen, steeds voor andere gedragingen. Het gedrag van Werknemer op 9 en 10 december 2025 is volgens TGK ‘de druppel’ geweest. Het is de kantonrechter ondanks doorvragen tijdens de zitting niet helemaal duidelijk geworden wat er op deze dagen precies is gebeurd. Wat de kantonrechter ervan heeft begrepen is dat Werknemer op 9 december 2025 een container had opgehaald, die niet schoon (genoeg) was. Werknemer kreeg de instructie om de container aan het eind van de dag af te koppelen. Dat heeft Werknemer ook gedaan. Vervolgens kreeg Werknemer de opdracht om de volgende dag naar een andere klant te gaan. Werknemer heeft toen dezelfde container weer aangekoppeld. Naar eigen zeggen was hij op dat moment vergeten dat die container niet schoon was. Dat verwijt TGK hem. Volgens TGK is hij daarmee bewust tegen de gegeven instructie ingegaan. Dat betwijfelt de kantonrechter. Er is namelijk geen expliciete opdracht gegeven om de volgende dag een andere container aan te koppelen (en niet dezelfde) en bovendien valt niet in te zien waarom Werknemer er bewust voor zou hebben gekozen om met de vieze container op pad te gaan. Op 10 december is hij met deze container naar een klant in Arnhem gaan rijden. TGK wilde toen dat Werknemer terug zou komen om de vieze container om te ruilen. Werknemer is wel teruggekomen, maar pas nadat hij eerst had geprobeerd om zelf de container op het terrein van de klant schoon te maken. Dat vindt TGK te laat en zij verwijt Werknemer dat hij niet direct de instructie van Werkgever heeft opgevolgd om terug te komen.\n\n2.4.. Uit deze gebeurtenissen op 9 en 10 december blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet zonder meer van kwade bedoelingen van Werknemer. Het is niet ondenkbaar dat de taalbarrière een (grote) rol heeft gespeeld. Daarnaast valt uit de feitelijke toedracht ook niet af te leiden dat de poging van Werknemer om de container op locatie bij de klant schoon te maken niet is gedaan in het belang van TGK. Immers, Werknemer was op het moment dat hij de instructie kreeg om de container om te komen ruilen al (bijna) bij de klant in Arnhem, zodat er sprake was van een forse reisafstand terug naar de plek waar Werknemer een schone container zou moeten ophalen (naar de kantonrechter begrijpt: Waalhaven Rotterdam). Maar of en waarom het allemaal precies is gegaan zoals hier is beschreven, is voor de uiteindelijke beoordeling van het ontslag op staande voet niet belangrijk. Daarom worden de verdere stellingen van partijen over en weer over de feitelijke toedracht onbesproken gelaten. Hierna wordt uitgelegd waarom de exacte feitelijke toedracht niet belangrijk is.\n\n2.5.. TGK heeft Werknemer naar aanleiding van de gebeurtenissen op 9 en 10 december op 10 december een officiële waarschuwing gegeven, omdat hij de werkinstructies niet opvolgt. Op 10 december 2025 vond TGK deze gebeurtenissen in combinatie met het verleden van Werknemer kennelijk nog niet voldoende voor een ontslag op staande voet. Op 10 december 2025 is namelijk gekozen voor een officiële waarschuwing als ‘straf’. De waarschuwingsbrief van die datum is ondertekend door de directeur. Tijdens de zitting heeft TGK eveneens verklaard dat de directeur aan het einde van deze dag een gesprek heeft gehad met Werknemer. De tot ontslag bevoegde directeur was toen dus al bekend met de gebeurtenissen én heeft besloten om daarvoor een waarschuwing – en geen ontslag op staande voet – te geven. Op 11 december ontslaat TGK Werknemer alsnog op staande voet, met als reden de gebeurtenissen op 9 en 10 december, alle eerdere officiële waarschuwingen en het feit dat Werknemer ondanks alle waarschuwingen geen verbetering heeft getoond. Tussen 10 en 11 december is er echter niets nieuws gebeurd. TGK mag Werknemer naar het oordeel van de kantonrechter niet op staande voet ontslaan voor iets waarvoor zij hem de dag ervoor al een officiële waarschuwing heeft gegeven. Een werknemer kan voor dezelfde gedraging niet twee keer worden gestraft. Voor zover TGK op 11 december bedoelde dat Werknemer geen verbetering heeft getoond sinds zijn laatste officiële waarschuwing geldt natuurlijk dat dat niet redelijk is. Zijn laatste officiële waarschuwing dateerde immers van de dag ervoor. Aangezien een en ander voor TGK op 10 december geen dringende reden voor een ontslag op staande voet was en er daarna niets nieuws meer is gebeurd, is er in ieder geval geen sprake van een subjectievedringende reden.\n\nTGK moet Werknemer zijn werk laten hervatten\n\n2.6.. Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, moet TGK Werknemer zijn werkzaamheden laten hervatten. Dat moet binnen zeven dagen na de datum van deze uitspraak. Als TGK dat niet of te laat doet, moet TGK voor iedere dag dat zij daarmee te laat is € 100,00 aan Werknemer betalen. Dat is lager dan de € 500,00 per dag zoals door Werknemer is gevraagd, omdat de kantonrechter dit bedrag redelijk vindt. De kantonrechter stelt het maximum aan te verbeuren dwangsommen vast op € 15.000,00.\n\n2.7.. Tijdens de zitting heeft TGK weliswaar verklaard dat ‘het klaar is’ en dat de planners niet meer met Werknemer willen werken, maar door de vernietiging van de opzegging is de arbeidsovereenkomst blijven bestaan. En daarmee ook de verplichtingen van TGK als werkgever, zoals het betalen van loon en het laten werken van Werknemer. Als TGK onder geen beding met Werknemer verder had gewild, dan had zij in deze procedure kunnen vragen om de arbeidsovereenkomst met Werknemer voorwaardelijk te ontbinden, voor het geval het ontslag op staande voet zou worden vernietigd. Dat heeft zij niet gedaan. Tijdens de zitting heeft zij daarover verklaard dat zij dit niet heeft gedaan, omdat zij wil vasthouden aan het ontslag op staande voet. Dat is de keuze van TGK om het zo te doen, maar dat ontslag is vernietigd en bestaat dus niet meer. De arbeidsovereenkomst (weer) wel.\n\nTGK moet het loon doorbetalen met wettelijke verhoging en wettelijke rente\n\n2.8.. \n\nTGK moet ook het loon van Werknemer doorbetalen vanaf 11 december 2025. Omdat TGK het loon niet op tijd heeft betaald, moet zij over het achterstallig loon wettelijke verhoging betalen.De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding om de hoogte van de wettelijke verhoging te matigen tot 20%. Op het moment van deze uitspraak is TGK te laat met het betalen van het loon over december 2025 tot en met maart 2026. TGK had het loon namelijk iedere maand meteen na afloop van die maand moeten betalen.\n\nOmdat TGK het loon niet op tijd heeft betaald, moet zij ook de wettelijke rente over het loon betalen vanaf de eerste dag na de maand die zij niet op tijd heeft betaald.De rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf veertien dagen na deze uitspraak, omdat TGK pas te laat is met het betalen daarvan als zij dit op dat moment niet heeft betaald.\n\nWerknemer eiste eerst ook te weinig betaald loon over – in ieder geval – oktober 2025, maar dat deel van zijn verzoek heeft hij tijdens de zitting ingetrokken\n\nTGK moet salarisspecificaties verstrekken\n\n2.9.. TGK is verplicht om voor ieder maandloon een salarisspecificatie aan Werknemer te geven.Voor de maanden december 2025 tot en met maart 2026 staat vast dat zij dat nog niet heeft gedaan, terwijl zij dat al wel had moeten doen. Daarom wordt TGK veroordeeld om dat alsnog te doen, binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak. Voor iedere dag dat TGK hiermee te laat is, moet zij € 50,00 aan Werknemer betalen, met een maximum van € 2.500,00. De dwangsom per dag is lager dan de € 100,- per dag die Werknemer heeft gevraagd, omdat de kantonrechter dit bedrag redelijk vindt.\n\nProceskosten\n\n2.10.. De proceskosten komen voor rekening van TGK, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die TGK aan Werknemer moet betalen op € 93,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dit is totaal € 1.391,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De aparte vergoeding voor de eigen bijdrage wordt afgewezen. De hoogte van het salaris voor de gemachtigde is gebaseerd op landelijk vastgestelde tarieven. Die staan op rechtspraak.nl. Daarin zitten ook de kosten van de eigen bijdrage.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n2.11.. Deze beschikking mag meteen worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.Dat is omdat Werknemer dat heeft gevraagd en TGK daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. vernietigt de opzegging;\n\n3.2.. veroordeelt TGK om aan Werknemer het loon te betalen vanaf 11 december 2025 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) van 20%;\n\n3.3.. veroordeelt TGK om binnen veertien dagen na de datum van deze uitspraak aan Werknemer salarisspecificaties te verstrekken voor de maanden december 2025 tot en met maart 2026 en bepaalt dat TGK voor iedere dag dat zij hiermee te laat is € 50,00 aan Werknemer moet betalen, met een maximum van € 2.500,00;\n\n3.4.. veroordeelt TGK om Werknemer zijn werkzaamheden te laten hervatten vanaf zeven dagen na de datum van deze uitspraak en bepaalt dat TGK voor iedere dag dat zij hiermee te laat is € 100,00 aan Werknemer moet betalen, met een maximum van € 15.000,00;\n\n3.5.. veroordeelt TGK in de proceskosten, die aan de kant van Werknemer tot vandaag worden vastgesteld op € 1.391,00;\n\n3.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.\n\n703\n\n Dat dit kan staat in artikel 7:681 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek, omdat niet is voldaan aan de eisen voor een ontslag die staan in artikel 7:671 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Die voorwaarden staan in artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Dit staat in artikel 7:678 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Subjectieve dringendheid houdt in dat van deze werkgever in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden gevergd de werknemer te ontslaan met een opzegtermijn (dus niet via een ontslag op staande voet).\n\n Dat staat in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Het tijdstip van het betalen van loon staat in artikel 7:623 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n De rente is namelijk verschuldigd vanaf het moment van verzuim volgens artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Dat staat in artikel 7:626 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Dit staat in artikel 288 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5031","2026-07-13T00:29:00.161Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":110,"fullText":111,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":112,"sourceTimestamp":113,"parsedAt":52,"updatedAt":114},"1096","ECLI:NL:RBROT:2026:5196","ecli-nl-rbrot-2026-5196","2026-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12006603 VZ VERZ 25-7176\n\ndatum uitspraak: 23 april 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\nverzoeker, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. T. van Liempd,\n\ntegen\n\nDen Hartogh Trucking B.V.,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\nverweerster, verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,\n\ngemachtigde: mr. M. Westhoeve.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘Den Hartogh’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van [verzoeker] , met bijlagen;\n\nhet verweerschrift van Den Hartogh met voorwaardelijk tegenverzoek, met bijlagen;\n\nde brief van Den Hartogh van 18 maart 2026, met één aanvullende bijlage;\n\nde brief van [verzoeker] van 20 maart 2026, met aanvullende bijlagen;\n\nde e-mail van [verzoeker] van 25 maart 2026, met één aanvullende bijlage;\n\nde spreekaantekeningen van [verzoeker] ;\n\nde spreekaantekeningen van Den Hartogh.\n\n1.2.. Op 26 maart 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was [verzoeker] aanwezig, bijgestaan door mr. T. van Liempd en mr. V. Veenbrink. Namens Den Hartogh waren aanwezig de heer [naam 1] (transportmanager), de heer [naam 2] (HR Business Partner) en de heer [naam 3] (truckingmanager afdeling Rozenburg), bijgestaan door mr. M. Westhoeve en mr. T.J.H. de Jong.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern van de zaak?\n\n2.1.. \n [verzoeker] werkt sinds 1 maart 2022 bij Den Hartogh als internationaal chauffeur. Zijn salaris is op dit moment € 3.692,32 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. [verzoeker] heeft zich op 6 januari 2025 ziekgemeld. Hij stelt dat de arbeidsrelatie sindsdien door toedoen van Den Hartogh duurzaam en onherstelbaar is verstoord, omdat Den Hartogh een ingrijpende beleidswijziging rond de pauzestaffel heeft doorgevoerd en de bezwaren van [verzoeker] daartegen heeft geneerd. Daarnaast heeft Den Hartogh volgens [verzoeker] de adviezen van de bedrijfsartsen onvoldoende opgevolgd, herhaaldelijk en langdurig het loon van [verzoeker] opgeschort en die loonmaatregelen als drukmiddel gebruikt in onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst en mediation. Volgens [verzoeker] heeft dat geleid tot forse psychische klachten, langdurige arbeidsongeschiktheid en een volledige vertrouwensbreuk. Daarom verzoekt [verzoeker] in deze procedure de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW te ontbinden en Den Hartogh te veroordelen een transitievergoeding, een billijke vergoeding, achterstallig loon, wettelijke verhoging en de wettelijke rente over deze bedragen aan hem te betalen en deugdelijke bruto\u002Fnetto specificaties te verstrekken.\n\n2.2.. Den Hartogh erkent dat er sprake is van een duurzaam en onherstelbare arbeidsrelatie en verzet zich niet tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Met de andere eisen van [verzoeker] is Den Hartogh het niet eens. Den Hartogh betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en vindt daarom dat zij geen billijke vergoeding hoeft te betalen. Den Hartogh voert ook aan dat [verzoeker] zijn verzoek ten aanzien van het achterstallige loon niet heeft gespecificeerd en onderbouwd. Voor het geval het ontbindingsverzoek van [verzoeker] toch wordt afgewezen of door [verzoeker] wordt ingetrokken, verzoekt Den Hartogh de kantonrechter de arbeidsovereenkomst alsnog te ontbinden wegens een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) dan wel een combinatie van omstandigheden (de i-grond).\n\nDe samenvatting van het oordeel van de kantonrechter\n\n2.3.. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Den Hartogh hoeft geen billijke vergoeding aan [verzoeker] te betalen. Wel moet Den Hartogh een transitievergoeding aan [verzoeker] betalen, maar alleen in het geval dat [verzoeker] gebruik maakt van de bevoegdheid om zijn ontbindingsverzoek in te trekken en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden naar aanleiding van het tegenverzoek van Den Hartogh. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\nHet verzoek van [verzoeker]\n\nDe arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2026\n\n2.4.. \n [verzoeker] heeft op grond van artikel 7:671c BW verzocht de tussen hem en Den Hartogh bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden. In artikel 7:671c lid 1 BW is bepaald dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.\n\n2.5.. \n [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat door toedoen van Den Hartogh de arbeidsverhouding ernstig en onherstelbaar verstoord is geraakt als gevolg waarvan er aan de kant van [verzoeker] sprake is van een volledige vertrouwensbreuk. Volgens [verzoeker] moet het handelen van Den Hartogh in dit verband bovendien als ernstig verwijtbaar worden aangemerkt. Uit het standpunt van [verzoeker] volgt in elk geval dat er wat hem betreft geen enkel (behoorlijk) draagvlak meer is voor een verdere samenwerking tussen partijen. Daarmee ontbreekt al elk perspectief op een zinvolle continuering van de arbeidsovereenkomst, waarmee de noodzaak voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst gegeven is.\n\n2.6.. Los van de vraag of er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan haar zijde, erkent ook Den Hartogh dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en zij verzet zich daarom ook niet tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW. Dat betekent dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de hiervoor genoemde grond wordt toegewezen. Omdat bij een verzoek op grond van artikel 7:671c BW geen rekening hoeft te worden gehouden met de opzegtermijn, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 mei 2026.\n\nEr is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van Den Hartogh\n\n2.7.. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van den Hartogh. Als dat namelijk het geval is, is Den Hartogh een transitievergoeding en een billijke vergoeding aan Van Oudheusden verschuldigd. De kantonrechter is echter van oordeel dat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Den Hartogh. Dit wordt hierna verder uitgelegd.\n\n2.8.. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Werk en Zekerheidvolgt dat er van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever niet snel sprake is, maar dat het moet gaan om uitzonderlijke gevallen van onrechtmatige gedragingen die te kwalificeren zijn als duidelijk strijdig met goed werkgeverschap, bijvoorbeeld als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag, als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren. Met andere woorden, voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel en die wordt slechts in uitzonderingsgevallen overschreden.\n\n(i) beleidswijziging pauzestaffel\n\n2.9.. Volgens [verzoeker] is de verstoring van de arbeidsrelatie onder meer veroorzaakt door de wijze waarop Den Hartogh een ingrijpende wijziging van haar beleid in het kader van de pauzestaffel heeft doorgevoerd en door de bezwaren van [verzoeker] daartegen te negeren. Duidelijk is dat partijen van mening verschillen over de vraag of Den Hartogh, gelet op de inhoud van de toepasselijke CAO Beroepsgoederenvervoer 2024-2025 (hierna: ‘de cao’), de wijziging op correcte wijze heeft doorgevoerd. Den Hartogh heeft aangevoerd dat de wijziging per 1 januari 2025 feitelijk niet meer inhoudt dan dat Den Hartogh voortaan – anders dan in het verleden – de al in de cao vastgestelde staffel, die aan de hand van de duur van de diensttijd de pauzetijden voorschrijft, uniform binnen de onderneming zal gaan hanteren. Zij heeft ook aangevoerd dat zij die voorgenomen wijziging vooraf aan de ondernemingsraad heeft voorgelegd en tijdens een overleg op 26 november 2024 met de ondernemingsraad en de chauffeurs in Rozenburg heeft besproken. Dat laatste heeft [verzoeker] niet betwist.\n\n2.10.. Gebleken is dat, nadat de doorgevoerde beleidswijziging is geëvalueerd, de gehanteerde pauzestaffel per 1 maart 2025 is gewijzigd. Die wijziging komt er kort gezegd op neer dat, in afwijking van de pauzestaffel in de cao – waarin is opgenomen dat bij een diensttijd van meer dan 13,5 uur in elk geval 120 minuten pauze moet worden opgenomen –, voortaan pas bij een diensttijd van meer dan 15 uur een pauze van 120 minuten genomen moet worden. Voordat Den Hartogh de wijziging doorvoerde, heeft zij overleg gevoerd met de ondernemingsraad en de chauffeurs in Rozenburg; het is niet gebleken dat zij in dat opzicht onvoldoende zorgvuldig zou hebben gehandeld. Ter zitting heeft [verzoeker] aangevoerd dat met die wijziging van de pauzestaffel sprake is van een ongeoorloofde afwijking van de cao. De kantonrechter is echter van oordeel dat in het midden kan blijven of die laatstgenoemde wijziging al dan niet geoorloofd is. Zelfs als dat niet zo is, geldt dat het hier slechts gaat om een relatief geringe wijziging. Voor zover al aangenomen kan worden dat Den Hartogh op dit punt een verwijt kan worden gemaakt wordt in de gegeven omstandigheden in elk geval niet de hoge drempel gehaald om aan te kunnen nemen dat Den Hartogh ernstig verwijtbaar jegens [verzoeker] heeft gehandeld.\n\n2.11.. De kantonrechter volgt [verzoeker] ook niet in zijn stelling dat Den Hartogh zijn bezwaren tegen de beleidswijziging heeft genegeerd. Uit de overgelegde e-mails van Den Hartogh van 18 februari 2025 en 12 maart 2025 volgt namelijk dat Den Hartogh uitvoerig inhoudelijk op de bezwaren van [verzoeker] heeft gereageerd. Dat die reactie niet is waarop [verzoeker] had gehoopt en dat het bezwaar van [verzoeker] niet tot aanpassing van het beleid rond de pauzestaffel heeft geleid, maakt nog niet dat er sprake is van verwijtbaar handelen van Den Hartogh.\n\n(ii) opvolgen adviezen bedrijfsarts\n\n2.12.. \n [verzoeker] stelt verder dat Den Hartogh de adviezen van de bedrijfsarts niet heeft opgevolgd, nadat [verzoeker] ziek op 6 januari 2025 had ziekgemeld. Ook daarin volgt de kantonrechter [verzoeker] niet.\n\n2.13.. \n\nDe bedrijfsarts heeft op 5 februari 2025 aangegeven dat [verzoeker] tijdelijk nog niet belastbaar is door werkgebonden problematiek en heeft partijen geadviseerd, na een rustperiode van 10 tot 14 dagen, met elkaar in gesprek te gaan. Uit de daaropvolgende\n\ne-mailcorrespondentie leidt de kantonrechter af dat Den Hartogh zich heeft ingespannen dat advies van de bedrijfsarts op te volgen. In haar e-mail van 18 februari 2025 heeft Den Hartogh [verzoeker] immers uitgenodigd voor een gesprek. [verzoeker] heeft zich in reactie daarop in zijn e-mail van 19 februari 2025 echter op het standpunt gesteld dat, met name vanwege de afwijzing van zijn bezwaren tegen de beleidswijziging rond de pauzestaffel, verder overleg tussen partijen zinloos is en heeft aangedrongen op het inschakelen van een mediator om het probleem op te lossen. Ook heeft [verzoeker] in die e-mail te kennen gegeven bereid te zijn een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst in overweging te nemen om zodoende op een nette manier uit elkaar te gaan.\n\n2.14.. Den Hartogh heeft het verzoek van [verzoeker] om een mediator in te schakelen afgewezen. Dat was in lijn met het advies van de bedrijfsarts van 5 februari 2025. De strekking van dat advies was immers dat partijen eerst onderling, dus zonder mediator, in gesprek zouden gaan. Dit advies heeft de bedrijfsarts op 5 maart 2025 herhaald, waarbij hij bovendien heeft bevestigd dat mediation op dat moment niet zinvol was. Ook op 26 maart 2025 heeft de bedrijfsarts partijen nogmaals geadviseerd met elkaar in gesprek te gaan. Voldoende gebleken is dat Den Hartogh zich heeft ingespannen ook dat advies op te volgen. Zij heeft [verzoeker] namelijk uitgenodigd voor een gesprek op 3 april 2025. Het is [verzoeker] die daar vervolgens geen gehoor aan heeft gegeven.\n\n2.15.. Nadat [verzoeker] op 14 april 2025 door een andere bedrijfsarts is gezien, heeft deze bedrijfsarts alsnog geadviseerd mediation op te starten. Uit de e-mail aan [verzoeker] van 15 april 2025 volgt dat Den Hartogh direct twee onafhankelijke partijen heeft voorgedragen om als mediator te fungeren. Dat het vervolgens door de nodige discussies tussen partijen tot augustus 2025 heeft geduurd voordat mediation daadwerkelijk heeft plaatsgevonden – helaas zonder het beoogde resultaat –, doet er niet aan af dat Den Hartogh ook het advies van de bedrijfsarts van 14 april 2025 heeft opgevolgd.\n\n(iii) herhaalde loonopschortingen\n\n2.16.. \n [verzoeker] heeft daarnaast aangevoerd dat Den Hartogh herhaaldelijk en langdurig de loonbetaling van [verzoeker] heeft opgeschort en die loonmaatregelen als drukmiddel heeft gebruikt in onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst en mediation.\n\n2.17.. Vast staat dat Den Hartogh tweemaal een loonopschorting heeft doorgevoerd. De eerste maal was met ingang van 3 april 2025, nadat [verzoeker] niet bij het gesprek op diezelfde dag is verschenen. Anders dan [verzoeker] heeft aangevoerd, heeft Den Hartogh [verzoeker] door middel van de brief van 28 maart 2025 wel vooraf gewaarschuwd dat, als [verzoeker] niet bij het gesprek zou verschijnen, de loonbetaling zou worden opgeschort vanwege het niet-meewerken aan re-integratieactiviteiten. Den Hartogh heeft een tweede loonopschorting doorgevoerd met ingang van 4 november 2025, omdat [verzoeker] op 30 oktober 2025 niet is verschenen bij de afspraak met de bedrijfsarts. Ook in dit geval heeft Den Hartogh vooraf gewaarschuwd dat, als [verzoeker] niet bij de bedrijfsarts zou verschijnen, dat gevolgen zou hebben voor de loonbetaling.\n\n2.18.. De kantonrechter is van oordeel dat Den Hartogh in beide gevallen voldoende reden had om tot het opleggen van een loonmaatregel over te gaan. Ten aanzien van de eerste loonopschorting per 3 april 2025 heeft [verzoeker] , zoals hiervoor bij r.o. 2.14 al is overwogen, geen gehoor gegeven aan het herhaalde advies van de bedrijfsarts om met Den Hartogh in gesprek te gaan, ook niet nadat hij daartoe meerdere keren uitdrukkelijk door Den Hartogh is uitgenodigd. Voor wat betreft de tweede loonopschorting per 4 november 2025 heeft [verzoeker] aangevoerd dat hij om verplaatsing van de afspraak bij de bedrijfsarts van 30 oktober 2025 heeft gevraagd, omdat hij een vertrouwenspersoon mee wilde nemen naar de afspraak en deze op de genoemde datum verhinderd was. Het feit dat Den Hartogh vervolgens niet met verplaatsing van de afspraak akkoord is gegaan, betekent echter niet dat de opgelegde loonopschorting onterecht is. [verzoeker] was verplicht om zich te houden aan het redelijke voorschrift om bij de bedrijfsarts te verschijnen. Hij mocht niet als eis stellen dat dat gesprek alleen plaats zou kunnen vinden als de door hem uitgekozen vertrouwenspersoon op dat moment beschikbaar zou zijn.\n\n2.19.. Dat de bedrijfsarts vervolgens heeft medegedeeld alleen een één-op-één-gesprek met [verzoeker] te willen voeren – dus zonder aanwezigheid van een vertrouwenspersoon – kan [verzoeker] niet aan Den Hartogh tegenwerpen. Het is immers niet aan Den Hartogh als werkgever om te bepalen of de bedrijfsarts een derde bij de afspraak met [verzoeker] toelaat. Dat is een keuze van de bedrijfsarts zelf. Het is bovendien niet zonder meer onbegrijpelijk of onredelijk dat de bedrijfsarts alleen met [verzoeker] wil spreken om zodoende een zuiver en onafhankelijk oordeel over [verzoeker] en zijn situatie te kunnen vormen.\n\n2.20.. Hoewel uit het bovenstaande volgt dat Den Hartogh in beginsel zowel op 3 april 2025 als op 4 november 2025 de loonbetaling aan [verzoeker] mocht opschorten, is de kantonrechter van oordeel dat Den Hartogh door het tot tweemaal toe opleggen van een loonmaatregel weinig rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] . Voldoende gebleken is immers dat [verzoeker] al sinds begin 2023 kampte met problemen in de privésfeer, waardoor hij meerdere keren volledig is uitgevallen. Den Hartogh heeft hem daarbij destijds ondersteund door hem ruimte te bieden zijn privésituatie te stabiliseren en hem na zijn terugkeer flexibiliteit te bieden bij de wijze waarop hij zijn werkzaamheden uitvoerde. Den Hartogh was dan ook in elk geval sinds 2023 al op de hoogte van de (privé)problemen van [verzoeker] en de daarmee gepaard gaande psychische klachten. Duidelijk is ook dat de kwestie rond de wijziging van de pauzestaffel – ondanks het feit dat Den Hartogh daarin in beginsel geen (ernstig) verwijt gemaakt kan worden - de gezondheidstoestand van [verzoeker] heeft verslechterd. Daarnaast heeft [verzoeker] in zijn e-mail van 20 maart 2025 aan Den Hartogh medegedeeld dat hij gedagvaard is in de slepende privékwestie en dat dat de nodige extra spanningen oplevert.\n\n2.21.. Van Den Hartogh, die bekend was met de hierboven weergegeven voorgeschiedenis en persoonlijke situatie van [verzoeker] , had in de gegeven omstandigheden als werkgever mogen worden verwacht dat zij zich empathischer zou opstellen jegens [verzoeker] , alvorens direct – en tot tweemaal toe – een ingrijpende maatregel als de opschorting van de loonbetaling op te leggen. De kantonrechter kan op zich invoelen dat voor Den Hartogh, die zich in het verleden al vaker zeer flexibel jegens [verzoeker] had opgesteld, op een zeker moment ‘de maat vol is’, mede vanwege het gerezen conflict tussen partijen rond de pauzestaffel. Echter, juist vanwege de hiervoor genoemde voorgeschiedenis en persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] , had Den Hartogh kunnen en moeten weten dat er in dit geval (zowel privé als in zijn gezondheidstoestand) meer speelde dan de enkele weigering om aan een redelijk voorschrift te voldoen. Om die reden had van haar in dit geval een meer de-escalerende houding mogen worden verwacht.\n\n2.22.. Het bovenstaande leidt er dan ook toe dat de kantonrechter van oordeel is dat het handelen van Den Hartogh in het kader van de loonmaatregelen minst genomen niet de schoonheidsprijs verdient en dat haar daarbij in zekere mate een verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat echter onvoldoende om de hoge late de hoge late van ernstige verwijtbaarheid, zoals uiteengezet in r.o. 2.8., te halen. Daarbij is meegewogen dat Den Hartogh het per 3 april 2025 opgeschorte loon eind augustus 2025, vrijwel direct na de ontvangst van het deskundigenoordeel van het UWV, volledig aan [verzoeker] heeft betaald. Ook het per 4 november 2025 opgeschorte loon heeft Den Hartogh aan [verzoeker] betaald, nadat daarover in februari 2026 tijdens het kort geding door partijen afspraken zijn gemaakt.\n\n2.23.. De kantonrechter volgt [verzoeker] niet in zijn stelling dat Den Hartogh de loonopschortingen heeft gebruikt als drukmiddel in de onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst en mediation. [verzoeker] heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit dat kan worden afgeleid. Bovendien was het [verzoeker] zelf, die vanaf zijn ziekmelding heeft aangedrongen op mediation, zelfs op het moment dat de bedrijfsarts te kennen gaf dat mediation (nog) niet zinvol was. Nadat een andere bedrijfsarts op 14 april 2025 wél mediation adviseerde, heeft Den Hartogh zich ingespannen om daartoe over te gaan, maar niet gebleken is dat zij de loonopschorting daarbij als drukmiddel heeft gebruikt. Dat geldt ook voor de onderhandelingen over een eventuele vaststellingsovereenkomst. Daarbij komt dat het initiatief daartoe zelfs van [verzoeker] zelf kwam. In zijn e-mail aan Den Hartogh van 19 februari 2025 biedt [verzoeker] immers de optie om ‘op een nette wijze uit elkaar te gaan’. Vervolgens nodigt hij Den Hartogh in zijn e-mail van 20 februari 2025 zelf uit daartoe een voorstel te doen. Ook op dit punt is dan ook geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van Den Hartogh.\n\nDen Hartogh hoeft geen transitievergoeding en billijke vergoeding te betalen\n\n2.24.. Omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Den Hartogh hoeft Den Hartogh geen transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 aanhef en onder b BW) aan [verzoeker] te betalen. Ook is Den Hartogh om diezelfde reden geen billijke vergoeding (artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder b BW) aan [verzoeker] verschuldigd. Die verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen.\n\nDe overige verzoeken van [verzoeker] worden afgewezen\n\n2.25.. \n [verzoeker] heeft tijdens de zitting zijn verzoek ten aanzien van het achterstallige loon ingetrokken, omdat dat loon inmiddels volledig is betaald. Hij verzoekt wel Den Hartogh te veroordelen de wettelijke verhoging over het achterstallige loon te betalen. Dat verzoek wordt echter afgewezen. In zijn verzoekschrift stelt [verzoeker] weliswaar dat Den Hartogh de wettelijke verhoging moet betalen, maar hij specificeert daarin niet over welke loonperioden de wettelijke verhoging moet worden betaald en ook niet hoe hoog dat achterstallige loon in die perioden was. Dat had wel op zijn weg gelegen.\n\n2.26.. \n\nDen Hartogh heeft pas ter zitting gesteld dat de totale wettelijke verhoging\n\n€ 11.098,43 bruto bedraagt. Zij heeft dat bedrag echter op geen enkele wijze gespecificeerd of onderbouwd. Juist omdat Den Hartogh in de voorbereiding van de zitting kennelijk wél in staat bleek een specifiek bedrag aan de verzochte wettelijke verhoging te koppelen, had van haar verwacht mogen worden dat zij ter zitting ook direct een specificatie of berekening van de wettelijke verhoging in het geding zou brengen, zeker nu het achterstallige loon al geruime tijd vóór de zitting volledig is voldaan. [verzoeker] heeft zijn verzoek dan ook onvoldoende onderbouwd, zodat dat wordt afgewezen.\n\n2.27.. Ook voor een veroordeling van Den Hartogh om deugdelijke bruto\u002Fnetto specificaties te verstrekken bestaat geen aanleiding. Voldoende gebleken is dat Den Hartogh tijdens deze procedure de loonstroken over de periode tot en met de maand februari 2026 aan [verzoeker] heeft verstrekt. In dat verband heeft [verzoeker] tijdens de zitting ook verklaard inmiddels inzicht te hebben in het brutoloon over de periode van januari 2025 tot en met heden.\n\n2.28.. Omdat Den Hartogh geen transitievergoeding, billijke vergoeding of wettelijke verhogingen hoeft te betalen, bestaat er ook geen aanleiding Den Hartogh te veroordelen de rente over die bedragen te betalen.\n\n [verzoeker] krijgt de gelegenheid het ontbindingsverzoek in te trekken\n\n2.29.. \n [verzoeker] krijgt de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken, binnen de hierna in 3.1 genoemde termijn, omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder daaraan een door [verzoeker] verzochte vergoeding te verbinden (artikel 7:686a lid 6 en 7 BW).\n\nPartijen dragen ieder de eigen proceskosten\n\n2.30.. In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat partijen de eigen proceskosten dragen en dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.31.. Uitsluitend in het geval [verzoeker] geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om zijn ontbindingsverzoek in te trekken, wordt deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking dan meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\nHet voorwaardelijk tegenverzoek van Den Hartogh\n\n2.32.. Den Hartogh heeft voorwaardelijk, voor het geval het ontbindingsverzoek van [verzoeker] zou worden toegewezen en hij dit verzoek na gelegenheid daartoe zou intrekken, verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. Omdat de kantonrechter het ontbindingsverzoek van [verzoeker] heeft toegewezen en hem de gelegenheid heeft geboden het ontbindingsverzoek in te trekken, heeft Den Hartogh belang bij een beoordeling van haar tegenverzoek voor het geval [verzoeker] zijn verzoek daadwerkelijk intrekt.\n\nDe arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2026\n\n2.33.. Uit hetgeen hiervoor bij r.o. 2.5 en 2.6 is overwogen volgt dat partijen het er over eens zijn dat er sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Ook de kantonrechter kan uit het procesdossier geen andere conclusie trekken dan dat de relatie tussen partijen ernstig en onherstelbaar is verstoord, zodanig dat van Den Hartogh in redelijkheid niet kan worden gevraagd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Dat levert een redelijke grond voor ontbinding op (artikel 7:669 lid 3 onder g BW). Herplaatsing van [verzoeker] ligt niet in de rede.\n\n2.34.. Er geldt in dit geval weliswaar een opzegverbod, maar het is in het belang van [verzoeker] dat de arbeidsovereenkomst toch eindigt (artikel 7:671b lid 6 BW). [verzoeker] stelt immers niet alleen zelf dat het, gelet op zijn gezondheidssituatie, in zijn belang is dat de arbeidsovereenkomst (op korte termijn) eindigt; ook de bedrijfsarts adviseert in zijn meest recente terugkoppeling van 11 maart 2026 dat er gestreefd moet worden naar een ‘veilige en zorgvuldige beëindiging van de actieve arbeidsrelatie’.\n\n2.35.. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 juni 2026 (artikel 7:671b lid 9 BW). Daarbij is rekening gehouden met de opzegtermijn en de duur van deze procedure.\n\nDen Hartogh moet een transitievergoeding betalen\n\n2.36.. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [verzoeker] zo dat hij, ook in het kader van het tegenverzoek, aanspraak maakt op een transitievergoeding. Den Hartogh heeft zich tijdens de zitting ook bereid verklaard in dit geval een transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen. Omdat in het tegenverzoek de arbeidsovereenkomst op verzoek van Den Hartogh wordt ontbonden, aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] , heeft [verzoeker] recht op een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW).\n\n2.37.. \n [verzoeker] heeft onweersproken gesteld dat het bruto maandloon inclusief vakantietoeslag en structurele onregelmatigheidstoeslag in totaal € 5.796,22 bedraagt. Op basis van dat loon en de duur van de arbeidsovereenkomst (van 1 maart 2022 tot 1 juni 2026) is de hoogte van de vergoeding € 8.216,61 bruto. Den Hartogh wordt daarom veroordeeld dat bedrag aan [verzoeker] te betalen. Dat bedrag is hoger dan de door [verzoeker] berekende transitievergoeding, omdat [verzoeker] bij zijn berekening is uitgegaan van een eerdere beëindiging van het dienstverband (namelijk per 28 februari 2026) dan de datum waarop de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter wordt ontbonden. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW).\n\nPartijen dragen ieder de eigen proceskosten\n\n2.38.. In de omstandigheden van het geval ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat partijen de eigen proceskosten dragen en dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.39.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv).\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin het verzoek van [verzoeker]\n\n3.1.. stelt [verzoeker] tot vrijdag 8 mei 2026 om 12:00 uurin de gelegenheid zijn ontbindingsverzoek in te trekken door middel van een aan de griffie gericht schrijven (met afschrift aan de gemachtigde van Den Hartogh);\n\nin het geval [verzoeker] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n3.2.. bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;\n\nen, maar uitsluitend in het geval [verzoeker] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n3.3.. ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 mei 2026;\n\n3.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.5.. wijst al het andere af;\n\nin het voorwaardelijk tegenverzoek van Den Hartogh\n\nuitsluitend in het geval [verzoeker] zijn verzoek tijdig heeft ingetrokken:\n\n3.6.. ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2026;\n\n3.7.. \n\nveroordeelt Den Hartogh om aan [verzoeker] een transitievergoeding van\n\n€ 7.728,29 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.8.. bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen;\n\n3.9.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.\n\n44487\n\n Kamerstukken II, 2013\u002F14, 33818, nr. 3, p. 34","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5196","2026-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.808Z",{"id":116,"ecli":117,"slug":118,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":119,"fullText":120,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":121,"sourceTimestamp":122,"parsedAt":52,"updatedAt":123},"1189","ECLI:NL:RBROT:2026:6466","ecli-nl-rbrot-2026-6466","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11962167 VZ VERZ 25-6831\n\ndatum uitspraak: 16 april 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\ngemachtigde: mr. E. Kafa,\n\ntegen\n\n [verweerster] B.V.,\n\nvestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,\n\nverweerster,\n\ngemachtigde: mr. M. Heere-Helmink.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nhet verzoekschrift van [verzoeker] , met bijlagen;\n\nhet verweerschrift van [verweerster] .\n\n1.2.. Op 26 maart 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Daarbij waren aanwezig [verzoeker] met zijn vrouw en zijn gemachtigde en namens [verweerster] mevrouw [naam 1] met de gemachtigde van [verweerster] .\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [verzoeker] is op 23 januari 2023 in dienst getreden bij [verweerster] op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde duur van ongeveer 4,5 maand (tot en met 8 juni 2023) in de functie van algemeen medewerker. Hij is daar vervolgens blijven werken zonder dat iets werd afgesproken over het voortzetten van de arbeidsovereenkomst, tot 24 januari 2025. Op initiatief van [verweerster] is [verzoeker] op of rond 25 januari 2025 in dienst getreden bij een ander bedrijf, [bedrijf] . [verweerster] was toen in de veronderstelling dat zij [verzoeker] een vast dienstverband moest aanbieden als hij bij haar in dienst bleef. [bedrijf] is een bedrijf waar [verweerster] voor werkt. [verzoeker] heeft tot augustus 2025 bij [bedrijf] gewerkt. In de periode dat [verzoeker] bij [bedrijf] werkte, deed hij dezelfde werkzaamheden als hij bij [verweerster] verrichtte en werkte hij feitelijk bij onder meer [verweerster] , waarbij hij instructies kreeg van onder meer de leidinggevende bij [verweerster] . [verzoeker] kreeg bij [bedrijf] een arbeidsovereenkomst voor de duur van drie maanden, die werd verlengd. Sinds 4 augustus 2025 werkte [verzoeker] weer direct en alleen voor [verweerster] . Op 17 september 2025 kreeg hij bericht van [verweerster] dat zij hem “morgen” niet zou oproepen. Sindsdien heeft hij niet meer voor [verweerster] gewerkt en heeft hij geen loon meer van [verweerster] ontvangen. Hij is feitelijk ook niet meer opgeroepen door [verweerster] om te werken, terwijl hij nog wel heeft gevraagd aan [verweerster] wanneer hij weer zou beginnen met werken.\n\n2.2.. \n [verzoeker] stelt zich op het standpunt dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst tussen partijen feitelijk heeft beëindigd zonder een geldige reden. [verzoeker] legt zich bij het ontslag neer, maar vraagt om een verklaring voor recht dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst onregelmatig en zonder geldige reden heeft beëindigd en om een billijke vergoeding. Ook vraag hij om een transitievergoeding, een gefixeerde schadevergoeding, achterstallig salaris en - zo begrijpt de kantonrechter - een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen.\n\n2.3.. \n [verweerster] vindt dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen. Zij vindt dat zij niks meer aan [verzoeker] verschuldigd is. Zij stelt zich op het standpunt dat er in augustus 2025 geen tweede arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en dat [verzoeker] in september 2025 heeft aangegeven dat hij ergens anders zou gaan werken omdat hij twee andere banen had gevonden.\n\n2.4.. \n [verzoeker] krijgt voor het grootste deel gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\nOpvolgend werkgeverschap en arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd\n\n2.5.. De kantonrechter stelt voorop dat ervan wordt uitgegaan dat, ondanks het feit dat [verzoeker] tijdelijk bij [bedrijf] heeft gewerkt, tussen [verweerster] en [verzoeker] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan en dat de arbeidsovereenkomst tussen deze twee partijen heeft geduurd vanaf 23 januari 2023 (tot 17 september 2025). De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\n2.6.. De kantonrechter acht voldoende gebleken dat er sprake is geweest van opvolgend werkgeverschap tussen [verweerster] en [bedrijf] zoals bedoeld in de wet (artikel 7:668a lid 2 BW). Uiteindelijk is immers als onweersproken vast komen te staan dat bij het overgaan van [verweerster] naar [bedrijf] de werkzaamheden, functie en leiding nagenoeg ongewijzigd bleven. Daarmee moet [bedrijf] redelijkerwijs geacht worden de opvolger van [verweerster] te zijn geweest ten aanzien van de verrichte arbeid (artikel 7:668 lid 2 BW). [verweerster] is vervolgens in augustus 2025 de opvolger geworden van [bedrijf] ten aanzien van de verrichte arbeid, omdat vaststaat dat [verzoeker] sinds 4 augustus 2025 feitelijk alleen en direct voor [verweerster] werkte. Daar komt bij dat tussen de opvolgende arbeidsovereenkomsten geen tussenpozen van langer dan zes maanden hebben gezeten én dat de eerste arbeidsovereenkomst, die op schrift is gesteld, kennelijk steeds stilzwijgend is verlengd, waardoor er in maart 2024 al een vierde arbeidsovereenkomst tussen partijen is ontstaan (artikel 7:668 lid aanhef en onder b BW) . Daarmee wordt ervan uitgegaan dat op grond van de wet in maart 2024 al een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan tussen partijen (artikel 7:668a lid 1 aanhef en onder b in verbinding met artikel 7:668a lid 2 BW). Doordat er vervolgens sprake was van opvolgend werkgeverschap is de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet geëindigd doordat [verzoeker] voor [bedrijf] ging werken.\n\n [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst onregelmatig en zonder geldige reden opgezegd\n\n2.7.. De kantonrechter zal voor recht verklaren dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] onregelmatig en zonder geldige reden heeft beëindigd, zoals [verzoeker] heeft gevorderd. De kantonrechter legt hierna uit waarom er sprake is van een onregelmatige en niet rechtsgeldige opzegging.\n\n2.8.. Ondanks dat de eerste en enige op schrift gestelde arbeidsovereenkomst tussen partijen een oproepovereenkomst is, is vast komen te staan dat [verzoeker] sinds zijn indiensttreding bij [verweerster] steeds feitelijk (gemiddeld) 40 uur per week heeft gewerkt. Daarom wordt uitgegaan van een afgesproken arbeidsomvang van 40 uur per week (artikel 7:610b BW). Dit betekent dat [verzoeker] in principe de verplichting had om 40 uur te werken en dat [verweerster] in principe de verplichting had om [verzoeker] voor 40 uur per week werk aan te bieden en hem uit te betalen voor 40 uur werk per week. Dit brengt mee dat het [verweerster] niet vrij stond om [verzoeker] van de ene op de andere dag niet meer op te roepen. Doordat [verweerster] dit wel heeft gedaan zonder het loon van [verzoeker] aan hem uit te betalen, heeft zij de arbeidsovereenkomst tussen partijen feitelijk per direct beëindigd. Zij heeft zich er niet op beroepen dat zij daar een geldige reden voor had. Die mededeling moet daarom beschouwd worden als een onregelmatige en niet rechtsgeldige opzegging.\n\n2.9.. \n\nVolgens [verweerster] heeft [verzoeker] tegen haar gezegd dat hij ergens anders zou gaan werken en twee andere banen had. Voor zover zij zich hiermee op het standpunt stelt dat [verzoeker] zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, wordt als volgt overwogen.\n\n [verzoeker] heeft op de zitting de naar het oordeel van de kantonrechter plausibele uitleg gegeven dat hij in een discussie tussen partijen heeft gezegd dat er genoeg ander werk zou zijn, maar daarbij niet heeft gezegd dat hij werkelijk een andere baan had gevonden. Wat daar ook van zij, ook als [verzoeker] heeft gezegd dat hij ergens anders zou gaan werken en twee andere banen had, zijn geen bijkomende concrete feiten en\u002Fof omstandigheden gesteld of gebleken, waaruit [verweerster] mocht concluderen dat hij zijn arbeidsovereenkomst met [verweerster] daadwerkelijk opzegde.\n\nOok zou een dergelijke mededeling op zich haar niet het recht geven om de arbeidsovereenkomst tussen partijen per direct op te zeggen.\n\n [verzoeker] heeft recht op een billijke vergoeding\n\n2.10.. \n [verzoeker] heeft recht op een billijke vergoeding (artikel 7:681 lid 1 onder a BW en artikel 7:671 BW). [verzoeker] is namelijk niet akkoord gegaan met de opzegging en de opzegging was niet rechtsgeldig.\n\n [verweerster] moet een billijke vergoeding betalen van € 3.000,00 bruto\n\n2.11.. De Hoge Raad heeft uitgangspunten gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De kantonrechter vindt in dit geval een billijke vergoeding van € 3.000,00 bruto redelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\n2.12.. \n [verzoeker] moet in ieder geval gecompenseerd geworden voor het feit dat hij door het handelen van [verweerster] tijdelijk geen loon had. Op de zitting is gebleken dat hij sinds januari 2026 een nieuwe baan heeft en loon ontvangt en dat hij na het ontslag een WW-uitkering ontving. Hij heeft dus een periode van ongeveer 3,5 maand zonder loon gezeten, terwijl hij in die periode wel een uitkering ontving. De kantonrechter gaat ervan uit dat [verzoeker] aan WW-uitkering de eerste twee maanden 75% van het gemiddelde laatstverdiende loon kreeg en daarna 70%.\n\n2.13.. \n\nDe kantonrechter gaat op basis van de laatste loonstroken waar een uurloon van\n\n€ 14,75 bruto op staat en de vastgestelde arbeidsomvang van 40 uur per week ervan uit dat [verzoeker] bij [verweerster] een maandloon had van € 2.556,67 bruto, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.\n\n2.14.. Eén en ander betekent dat [verzoeker] een bedrag van ongeveer € 2.650,00 bruto aan loon is misgelopen als gevolg van het ontslag\n\n2.15.. De kantonrechter houdt er verder rekening mee dat de manier waarop [verweerster] met [verzoeker] is omgegaan, verre van de schoonheidsprijs verdient en zelfs geheel onbegrijpelijk is. Er is uiteindelijk geen enkele enigszins te begrijpen verklaring gekomen voor het ontslag.\n\n [verweerster] moet een transitievergoeding betalen\n\n2.16.. \n\n [verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] (artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW).\n\nOp basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de vergoeding € 2.556,32 bruto. Dit bedrag moet [verweerster] betalen.\n\n [verweerster] moet een gefixeerde schadevergoeding betalen\n\n2.17.. \n [verweerster] moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging aan [verzoeker] betalen. [verweerster] heeft namelijk de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd zonder rekening te houden met een opzegtermijn (artikel 7:672 lid 11 BW). Die vergoeding is – kort gezegd – gelijk aan het loon dat [verzoeker] zou hebben gekregen als de werkgever bij de opzegging wel rekening zou hebben gehouden met de opzegtermijn. [verzoeker] was korter dan vijf jaar in dienst. Daarom geldt een opzegtermijn van één maand. De arbeidsovereenkomst had dus niet eerder dan per 1 november 2025 kunnen worden beëindigd en [verzoeker] heeft daarom recht heeft op een vergoeding van € 3.941,33 bruto. Dat is het loon over 1 maand en 13 dagen inclusief vakantietoeslag. Dit bedrag moet [verweerster] betalen. De kantonrechter gaat er hierbij vanuit dat [verzoeker] , ondanks dat de opzegging op 17 september 2025 heeft plaatsgevonden, voor zijn werk op die dag wel nog salaris heeft gekregen, omdat de opzegging ’s avonds pas heeft plaatsgevonden en daarbij specifiek is bericht dat [verzoeker] de volgende dag niet zou worden opgeroepen.\n\n [verweerster] hoeft geen loon te betalen vanaf 17 september 2025\n\n2.18.. \n [verzoeker] vordert ook loon vanaf 17 september 2025. Daar heeft hij geen recht op, omdat hij zich neergelegd heeft bij het ontslag. De opzegging was weliswaar niet rechtsgeldig, maar de arbeidsovereenkomst is wel geëindigd als gevolg van de opzegging, nu [verzoeker] niet om vernietiging van de opzegging heeft verzocht.\n\n [verweerster] moet achterstallig loon betalen over de vakantieperiode medio 2024\n\n2.19.. Vast is komen te staan staat dat [verzoeker] in de periode vanaf 26 juni tot en met 20 juli 2024 niet heeft gewerkt in verband met vakantie en over die periode geen loon heeft ontvangen. [verzoeker] had op grond van de wet recht op de opbouw van vakantiedagen (artikel 7:634 BW). In de wet is bovendien bepaald dat een werknemer tijdens zijn vakantie zijn recht op loon behoudt (artikel 7:639 BW). Gelet hierop wordt er, ondanks de bepaling in de arbeidsovereenkomst dat [verzoeker] geen recht heeft op vakantiedagen, van uitgegaan dat hij vakantiedagen heeft opgebouwd en in voornoemde periode vakantieverlof heeft kunnen opnemen. Nu [verweerster] niets heeft aangevoerd over het saldo van aan [verzoeker] toekomende vakantiedagen, heeft [verzoeker] alsnog recht op loon over de door hem gestelde vakantieperiode. Op basis van het destijds geldende uurloon van € 13,27 bruto bedroeg dat loon over 25 vakantiedagen inclusief vakantietoeslag € 2.041,76 bruto. Dit bedrag moet [verweerster] aan [verzoeker] betalen.\n\nWettelijke verhoging en wettelijke rente\n\n2.20.. Omdat [verweerster] het loon over de vakantieperiode niet (op tijd) heeft betaald moet zij daarover ook de wettelijke verhoging zoals bedoeld in de wet betalen (artikel 7:625 BW). De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen, zodat 50% aan wettelijke verhoging wordt toegewezen.\n\n2.21.. Ook de gevorderde wettelijke rente over het achterstallige loon wordt toegewezen.\n\nDe vordering tot betaling van openstaande vakantiedagen en overige emolumenten wordt afgewezen\n\n2.22.. \n [verzoeker] heeft ook gevorderd [verweerster] te veroordelen “tot betaling van de openstaande vakantiedagen en overige emolumenten”. Deze vordering wordt als onvoldoende concreet en onvoldoende onderbouwd afgewezen.\n\n [verweerster] moet de proceskosten betalen\n\n2.23.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [verzoeker] moet betalen op € 90,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dit is totaal € 1.099,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen.\n\nDeze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.24.. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [verzoeker] dat heeft gevraagd en [verweerster] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding van € 3.000,00 bruto te betalen;\n\n3.2.. veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] de transitievergoeding van € 2.556,32 bruto te betalen;\n\n3.3.. \n\nveroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding van\n\n€ 3.941,33 bruto te betalen;\n\n3.4.. veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] het achterstallig loon over de periode vanaf 26 juni t\u002Fm 20 juli 2024 van € 2.041,76 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% zoals bedoeld in artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 2.041,76 vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dat volledig is betaald;\n\n3.5.. veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoeker] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.099,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst al het andere af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.\n\n757\n\nHoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6466","2026-06-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:08.924Z",{"id":125,"ecli":126,"slug":127,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":128,"fullText":129,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":130,"sourceTimestamp":131,"parsedAt":52,"updatedAt":132},"1301","ECLI:NL:RBROT:2026:2818","ecli-nl-rbrot-2026-2818","2026-03-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12090912 VV EXPL 26-73\n\ndatum uitspraak: 16 maart 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nin haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van wijlen de heer [erflater] ,\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. A. Kouwenaar-de Coninck,\n\ntegen\n\n [naam] Bakkerijen B.V.,\n\nvestigingsplaats: Numansdorp,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. D.M.A. Oud.\n\nPartijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘[naam] Bakkerijen’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 16 februari 2025;\n\nde door [naam] Bakkerijen overgelegde bijlagen;\n\nde pleitaantekeningen van partijen.\n\n1.2.. Op 2 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen en hun gemachtigden besproken.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?2.1.. \n [eiseres] eist in deze procedure dat [naam] Bakkerijen loonspecificaties en bewijzen van afgedragen pensioenpremies verstrekt, op straffe van een dwangsom. Dit vloeit voort uit eerdere rechtszaken tussen partijen. De vorderingen worden afgewezen, met compensatie van proceskosten. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\nLoonspecificaties2.2.. \n [naam] Bakkerijen was op basis van twee uitspraken uit juli 2025 verplicht om deugdelijke specificaties te geven van de nabetalingen die zij aan [eiseres] heeft gedaan. Kort voor de zitting heeft [naam] Bakkerijen een gedetailleerd overzicht verstrekt. Hoewel [eiseres] heeft toegelicht waarom zij bezwaren heeft tegen de vorm waarin dat is gebeurd,\n\nneemt zij genoegen me het overzicht. Dit betekent dat [naam] Bakkerijen op dit punt aan haar verplichtingen heeft voldaan. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.\n\nPensioenpremies2.3.. \n [eiseres] eiste aanvankelijk ook bewijs dat [naam] Bakkerijen over de periode 2013-2017 pensioenpremies heeft afgedragen. Op de zitting heeft [naam] Bakkerijen uitgelegd waarom dit feitelijk niet meer mogelijk is. Daarop heeft [eiseres] haar eis ingetrokken. Hierop hoeft dus niet meer te worden ingegaan. Dit deel van de vordering wordt ook afgewezen.\n\nProceskosten2.4.. Partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. In die uitkomst wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. wijst de vordering af;\n\n3.2.. bepaalt dat partijen de eigen proceskosten dragen.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.\n\n53954","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:2818","2026-03-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:14.782Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":137,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":52,"updatedAt":140},"1315","ECLI:NL:RBROT:2025:9452","ecli-nl-rbrot-2025-9452","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F9558uitspraak van de meervoudige kamer van 7 augustus 2025 in de zaak tussen\n\n [eiseres], uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R. van den Berg Jeths),\n\nen\n\nde minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister\n\n(gemachtigde: mr. M.B. Gschwind).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de subsidieaanvraag van eiseres. Eiseres heeft een subsidie van € 1.286.250,- aangevraagd op basis van de Tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU). De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat op vier punten niet aan de vereisten uit de MDIEU is voldaan. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Eiseres betoogt met haar beroepsgronden dat wel aan de vereisten is voldaan en doet daarbij ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden heeft vastgesteld dat de aanvraag van eiseres niet aan de vereisten van de MDIEU voldoet. De aanvraag is daarom terecht afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3: het toetsingskader staat onder 3; de beoordeling van het bestreden besluit ten aanzien van de vereisten van de MDIEU volgt onder 4; de beoordeling van het beroep op het gelijkheidsbeginsel volgt onder 5. Aan het eind (onder 6) staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een activiteitenplan met de projectnaam ‘Leven Lang Ontwikkelen op de arbeidsmarkt ICT’ (het activiteitenplan). Het gaat om een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder c, van de MDIEU. In de omschrijving van het activiteitenplan staat onder meer dat het project tot doel heeft “het bevorderen van voortdurende persoonlijke en professionele ontwikkeling en de arbeidsmobiliteit van werkenden in ICT-beroepen. Hiermee willen we zorgen dat zij duurzaam inzetbaar blijven binnen de arbeidsmarkt.” Volgens de aanvraag kunnen “alle arbeidsorganisaties in Nederland […] deelnemen aan de activiteiten uit dit activiteitenplan.” Dat betreft volgens de aanvraag 200.000 arbeidsorganisaties, 707.000 werknemers en 82.800 uitzendkrachten en zzp’ers. De subsidie wordt gevraagd voor het geven van kortdurende trainingen of workshops voor groepen. Het gaat om workshops ‘Artificial Intelligence’, ‘(Cyber)security en informatieveiligheid’ en ‘Data Science’ (de workshops). Eiser wil met de gevraagde subsidie ca. 3.000 mensen zo’n training of workshop geven. De aangevraagde subsidie bedraagt€ 1.286.250,-.\n\n2.1.. De aanvraag voor het activiteitenplan is het vervolg op een op basis van de MDIEU verleende en vastgestelde subsidie aan eiseres voor de uitvoering van een sectoranalysemet projectnaam ‘Sectoranalyse Arbeidsmarkt ICT’. De doelgroep daarvan was ‘medewerkers traditionele ICT-sector(en), ICT afdelingen ICT-ers algemeen.’ Verder staat er in die aanvraag ‘NLdigital is belangenbehartiger voor de digitale sector, leden uit de hele economie. Indeling SBI-codes past niet, vandaar allen.’\n\n2.2.. De minister heeft de subsidieaanvraag voor het activiteitenplan met het primaire besluit van 22 januari 2024 afgewezen. Daartegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.\n\n2.3.. Met het bestreden besluit van 19 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op vier punten niet is voldaan aan de vereisten uit de MDIEU. In de eerste plaats is geen sprake van een sectorale aanvraag,omdat de aanvraag ziet op activiteiten die door alle sectoren heen gaan en deze ook niet is aan te merken als een aanvraag van meerdere sectoren of een cluster van sectoren. In feite ziet de aanvraag op (nagenoeg) alle werkenden. In de tweede plaats sluit de aanvraag niet voldoende aan bij de eerder gesubsidieerde sectoranalyse van eiseres, omdat de doelgroep in de aanvraag voor het activiteitenplan verder is uitgebreid. In de derde plaats is geen sprake van maatwerkafsprakenvanwege de abstracte en grote doelgroep, zodat geen sprake is van duidelijke, concrete, afgebakende afspraken om – toegespitst op een sector – oplossingen te bieden voor duurzame inzetbaarheidsproblematiek. In de vierde plaats zien de workshops die eiseres wil aanbieden niet op het duurzaam inzetbaar houden van werkendenvanwege de niet-afgebakende doelgroep en de opzet van het project.\n\n2.4.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.5.. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen [persoon A] en [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Namens de minister zijn verschenen [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. De rechtbank toetst of de minister in het bestreden besluit op goede gronden heeft beslist dat de aanvraag van eiseres voor het activiteitenplan niet voldoet aan de vereisten van de MDIEU en de minister de aanvraag terecht heeft geweigerd.\n\n3.1.. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nVoldoet de aanvraag aan de vereisten van de MDIEU?\n\n4. Eiseres voert in beroep aan dat haar aanvraag goed aansluit bij de doelstelling van de MDIEU, het geven van een forse impuls aan duurzaam inzetbaarheidsbeleid van werkenden. Eiseres wijst er op dat sinds haar oprichting bijna 30 jaar geleden inmiddels in alle sectoren en alle soorten bedrijven mensen werken die digitale vaardigheden nodig hebben. Eiseres beoogt een cultuuromslag van ontwikkelingen op het gebied van ICT: zij wil bewustzijn van duurzame inzetbaarheid bij werkgevers en werknemers vanzelfsprekend maken. Dat bewustzijn loopt achter op het vlak van de steeds verdergaande digitalisering; er is met andere woorden sprake van een blinde vlek. Gevolg hiervan is dat werknemers niet duurzaam inzetbaar zijn. Het activiteitenplan is bedoeld voor deze bewustwording. Het doel is bij- en opscholing via de workshops zodat werkenden in ICT-beroepen duurzaam inzetbaar blijven. De workshops gaan bijvoorbeeld om cyber- en informatiebeveiliging, IoT, machine learning\u002Fdeep learning. De aanvraag voor het project sluit aan bij de doelstelling van de MDIEU in artikel 3, tweede lid, onder c, en artikel 13, aanhef en onder e. De minister heeft daarbij miskend dat eiseres in de eerder gesubsidieerde sectoranalyse uitgebreid heeft gemotiveerd wat de problematiek is van het uitblijven van investeringen in werknemers voor noodzakelijke anticipatie op veranderingen in de ICT. Kort gezegd gaat het er om dat scholing zoals de workshops nu niet wordt aangeboden door werkgevers omdat zij zich onvoldoende bewust zijn van de ICT-ontwikkelingen, met als gevolg dat hun werknemers niet duurzaam inzetbaar zijn. Dat geen sprake zou zijn van maatwerkafspraken is arbitrair vanwege het ontbreken van een definitie van ‘maatwerkafspraken’ in de MDIEU. De MDIEU maakt geen koppeling tussen de sectorale aanpak \u002F de sector en maatwerkafspraken. Het maatwerk van de workshops, die het resultaat zijn van de gesubsidieerde sectoranalyse van eiseres, is juist in lijn met de MDIEU. Verder volgt nergens uit de MDIEU dat deze regeling niet de mogelijkheid biedt om een subsidieaanvraag in te dienen die sectoroverstijgend is. Eiseres wijst op de aangepaste definitie van ‘sector’en op de toelichting van de wetgever waarin is vermeld dat een sector in meerdere SBI-codes kan vallen. De sectoren waar het activiteitenplan op ziet, heeft eiseres in de aanvraag aangegeven. Het is niet consistent dat in de subsidiëring van de sectoranalyse de aspecten ‘maatwerkafspraken’ en ‘sectorale aanpak’ geen struikelblok waren.\n\n4.1.. De subsidieaanvraag van eiseres komt (alleen) in aanmerking voor het verlenen van de subsidie als de minister van oordeel is dat wordt voldaan aan de vereisten uit de MDIEU.De rechtbank beoordeelt hieronder of de minister redelijkerwijs kon vaststellen dat de aanvraag niet aan de vereisten van de MDIEU voldoet.\n\nDoelstelling MDIEU: sectorale aanpak en maatwerkafspraken\n\n4.2.. Het eerste lid van artikel 3 van de MDIEU bepaalt dat het doel van de regeling is het door middel van het verlenen van subsidie faciliteren van maatwerkafspraken betreffende duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden binnen sectoren en arbeidsorganisaties. Uit de tekst en de toelichting op artikel 3 van de MDIEU blijkt dat deze regeling is opgezet om een sectorale aanpak te bieden voor uitdagingen van duurzame inzetbaarheid van werknemers. De MDIEU is een uitvloeisel van het pensioenakkoord uit 2019 tussen het kabinet en sociale partners. In de toelichting op de MDIEU staat onder meer: “Deze subsidieregeling omvat het faciliteren van sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Sociale partners in sectoren kunnen in een samenwerkingsverband subsidieaanvragen indienen met als doel: het duurzaam inzetbaar houden van werkenden en het faciliteren van langer doorwerken, […]”.En verderop: “Sociale partners worden uitgenodigd om hun beleid rond duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden te organiseren op het niveau waarvan zij menen de knelpunten het beste te kunnen oplossen. De insteek is dat aanvragen worden ingediend door logische, sectorbrede samenwerkingsverbanden met een zekere schaalgrootte.”\n\n4.3.. Een sector is volgens de definitie van de MDIEUeen sector zoals omschreven in de subsidieaanvraag, die past binnen een of meerdere hoofdcategorieën van de sectorindeling zoals opgenomen in de bijlage bij de MDIEU. Daarin zijn sectoren opgenomen zoals “bouwnijverheid” en “onderwijs”. De minister heeft op goede gronden toegelicht dat een aanvraag die alle sectoren doorkruist, en daar als het ware overkoepelend overheen komt te liggen, niet voldoet aan artikel 3, eerste lid, van de MDIEU. Dat het technisch mogelijk is om bij de aanvraag alle sectoren aan te vinken, is daarvoor niet relevant.\n\n4.4.. Eiseres heeft toegelicht dat de uitdaging voor duurzame inzetbaarheid van werkenden in verband met ICT-ontwikkelingen in feite sectoroverstijgend is; dat een sectorale benadering daar niet passend voor is. Wat daar ook van zij, dat neemt niet weg dat de minister gehouden is de voorliggende aanvraag van eiseres te toetsen aan de vereisten van de MDIEU. Of de minister in de MDIEU een andere (beleids)matige keuze had kunnen maken, waarbinnen een sectoroverstijgende aanpak van de uitdagingen rondom ICT-ontwikkelingen wel binnen de vereisten en doelstelling van de regeling zou hebben gepast, staat niet ter beoordeling van de rechtbank.\n\n4.5.. De rechtbank volgt de minister in het verlengde daarvan ook in zijn standpunt dat de workshops die eiseres binnen het project wil geven niet kunnen worden gezien als maatwerkafspraken. Juist in het licht dat eiseres de uitdagingen rondom ICT-ontwikkelingen voor werkenden en werkgevers ziet als sectoroverstijgend probleem, zijn de aangeboden workshops geen vorm van maatwerkafspraken binnen sectoren. Het een hangt met het ander samen. Dat de term ‘maatwerkafspraken’ in de MDIEU niet is gedefinieerd, is niet doorslaggevend. De minister heeft in het bestreden besluit toegelicht dat hij met deze term doelt op ‘duidelijke, concrete, afgebakende afspraken toegespitst op de sector’. Gelet op de tekst en toelichting van de MDIEU is de minister met deze invulling van het begrip ‘maatwerkvoorschriften’ zijn beoordelingsruimte niet te buiten gegaan.\n\n4.6.. \n\nVoor zover eiseres betoogt dat de minister deze vereisten niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen omdat hij dat ook niet heeft gedaan bij de subsidiëring van de eerdere sectoranalyse, slaagt dat betoog niet. De minister heeft op goede gronden toegelicht dat eiseres in de aanvraag voor de sectoranalyse een andere, meer begrensde doelgroep heeft gedefinieerd dan in de aanvraag die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Daar ging het immers om “medewerkers traditionele ICT-sector(en), ICT afdelingen ICT-ers algemeen.” En in deze aanvraag om ‘werkenden in ICT-beroepen in uiteenlopende sectoren en functies’. Het standpunt van eiseres op zitting dat in wezen geen andere doelgroep is bedoeld, sluit niet aan bij de bewoordingen van de beide aanvragen. Daarbij benoemt de minister in het bestreden besluit terecht dat eiseres in de correspondentie over de subsidiëring van de sectoranalyse is gewezen op het risico van de gekozen brede doelgroep bij het aanvragen van subsidie voor activiteitenplannen.\n\nTussenconclusie\n\n4.7.. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de aanvraag van eiseres niet voldoet aan het doelstelling van artikel 3, eerste lid, van de MDIEU, volgt uit artikel 18, aanhef en onder a, van de MDIEU dat de minister terecht de subsidieaanvraag heeft geweigerd.\n\n4.8.. De gronden van eiseres over het vereiste van het stimuleren van duurzame inzetbaarheid van werkendenmet de workshops, en het vereiste van het aansluiten bij de eerder gesubsidieerde sectoranalysebehoeven daarom geen bespreking.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n5. Eiseres voert in beroep verder aan dat het in strijd met het gelijkheidsbeginsel is dat een ander project dat ziet op activiteiten voor alle werknemers in Nederland met uitzendwerk, en dus ook in vrijwel alle sectoren, wel is gesubsidieerd op basis van de MDIEU. Die aanvraag is niet afgewezen terwijl dat ook een sectoroverstijgende aanvraag is en veel mensen betreft.\n\n5.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat sprake is van gelijke gevallen.De minister heeft op goede gronden toegelicht dat geen sprake is van gelijke gevallen ten aanzien van de gesubsidieerde aanvraag voor de uitzendsector. Hoewel de uitzendsector niet in de sectorindeling van bijlage 1 van de MDIEU genoemd staat, wordt dit wel als sector gezien vanwege de organisatie via sociale partners binnen deze sector en de eigen cao voor de uitzendsector.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres niet alsnog de aangevraagde subsidie krijgt toegekend. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en\n\nmr. S.E.C. Debets, leden, in aanwezigheid van N. Bilogrević, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025.\n\nDe griffier is niet in staat\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nTijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU)\n\nIn artikel 1 worden begripsbepalingen gegeven van de begrippen ‘duurzame inzetbaarheid’: het gemotiveerd, gezond en productief houden van in Nederland werkzame werkenden om hen in staat te stellen tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, binnen of buiten een arbeidsorganisatie betaalde arbeid te verrichten.\n\nEn ‘sector’: een sector zoals omschreven in de subsidieaanvraag, die past binnen een of meerdere hoofdcategorieën van de sectorindeling zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling.\n\nArtikel 3, eerste lid, bepaalt dat het doel van de regeling (MDIEU) is: het door middel van het verlenen van subsidie faciliteren van maatwerkafspraken betreffende duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden binnen sectoren en arbeidsorganisaties.\n\nHet tweede lid bepaalt dat een subsidiabele activiteit betrekking heeft op een of meer van de onderstaande thema’s:\n\n[…]\n\nc. het stimuleren van een leven lang ontwikkelen en arbeidsmobiliteit van werkenden;\n\n[…]\n\nArtikel 13 bepaalt dat onder subsidiabele activiteiten met betrekking tot de thema’s, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder c, een of meer van de volgende activiteiten inhouden:\n\n[…]\n\ne. een kortdurende training van of workshops voor groepen;\n\n[…]\n\nArtikel 18 bepaalt dat de aanvraag tot verlening van subsidie voor het uitvoeren van een activiteitenplan in ieder geval geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd indien naar het oordeel van de minister:\n\na. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij deze regeling gestelde eisen;\n\n[…]\n\nc. de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet voldoende aansluiten bij de sectoranalyse of bedrijfsanalyse;\n\n[…]\n\nBijlage behorend bij artikel 1 van de MDIEU\n\nSectorindeling\n\nDe Standaard Bedrijfsindeling 2008 (SBI) is een hiërarchische indeling van economische activiteiten die het CBS onder meer gebruikt om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit.\n\nIndeling naar sector:\n\nLandbouw, bosbouw en visserij\n\nWinning van delfstoffen\n\nIndustrie\n\nProductie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht\n\nWinning en distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering\n\nBouwnijverheid\n\nGroot- en detailhandel; reparatie van auto’s\n\nVervoer en opslag\n\nLogies-, maaltijd- en drankverstrekking\n\n Informatie en communicatie\n\n Financiële instellingen\n\n Verhuur van en handel in onroerend goed\n\n Advisering, onderzoek en overige specialistische zakelijke dienstverlening\n\n Verhuur van roerende goederen en overige zakelijke dienstverlening\n\n Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen\n\n Onderwijs\n\n Gezondheids- en welzijnszorg\n\n Cultuur, sport en recreatie\n\n Overige dienstverlening\n\n Huishoudens als werkgever, niet-gedifferentieerde productie van goederen en diensten door huishoudens voor eigen gebruik\n\n Extraterritoriale organisaties en lichamen\n\n Zie artikel 12, derde en vierde lid, van de MDIEU.\n\n Zie hoofdstuk 2 van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel 18, aanhef en onder a, van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 18, aanhef en onder c, van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel 18, aanhef en onder a, van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en artikel 18, aanhef en onder a, van de MDIEU.\n\n Staatscourant 21 januari 2021, nr. 2522, p. 18.\n\n Staatscourant 21 januari 2021, nr. 2522, p. 21.\n\n Zie artikel 18 van de MDIEU.\n\n Staatscourant 21 januari 2021, nr. 2522, p. 12.\n\n Staatscourant 21 januari 2021, nr. 2522, p. 13.\n\n Artikel 1, eerste lid, van de MDIEU.\n\n Als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder c, van de MDIEU: het stimuleren van een leven lang ontwikkelen en arbeidsmobiliteit van werkenden.\n\n Artikel 18, aanhef en onder c, van de MDIEU.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1336.\n\n Bron: https:\u002F\u002Fwww.cbs.nl\u002Fnl-nl\u002Fonze-diensten\u002Fmethoden\u002Fclassificaties\u002Factiviteiten\u002Fsbi-2008-standaard-bedrijfsindeling-2008.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:9452","2025-08-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.548Z",20]