[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-landlord-tenant-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":51,"total":16,"page":25,"limit":111},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},88,"landlord-tenant-nl","Landlord and Tenant","NL","2026-07-08T16:55:44.370Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2025-11-26T00:00:00.000Z","2026-06-23T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39,42,45,48],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122583","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 246 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122644","Burgerlijk Wetboek","art. 6:104",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122645","art. 7:269",{"provisionId":34,"code":28,"article":35,"count":25},"122646","art. 7:269 lid 2",{"provisionId":37,"code":28,"article":38,"count":25},"122760","art. 7:290",{"provisionId":40,"code":28,"article":41,"count":25},"122761","art. 7:290 lid 1",{"provisionId":43,"code":28,"article":44,"count":25},"122762","art. 7:296",{"provisionId":46,"code":28,"article":47,"count":25},"122763","art. 7:296 lid 3",{"provisionId":49,"code":28,"article":50,"count":25},"122989","art. 7:206 lid 1",[52,63,71,79,88,95,103],{"id":53,"ecli":54,"slug":55,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":57,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":61,"updatedAt":62},"897","ECLI:NL:RBROT:2026:7465","ecli-nl-rbrot-2026-7465","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\ndatum uitspraak: 23 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\nvan\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\ngevestigd in [plaats] ,\n\nverzoekster,\n\nvoormalig gemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en D.H.P. Groen,\n\nhuidige gemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en K.H.M Brackel,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGemeente Rotterdam,\n\nzetelend in Rotterdam ,\n\nverweerder,\n\ngemachtigde: mr. N.C. van Eck,\n\nen in de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\nvan\n\n [bedrijf 1] B.V.,\n\ngevestigd in [plaats] ,\n\nverzoekster,\n\ngemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en K.H.M Brackel,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGemeente Rotterdam,\n\nzetelend in Rotterdam ,\n\nverweerder,\n\ngemachtigde: mr. N.C. van Eck.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerder] ’ genoemd.\n\n1. De procedures1.1.. Het verloop van de procedures blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen (ontvangen op 28 februari 2025), geregistreerd onder zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262;\n\nhet verweerschrift met bijlagen in reactie op dat verzoekschrift;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Brackel met bijlage voor de zitting van 9 juli 2025;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Van Eck met bijlage voor de zitting van 9 juli 2025;\n\nhet verzoekschrift met bijlagen (ontvangen op 28 november 2025), geregistreerd onder zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082;\n\nhet verweerschrift met bijlagen (ontvangen op 28 november 2025) in reactie op dat verzoekschrift;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Brackel voor de zitting van 18 mei 2026;\n\nde spreekaantekeningen van mr. Van Eck voor de zitting van 18 mei 2026.\n\n1.2.. Op 9 juli 2025 is de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262 tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\nvan [verzoekster] [persoon A] ( [functie 1] ) en [persoon B] ( [functie 2] ) met mrs. Bäcker en Brackel;\n\nvan [verweerder] [persoon C] ( [functie 3] ) en [persoon D] ( [functie 4] ) met mr. Van Eck en verder van vastgoedbeheerder [naam vastgoedbeheerder] [persoon E] ( [functie 5] ).\n\n1.3.. De zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262 is vervolgens op verzoek van de partijen aangehouden voor onderling overleg.\n\n1.4.. Op 18 mei 2026 zijn beide zaken tegelijk op een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:\n\nvan [verzoekster] [persoon A] ( [functie 1] ) en [persoon B] ( [functie 2] ) met mrs. Bäcker en Brackel;\n\nvan [verweerder] [persoon C] ( [functie 3] ) en [persoon D] ( [functie 4] ) met mr. Van Eck.\n\n1.5.. Gelet op het hiervoor geschetste verloop van de procedures, beschouwt de kantonrechter de processtukken in zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082 mede als een aanvulling op de processtukken in zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaan de zaken over?\n\n2.1.. Tussen (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] en [verweerder] is een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de bedrijfsruimte aan [adres] in [plaats] ( [naam bedrijfsruimte] ), een en ander zoals omschreven in die overeenkomst. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 januari 2013. [verweerder] heeft in een brief van 20 december 2023 de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2024 en aan [verzoekster] de ontruiming aangezegd per die datum. [verweerder] stelt zich in dat verband op het standpunt dat de huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW. [verzoekster] is het daar niet mee eens en stemt niet in met de opzegging, maar stelt wel voorwaardelijk een verzoek in om haar rechten met betrekking tot ontruimingsbescherming veilig te stellen.\n\n2.2.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter primair haar niet-ontvankelijk te verklaren omdat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW en een verklaring voor recht te geven dat de huurovereenkomst wordt beheerst door de artikelen 7:290 t\u002Fm 7:300 BW. Subsidiair en voorwaardelijk, namelijk voor het geval de kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:230a BW, verzoekt [verzoekster] om de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaatsvinden te verlengen. [verzoekster] meent namelijk dat haar belangen ernstiger worden geschaad door de ontruiming dan die van [verweerder] bij voortzetting van het gebruik door [verzoekster] . [verweerder] is het niet eens met de verzoeken en wil dat die worden afgewezen. [verweerder] vindt dat sprake is van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW en dat haar belangen bij ontruiming zwaarder wegen dan die van [verzoekster] bij voortgezet gebruik.\n\nWat is de kern?\n\n2.3.. \n [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, omdat de huurovereenkomst onder het huurregime van artikel 7:230a BW valt en de huurovereenkomst is geëindigd. De beoordeling van het eerste verlengingsverzoek is niet meer relevant gelet op de verstreken tijd. Het tweede verlengingsverzoek wordt wel inhoudelijk beoordeeld en toegewezen: de ontruimingstermijn wordt verlengd tot en met 31 december 2026. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\nDe huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW\n\n2.4.. De huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW. Daartoe wordt als volgt overwogen.\n\n2.5.. Om het primaire verzoek te beoordelen moet worden vastgesteld of het gehuurde valt onder het huurregime van artikel 7:230a BW of onder het huurregime van artikel 7:290 BW. Een huurovereenkomst valt onder het huurregime van artikel 7:290 BW als sprake is van huur en verhuur van bedrijfsruimte (artikel 7:290 lid 1 BW). Onder bedrijfsruimte wordt verstaan een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is (artikel 7:290 lid 2 onder a BW). Bij de beantwoording van de vraag voor welk doel of met welke bestemming de ruimte is verhuurd, is beslissend wat partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, omtrent het gebruik daarvan voor ogen heeft gestaan.\n\n2.5.1.. De partijen betrekken de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de huurovereenkomst bij de kwalificatie. Die voorgeschiedenis is – kort samengevat – dat sinds 1997 (een vennootschap van) [bedrijf 2] (via rechtsvoorgangers) van [verweerder] circa 5.238 m2 ruimte aan de [adres] huurde. Over de contractuele bestemming van de oude huurovereenkomst zijn de partijen het niet helemaal eens, omdat zij uitgaan van twee verschillende versies van de oude huurovereenkomst. Volgens [verzoekster] is de contractuele bestemming “terminal, lounge, feestzaal annex cafe-restaurant”. [verweerder] wijst op een andere versie en stelt dat de bestemming verschillend is voor twee gedeeltes van de gehuurde ruimte: gedeelte A van in totaal 925 m2 is bestemd als café-restaurant en keuken met kantoorruimte, opslagruimte en toiletten en gedeelte B van in totaal 4.338 m2 heeft de bestemming entreehal met balie, terminal lounge\u002Ffeestzaal, kofferopstelruimte\u002Ffeestzaal en toiletten. De kantonrechter acht dit verschil evenwel niet relevant, omdat uit beide versies kan worden afgeleid dat slechts een deel van de ruimte is bestemd als café-restaurant. Wel relevant is dat de oude huurovereenkomst met ingang van 2013 is ‘gesplitst’ in twee huurovereenkomsten in die zin dat 578 m2 van de bovenverdieping wordt verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [bedrijf 3] B.V. (hierna: [bedrijf 3] ) en de benedenverdieping en een deel van de bovenverdieping (in totaal 4.174 m2) wordt verhuurd aan (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] . Rondom de splitsing zijn wijzigingen aangebracht, waardoor de bovenverdieping – het deel dat nu door [bedrijf 3] wordt gehuurd – via een trap aan de buitenzijde een aparte ingang heeft gekregen. Die wijziging is ook vastgelegd in de nieuwe huurovereenkomst met [bedrijf 3] . Die huurovereenkomst is vormgegeven naar het model voor 290-bedrijfsruimte en daarin is als bestemming opgenomen: horecavoorziening met keuken, opslag en kantoorruimten.\n\n2.5.2.. Bovenaan de huurovereenkomst met [verzoekster] staat “huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW” en de hierbij horende algemene bepalingen zijn van toepassing verklaard. Het gehuurde heeft als contractuele bestemming: evenementenlocatie. Vóór de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst en ook nu wordt het (onderhavige) gehuurde (deel) ook als zodanig gebruikt door [verzoekster] . Daar is geen discussie over. De bedrijfsruimte is een lege hal en wordt alleen daadwerkelijk gebruikt als er een evenement is. Sommige van deze evenementen zijn periodiek terugkerende evenementen en worden niet alleen in het gehuurde georganiseerd, maar ook op locaties elders in Nederland. Van reguliere openingstijden of van even binnenlopen voor een hapje of drankje in het gehuurde is geen sprake. Er moet een evenement plaatsvinden en voor toegang tot het gehuurde tijdens een evenement moeten bezoekers een toegangskaart kopen. Ook externen kunnen gebruik maken van het gehuurde om een (besloten) evenement te organiseren. Het gehuurde beschikt zelf niet over horecafaciliteiten. Voor het verzorgen van eten en drinken tijdens evenementen maakte en maakt [verzoekster] gebruik van de faciliteiten van de ruimte die nu door [bedrijf 3] wordt gehuurd. Als dat niet meer mogelijk zou zijn, moet [verzoekster] externe catering inhuren, aldus [verzoekster] . Verder is van belang dat met [verzoekster] geen vaste huurprijs is afgesproken, maar afhankelijk van het aantal zogenoemde callsper jaar (eventueel) een basishuur en in ieder geval een vaste vergoeding per evenement. Deze afspraak houdt verband met de omstandigheid dat [verweerder] [naam bedrijfsruimte] voor een deel van de tijd verhuurt aan [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) als aankomst- en vertrekhal voor cruiseschepen. In de huurovereenkomst met [verzoekster] is vastgelegd dat het gebruik van de ruimte door [bedrijf 4] voorrang heeft. Als er eencallis en de ruimte moet door [bedrijf 4] worden gebruikt als aankomst- en vertrekhal, kan [verzoekster] op haar beurt geen gebruik maken van het gehuurde. Maar ook als er geencallszijn en [naam bedrijfsruimte] wel ter beschikking staat aan [verzoekster] , wordt het gehuurde uitsluitend geëxploiteerd als er een evenement plaatsvindt. Gelet op deze kenmerken kunnen de activiteiten van [verzoekster] niet worden gelijkgesteld met het uitoefenen van een restaurant- of cafébedrijf in een voor het algemeen publiek toegankelijk lokaal zoals bedoeld in artikel 7:290 BW. De door [verzoekster] aangevoerde omstandigheid dat een horecavergunning is afgegeven, brengt ook niet mee dat het gehuurde als restaurant- of cafébedrijf moet worden aangemerkt. Ook in het geval van een 230a-bedrijfsruimte kan een horecavergunning nodig zijn.\n\n2.5.3.. Dat [verzoekster] na de splitsing van de oude huurovereenkomst haar activiteiten op dezelfde manier heeft voortgezet als zij eerst deed – namelijk gebruik maken van de horecafaciliteiten van het nu door [bedrijf 3] gehuurde deel – overtuigt de kantonrechter niet van de stelling dat de partijen bij de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst voor ogen hebben gehad dat het door [verzoekster] gehuurde wordt gebruikt als restaurant-, café- of daarmee gelijk te stellen bedrijf in de zin van artikel 7:290 BW. De contractueel afgesproken bestemming, de voorgeschiedenis van de totstandkoming van de huidige huurovereenkomst waarbij het horecagedeelte is afgesplitst van de evenementenlocatie en de wijzigingen in de feitelijke situatie duiden juist op het tegenovergestelde.\n\n2.5.4.. De kantonrechter volgt [verzoekster] ook niet in de stelling, die door [verweerder] wordt betwist, dat uit een aantal bepalingen uit de huurovereenkomst moet worden afgeleid dat de partijen het gehuurde als 290-bedrijfsruimte hebben willen kwalificeren. Een aantal bepalingen uit de huurovereenkomst vertoont inderdaad enige gelijkenis met het huurregime van artikel 7:290 BW, maar dat betekent nog niet dat het gehuurde moet worden gekwalificeerd als 290-bedrijfsruimte. De toepasselijkheid van artikel 7:230a BW laat namelijk onverlet dat de partijen zelf afspreken dat zij (bepaalde regels van) het dwingendrechtelijke huurregime van artikel 7:290 BW van overeenkomstige toepassing (kunnen) verklaren op de huurovereenkomst.\n\nDe huurovereenkomst is geëindigd\n\n2.6.. Voordat aan inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt toegekomen, moet de voorvraag worden beantwoord of de huurovereenkomst is geëindigd. De partijen denken daar namelijk allebei anders over. De kantonrechter beantwoordt de vraag bevestigend.\n\n2.6.1.. De kantonrechter volgt [verzoekster] niet in haar stelling dat de opzegging van de huurovereenkomst tegen 31 december 2024 geen effect sorteert. [verzoekster] is die mening toegedaan, omdat in de huurovereenkomst is bepaald dat de wettelijke opzeggingsgronden in acht moeten worden genomen en [verweerder] in strijd daarmee geen wettelijke opzeggingsgronden heeft genoemd in de opzeggingsbrief. De kantonrechter stelt vast dat er geen discussie is over hoe de betreffende bepaling in de huurovereenkomst (artikel 3.4) moet worden begrepen. De partijen gaan allebei ervan uit dat met ‘de wettelijke opzeggingsgronden’ de opzeggingsgronden zoals genoemd in artikel 7:296 BW worden bedoeld. In de opzeggingsbrief wordt weliswaar niet uitdrukkelijk benoemd dat de huurovereenkomst wordt opgezegd op grond van de belangenafweging zoals bedoeld in artikel 7:296 lid 3 BW, maar de kantonrechter is met [verweerder] eens dat [verzoekster] dit wel uit de motivering van de opzegging in die brief heeft moeten begrijpen.\n\n2.6.2.. \n [verzoekster] meent dat de huurovereenkomst niet door opzegging is geëindigd, omdat zij niet heeft ingestemd met de opzegging. Echter, instemming met de opzegging is niet nodig. Dat is wel zo als de regels van het huurregime van artikel 7:290 BW van toepassing zouden zijn, maar dat is niet het geval.\n\n [verzoekster] is ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn\n\n2.7.. Het primair verzochte wordt afgewezen. [verzoekster] is wél ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, omdat de huurovereenkomst onder het huurregime van artikel 7:230a BW valt.\n\nHet (eerste) verlengingsverzoek wordt niet inhoudelijk beoordeeld\n\n2.8.. Hoewel [verzoekster] ontvankelijk is in het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, beoordeelt de kantonrechter het (eerste) verlengingsverzoek niet inhoudelijk. De beoordeling van dat verzoek is niet meer relevant, omdat de (eerste) verlengingstermijn al is verstreken en de verplichting om te ontruimen geschorst is gebleven tot voorbij de maximale verlengingstermijn vanwege het tijdsverloop van de procedure (artikel 7:230a lid 3 BW).\n\nin de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\nAlleen het (tweede) verlengingsverzoek wordt beoordeeld\n\n2.9.. De kantonrechter beoordeelt het primair verzochte niet, omdat dat verzoek al in de eerste zaak is beoordeeld. Omdat [verzoekster] ontvankelijk is in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn, wordt hierna wel het (tweede) verlengingsverzoek beoordeeld.\n\nDe ontruimingstermijn wordt verlengd tot en met 31 december 2026\n\n2.10.. Het verlengingsverzoek wordt toegewezen en de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden wordt verlengd met een jaar, tot en met 31 december 2026. Het oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n2.11.. Vooropgesteld wordt dat een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn slechts wordt toegewezen als de belangen van de huurder door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door de huurder (artikel 7:230a lid 4 BW). In de wet is ook een aantal verplichte afwijzingsgronden bepaald, maar die doen zich hier niet voor. In deze zaak staat de belangenafweging centraal.\n\n2.11.1.. \n [verweerder] voert als belang bij ontruiming van het gehuurde aan dat de bestaande constructie niet meer wenselijk en houdbaar is. De bestaande constructie houdt zoals gezegd in dat de ruimte voor een deel van de tijd in gebruik is bij [verzoekster] , namelijk voor dat deel van de tijd dat de ruimte niet wordt gebruikt door [bedrijf 4] als aankomst- en vertrekhal voor cruiseschepen. Volgens [verweerder] was bij aanvang van de huurovereenkomst met [verzoekster] in 2013 niet voorzien dat het aantal callsmet de jaren enorm zou toenemen, wat wel het geval is. Het aantalcallsis de afgelopen jaren vrijwel verdubbeld. Door de sterke toename van het aantalcallsen de afspraken in de huurovereenkomst is de vergoeding die [verzoekster] aan [verweerder] betaalt afhankelijk van diens bedrijfsvoering en niet kostendekkend; dat past niet langer binnen haar beleid, aldus [verweerder] . [verzoekster] betwist het voorgaande niet, maar voert aan dat het pijnpunt niet zit in de huurrelatie tussen haar en [verweerder] , maar in de huurrelatie tussen [bedrijf 4] en [verweerder] en de inhoud van de afspraken die [bedrijf 4] en [verweerder] hebben over vergoeding voor het gebruik van het gehuurde en de kosten ( [verzoekster] noemt dit een ‘all-in’ huurovereenkomst). [verweerder] heeft dat niet bestreden, dus de kantonrechter gaat uit van de juistheid hiervan.\n\n2.11.2.. De kantonrechter is met [verzoekster] eens dat ontruiming door [verzoekster] niet tegemoet komt aan het (financiële) belang dat [verweerder] stelt. Door ontruiming zal [verweerder] juist inkomsten (namelijk de huur van [verzoekster] ) mislopen en niet de financiële moeilijkheden oplossen. Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die dit anders maken. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom voortgezet gebruik van het gehuurde door [verzoekster] de belangen van [verweerder] schaadt.\n\n2.11.3.. \n [verzoekster] heeft wel belang bij voortgezet gebruik van het gehuurde en dat belang wordt geschaad als zij moet ontruimen. Zij licht toe dat er geen vervangende locaties zijn in [plaats] , dat het verlies van [naam bedrijfsruimte] als evenementenlocatie tot verlies van haar klantenkring zal leiden en dat zij haar onderneming zal moeten beëindigen omdat die dan niet langer levensvatbaar is. [verweerder] heeft nog wel andere locaties in [plaats] benoemd, maar [verzoekster] heeft gemotiveerd bestreden dat dat (beschikbare) alternatieven zijn.2.11.4.. Gelet op het voorgaande worden de belangen van [verzoekster] door ontruiming ernstiger geschaad dan de belangen van [verweerder] bij voortgezet gebruik door [verzoekster] . Dat leidt tot toewijzing van het verlengingsverzoek.\n\nin beide zaken\n\nProceskosten\n\n2.12.. De kantonrechter bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin de zaak met zaaknummer 11570718 VZ VERZ 25-1262\n\n3.1.. wijst het primair verzochte af;\n\n3.2.. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen;\n\nin de zaak met zaaknummer 11993851 VZ VERZ 25-7082\n\n3.3.. verlengt de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden met een jaar, tot en met 31 december 2026;\n\n3.4.. bepaalt dat de partijen de eigen proceskosten dragen.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7465","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.564Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":61,"updatedAt":70},"817","ECLI:NL:RBROT:2026:7445","ecli-nl-rbrot-2026-7445","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11809129 CV EXPL 25-16089\n\ndatum uitspraak: 19 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [bedrijf] B.V.,\n\nvestigingsplaats: [plaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. J.A.M. van de Sande,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2],,\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\ngedaagden,\n\ngemachtigde: mr. V.J. Verhulst.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 16 juli 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord;\n\nde mail van [eiseres] van 19 mei 2026.\n\n1.2.. Op 19 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij is [gedaagde 2] verschenen met [persoon A] , bijgestaan door haar gemachtigde. [eiseres] is niet verschenen.\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. \n [eiseres] wil de woning die wordt gehuurd door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] renoveren. De fundering moet worden hersteld en onder andere de kozijnen, de daken en de technische installaties bevinden zich aan het einde van de levensduur. In totaal gaat het om bijna € 440.000,00 aan renovatiewerkzaamheden. [eiseres] geeft aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning tijdens de renovatie niet kunnen gebruiken en geven aan dat de huurinkomsten de huidige en toekomstige exploitatiekosten niet dekken. [eiseres] heeft de woning nodig voor eigen gebruik en heeft daarom de huurovereenkomst opgezegd. In deze procedure eist zij dat de kantonrechter bevestigt dat de huurovereenkomst op 1 oktober 2025 eindigt of een einddatum vaststelt. Daarnaast eist [eiseres] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning verlaten onder verbeurte van een dwangsom als zij dit niet doen en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden veroordeeld in de proceskosten.\n\n2.2.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het niet eens met de opzegging. Zij vinden dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de renovatiewerkzaamheden dringend zijn en nu moeten plaatsvinden. Daarnaast vinden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat de werkzaamheden kunnen plaatsvinden terwijl zij in de woning blijven wonen. Verder beargumenteren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij meer belang hebben bij de woning dan [eiseres] heeft bij de renovatie van de woning. Tot slot betwisten zij dat passende woonruimte beschikbaar is. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vragen de kantonrechter dan ook de vorderingen af te wijzen en [eiseres] in de proceskosten te veroordelen.\n\n2.3.. \n [eiseres] heeft vervolgens vlak voor de zitting haar vorderingen ingetrokken en verzocht de procedure door te halen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hiermee niet ingestemd. De kantonrechter zal daarom een oordeel geven over de proceskosten.\n\n [eiseres] moet de proceskosten betalen\n\n2.4.. Op grond van artikel 246 lid 1 Rv kan doorhaling van de procedure alleen plaatsvinden op verzoek van beide partijen. Nu daarvan geen sprake is, is doorhaling niet mogelijk.\n\n2.5.. De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij na intrekking van haar vordering als de in het ongelijk gestelde partij wordt aangemerkt (artikel 237 Rv). Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al een conclusie van antwoord hebben ingediend en de vordering enkele uren voor de zitting pas is ingetrokken, worden de proceskosten aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als volgt berekend: € 576,00 (2 punten x € 288,00) aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 720,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.6.. Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat eisen en [eiseres] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. verstaat dat [eiseres] haar vorderingen op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet langer handhaaft;\n\n3.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op € 720,00;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7445","2026-07-13T00:28:49.555Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":60,"parsedAt":61,"updatedAt":78},"793","ECLI:NL:RBROT:2026:7432","ecli-nl-rbrot-2026-7432","2026-06-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12019556 CV EXPL 25-27166\n\ndatum uitspraak: 12 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres 1] ,in haar hoedanigheid van testamentair vertegenwoordiger van de minderjarige[minderjarige],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1] ,\n\nen\n\n [eiseres 2] ,\n\nwoonplaats: [woonplaats 2] ,\n\neiseressen,\n\ngemachtigde: mr. R.C.H. Bruinier,\n\ntegen\n\n [gedaagde], die handelt onder de naam[bedrijf],\n\nwoonplaats: [woonplaats 3] ,\n\ngedaagde,\n\ndie zelf procedeert.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres 1] ’, ‘ [eiseres 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. [eiseres 1] en [eiseres 2] zullen gezamenlijk worden aangeduid als ‘eiseressen’.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 9 december 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord van [gedaagde] , met één bijlage;\n\nde repliek, met bijlagen;\n\nde reactie van [gedaagde] .\n\n2. De beoordeling\n\nWat is de kern?\n\n2.1.. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat tussen partijen op 19 januari 2025 een betalingsregeling tot stand is gekomen voor het aflossen van de huurachterstand. Volgens eiseressen is [gedaagde] deze betalingsregeling niet meer nagekomen ondanks sommaties vanaf 1 november 2025. Eiseressen eisen betaling van het nog resterende bedrag, vermeerderd met wettelijke rente en betaling van de proceskosten. [gedaagde] is het niet eens met de eis en beroept zich op een afspraak die al vóór 19 januari 2025 tot stand is gekomen. Volgens die afspraak zou zij de openstaande huurachterstand niet meer hoeven in te lossen als zij de door haar gehuurde loods eerder zou verlaten.2.2.. De kantonrechter is van oordeel dat eiseressen het gelijk aan hun zijde hebben. De eis wordt daarom toe gewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\nWat is er gebeurd?\n\n2.3.. \n [gedaagde] heeft op enig moment de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] (hierna: [bedrijf] ) gehuurd. Eigenaren van [bedrijf] waren destijds [persoon A] en [eiseres 2] . Op 15 november 2023 is [persoon A] overleden. Zijn enig erfgenaam is de minderjarige [minderjarige] , die in deze procedure wordt vertegenwoordigd door [eiseres 1] .\n\n2.4.. Vanaf januari 2024 heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan.\n\n2.5.. \n [eiseres 2] heeft in haar mail van 30 augustus 2024 aan [gedaagde] de factuur voor de maand september 2024 gestuurd met daarin opgenomen de huurachterstand. Voorts heeft zij daarin dringend verzocht de huurachterstand te voldoen. Ook in de daarna gestuurde mails met de maandelijkse factuur is telkens verzocht om met een plan te komen omdat de huurachterstand te hoog is opgelopen.\n\n2.6.. Eiseressen hebben per aangetekende brief van 7 oktober 2024 en per mail van 18 oktober 2024 de huurovereenkomst tegen 1 december 2025 opgezegd.\n\n2.7.. Bij brief van 30 december 2024 heeft de gemachtigde van eiseressen [gedaagde] gesommeerd om de huurachterstand, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke kosten te voldoen.\n\n2.8.. In reactie daarop heeft [gedaagde] per mail van 6 januari 2025 gereageerd. Daarin heeft zij onder meer aangegeven dat zij met betrekking tot de huurovereenkomst altijd contact heeft onderhouden met [eiseres 2] en [persoon B] en dat zij aan hen uitleg heeft gegeven over de oorzaak van de huurachterstand. Verder heeft zij aangegeven dat de huur nog niet zou zijn opgezegd, maar dat zij wel bezig is om de voorraad te verkopen zodat een oplevering mogelijk is. Ook geeft ze aan dat vanaf februari de lopende huur zal worden betaald, dat indien er meer mogelijkheden zijn ook de achterstand wordt ingelopen en dat het voor haar vreemd is dat het contact met [eiseres 2] en [persoon B] abrupt is verbroken en zij nu met een advocaat wordt geconfronteerd.\n\n2.9.. Per brief van 9 januari 2025 heeft de gemachtigde van eiseressen gereageerd en daarin onder meer aangegeven dat eiseressen een andere visie op de feitelijke gang van zaken hebben, dat de huurovereenkomst wel degelijk is opgezegd, dat [gedaagde] per Whatsapp de ontvangst van de mail van 18 oktober 2024 heeft bevestigd en dat de huur zonder meer op 30 november 2025 eindigt. In deze brief is ook een voorstel voor een betalingsregeling opgenomen:\n\n“1. De huurovereenkomst wordt beëindigd per 30 november 2025, één en ander met inachtneming van de opzegging van 7 oktober 2024. (…)\n\n2. De verschuldigde huur over 2025 blijft ongewijzigd op een bedrag van € 2.000,- per maand (…)\n\n3. Door u wordt voldaan de volledige vordering van cliënten. Deze bedraagt per 10 januari 2025:\n\nhoofdsom (openstaande huurtermijnen t\u002Fm januari 2025 € 26.000,00\n\nwettelijke vertragingsrente t\u002Fm 10 januari 2025 € 615,25\n\nbuitengerechtelijke kosten € 1.252,35\n\nreeds voldaan €(…) -\u002F-\n\nTotaal, behoudens rente p.m. € 19.367,60\n\n4. De in punt 3 omschreven vordering van cliënten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 11 januari 2025 tot en met de dag van algehele voldoening, zal door u worden voldaan in maandelijkse termijnen van € 500,00. Deze termijnen dienen telkens uiterlijk te worden voldaan en zijn bijgeschreven op de eerste dag van elke maand, te beginnen op 1 februari 2025;\n\n5. Als u het vorenstaande niet, dan wel niet volledig of niet tijdig, nakomt dan zal (…) de mogelijkheid om in deelbetalingen (…) te voldoen (…) vervallen. De (…) vordering (…) is dan ineens en direct opeisbaar. (…)”\n\n2.10.. Per mail van 19 januari 2025 heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt akkoord te gaan met het voorstel van 9 januari 2025.\n\n2.11.. \n [gedaagde] heeft [bedrijf] op 1 november 2025 opgeleverd. Het termijnbedrag voor de maand november 2025 heeft zij niet betaald.\n\n2.12.. Bij brief van 6 november 2025 heeft de gemachtigde van eiseressen aan [gedaagde] verzocht de termijn van de maand november 2025 van € 500,- alsnog te voldoen en er op gewezen dat bij niet tijdige betaling de restant vordering ineens en direct opeisbaar wordt.\n\n2.13.. Bij brief van 18 november 2025 heeft de gemachtigde van eiseressen [gedaagde] erop gewezen dat zij ondanks de brief van 6 november 2025 te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen op basis van de betalingsregeling van 19 januari 2025 omdat zij de termijnbetaling van november 2025 niet heeft betaald en dat de vordering van eiseressen nu ineens en direct opeisbaar is. De gemachtigde heeft daarom verzocht om het nog openstaande bedrag vermeerderd met rente tot en met 25 november 2025 te betalen.\n\n2.14.. \n [gedaagde] heeft op dit verzoek niet gereageerd.\n\n [gedaagde] moet een bedrag van € 15.246,21 betalen\n\n2.15.. \n [gedaagde] moet een bedrag van € 15.246,21 betalen omdat zij gebonden is aan de betalingsregeling van 19 januari 2025. Zij is aan de betalingsregeling gebonden omdat zij op 19 januari 2025 met deze betalingsregeling heeft ingestemd.\n\n2.16.. Aan de afspraken die partijen in de betalingsregeling hebben gemaakt zijn partijen gebonden, tenzij een van hen een geslaagd beroep op vernietiging of ontbinding doet. Hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd is geen grond voor vernietiging of ontbinding van de regeling.\n\n2.17.. Voor zover het klopt dat [gedaagde] al vóór 19 januari 2025 met [eiseres 2] en [persoon B] heeft afgesproken dat als zij [bedrijf] eerder zou verlaten de openstaande huurachterstand niet verder zou hoeven te worden ingelost, kan zij zich niet meer op die afspraak beroepen omdat zij nadien met het voorstel van de gemachtigde van eiseressen heeft ingestemd, zonder een voorbehoud te maken ten aanzien van hetgeen zij met [eiseres 2] en [persoon B] heeft afgesproken. Daarmee is die eerdere afspraak komen te vervallen.\n\n2.18.. Van [gedaagde] had verwacht mogen worden dat indien zij van mening was dat zij al een afspraak met [eiseres 2] en [persoon B] had gemaakt over het inlossen van de huurachterstand, zij hiervan melding zou maken bij de gemachtigde van eiseressen. Dat heeft zij niet gedaan. Zowel in de mail van 6 januari 2025 als in de mail van 19 januari 2025 is op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat er al sprake was van een eerdere afspraak met [eiseres 2] en [persoon B] .\n\n2.19.. In de dagvaarding hebben eiseressen de vordering gespecificeerd en gesteld dat deze € 15.246,21 bedraagt. De kantonrechter gaat van de juistheid van deze specificatie uit omdat [gedaagde] deze niet heeft weersproken.\n\n [gedaagde] moet rente betalen\n\n2.20.. \n [gedaagde] moet rente betalen. Rente is verschuldigd als er sprake is van vertraging in het voldoen van een geldsom. Partijen hebben in de betalingsregeling hier ook afspraken over gemaakt.\n\nVoorstel om € 2.000,- tegen finale kwijting te betalen\n\n2.21.. \n\n [gedaagde] erkent dat er een openstaand bedrag is, maar stelt dat door de gemaakte kosten haar financiële middelen zijn uitgeput. Zij is bereid om tegen finale kwijting € 2.000,- ineens te betalen. Eiseressen hebben met dit voorstel niet ingestemd.\n\nHoe vervelend de financiële omstandigheden van [gedaagde] ook zijn, deze hebben niet tot gevolg dat zij het openstaande bedrag van € 15.246,21 niet hoeft te betalen. Wel kan [gedaagde] na dit vonnis contact opnemen met de gemachtigde van eiseressen om te bezien of een betalingsregeling tot de mogelijkheden behoort.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.22.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan eiseressen moet betalen op € 144,47 aan dagvaardingskosten, € 732,00 aan griffierecht, € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.884,47. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.23.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat eiseressen dat eisen en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan eiseressen te betalen € 15.246,21 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 14.367,60 vanaf 26 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van eiseressen worden begroot op € 1.884,47 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7432","2026-07-13T00:28:48.251Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":84,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":85,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":61,"updatedAt":87},"888","ECLI:NL:RBROT:2026:6919","ecli-nl-rbrot-2026-6919","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12189972 VV EXPL 26-220\n\ndatum uitspraak: 10 juni 2026\n\nVonnis in kort geding van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\nStichting Hef Wonen,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. I.M.M. Versloot,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats binnen Nederland en daarbuiten,\n\ngedaagde,\n\ndie niet is verschenen.\n\nDe partijen worden hierna ‘Hef Wonen’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. \n\nHet dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\n- de dagvaarding van 2 mei 2026, met bijlagen.\n\n1.2.. Op 27 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting met Hef Wonen en mr. Versloot besproken. [gedaagde] is niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van Hef Wonen volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv), met uitzondering van de ontruimingstermijn.\n\n2.2.. Hef Wonen verhuurt woonruimte aan [gedaagde] . In dit kort geding vordert Hef Wonen tijdelijke ontruiming van de woning in verband met uit te voeren werkzaamheden, binnen drie dagen na betekening van het vonnis (artikel 558 onder b Rv). In de dagvaarding heeft Hef Wonen gesteld dat de werkzaamheden eind juli beginnen; op de zitting heeft ze toegelicht dat er ruimte is om nog iets later te beginnen. De kantonrechter ziet daarom geen reden om de ontruiming op de gevraagde korte termijn toe te wijzen. Hef Wonen mag de woning (tijdelijk) ontruimen drie weken na betekening van dit vonnis.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.3.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hef Wonen moet betalen op € 171,19 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.031,19. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen met ingang van de vijftiende dag nadat dit vonnis is gewezen.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.4.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat Hef Wonen dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis de woning aan het adres [adres] in Rotterdam en de bijbehorende berging te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Hef Wonen te stellen, voor zover en zo lang dat nodig is om de volgende werkzaamheden uit te voeren:\n\nvervangen badkamer, keuken en toilet;\n\nvervangen groepenkast;\n\nvervangen binnendeuren;\n\naanbrengen brandwerende voorzieningen balkon;\n\nvervangen bergingsdeur;\n\nvervangen asbesthoudende vensterbanken en kruipruimte;\n\nvervangen dekvloeren inclusief de afdichting van de vloeren van het balkon;\n\nvervangen kozijnen;\n\nvervangen intercomsysteem;\n\nplaatsen mechanisch ventilatiesysteem;\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.031,19 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.\n\n51909","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6919","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:53.060Z",{"id":89,"ecli":90,"slug":91,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":83,"fullText":92,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":93,"sourceTimestamp":86,"parsedAt":61,"updatedAt":94},"847","ECLI:NL:RBROT:2026:6917","ecli-nl-rbrot-2026-6917","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 12192159 VV EXPL 26-222\n\ndatum uitspraak: 10 juni 2026\n\nVonnis in kort geding van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiser] ,\n\nwoonplaats: [woonplaats 1] , België,\n\neiser,\n\ngemachtigde: mr. K.S.L. van Vliet,\n\ntegen\n\n1.. [gedaagde 1] ,\n\nwoonplaats: [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\ndie niet in de procedure is verschenen,\n\n2. [gedaagde 2],\n\nwoonplaats: [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. H.J. van Smaalen,\n\n3. [gedaagde 3]die handelt onder de naam[handelsnaam],\n\nvestigingsplaats: [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\ndie niet in de procedure is verschenen,\n\n4. [gedaagde 4],\n\nwoonplaats: [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. H.J. van Smaalen,\n\n5. zij die verblijven in de onroerende zaak aan de [adres] in Rotterdam of een gedeelte daarvan,\n\nverblijfplaats: [verblijfplaats] ,\n\ngedaagden,\n\ndie niet in de procedure zijn verschenen.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’, ‘ [gedaagde 3] ’, ‘ [gedaagde 4] ’ en ‘de overige gedaagden’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 28 april 2026, met producties 1 t\u002Fm 7 (waaronder een usb-stick met videobeelden);\n\nde e-mail van de gemachtigde van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] van 26 mei 2026, met producties 1 t\u002Fm 7;\n\nde e-mail van de gemachtigde van [eiser] van 26 mei 2026, met een akte en producties 8\n\nhet antwoord, met producties 7 t\u002Fm 9, waaronder videobeelden;\n\nde spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] ;\n\nde spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] .\n\n1.2.. Op 27 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door mr. Van Vliet en mr. E.A.H. ten Berge. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] waren aanwezig, vergezeld door een tolk en bijgestaan door mr. Van Smaalen en mr. S.A. Smit.\n\n1.3.. \n [gedaagde 1] , [gedaagde 3] en de overige gedaagden zijn niet in de procedure verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Dit vonnis geldt, omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] wel zijn verschenen, als vonnis op tegenspraak (artikel 140 lid 3 Rv).\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2.1.. \n [eiser] heeft een woning aan de [adres] in Rotterdam verhuurd aan [gedaagde 1] . [gedaagde 1] moet maandelijks een prijs van € 875,- aan [eiser] betalen (waarvan € 639,68 aan kale huur).\n\n2.2.. Gebleken is dat [gedaagde 3] – wiens positie hierna in r.o. 2.14 e.v. wordt beoordeeld – de woning (of een deel daarvan) heeft (onder)verhuurd aan [gedaagde 2] . [gedaagde 4] is de partner van [gedaagde 2] en woont bij haar. Volgens [eiser] wonen er nog meer – hem onbekende – personen in het gehuurde. [gedaagde 2] heeft met [gedaagde 3] aanvankelijk een maandelijkse prijs van € 1.350,- (huur en servicekosten) afgesproken, welke huurprijs later is verminderd met een onbekend bedrag wegens het ontbreken van een (werkende) internetaansluiting.\n\n2.3.. \n [gedaagde 1] heeft vanaf februari 2026 geen huur meer betaald aan [eiser] . [gedaagde 3] accepteert sinds enige tijd geen huurbetalingen meer van [gedaagde 2] .\n\n2.4.. \n [eiser] eist in dit kort geding:\n\nontruiming van de woning door alle gedaagden;\n\nbetaling door [gedaagde 1] van de huurachterstand tot en met april 2026 van € 2.625,- plus € 875,- per maand (de lopende huur) vanaf 1 mei 2026 tot ontruiming van het gehuurde;\n\nbetaling door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (hoofdelijk) van € 2.882,26 tot en met april 2026 plus € 360,32 per maand vanaf 1 mei 2026 op basis van winstafdracht (artikel 6:104 BW);\n\nbetaling van de proceskosten door alle gedaagden (hoofdelijk).\n\n2.5.. \n [eiser] beroept zich op de huurachterstand die [gedaagde 1] heeft laten ontstaan en het contractuele onderhuurverbod dat hij heeft geschonden. [gedaagde 3] heeft volgens [eiser] onrechtmatig gehandeld door te profiteren van deze tekortkoming van [gedaagde 1] , omdat [gedaagde 3] de woning voor een hogere huurprijs aan [gedaagde 2] heeft verhuurd. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] verblijven volgens [eiser] zonder recht of titel in het gehuurde en datzelfde geldt voor andere personen die in het gehuurde zouden verblijven.\n\n2.6.. Volgens [eiser] kan [gedaagde 2] zich niet beroepen op het bepaalde in artikel 7:269 BW, omdat in haar huurovereenkomst met [gedaagde 3] staat dat zij een kamer huurt en dat is geen zelfstandige woonruimte. Voor zover dit artikel wel van toepassing is, staat volgens [eiser] vast dat hij de huurovereenkomst op grond van alle redenen als genoemd in artikel 7:269 lid 2 BW niet hoeft voort te zetten.\n\nHet beoordelingskader in kort geding\n\n2.7.. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van zijn eisen worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagden als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde 1] worden toegewezen\n\n2.8.. De kantonrechter wijst de vorderingen tegen [gedaagde 1] deels toe, voor zover deze niet onrechtmatig of ongegrond lijken (artikel 139 Rv). Voor zover de vorderingen worden afgewezen, licht de kantonrechter dat hieronder toe.\n\n2.9.. Het is niet aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden vanwege de huurachterstand die [gedaagde 1] heeft laten ontstaan. [eiser] is verplicht om de acties uit te voeren die staan onder a tot en met d van artikel 2 Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening en om aan de gemeente de hoogte van de huurachterstand van [gedaagde 1] te melden. Bij de dagvaarding zaten geen stukken waaruit blijkt dat [eiser] hieraan voldaan heeft en op de zitting bleek dat [eiser] zo’n melding niet gedaan heeft. Het ontbreken van zo’n melding betekent dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en de vordering tot betaling van toekomstige huurtermijnen in een bodemprocedure zullen worden afgewezen.\n\n2.10.. Het is wel aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden omdat [gedaagde 1] het gehuurde aan iemand anders in gebruik gegeven, zonder dat hij daarvoor toestemming heeft gevraagd (en gekregen) van [eiser] . [gedaagde 1] is daarom tekort geschoten in het nakomen van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en die tekortkoming is ernstig genoeg voor ontbinding van de huurovereenkomst. Vooruitlopend daarop wordt [gedaagde 1] in dit kort geding veroordeeld om het gehuurde te ontruimen. [eiser] heeft namelijk gezegd dat hij niet kan uitsluiten dat [gedaagde 1] nog in het gehuurde woont, omdat hij daar nog staat ingeschreven. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.\n\n2.11.. De vordering tot betaling van de huurtermijnen die zijn vervallen na het uitbrengen van de dagvaarding worden afgewezen vanwege het ontbreken van de in 2.9. bedoelde melding op grond van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.\n\n2.12.. De verplichting van [gedaagde 1] om aan winstafdracht een bedrag van € 360,32 per maand te betalen eindigt op de dag dat het gehuurde is ontruimd. [eiser] eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde 1] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de vordering afgewezen.\n\n2.13.. De kantonrechter machtigt [eiser] niet om de woning zelf te ontruimen. Alleen de deurwaarder mag namelijk gedwongen ontruimen (artikel 556 Rv). De kantonrechter machtigt [eiser] ook niet om de woning door een deurwaarder te laten ontruimen, want daar is geen machtiging voor nodig. In de wet staat namelijk al dat de deurwaarder dat mag (artikel 556 Rv). Daarbij kan de deurwaarder de hulp van politie en justitie inroepen (artikel 444 en 557 Rv).\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde 3] worden afgewezen\n\n2.14.. De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering tegen [gedaagde 3] af. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde 3] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het gehuurde aan [gedaagde 2] te verhuren, zonder zich ervan te vergewissen dat de eigenaar daarvoor toestemming heeft verleend en dat hij daarom het gehuurde moet ontruimen. Het enkele onrechtmatig handelen levert echter geen ontruimingsverplichting op. [gedaagde 3] moet het gehuurde ontruimen als hij het zonder recht of titel gebruikt. Dat heeft [eiser] niet gesteld; hij heeft alleen over het gebruik van [gedaagde 2]gesteld dat dit zonder recht of titel plaatsvindt, omdat hij de huurovereenkomst die zij met [gedaagde 3] heeft gesloten niet zou hoeven voortzetten. De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat [gedaagde 3] ook op een ander adres dan dat van de woning is gedagvaard en ingeschreven staat.\n\n2.15.. Met zijn betoog gaat [eiser] voorbij aan de schakel [gedaagde 1] – [gedaagde 3] . Aannemelijk is dat [gedaagde 1] het gehuurde aan [gedaagde 3] heeft onderverhuurd. [gedaagde 2] heeft een printscreen overgelegd van een whatsappgesprek tussen ‘ [naam 1] ’ (de voornaam van [gedaagde 1] ) en ‘ [naam 2] ’ (de voornaam van [gedaagde 3] ). In dat gesprek vraagt [gedaagde 3] om een bevestiging van [gedaagde 1] dat hij (cash) heeft betaald en dat de huur door [gedaagde 1] aan de eigenaar is doorbetaald). [eiser] heeft de huurovereenkomst overgelegd die [gedaagde 3] met [gedaagde 2] heeft gesloten. In die huurovereenkomst staat niet [gedaagde 1] als verhuurder vermeld, maar [gedaagde 3] . [eiser] heeft in de dagvaarding benoemd dat [gedaagde 1] het gehuurde feitelijk niet zelf bewoont en daarin geen hoofdverblijf heeft. Dit alles wijst erop dat [gedaagde 3] de woning van [gedaagde 1] heeft gehuurd. Dat is dan een huurovereenkomst voor zelfstandige woonruimte, aangezien [gedaagde 1] volgens [eiser] zelf niet meer in het gehuurde woont. De onderhuurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] wordt door [eiser] op grond van artikel 7:269 BW voortgezet op het moment dat de hoofdhuurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1] wordt beëindigd.\n\n2.16.. \n [eiser] heeft niets gesteld over de voortzetting van de onderhuurovereenkomst met [gedaagde 3] . Zelfs als de kantonrechter er al vanuit gaat dat in kort geding kan worden vooruitgelopen op een vordering op grond van artikel 7:269 lid 2 BW (hoewel die vordering door [eiser] pas in een bodemprocedure kan worden ingesteld als een eventueel ontbindingsvonnis onherroepelijk is geworden), is vanwege het ontbreken van enige stelling van [eiser] daarover als het gaat om de verhouding [gedaagde 1] – [gedaagde 3] onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure die vordering zal worden toegewezen. Daarom kan in dit kort geding de ontruimingsvordering tegen Kan niet worden toegewezen.\n\n2.17.. Van zodanige overlast van [gedaagde 2] en\u002Fof [gedaagde 4] dat een (voortgezette) huurovereenkomst met [gedaagde 3] in een bodemprocedure ontbonden zal worden, is niet gebleken. Op de filmpjes die [eiser] heeft overgelegd is niet te zien dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] overlast veroorzaken aan omwonenden. [eiser] heeft specifiek benoemd dat er in de hal van het gebouw gespuugd zou zijn en heeft daarbij een filmpje van een bepaalde datum en tijd genoemd, maar daarop ziet de kantonrechter, ook na herhaalde bestudering, niet dat er gespuugd is. De door [eiser] overgelegde klachten zijn geanonimiseerd en zijn in een periode van vijf dagen gestuurd. De klachten lijken – zoals [gedaagde 2] en [gedaagde 4] stellen – van één persoon afkomstig. Het bericht van de beheerder, dat pas één dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling van deze zaak aan [eiser] is gestuurd, is ook weinig concreet over hoeveel bewoners klagen en hoe lang al sprake zou zijn van overlast. De – als een konijn uit de hoge hoed getoverde – suggestie die [eiser] tijdens de zitting deed, namelijk dat sprake zou zijn van prostitutie vanuit het gehuurde, volgt nergens uit. De kantonrechter kan de eventuele aanwezigheid en ernst van de gestelde overlast niet beoordelen en daarmee is onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst van [gedaagde 3] ontbonden zal worden.\n\n2.18.. De vordering tot winstafdracht tegen [gedaagde 3] wordt ook afgewezen. Uit niets blijkt welke huurprijs [gedaagde 3] met [gedaagde 1] heeft afgesproken en dat [gedaagde 3] dus winst heeft behaald door de onderverhuur aan [gedaagde 2] .\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden afgewezen\n\n2.19.. Uit het voorgaande volgt dat er (nog) sprake is van een huurovereenkomst van [gedaagde 3] , waarvan onvoldoende aannemelijk is dat die niet door [eiser] wordt voortgezet als de huurovereenkomst met [gedaagde 1] wordt beëindigd. Ook is op dit moment onvoldoende aannemelijk dat de huurovereenkomst van [gedaagde 3] ontbonden zal worden vanwege de gestelde overlast. Dit betekent dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde 3] en [gedaagde 2] nog bestaat en vooralsnog blijft bestaan en dat [gedaagde 2] niet zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. Haar partner [gedaagde 4] mag bij haar in het gehuurde verblijven. De vraag of de huurovereenkomst die [gedaagde 2] met [gedaagde 3] heeft gesloten door [eiser] moet worden voortgezet nadat de huurovereenkomst met [gedaagde 1] is beëindigd én vervolgens de onderhuurovereenkomst met [gedaagde 3] ook tot een einde is gekomen, hoeft daarom niet te worden beantwoord; die discussie is prematuur.\n\nDe vordering tegen de overige gedaagden wordt afgewezen\n\n2.20.. Volgens [eiser] verblijven naast [gedaagde 2] en [gedaagde 4] nog anderen in het gehuurde. Daarvan is niet gebleken. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben toegelicht dat op de videobeelden die [eiser] heeft overgelegd familieleden en vrienden te zien zijn, die hen komen bezoeken in het gehuurde en daar ook soms blijven slapen. Van enig gebruik van het gehuurde door anderen dan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] dat zonder recht of titel zou plaatsvinden, is niet gebleken. Daarom wordt ook deze vordering afgewezen.\n\n [gedaagde 1] en [eiser] moeten proceskosten betalen\n\n2.21.. De kantonrechter ziet aanleiding voor een veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten van [eiser] , omdat [gedaagde 1] voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] aan [eiser] moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten (€ 125,57 plus eenmaal informatiekosten BRP € 0,89 + 21% btw), € 265,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.139,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis. Het staat nog niet vast of er kosten gemaakt gaan worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten zijn. Daarom worden er geen ontruimingskosten toegewezen.\n\n2.22.. De kantonrechter veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en de overige gedaagden. Omdat [gedaagde 3] en de overige gedaagden niet zijn verschenen, worden hun kosten begroot op nihil. De kosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden begroot op € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.298,-.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.23.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde 1] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de Slinge 584G in Rotterdam te ontruimen met alle zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] bevinden;\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen € 2.625,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 april 2026 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen € 2.882,56,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 april 2026 tot de dag dat volledig is betaald, te vermeerderen met € 360,32 per maand vanaf 1 mei 2026 tot de dag van ontruiming van de woning, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over elke termijn vanaf de eerste van elke maand tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.4.. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.139,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;\n\n3.5.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden begroot op € 1.298,-;\n\n3.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.\n\n51909","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6917","2026-07-13T00:28:50.975Z",{"id":96,"ecli":97,"slug":98,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":99,"fullText":100,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":61,"updatedAt":102},"1944","ECLI:NL:RBROT:2026:7143","ecli-nl-rbrot-2026-7143","2026-05-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11786256 CV EXPL 25-15163\n\ndatum uitspraak: 29 mei 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\nStichting Woonstad Rotterdam,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. R. van der Hoeff,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwoonplaats: [woonplaats],\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. S.A.P. van den Berg.\n\nDe partijen worden hierna ‘Woonstad’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 4 juli 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlage;\n\nde spreekaantekeningen van [gedaagde].\n\n1.2.. Op 2 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was een sociaal beheerder van Woonstad aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde van Woonstad. Ook [gedaagde] was aanwezig met zijn gemachtigde.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [gedaagde] huurt sinds 29 maart 2023 een woning van Woonstad. Woonstad stelt dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet heeft in de woning en dat hij zijn tuin niet goed onderhoudt. Woonstad heeft hierover van meerdere bewoners meldingen ontvangen. [gedaagde] heeft tegen Woonstad gezegd dat hij wel in de woning woont. Woonstad heeft Adviesburo Veerkracht ingeschakeld voor een buurtonderzoek. In dit buurtonderzoek hebben vijf buren vragen beantwoord over [gedaagde]. Hieruit is voor Woonstad voldoende gebleken dat [gedaagde] niet in de woning woont. Zij heeft [gedaagde] gevraagd om stukken over te leggen waaruit blijkt dat hij wel zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Deze heeft [gedaagde] niet gegeven, omdat hij vindt dat dit in strijd is met zijn recht op privacy. In deze procedure vordert Woonstad ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Daarnaast vordert Woonstad dat [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten en de kosten voor het buurtonderzoek moet betalen aan Woonstad.\n\n2.2.. \n [gedaagde] voert aan dat hij wel zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Hij geeft aan dat het door zijn (vrijwilligers)werk even heeft geduurd voordat hij in de woning kon gaan wonen. De woning was volgens hem namelijk niet instapklaar. [gedaagde] geeft verder aan dat het mogelijk is dat bewoners hem weinig hebben gezien, vanwege zijn onregelmatige diensten op Schiphol en zijn werk als jeugdcoach bij de honkbalvereniging. [gedaagde] vindt het een inbreuk op zijn privacy m energieafrekeningen en bankafschriften in te dienen om te onderbouwen dat hij zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Hij doet wel een bewijsaanbod om zijn standpunten verder te bewijzen.\n\n2.3.. De kantonrechter komt niet toe aan een bewijsopdracht. Zij oordeelt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door niet zijn hoofdverblijf te hebben in de woning. Hij moet daarom de woning verlaten. Hieronder wordt dit oordeel uitgelegd.\n\nDe algemene voorwaarden die [gedaagde] heeft ingediend zijn van toepassing op de overeenkomst\n\n2.4.. De kantonrechter oordeelt dat de set algemene voorwaarden die door [gedaagde] is ingediend van toepassing is op de huurovereenkomst. [gedaagde] heeft namelijk uitgelegd dat hij deze set algemene voorwaarden heeft ontvangen bij zijn huurovereenkomst en er daarom op mocht vertrouwen dat Woonstad deze set algemene voorwaarden van toepassing wil laten zijn op de huurovereenkomst. Dit is niet door Woonstad tegengesproken. De verplichting om het hoofdverblijf te hebben in de woning is in beide sets opgenomen, maar voor de ambtshalve toetsing van bedingen in de overeenkomst vindt de kantonrechter het van belang om de juiste set algemene voorwaarden te hanteren.\n\n [gedaagde] heeft niet zijn hoofdverblijf in de woning\n\n2.5.. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat hij niet zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] wel zijn hoofdverblijf moet hebben in de woning (artikel 6.2 van de algemene voorwaarden en artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek). Hieronder wordt dit oordeel uitgewerkt.\n\n2.6.. Woonstad heeft voldoende onderbouwd dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Tijdens wijkrondes hebben buurtbeheerders weinig beweging gezien in de woning en is gezien dat de tuin niet werd onderhouden. Dit beeld werd door buren bevestigd in gesprekken met de wijkbeheerder in oktober 2023 en januari 2024. Medewerkers van Woonstad zijn meermaals aan de deur geweest om in gesprek te gaan hierover, maar er kwam geen reactie. Tijdens een huisbezoek heeft Woonstad een minimale inrichting aangetroffen en weer geconstateerd dat de voor- en achtertuin slecht werden onderhouden. Daarnaast hebben vijf buren individueel en voldoende gedetailleerd verklaard dat [gedaagde] volgens hun waarnemingen niet in de woning woont. Zij hebben onder meer verklaard dat ze weten wie de bewoner is van de woning, maar dat ze deze bewoner niet zien behalve af en toe zien om de post op te halen. De buren bevestigen dat hij de tuin niet onderhoudt. De verklaringen zijn steeds ondertekend door de bewoner en een medewerker van Adviesburo Veerkracht. [gedaagde] geeft aan dat de uitkomsten van het onderzoek niet kunnen worden gebruikt, omdat hij niet kan verifiëren wie dit hebben verklaard en wat de buren konden verklaren. De kantonrechter gaat hier niet in mee, aangezien er voor elke bewoner een individuele verklaring is opgesteld welke is ondertekend door de bewoner. Woonstad mocht op basis van deze constateringen het vermoeden aannemen dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning.\n\n2.7.. Vervolgens ligt het op de weg van [gedaagde] om in het kader van zijn betwisting zijn stelling dat hij wel in de woning woont te onderbouwen met stukken. [gedaagde] zal namelijk als huurder meer stukken in zijn bezit hebben die kunnen aantonen dat hij wel het hoofdverblijf in het gehuurde heeft. [gedaagde] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hij in de woning woont. Hij heeft namelijk alleen handtekeningen van bewoners overgelegd waaruit moet blijken dat hij geen overlast heeft veroorzaakt en geen woonfraude pleegt. Hij geeft aan ingeschreven te staan op het adres van de woning. Verder heeft hij een verklaring van zijn sportclub overgelegd waaruit blijkt dat hij doordeweeks aan het eind van de middag of begin van de avond training geeft. Uit deze stukken blijkt echter niet dat hij wel in de woning woont. Het verklaart met name dat hij naast zijn werk verplichtingen heeft waardoor hij regelmatig niet thuis is. De door [gedaagde] van tevoren opgestelde verklaring die de buren van [gedaagde] voor hem hebben ondertekend, laat ook niet zien dat [gedaagde] daadwerkelijk in de woning woont. [gedaagde] heeft er met een beroep op zijn privacy voor gekozen om verder geen stukken te overleggen waaruit blijkt dat hij in de woning woont, zoals de eerder door Woonstad opgevraagde jaarnota’s van energie en water alsmede bankafschriften. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat hij op zich niet verplicht is de stukken ter onderbouwing in te dienen, maar dit betekent wel dat de onderbouwing van zijn stelling dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf had in de woning te mager is om voldoende tegenwicht te kunnen bieden aan de stellingen van Woonstad.\n\n2.8.. De kantonrechter passeert het ongespecificeerde bewijsaanbod van [gedaagde], omdat [gedaagde] zijn stellingen in de deze fase van de procedure al voldoende had moeten onderbouwen om aan een bewijslevering toe te kunnen komen. Hij heeft dit niet gedaan.\n\nDe huurovereenkomst wordt ontbonden\n\n2.9.. De kantonrechter oordeelt verder dat de tekortkoming ernstig genoeg is om de overeenkomst te ontbinden. Daarbij moet zij rekening houden met alle omstandigheden van het geval.De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat zijn baan in gevaar komt als hij geen woning meer heeft. Het belang van Woonstad om in deze tijd van woningschaarste een woning toe te kennen aan iemand op de wachtlijst die wel de woning bewoont, weegt in dit geval echter zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de woning.\n\n [gedaagde] moet de woning ontruimen\n\n2.10.. Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend.\n\n [gedaagde] hoeft geen incassokosten te betalen\n\n2.11.. De bepaling over de buitengerechtelijke kosten (artikel 18.4 van de algemene voorwaarden) is oneerlijk. De bepaling wijkt namelijk in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW) of wekt die indruk. Een bepaling die de handelaar recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de voorwaarde dat de bepaling de handelaar geen recht mag geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd of als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. Aan deze voorwaarde is hier niet voldaan. De bepaling is daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen.\n\n [gedaagde] moet de onderzoekskosten betalen\n\n2.12.. De onderzoekskosten van € 726,00 moet [gedaagde] betalen. Woonstad heeft voldoende onderbouwd dat zij deze kosten moest maken om vast te stellen dat [gedaagde] zijn hoofdverblijf niet heeft in de woning. Woonstad heeft ook de hoogte van de kosten onderbouwd met een factuur. [gedaagde] heeft die niet tegengesproken.\n\nVerder geen oneerlijke bepalingen\n\n2.13.. De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.14.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonstad moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 340,00 aan griffierecht, € 288,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 144,00) en € 72,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 845,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\nHet vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.15.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonstad dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonstad te stellen;\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan Woonstad € 726,00 te betalen;\n\n3.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonstad worden begroot op € 845,45;\n\n3.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.5.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.\n\n64363\n\n Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7143","2026-07-13T00:29:46.671Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":56,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":107,"summary":56,"language":7,"source":58,"sourceUrl":108,"sourceTimestamp":109,"parsedAt":61,"updatedAt":110},"1031","ECLI:NL:RBROT:2025:15761","ecli-nl-rbrot-2025-15761","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11886007 VV EXPL 25-550\n\ndatum uitspraak: 26 november 2025\n\nVonnis in kort geding van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwoonplaats: [woonplaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. B. van Gestel,\n\ntegen\n\nStichting Hef Wonen,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. Y. Rijswijk.\n\nDe partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘Hef Wonen’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 3 november 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlagen;\n\nde spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiseres] .\n\n1.2.. Op 12 november 2025 is de zaak tijdens een zitting met partijen besproken.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n2.1.. \n [eiseres] huurt sinds 16 april 2014 een woning van Hef Wonen. Dit betreft een etagewoning op de begane grond. Sinds september 2023 heeft [eiseres] nieuwe bovenburen. Die bovenburen zijn een gezin, bestaande uit een man en vrouw met drie jonge kinderen, waarvan één kind autistisch is. Sindsdien ervaart [eiseres] geluidsoverlast afkomstig van die bovenburen. Sinds oktober 2023 heeft [eiseres] regelmatig meldingen gedaan bij Hef Wonen over de overlast. Volgens [eiseres] ervaart zij inmiddels al twee jaar dagelijks ernstige geluidsoverlast. Hef Wonen heeft naar aanleiding van de klachten van [eiseres] actie ondernomen om de ervaren overlast weg te nemen. Zo heeft zij de bovenburen steeds aangesproken op het veroorzaken van overlast, zowel mondeling in gesprekken als in brieven. Zij heeft ook de bovenburen gesommeerd om een ondervloer te leggen toen zij erachter kwam dat de bovenburen geen ondervloer hadden en het ontbreken daarvan als mogelijke veroorzaker van de ervaren overlast werd gezien. Verder heeft zij twee keer een geluidsmeting laten uitvoeren. Daarnaast heeft zij tevergeefs een poging tot het verzorgen van buurtbemiddeling gedaan. Inmiddels heeft Hef Wonen als oplossing met de bovenburen afgesproken dat zij de bovenburen zal verhuizen naar een andere woning.\n\n2.2.. \n [eiseres] eist nu in deze procedure om Hef Wonen te veroordelen om “het gebrek te herstellen” en om aan [eiseres] tijdelijk, zolang de bovenburen nog niet zijn verhuisd en het gebrek niet is verholpen, andere woonruimte aan haar aan te bieden “en de kosten voor alle maatregelen die daarvoor moeten worden genomen, te dragen (waaronder verhuiskosten)”, op straffe van een dwangsom.\n\n2.3.. \n [eiseres] stelt dat sprake is van een ernstig gebrek dat leidt tot een permanente inbreuk op haar huur- en woongenot, gezondheidsproblemen en tot verlies van inkomsten en vertraging van haar studie. Hef Wonen moet het gebrek op grond van de wet (artikel 7:206 lid 1 BW) verhelpen. Gezien de duur en ernst van de geluidsoverlast en het ontbreken van een concrete termijn en concrete maatregelen, kan van [eiseres] niet worden verlangd dat zij nog langer in deze situatie van ernstig verminderd huurgenot blijft.\n\n2.4.. Hef Wonen is het niet eens met de eis. Hef Wonen begrijpt niet wat [eiseres] bedoelt met haar eis om Hef Wonen te veroordelen om “het gebrek te herstellen”. Zij stelt zich op het standpunt dat zij zich voldoende heeft ingespannen om de situatie tussen [eiseres] en de bovenburen op te lossen zodat er geen sprake is van een gebrek. Hef Wonen vindt ook dat [eiseres] geen belang heeft bij haar eis, omdat Hef Wonen al bezig is met het zoeken naar een andere woning voor de bovenburen van [eiseres] . Hef Wonen ziet verder geen grondslag om aan [eiseres] tijdelijk alternatieve woonruimte aan te bieden. Zij vindt dat als zij [eiseres] wel andere woonruimte moet aanbieden, zij daar een ruime termijn voor moet krijgen en dat een eventueel toe te wijzen dwangsom moet worden beperkt gelet op de krapte op de woningmarkt. Het deel van de eis over een (verhuis)kostenvergoeding beschouwt Hef Wonen als te onbepaald. Voor toewijzing van dit deel van de vordering bestaat geen grondslag, aldus Hef Wonen.\n\nJuridisch kader in dit kort geding\n\n2.5.. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor de wederpartij als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. In kort geding kan (slechts) een voorlopige (orde)maatregel worden getroffen.\n\nDe geluidsmetingen\n\n2.6.. De eerste geluidsmeting in de woning van [eiseres] vond plaats in de periode vanaf 29 augustus t\u002Fm 12 september 2024. In het rapport van die geluidsmeting is als volgt geconcludeerd:\n\n“(…)\n\nDe hinderlijke geluiden bestaan uit zowel contact- als luchtgeluiden komende vanuit de bovenliggende woning op nr. [huisnummer] . Meestal veroorzaakt door 2 kinderen. Kind rent op blote voeten of sokken door de woning, gooit met een balletje of blokken en schreeuwt veelvuldig. Vaak huilt een kind ook. Ouders lijken hierin niet corrigerend op te treden. In totaal tellen wij 152 momenten waarbij de norm gedurende de dag-, avond- en nachturen wordt overschreden (Lden). Overlastgever is hiervoor gewaarschuwd, waardoor de gemeten geluidsvoorwaarden mogen worden beoordeeld incl. de “vermijdbaarheidsfactor” (…)\n\nDe woning wordt beoordeeld als klasse 4. De woning is gebouwd in 1982 en voorzien van subtype tussenvloeren. Deze vloer is laat het contactgeluid eenvoudiger door dan een betonnen vloer. Tussen de woning scheidende vloer en het plafond zit geen\u002F of onvoldoende isolatie.\n\nBurengedrag wordt, door overlastontvanger beoordeeld als “Z5, hinderlijk lawaaiig gedrag”.\n\nDit wordt door onderzoeker ook als zodanig ervaren bij het beluisteren van de geluidsbestanden.\n\nHet gedrag alsmede de gehorigheid van de woning zijn hier bepalend voor de mate van hinder. Overlastgever weet dit en zou hier zijn gedrag op aan kunnen passen, maar doet dit niet.\n\nVolgens onderzoeker is hier sprake van onrechtmatige hinder.\n\n(…)”\n\n2.7.. Op 10 februari 2025 heeft Hef Wonen aan [eiseres] laten weten dat zij heeft geconstateerd dat de vloer van de bovenburen inmiddels voldeed aan de eisen die Hef Wonen stelt aan de vloer en dat Hef Wonen er daarmee van uitging dat de overlastklachten gestopt zijn en vallen onder normale leefgeluiden.\n\n2.8.. \n\nOmdat Hef Wonen desondanks overlastklachten bleef ontvangen van [eiseres] , heeft zij een tweede geluidsmeting laten uitvoeren. Die tweede geluidsmeting vond plaats vanaf\n\n26 mei tot 10 juni 2025. In het rapport van die geluidsmeting staat de volgende conclusie:\n\n“(…)\n\nDe hinderlijke geluiden bestaan uit zowel contact- als luchtgeluiden komende vanuit de bovenliggende woning op nr. [huisnummer] . De meeste hinder wordt veroorzaakt door kinderen. Vooral het stampen en gillen\u002F krijsen van een kind zorgen voor de meeste hinder. Deze geluiden komen continue boven de gestelde norm. Kind stampt op blote voeten of sokken door de woning. Ouders lijken hierin niet corrigerend op te treden. In totaal tellen wij 243 momenten waarbij de norm gedurende de dag-, avond- en nachturen wordt overschreden (Lden). Overlastgever is hiervoor eerder gewaarschuwd, waardoor de gemeten geluidsvoorwaarden mogen worden beoordeeld incl. de “vermijdbaarheidsfactor” (…)\n\nDe woning wordt beoordeeld als klasse 4. De woning is gebouwd in 1982 en voorzien van subtype tussenvloeren. Deze vloer laat het contactgeluid eenvoudiger door dan een betonnen vloer.\n\nHierdoor zal er altijd meer geluiden hoorbaar zijn in de onderliggende woning.\n\nBurengedrag wordt, door overlastontvanger beoordeeld als “Z5, hinderlijk lawaaiig gedrag”.\n\nDit wordt door onderzoeker ook als zodanig ervaren bij het beluisteren van de geluidsbestanden.\n\nHet gedrag alsmede de gehorigheid van de woning zijn hier bepalend voor de mate van hinder. Overlastgever weet dit en zou hier zijn gedrag op aan kunnen passen, maar doet dit niet.\n\nVolgens onderzoeker is hier sprake van onrechtmatige hinder.\n\n(…)”\n\nDe vordering tot herstel van het gebrek is niet toewijsbaar\n\n2.9.. \n\nDe vordering tot herstel van het gebrek wordt afgewezen, omdat [eiseres] deze zeer algemeen geformuleerde vordering niet heeft geconcretiseerd. Feitelijk wil [eiseres] dat er een einde aan de overlast komt, maar onduidelijk is gebleven wat zij concreet van Hef Wonen in het kader van deze eis verwacht, nog daargelaten wat in deze zaak nu wel of niet als gebrek kan worden aangemerkt. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [eiseres] uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij niet de bedoeling heeft dat Hef Wonen een procedure start tegen de bovenburen met als doel de huurovereenkomst te ontbinden, omdat het niet haar bedoeling is dat Hef Wonen haar bovenburen, een gezin met jonge kinderen, op straat zet.\n\nHef Wonen moet aan [eiseres] tijdelijk andere woonruimte aanbieden\n\n2.10.. In deze procedure moet als uitgangspunt worden genomen dat de bovenburen van [eiseres] structureel ernstige (geluids)overlast veroorzaken, ondanks dat ze daar herhaaldelijk op zijn aangesproken. Dit is immers objectief vastgesteld door middel van de geluidsmetingen, waarvan de kantonrechter vooral de laatste geluidsmeting van belang acht, omdat in de periode van die geluidsmeting de bovenburen een vloer met ondervloer hadden, die aan de door Hef Wonen gestelde eisen voldeed. De onderzoeker concludeert in beide rapporten dat er sprake is van onrechtmatige hinder. Hoewel uit het rapport lijkt te volgen dat de overlast vooral door kinderen wordt veroorzaakt, heeft [eiseres] op de zitting uiteindelijk onweersproken gesteld dat zij ook overlast ervaart door de volwassenen in de bovenwoning, die schreeuwen, en dat de kinderen daarop reageren.\n\n2.11.. Van [eiseres] kan redelijkerwijs niet gevergd worden dat zij deze situatie van structureel ernstige overlast onbeperkt en eindeloos duldt. Hoewel Hef Wonen zich inspant om de ontstane situatie tussen [eiseres] en haar bovenburen op te lossen, wat er inmiddels in resulteert dat zij op zoek is naar een andere passende woning voor de bovenburen van [eiseres] , is er op dit moment geen sprake van een concreet vooruitzicht op een verhuizing van de bovenburen op korte termijn. Dit heeft er naast de schaarste aan huurwoningen mee te maken dat Hef Wonen tegemoet wil komen aan de wensen van die bovenburen voor een andere woning, bijvoorbeeld wat betreft type woning (het liefst een benedenwoning), grootte en locatie. In de tussentijd ervaart [eiseres] last van de overlast die haar bovenburen veroorzaken, en wordt tegen de overlast zelf niet met merkbaar effect opgetreden. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt, mede door overlegging van huisartsverklaringen, dat zij door de langdurige overlast gezondheidsklachten en problemen in het dagelijks functioneren ervaart. De kantonrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat sprake is van een gebrek. Naar oordeel van de kantonrechter is inmiddels sprake van een voor [eiseres] onhoudbare situatie. Gelet op het voorgaande én omdat Hef Wonen in principe de verplichting heeft om aan haar huurders het rustig huurgenot te verschaffen, vindt de kantonrechter het in deze situatie gerechtvaardigd dat Hef Wonen wordt veroordeeld om aan [eiseres] tijdelijk, zolang haar bovenburen niet zijn verhuisd, andere passende woonruimte aan te bieden.\n\n2.12.. Hef Wonen heeft op de zitting gesteld dat zij geen beschikbare woningen heeft om [eiseres] tijdelijk in te huisvesten. Zij heeft daarbij gewezen op haar beleid om woningen vrij te houden voor huurders die in verband met een calamiteit niet in hun huurwoning kunnen verblijven en heeft gesteld dat al die woningen bezet zijn. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om aan Hef Wonen een ruimere termijn te gunnen om tijdelijke passende woonruimte voor [eiseres] te vinden. De kantonrechter acht een termijn van drie maanden na de datum van dit vonnis redelijk, waarbij wordt opgemerkt dat ervan wordt uitgegaan dat [eiseres] eerder een andere passende woning krijgt aangeboden als die eerder beschikbaar is.\n\nDwangsom\n\n2.13.. De kantonrechter zal aan de veroordeling een dwangsom verbinden, met dien verstande dat de toe te wijzen dwangsom zal worden beperkt tot € 25,00 per dag met een maximum van € 2.000,00.\n\nHef Wonen hoeft geen verhuiskostenvergoeding of andere kosten aan [eiseres] te vergoeden\n\n2.14.. \n [eiseres] heeft in de dagvaarding gesteld dat Hef Wonen [eiseres] per direct tijdelijke andere woonruimte moet aanbieden “op kosten van Hef Wonen”. Zij heeft verder geen, althans onvoldoende, onderbouwing gegeven voor dit deel van de eis. Zo heeft zij geen enkele grondslag voor toekenning van een (verhuis)kostenvergoeding genoemd, terwijl in de wet niet is voorzien in het toekennen van een (verhuis)kostenvergoeding voor een situatie zoals in deze zaak. Het is op dit moment bovendien niet zeker of [eiseres] kosten zal moeten maken voor een eventuele verhuizing en zo ja, hoeveel. Dit deel van de eis wordt daarom afgewezen.\n\nHef Wonen moet de proceskosten betalen\n\n2.15.. De proceskosten komen voor rekening van Hef Wonen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Hef Wonen aan [eiseres] moet betalen op € 90,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.039,00. Er worden geen dagvaardingskosten toegewezen, omdat [eiseres] met een toevoeging procedeert.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.16.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en Hef Wonen daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt Hef Wonen om binnen drie maanden na de datum van dit vonnis aan [eiseres] tijdelijk, voor de duur dat de bovenburen van [eiseres] nog in hun huidige huurwoning verblijven, andere passende woonruimte aan te bieden, op straffe van een door Hef Wonen te verbeuren dwangsom van € 25,00 per dag voor iedere dag na de betekening van dit vonnis dat Hef Wonen in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.000,00;\n\n3.2.. veroordeelt Hef Wonen in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.039,00;\n\n3.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.\n\n757","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15761","2026-04-14T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:00.202Z",20]