[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-maritime-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":54,"total":16,"page":25,"limit":99},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},51,"maritime-law-nl","Maritime Law","NL","2026-07-08T16:53:53.209Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2024-05-06T00:00:00.000Z","2026-05-13T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,38,41,44,47,51],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122118","Burgerlijk Wetboek","art. 8:755 lid 1",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122120","art. 3:31",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"121870","art. 8:1004 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"121871","art. 6:163",{"provisionId":36,"code":23,"article":37,"count":25},"121896","art. 6:44",{"provisionId":39,"code":23,"article":40,"count":25},"121897","art. 6:91",{"provisionId":42,"code":23,"article":43,"count":25},"121898","art. 6:92 lid 1",{"provisionId":45,"code":23,"article":46,"count":25},"121899","art. 6:92 lid 2",{"provisionId":48,"code":49,"article":50,"count":25},"121900","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 242",{"provisionId":52,"code":23,"article":53,"count":25},"121901","art. 3:303",[55,65,74,83,91],{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":63,"updatedAt":64},"344","ECLI:NL:RBROT:2026:5540","ecli-nl-rbrot-2026-5540","","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam Handel en Haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F694548 \u002F HA ZA 25-157\n\nVonnis van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nTRANSNORDIC SHIPPING & LOGISTICS B.V.,\n\ngevestigd te Dordrecht,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Transnordic,\n\nadvocaat: mr. Z.F. Poortvliet te Rotterdam,\n\ntegen\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nDELINA GMBH,\n\ngevestigd te Kempen (Duitsland),\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: Delina,\n\nadvocaat: mr. W.E. Boonk te Rotterdam.\n\n1. De kern van het geschil\n\nTransnordic wil betaald worden voor haar werkzaamheden als ontvangstexpediteur. Bij de import van voor Delina bestemde goederen zijn er vertragingen geweest in de haven van Rotterdam. Transnordic heeft daarover informatie aan Delina verschaft. Delina vraagt zich echter nog steeds af of die vertragingen aan Transnordic te verwijten zijn, wil nog meer informatie van Transnordic en vordert een schadevergoeding.\n\nDe rechtbank oordeelt – kort gezegd – dat Delina Transnordic moet betalen voor de door Transnordic verrichte werkzaamheden. Transnordic heeft ook voldoende informatie gegeven aan Delina. De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering van Delina af omdat zij daarvoor onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld. De rechtbank legt dat hieronder uit.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding 12 december 2024, met producties 1 tot en met 20; - de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie van 23 juli 2025, met producties 1 tot en met 3;\n\n- de brieven van de rechtbank van 5 augustus 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- het bericht van de rechtbank van 5 november 2025, met daarin een zittingsagenda;\n\n- de op 21 november 2025 ingekomen akte van Delina van 4 december 2025, met producties 4 tot en met 9;\n\n- de op 23 november 2025 ingekomen conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende wijziging van eis in conventie en overlegging producties in conventie van 4 december 2025, met producties 21 tot en met 28;\n\n- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Poortvliet en Boonk .\n\n2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Delina is een handelsonderneming die actief is in de levensmiddelenindustrie. Zij importeert goederen van buiten de EU.\n\n3.2.. Transnordic is een logistiek dienstverlener en treedt op als ontvangstexpediteur van Delina in de haven van Rotterdam. Dat houdt onder meer in dat zij binnenkomende containers van de zeevervoerder in ontvangst neemt en zorg draag voor het inklaren en (fytosanitaire) keuren van de goederen. Transnordic maakt daarbij gebruik van verschillende douane-agenten.\n\n3.3.. Partijen hebben ruim 16 jaar samengewerkt. De meest recente offerte op basis waarvan partijen hebben samengewerkt is op 21 december 2022 aan Delina gestuurd per e-mail. Onderaan de e-mail heeft Transnordic de ‘Transnordic Warehousing Conditions version 2019’ van toepassing verklaard op ‘any warehousing activities’ en op alle andere activiteiten de ‘Transnordic Forwarding Conditions version 2018’ (hierna: TFC), met daarbij hyperlinks naar die voorwaarden.\n\n3.4.. Sinds, althans vooral in het tweede kwartaal van 2024 is sprake van significante vertragingen tussen aankomst van de goederen in de haven van Rotterdam en het moment dat deze door de Douane en de NVWA zijn goedgekeurd voor verder transport. De hieraan verbonden extra kosten heeft Transnordic aan Delina doorbelast.\n\n3.5.. In de periode van augustus 2024 tot en met december 2024 heeft Transnordic 59 facturen verstuurd, welke Delina aanvankelijk niet heeft betaald. Het daarmee in totaal gefactureerde bedrag bedraagt € 127.006,44.\n\n3.6.. Op 28 oktober 2024 stelt Delina Transnordic formeel aansprakelijk voor de door haar geleden schade door de vertragingen en schorst zij betaling van de nog openstaande facturen op. Delina voegt daarbij een excel-overzicht van de vertraagde vrachten en verzoekt Transnordic om dat overzicht aan te vullen met haar gegevens, om te achterhalen hoe en waar de vertragingen werkelijk zijn ontstaan.\n\n3.7.. Op 31 oktober 2024 heeft Transnordic aan Delina geschreven dat opschorting volgens haar ongegrond is en contractueel niet is toegelaten. Het excel-overzicht heeft Transnordic aangevuld en gelijktijdig aan Delina toegezonden. Transnordic maant Delina daarbij aan tot betaling van de facturen en buitengerechtelijke kosten over de facturen waarvan de vervaldatum op dat moment is verstreken.\n\n3.8.. Op 6 november 2024 vraagt Delina aan Transnordic ook om alle onderliggende documenten dan wel ander beschikbaar bewijs van de door Transnordic ingevulde data.\n\n3.9.. Op 14 november 2024 reageert Transnordic dat zij dat een onnodig en disproportioneel aanvullend verzoek acht, en maant zij opnieuw aan tot betaling van de facturen en buitengerechtelijke kosten over de facturen waarvan de vervaldatum op dat moment is verstreken.\n\n3.10.. Op 20 november 2024, nadat partijen intussen enkele berichten hebben gewisseld, stelt Delina voor dat zij € 81.753,44 – volgens Delina de kosten exclusief demurrage(productie 18 bij dagvaarding) – van de openstaande facturen zal betalen, en dat Transnordic daarna de genoemde documenten zal toesturen.\n\n3.11.. Op 26 november 2024 heeft Delina € 66.795,74 aan Transnordic betaald, en op 4 december 2024 € 15.600,17. In beide gevallen heeft Delina daarbij gespecificeerd op welke facturen deze betalingen zien.\n\n3.12.. Op 18 april 2025 heeft Transnordic inzage gegeven in onderliggende documenten (die zij in de tussentijd al had verzameld) aan de advocaat van Delina. In mei heeft Delina ook zelf (technisch) toegang gekregen tot die documenten.\n\n3.13.. Op 8 juli 2025 heeft Delina inhoudelijk commentaar geleverd op de aangeleverde documenten, met nadere vragen.\n\n3.14.. Op 15 juli 2025 heeft Transnordic aangegeven geen nadere informatie meer te willen verstrekken.\n\n3.15.. Na het uitbrengen van dagvaarding heeft Transnordic van rederijen nog kosten doorbelast gekregen die ten behoeve van Delina zijn gemaakt. Op 24 januari 2025, 28 januari 2025, 25 februari 2025 respectievelijk 5 augustus 2025 heeft Transnordic die kosten doorbelast aan Delina met een negental facturen. Deze facturen bedragen gezamenlijk € 1.180,00. Delina heeft deze facturen niet betaald.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n\nTransnordic vordert, na wijziging van eis, – samengevat – de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. Delina te veroordelen om aan haar te betalen € 43.790,53 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW over het per factuur openstaande bedrag van oorspronkelijk € 125.006,44 vanaf de vervaldatum van iedere factuur, met in achtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW ten aanzien van de tussentijds gedane betalingen;\n\nII. Delina te veroordelen aan haar te betalen € 12.465,64 aan buitengerechtelijke incassokosten;\n\nIII. Voor recht te verklaren dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige en toekomstige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nIV. Delina te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf zeven dagen na dit vonnis.\n\n4.2.. Delina voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Transnordic, met veroordeling van Transnordic in de kosten van deze procedure, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\nin reconventie\n\n4.3.. \n\nDelina vordert – samengevat – de rechtbank om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Transnordic te veroordelen:\n\nI. aan haar te betalen € 118.100,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juli 2025 (de datum van de conclusie van eis in reconventie); en\n\nII. in de proceskosten.\n\n4.4.. Transnordic voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Delina, met veroordeling van Transnordic in de kosten van deze procedure, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nDe rechtbank Rotterdam is (internationaal) bevoegd\n\n5.1.. De zaak heeft een internationaal karakter omdat Delina buiten Nederland is gevestigd. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij internationaal bevoegd is en, zo ja, welk recht van toepassing is.\n\n5.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat de TFC van toepassing zijn. In artikel 21 lid 3 TFC is bepaald dat, onder meer, de rechtbank Rotterdam bevoegd is kennis te nemen van geschillen verbonden aan overeenkomsten waarop de TFC van toepassing zijn. De rechtbank Rotterdam is daarom bevoegd kennis te nemen van dit geschil (artikel 25 Brussel I-bis).\n\n5.3.. In artikel 21 lid 1 TFC is voorts bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op overeenkomsten waarop de TFC van toepassing zijn. Nederlands recht is zodoende van toepassing op dit geschil (artikel 3 Rome I).\n\nin conventie\n\nDe gevorderde openstaande factuurbedragen zijn toewijsbaar\n\n5.4.. Transnordic vordert aan hoofdsom € 43.790,53 aan onbetaald gebleven facturen. Zij stelt dat Transnordic de overeengekomen logistieke diensten heeft verleend. Daarnaast komen extra kosten wegens langere laad- en lostijden, waaronder demurrageen wachttijd, voor rekening van Delina, gelet op artikel 6 lid 6 TFC:\n\n“Article 6. Remunerations\n\n(…)\n\n6. Other than in cases of intent or deliberate recklessness on the part of the Freight Forwarder, in the event of the loading and\u002For unloading time being inadequate, all costs resulting therefrom, such as demurrage, waiting times, etc. shall be borne by the Client, even when the Freight Forwarder has accepted the bill of lading and\u002For the charter party from which the additional costs arise without protestation. The Freight Forwarder must make every effort to avoid these costs.”\n\nDelina is daarom verplicht om Transnordic de nog openstaande factuurbedragen te betalen op grond van artikel 15 lid 1 TFC. Opschorting daarvan is contractueel uitgesloten in artikel 15 lid 10 TFC, aldus Transnordic:\n\n“Article 15. Payment conditions\n\n1. The Client shall pay to the Freight Forwarder the agreed remunerations and other costs, freights, duties, etc. ensuing from the Agreement upon commencement of the Services, unless agreed otherwise.\n\n(…)\n\n10. It shall not be permissible for claims receivable to be set off against payment of remunerations arising from the Agreement on any other account in respect of the Services owed by the Client or of other costs chargeable against the Goods with claims of the Client or suspension of the aforementioned claims by the Client.”\n\n5.5.. Delina voert aan dat zij niet gehouden is te betalen voor diensten die niet deugdelijk zijn verleend. Als de vertragingen die zijn opgelopen in het traject bij de Douane en de NVWA aan Transnordic te verwijten zijn, dan heeft Transnordic haar werk niet goed gedaan. Delina voert aan dat zij nog steeds niet over de volledige benodigde informatie beschikt. Of Transnordic haar werk goed heeft gedaan, is voor Delina tot op heden nog niet te beoordelen geweest. Delina voert aan daarom nog niet verplicht te zijn de facturen te betalen en dat zij de betaling van de facturen daarom heeft opgeschort.\n\n5.6.. Daarnaast voert Delina aan dat als Transnordic haar werk niet goed heeft gedaan, Delina dan een schadevordering heeft op Transnordic, waardoor zij eveneens kan opschorten en verrekenen.\n\n5.7.. De rechtbank oordeelt dat in artikel 15 lid 1 TFC is bepaald dat Transnordic de aan haar verschuldigde bedragen voor door haar verleende diensten direct opeisbaar zijn vanaf het moment dat die betreffende diensten zijn verleend. Daaronder vallen ook de extra kosten (artikel 6 lid 6 TFC). Of Transnordic al dan niet deugdelijk heeft gepresteerd doet daaraan niet af. Op grond van artikel 15 lid 10 TFC is Delina namelijk niet bevoegd deze betalingsverplichtingen op te schorten. Vaststaat dat er aanvankelijk € 128.186,44 onbetaald is gebleven en dat Delina daarvan intussen € 82.395,91 heeft voldaan (zie 3.5, 3.11 en 3.15). Dat betekent dat er in ieder geval nog een bedrag van € 45.790,53 aan factuurbedragen openstaat. De door Transnordic gevorderde hoofdsom van € 43.790,53 is daarom toewijsbaar.\n\nTransnordic vordert wettelijke handelsrente over € 125.006,44\n\n5.8.. Bij dagvaarding heeft Transnordic gevorderd “Delina te veroordelen om aan Transnordic te betalen een hoofdsom van EUR 125.006,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het openstaande bedrag vanaf de vervaldatum van iedere factuur (…), alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten (…)”, waarna het totaal moet “worden verminderd met het reeds door Delina betaalde bedrag (…), waarbij betalingen worden toegerekend conform artikel 6:44 BW”. Daarbij heeft Transnordic toegelicht dat de intussen door Delina gedane betalingen op grond van artikel 6:44 BW eerst in mindering op de reeds verlopen rente en buitengerechtelijke kosten moeten worden gebracht en daarna pas op de hoofdsom.\n\n5.9.. Bij wijziging van eis heeft Transnordic gevorderd “Delina te veroordelen om aan Transnordic te betalen een hoofdsom van EUR 43.790,53, waarbij de betalingen worden toegerekend conform artikel 6:44 BW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het openstaande bedrag vanaf de vervaldatum van iedere factuur (…), alsmede te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten (…)”.\n\n5.10.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Transnordic, op vragen van de rechtbank, toegelicht dat zij nog steeds de wettelijke handelsrente vordert over het bedrag van € 125.006,44, waarbij ten aanzien van de tussentijdse betaling van Delina rekening moet worden gehouden met hetgeen in artikel 6:44 BW is bepaald.\n\n5.11.. De rechtbank begrijpt de vordering van Transnordic zo dat zij nog steeds de wettelijke handelsrente over € 125.006,44 vordert. Transnordic heeft namelijk herhaaldelijk gewezen op de systematiek van artikel 6:44 BW, waaronder in de letterlijke tekst van haar eisvermindering. Bij het vorderen van de wettelijke handelsrente over € 43.790,53 zou dat artikel niet meer van belang zijn geweest. De rechtbank begrijpt uit die verwijzing dat Transnordic haar eis niet heeft willen wijzigen ten aanzien van de gevorderde wettelijke handelsrente en dat dat ook voor Delina duidelijk moet zijn geweest.\n\nDe gevorderde wettelijke handelsrente is toewijsbaar5.12. Transnordic hanteert, anders dan uit de directe opeisbaarheid van artikel 15 lid 1 TFC volgt, in haar facturen een vervaltermijn van 30 dagen. Met het uitblijven van betaling van de betreffende facturen binnen de daarin gestelde vervaltermijnen is sprake van verzuim aan de zijde van Delina vanaf die vervaltermijnen (artikel 6:83 aanhef en onder a BW).\n\n5.13.. De gevorderde wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW is daarom toewijsbaar over € 125.006,44, zijnde het totaal van de bij dagvaarding gevorderde factuurbedragen, vanaf de vervaldata van die facturen, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina ten aanzien van die facturen gedane betalingen.\n\nDe gevorderde BIK is toewijsbaar na matiging\n\n5.14.. Transnordic stelt dat tot het moment van dagvaarden Delina in verzuim is geraakt met de betaling van 55 facturen, met een totaal factuurbedrag van € 124.656,44. Uit het bepaalde in artikel 16 lid 2 TFC volgt dat Delina daardoor 10% van dat bedrag aan Transnordic verschuldigd is als buitengerechtelijke kosten, te weten € 12.465,64:\n\n“Article 16. Allocation of payments and judicial and extrajudicial costs\n\n(…)\n\n2. The Freight Forwarder shall be entitled to charge to the Client extrajudicial and judicial costs for collection of the claim. The extrajudicial collection costs are owed as from the time at which the Client is in default and these amount to 10% of the claim, with a minimum of € 100.00.”\n\nDe advocaat van Transnordic is anderhalve week bezig geweest met het invullen van het overzicht van Delina en het verzamelen van alle onderliggende documenten, met als doel buiten rechte tot een oplossing te komen. Van een boetebeding is geen sprake omdat het gaat om een beding over buitengerechtelijke kosten. Onaanvaardbaar is het beding niet, omdat het al 16 jaar tussen partijen geldt en het een gebruikelijk beding is in de branche, aldus Transnordic.\n\n5.15.. Delina betwist dat zij dit bedrag verschuldigd is. Direct vanaf de eerste brief werd aangemaand tot het betalen van € 8.763,85 aan buitengerechtelijke kosten. Het kan niet zo zijn dat deze buitengerechtelijke kosten werkelijk zijn gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke kosten staan ook niet in verhouding tot de in deze procedure resterende hoofdsom. Delina verzoekt de rechtbank daarom de buitengerechtelijke kosten te matigen.\n\n5.16.. Betreffende het beroep van Transnordic op artikel 16 lid 2 TFC voert Delina aan dat dit een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW is. Daarom kan Transnordic niet én nakoming én betaling van de boete vorderen (artikel 6:92 lid 1 BW), waarbij de boete dan ook in de plaats treedt van de gevorderde wettelijke rente (artikel 6:92 lid 2 BW).\n\n5.17.. Ten slotte voert Delina het verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Transnordic aanspraak maakt op vergoeding van niet-gemaakte kosten, terwijl zij weigert om werkelijk inzicht te geven in de wijze waarop zij haar dienstverlening heeft verricht.\n\n5.18.. De rechtbank oordeelt als volgt. Transnordic vordert in deze procedure de buitengerechtelijke kosten over € 124.656,44 aan te laat betaalde facturen, zoals deze kosten, samen met de gerechtelijke kosten, contractueel zijn bedongen in artikel 16 lid 2 TFC. Dit artikel betreft een boetebeding. Echter, anders dan Delina betoogt, is artikel 6:92 lid 1 BW hier niet van toepassing. Het boetebeding ziet hier namelijk alleen op de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten (artikel 16 lid 2 TFC). Artikel 6:92 lid 2 BW is daarom wel van toepassing en houdt, zoals Delina wel terecht aanvoert, niets anders in dan dat naast de contractuele buitengerechtelijke kosten niet ook de wettelijke buitengerechtelijke kosten kunnen worden gevorderd. Aangezien de wettelijke buitengerechtelijke kosten niet ook worden gevorderd, heeft artikel 6:92 lid 2 BW hier geen verdere betekenis.\n\n5.19.. Op grond van artikel 242 Rv kan de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 onder b en c BW ambtshalve matigen tot de krachtens de wet te begroten proceskosten dan wel buitengerechtelijke kosten.\n\n5.20.. Zoals al geconstateerd is, vordert Transnordic alleen buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 16 lid 2 TFC. De gerechtelijke kosten vordert zij immers afzonderlijk zonder een beroep op deze contractuele bepaling. De door Transnordic van meet af aan gesommeerde buitengerechtelijke kosten komen de rechtbank over als in ieder geval op dat moment nog buitensporige kosten. Voor zover in deze procedure is gebleken en vaststaat, betroffen de buitengerechtelijke handelingen van Transnordic tot dan toe nog slechts één sommatiebrief en, voor zover dat niet eigenlijk bij het uitvoeren van de informatieplicht van de opdrachtnemer hoort, het aanvullen van het door Delina aangeleverde excel-overzicht. Het toesturen van de onderbouwende stukken heeft Transnordic eerst gedaan nadat Delina daartoe concrete gerechtelijke stappen had voorbereid en aangezegd aan Transnordic. Delina had op dat moment ook al een groot deel van de nog openstaande facturen betaald. Het voorgaande neemt gelijktijdig niet weg dat het verzamelen van die onderbouwende stukken uiteindelijk wel buiten rechte is geweest en dat dit Transnordic veel tijd heeft gekost. Transnordic heeft met die onderbouwende stukken, naast de communicatie tijdens het uitvoeren van de opdrachten en alle eerder gegeven toelichtingen daarover, voldoende inzicht gegeven in de wijze waarop zij haar dienstverlening heeft verricht.\n\n5.21.. De volgens de wet conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te begroten buitengerechtelijke kosten over € 124.656,44 bedragen € 2.446,09 inclusief btw. Gelet op het voorgaande matigt de rechtbank de gevorderde buitengerechtelijke kosten tot 50% van het gevorderde bedrag, te weten € 6.232,82. Dit is toewijsbaar, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina gedane betalingen. Toekenning van de gevorderde € 12.465,64 als toepassing van een boetebeding zou in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leiden.\n\nDe gevolgen van de eiswijziging in het licht van artikel 6:44 BW\n\n5.22.. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat gelet op de systematiek van artikel 6:44 BW moeten de door Delina tussentijds gedane betalingen eerst in mindering worden gebracht op de op dat moment reeds verlopen rente en de buitengerechtelijke kosten. Vermoedelijk resteert daarna een groter bedrag aan openstaande facturen dan waarvan is uitgegaan in overweging 5.7. De eiswijziging in deze procedure biedt de rechtbank geen ruimte voor toewijzing van dat meerdere.\n\nTransnordic heeft gedeeltelijk belang bij de gevorderde verklaring voor recht5.23.. De door Transnordic gevorderde verklaring voor recht dat Delina alle huidige en toekomstige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic moet vergoeden, is toewijsbaar voor zover het alle huidigekosten betreft. In de overwegingen 5.7 en 5.22 is reeds overwogen dat de door Transnordic in deze procedure gevorderde betalingen niet dekkend zijn voor ‘alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic’. Daarbij is eveneens gebleken dat Transnordic wel recht heeft op betaling daarvan.5.24.. De door Transnordic gevorderde verklaring voor recht wordt echter afgewezen voor zover het toekomstigekosten betreft omdat Transnordic daarbij onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW). Deze procedure ziet al op alle huidige kosten, met inbegrip van het toewijsbare deel van de gevorderde verklaring voor recht. Transnordic heeft verder niet kunnen toelichten dat en waarom er nog toekomstige kosten te verwachten zijn, anders dan dat rederijen soms erg laat factureren. Het gaat hier echter over zendingen tot in 2024, waarbij de als laatste aan Delina doorbelaste kosten in januari, februari en vervolgens pas augustus 2025 zijn gefactureerd. Een redelijke verwachting dat er nog toekomstige kosten te verwachten zijn, is er niet.\n\n5.25.. De rechtbank verklaart zodoende voor recht dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata van de daartoe aan Delina toegezonden facturen tot aan de dag van algehele voldoening.\n\nin reconventie\n\nDe gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen\n\n5.26.. Delina vordert € 118.100,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover. De schade bestaat uit kosten die zij wegens vertraging heeft moeten betalen. Het totaalbedrag dat Delina heeft moeten betalen voor de vertraagde zendingen waarover Transnordic geen openheid van zaken heeft wil geven bedraagt € 118.100,00. Voor al die zendingen heeft Delina, ook met de in april respectievelijk mei 2025 ontvangen informatie, niet kunnen vaststellen dat Transnordic zich als goed opdrachtnemer heeft gekweten van haar taken. Daarom gaat Delina ervan uit dat bij die zendingen ten minste een groot deel van de vertraging te wijten is aan handelen of nalaten van Transnordic in strijd met hetgeen Delina onder de overeenkomst van haar mocht verwachten.\n\n5.27.. Transnordic betwist de vordering van Delina. Transnordic voert, onder meer, aan dat zij niet toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, dat zij wel inzichtelijk heeft gemaakt en onderbouwd, voor zover mogelijk, waardoor er vertraging is ontstaan, dat die vertraging niet aan haar te verwijten is. Voorts betwist Transnordic dat Delina schade heeft geleden en de hoogte van de door Delina gestelde schade.\n\n5.28.. Naar het oordeel van de rechtbank moet de vordering van Delina worden afgewezen als onvoldoende onderbouwd gesteld.\n\n5.29.. Transnordic is als opdrachtnemer verplicht om bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen (artikel 7:401 BW). Daarbij moet worden beoordeeld of zij heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan.\n\n5.30.. Daarnaast is Transnordic verplicht aan de opdrachtgever rekening en verantwoording af te leggen van de wijze waarop zij zich van de opdracht heeft gekweten (artikel 7:403 lid 2 eerste zin BW). In hoeverre verantwoording is verschuldigd, hangt af van de aard en inhoud van de opdracht en de verhouding tussen partijen.\n\n5.31.. Allereerst, Transnordic heeft de zorg van een goed opdrachtnemer in acht genomen.\n\n5.32.. Al tijdens de uitvoering van de vertraagde opdrachten heeft Transnordic daarover gecommuniceerd en heeft zij meegedacht om de vertragingen te beperken. Transnordic heeft aangeboden om van douane-agent te wisselen en heeft dat ook gedaan. Dat sorteerde op de langere termijn echter geen effect. Transnordic heeft ook voorgesteld via de haven van Antwerpen te verschepen in plaats van de haven van Rotterdam, omdat in Antwerpen al invoercontroles kunnen worden uitgevoerd voordat de goederen zijn aangekomen.\n\n5.33.. Delina heeft bij haar conclusie van eis in reconventie voor een aantal specifieke zendingen uitgelicht waarom de opgelopen vertragingen aan Transnordic te verwijten zouden zijn. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft Transnordic die voorbeelden weerlegt, in die zin dat de bij die zendingen opgelopen vertragingen niet aan haar kunnen worden verweten, maar dat deze (grotendeels) aan de Douane en\u002Fof de NVWA te verwijten zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Delina die weerleggingen niet bestreden en waren partijen het er wel over eens dat ten minste een groot deel van de vertragingen is ontstaan door toedoen van de NVWA en\u002Fof de Douane. Dat is niet aan Transnordic te verwijten.\n\n5.34.. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door Delina wederom zeer specifieke stellingen ingenomen ten aanzien van een aantal andere vertraagde zendingen. Deze stellingen zijn door haar echter te laat ingenomen om Transnordic voldoende gelegenheid te geven daarop nog te kunnen reageren. Deze voorbeelden moeten daarom buiten beschouwing worden gelaten (artikel 19 Rv).\n\n5.35.. Delina heeft (verder) niet concreet gesteld welke (verwijtbare) fouten door Transnordic zouden zijn gemaakt en welk causaal verband er zou bestaan tussen het handelen van Transnordic en de (al dan niet) door Delina geleden schade. Die schade is bovendien ook slechts genoemd, maar geenszins door Delina inzichtelijk gemaakt. Onder meer over wat voor schade het betreft heeft Delina niets gesteld. Daarbij vordert Delina bijna € 120.000 aan schadevergoeding, terwijl zij eerder zelf aan Transnordic heeft geschreven dat zij slechts ruim € 40.000 aan factuurbedragen onbetaald heeft gelaten omdat die bedragen zagen op door Transnordic gefactureerde extra kosten wegens vertraging.\n\n5.36.. Ten tweede, betreffende het afleggen van rekening en verantwoording aan Delina treft Transnordic eveneens geen blaam. Het excel-overzicht van Delina heeft zij in drie dagen ingevuld en aan Delina retour gestuurd.\n\n5.37.. Ook nadien heeft Transnordic adequaat verantwoording afgelegd. De onderliggende stukken heeft Transnordic uiteindelijk ook aan Delina toegestuurd. Daarover is door Transnordic gesteld en door Delina niet betwist dat het verzamelen en toesturen van alle onderliggende stukken ongebruikelijk is in de branche, zeker nu dit niet tevoren is overeengekomen en daaraan dus ook niet een hogere vergoeding is verbonden voor Transnordic.\n\n5.38.. Bij het weerleggen van de specifieke voorbeelden van Delina heeft Transnordic bij conclusie van antwoord in reconventie nog stukken in het geding gebracht. Delina stelt dat daaruit blijkt dat Transnordic haar niet volledig heeft geïnformeerd. Echter, naar het oordeel van de rechtbank past dit juist in het beeld dat het niet nodig is om altijd alle stukken te achterhalen, onder meer bij derden als de douane-agent, maar dat het wel nodig is om bij concrete vragen daar achteraan te gaan.\n\n5.39.. Op een gegeven moment kan dat laatste ook weer anders liggen - zoals bij de nieuwe specifieke voorbeelden en daaraan verbonden vragen in de spreekaantekeningen van mr. Boonk - mede gelet op het gegeven dat verzamelen en toesturen van onderliggende stukken in deze situatie ongebruikelijk is en de eerdere concrete voorbeelden respectievelijk (impliciete) vragen ook niets hebben opgeleverd.\n\n5.40.. Zodoende oordeelt de rechtbank dat Transnordic niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen als opdrachtnemer (artikel 6:74, 7:401 en 7:403 BW). Gelet op het voorgaande is eveneens geen sprake van onrechtmatig handelen van Transnordic jegens Delina in de zin van artikel 6:162 BW. De vorderingen van Delina worden daarom afgewezen.\n\nin conventie en reconventie\n\nDelina wordt in de proceskosten veroordeeld\n\n5.41.. Delina wordt grotendeels in het ongelijk gesteld. Delina wordt daarom veroordeeld in de proceskosten (artikel 237 Rv). De proceskosten van Transnordic worden begroot op:\n\n- dagvaarding € 135,97\n\n- griffierecht € 2.995,00\n\n- salaris advocaat conv. € 2.580,00 (2 x 1 punt × tarief IV € 1.290,00)\n\n- salaris advocaat reconv. € 2.051,00 (2 x 0,5 punt x tarief V € 2.051,00)\n\n- nakosten € 296,00(plus de verhoging vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 8.057,97\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.42.. De rechtbank verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad (artikel 233 Rv).\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt Delina aan Transnordic te betalen € 43.790,53;\n\n6.2.. veroordeelt Delina aan Transnordic te betalen de wettelijke handelsrente over € 125.006,44 vanaf de vervaldata van de onderliggende factuurbedragen en € 6.228,32 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander met in achtneming van artikel 6:44 BW en de tussentijds door Delina gedane betalingen;\n\n6.3.. verklaart voor recht dat Delina op grond van de toepasselijke Transnordic Condities gehouden is alle huidige kosten verband houdende met de onderhavige zendingen aan Transnordic te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf de vervaldata van de daartoe aan Delina toegezonden facturen tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nin reconventie6.4. wijst de vorderingen van Delina af;\n\nin conventie en reconventie\n\n6.5.. veroordeelt Delina in de proceskosten van € 8.057,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;\n\n6.6.. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. 3718\u002F32\n\n Zoals hierna verder toegelicht onder 5.8 t\u002Fm 5.11.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Verordening (EG) nr. 593\u002F2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).\n\n HR 9 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6159.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5540","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:25.343Z",{"id":66,"ecli":67,"slug":68,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":69,"fullText":70,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":63,"updatedAt":73},"502","ECLI:NL:RBROT:2026:7478","ecli-nl-rbrot-2026-7478","2026-04-16T00:00:00.000Z","beschikkingRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\n Zeeschip ‘Hein’\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F713749 \u002F HA RK 26-64 en C\u002F10\u002F714137 \u002F HA RK 26-82\n\nBeschikking van 16 april 2026\n\nin de zaken van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nBAGGER- EN AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ VAN DER KAMP B.V.\n\ngevestigd te Zwolle,\n\nhierna: BAVDK,\n\nadvocaat mr. J. Smit te Rotterdam,\n\nen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nVAN DER KAMP BAGGER BEHEER B.V.\n\ngevestigd te Zwolle,\n\nhierna: Van der Kamp,\n\nadvocaat mr. A. van Hal,\n\nen in het 195 Rv incident van\n\nde rechtspersoon naar buitenlands recht\n\nNiedersachsen Ports GmbH & Co. KG.\n\ngevestigd te Oldenburg, Duitsland\n\nhierna: Niedersachsen Ports\n\nadvocaat mr. P.J. Hoepel\n\ntegen\n\nBAVDK\n\n1. De procedure1.1.. De rechtbank heeft kennis genomen van het op 22 januari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van BAVDK en van het op 27 januari 2026 ontvangen aanhaakverzoek met bijlagen van Van der Kamp.\n\n1.2.. De rechtbank heeft een datum voor de mondelinge behandeling bepaald en de griffier heeft verzoeksters en de in de verzoekschriften genoemde belanghebbenden voor die mondelinge behandeling opgeroepen.\n\n1.3.. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 maart 2026. [huidige naam havenbedrijf] (voorheen [voormalige naam havenbedrijf] ) heeft per brief van 9 maart 2026 aan de rechtbank laten weten dat zij niet bij de mondelinge behandeling aanwezig zal zijn. Zij gaven daarbij aan dat zij wel (nog steeds) een vordering op verzoeksters hebben. De andere in de verzoekschriften genoemde belanghebbende, Niedersachsen Ports, is op de mondelinge behandeling verschenen. De spreekaantekeningen van mr. Smit, mr. Van Hal en mr. Hoepel zijn aan de procesdossiers toegevoegd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben mr. Smit en mr. Van Hal aangegeven dat zij de verklaringen van de ander over en weer wensen over te nemen.\n\n1.4.. De rechtbank heeft kennis genomen van het op 17 maart 2026 namens Niedersachsen Ports ingediende verweerschrift (inclusief een incidentele vordering ex 195 Rv) door mr. P.J. Hoepel (tegen het beperkings- en het aanhaakverzoek).1.5.. Van het verhandelde op de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n1.6.. Op de zitting is de datum van de beschikking bepaald op 16 april 2026.\n\n2. De beoordeling2.1.. \n\nHet verzoek van BAVDK strekt tot het vaststellen van het bedrag van het zakenfonds waartoe haar aansprakelijkheid is beperkt op SDR 2.310.904 overeenkomstig artikel 8:755 lid 1 BW en\u002Fof het LLMC 1996, ter zake van een schadevaring op 25 juli 2025 waarbij de Hein in aanraking is gekomen met een kade in de haven van Brake (Duitsland).\n\nVan der Kamp verzoekt om te bepalen dat het zakenfonds dat door BAVDK zal worden gesteld, mede wordt geacht te zijn gesteld door Van der Kamp.\n\nDeze rechtbank is bevoegdheid\n\n2.2.. BAVDK en Van der Kamp zijn in Nederland gevestigd. BAVDK wordt naar aanleiding van de schadevaring door een Nederlandse partij (Van der Kamp) aansprakelijk gehouden. Van der Kamp wordt door Duitse partijen – [huidige naam havenbedrijf] en Niedersachsen Ports – aansprakelijk gehouden. De bevoegdheid van deze rechtbank om kennis te nemen van dit beperkings- en aanhaakverzoek is door Niedersachsen Ports betwist.\n\n2.3.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Als het verzoek op grond van artikel 642a lid 1 Rv binnen de reikwijdte valt van de Brussel 1 bis-Voen de artikelen 4 tot en met 8 Brussel 1 bis-Vo zich lenen voor toepassing op dit verzoek, dan is de rechtbank op grond van artikel 4 Brussel I-bis-Vo jo. artikel 642a lid 1 Rv bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van BAVDK voor zover dat is gericht tegen de Nederlandse belanghebbenden door wie BAVDK aansprakelijk is gehouden (waaronder Van der Kamp). Voor zover het beperkings- of aanhaakverzoek is gericht tegen buitenlandse belanghebbenden (zoals J. Müller en Niedersachsen Ports) moet dan ook worden aangenomen dat op grond van artikel 8, aanhef, onder 1 Brussel I-bis-Vo de vereiste ‘nauwe band’ bestaat.\n\nAls het verzoek niet valt binnen de materiële werkingssfeer van de Brussel I-bis Vo is deze rechtbank op grond van artikelen 3, aanhef onder a en c, 10 en 642a lid 1 Rv bevoegd om kennis te nemen van het verzoek.\n\nTot slot wordt daarom ook voldaan aan het bepaalde in artikel 11 lid 1 LLMC.\n\nBAVDK en Van der Kamp zijn ontvankelijk en behoren tot de kring van beperkingsgerechtigden\n\n2.4.. Niedersachsen Ports heeft betwist dat BAVDK en Van der Kamp ontvankelijk zijn in hun verzoeken, en daarmee gerechtigd tot het beperken van hun aansprakelijkheid. Zij zet vraagtekens bij het bestaan van de bevrachtingsovereenkomst tussen BAVDK en Van der Kamp. Indien geen bevrachtingsovereenkomst van kracht was op het moment van de schadevaring, dan is BAVDK ook niet ontvankelijk in haar verzoek, aldus Niedersachsen Ports. Zij heeft de advocaten van BAVDK en Van der Kamp daarom gevraagd om facturen en betaalbewijzen over te leggen ten aanzien van de gestelde bevrachting in 2025 alsook overige documentatie op basis waarvan kan worden geverifieerd dat sprake is van een waarachtige bevrachting en een werkelijke vrijwaringsvordering. Tijdens de mondelinge behandeling bevestigde Niedersachsen Ports dat zij naar aanleiding van haar verzoek enkele stukken en toelichting heeft ontvangen van de advocaat van BAVDK. Niedersachsen Ports gaf daarbij aan dat deze stukken het bestaan van een bevrachtingsovereenkomst lijken te bevestigen. Echter, ook de (aannemings)overeenkomst, op grond waarvan de Hein op 25 juli 2025 werd ingezet, dient volgens haar overgelegd te worden ten einde inzicht te geven in welke partij de Hein op dat moment exploiteerde.\n\n2.5.. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft BAVDK toegelicht dat Van der Kamp iedere maand een verzamelfactuur stuurt aan BAVDK voor de verhuur van aan Van der Kamp in eigendom toebehorende schepen en ander verhuurd baggermateriaal. De dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de advocaat van BAVDK aan de advocaat van Niedersachsen Ports de facturen gestuurd (en ter zitting aan de spreekaantekeningen gehecht) die zien op de maanden januari en juli 2025. Zoals ook in haar e-mail aan Niedersachsen Ports van 17 maart 2026 (eveneens aan de spreekaantekeningen gehecht) is toegelicht, vermelden de facturen onder meer het in de bevrachtingsovereenkomst vermelde tarief. De rechtbank is van oordeel dat met de overgelegde bevrachtingsovereenkomst tussen Van der Kamp en BAVDK aangaande de Hein (bijlage 4 bij het verzoekschrift van BAVDK) en de door BAVDK overgelegde facturen met toelichting, in het kader van de voorfase van deze beperkingsprocedure voldoende is toegelicht dat BAVDK de rompbevrachter van de Hein was ten tijde van de schadevaring. Zij valt daarom binnen de kring van gerechtigden van de Hein als bedoeld in artikel 11 lid 1 en 2 LLMC en kan zodoende voorshands haar recht tot beperking van aansprakelijkheid inroepen.\n\n2.6.. Gezien dit oordeel heeft Niedersachsen Ports (thans) onvoldoende belang bij het door haar verzochte afschrift van gegevens. Het verzoek ex artikel 195 Rv wordt dan ook afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n2.7.. \n\nVan der Kamp is de eigenaresse van de Hein, zo blijkt uit het overgelegde Kadastrale uittreksel, en is daarom medegerechtigd om haar aansprakelijkheid te beperken op grond van artikel 11 lid 1 en 2 LLMC.\n\nDat het zakenfonds door BAVDK nog niet is gevormd, maakt niet, zoals door Niedersachsen Ports is aangevoerd, dat Van der Kamp niet ontvankelijk is in haar verzoek om te mogen aanhaken bij het door BAVDK te stellen zakenfonds. Noch het LLMC, noch de Nederlandse wettelijke bepalingen staan in de weg aan een geclausuleerde toewijzing van het aanhaakverzoek, in die zin dat het door BAVDK te stellen fonds, zodra gesteld, mede geacht moet worden te zijn gesteld door Van der Kamp als eigenaar van het schip en daarmee beperkingsgerechtigde.\n\nEr is geen sprake van misbruik van bevoegdheid ex artikel 3:31 BW\n\n2.8.. Volgens Niedersachsen Ports maken Van der Kamp en BAVDK misbruik van hun bevoegdheid. Zij voert daartoe, kort gezegd, het volgende aan. Niedersachsen Ports is op 17 november 2025 een bodemprocedure in Duitsland gestart tegen Van der Kamp. Aan haar was niet medegedeeld dat er een rompbevrachtingsovereenkomst bestond met BAVDK. De bodemprocedure die Van der Kamp daarna bij deze rechtbank aanhangig heeft gemaakt, waarin zij vordert dat BAVDK gehouden is haar te vrijwaren, is geen waarachtige procedure en is volgens Niedersachsen Ports enkel bedoeld om de mogelijkheid te scheppen om in Nederland een beperkingsprocedure te starten. Immers, Van der Kamp en BAVDK hebben (deels) dezelfde bestuurders, zijn op hetzelfde adres gevestigd en hebben één en dezelfde P&I Club. Verder blijkt nergens uit dat BAVDK de verplichting tot vrijwaring betwist. In plaats van een beperkingsprocedure in Duitsland te starten, hebben BAVDK en Van der Kamp hun verzoeken in Nederland ingediend met geen ander doel dan om Niedersachsen Ports te schaden, op kosten te jagen en van het natuurlijke en bevoegde gerecht in Duitsland te onttrekken. Deze wijze van handelen is volgens Niedersachsen Ports vergelijkbaar met het misbruiken van de in artikel 8 lid 1 EEX-Vo gecreëerde mogelijkheid van het overdagen van meerdere verweerders. Volgens het Hof van Justitie kwalificeren kunstmatig gecreëerde procedures als misbruik van recht als daarmee verweerders van de rechter van hun woonplaats worden afgetrokken.De schadevaring en de daaruit voortgevloeide Duitse bodemprocedure alwaar het toepasselijke Duitse recht zal worden toegepast, heeft geen enkele band met Nederland of de Nederlandse jurisdictie, aldus Niedersachsen Ports.\n\n2.9.. \n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Het gaat hier om een bevoegdheid op grond van het LLMC, een verdrag met rechtstreekse werking in Nederland. Voor zover al de uitoefening van een door het LLMC gegeven bevoegdheid kan worden bestreden op basis van de Nederlandse interne norm van misbruik van bevoegdheid, oordeelt de rechtbank dat van zodanig misbruik hier niet gebleken is.\n\nVan der Kamp is in Nederland een bodemprocedure gestart tegen BAVDK. Niet in geschil is dat - op grond van een forumkeuzebeding in de bevrachtingsovereenkomst - de Nederlandse rechter bevoegd is om van dat geschil kennis te nemen. In deze bodemprocedure acht Van der Kamp BAVDK op grond van contractuele afspraken gehouden om haar te vrijwaren voor alle schade naar aanleiding van de schadevaring. Volgens Niedersachsen Ports is deze procedure geen waarachtige procedure; maar bedoeld om de rechtbank ertoe te bewegen om BAVDK en Van der Kamp toe te staan in Nederland te beperken in plaats van in Duitsland.\n\nMet haar standpunten lijkt Niedersachsen Ports voorwaarden aan het karakter van de ‘legal proceedings’ te stellen die in artikel 11 lid 1 van het LLMC zelf niet zijn terug te vinden en daar - bij een redelijke verdragsuitleg, overeenkomstig de regels uit het Weens verdragenverdrag - ook niet noodzakelijkerwijs uit voortvloeien. Voorwaarde voor het beperken van aansprakelijkheid is niet dat de aansprakelijkheid en\u002Fof het vorderingsrecht wordt\u002Fworden betwist en evenmin dat degene die ‘legal proceedings’ begint niet in een vennootschapsrechtelijke betrekking mag staan tot de aansprakelijk gehouden partij. Ook indien aan die of dergelijke ‘voorwaarden’ niet is voldaan kan sprake zijn van een reële, voor beperking vatbare vordering.\n\nDat dit hier anders is en dat de vordering van Van der Kamp in werkelijkheid niet bestaat, volgt onvoldoende uit wat Niedersachsen Ports aanvoert.\n\n2.10.. Dat Niedersachsen Ports advocaatkosten moet maken in Nederland voor een beperkingsprocedure is géén grond voor afwijzing van het verzoek op grond van misbruik van bevoegdheid. Voor een Duitse beperkingsprocedure had zij dit immers ook moeten doen.\n\n2.11.. Bovendien heeft de schadevaring, anders dan Niedersachsen Ports stelt, wel een band met Nederland, aangezien de Hein vaart onder de Nederlandse vlag, eigendom is van een Nederlandse partij (Van der Kamp) en geëxploiteerd wordt door een Nederlandse partij (BAVDK). Het is bovendien inherent aan het internationale karakter van de maritieme zaken en de systematiek van een beperkingsprocedure, dat partijen geconfronteerd kunnen worden met beperkingsprocedures in andere landen dan hun ‘thuisland’ en de daarmee gepaard gaande juridische complicaties. BAVDK en Van der Kamp maken gebruik van de mogelijkheden die het beperkingsrecht hen biedt. Dit levert geen misbruik van bevoegdheid op.\n\n2.12.. \n\nDaarnaast wordt Niedersachsen Ports, met een bodemprocedure en de daaropvolgende beperkingsprocedure in Nederland, niet van de bevoegde rechter van haar woonplaats onttrokken. Als hiervoor geoordeeld onder 2.3 is de rechtbank Rotterdam bevoegd om kennis te nemen van de onderhavige verzoeken. Een procedure tot aansprakelijkheidsbeperking in Nederland laat onverlet dat de bodemprocedure ten aanzien van de schadeplichtigheid in Duitsland kan worden gevoerd.\n\nVan der Kamp en BAVDK hebben aangevoerd dat de keuze om op lange termijn in Nederland te dagvaarden verband houdt met het afwachten van wat er in de Duitse bodemprocedure gebeurt. Van der Kamp en BAVDK sluiten ook niet uit dat de uitkomst van de Duitse bodemprocedure dienstig kan zijn voor de verificatie van de schuldvorderingen in de Nederlandse beperkingsprocedure.\n\nDe door Niedersachsen Ports bepleite analoge toepassing van uitspraken van het Hof van Justitie aangaande (thans) artikel 8 Brussel I-Bis Vo volgt de rechtbank dan ook niet.\n\nEr is geen sprake van litispendentie of samenhang in de zin van artikel 29 of 30 Brussel I-bis Vo\n\n2.13.. \n\nIndien en voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat BAVDK niet niet ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat het verzoek niet onmiddellijk dient te worden afgewezen, heeft Niedersachsen Ports verzocht om de beperkingsprocedure, althans het aanhaakverzoek, aan te houden op grond van artikel 29 lid 1 Brussel I-bis Vo (litispendentie), dan wel artikel 30 lid 1 (samenhang). Zij voert daartoe het volgende aan.\n\nIn de bodemprocedure in Duitsland tegen Van der Kamp, vordert Niedersachsen Ports: 1) betaling van de contractueel overeengekomen kosten van de berging van de Hein van € 1.150.000,- en 2) een verklaring voor recht dat Van der Kamp aansprakelijk is voor de schade van Niedersachsen Ports tot het bedrag van de maximale aansprakelijkheid op grond van het LLMC\u002FProtocol 1996, te weten SDR 2.310.904. Onderwerp van de Duitse procedure is onder meer de vraag of de bergingskosten worden beknot door de LLMC limiet en de vraag of het beperkingsbedrag integraal aan Niedersachsen Ports toekomt vanwege het voorrecht waarover zij zou beschikken op grond van artikel 614 van het Duitse Handelswetboek. Niedersachsen Ports verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank in de Perficioen voert aan dat in onderhavig geval zowel de verzoeken van BAVDK en Van der Kamp als de Duitse bodemprocedure draaien om de beperkingsvraag. Nu de Duitse procedure eerder aanhangig is gemaakt, moet deze rechtbank haar uitspraak aanhouden, aldus Niedersachsen Ports.\n\n2.14.. \n\nDe rechtbank oordeelt dat geen sprake is van litispendentie en dat er dus ook geen reden is om de beperkingsprocedure aan te houden op grond van artikel 29 Brussel I-bis Vo. Zij overweegt daartoe als volgt. De litispendentieregeling van artikel 29 Brussel I-bis Vo vereist onder meer dat voor de gerechten van verschillende lidstaten vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten. Aan de eis van ‘hetzelfde onderwerp’ is voldaan als de vorderingen hetzelfde doel hebben. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in de Duitse bodemprocedure en de onderhavige beperkingsprocedure geen sprake. De vordering tot schadevergoeding in de Duitse bodemprocedure is erop gericht de aansprakelijkheid van Van der Kamp vast te stellen, terwijl de vordering tot beperking van aansprakelijkheid tot doel heeft te verkrijgen dat, ingeval de aansprakelijkheid wordt vastgesteld, deze wordt beperkt.\n\nAan de eis van ‘dezelfde oorzaak’ is voldaan als de vorderingen gegrond zijn op hetzelfde feitencomplex en op dezelfde rechtsregels die tot staving van de vordering worden aangevoerd. Ook aan deze eis is in onderhavige zaak niet voldaan, aangezien de vorderingen in de Duitse bodemprocedure en de beperkingsprocedure op verschillende rechtsregels zijn gebaseerd: de vordering tot schadevergoeding is gebaseerd op het recht inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid, terwijl de vordering om een fonds te vormen is gebaseerd op het LLMC. Dat Niedersachsen Ports voor de hoogte van haar vordering tegen Van der Kamp heeft aangesloten bij het beperkingsbedrag op grond van het LLMC maakt dat niet anders. Zoals ook door verzoeksters aangevoerd, betekent dit niet dat de Duitse rechter zich moet uitlaten over het recht op beperking van Van der Kamp. Daarnaast onderschrijft het juist het standpunt van verzoeksters dat geen sprake zal zijn van tegengestelde beslissingen in het kader van artikel 30 Brussel I-bis Vo, zoals hierna te bespreken, aangezien Niedersachsen Ports niet meer vordert dan het beperkingsbedrag.\n\n2.15.. De vraag of de kosten van Niedersachsen Ports voor de bergingsoperatie van de Hein worden beknot door een zakenfonds, alsmede de vraag of het voorrecht dat Niedersachsen Ports mogelijk heeft op grond van artikel 614 Duits Handelswetboek dat ziet op schade aan havenwerken tot gevolg heeft dat het beperkingsbedrag integraal toekomt aan Niedersachsen Ports (en er dus geen ruimte bestaat voor concurrerende vorderingen), maakt dit oordeel ook niet anders. Deze onderwerpen raken niet aan de vraag ofVan der Kamp en BAVDK hun aansprakelijkheid mogen beperken. Deze onderwerpen raken aan de vraag of aansprakelijkheid voor een bepaald type vordering mag worden beperkt en\u002Fof hoe bepaalde vorderingen eventueel gerangschikt moeten worden. De discussie hierover volgt eventueel in de verificatiefase en – indien nodig – tijdens renvooiprocedures. Dat een renvooiverwijzing tot onoverkomelijke juridische complicaties in Nederland en Duitsland zou leiden, zoals door Niedersachsen Ports gesteld, is niet, althans onvoldoende door Niedersachsen Ports onderbouwd en volgt de rechtbank, gelet op voorgaand oordeel, niet.\n\n2.16.. Ook het beroep op artikel 30 Brussel I-bis Vo gaat niet op. Zoals door Van der Kamp aangevoerd, zal de Duitse bodemrechter een uitspraak doen over de aard en omvang van de vordering van Niedersachsen Ports op Van der Kamp, en die uitspraak laat onverlet dat een andere rechter zich kan en mag uitlaten over de vraag of Van der Kamp en BAVDK een beroep toekomt op het recht om hun aansprakelijkheid voor alle vorderingen naar aanleiding van één en bepaald voorval te beperken. Van tegenstrijdige beslissingen is dan ook geen sprake.\n\nVerdere beoordeling\n\n2.17.. BAVDK stelt dat het bruto tonnage van de Hein 3.326 bedraagt. Dit wordt bevestigd in het door BAVDK overgelegde afschrift van het International Tonnage Certificate in bijlage vijf. BAVDK stelt verder dat op grond van dit bruto tonnage het beperkingsbedrag overeenkomstig artikel 8:755 lid 1 BW en het LLMC 1996 neerkomt op SDR 2.310.904.\n\n2.18.. Naast de hierboven behandelde en afgewezen verweren heeft de verschenen belanghebbende geen andere verweren gevoerd tegen het verzoek van BAVDK met betrekking tot de beperking van aansprakelijkheid voor de schadevaring. Evenmin is verweer gevoerd tegen de berekening van het te stellen zakenfonds zoals opgenomen in het verzoekschrift.\n\n2.19.. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid voor vorderingen waarvoor beperking wordt verzocht voorshands is beperkt, te weten het zakenfonds, beloopt daarom SDR 2.310.904, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, te weten 26 juli 2025, tot en met de dag volgende op de dag waarop het fonds zal zijn gesteld. De genoemde rekeneenheid SDR is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds (IMF), naar de koers van de dag van het stellen van het fonds om te rekenen in euro’s volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties.\n\n2.20.. Tot zover voldoen de verzoeken aan de wettelijke vereisten. Daarom zal de rechtbank bepalen dat BAVDK fonds dient te stellen tot het in 2.19 bedoelde totaal beloop en dat dit zakenfonds, zodra gesteld, wordt geacht mede te zijn gesteld door Van der Kamp. Verder zal de rechtbank bepalen dat verzoeksters fonds dienen te stellen ter bestrijding van de kosten van de procedures zoals hierna te vermelden. Deze kosten zijn door de vereffenaar voorlopig begroot op € 8.500,00 per zaak. Verzoeksters hebben zich hier tijdens de mondelinge behandeling mee akkoord verklaard. Verder zal de rechtbank een rechter-commissaris aanwijzen en de vereffenaar benoemen.\n\n2.21.. Fondsvorming zal plaatsvinden middels storting in de consignatiekas, zoals door BAVDK in haar verzoekschrift verzocht.\n\nVerzoeksters dienen bij storting in de consignatiekas een kopie van deze beschikking te sturen aan:\n\nMinisterie van Financiën\n\nt.a.v. de Consignatiekas\n\nPostbus 20201\n\n2500 EE Den Haag\n\ne-mail: consignatiekas@minfin.nl\n\nZij zullen in de begeleidende brief bij deze beschikking worden geïnformeerd over de praktische afhandeling.\n\nVoeging\n\n2.22.. \n\nHet verzoek tot voeging van de aanhaakprocedure met de beperkingsprocedure, is ingevolge artikel 642b Rv toewijsbaar. De verzoekschriften betreffen hetzelfde voorval en geen van de in het verzoekschrift vermelde belanghebbenden heeft bezwaar gemaakt tegen de verzochte voeging. Het ligt voor de hand dat vorderingen tegen de ‘aanhakende’\n\npartij door dezelfde vereffenaar worden behandeld en ten overstaan van dezelfde\n\nrechter-commissaris. Daarmee worden de vorderingen van alle schuldeisers binnen\n\nhetzelfde beperkingsfonds op efficiënte, gelijk(vormig)e en proceseconomische wijze\n\nbehandeld. Voeging van de procedures tot beperking van aansprakelijkheid ligt daarom in\n\nde rede. Geen verdragsrechtelijke of wettelijke regeling verzet zich tegen voeging van een\n\nverzoek tot ‘aanhaken’ bij een lopende procedure tot beperking van aansprakelijkheid. De\n\nrechtbank zal daarom de voeging bevelen.\n\n2.23.. Ingevolge artikel 642c lid 5 Rv is deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de zaken van BAVDK en Van der Kamp\n\n3.1.. bepaalt het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van BAVDK ter zake van de zaakschade in verband met het in 2.1 bedoelde voorval voorshands is beperkt op SDR 2.310.904 om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover te berekenen vanaf de dag volgende op de dag van het voorval, te weten 26 juli 2025, tot de dag volgende op de dag van het stellen van het fonds;\n\n3.2.. bepaalt dat BAVDK uiterlijk op 28 mei 2026 fonds dient te stellen tot het beloop van het in 3.1 bedoelde bedrag aan hoofdsom en rente, te vermeerderen met € 8.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure, en wel door storting van dit totale bedrag in de consignatiekas op naam van de rechter-commissaris en de vereffenaar;\n\n3.3.. bepaalt dat het door BAVDK te stellen zakenfonds ter uitvoering van deze beschikking, zodra gesteld, mede wordt geacht te zijn gesteld door Van der Kamp;\n\n3.4.. stelt vast dat de eventuele aansprakelijkheid van ieder van verzoeksters tezamen voor het voorval voorshands is beperkt tot het in deze beschikking bepaalde bedrag;\n\n3.5.. bepaalt dat Van der Kamp uiterlijk op 28 mei 2026 het bedrag van € 8.500,00 ter bestrijding van de kosten van de procedure dient te storten in de consignatiekas op naam van de rechter-commissaris en de vereffenaar;\n\n3.6.. benoemt tot vereffenaar van het fonds mr. A. van Steenderen, [adres] , [postcode] [woonplaats] , arnold.vansteenderen@mainportlawyers.com;\n\n3.7.. beveelt de voeging van de procedure die door Van der Kamp aanhangig is gemaakt onder C\u002F10\u002F714137 \u002F HA RK 26-82 met de door BAVDK ingeleide procedure tot beperking van aansprakelijkheid onder C\u002F10\u002F713749 \u002F HA RK 26-64;\n\n3.8.. wijst aan als rechter-commissaris ter vaststelling van de staat van verdeling van het fonds mr. D.L. Spierings;\n\n3.9.. houdt alle verdere beslissingen aan;\n\nin het 195 Rv incident\n\n3.10.. wijst het verzoek van Niedersachsen Ports op grond van artikel 195 Rv af;\n\n3.11.. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.\n\n3597\u002F2459\n\n Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen 1976 zoals gewijzigd bij het Protocol van 1996.\n\nVerordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.\n\n Vgl Hof Den Haag 19 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:344, ro. 4.3.\n\nHvJEU, 13 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:471 en HvJEU, 21 mei 2015, ECLI:EU:C:2015:335.\n\n Stolt Commitment \u002F Thorco Cloud bij Hof Den Haag 19-02-2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:346.\n\n Rechtbank Rotterdam 23 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9088.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7478","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:33.725Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":78,"fullText":79,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":80,"sourceTimestamp":81,"parsedAt":63,"updatedAt":82},"334","ECLI:NL:RBROT:2026:6678","ecli-nl-rbrot-2026-6678","2026-03-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11105822 CV EXPL 24-12715\n\ndatum uitspraak: 27 maart 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [eiseres],\n\ngevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,\n\neiseres,\n\ngemachtigde: mr. M.M.A. Timmermans, advocaat te Druten,\n\ntegen\n\n [gedaagde], die handelt onder de naam[handelsnaam],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. P.E. van Dam, advocaat te Zwolle.\n\nPartijen worden hierna “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ” genoemd.\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\n- het tussenvonnis van 1 november 2024 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - de akte bewijslevering van [eiseres] , met bijlagen 20 tot en met 22; - het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 9 april 2025;\n\n- het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 4 november 2025.\n\n1.2.. Partijen zijn in januari 2026 geïnformeerd dat er een rechterswissel heeft plaatsgevonden, omdat mr. W.J.J. Wetzels is overleden. Mr. C. Sikkel heeft de behandeling van de zaak overgenomen. Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. In het tussenvonnis van 1 november 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen om te bewijzen dat de [naam schip 1] schuld heeft aan de schadevaring in de vroege ochtend van 6 februari 2023.\n\n2.2.. Om aan de bewijsopdracht te voldoen heeft [eiseres] bij akte een aantal producties in het geding gebracht en heeft zij de sluiswachter, die in dienst is van de gemeente Waalwijk, als getuige laten horen. [gedaagde] heeft daarna tijdens het tegenverhoor zichzelf laten horen. Vervolgens heeft [eiseres] de kantonrechter laten weten dat zij afziet van het nemen van een conclusie na getuigenverhoor.\n\n2.3.. De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] de [naam schip 1] verwijt een fout te hebben gemaakt door in weerwil van rood sein in strijd met artikel 6.28a BPR de sluis in te varen nadat de [naam schip 2] deze had verlaten, zonder groen sein af te wachten of met de sluismeester af te stemmen dat de [naam schip 1] de sluis veilig kon invaren. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] ten eerste betwist dat het sein op rood stond en ten tweede stelt dat de sluismeester hem acht minuten voor de schadevaring telefonisch een instructie, althans toestemming had gegeven voor het invaren van de sluis.\n\n2.4.. De kantonrechter stelt (onder 2.10) de toedracht vast aan de hand van de op de dag van het ongeval (6 februari 2023) opgestelde verklaringen van de sluiswachter (geciteerd in het tussenvonnis en hieronder weergegeven) en van [gedaagde] (in de schademelding van 6 februari 2023), in samenhang met de getuigenverklaringen van de sluiswachter en van [gedaagde] .\n\nDe verklaringen\n\n2.5.. De schriftelijke verklaring van de sluiswachter op 6 februari 2023 luidt als volgt:\n\n “Ik ben bezig met een schutting van buiten (Maas) naar binnen (haven).\n\n In de kolk ligt ms [naam schip 2] .\n\n Tijdens deze schutting krijg ik telefoon (06.37 uur) van [naam 1] schipper van ms [naam schip 1] .\n\n Hij meldt dat hij naar buiten wil vanuit de haven naar de Maas.\n\n Ik geef hem te kennen dat ik met een schutting naar binnen bezig ben en de deur voor hem open laat staan.\n\n Ik zet het grote beeldscherm op camera 10 (Ik kijk hiermee de kolk in) zodat ik ms [naam schip 2] kan zien uitvaren richting de haven.\n\n Intussen ga Ik verder met het inschrijven van ms [naam schip 2] in onze administratie en houdt het\n\n schip op het grote scherm in de gaten.\n\n Ms [naam schip 2] is voorbij de binnenhoofd en ik zet het uitvaarsein in de kolk op rood en tevens staan op dat moment alle seinen op rood (zowel binnen als buiten).\n\n In het systeem verschijnt het kader om deuren te sluiten en zoals gewoonlijk klik ik ‘deuren\n\n sluiten’ aan. Ik ben op dat moment de ms [naam schip 1] vergeten.\n\n Deuren kunnen alleen bediend worden als alle seinen op rood staan.\n\n Vanuit camera 10 zie ik een schip aankomen dat vervolgens tegen de dicht gaande vloeddeuren vaart. Op dat moment staan de seinen dus op rood.\n\n Circa 06.45 uur vaart ms [naam schip 1] tegen de dicht gaande vloeddeuren van het binnenhoofd.06.50. \n\nuur nam de schipper direct telefonisch contact met mij op.\n\n Daarna heb ik de storingsdienst gebeld en heb ik [naam 2] en [naam 3] ingelicht.”\n\n2.6.. De sluiswachter heeft onder ede voor zover relevant het volgende verklaard:\n\n “U houdt mij de verklaring voor waarvan U zegt dat deze door gedaagde is overgelegd bij de brief van 19 september 2024. (…) Die verklaring heb ik zelf opgesteld. Het zijn dus mijn woorden in die verklaring. Die verklaring heb ik opgesteld op dezelfde dag van de aanvaring. (…)\n\n Ook nu ik onder ede sta blijf ik bij de juistheid van die verklaring.\n\nIn aanvulling daarop kan ik ten aanzien van de toedracht van de aanvaring nog het volgende verklaren. Vlak voor de aanvaring was ik bezig om de MS [naam schip 2] naar binnen te schutten. Ik had toen het beeld voor me van camera 10 waarop de [naam schip 2] te zien was. Op dat moment belde [gedaagde] die ik ken en die ik [naam 1] noem dat hij met de [naam schip 1] de sluis in wilde. Ik heb hem telefonisch gezegd dat ik de deur van de sluis open liet staan. Vervolgens duurde het de nodige tijd voordat de [naam schip 2] de sluis uit ging. De [naam schip 2] was voor het eerst in de sluis en voer erg langzaam. Op dat moment stond het sein voor de [naam schip 2] op groen en het sein voor de [naam schip 1] op rood. Op het moment dat de [naam schip 2] de sluis verlaten had, heb ik handmatig het uitvaart sein op rood gezet en tegelijkertijd op de knop gedrukt waarmee de deuren van de sluis dicht gingen. Toen de deuren voor de helft gesloten waren zag ik dat de [naam schip 1] tegen de deuren aanvoer. Op dat moment belde [naam 1] mij met de vraag “Wat doe je nu?”. Ik heb daarop gezegd, “Je vaart door rood”. [gedaagde] is toen achteruit gevaren, maar toen was het leed al geschied.\n\nU zegt mij dat [gedaagde] gezegd heeft dat ik na de aanvaring excuses aan hem heb aangeboden toen hij mij belde. Ik weet niet meer of ik toen excuses heb aangeboden.\n\nIn mijn schriftelijke verklaring heb ik ook nog opgeschreven dat ik de [naam schip 1] vergeten was. Ik weet niet meer of dat klopt. Ik zie het meer als een gedachte die erbij gekomen is. U moet weten dat het een heftige dag was met de aanvaring. (…)\n\nU vraagt mij hoe ik zo zeker weet dat de [naam schip 1] rood licht had vlak voor de aanvaring. (…) Op de derde foto ziet u de situatie dat de [naam schip 2] de sluis verlaten heeft en dat de verkeerslichten aan beide zijden van de sluis op rood staan. Alleen in die situatie kan ik de deuren van de sluis sluiten. (…)\n\nIk heb hiervoor en ook in mijn schriftelijke verklaring van 6 februari 2023 gezegd dat ik tegen [gedaagde] vlak voor de aanvaring gezegd heb dat ik de deuren van de sluis voor hem liet openstaan. (...) Ik heb per abuis op de knop gedrukt waarmee de deuren gesloten werden. Ik heb dat gedaan nadat ik handmatig het licht voor de [naam schip 2] op rood gezet had en toen zag ik op mijn display de afbeelding die u ook ziet op foto 3 waarna ik routinematig op de knop deuren sluiten gedrukt heb.\n\n(...)\n\nVanuit mijn positie heb ik voldoende zicht op de sluis en de kolk. Dat zicht heb ik via drie schermen waarop ik in totaal de beelden van dertien camera’s kan zien. Voor een goed begrip moet u weten dat ik op twee schermen in het klein tegelijkertijd alle beelden van de dertien camera’s kan zien. Ik kan op het derde scherm een keuze maken om de afbeelding van één van de dertien camera’s in het groot te bekijken. Ik heb er vlak voor de aanvaring voor gekozen om het beeld waarop de [naam schip 2] te zien was in het groot te bekijken en ik heb geen acht geslagen op de beelden van de camera waarop de [naam schip 1] te zien was. Ik heb vanuit mijn positie geen volledig overzicht op de situatie buiten.”\n\n2.7.. De verklaring van [gedaagde] in de schademelding van 6 februari 2023 luidt als volgt:\n\n“Bij aankomst sluis Waalwijk telefonisch contact opgenomen met de sluiswachter omstreeks 06:45.\n\nVia telefonisch contact toestemming gekregen om meteen de sluis in te varen, nadat het schip [naam schip 2] de sluis uit komt gevaren en de sluis open blijft staan. Eenmaal de buitendeuren gepasseert, beginnen de binnendeuren te sluiten.\n\nNadat dit geconstateerd word op de camera van het voorschip, heb ik de kopschroef en hoofdmotor meteen volaan achteruit laten slaan om het schip te laten stoppen en terug te varen. Dit was niet meer mogelijk hierdoor raakte het voorschip de deur.\n\nEenmaal achteruit de sluis uit, meteen telefonisch contact opgenomen met de sluismeester die ook in shock was en verklaarde dat hij mij vergeten was”.\n\nDit is de situatieschets die [gedaagde] heeft gemaakt bij de schademelding:\n\n2.8.. \n [gedaagde] heeft onder ede voor zover relevant het volgende verklaard:\n\n“(…) Ik kom bijna dagelijks met mijn schip bij de sluis waar de aanvaring heeft plaatsgevonden. Ik ken de sluiswachter en hem spreek ik aan met [naam 4] . Ik heb hem gebeld toen ik met mijn schip voor de sluis lag. Op dat moment was de [naam schip 2] bezig om de sluis uit te varen. Ik heb tegen [naam 4] gezegd dat ik er uit wilde en hij heeft toen gezegd dat de [naam schip 2] bezig was om uit te varen, dat ik daarna naar binnen kon varen en dat hij de deuren van de sluis zou open laten voor mij. Nadat de [naam schip 2] de sluis verlaten had ben ik met mijn schip de sluis ingevaren. (…)\n\nOp het moment dat ik de sluis ingevaren ben stond het licht in mijn beleving op groen.\n\n(…) Ik wijs u op de schets waarvan u zegt dat deze als productie 1 bij de conclusie van antwoord is overgelegd. Daarop ziet u dat ik met het schip al in de sluis gevaren was, dat ik de eerste deur al gepasseerd was en dat ik toen tegen de tweede deur ben aangevaren omdat de sluiswachter die deur dichtgedaan had. (…)\n\nNadat ik met mijn schip tegen de tweede deur was aangevaren heb ik de sluiswachter gebeld en hem gezegd ‘ [naam 4] wat doe je nu’ hij heeft daarop gereageerd met de woorden ‘sorry ik ben je vergeten’.\n\nUit de mededeling van de sluiswachter ‘ik laat de deuren voor je open’ heb ik afgeleid dat hij mij toestemming gaf om de sluis in te varen. Hij heeft ook tegen mij gezegd dat ik naar binnen kon varen als de [naam schip 2] uitgevaren was.\n\n(…)\n\nTussen het moment dat de sluiswachter telefonisch tegen mij gezegd heeft dat hij de deuren voor mij openliet en het moment van de aanvaring heb ik geen contact meer gehad met de sluiswachter. Tussen die twee momenten zat een tijdsverloop van 8.36 minuten. Dat tijdsverloop is betrekkelijk kort omdat het ook wel vaker een half uur duurt voordat ik de sluis in kan varen. Dat korte tijdsverloop duidt erop dat ik al met mijn schip kort voor de sluis lag en de sluiswachter mij kon zien vanuit zijn sluishuisje.”\n\n [eiseres] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs\n\n2.9.. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Hierna legt de kantonrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nDe toedracht\n\n2.10.. Op 6 februari 2023 is de sluiswachter bezig met een schutting van buiten (Bergsche Maas) naar binnen (haven in Waalwijk). In de sluiskolk ligt het schip de [naam schip 2] . Tijdens de schutting belt [gedaagde] om 06.37 uur naar de sluiswachter met de melding dat hij van binnen naar buiten wil (vanuit de haven in Waalwijk richting de Bergsche Maas). De sluiswachter zegt in dit telefoongesprek tegen [gedaagde] dat hij met de schutting van de [naam schip 2] naar binnen bezig is en dat hij de sluisdeuren voor hem open zal laten staan. Het voor [gedaagde] zichtbare sein aan de invaartopening van de sluis staat op rood. Als de [naam schip 2] voorbij het binnenhoofd is, klikt de sluiswachter per ongeluk routinematig op de knop waarmee de sluisdeuren gesloten worden. Hij is de afspraak met de [naam schip 1] vergeten. De [naam schip 1] vaart door rood sein de sluis in. Op het moment dat de [naam schip 1] de openstaande buitendeuren van de sluis is gepasseerd, beginnen de binnendeuren te sluiten. Om ongeveer 06.45 uur vaart de [naam schip 1] tegen de dichtgaande binnendeuren van de sluis aan, waardoor deze zijn beschadigd en niet meer volledig operationeel zijn.\n\nHet sein stond op rood\n\n2.11.. \n [eiseres] stelt dat het invaarsein bij de sluisdeur zowel voor, tijdens als na de aanvaring op rood stond. Ter onderbouwing verwijst [eiseres] naar data van het besturingsprogramma en het bericht van 6 maart 2023, waarin de gemeente Waalwijk aan de hand van die data uitlegt dat rond het tijdstip van de schadevaring geen groen sein is gegeven en dat het laatste groene sein voor invaren die dag omstreeks 5.00 uur is afgegeven. [eiseres] verwijst verder naar het logboek invaarseinen en naar de verklaringen van de sluiswachter.\n\n2.12.. \n [gedaagde] betwist dat het sein bij de sluisdeur op rood stond. Bij het invaren van de sluis stond het invaarsein in zijn beleving op groen.\n\n2.13.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\n [eiseres] heeft bewezen dat het sein bij de sluisdeur op rood stond. Dit volgt uit het door [eiseres] overgelegde logboek invaarseinen en de verklaring van de sluiswachter dat alleen als de verkeerslichten aan beide zijden van de sluis op rood staan, de sluisdeuren gesloten kunnen worden (zoals tijdens het incident gebeurde). Uit het logboek en de toelichting daarop van [eiseres] , volgt dat de twee aan weerszijde van de sluis aanwezige invaarseinen met nummer 3 en 4 tijdens de schadevaring om 06.45 uur op rood stonden. Dit blijkt uit de waarde op de Y-as met de codes 0 en 1, gecombineerd met het tijdsverloop op de X-as. Ten tijde van het ongeval gold code 1, wat staat voor rood sein. Het groene sein heeft niet gebrand tijdens de aanvaring, maar ook niet kort daarvoor. Op de Y-as is dit af te lezen aan de waarde 0,0. Het groene invaarsein is rond 5.00 uur ’s ochtends kortstondig aan geweest voor een ander schip (zie X-as). Tegen deze achtergrond legt de verklaring van [gedaagde] dat het sein in zijn beleving op groen stond, onvoldoende gewicht in de schaal. De beelden die [gedaagde] heeft overgelegd zien op een andere dag en geven geen informatie over de toedracht op 6 februari 2023.\n\nDe [naam schip 1] heeft schuld\n\n2.14.. Ter plaatse geldt het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Door rood sein varen is verboden volgens artikel 6.28a BPR (In- en uitvaren van sluizen). De schipper van de [naam schip 1] , [gedaagde] , heeft een fout gemaakt door in weerwil van het rode sein de sluis in te varen. Dat hij het rode sein niet actief waarnam, en veronderstelede dat het groen was, disculpeert hem niet. Daarmee heeft [gedaagde] het BPR overtreden. Dit levert in beginsel ‘schuld van het schip’ in de zin van artikel 8:1004 lid 1 BW op (zie r.o. 4.5 tussenvonnis).\n\n2.15.. \n\nEr kunnen bijzondere omstandigheden zijn die tot het oordeel leiden dat toch geen sprake is van enige relevante schuld van het schip, zoals concrete toezeggingen van het bevoegd gezag om ondanks rood sein toch de sluis in te varen. Daarvoor is nodig dat komt vast te staan dat [gedaagde] de mededeling van de sluiswachter “ik laat de deuren voor je open” mocht opvatten en heeft opgevat als een instructie of toestemming voor het invaren van de sluis zonder verdere afstemming met de sluiswachter, zelfs als het sein nog op rood stond. Dat is niet vast komen te staan. Dat de sluiswachter fouten heeft gemaakt en [gedaagde] de verwachting had dat hij na de [naam schip 2] in de sluis zou worden toegelaten, is daarvoor niet genoeg. Van een impliciete toestemming van de sluiswachter om ook bij rood sein de sluis in te varen is niet gebleken en er is niets gesteld of gebleken waaruit volgt dat [gedaagde] dat toch mocht denken.\n\nUit het dossierblijkt dat [gedaagde] dat ook niet concreet dacht. [gedaagde] rekende op groen licht en anticipeerde daarop. Hij heeft zich er niet van vergewist dat het sein op groen stond en is de sluis gaan invaren zonder voldoende op te letten. Als [gedaagde] wel voldoende had opgelet, dan had hij het rode sein waargenomen en was hij de sluis niet ingevaren. Uit de getuigenverklaring van [gedaagde] volgt immers dat [gedaagde] wist dat hij bij rood sein moest stoppen, maar dat hij dacht dat het sein groen was en dat hij op grond van het gesprek met de sluismeester geen aanleiding had te veronderstellen dat het sein op rood stond. Daarmee ontkracht hij zijn standpunt dat hij het rode sein mocht negeren, omdat hij een concrete aanwijzing van de sluiswachter had.\n\n2.16.. Dat de sluiswachter vooraf concreet heeft toegestaan dat [gedaagde] door rood sein mocht varen is niet gebleken Uit de verklaring van de sluiswachter volgt dat hij vindt dat [gedaagde] op groen sein had moeten wachten en bij twijfel had moeten bellen en dat hij geen toestemming heeft gegeven om door rood sein te varen. [gedaagde] weerspreekt ook niet dat de sluiswachter hem direct na de raking voorhield “je vaart door rood licht”, waaruit volgt dat ook de sluiswachter verwachtte dat hij niet zonder groen sein zou invaren.\n\n2.17.. \n [gedaagde] heeft dus een fout gemaakt door, in de verwachting dat het sein op groen zou staan, zonder opletten door rood sein de sluis in te varen terwijl hij niet daadwerkelijk veronderstelde dat hij (zelfs) daarvoor toestemming had. Dat is de initiële fout geweest en zonder die fout zou het ongeval niet zijn gebeurd en de schade voor [eiseres] niet zijn ontstaan. Daarmee is het causaal verband gegeven.\n\n2.18.. Aannemelijk is dat ook de sluismeester een fout heeft gemaakt. Uit zijn verklaring en de vaststaande feiten volgt dat hij, ongeveer acht minuten na het telefoongesprek met [gedaagde] waarin hij had gezegd de sluisdeuren open te laten staan, op een prompt van het systeem gewoontegetrouw op de knop “deuren sluiten” drukte. De sluiswachter was afgeleid door het trage schutten van nieuwkomer [naam schip 2] en had de [naam schip 1] niet in de gaten. De sluiswachter heeft toen direct en uitdrukkelijk zijn excuses aangeboden en gezegd dat hij de [naam schip 1] was vergeten. Door zijn druk op de knop raakten de sluisdeuren de [naam schip 1] en andersom. Zonder die fout zou het ongeval ook niet zijn gebeurd. De fout van de [naam schip 1] en de fout van de sluiswachter hebben samen de schade veroorzaakt. Een fout van de sluiswachter levert echter geen aftrek op jegens [eiseres] . Omdat de [naam schip 1] meer dan verwaarloosbare schuld heeft, is zij volledig aansprakelijk jegens [eiseres] . Dat is niet anders als de kantonrechter aanneemt dat de sluiswachter bij [gedaagde] de redelijke verwachting heeft gewekt dat hij de sluisdeuren niet zou sluiten en dat hij de [naam schip 1] na de [naam schip 2] zou binnenlaten door groen licht te geven. Dat heeft alleen gewicht in de verhouding van [gedaagde] tot de gemeente Waalwijk, die ook een procedure tegen [gedaagde] heeft aangespannen.\n\nAan het relativiteitsvereiste is voldaan\n\n2.19.. \n [gedaagde] betoogt dat een volgens [eiseres] door [gedaagde] geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden. [gedaagde] verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de inhoud van een brief van EOC van 27 november 2023 (productie 17 bij dagvaarding). De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810). Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] voert verder aan dat [eiseres] geen eigenaar of beheerder van de sluis is en evenmin deelnemer aan het scheepvaartverkeer. Zij heeft geen garantie op een altijd functionerende sluis en evenmin op een continue bereikbaarheid van de haven, aldus [gedaagde] .\n\n2.20.. Dit verweer wordt verworpen. Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het in artikel 6:163 BW neergelegde vereiste dat de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, komt het aan op het doel en de strekking van de geschonden norm, aan de hand waarvan moet worden onderzocht tot welke personen en tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt.De door de [naam schip 1] \u002F [gedaagde] toe te passen normen uit het BPR dienen het algemene belang van bevordering van de veiligheid, het voorkomen van aanvaringen het waarborgen van een veilige en vlotte doorvaart. Dit omvat ook het voorkomen van schade aan kunstwerken (zie artikel 1.14 BPR) en sluizen. Voor de aanvoer van grind en zand heeft [eiseres] haar productielocatie vanuit strategisch oogpunt aan het water en is zij afhankelijk van de werking van de sluis. Dat het negeren van een rood sein kan leiden tot een schadevaring met de sluisdeuren en het blokkeren van de doorvaart voor bedrijven die daarvan afhankelijk zijn was voor [gedaagde] voorzienbaar. De geschonden norm strekt in dit geval ook uit tot bescherming van het belang dat [eiseres] heeft bij een ongestoorde losvoorziening voorscheepvaart direct aan haar bedrijfslocatie.\n\n [gedaagde] moet [eiseres] € 21.499,75 aan schade betalen\n\n2.21.. Nu de [naam schip 1] schuld heeft aan de schadevaring, is [gedaagde] als eigenaar van het schip verplicht de schade die [eiseres] lijdt door de buitenwerking stelling van de sluis op 6 februari 2023 te vergoeden.\n\n2.22.. \n\n [eiseres] onderbouwt de schade die zij stelt te hebben geleden als volgt.\n\n [eiseres] houdt zich onder meer bezig met de vervaardiging van stortklaar beton. Omdat [eiseres] in Waalwijk aan het water ligt, is het mogelijk om vanuit het zuiden en oosten grondstoffen, zoals en grind en zand, via het water te laten aanvoeren. [naam bedrijf 1] . (hierna: [naam bedrijf 1] ) bevoorraadt [eiseres] over het water met grind en zand. Wekelijks levert zij circa 5.000 tot 8.000 ton grind en zand per schip aan. Als gevolg van de schadevaring was [eiseres] in de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023 niet bereikbaar over het water. Noodgedwongen moest [eiseres] schepen daarom laten uitwijken naar de Kerkvaart in Waspik, een gemeentelijke loswal die de gemeente Waalwijk vanwege de buitenwerking stelling van de sluis had vrijgegeven. [naam bedrijf 1] heeft daarvoor een bedrag van € 5.777,25 aan toeslagen aan [eiseres] doorbelast. [eiseres] verwijst naar de facturen van [naam bedrijf 1] en de verklaring van haar commercieel directeur van 13 november 2023. Het zand en grind is vervolgens over de weg vervoerd naar [eiseres] in Waalwijk. De daarmee gemoeide kosten van in totaal € 15.722,50 die [naam bedrijf 2] voor dit specifieke transport aan [eiseres] in rekening hebben gebracht, kwalificeren ook als schade die door [gedaagde] moet worden vergoed. [eiseres] verwijst naar facturen van [naam bedrijf 2] .\n\n2.23.. \n\n [gedaagde] voert hiertegen het volgende verweer:\n\nVoor zover de toeslag ziet op een extra reisvoorbereiding, is deze buitensporig, omdat het gaat om een zeer geringe afwijking van de gebruikelijke route, waarvoor ten hoogste eenmaal een extra reisvoorbereiding is vereist.\n\nEen bedrag van € 785,45 komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat een aantal dagen sprake was van hoog water en de haven van Waalwijk op die dagen wel kon worden bereikt. De wegtransportkosten die het gevolg zijn van daardoor onnodig in Waspik lossen, komen ook niet voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] verwijst naar de verklaring van de commercieel directeur van [naam bedrijf 1] . [gedaagde] betwist verder dat de opgevoerde wegtransportkosten (Waspik - Waalwijk) in verband staan met de schadevaring.\n\nDe bespaarde kosten aan haven- en (gecompenseerde) kadegelden moeten op de gestelde schade in mindering worden gebracht. [gedaagde] verwijst naar de Verordening haven- en kadegeld 2023.\n\n2.24.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\nDe omvang van schade moet worden bepaald door vergelijking van de situatie waarin [eiseres] na de schadevaring verkeerde in de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023 dat zij niet bereikbaar was over het water, met de hypothetische situatie waarin de schadevaring niet had plaatsgevonden.\n\nMet het overleggen van de facturen van [naam bedrijf 1] en de verklaring van haar commercieel directeur heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in die periode kosten heeft moeten maken van in totaal € 5.777,25, welke kosten zij niet zou hebben gemaakt als de schadevaring niet zou hebben plaatsgevonden. Zoals de directeur heeft verklaard betreffen dit toeslagen die [naam bedrijf 1] voor het uitwijken naar de loslocatie in Waspik aan [eiseres] in rekening heeft gebracht. Die toeslagen staan vermeld op de betreffende facturen. De directeur heeft een geloofwaardige uitleg gegeven waarom ook de toeslag is doorbelast van de enkele keer dat het vanwege de waterstand op zichzelf wel mogelijk was om te lossen in Waalwijk. Dat was omdat [naam bedrijf 1] op die dagen bij het bepalen van de route al had voorzien dat gelost moest worden in Waspik. De directeur heeft verder verklaard dat [eiseres] de betreffende facturen integraal heeft betaald. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom de toeslagen volgens hem zouden zien op extra reisvoorbereiding, zodat de kantonrechter aan dat verweer voorbij gaat.\n\nMet het overleggen van de facturen van Harteman heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in die periode extra transportkosten heeft moeten maken van in totaal\n\n€ 15.722,50. De facturen zien op de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023. Uit de omschrijving op de facturen volgt dat het gaat om transport van zand en grind van Waspik naar Waalwijk. [eiseres] heeft daarmee voldoende aangetoond dat de opgevoerde wegtransportkosten van Waspik naar Waalwijk in verband staan met de schadevaring.\n\n [gedaagde] heeft zijn verweer dat [eiseres] normaal gesproken havengelden verschuldigd is en dat [eiseres] is gecompenseerd voor kadegelden onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar de Verordening haven- en kadegeld 2023 is niet genoeg.\n\nHet voorgaande betekent dat [gedaagde] in totaal € 21.499,75 aan [eiseres] moet betalen, te vermeerderen met de op zichzelf niet betwiste wettelijke rente vanaf 14 november 2023.\n\n [gedaagde] moet de proceskosten betalen\n\n2.25.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 1.409,00 aan griffierecht, € 112,99 aan exploitkosten, € 1.512,00 aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten x € 432,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 3.177,99. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.\n\nDe proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad\n\n2.26.. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat verzoekt en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n3.1.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 21.499,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.177,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 144,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n3.3.. verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026. 21915\u002F16744\n\nArt. 6.28 a lid 1 a t\u002Fm c BPR: Voor het invaren van een sluis kunnen tekens worden getoond aan weerszijden van de invaartopening op gelijke hoogte dan wel aan de stuurboordszijde daarvan. Deze tekens betekenen:\n\na. twee rode vaste lichten boven elkaar: het invaren is verboden, de sluis wordt niet bediend;\n\nb. één rood vast licht: het invaren is verboden, de sluis wordt bediend;\n\nc. een rood vast licht en daaronder een groen vast licht: het invaren is verboden, maar dit zal aanstonds worden toegestaan;\n\nbrief van EOC van 27 november 2023 (productie 17 bij dagvaarding), e-mail van EOC aan Senso van 20 maart 2024 (productie 2 bij conclusie van antwoord) en randnummer 26 van de conclusie van antwoord\n\nHR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, r.o. 3.4.1 (Duwbak ‘Linda’).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6678","2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.929Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":87,"fullText":88,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":87,"parsedAt":63,"updatedAt":90},"1053","ECLI:NL:RBROT:2024:12217","ecli-nl-rbrot-2024-12217","2024-12-06T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F688106 \u002F KG ZA 24-1010\n\nVonnis in kort geding van 6 december 2024\n\nin de zaak van\n\nORIENT RISE SHIPPING LIMITED,\n\ngevestigd te Hong Kong,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. M.M. van Leeuwen te Rotterdam,\n\ntegen\n\nAURORA MARINE FUELS LIMITED,\n\ngevestigd te Londen,\n\ngedaagde,\n\nadvocaat mr. B.J. van Egmond en mr. A.N. Kremer Hovinga te Rotterdam.\n\nPartijen zullen hierna ORS en Aurora genoemd worden.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 8 november 2024, met producties 1 tot en met 25 en de afzonderlijk nagestuurde producties 26 tot en met 31\n\nde bij berichten van 19, 20 en 21 november overgelegde producties 1 tot en met 14 aan de zijde van Aurora\n\n1.2.. Op 22 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens ORS heeft haar advocaat twee pleitnota’s overgelegd en voorgedragen. Namens Aurora hebben haar advocaten eveneens een pleitnota overgelegd en voorgedragen.\n\n2. De feiten2.1.. ORS is eigenaar van het zeeschip M\u002FV Broad Rise (hierna: de Broad Rise). In december 2021 was de vennootschap Cardinal Trade SA (hierna: Cardinal) tijdbevrachter van het schip.\n\n2.2.. Aurora is een wereldwijd opererende leverancier van brandstoffen en smeermiddelen voor de maritieme industrie, een bunkerleverancier. Cardinal heeft in december 2021 bij Aurora bunkers gekocht ten behoeve van de Broad Rise. De bunkers zijn op 1 januari 2022 door de feitelijk leverancier Chimbusco Marine Bunker Co. Ltd (hierna: Chimbusco) afgeleverd. Aurora heeft de factuur voor de levering voldaan aan Chimbusco. Cardinal heeft op haar beurt de factuur van Aurora voor het leveren van de bunkers niet voldaan.\n\n2.3.. Op 27 augustus 2024 heeft Aurora bij de rechtbank Rotterdam verzocht conservatoir beslag te mogen leggen op de Broad Rise. Het beslagverzoek is gericht tegen ORS. Aurora heeft in haar verzoekschrift gesteld dat zij een vordering heeft op ORS van USD 910.350 (hoofdsom), in de eerste plaats omdat ORS volgens Aurora medecontractant is bij de overeenkomst tussen Aurora en Cardinal. In de tweede plaats meent Aurora dat zij een verhaalsrecht heeft op de Broad Rise naar het op de overeenkomst toepasselijk recht en het recht van de vlaggenstaat.\n\n2.4.. Op 3 september 2024 heeft Aurora met verlof van de voorzieningenrechter beslag doen leggen op de Broad Rise.\n\n2.5.. Het conservatoir beslag is op 11 september 2024 opgeheven, nadat ORS een Garantie (op basis van het Rotterdams Garantie Formulier) heeft afgegeven. Op basis van de Garantie staat de West of England Shop Owners Mutual Insurance Association (hierna: de Club) garant voor betaling van de door Aurora gepretendeerde vordering op ORS.\n\n2.6.. Op 24 oktober 2024 heeft Aurora een dagvaarding uitgebracht tegen ORS in de bodemprocedure. Aurora vordert in deze procedure de veroordeling van ORS tot het betaling van een bedrag van USD 910.350. Aan deze vordering legt zij ten grondslag dat zij haar vordering op Cardinal kan verhalen op de Broad Rise. De eerste grond die Aurora in de het verzoek tot beslaglegging nog noemde (ORS is medecontractant), heeft Aurora expliciet laten vallen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. ORS vordert, samengevat weergegeven:\n\nprimair: de veroordeling van Aurora om aan de Club te bevestigen dat de Garantie van 10 september 2023 is komen te vervallen, dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend en dat de borg uit haar verplichtingen is ontslagen, en om het originele document aan de advocaat van ORS te retourneren, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en daarnaast te bepalen dat indien Aurora niet binnen 20 dagen aan deze veroordeling voldoet, deze uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van Aurora in de zin dat de uitspraak in de plaats treedt van de bedoelde verklaring;\n\nsubsidiair: de veroordeling van Aurora om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis tegenzekerheid te stellen voor een bedrag van € 200.000,- met bepaling dat indien Aurora dit nalaat, de Garantie van de WoEA komt te vervallen, en om in dat geval WoEA te déchargeren en de originele Garantie aan de advocaat van ORS te retourneren;\n\néén en ander met veroordeling van Aurora in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. ORS legt aan haar vordering kort gezegd ten grondslag dat Aurora een evident ondeugdelijke vordering heeft op ORS, zodat sprake is van een onrechtmatig gelegd beslag op de Broad Rise. Onder geen van de potentieel betrokken rechtsstelsels kan (na 2,5 jaar) op een schip verhaal worden genomen voor een vordering op de tijdbevrachter. De Garantie is slechts afgegeven omdat ORS een dringend belang had bij vrijgave van de Broad Rise en er te weinig tijd was voor het starten van een kort geding tot opheffing van het beslag. Indien die procedure zou hebben plaatsgevonden, zou het beslag zonder twijfel zijn opgeheven en om die reden dient de vordering tot teruggave van de garantie eveneens te worden toegewezen, aldus ORS.\n\n3.3.. Aurora voert verweer en concludeert tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter, niet-ontvankelijkheid van ORS dan wel afwijzing van de vordering van ORS, een en ander met veroordeling van ORS in de kosten van de procedure.\n\n4. De beoordeling4.1.. De Nederlandse rechter is, anders dan Aurora heeft betoogd, internationaal bevoegd. Aan de vordering van ORS ligt ten grondslag de opvatting dat het beslag op het schip, dat aan de zekerheidsstelling vooraf is gegaan, onrechtmatig was en dat het om die reden onrechtmatig is om zekerheid te verlangen in ruil voor opheffing van het beslag. Dat dit de juridische grondslag is van de vordering volgt uit het gehele betoog van ORS en zij heeft hieraan bovendien met zoveel woorden gerefereerd in haar tweede pleitnota. Onjuist is dus het andersluidende standpunt van Aurora. Het gestelde onrechtmatige handelen heeft plaatsgevonden in Rotterdam. Op grond van artikel 6 onder e Rv is de Nederlandse rechter daarom internationaal bevoegd.\n\n4.2.. Deze zaak gaat niet over opheffing van beslag. Het beslag is immers al opgeheven. Die opheffing is echter het resultaat van een tussen ORS en Aurora tot stand gekomen overeenkomst op grond waarvan ORS zekerheid heeft gesteld die voor Aurora voldoende was om het beslag vrijwillig op te heffen. Hiermee is gegeven dat de Garantie – en daarmee de vordering van ORS in dit kort geding – niet los gezien kan worden van de beslaglegging die daaraan is vooraf gegaan. Zonder beslaglegging immers geen zekerheidsstelling. Deze onlosmakelijke verbondenheid tussen beslaglegging en zekerheidsstelling brengt mee dat voor het oordeel over de toewijsbaarheid van de vordering in dit kort geding mede van belang is of (naar voorlopig oordeel) het beslag onrechtmatig was. Is dat het geval, dan is het in beginsel onrechtmatig om aan die zekerheidsstelling vast te houden. In dat geval heeft de beslaglegger immers ten onrechte gebruik gemaakt van een zwaarwegend drukmiddel (het vasthouden van een zeeschip dat op het punt staat uit te varen) om de beslagene zover te krijgen dat hij zekerheid stelt.\n\n4.3.. In een rechtstelsel zoals het Nederlandse, waarin het relatief eenvoudig is om voor beslaglegging verlof te krijgen, ligt het voor de hand dat een rechterlijke toets van de gegrondheid van het beslag ook gemakkelijk kan worden verkregen. Niet valt in te zien waarom dit alleen in een kortgeding tot opheffing zou kunnen plaatsvinden, al helemaal niet omdat de beslaglegger er geen nadeel van ondervindt als de beslagene om hem moverende redenen eerst zekerheid stelt en pas daarna de beslaglegging ter toetsing aan de rechter voorlegt. Dit doet ook recht aan de eisen van de maritieme praktijk. Het stellen van een garantie overeenkomstig het Rotterdams Garantieformulier, zoals hier is gebruikt, is een probaat middel om snel opheffing van een beslag te bewerkstelligen en zo grote operationele schade te voorkomen. Zou de vervangende zekerheidstelling niet meer tussentijds teruggevorderd kunnen worden op grond van onrechtmatige beslaglegging, dan is de kans reëel dat de animo voor deze praktische aanpak zal afnemen.\n\n4.4.. Denkbaar is dat partijen in het kader van de zekerheidsstelling en opheffing van het beslag afspraken hebben gemaakt die op het voorgaande een ander licht werpen. Daarvan is in dit kort geding niet gebleken. Integendeel: de tekst van het overeengekomen garantieformulier bepaalt dat de garantie wordt gegeven “without any prejudice (including […] the right to demand a release of this guarantee).” Hieraan doet niet af dat Aurora een tekstvoorstel van ORS, waarin expliciet naar de toepasselijkheid van artikel 705 Rv werd verwezen, heeft geweigerd.\n\n4.5.. Aurora heeft ten laste van ORS beslag gelegd op het schip tot verhaal van haar vordering op Cardinal als koper van de bunkers. Hoewel Aurora in het beslagrekest nog een ander standpunt innam, staat inmiddels tussen partijen vast dat ORS geen partij is geworden bij de overeenkomst en dus ook niet als contractspartij aansprakelijk is voor de onbetaald gebleven koopprijs. Aurora meent echter in de tweede plaats dat zij bij de totstandkoming van de overeenkomst tot levering van bunkers een ‘maritime lien’ op het schip heeft gekregen, zodat zij zich op het schip (van ORS) kan verhalen. De rechtmatigheid van het beslag (en daarmee de rechtmatigheid van het vasthouden aan de op grond daarvan gestelde zekerheid) moet dus worden beoordeeld op grond van dit gestelde verhaalsrecht.\n\n4.6.. Naar Nederlands recht bestaat een dergelijk verhaalsrecht niet. Het bepaalde in artikel 10:160 BW brengt dan mee dat de vordering van Aurora op Cardinal alleen in Nederland op het schip verhaalbaar is als die vordering zowel op grond van het recht van het land waar het schip te boek staat als op grond van het recht dat de vordering beheerst, op het schip kan worden verhaald.\n\n4.7.. De Broad Rise staat in Panama te boek. Aurora heeft in haar algemene voorwaarden een keuze heeft gemaakt voor de toepasselijkheid van Amerikaans federaal maritiem recht en bij gebreke van een daaruit volgende toepasselijke regel voor het recht van de staat New York. Voor dit kort geding moet van deze rechtskeuze worden uitgegaan. Weliswaar heeft ORS twijfels geuit over de rechtsgeldigheid van die rechtskeuze, maar die twijfels heeft zij onvoldoende handen en voeten gegeven.\n\n4.8.. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het Panamese recht het recht dat de vordering beheerst bepalend is voor het antwoord op de vraag of Aurora een maritime lien op het schip heeft verkregen. Dat brengt mee dat per saldo het Amerikaanse maritieme recht bepalend is.\n\n4.9.. Partijen zijn het erover eens dat naar Amerikaans recht een maritime lien op het schip voor een vordering als de onderhavige in beginsel mogelijk is. Een zogenoemde ‘non-lien notice’ kan echter meebrengen dat een maritime lien niet is ontstaan. Volgens ORS is een dergelijke verklaring tijdig aan Aurora afgegeven, Aurora meent daarentegen dat de non-lien notice pas is afgegeven toen de overeenkomst tussen Aurora en Cardinal al tot stand was gekomen, en dat is (volgens Aurora) te laat om het ontstaan van de maritime lien tegen te houden. Partijen twisten in dit verband over de precieze datering van de totstandkoming van de overeenkomst en van de non-lien notices. Gelet op dit debat, dat deels feitelijk van aard is en deels verband houdt met de betekenis van die feiten naar het Amerikaans maritiem recht, kan in dit kort geding niet worden aangenomen dat (de bodemrechter zal oordelen dat) geen maritime lien is ontstaan.\n\n4.10.. ORS heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het verhaalsrecht van Aurora op het schip is verjaard. In de dagvaarding en ter zitting heeft zij gesteld dat de in Nederland geldende wettelijke regeling op dit punt (artikel 8:219 BW) beschouwd moet worden als een regel van processuele aard en dus van toepassing is, omdat het schip in Nederland is beslagen. Dat standpunt is onjuist. Het recht dat de vordering beheerst strekt zich mede uit over regelingen die betrekking hebben op verjaring.\n\n4.11.. Mogelijk bedoelt ORS een beroep te doen op een door haar overgelegde opinie van een New Yorkse advocaat, die ingaat op het Amerikaans maritiemrechtelijke leerstuk van ‘laches’, dat naar Nederlandse begrippen kan worden begrepen als rechtsverwerking. Dit leerstuk is van toepassing als de eiser “has unreasonably delayed in asserting the claim”. Uit de opinie volgt dat voor de toepassing van de laches-doctrine naar Amerikaans maritiem recht wordt aangeknoopt bij lokale wetgeving over verjaring: zou de vordering naar lokaal recht zijn verjaard, dan is dat een aanwijzing dat de laches-doctrine in werking treedt en is het aan de beslaglegger om aan te tonen dat hij niet onredelijk traag heeft gehandeld. Via die redenering zou dan met toepassing van Amerikaans recht alsnog het Nederlandse verjaringsrecht relevant zijn, aldus deze opinie. Als ORS dit standpunt heeft bedoeld in te nemen, geldt dat zij dit onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de stukken blijkt immers dat Aurora na het onbetaald blijven van haar factuur verschillende pogingen in verschillende landen heeft gedaan om ten laste van ORS verhaal te halen en ook dat ORS van die pogingen op de hoogte was. Gelet hierop is bepaald niet uit te sluiten dat met toepassing van de laches-doctrine en met de Nederlandse verjaringsregel als uitgangspunt de conclusie alsnog zal zijn dat Aurora de aanspraak op haar vordering niet onredelijk heeft vertraagd. ORS heeft onvoldoende feiten gesteld om het tegendeel in dit kort geding te kunnen aannemen.\n\n4.12.. ORS heeft er in de pleitnota op gewezen dat de eis zoals in de hoofdzaak ingesteld niet toegewezen zal kunnen worden, omdat die eis uitgaat van een geldvordering van Aurora op ORS en daarvan is geen sprake. Dit betekent echter op zichzelf nog niet dat daarmee ook het beslag onrechtmatig was. Een vordering kan immers nog worden gewijzigd. Voor zover ORS bedoelt te stellen dat de aan de vordering ten grondslag liggende maritime lien niet inpasbaar is in het Nederlandse rechtssysteem, geldt dat zij dat standpunt onvoldoende heeft uitgewerkt. In beginsel is ook in het Nederlandse rechtssysteem niet ondenkbaar dat een derde (zoals hier de eigenaar van het schip) zal moeten dulden dat op zijn eigendom verhaal wordt genomen voor een vordering waarbij hij geen partij is. In dat geval ligt in de rede dat ten laste van die derde beslag kan worden gelegd om daarmee zeker te stellen dat het verhaalsrecht niet verloren gaat. Waarom dat in dit geval wezenlijk anders zou zijn – aangenomen dat naar het toepasselijke recht op de vordering een verhaalsrecht is ontstaan – heeft ORS niet toegelicht.\n\n4.13.. Uit het voorgaande volgt dat per saldo teveel vragen resteren om te kunnen aannemen dat (de bodemrechter zal oordelen dat) het aanvankelijk gelegde beslag onrechtmatig was. Daaruit volgt dat evenmin aannemelijk is dat het handhaven van de Garantie die uit dat beslag voortvloeit onrechtmatig is. In dit verband is van belang dat conservatoir beslag en dus ook een daaruit voortvloeiende zekerheidsstelling naar zijn aard bedoeld is om zeker te stellen dat na afloop van de hoofdzaak nog verhaalsmogelijkheden resteren, terwijl de beslaglegger aansprakelijk is voor de als gevolg van die beslaglegging veroorzaakte schade als de uitkomst van de hoofdzaak is dat ten onrechte beslag is gelegd.\n\n4.14.. Een belangenafweging leidt niet tot een andere uitkomst. De Broad Rise vaart weer, dus in zoverre is het risico van grote schade wegens het stilliggen van het schip niet meer aan de orde. ORS stelt dat zij een contante storting van € 1 miljoen heeft moeten doen om de Garantie te verkrijgen en dat zij dat bedrag dus niet voor haar bedrijfsdoeleinden kan gebruiken zo lang de Garantie van kracht blijft. Bovendien heeft zij een fee moeten betalen om de Garantie te krijgen. Als dit alles juist is, dan volgt daaruit hooguit dat ORS enige financiële schade dreigt te lijden als gevolg van het stellen van de Garantie. Hoe hoog die mogelijke schade kan zijn heeft ORS niet geconcretiseerd. ORS heeft bovendien niet gereageerd op de stelling van Aurora ter zitting dat zij een financieel gegoede vennootschap is en dat zij dus verhaal biedt voor het geval de uitkomst van de hoofdzaak daartoe aanleiding geeft. Bij deze stand van zaken weegt het belang bij behoud van de Garantie zwaarder dan de belangen van ORS. Dit geldt ook voor de subsidiaire vordering.\n\n4.15.. De vorderingen worden dus afgewezen.\n\n4.16.. ORS krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten van Aurora vergoeden. Deze kosten worden begroot op € 688,- aan griffierecht, € 1.661,- aan salaris advocaat en € 178,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.527,-. De nakosten worden vermeerderd € 92,- en de kosten van betekening indien voldoening van de (na)kosten niet plaatsvindt binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af;\n\n5.2.. veroordeelt ORS in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Aurora begroot op € 2.527,-, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en te vermeerderen met een bedrag van € 92,-, en de kosten van betekening indien dit bedrag niet binnen deze termijn wordt betaald en betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden;\n\n5.3.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de procesveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2024.1980\u002F3144\u002F1729","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:12217","2026-07-13T00:29:01.783Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":59,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":95,"summary":59,"language":7,"source":61,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":97,"parsedAt":63,"updatedAt":98},"1136","ECLI:NL:RBROT:2024:4510","ecli-nl-rbrot-2024-4510","beschikkingRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzeeschip “[naam schip]” (CLC-fonds)\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F670251 \u002F HA RK 23-1234\n\nBeschikking van 6 mei 2024\n\nin de zaak van\n\nde rechtspersoon naar het land en de plaats van haar vestiging\n\nNATIONAL CHEMICAL CARRIERS LTD,\n\ngevestigd te Riyadh, Saudi-Arabië,\n\nverzoekster,\n\nadvocaat mr. M. Wattel te Rotterdam,\n\nVerzoekster wordt hierna aangeduid als NCC.\n\n1. De procedure1.1.. De rechtbank heeft kennis genomen van het op 11 december 2023 ontvangen verzoekschrift met vijf bijlagen, en het daarop aansluitende gewijzigde verzoekschrift met vier bijlagen, ingekomen op 18 december 2023.\n\n1.2.. De rechtbank heeft op verzoek van NCC een datum voor de mondelinge behandeling bepaald en de griffier heeft NCC, de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden en het International Oil Pollution Fund 1992(hierna: het Fonds) voor die mondelinge behandeling opgeroepen.\n\n1.3.. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 april 2024. Alle in het genummerde overzicht van schuldeisers dat bij het verzoekschrift is gevoegd zijn daarbij verschenen, met uitzondering van:\n\n- mr. H.C.A. Van der Houven van Oordt, advocaat van schuldeisers nummers 2a tot en met 2g;\n\n- mr. W. Boonk, advocaat van schuldeiser nummer 7;\n\n- mr. T. Roos, advocaat van schuldeisers nummers 9, 10a, 10b, 17a tot en met 17c;\n\n- mr. P.A. van Grieken, advocaat van schuldeiser nummer 26;\n\n- mr. N. Hoogeboom, advocaat van schuldeiser nummer 27.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat zij wel correct zijn opgeroepen (via hun raadslieden).\n\nNamens het Fonds is op de mondelinge behandeling verschenen mr. M.A.R.C. Padberg.\n\n1.4.. De rechtbank heeft, naast de uitgewisselde correspondentie over het al dan niet bepalen van een zitting, voor de mondelinge behandeling voorts kennis genomen van:\n\nde e-mail van mr. Zandt van 28 februari 2024, met de mededeling dat schuldeisers 12a en 12b niet akkoord kunnen gaan met het beperkingsverzoek en dat zij verzoeken om een mondelinge behandeling, omdat het beperkingsverzoek niet voorziet in zekerheid voor de rente die zal verschijnen na zekerheidstelling tot aan de dag van uitbetaling ex art. 642v Rv;\n\nde e-mail van mr. van Waasbergen van 1 maart 2024, met een reactie op het standpunt van mr. Zandt;\n\nde e-mail van mr. Van ’t Zelfde van 1 maart 2024, met zijn reactie op het standpunt van mr. Zandt;\n\ne nadere e-mail van mr. Zandt van 1 maart 2024, waarin hij erop wijst dat hij geen rechtvaardiging ziet waarom fondsstelling middels garantie wel en middels consignatiekas geen dekking voor de verder oplopende rente zou bieden en dat de schuldenaar bij keuze voor storting in de consignatiekas ervoor moet zorgen dat daarmee dezelfde zekerheid wordt geboden als met een garantie het geval zou zijn, bijvoorbeeld door aan te bieden de consignatiekas van tijd tot tijd verder aan te vullen;\n\nde e-mail van mr. Van Waasbergen van 1 maart 2024, met een reactie op het standpunt van mr. Zandt;\n\nde e-mail van mr. Wattel van 2 maart 2024, met zijn visie op het standpunt van mr. Zandt..\n\n1.5.. Mr. Van Leeuwen heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen op de mondelinge behandeling. De spreekaantekeningen zijn toegevoegd aan het procesdossier. De andere aanwezigen hebben zonder spreekaantekeningen gesproken voor zover zij dit nodig achtten.\n\n1.6.. Op de mondelinge behandeling is de datum van de beschikking bepaald op 24 mei 2024 en is ook de mogelijkheid van vervroeging besproken.\n\n1.7.. Van het verhandelde op de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.\n\n2. Het verzoek2.1.. NCC verzoekt, zakelijk weergegeven en voor zover nog van belang:\n\nhet bedrag waartoe de aansprakelijkheid van NCC voorshands is beperkt vast te stellen op SDR 15.991.676,- (zegge: vijftien miljoen negenhonderd éénennegentigduizend zeshonderdzesenzeventig rekeneenheden);\n\nte bevelen dat NCC het hiervoor onder a. bedoelde bedrag, althans het equivalent daarvan in Euro, berekend tegen de koers van de dag van fondsstelling, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag volgende op de dag van het voorval tot aanvang van de dag volgende op de dag van fondsstelling en te vermeerderen met een door de rechtbank vast te stellen redelijk bedrag ter bestrijding van de kosten van de procedure middels het storten op een bankrekening ten name van de rechter-commissaris en vereffenaar, althans in de consignatiekas;\n\nvast te stellen dat NCC gerechtigd is om haar eventuele aansprakelijkheid voor schade als gevolg van het in het verzoek omschreven voorval tot het onder a. genoemde bedrag te beperken en te bevelen dat tot de procedure tot verdeling van dit te stellen beperkingsfonds zal worden overgegaan;\n\neen rechter-commissaris aan te wijzen en een vereffenaar te benoemen.\n\n3. De beoordeling3.1.. Het gewijzigd verzoek van NCC strekt – kort gezegd – tot het vaststellen van het bedrag waartoe haar aansprakelijkheid ter zake van de aanvaring op 23 juni 2018 van de “[naam schip]” met een steiger van LBC Tank Terminals in de 3e Petroleumhaven te Rotterdam, waardoor een lek is ontstaan in de stuurboord bunkertank van de “[naam schip]” en vervolgens stookolie de haven is gestroomd (hierna: het voorval) voorshands is beperkt (op grond van artikel V lid 1 CLC en op grond van artikel 4 lid 1 Waot ter zake van schade door verontreiniging in de zin van artikel I lid 6 CLC en artikel 1 sub g Waot) en tot het bevel dat tot een procedure tot verdeling van het te stellen fonds zal worden overgegaan.\n\nBevoegdheid en toepasselijk (verdrags)recht\n\n3.2.. De rechtbank stelt vast dat het CLC en de Waot van toepassing zijn. De Nederlandse rechter is op grond van artikel IX CLC en artikel 8a Waot bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van NCC omdat het hiervoor omschreven voorval schade door verontreiniging heeft veroorzaakt in Nederland. Op grond van artikel V lid 3 CLC en artikel 9 lid 1 Waot is de rechtbank Rotterdam bevoegd. Een en ander is, naar ter zitting is bevestigd, niet in geschil.\n\nHet recht tot beperking van NCC en fondsomvang\n\n3.3.. NCC was op het tijdstip van het voorval de eigenaresse van het zeeschip “[naam schip]” en aldus aansprakelijk voor schade door verontreiniging op grond van artikel III lid 1 CLC en artikel 3 lid 1 Waot. Op grond van artikel V lid 1 CLC en artikel 4 lid 1 Waot is zij in die hoedanigheid gerechtigd tot beperking van aansprakelijkheid op grond van het CLC en op grond van de Waot.\n\n3.4.. NCC stelt dat haar aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging op grond van artikel V lid 1 CLC kan worden beperkt tot SDR 15.991.676,-. Zij baseert dit op het bruto laadvermogen van de “[naam schip]” dat volgens het door NCC overgelegde ‘International Tonnage Certificate (1969)’ 23.196 ton bedraagt.\n\n3.5.. De verschenen belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het recht van NCC tot beperking van haar aansprakelijkheid op grond van het CLC aangevuld door de Waot, noch tegen de berekening van beperkingsbedrag.\n\n3.6.. De rechtbank ziet geen reden om hierover anders te oordelen en bepaalt het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van NCC voorshands is beperkt dus op SDR 15.991.676,00.\n\n3.7.. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. De artikelen 642c Rv en 8:757 BW bieden daarvoor – via artikel 9 Waot – een grondslag, om de redenen uitgewerkt in de beschikking van deze rechtbank van 25 oktober 2023 over een eerder beperkingsverzoek over dit voorval waarover tussen dezelfde betrokkenen is geprocedeerd (ECLI:NL:RBROT:2023:9936).\n\nDe wijze van fondsvorming\n\n3.8.. NCC heeft medegedeeld fonds te willen vormen door storting op een bankrekening van de rechter-commissaris en vereffenaar, dan wel door storting in de consignatiekas. De rechtbank merkt op dat storting op een bankrekening niet meer mogelijk is in de beperkingsprocedures omdat banken terughoudend zijn geworden bij verzoeken tot het openen van een dergelijke rekening. Voor zover dat al mogelijk zou zijn wil ook de rechtbank zelf niet meer gebruik maken van deze niet op de wet gebaseerde mogelijkheid. Fondsvorming zal bij toewijzing dan ook plaats dienen te vinden door storting in de consignatiekas.\n\n3.9.. Mr. Zandt heeft namens Koole Terminals B.V. en Koole Tankstorage Botlek B.V. (schuldeisers 12a en 12b) in zijn e-mailberichten van 28 februari en 1 maart 2024 en ter zitting bezwaar gemaakt tegen de wijze van fondsstelling op de grond dat storting in de consignatiekas tot gevolg heeft dat de rente over het bedrag waarvoor mag worden beperkt minder zal oplopen dan bij het stellen van een garantie het geval zal zijn. Hij heeft het standpunt ingenomen dat de rechtbank bij het beoordelen van het verzoek een eigen afweging moet maken met het oog op de belangen van de crediteuren, terwijl hij zich anderszins ook kan voorstellen dat de rechtbank het belang van de verzamelde crediteuren om (eindelijk) tot voortgang en afwikkeling te komen zwaarder laat wegen.\n\n3.10.. Mr. Van Leeuwen heeft betoogd dat verweer slechts bij verweerschrift mag worden gevoerd, zodat het verweer te laat is. Mr. Zandt heeft bestreden dat voor het voeren van verweer alleen ruimte bestaat indien dit in een verweerschrift naar voren is gebracht. De rechtbank ziet evenmin als mr. Zandt reden om aan te nemen dat verweer niet meer ter zitting kan worden gevoerd, en ook de door de rechtbank gepubliceerde Handleiding Beperkingszaken benoemt dat ter mondelinge behandeling van het verzoekschrift zal worden behandeld “de inhoud van het (eventuele) verweerschrift, althans het ter zitting gevoerde verweer door belanghebbenden tegen het verzoek van verzoeker”. Het verweer is dus tijdig gevoerd.\n\n3.11.. \n\nDe rechtbank is naar aanleiding van de discussie ter zitting niet anders gaan denken dan zoals zij als voorlopig standpunt in haar e-mail van 15 maart 2024 aan partijen weergaf, namelijk:\n\n“Gebruikelijk is dat een verzoeker mag kiezen op welke wijze hij fonds wenst te stellen. De wet biedt daartoe de mogelijkheid van storting in de consignatiekas (artikel 642c lid 2 sub a Rv) dan wel een andere wijze van zekerheidstelling (artikel 642c lid 2 sub b Rv, hieronder valt bijvoorbeeld het stellen van een garantie). In geval van storting in de consignatiekas omvat het fonds op grond van voornoemd artikel en artikel 8:757 BW de rente vanaf de dag na het voorval tot en met de dag na de fondsstelling. Voor een andere manier van zekerheidstelling (zoals afgifte van een bankgarantie) bepaalt de wet in artikel 642c lid 2 sub b Rv uitdrukkelijk dat de zekerheidsstelling ook de rente na fondsstelling tot de dag waarop de oproepingen als bedoeld in artikel 642v Rv uitgaan. Dat regime geldt niet voor storting in de consignatiekas. De Wet op de consignatie van gelden voorziet erin dat bij een uiteindelijke uitkering rente over de geconsigneerde gelden zal worden vergoed (artikel 9 lid 2 Wet op de consignatie van gelden). De rente begint te lopen op de eerste dag van de maand na de maand waarin de storting plaatsvond en wordt berekend tot en met de laatste dag van de maand voorafgaande aan de maand waarin uitkering geschiedt (artikel 9 lid 4 en 5 Wet op de consignatie van gelden). Als de rechtbank een verzoeker beveelt om fonds te stellen en daaraan voldoet hij door storting in de consignatiekas, dan zal het fonds conform de wet aldus de wettelijke rente tot de dag na fondsstelling omvatten. Hoewel mr. Zandt in zijn laatste mail van 1 maart 2024 suggereert dat schuldeisers de vrijheid hebben om geen ‘genoegen te nemen’ met fondsstelling door storting in de consignatiekas (conform de hierboven beschreven uit de wet volgende wijze) ziet de rechtbank niet in dat en waarom zij die vrijheid hebben.”.\n\nIn aanvulling daarop en naar aanleiding van de ter zitting gegeven toelichting overweegt de rechtbank nog als volgt. Het standpunt van mr. Zandt leidt ertoe dat de rechtbank op grond van een belangenafweging zou moeten bepalen bij welke wijze van fondsstelling voor de schuldeisers op dat moment de hoogst mogelijke rente kan worden gegenereerd en een verzoekster die wijze van fondsvorming zou moeten opleggen. Voor een dergelijke taakopvatting van de rechter bij de beoordeling van het beperkingsverzoek bieden de regeling van artikel 642a e.v. Rv en het verdragsrecht geen enkele grondslag of ruimte. Zou dat anders zijn, dan zou dat ontoelaatbaar afbreuk doen aan het uitgangspunt dat de schuldenaar vrij is om te kiezen of hij fonds wil vormen door storting of door zekerheidstelling. Het is nu juist vanwege die keuzevrijheid dat schuldeisers in de beperkingsprocedure geen bevel tot storting of zekerheidstelling kunnen afdwingen (HR 1 mei 1981, NJ 1981\u002F605, ‘Blue Hawk’). Dat de keuze van NCC om fonds te vormen door storting in de consignatiekas uiteindelijk tot gevolg heeft dat schuldeisers geen aanspraak hebben op een hogere rente (zoals het geval zou zijn bij het stellen van een garantie), maakt dit niet anders. Beide wijzen van fondsvorming worden in regeling van artikel 642a e.v. Rv en in artikel V lid 3 CLC immers op één lijn gesteld (vergelijk ook Rb Rotterdam 18 december 1995, S&S 1996\u002F53, ‘Wladyslaw Jagiello’), waardoor niet gezegd kan worden dat de ene wijze van fondsvorming de voorkeur zou moeten krijgen boven de andere wijze van fondsvorming.\n\nHet verweer wordt dan ook verworpen.\n\nSlotsom\n\n3.12.. \n\nHet verzoek voldoet aldus aan de wettelijke vereisten. Daarom zal de rechtbank bepalen dat NCC fonds dient te stellen tot het in 3.6 en 3.7 bedoelde beloop door middel van storting in de consignatiekas. Voorts zal de rechtbank bepalen dat NCC het fonds dient te vermeerderen ter bestrijding van de kosten van de procedure zoals hierna te vermelden. Deze kosten zijn door de vereffenaar voorlopig begroot op € 15.000,00.\n\nVerder zal de rechtbank een rechter-commissaris aanwijzen en een vereffenaar benoemen.\n\n3.13.. NCC dient bij storting in de consignatiekas een kopie van deze beschikking te sturen aan:\n\nMinisterie van Financiën\n\nt.a.v. de Consignatiekas\n\n [postadres 1]\n\ne-mail: [e-mailadres 1]\n\nNCC zal in de begeleidende brief bij deze beschikking worden geïnformeerd over de praktische afhandeling.\n\n3.14.. Ingevolge artikel 642c lid 5 Rv is deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n4.1.. bepaalt het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van verzoekster ter zake van de schade in verband met het in 3.1 bedoelde voorval voorshands is beperkt op SDR 15.991.676,-, om te rekenen in euro’s naar de koers van de dag van het stellen van het fonds volgens de waarderingsmethode die door het IMF op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover te berekenen vanaf de dag volgende op de da van het voorval, derhalve 24 juni 2018, tot de dag volgende op de dag van het stellen van het fonds;4.2.. bepaalt dat verzoekster uiterlijk op 3 juni 2024fonds dient te stellen tot het beloop van het in 4.1 genoemde bedrag aan hoofdsom en rente, alsmede te vermeerderen met € 15.000,- ter bestrijding van de kosten van de procedure en wel door storting van dit totale bedrag in de consignatiekas op naam van de rechter-commissaris en de vereffenaar;4.3.. wijst aan als rechter-commissaris ter vaststelling van de staat van verdeling van het fonds mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan;4.4.. benoemt tot vereffenaar van het fonds [naam], [postadres 2], telefoonnummer [telefoonnummer], e-mailadres: [e-mailadres 2].\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2024.\n\n3266\u002F1885","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2024:4510","2024-05-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.063Z",20]