[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-personal-injury-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":39,"total":16,"page":25,"limit":76},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},155,"personal-injury-nl","Personal Injury","NL","2026-07-08T17:00:27.741Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-06-12T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122825","Burgerlijk Wetboek","art. 7:954",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"122826","art. 7:453",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"122827","art. 6:75",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"122829","art. 7:941",{"provisionId":36,"code":37,"article":38,"count":25},"123986","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 196 lid 2",[40,51,60,69],{"id":41,"ecli":42,"slug":43,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":49,"updatedAt":50},"1620","ECLI:NL:RBROT:2026:6761","ecli-nl-rbrot-2026-6761","","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 11562860 CV EXPL 25-4370\n\ndatum uitspraak: 12 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwoonplaats: [woonplaats 1],\n\neiser,\n\ngemachtigde: mr. M.H. Cassa,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwoonplaats: [woonplaats 2],\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg.\n\nPartijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 10 februari 2025, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met bijlage;\n\nde nadere producties van [eiser] van 6 februari 2026.\n\n1.2.. Op 17 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met partijen en hun gemachtigden.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] hem op 2 september 2023 op een festival in Rotterdam zonder aanleiding geslagen waardoor hij ernstig tandletsel en andere schade heeft opgelopen. Hij eist daarom op grond van onrechtmatige daad betaling van € 6.727,70 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente, € 2.199,18 aan buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij erkent dat hij heeft geslagen, maar voert aan dat hij zichzelf moest verdedigen (noodweer) omdat hij eerst door [eiser] bij zijn nek werd gegrepen.\n\n3. De beoordeling\n\nOnrechtmatig handelen\n\n3.1.. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] uit onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde schade als gevolg van het incident op 2 september 2023. Om te kunnen spreken van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en een plicht tot schadevergoeding, moet de kantonrechter eerst beoordelen of sprake was onrechtmatig handelen door [gedaagde].\n\n3.2.. Vast staat dat op 2 september 2023 een incident tussen [eiser] en [gedaagde] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft erkend dat hij [eiser] op enig moment een klap heeft gegeven. Hiermee heeft [gedaagde] de lichamelijke integriteit van [eiser] geschonden en zich in beginsel onrechtmatig gedragen jegens [eiser]. Van onrechtmatig handelen is echter geen sprake indien vast komt te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestond (artikel 6:162 lid 2 BW). [gedaagde] heeft aangevoerd dat zo’n rechtvaardigingsgrond aanwezig is, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Hiervoor moet aangenomen kunnen worden dat de klap van [gedaagde] noodzakelijk was om zijn lijf, eerbaarheid of goed te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [eiser]. Het is aan [gedaagde] om in dit verband het nodige naar voren te brengen.\n\n3.3.. \n [gedaagde] heeft aan zijn beroep op noodweer ten grondslag gelegd dat [eiser] als eerste de confrontatie op zocht en hem aanviel. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] dit aangevuld met de stelling dat [eiser] zijn nek greep en hem sloeg. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] een schriftelijke verklaring van [naam 1] van 15 maart 2026 overgelegd, waarin staat vermeld dat [naam 1] zag dat [eiser] [gedaagde] bij de nek greep en enkele malen naar hem uithaalde. Ook heeft [gedaagde] foto’s van zichzelf overgelegd, waaruit volgens hem blijkt dat hij letsel heeft opgelopen.\n\n3.4.. In reactie op het beroep op noodweer heeft [eiser] aangevoerd dat [gedaagde] hem eerst uit het niets heeft geslagen. [eiser] heeft [gedaagde] pas op een later moment – namelijk toen [eiser] na de klap achter [gedaagde] aan rende en dus ook op een andere locatie – bij de nek gegrepen. [eiser] heeft dit onderbouwd met zijn aangifte, waarin hij over deze twee verschillende momenten heeft verklaard en hierbij heeft benoemd dat [naam 1] bij het tweede moment aanwezig was. Overigens gaat ook [gedaagde] in de conclusie van antwoord uit van twee verschillende momenten, waarbij [eiser] tijdens het tweede moment [gedaagde] in een soort nekklem heeft gehouden. Verder heeft [eiser] de door hem gestelde feitelijke gang van zaken onderbouwd met twee processen-verbaal. Hierin zijn de verklaringen van twee getuigen opgenomen die bevestigen dat [gedaagde] [eiser] “gelijk” en “uit het niets” sloeg in (de richting van) het gezicht. Hieruit volgt dus niet dat [eiser] [gedaagde] voorafgaand aan de klap bij de nek heeft gegrepen en hem heeft geslagen. Het gestelde noodweer blijkt ook niet uit de door [eiser] overgelegde verklaring van getuige (en vriend van [gedaagde]) [naam 2] die hij bij de politie heeft afgelegd. [naam 2] heeft verklaard dat hij alleen heeft gezien dat [eiser] [gedaagde] vast had en dat hij niet heeft gezien wat er daarvoor is gebeurd.\n\n3.5.. Tot slot heeft [eiser] nog gewezen op de geldboete van € 1.000,00 die de officier van justitie via een strafbeschikking aan [gedaagde] voor mishandeling heeft opgelegd. Vast staat dat de officier van justitie het noodweerverweer tijdens de zogenaamde OM-hoorzitting waarin de strafbeschikking werd opgelegd, heeft verworpen. De strafbeschikking is op 23 december 2023 onherroepelijk geworden, omdat [gedaagde] deze – naar eigen zeggen vanwege proceseconomische redenen – heeft geaccepteerd. Weliswaar heeft deze strafbeschikking niet net als een vonnis van de strafrechter dwingende bewijskracht, maar gelet op de wetsgeschiedenis van de strafbeschikking wordt wel verwacht dat een civiele rechter aan een onherroepelijke strafbeschikking meer dan gemiddelde bewijskracht zal toekennen.\n\n3.6.. Gelet op deze uitgebreide en onderbouwde betwisting van de gestelde noodweersituatie had van [gedaagde] mogen worden verwacht dat hij was ingegaan op de stelling dat het grijpen bij de nek door [eiser] pas ruimschoots na de klap van [gedaagde] heeft plaatsgevonden of dat hij zijn beroep op noodweer op andere wijze (beter) had onderbouwd. [gedaagde] kan niet volstaan met het overleggen van een enkele verklaring en de genoemde foto’s. De foto’s van het gestelde letsel bieden net als de eerder besproken verklaring van [naam 1] – in het licht van de betwisting van [eiser] – onvoldoende steun voor het noodweerscenario van [gedaagde]. Het gestelde letsel is hierop lastig te zien en kan bovendien ook goed passen bij de worsteling tijdens het tweede moment.\n\n3.7.. Dat betekent dat het door [gedaagde] gestelde noodweer, in het licht van de betwisting door [eiser] (inclusief de overgelegde stukken en de opgelegde strafbeschikking), niet is komen vast te staan. [gedaagde] heeft gelet op het voorgaande ook onvoldoende gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.\n\nSchade en het causale verband\n\n3.8.. Nu sprake is van een aan [gedaagde] toerekenbare onrechtmatige daad, is [gedaagde] verplicht de schade die [eiser] door die onrechtmatige daad lijdt, te vergoeden. [eiser] stelt dat hij als gevolg van de mishandeling ernstig tandletsel heeft opgelopen en daardoor de volgende materiële en immateriële schade heeft:\n\nmedische kosten (tandarts) van € 849,70;\n\nverlies van verdienvermogen van € 1.053,00;\n\nreis- en parkeerkosten van € 75,00;\n\ntoekomstige medische kosten van € 2.415,31;\n\nimmateriële schade van € 2.000,00.\n\n3.9.. \n [gedaagde] heeft de meeste schadeposten en het causale verband tussen de schade en de onrechtmatige daad betwist. Hierna zal worden ingegaan op de verschillende schadeposten en het causale verband met het onrechtmatige handelen van [gedaagde].\n\nMedische kosten van € 849,703.10.. \n [gedaagde] heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zijn verweer tegen de medische kosten niet langer handhaaft gelet op de aanvullende verklaring van de tandarts. Het gevorderde bedrag van € 849,70 aan medische kosten wordt daarom toegewezen.\n\nVerlies van verdienvermogen van € 351,003.11.. \n [eiser] heeft gesteld dat hij als gevolg van het letsel op 8 en 9 september 2023 niet kon werken als zelfstandig ondernemer. Daarnaast heeft hij door afspraken met de tandarts en de politie bepaalde uren niet kunnen werken. In totaal betreft het 27 gemiste uren à € 39,00 netto (€ 60,00 bruto), zodat het verlies van verdienvermogen € 1.053,00 bedraagt. [gedaagde] heeft deze schade op meerdere punten betwist. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens hem onder meer niet dat [eiser] tijdens de betreffende dagen\u002Furen daadwerkelijk opdrachten had die zijn geannuleerd, waardoor hij inkomsten zou hebben gemist.\n\n3.12.. Naar aanleiding van de betwisting heeft [eiser] nog een aangifte inkomstenbelasting uit 2023 overgelegd alsmede een verklaring van zijn opdrachtgevers in die periode. In deze verklaring wordt bevestigd dat hij daadwerkelijk afspraken had in de periode na de mishandeling. Verder blijkt hieruit dat een aantal afspraken daadwerkelijk is geannuleerd en dat het uurtarief € 60,00 bruto bedroeg. Dat betekent dat voor die uren (2 uur op 4 september 2023, 4 uur op 7 september 2023, 3 uur op 13 oktober 2023) de vordering voldoende is onderbouwd en kan worden vastgesteld. Een bedrag van € 351,00 (9 uur à € 39,00 netto) zal daarom worden toegewezen. Gelet op de betwisting is onvoldoende onderbouwd dat [eiser] ook door de verplaatste afspraken verlies van inkomen heeft gehad. [eiser] heeft slechts in algemene zin gesteld dat hij daardoor geen (andere) opdrachten kon verrichten. Gelet op de uitgebreide betwisting had van hem gevergd mogen worden dat hij dit gedeelte nader had onderbouwd, bijvoorbeeld door stukken met daarin een vergelijking van zijn inkomsten na de mishandeling met zijn inkomsten in een andere overeenkomstige periode. Het resterende deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.\n\nGeen reis- of parkeerkosten3.13.. \n [eiser] heeft gesteld dat hij verschillende afspraken heeft gehad, waaronder bij de tandarts en het politiebureau. Dit heeft geleid tot reis- en parkeerkosten. Hiervoor wordt een bedrag van € 75,00 gevorderd. [gedaagde] heeft dit bedrag betwist. Hoe dit bedrag is berekend, is niet nader gespecifieerd. Ook na de betwisting heeft [eiser] niet verder inzicht gegeven in hoe dit bedrag tot stand is gekomen; er is slechts in algemene zin verwezen naar De Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding. Het bedrag wordt daarom afgewezen.\n\nToekomstige medische schade van € 2.415,313.14.. \n [eiser] heeft gesteld dat vanwege de loszittende tand in de toekomst nog tandheelkundige kosten van € 2.415,31 moeten worden gemaakt voor het plaatsen van een implantaat. Ter onderbouwing heeft [eiser] een kostenbegroting van de tandarts overgelegd. Nadat [gedaagde] deze kosten en het causale verband hiervan had betwist, heeft [eiser] een verklaring van de tandarts ingebracht waarin de tandarts heeft verklaard dat het implantaat medisch noodzakelijk is en een direct gevolg is van het tandtrauma dat door de mishandeling was veroorzaakt. [gedaagde] heeft hier vervolgens niets tegenover gesteld, zodat ook dit bedrag zal worden toegewezen.\n\nImmateriële schade van € 2.000,003.15.. \n [eiser] vordert een bedrag van € 2.000,00 aan smartengeld. [eiser] heeft aangevoerd dat hij ernstig tandletsel heeft opgelopen, waardoor hij zich onder behandeling van een tandarts moest stellen. Naast pijnklachten heeft [eiser] hierdoor bijna anderhalve maand vloeibaar voedsel moeten eten en moest daarom veel thuis zijn. Ondanks behandelingen heeft [eiser] nog steeds een los zittende tand, waardoor hij moeite heeft met eten. Daarnaast was de mentale impact van het incident groot. [eiser] is onder meer angstig in grote menigten. [gedaagde] heeft betwist dat het bedrag van € 2.000,00 billijk is. Op grond van de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven is volgens hem een bedrag van € 1.000,00 passender, omdat het letsel in categorie 1 past.\n\n3.16.. Smartengeld is een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor ander nadeel dan vermogensschade. Dit is onder meer mogelijk in geval van lichamelijk letsel waarvan hier sprake is (artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW). Bij de begroting van smartengeld moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de aansprakelijkheid, de aard en de ernst van het toegebrachte letsel en de mate waarin het slachtoffer daardoor is getroffen. Verder zal rekening moeten worden gehouden met de bedragen aan smartengeld die rechters in Nederland in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen.\n\n3.17.. Onder verwijzing naar het voorgaande, waaronder de verklaringen bij de politie, is vastgesteld dat [gedaagde] [eiser] in het gezicht heeft geslagen. In combinatie met de verklaringen van de tandarts kan worden vastgesteld dat het tandletsel, de pijn en de overige gevolgen zijn veroorzaakt door deze mishandeling. Gelet op de beschreven aard, duur en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan wordt een bedrag van € 2.000,00 aan smartengeld billijk geacht. De kantonrechter heeft hierbij in de eerste plaats aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’in samenhang met de ‘Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’. De Rotterdamse schaal is een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen op basis van rechtspraak en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De kantonrechter heeft daarbij rekening gehouden met het gegeven dat de daarin genoemde bedragen een indicatie zijn van het smartengeldpeil medio 2025, terwijl de mishandeling plaatsvond in 2023. Bij verlies of ernstige beschadiging van één voortand zijn bedragen tussen € 1.500,00 tot € 2.000,00 gangbaar. Gelet op het feit dat niet is betwist dat [eiser] anderhalve maand vloeibaar voedsel heeft moeten eten, ligt het bedrag van € 2.000,00 daarom meer voor de hand. Ook wanneer de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven hierbij wordt betrokken, zoals partijen hebben gedaan, is de conclusie dat dat bedrag billijk is. De door [gedaagde] genoemde categorie 1 voor gebitsletsel lijkt niet passend, want een implantaat voor de voortand is noodzakelijk. Op basis van de Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven die in 2023 gold, is categorie 2 met een bedrag van € 2.500,00 daarom passender. Gelet op het voorgaande zal het gevorderde bedrag van € 2.000,00 dan ook worden toegewezen.\n\nEigen schuld\n\n3.18.. Ten aanzien van de schade voert [gedaagde] tot slot aan dat sprake is van eigen schuld, waardoor de verschillende schadeposten verminderd moet worden met 50%. Volgens [gedaagde] was het [eiser] die provocerend gedrag vertoonde door hem als eerste een klap te geven en bij de nek te grijpen.\n\n3.19.. Artikel 6:101 BW geeft als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Als de billijkheid het vereist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, kan een andere verdeling plaatsvinden, of de vergoeding geheel vervallen of in stand blijven.\n\n3.20.. Aangezien [gedaagde] zich beroept op vermindering van zijn vergoedingsplicht rusten de stelplicht en bewijslast van de feiten die hij daartoe aanvoert. Hierin is [gedaagde] niet geslaagd. Uit de verwerping van beroep op noodweer volgt dat niet is komen vast te staan dat [eiser] [gedaagde] eerst bij de nek heeft gegrepen of heeft geslagen. Dat betekent dat de toegewezen schade niet mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de schuld van [eiser] is te wijten dan wel voor zijn risico komt. Dat betekent dat de eerder genoemde schadeposten niet zullen worden verminderd.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n3.21.. \n [eiser] vordert een bedrag van € 2.199,18 en heeft ter zitting gesteld dat dit kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid en schade (artikel 6:96 lid 2 sub b BW). De kantonrechter volgt hem hierin niet. De verrichte werkzaamheden (waaronder het herhaaldelijk rappelleren na aansprakelijkstelling) vallen onder reguliere buitengerechtelijke incassohandelingen. Daarbij komt dat [eiser] tijdens de zitting heeft uitgelegd dat de dagvaardingskosten van € 146,36 ten onrechte in het geëiste bedrag zijn opgenomen. Hoewel niet direct van toepassing, geldt dat de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, in dit geval worden geacht redelijk te zijn. Bij een hoofdsom van € 5.616,01 hoort een maximaal tarief van € 793,52 (inclusief btw) aan incassokosten. Voor de buitengerechtelijke kosten wordt daarom een bedrag van € 793,52 toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n3.22.. \n [eiser] vordert de wettelijke rente over de gevorderde hoofdsom. Omdat de aansprakelijkheid van [gedaagde] voortvloeit uit onrechtmatige daad, is de schadevergoeding direct opeisbaar op het moment dat de schade is ingetreden en is [gedaagde] vanaf dat moment in verzuim (artikel 6:83 sub b BW). [eiser] heeft de wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 5 augustus 2024. Aangezien deze datum na de onrechtmatige daad ligt, is deze vordering toewijsbaar. De wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) zal daarom worden toegewezen over het totale toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schade van € 5.616,01 met ingang van 5 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling.\n\n3.23.. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, zoals door [eiser] is gevorderd.\n\nProceskosten\n\n3.24.. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiser] moet betalen op € 146,36 aan dagvaardingskosten, € 257,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.267,36. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n3.25.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.616,01, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 5 augustus 2024 tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 793,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.267,36 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;\n\n4.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af het anders of meer gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.\n\n53954\n\nrotterdamseschaal.nl en [naam 3], [naam 4], [naam 5] & [naam 6], De Rotterdamse schaal. Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen, Research Memoranda 2025-4 (www.rechtspraak.nl\u002FOrganisatie-en-contact\u002FOrganisatie\u002FRaad-voor-de-Rechtspraak\u002FWetenschappelijk-onderzoek\u002FResearch-Memoranda).\n\nhttps:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002Fvoor-advocaten-en-juristen\u002Freglementen-procedures-en-formulieren\u002Fstrafrecht\u002Faanbevelingen-rotterdamse-schaal","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6761","2026-06-11T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:30.019Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":58,"parsedAt":49,"updatedAt":59},"1569","ECLI:NL:RBROT:2026:6532","ecli-nl-rbrot-2026-6532","2026-06-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F10\u002F713387 \u002F HA RK 26-36\n\nBeschikking van 2 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. M.J.J. de Ridder,\n\ntegen\n\n [verweerster],\n\nzowel handelend voor zichzelf als in haar hoedanigheid van\n\nwettelijk vertegenwoordiger van:\n\n [persoon A] ,\n\nbeiden te [plaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [persoon A] ,\n\nadvocaat: mr. A. el Ballouti.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met 10 bijlagen, ingediend op 13 januari 2026;\n\n- het verweerschrift met producties A en B;\n\n- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026 en de tijdens de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van [verzoeker] .\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 29 april 2016 heeft [persoon A] telefonisch contact opgenomen met de praktijk van huisarts [verzoeker] , waarbij zij aangaf dat [persoon A] , haar dochter van destijds 6 jaar, koorts en sinds drie dagen diarree had.\n\n2.2.. \n [persoon A] heeft [verzoeker] met [persoon A] bezocht op 29 april 2016. De urine van [persoon A] is hierbij nagezien, waarbij de volgende waarden werden aangetroffen: leukocyten (+++) en erytrocyten (+++). [verzoeker] heeft het antibioticum Amoxicilline voorgeschreven.\n\n2.3.. Op zaterdag 7 mei en zondag 8 mei 2016 heeft [persoon A] met [persoon A] de huisartsenpost bezocht, met onder meer klachten van krachtsverlies in de benen. Op 8 mei 2016 is [persoon A] doorverwezen naar het Sint Franciscus Gasthuis. Aldaar werd gedacht aan een Guillain-Barré syndroom (hierna ook: GBS), een auto-immuunziekte van de zenuwen in de armen en benen.\n\n2.4.. Op 9 mei 2016 is [persoon A] opgenomen in het Erasmus MC op de afdeling kinderneurologie, waar zij tot 13 mei 2016 verbleef. Na een lumbaalpunctie bleek sprake van een verhoogd eiwitgehalte en werd GBS geconstateerd. [persoon A] werd behandeld met immunoglobuline (antistoffen). Tijdens de opname werd bij urinekweken de E. Colibacterie gevonden, resistent voor Amoxicilline, en vond behandeling met Nitrofurantoïne plaats.\n\n2.5.. In de ontslagbrief van 26 mei 2016 van het Erasmus MC staat vermeld:\n\n“GBS is een postinfectieuze aandoening die door de\n\nafweerreactie op verschillende verwekkers kan worden uitgelokt. Bij\n\nJasmina werd een recente infectie met hepatitis E vastgesteld. Dit is\n\neen bekende verwekker van GBS. Waarschijnlijk is zij van de\n\noorspronkelijke infectie niet of nauwelijks ziek van geweest. De E.\n\nColi die de urineweginfectie veroorzaakte, is als verwekker\n\nonwaarschijnlijk.”\n\n2.6.. \n [persoon A] heeft [verzoeker] aansprakelijk gesteld, waarna diens aansprakelijkheidsverzekeraar VvAA Schadeverzekeringen N.V. (hierna: VvAA) in 2018 namens [verzoeker] de aansprakelijkheid heeft afgewezen.\n\n2.7.. Partijen hebben overeenstemming bereikt over het gezamenlijk inwinnen van een medische expertise bij prof. dr. H. De Vries, emeritus-hoogleraar huisartsgeneeskunde (hierna: prof. De Vries).\n\n2.8.. Prof. De Vries heeft in zijn rapport van 8 januari 2024 geschreven:\n\n“Ik beoordeel het antibioticumbeleid van de huisarts als onzorgvuldig, omdat (…)\n\n- Het onvoldoende ondersteund werd door de uitkomsten van zijn anamnese (vragen naar mictieklachten, keelpijn, oorpijn, hoesten of benauwdheid ontbreken) en onderzoek (onderzoek van keel, trommelvliezen, longen, buik en dipslide\u002Furinekweek ontbreken)\n\n- De arts in het bijzonder onvoldoende argumenten had om amoxicilline voor een eventuele luchtweginfectie voor te schrijven;\n\n- De arts gezien de mogelijkheid van een urineweginfectie had moeten kiezen voor amoxicilline\u002Fclavulaanzuur”(pag. 12).\n\nDe diagnose ‘Koorts en het vermoeden van een urineweginfectie’, zoals genoteerd in\n\nhet huisartsenjournaal, achtte prof. De Vries “correcte diagnosen”,“ondanks de tekortkomingen bij anamnese en lichamelijk onderzoek.”\n\n2.9.. Ook schreef prof. De Vries in zijn rapport:\n\n “Het is voor een leek van belang om te weten dat het GBS voordat de verschijnselen\n\nzich aandienen niet te voorspellen of te voorkomen is”(pag. 9).\n\nen\n\n“Tenslotte: het antibioticumbeleid van de huisarts op 29 april 2016 heeft mijns inziens\n\nhelemaal niets te maken met het feit dat [persoon A] kort daarna een Guillain-Barré syndroom ontwikkelde”(pag. 12).\n\n2.10.. VvAA heeft daarna geschreven dat zij het rapport van prof. De Vries, met daarin de conclusie dat het door [verzoeker] gevoerde antibioticumbeleid, als hiervoor omschreven onder 2.8, onzorgvuldig was, als uitgangspunt neemt bij de verdere beslechting van het geschil tussen partijen.\n\n2.11.. Omdat prof. De Vries aangegeven heeft dat het gevoerde antibioticumbeleid niets te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS, ontbreekt volgens [verzoeker] een conditio sine qua non-verband en is aan een vereiste voor het vestigen van aansprakelijkheid niet voldaan, aldus VvAA.\n\n2.12.. \n [persoon A] is van mening dat het GBS is ontstaan als gevolg van het feit dat [verzoeker] Amoxicilline heeft voorgeschreven in plaats van Amoxicilline met clavulaanzuur.\n\n2.13.. \n [persoon A] heeft op 28 januari 2026 een verzoekschrift deelgeschil ex artikel 1019 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingediend bij deze rechtbank waarin zij - onder meer - een verklaring voor recht vraagt dat [verzoeker] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. [verzoeker] heeft verweer gevoerd. Deze procedure is bekend onder zaaknummer C\u002F10\u002F714006 \u002F HA RK 26-73 en is ook behandeld ter zitting van 24 maart 2026. In die procedure heeft de rechtbank afzonderlijk een beslissing genomen.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] heeft de rechtbank verzocht om een onderzoek door een deskundige te bevelen.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft er belang bij zijn positie in rechte te kunnen bepalen omdat partijen van mening blijven verschillen over de aansprakelijkheid en de vraag of het gevoerde antibioticumbeleid wel of niet te maken heeft met het door [persoon A] ontwikkelde GBS. Ter beantwoording daarvan kan de vraagstelling worden voorlegd aan dr. A.Verrips , neuroloog.\n\n3.3.. \n [persoon A] kan instemmen met een voorlopig deskundigenonderzoek maar wenst dat [persoon B] , neuroloog en hoogleraar Immunologie en Neurologie (hierna: [persoon B] ), wordt aangesteld als deskundige - in plaats van dr. Verrips .\n\n3.4.. Ter zitting heeft [verzoeker] aangegeven niet te kunnen instemmen met [persoon B] als deskundige. [persoon B] werkt in het Erasmus MC en zijn collega’s in het Erasmus MC hebben - vanwege de opname van [persoon A] aldaar - al bemoeienis gehad met [persoon A] . Dat maakt dat [persoon B] niet onafhankelijk kan onderzoeken en rapporteren.\n\n3.5.. Ter zitting heeft [persoon A] vervolgens [persoon C] , als neuroloog werkzaam in het het IJsselland Ziekenhuis en gepromoveerd op GBS, voorgedragen als te benoemen deskundige.\n\n3.6.. Ook tegen benoeming van [persoon C] als deskundige heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt. [persoon C] is gepromoveerd in het Erasmus MC en daarom (wellicht) ook niet onafhankelijk.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [verzoeker] heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift zoals vermeld in artikel 197 Rv voldaan. Het verzoek moet daarom worden toegewezen, tenzij:\n\n- de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald\n\n- er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat\n\n- het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde\n\n- er sprake is van misbruik van bevoegdheid of\n\n- er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv). Dit alles doet zich hier echter niet voor.\n\n4.2.. Het verzoek voldoet dus aan de eisen van de wet en zal worden toegewezen.\n\n4.3.. De rechtbank beoordeelt de bezwaren van [verzoeker] tegen de door [persoon A] aangedragen deskundigen - [persoon B] en [persoon C] - als gegrond. [persoon A] is opgenomen geweest in het Erasmus MC. Beide door [persoon A] voorgestelde deskundigen hebben banden of banden gehad met het Erasmus MC waardoor zij mogelijk niet onafhankelijk zullen (kunnen) rapporteren.\n\n4.4.. \n\n [persoon A] heeft als bezwaar tegen de benoeming van dr. Verrips als deskundige naar voren gebracht dat hij algemeen neuroloog is. Dit bezwaar beoordeelt de rechtbank niet als voldoende zwaarwegend, omdat een neuroloog de kennis en kunde heeft om de vraagstelling te kunnen beantwoorden. Niet betwist is immers dat het GBS een neurologische afwijking is. Dr. Verrips is bovendien ook kinderneuroloog én hij verricht al lange tijd neurologische expertises, ook bij kinderen.\n\nDaarom zal de rechtbank hem als deskundige benoemen en zullen aan hem de onder de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.\n\n4.5.. De deskundige heeft het voorschot begroot op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Zij hebben geen bezwaar gemaakt tegen de begroting van het voorschot. De rechtbank zal het voorschot dus vaststellen op een bedrag van € 7.129,93 (inclusief btw).\n\n4.6.. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die de rechtbank geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.\n\n4.7.. Als een partij op verzoek van de deskundige of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige toestuurt, moet zij daarvan direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.\n\n4.8.. In het feit dat partijen hebben afgesproken de kosten van het eerdere deskundigenrapport van prof. De Vries bij helfte te delen, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat [persoon A] en [verzoeker] ook in dit voorlopig deskundigenonderzoek de kosten bij helfte delen. Dit sluit ook aan bij aanbeveling 23 van de GOMA. [verzoeker] dient de helft van het voorschot van het voorlopig deskundigenonderzoek ter griffie te storten. Aan [persoon A] is een toevoeging verleend en het griffierecht voor onvermogenden geheven. De helft van [persoon A] van het voorschot op de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek komt daarom ten laste van ’s Rijks kas.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. beveelt een voorlopig onderzoek door een deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:\n\nVraag 1\n\nBeschikt u over voldoende gegevens om de hierna te volgen vragen te\n\nkunnen beantwoorden? Zo nee, wilt u dan aangeven welke informatie u nog\n\nwilt ontvangen?\n\nVraag 2\n\nKunt u het ziektebeloop van een Guillain-Barré syndroom schetsen? Kunt u\n\ndaarbij aangeven wat daarvan de oorzaken zijn?\n\nVraag 3\n\nWat zijn de behandelmogelijkheden van een Guillain-Barré syndroom en hoe\n\nis de prognose?\n\nVraag 4\n\nWat is naar uw mening de oorzaak van het Guillain-Barré syndroom bij\n\n [persoon A] ? Acht u het waarschijnlijk dat Gullain-Barré syndroom is ontstaan\n\ndoor het op 29 april 2016 voorschrijven van Amoxicilline in plaats van\n\nAmoxicilline met clavulaanzuur? Kunt u daarbij ook ingaan op de relatie met\n\nHepatitis E en\u002Fof E. Coli?\n\nVraag 5\n\nHad het Guillain-Barré syndroom bij [persoon A] door de huisarts op 29 april\n\n2016 voorkomen kunnen worden? Zo ja hoe?\n\nIndien u van mening bent dat het Guillain Barré syndroom is\n\nontstaan door het voorschrijven van Amoxicilline in plaats van\n\nAmoxicilline met clavulaanzuur, wilt u dan ook de volgende vragen\n\nbeantwoorden:\n\nVraag 6\n\nKunt u aangeven van welke neurologische aandoeningen en klachten en\n\nbeperkingen op uw vakgebied thans sprake is? Kunt u de daarmee gemoeide\n\nbeperkingen zo uitvoerig mogelijk beschrijven en uitdrukken in een\n\npercentage BI volgens de AMA-guide?\n\nVraag 7\n\nKunt u aangeven in hoeverre deze beschreven klachten en beperkingen een\n\ngevolg zijn van het Guillain-Barré syndroom?\n\nVraag 8\n\nIs er op uw vakgebied sprake van een medische eindsituatie of moet er met\n\neen verslechtering c.q. verbetering rekening worden gehouden?\n\nVraag 9\n\nHoe ziet u de prognose? Wat is de kans op een recidief?\n\nVraag 10\n\nHeeft u nog therapeutische suggesties?\n\n5.2.. benoemt tot deskundige:\n\nDr. A. Verrips, neuroloog-kinderneuroloog-neuromyoloog,\n\nCanisius-Wilhelmina Ziekenhuis (tot 1 juli 2026):\n\nPostbus 9015\n\n6500 GS Nijmegen\n\nTelefoon: 024-3657657\n\nFax: 024- 3657329\n\nVanaf 1 juli 2026 bereikbaar via:\n\ne-mailadres: verripsexpertises@gmail.com,\n\ntelefoon privé: [gsm-nummer]\n\n5.3.. bepaalt dat de griffier een kopie van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden,\n\nhet voorschot\n\n5.4.. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op € 7.129,93 (inclusief btw),\n\n5.5.. bepaalt dat [verzoeker] de helft van het voorschot moet overmaken binnen twee wekenna de datum van de nog te ontvangen nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak en brengt de andere helft van het voorschot ten laste van ’s Rijks kas,\n\n5.6.. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,\n\nhet onderzoek\n\n5.7.. bepaalt dat [verzoeker] het procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,\n\n5.8.. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,\n\n5.9.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002F),\n\n- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,\n\n- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,\n\n- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en\u002Fof gedane verzoeken,\n\n5.10.. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als de deskundige daarom vraagt en de deskundige ook voor het overige gelegenheid moeten geven om het onderzoek te verrichten,\n\nhet schriftelijk rapport\n\n5.11.. draagt de deskundige op om uiterlijk acht maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud op de griffie van de rechtbank in te leveren, met een gespecificeerde declaratie,\n\n5.12.. wijst de deskundige erop dat:\n\n- uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,\n\nde deskundige [persoon A] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van het inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b BW en, indien zij als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [persoon A] (eventueel onder gesloten couvert via haar advocaat) moet toesturen en [persoon A] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik wil maken van het blokkeringsrecht (waarbij het [persoon A] zich van commentaar op het concept moet onthouden),\n\nindien [persoon A] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van haar blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen,\n\nindien [persoon A] geen gebruik maakt van haar inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden, waarna partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,\n\n5.13.. bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben om op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,\n\n5.14.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. K.A. Baggerman en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.\n\n3246\u002F2537\n\nAanbeveling 23 GOMA (Gedragscode Openheid medische incidenten): “Bij een blijvend verschil van inzicht op medisch gebied vragen partijen zo mogelijk gezamenlijk een deskundigenonderzoek aan en communiceren zij daarover open en voortvarend met elkaar. Zij delen de kosten in gelijke mate.”","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6532","2026-06-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:27.545Z",{"id":61,"ecli":62,"slug":63,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":64,"fullText":65,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":66,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":49,"updatedAt":68},"1685","ECLI:NL:RBROT:2026:6340","ecli-nl-rbrot-2026-6340","2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F718518 \u002F KG ZA 26-381\n\nVonnis in kort geding van 15 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1.. [eiser 1] ,\n\n2.[eiser 2],\n\nBEIDEN IN DE HOEDANIGHEID VAN CURATOR VAN [persoon A] ,\n\nbeiden wonend in [woonplaats] ,\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de curatoren,\n\nadvocaat: mr. H.J.D. de Boer te Rotterdam,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. N.C. Haase te Utrecht.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [persoon A] (hierna: [persoon A] ) heeft zwaar letsel opgelopen als gevolg van een aanrijding door een personenauto. [gedaagde] is de verzekeraar van de betrokken personenauto en heeft aansprakelijkheid erkend. Ten behoeve van de revalidatie van [persoon A] hebben partijen gesproken over een revalidatietraject bij een kliniek in de Verenigde Staten (de VS). In dat kader zijn de kosten van de behandeling, het verblijf en het vervoer nader onderzocht. Op een gegeven moment heeft [gedaagde] meegedeeld dat de kosten van het vervoer van [persoon A] per ambulancevliegtuig niet redelijk zijn en dat zij daarom geen toestemming geeft voor de behandeling in de VS. De curatoren zijn het daar niet mee eens. Zij hebben de kosten van de kliniek en de vervoerskosten zelf betaald en zijn als begeleiders met [persoon A] meegereisd naar de VS, waar [persoon A] met het revalidatietraject is gestart.\n\n1.2.. De curatoren vorderen van [gedaagde] betaling van een geldsom als vergoeding van de gemaakte en te maken kosten met betrekking tot de behandeling van [persoon A] . In geschil is de vraag of [gedaagde] heeft toegezegd dat zij de kosten die verband houden met de behandeling van [persoon A] in de VS zal vergoeden en, zo ja, wat de omvang van die toezegging is. De voorzieningenrechterechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] vergoeding van bepaalde kosten onvoorwaardelijk heeft toegezegd en dat de toezegging voor het overige onder bepaalde voorwaarden is gedaan. De geldvordering wordt deels, overeenkomstig de onvoorwaardelijke toezegging, toegewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 29 april 2026;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 22 van de curatoren;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de producties 1 t\u002Fm 14 van [gedaagde] ;\n\n- de producties 23 t\u002Fm 25 van de curatoren; - de mondelinge behandeling op 8 mei 2026; - de pleitnota van de curatoren; - de pleitnota van [gedaagde] .\n\n2.2.. Ter zitting heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen de late indiening van producties 23 t\u002Fm 25 door de curatoren en verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten. Dat verzoek is afgewezen. Wel heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op die producties. Naar aanleiding daarvan heeft [gedaagde] op 11 mei 2026 een aanvullende productie ingebracht.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 25 maart 2025 is [persoon A] als voetganger aangereden door een bij [gedaagde] verzekerde personenauto. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend.\n\n3.2.. \n [persoon A] heeft als gevolg van het ongeval ernstig en blijvend letsel opgelopen: schedelhersenletsel, meerdere breuken en huidverwondingen. Na geruime tijd in coma te hebben gelegen, verkeert [persoon A] op dit moment in een verminderde bewustzijnstoestand en is hij volledig ADL-afhankelijk.\n\n3.3.. De curatoren zijn de broer en zus van [persoon A] en bij beschikking van deze rechtbank van 28 april 2025 benoemd tot curator van [persoon A] .\n\n3.4.. Partijen hebben in november 2025 Trivium Advies (hierna: Trivium) ingeschakeld om te inventariseren welke woon- en zorgmogelijkheden en voorzieningen er voor [persoon A] zijn en om hem en zijn familie daarin te begeleiden.\n\n3.5.. Op 11 december 2025 heeft Trivium partijen geïnformeerd over de mogelijkheid voor [persoon A] om een revalidatietraject bij het Shepherd Center in Atlanta (de VS) te starten. In december 2025 en januari 2026 hebben Trivium en de curatoren contact gehad met medische specialisten om dit traject te onderzoeken.\n\n3.6.. Bij e-mail van 30 januari 2026 heeft Trivium een door het Shepherd Center voor [persoon A] opgesteld revalidatieprogramma en kostenopgave gedeeld met [gedaagde] en mr. M. Meerman (de advocaat van [persoon A] ).3.7.. Op 3 februari 2026 heeft een Teams-overleg plaatsgevonden tussen [gedaagde] , Trivium en mr. Meerman. Na dat gesprek heeft [gedaagde] bij e-mail van diezelfde dag het volgende meegedeeld aan Trivium en mr. Meerman:\n\n“Ik heb gelukkig direct kunnen overleggen over het verzoek om [persoon A] te laten revalideren bij het Shepherd Center. Wij zijn bereid dit te financieren op enkele voorwaarden:\n\n- Wij gaan uit van een vergoeding voor de eerste acht weken Residential program. Na vier weken en bij acht weken dient ge?valueerd te worden of er voldoende progressie is en zo ja, waaruit deze bestaat. Het lijkt mij goed als [naam] deze contacten onderhoudt.\n\n- Als het Shepherd Center na de eerste acht weken nog ruimte ziet voor verbetering zullen wij eerst in overleg met onze medisch adviseur bezien of dat ook voldoende aanknopingspunten biedt in schade technische zin, wij willen daar op voorhand helder over zijn.\n\n- Wij vergoeden de redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften. We zullen even moeten afstemmen hoe deze vergoeding eruitziet. Te denken valt aan bijvoorbeeld een verblijf waar men zelf eten kan bereiden.\n\n- Zijn er meer kosten dan zullen we in overleg een redelijke vergoeding bepalen.\n\nDit even kort omdat ik weet dat de familie heel graag duidelijkheid wil. Ik hoor graag hoe verder, maar nu kan een en ander in elk geval in gang gezet worden. Ik hoop dat het traject zal opleveren waar men zo op hoopt!”\n\n3.8.. De curatoren en Trivium zijn vervolgens bezig geweest met het verkrijgen van een ‘fit to fly-verklaring’ voor [persoon A] en het opvragen van offertes bij verschillende medische vervoersdiensten voor het verzorgen van het vervoer van [persoon A] van het ziekenhuis in Dordrecht naar het Shepherd Center in Atlanta.\n\n3.9.. Begin maart 2026 heeft het Shepherd Center aan de curatoren laten weten dat zij per 13 april 2026 een plek beschikbaar heeft voor [persoon A] . Op 4 maart 2026 heeft Trivium [gedaagde] daarvan in kennis gesteld.\n\n3.10.. Op 17\u002F24 maart 2026 hebben de curatoren een “Self-Pay Letter of Agreement” gesloten met het Shepherd Center. Daarin staat onder meer:\n\n“We appreciate the opportunity to work with you! I am writing to document the agreement regarding payment for services at Shepherd Center. Shepherd Center agrees to accept the discounted self-pay rate of $1,212 per day (Monday— Friday) for Residential Day Program rehabilitation services at Shepherd Pathways. During the weekend (Saturday & Sunday), a separate charge for Room & Board in the amount of $625\u002Fday will apply. Your team has estimated a total of four weeks (28 days) of care. We are requesting a total of $29,240.00 to be paid in advance, prior to admission.”\n\nMr. Meerman heeft een kopie van de door een van de curatoren ondertekende overeenkomst op 24 maart 2026 verzonden aan [gedaagde] en Trivium. Dat mailbericht heeft [gedaagde] echter niet bereikt, omdat het gebruikte mailadres van [gedaagde] niet correct was.\n\n3.11.. Bij e-mail van 24 maart 2026 stuurt Trivium aan [gedaagde] een offerte van Medische Repatriëringsdienst. Bij de offerte is een verklaring gevoegd van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadt. In de offerte worden de vervoerskosten begroot op € 164.855,00.\n\n3.12.. Bij e-mail van 31 maart 2026 stuurt Trivium de afgegeven ‘fit to fly-verklaring’ en een brief van het Shepherd Center door aan [gedaagde] . In het mailbericht staat:\n\n“Vandaag heeft de zus van betrokkene de fit-to-fly aan ondergetekende toegezonden. In deze verklaring wordt aangegeven dat betrokkene uitsluitend per medische vlucht mag reizen. U treft de fit-to-fly als bijlage bij deze e-mail aan.\n\n(…)\n\nDaarnaast treft u in de bijlagen een brief van het Shepherd Center aan, waarin wordt verzocht om een eerste aanbetaling van $ 29.240,00 voor de eerste vier weken revalidatie en intern verblijf. In een separate bijlage is aangegeven op welke wijze dit bedrag kan worden overgemaakt. De zus geeft aan dat het verblijf telkens per vier weken wordt verlengd en dat na elke periode van vier weken een nieuwe factuur zal worden verstrekt, welke voldaan dient te worden.\n\nHet is aan partijen om onderling afte stemmen op welke wijze de voornoemde betalingen zullen worden voldaan. Vanuit de familie is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar rechtstreekse betaling door [gedaagde] aan de betreffende instanties.\n\nOm betrokkene per 13 april aanstaande te kunnen laten starten bij het Shepherd Center, dient de aanbetaling tijdig te zijn voldaan. Daarnaast zal voorafgaand aan deze datum ook de medische vlucht moeten worden geboekt. Gezien de planning is derhalve sprake van enige urgentie, teneinde vertraging te voorkomen.”\n\n3.13.. Bij e-mail van 1 april 2026 aan Trivium vraagt [gedaagde] om meer informatie:\n\n“Ik zal e.e.a. intern overleggen en hier z.s.m. op terugkomen. Vooruitlopend daarop zou ik graag de andere offertes ontvangen die de zus van betrokkene heeft opgevraagd. Zijn er nog andere organisaties die door jouzelf zijn benaderd? Daarnaast zag ik de fit to fly verklaring bijgevoegd. Hoe zal nu het vervolg gaan wat betreft het uitvoeren van een eigen fit to fly onderzoek van de ambulancedienst? Ik veronderstel dat het in de lijn der verwachting ligt dat [persoon A] ook door de ambulancedienst fit to fly wordt bevonden?”\n\n3.14.. Bij e-mail van 2 april 2026 informeert Trivium [gedaagde] over een voorlopige prijsindicatie van [naam vervoerder] , een andere vervoerder. Verder staat in de mail:\n\n“Zodra er duidelijkheid is over de te vergoeden kosten voor de vlucht, kan de vervolgstap worden gezet ten aanzien van het boeken van de vlucht.”\n\n3.15.. Bij antwoordmail van 2 april 2026 deelt [gedaagde] aan Trivium mee:\n\n“De medewerker van [naam vervoerder] vraagt om een actueel medisch dossier. Kan dat zsm aan hen aangeleverd worden ten behoeve van een definitieve offerte? De wens is vanzelfsprekend om hen zsm een definitieve offerte te laten uitbrengen zodat wij deze kunnen meenemen in onze besluitvorming.\n\nAls ik het goed begrijp zijn er door de familie van [persoon A] twee organisaties benaderd en door [naam][vzr: Trivium]ook twee. De voorlopige offerte van [naam vervoerder] laat vooralsnog een beduidend lagere prijs zien. De verschillen tussen de offertes zijn behoorlijk groot.\n\nAls ik op Google zoek naar aanbieders van dit soort vluchten, kom ik best een behoorlijk aantal aanbieders tegen. Ik was dan ook in de veronderstelling dat er (zoals naar mijn idee ook besproken) meerdere offertes zouden worden aangeleverd om hier een goed beeld van te krijgen en een goede keuze in te maken. Het gaat vanzelfsprekend om aanzienlijke bedragen en behoorlijke verschillen in de kosten.”\n\n3.16.. Op 6 april 2026 hebben de curatoren als eerste aanbetaling een bedrag van € 25.591,88 ($ 29.240,-) voldaan aan het Shepherd Center.\n\n3.17.. Bij e-mail van 9 april 2026 heeft Trivium offertes van vervoerders Global Aviation en [naam vervoerder] verstrekt aan [gedaagde] .\n\n3.18.. Later op 9 april 2026 heeft [gedaagde] telefonisch aan de advocaat van [persoon A] meegedeeld dat de kosten van het reizen met een ambulancevlucht niet redelijk in omvang zijn en niet worden vergoed. Bij brief van 13 april 2026 heeft [gedaagde] haar besluit schriftelijk bevestigd en nader toegelicht.\n\n3.19.. Op 10 april 2026 hebben de curatoren de factuur van Medische Repatriëringsdienst voor de ambulancevlucht van Dordrecht naar Atlanta van € 145.000,00 in contanten voldaan. [persoon A] is daarna overgebracht naar Atlanta en is op 13 april 2026 begonnen met de behandeling bij het Shepherd Center.\n\n3.20.. Op 17 april 2026 heeft de advocaat van de curatoren [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van € 358.581,88 te voldoen. Dat bedrag ziet op de behandelingskosten van het Shepherd Center en reis- en verblijfskosten van [persoon A] en de curatoren naar\u002Fin de VS.\n\n3.21.. \n [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de sommatie. Wel heeft zij op 20 april 2026 € 100.000,00 aan smartengeld en € 50.000,00 aan voorschot onder algemene titel uitgekeerd aan [persoon A] .\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. De curatoren vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 358.581,88 aan de curatoren, te voldoen binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis;\n\nII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 (kosten revalidatiecentrum) met ingang van 3 april 2026, alsmede over een bedrag van € 145.000,00 (kosten heenreis) met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nIII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure.\n\n4.2.. \n\n [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curatoren, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curatoren, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curatoren in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. De vordering betreft een geldvordering die als volgt is opgebouwd:\n\nBehandeling bij het Shepherd Center (1e vier weken) € 25.591,88\n\nAmbulancevluchtvervoer heenreis € 145.000,00\n\nAmbulancevluchtvervoer terugreis € 142.500,00\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en curatoren in de VS € 5.490,00\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting € 40.000,00+\n\nTotaal € 358.581,88\n\n5.2.. Met betrekking tot een geldvordering in kort geding is terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is.\n\nSpoedeisend belang\n\n5.3.. De curatoren wijzen erop dat zij in een financiële noodtoestand verkeren. Als gevolg van de weigering van [gedaagde] om de kosten te vergoeden, hebben de curatoren de kosten die samenhangen met de behandeling bij het Shepherd Center voorgeschoten. Dat kunnen zij niet blijven doen. Er is sprake van oplopende schulden, en er is geen geld voor verlenging van de behandeling noch voor de ambulancevlucht terug naar Nederland. [persoon A] dreigt te stranden in Atlanta. Daarmee is het spoedeisend belang van de curatoren bij de geldvordering voldoende gegeven. Het daartegen gerichte niet-ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.\n\nJuridisch kader en kern van het geschil\n\n5.4.. \n\nDe curatoren stellen dat [gedaagde] met haar mail van 3 februari 2026 (zie 3.7.) zonder voorbehoud heeft toegezegd de behandeling bij het Shepherd Center en het vervoer ernaar toe te financieren.\n\n [gedaagde] bestrijdt dat en betoogt dat de toezegging is gedaan onder bepaalde voorwaarden. Omdat de vervoerskosten niet redelijk zijn in de zin van artikel 6:96 BW, heeft [gedaagde] de dekking van de behandeling in Atlanta afgewezen.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat de vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden, moet worden beantwoord aan de hand van wat de verzekeraar en de verzekeringnemer daarover zijn overeengekomen. Verder geldt dat de derde jegens de verzekeraar bescherming kan ontlenen aan artikel 3:35 BW indien hij op grond van de bewoordingen van de polis, eventueel in samenhang met (andere) door de verzekeraar gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, erop heeft vertrouwd of erop heeft mogen vertrouwen dat hem dekking wordt verleend.\n\n5.6.. Beoordeeld moet worden welke betekenis de curatoren redelijkerwijs mochten toekennen aan de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026 en aan de gedane mededelingen van [gedaagde] daarna. Mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de hier gevorderde kosten, zonder voorbehoud, zouden worden gefinancierd?\n\nUitleg van de toezegging door [gedaagde]\n\n5.7.. In het mailbericht van 3 februari 2026 heeft [gedaagde] te kennen gegeven bereid te zijn de kosten van de revalidatie bij het Shepherd Center te financieren op enkele voorwaarden. Vervolgens wordt die toezegging nader ingekaderd en toegelicht aan de hand van vier punten\u002Fgedachtestreepjes. De eerste twee punten gaan in op de behandel- en verblijfskosten van [persoon A] bij het Shepherd Center. [gedaagde] gaat uit van een vergoeding voor de eerste acht weken. Behalve dat er geëvalueerd moet worden na vier en na acht weken, heeft [gedaagde] geen verdere voorwaarden genoemd. Het derde punt ziet op redelijke reis- en verblijfskosten voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden. Overige kosten worden benoemd als vierde punt, daarvan wordt in overleg bepaald wat een redelijke vergoeding is.\n\n5.8.. \n\nAnders dan de curatoren menen, kan het mailbericht van 3 februari 2026 niet worden opgevat als een onvoorwaardelijke toezegging om alle kosten die samenhangen met de behandeling van [persoon A] in de VS te vergoeden. In dat bericht wordt immers benoemd dat en welke voorwaarden er gelden. Wel blijkt genoegzaam uit de mail een toezegging van [gedaagde] om de kosten van het Shepherd Center – Residential program – voor de periode van acht weken te vergoeden. Op basis van die mededeling mochten de curatoren er in ieder geval van uitgaan dat de kosten van het Shepherd Center gedekt waren. Het verwijt van [gedaagde] dat de curatoren zonder haar instemming een behandelovereenkomst hebben gesloten met het Shepherd Center en een eerste aanbetaling hebben verricht, is dan ook niet terecht. Dat klemt temeer nu [gedaagde] begin maart 2026 al wist dat de inspanningen van de curatoren erop waren gericht dat [persoon A] per 13 april 2026 kon beginnen met de behandeling bij het Shepherd Center, en Trivium op 31 maart 2026 in verband met die startdatum wees op de urgentie om het vervoer te regelen (zie 3.9. en 3.12.).\n\nWat betreft de overige kosten (waaronder de vervoerskosten van [persoon A] ), heeft [gedaagde] verklaard die kosten te vergoeden voor zover zij redelijk zijn. De concrete omvang van die kosten was op dat moment nog niet bekend. Voor een vergoeding van die kosten dienden de curatoren dus vooraf in overleg te treden met [gedaagde] . Dat de curatoren en Trivium hier ook van uitgingen, blijkt uit het mailbericht van Trivium van 2 april 2026 (zie 3.14.).\n\n5.9.. Het betoog van [gedaagde] dat zij het behandeltraject bij het Shepherd Center volledig heeft mogen afwijzen omdat zij kanttekeningen plaatst bij de noodzaak van ambulancevervoer en de vervoerskosten onredelijk hoog vindt, wordt niet gevolgd. Dat past niet in het licht van de harde toezegging van [gedaagde] ten aanzien van de behandelkosten van het Shepherd Center en ook niet gezien de inhoud van de latere correspondentie tussen partijen over het medische transport van [persoon A] .\n\n5.10.. Na de e-mail van 3 februari 2026 hebben de curatoren en Trivium inspanningen verricht om de ‘fit to fly-verklaring’ te verkrijgen en hebben zij offertes opgevraagd bij verschillende medische vervoerders. Vanaf het begin hebben Trivium en de curatoren zich gericht op ambulancevervoer. De eerste offerte was van Ambulance Vlucht Centrale, die Trivium op 17 maart 2026 heeft doorgestuurd aan [gedaagde] . Verder is op 24 maart 2026 een offerte van Medische Repatriëringsdienst doorgestuurd, daarbij was gevoegd een verklaring van een arts die voor [persoon A] ambulancevervoer aanraadde. Op 31 maart 2026 heeft Trivium ook nog een ‘fit to fly-verklaring’ overgelegd, waarin stond dat [persoon A] “is not fit to fly on a regular flight. The patient can be transported by ambulance flight.” Indien [gedaagde] van mening was dat de kosten van ambulancevervoer geen redelijke kosten waren, lag het op haar weg om dat direct aan de curatoren mee te delen en te motiveren waarom een reguliere vlucht voldoende was. Dat is niet gebeurd. [gedaagde] heeft geen enkel bezwaar opgeworpen. Zij heeft alleen om (nog) meer offertes gevraagd. Verwezen wordt naar de mailberichten van [gedaagde] van 1 en 2 april 2026 (zie 3.13. en 3.15.). Daarmee wekte [gedaagde] bij de curatoren de verwachting dat ambulancevervoer akkoord was, en dat het alleen ging om de goedkoopste offerte op dat punt, zonder dat overigens van een toezegging kan worden gesproken. Niet onbegrijpelijk is dan ook dat de curatoren op 9 april 2026 (ruim drie weken na de ontvangst van de 1e offerte) zijn overvallen door de mededeling van [gedaagde] om af te zien van de financiering van het gehele behandeltraject. Die verrassing zag niet alleen op het door [gedaagde] voor het eerst op 9 april 2026 ingenomen standpunt dat de kosten van ambulancevervoer niet redelijk waren, maar ook op het feit dat dat voor [gedaagde] reden vormde om dan maar het gehele traject niet door te laten gaan. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] niet (eerder) in overleg ging met de curatoren over de mogelijkheid van ander vervoer of van een gedeeltelijke vergoeding van de (in haar ogen redelijke) vervoerskosten.\n\n5.11.. Naar voorlopig oordeel mochten de curatoren op basis van de door [gedaagde] gedane mededelingen of gewekte verwachtingen er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de verblijfs- en behandelkosten van het Shepherd Center volledig worden vergoed en dat de overige kosten worden vergoed in overleg en voor zover die redelijk zijn.\n\n5.12.. Hierna wordt beoordeeld wat deze overwegingen betekenen voor ieder onderdeel van de geldvordering.\n\nBehandeling bij het Shepherd Center\n\n5.13.. Zoals gezegd leest de voorzieningenrechter in het mailbericht van 3 februari 2026 een harde toezegging van [gedaagde] om de behandelingskosten bij het Shepherd Center te vergoeden. Het in dat kader gevorderde bedrag van € 25.591,88 ligt voor toewijzing gereed. Volledigheidshalve voegt de voorzieningenrechter hier aan toe dat de kosten van een Residential program in beginsel $ 1.374,- per dag zijn en dat de curatoren blijkbaar een korting tot $ 1.212,- per dag hebben kunnen bedingen. Het bedrag van $ 550,- per dag dat [gedaagde] in haar conclusie van antwoord noemt, is niet voor een Residential program maar voor een Day program en de verleende korting volgt uit productie 6 bij dagvaarding.\n\n5.14.. \n [gedaagde] plaatst in dit kort geding vraagtekens bij de effectiviteit van de behandeling bij het Shepherd Center. Dat heeft zij tot aan de afwijzing van de gevorderde betaling nimmer kenbaar gemaakt aan de curatoren, zodat de voorzieningenrechter aan dit standpunt voorbijgaat.\n\nAmbulancevluchtvervoer (heen en terug)\n\n5.15.. In de mail van 3 februari 2026 van [gedaagde] zijn de kosten van het transport van [persoon A] naar het Shepherd Center en terug niet expliciet benoemd. Wel is duidelijk dat de vervoerskosten van [persoon A] in beginsel zouden worden gefinancierd. Deze kosten moeten worden geschaard onder ‘meer kosten’ bij het vierde punt. Daarvoor geldt dat [gedaagde] deze kosten vergoedt voor zover het gaat om redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW. De kosten van ambulancevervoer zijn alleen redelijk te achten wanneer komt vast te staan dat [persoon A] , gezien zijn medische toestand, alleen op verantwoorde wijze via een ambulancevliegtuig kon worden vervoerd. Dat is echter een geschilpunt tussen partijen, waarover in dit kort geding geen helderheid kan worden verkregen. Zo is niet duidelijk of de optie ambulancevliegtuig in het gesprek op 3 februari 2026 is genoemd, zoals de curatoren stellen en [gedaagde] betwist. In een bodemprocedure, waar plaats is voor nadere bewijslevering, moet worden beoordeeld wat er concreet is toegezegd, althans waarvan de curatoren in de gegeven omstandigheden mochten uitgaan en of een eventueel andere (goedkopere) wijze van transport tot de mogelijkheden behoorde. Daarbij speelt ook een rol dat de curatoren niet hebben onderbouwd dat – nu al duidelijk is dat – voor de terugvlucht een ambulancevliegtuig moet worden ingezet voor [persoon A] .\n\n5.16.. \n\nTer zitting heeft [gedaagde] desgevraagd verklaard dat zij als redelijke kosten voor het vervoer van [persoon A] , en 2 familieleden, van Nederland naar Atlanta uitging van\n\n€ 60.000-€ 70.000,00, van een bedrag van ongeveer € 100.000,00 voor een retourvlucht. Het zou dan een 1e klas vlucht betreffen, waarbij een arts en een verpleegkundige meegaan, inclusief ambulancevervoer van en naar het vliegveld. Gelet op die verklaring, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ten titel van ambulancevluchtvervoer (heen en terug) het bedrag van € 100.000,00 als voorschot toe te wijzen.\n\nAndere kosten i.v.m. verblijf van [persoon A] en de curatoren in de VS\n\n5.17.. De curatoren gaan uit van een verblijf van 28 dagen en hebben de kosten die zij gedurende hun verblijf moeten maken ten behoeve van zorg en begeleiding van [persoon A] begroot op € 5.490,00. Deze kosten bestaan uit mobiliteitskosten, noodzakelijke verzorgingskosten van [persoon A] (met name incontinentiemateriaal, waskosten, vochtige doekjes), extra kosten voor het levensonderhoud in de VS (met name geschikt eten voor [persoon A] en de curatoren) en extra telefoon- en internetkosten. Deze kosten zien op meer zaken dan de “redelijke kosten voor reis en verblijf voor de duur van acht weken van twee meereizende familieleden, met aftrek van de kosten die in Nederland ook zouden worden gemaakt voor levensbehoeften” (zoals bedoeld onder punt 3 van de mail van [gedaagde] van 3 februari 2026).\n\n5.18.. De begrote kosten komen de voorzieningenrechter, mede gelet op de onderbouwing, niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen. Omdat het bedrag meer omvat dan de kosten voor het verblijf van twee meereizende familieleden, wordt ervan uitgegaan dat de in 5.17. genoemde aftrek, ook al is dat niet met zoveel woorden gesteld, in zekere zin is meegenomen.\n\nAanvullende noodzakelijke kosten\u002Fbevoorschotting\n\n5.19.. De curatoren vorderen een bedrag van € 40.000,00 voor het resterende verblijf in de VS. Ter zitting is bekend geworden dat [persoon A] inmiddels is ontslagen uit het Shepherd Center. De behandeling kon niet worden verlengd, omdat de curatoren dat niet konden betalen. De curatoren stellen het gevorderde bedrag nodig te hebben voor tijdelijke huisvesting en verzorging van [persoon A] in de VS tot de datum van repatriëring en voor hulp\u002Fverzorgingskosten daarna.\n\n5.20.. Ook deze begrote kosten komen de voorzieningenrechter niet onredelijk voor en worden als voorschot toegewezen.\n\nBelangenafweging en restitutierisico\n\n5.21.. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid erkend voor de schade die [persoon A] lijdt als gevolg van het verkeersongeluk. Zij heeft toegezegd de behandeling in het Shepherd Center te financieren. Bepaalde kosten waren nog niet bekend, maar daarvoor gold dat die zouden worden vergoed voor zover die redelijk zijn. Ten aanzien van het deel van de geldvordering dat wordt toegewezen, is voldoende aannemelijk dat de curatoren die kosten ten behoeve van [persoon A] hebben gemaakt of gaan maken en dat [gedaagde] die kosten, als zijnde de door [persoon A] geleden en te lijden schade, moet vergoeden. Dat maakt ook dat, hoewel er strikt genomen sprake is van een restitutierisico, dat risico niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.\n\n5.22.. Dat [gedaagde] onlangs € 150.000,00 heeft uitgekeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De curatoren stellen terecht dat het reeds uitgekeerde bedrag ziet op vergoeding van andere posten (smartengeld en voorschot onder algemene titel).\n\nConclusie\n\n5.23.. Dat betekent dat in totaal een bedrag van € 171.081,88 (= € 25.591,88 + € 100.000,00 + € 5.490,00 + € 40.000,00) als voorschot wordt toegewezen. Gelet op al het hiervoor overwogene is er alle reden om die beslissing, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n5.24.. De gevorderde wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW wordt deels toegewezen. De curatoren hebben op 6 april 2026 het bedrag van € 25.591,88 aan het Shepherd Center voldaan, zodat de wettelijke rente wordt toegewezen over dat bedrag vanaf 6 april 2026. Daarnaast staat vast dat op 10 april 2026 het bedrag van € 145.000,00 in contanten is voldaan voor het vervoer van [persoon A] naar de VS. De curatoren stellen op dat punt dat zij dat bedrag hebben geleend van familie, wat niet onaannemelijk is. Aan het betoog van [gedaagde] dat (een deel van) dat bedrag een gift kan zijn geweest, wordt, ook gelet op de toezegging van [gedaagde] , voorbij gegaan. Dat ligt niet voor de hand en [gedaagde] heeft geen aanknopingspunt gegeven dat in die richting wijst. Voor het vervoer naar de VS is in 5.16. al geoordeeld dat een bedrag van € 70.000,00 redelijk is. De wettelijke rente wordt dus toegewezen over € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026.\n\nProceskosten\n\n5.25.. De curatoren hebben [gedaagde] op juiste gronden in rechte betrokken, zodat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de curatoren. Deze proceskosten worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.803,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.324,67\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om, binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis, aan de curatoren te betalen een bedrag van € 171.081,88;\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 25.591,88 met ingang van 6 april 2026 tot de dag van volledige betaling, alsmede over een bedrag van € 70.000,00 met ingang van 10 april 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.324,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;\n\n6.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.\n\n2091 \u002F 2009\n\n Hoge Raad 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3123, r.o. 3.5","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6340","2026-06-01T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:33.494Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":44,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":73,"summary":44,"language":7,"source":46,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":49,"updatedAt":75},"933","ECLI:NL:RBROT:2026:3552","ecli-nl-rbrot-2026-3552","vonnisRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F696853 \u002F HA ZA 25-280\n\nVonnis van 1 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. G.J. de Jongste te Rotterdam,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHUISARTSENPRRAKTIJK [naam 1] B.V.\n\ngevestigd te Papendrecht,\n\n2. de naamloze vennootschap\n\nVvAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagden,\n\nadvocaat mr. E.J.C. de Jong te Utrecht.\n\nPartijen worden hierna ook [eiseres] , de huisartsenpraktijk en de verzekeraar genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDeze zaak gaat over de vraag of een huisarts tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met een patiënte. De patiënte stelt dat de huisarts haar eerder naar het (oog)ziekenhuis had moeten verwijzen in verband met een ooginfectie. De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat de huisarts inderdaad is tekortgeschoten in zijn verplichtingen en dat de patiënte in beginsel recht heeft op vergoeding van haar schade. Het verweer van de huisarts en de verzekeraar dat de patiënte eigen schuld heeft aan haar schade wordt door de rechtbank verworpen.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 maart 2025 met producties 1 tot en met 9, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3, - de productielijst van de zijde van [eiseres] , - de spreekaantekeningen van de advocaat van [eiseres] , - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 september 2025.2.2.. Partijen hebben na de mondelinge behandeling overleg gehad over een regeling zodat geen vonnis nodig zou zijn. Zij hebben ten slotte toch vonnis gevraagd.3. De feiten\n\n3.1.. Door of namens [eiseres] , geboren op [geboortedag] 2006, is met de huisartsenpraktijk een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan. De in de huisartsenpraktijk werkzame huisarts, [naam 1] (hierna: de huisarts), is de (enig) bestuurder van de huisartsenpraktijk.\n\n3.2.. Bij de verzekeraar heeft de huisartsenpraktijk een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten.\n\n3.3.. Op donderdag 12 mei 2022 is [eiseres] bij de huisarts geweest met klachten over haar linkeroog. Zij klaagde over pijn en roodheid van dat oog.\n\n3.4.. \n\nHet patiëntdossier van [eiseres] van de huisartsenpraktijk vermeldt op die dag (de letters “S “O” “E” en “P” in het huisartsdossier staan voor: “Subjectief”, “Objectief”, “Evaluatie” en “Plan”):\n\nS apotheek: chloramfenicol niet leverbaar. Wordt Fucithalmic\n\nS ontstoken oog links; lenzen +\n\nO Conjunctivitis\n\nE Infectieuze conjunctivitis\n\nP MED: Westpolder 12-05-2022 CHLOORAMFENICOL OOGDRUPPELS 5MG\u002FML FL 10ML 4-6D1DR IOG MX1W 10 milliliter (Inv: WD) (Aut: WD)\n\nEn bij de datum van vrijdag 13 mei 2022 vermeldt het genoemde dossier:\n\nS nog steeds veel pijn aan het oog. stekende hoofdpijn bij wenkbrauw.\n\nP med zijn werk laten doen, koelen met koude compressen\n\nafspr aangeboden op su. wel aangegeven op dit moment niet meer te kunnen doen waarschijnlijk.zie advies hierboven\n\n3.5.. In de ochtend van vrijdag 13 mei 2022 kon [eiseres] geen licht meer verdragen. De moeder van [eiseres] heeft op die dag omstreeks 13.50 uur gebeld met de huisartsenpraktijk en toen gesproken met de doktersassistente mevrouw [naam 2] . Omstreeks 16.30 uur diezelfde dag is de moeder van [eiseres] naar de huisartsenpraktijk gegaan en heeft daar opnieuw gesproken met mevrouw [naam 2] .\n\n3.6.. \n [eiseres] heeft op zaterdag 14 mei 2022 een andere huisarts geraadpleegd. Deze huisarts zag bij [eiseres] een “zogenaamd vissenoog met hypopyon, grijze doffe cornea en visusdaling \u003C 0,1”.Na spoedoverleg met de oogkliniek Papendrecht, heeft hij haar onmiddellijk verwezen naar het oogziekenhuis in Rotterdam, waar [eiseres] diezelfde dag om 18.00 uur is opgenomen.\n\n3.7.. In het oogziekenhuis werd een ulcus aan het hoornvlies geconstateerd, die na onderzoek bleek te zijn veroorzaakt door een besmetting met de pseudomonasbacterie.\n\n3.8.. Bij latere controle in dat ziekenhuis zijn vertroebelingen en littekenvorming aan het hoornvlies vastgesteld. Het zicht van het linkeroog van [eiseres] is nog maar 15%.\n\n3.9.. \n [eiseres] heeft de huisartsenpraktijk aansprakelijk gesteld voor haar schade en de verzekeraar daarop eveneens aangesproken (artikel 7:954 BW). De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben aansprakelijkheid afgewezen.\n\n4. De vordering en het verweer\n\n4.1.\n\n [eiseres] vordert: 1. een verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met haar; 2. veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, hoofdelijk, om aan haar te vergoeden alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk, en 3) veroordeling van beide gedaagden tot betaling van de door [eiseres] gemaakte expertisekosten van € 2.254,23 inclusief btw, 4) de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,- en de proceskosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 11 maart 2025 en over de proceskosten wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het eindvonnis, vanaf 14 dagen na datum betekening van dat vonnis.\n\n4.2. Korteland baseert haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven, stellingen. De huisartsenpraktijk is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Door de huisarts is niet de vereiste zorg van een goed hulpverlener in acht genomen en hij heeft niet gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de van toepassing zijnde professionele standaard, te weten de Standaard Rood oog en oogtrauma van het Nederlands Huisartsen Genootschap. Bij een oogafwijking zoals bij Korteland moet volgens die richtlijn bij de anamnese worden gevraagd naar alarmsymptomen, anamnestische symptomen die kunnen wijzen op ernstige aandoeningen. Alarmsymptomen volgens die richtlijn zijn, behalve pijn, visusverandering, lichtschuwheid en misselijkheid of braken. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen geldt volgens de richtlijn dat vervolgonderzoek moet worden gedaan en dat de patiënt zonodig alsnog moet worden verwezen. Bovendien blijkt uit de richtlijn dat er bij dragers van contactlenzen een verhoogd risico op complicaties bij een conjunctivitis is.. \n\n4.3.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben de vordering gemotiveerd weersproken. Op het gevoerde verweren gaat de rechtbank hierna, waar nodig, nader in.\n\n5 De beoordeling. \n\nhet verlenen van de zorg van een goed hulpverlener\n\n5.1. In artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt bepaald dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de hulpverlener, die in de uitoefening van een geneeskundig beroep voor een ander, de patiënt, handelingen verricht op het gebied van de geneeskunst, bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen. In dit geval oefent de huisarts zijn praktijk uit door middel van een rechtspersoon, de huisartsenpraktijk. Zowel de huisartsenpraktijk als de huisarts zijn als hulpverlener in de zin van de wet te beschouwen. Dit is tussen partijen overigens ook geen discussiepunt.\n\nhet goed hulpverlenerschap wordt nader bepaald door de geldende professionele standaard\n\n5.2.. De hulpverlener moet als goed hulpverlener in de zin van artikel 7:453 BW in overeenstemming handelen met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard en kwaliteitsstandaarden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Het “in acht nemen van de zorg van een goed hulpverlener” wordt dus onder meer ingevuld door “de voor hulpverleners geldende professionele standaard”. De professionele standaard is het geheel van private normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten en ervaringen dat invulling geeft aan het professioneel handelen van zorgverleners of zorgaanbieders (zie artikel 1 lid 1 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg).\n\n5.3.. \n\nDe inhoud van de professionele standaard is onder andere vastgelegd in de Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Een van die standaarden is de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, versie 2017 (hierna: de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma of de NHG-Standaard). Dat is de standaard zoals deze gold tijde van het handelen van de huisarts. Het handelen van de huisartsenpraktijk en de huisarts dient aan deze professionele standaard te worden getoetst.\n\nde huisarts is in dit geval in het naleven van de geldende professionele standaard tekortgeschoten\n\n5.4. De rechtbank is van oordeel dat de huisarts en daarmee de huisartsenpraktijk in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] is tekortgeschoten omdat de huisarts de van toepassing zijnde professionele standaard, de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma, niet, althans in onvoldoende mate, in acht heeft genomen.\n\nwat staat er in de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, voor zover van belang?\n\n5.5.. De inhoud van de professionele standaard is onder andere vastgelegd in de Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Een van die standaarden is de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, versie 2017 (hierna: de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma of de NHG-Standaard). Dat is de standaard zoals deze gold tijde van het handelen van de huisarts. Het handelen van de huisartsenpraktijk en de huisarts dient aan deze professionele standaard te worden getoetst.\n\nde huisarts is in dit geval in het naleven van de geldende professionele standaard tekortgeschoten\n\nDe NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma geeft aanbevelingen voor de huisarts voor diagnostiek en behandeling van patiënten met een rood oog en oogtrauma en geeft aan hoe de huisarts onderscheid kan maken tussen onschuldige en visusbedreigende aandoeningen. De standaard beveelt huisartsen aan om bij de anamnese van patiënten met oogklachten zonder traumatische oorzaak te vragen naar zogenoemde “alarmsymptomen”. In de standaard worden als alarmsymptomen genoemd: pijn, visusverandering, fotofobie (lichtschuwheid), misselijkheid of braken. De huisarts dient dan alert te zijn op visusbedreigende aandoeningen. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen beveelt de NHG-Standaard aan om vervolgonderzoek te verrichten als bij aanwezigheid van alarmsymptomen de verdere anamnese en het lichamelijk onderzoek niet leiden tot een diagnose waarbij (spoed)verwijzing geïndiceerd is. Als ook het vervolgonderzoek niet tot die diagnose leidt, is de aanwezigheid van alarmsymptomen reden om na 1 of 2 dagen te controleren. Bij blijvende aanwezigheid van alarmsymptomen dient de huisarts alert te zijn op een ernstige aandoening. Dit is vrijwel altijd reden om de patiënt te verwijzen.\n\n5.6.. Of de huisarts al dan niet de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen moet tegen de achtergrond van de aanbevelingen in de NHG-Standaard worden beoordeeld. Het gaat in dit geval meer specifiek om de vraag of de huisarts [eiseres] op vrijdag(middag) 13 mei 2022 had moeten onderzoeken, controleren en, zo nodig naar het oogziekenhuis had moeten verwijzen, nadat de moeder van [eiseres] de huisartsenpraktijk had gebeld en zich daar in persoon had gemeld om aandacht te vragen voor de situatie van [eiseres] . Deze acties heeft de huisarts achterwege gelaten.\n\nsituatie op vrijdag 13 mei 2022 was zodanig dat [eiseres] veel pijn had\n\n5.7.. In het medisch dossier van [eiseres] bij de huisarts is bij de datum 13 mei 2022 genoteerd dat [eiseres] klaagt over: “nog steeds veel pijn” en “stekende hoofdpijn bij wenkbrauw”.Er moet van worden uitgegaan dat deze pijnklachten door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk zijn gemeld, toen zij de praktijk in de middag van vrijdag 13 mei 2022 belde of toen zij de huisartsenpraktijk aan het eind van die middag bezocht. De door de huisarts genoemde omstandigheid dat hem deze pijnklachten niet hebben bereikt (wat alleen mogelijk zou zijn als de assistente hem dit niet zou hebben doorgegeven), dient voor rekening van de huisartsenpraktijk te blijven.\n\n5.8.. De huisarts heeft verklaard dat de pijn die [eiseres] bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk op donderdag 12 mei 2022 aan de huisarts aangaf “niet bijzonder” was, maar passend bij een conjunctivitis, die verklaard kon worden door het dragen van contactlenzen door [eiseres] . De huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwisten dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk “alarmsymptomen” in de zin van de NHG-Standaard had. Dit verweer treft geen doel.\n\n5.9.. \n\nAls [eiseres] op donderdag inderdaad nog geen ernstige pijn aan het oog had, volgt uit de hiervoor weergegeven, op vrijdagmiddag door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk gemelde, pijnklachten dat de huisarts rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de pijn van [eiseres] door de oogontsteking zodanig was toegenomen dat deze (inmiddels wél) als alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard gekwalificeerd diende te worden. Het verweer dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 nog niet zulke symptomen had, mist dus relevantie en slaagt daarom niet.\n\nverplichting tot het actief doen van navraag naar (toegenomen) pijn als alarmsymptoom\n\n5.10.. De (kennelijk) toegenomen pijnklachten van [eiseres] hadden voor de huisarts aanleiding moeten zijn om naar de precieze aard en ernst bij haar moeder, of bij [eiseres] zelf, navraag te doen of hiernaar door zijn assistente te laten vragen. Pijn op zichzelf is immers een alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard, waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd. Waarom de huisarts de moeder niet nader heeft uitgevraagd over de kennelijk toen toegenomen pijnklachten van [eiseres] is te meer niet goed navolgbaar, nu de huisarts [eiseres] zelf (op donderdag) had geadviseerd contact op te nemen met de huisartsenpraktijk als de situatie erger zou worden, zoals de moeder dus daadwerkelijk op vrijdagmiddag heeft gedaan.\n\nlichtschuwheid als (tweede) alarmsymptoom\n\n5.11.. Dat de huisarts de moeder van [eiseres] actief had moeten uitvragen naar het door haar gemelde alarmsymptoom is ook van belang voor het volgende. Als de huisarts bij de moeder van [eiseres] navraag zou hebben gedaan naar de kennelijk toegenomen pijn van [eiseres] aan en rondom het oog op vrijdag, zoals de huisarts zou hebben moeten doen, zou hem door de moeder zijn meegedeeld dat [eiseres] inmiddels ook geen licht meer kon verdragen. Dat die situatie zich feitelijk voordeed is tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is slechts in geschil of de moeder van [eiseres] dat aan de huisartsassistente heeft gemeld. De moeder van [eiseres] heeft verklaard dit wel te hebben gemeld maar de huisartsenpraktijk heeft betwist dat dit is gezegd. Op zichzelf lijkt het voor de hand te liggen dat de moeder van [eiseres] dit heeft gezegd omdat het een verklaring vormt waarom zij en niet [eiseres] zelf zich bij de huisartsenpraktijk had gemeld: door haar lichtschuwheid verbleef zij in een donker gemaakte kamer en voelde zij zich niet in staat het huis te verlaten. Hoe de vork op dit punt in de steel zit, kan in het midden blijven, omdat buiten twijfel verheven is dat als de huisarts bij de moeder of [eiseres] navraag had gedaan (of laten doen) naar eventuele andere alarmsymptomen dan de gemelde toename van pijn, wat hij op grond van de NHG-Standaard had behoren te doen, de moeder en\u002Fof [eiseres] deze lichtschuwheid zouden hebben gemeld. Lichtschuwheid of fotofobie is, volgens de NHG-Standaard, immers eveneens “een alarmsymptoom” waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd.\n\nhet niet verrichten van vervolgonderzoek en het niet onderzoeken van de mogelijke noodzaak van verwijzing naar de oogarts is aan te merken als een tekortkoming\n\n5.12.. De aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid hadden, zoals hiervoor onder 5.5 aan de orde gekomen, voor de huisarts aanleiding moeten zijn alert te zijn op een visusbedreigende aandoening en die alarmsymptomen hadden voor hem reden moeten zijn om vervolgonderzoek te verrichten, zo is in de NHG-Standaard bepaald. Dit vervolgonderzoek heeft de huisarts evenwel achterwege gelaten. Daardoor heeft hij ook niet kunnen vaststellen of verwijzing van [eiseres] naar de oogarts nodig was.\n\n5.13.. De rechtbank verwerpt het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar dat de huisarts niet te kort is geschoten in de zorg van goed hulpverlener omdat aan [eiseres] is aangeboden dat zij door de huisarts op het spreekuur zou kunnen worden gezien. Dit aanbod doet geen recht aan de alertheid en actieve houding die van een huisarts in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Uit het patiëntdossier blijkt niet dat de huisarts die actieve houding heeft ingenomen. Hoewel daarin is genoteerd dat aan [eiseres] is aangeboden “op su” (d.i. spreekuur) te komen, is volgens die aantekening tevens aan [eiseres] meegedeeld dat er voor haar “op dit moment” waarschijnlijk niet meer kon worden gedaan en is haar geadviseerd om het medicament zijn werk te laten doen en om met koude compressen te koelen. Zonder dat blijkt dat navraag is gedaan naar de aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid is dat onvoldoende.\n\n5.14.. De rechtbank bereikt op grond van het voorgaande de conclusie dat de huisarts door (i) geen actieve navraag te doen naar de op vrijdag 13 mei 2022 gemelde toegenomen pijnbeleving van [eiseres] , (ii) niet te vragen naar eventuele andere alarmsymptomen, (iii) vervolgens geen vervolgonderzoek te doen, waardoor (iv) hij niet heeft onderzocht of [eiseres] gezien haar toestand naar de oogarts had moeten worden verwezen, niet de zorg heeft verleend die van een goed hulpverlener mag worden verlangd. Daarmee staat vast dat de huisartsenpraktijk in de nakoming van de verplichtingen uit de met [eiseres] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst tekort is geschoten.\n\naansprakelijkheid; toewijzing van de onder 1 gevorderde verklaring voor recht\n\n5.15.. De hiervoor vastgestelde tekortkoming leidt ertoe dat de huisartsenpraktijk aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en zal lijden als gevolg van die tekortkoming. Dat de tekortkoming niet aan de huisartsenpraktijk toerekenbaar zou zijn (artikel 6:75 BW) is niet aangevoerd, zodat daarop niet behoeft te worden ingegaan. De onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] , is derhalve toewijsbaar.\n\ntoewijzing van de onder 2 gevorderde schadevergoeding\n\n5.16.. \n [eiseres] vordert onder 2, geheel in het algemeen, “vergoeding van alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk”. Dat betekent dat zij schadevergoeding verlangt voor zover sprake is van causaal verband tussen de aan de huisarts verweten tekortkoming en haar schade. Of dat verband er is, wordt door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwist, althans als onzeker bestempeld.\n\n5.17.. Dit verweer leidt echter niet tot de conclusie dat de vordering niet toewijsbaar zou zijn. Bij een vordering tot schadevergoeding als deze, waarbij nog geen concrete schadeposten worden gevorderd, is immers voldoende als de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden, zoals het vaste criterium is bij vorderingen tot vergoeding van schade op te maken bij staat. Uit het feit dat het zicht in het linkeroog nog maar 15% is en dat in elk geval in de toekomst een of meerdere malen operatief moet worden ingegrepen ( [eiseres] heeft dat onweersproken gesteld) blijkt in voldoende mate van door haar geleden en nog te lijden concrete schade.\n\n5.18.. Voor zover het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar inhoudt dat de schade van [eiseres] niet het gevolg is van handelen van de huisarts, maar van de ontsteking, gaat dit verweer niet op. Het gaat in deze zaak niet om de vaststelling van de medische oorzaak van het oogletsel van [eiseres] , maar om de vraag of de schade van [eiseres] zou zijn ingetreden als van een tekortkoming van de huisarts(enpraktijk) geen sprake zou zijn geweest.\n\n5.19.. De rechtbank is, met betrekking tot die laatstgenoemde vraag, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eiseres] niet in dezelfde mate oogletsel en\u002Fof andere schade zou hebben geleden indien de huisarts de moeder of [eiseres] zelf op vrijdag 13 mei 2022 naar aanleiding van de meldingen van de moeder van [eiseres] naar het bestaan van verdere mogelijke alarmsymptomen zou hebben uitgevraagd. De huisarts zou dan hebben vernomen dat [eiseres] over (inmiddels) veel pijn klaagde (terwijl haar pijn de dag daarvoor als “niet bijzonder” kon worden gekwalificeerd) maar inmiddels ook leed aan lichtschuwheid , zoals hiervoor overwogen. De huisarts had dan ook een vervolgonderzoek verricht, zoals hij had behoren te verrichten en waarvan aannemelijk is dat hij dat zou doen. Uit de NHG-Standaard volgt dat de huisarts de patiënt met alarmsymptomen naar de oogarts dient te verwijzen als bij (herhaalde) controle blijkt dat alarmsymptomen aanhouden of verergeren. De NHG-Standaard bepaalt expliciet dat bij verergering van klachten, alarmsymptomen of tekenen van infectie, onvolledig herstel na 2 dagen, de patiënt dezelfde dagnaar de oogarts wordt verwezen. Voorts wordt over contactlensdragers opgemerkt dat “al na 1 dag bij geen verbetering” verwijzing diezelfde dag moet plaatsvinden. Zoals hiervoor overwogen, waren de pijnklachten van [eiseres] toegenomen, zoals uit het eigen standpunt van de huisarts in combinatie met de aantekeningen in het patiëntdossier volgt, en was [eiseres] bovendien een contactlensdrager. Het ligt daarom in de lijn der verwachting, althans is voldoende aannemelijk, dat de huisarts [eiseres] nog op vrijdag naar de oogarts zou hebben verwezen. Daarmee zou een tijdwinst van om en nabij 24 uur zijn behaald. Mede nu niet in geschil is dat de ooginfectie van [eiseres] met de pseudomonasbacterie een agressief verloop kan hebben, is voldoende aannemelijk dat [eiseres] bij eerdere opname in het ziekenhuis niet hetzelfde ernstige oogletsel zou hebben opgelopen zoals zij nu heeft gekregen.\n\n5.20.. Voor zover de huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben willen betogen dat niet zeker is of [eiseres] door de huisarts op vrijdag naar de oogarts zou zijn verwezen omdat niet duidelijk is of haar klachten daarvoor op dat moment voldoende ernstig waren, wordt dat verweer op grond van voorgaande overwegingen verworpen. Overigens geldt dat als het door de huisarts uit te voeren vervolgonderzoek, wat hij dus niet heeft verricht maar wel had behoren te verrichten, niet al direct tot de conclusie had gevoerd dat verwijzing van [eiseres] naar de oogarts geïndiceerd was, de huisarts ingevolge het door de NHG-Standaard voorgeschreven controlebeleid [eiseres] had moeten blijven monitoren. In dat geval zou [eiseres] niet pas na de constatering door de toen door [eiseres] geraadpleegde andere huisarts van haar ernstige afwijkingen in het oog op zaterdagmiddag, maar eerder, naar het oogziekenhuis zijn verwezen en daar zijn opgenomen omdat niet aannemelijk is dat de huisarts de ontsteking in het oog van [eiseres] zo ver op zijn beloop zou hebben gelaten. Dat dit anders zou zijn, is door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar niet gesteld, maar ook niet onderbouwd, zodat als zij dat zouden hebben willen betwisten, daaraan voorbij wordt gegaan. Die onderbouwing van die betwisting had van hen mogen worden verlangd, omdat kan worden vastgesteld dat de onzekerheid of de huisarts eerder zou hebben verwezen door de huisarts zelf in het leven is geroepen door geen vervolgonderzoek te verrichten. Het is daarom gerechtvaardigd van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar te verlangen dat zij die onderbouwing zouden hebben verschaft.\n\n‘eigen schuld’ (artikel 6:101 BW) niet aan de orde\n\n5.21.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren het verweer dat de schade van [eiseres] op grond van artikel 6:101 BW aan [eiseres] zelf moet worden toegerekend. Voor dit verweer geldt dat op hen ter zake de stelplicht en de bewijslast rusten. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren voor hun verweer aan dat [eiseres] zelf de keuze heeft gemaakt om niet in te gaan op het gestelde aanbod op vrijdagmiddag 13 mei 2022 om naar het spreekuur van de huisarts te komen en zich door de huisarts te laten beoordelen. Dit verweer treft geen doel.\n\n5.22.. In het licht van het tekortschieten van de huisarts kan aan [eiseres] , als al zou vaststaan dat haar voldoende duidelijk is gemaakt dat zij die vrijdagmiddag nog bij de huisarts in consult kon komen, die omstandigheid niet worden toegerekend. De huisarts heeft haar immers niet op de noodzaak van een consult gewezen, maar haar, integendeel, te verstaan gegeven dat een bezoek aan het spreekuur waarschijnlijk toch niet veel zou opleveren en het advies gegeven het medicijn zijn werk te laten doen en te koelen met compressen. In elk geval dient op grond hiervan de omstandigheid dat [eiseres] niet op de mogelijkheid om de huisarts te bezoeken is ingegaan, op grond van billijkheid niet tot vermindering van de vergoedingsplicht van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar jegens [eiseres] te leiden.\n\n5.23.. Uit wat hiervoor onder 5.16 tot en met 5.22 is overwogen volgt dat de vordering tot vergoeding van schade tegen de huisartsenpraktijk toewijsbaar is.\n\ndirecte actie: de verzekeraar wordt mede veroordeeld (artikel 7:954 BW)\n\n5.24.. Artikel 7:954 BW bepaalt dat wanneer in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid aan de verzekeraar op grond van artikel 7:941 BW de verwezenlijking van het risico is gemeld, de benadeelde kan verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald. Op grond van deze bepaling is ook de vordering tot schadevergoeding tegen de verzekeraar toewijsbaar.\n\nde expertisekosten van € 2.254,23 zijn toewijsbaar\n\n5.25.. Deze kosten zijn inhoudelijk niet betwist, maar slechts bestreden met een verwijzing naar het verweer dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen. Ook deze vordering is daarom toewijsbaar.\n\nbuitengerechtelijke incassokosten van € 925,- zijn toewijsbaar met wettelijke rente\n\n5.26.. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en wijst deze kosten toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2025. hoofdelijke veroordeling wordt niet toegewezen5.27. De gevorderde hoofdelijke veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar kan niet worden toegewezen. De verzekeraar is door de mogelijkheid van directe actie geen debiteur van [eiseres] geworden. Hoofdelijke verbondenheid (artikel 6.6 BW e.v.) is dan ook niet aan de orde, ook al kan [eiseres] wel van de verzekeraar rechtstreeks betaling aan haar verlangen. Zij heeft de keuze om ofwel de verzekerde, de huisartsenpraktijk, ofwel de verzekeraar, ofwel beiden tot betaling aan te spreken, in dat laatste geval “des dat betaling door de een de ander bevrijdt”. Aldus zal de rechtbank de vordering tot schadevergoeding toewijzen.\n\nuitvoerbaarheid bij voorraad5.28. De verklaring voor recht kan als declaratoire beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Bij uitvoerbaarverklaring van de vordering tot betaling van schadevergoeding, zonder dat concrete schade wordt gevorderd, heeft [eiseres] onvoldoende belang, zodat ook ten aanzien die vordering geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal worden uitgesproken. Voor het overige geldt dat de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad op de wet is gebaseerd en door de huisarts en de verzekeraar niet is weersproken. Daarom zal het vonnis voor het overige uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nproceskosten\n\n5.29.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot die kosten aan de zijde van [eiseres] op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 1.374,- aan griffierecht en € 1.306,- (2 punten à € 653,-) aan salaris voor de advocaat, en veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten, wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. In totaal bedragen de proceskosten € 2.828,04.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verklaart voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] ;\n\n6.2.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar tot vergoeding van alle schade die [eiseres] heeft geleden en lijdt, voor zover die schade het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming van de huisartsenpraktijk;\n\n6.3.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van € 2.254,23 aan expertisekosten;\n\n6.4.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van € 925,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\n6.5.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.828,04;\n\n6.6.. verklaart de veroordelingen onder 6.3 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.\n\n2632\u002F 3152","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3552","2026-07-13T00:28:55.445Z",20]