[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-public-procurement-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":50,"limit":51},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},68,"public-procurement-nl","Public Procurement","NL","2026-07-08T16:54:19.266Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2025-10-14T00:00:00.000Z","2026-04-28T00:00:00.000Z",[],[22,33,42],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"440","ECLI:NL:RBROT:2026:5718","ecli-nl-rbrot-2026-5718","","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F713938 \u002F KG ZA 26-85\n\nVonnis in kort geding van 28 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. SOSYTRAINING B.V.,\n\ngevestigd in Zeist,\n\n2. [eiseres 2] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\neiseressen,\n\nadvocaten: mrs. J.W.A. Meesters en M. van ‘t Hof,\n\ntegen\n\n1. GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING SOCIAAL,\n\nzetelend in Dordrecht,\n\n2. GEMEENTE ALBLASSERDAM,\n\nzetelend in Alblasserdam,\n\n3. GEMEENTE DORDRECHT,\n\nzetelend in Dordrecht,\n\n4. GEMEENTE HARDINXVELD-GIESSENDAM,\n\nzetelend in Hardinxveld-Giessendam,\n\n5. GEMEENTE HENDRIK-IDO-AMBACHT,\n\nzetelend in Hendrik-Ido-Ambacht,\n\n6. GEMEENTE PAPENDRECHT,\n\nzetelend in Papendrecht,\n\n7. GEMEENTE SLIEDRECHT,\n\nzetelend in Sliedrecht,\n\n8. GEMEENTE ZWIJNDRECHT,\n\nzetelend in Zwijndrecht,\n\ngedaagden,\n\nadvocaat: mr. D. van Leersum,\n\nmet als tussenkomende partij\n\nNEWBEES INCLUSION SOLUTIONS B.V.,\n\ngevestigd in Amsterdam,\n\nadvocaten: mrs. D.E. van Oeveren en P.W. Juttmann.\n\nPartijen worden hierna Sosytraining, [eiseres 2] , Drechtsteden (gedaagden gezamenlijk) en NewBees genoemd. Eiseressen worden gezamenlijk aangeduid als de combinatie.\n\nDe zaak in het kort\n\nDrechtsteden heeft een aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor de inkoop van het participatieonderdeel van de zelfredzaamheidsroute voor inburgeringsplichtigen binnen haar gemeenten. Sosytraining en [eiseres 2] hebben als Combinatie een inschrijving ingediend. Ook NewBees heeft op de opdracht ingeschreven. Drechtsteden heeft de opdracht in eerste instantie voorlopig aan de combinatie gegund. Vervolgens heeft zij geconstateerd dat de Aanbestedingsleidraad in geval van Combinatievorming van elke combinant een referentie vereist. Zij heeft de inschrijving van de combinatie daarop ongeldig verklaard, omdat bij de inschrijving van de Combinatie maar één referentie (van Sosytraining) was gevoegd, en de opdracht voorlopig aan NewBees gegund. In dit kort geding vordert de combinatie dat de opdracht alsnog aan haar gegund wordt. De voorzieningenrechter wijst de vordering af.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaardingen van 28 januari 2026, met producties 1 tot en met 12,\n\nde aanvullende productie 13 van de combinatie,\n\nde conclusie van antwoord van Drechtsteden, met producties 1 tot en met 17,\n\nde incidentele conclusie tot tussenkomst tevens bevattende verzoek tot verstrekken afschrift ex artikel 195(a) Rv van NewBees, met producties 1 tot en met 5,\n\nde reactie van Drechtsteden op het verzoek ex artikel 195(a) Rv,\n\nde reactie van de combinatie op het verzoek ex artikel 195(a) Rv,\n\nde spreekaantekeningen van mr. Meesters,\n\nde pleitnota van mr. Van Oeveren.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2026.\n\n1.3.. NewBees heeft gevorderd om te mogen tussenkomen in het geding. De vordering is aan het begin van de mondelinge behandeling besproken. De combinatie en Drechtsteden hebben ter zitting verklaard daartegen geen bezwaar te hebben. NewBees is vervolgens toegelaten als tussenkomende partijen, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft en niet is gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat.\n\n1.4.. NewBees heeft op grond van artikel 195(a) Rv gevorderd om de combinatie en\u002Fof Drechtsteden te veroordelen om uiterlijk bij aanvang van de mondelinge behandeling afschrift van of inzage in de referentie van Sosytraining aan NewBees te verstrekken. Ook deze vordering is aan het begin van de mondelinge behandeling besproken. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen. Daartoe was redengevend dat de beoordeling van een inschrijving is voorbehouden aan de aanbestedende dienst en in beginsel van de juistheid van die beoordeling moet worden uitgegaan. Dit kan slechts anders zijn als op grond van concrete feiten gerede twijfel over de juistheid van de beoordeling bestaat. NewBees vermoedt op basis van haar kennis van de markt, onderzoek op TenderNed en door Drechtsteden verstrekte, beperkte, informatie dat Sosytraining niet aan de gestelde referentie-eis voldoet. In feite komt het standpunt van NewBees erop neer dat zij geen door Sosytraining uitgevoerde opdracht kan bedenken die aan de eisen voldoet. Dit zijn echter geen concrete feiten op grond waarvan gerede twijfel over de juistheid van de beoordeling van Drechtsteden gerechtvaardigd is. Voorts is meegewogen dat Drechtsteden ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat zij de referentie nogmaals heeft bekeken en heeft vastgesteld dat deze aan de in de aanbestedingsstukken gestelde eisen voldoet.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 15 juni 2025 hebben de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD), onderdeel van de Gemeenschappelijke Regeling Sociaal (gedaagde sub 1), en de deelnemers aan die regeling, te weten de gemeenten Alblasserdam, Dordrecht, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Papendrecht, Sliedrecht en Zwijndrecht (gedaagden sub 2 tot en met 8), op TenderNed de Europese aanbestedingsprocedure ‘Inburgering Participatie Z-route’ aangekondigd. Het doel van de procedure is om met één partij een raamovereenkomst te sluiten voor de inkoop van het participatieonderdeel van de zelfredzaamheidsroute (Z-route) voor inburgeringsplichtigen in Drechtsteden (de opdracht). De Z-route is één van de drie in de Wet Inburgering 2021 voorgeschreven leerroutes waarmee een inburgeraar kan voldoen aan zijn inburgeringsplicht. Het is een intensief traject dat aansluit bij de persoonlijke capaciteiten van de inburgeringsplichtige, gericht op het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, zelfredzaamheid, activering en participatie in de Nederlandse maatschappij.\n\n2.2.. Hoofdstuk 2 van de Aanbestedingsleidraad bepaalt dat binnen de scope van de opdracht de volgende (hoofd)activiteiten vallen:\n\nhet uitvoeren van een intake en het opstellen van een leerplan voor de inburgeringsplichtige,\n\nhet verzorgen van het participatieaanbod in het leerplan,\n\nhet verzorgen van minimaal 40 praktijkuren voor de module arbeidsmarkt en participatie (MAP),\n\nhet afstemmen met de consulent inburgering van SDD van de voortgang van de participatie-uren,\n\nhet samenwerken met (lokale) maatschappelijke partners om benodigde integraliteit en samenhang van de inburgering te waarborgen.\n\nBinnen de Z-route volgen inburgeringsplichtigen minimaal 800 participatie-uren binnen 2,5 jaar en stijgt 80% minimaal twee treden op de participatieladder.\n\n2.3.. In hoofdstuk 4 van de Aanbestedingsleidraad staat hoe kan worden ingeschreven en zijn de selectie-eisen (uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen) genoemd. Paragraaf 4.2 bepaalt dat een inschrijver alleen, in Combinatie met een andere partij of als hoofdaannemer met onderaannemers kan inschrijven. Daarbij staat vermeld:\n\n“Schrijft u in als Combinatie? Dan zijn de uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen van toepassing op elke deelnemer aan de Combinatie. Elke deelnemer moet een UEA [vzr: Uniform Europees Aanbestedingsdocument] indienen bij de inschrijving. In hoofdstuk IIA, onder 'wijze van deelnemen' vult iedereen zijn rol in en de andere deelnemers aan de Combinatie.\n\n(…)\n\nHet kan voorkomen dat u niet zelfstandig voldoet aan de gevraagde geschiktheidseisen. Of u nu alleen, of als Combinatie of hoofdaannemer met onderaannemers inschrijft: u kunt altijd een beroep doen op draagkracht van derden om aan de geschiktheidseisen te voldoen. In dat geval vult u ook Deel IIC in van het UEA. Van elke partij op wie u een beroep doet moet een UEA worden ingediend.”\n\n2.4.. De geschiktheidseisen zijn opgenomen in de paragrafen 4.4 tot en met 4.6 van de Aanbestedingsleidraad. Paragraaf 4.5 ziet op de eisen betreffende de technische en beroepsbekwaamheid en vermeldt het volgende:\n\n“4.5.1 Referenties\n\nToelichting:\n\nU beschikt op de uiterste datum voor het indienen van de Inschrijving over de hieronder beschreven kerncompetentie. U toont aan dat u over deze kerncompetentie beschikt door het overleggen van één referentie per kerncompetentie.\n\nDe volgende kerncompetenties zijn van toepassing:\n\n1. Participatieaanbod Z-route: in staat tot het uitvoeren van de participatiecomponent aangaande de zelfredzaamheid, voor inburgeraars met een lage leerbaarheid die moeite hebben met het leren van een nieuwe taal en in beperkte mate zelfredzaam zijn.\n\nDe referentie dient minimaal aan de hieronder gegeven beschrijving van een referentieproject te voldoen en dient door de onderneming binnen de drie voorgaande jaren (gerekend vanaf het moment voor het uiterlijk indienen van het verzoek tot deelneming van deze aanbesteding) te zijn uitgevoerd.\n\nVerder dienen alle referenties aan de volgende eisen te voldoen:\n\nDe referentie betreft groepsgewijze dienstverlening op gebied van participatie aan inburgeraars. De afspraken\u002Fovereenkomsten met de meerdere, individuele inburgeraars kunnen dus als geheel als referentie opgevoerd worden.\n\nDe referentie is wat betreft inhoud passend voor en vergelijkbaar met de gestelde kerncompetenties en betreft groepsgewijze dienstverlening op gebied van participatie aan inburgeraars.\n\nDe referentie heeft betrekking op minimaal 15 inburgeraars, die het gehele inburgeringstraject zijn begeleid.\n\nHet referentieproject heeft betrekking op een opdracht, waarvan tenminste 12 maanden vallen in een periode van 3 jaar voorafgaand aan de datum van Aanbesteding.\n\nBewijsmiddel:\n\nVoor de opgave van uw referentie maakt U gebruik van het modelblad 'opgave referentieprojecten', dat toegevoegd is als Bijlage F – Verklaring Referenties. De omschrijving van uw referentie omvat maximaal 1 pagina A4.\n\nPer ingediende referentie een tevredenheidsverklaring, ondertekend door referent, waaruit blijkt dat de referentie tijdig, correct en naar tevredenheid van referent is uitgevoerd.\n\n4.5.2. Kwaliteitsmanagementsysteem\n\nToelichting:\n\nInschrijver dient voor het inschrijven in het bezit zijn van een op het moment van Inschrijving geldig Keurmerk Blik op Werk \"Arbeid\" en dit keurmerk te behouden gedurende de gehele contractperiode. (…)\n\nIn geval van inschrijving in Combinatie dienen alle combinanten in bezit te zijn van het hiervoor bedoelde kwaliteitssysteemcertificaat.\n\n(…)”\n\n2.5.. In hoofdstuk 5 van de Aanbestedingsleidraad zijn de gunningscriteria opgenomen. Paragraaf 5.3 bepaalt dat de opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding.\n\n2.6.. Op 17 september 2025 dienen Sosytraining en [eiseres 2] als Combinatie een inschrijving in. Daarbij voegen zij een modelblad 'opgave referentieprojecten' (bijlage F bij de Aanbestedingsleidraad) en een tevredenheidsverklaring, die betrekking hebben op een opdracht van Sosytraining. In het modelblad, dat op 13 september 2025 door [functionaris] van Sosytraining, [functionaris Sosytraining] , is ondertekend, staat het volgende:\n\n4\n\nBeknopte omschrijving aard van de opdracht en type overeenkomst\n\nWe hebben een 4-jarige overeenkomst met de gemeente waarbij we verantwoordelijk zijn voor de participatie Z-route (800 uur), PVT [vzr: participatieverklaringtraject] en MAP in 1 perceel.\n\nStartdatum en einddatum van opdracht\n\nStartdatum: 01-01-2024 Einddatum: 31-12-2027\n\n5\n\nOmvang van de opdracht (in aantallen deelnemers per contractjaar\n\nAantal deelnemers per 30\n\n6\n\nNadere toelichting inhoud van opdracht\n\n------------------------------------------------------------------------------- We zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de volledige 800 uur in de Z-route, inclusief de uitvoering van de PVT en MAP. We begeleiden 30 deelnemers per jaar. 90% van de deelnemers lopen op schema. ------------------------------------------------- -----------------------------------------------------------------------Al onze participatieactiviteiten zijn in een taalrijke omgeving .------------------------------------------------------\n\n2.7.. NewBees heeft eveneens een inschrijving ingediend. Zij is (als onderaannemer van NLTraining) de zittende partij voor de uitvoering van de Z-route in Drechtsteden.\n\n2.8.. Bij brief van 24 november 2025 (hierna: Gunningsbeslissing I) schrijft Drechtsteden aan de combinatie dat de combinatie de economisch meest voordelige inschrijving heeft ingediend en dat Drechtsteden daarom voornemens is om de opdracht aan de combinatie te gunnen. Drechtsteden verzoekt de combinatie in dit verband om bewijsstukken toe te zenden, te weten een uittreksel uit het handelsregister, een gedragsverklaring aanbesteden, een verklaring van de belastingdienst, kopieën van verzekeringspolissen en kopieën van het keurmerk Blik op Werk. Op 26 november 2025 verstrekt de combinatie de stukken.\n\n2.9.. Op 1 december 2025 vindt een gesprek plaats tussen Drechtsteden en NewBees. Daarin geeft Drechtsteden een toelichting op Gunningsbeslissing I.\n\n2.10.. Bij e-mail van 2 december 2025 schrijft [inkoopadviseur] , inkoopadviseur, namens Drechtsteden aan [functionaris Sosytraining] als penvoerder van de Combinatie dat bij controle van de bewijsstukken is gebleken dat een referentie van [eiseres 2] ontbreekt. Daarbij wijst [inkoopadviseur] op paragraaf 4.2 van de Aanbestedingsleidraad (zie ook 2.3. hiervoor) en vraagt hij [functionaris Sosytraining] om een verduidelijking. [functionaris Sosytraining] neemt hierover nog dezelfde dag telefonisch contact op met [inkoopadviseur] en zendt later die dag een modelblad 'opgave referentieprojecten' en een tevredenheidsverklaring toe. Het modelblad, dat op 9 september 2025 door [functionaris] van [eiseres 2] , [functionaris eiseres 2] , is ondertekend, en de tevredenheidsverklaring van 12 september 2025, zien op een opdracht van [eiseres 2] . In het modelblad staat:\n\n4\n\nBeknopte omschrijving aard van de opdracht en type overeenkomst\n\nOpdracht: Kortst mogelijke route invulling participatie uren.\n\nStartdatum en einddatum van opdracht\n\nStartdatum: 01-07-2024 Einddatum: 01-03-2025\n\n5\n\nOmvang van de opdracht (in aantallen deelnemers per contractjaar\n\nAantal deelnemers 34\n\n6\n\nNadere toelichting inhoud van opdracht\n\nOnze uitvoering en actieve begeleiding.\n\nWij hebben vanuit [eiseres 2] het gehele traject actief vormgegeven en begeleid. We hebben deelnemers stap voor stap ondersteund in het vergroten van hun zelfredzaamheid, kennis en netwerk--------------------------------------------------------------------------------------------------- We hebben gezorgd voor een passende en haalbare invulling van de 800 participatie-uren die binnen het traject konden worden behaald.----------------\n\n2.11.. Bij brief van 3 december 2025 schrijft [functionaris NewBees] , [functionaris] van NewBees, aan [inkoopadviseur] dat NewBees zich afvraagt of de combinatie wel voldoet aan de referentie-eis als bedoeld in paragraaf 4.5.1 van de Aanbestedingsleidraad, meer in het bijzonder of de referentie betrekking heeft op minimaal 15 inburgeraars die het gehele inburgeringstraject zijn begeleid. [inkoopadviseur] antwoordt bij brief van 5 december 2025 dat de combinatie voldoet aan de gestelde eisen. Bij brief van 9 december 2025 vraagt [functionaris NewBees] aan [inkoopadviseur] om aan NewBees te laten weten welke referent door de Combinatie is aangedragen en op welke opdracht en periode de referentie betrekking heeft. [inkoopadviseur] laat bij brief van 10 december 2025 aan [functionaris NewBees] weten dat vanwege de vertrouwelijkheid de referentie niet met NewBees wordt gedeeld en bevestigt nogmaals dat de combinatie aan de gestelde eisen voldoet.\n\n2.12.. Bij brief van 11 december 2025 stelt mr. Juttmann namens NewBees vier vragen aan Drechtsteden over de door de combinatie ingediende referentie(s).\n\n2.13.. Bij brief van 16 december 2025 (hierna: Gunningsbeslissing II) laat Drechtsteden aan de combinatie weten dat uit nadere controle is gebleken dat de inschrijving van de combinatie niet voldoet aan de eisen betreffende technische en beroepsbekwaamheid. Volgens Drechtsteden geldt in geval van inschrijving door een Combinatie op grond van paragraaf 4.2 van de Aanbestedingsleidraad de referentie-eis voor elk van beide combinanten. Drechtsteden schrijft dat de combinatie bij haar inschrijving maar één referentie heeft ingediend en dat zij geen beroep heeft gedaan op de draagkracht van een derde. Verder laat zij weten dat de later ingediende referentie niet aan paragraaf 4.5.1 van de Aanbestedingsleidraad voldoet. Volgens Drechtsteden is de inschrijving van de combinatie daarmee ongeldig en moet de combinatie van verdere deelname worden uitgesloten. In de brief trekt Drechtsteden Gunningsbeslissing I in en neemt zij een nieuwe gunningsbeslissing, die inhoudt dat zij de opdracht voorlopig aan NewBees gunt.\n\n2.14.. Bij brief van 14 januari 2026 heeftt mr. Meesters namens de combinatie bezwaar gemaakt tegen de ongeldigverklaring van de inschrijving. Daarbij verzoekt zij Drechtsteden om de beslissing terug te draaien en een nadere toelichting te geven.\n\n2.15.. Bij brief van 23 januari 2026 wijst Drechtsteden het bezwaar van de combinatie van de hand en handhaaft zij Gunningsbeslissing II.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe combinatie vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nDrechtsteden verbiedt om de opdracht aan NewBees te gunnen en haar gebiedt Gunningsbeslissing II in te trekken,\n\nDrechtsteden gebiedt om de inschrijving van de combinatie alsnog als geldig aan te merken en de opdracht aan de combinatie te gunnen,\n\nsubsidiair:\n\nDrechtsteden veroordeelt tot heraanbesteding van de opdracht,\n\nprimair en subsidiair:\n\nDrechtsteden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.2.. Drechtsteden voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de combinatie in de proceskosten.\n\n3.3.. NewBees concludeert ook tot afwijzing van de vorderingen van de combinatie. Daarnaast vordert zij dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Drechtsteden gebiedt om uitvoering te geven aan Gunningsbeslissing II door de opdracht aan haar te gunnen, met veroordeling van de combinatie in de proceskosten. NewBees vordert voorwaardelijk, in geval van toewijzing van de primaire vordering, dat de combinatie en\u002Fof Drechtsteden worden veroordeeld om een afschrift van de referentieverklaring van SosyTraining aan NewBees te verstrekken.\n\n4. De beoordeling\n\nspoedeisend belang\n\n4.1.. \n\nDe combinatie heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen. Dat vloeit voort uit de aard ervan.\n\nDe zaak is tijdig aangebracht. Op grond van artikel 2.127 Aw neemt de aanbestedende dienst een opschortende termijn van twintig dagen in acht voordat hij de met de gunningsbeslissing beoogde overeenkomst sluit. In Gunningsbeslissing II staat dat Drechtsteden vanwege de feestdagen heeft besloten om die termijn vanaf 5 tot en met 26 januari 2026 te laten lopen. Bij brief van 23 januari 2026 heeft Drechtsteden de termijn met twee dagen verlengd tot en met 28 januari 2026. De Combinatie heeft dit kort geding voor het verstrijken van de termijn aanhangig gemaakt om te voorkomen dat Drechtsteden de opdracht definitief aan NewBees gunt.\n\nvoorwaarde in paragraaf 4.2 is niet disproportioneel\n\n4.2.. De kernvraag die partijen verdeeld houdt is of in geval van inschrijving door een combinatie de combinanten elk afzonderlijk aan de referentie-eis voor de uitgevraagde kerncompetentie moeten voldoen. Drechtsteden beantwoordt die vraag inmiddels bevestigend en beroept zich daarbij op paragraaf 4.2 van de Aanbestedingsleidraad. NewBees onderschrijft het standpunt van Drechtsteden. De combinatie stelt dat de voorwaarde dat beide combinanten aan de referentie-eis moeten voldoen haaks staat op het principe van combinatievorming en getuigt van een onjuiste toepassing van het aanbestedingsrecht. Daarnaast was ook Drechtsteden aanvankelijk van mening dat het voldoende was als één van de combinanten aan de referentie-eis voldeed.\n\n4.3.. Vooropgesteld wordt dat bij combinatievorming twee of meer partijen gezamenlijk inschrijven op een opdracht. Het idee daarachter is dat ondernemingen die niet in staat zijn om een opdracht alleen uit te voeren, bijvoorbeeld omdat zij niet over de vereiste bekwaamheden beschikken, de krachten bundelen. Op die manier kunnen zij toch deelnemen aan een aanbestedingsprocedure en wordt de mededinging bevorderd. Voorschrift 3.5 H van de Gids Proportionaliteit, waarnaar de combinatie verwijst, schrijft voor dat de aanbestedende dienst geen hogere eisen stelt aan combinaties dan aan enkelvoudige inschrijvers. Daarbij is de volgende toelichting gegeven:\n\n“(…) Combinatievorming vindt in de praktijk slechts plaats wanneer partijen duidelijke redenen hebben niet enkelvoudig maar gezamenlijk in te schrijven. Het gaat hierbij altijd om een noodzaak tot samenwerking, niet alleen vanwege noodzakelijke spreiding van risico’s en allocatie van middelen, maar ook om gezamenlijke competenties te bundelen en om restcapaciteit te benutten. Wanneer een onderneming zelfstandig in staat is op een opdracht in te schrijven, ligt Combinatievorming in de praktijk niet in de rede, omdat ondernemingen er over het algemeen liever geen andere onderneming (concurrent) bij willen halen als ze de opdracht zelf kunnen doen. Bovendien geldt dat slechts onder bepaalde omstandigheden samengewerkt mag worden. Dit vastgesteld hebbende, is er vervolgens geen enkele reden een dergelijke Combinatie bij toetsing aan de eisen op een andere wijze te behandelen dan een zelfstandig inschrijver. Het stellen van verhoogde eisen aan Combinaties kan dan ook snel als disproportioneel worden aangemerkt.. (…)”\n\n4.4.1.. \n\nHoewel het uitgangspunt dus is dat een combinatie als één inschrijver wordt behandeld, volgt daaruit niet dat nooit eisen aan elk van de combinanten afzonderlijk gesteld kunnen worden. De Drechtsteden hebben in dit geval in de aanbestedingsdocumenten bepaalde eisen aan elk van de combinanten gesteld. Paragraaf 4.2 van de Aanbestedingsleidraad vermeldt dat de uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen op elke deelnemer aan de Combinatie van toepassing zijn (zie ook 2.3. hiervoor). De geschiktheidseisen zijn in de paragrafen 4.4 tot en met 4.6 genoemd. Paragraaf 4.5 ziet op de eisen betreffende de technische en beroepsbekwaamheid en bepaalt dat als bewijs van bekwaamheid op het gebied van de in die paragraaf opgenomen kerncompetentie (het uitvoeren van de participatiecomponent aangaande de zelfredzaamheid) één referentie moet worden overgelegd (zie ook 2.4. hiervoor), die aan bepaalde eisen moet voldoen. Hierbij is niet vermeld of het om één referentie per combinant of voor de totale combinatie gaat. Wel volgt uit de woorden ‘per ingediende referentie’ dat er meer dan één referentie kan zijn.\n\nIn paragraaf 4.5.2 staat met zoveel woorden dat elk van de combinanten het daar bedoelde certificaat dient over te leggen.\n\n4.4.2.. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de tekst van 4.2 van de Aanbestedingsleidraad duidelijk en zal een normaal oplettende inschrijver uit de tekst en samenhang van paragraaf 4.2 en 4.5.1 begrijpen dat de Aanbestedingsleidraad als voorwaarde stelt dat in geval van inschrijving door een combinatie de combinanten elk afzonderlijk aan de referentie-eis voor de uitgevraagde kerncompetentie moeten voldoen. Dit betekent dat iedere deelnemer aan een combinatie een referentie (modelblad met tevredenheidsverklaring) moet indienen. Dat is niet in strijd met 4.5.2, want die paragraaf vergt evenzeer dat het certificaat door elk van de combinanten moet worden overgelegd. Dat dat in 4.5.1 niet staat rechtvaardigt geen uitleg a contrario, gelet op het algemene en overkoepelende 4.2. In dat verband is van belang dat de tekst van 4.5.1 geen enkel aanknopingspunt biedt voor de gedachte dat volstaan kon worden met een referentie voor één van de combinanten.\n\n4.4.3.. Naar voorlopig oordeel is voorwaarde 4.5.1,, net als 4.2 en 4.5.2, niet in strijd met het doel en de ratio van combinatievorming. Drechtsteden hadden de vrijheid om voor deze geschiktheidseisen af te wijken van het algemene uitgangspunt en van elk van de combinanten deze bewijsstukken te vragen. Bij 4.5.1 gaat het om een kerncompetentie, die van bijzonder belang is. Van een situatie waarin deze eis disproportioneel moet worden geacht is geen sprake. Weliswaar hebben Sosytraining en [eiseres 2] toegelicht dat zij elk een andere rol vervullen, maar zoals NewBees en Drechtsteden terecht hebben aangegeven is de precieze rolverdeling tussen de combinanten niet zo duidelijk dat de referentie-eis, die immers ziet op de ervaring met een andere, soortgelijke opdracht en in die zin algemeen van aard is, voor [eiseres 2] zonder belang is.\n\nberoep op rechtsverwerking\n\n4.5.1.. Gelet op het vorenstaande wordt aan het beroep op rechtsverwerking niet toegekomen. Nu de combinatie ervan uitging dat bij haar inschrijving maar één referentie hoefde te worden ingediend is dat te wijten aan onzorgvuldig lezen aan haar zijde.\n\n4.5.2.. Opmerking verdient wel het volgende. De combinatie noemt terecht dat Drechtsteden aanvankelijk ook meenden dat in geval van combinatievorming één referentie volstond. Pas na de brief van mr. Juttmann van 11 december 2025 (zie 2.12.) hebben Drechtsteden een ander standpunt ingenomen. Daargelaten of dit inzicht is ontstaan door eigen nadere recherche of door die brief, dit is een aspect dat Drechtsteden terecht zelf ook als ongelukkig erkennen. Zij hebben na die ontdekking echter terecht het gelijkheidsbeginsel, dat meebrengt dat zij zich hebben te houden aan de duidelijke tekst waarvan alle inschrijvers zijn uitgegaan, de doorslag laten geven en de inschrijvingen opnieuw bezien.\n\n4.6.. Omdat de Combinatie inmiddels wel een tweede referentie, die van [eiseres 2] , heeft ingediend dienden Drechtsteden nog wel te beoordelen of daarmee aan de Combinatie alsnog de opdracht gegund moest worden. Dat is niet zo. Die referentie voldoet niet omdat de periode van 1 juli 2024 tot 1 maart 2025 niet voldoet aan de eis dat van het referentieproject tenminste 12 maanden in de drie jaar voorafgaand aan de aanbesteding moet liggen. Dat betekent dat de overige geschilpunten die zien op de inhoud van de referenties belang missen en dus geen bespreking behoeven.\n\n4.7.. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen worden afgewezen.\n\nNewBees krijgt geen inzage in referentieverklaring Sosytraining\n\n4.8.1.. NewBees heeft de voorzieningenrechter erop gewezen dat in geval van toewijzing van de primaire vordering van de combinatie door Drechtsteden een nieuwe gunningsbeslissing dient te worden genomen, waartegen NewBees in rechte op kan komen. Om een nieuw kort geding te voorkomen, heeft NewBees de deugdelijkheid van de referentie van Sosytraining in dit kort geding ter beoordeling voorgelegd. Nu de vorderingen van de combinatie worden afgewezen komt de voorzieningenrechter hieraan niet toe, met de kanttekening dat voorshands het uitgangspunt dat NewBees in het andere geval opnieuw in rechte had kunnen opkomen bepaald niet vanzelf spreekt.\n\n4.8.2.. Nu het de ter zitting herhaalde bedoeling van Drechtsteden is om de opdracht aan haar te gunnen heeft NewBees geen belang bij toewijzing van haar vordering op dat punt, zodat deze wordt afgewezen.\n\nProceskosten4.9.. De Combinatie is in het ongelijk gesteld en wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van Drechtsteden en NewBees. De proceskosten aan de zijde van Drechtsteden worden begroot op:\n\n- griffierecht € 735,00\n\n- salaris advocaat € 1.107,00(tarief gemiddeld complexe zaak)\n\nTotaal € 1.912,00.\n\n4.10.. De proceskosten aan de zijde van NewBees worden begroot op:\n\n- griffierecht € 734,00\n\n- salaris advocaat € 1.107,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)\n\n- nakosten € 189,00\n\nTotaal € 2.101,00\n\n4.11.. Omdat er geen verweer is gevoerd tegen de gevorderde tussenkomst, is er geen aanleiding voor een (aparte) kostenveroordeling in het incident. In het incident draagt iedere partij de eigen kosten.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nin het incident\n\n5.1.. compenseert de proceskosten in het incident tot tussenkomst aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.2.. wijst de vorderingen van de Combinatie af,\n\n5.3.. veroordeelt de Combinatie in de proceskosten van Drechtsteden van € 1.912,00,\n\n5.4.. wijst de vorderingen van NewBees af,\n\n5.5.. veroordeelt de Combinatie in de proceskosten van NewBees van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen 5.3 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. [2971\u002F106]\n\n plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5718","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:30.229Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"431","ECLI:NL:RBROT:2026:4266","ecli-nl-rbrot-2026-4266","2026-04-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F709728 \u002F KG ZA 25-1109\n\nVonnis in kort geding van 8 april 2026\n\nin de zaak van\n\nD&B THE FACILITY GROUP B.V.,\n\nstatutaire vestigingsplaats: Amstelveen,\n\neisende partij,\n\nadvocaten: mrs. P.B.J. van den Oord en D. Britsemmer,\n\ntegen\n\nSTEDIN GROUP SERVICES B.V.,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaten: mrs. T. van Wijk en G.J. van Essen,\n\nwaarin is tussengekomen\n\nTRIGION BEVEILIGING B.V.,\n\nvestigingsplaats: Schiedam,\n\ntussenkomende partij,\n\nadvocaat: mr. L.C. van den Berg.\n\nPartijen worden hierna D&B, Stedin en Trigion genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht). Stedin heeft de Opdracht voorlopig gegund aan Trigion. D&B is het daar niet mee eens. Volgens D&B heeft Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) aangevuld, heeft Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende gemotiveerd, is de inschrijving van D&B onjuist beoordeeld althans is die beoordeling onvoldoende gemotiveerd en had Stedin de inschrijving van Trigion (nader) moeten verifiëren. Omdat al deze gebreken in de ogen van D&B niet kunnen worden hersteld zonder heraanbesteding, vordert D&B primairdat Stedin wordt geboden het gunningsvoornemen in te trekken, met verplichting tot een heraanbesteding voor zover Stedin de Opdracht nog wil gunnen. D&B vordertsubsidiairdat Stedin wordt geboden om verificatie toe te passen overeenkomstig de aanbestedingsvoorwaarden en een herbeoordeling van de inschrijvingen te laten uitvoeren door een onafhankelijke nieuwe beoordelingscommissie. Trigion heeft gevorderd om in de procedure tussen D&B en Stedin te mogen tussenkomen, althans zich daarin te mogen voegen aan de zijde van Stedin. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen en zij wijst de vorderingen van D&B af. Dit wordt hierna uitgelegd.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 7 november 2025, met bijlagen 0 tot en met 9;\n\nde akte overlegging nadere productie van D&B, met bijlagen 10 en 11;\n\nde conclusie van antwoord, met bijlagen 001A tot en met 002;\n\nde incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) van Trigion;\n\nde mondelinge behandeling op 25 maart 2026;\n\nde pleitnota van mr. Britsemmer;\n\nde pleitnota van mr. Van Essen;\n\nde pleitnota van mr. Van den Berg.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht).\n\n3.2.. De Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de beste prijs-kwaliteitverhouding.\n\n3.3.. \n\nEen inschrijver kan voor het criterium kwaliteit maximaal 750 punten behalen. Het criterium kwaliteit is opgedeeld in vier subcriteria. Inschrijvers schrijven per subcriterium een plan van aanpak, dat beoordeeld wordt op de wijze zoals omschreven in de\n\ngunningsleidraad en de bijlage met gunningscriteria. De subcriteria en het maximaal per subcriterium te behalen aantal punten zijn als volgt:\n\n3.4.. De beoordeling van de subcriteria en het toekennen van een score aan die subcriteria vindt plaats aan de hand van de volgende tabel:\n\n3.5.. Ten behoeve van het criterium prijs wordt door inschrijvers het prijzenblad ingevuld, waarbij overeenkomstig de in de gunningscriteria opgenomen formule een score aan de totaalprijs van de inschrijver wordt toegekend. De inschrijver met de laagste totaalprijs krijgt 250 punten. Op basis van een formule wordt aan de andere inschrijvers een score toegekend. Uit de aanbestedingsvoorwaarden volgt dat het indienen van een manipulatieve inschrijving niet is toegestaan en tot terzijdelegging van de inschrijving leidt. Ter voorkoming van manipulatieve inschrijvingen heeft Stedin geëist dat alle afzonderlijke bedragen c.q. eenheidsprijzen reëel en marktconform zijn, en bepaald dat er niet met symbolische prijzen mag worden ingeschreven.\n\n3.6.. De optelsom van de scores op de criteria kwaliteit en prijs vormt de totaalscore op basis waarvan de Opdracht wordt gegund. In totaal kunnen 1000 punten worden behaald.\n\n3.7.. Onder andere D&B en Trigion hebben op tijd ingeschreven op de door Stedin georganiseerde aanbesteding. Bij gunningsvoornemen van 21 oktober 2025 heeft Stedin aan D&B medegedeeld dat de opdracht voorlopig aan Trigion wordt gegund. Uit het gunningsvoornemen volgt dat D&B op plaats twee in de rangorde is geëindigd. Het verschil in score met de nummer 1, Trigion, is 9,17 punten. De door D&B en Trigion behaalde punten zijn als volgt (waarbij “Uw Inschrijving” de scores van D&B zijn en de “Eerst gerangschikte inschrijving (EMVI) de scores van Trigion zijn):\n\n3.8.. Uit de toelichting op de kwalitatieve puntentoekenning van D&B volgt dat D&B op kwaliteitscriterium K1 ‘uitstekend’ heeft gescoord. Dat staat gelijk aan 100% van de op dat subcriterium te behalen punten. Op kwaliteitscriteria K2 tot en met K4 heeft D&B steeds ‘goed’ gescoord. Dat staat gelijk aan 85% van de op die subcriteria te behalen punten.\n\n3.9.. D&B heeft schriftelijk bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen van Stedin. Naar aanleiding daarvan heeft op 4 november 2025 een gesprek tussen D&B en Stedin plaatsgevonden. Verder heeft Stedin op 5 november 2025 schriftelijk een reactie op het bezwaar van D&B gegeven. Die reactie houdt onder meer een nadere toelichting op de motivering van het gunningsvoornemen in. D&B kan zich niet met het gunningsvoornemen en deze reactie verenigen.\n\n4. De beoordeling\n\nin het incident\n\n4.1.. Trigion heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair om zich te mogen voegen in de procedure tussen D&B en Stedin. De voorzieningenrechter heeft de primaire vordering voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen, wat in de kop van dit vonnis al tot uitdrukking is gebracht. Het belang van Trigion bij de tussenkomst is erin gelegen dat zij, als de partij aan wie de Opdracht voorlopig is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor Stedin ongunstige uitkomst van deze zaak. Het spoedeisend belang en de goede procesorde staan niet in de weg aan toewijzing.\n\n4.2.. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, omdat geen van partijen heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.\n\nin de hoofdzaak en in de tussenkomst\n\n4.3.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hoewel Trigion in het incident primair heeft gevorderd om te mogen tussenkomen en die primaire vordering ook is toegewezen, de (subsidiair geformuleerde) eigen vordering van Trigion inhoudt dat Stedin zal worden geboden de voorgenomen gunning in stand te laten en uit te voeren. Materieel valt de beoordeling in dat kader samen met die in de hoofdzaak. Er is immers geen reden voor een gebod aan Stedin om te doen wat zij toch al voornemens is te doen. De beoordeling in de hoofdzaak en de tussenkomst is om die reden beperkt tot de vorderingen van D&B en de verweren die Stedin en Trigion daartegen hebben aangevoerd.\n\n4.4.. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken dat tot nu toe slechts een deels zwartgelakte dagvaarding en ook deels zwartgelakte bijlagen van D&B en Stedin aan Trigion ter beschikking zijn gesteld. D&B, Stedin en de voorzieningenrechter beschikken wel over de volledige dagvaarding en bijlagen (dus zonder zwartgelakte gedeelten). Partijen hebben afgesproken dat de voorzieningenrechter in principe uitspraak doet op basis van de volledige dagvaarding en bijlagen. Alleen in het geval dat de voorzieningenrechter zou overwegen enige vordering van D&B toe te wijzen, moet, eventueel na verder partijdebat op dat punt, worden beslist of de volledige dagvaarding en bijlagen ook aan Trigion ter beschikking worden gesteld of dat de voorzieningenrechter, vanwege de equality of arms, op basis van de aan Trigion ter beschikking gestelde deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen dient te beslissen. Zoals hierna zal blijken, wijst de voorzieningenrechter alle vorderingen van D&B af. Aan een nader debat over de deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen wordt om die reden niet toegekomen.\n\nEr is geen sprake van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen4.5.. D&B voert in de eerste plaats aan dat Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) heeft aangevuld. Dit is in strijd met het arrest KPN\u002FStaat,aldus D&B. De voorzieningenrechter volgt D&B hier niet in.\n\n4.6.. Naar aanleiding van het bezwaar van D&B tegen het gunningsvoornemen heeft Stedin op 5 november 2025 een brief gestuurd, waarin Stedin op de bezwaren van D&B heeft gereageerd. Weliswaar heeft Stedin in die brief enige nadere toelichting verschaft en dus niet enkel de bewoordingen van het gunningsvoornemen herhaald, maar dat is niet ongeoorloofd. Stedin noemt in haar brief namelijk geen nieuwe argumenten ten aanzien van de beoordeling van de inschrijving van D&B. Stedin geeft slechts een toelichting op de al in het gunningsvoornemen vermelde punten waarop de inschrijving van D&B – naar het oordeel van de beoordelingscommissie van Stedin – tekortschiet om de hoogste score ‘uitstekend’ te halen.\n\n4.7.. Het voorgaande is helder inzichtelijk in een brief van Stedin van 3 maart 2026, waarin Stedin de bewoordingen van het gunningsvoornemen én haar reactie op het bezwaar van D&B heeft gecombineerd. Zo noemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 in het gunningsvoornemen “Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht”. Stedin geeft hier in de brief van 3 maart 2026 een nadere toelichting op, door – met voorbeelden – uit te leggen dat de onderbouwing van D&B op punten enkel gericht is op het operationele deel (de hosts) en niet op het servicemanagement, en dat “Stedin graag [had] teruggezien hoe [de] mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden”. Verder benoemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) benoemt. In de brief van 3 maart 2026 licht Stedin nader toe waarom zij dit wel van D&B had verwacht én mocht verwachten om van het judicium goed naar het judicium uitstekend te kunnen komen. Van een nieuw argument is geen sprake. Ook ten aanzien van subcriteria K3 en K4 is geen sprake van nieuwe argumenten. Stedin heeft in haar brief van 3 maart 2026 enkel nader toegelicht waarom, onder meer, de rol van de regievoerder van Stedin onvoldoende terugkomt en de rapportagewijze uitgebreider omschreven had moeten worden om uitstekend te kunnen scoren. Zo’n nadere toelichting is niet in strijd met het arrest KPN\u002FStaat.\n\n4.8.. Ten aanzien van de opmerking van Stedin in haar brief van 3 maart 2026 dat het door D&B in haar inschrijving genoemde risico van ‘onvoldoende meewerken van de latende partij’ als een risico buiten de invloedssfeer in het geval van D&B – als huidige partner van Stedin – “een hypothetisch risico en mogelijk niet het belangrijkste risico buiten de invloedsfeer” van D&B is, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Aan D&B kan worden toegegeven dat deze opmerking niet in het gunningsvoornemen staat, en dus in zoverre nieuw is, en dat deze opmerking bovendien strijdig is met het door Stedin zelf geformuleerde uitgangspunt dat – geparafraseerd weergegeven – iedere inschrijver er in haar inschrijving vanuit moet gaan dat zij niet de huidige partner van Stedin is. De voorzieningenrechter kwalificeert deze opmerking echter niet als een nieuw argument om de inschrijving van D&B op subcriterium K4 als ‘goed’ te waarderen, maar als een onhandig geformuleerde aanvulling\u002Fopmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4 (zie hiervoor ook overweging 4.26. hierna).\n\nDe motivering van het gunningsvoornemen4.9.. D&B stelt zich verder op het standpunt dat Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat zij – kort gezegd – niet alle kenmerken van de (winnende) inschrijving van Trigion heeft medegedeeld om zo D&B in staat te stellen te beoordelen of Stedin de inschrijving van Trigion mogelijk onjuist of te gunstig heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt.\n\n4.10.. Voor wat betreft de motiveringsplicht van een gunningsvoornemen geldt dat die wordt beperkt doordat het aan een aanbestedende dienst niet is toegestaan bedrijfsvertrouwelijke informatie van andere inschrijvers aan een inschrijver te verstrekken. De motiveringsplicht is bovendien (slechts) bedoeld om de betreffende inschrijver te informeren en voor die inschrijver voldoende effectieve rechtsbescherming tegen het gunningsvoornemen mogelijk te maken. Zoals Stedin terecht stelt gaat de motiveringsplicht van een aanbestedende dienst niet zo ver dat zij ook inzicht moet verschaffen in de inschrijving van de voorlopige winnaar, om zo een niet uitgekozen inschrijver de gelegenheid te geven de beoordeling van de aanbestedende dienst over te doen. Het is niet aan een inschrijver om de inschrijving van een andere partij te beoordelen; dat is voorbehouden aan de aanbestedende dienst, hier Stedin. Het voorgaande laat onverlet dat niet ondenkbaar is dat een verdergaande motiveringsverplichting moet worden aangenomen als er voorshands redenen zijn om aan de juistheid van de beoordeling van de inschrijving van de winnaar te twijfelen.\n\n4.11.. Van dergelijke redenen is geen sprake. D&B heeft in feite slechts in het algemeen gesteld dat het zou kunnen dat de inschrijving van Trigion op onderdelen te hoog is gescoord. Dit noopt niet tot een verdergaande motiveringsverplichting van Stedin. Voor het overige is Stedin in het gunningsvoornemen voldoende ingegaan op de scores van Trigion. Stedin heeft immers de scores per (sub)gunningscriterium en de totaalscore van Trigion bekendgemaakt. Aangezien Trigion op geen enkel subcriterium van het gunningscriterium kwaliteit hoger heeft gescoord dan D&B, is de voorzieningenrechter bovendien met Stedin van oordeel dat Stedin niet verplicht was om de relatieve voordelen en kenmerken van de inschrijving van Trigion met betrekking tot de subcriteria nader te benoemen. Het is in dit geval voldoende dat D&B uit het gunningsvoornemen kan afleiden dat Trigion voor wat betreft de subcriteria van het gunningscriterium kwaliteit gelijk aan of minder goed dan D&B heeft gescoord en dat Trigion op het gunningscriterium prijs beter heeft gescoord dan D&B.\n\nDe (motivering van de) beoordeling van de inschrijving van D&B4.12.. D&B is het verder niet eens met de manier waarop haar inschrijving door Stedin is beoordeeld en met de motivering die Stedin daarvan heeft verstrekt. D&B voert – kort gezegd – aan dat (i) Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken, (ii) de motivering van de beoordeling van de inschrijving van D&B op punten onvoldoende en\u002Fof onbegrijpelijk is en (iii) de beoordelingscommissie op punten een nieuw beoordelingscriterium heeft geïntroduceerd. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.\n\n4.13.. Voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria geldt als uitgangspunt dat de voorzieningenrechter slechts een beperkte beoordelingsruimte heeft. De voorzieningenrechter moet in principe uitgaan van de deskundigheid van de beoordelingscommissie. Aan deze beoordelingscommissie moet de nodige vrijheid worden gegund. Slechts wanneer sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling of procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden\u002Fonduidelijkheden die meebrengen dat het gunningsvoornemen duidelijk niet overtuigt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.\n\n4.14.. Daarnaast is bij een beoordelingssystematiek zoals in deze zaak aan de orde, uitgangspunt dat een inschrijver in eigen bewoordingen moet aangeven op welke wijze de door de aanbestedende dienst verlangde kwaliteit wordt geleverd. Daarmee wordt een inschrijver in de gelegenheid gesteld om zich te onderscheiden van andere inschrijvers en kan hij zijn meerwaarde aantonen. Mede gelet hierop hoeft een aanbestedende dienst ook niet concreet aan te geven wat nodig is om een maximale score op een kwalitatief (sub)gunningscriterium te behalen. Als een aanbestedende dienst daartoe wel zou zijn gehouden, wordt immers iedere innovatie, creativiteit of ieder zelfstandig denkproces bij inschrijvers weggenomen.\n\nTen aanzien van de duidelijke toegevoegde waarde4.15.. D&B stelt dat Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken en dat de motivering van het gunningsvoornemen alleen al daarom onnavolgbaar is. Uit wat hiervoor in 4.14. is overwogen, volgt echter dat het niet aan Stedin is om aan een inschrijver uit te leggen hoe de inschrijving van D&B duidelijke toegevoegde waarde had kunnen hebben. Stedin heeft haar inschrijving op dit punt als goed beoordeeld. De verlangde duidelijke toegevoegde waarde, die nodig was om ‘uitstekend’ te scoren op de subcriteria voor het gunningscriterium kwaliteit, kon naar eigen inzicht van de inschrijvers worden ingevuld. De inschrijvers konden daarmee laten zien dat zij de onderneming van Stedin en de Opdracht hebben begrepen, en zij konden laten zien net een stap extra te kunnen zetten ten opzichte van de vereisten van de Opdracht. Op dat punt is eigen initiatief en een eigen visie noodzakelijk. Het is niet aan Stedin om dit (achteraf) voor de inschrijvers in te vullen.\n\nTen aanzien van subcriterium K24.16.. Volgens D&B heeft Stedin ten aanzien van subcriterium K2 het gunningsvoornemen op niet-toegestane wijze aangevuld en is er op dit punt sprake van een duidelijk onjuiste beoordeling in het licht van het beoordelingskader. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt.\n\n4.17.. Hiervoor in overwegingen 4.5. tot en met 4.8. is al overwogen dat de brief van 5 november 2025 geen ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is, maar (slechts) een toelichting op het gunningsvoornemen. Ook de opmerking van Stedin in de brief van 5 november 2025 dat “Stedin graag [had] teruggezien hoe deze mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden” beschouwt de voorzieningenrechter niet als een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen. In het gunningsvoornemen heeft Stedin opgemerkt “Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht”. De zinsnede “zowel vast als flexibele schil” in de brief van 5 november 2025 begrijpt de voorzieningenrechter aldus, dat Stedin expliciteert dat zij graag had gezien dat D&B in haar inschrijving niet alleen ten aanzien van de vaste medewerkers had uitgelegd hoe de mystery visits zouden worden ingepland zodat iedereen beoordeeld zou worden, maar ook ten aanzien van de flexibele schil. Dat is slechts een verduidelijking van de eerdere, zeer beknopte, motivering op dit punt. Van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is geen sprake.\n\n4.18.. Tegen de achtergrond van de beperkte beoordelingsruimte die de voorzieningenrechter voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria heeft, kan het bezwaar van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K2 niet worden gehonoreerd. Uit het gunningsvoornemen blijkt dat D&B niet naar volle tevredenheid van de beoordelingscommissie uiteen heeft gezet hoe de borging van de ontwikkeling van het servicemanagement en de flexibele schil is ingericht. Stedin heeft dit naar aanleiding van het bezwaar van D&B nog nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. D&B heeft vervolgens niet meer uitgelegd waarom ook na deze nadere toelichting, waarvan hiervoor al is geoordeeld dat die geoorloofd is, sprake is van een onvoldoende motivering van het gunningsvoornemen. Voor wat betreft het standpunt van D&B dat de beoordelingscommissie ten onrechte heeft opgemerkt dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) heeft benoemd, merkt de voorzieningenrechter op dat uit de eis dat de inschrijving SMART moest worden uitgewerkt volgt dat de inschrijving Meetbaar moest zijn. Twee van de beoordelingsaspecten binnen subcriterium K2 zijn “Hoe wordt invulling gegeven aan het inrichten van de formatie, functie-invulling en de Single Point of Contact” en “Hoe gaat inschrijver om met flexibiliteit van al het in te zetten personeel”. Deze aspecten hebben (ook) te maken met aantallen en uren van in te zetten medewerkers. Niet in geschil is dat de inschrijving van D&B op dit punt meetbaarder was geweest als D&B de inzet van personeel had gekwantificeerd, ook al werd niet expliciet gevraagd om deze kwantificering. Daarbij doet niet ter zake dat die kwantificering elders (het prijzenblad) wel was gevraagd. De beoordelingscommissie is op dit punt dan ook niet buiten het beoordelingskader getreden.\n\nTen aanzien van subcriterium K34.19.. Ook de bezwaren van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K3 kunnen niet worden gehonoreerd.\n\n4.20.. Door in de motivering van de score van de inschrijving van D&B te verwijzen naar het onvoldoende terugkomen van de rol van de Stedin regievoerder, heeft het beoordelingsteam geen nieuw beoordelingscriterium geïntroduceerd maar een lacune in de inschrijving van D&B benoemd. Daarmee is niet buiten het beoordelingskader getreden.\n\n4.21.. Voor wat betreft het punt in de motivering dat het beoordelingsteam de rapportagewijze graag uitgebreider omschreven terug had willen zien, constateert de voorzieningenrechter dat Stedin in haar brief van 5 november 2025 heeft toegelicht dat D&B weliswaar aangeeft zich aan de verantwoordingsstructuur te zullen committeren en dat meldingen in FMIS worden geregistreerd, maar dat niet op de rapportagestructuur of wijze van rapportage is ingegaan. Daarmee is voldoende toegelicht waar het in de inschrijving van D&B aan schortte. Er is geen sprake van een onnavolgbare motivering.\n\n4.22.. Hetzelfde geldt voor de motivering dat de samenwerking met specifiek de ketenpartner ‘Hard Services’ uitgebreider omschreven had kunnen worden. Stedin heeft dit nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. In die nadere toelichting heeft Stedin vermeld dat de samenwerking met Hard Services met name gaat over technische beveiliging en dus ook ziet op de locaties zonder bezetting. In het licht daarvan begrijpt de voorzieningenrechter de opmerking van Stedin in het gunningsvoornemen “Er had meer diepgang gegeven kunnen worden over hoe omgegaan wordt met locaties zonder bezetting” aldus, dat dit samenhangt met de wens van het beoordelingsteam dat D&B de samenwerking met ketenpartners als Hard Services uitgebreider had omschreven. De beoordelingscommissie is op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft niet in strijd met het transparantie- en\u002Fof gelijkheidsbeginsel gehandeld.\n\n4.23.. D&B heeft overigens ook niet uitgelegd waarom (ook) na de nadere toelichting nog sprake zou zijn van een onduidelijke en\u002Fof onnavolgbare motivering van de beoordeling op subcriterium K3.\n\nTen aanzien van subcriterium K44.24.. Tot slot worden ook de bezwaren van D&B tegen (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K4 niet gevolgd. Van inschrijvers is in het kader van dit subcriterium onder meer gevraagd om de belangrijkste risico’s die zij zien in de implementatieperiode te beschrijven, met daarbij een onderscheid tussen een risico binnen en een risico buiten de invloedsfeer van de inschrijver.\n\n4.25.. D&B heeft als belangrijkste risico binnen haar invloedsfeer het risico van een culturele mismatch van de teamleider benoemd. In het gunningsvoornemen staat “Het risico van een culturele mismatch is benoemd, maar het is de beoordelaars niet duidelijk waarom dit alleen bij de Teamleider speelt en niet in een breder geheel”. In de brief van 5 november 2025 heeft Stedin dit als volgt verduidelijkt: “Op basis van de inschrijving is het de beoordelingscommissie niet duidelijk geworden waarom D&B specifiek de culturele mismatch bij de Teamleider als belangrijkste risico heeft benoemd, en dit bijvoorbeeld niet in breder verband heeft geplaatst”. Anders dan D&B meent, vormt deze verduidelijking geen nieuw of zwaarder normatief beoordelingselement. De verduidelijking is in feite een herhaling in iets andere woorden en geeft aan dat Stedin de inschrijving op dit punt niet helemaal kon volgen. Dat is niet onbegrijpelijk en in het licht van de vereiste SMART-uitwerking van het antwoord, had het op de weg van D&B gelegen om dit uit te leggen om in plaats van ‘goed’ ‘uitstekend’ te kunnen scoren. De beoordelingscommissie is niet buiten het beoordelingskader getreden door hier een punt van te maken.\n\n4.26.. D&B heeft als belangrijkste risico buiten haar invloedsfeer het onvoldoende meewerken van de latende partij benoemd. In het gunningsvoornemen stelt de beoordelingscommissie terecht voorop dat van inschrijvers wordt gevraagd in te schrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert (dus ook in het geval van D&B, die op dit moment de dienst bij Stedin uitvoert, en aan wie dus wordt gevraagd daarvan te abstraheren). Tegen deze achtergrond wordt het door D&B benoemde risico in het gunningsvoornemen gekwalificeerd als “een terecht risico met duidelijk mitigerende maatregelen waar persoonlijk contact onderdeel van uitmaakt”. Aan D&B kan worden toegegeven dat dit risico in de brief van 5 november 2025 ten onrechte wordt afgewaardeerd tot een (in het geval van D&B) hypothetisch risico. Dit is immers in strijd met het voor alle inschrijvers geldende uitgangspunt, dat iedere inschrijver moet inschrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert. De voorzieningenrechter kwalificeert dit echter als een onhandig geformuleerde opmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4, zoals hiervoor in overweging 4.8. al is overwogen. De voorzieningenrechter begrijpt de combinatie van het gunningsvoornemen, de brief van 5 november 2025 én de brief van 3 maart 2026 zo, dat Stedin heeft bedoeld te zeggen dat het onvoldoende meewerken van de latende partij weliswaar een terecht risico vormt, maar dat onvoldoende duidelijk is dat dit het belangrijkste risico is dat genoemd had kunnen worden en dat daarom – zowel aan D&B als aan de overige inschrijvers die dit risico hebben genoemd – niet het maximale aantal punten is toegekend. Het feit dat het door D&B genoemde risico in het gunningsvoornemen als een terecht risico is gekwalificeerd, vormt, in combinatie met de score goed op dit punt, een sterke aanwijzing dat de beoordelingscommissie de daadwerkelijke puntentoekenning niet heeft verricht op basis van het (verkeerde) uitgangspunt dat het risico voor D&B feitelijk een hypothetisch risico is. Tegen deze achtergrond is de beoordelingscommissie ook op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft de beoordelingscommissie de inschrijving van D&B ook niet op basis van een ander uitgangspunt beoordeeld dan de inschrijvingen van andere inschrijvers.\n\nDe (nadere) verificatie van de inschrijfprijs van Trigion4.27.. D&B richt tot slot nog een bezwaar tegen de prijs waarmee Trigion heeft ingeschreven. Zoals hiervoor in 3.5. geparafraseerd staat vermeld, houden de aanbestedingsstukken in dat (a) alle afzonderlijke bedragen (waaronder alle eenheidsprijzen) reëel (d.i. vanuit kostenperspectief te verantwoorden) en marktconform (d.i. hetgeen in de markt gebruikelijk is voor opdrachten van een soortgelijke aard en omvang) dienen te zijn, ook in vergelijking\u002Fverhouding tot elkaar, en dat (b) niet (ook niet op onderdelen) met symbolische prijzen mag worden ingeschreven. Bij de toets of sprake is van een symbolische prijs wordt uitgegaan van algemeen taalgebruik. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake zijn bij het offreren van een (klein) bedrag dat niet in verhouding staat tot de werkelijke waarde van het product of dienst (zie paragraaf 6.9 van de aanbestedingsvoorwaarden).\n\n4.28.. Volgens D&B is de prijs waarmee zij zelf heeft ingeschreven voor een zeer groot deel gebaseerd op vaste gegevens die voor alle inschrijvers gelijk zijn (zie hierna in 4.30.). Tegen die achtergrond heeft Trigion met een prijs ingeschreven die een onverklaarbaar groot verschil vertoont met de inschrijfprijs van D&B zelf en daarom onwaarschijnlijk laag is en in strijd met de eisen in de aanbestedingsstukken op dit punt. Dit had voor Stedin aanleiding moeten zijn om de inschrijfprijs van Trigion (nader) te verifiëren. De voorzieningenrechter volgt D&B ook hier niet in.\n\n4.29.. Ten aanzien van de inhoud van inschrijvingen, de hoogte van de prijs daaronder begrepen, is vaste jurisprudentie dat de aanbestedende dienst mag uitgaan van de juistheid van verklaringen van de inschrijver. Dat betekent ook dat pas een verplichting tot nader onderzoek naar de inhoud en onderbouwing van een inschrijving ontstaat wanneer gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid daarvan. Er bestaat geen ongeclausuleerde onderzoeksplicht. Het is in dit geval aan D&B om te stellen en, zo nodig, te onderbouwen dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijving van Trigion. Daarbij geldt dat het is toegestaan om strategisch te bieden. De aanbestedende dienst bepaalt op welke wijze de winnaar van de aanbestedingsprocedure wordt vastgesteld. Als de aanbestedende dienst kiest voor een systematiek die strategisch inschrijven mogelijk maakt, mogen alle inschrijvers daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Dat een inschrijver daarvan gebruik maakt, kan haar niet achteraf worden verweten.\n\n4.30.. D&B stelt dat zij op basis van het prijsverschil tussen haar eigen inschrijving en de inschrijving van Trigion gerede twijfel heeft of Trigion reële en marktconforme inschrijfprijzen heeft gehanteerd en\u002Fof alle benodigde onderdelen (waaronder, maar niet uitsluitend, meldkamer- en surveillancediensten) in haar inschrijfprijs heeft verdisconteerd. Volgens D&B is het zonder nadere toelichting volstrekt onbegrijpelijk en voorshands onmogelijk dat Trigion een dergelijke significant lagere prijs kan aanbieden, rekening houdend met (1) de minimale inzet per locatie, (2) de huidige inzet van de medewerkers, (3) het feit dat de loonkosten een significant deel van de inschrijfsom beslaan en (4) het feit dat de verloning voor alle partijen gelijk is op basis van de toepasselijke CAO.\n\n4.31.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het enkele feit dat sprake is van een (significant) prijsverschil tussen de inschrijvingen van D&B en Trigion onvoldoende is om tot de conclusie te dwingen dat Stedin de inschrijfprijs van Trigion (nader) had moeten verifiëren. Zeker als, zoals in dit geval, volgens de algemene mededelingen van Stedin op dit punt, de inschrijfprijs van Trigion dicht bij de inschrijfprijzen van de overige twee inschrijvers ligt en de inschrijfprijs van D&B daar als enige duidelijk bovenuit steekt. Dat is eerder een aanwijzing dat D&B haar inschrijfprijs relatief hoog heeft ingestoken. Ook de overige stellingen van D&B dwingen, mede in het licht van wat Stedin en Trigion daar tegenover hebben gesteld, niet tot een nadere verificatie van de inschrijfprijs van Trigion (of de andere inschrijvers). In dat verband is van belang dat Stedin op dit punt wel enig onderzoek heeft verricht. Zij heeft navraag gedaan bij Trigion en heeft een onafhankelijk adviesbureau gevraagd om de prijzen te bezien. Tijdens de mondelinge behandeling is namens dat door Stedin ingeschakelde adviesbureau toegelicht dat de inschrijfprijzen van de inschrijvers onderling met elkaar zijn vergeleken, waarbij rekening is gehouden met de overname van zittend personeel, de geldende CAO en de grootte van het personeelsbestand. Trigion heeft tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd dat zij daar in haar inschrijfprijs rekening mee heeft gehouden en dat zij heeft gerekend met door Stedin over het personeel van D&B verstrekte gegevens, inclusief bovenschaligheid. D&B heeft tijdens de mondelinge behandeling nog wel aangevoerd dat bij Stedin sprake is van een onevenredig hoog ziekteverzuim van de medewerkers van D&B, maar daar heeft Trigion tegenover gesteld dat ook zij met ziekteverzuim van medewerkers kampt. Dit alles afwegende is geen sprake van een situatie waarin D&B voldoende heeft gesteld én onderbouwd dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijfprijs van Trigion (en de andere inschrijvers) in die zin, dat sprake is van een manipulatieve prijs die in strijd is met de hiervoor onder 4.27 weergegeven eisen. Stedin had dan ook niet de plicht om die inschrijfprijs (nader) te verifiëren.\n\nDe conclusie4.32.. Alle bezwaren van D&B tegen het gunningsvoornemen en de toelichting daarop zijn gepasseerd, zodat de conclusie is dat alle vorderingen van D&B worden afgewezen. Er bestaat geen grond om Stedin te veroordelen om tot heraanbesteding of herbeoordeling over te gaan.\n\nD&B moet de proceskosten van Stedin en Trigion betalen4.33.. D&B is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Stedin en Trigion betalen.\n\n4.34.. De proceskosten van Stedin en Trigion worden voor ieder van hen begroot op:\n\n- griffierecht € 735,00\n\n- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)\n\n- nakosten € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.101,00\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad4.35.. De proceskostenveroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nin het incident\n\n5.1.. staat Trigion tussen te komen in de procedure tussen D&B en Stedin;\n\n5.2.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;\n\nin de hoofdzaak en in de tussenkomst\n\n5.3.. wijst de vorderingen van D&B af;\n\n5.4.. veroordeelt D&B in de proceskosten van Stedin à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.5.. veroordeelt D&B in de proceskosten van Trigion à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.6.. verklaart de veroordelingen in 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. 3349 \u002F 106\n\n HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9233.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4266","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:29.634Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":31,"updatedAt":49},"1185","ECLI:NL:RBROT:2025:12058","ecli-nl-rbrot-2025-12058","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F702762 \u002F KG ZA 25-690\n\nVonnis in kort geding van 14 oktober 2025\n\nin de zaak van\n\n [eiseres], handelend onder de naam[handelsnaam],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] ,\n\neiseres,\n\nadvocaten: mrs. P.F.C. Heemskerk en E. de Boer,\n\ntegen\n\nGEMEENTE ROTTERDAM,\n\nzetelend te Rotterdam,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten: mrs. M. van Rijn en T.M.O. Bottinga,\n\nmet als tussenkomende partijen:\n\n [bedrijf A],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] ,\n\nadvocaten: mrs. P.H.L.M. Kuypers en A. Kul,\n\nen:\n\n [bedrijf B],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] ,\n\nadvocaten: mrs. J.W.A. Meesters en I. Boukhedmi.\n\nPartijen worden hierna [eiseres] , de gemeente, [bedrijf A] en [bedrijf B] genoemd.\n\nDe zaak in het kort\n\nDe gemeente heeft een aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de inkoop van doelgroepenvervoer. [eiseres] , [bedrijf A] en [bedrijf B] hebben daaraan deelgenomen. Inmiddels heeft de gemeente het voornemen geuit om de opdracht aan [bedrijf A] te gunnen. [eiseres] en [bedrijf B] zijn op de tweede respectievelijk derde plaats geëindigd.\n\nIn dit kort geding gaat het om de vraag of het (structureel) niet of niet-tijdig deponeren van jaarrekeningen een ernstige beroepsfout oplevert, op grond waarvan [bedrijf A] , en in de visie van [bedrijf B] ook [eiseres] , van deelname aan de aanbestedingsprocedure hadden moeten worden uitgesloten. De voorzieningenrechter oordeelt dat geen reden bestaat tot ingrijpen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 7 juli 2025, met producties 1 tot en met 19,\n\nde incidentele conclusie met vordering tot tussenkomst, subsidiair voeging van [bedrijf A] ,\n\nde incidentele conclusie houdende vordering tot tussenkomst ex artikel 217 Rv tevens akte overlegging producties van [bedrijf B] , met producties 1 tot en met 3,\n\nde conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 7,\n\nde akten aanvullende producties van [eiseres] , met producties 20 tot en met 28,\n\nde akten overlegging producties van [bedrijf A] , met producties 1 tot en met 8,\n\nde akte eiswijziging van [bedrijf B] ,\n\nde pleitnota van mr. Heemskerk,\n\nde pleitnota van mr. Van Rijn,\n\nde pleitaantekeningen van mr. Kuypers\n\nde spreekaantekeningen van mr. Meesters.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 september 2025.\n\n1.3.. \n [bedrijf A] en [bedrijf B] hebben incidenten opgeworpen, die de voorzieningenrechter aan het begin van de mondelinge behandeling heeft behandeld.\n\n [bedrijf A] vorderde primair tussenkomst en subsidiair voeging aan de zijde van de gemeente. De gemeente heeft daartegen geen bezwaren geuit. [eiseres] heeft uitsluitend bezwaar gemaakt tegen de gevorderde tussenkomst. Dit bezwaar is afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [bedrijf A] als winnaar van de aanbesteding een belang bij tussenkomst. Zij kan namelijk nadelige gevolgen ondervinden van de uitkomst van dit kort geding. Daarnaast heeft [eiseres] in haar incidentele conclusie voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als tussenkomende partij haar belangen beter kan beschermen dan als voegende partij. Als tussenkomende partij kan zij namelijk een zelfstandige positie innemen door onder andere eigen vorderingen in te stellen. De tussenkomst is dan ook toegestaan.\n\n [eiseres] en de gemeente hebben geen bezwaar gemaakt tegen de door [bedrijf B] gevorderde tussenkomst. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst, dat verder aan de eisen voldoet, dan ook toegestaan.\n\n1.4.. \n [bedrijf A] en [bedrijf B] hebben voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegang gekregen tot het digitale dossier. Zij hebben evenwel geen kennis kunnen nemen van bedrijfsgevoelige informatie over [eiseres] . Hoewel alle stukken in de beoordeling zijn betrokken, bevat dit vonnis geen bedrijfsgevoelige informatie over [eiseres] .\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 14 juli 2024 heeft de gemeente de Europese openbare aanbesteding ‘Doelgroepenvervoer’ aangekondigd. Het doel van de aanbestedingsprocedure is het sluiten van een overeenkomst met een opdrachtnemer voor de duur van vier jaar, met een mogelijkheid tot verlenging van tweemaal twee jaar. De opdracht behelst de regie (aanname en planning) en uitvoering van doelgroepenvervoer (hierna: de opdracht). Onder doelgroepenvervoer valt Wmo-vervoer, Jeugdwetvervoer, leerlingenvervoer, werknemersvervoer en gym- en zwemvervoer. De geraamde waarde van de opdracht is € 320 miljoen.\n\n2.2.. Naar aanleiding van bezwaren van de zittende opdrachtnemer [bedrijf C] (hierna: [bedrijf C] ) heeft de gemeente de aanbestedingsdocumenten aangepast. Zij heeft deze op 17 januari 2025 gepubliceerd. De ingangsdatum van de te sluiten overeenkomst is daarbij verplaatst naar 21 juli 2026. Tot de (aangepaste) aanbestedingsstukken behoren het Beschrijvend Document met 22 bijlagen, waaronder het Uniform Europees Aanbestedingsdocument (bijlage 2) en de Toelichting ‘ernstige beroepsfout’ (bijlage 3).\n\n2.3.. Paragraaf 2.1.2 van het Beschrijvend Document bepaalt:\n\n“De inkoopdoelen voor het DGV [vzr: doelgroepenvervoer] luiden als volgt:\n\n1. Veilig, toegankelijk en betrouwbaar vervoer, waardoor Reizigers uit voornoemde doelgroepen, kunnen deelnemen aan de maatschappij;\n\n2. Duurzaam en toekomstbestendig vervoer dat kan anticiperen op (toekomstige) ontwikkelingen;\n\n3. Goed werkgeverschap vanuit de Opdrachtnemer naar personeel en Onderaannemers;\n\n4. Zakelijk partnerschap tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer.”\n\n2.4.. In paragraaf 5.1 van het Beschrijvend Document staat dat inschrijvers bij de inschrijving het Uniform Europees Aanbestedingsdocument moeten invullen. Daarin moeten zij verklaren dat de in dat document van toepassing verklaarde facultatieve uitsluitingsgronden zich niet voordoen. Daarbij gaat het onder andere om de ernstige beroepsfout, de valse verklaring en de onrechtmatige beïnvloeding zoals bedoeld in artikel 2.87 lid 1 sub c, h en i van de Aanbestedingswet 2012 (Aw).\n\nIn de Toelichting ‘ernstige beroepsfout’ heeft de gemeente toegelicht wat in het Beschrijvend Document en het Uniform Europees Aanbestedingsdocument onder “ernstige fout in de uitoefening van het beroep” wordt verstaan. De toelichting vermeldt:\n\n“Ter verduidelijking van het begrip “ernstige fout in de uitoefening van het beroep”, zoals bedoeld in het Uniform Europees Aanbestedingsdocument en beschreven in het Beschrijvend Document deelt de Aanbestedende Dienst mee dat hieronder wordt verstaan:\n\nKwade opzet of nalatigheid van een zekere ernst met betrekking tot het:\n\n(…)\n\n10 het begaan van gedragingen in strijd met specifiek voor het beroep of bedrijf van een Inschrijver relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes;\n\n(…)\n\n12. alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep.”\n\nVerder staat in de toelichting:\n\n“In verband met het voorgaande behoudt de Aanbestedende Dienst zich zowel gedurende de aanbestedingsprocedure als gedurende de looptijd van de Overeenkomst het recht voor een Inschrijver te screenen indien er op grond van enig signaal dat de Aanbestedende Dienst bereikt, op welke wijze dan ook, een vermoeden rijst dat er sprake is van een ernstige fout in de uitoefening van het beroep.\n\n(…)\n\nTen aanzien van de uitsluitingsgrond als genoemd in artikel 2.87 lid 1 sub c van de Aanbestedingswet 2012 geldt dat indien een Inschrijver in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan de betreffende Inschrijver in beginsel wordt uitgesloten van verdere deelname aan de aanbestedingsprocedure, tenzij uitsluiting disproportioneel zou zijn.\n\nDe betreffende Inschrijver wordt in voorkomend geval in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij inmiddels de nodige maatregelen heeft genomen om herhaling in de toekomst te voorkomen en deze maatregelen voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen ondanks de toepasselijke uitsluitingsgrond. Als dat bewijs toereikend wordt geacht, wordt de betrokken Inschrijver niet uitgesloten van de aanbestedingsprocedure. Bij het nemen van een besluit om al dan niet tot uitsluiting van deelname aan de aanbestedingsprocedure dan wel tot wijziging, opschorting of beëindiging van de Overeenkomst over te gaan kunnen onder meer de volgende aspecten in de afweging worden betrokken:\n\n▪ de ernst van de overtredingen;\n\n▪ de mate van betrokkenheid bij de overtredingen van leidinggevenden;\n\n▪ de sinds de overtredingen verstreken tijd (de Aanbestedende Dienst betrekt uitsluitend ernstige fouten die zich in de drie jaar voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van het verzoek tot deelneming of de inschrijving hebben voorgedaan);\n\n▪ het verband met de onderhavige aanbestedingen;\n\n▪ de wegens overtredingen opgelegde sancties;\n\n▪ de maatregelen die genomen zijn om herhaling te voorkomen;\n\n▪ de omvang van de aanbestede opdracht;\n\n▪ de houding\u002Fopstelling van de betreffende Inschrijver.\n\nTot daadwerkelijke uitsluiting (of ontbinding) wordt slechts besloten indien de Aanbestedende Dienst dat proportioneel acht.”\n\n2.5.. Paragraaf 6.2 van het Beschrijvend Document bepaalt dat de inschrijvingen inhoudelijk worden beoordeeld op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding. Daarbij kunnen maximaal 300 punten worden toegekend aan het subgunningscriterium prijs en maximaal 700 punten aan het subgunningscriterium kwaliteit. Bij de beoordeling van de kwaliteit wordt gekeken naar de volgende aspecten:\n\ncommunicatie en klantbeleving (245 punten),\n\nsamenwerking met scholen, zorgaanbieders en werklocaties (210 punten),\n\nbejegening passend bij de doelgroep (140 punten),\n\ngoed werkgeverschap en social return(105 punten).\n\nDe inschrijvers dienen per kwaliteitsaspect een plan van aanpak in. Dat wordt beoordeeld met een uitmuntend, goed, voldoende onvoldoende of slecht, afhankelijk van de mate waarin het betreffende plan beantwoordt aan het betreffende kwaliteitsaspect. Daarbij worden er naar rato punten toegekend. Zo kunnen bij het derde kwaliteitsaspect (bejegening passend bij de doelgroep) 140 (uitmuntend), 105 (goed), 70 (voldoende), 35 (onvoldoende) of 0 (slecht) punten worden gegeven.\n\n2.6.. \n [eiseres] , [bedrijf A] , en [bedrijf B] hebben met nog twee andere partijen ingeschreven op de aanbesteding. [eiseres] heeft ingeschreven met [bedrijf C] als onderaannemer.\n\n2.7.. Op 3 juni 2025 heeft de gemeente aan de inschrijvers laten weten dat [bedrijf A] met 1000 punten de winnende inschrijver is en dat zij daarom voornemens is om de opdracht aan [bedrijf A] te gunnen (hierna: het gunningsvoornemen). [eiseres] en [bedrijf B] zijn volgens de gemeente op de tweede respectievelijk derde plaats geëindigd.\n\n2.8.. Bij brief van 13 juni 2025 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen. [eiseres] meent dat [bedrijf A] had moeten worden uitgesloten van deelname aan de aanbestedingsprocedure omdat zij zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige beroepsfout. [bedrijf A] heeft haar jaarrekeningen over de afgelopen zes boekjaren niet of niet-tijdig gedeponeerd (2023 was ten tijde van de inschrijving nog niet gedeponeerd, 2022 vijf maanden te laat, 2021 anderhalf jaar te laat, 2020 twee jaar te laat en 2019 en 2018 drie jaar te laat). [eiseres] vermoedt dat [bedrijf A] hierover ook niets heeft verklaard in het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Daarmee doen zich volgens [eiseres] de uitsluitingsgronden valse verklaring en onrechtmatige beïnvloeding eveneens voor. Ten slotte maakt [eiseres] bezwaar tegen de beoordeling van de kwaliteitsaspecten bejegening passend bij de doelgroep en goed werkgeverschap en social return. De motivering is volgens [eiseres] op deze punten onbegrijpelijk, onvoldoende en onjuist.\n\n2.9.. Bij brief van 1 juli 2025 heeft de gemeente aan [eiseres] geschreven dat zij na een zorgvuldige afweging heeft besloten om niet tot uitsluiting van [bedrijf A] over te gaan. Volgens de gemeente heeft [bedrijf A] haar jaarrekeningen de afgelopen zes boekjaren te laat gedeponeerd en levert dit een economisch delict op. Zij meent echter dat geen sprake is van een ernstige beroepsfout, omdat de fout geen direct of inhoudelijk verband houdt met het voorwerp van de opdracht, maar een administratieve fout betreft. De fout geeft daarmee geen aanleiding om te twijfelen aan de capaciteiten van [bedrijf A] bij de uitvoering van de opdracht en haar professionele integriteit. Omdat geen sprake is van een ernstige beroepsfout, hoefde [bedrijf A] dit ook niet te melden bij het invullen van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument. Verder merkt de gemeente op dat [bedrijf A] de meest recente jaarcijfers (2023) inmiddels heeft gedeponeerd en vrijwillig een aantal administratieve maatregelen heeft doorgevoerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nde gemeente gebiedt het gunningsvoornemen binnen drie dagen na het wijzen van dit vonnis in te trekken, althans hier geen verdere uitvoering aan te geven en de gemeente verbiedt met [bedrijf A] op basis van het gunningsvoornemen te contracteren,\n\nde gemeente gebiedt over te gaan tot uitsluiting van [bedrijf A] ,\n\nde gemeente gebiedt de opdracht aan [eiseres] te gunnen voor zover de gemeente de opdracht nog wenst te vergeven,\n\nsubsidiair:\n\nde gemeente gebiedt het gunningsvoornemen binnen drie dagen na het wijzen van dit vonnis in te trekken, althans hier geen verdere uitvoering aan te geven en de gemeente verbiedt met [bedrijf A] op basis van het gunningsvoornemen te contracteren,\n\nde gemeente gebiedt de inschrijvingen opnieuw te laten beoordelen door een nieuw samen te stellen, onafhankelijke beoordelingscommissie, conform het bepaalde in het Beschrijvend Document en met inachtneming van hetgeen in dit vonnis over de herbeoordeling wordt bepaald,\n\nde gemeente gebiedt om, indien en voor zover zij de opdracht nog wenst te vergeven, een nieuw gunningsvoornemen te nemen onder vermelding van een bezwaartermijn van in ieder geval twintig kalenderdagen,\n\nmeer subsidiair:\n\nde gemeente gebiedt het gunningsvoornemen binnen drie dagen na het wijzen van dit vonnis in te trekken, althans hier geen verdere uitvoering aan te geven en de gemeente verbiedt met [bedrijf A] op basis van het gunningsvoornemen te contracteren,\n\nde gemeente gebiedt het gunningsvoornemen binnen twee weken na het wijzen van dit vonnis deugdelijk te motiveren, met inachtneming van hetgeen voortvloeit uit de wet en jurisprudentie ter zake van een deugdelijke motivering (effectieve rechtsbescherming) en met inachtneming van dit vonnis en daarbij inschrijvers opnieuw een bezwaartermijn van twintig kalenderdagen te bieden waarbinnen [eiseres] zich op het nieuw te nemen gunningsvoornemen kan beraden en zo nodig rechtsmaatregelen kan treffen,\n\nuiterst subsidiair:\n\nde gemeente gebiedt het gunningsvoornemen binnen drie dagen na het wijzen van dit vonnis in te trekken, althans hier geen verdere uitvoering aan te geven en de gemeente verbiedt met [bedrijf A] op basis van het gunningsvoornemen te contracteren,\n\nde gemeente gebiedt tot heraanbesteding over te gaan, voor zover zij nog tot contracteren wenst over te gaan,\n\nin alle gevallen:\n\neen dwangsom oplegt van € 10.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00 en de gemeente veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.3.. \n [bedrijf A] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . Zij vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\n1. de gemeente gebiedt om haar gunningsvoornemen te handhaven en tot uitvoering te brengen, en,\n\nzo begrijpt de voorzieningenrechter, voor het geval het tot heraanbesteding zou komen,\n\n2. de gemeente gebiedt om ook andere inschrijvers die hun jaarrekening te laat hebben gedeponeerd, waaronder [eiseres] , uit te sluiten van de aanbesteding.\n\nIn het incident en in de hoofdzaak vordert [bedrijf A] de veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.4.. Ook [bedrijf B] concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Zij vordert, zo begrijpt de voorzieningenrechter, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimairde gemeente verbiedt de opdracht te gunnen aan [bedrijf A] of [eiseres] , en gebiedt de opdracht voorlopig te gunnen aan [bedrijf B] voor zover de gemeente de opdracht nog wenst te vergeven,\n\nsubsidiairde gemeente verbiedt om de opdracht aan [eiseres] te gunnen, gebiedt de inschrijving van [eiseres] te herbeoordelen met inachtneming van de bezwaren van [bedrijf B] inzake het te laat vaststellen en\u002Fof deponeren van jaarrekeningen en met inachtneming daarvan een nieuw gunningsvoornemen te nemen.\n\nIn het incident en de hoofdzaak vordert [bedrijf B] de veroordeling van [eiseres] en de gemeente in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4. De beoordeling\n\nkort geding tijdig aanhangig gemaakt4.1.. Paragraaf 3.6 van het Beschrijvend Document bepaalt dat inschrijvers die bezwaar hebben tegen het gunningsvoornemen binnen twintig dagen na dagtekening van het gunningsvoornemen een kort geding aanhangig kunnen maken bij (de voorzieningenrechter in) deze rechtbank. De gemeente heeft deze termijn meerdere malen verlengd, laatstelijk tot en met 8 juli 2025. [eiseres] heeft de gemeente tijdig, op 7 juli 2025, gedagvaard.\n\ngeen ernstigeberoepsfout4.2.. Tussen partijen is in geschil of het (structureel) niet of niet-tijdig deponeren van jaarrekeningen een ernstige fout in de uitoefening van het beroep oplevert, op grond waarvan de gemeente [bedrijf A] , en volgens [bedrijf B] ook [eiseres] , had moeten uitsluiten van deelname aan de aanbestedingsprocedure. Daartoe wordt het volgende overwogen.\n\n4.3.. Artikel 2.87 lid 1 Aw noemt tien gedragingen op grond waarvan de aanbestedende dienst een inschrijver van deelname aan de aanbestedingsprocedure kan uitsluiten. De aanbestedende dienst bepaalt of hij deze zogenoemde facultatieve uitsluitingsgronden wel of niet op de aanbestedingsprocedure toepasselijk verklaart en of hij vervolgens wel of niet gunt aan een inschrijver waarvoor een uitsluitingsgrond geldt, een en ander overeenkomstig de beginselen van het aanbestedingsrecht.\n\nDe gemeente heeft vrijwel alle facultatieve uitsluitingsgronden op de aanbestedingsprocedure toepasselijk verklaard, waaronder de ernstige beroepsfout (artikel 2.87 lid 1 sub c Aw). Dit betekent dat een inschrijver die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, waardoor zijn integriteit in twijfel kan worden getrokken, in beginsel van deelname aan de aanbestedingsprocedure moet worden uitgesloten. Daarbij dienen uitsluitend fouten in aanmerking te worden genomen die zich in de drie jaar voorafgaand aan de inschrijving hebben voorgedaan (artikel 2.87 lid 2 sub b Aw).\n\nDe gemeente heeft in de Toelichting ‘ernstige beroepsfout’ toegelicht wat in het Beschrijvend Document en het Uniform Europees Aanbestedingsdocument onder ernstige fout in de uitoefening van het beroep wordt verstaan. Hieruit blijkt dat het onder meer gaat om kwade opzet of nalatigheid van een zekere ernst met betrekking tot gedragingen in strijd met specifiek voor het beroep of bedrijf van de inschrijver geldende regels en voorts om alle andere ernstige fouten in de uitoefening van het beroep (zie 2.4. hiervoor). Anders dan [eiseres] en ook [bedrijf B] (impliciet) bepleiten acht de voorzieningenrechter die omschrijving van de betekenis van het begrip ernstige beroepsfout in overeenstemming met de wettelijke regels. Daarom mocht de gemeente het gedrag en nalaten van de inschrijvers dus aan die omschrijving toetsen.\n\n4.4.. Het niet (tijdig) deponeren van de jaarrekening is op grond van de Wet op de economische delicten strafbaar als economisch delict. De stelling van de gemeente dat te late deponeringen vaak voorkomen, doet niet ter zake. De omstandigheid dat het hier een overtreding betreft wel, omdat daaruit blijkt welk gewicht de wetgever hieraan heeft toegekend. Op basis van de strafbaarstelling moest de gemeente concluderen dat het hier een ernstige fout betreft, maar daarmee is de toetsing niet voltooid. Vereist is immers ook dat het gaat om een ernstige fout in de uitoefening van het beroep of bedrijf.\n\nAnders dan [eiseres] en [bedrijf B] betogen, gaat het in dit geval niet om fouten die zijn gemaakt in de uitoefening van het beroep of bedrijf. De inschrijvers zijn namelijk actief in het doelgroepenvervoer. Hoewel een ordelijke administratie, het opstellen van een jaarrekening en het deponeren daarvan in algemene zin hoort bij het drijven van een onderneming gaat het hier niet om specifiek voor het beroep of bedrijf geldende regels als bedoeld in sub 10 van de Toelichting ‘ernstige beroepsfout’ (zie 2.4.). Ook zijn dit geen aspecten die bij de uitoefening van het beroep of bedrijf als zodanig een rol spelen. De enkele nalatigheid op het punt van de deponering kan in redelijkheid ook niet worden beschouwd als een omstandigheid die leidt tot twijfel aan de integriteit. De gemeente heeft verklaard op zoek te zijn geweest naar een partij die veilig en betrouwbaar vervoer kan leveren. Het feit dat [bedrijf A] haar jaarrekeningen niet of niet tijdig heeft gedeponeerd, rechtvaardigt, ook nu het gaat om een economisch delict, niet de conclusie dat zij dergelijk vervoer niet kan leveren.\n\n4.5.. \n\n [eiseres] stelt nog dat door dit nalaten verborgen kon blijven dat de financiële positie van [bedrijf A] niet gunstig was. Dat zou een rol kunnen spelen bij de doelen als genoemd in 2.3. sub 3 en 4 hierboven, te weten goed werkgeverschap en een zakelijk partnerschap.\n\nDaarvan constateert de voorzieningenrechter dat er geen aanleiding is om aan te nemen, en [eiseres] heeft dat ook niet onderbouwd gesteld, dat [bedrijf A] de tijdige deponering heeft nagelaten met de bedoeling de gemeente op dit punt te misleiden.\n\nDaarnaast heeft haar aandeelhouder, Rotterdamse Mobiliteit Centrale [bedrijf A] B.V ., met terugwerkende kracht een 403-verklaring afgegeven. Het komt dus bij de solvabiliteit en de financiële situatie van [bedrijf A] inmiddels aan op de geconsolideerde jaarrekening en onbetwist is dat die een financieel gezonde situatie laat zien. Bijkomend effect is dat op [bedrijf A] niet langer een deponeringsplicht rust, waardoor een herhaling van de fout zich niet meer kan voordoen.\n\n4.6.. Ten slotte wordt nog opgemerkt dat niet is uitgesloten dat de aanbestedende dienst ook na het gunningsvoornemen, als\u002Fomdat pas dan blijkt dat sprake is van een uitsluitingsgrond, kan beoordelen of voldoende “zelfreinigende” maatregelen zijn genomen en een uitsluiting disproportioneel is. In de ‘Toelichting ‘ernstige beroepsfout’ heeft de gemeente zich die mogelijkheid ook uitdrukkelijk voorbehouden.\n\nAannemelijk is dat [bedrijf A] voldoende “zelfreinigende”maatregelen heeft genomen om haar betrouwbaarheid aan te tonen (conform artikel 2.87a Aw). Zo is het bestuur van [bedrijf A] gewisseld, heeft [bedrijf A] eencompliance officeraangesteld en heeft zij software aangeschaft die automatisch waarschuwt bij naderende termijnen in administratieve processen. In deze situatie heeft de gemeente in dit geval tot het oordeel kunnen komen dat een uitsluiting disproportioneel is (overeenkomstig artikel 2.88 sub b Aw). Gelet op de aard van de opdracht zou uitsluiting immers niet gerechtvaardigd zijn. De inkoopdoelen van het doelgroepenvervoer zijn: 1) veilig, toegankelijk en betrouwbaar vervoer, 2) duurzaam en toekomstbestendig vervoer, 3) goed werkgeverschap van de opdrachtnemer en 4) een zakelijk partnerschap tussen de gemeente en de opdrachtnemer (zie 2.3. hiervoor). Deze doelen zijn, ondanks de fouten, niet in gevaar. In het bijzonder is er, gelet op de verhouding van [bedrijf A] tot de moedervennootschap, geen aanleiding om eraan te twijfelen dat [bedrijf A] vanwege haar financiële situatie geen goed werkgever en\u002Fof zakelijke partner zou kunnen zijn.\n\n4.7.. Nu het niet (op tijd) deponeren van jaarrekeningen geen ernstige beroepsfout betreft als bedoeld in het Beschrijvend Document en het Uniform Europees Aanbestedingsdocument, had [bedrijf A] de schending van de deponeringsplicht niet hoeven melden. Daarmee is geen sprake van een valse verklaring of onrechtmatige beïnvloeding op grond waarvan [eiseres] van deelname aan de aanbestedingsprocedure had moeten worden uitgesloten. (Dit geldt overigens eveneens voor [eiseres] , nu [bedrijf B] stelt dat ook [eiseres] over het niet-tijdig deponeren van haar jaarrekening vals heeft verklaard).\n\npast performance4.8.. \n [eiseres] heeft verder gesteld dat [bedrijf A] vanwege haar past performancevan deelname aan de aanbestedingsprocedure had moeten worden uitgesloten. Daarbij heeft [eiseres] gewezen op een eerder contract tussen [bedrijf A] met acht gemeenten in de Drechtsteden, in de uitvoering waarvan [bedrijf A] volgens [eiseres] tekort zou zijn geschoten.\n\n4.9.. De gemeente heeft de past performanceals uitsluitingsgrond op de aanbestedingsprocedure toepasselijk verklaard. Dit betekent dat een inschrijver in beginsel van deelname moet worden uitgesloten indien een eerdere overheidsopdracht, een eerdere opdracht van een aanbestedende entiteit of een eerdere concessieovereenkomst heeft geleid tot vroegtijdige beëindiging van die eerdere opdracht, vroegtijdige schadevergoeding of tot andere vergelijkbare sancties (artikel 2.87 lid 1 sub g Aw). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze uitsluitingsgrond zich in dit geval niet voor. Niet gebleken is dat er in het kader van de uitvoering van deze eerdere overeenkomst sprake is geweest van wanprestatie of rechtsmaatregelen. [bedrijf A] heeft toegelicht dat er een verschil van inzicht heeft bestaan over de verlenging van het contract, maar dat de overeenkomst uiteindelijk in goed overleg is verlengd en [bedrijf A] vervolgens een jaar langer heeft doorgereden. Er bestaat geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. Evenmin is aannemelijk geworden dat [bedrijf A] zich tegenover de Drechtsteden onbetrouwbaar zou hebben opgesteld.\n\nonjuiste toekenning score4.10.. \n [eiseres] heeft ten slotte geklaagd over haar scores op de kwaliteitsaspecten bejegening passend bij de doelgroep en goed werkgeverschap en social return(zie 2.5.). Volgens [eiseres] had zij hiervoor uitmuntend in plaats van goed moeten worden beoordeeld.\n\n4.11.. Wat daarvan zij, zelfs als de scores van [eiseres] naar boven zouden (moeten) worden bijgesteld, zou [bedrijf A] op basis van het subgunningscriterium prijs nog steeds de winnaar van de aanbestedingsprocedure zijn. Daarmee bestaat er geen belang om in de (her)beoordeling van de resultaten van [eiseres] te treden.\n\nconclusie en proceskosten4.12.. De conclusie luidt dat in de aanbestedingsprocedure niet behoeft te worden ingegrepen. Dit betekent dat alle vorderingen worden afgewezen.\n\n4.13.. \n [eiseres] , [bedrijf A] en [bedrijf B] worden als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk in de proceskosten (inclusief nakosten) van de gemeente veroordeeld. De proceskosten worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 714,00\n\n- salaris advocaat: € 1.107,00\n\n- nakosten: € 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal: € 1.999,00\n\n4.14.. De door de gemeente gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst alle vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiseres] , [bedrijf A] en [bedrijf B] hoofdelijk in de proceskosten van de gemeente van € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eiseres] , [bedrijf A] en [bedrijf B] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van de gemeente als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2025. [2971\u002F106]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:12058","2025-10-15T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:08.752Z",1,20]