[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-social-welfare-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":32,"total":16,"page":25,"limit":75},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},33,"social-welfare-law-nl","Social Welfare Law","NL","2026-07-08T16:53:14.246Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2025-03-04T00:00:00.000Z","2026-06-24T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121806","Wet maatschappelijke ondersteuning","",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":24,"count":25},"121807","Algemene wet bestuursrecht",{"provisionId":30,"code":31,"article":24,"count":25},"121843","Wet op de huurtoeslag",[33,43,51,59,68],{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":37,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":41,"updatedAt":42},"1711","ECLI:NL:RBROT:2026:7261","ecli-nl-rbrot-2026-7261","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ROT 25\u002F5127, ROT 25\u002F5157 en ROT 26\u002F1378\n uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaken tussen\n het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, eiser\n\n(gemachtigden: mr. W. Breure en mr. A. Hielkema),\n\nen\n\nde minister van Werk en Participatie, de minister\n\n(gemachtigden: mr. I.M. van der Heijden en mr. D.K. Jongkind).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de beslissingen op bezwaar van 22 mei 2025 en 6 januari 2026 (bestreden besluiten). De bestreden besluiten betreffen het voorlopige en het definitieve budget voor de specifieke uitkering algemene bijstand LKS, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 (specifieke uitkering) van eiser over de jaren 2024 en 2025, toegekend op grond van artikel 69, eerste lid, van de Participatiewet (Pw).\n\nBesluitvorming\n\nZaaknummer 25\u002F5127: voorlopig en definitief budget 2024\n\n1.1.. Met het primaire besluit van 29 september 2023 (primair besluit I) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2024 voorlopig vastgesteld op €542.351.163,-. Met het primaire besluit van 1 oktober 2024 (primair besluit II) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2024 definitief vastgesteld op €574.984.773,-. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (staatssecretaris) bij die besluiten gebleven.\n\nZaaknummer 25\u002F5157: voorlopig budget 2025\n\n1.2.. Met het primaire besluit van 1 oktober 2024 (primair besluit III) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2025 voorlopig vastgesteld op €585.396.885,-. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 (bestreden besluit II) op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij dit besluit gebleven.\n\nZaaknummer 26\u002F1378: definitief budget 2025\n\n1.3.. Met het primaire besluit van 30 september 2025 (primair besluit IV) is het budget voor de specifieke uitkering van eiser over het jaar 2025 definitief vastgesteld op €611.316.415,-. Met het bestreden besluit van 6 januari 2026 (bestreden besluit III) op het bezwaar van eiser is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij dit besluit gebleven.\n\nBeroepen\n\n1.4.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Eiser heeft op 9 december 2025 een schriftelijke reactie met nadere stukken ingediend. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. De rechtbank heeft de beroepen op 1 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en de gemachtigden van de minister. Daarnaast waren aanwezig: [persoon A] en [persoon B] namens eiser en [persoon C] en [persoon D] namens de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de beroepen van eiser die zien op de toekenning van de voorlopige en de definitieve budgetten voor de specifieke uitkering van eiser over de jaren 2024 en 2025. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n2.1.. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n2.2.. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nWaar gaat de zaak over?\n\n3. Bij wet wordt jaarlijks het totale budget (macrobudget) vastgesteld dat beschikbaar is voor alle gemeenten voor het verstrekken van de specifieke uitkering. Dit macrobudget wordt vervolgens verdeeld. Het uitgangspunt daarbij is dat het macrobudget toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten gezamenlijk. Voor de vaststelling en verdeling van het macrobudget voor de specifieke uitkering wordt met ingang van het jaar 2015 gebruik gemaakt van een door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) ontwikkeld verdeelmodel. Dit verdeelmodel is vastgelegd in artikel 6 van het Besluit Participatiewet en de daarbij behorende bijlage.\n\n3.1.. Het verdeelmodel kent een volumecomponent en een prijscomponent. Met de volumecomponent wordt de kans op ontvangst van een bijstandsuitkering voor een huishouden ingeschat. Met de prijscomponent wordt de hoogte van de bijstandsuitkering ingeschat. Aan de hand van deze twee componenten wordt het bijstandsbudget per huishouden geraamd. Aan de hand daarvan wordt vervolgens verder berekend wat de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten zijn. Daarbij wordt rekening gehouden met indicatoren, ‘regiokenmerken’, op verschillende niveaus, namelijk huishoud-, gemeente- en buurtniveau. Deze regiokenmerken zijn mede bepalend voor de berekening van de kans op ontvangst van een bijstandsuitkering en de hoogte van de bijstandsuitkering. Bij de afweging over opname van kenmerken in het verdeelmodel hanteert de minister een door SEO Economisch Onderzoek en Atlas Research (SEO en Atlas) ontwikkeld toetsingskader, waarmee is beoogd om objectieve criteria te hanteren voor de selectie van de kenmerken. Beoogde kenmerken moeten voldoen aan drie kwalitatieve criteria (uitlegbaar, niet-beïnvloedbaar en aanvullend) en als ze daaraan voldoen worden ze onderworpen aan een kwantitatieve toets om na te gaan of ze leiden tot een betere verklaringskracht van het model.\n\n3.2.. Eén van de regiokenmerken in de volumecomponent is ‘Buurt waar werken niet de norm is’. Voor het verdeelmodel 2024 is dit regiokenmerk aangepast. In het aangepaste verdeelmodel is niet langer sprake van een vooraf bepaalde afkapgrens die eerder werd gehanteerd om bepaalde buurten al dan niet aan te merken als ‘buurt waar werken niet de norm is’ waarna vervolgens het aandeel inwoners dat in zo'n buurt woont, opgeteld werd tot een indicator op gemeenteniveau. In plaats daarvan wordt per CBS-buurt het gewogen gemiddelde berekend van de 'overwerkloosheid': het verschil in het aandeel niet-werkende werkzoekenden in de directe omgeving en dat aandeel in de ruimere omgeving. Uitgangspunt daarbij is dat in buurten met een hoge 'overwerkloosheid' er meer niet-werkende mensen zijn dan gemiddeld in de ruimere omgeving. Deze wijziging heeft tot doel het model te verbeteren, omdat de op buurtniveau berekende indicator op huishoudniveau wordt meegewogen in een niet-lineaire logistische regressie, waardoor voor de verwachte kans op bijstand van huishoudens nu de feitelijke over- of onderwerkloosheid in de eigen buurt wordt meegewogen. Dit zou volgens de minister leiden tot verbeterde prestaties van het model op huishoudniveau.\n\nWaarom is eiser het niet eens met de bestreden besluiten?\n\n4. Eiser is het niet eens met de gewijzigde invulling van het regiokenmerk ‘Buurt waar werken niet de norm is’ in het verdeelmodel vanaf 2024 en de gevolgen daarvan voor de vaststelling van zijn budgetten. Met de gewijzigde toedeling van de budgetten over de jaren 2024 en 2025 kan eiser niet voldoen aan de verplichtingen jegens de Rotterdamse uitkeringsgerechtigden.\n\n4.1.. Eiser stelt dat het verdeelmodel buiten toepassing moet worden gelaten. Hij betoogt primair dat de aanpassing van het regiokenmerk in strijd is met het in 3.1 genoemde toetsingskader. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat door het niet volgen van het toetsingskader sprake is van tekortkomingen in het verdeelmodel waardoor hij onevenredig wordt benadeeld. Eiser voert voor de gestelde strijdigheid met het toetsingskader – in het kader van zowel haar primaire als haar subsidiaire standpunt – enkele argumenten aan en verwijst ter onderbouwing naar een rapport van Berenschot van 10 oktober 2024.\n\n4.2.. In de eerste plaats voert eiser aan dat de aanpassing van het regiokenmerk niet voldoet aan het kwalitatieve criterium van uitlegbaarheid uit het toetsingskader. Doordat in het nieuwe model de afkapgrens is afgeschaft en de feitelijke onder- of overwerkloosheid per buurt wordt meegenomen, wordt dit volgens eiser een indicator op een continue schaal. Eiser bestrijdt dat er sprake is van een buurt waar werken niet de norm is wanneer deze buurt slechts minimaal afwijkt van de norm. Het kenmerk meet daarmee niet meer wat het zou moeten meten. Het zou wat eiser betreft juist voor de hand liggen om voor een dergelijke indicator een drempelwaarde te hanteren omdat er sprake zou moeten zijn van een significante afwijking van de norm, voordat gesteld kan worden dat werken niet de norm is in een buurt. Volgens eiser ontbreekt verder een wetenschappelijke onderbouwing voor de (impliciete) aanname dat in buurten waar werken juist wel sterk de norm is, dit bij medebewoners leidt tot een lagere bijstandskans.\n\n4.3.. Eiser voert daarnaast aan dat de verklaringskracht van het verdeelmodel door de aanpassing van het kenmerk 'Buurt waar werken niet de norm is' is verslechterd. Volgens eiser komt de aanpassing daarmee niet door de kwantitatieve toets van het toetsingskader. Dat er andere kenmerken zijn gewijzigd die positieve invloed hebben op de verklaringskracht, kan daaraan volgens eiser niet afdoen.\n\n4.4.. Tot slot voert eiser aan dat door de aanpassing van het regiokenmerk er geen indicator meer is op gemeenteniveau, terwijl dit wel vereist is. Daarbij wijst eiser op de volgende passage uit de nadere toelichting op het verdeelmodel (onder Objectief verdeelmodel): “De basis voor de berekening van de objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringslasten is een niet-lineair (logit) verdeelmodel met indicatoren op meerdere niveaus, namelijk huishoud-, gemeente- en buurtniveau.”, in samenhang met artikel 6 Besluit Participatiewet en wijst hij erop dat er ook altijd indicatoren op gemeenteniveau zijn geweest.\n\n4.5.. Ten aanzien van bestreden besluit III voert eiser verder aan dat de minister niet is ingegaan op de bezwaargronden van eiser over het verdeelmodel en dat dit besluit daarom niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n4.6.. Eiser verzoekt de rechtbank, naast vernietiging van de bestreden besluiten, om de minister te veroordelen tot vergoeding van de schade die eiser lijdt of zal lijden als gevolg van de bestreden besluiten.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n5. Niet in geschil is dat de bestreden besluiten zijn gebaseerd op het (aangepaste) verdeelmodel dat van toepassing is op de vaststelling van de budgetten voor de jaren 2024 en 2025. Het Besluit Participatiewet, waarin het verdeelmodel is opgenomen, is een algemeen verbindend voorschrift. Tegen het verdeelmodel als zodanig staat daarom geen beroep open.\n\n5.1.. De bestuursrechter kan onder omstandigheden tot het oordeel komen dat de minister, die met de toepassing van het verdeelmodel is belast, gehouden was om het algemeen verbindend voorschrift waarin het verdeelmodel vanaf 2024 is neergelegd buiten toepassing te laten. De bewijslast dat van dergelijke omstandigheden sprake is rust in beginsel bij eiser als bestuursorgaan dat hier een beroep op doet. Het is aan eiser om te onderbouwen dat het verdeelmodel tekortkomingen bevat die juist de gemeente Rotterdam treffen en die leiden tot een voor hem zodanig onevenredig nadeel ten opzichte van andere gemeenten dat het verdeelmodel dat sinds 2024 geldt buiten toepassing moet worden gelaten. Eiser moet aannemelijk maken dat en waarom hij door de verdeling van het macrobudget in 2024, dan wel 2025 onevenredig is benadeeld. Als hij hierin slaagt, is het vervolgens aan de minister om aannemelijk te maken dat het tekort op het budget niet door de werking van het verdeelmodel is veroorzaakt.\n\n5.2.. Die tekortkomingen kunnen, zo heeft de minister ter zitting bevestigd, zijn gelegen in het niet volgen van het toetsingskader voor opname (waaronder begrepen aanpassing) van regiokenmerken in het model. Langs die band zal de rechtbank de argumenten van eiser over afwijking van het toetsingskader beoordelen. Daarbij toetst de rechtbank terughoudend. De regelgever heeft een ruime beslissingsruimte bij de vaststelling en de doorontwikkeling van het verdeelmodel. Het is primair aan de regelgever zelf om te beoordelen of de aanpassing van het verdeelmodel in overeenstemming is met het toetsingskader. Daarnaast dient de afwijking van het toetsingskader dusdanig te zijn dat sprake is van een (serieuze) tekortkoming als bedoeld in de rechtspraak waardoor sprake is van onevenredige benadeling van de gemeente.\n\n5.3.. Niet in geschil is dat het budgetaandeel in de gemeente Rotterdam met 6,6 procent toeneemt in een variant van het verdeelmodel vanaf 2024 waarin (uitsluitend) de aanpassing van het regiokenmerk ‘Buurt waar werken niet de norm is’ is teruggedraaid. Dit komt neer op €35,8 miljoen over het jaar 2024. Door de aanpassing van het regiokenmerk niet door te voeren zou de gemeente in deze variant dus hogere bijstandsbudgetten ontvangen. Dit maakt op zichzelf echter niet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een onvolkomenheid in het verdeelmodel zoals dat sinds 2024 geldt en dat juist eiser hierdoor onevenredig is benadeeld ten opzichte van andere gemeenten. De rechtbank bespreekt daarom hierna de argumenten waarom volgens eiser sprake zou zijn van afwijkingen van het toetsingskader die volgens eiser een (serieuze) tekortkoming en onevenredige benadeling opleveren.\n\n5.4.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de aanpassing niet voldoet aan het uitlegbaarheid-criterium uit het toetsingskader. Onder “uitlegbaar” wordt in het toetsingskader verstaan: “er moet een theoretische grond zijn om te verwachten dat de betreffende factor\u002Findicator van invloed is op de kans op bijstand, en niet omgekeerd”. Het criterium ziet dus op de aansluiting van het kenmerk op de theoretische onderbouwing. De minister heeft onderbouwd dat het aangepaste kenmerk beter aansluit op de theoretische onderbouwing van buurteffecten dan het oude kenmerk. Daarbij heeft de minister verwezen naar de wetenschappelijke studies waaruit een positief effect van lage werkloosheid in de buurt volgt. Daarnaast heeft de minister onderbouwd dat de betere aansluiting bij de werkelijkheid samenhangt met de afschaffing van de afkapgrens. Het nadeel van de toepassing van een afkapgrens was dat sommige gebieden het ene jaar wel en het andere jaar niet werden aangemerkt als buurt waar werken niet de norm is. Het aangepaste kenmerk is volgens de minister ook verfijnder dan het oude kenmerk dat er volgens de minister toe leidde dat in de gehele gemeente eenzelfde buurteffect op de kans op bijstand werd aangenomen. De toelichting van de minister waarom het aangepaste regiokenmerk beter aansluit bij de theoretische onderbouwing en daarom meer uitlegbaar komt de rechtbank niet onjuist voor. Eiser heeft niet onderbouwd waarom het aangepaste regiokenmerk niet uitlegbaar zou zijn. Dat er, zoals eiser onder verwijzing naar Berenschot stelt, ook andere keuzes mogelijk waren geweest maakt de nu gemaakte keuze niet onjuist. Van een tekortkoming, laat staan een tekortkoming die leidt tot onevenredige benadeling, is dan ook niet gebleken.\n\n5.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat de aanpassing van het regiokenmerk niet voldoet aan de kwantitatieve toets uit het toetsingskader, die ziet op de zogeheten verklaringskracht. De minister heeft toegelicht dat er meerdere regiokenmerken zijn aangepast. De minister heeft, aan de hand van een rapport van SEO\u002FAtlas, onderbouwd dat de door eiser gestelde verslechtering in de verklaringskracht niet het gevolg is van aanpassing van het regiokenmerk ‘Buurt waar werken niet de norm is’ omdat zij niet los kan worden gezien van de andere aanpassingen van andere regiokenmerken in het verdeelmodel. Deze onderbouwing komt de rechtbank aannemelijk voor en heeft eiser niet gemotiveerd bestreden.\n\n5.6.. Tot slot volgt de rechtbank niet het standpunt van eiser dat een indicator op gemeenteniveau verplicht is. Het is primair aan de regelgever zelf om invulling te geven aan de verschillende (niveaus van) kenmerken. Het gaat daarnaast bij de passage die eiser aanhaalt uit de toelichting bij het Besluit Participatiewet om een beschrijvende passage waaruit geen verplichting kan worden afgeleid. Eiser heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van strijd met het toetsingskader.\n\n5.7.. De rechtbank overweegt dat de minister een ruime beslissingsruimte heeft bij de vaststelling en de doorontwikkeling van het verdeelmodel. Hieronder valt ook de keuze van de minister voor de wijze waarop vanaf 2024 invulling wordt gegeven aan het kenmerk \"Buurt waar werken niet de norm is\". Met de keuze voor de nieuwe invulling van dit kenmerk is de minister die beslissingsruimte niet te buiten gegaan. Dit laat onverlet dat de keuze die de minister maakt gevolgen heeft voor hoe het verdeelmodel voor bepaalde gemeenten uitpakt. Niet in geschil is dat eiser mogelijk enig nadeel ondervindt van de wijziging van het kenmerk \"Buurt waar werken niet de norm is\" vanaf 2024, al dan niet in de vorm van het verlies van een eerder ontvangen voordeel, zoals door de minister bepleit. De rechtbank ziet hierin echter geen grond voor het oordeel dat de minister het verdeelmodel voor 2024 in zoverre buiten toepassing had moeten laten. Daarvoor is immers vereist dat sprake is van een serieuze tekortkoming in het model. In de kritiek van eiser, die met name ziet op de keuzes die zijn gemaakt bij de manier waarop het model is aangepast, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat van een dergelijke tekortkoming sprake is. Daarnaast heeft de minister erop gewezen dat de budgetafname voor Rotterdam onder de drempel voor een vangnetuitkering valt. Eiser heeft dit niet betwist. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat (ook) aan de hand van het totale tekort over de gehele periode vanaf 2024 moet worden beoordeeld of sprake is van onevenredig grote tekorten. Het budget wordt immers jaarlijks vastgesteld, zodat per jaar dient te worden bezien of van dergelijke tekorten sprake is.\n\n5.8.. Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de gestelde tekortkomingen in het verdeelmodel vanaf 2024 ten opzichte van andere gemeenten onevenredig is benadeeld. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van strijd met een ander rechtsbeginsel. De rechtbank ziet, gelet hierop, geen aanleiding het verdeelmodel buiten toepassing te laten. Dat betekent dat zowel het primaire als het subsidiaire standpunt van eiser niet slaagt.\n\nMotivering bestreden besluit III niet gebrekkig\n\n6. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het bestreden III ondeugdelijk is gemotiveerd overweegt de rechtbank dat de minister in bestreden besluit III heeft verwezen naar bestreden besluiten I en II en dat de inhoud daarvan reeds bekend was bij eiser. Van een motiveringsgebrek is dan ook geen sprake.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. De verzoeken om schadevergoeding bouwen voort op de beroepsgronden van eiser en worden, aangezien die niet slagen, afgewezen.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n-verklaart de beroepen ongegrond;\n\n-wijst de verzoeken om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Kleinhout, voorzitter, mr. J. Fransen en mr. S.M. Goossens, leden, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.\n\nDe griffier is verhinderd\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nParticipatiewet\n\nArtikel 69. Uitkering en verdeling onder de gemeenten\n\n1. Onze Minister verstrekt jaarlijks ten laste van ’s Rijks kas aan het college een uitkering om het college van middelen te voorzien met het oog op:\n\na. het toekennen van algemene bijstand en van uitkeringen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en voor de daarbij verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet;\n\nb. de kosten van de loonkostensubsidies, die op grond van artikel 10d, worden verstrekt.\n\n2. Bij wet wordt het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld, waarbij uitgangspunt is dat dit bedrag voor het desbetreffende kalenderjaar toereikend is voor de geraamde kosten van alle gemeenten in verband met uitgaven als bedoeld in het eerste lid.\n\n3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de verdeling van de uitkering, bedoeld in het eerste lid, onder de gemeenten en het verzamelen van gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van deze verdeling.\n\n4. De uitkering aan het college wordt ten minste drie maanden voorafgaand aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft door Onze Minister bekend gemaakt.\n\nArtikel 71. Aanpassing uitkering\n\n1. Het totale bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid, voor de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt in het jaar waarop het bedrag betrekking heeft bij of krachtens de wet aangepast op basis van nieuwe ramingsgegevens.\n\n(…)\n\nDe in artikel 69, derde lid, van de Participatiewet bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit Participatiewet.\n\nBesluit Participatiewet\n\nArtikel 6. Objectief verdeelmodel en macrobudget\n\n1. Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit worden de objectief bepaalde kosten voor algemene bijstand en uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, waaronder de algemene bijstand ten behoeve van zelfstandigen op grond van het Bbz 2004 vastgesteld.\n\n2. Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de uitkering aan de gemeenten is het beschikbare macrobudget.\n\n3. Jaarlijks worden bij ministeriële regeling voor alle indicatoren zoals opgenomen in tabel 1 en tabel 3 en de typen normbedragen zoals opgenomen in tabel 2 van de bijlage bij dit besluit de gewichten en de peildata respectievelijk de bedragen vastgesteld.\n\n4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van de artikelen 2 en 3, en het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten.\n\n5. De minister kan de uitkering herzien indien wordt geconstateerd dat in de toepassing van de formule, bedoeld in artikel 3, eerste lid, of het objectief verdeelmodel, dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit, fouten zijn gemaakt. De herziening vindt uiterlijk plaats op het moment van aanpassing van het totale bedrag, bedoeld in artikel 71 van de wet.\n\n6. Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling wordt voor de budgetberekening uitgegaan van een redelijke inschatting van de situatie zoals die zou zijn geweest als de instelling, splitsing of opheffing van gemeenten in de van belang zijnde jaren al was ingegaan.\n\n Artikel 8:3, eerste lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie in dit verband de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:6828, onder verwijzing naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016, ECLI:NL:CRVB:2019:2017, ECLI:NL:CRVB:2019:2018, ECLI:NL:CRVB:2019:2019), 21 februari 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:312) en 4 juli 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1253). Zie recent ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 februari 2026 (ECLI:NL:CRVB:2026:183).\n\n SEO\u002FAtlas, ‘Verandering budget gemeente Rotterdam’, 1 maart 2024, bijlage 1 bij het verweerschrift.\n\n Stb. 2023, 312.\n\n SEO 1 maart 2024, ‘Verandering budget gemeente Rotterdam – Nadere toelichting’.\n\n In die zin eerder rechtbank Den Haag 18 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5504, r.o. 15.3.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7261","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:35.221Z",{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":50},"1473","ECLI:NL:RBROT:2026:7140","ecli-nl-rbrot-2026-7140","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F2057\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoekster] , uit [plaatsnaam] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),\n\nen\n\nCentrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ\n\n(gemachtigde: mr. L.M.R. Kater).\n\nSamenvatting\n\nVolgens het CIZ komt verzoekster niet in aanmerking voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, omdat zij niet aan de criteria voldoet. Omdat er een negatief Wlz-indicatiebesluit is afgegeven, zou verzoekster volgens het CIZ (tijdelijk) zorg moeten krijgen vanuit de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 of de Zorgverzekeringswet.\n\nDit gebeurt echter niet en verzoekster wordt van het kastje naar de muur verwezen.\n\nDe voorzieningenrechter vindt dat verzoekster op korte termijn zorg moet krijgen.\n\nHet verzoek wordt daarom toegewezen in het kader van de belangenafweging.\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 22 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 februari 2026 op het bezwaar van verzoekster is het CIZ bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. Het CIZ heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, [naam 1] (namens verzoekster) en de gemachtigde van het CIZ.\n\n4. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor vier weken. Verzoekster wordt in de gelegenheid gesteld om medische informatie in te leveren en een machtiging. Het CIZ zal dan de zaak voorleggen aan de medisch adviseur.\n\n5. Het CIZ heeft op 19 mei 2026 een reactie gestuurd, met een verweerschrift en een aanvullend medisch advies. Ook verzoekster heeft nog nieuwe stukken ingestuurd.\n\nDe voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek op 4 juni 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. Verzoekster heeft last van PNEAen epilepsie. Daarnaast heeft ze een posttraumatische stressstoornis, een dissociatieve identiteitsstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Verzoekster heeft op 13 juni 2025 een aanvraag ingediend bij het CIZ voor zorg op grond van de Wlz. Zij wil de zorg zelf regelen met een persoonsgebonden budget (pgb). Het CIZ heeft deze aanvraag afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij in aanmerking komt voor 24-uurszorg en toezicht.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek toe\n\n7. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nIs er een spoedeisend belang?\n\n8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.\n\nDe voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening bestaat, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld\n\n9. Het CIZ stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 11 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1382. In die uitspraak overweegt de CRvB dat de betreffende persoon eerst stappen dient te ondernemen om zorg te krijgen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of om de omvang van de ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) uit te breiden om daarmee – al dan niet tijdelijk, in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure – te voorzien in zijn behoefte aan begeleiding.\n\n10. Verzoekster heeft een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam overgelegd van 15 april 2026. Volgens het college heeft verzoekster geen recht op 24-uurs toezicht en begeleiding op grond van de Wmo, omdat haar hulpvraag Wmo-overstijgend is. Volgens het college past Wlz beter bij verzoeksters situatie.\n\nDaarnaast heeft de wijkverpleegkundige verzoekster op 27 augustus 2025 bezocht in het kader van een indicatiestelling. Volgens de wijkverpleegkundige valt verzoekster onder de Wlz en niet binnen de Zvw. Zij heeft verzoekster geadviseerd om opnieuw een Wlz-indicatie aan te vragen en om die reden is er geen verdere indicatiestelling uitgevoerd.\n\n11. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster voldoende heeft gedaan om elders hulp te krijgen. Dit is echter niet gelukt. De voorzieningenrechter ziet hierin voldoende aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk te beoordelen.\n\nWanneer komt iemand in aanmerking voor zorg vanuit de Wlz?\n\n12. Om in aanmerking te komen voor zorg vanuit de Wlz, moet er worden voldaan aan de volgende criteria:\n\n- Er moet sprake zijn van een grondslag(zoals een lichamelijke ziekte of een psychische stoornis);\n\n- Vanwege deze grondslag is er behoefte aan en noodzaak tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid om ernstig nadeel te voorkomen;\n\n- De zorgbehoefte is blijvend, er zijn geen mogelijkheden tot verbeteringen. Dit wil zeggen dat de zorgbehoefte er voor de rest van het leven is.\n\n13. Partijen zijn het erover eens dat verzoekster een grondslag heeft voor Wlz. Er is sprake van een somatische aandoening (lichamelijke ziekte), namelijk PNEA en epilepsie. Ook is er sprake van een psychische stoornis, namelijk een posttraumatische stressstoornis, een dissociatieve identiteitsstoornis en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis.\n\n14. Partijen verschillen wel van mening of verzoekster permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid nodig heeft en of er sprake is van een blijvende zorgbehoefte.\n\nBelangenafweging\n\n15. De voorzieningenrechter stelt vast dat er verschillende medische stukken in het dossier zitten. De medisch adviseur [naam 2] stelt zich op het standpunt dat een medische noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet kan worden vastgesteld. Ook is er geen indicatie voor permanent toezicht en kan de blijvendheid van de huidige zorgbehoefte onvoldoende worden onderbouwd.\n\nDaarentegen acht behandelaar PsyQ permanent toezicht noodzakelijk omdat elk moment iets ernstig mis kan gaan met betrekking tot verzoeksters veiligheid en haar gezondheid door haar gedrag. Ook geeft deze behandelaar aan dat langdurige zorg en begeleiding noodzakelijk is.\n\n16. Het college van Rotterdam en de wijkverpleegkundige verwijzen verzoekster naar de Wlz. Het CIZ stelt echter dat verzoekster niet onder de Wlz valt en heeft een negatief Wlz-indicatiebesluit afgegeven. Volgens het CIZ is het college dan verplicht om een maatwerkvoorziening af te geven, al dan niet tijdelijk hangende het bezwaar of beroep.\n\nDit geldt ook voor de zorg vanuit de Zvw.\n\n17. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster op dit moment helemaal geen hulp krijgt: niet vanuit de Wmo, niet vanuit de Zvw en niet vanuit de Wlz. Verzoekster wordt verwezen van het kastje naar de muur. De voorzieningenrechter vindt wel dat verzoekster op korte termijn geholpen moet worden, maar de vraag is door wie. Het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op het besluit van het CIZ en de voorzieningenrechter kan dus alleen het CIZ opdragen om met een passende oplossing te komen. Het is echter zeer goed mogelijk dat de rechtbank in de beroepsprocedure zal oordelen dat verzoekster niet thuishoort in de Wlz.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en draagt het CIZ op om een zodanige indicatiestelling af te geven waardoor verzoekster tijdelijk in aanmerking komt voor 24- uurszorg en toezicht vanuit de Wlz.\n\n19. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het CIZ het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het CIZ moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het bestreden besluit tot de bekendmaking van de uitspraak op het beroepschrift;\n\n- bepaalt dat het CIZ een zodanige indicatiestelling afgeeft waardoor verzoekster tijdelijk in aanmerking komt voor 24-uurszorg en toezicht vanuit de Wlz;\n\n- bepaalt dat het CIZ het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het CIZ tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Psychogene niet-epileptische aanvallen; dit zijn aanvallen die sterk lijken op epileptische aanvallen, maar dat niet zijn.\n\n Zie een ongedateerde brief die op 23 april 2026 door verzoekster is ingebracht.\n\n Artikel 3.2.1 van de Wlz\n\n Zie het medisch advies van 20 januari 2026 en de aanvullingen van 24 maart 2026 en 23 april 2026.\n\n Zie de brief van 23 maart 2026.\n\n Het CIZ verwijst daarbij naar een uitspraak van het CRvB van 24 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:205.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7140","2026-07-13T00:29:22.729Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":58},"1508","ECLI:NL:RBROT:2026:7066","ecli-nl-rbrot-2026-7066","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F4287\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen\n \n [verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaatsnaam], verzoekers\n\nen\n\nde Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB\n\n(gemachtigde: mr. G.E. Eind).\n\nInleiding\n\n1. Met het besluit van 8 september 2025 heeft de SVB een bedrag van € 7.064,99 van verzoekers teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 17 februari 2026 heeft de SVB het terugvorderingsbedrag verlaagd naar € 5.257,68. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, [naam] (namens verzoekers) en de gemachtigde van de SVB.\n\n3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat is er gebeurd?\n\n4. Verzoekers ontvangen AOW en een pensioen van de ABP. Omdat ze hiermee onder het sociaal minimum komen, ontvangen ze van de SVB een AIO-uitkering. Dit is een extra bedrag voor mensen in Nederland die geen volledige AOW ontvangen en verder geen of weinig inkomsten hebben.\n\n5. In 2025 is de ABP erachter gekomen dat verzoekers over een lange periode te weinig pensioen hebben gekregen. Zij hebben daarom een nabetaling ontvangen. De SVB heeft vervolgens een bedrag van € 5.257,68 aan te veel ontvangen AIO-uitkering van verzoekers teruggevorderd. Verzoekers hebben over deze terugvordering een beroepsprocedure lopen bij de rechtbank (ROT 26\u002F2792).\n\nWaar gaat het in deze zaak om?\n\n6. De SVB heeft berekend hoeveel verzoekers per maand terug zouden kunnen betalen. Met het bestreden besluit van 1 mei 2026 heeft de SVB bepaald dat de schuld van verzoekers bij de SVB vanaf juni 2026 wordt verrekend met hun AIO-uitkering, waardoor zij elke maand € 150,- (twee keer € 75,-) minder uitbetaald krijgen. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij willen met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij voorlopig niets hoeven terug te betalen, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak over de terugvordering. De SVB heeft toegezegd dat er niet wordt verrekend totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek af\n\n7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\n8. De voorzieningenrechter heeft nagedacht over de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangt met het besluit over de terugvordering of met het besluit over de verrekening. Verzoekers hebben bij het indienen van het verzoek verwezen naar de beroepszaak over de terugvordering. Dit is ook het meest praktisch. De SVB hoeft de brief van verzoekers van 5 mei 2026 daarom niet aan te merken als een bezwaarschrift tegen de verrekening.\n\n9. De voorzieningenrechter heeft de mogelijkheid om ook onmiddellijk uitspraak te doen in de beroepszaak, maar doet dat in deze zaak niet. Dit komt omdat hij het dossier over de beroepszaak niet heeft gelezen en hierdoor weet hij niet of verzoekers in de beroepsprocedure nog iets hebben aangevoerd waar hij nog een oordeel over moet geven. De rechtbank zal dus op een later moment de beroepszaak behandelen.\n\n10. De voorzieningenrechter heeft gekeken naar de terugvordering en hij verwacht dat het beroep weinig kans van slagen heeft. Tijdens de zitting is uitgelegd dat het pensioen van de ABP en de AIO-uitkering communicerende vaten zijn. De hoogte van de AIO-uitkering is afhankelijk van de hoogte van het pensioen van de ABP. In 2025 is gebleken dat verzoekers jarenlang te weinig pensioen hebben ontvangen. Dit betekent ook dat verzoekers jarenlang te veel AIO-uitkering hebben gekregen. Verzoekers hoefden er niet op bedacht te zijn dat zij te weinig pensioen kregen. Zij kregen elke maand het pensioen waar zij recht op dachten te hebben. Maar in 2025 werd de situatie anders en hebben zij een nabetaling gekregen van het ABP. In de brieven van het ABPstaat de waarschuwing dat de nabetaling gevolgen kan hebben voor toeslagen en andere uitkeringen, en dat een andere uitkering misschien wel terugbetaald moet worden. Verzoekers hebben ervoor gekozen om het geld van de nabetaling te schenken aan hun (klein)kinderen, omdat zij al jaren op het sociaal minimum leven en nooit iets extra’s kunnen geven aan hun (klein)kinderen. De nabetaling was echter een dooie mus, want onder de streep hebben verzoekers geen recht op méér geld dan wat ze in het verleden hebben gekregen. Meer pensioen betekent namelijk minder AIO-uitkering als aanvulling op dat pensioen. Verzoekers hebben de nabetaling al uitgegeven, maar de SVB mocht dit bedrag als te veel betaalde AIO-uitkering wel van verzoekers terugvorderen. En omdat verzoekers het geld niet in één keer kunnen terugbetalen, mag de SVB elke maand een bedrag verrekenen met de AIO-uitkering om het bedrag in delen terug te krijgen. Verzoekers zijn het er niet mee eens dat de SVB de AIO-uitkering over 15 jaar terugvordert, maar als zij een nabetaling krijgen over de afgelopen 15 jaar, dan mag er ook over 15 jaar worden teruggevorderd. De SVB maakt verzoekers geen verwijt, maar eigenlijk hadden zij de nabetaling opzij moeten zetten. Het is vervelend dat verzoekers nu elke maand € 150,- minder AIO-uitkering ontvangen, maar het gaat om gemeenschapsgeld en de SVB moet daar wel zorgvuldig mee omgaan. In wat verzoekers verder op de zitting hebben verteld, ziet de voorzieningenrechter ook geen reden waarom de SVB, ondanks dat het bevoegd is om terug te vorderen, dat tóch niet zou mogen doen. De voorzieningenrechter verwacht dus dat de rechtbank het beroep ongegrond zal verklaren en daarom vindt de voorzieningenrechter dat de SVB nu al mag verrekenen en daarmee niet hoeft te wachten tot de uitspraak in de hoofdzaak.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de SVB maandelijks het bedrag van € 150,- mag inhouden op de AIO-uitkering. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n12. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.\n\nDe voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)\n\n De brief van 28 januari 2025 aan verzoekster en de brief van 28 april 2025 aan verzoeker.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7066","2026-07-13T00:29:24.585Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":41,"updatedAt":67},"291","ECLI:NL:RBROT:2026:6801","ecli-nl-rbrot-2026-6801","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 26\u002F2970\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, het college\n\n(gemachtigden: [gemachtigde] ).\n\nInleiding\n\n1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 maart 2026 toegewezen in de vorm van zorg in natura. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 mei 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en [persoon A] ( [functie] ).\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2. Verzoeker heeft op 16 februari 2026 een aanvraag ingediend voor individuele begeleiding. In het bestreden besluit van 13 maart 2026 is het college overgegaan tot het verstrekken van individuele begeleiding in de vorm van zorg in natura. Het college heeft twee passende zorgaanbieders aangedragen: [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] . Volgens het college kan geen ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt. Verzoeker heeft namelijk tot twee keer toe onvolledige stukken aangeleverd. Het college heeft er daarom onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker de administratieve en organisatorische taken die horen bij het beheren van een pgb, zelfstandig kan uitvoeren. Het college heeft verzoeker daarom niet pgb-vaardig geacht. Het college overweegt daarbij ook dat verzoeker moeite ervaart met het vragen om hulp en het aanspreken van anderen en dat er risico’s bestaan voor een terugval in verslavingsproblematiek.\n\n3. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat zorg in natura niet passend is bij zijn situatie. [zorginstelling 1] en [zorginstelling 2] kunnen niet de begeleiding bieden die verzoeker nodig heeft. Zorgorganisatie [zorginstelling 3] kan dit wel. Verzoeker heeft begeleiding door een ervaringsdeskundige nodig. Verzoeker wenst daarom een pgb te ontvangen. Het college heeft volgens verzoeker onvoldoende onderzocht of verzoeker pgb-vaardig is. Ook had het college een herstelmogelijkheid moeten bieden als het dossier werkelijk onvolledig was. Verzoeker wil met zijn verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het college wordt opgedragen om verzoeker tijdelijk een pgb te verstrekken.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n4. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als “onverwijlde spoed” dat vereist en de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.\n\n5. Verzoeker voert aan dat zijn begeleiding per 14 april 2026 is beëindigd en dat op dit moment sprake is van een zorggat. Dit brengt volgens verzoeker reële en concrete risico’s op destabilisatie en een terugval met zich mee.\n\n6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet aannemelijk geworden dat verzoeker een zodanig spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening dat hij niet kan wachten op een beslissing op het bezwaarschrift. Ook als aangenomen zou moeten worden dat de door het college genoemde zorgaanbiedersgeen begeleiding door een ervaringsdeskundige kunnen bieden, betekent dat nog niet dat het op onoverkomelijke problemen zou stuiten als verzoeker voor de duur van de bezwaarprocedure zou zijn aangewezen op zorg door één van die zorgaanbieders. Dit heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van belang dat het college heeft gesteld dat de genoemde zorgaanbieders expertise hebben op het gebied van verslavingszorg. Verzoeker heeft dit op zichzelf niet betwist.\n\nIs het bestreden besluit evident onrechtmatig?\n\n7. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is dat het besluit in de bezwaarprocedure niet in stand zal blijven. Hoewel de motivering van het bestreden besluit vragen oproept (met name ten aanzien van het standpunt van het college dat – onder meer – uit het niet tijdig aanleveren van stukken blijkt dat verzoeker niet pgb-vaardig is) kan de voorzieningenrechter niet tot de conclusie komen dat het bestreden besluit waarschijnlijk niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter neemt daarbij mee dat het aan het college is om te beoordelen of aan de voorwaarden voor verstrekking van een pgb is voldaan.Dit betekent dat het college beoordelingsruimte heeft en dat de rechter terughoudend moet zijn bij het toetsen van de overwegingen van het college. Het college kan gedurende de bezwaarfase nader onderzoek doen naar de pgb-vaardigheid van verzoeker en in de beslissing op bezwaar eventuele motiveringsgebreken herstellen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college vooralsnog aan verzoeker geen pgb hoeft te verstrekken. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.\n\nde griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n In het verweerschrift heeft het college ook nog [zorginstelling 4] genoemd.\n\n Dit is geregeld in artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:6801","2026-06-12T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.938Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":72,"summary":24,"language":7,"source":38,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":41,"updatedAt":74},"303","ECLI:NL:RBROT:2025:2705","ecli-nl-rbrot-2025-2705","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROT 24\u002F2901\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen\n \n [eiser], uit [woonplaats], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),\n\nen\n\nStichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. S. Ercan en mr. S.B.H. Fijneman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de toewijzing van een urgentieverklaring op basis van de urgentiegrond medische noodzaak.\n\n1.1.. Met het bestreden besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopig voorziening te treffen. Bij uitspraak van 15 november 2023 (zaaknummer: ROT 23\u002F6965) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek afgewezen.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n2. Eiser woont in Rotterdam en heeft op 25 augustus 2023 een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een urgentieverklaring, omdat zijn huidige woning niet langer voldoet vanwege zijn medische problemen. De woning bevindt zich op de vierde verdieping en eiser moet daarvoor zes trappen op. Eiser heeft aangegeven dat hij vanwege zijn medische situatie geen trap kan lopen, althans niet tot de vierde verdieping. Een arts van het team Sociaal Medische Advisering (SMA) heeft op verzoek van verweerder advies uitgebracht over de situatie van eiser. De conclusie van de arts SMA is dat bij eiser sprake is van chronische progressieve problematiek met een onvoorspelbaar beloop en veel onverwachte exacerbaties, waardoor de mobiliteit beperkt is en ook is er sprake van verminderde inspanningstolerantie. Er is geen sprake van een medisch stabiele situatie en traplopen is een zware inspanning voor hem. Hij kan volgens de arts maximaal één trap op en in verband met hoogtevrees durft eiser ook niet hoog te wonen. De problematiek is van dien aard, ernst en beloop dat er sprake is van een leven ontwrichtende woonsituatie op medische gronden. Er is volgens de arts SMA sprake van een medisch urgente situatie, waardoor eiser op zeer korte termijn (binnen drie maanden) een passende woning moet hebben. Verweerder heeft bij besluit van 19 oktober 2023 de urgentieverklaring toegekend op basis van ‘medische noodzaak’. Om het huisvestingsprobleem op te lossen heeft verweerder, mede gelet op het advies van een adviserend arts, het volgende zoekprofiel vastgesteld:\n\nFlatwoning met lift, gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping\n\nMinimaal twee en maximaal twee slaapkamers\n\nMaximale kale huurprijs ter hoogte van € 693,60\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam\n\n3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woonruimtetypering is gekozen om te voorkomen dat een wooncarrièrekan worden gemaakt. Eiser heeft in bezwaar aangegeven dat hij het zoekprofiel uitgebreid wenst te zien zodat hij sneller een passende woning kan vinden. Verweerder is van mening dat dit geen grond is om het zoekprofiel uit te breiden. Ten aanzien van de maximale huurprijs stelt verweerder zich op het standpunt dat de huurprijs is gebaseerd op het gehanteerde principe van het passend toewijzen van een urgentieverklaring waarvoor het inkomen bepalend is. Ook hier geldt dat met een urgentieverklaring geen wooncarrière moet worden gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hardheidsclausule niet toegepast kan worden aangezien er geen sprake is van een bijzondere, onvoorziene omstandigheid die gelet op het doel van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (de Verordening) redelijkerwijs tot een wijziging van het zoekprofiel zou moeten leiden. Ten tijde van de behandeling van het beroep op de zitting was eiser toegelaten tot de tweede fase, waarin bemiddeld wordt om passende woonruimte te vinden. Dit had nog geen resultaat.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de toewijzing van de urgentieverklaring met bovenstaand zoekprofiel. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n5.1.. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nHeeft verweerder een passend zoekprofiel vastgesteld?\n\n6. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het vastgestelde zoekprofiel voldoende is om het huisvestingsprobleem op te lossen. Eiser meent dat hij met dit zoekprofiel niet binnen een redelijke termijn een geschikte woning kan vinden. Verweerder heeft ten onrechte geen waarde toegekend aan het feit dat hij al maanden zonder enig succes reageert op woningen; het woningaanbod is zeer beperkt en de concurrentie is groot. Ook heeft verweerder onvoldoende gewicht toegekend aan zijn medische situatie die maakt dat hij met spoed dient te verhuizen. Eiser wil dat het zoekprofiel wordt aangevuld met een ander woningtype, een eengezinswoning, een woning met drie slaapkamers en dat de maximale huurprijs wordt verhoogd naar € 808,06 (maximum voor huurtoeslag). Daarnaast voert eiser aan dat het opnemen van een maximale huurprijs in het algemeen onrechtmatig is.\n\n6.1.. Uit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat in het algemeen een zoekprofiel niet in strijd is met de Huisvestingswet 2014. Gemeenten zijn op grond van deze wet verantwoordelijk voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de schaars beschikbare sociale huurwoningen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat iedere urgent woningzoekende een woning krijgt toegewezen die aansluit op zijn of haar situatie. De vraag wanneer een woning passend is hangt af van de situatie van de aanvrager. Vast staat dat niet iedere sociale huurwoning passend is voor iedere urgent woningzoekende. Het is tegen deze achtergrond dat het college het beperkt aantal woningen dat beschikbaar komt, toekent aan woningzoekenden die dat type woning het hardst nodig hebben. Dit betekent dat doorgaans de grotere woningen, met meer slaapkamers worden toegekend aan (grote) gezinnen. Het toekennen van een woning met meer dan twee slaapkamers aan een huishouden bestaande uit een echtpaar en één kind betekent dat een groter gezin (nog) langer moet wachten op passende woonruimte, terwijl voor het echtpaar met één kind in beginsel woonruimte met twee slaapkamers passend is. Het opnemen van een zoekprofiel bij een urgentieverklaring, waarmee verweerder waarborgt dat met de urgentieverklaring geen inbreuk wordt gemaakt op een evenwichtige en rechtvaardige woonruimteverdeling, is daarom niet in strijd met de Huisvestingswet 2014.\n\n6.2.. Het huishouden van eiser bestaat uit drie personen; eiser zelf, zijn echtgenote en zijn dochtertje. Overeenkomstig artikel 3.4. van bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (de bijlage) heeft verweerder aan eiser een voorrangsverklaring toegekend voor een woning met twee slaapkamers. In het advies van de arts van het team SMA staat opgenomen dat een aparte slaapkamer niet noodzakelijk is. Dit onderdeel van het zoekprofiel acht de rechtbank, gelet op wat hiervoor onder 6.1. is overwogen, niet onevenredig. De daartegen gerichte beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nWoonruimtetype6.3.. Verweerder heeft de arts SMA gevraagd of een benedenwoning noodzakelijk is. De arts heeft die vraag ontkennend beantwoord en geadviseerd dat volstaan kan worden met een woning op maximaal de eerste etage, ongeacht de aanwezigheid van een lift. Verweerder heeft dit advies opgevolgd en het zoekprofiel als hiervoor onder 2. weergegeven vastgesteld. Hierbij heeft verweerder kennelijk als uitgangspunt genomen dat eiser geen trap mag lopen en daarom een lift als eis gesteld.6.4.. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het aanbod dat past bij dit voor eiser vastgestelde zoekprofiel, een flatwoning met lift op maximaal de eerste verdieping, beperkt is. Voor alle woonlagen boven de eerste verdieping komt eiser niet in aanmerking en ook de flatwoning zonder lift valt af. De kans op succes is daarmee veel kleiner dan voor andere woningzoekenden met een urgentieverklaring die kunnen reageren op elke verdieping van een flatgebouw met lift. En de andere woningzoekenden met een urgentieverklaring voor het woningtype flatgebouw kunnen ook reageren op een vrijgekomen woning waarop eiser wel mag reageren. Dat eiser na ruim een jaar waarin hij voldoende inspanningen heeft geleverd nog altijd geen andere woning heeft gevonden, lijkt hiervan een bevestiging te zijn. De rechtbank is van oordeel dat door het zoekprofiel (woningtype) van eiser de kans dat hij spoedig een woning toegewezen krijgt dermate klein is dat het zoekprofiel in zoverre, in aanmerking genomen de medische urgentie, een onevenredige beperking vormt.6.5.. In het kader van de verkenning van de mogelijkheden voor finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank het volgende. Op medische gronden heeft verweerder het zoekprofiel beperkt tot een flatwoning metlift op maximaal de eerste verdieping. Daarmee valt af de begane grond van een flatwoningzonderlift. Niet valt in te zien, ook niet gelet op het medisch rapport, waarom zo’n woning niet passend zou zijn. Verder geldt dat overeenkomstig artikel 3.3. vierde lid, van de Bijlage de typering van de woonruimte dusdanig wordt gekozen dat sprake is van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen met uitzondering van eengezinswoningen en benedenwoningen. Hiervan kan door het bestuursorgaan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daarvoor aanleiding zijn. Een urgentieverklaring wordt dus afgegeven voor een standaard woonruimtetype, tenzij er iets bijzonders aan de hand is. Hoewel de arts SMA een benedenwoning medisch niet noodzakelijk heeft geacht, kan een benedenwoning wel een oplossing vormen voor het woonprobleem. Het komt immers tegemoet aan de beperkingen die samenhangen met traplopen en hoogtevrees. Gelet op de beperktheid van het zoekprofiel ten aanzien van het woningtype, is sprake van een bijzonderheid die afwijking van het standaard woonruimtetype kan rechtvaardigen. Gelet op het voorgaande is het zoekprofiel te beperkt vastgesteld, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.\n\nMaximale huurprijs6.6.. Verweerder heeft in het zoekprofiel een maximale huurprijs opgenomen en heeft toegelicht dat daarmee toepassing is gegeven aan 3.3. lid 2 onder c van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020. Op grond van dit artikel moet volgens verweerder met het oog op passende toewijzing van woningen een bij het inkomen passende maximale huurprijs in het zoekprofiel worden opgenomen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4175) is de rechtbank van oordeel dat het opnemen van een maximale huurprijs in het zoekprofiel onrechtmatig is. De Afdeling heeft overwogen dat op grond van artikel 46, tweede lid, van de Woningwet 2015, gelezen in samenhang met artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, als een woningzoekende in aanmerking wil komen voor een woning, een inkomenstoets moet worden uitgevoerd. Tot een bepaalde inkomensgrens geldt een maximumhuurprijs (‘aftoppingsgrens’). Dit wordt ook ‘passend toewijzen’ genoemd. Het moet voorkomen dat huishoudens een woning krijgen toegewezen die zij niet kunnen betalen en dat de uit te keren bedragen aan huurtoeslagen te hoog oplopen. Woningcorporaties zijn gehouden om 95% van de woning passend toe te wijzen, in 5% van de gevallen kunnen zij hiervan afwijken. Het inkomen van eiser valt onder de aftoppingsgrens. Dit betekent dat hij in oktober 2023 op basis van passend toewijzen een woning kon huren met een huurprijs van maximaal € 693,60. Zoals de Afdeling heeft overwogen is het is echter de taak van de woningcorporatie en niet die van het college om te bepalen wanneer zij de uitzondering van 5% toepast. Door het opnemen van een maximale huurprijs kan eiser echter niet met zijn urgentieverklaring reageren op woningen boven deze grens en heeft verweerder daarmee op voorhand uitgesloten dat een woningcorporatie kan afwijken van de norm voor passend toewijzen. Zo’n afwijking zou juist in een geval als dat van eiser de woningcorporatie de mogelijkheid kunnen bieden om meer maatwerk te leveren en eiser zo sneller een andere woning te kunnen bieden. Verweerder heeft aangevoerd dat in de zaak die voorlag bij de Afdeling de vastgestelde maximale huurprijs geen grondslag had in een verordening of beleid. Het enkele feit dat in de Verordening van de gemeente Rotterdam een bepaling is opgenomen over het bij urgentieverlening vaststellen van een maximale huurprijs en dat daarbij een toelichting staat over het principe van passend toewijzen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hoewel de Afdeling overweegt dat het college heeft nagelaten te motiveren waarom het een maximum huurprijs in het zoekprofiel heeft opgenomen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling ook dat het niet slechts gaat om een (herstelbaar) motiveringsgebrek, maar om een voorwaarde die gelet op het wettelijk stelsel niet mocht worden gesteld. Dit betekent dat artikel 3.3. lid 2 onder c van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 in strijd is met de uit de Woningwet volgende systematiek van toewijzen van huurwoningen en in zoverre onverbindend moet worden geacht. Het bestreden besluit kan daarom ook op dit punt niet in stand blijven. Deze beroepsgrond slaagt.\n\n6.7.. De rechtbank merkt daarbij op dat het ontbreken van een maximale huurprijs in het zoekprofiel geenszins inhoudt dat eiser dan altijd aanspraak kan maken op een woning met een huurprijs hoger dan € 693,60. Woningcorporaties zijn verplicht om minimaal 95% van de woningen passend toe te wijzen. Er bestaat geen verplichting om in het geval van eiser van de uitzondering gebruik te maken. Eiser maakt nog steeds meer kans door te reageren op woningen onder deze grens. Daarnaast beperkt het in het zoekprofiel opgenomen woningtype en het aantal kamers de maximale huurprijs. Anders gezegd, de grootste woningen kosten het meest, maar daarvoor komt eiser vanwege de terechte beperkingen ten aanzien van het woningtype en het aantal kamers al niet in aanmerking.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is gegrond, omdat verweerder in het zoekprofiel het woningtype onevenredig heeft beperkt en ten onrechte een maximale huurprijs heeft opgenomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.\n\n8. Met het oog op de definitieve beslechting van het geschil ziet de rechtbank aanleiding om zelf te voorzien in de zaak en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb nu zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt dat de begane grond van een flatwoning zonderlift en een gelijkvloerse benedenwoning worden toegevoegd aan het zoekprofiel. Tot slot bepaalt de rechtbank dat het zoekprofiel geen maximale huurprijs bevat. Hiermee komt het zoekprofiel van eiser als volgt te luiden:\n\nFlatwoning metlift gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping, of;\n\nFlatwoning zonderlift, begane grond, gelijkvloers, of;\n\nBenedenwoning, gelijkvloers;\n\nMinimaal 2 en maximaal 2 slaapkamers;\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam.\n\n9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 8 februari 2024;\n\n- herroept het besluit van 19 oktober 2023 ten aanzien van het in het zoekprofiel opgenomen woningtype en de maximale huurprijs van € 693,60;\n\n- bepaalt het zoekprofiel als volgt:\n\nFlatwoning metlift gelijkvloers en maximaal op de 1e verdieping, of;\n\nFlatwoning zonderlift, begane grond, gelijkvloers, of;\n\nBenedenwoning, gelijkvloers;\n\nMinimaal twee en maximaal twee slaapkamers;\n\nUrgentieregio Hart van Rotterdam.\n\n- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit van 8 februari 2024;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2025.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWoningwet 2015\n\nArtikel 46\n\n2. De toegelaten instelling gaat slechts overeenkomsten van huur en verhuur aan, voor zover aan ten minste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage van huishoudens als eerstbedoeld of laatstbedoeld in artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, die een huishoudinkomen hebben dat niet hoger is dan het voor het betrokken huishouden toepasselijke bedrag, bedoeld in artikel 14 van die wet, woongelegenheden waarvoor huurtoeslag ontvangen kan worden op grond van die wet worden verhuurd met een huurprijs van ten hoogste het in artikel 20, tweede lid, van die wet eerstgenoemde respectievelijk laatstgenoemde bedrag. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen huishoudens worden uitgezonderd van en nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de eerste volzin. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de wijze waarop de inkomensvaststelling door de toegelaten instelling plaatsvindt.\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 20\n\n2. De aftoppingsgrens is:\n\na. € 650,43 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit één of twee personen bestaat;\n\nb. € 697,07 per maand als het huishouden van de huurder, afgezien van eventuele onderhuurders en personen die tot diens huishouden behoren, uit drie of meer personen bestaat.\n\nVerordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020:\n\nArtikel 2.3.8. Voorrang voor bezitters van een urgentie- of herhuisvestingsverklaring\n\n1. Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere) woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring.\n\n2. In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven:\n\na. door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd,\n\nb. door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden verstrekt,\n\nc. de inhoud van deze verklaringen en\n\nd. de gevolgen die deze verklaringen hebben voor de positie op de woningmarkt van de bezitter ervan.\n\nVerordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 bijlage I:\n\nArtikel 2.5. Hardheidsclausule\n\n1. Het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring is, indien strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:\n\na. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,\n\nb. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.\n\n2. Het in het eerste lid bedoelde bestuursorgaan registreert de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat ten minste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring. De registraties worden besproken in het in artikel 2.5.2 van de verordening bedoelde overleg.\n\nArtikel 3.3. Het woonruimtetype\n\n1. In het zoekprofiel wordt het woonruimtetype opgenomen dat nodig is voor de oplossing van het huisvestingsprobleem.\n\n2. Het woonruimtetype bevat in ieder geval de volgende elementen:\n\na. het slaapkamertal van de woonruimte\n\nb. de typering van de woonruimte;\n\nc. de huurprijs waarbij woonruimte passend wordt geacht voor het huishoudinkomen van aanvrager.\n\n3. De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat de houder met de urgentieverklaring geen wooncarrière kan maken, tenzij het maken van wooncarrière uitsluitend het gevolg is van het afhankelijk zijn van een woonruimtetype dat noodzakelijk is voor het oplossen van het huisvestingsprobleem. Onder wooncarrière wordt verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar de maatstaf van een redelijk handelend woningzoekende als gewilder beschouwd moet worden.\n\n4. De typering van de woonruimte wordt dusdanig gekozen dat sprake is van een standaard woonruimtetype. Dit betekent: alle woonruimtetypen met uitzondering van eengezinswoningen en benedenwoningen. Hiervan kan door het bestuursorgaan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daarvoor aanleiding zijn.\n\n5. Indien de toepasselijke urgentiegrond of de samenstelling van het ingevolge artikel 2.1.1 van de verordening aangewezen deel van de woonruimtevoorraad daartoe naar het oordeel van het bestuursorgaan dat op de aanvraag om urgentieverklaring beslist aanleiding geeft, kan naast het in het vorige lid bedoelde woonruimtetype een tweede woonruimtetype in het zoekprofiel worden opgenomen. Dit tweede woonruimtetype is alleen van toepassing in de tweede fase van de urgentie en bovendien op woonruimte gelegen in de gemeente van het college van burgemeester en wethouders dat de urgentieverklaring verleend heeft.\n\nArtikel 3.4. Slaapkamertal\n\n1. Het in het woonruimtetype op te nemen slaapkamertal van de urgentie wordt bepaald aan\n\nde hand van de grootte en samenstelling van het huishouden dat houder is van de urgentieverklaring, overeenkomstig de onderstaande tabel.\n\nAantal personen dat deel uitmaakt van het huishouden\n\nNadere beschrijving van de samenstelling van het huishouden\n\nAantal slaapkamers\n\n3\n\n2 ouders* en kind\n\n2\n\n* of daaraan, gelet op de zorg van het inwonende kind of de inwonende kinderen, gelijk te stellen persoon of personen zoals voogd, pleeg- of stiefouder.\n\n Onder wooncarrière wordt volgens artikel 3.3, derde lid, van bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam verstaan: het verhuizen naar een type woonruimte dat naar maatstaf van een redelijk handelend woningzoekende als gewilder moet worden beschouwd.\n\n Zie overweging 5.2. van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4175).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:2705","2026-07-13T00:28:23.510Z",20]