[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-rotterdam-violent-crime-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":32,"total":16,"page":25,"limit":141},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},61,"Rotterdam","nl","rotterdam",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},115,"violent-crime-nl","Violent Crime","NL","2026-07-08T16:56:56.704Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},14,{"min":18,"max":19},"2023-06-28T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[21,26,29],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121800","Wetboek van Strafrecht","art. 141",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123951","art. 41",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"124062","art. 46",[33,43,51,59,68,75,83,90,97,104,111,118,125,133],{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":38,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":40,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":41,"updatedAt":42},"1221","ECLI:NL:RBROT:2026:8067","ecli-nl-rbrot-2026-8067","","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummers: 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 (gevoegd ter terechtzitting)\n\nParketnummers vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24\n\nDatum uitspraak: 7 juli 2026\n\nDatum zitting: 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] te [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , [detentieafdeling] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.R. de Kok\n\nOfficier van justitie: mr. R.J.E. Planken\n\nBenadeelde partij: [benadeelde]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere vermogensdelicten, vernieling en het overtreden van een gedragsaanwijzing. Omdat de vernieling niet aan de verdachte is toe te rekenen, wordt hij ten aanzien daarvan ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige feiten worden de verdachte in verminderde mate toegerekend. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden. De vorderingen tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fof gleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fof weg te pakken en\u002Fof zich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fof zich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks 9 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan de Albert Heijn (vestiging [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks 10 maart 2026 te Rotterdam, althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] te grissen en\u002Fof trekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks 29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen of meerdere ruiten, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam,\n\ntoebehoorde\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks 8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel\n\n509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de\n\ngedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te\n\nRotterdam\n\ndoor kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 2] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 6] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fof contact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor alle feiten. Ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft zij vrijspraak gevorderd voor het bestanddeel geweld.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 onder parketnummer 10\u002F073695-26 en de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 heeft de verdediging aangevoerd dat het bestanddeel geweld niet kan worden bewezen en daarvoor vrijspraak bepleit.\n\n2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nDe volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten onder parketnummers 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. Ook ten aanzien van feit 2 onder parketnummer 10\u002F073695-26 wordt volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\nFeit 2\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 1] (pagina’s 40 en 41 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangever [naam 5] ;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 2] (pagina’s 1 en 2 van het aanvullend proces-verbaal behorende bij het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisant [naam 6] .\n\nParketnummer 10\u002F008304-26\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van politie nummer [nummer proces-verbaal 3] , (pagina’s 9 en 10 van het zaaksdossier), inhoudende als relaas van de verbalisanten [naam 7] en [naam 8] of één van hen;\n\nEen ander geschrift, te weten een gedragsaanwijzing in de zaak met parketnummer 10\u002F353396-25.\n\nParketnummer 10\u002F353396-25\n\nDe bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte nummer [nummer proces-verbaal 4] , (pagina’s 7 en 8 van het zaaksdossier), inhoudende als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 4] .\n\nDe bewezenverklaring van feit 1 en feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\nFeit 1\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 9 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 50 euro gepakt uit de gleuf van een geldautomaat terwijl dat geld van iemand anders was.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08:30 uur bevond ik mij op het Binnenwegplein 6A te Rotterdam. Ik liep bij de Geldmaat naar binnen. Ik stond bij de pinautomaat en ik wilde 100 euro contant storten op mijn bankrekening. Ik voelde en zag ineens achter mij een man. Ik zag dat de man zijn hand bij de gleuf van de pinautomaat hield, om mijn contante geld te pakken. Ik draaide mij om en ik pakte de man bij zijn jas vast. De man probeerde naar de uitgang te lopen. Dit is de man uiteindelijk gelukt. De man heeft uiteindelijk 50 euro contant bij zich kunnen houden.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 9 maart 2026, omstreeks 08.29 uur, vond er bij de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam een diefstal plaats. Van de diefstal zijn camerabeelden aanwezig van Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam. De camerabeelden voor de diefstal op 9 maart 2026 betreffen camerabeelden op de datum van 9 maart 2026 tussen de tijdstippen 08.15 uur en 08.45 uur.\n\nBestandnaam stream 3:\n\n(..)\n\n08.30: Ik zie dat de persoon zijn zwarte rugtas op zijn borst draagt en naar de vrouw bij de geldautomaat kijkt. Ik zie dat de persoon naast haar gaat staan bij de geldautomaat. Ik zie dat de persoon veel om zich heen kijkt. Ik zie dat de persoon een snelle beweging naar de vrouw maakt bij de geldautomaat. Ik zie dat de man naar het geld grijpt uit de geldautomaat waar de vrouw bij staat. Ik zie dat de vrouw de persoon tegen wil houden. Ik zie dat de persoon zich verzet en zich losrukt en vervolgens de Geldmaat Binnenwegplein in Rotterdam uitrent. Ik zie dat de vrouw verbaasd om zich heen kijkt en vervolgens weer verder achter de persoon loopt die weggerend is.\n\nFeit 3\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 10 maart 2026 was ik bij de Geldmaat in Rotterdam. Ik heb toen 100 euro gepakt uit de handen van een mevrouw die daar net geld had gepind.\n\n2. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026 omstreeks 09:45 uur, stond ik binnen bij de geldautomaat welke is gevestigd op het Binnenwegplein 6A Rotterdam. Ik had mijn bankpas in de automaat gestopt. Ik voerde mijn pincode in en drukte op 100 euro en koos voor twee biljetten van 50 euro. Ik zag dat er twee biljetten van 50 euro uit de automaat kwam. Ik haalde de biljetten eruit en begon de biljetten te vouwen. Terwijl ik aan het vouwen was met mijn beide handen draaide ik mij om richting de uitgang omdat ik naar buiten wilde lopen. Ik zag opeens dat de twee biljetten welke ik net had gevouwen uit mijn handen werd getrokken. Ik tilde mijn hoofd op en ik zag dat er een jongen tegenover mij stond. Ik zag dat de dader zich omdraaide en naar buiten rende.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 10 maart 2026, om 09.44 uur, vond er een diefstal met geweld plaats bij de Geldmaat op het Binnenwegplein. Van de diefstal met geweld zijn camerabeelden aanwezig.\n\nIk, verbalisant, zag op stream 4 het volgende: Ik zag dat er een vrouw de ruimte inliep. Ik zag dat zij door de ingang liep om 09.43 uur in de richting van de automaten.\n\nIk, verbalisant, herkende haar door het signalement uit de aangifte als: [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 7] -1980 te [geboorteplaats 2] .\n\nIk zag dat er een man de ruimte inliep. Ik zag dat hij door de ingang liep om 09.44 uur in de richting van de automaten.\n\n Ik, verbalisant, herkende deze man onmiddellijk als zijnde aangehouden verdachte: [verdachte] , geboren op [verdachte] -2005 te [geboorteplaats 1] .\n\nIk zag [slachtoffer 3] om 09.43 uur in beeld komen. Ik zag dat [slachtoffer 3] vanaf de ingang naar een automaat liep. Ik zag dat ze een pas in de automaat stopte. Ik zag om 09.44 dat [voornaam verdachte] vanaf de ingang naar binnen liep. Ik zag dat [slachtoffer 3] met haar rechterhand iets uit de automaat pakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] linksachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan. Ik zag dat [slachtoffer 3] iets uit de automaat pakte dat leek op biljetten en deze met beide handen vastpakte. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich verplaatste en rechtsachter op ongeveer een meter afstand van [slachtoffer 3] ging staan en tegelijk nog steeds constant naar [slachtoffer 3] keek. Ik zag dat [slachtoffer 3] zich rechtsom wegdraaide van de automaat. Ik zag dat [voornaam verdachte] met veel kracht met 2 handen iets uit [slachtoffer 3] haar handen pakte. Ik zag dat hierdoor [slachtoffer 3] een stukje werd meegetrokken. Ik zag dat [voornaam verdachte] zich met de biljetten in zijn hand omdraaide en wegrende naar de uitgang. Ik zag dat [slachtoffer 3] achter [voornaam verdachte] aanrende.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank is gelet op de inhoud van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte bij feit 1 en feit 3 ook geweld heeft gebruikt bij de diefstal. In geval van feit 1 bestond het geweld uit het weggrissen van het geld en het zich lostrekken uit de greep van de aangeefster. In geval van feit 3 bestond het geweld uit het (met kracht) trekken van het geld uit de handen van de aangeefster waardoor deze een stukje werd meegetrokken. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het gebruiken van geweld bij het plegen van feit 2.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n50 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen\n\nmet het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezeld en\u002Fofgevolgd van gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweldtegen die [slachtoffer 1] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fofom, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voornoemd\n\ngeldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 1] en\u002Fofgleuf van de\n\npinautomaat te grissen en\u002Fofweg te pakken en\u002Fofzich te verzetten tegen die [slachtoffer 1] en\u002Fofzich los te rukken.\n\n2\n\nhij op of omstreeks9 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n150 euro, althans een geldbedrag bestaande uit meerdere bankbiljetten, in elk geval\n\nenig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan de Albert Heijn (vestiging\n\n [adres 2] , Rotterdam), in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft\n\nweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te\n\nmaken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht\n\nmogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door\n\n- onverhoeds in de kassalade van de kassa waaraan die [slachtoffer 2] op dat moment werkzaam was te graaien, en\u002Fof\n\n- vervolgens voormeld geldbedrag uit die kassa te grissen en\u002Fof rukken.\n\n3\n\nhij op of omstreeks10 maart 2026 te Rotterdam,althans in Nederland,\n\n100 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat\u002Fdiegeheel of ten dele\n\naan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een andertoebehoorde(n)heeft weggenomen met het\n\noogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen\n\nwelke diefstal werd voorafgegaan,vergezelden\u002Fof gevolgdvan gewelden\u002Fof\n\nbedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] ,\n\ngepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fofgemakkelijk te maken,en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,door voornoemd geldbedrag onverhoeds uit de hand van die [slachtoffer 3] tegrissen en\u002Foftrekken\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nhij op of omstreeks29 december 2025 te Rotterdam,\n\nopzettelijk en wederrechtelijk\n\neen ofmeerdere ruiten,in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een\n\nander, te weten aan [slachtoffer 4] en\u002Fof Woningstichting Woonstad Rotterdam, toebehoorden\n\nheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nhij op of omstreeks8 januari 2026 te Rotterdam\n\nopzettelijk\n\nheeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 30 december 2025, gegeven door de officier van justitie te Rotterdam\n\ndoorkort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte:\n\n- zich niet zal ophouden in\u002Fop\u002Frond de Josephstraat 52 te Rotterdam en\n\n- zich zal onthouden van contact met [slachtoffer 4] , geboren [geboortedatum 1] 2002, [naam 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2012,\n\n [naam 2] , geboren [geboortedatum 4] 2019,\n\n [naam 3] , geboren [geboortedatum 5] 1974,\n\n [naam 4] , geboren [geboortedatum 1] 2008,\n\ndoor zich op te houden in\u002Fop\u002Frond de [adres 3] en\u002Fofcontact op te nemen\n\nmet die [naam 4] .3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nParketnummer 10\u002F073695-26\n\n1. diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;\n\n2. diefstal;\n\n3. diefstal, vergezeld van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;\n\nParketnummer 10\u002F353396-26\n\nopzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;\n\nParketnummer 10\u002F008304-25\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.3.3.. \n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is onderzocht door psychiater [naam 9] . Uit zijn rapport van 15 mei 2026 volgt dat bij de verdachte sprake is van een psychotische stoornis met gehoorhallucinaties en achtervolgingswaandenkbeelden, een stoornis in het gebruik van cannabis en zwakbegaafdheid dan wel een licht verstandelijke beperking. Ten tijde van de feiten waren deze stoornissen aanwezig. Ten aanzien van de vernieling (parketnummer 10\u002F008304-25) overweegt de psychiater dat de verdachte door waandenkbeelden ervan overtuigd was dat zijn zussen en moeder werden aangevallen en dat de verdachte hen wilde beschermen door de ruiten in te gooien. De psychiater adviseert daarom dit feit bij een bewezenverklaring in het geheel niet aan de verdachte toe te rekenen. Met betrekking tot de overige feiten kan aan de ene kant een materieel motief in overweging worden genomen en anderzijds de floride psychotische ziekteverschijnselen van de verdachte, met affectieve en cognitieve beperkingen, ook van zijn vermogen tot oordeel en kritiek. De psychiater adviseert bij een bewezenverklaring deze feiten in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte.\n\nDe rechtbank verenigt zich met bovenstaande conclusies van de psychiater en neemt deze over. De vernieling kan daarom niet aan de verdachte worden toegerekend. Dat betekent dat de verdachte voor dat feit niet strafbaar is en dat hij daarvoor zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten aanzien van de overige feiten is de rechtbank van oordeel dat deze feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte is echter wel strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid volledig uitsluiten. De rechtbank zal bij de strafoplegging rekening houden met de verminderde mate van toerekenbaarheid.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als geadviseerd door de reclassering.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De verdediging is van mening dat de verdachte al langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die moet worden opgelegd, maar de verdediging vindt het belangrijker dat de verdachte niet op straat wordt gezet zonder hulp.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten. Ten eerste heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van een gedragsaanwijzing die de verdachte was opgelegd. Daarmee heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de personen ten aanzien van wie het contact- en locatieverbod was opgelegd. Daarnaast heeft de verdachte zich in twee dagen tijd schuldig gemaakt aan drie vermogensdelicten, te weten twee diefstallen met geweld en een winkeldiefstal. Dergelijke diefstallen zorgen voor gevoelens van angst en onrust bij de slachtoffers en in de samenleving. Met zijn handelen heeft de verdachte laten zien dat hij de lichamelijke integriteit en het eigendom van anderen niet respecteert.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer een vermogensdelict.\n\nPro Justitia rapport en reclasseringsadvies\n\nUit het rapport van de psychiater dat hiervoor is besproken volgt dat bij de verdachte sprake is van meerdere stoornissen. De psychiater acht het van belang dat de verdachte hiervoor wordt behandeld. De verdachte dient aanvankelijk klinisch te worden behandeld in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) voor zijn psychotische stoornis. Aansluitend dient resocialisatie plaats te vinden via beschermd of begeleid wonen en ambulante nazorg onder toezicht van de reclassering. Dit dient vormgegeven te worden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel naast de eerder afgegeven zorgmachtiging.\n\nUit het reclasseringsadvies van Leger des Heils van 15 juni 2026 volgt dat de reclassering op vrijwel alle leefgebieden van de verdachte problemen ziet. De psychische problematiek van de verdachte is het meest prominent aanwezig en behoeft direct behandeling in een klinische vorm. Het vanaf januari 2025 lopende toezicht bij de reclassering heeft niet geleid tot verbetering van de situatie van de verdachte. De opname die in de afgegeven zorgmachtiging is opgenomen, wordt als niet toereikend geacht. Tevens wordt de verdachte bij elke instelling waar hij is aangemeld afgewezen, omdat zij niet de passende hulp kunnen bieden bij de aanwezige problematiek. Een klinische opname wordt als enige haalbare mogelijkheid gezien. Vanwege de reeds lopende zorgmachtiging kan de FPK waar de verdachte is aangemeld hem op dit moment niet opnemen. Zij hebben de verdachte op een wachtlijst geplaatst. Daarna kunnen zij de verdachte wel opnemen in de kliniek. Derhalve acht de reclassering het van belang dat de verdachte in detentie zal verblijven tot de zorgmachtiging is afgelopen. De zorgmachtiging loopt tot 2 september 2026. De reclassering adviseert het volwassenstrafrecht toe te passen en om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.4.3.3.. Oplegging straf\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht dient te worden toegepast. De rechtbank ziet gelet op de persoon van de verdachte en de uitgebrachte rapportages hiertoe geen aanleiding.\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het\n\nbepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die\n\nin soortgelijke zaken zijn opgelegd, het strafblad van de verdachte en het gegeven dat de feiten hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Ook is rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie aan de hoge kant is. Aan de verdachte wordt daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest,\n\nwaarvan 3 maanden voorwaardelijk, opgelegd. De rechtbank verbindt aan de\n\nvoorwaardelijke straf een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden die de\n\nreclassering heeft geadviseerd. De voorwaardelijke straf en bijzondere voorwaarden zijn\n\nbedoeld om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen.5. In beslag genomen voorwerpen5.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag van € 100,- dat in beslag is genomen in de zaak met parketnummer 10\u002F073695-26 aan de rechthebbende moet worden teruggegeven.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [slachtoffer 3] .6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26 € 100,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nUit hetgeen hiervoor onder hoofdstuk 5 is overwogen, volgt dat het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- aan de benadeelde partij zal worden teruggeven. Daarmee is er niet langer sprake van de door artikel 361 Wetboek van Strafvordering vereiste rechtstreekse schade, zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.\n\n6.3.. \n\nProceskosten\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.7. Vordering tot tenuitvoerlegging7.1.. \n\nVordering\n\nParketnummer 10\u002F329152-22\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 77 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.\n\nParketnummer 10\u002F201224-24\n\nDe officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 13 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden dat de verdachte mee zou werken aan een behandelverplichting en zich zou inzetten voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald wek en\u002Fof vrijetijdsbesteding.7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen en dat de in de zaken met parketnummers 10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24 gesteldevoorwaarden moeten worden gewijzigd naar de voorwaarden die in dit vonnis worden opgelegd.7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de vorderingen moeten worden afgewezen.7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe nu bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd en door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de onder parketnummer 10\u002F329152-22 gestelde voorwaarde geen strafbare feiten te plegen. Blijkens het advies van 4 november 2025 van de reclassering heeft de verdachte zich onvoldoende gehouden aan meerdere bijzondere voorwaarden die hem waren opgelegd.\n\nDe rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat zij dit niet opportuun acht gezien de op te leggen straf en het daarnaast in het belang van de verdachte is dat hij zo snel mogelijk behandeling ondergaat. De vorderingen worden dus afgewezen. Wel zullen de voorwaarden worden gewijzigd, omdat in dit vonnis ook voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd en het in het belang van de verdachte is dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de drie vonnissen gelijkluidend zijn.\n\nDe voorwaarden opgelegd in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 worden gewijzigd, namelijk zoals hieronder omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 184a, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummers 10\u002F073695-26, 10\u002F008304-26 en 10\u002F353396-25, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde feit onder parketnummer 10\u002F353396-25 niet strafbaar en ontslaat de verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging;\n\nverklaart de verdachte ten aanzien van de andere strafbare feiten strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat 3 maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar,waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\nde verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;\n\nde verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door De Woenselse Poort of een soortgelijke Forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op behandeling van de psychotische stoornis, de stoornis in het gebruik van cannabis, ondersteuning ten aanzien van zwakbegaafdheid en in het herstellen van de relatie met zijn ouders en zus. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;\n\nde verdachte zich aansluitend aan de klinische opname, gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader door de reclassering te bepalen zorgverlener, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en ondersteuning op praktische leefgebieden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\nde verdachte aansluitend op de klinische opname, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader door de reclassering te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf start aansluitend op de klinische opname. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\nde verdachte spant zich na de klinische opname in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:\n\nmeewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nmeewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\n- beveelt de teruggave van een geldbedrag van € 100,- aan de rechthebbende;\n\nTenuitvoerlegging voorwaardelijke straffen (parketnummers10\u002F329152-22 en 10\u002F201224-24)\n\nwijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de in de vonnissen van 15 oktober 2024 en 26 oktober 2023 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen;\n\nwijzigt de voorwaarden verbonden aan deze vonnissen, als volgt, namelijk zoals hierboven omschreven bij het in dit vonnis voorwaardelijk opgelegde strafdeel;\n\nVordering benadeelde partij\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3 onder parketnummer 10\u002F073695-26);\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0.\n\n10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. R.H. Kroon, voorzitter,\n\nen mrs. J.C. Tijink en Y. Peters, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. J.C. Tijink is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer]\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 1] van 9 maart 2026, pagina’s 9 tot en met 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 34 tot en met 36.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte van 10 maart 2026, pagina’s 16 tot en met 18.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 29 tot en met 31.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:8067","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:10.777Z",{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":47,"fullText":48,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":49,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":50},"1628","ECLI:NL:RBROT:2026:7942","ecli-nl-rbrot-2026-7942","2026-07-06T00:00:00.000Z","Rechtbank Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10.229131.25\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nDatum zitting: 22 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] (O),\n\ningeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting (PI) [naam P.I.] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J-H.L.C.M. Kuijpers\n\nOfficier van justitie: mr. H.J. du Croix\n\nBenadeelde partijen:\n\n [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , bijgestaan door mr. N. Amine\n\n [benadeelde 4] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien\n\n [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. J.F.I. Sahebdien, waarnemend voor mr. Y.N. Teke-Bozkurt\n\nKern van het vonnis\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte voor het samen met een ander opzettelijk uitlokken van een gewapende overval op een juwelier, het opzettelijk uitlokken van een woningoverval en het proberen opzettelijk uit te lokken van een woningoverval. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf op van vier jaar en wijst de schadeclaims van de slachtoffers (gedeeltelijk) toe.1. Tenlastelegging\n\nKort samengevat en voor zover van belang beschuldigt de officier van justitie de verdachte van een viertal strafbare feiten, te weten:\n\n1) het in de periode van 25 juni tot en met 8 juli 2025 (samen met anderen) uitlokken van een overval op een juwelier op 8 juli 2025 (medeplegen van diefstal met geweld in vereniging);\n\n2 en 3) het in de periode van 16 juni tot en met 4 juli 2025 uitlokken van een overval op een woning op 4 juli 2025 (medeplegen van afpersing in vereniging (feit 2) en medeplegen van diefstal met geweld in vereniging (feit 3));\n\n4) een poging tot het uitlokken van een diefstal met geweld (feit 4).\n\nDe volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 bij dit vonnis.\n\n2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de (primaire) feiten.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op gebruik van geweld. Dat geldt zowel voor de woningoverval als bedoeld onder de feiten 2 en 3 in de tenlastelegging als voor de overval op de juwelier als bedoeld onder feit 1 in de tenlastelegging. De verdachte heeft dat opzet ontkend en het blijkt niet uit de bewijsmiddelen. Er is geen bewijs dat er afspraken zijn gemaakt over het gebruik van geweld. Het inslaan van de ruiten bij de juwelier levert braak op, geen geweld. “In de rechtspraak wordt met enige regelmaat vrijgesproken van betrokkenheid bij een diefstal met geweld, indien uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van het voorgenomen geweld of het gebruik van wapens door de uitvoerders”, aldus de raadsman onder verwijzing naar twee arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.\n\nMet betrekking tot feit 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat sprake is van vormverzuimen. Voor de doorzoeking in de hotelkamer geldt dat het dossier te weinig concrete en specifieke informatie bevat om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie. Daarnaast ontbreekt in het dossier een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris voor het verrichten van onderzoek in de telefoon van de verdachte. Deze vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake kan zijn van bewijsuitsluiting, stelt de raadsman zich op het standpunt dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van de geweldscomponent. In de chatberichten wordt namelijk niet gesproken over het toepassen van geweld en de verdachte heeft daarop geen opzet gehad.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte twee keer (waarvan één keer samen met een ander) een diefstal met geweld in vereniging heeft uitgelokt (feiten 1 primair en 3 primair), een afpersing in vereniging heeft uitgelokt (feit 2) en heeft geprobeerd een diefstal met geweld uit te lokken (feit 4). De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.2.3.2.. \n\nBewijsmotivering\n\nEr is sprake van uitlokking als de uitlokker de uitvoerder met de in artikel 47, eerste lid, aanhef en sub 2, van het Wetboek van Strafrecht genoemde middelen opzettelijk aanzet tot het plegen van een specifiek strafbaar feit en dit feit ook daadwerkelijk wordt gepleegd althans een poging of strafbare voorbereiding daartoe wordt ondernomen.Dit opzet dient in beginsel alle delictsbestanddelen te omvatten. Dat betekent echter niet dat de uitvoering precies moet gaan zoals de uitlokker heeft bedacht, als de uitlokker daar al een concreet idee over heeft. Dat de uitvoering anders is geweest dan de verdachte voor ogen heeft gestaan, hoeft niet af te doen aan het opzettelijk karakter van het uitlokken (HR 19 mei 1987, NJ 1988, 424). Zo heeft degene die uitlokt tot beroving in beginsel ook opzet op het daarvoor gebruikte geweld (HR 10 februari 1970, NJ 1970, 269).\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij informatie had over een kluis en over waardevolle spullen in de woning aan de [adres 2] in Berkel en Rodenrijs. Ook verklaarde hij dat hij in de ten laste gelegde periode deze informatie met anderen, waaronder de medeverdachte [medeverdachte 1] , had gedeeld. De verdachte zegt bij de eerste ontmoeting met de medeverdachte [medeverdachte 2] te hebben gesproken over de planning van de overval in Berkel en Rodenrijs. Ter zitting heeft de verdachte beaamd dat een overval meestal niet vriendelijk gebeurt. [medeverdachte 1] heeft volgens de verdachte alles verder geregeld en [medeverdachte 1] vertelde aan hem alles wat hij deed.\n\nWelke afspraken voorafgaand aan de overval op de woning precies zijn gemaakt, is onduidelijk. Anders dan de officier van justitie heeft gesteld kan, nu in de feiten 2 en 3 geen medeplegen van uitlokking is ten laste gelegd, niet worden bewezen dat de verdachte de overval op de woning heeft uitgelokt door datum en tijd door te geven waarop de overval moest plaatsvinden, door tegen de uitvoerders te zeggen wat zij moesten doen, de taken te verdelen en de verdeling van de buit te bepalen. Deze uitspraken heeft de verdachte wel gedaan in een chatgesprek op 24 juni 2025 (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 207). Maar de personen die daar als uitvoerder worden aangesproken, hebben uiteindelijk de overval niet uitgevoerd. Uiteindelijk heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] twee anderen geregeld om de overval uit te voeren en de datum bepaald (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 406, [medeverdachte 1] : “ik heb 2 soldiers” en “morgenochtend gaat gebeuren, ik neem het ff over”, op 3 juli 2025).\n\nDat niet met zoveel woorden is ten laste gelegd dat de verdachte het feit heeft uitgelokt door het adres van de woning door te geven doet er niet aan af, dat de rechtbank dit gegeven wel meeweegt bij het bewijs van uitlokking. Niet alle uitlokkingsmiddelen behoeven immers met zoveel worden in de tenlastelegging te worden opgenomen.\n\nHoewel uit de uitgewisselde berichten van de verdachte niet is gebleken dat over toepassing van geweld werd gesproken, staat wel vast dat de verdachte zijn mededaders heeft uitgelokt tot het medeplegen van de diefstal dan wel afpersing zoals onder 2 en onder 3 is ten laste gelegd. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 23 november 2002 overwogen dat een verdachte door het uitlokken van het medeplegen van diefstal bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat het binnendringen van een woning met meerdere personen om de hennep weg te nemen, kan leiden tot het aanwenden van geweld jegens de bewoner van de woning, waarvan de verdachte bovendien wist dat hij in zijn woning aanwezig was (ECLI:NL:GHSHE:2022:4007). Het hof verklaarde uitlokking van diefstal in vereniging met geweld bewezen. De Hoge Raad heeft het tegen dit arrest gerichte cassatieberoep – waarbij het middel zich onder meer tegen het bewijs van dubbel opzet richtte – zonder motivering verworpen (HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:303).\n\nEen en ander leidt tot het oordeel dat de verdachte door het uitlokken van diefstal van sieraden uit (een kluis in) een woning terwijl hij moet hebben geweten dat een bewoner thuis was – hoe zouden de daders anders naar binnen gaan en zich toegang verschaffen tot de kluis zoals de bedoeling was – bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het binnendringen in de woning zou leiden tot geweld tegen een of meer bewoners. Daaraan doen niet af de arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarnaar de raadsman heeft gewezen, alleen al omdat deze niet gaan over uitlokking maar over medeplegen en medeplichtigheid.\n\nWel zal de rechtbank vrijspreken van de onder 2 en 3 ten laste gelegde uitlokking van diefstal met geweld en afpersing, voor zover het betrekking heeft op een vuurwapen. Het bewijs van het opzet op geweld dat voortvloeit uit de opzettelijke uitlokking van diefstal met geweld en afpersing gaat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zo ver, dat daaronder ook het opzet op wapengeweld kan worden gerekend.\n\nDie gedeeltelijke vrijspraak strekt zich overigens niet uit tot de tenlastelegging onder 1. De woning als bedoeld in de tenlastelegging onder 2 en 3 is overvallen op 4 juli 2025 en de juwelier als bedoeld in de tenlastelegging onder 1 is overvallen op 8 juli 2025. De verdachte heeft op de zitting gezegd dat hij van de overval op de woning op 4 juli 2025 kennis heeft genomen uit het nieuws. Hoewel niet bekend is van welk nieuwsbericht of nieuwsberichten de verdachte heeft kennisgenomen of wanneer hij dat heeft gedaan, kan het niet anders of hij heeft dat kort na de overval op de woning gedaan, terwijl die berichten minst genomen moeten hebben gemeld dat het om een gewapende overval is gegaan. Zo is in de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2] een zoekslag [naam locatie]gevonden die heeft geleid naar een nieuwsbericht getiteld ‘Bewoners bedreigd met vuurwapen bij woningoverval [naam locatie] in Berkel en Rodenrijs’ (zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 116). En in de telefoon van de verdachte zelf werd een nieuwsbericht gevonden over de overval op de juwelier op 8 juli 2025 van de website politie.nl met als titel:vier mannen aangehouden op verdenking van gewapende overval op juwelier te Rotterdam(zaaksdossier [dossiernaam 1] , p. 403), wat laat zien dat de verdachte naar nieuws over de overval zoekt.Dit laat naar het oordeel van de rechtbank voldoende zien dat de nieuwsberichten over de woningoverval op 4 juli 2025 die de verdachte naar eigen zeggen heeft bekeken moeten hebben vermeld dat er sprake is geweest van een gewapende overval. Dat brengt mee dat de verdachte bij het aanzetten tot de overval op de juwelier op 8 juli 2025, die in elk geval door een deel van dezelfde daders zou worden uitgevoerd, ook willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat opnieuw een (vuur)wapen zou worden gebruikt.\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman met betrekking tot het tenlastegelegde onder 4, dat sprake zou zijn van een tweetal vormverzuimen. De verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij twee gewapende overvallen. Dit gegeven was voldoende aanleiding voor een doorzoeking als bedoeld in artikel 49 van de Wet wapens en munitie van de hotelkamer waarin hij werd aangehouden. De officier van justitie heeft met betrekking tot de inbeslagname van de telefoon en het onderzoek in de telefoon ter zitting het bevel en de beslissing van de rechter-commissaris verstrekt op dit punt (Landeck). Dit maakt dat het standpunt hiermee voldoende onderbouwd is weersproken.\n\n2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\n1\n\nprimair[medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] op 8 juli 2025te Rotterdam, tezamen en in vereniging diverse sieraden en\u002Fof displays, die geheel of ten dele aan Juwelier [naam juwelier] en\u002Fof [slachtoffer 1] , toebehoorde(n)hebbenweggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en omstanders, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - met behulp van hamers de glazen voordeur eneenraam van het pand\u002Fde juwelier in te slaan en - een vuurwapen op omstanders te richten, en - gekleed in gezichtsbedekkende kleding het pand te betreden, en - de glazen toonbank met behulp vaneenhamer, in te slaan, en - (vervolgens) tassen te vullen met displays en sieraden\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 25 juni 2025 tot en met 8 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof Belgiëtezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft uitgelokt door misbruik van gezag, bedreiging en het verschaffen van inlichtingen, te weten door, - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om een vluchtauto te regelen en om samen met anderen de overval te plegen en\n\n- de locatie van de overval en de datum\u002Fhettijdstip van de overval door te geven, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mokers en\u002Fof handschoenen aan te schaffen en\u002Fof geld te geven voor die aanschaf en\u002Fof een foto te sturen aan die [medeverdachte 2] van de moker die die [medeverdachte 2] moest halen, en - (via Signalberichten) die [medeverdachte 2] opdracht te geven om mededader(s) op te halen - en daarbij adressen te delen- en\u002Fof af te zetten in Rotterdam en - die [medeverdachte 2] te zeggen dat hij klaar moest staan;\n\n2 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer 3] hebben gedwongen tot de afgifte van meerdere armbanden en eenketting die aan die [slachtoffer 3] toebehoorden door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is, en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n3\n\nprimair[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] en (een) onbekend gebleven perso(o)n(en) op 4 juli 2025 te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland tezamen en in vereniging, meerdere armbanden eneenketting en meerdere horloges en meerdere telefoons die geheel aan [slachtoffer 3] toebehoorden hebben weggenomen met het oogmerk omdiezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaanenvergezeld van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en\u002Fof haar kinderen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - de voordeur van de woning van die [slachtoffer 3] open te duwen en (vervolgens) naar binnen te gaan, gehuld in gezichtsbedekkende kleding, en - die [slachtoffer 3] bij de keel vast te pakken, en - (vervolgens) “money, money” te roepen naar die [slachtoffer 3] en tegen haar kinderen te zeggen dat zij, [slachtoffer 3] , geld dan wel waardevolle spullen moest afgeven, en - (vervolgens) die [slachtoffer 3] en haar kinderen te instrueren om tussen mededadersin naar boven te lopen, en - (vervolgens) armbanden eneenketting en horloges uit de (lades in de) slaapkamers te pakken,\n\nwelk strafbaar feit hij, verdachte, in de periode van 16 juni 2025 tot en met 4 juli 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en doormisbruik van gezag en het verschaffen van inlichtingen, te weten door - (via Signalberichten) [medeverdachte 1] opdracht te geven om een chauffeur te zoeken voor de overval en aan die [medeverdachte 1] te vragen wie de chauffeur is en - (via Signalberichten) de uitvoerders te laten weten dat er een aanzienlijk geldbedrag in de woning ligt;\n\n 4 hij in de periode van9 september 2025 tot en met 13 september 2025 te Goor, althans in Nederland en\u002Fof België, heeft gepoogd om een ander, te weten een onbekend gebleven persoon onder de Signalnaam ' [accountnaam] ' door beloften endoor het verschaffen van inlichtingen te bewegen om een misdrijf, te weten het medeplegen van een diefstal met geweld in een woning, artikel 312 jo. artikel 47 Wetboek van Strafrecht, op 15 september 2025 te Berkel en Rodenrijs, waarbij de uitlokkingsmiddelen bestaan uit: - het via Signal benaderen van Signal-gebruiker ' [accountnaam] ', met de tip dat een aanzienlijk geldbedrag voorhanden is in (een kluis in) een woning in Berkel en Rodenrijs (van een Syrisch gezin dat drie juwelierszaken heeft), en - (via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen dat hij, verdachte, hiervoor \"spelers nodig\" heeft, en - (vervolgens, via Signal) tegen die ' [accountnaam] ' te zeggen hoe de taken voor de te plegen overval worden verdeeld\u002Fverdeeld zijn en\u002Fof dat de buit eerlijk zal worden verdeeld en\u002Fof dat de uitvoerders de buit op een plek zonder camera's moeten achterlaten, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' een datum\u002Ftijdstip van de te plegen overval af te spreken, en - (via Signal) aan die ' [accountnaam] ' een filmpje te sturen van een kluis en\u002Fof daarbij te zeggen dat er een aanzienlijk geldbedrag in moet liggen, en - (via Signal) met die ' [accountnaam] ' af te spreken dat de overval \"aankomende maandag\" zal plaatsvinden.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n1\n\nprimair\n\nhet medeplegen van uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nDe eendaadse samenloop van\n\n2\n\nuitlokking van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\nen van\n\n3\n\nprimair\n\nuitlokking van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen\n\n4\n\npoging tot uitlokking van diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar met aftrek van het voorarrest.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVolstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk deel ten behoeve van bijzondere voorwaarden.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft als amper 18-jarige jongen tweemaal een gewelddadige overval uitgelokt waarbij waardevolle spullen door diefstal met geweld dan wel door afpersing met geweld, zijn weggenomen. [slachtoffer 3] en haar twee jonge kinderen zijn op klaarlichte dag overvallen in hun eigen woning in Berkel en Rodenrijs. De uitvoerende daders hebben haar met een vuurwapen gedwongen haar sieraden af te doen en sieraden en telefoons weggenomen uit de woning. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het inlichten van de uitvoerders over de buit in de woning en de uitvoerders een groot geldbedrag in het vooruitzicht stellen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij na de woningoverval de buit samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft opgehaald.\n\nEnkele dagen later is [slachtoffer 1] op klaarlichte dag overvallen in haar juwelierszaak in Rotterdam waar zij op dat moment aanwezig was met haar vriendin [slachtoffer 2] . De uitvoerende daders hebben met geweld de deur opengebroken en vervolgens de juwelierszaak vrijwel volledig vernield om zo sieraden weg te kunnen nemen. Een van de daders had een vuurwapen en heeft daarmee ook gericht op omstanders. De door de verdachte uitgevoerde uitlokkingshandelingen bestonden uit: het opdrachtgeven aan een medeverdachte om een vluchtauto te regelen, handschoenen en mokers te kopen en de uitvoerders op te halen, het adres delen en tegen de medeverdachte zeggen dat hij klaar moest staan. Ook bij deze overval heeft de verdachte na afloop de buit opgehaald.\n\nVervolgens heeft de verdachte enkele maanden later gepoogd opnieuw een overval uit te lokken in de woning van [slachtoffer 3] door aan een derde via Signal informatie te verstrekken over een mogelijke buit.\n\nHet behoeft geen betoog dat de door de verdachte uitgelokte delicten voor de slachtoffers zeer traumatische en angstaanjagende ervaringen zijn geweest. Algemene ervaringsregels leren dan ook dat slachtoffers van delicten zoals bewezenverklaard nog lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. De ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] laten dat ook zien, net als de beschrijvingen van hoe het met [slachtoffer 3] en haar kinderen gaat. Daarnaast maken dergelijke feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde en nemen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hierdoor toe.\n\nDe verdachte heeft op zitting verklaard dat hij spijt heeft van de gepleegde delicten. De rechtbank hoopt dat de verdachte daadwerkelijk inziet dat het plegen van dit soort delicten de slachtoffers veel schade berokkent.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 5 mei 2026 blijkt dat de verdachte weliswaar eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een vermogensdelict, maar dat dit gaat om een feit dat is gepleegd voor de feiten waarvoor hij nu terechtstaat en dat daarna tot een vonnis heeft geleid. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf en de rechtbank houdt daarmee op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening bij de strafoplegging.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Reclassering Nederland van 8 juni 2026 staat het volgende.\n\nDe reclassering beschouwt de verdachte als een deels bekennende verdachte. Het aandeel in het geheel dat hij erkent is significant minder dan wat hem wordt verweten. In de delictplegingen had hij een financiële motivatie en was hij louter gericht op eigen financieel gewin, zonder daarbij stil te staan bij mogelijke gevolgen voor slachtoffers. De verdachte komt vanaf veertien jarige leeftijd met justitie in aanraking. Daarbij is sprake van verschillende typen delictgedrag, wat over het algemeen een ongunstige voorspeller is voor recidive. Delictgerelateerde risicofactoren zijn gelegen het psychosociaal functioneren, houding, financiën en het sociaal netwerk. Algemene risicofactoren betreffen de wisselende huisvestingssituatie voorafgaand aan de arrestatie. Beschermende factoren zijn het contact met zijn moeder en de mogelijkheid tot huisvesting bij haar in Goor. In hoeverre dagbesteding behoort tot een risicofactor of een beschermende factor kunnen wij op dit moment niet beoordelen. In het contact met de reclassering stelt de verdachte zich coöperatief en vriendelijk op. Hij zegt zijn medewerking aan een toezicht met bijzondere voorwaarden toe. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.\n\nGeadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden; een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachten en de slachtoffers en het vinden van dagbesteding.4.3.3.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Voor dit soort strafbare feiten worden in beginsel lange gevangenisstraffen opgelegd. Cumulerend zou dit kunnen leiden tot een gevangenisstraf van zes of zeven jaar. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of een dergelijke lange gevangenisstraf passend is in de onderhavige zaak. De verdachte was ten tijde van de feiten volwassen, maar nog zeer jong. Op de terechtzitting heeft hij meerdere keren zijn oprechte excuses gemaakt en heeft hij verklaard dat hij zich realiseert - nu hij langere tijd in detentie heeft verbleven - hoe fout zijn daden zijn geweest. Hij heeft de rechtbank laten weten dat hij definitief wil afrekenen met zijn criminele verleden en een ander pad wil bewandelen in zijn leven. De raadsman heeft verzocht om een lagere gevangenisstraf op te leggen, omdat ‘dit zieltje misschien nog niet verloren is. De rechtbank sluit zich daarbij, kijkend naar de houding van de verdachte op de terechtzitting, aan en spreekt de hoop en verwachting uit dat de verdachte zijn leven daadwerkelijk een positieve wending zal geven. Gelet hierop zal de rechtbank een gevangenisstraf van vier jaar opleggen.\n\n De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vorderingen van de benadeelde partijen5.1.. \n\nVorderingen\n\n [benadeelde 1]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 11.247,21 als vergoeding voor materiële schade en € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 2]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 3]\n\n heeft als benadeelde partij voor de feiten 2 en 3 € 9.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 4]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.250,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.\n\n [benadeelde 5]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 83.950,60 als vergoeding voor materiële schade en € 2.000,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen kunnen geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe immateriële schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk verklaard worden dan wel sterk gematigd worden, omdat het geweldsaspect niet bewezen kan worden en de mentale gevolgen voor de benadeelden vooral verband houden met het gepleegde geweld.\n\nDe waarde van de weggenomen goederen uit de juwelierswinkel van [benadeelde 5] bedroeg slechts € 2.000,-.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\n [benadeelde 1]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 2 en 3 gepleegde strafbare feiten. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en door de huisarts is aangemeld bij een GGZ in verband met PTSS. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.2.. \n\n [benadeelde 2]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij angst- en paniekklachten heeft ontwikkeld en herbelevingen heeft. Zij is doorverwezen naar een instantie die haar psychologische hulp zal aanbieden. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.3.. \n\n [benadeelde 3]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van de strafbare feiten onder 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in zijn persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat hij ernstige mentale problemen heeft sinds het misdrijf. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 9.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.4.. \n\n [benadeelde 4]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft de vordering niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij na de overval kampt met ernstige psychische klachten, waaronder angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.250,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt toegewezen.5.4.5.. \n\n [benadeelde 5]\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdachte heeft de vordering betwist en gemotiveerd gesteld dat er enkel € 2.000,- aan sieraden is weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor zover deze ziet op het ‘huurdersbelang’ voldoende is onderbouwd. De benadeelde partij heeft onbetwist gesteld dat zij de btw niet meer kan verrekenen, zodat het schadebedrag inclusief 21% btw toegewezen wordt. Dat is een bedrag van in totaal € 10.527,-. Het overige deel van de vordering tot materiële schadevergoeding (de sieraden en de inventaris) is boven het bedrag van € 2.000,- niet eenvoudig te beoordelen. Dit deel is onderbouwd met een expertiserapport, aangevuld met kasboeken en facturen. Echter roepen deze stukken vragen op over de gemaakte schadeberekening. Daarvoor is nadere bewijslevering nodig, wat zou betekenen dat de strafzaak zou moeten worden aangehouden. Dat zou in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Aangezien de verdachte heeft erkend dat het schadebedrag van de weggenomen sieraden (ten minste) € 2.000,- is, wijst de rechtbank een bedrag van € 12.527,- toe (= € 10.527,- plus € 2.000,-). Voor het meer gevorderde wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De verdediging heeft de vordering op dit punt niet betwist. De benadeelde partij is op andere wijze in haar persoon aangetast. Uit de onderbouwing blijkt dat zij sinds de overval kampt met ernstige psychische klachten, bestaande uit slaapklachten, angstgevoelens en herbelevingen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 2.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. De vordering wordt op dit punt toegewezen.5.4.6.. \n\nHoofdelijke veroordeling, wettelijke rente, proceskosten en de schadevergoedingsmaatregel\n\nDe verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] de wettelijke rente toe vanaf 4 juli 2025. De rechtbank wijst voor de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 5] de wettelijke rente toe vanaf 8 juli 2025.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zullen maken, omdat de vordering van de benadeelde partijen (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de Staat moet betalen en de Staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46a, 47, 55, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd en spreekt hem van het overige vrij;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar;\n\nbeveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVorderingen benadeelde partijen\n\n [benadeelde 1]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 20.247,21 bestaande uit € 11.247,21 als vergoeding van materiële schade en € 9.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.247,21te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal125 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 2]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 3]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feiten 2 en 3), te betalen een bedrag van € 9.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor de feiten 2 en 3 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 9.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal70 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 4]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 1.250,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 1.250,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal12 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\n [benadeelde 5]\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 14.527,- bestaande uit € 12.527,- als vergoeding van materiële schade en € 2.000,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader(s) (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 14.527te betalen, en de wettelijke rente vanaf 8 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal97 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nproceskosten\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. L. den Teuling en F. van Laanen, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nMr. F. van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nUitspraken van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:245 en van 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2849.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossiers [dossiernaam 1] en [dossiernaam 2] .\n\n Uit Tekst & Commentaar Sr, aantekening 11 bij artikel 46a Sr zou kunnen worden afgeleid dat volgens de auteurs uitlokking niet strafbaar is als de uitvoering in de voorbereidingsfase is blijven steken. Uit het wettelijk stelsel dient te worden afgeleid dat dit alleen het geval is, indien die voorbereiding niet strafbaar is en dat is het geval bij uitlokking tot een misdrijf waarop een gevangenisstraf is gesteld van minder dan acht jaar, zie artikel 46 Sr.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7942","2026-07-13T00:29:30.407Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":58},"1437","ECLI:NL:RBROT:2026:7931","ecli-nl-rbrot-2026-7931","2026-06-30T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-219328-24\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nDatum zitting: 16 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte], geboren op [geboortedatum] 2004 in [geboorteplaats], ingeschreven op het adres: [adres], [postcode] in [plaatsnaam].\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. F. El Makhtari\n\nOfficier van justitie: mr. K.L. Rook\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging door samen met een vriend meermaals tegen het lichaam en hoofd van de aangever te schoppen, die op dat moment op de grond lag. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 80 uren, met aftrek van voorarrest.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel openlijk geweld heeft gepleegd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) houdt in dat:\n\nprimair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Rotterdam, openlijk, te weten op\u002Faan de Lijnbaan, in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en\u002Fof het lichaam te schoppen.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit en moet worden veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De verdediging heeft zich ten aanzien van het meer subsidiaire feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak poging doodslag (primair)\n\nDe beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.2.3.2.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen (subsidiair)\n\nBewezen is dat de verdachte samen met een ander heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer]. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.\n\n1. Verklaring van de verdachte\n\nOp 7 juli 2024 was ik samen met een vriend op de Lijnbaan in Rotterdam. Wij hebben een man geschopt. U, jongste rechter, toont de camerabeelden. Het klopt dat ik de persoon op de beelden ben met de capuchon op. U, jongste rechter, houdt mij voor dat ik de aangever drie keer zou hebben geschopt. Dat klopt.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van [slachtoffer]\n\nOp 7 juli 2024 ben ik op de Lijnbaan in Rotterdam tegen mijn hoofd geschopt. Dit was door twee mannen.\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nCamerabeelden Team Technisch Toezicht (Rotterdam Centrum, 7 juli 2024)\n\nVerdachte 2 had een capuchon op zijn hoofd. Ik zag verdachte 1 onder de luifel vandaan komen en het slachtoffer op de grond vallen. Ik zag dat verdachte 1 zijn rechterbeen met hoge snelheid tegen het lichaam of hoofd van het slachtoffer aan schopte. Vervolgens zag ik dat verdachte 1 zijn rechterbeen optilde en deze met snelheid op het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de voet van verdachte 1 de zijkant van het hoofd van het slachtoffer raakte, waardoor het hoofd van het slachtoffer op de grond terecht kwam en terugkaatste. Ik zag dat verdachte 2 zijn linkerbeen optrok en met snelheid richting het lichaam van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de voet van verdachte 2 op het lichaam ter hoogte van de rechterbil van het slachtoffer kwam. Ik zag dat verdachte 1 nogmaals zijn rechterbeen naar achteren bewoog en met snelheid richting het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de rechtervoet van de verdachte het gezicht van het slachtoffer raakte. Ik zag dat het hoofd van het slachtoffer hierna naar achteren bewoog. Ik zag dat verdachte 2 zijn linkerbeen naar achteren en omhoog bewoog om vervolgens met snelheid richting het lichaam van het slachtoffer te bewegen. Ik zag dat de linkervoet van verdachte 2 op het lichaam van het slachtoffer belandde ter hoogte van zijn rechterschouder. Ik zag dat verdachte 1 nogmaals zijn been naar achteren bewoog en op korte afstand met hoge snelheid richting het hoofd van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat verdachte 1 zijn voet tegen het lichaam van het slachtoffer aankwam, ik zag niet waar dit op het lichaam was alleen dat het aan de bovenzijde van romp zou was.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nhij op 7 juli 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermaals op\u002Ftegen het gezicht, het hoofd en het lichaam heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 subsidiair\n\nmedeplegen van een poging tot zware mishandeling\n\n3.2.. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte3.2.1.. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer. De aangever heeft de confrontatie met de verdachte en zijn vriend opgezocht. Daartegen mochten zij zich verdedigen. De geweldshandelingen waren noodzakelijk en proportioneel. Mocht de rechtbank de geweldshandelingen niet proportioneel achten, dan doet de verdediging een beroep op noodweerexces. Bij de verdachte was namelijk sprake van een hevige gemoedsbeweging ten tijde van de geweldshandelingen.3.2.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVolgens de officier van justitie is er inderdaad sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de aangever waartegen verdediging noodzakelijk was. Deze verdediging was echter niet proportioneel gebleken. Het beroep op noodweer kan daarom niet slagen. Daarnaast is het bestaan van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte ten tijde van de geweldshandelingen niet aannemelijk geworden, waardoor het beroep op noodweerexces evenmin kan slagen.3.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVoor een beroep op noodweer is allereerst vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging noodzakelijk was. Op basis van de camerabeelden en de verklaring van de verdachte op de zitting stelt de rechtbank vast dat de aangever als eerste de confrontatie heeft opgezocht door met beide armen naar voren gestoken op de vriend van de verdachte af te lopen en hem te duwen. De vriend van de verdachte heeft vervolgens de aangever teruggeduwd, waardoor de aangever op de grond is gevallen. Vrijwel direct daarna heeft de aangever het been van de vriend van de verdachte vastgepakt en vastgehouden. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangever, waartegen de verdachte en zijn vriend zich mochten verdedigen. Voor een beroep op noodweer is evenwel vereist dat de verdediging proportioneel was. Op de duw door de aangever is gereageerd door terug te duwen, waardoor de aangever op de grond viel. Dat handelen is op zichzelf niet disproportioneel. De verdachte en zijn vriend hebben vervolgens echter de aangever, die op dat moment de grond lag en het been van de vriend van de verdachte vasthad, meermalen met hoge snelheid tegen het hoofd en lichaam geschopt. De rechtbank vindt dat deze geweldshandelingen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.\n\nHet beroep op noodweerexces kan evenmin slagen, nu niet aannemelijk is geworden dat bij de verdachte op het moment dat hij de aangever schopte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De stellingen van de verdachte dat hij in paniek was, dat de aangever een brede man met tatoeages is en je in Rotterdam nooit weet of iemand “iets” (de rechtbank begrijpt: een wapen) bij zich heeft, bieden daarvoor onvoldoende basis. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.\n\nHet feit en de verdachte zijn daarom dus strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nBij een strafoplegging wordt verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling in vereniging. Een vriend van de verdachte is in conflict geraakt met de aangever en heeft hem – nadat hij zelf werd geduwd – op de grond geduwd. Toen de aangever vervolgens het been van de vriend van de verdachte vastpakte, hebben de verdachte en zijn vriend fors fysiek geweld gebruikt. De verdachte en zijn vriend hebben de aangever, die op dat moment nog op de grond lag, meerdere keren geschopt tegen zijn lichaam en op zijn hoofd. Hoewel de rechtbank oog heeft voor het feit dat de aangever in eerste instantie de confrontatie heeft opgezocht, waren deze geweldshandelingen buitenproportioneel en dit levert een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de aangever op. Bovendien zorgt dergelijk geweld voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, te meer nu het geweld heeft plaatsgevonden op de openbare weg, in het uitgaansgebied in het centrum van Rotterdam.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad van 21 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nIn het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 22 mei 2026 staat onder meer het volgende. Indien de verdachte wordt veroordeeld ziet de reclassering in het delict enige signalen van beperkte probleemoplossende vaardigheden. De verdachte komt sindsdien echter niet meer in aanraking met justitie. De reclassering acht het mogelijk dat het sociaal netwerk een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van zijn (delict)gedrag. De verdachte lijkt de schuld van het delict bij de aangever te leggen. De reclassering ziet hierdoor enige risico’s in zijn houding. In het leven van de verdachte is stabiliteit. Hij heeft vaste huisvesting, een vaste dagbesteding en een vast inkomen. Er is geen sprake van een schuldenlast, anders dan een studieschuld. Hij heeft een vriendin, woont bij zijn moeder waarmee hij een goede relatie heeft en heeft een baan als bezorger voor een apotheek. De verdachte heeft geen hulpvragen. De reclassering ziet beperkte risico’s op herhaald (delict)gedrag en acht reclasseringstoezicht niet noodzakelijk. Bij een veroordeling adviseert de reclassering dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft geen VOG gekregen door deze verdenking, waardoor zijn beoogde baan als glasvezelmonteur geen doorgang kon vinden. Hiervoor had hij al certificaten en cursussen behaald, waarvoor hij zo’n € 1.500,- euro heeft betaald.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de rol daarin van de aangever, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte (waaronder zijn jonge leeftijd), het tijdsverloop sinds het feit is gepleegd en het feit dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie, zal geen gevangenisstraf worden opgelegd. Gelet op de ernst van het strafbare feit acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke taakstraf wel passend en geboden. Een geheel voorwaardelijke taakstraf – zoals door de verdediging is verzocht – wordt gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit niet passend geacht. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten. Gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, alsmede de gevolgen die de verdachte al heeft ondervonden van de strafzaak, zal de rechtbank een lagere taakstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt een taakstraf van 80 uur op, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.5. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.6. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van 2 (twee) uur per dag, zodat 74 (vierenzeventig) uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.7. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. E. IJspeerd, voorzitter,\n\nen mrs. J.A. Terstegge en B.R.D. Hoebeke, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.S. Brouwer, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 juni 2026.\n\nMrs. Terstegge en Hoebeke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [nummer].\n\n Verklaard tijdens de zitting van 16 juni 2026.\n\n Pagina 82.\n\n Pagina’s 34-36.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7931","2026-07-13T00:29:20.979Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":41,"updatedAt":67},"1813","ECLI:NL:RBROT:2026:7836","ecli-nl-rbrot-2026-7836","2026-06-26T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-244831-23\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak zonder aanwezigheid van de verdachte\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. B.F. van Es\n\nOfficier van justitie: mr. L.C. Visser\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde straatroof, dan wel de poging daartoe. Hij wordt ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uur met een proeftijd van 1 jaar. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijke toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er primair van dat hij - samengevat – een telefoon en een geldbedrag met geweld heeft gestolen van [slachtoffer] , subsidiair dat hij daartoe een poging heeft gedaan. Meer subsidiair wordt dit feit aan de verdachte als mishandeling van de aangever ten laste gelegd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\n1\n\nprimair\n\nhij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, een telefoon van het merk Samsung en\u002Fof een geldbedrag van totaal 250,- euro, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en\u002Fof gemakkelijk te maken, en\u002Fof om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] te grijpen, - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] te trekken en\u002Fof te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, - de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] te trekken, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan;\n\nsubsidiairhij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een telefoon van het merk Samsung en\u002Fof een geldbedrag van 250,- euro, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en\u002Fof te doen volgen van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, - onverhoeds het geld uit de handen van die [slachtoffer] heeft gegrepen, - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrokken en\u002Fof heeft geduwd waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen, - de telefoon van het merk Samsung uit de jaszak van die [slachtoffer] heeft getrokken, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair:hij op of omstreeks 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] : - aan\u002Ftegen de jas, althans het lichaam te trekken en\u002Fof te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam, - een of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en\u002Fof - met een telefoon tegen het hoofd te slaan.2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primaire ten laste gelegde feit. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat de verdachte slechts zijn eigen telefoon heeft teruggepakt toen de aangever weigerde het bij de verkoop afgesproken bedrag te betalen en ontkent daarbij geweld te hebben gebruikt. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVrijspraak primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit\n\nOp 4 april 2023 hadden de verdachte en de aangever met elkaar afgesproken in Rotterdam voor de verkoop van een telefoon. Daar zijn zij met elkaar in een worsteling geraakt. Dit blijkt uit de camerabeelden van de Albert Heijn, uit verklaringen van getuigen en uit de aangifte. De aangever heeft verklaard dat de verdachte tijdens deze worsteling de telefoon die verdachte aan hem zou verkopen, een deel van het bedrag (€ 250,00) dat de aangever daarvoor zou betalen en de eigen telefoon van de aangever heeft meegenomen. De getuigen verklaren niet over het wegnemen van goederen en is dit ook niet zichtbaar op de camerabeelden. De goederen zijn naderhand ook niet bij de verdachte aangetroffen. Daarmee vindt de verklaring van de aangever ten aanzien van de (poging tot) diefstal onvoldoende steun in het dossier. De rechtbank merkt in dit verband op dat de aangever bij zijn vordering tot schadevergoeding een andere toedracht schetst dan in zijn aangifte volgt en aangeeft dat hierbij naast de verdachte ook andere personen betrokken zouden zijn. Bij deze stand van zaken zal de verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.2.3.2.. \n\nBewezenverklaring meer subsidiaire ten laste gelegde feit en bewijsmiddelen\n\nBewezen is dat de verdachte op 4 april 2023 [slachtoffer] heeft mishandeld. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4. Deze bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politieOp 4 april 2023 te Rotterdam voelde ik dat de man aan mij trok, waardoor ik mijn evenwicht verloof en op de grond viel. Er ontstond een soort gevecht tussen ons. Ik heb door de worsteling meerdere schrammen op mijn handen opgelopen. Ik heb ook mijn knie opengehaald. Ik kan u vertellen dat mijn beide knieën pijn doen. Ik heb ook pijn aan de achterzijde van mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Het slachtoffer verklaarde dat hij op 4 april 2023 een afspraak had gemaakt voor de aankoop van een telefoon op Facebook Marketplace met de aanbieder ' [schermnaam] '. Ben jij dat?\n\nA: Dat ben ik.\n\n3. Proces-verbaal van de politieIk zag toen dat die man die schreeuwde de andere man ene klap gaf en toen ontstond er een soort vechtpartij.\n\n4. Proces-verbaal van de politieOp afbeelding 6 is zichtbaar dat de verdachte zijn arm ineens uitstrekt in de richting van de aangever. Op afbeelding 7 is zichtbaar dat er een worsteling ontstaat tussen de aangever en de verdachte. Op afbeelding 8 is zichtbaar dat de verdachte in tegenovergestelde richting van de aangever wegrent.2.3.3.. Bewijsmotivering meer subsidiair ten laste gelegde feit\n\nHet staat vast dat er een ruzie is geweest en dat de verdachte daarbij geweld heeft gebruikt. Hij heeft aangever geslagen en tegen de grond geduwd. Het letsel van de aangever bestaat uit schrammen aan de handen en letsel aan de knie. Daarbij is ook zijn broek beschadigd. De verklaring van aangever, dat de verdachte hem met een telefoon op zijn achterhoofd heeft geslagen, vindt geen steun in het dossier. De verdachte zal daarom van dit gedeelte van de ten laste gelegde mishandeling partieel worden vrijgesproken.2.3.4.. Volledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 meer subsidiair\n\nhij op 4 april 2023 te Rotterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] :\n\n- aan het lichaam te trekken of te duwen waardoor die [slachtoffer] ten val kwam,\n\n- tegen het lichaam te slaan.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 meer subsidiair: mishandeling\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het meer subsidiaire feit\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor het primair ten laste gelegde feit worden veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring een straf op te leggen die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, gelet op zijn slechte psychische conditie in de ten laste gelegde periode en de overschrijding van de redelijke termijn.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft de aangever op straat mishandeld door hem te duwen en te slaan en heeft hierdoor pijn en letsel bij hem veroorzaakt. Ook heeft hij maatschappelijke onrust veroorzaakt, omdat het incident overdag plaatsvond voor een supermarkt waar op dat moment meerdere mensen aanwezig waren die getuige waren van het incident.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 11 mei 2026 blijkt dat de verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsfeit. Echter heeft dit zich na het ten laste gelegde feit afgespeeld en kan dit daarom niet gelden als recidive. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank houdt rekening met het feit dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit met psychische problemen kampte en voor deze psychische klachten werd behandeld in het kader van een zorgmachtiging.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 1 juli 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst is gehoord door de politie. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna drie jaar verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met deze termijnoverschrijding door aan de voorwaardelijk op te leggen taakstraf van na te noemen duur een verkorte proeftijd van één jaar te verbinden.4.3.4.. Oplegging straf\n\nStraf\n\nGelet op de aard en ernst van het strafbare feit is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarom wordt een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uur opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbaar feiten pleegt.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\nDe aangever [benadeelde partij] heeft als benadeelde partij voor het primair tenlastegelegde feit een bedrag van € 1.360,00 gevorderd als vergoeding voor materiële schade, een bedrag van € 20.500,00 voor immateriële schade en € 2.500,00 voor affectieschade van zijn zoon, die volgens de aangever veel last heeft gehad van hetgeen hem is overkomen. Hij heeft verzocht de toe te kennen schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00 euro aan materiële schade en € 75,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat hiervoor onvoldoende onderbouwing is gegeven.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak en omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade, omdat de verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde wordt vrijgesproken en de vordering voor het overige onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk pijn ondervonden en lichamelijk letsel opgelopen. Die schade wordt naar billijkheid begroot op € 100,00. Hierbij is rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid, het verwijt dat de verdachte hierbij wordt gemaakt en de aard en ernst van het letsel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 100,00 moet betalen als vergoeding van immateriële schade De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en nader onderzoek op dit punt een onevenredige belasting zou vormen van het strafgeding.5.4.3.. \n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 april 2023.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primaire en subsidiaire ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiaire ten laste gelegde feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 20 uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat de taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] (ten aanzien van het meer subsidiaire feit), te betalen een bedrag van € 100,00, bestaande uit vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 april 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;\n\ndit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte voor meer subsidiaire feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 100,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 april 2023 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal1 dag. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter,\n\nen mrs. L. Stevens en A.M. Borel Rinkes, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. R.E. Kroon, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n pagina 8 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n pagina 59 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n pagina 27 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n pagina 37 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7836","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.095Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":72,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":73,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":41,"updatedAt":74},"1819","ECLI:NL:RBROT:2026:7839","ecli-nl-rbrot-2026-7839","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-062941-26\n\nDatum uitspraak: 26 juni 2026\n\nDatum zitting: 12 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] ,\n\ngedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfsplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. S.A. Chedie\n\nOfficier van justitie: mr. N. van der Meij\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] tegen het hoofd en lichaam geschopt en zo geprobeerd haar zwaar te mishandelen. De verdachte wordt vrijgesproken van poging tot doodslag van zijn ex-partner en van de vernieling van haar auto.\n\nDe poging tot zware mishandeling is in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nAan de verdachte wordt een gevangenisstraf opgelegd van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Hieraan worden bijzondere voorwaarden verbonden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er – samengevat – van dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven of zwaar te mishandelen en dat hij de auto van die [slachtoffer] heeft beschadigd.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte\n\n1. primair\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en\u002Fof lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en\u002Fof geslagen\u002Fgestompt\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer] aan haar haren te trekken, waardoor zij met haar hoofd tegen het portier bonkte en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] uit de auto te trekken en\u002Fof\n\n- meermaals, althans eenmaal tegen het hoofd en\u002Fof buik en\u002Fof arm, althans het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en\u002Fof slaan\u002Fstompen;\n\n2.\n\nop of omstreeks 1 maart 2026 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield en\u002Fof beschadigd.2. Bewijs \u002F Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat feit 1 primair (poging tot doodslag) wordt bewezen verklaard en dat de verdachte van feit 2 (vernieling) wegens gebrek aan bewijs wordt vrijgesproken. Het standpunt van de officier van justitie zal, indien nodig, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 primair (poging tot doodslag), 1 impliciet subsidiair (poging tot zware mishandeling) en 2 (vernieling). De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 subsidiair (mishandeling) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nHet standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring en bewijsmiddelen (feit 1 impliciet subsidiair)\n\nBewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] . De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.\n\nDe bewezenverklaring van dit feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande nadere bewijsmotivering.\n\n1. Eigen waarneming van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft op zitting de camerabeelden bekeken van het in de tenlastelegging bedoelde incident. De beelden zijn van 1 maart 2026. Op de camerabeelden is te zien dat een man drie keer met zijn geschoeide voet in de richting van een vrouw schopt die op de grond ligt. Bij de derde schop raakt de man de linkerzijde van het hoofd van de vrouw. Die schop vindt plaats met kracht. De man brengt zijn been naar achteren, vervolgens met snelheid naar voren en raakt dan met zijn geschoeide voet de vrouw. Verder is te zien dat daaraan voorafgaande de man de vrouw uit een auto trekt en haar dan meermalen slaat of stompt.\n\n2. Verklaring van de verdachte\n\nOp 1 maart 2026 heb ik in Rotterdam mijn ex-partner [slachtoffer] twee à drie keer getrapt toen zij op de grond lag. Ik herken mijzelf op de op de zitting getoonde camerabeelden die daarvan zijn gemaakt als de persoon die bij de auto staat en schoppende bewegingen naar [slachtoffer] maakt.\n\n3. Proces-verbaal van de politie, verklaring [slachtoffer]\n\nOp 1 maart 2026 ging ik met de auto naar mijn ex-partner [verdachte] in Rotterdam. Ik zag dat [verdachte] naar de auto toeliep. Ik was daarin op hem aan het wachten. Ik zat op de bestuurdersstoel met het raam op een kiertje. [verdachte] kwam en we kregen een discussie.\n\nHet portier ging open en we vielen beiden op straat. Elke keer als ik wilde opstaan voelde ik dat ik een schop van [verdachte] kreeg. Ik ben ook door [verdachte] met zijn vuist geslagen. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij sloeg en ook schopte op mijn hoofd, buik en arm. Ik voelde op dat moment stekende, brandende pijn aan de plekken waar hij sloeg en schopte. Ik kan de hand van mijn linkerarm bijna niet meer bewegen.\n\n4. Deskundigenverslag\n\nMedische informatie betreffende mevr. [slachtoffer] .\n\nInformatie ontvangen van chirurg [ziekenhuis] over beoordeling aldaar op 1 maart 2026.\n\nObjectieve bevindingen: Buil op de linkerzijde van het hoofd. Bloeduitstorting op bovenarm links.2.3.2.. \n\nNadere bewijsmotivering\n\nUit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] tegen haar lichaam heeft geslagen of gestompt en voorts dat hij drie keer met zijn voet in de richting van [slachtoffer] heeft getrapt, terwijl zij op de grond lag. Bij de derde trap is [slachtoffer] op de zijkant van haar hoofd geraakt. [slachtoffer] heeft ook letsel aan de linkerzijde van haar hoofd opgelopen.\n\nDoor zo te handelen bestond naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] zwaar letsel zou oplopen. Het hoofd is immers een zeer kwetsbaar onderdeel van het lichaam, met name de linkerzijde van het hoofd waar zich de linkerslaap bevindt. De verdachte heeft door dit te doen, gelet ook op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan, die aanmerkelijke kans welbewust aanvaard. Er is daarom sprake van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .\n\nDe impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wordt daarom bewezen verklaard.\n\nNiet bewezen kan worden dat er een aanmerkelijke kans was dat door het schoppen door verdachte de aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zou overlijden. Van de impliciet primair tenlastegelegde poging tot doodslag wordt de verdachte daarom vrijgesproken.2.3.3.. \n\nVolledige bewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nFeit 1 impliciet subsidiair\n\nde verdachte op 1 maart 2026 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt en geslagen\u002F gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.2.3.4.. \n\nVrijspraak feit 2 (vernieling)\n\nFeit 2 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nFeit 1 impliciet subsidiair\n\npoging tot zware mishandeling.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit en van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet voor feit 1 primair (poging tot doodslag) worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden die door de reclassering zijn geadviseerd.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nOmdat uitsluitend feit 1 subsidiair (mishandeling) kan worden bewezen is een straf moeten gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zijn ex-partner tijdens een ruzie over het ophalen van hun kind op straat tegen het lichaam geslagen of gestompt. Tevens heeft hij haar, toen zij op de grond lag tegen haar hoofd en lichaam geschopt. Met name het schoppen tegen het hoofd is zeer gevaarlijk. Dit is een ernstig feit waardoor het slachtoffer zwaar gewond had kunnen raken. Er mag van geluk gesproken worden dat het letsel relatief meeviel. De verdachte heeft met zijn handelen het slachtoffer pijn gedaan en haar letsel bezorgd en aldus inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het moet voor haar ook een beangstigende ervaring zijn geweest. Daarnaast zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.\n\nDe verdachte was – naar zijn zeggen – heel erg boos op zijn ex-partner omdat zij hun dochtertje eerder kwam ophalen dan was afgesproken. Hij twijfelde al langere tijd aan het vaderschap van zijn dochtertje en er was de dagen daarna een DNA-onderzoek bij de huisarts gepland. Zijn ex-partner kwam het dochtertje echter ineens eerder ophalen waardoor dat onderzoek niet mogelijk zou zijn. Eerder was het daar ook al niet van gekomen.\n\nWat daarvan ook zij, de wijze waarop de verdachte hierop heeft gereageerd is disproportioneel.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 19 mei 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten. Deze feiten zijn echter langer dan vijf jaar geleden gepleegd. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapporten van psycholoog en de reclassering\n\nIn het NIFP-rapport van psycholoog drs. V.T.G. Arntsvan 22 mei 2026 staat het volgende.\n\nBij de verdachte is sprake van zwakbegaafdheid\u002Feen verstandelijke beperking, mogelijk ADHD en antisociale persoonlijkheidskenmerken. Deze stoornissen hebben een aantal forensisch relevante (gemeenschappelijke) kenmerken die van toepassing zijn voor de verdachte, namelijk problemen met het overzien van complexe situaties, moeite met het oplossen van complexere problemen, een tekortschietende emotie- en agressieregulatie, moeite met het overzien van de gevolgen van gemaakte keuzes en eigen gedrag en gevoeligheid voor stress en ervaren druk. Bij oplopende spanningen en stress kan daardoor sprake zijn van impulsiviteit en agressiedoorbraken. Deze stoornissen zijn langdurig en pervasief van aard en waren aanwezig ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten. Het oplopen van spanningen in deze complexe en emotionele situatie en het escaleren van de situatie in een woededoorbraak en agressie is te verklaren door de aanwezige stoornissen. Indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden geacht, adviseert de psycholoog om deze feiten in een verminderde mate toe te rekenen. De psycholoog schat in dat het risico op acuut geweld laag tot matig is. Het risico op gewelddadig gedrag en letsel op langere termijn is matig -hoog.\n\nGeadviseerd wordt om de verdachte aan te melden bij een forensisch FACT-team waar ruimte is om in eerste instantie laagdrempelig in te zetten en aan te sluiten bij de hulpvragen die de verdachte momenteel vooral heeft op praktisch gebied. Ondersteuning bij het regelen van zijn financiële zaken is van belang, evenals mogelijk toekomstig afspraken en regelzaken omtrent een vaderschapstest en omgangsregeling met zijn dochter. Een behandeling\u002Finterventie gericht op het (anders) leren reguleren van emoties en het omgaan met boosheid is geïndiceerd. Tot slot is het ondersteunen van passende dagbesteding en werk van belang.\n\nIn het rapport van Reclassering Nederlandvan 9 juni 2026 staat het volgende.\n\nEr zijn problemen op de leefgebieden ‘Relatie partner, gezin en familie’ en (mogelijk) ‘psychosociaal functioneren’. De reclassering verwijst hierbij naar het NIFP-rapport van 22 mei 2026. De verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding.\n\nSinds drie jaar wordt de verdachte begeleid vanuit [zorginstelling] . Hij heeft zich hiervoor zelf\n\naangemeld. Hij wordt hier onder andere geholpen bij het regelen van zijn financiën en het zoeken naar werk. De verdachte wil na zijn detentie deze begeleiding graag voortzetten.\n\nBij een veroordeling wordt geadviseerd de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding. De verdachte is bereid mee te werken aan de bijzondere voorwaarden, met uitzondering van de gedragsinterventie.\n\nOp basis van het rapport van de psycholoog drs. V.T.G. Arnts, stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van het strafbare feit zodanig beïnvloedde dat het feit de verdachte in verminderde mate wordt toegerekend.4.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Voor een zware mishandeling door middel van één of meer schoppen\u002Ftrappen tegen het hoofd geldt een uitgangspunt van zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval wordt strafverminderend meegewogen dat het feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend en sprake is van beperkt letsel. Als strafverzwarend wordt meegewogen dat het feit op klaarlichte dag op straat is gepleegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van zes maanden opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\n Aan de voorwaardelijke straf worden de bijzondere voorwaarden verbonden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De bijzondere voorwaarden zijn: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, inspanningsverplichting dagbesteding, en ambulante begeleiding.\n\nDe rechtbank ziet geen reden af te zien van het opleggen van de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden. De verdachte heeft verklaard dat hij in het verleden al vaak dit type trainingen heeft gehad en ziet daarom de noodzaak daarvan niet in. Nu het echter opnieuw tot een geweldsincident is gekomen vindt de rechtbank die gedragsinterventie wel nodig.5. Voorlopige hechtenis\n\nHet bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden opgeheven met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf.6. Vordering van de benadeelde partij6.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij voor alle feiten € 1.929,95 als vergoeding voor materiële schade en € 1.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 651,- als vergoeding voor materiële schade (€ 385,- aan eigen risico ziektekostenverzekering en € 266,- aan gemist inkomen). Ten aanzien van de immateriële schade wordt de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid. De toegewezen schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd en vrijspraak is verzocht voor feit 2.6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade komt enkel het gevorderde eigen risico van € 385,- voor toewijzing in aanmerking. De overige posten dienen te worden afgewezen, aangezien deze onvoldoende zijn onderbouwd en de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2.\n\nDe immateriële schade is niet onderbouwd, maar gelet op het dossier kan wel schade worden vastgesteld. Dit deel van de vordering dient te worden gematigd tot € 250,-.6.4.. Oordeel van de rechtbank6.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het bewezen strafbare feit. De verdediging heeft de vordering ten aanzien van de kosten van het eigen risico niet betwist. De vordering komt in zoverre ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom voor het bedrag van € 385,- toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 385,- als vergoeding voor materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het onderdeel van de vordering dat ziet op de reparatie van de schade aan de auto, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 2 (de beschadiging van die auto). Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nHet deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de oorbellen en het gemiste inkomen, heeft de verdediging betwist. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. De behandeling van dit deel van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom in dit deel niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.6.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.\n\nDie schade wordt naar billijkheid begroot op € 750,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij wordt in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 750,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.6.4.3.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 1 maart 2026.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij grotendeels wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,-.\n\nOm de inningsmogelijkheden voor de benadeelde partij te vergemakkelijken, legt de rechtbank voor het schadebedrag (totaal: € 1.135,-) de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij.\n\nAls dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.7. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.8. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 impliciet subsidiair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nGevangenisstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van zes maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nVoorwaardelijk strafdeel\n\nbepaalt dat twee maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat:\n\n- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, gevestigd aan de Marconistraat 2 te Rotterdam;\n\n2. de verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. Emotieregulatie is een indirect en soms direct onderdeel van de CoVa-training;\n\n3. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur, zo nodig met hulp van een daartoe aangewezen organisatie, dit ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;\n\n4. de verdachte meewerkt aan ambulante begeleiding voor hulp bij praktische zaken door [zorginstelling] of door het FACT, ter beoordeling van de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van die organisatie;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 4 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat:\n\nde verdachte meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\nde verdachte meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nVoorlopige hechtenis\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 1.135,-, bestaande uit € 385,- als vergoeding van materiële schade en € 750,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1 impliciet subsidiair); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 impliciet subsidiair de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 1.135,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.9. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. H. Wielhouwer, voorzitter,\n\nen mrs. L. Feraaune en mr. M.K. Asscheman-Versluis, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.D. Bijl, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 26 juni 2026.\n\nMr. H. Wielhouwer is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer] .\n\n Waargenomen tijdens de zitting van 12 juni 2026.\n\n Verklaard tijdens de zitting van 12 juni 2026.\n\n Pagina’s 5 tot en met 13.\n\n FARR-verklaring, d.d. 4 maart 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7839","2026-07-13T00:29:40.318Z",{"id":76,"ecli":77,"slug":78,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":80,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":82},"1553","ECLI:NL:RBROT:2026:7943","ecli-nl-rbrot-2026-7943","2026-06-24T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099371-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting:10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats]\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. G. Vermaak\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 120 uur op. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .\n\n2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 7 is ter verduidelijking wit omcirkeld.\n\nFoto 2: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 op minuut 28:00 in beeld kwam lopen.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 direct hierna zijn rechterarm optilde, zijn hand tot een vuist balde en met snelheid richting het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze klap raak was. Ik zag dat het slachtoffer een snelle beweging met zijn hoofd naar achteren maakte en naar beneden bewoog.\n\nFoto 8: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 7 op minuut 53:50 naar buiten liep. Ik zag dat het slachtoffer ondertussen al naar overkant van de straat was gelopen. Ik zag dat verdachte 7 met de overige verdachten bij de ingang van [café 1] bleef staan. Ik zag het slachtoffer terug in beeld kwam lopen richting [café 1] . Ik zag dat terwijl het gevecht weer begon bij het slachtoffer, verdachte 7 op minuut 56 nog links in beeld stond.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [café 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [café 2]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nIk was belast met de opsporing van het in dit registratienummer genoemde strafbare feit. In deze zaak zijn er zeven verdachten waarvan er van enkele nog geen identiteitsgegevens bij ons bekend zijn.\n\nIn het proces-verbaal van bevindingen [proces-verbaalnummer 1] wordt gesproken over [persoon A]\n\n . Hierop heb ik op Google gezicht op de naam \" [persoon A] \" en gekeken bij afbeelding resultaten met als doel het vinden van Social Media accounts of foto’s met mogelijke verdachten. Tussen deze resultaten zag ik een foto van een voetbalelftal. Hiervoor verwijs ik naar foto 1 in de aan dit proces-verbaal toegevoegde bijlage. De persoon op de foto op de voorste rij en op de derde plek van links herken ik als zijnde verdachte 7 aan zijn korte bruine haar, de vorm en lengte van zijn gezichtsbeharing en de vorm van zijn ogen.\n\nNa het volgen van de link van de afbeelding werd ik verwezen naar een Twitter account\n\nvan [account] waarop een foto te zien was met een begeleide tekst met daarin een link naar de website: [website] . Ik zag dat er bij de bovengenoemde foto een tekst stond. Een deel hieruit is: \" [tekst] : (…) [verdachte] \".\n\nUit het onderzoek naar de naam: [verdachte] , kwam het volgende: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] (Nederland).\n\nIk zag dat [verdachte] een politiefoto had met nummer : [nummer] (03-01 2015). Ik herken verdachte 7op deze foto aan de vorm van zijn ogen, wenkbrauwen, haar en kaaklijn.\n\n5. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik op 23 december 2023 het slachtoffer tijdens het tweede incident heb geslagen in zijn gezicht. Het klopt dat ik heb verklaard dat ik niet rechtshandig ben, maar op de camerabeelden wel met rechts sla. Het klopt dat ik op de camerabeelden van de [café 2] naar mijn linkerhand kijk. Het kan best dat ik ook met mijn linkerhand heb geslagen.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Waar was jij op 23 december 2022?\n\nA: Ik had 23 december borrel van de zaak.\n\nV: Wat is er precies gebeurd?\n\nA: Toen besloten wij om naar [café 1] te gaan. Ik was toen in [café 1] binnen en [medeverdachte] kwam ook toen naar binnen.\n\nV: Wat zie jij op foto 4?\n\nA: Daar zie ik mijzelf staan.\n\nV: Wie is de persoon in de witte cirkel?\n\nA: Dat ben ik, [verdachte] .\n\nOpmerking van de rechtbank: zie hierboven bewijsmiddel 4, dat is de verdachte 7.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 7. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het tweede incident. Hij heeft het slachtoffer eenmaal heeft geslagen in zijn gezicht.De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het derde incident buiten, nu geen sprake is van een voldoende significante bijdrage.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door het slachtoffer te slaan tijdens het tweede incident. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat de verdachte ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat de verdachte, nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat de verdachte tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen. Hij heeft zich gedurende de incidenten waarop het opsporingsonderzoek en de tenlastelegging zien niet intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrokken. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat hij niet betrokken is geweest bij het eerste incident maakt dit niet anders. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.3.2.. \n\nBeroep op noodweer(exces)\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft zich verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte] . De verdachte heeft geprobeerd [medeverdachte] te verdedigen, nadat [medeverdachte] een kopstoot kreeg van het slachtoffer en de verdachte zag dat [medeverdachte] daardoor gewond was geraakt. Hij schrok hier van en is zich daarom met het gevecht gaan bemoeien, om te sussen. De reactie van de verdachte is proportioneel, omdat de keuze van de gedraging (eenmaal slaan) staat niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.\n\nSubsidiair is door de verdediging een beroep op noodweerexces gedaan, omdat de reactie van de verdachte het gevolg is geweest van een hevige, door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.\n\nMeer subsidiair is een beroep op tardief noodweerexces gedaan. Hoewel de noodweersituatie op het moment dat de verdachte geweld had gepleegd weliswaar was geëindigd, duurde de door de aanval veroorzaakte hevige gemoedsbeweging nog wel voort.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr. Of de verdediging tegen de (veronderstelde) aanranding noodzakelijk en geboden was, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het eerste incident, zoals hierboven omschreven, ontstaat nadat verdachte 1 oog in oog komt te staan met het (latere) slachtoffer, niet doorloopt naar de uitgang maar blijft staan en de confrontatie aangaat met het slachtoffer. Verdachte 1 brengt het slachtoffer in een situatie waardoor deze geen kant op kan, waarna eerst het slachtoffer een kopstootbeweging maakt en verdachte 1 het slachtoffer daarna meerdere malen slaat. Nu de verdachte 1 de confrontatie zo uitdrukkelijk opzoekt kan er van een noodzakelijke verdediging geen sprake zijn. Hetzelfde geldt voor het tweede incident, waarbij het gevecht weer begon nadat het slachtoffer werd aangevallen door meerdere verdachten. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan een beroep op (tardief) noodweerexces reeds om die reden niet slagen. De verdachte is strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, getrapt en geduwd. De verdachte heeft het slachtoffer op twee verschillende momenten meerdere keren (hard) geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 27 december 2023 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. Volgens de reclassering is er geen sprake van een delictpatroon, omdat de verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor openlijke geweldpleging in 2015. De verdachte is sinds deze strafzaak niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De reclassering vindt het gedrag van de verdachte weliswaar zorgelijk en agressief, maar heeft niet de indruk dat er sprake is van agressieproblematiek. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag-gemiddeld. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. De verdachte heeft een partner en werkt nog steeds bij een metaalrecyclingbedrijf.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 28 maart 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst als verdachte is verhoord en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit, de rol die de verdachte daarin gespeeld heeft als hierboven onder 4.3.1 is beschreven en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank - in strafmatigende zin - rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, toepassing geven aan artikel 9a Sr. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien het verzoek om de verdachte te ontslaan in alle rechtsvervolging. Subsidiair wordt verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 15.000,- en de post nader te onderbouwen schade niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de materiële schade refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat vordering ten aanzien van de vliegtickets moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit. Volgens de verdediging blijkt uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde partij zijn vliegtickets weldegelijk kon omboeken. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij niet in staat was om zijn vliegtickets om te boeken gelet op zijn lichamelijk letsel. Ook heeft hij geen vergoeding voor de vliegtickets ontvangen. De rechtbank zal ook de gevorderde kosten die zien op de vliegtickets toewijzen, nu deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de vliegtickets niet kon omboeken, omdat niet duidelijk was wanneer die andere reis plaats zou kunnen vinden gelet op zijn lichamelijk letsel.\n\nDit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de data zoals daarbij genoemd in dat schema tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 164 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Verklaard tijdens de zitting van 10 juni 2026.\n\n Pagina 124 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7943","2026-07-13T00:29:26.805Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":87,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":89},"1555","ECLI:NL:RBROT:2026:7949","ecli-nl-rbrot-2026-7949","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099377-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. C. Karsdorp\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De verdachte wordt schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 2 is ter verduidelijking geel omcirkeld.\n\nFoto 3: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 50:00 richting het midden van het café liep. Ik zag dat verdachte 2 voorbij het slachtoffer liep. Ik zag dat verdachte 2 terugkeek richting het slachtoffer.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat terwijl het slachtoffer geslagen werd, verdachte 2 terugliep richting het gevecht. Ik zag dat verdachte 2 zijn armen om de nek van het slachtoffer sloeg. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte waardoor zijn lichaam op de rug van het slachtoffer terecht kwam. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor richting de grond bewogen.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 en het slachtoffer weer omhoogkwamen. Ik zag dat verdachte 2 zijn rechterarm om de nek van het slachtoffer vouwde. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer op deze manier meetrok naar de rechterzijde van het café. Ik zag dat verdachte 2 hem vasthield terwijl er door een andere verdachte werd geslagen.\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 wegliep door de uitgang op minuut 51:49.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 52:38 terug het café inkwam en richting het gevecht met het slachtoffer aan de rechterzijde van het café liep. Ik zag dat verdachte 2 zich tussen de mensen door duwde en hierna het slachtoffer naar buiten trok.\n\nFoto 8: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 52:44 het slachtoffer uit het café trok.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 2 op minuut 52:49 het slachtoffer omhoogtrok zodat hij op zijn benen stond en een duwende beweging maakte tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor naar voren liep in de richting van [café 2] . Ik zag dat verdachte 2 direct hierna terugliep richting de ingang van [café 1] . Ik zag dat verdachte door de ingang liep en enkele seconden later weer naar buiten liep. Ik zag dat verdachte 2 keek in de richting van het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer overstak naar de overkant van de straat en hierdoor uit beeld liep.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 2 buiten voor de ingang bleef staan. Ik zag dat de overige verdachten naar buiten kwamen lopen. Ik zag dat de verdachten met elkaar in gesprek gingen. Ik zag dat verdachte 2 tijdens dit gesprek met zijn rechterhand wees in de richting waar het slachtoffer heen is gelopen.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag op minuut 55:48 dat verdachte 2 weer bij de ingang van [café 1] ging staan. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 56:12 weer in beeld kwam lopen.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat terwijl boven in beeld weer een gevecht ontstond, verdachte 2 bij de ingang stond. Ik zag dat verdachte 2 omkeek in de richting van het gevecht. Ik zag dat verdachte 2 op minuut 56:30 richting het gevecht liep terwijl hij met zijn rechterarm wees in de richting van het gevecht.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 3]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nIk deed onderzoek naar een openlijke geweldpleging die plaatsvond op vrijdag 23 december 2022 in uitgaansgelegenheid ' [café 1] ' aan de Witte de Witstraat te Rotterdam.\n\nIn het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden onder [proces-verbaalnummer 1] zijn de\n\nverdachten met nummer genoemd en weergegeven in een bepaalde kleur cirkel. Ik\n\nvergeleek de verschillende verdachten met de foto's van de in dit proces-verbaal\n\ngenoemde verdachten en concludeerde daarbij het volgende:\n\nIn proces-verbaal van bevindingen: uitkijken camerabeelden, werd verdachte (2)\n\nweergegeven in een gele cirkel. Ik zag dat de persoon beschreven als verdachte (2) bleek te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1993.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachteV: Waar was jij op vrijdag 23 december 2022 omstreeks 02:00 uur?\n\nA: Op de Witte de Withstraat.\n\nV: Wat zie jij op foto 3?\n\nA: Ik zie mezelf in de gele cirkel.\n\nV: Wat gebeurde er toen?\n\nA: Toen escaleerde het, escaleren in de zin van ik ben er tussen gevlogen, die jongen\n\ndie die kopstoot gaf heb ik naar de grond geworpen, toen werden we overeind gebracht\n\nik weet niet door wie, ik denk door de security. Het was best wel een worsteling want\n\niedereen bemoeide zich ermee. Toen heb ik samen met de security die jongen naar buiten gekregen.\n\nV: Wat heb jij gedaan bij het slachtoffer?\n\nA: Ik heb het slachtoffer beet gegrepen en toen zijn we op de grond gevallen.\n\nV: Op de beelden is te zien dat het slachtoffer werd geslagen. Er is vervolgens te\n\nzien dat jij richting het gevecht liep en met je beide armen het slachtoffer bij de\n\nnek vastpakte. Er is te zien dat je een springende beweging maakt waardoor je op de\n\nrug van het slachtoffer terecht komt. Waarom deed je dat?\n\nA: Ja puur uit nood. Ik wilde die gasten weg hebben.\n\nV: Vervolgens is op beelden te zien dat jij en het slachtoffer weer opstaan. Er is\n\ndan te zien dat jij je rechterarm weer om de nek van het slachtoffer doet en hem op\n\ndie manier meetrekt. Waarom deed je dat?\n\nA: Ja, en dat was echt naar aanleiding van die security.\n\nV: Op de beelden is te zien dat jij het slachtoffer omhoogtrekt en een duw in zijn\n\nrug geeft. Waarom deed je dat?\n\nA: Naja, ik denk een duw in de rug omdat hij naar buiten moest.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 2. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het eerste en tweede incident. Hij heeft verder verklaard dat hij bij het eerste incident het slachtoffer heeft beetgegrepen en dat zij toen op de grond zijn gevallen.Bij het tweede incident heeft hij het slachtoffer wederom beetgegrepen, uit het café meegetrokken en buiten een duw in zijn rug gegeven.De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij in beide situaties slechts de-escalerend heeft opgetreden.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door bij het eerste incident zijn armen om de nek van het slachtoffer te slaan en hem vervolgens mee te trekken. Tijdens het tweede incident heeft de verdachte wederom een significante bijdrage geleverd door het slachtoffer beet te pakken. Verdachte 5 heeft het slachtoffer op dat moment nog meerdere klappen tegen het lichaam gegeven. Daarna heeft de verdachte buiten het café het slachtoffer nog een duw in zijn rug gegeven. Ten slotte heeft hij zich voor de deur van [café 1] naar het slachtoffer gewend en in zijn richting gewezen terwijl kort daarna het derde incident plaatsvond, waar hij bij heeft gestaan. De verdachte heeft aldus tijdens de twee eerste incidenten zelf geweld tegen het slachtoffer uitgeoefend en bij het derde incident blijkt uit het bovenbeschreven gedrag dat hij nog steeds deel van de groep heeft uitgemaakt. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat de verdachte deze geweldshandelingen tegen het slachtoffer zou hebben gepleegd om te de-escaleren maakt dit niet anders. Die omstandigheid is overigens wel relevant voor de beoordeling van de strafwaardigheid van de bewezenverklaarde gedragingen, waarover meer onder paragraaf 4.\n\nAldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.3.2.. \n\nBeroep op noodweer\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft zich bij het eerste incident verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn broer, verdachte 1. De verdachte heeft geprobeerd zijn broer te verdedigen, nadat zijn broer van het slachtoffer een kopstoot kreeg. De verdachte kon zich niet aan de aanranding onttrekken, omdat hij zich bevond in een druk en vol café. Ook bij het tweede incident was sprake van een noodweersituatie, nu er een gevecht gaande was op het moment dat de verdachte het café weer binnenkwam. De reactie van de verdachte is bij beide incidenten proportioneel geweest, omdat de keuze van de gedraging (beetpakken en duwen) niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr. Of de verdediging tegen de (veronderstelde) aanranding noodzakelijk en geboden was, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het eerste incident, zoals hierboven omschreven, ontstaat nadat verdachte 1 oog in oog komt te staan met het slachtoffer, niet doorloopt naar de uitgang maar blijft staan en de confrontatie aangaat met het (latere) slachtoffer. Verdachte 1 brengt het slachtoffer in een situatie waardoor deze geen kant op kan, waarna eerst het slachtoffer een kopstootbeweging maakt en verdachte 1 het slachtoffer daarna meerdere malen slaat. Nu de verdachte 1 de confrontatie zo uitdrukkelijk opzoekt kan er van een noodzakelijke verdediging geen sprake zijn. Hetzelfde geldt voor het tweede incident, waarbij het gevecht weer begon nadat het slachtoffer werd aangevallen door meerdere verdachten. De verdachte heeft in beide gevallen doelbewust besloten om terug te gaan richting de vechtpartij, waarna hij het slachtoffer tot tweemaal toe heeft vast gepakt en meegesleurd om hem vervolgens nog een duw te geven. Het verweer slaagt niet. De verdachte is strafbaar.4. Schuldigverklaring zonder oplegging straf of maatregel4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. Oordeel van de rechtbank4.2.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, geschopt en geduwd. De verdachte het slachtoffer twee keer vastgepakt, hem het café uit getrokken en hem weggeduwd. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.2.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 30 april 2025 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Er zijn geen aanwijzingen voor middelengebruik en agressie- en psychische problematiek. Gelet op de ontkennende houding van de verdachte, onthoudt de reclassering zich van een inschatting van het recidiverisico en het geven van een advies.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte woont samen met zijn partner en twee dochters. Hij werkt in een metaalrecyclingbedrijf en maakt samen met zijn vader en broer deel uit van de directie.4.2.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode ongeveer drie jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.2.4.. \n\nGeen straf en maatregel\n\nHoewel bewezen is verklaard dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging, is de rechtbank ervan overtuigd dat de verdachte heeft gehandeld met goede intenties en heeft geprobeerd te de-escaleren. Mede gelet op deze bijzondere omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de overschrijding van de redelijke termijn, legt de rechtbank geen straf of maatregel aan de verdachte op.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien de bepleite vrijspraak.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze in voldoende mate is onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten is weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk. Dit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nGelet is op de artikelen 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nToepassing 9a Sr\n\nbepaalt dat voor het feit geen straf of maatregel wordt opgelegd;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-2023\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 201 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Pagina 147 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .\n\n Pagina 71 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7949","2026-07-13T00:29:26.927Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":94,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":96},"1551","ECLI:NL:RBROT:2026:7938","ecli-nl-rbrot-2026-7938","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099363-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. W.B.M. Bos\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 40 uur op. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 3 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 3 is ter verduidelijking grijs omcirkeld.\n\nFoto 2: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 3 samen met andere verdachten richting het slachtoffer liepen. Ik zag dat verdachte 3 aan de linkerzijde van het slachtoffer bleef staan. Ik zag dat er een gevecht ontstond tussen de overige verdachten.\n\nFoto 3: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat nadat het gevecht naar de grond verplaatste verdachte 3 zijn gezicht in beeld komen. Ik zag dat verdachte 3 nog rechtop stond.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het gevecht opnieuw begon aan de rechterzijde van het café. Ik zag dat verdachte 3 richting dit gevecht liep. Ik zag dat ondertussen het slachtoffer naar buiten is gesleept. Ik zag dat verdachte 3 op minuut 54:10 door de uitgang naar buiten liep.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 3 buiten bij de groep andere verdachten voor het café ging staan.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag verdachte 3 voorbij de ingang liep en linksboven in beeld stil ging staan. Ik zag dat toen het gevecht bovenin beeld weer begon, verdachte 3 richting het gevecht liep op minuut 56:10.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 3]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van politie\n\nIk was belast met de opsporing van het in registratienummer genoemde strafbare feit. In deze zaak zijn er zeven verdachten waarvan er van enkele nog geen identiteitsgegevens bij ons bekend zijn. Om achter de identiteit van de verdachten te komen maak ik gebruik van openbare bronnen en de politieprocessensystemen.\n\nÉén van de al bekende verdachten betreft verdachte 2, bij ons bekend als\n\n [medeverdachte 1] . Mij is bekend dat verdachte 2 de naam [medeverdachte 1] als roepnaam gebruikt. Hierop heb ik op het online platform Facebook gezocht naar [medeverdachte 1] .\n\nIk heb door de lijst met vriendschappen van [medeverdachte 1] op facebook gekeken. Ik zag het volgende account in deze lijst staan: [verdachte] met een foto welke als Foto 1 is bijgevoegd aan dit proces- verbaal van bevindingen. Op de foto zag ik het volgende:\n\nEen blanke man met kort blond haar, welke opzij is gekamd. Ik zag dat deze man een\n\nbeige jas droeg met een opvallende dubbele kraag in dezelfde kleur. Ik herken deze\n\nman aan de bovengenoemde uiterlijke kenmerken en jas als zijnde verdachte 3.\n\nIk zag dat de jas die verdachte 3 droeg overeenkwam met de jas die [verdachte] op de\n\nbetreffende foto aanhad. Ik zag dat het opvallende kenmerk van de dubbele kraag in de\n\njas ook zichtbaar was op de camerabeelden.\n\nNa onderzoek in de politieprocessensystemen zag ik de volgende gegevens:\n\n [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] (Nederland), en kan ik [verdachte] aanmerken als verdachte.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Waar was jij op 23 december 2022 omstreeks 02:00 uur?\n\nA: Ik was in de Witte de Withstraat. Ik ben bij [café 1] geweest.\n\nV: Wie is de persoon in de grijze cirkel?\n\nA: Dat ben ikzelf, ga ik vanuit. Ik herken mijn jas en een beetje aan mijn haar.\n\nOpmerking van de rechtbank: zie hierboven bewijsmiddel 5, dat is de verdachte 3.\n\nV: Wat gebeurde er toen je zag dat je collega een kopstoot kreeg?\n\nA: Toen heb ik zelf ook iets stoms gedaan. Ik heb me er bemoeid. Ik wilde hem slaan maar ik heb geen idee of ik hem heb geraakt.\n\nV: Wat heb jij gedaan bij het slachtoffer?\n\nA: Ik heb hem geprobeerd een klap te geven nadat hij die kopstoot had gegeven.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 3. Hij heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd het slachtoffer te slaan tijdens het eerste incident.De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, nu hij geen voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door een slaande beweging richting het slachtoffer te maken tijdens het eerste incident. Ook is de verdachte buiten het café nog in het gezelschap van de andere leden van de groep en is hij met zijn medeverdachten achter het slachtoffer aan gelopen nadat verdachte 5 het slachtoffer trapte, waarna voor de derde keer geweld tegen het slachtoffer werd gepleegd. De verdachte heeft zich gedurende de incidenten waarop het opsporingsonderzoek en de tenlastelegging zien niet intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrokken. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat niet kan worden bewezen dat hij tijdens het tweede en derde incident zelf geweldshandelingen heeft gepleegd maakt dit niet anders. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.3.2.. \n\nBeroep op noodweer\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft zich verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van medeverdachte [medeverdachte 2] . De verdachte heeft geprobeerd [medeverdachte 2] te verdedigen, nadat hij een kopstoot kreeg van het slachtoffer.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr. Of de verdediging tegen de (veronderstelde) aanranding noodzakelijk en geboden was, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het eerste incident, zoals hierboven omschreven, ontstaat nadat verdachte 1 oog in oog komt te staan met het slachtoffer, niet doorloopt naar de uitgang maar blijft staan en de confrontatie aangaat met het (latere) slachtoffer. Verdachte 1 brengt het slachtoffer in een situatie waardoor deze geen kant op kan, waarna eerst het slachtoffer een kopstootbeweging maakt en verdachte 1 het slachtoffer daarna meerdere malen slaat. Nu de verdachte 1 de confrontatie zo uitdrukkelijk opzoekt kan er van een noodzakelijke verdediging geen sprake zijn. Hetzelfde geldt voor het tweede incident, waarbij het gevecht weer begon nadat het slachtoffer werd aangevallen door meerdere verdachten.\n\nHet verweer slaagt niet. De verdachte is strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen, gelet op de beperkte rol van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen en geduwd. De verdachte heeft een slaande beweging richting het slachtoffer gemaakt. Door het handelen van de groep waar de verdachte onderdeel van was, hebben zij een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf. Artikel 63 Sr is van toepassing, hetgeen de rechtbank in strafmatigende zin meeweegt.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 17 juni 2024 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. Volgens de reclassering is er geen sprake van een delictpatroon. De verdachte is sinds deze strafzaak niet meer in aanraking gekomen met\n\npolitie en justitie. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte werkt nog steeds in een metaalrecyclingbedrijf.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 28 maart 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst als verdachte is verhoord en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en drie maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit, de beperkte rol die de verdachte daarin gespeeld heeft en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank - in strafmatigende zin - rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom wordt een taakstraf van 40 uur opgelegd.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien de bepleite vrijspraak. Subsidiair wordt naar voren gebracht dat de vordering te laat is ingediend.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk. Dit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-2023\n\n8. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormakers en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 191 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 154 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Pagina 81 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7938","2026-07-13T00:29:26.637Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":101,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":102,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":103},"1543","ECLI:NL:RBROT:2026:7874","ecli-nl-rbrot-2026-7874","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-098783-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.C.A. Schulpen\n\nOfficieren van justitie: mrs. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers. en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt vrijgesproken voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Vrijspraak2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit.2.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe officier van justitie baseert de bewezenverklaring voornamelijk op de beschrijving van camerabeelden van [café] in Rotterdam alwaar een groep mannen waar de verdachte bij hoorde het slachtoffer ernstig heeft mishandeld. De verbalisant die de camerabeelden heeft bekeken heeft geverbaliseerd dat hij de verdachte heeft herkend en dat hij heeft gezien dat de verdachte geweld tegen het slachtoffer heeft gebruikt. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij zichzelf niet herkent op deze beelden en dat hij geen geweld heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging. De rechtbank stelt namelijk vast dat op de camerabeelden moeilijk is vast te stellen wie wie is en dat er sprake is van een chaotische situatie waarin allerlei personen door elkaar bewegen. De rechtbank kan alles afwegende uiteindelijk niet met voldoende zekerheid uitsluiten dat de verbalisant zich heeft vergist en de verklaring van de verdachte klopt dat hij geen geweld heeft gebruikt. De verdachte wordt daarom vrijgesproken.3. Vordering van de benadeelde partij3.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige, nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.3.2.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken.\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten die de verdachte heeft gemaakt bij de verdediging van de vordering, omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.\n\n4. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nVordering benadeelde partij\n\nverklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op nihil.5. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7874","2026-07-13T00:29:26.251Z",{"id":105,"ecli":106,"slug":107,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":108,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":110},"1544","ECLI:NL:RBROT:2026:7875","ecli-nl-rbrot-2026-7875","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-098791-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. M.A. Lubbers\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 240 uur op. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.\n\n2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit ten aanzien van het derde geweldsincident. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 5 is ter verduidelijking groen omcirkeld.\n\nFoto 3: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 op minuut 50:00 richting het midden van het café liep richting het slachtoffer en de andere verdachten. Ik zag dat verdachte 5 aan de rechterzijde van het slachtoffer ging staan, gezien vanuit de camera.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 op minuut 51 een slaande beweging maakte met zijn rechterarm en vuist en deze snel richting het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat de vuist van verdachte 5 tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam. Ik zag dat het slachtoffer direct met zijn hoofd naar achteren bewoog. Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer door een andere verdachte aan zijn nek werd weggetrokken uit het gevecht. Ik zag dat het slachtoffer richting de rechterkant van het café werd getrokken. Ik zag dat de andere verdachte hem nog bij zijn nek vast had, waardoor het slachtoffer omhoog werd gehouden. Ik zag dat verdachte 5 nog vijfmaal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer terwijl hij werd weggetrokken. Ik zag dat deze klappen raak waren doordat het slachtoffer en de andere verdachte op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat verdachte 5 weer terugliep richting het midden van het café. Ik zag dat verdachte 5 keek richting verdachte 1 die aan de linkerzijde van het café stond. Ik zag dat, nadat verdachte 1 een kopstoot beweging in de lucht maakte, verdachte 5 zich omdraaide richting de rechterzijde van het café. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een\n\nsnelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor naar achteren bewoog. Ik zag dat hierna direct het gevecht met het slachtoffer weer begon.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 bij de rest van de verdachten buiten voor het café ging staan. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 56 terug in beeld kwam lopen in de richting van [café 1] . Ik zag dat verdachte 5 richting het slachtoffer liep.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 3]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van politie\n\nIk was belast met de opsporing van het in dit registratienummer genoemde strafbare feit.\n\nIn dit onderzoek waren er nog verdachten en waarvan de identiteit ons nog niet\n\nbekend was. Dit betrof verdachte 5.\n\nOp 27 maart 2023 zijn verdachte 1, verdachte 2 en verdachte 6 aangehouden en\n\nverhoord. In deze verhoren zijn de verdachten geconfronteerd met foto’s van de camerabeelden waar de overige verdachten op te zien zijn. Op deze foto's zijn de verdachten geïdentificeerd als:\n\nVerdachte 5: [verdachte]\n\nHierop heb ik op deze gegevens gezocht in de politieprocessensystemen. Hierbij heb ik\n\nde politiefoto's bekeken. Verdachte 5 is mij bekend geworden als [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] (Nederland). Ik herken [verdachte] op zijn politiefoto, gemaakt op 15-09-2014, als zijnde verdachte 5 op de camerabeelden aan de volgende uiterlijke kenmerken:\n\n- blanke huidskleur,\n\n- kort bruin haar,\n\n- haarlijn,\n\n- wenkbrauwen,\n\n- vorm van kaak en gezicht.\n\n6. Verklaring van de verdachte\n\nHet klopt dat ik op 23 december 2023 het slachtoffer binnen in het [café 1] een klap in zijn gezicht en een klap op zijn borst heb gegeven. Het klopt dat ik het slachtoffer buiten een halfhoge schop heb gegeven.\n\n7. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Wat is er gebeurd op 23 december 2023?\n\nA: Wij zijn naar de Witte de Withstraat gelopen. Het was denk ik een uur of 1. Toen zijn wij daarnaast bij een café naar binnen gegaan.\n\nV: Wie is de persoon in de groene cirkel?\n\nA: Dat ben ik.\n\nOpmerking van de rechtbank: zie hierboven bewijsmiddel 4, dat is de verdachte 5.\n\nV: Wat heb jij gedaan bij het slachtoffer?\n\nA: Ik heb hem proberen ene klap te geven maar ik weet niet of die raak was. Ik heb 1\n\nklap proberen te geven.\n\nv : En over het hele incident. Je zegt dat je buiten ook al hebt geschopt. Wat heb jij\n\nin totaal gedaan?\n\nA: Binnen proberen een klap te geven en buiten kwam hij als een duveltje uit een\n\ndoosje aanlopen. Maar of ik heb binnen heb geraakt weet ik niet. En buiten heb ik hem\n\neen schop met mijn linker been gegeven. Dat was toen hij weer in de richting van de\n\nkroeg kwam lopen.\n\nV: Op de beelden is te zien dat jij met je rechtervuist een stoot geeft tegen het\n\nhoofd van het slachtoffer. Wat kan je daarover vertellen?\n\nA: Na die kopstoot?\n\nO: Ja\n\nA: Dat zou kunnen.\n\nV: Je maakt wel meerdere slaande bewegingen\n\nA: Dat zou kunnen. Als je op dat moment iemand probeert te helpen of voor iemand op moet komen dan zou dat kunnen.\n\nV: Waar raakte jij het slachtoffer?\n\nA: Aan de zijkant van zijn linker hoofd.\n\nV: Dan is het even rustig . Het slachtoffer staat stil en dan maakt [medeverdachte] een kopstoot\n\nbeweging in de lucht. Jij draait je daarop om, je duwt een medeverdachte aan de kant,\n\nen slaat het slachtoffer weer tegen de borst. Waarom blijf jij herhaaldelijk het\n\nslachtoffer slaan en schoppen?\n\nA: Goeie vraag. Dat voelt oneerlijk om iemand een kopstoot te geven.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 5. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij alle drie de incidenten. Hij heeft het slachtoffer geslagen in zijn gezicht en op zijn borst en geschopt. De verdediging heeft niet betwist dat de verdachte geweldshandelingen heeft verricht. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het derde incident buiten, nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. Volgens de verdediging kan het handelen van de verdachte buiten hoogstens als eenvoudige mishandeling worden aangemerkt.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door tijdens alle drie de incidenten bewust de confrontatie op te zoeken en het slachtoffer te schoppen en meermaals met kracht te slaan. De verdachte kan als grootste agressor van de groep worden aangemerkt. Hij is degene die het tweede geweldsincident start, door op het slachtoffer af te lopen en hem als eerste te slaan. Als iedereen eenmaal buiten is, is hij weer degene die het slachtoffer als eerste benadert en hem schopt, terwijl het slachtoffer wegloopt. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om aansluiting te zoeken bij de LOVS-oriëntatiepunten ten aanzien van openlijke geweldpleging zonder zwaar lichamelijk letsel en aan de verdachte een taakstraf van 150 uur op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, geschopt en geduwd. De verdachte kan als grootse agressor van de groep worden aangemerkt. Hij heeft twee keer bewust de confrontatie opgezocht en het slachtoffer getrapt en meermaals (hard) geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.\n\nHet strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 22 december 2023 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. De reclassering ziet het middelengebruik van de verdachte ten tijde van onderhavige verdenking, zijn toenmalige dagbesteding\u002Fcollega’s en het psychosociaal functioneren als mogelijk delictgerelateerde factoren. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Vanuit de reclassering zijn er daarom te weinig aanknopingspunten voor interventies of toezicht. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft eerder excuses willen aanbieden aan het slachtoffer, maar heeft dit naar eigen zeggen niet kunnen doen omdat het slachtoffer daar niet voor open stond. De verdachte heeft een partner en een dochter. De verdachte heeft per 1 september 2026 een nieuwe baan als salesmanager. Deze strafzaak heeft veel impact gehad op zijn werkleven.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 28 maart 2023, omdat de verdachte toen voor het eerst als verdachte is verhoord en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en drie maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit en de rol die de verdachte daarin gespeeld heeft als beschreven onder 4.3.1 zou een gevangenisstraf van enige maanden passend en geboden zijn geweest. Gelet op de schending van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal de rechtbank echter een taakstraf opleggen. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarom wordt een taakstraf van 240 uur opgelegd.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, de taakstraf beperken tot 150 uur. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit en de beschreven rol van de verdachte.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade moet worden gematigd tot bijvoorbeeld een bedrag van € 12.500,-. De nader te onderbouwen schade moet primair worden afgewezen en subsidiair niet-ontvankelijk worden verklaard.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat vordering ten aanzien van de vliegtickets moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit. Volgens de verdediging blijkt uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde partij zijn vliegtickets weldegelijk kon omboeken. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij niet in staat was om zijn vliegtickets om te boeken gelet op zijn lichamelijk letsel. Ook heeft hij geen vergoeding voor de vliegtickets ontvangen. De rechtbank zal ook de gevorderde kosten die zien op de vliegtickets toewijzen, nu deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de vliegtickets niet kon omboeken, omdat niet duidelijk was wanneer die andere reis plaats zou kunnen vinden gelet op zijn lichamelijk letsel.\n\nDit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 229 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\n Pagina 154 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\nVerklaard tijdens de zitting van 10 juni 2026.\n\n Pagina 159 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7875","2026-07-13T00:29:26.294Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":115,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":117},"1546","ECLI:NL:RBROT:2026:7879","ecli-nl-rbrot-2026-7879","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099382-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J.P. Bakker\n\nOfficieren van justitie: mrs. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 80 uur op, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 6 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 6 is ter verduidelijking donkerblauw omcirkeld.\n\nFoto 3: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 6 tussen de mensen door richting de rechterzijde van het café liep. Ik zag dat verdachte 6 ter hoogte van het midden van het café stil ging staan bij de overige verdachten.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 6 keek in de richting van verdachte 1 . Ik zag dat verdachte 1 een kopstoot beweging in de lucht maakte. Ik zag dat verdachte 6 direct hierna zijn gezicht naar rechts draaide richting het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer meerdere keren door de andere verdachten werd geslagen. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor naar achteren viel. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechterarm naar achteren strekte en zijn rechterhand in een vuist balde. Ik zag dat verdachte 6 op deze wijze richting het slachtoffer liep. Ik zag dat de arm van verdachte 6 een aantal keren met handen van een voor mij onbekend persoon werd tegengehouden. Ik zag dat de vuist van verdachte 6 op minuut 52:19 uur niet werd tegengehouden. Ik zag dat verdachte 6 viermaal een slaande beweging maakte richting het slachtoffer.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 6 en de overige verdachten voor de ingang van [café 1] bleven staan terwijl het slachtoffer naar de overkant was gelopen.\n\nFoto 6: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat ondertussen het gevecht boven in beeld weer begon. Ik zag dat verdachte 6 op minuut 56:32 richting het gevecht liep. Het gevecht was ondertussen uit beeld. Ik zag\n\ndat verdachte 6 op minuut 56:40 bovenin bij het gevecht uit beeld liep.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat verdachte 6 op minuut 57:37 in beeld liep. Ik zag dat het slachtoffer al op de grond lag. Ik zag dat verdachte 6 richting het slachtoffer liep.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 3]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nIk deed onderzoek naar een openlijke geweldpleging die plaatsvond op 23 december 2022 in uitgaansgelegenheid ' [café 1] ' aan de Witte de Witstraat te Rotterdam.\n\nIn het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden onder [proces-verbaalnummer 1] zijn de\n\nverdachten met nummer genoemd en weergegeven in een bepaalde kleur cirkel. Ik\n\nvergeleek de verschillende verdachten met de foto's van de in dit proces-verbaal\n\ngenoemde verdachten en concludeerde daarbij het volgende:\n\nIn proces-verbaal van bevindingen: uitkijken camerabeelden, werd verdachte (6)\n\nweergegeven in een donker blauwe cirkel. Ik zag dat de persoon beschreven als verdachte (6) bleek te zijn: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1963.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Waar was jij op vrijdag 23 december 2022 omstreeks 02:00 uur?\n\nA: In de Witte de Withstraat, in [café 1] .\n\nV: Wat gebeurde er toen?\n\nA: Er was een enorm rumoer er was een knokpartij aan de gang. Toen [medeverdachte 1] naar mij toe draaide met zijn gezicht, zag ik dat hij een hele bebloede neus had. En daar ben ik op aangeslagen. Toen ging bij mij even het lichtje uit. Toen ben ik erin gedoken en heb ik ook geslagen.\n\nV: Hoe vaak heb je geslagen?\n\nA: Dat weet ik niet meer.\n\nV: Is dat één keer geweest?\n\nA: Nee zeker niet.\n\nV: Wie is de persoon in de donkerblauwe cirkel?\n\nA: Dat ben ikzelf.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van [café 3] een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 6. Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het tweede incident. Hij heeft verklaard dat bij hem “het licht uitging”en hij“erin is gedoken en heeft geslagen”.De verdediging heeft niet betwist dat de verdachte viermaal in de richting van het slachtoffer heeft geslagen tijdens het tweede incident. De verdediging heeft aangevoerd dat het opzet van de verdachte op de openlijke geweldpleging ontbreekt, nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten. Volgens de verdediging handelde de verdachte in een hevige en impulsieve emotie en was hij niet op de hoogte van de overige incidenten.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door het slachtoffer viermaal te slaan tijdens het tweede incident. Op het moment dat de verdachte naar het slachtoffer liep en hem sloeg, was er al een gevecht gaande, waarbij het slachtoffer al door medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] geslagen werd. Uit deze gedragingen blijkt dat de verdachte bewust een bijdrage leverde aan het geweld van zijn medeverdachten tegen het slachtoffer en er dus sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Hij heeft zich gedurende de incidenten waarop het opsporingsonderzoek en de tenlastelegging zien niet intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrokken. Ook bij het derde incident is duidelijk dat hij nog deel uitmaakt van de groep, waar hij samen met de anderen daar naartoe loopt en gezien wordt dat hij bij het slachtoffer staat als deze op de grond ligt. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat hij de overige geweldshandelingen niet zou hebben gezien maakt dit niet anders. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.\n\n3.2.. \n\nStrafbaarheid van het feit van de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft primair verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Subsidiair wordt verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, geschopt en geduwd. De verdachte heeft vier keer doelbewust het slachtoffer geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nReclassering Nederland heeft op 28 maart 2025 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Er lijkt geen sprake te zijn van middelengebruik, psychische- en agressieproblematiek. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag.\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.\n\nDe reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft excuses willen aanbieden aan het slachtoffer, maar heeft dit naar eigen zeggen niet kunnen doen omdat het slachtoffer daar niet voor open stond. Hij staat nog steeds open voor een gesprek met het slachtoffer. De verdachte werkt in een metaalrecyclingbedrijf en maakt samen met zijn twee zoons deel uit van de directie. Deze strafzaak heeft veel impact op zijn werk- en privéleven gehad.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode ongeveer drie jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit, de rol die de verdachte daarin gespeeld heeft als hierboven onder 4.3.1 is beschreven en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank - in strafmatigende zin - rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom wordt een taakstraf van 80 uur opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, toepassing geven aan artikel 9a Sr of een geheel voorwaardelijke geldboete opleggen. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit en de rol van de verdachte.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Meer subsidiair moet de vordering aanzienlijk worden gematigd.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat vordering ten aanzien van de kleding, de vliegtickets en de voetbalcontributie moet worden afgewezen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezen verklaarde feit. Volgens de verdediging blijkt uit de onderbouwing van de vordering dat de benadeelde partij zijn vliegtickets weldegelijk kon omboeken. De advocaat van de benadeelde partij heeft op de zitting toegelicht dat de benadeelde partij niet in staat was om zijn vliegtickets om te boeken gelet op zijn lichamelijk letsel. Ook heeft hij geen vergoeding voor de vliegtickets ontvangen. De rechtbank zal ook de gevorderde kosten die zien op de vliegtickets toewijzen, nu deze kosten rechtstreeks verband houden met het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de vliegtickets niet kon omboeken, omdat niet duidelijk was wanneer die andere reis plaats zou kunnen vinden gelet op zijn lichamelijk letsel. Gelet op het enkelletsel en het langdurige hersteltraject, waardoor de benadeelde partij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn lidmaatschap van de voetbalvereniging, wijst de rechtbank ook de gevorderde voetbalcontributie toe. Dit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nEigen schuld\n\nDe verdediging heeft bepleit dat er sprake is van een vorm van eigen schuld, omdat de benadeelde partij actief deelnam aan de confrontatie en daarbij zelf geweld heeft gebruikt door het geven van een kopstoot.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het bij een beroep op ‘eigen schuld’ aan de verdediging is om de feiten en omstandigheden aan te dragen op grond waarvan de geleden schade mede aan het slachtoffer kan worden toegerekend. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre ‘eigen schuld’ in de zin van art. 6:101, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) leidt tot vermindering van een schadevergoedingsplicht, moet aan de hand van die informatie allereerst worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van het slachtoffer en anderzijds het gedrag van de verdachte aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen (primaire maatstaf).\n\nGelet op hetgeen hiervoor in het vonnis is overwogen, te weten dat de rechtbank de lezing van de verdachte over de omstandigheden van de avond niet volgt, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van ‘eigen schuld’ aan de zijde van de benadeelde partij, in die mate dat er aanleiding zou zijn om over te gaan tot vermindering van de schadevergoedingsverplichting. Dit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade en 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\n5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 76 (zesenzeventig) uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 38 (achtendertig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\nPagina 239 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Pagina 147 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .\n\nPagina 115 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7879","2026-07-13T00:29:26.403Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":79,"fullText":122,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":124},"1548","ECLI:NL:RBROT:2026:7928","ecli-nl-rbrot-2026-7928","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 10-099391-23\n\nDatum uitspraak: 24 juni 2026\n\nDatum zitting: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .\n\nAdvocaat van de verdachte: mr. J.W. Vedder\n\nOfficieren van justitie: mr. L.H. de Jong en J.B. Wooldrik\n\nBenadeelde partij: [benadeelde partij]\n\nAdvocaten van de benadeelde partij: mrs. A.R. Hamers en R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers\n\nKern van het vonnis\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen een persoon, samen met anderen gepleegd. De redelijke termijn is overschreden. De rechtbank legt een taakstraf van 120 uur op, met aftrek van voorarrest. De vordering van de benadeelde partij wordt grotendeels toegewezen.1. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich - samengevat - te Rotterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon op 23 december 2022.\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat:\n\nhij op of omstreeks 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en\u002Fof op\u002Faan de Witte de Withstraat, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats en\u002Fof op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande dat in vereniging gepleegde geweld uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het meermalen schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het naar de grond toebrengen van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (vervolgens) het meermalen schoppen en\u002Fof slaan op\u002Ftegen het hoofd en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , terwijl voornoemde [slachtoffer] op de grond lag en\u002Fof\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het schoppen op\u002Ftegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het trekken aan en\u002Fof duwen van voornoemde [slachtoffer] .2. Bewijs2.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het feit.2.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit voor zover het feit ziet op de deelname van de verdachte aan het tweede en derde gewelddadige incident. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nBewezenverklaring\n\nBewezen is dat:\n\nhij op 23 december 2022 te Rotterdam openlijk, te weten, in [café 1] en op de Witte de Withstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten [slachtoffer] bestaande uit:\n\n- het meermalen slaan in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het schoppen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het (bij de nek) vastpakken van voornoemde [slachtoffer] en (daarbij) het meermalen slaan op\u002Ftegen de rug en het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en\n\n- het trekken aan en duwen van voornoemde [slachtoffer] .2.3.2.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.\n\n1. Proces-verbaal van de politie, verklaring aangever [aangever]\n\nIk doe aangifte van openlijke geweldpleging. Ik bevond mij op 23 december 2022, omstreeks 01.30 uur in [café 1] . Dit café bevindt zich aan de Witte de Withstraat in Rotterdam. Voor ik het wist werd ik besprongen door de man die tegenover mij stond. Dit bestond uit meerdere stoten met een gebalde vuist. Ik weet niet meer met welke hand hij sloeg. Het gebeurde allemaal heel snel. Ik voelde hierop een heftige pijn in mijn gezicht. Het laatste wat ik mij kan herinneren is dat ik naar links viel op de grond. Toen had ik niet meer door wat er allemaal gebeurde.\n\nIk ben op een of andere manier buiten gekomen, ik weet niet meer hoe. Er staat mij\n\nvaag iets bij dat iemand mij optilde. Toen ik buiten was ging het verder. Het enige\n\nwat ik me kan herinneren is dat mijn handen onder het bloed zaten van mijn gezicht.\n\nToen zag ik één van die mannen op mij afkomen. Dit weet even niet meer welke man dit was. Hierop weet ik niet meer wat er gebeurde. Ik vermoed door de klappen\n\nop mijn hoofd.\n\n2. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer met zijn rug richting de muur stond en voor de rest omsingeld was door verdachte 1, 3, 4 en 5. Ik zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat het slachtoffer op minuut 51 :13 een korte voorwaartse beweging met zijn hoofd maakte in de richting van de verdachte 1.\n\nIk zag dat de verdachte (blauw omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm omhoog bracht, van zijn rechterhand een gebalde vuist maakte en hiermee een snelle beweging maakte richting het gezicht van het slachtoffer. Ik zag dat deze vuist tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.(…) Ik zag dat man 4, die links naast verdachte 1 stond direct hierop een klap gaf aan het slachtoffer door met zijn rechter gebalde vuist een beweging richting het hoofd van het slachtoffer te maken. Ik zag dat deze beweging tegen het gezicht van het slachtoffer aankwam.\n\nIk zag dat man 2 (geel omcirkeld) richting het gevecht liep en erbij ging staan naast man 5 (groen omcirkeld).\n\nFoto 6: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), die rechts naast de verdachte stond, direct na de klap van verdachte 4 (roze omcirkeld) met zijn rechter gebalde vuist richting de linkerkant van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat deze vuist het gezicht raakte.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) hierna zijn rechtervuist omhooghaalde en snel bewoog richting het slachtoffer.(…). Ik zag dat verdachte 5 meerdere malen vuist snel bewoog richting het gezicht van het slachtoffer.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) zijn armen om de nek van het slachtoffer legde. Ik zag dat verdachte 2 een springende beweging maakte en zijn lichaam legde op de rug van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachten en het slachtoffer hierdoor naar de grond bewogen.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) weer omhoogkwam. Ik zag dat verdachte 2 (geel omcirkeld) het slachtoffer (rood omcirkeld) bij zijn nek vast pakte met zijn arm en richting de rechterzijde van het café trok. Ik zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld), terwijl het slachtoffer omhoogkwam, een hoge trap gaf richting het lichaam van het slachtoffer.\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) nog vijf maal met beide gebalde vuisten klappen gaf tegen de rug van het slachtoffer. Ik zag dat deze klappen raak waren door dat het slachtoffer (rood omcirkeld) en verdachte 2 (geel omcirkeld) op deze momenten kort heen en weer bewogen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) aan de rechterzijde van het beeld stil stond. Ik zag dat het slachtoffer achter verdachte 7 (wit omcirkeld) en verdachte 5 (groen omcirkeld) stond. Ik zag dat verdachte 5, verdachte 7 opzij duwde en zijn rechterarm met een snelle beweging richting de borst van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 7 (wit omcirkeld) direct hierna zijn rechterarm optilde en met een gebalde vuist richting het gezicht van het slachtoffer bewoog.\n\nFoto 13: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 6 (donkerblauw omcirkeld) zich vanaf het midden van het café zich tussen de mensen door beweegt in één directe lijn richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 zijn rechtervuist balde en boven zich hield ter hoogte van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 6 deze vuist vier maal met een snelle beweging richting het slachtoffer bewoog.\n\nIk zag dat verdachte 2 tussen de mensen doorliep richting het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 2 het slachtoffer naar de uitgang sleepte.\n\nFoto 14: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het slachtoffer (rood omcirkeld) op minuut 52:44 door verdachte 2 (geel omcirkeld) uit [café 1] werd gesleept.\n\nFoto 19: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 5 (groen omcirkeld) richting het slachtoffer (rood omcirkeld) liep terwijl man 1 (paars omcirkeld) hem wegduwde. Ik zag dat verdachte 5 op minuut 56:13 één trappende beweging maakte met zijn linkerbeen richting het slachtoffer\n\n3. Proces-verbaal van de politieOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ikhebde beelden bekeken en zag het volgende.\n\nFoto 1: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 1 op minuut 28:00 [café 1] binnen ging. Verdachte 1 is ter verduidelijking blauw omcirkeld.\n\nFoto 4: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 1 op minuut 50:38 stil ging staan voor het gezicht van het slachtoffer, welke in het midden van het café stil stond. Ik zag dat verdachte 1 en het slachtoffer met de gezichten richting elkaar stonden.\n\nFoto 5: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat het slachtoffer een stap naar links zette in de richting van de uitgang. Ik zag dat verdachte 1 een stap naar rechts zette waardoor hij de weg voor het slachtoffer blokkeerde. Ik zag dat verdachte 1 direct zijn rechterarm omhooghaalde en zijn rechtervuist met een snelle beweging richting de linkerzijde van het gezicht van het slachtoffer bewoog. Ik zag dat het slachtoffer hierdoor met zijn hoofd snel naar achteren bewoog. Ik zag dat het slachtoffer meerdere keren werd geslagen door andere verdachten.\n\nIk zag dat verdachte 1 met zijn gezicht richting het slachtoffer gericht bleef staan. Ik zag dat verdachte 1, het slachtoffer en de overige verdachte veel heen en weer bewogen. Ik zag dat de verdachte 1 uit zicht verdween omdat op minuut 51:20 hij richting de grond bewoog. Ik zag dat het slachtoffer door een andere verdachte werd weggetrokken naar de rechterzijde van het café.\n\nFoto 7: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 1 een kopstoot beweging maakte in de lucht. Ik zag dat de overige verdachten zich direct erna omdraaiden richting het slachtoffer. Ik zag dat de\n\noverige verdachten het slachtoffer sloegen.\n\nFoto 8: [bestandsnaam 1]\n\nIk zag dat verdachte 1 zich op minuut 52:34 richting het gevecht met het slachtoffer aan de rechterzijde van het café bewoog. Ik zag dat het slachtoffer ondertussen naar buiten is getrokken op minuut 52:34.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat verdachte 1 op minuut 53:30 het café uitliep.\n\nFoto 11 : [bestandsnaam 3]\n\nIk zag dat verdachte 1 onder de parasol bleef staan van het terras. Ik zag dat terwijl het slachtoffer terugliep richting [café 1] , verdachte 1 op minuut 56:45 rechts onderin in beeld stond.\n\nFoto 12: [bestandsnaam 4]\n\nIk zag dat verdachte 1 ongeveer één minuut later richting het gevecht op straat liep. Ik zag dat verdachte 1 hierdoor uit beeld liep. Ik zag dat verdachte 1 op minuut 57:36 in beeld liep.\n\n4. Proces-verbaal van politie\n\nOp 23 december 2022 op de Witte de Withstraat te Rotterdam zou het slachtoffer (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] )meerdere malen zijn geslagen en geschopt door een groep verdachten. Ik heb beelden ter beschikking gesteld gekregen van [café 1] gericht op de binnenzijde van het café, het terras en gericht op de straat ter hoogte van [café 2] . Ik zag op de beelden het volgende.\n\nFoto 9: [bestandsnaam 2]\n\nIk zag dat het gevecht verplaatste richting de straat waardoor het grotendeels uit beeld verdween. Ik zag dat verdachte 7 meeliep richting waar het gevecht plaatsvond.\n\nFoto 10: [bestandsnaam 4]\n\nIk zag dat het slachtoffer direct op minuut 57:25 op de grond viel en op de grond bleef liggen.\n\nFoto 11: [bestandsnaam 4]\n\nEnkele seconden later zag ik dat verdachte 7 rechts in beeld liep op de stoep richting de linkerzijde van het beeld voor [café 2] uit de richting komend van het slachtoffer. Ik zag dat verdachte 7 heen en weer liep voor [café 2] . Ik zag dat verdachte 7 naar zijn linker knokkels keek ik zag dat er roodkleurige plekken op zijn linkerknokkels zaten. Ik zag dat er ook roodkleurige plekken op zijn rechter knokkels zaten.\n\n5. Proces-verbaal van de politie\n\nIk deed onderzoek naar een openlijke geweldpleging die\n\nplaatsvond op 23 december 2022 in uitgaansgelegenheid ' [café 1] ' aan de Witte de\n\nWitstraat te Rotterdam.\n\nIn het proces-verbaal van uitkijken camerabeelden onder [proces-verbaalnummer 1] zijn de\n\nverdachten met nummer genoemd en weergegeven in een bepaalde kleur cirkel. Ik\n\nvergeleek de verschillende verdachten met de foto's van de in dit proces-verbaal\n\ngenoemde verdachten en concludeerde daarbij het volgende:\n\nIn proces-verbaal van bevindingen: uitkijken camerabeelden, werd verdachte (1 )\n\nweergegeven in een blauwe cirkel. Ik zag dat de persoon beschreven als verdachte (1)bleek te zijn:[verdachte] , geboren [geboortedatum] 1996.\n\n6. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte\n\nV: Wat is er gebeurd op vrijdag 23 december 2022?\n\nA: We hadden de 23e een personeelsfeest gehad van de zaak. Wij zijn toen naar de Witte de With gegaan. Wij waren met een man of 15 denk ik totaal. Bij [café 1] was het dusdanig rustig dat wij binnen mochten komen en een biertje konden drinken.\n\nV: Wie is de persoon in de lichtblauwe cirkel?\n\nA: Dat ben ik.\n\nV: Wat heb jij gedaan bij het slachtoffer?\n\nA: Ik heb die jongen geslagen. Dat kan ik mij goed herinneren en toen kwamen er allemaal collega's overheen.\n\nV: Hoe heb jij geslagen?\n\nA: Met mijn vuist.\n\nV : Hoe vaak?\n\nA: Minimaal twee keer.2.3.3.. \n\nBewijsmotivering\n\nDe rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde op de zitting het volgende af. Op 23 december 2022 is de verdachte samen met zes medeverdachten op de Witte de Withstraat in Rotterdam. Op straat ontstaat ter hoogte van café De Witte Aap een woordenwisseling tussen de verdachten en, naar achteraf blijkt, het slachtoffer [slachtoffer] . Dit leidt tot een confrontatie tussen het slachtoffer en verdachte 1. Beide partijen vervolgen daarna hun eigen weg. Later op de avond besluiten de verdachten [café 1] te bezoeken. In dat café was ook het slachtoffer aanwezig. Uit het dossier kan worden afgeleid dat in [café 1] meerdere geweldshandelingen hebben plaatsgevonden tegen het slachtoffer, waarbij de verdachten betrokken zijn geweest. In totaal vinden er drie momenten van geweld plaats, vrij kort achter elkaar. De eerste twee incidenten vinden plaats in [café 1] en het derde incident buiten op straat voor [café 1] .\n\nHet eerste incident ontstaat nadat verdachte 1 wederom oog in oog komt te staan met het slachtoffer. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 1 naar het slachtoffer toe loopt, waarna het slachtoffer een stap opzij probeert te zetten. Vervolgens is te zien dat de verdachte 1 de weg van het slachtoffer blokkeert door eveneens een stap opzij te zetten, waardoor het slachtoffer geen kant op kan. Het slachtoffer maakt vervolgens een voorwaartse kopstootbeweging in de richting van verdachte 1, waarna verdachte 1 het slachtoffer meerdere klappen geeft. Vervolgens ontstaat er een gevecht, waarbij meerdere personen, waaronder het slachtoffer, op de grond vallen en het slachtoffer geslagen wordt door verdachte 1 en verdachte 5. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 op het gevecht af loopt, zijn armen om de nek van het slachtoffer slaat en hem vervolgens meetrekt richting de uitgang van het café. Terwijl verdachte 2 het slachtoffer omhoog trekt, schopt en slaat verdachte 5 het slachtoffer. De verdachte verlaat daarna het café. Daarna is het korte tijd rustig in het café.\n\nHet tweede incident ontstaat nadat verdachte 1 de kopstootbeweging nadoet voor een aantal van de andere verdachten, zoals blijkt uit de camerabeelden en uit zijn eigen verklaring. Dit leidt ertoe dat verdachte 5, verdachte 7 en verdachte 6 zich richting het slachtoffer bewegen, waarna zij hem alle drie slaan. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 2 het café weer binnen komt, zijn arm om de nek van het slachtoffer slaat en hem wederom richting de uitgang van het café trekt. Uiteindelijk trekt verdachte 2 het slachtoffer naar buiten en geeft hem nog een duw in zijn rug weg van het café.\n\nHet derde incident ontstaat buiten nadat het slachtoffer even weg is geweest en weer terugloopt richting het café. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte 5 naar het slachtoffer rent en een trappende beweging naar hem maakt. Als het slachtoffer dan wegloopt van het café, lopen alle verdachten, behalve verdachte 4, richting het slachtoffer. Uit de combinatie van de camerabeelden en de verklaring van de getuige [getuige] blijkt in elk geval dat leden van de onderhavige groep (de verdachten 1, 2, 5 en 7) erbij staan als tegen het slachtoffer geweld wordt gepleegd. Dit geweld stopt als het slachtoffer op de grond valt en blijft liggen. Nadat het slachtoffer op de grond is gevallen is te zien dat ook verdachte 6 erbij staat. Op basis van de camerabeelden buiten het café stelt de rechtbank vast dat verdachte 7 ook betrokken is geweest bij het derde incident. Op de camerabeelden is namelijk te zien dat verdachte 7, vrijwel direct nadat het slachtoffer op de grond is gevallen en het geweld richting hem is geëindigd, naar zijn linkerhand kijkt en roodkleurige plekken heeft op zijn linker- en rechterknokkels. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte 7 tijdens het derde incident het slachtoffer met kracht heeft geslagen.\n\nAls gezegd is de verdachte verdachte 1.Hij heeft verklaard dat hij betrokken is geweest bij het eerste incident. Hij heeft verklaard bij het slachtoffer meerdere keren heeft geslagen. Volgens de verdediging kan voor het eerste incident bewezenverklaring volgen. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het tweede en derde incident, omdat de verdachte daaraan geen voldoende significante bijdrage heeft geleverd.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt. Wie deel uit maakt van een groep en een significante of wezenlijke bijdrage levert aan openlijk geweld, is strafrechtelijk aansprakelijk in de zin van artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor al het geweld dat door leden van die groep wordt uitgeoefend. Daarbij is niet vereist dat de verdachte opzet heeft op dan wel weet heeft van elke geweldshandeling die door elk van de leden van de groep wordt uitgeoefend (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). De deelname aan de groep en daarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 141, eerste lid, Sr eindigt op het moment dat geen van de deelnemers meer geweld gebruikt. Gaan andere deelnemers dan de verdachte door met het gebruiken van geweld eindigt de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte pas als hij zich intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrekt.\n\nIn deze zaak heeft de verdachte deel uitgemaakt van een groep en een significante bijdrage geleverd aan openlijk geweld door het slachtoffer meerdere keren (in zijn gezicht) te slaan tijdens het eerste incident. De verdachte kan als initiator van de geweldsplegingen bij het eerste incident worden aangemerkt. Hij heeft zich gedurende de incidenten waarop het opsporingsonderzoek en de tenlastelegging zien niet intellectueel en\u002Fof fysiek aan de groep onttrokken. Sterker nog, hij heeft voorafgaand aan het tweede incident aan de medeverdachten getoond hoe het slachtoffer hem een kopstoot zou hebben gegeven en bij het derde incident is te zien hoe hij daar naar toe loopt. Daardoor is hij strafrechtelijk aansprakelijk voor het openlijke geweld gedurende elk van de incidenten. Dat hij na het eerste incident zelf geen geweldshandelingen meer zou hebben gepleegd maakt dit niet anders. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.\n\nVoor zover de overige verweren van de verdediging niet zijn weerlegd in de hierboven opgenomen bewijsmotivering, volgt de weerlegging daarvan uit de gebezigde bewijsmiddelen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon.\n\n3.2.. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte3.2.1.. \n\nBeroep op noodweer(exces)\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het eerste incident. Hij heeft zich verdedigd tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft geslagen nadat hij van hem een kopstoot kreeg. De verdachte heeft geprobeerd zichzelf te verdedigen. De verdachte kon zich niet aan de aanranding onttrekken, omdat hij zich bevond in een druk en vol café. De reactie van de verdachte is proportioneel, omdat de keuze van de gedraging (een aantal keer slaan) niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Subsidiair is door de verdediging een beroep op noodweerexces gedaan, omdat de reactie van de verdachte het gevolg is geweest van een hevige, door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. Daarbij is van belang dat de verdachte eerder op de avond bedreigend was toegesproken door de aangever. Met de kopstoot van de aangever werd die bedreiging daadwerkelijk verwezenlijkt.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer dient te worden vastgesteld dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding als bedoeld in artikel 41 Sr. Of de verdediging tegen de (veronderstelde) aanranding noodzakelijk en geboden was, leent zich niet voor beantwoording in algemene zin. Bij de beoordeling daarvan komt mede betekenis toe aan de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het eerste incident, zoals hierboven omschreven, ontstaat nadat verdachte 1 oog in oog komt te staan met het slachtoffer, niet doorloopt naar de uitgang maar blijft staan en de confrontatie aangaat met het (latere) slachtoffer. Verdachte 1 brengt het slachtoffer in een situatie waardoor deze geen kant op kan, waarna eerst het slachtoffer een kopstootbeweging maakt en verdachte 1 het slachtoffer daarna meerdere malen slaat. Nu de verdachte 1 de confrontatie zo uitdrukkelijk opzoekt kan er van een noodzakelijke verdediging geen sprake zijn. Hetzelfde geldt voor het tweede incident, waarbij het gevecht weer begon nadat het slachtoffer werd aangevallen door meerdere verdachten. Nu geen sprake is geweest van een noodweersituatie, kan een beroep op noodweerexces reeds om die reden niet slagen. De verdachte is strafbaar.4. Straf4.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.4.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft (subsidiair) verzocht toepassing te geven aan artikel 9a Sr en aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen het slachtoffer [slachtoffer] . Tijdens een avond uit ontstond een confrontatie tussen de verdachte en de medeverdachten enerzijds en het slachtoffer anderzijds. Naar aanleiding van deze confrontatie is het slachtoffer door de groep van verdachten meerdere keren aangevallen, vastgepakt, geslagen, geschopt en geduwd. De verdachte kan als initiator van de eerste geweldsplegingen worden aangemerkt. Hij heeft het slachtoffer meerdere keren in zijn gezicht geslagen. Hiermee heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer [slachtoffer] . Als gevolg van het geweld heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het strafbare feit, niet volledig is genezen en nog altijd de psychische en lichamelijke gevolgen van het gebeuren ondervindt.\n\nDaarnaast heeft de verdachte met zijn handelen de openbare orde verstoord. Dergelijk (uitgaans)geweld zorgt, zeker in een druk en vol café waarbij meerdere bezoekers getuigen waren van het geweld, doorgaans voor maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.4.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 1 mei 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.\n\nRapport van de reclassering\n\nFivoor heeft op 24 januari 2024 over de verdachte gerapporteerd. In het rapport staat onder meer het volgende. Volgens de reclassering is er geen sprake van een delictpatroon. Er zijn geen signalen voor problemen met psychosociaal functioneren, zoals agressieproblemen, groepsdruk of alcoholgebruik. De leefgebieden van de verdachte zijn volgens de reclassering stabiel. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering vindt interventies of toezicht niet nodig.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft\n\neerder excuses willen aanbieden aan het slachtoffer, maar heeft dit naar\n\neigen zeggen niet kunnen doen omdat het slachtoffer daar niet voor open stond. De verdachte is bereid om een schadevergoeding aan het slachtoffer te betalen.\n\nDe verdachte woont samen met zijn partner en twee kinderen. Hij werkt in een metaalrecyclingbedrijf en maakt samen met zijn vader en broer deel uit van de directie.4.3.3.. \n\nRedelijke termijn\n\nDe verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 27 maart 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode ongeveer drie jaar en drie maanden verstreken. Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Daarom heeft dit gevolgen voor de op te leggen straf.4.3.4.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van het strafbare feit, de rol die de verdachte daarin heeft gespeeld en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarnaast houdt de rechtbank - in strafmatigende zin - rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Daarom wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.\n\nDe rechtbank zal dus niet, zoals de verdediging heeft bepleit, toepassing geven aan artikel 9a Sr. Dat zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het gepleegde feit en de rol van de verdachte.5. Vordering van de benadeelde partij5.1.. \n\nVordering [benadeelde partij]\n\n heeft als benadeelde partij € 3.477,13 als vergoeding voor materiële schade, € 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade en € 3000,- toekomstige nog nader te onderbouwen schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.5.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nVoor wat betreft de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.5.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard, gezien de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 15.000,-. De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de materiële schade.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De vordering wordt toegewezen, omdat deze is in voldoende mate onderbouwd en door de verdediging met onvoldoende argumenten weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gevorderde kosten redelijk.\n\nDit betekent dat de verdachte € 3.477,13 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een hersenschudding, een gebroken enkel en meerdere breuken in het gezicht. Uit de vordering van de benadeelde partij blijkt dat hij tot op heden, te weten drie en een half jaar na het incident, niet volledig is genezen. Er is sprake van blijvende asymmetrie van het gezicht en een blijvend litteken in zijn gezicht en op zijn enkel. Ook heeft hij nog steeds last van blijvende gevoelsvermindering in zijn gezicht en drukpijn en lichtflitsen bij het openen van zijn ogen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nog steeds verminderde stabiliteit en belastbaarheid van de enkel en hij kan niet op zijn oude niveau sporten.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding de rechtbank niet overmatig voor en acht de rechtbank toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,- billijk. Hierbij is tevens rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting over het herstel. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 25.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.5.4.3.. \n\nNader te onderbouwen schade\n\nDe benadeelde partij heeft een post nader te onderbouwen schade in zijn vordering opgenomen. Nu niet concreet is onderbouwd dat deze gevorderde schade in de toekomst ook daadwerkelijk zal worden geleden, wordt dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.5.4.4.. \n\nHoofdelijke veroordeling\n\nDe verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders gepleegd. Zij zijn daarom allen hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededaders de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.5.4.5.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De wettelijke rente over de materiële schade wordt ten aanzien van het eigen risico, de huurkosten voor de krukken, de ziekenhuisdaggeldvergoeding, de kledingschade en de kosten zonder nut eveneens toegewezen vanaf 23 december 2022, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden.\n\nWat de reiskosten en de kosten voor de fysiotherapie, huishoudelijke hulp en mantelzorg betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt gedurende een uiteenlopende periode, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBovengenoemde beslissingen zijn opgenomen in onderstaande tabel.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20236. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 9, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nTaakstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur,waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 116 (honderdzestien) uur taakstrafmoet worden verricht;\n\nbeveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 58 (achtenvijftig) dagen;\n\nVordering benadeelde partij\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om aan de benadeelde partij [benadeelde partij] , te betalen het bedrag aan materiële en immateriële schade zoals genoemd in de onderstaande tabel, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in de onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door andere mededaders (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat het bedrag te betalen zoals genoemd in de onderstaande tabel (kolom ‘SVM’), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de in onderstaande tabel genoemde data tot de dag van volledige betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal153 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.\n\nBenadeelde partij\n\nToegewezen materieel\n\nToegewezen immaterieel\n\nTotaal toegewezen en SVM\n\nWettelijke rente\n\nvanaf\n\n [benadeelde partij]\n\na. eigen risico\n\n€ 47,31\n\nb. huurkosten krukken € 20,-\n\nc. ziekenhuisdaggeldvergoeding € 105,-\n\nd. kledingschade\n\n€ 250,-\n\ne. kosten zonder nut\n\n€ 1.496,61\n\nf. reiskosten € 74,91\n\ng. fysiotherapie\n\n€ 426,80\n\nh. huishoudelijke hulp\n\n€ 682,50\n\ni. mantelzorg € 374,-\n\ntotaal = € 3.477,13\n\nj. € 25.000,-\n\n€ 28.477,13\n\na, b, c, d, e en j:\n\n23-12-2022\n\nf: 20-02-2023\n\ng: 24-04-2023\n\nh en i:\n\n06-02-20238. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.L.M. Boek, voorzitter,\n\nen mrs. M.J.C. Spoormaker en E. van Vliet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 juni 2026.\n\nMrs. Spoormaker en Van Vliet zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eindproces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 2] .\n\n Pagina 20 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3] .\n\n Pagina 171 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4] .\n\n Pagina 191 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 5] .\n\nPagina 248 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 6] .\n\n Pagina 147 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 7] .\n\n Pagina 64 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 8] .","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7928","2026-07-13T00:29:26.496Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":129,"fullText":130,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":47,"parsedAt":41,"updatedAt":132},"1507","ECLI:NL:RBROT:2026:7914","ecli-nl-rbrot-2026-7914","2026-04-21T00:00:00.000Z","Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam\n\nMeervoudige kamer strafzaken\n\nParketnummer: 71-399555-24\n\nDatum uitspraak: 21 april 2026\n\nDatum zitting: 7 april 2026\n\nTegenspraak\n\nVerdachte:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven op het adres van de penitentiaire inrichting [naam P.I.] , locatie [detentielocatie] : [detentieadres] , [postcode] [detentieplaats] .\n\nAdvocaten van de verdachte: mrs. S. Weening en T.T.M. Bekx\n\nOfficier van justitie: mr. M. van Nes\n\nBenadeelde partij: [benadeelde]\n\nAdvocaat van de benadeelde partij: mr. M.R.M. Schaap\n\nLeeswijzer\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte - samengevat - van betrokkenheid in 2020 bij een poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade, subsidiair uitlokking van bedreiging en meer subsidiair van bedreiging, telkens van het slachtoffer [slachtoffer] (feit 1). Daarnaast wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij in 2019 en 2020 als mededader betrokken is geweest bij de invoer van vier grote partijen cocaïne met een totaalgewicht van ruim 1.700 kilogram, subsidiair dat hij betrokken is geweest bij de voorbereiding en bevordering van die invoer (feiten 3 tot en met 6) en dat hij zich in 2025 heeft beziggehouden met voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de invoer van cocaïne (feit 2). De volledige tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1.\n\nDe officier van justitie mag de verdachte vervolgen. Deze beslissing wordt in hoofdstuk 2 uitgelegd.\n\nDe feiten 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 zijn bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren\n\nstaan in hoofdstuk 3. Een overzicht van de bewijsmiddelen staat in bijlage 1.\n\nFeit 2 is niet bewezen. De argumenten die tot vrijspraak van dit feit hebben geleid staan ook in hoofdstuk 3.\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 4.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 56 maanden. In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd waarom deze straf wordt opgelegd.\n\nIn hoofdstuk 6 staan de beslissingen over de inbeslaggenomen goederen.\n\nDe benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De vordering wordt deels toegewezen. In hoofdstuk 7 wordt deze beslissing uitgelegd.\n\nIn hoofdstuk 9 staan alle beslissingen in het kort.1. Tenlastelegging\n\nDe volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat\n\nfeit 1 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020, te Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , door het verschaffen van middelen en\u002Fof inlichtingen, te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] en met dat opzet voornoemde personen meermalen heeft benaderd om dit strafbare feit te plegen, althans te laten plegen en\u002Fof die personen\n\ndaartoe de:\n\n* adresgegevens en\u002Fof\n\n* een signalement en\u002Fof een foto van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer]\n\nheeft verstrekt;\n\nfeit 1 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020, te Barendrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] , door het verschaffen van middelen en\u002Fof inlichtingen, heeft bewogen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling van [slachtoffer] , door die [medeverdachte 1] en\u002Fof [medeverdachte 2] :\n\n* de adresgegevens en\u002Fof\n\n* een signalement en\u002Fof een foto van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en\u002Fof\n\n* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer] te verstrekken;\n\nfeit 1 meer subsidiair\n\nde verdachte op of omstreeks 15 april 2020 te Ridderkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) op de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] te richten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans éénmaal, de trekker van een\u002Fdat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) over te halen en\u002Fof de slede van een\u002Fdat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp)naar achter te halen;\n\nfeit 2\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 6 januari 2025 tot en met 10 januari 2025 te Barendrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en\u002Fof\n\n- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,\n\ndoor met een telefoon chatberichten te sturen en te communiceren over:\n\n* bedrijven die producten importeren vanuit Ghana en\u002Fof\n\n* het kunnen importeren van machines en\u002Fof onderdelen en\u002Fof\n\n* 'groene' lijnen en\u002Fof lopende lijnen\n\n* het 'zwanger' maken van een bestaande lijn en\u002Fof\n\n* het beschikbaar hebben van een Duits en\u002Fof Nederlands bedrijf en\u002Fof\n\n* het importeren van hogedruk onderdelen vanuit China en\u002Fof\n\n* machines met een stash erin;\n\nfeit 3 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 2 oktober 2019 tot en met 22 februari 2020 via de Westerschelde en\u002Fof de Nederlandse territoriale wateren en\u002Fof te Antwerpen, in elk geval in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nopzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 259 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 3 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 31 januari 2020 tot en met 10 februari 2020 te Barendrecht en\u002Fof Antwerpen, althans in Nederland en\u002Fof België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst T, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 259 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:\n\n* een loods ter beschikking te stellen, en\u002Fof\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:\n\n* gereedschap en\u002Fof machines (vorkheftruck) en\u002Fof één of meerdere voertuigen;\n\nfeit 4 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 via de Westerschelde en\u002Fof de Nederlandse territoriale wateren en\u002Fof te Antwerpen, in elk geval in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nopzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 4 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 te Barendrecht en\u002Fof Antwerpen, althans in Nederland en\u002Fof België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:\n\n* een loods ter beschikking te stellen, en\u002Fof\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:\n\n* gereedschap en\u002Fof machines (vorkheftruck) en\u002Fof één of meerdere voertuigen;\n\nfeit 5 primair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 3 april 2020 via de Westerschelde en\u002Fof de Nederlandse territoriale wateren en\u002Fof te Antwerpen, in elk geval in Nederland en\u002Fof in België, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 5 subsidiair\n\nde verdachte in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 7 april 2020 te Barendrecht en\u002Fof Antwerpen, althans in Nederland en\u002Fof België, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,\n\nvoor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten:\n\n- het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen,\n\n- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst T, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, te weten een hoeveelheid van ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, althans een grote hoeveelheid cocaïne,\n\n- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:\n\n* een loods ter beschikking te stellen, en\u002Fof\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:\n\n* gereedschap en\u002Fof machines (vorkheftruck) en\u002Fof één of meerdere voertuigen;\n\nfeit 6\n\nde verdachte op of omstreeks 12 maart 2020, te Breda en\u002Fof Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram cocaïne, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie2.1.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVoor de feiten 3 tot en met 6 is de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. Er is sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat de feiten 3 tot en met 6 in het tegen de verdachte gewezen Belgische vonnis van 17 juni 2021 al zijn gebruikt voor de bewijsconstructie van de in dat vonnis bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie. Als de rechtbank dit standpunt van de verdediging niet volgt, wordt verzocht om de officier van justitie opdracht te geven het Belgische strafdossier bij de stukken te voegen, zodat duidelijk wordt op welke feiten de Belgische strafzaak zag.2.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. De beschuldiging in feiten 3 tot en met 6 ziet op andere strafbare feiten dan waarvoor de verdachte in België is veroordeeld. Er kan niet worden vastgesteld dat er samenhang bestaat tussen de feiten 3 tot en met 6 en de bewezenverklaring in het Belgische vonnis.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1.. \n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nToevoeging van het Belgische procesdossier vindt de rechtbank niet noodzakelijk. Het Belgische vonnis maakt deel uit van het dossier. Voor de rechtbank is voldoende duidelijk uit dit vonnis gebleken welke informatie de Belgische rechter aan zijn beslissingen ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank acht zich daarmee voldoende ingelicht. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging wordt afgewezen.2.3.2.. \n\nGeen schending ne bis in idem beginsel\n\nDe verdachte is door de Belgische rechter veroordeeld voor de invoer, de uitvoer en het vervoer van 2 partijen cocaïne van respectievelijk 1842,4 kilogram en 2316,8 kilogram en voorts voor deelneming aan een criminele organisatie.De bewezenverklaring van deze feiten door de Belgische rechter is gebaseerd op de resultaten van de observaties en doorzoekingen op 22 en 23 april 2020 in onder meer (en voor zover relevant) de loods die de verdachte in Antwerpen huurde en (overige) bevindingen van de Belgische opsporingsdiensten en douane met betrekking tot deze 2 partijen cocaïne. De feiten 3 tot en met 6 waarvan de verdachte thans wordt beschuldigd hebben samenhang met de bewezenverklaring in het Belgische vonnis, omdat de verdenking ziet op nagenoeg dezelfde periode en ook de loods van de verdachte bij de verdenking een prominente plaats in neemt, evenals in de Belgische zaak. Dat betekent echter nog niet dat de vervolging voor de feiten 3 tot en met 6 in strijd is met het ne bis in idem-beginsel. Dat is alleen in bijzondere omstandigheden het geval.Daarvan is hier geen sprake. Uit het Belgische vonnis kan niets anders worden afgeleid dan dat ten laste van de verdachte wordt bewezenverklaard dat hij deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die naast de invoer, uitvoer en het vervoer van de 2 eerdergenoemde partijen cocaïne, een duplicaatcontainer met een lading inktvis heeft aangeboden. De drugstransporten die de verdachte thans als feiten 3 tot en met 6 worden verweten, worden niet concreet in het Belgische vonnis genoemd. Ook anderszins kan niet uit het Belgische vonnis worden afgeleid dat de vervolging van de verdachte in België ook het begaan van de feiten 3 tot en met 6 omvatte. Er is dus geen sprake is van schending van het ne bis in idem beginsel door de officier van justitie met de vervolging van de verdachte voor de feiten 3 tot en met 6.\n\nDe conclusie is dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte voor de feiten 3 tot en met 6.3. Bewijs3.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe feiten 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 kunnen worden bewezen verklaard. Het standpunt van de officier van justitie zal verder, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.3.2.. \n\nConclusie van de verdediging\n\nDe verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2. De verdediging refereert zich ten aanzien van feit 1 subsidiair aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, indien nodig, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.3.3.. Oordeel van de rechtbank3.3.1.. \n\nVrijspraak feit 2\n\nVolgens de officier van justitie heeft de verdachte in januari 2025 voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet gepleegd door met [persoon A] Signal-berichten uit te wisselen die zien op het opzetten van transportlijnen voor de invoer van verdovende middelen.\n\nDe verdediging heeft niet betwist dat de verdachte degene is geweest die de Signal-berichten heeft uitgewisseld met [persoon A] . Volgens de verdediging waren het echter slechts globale gesprekken op een abstract niveau en kunnen deze berichten geen strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet opleveren.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit de Signal-chatberichten die door de verdachte zijn verstuurd tussen 6 tot en met 10 januari 2025 onmiskenbaar volgt dat wordt gesproken over invoer van verdovende middelen, zoals cocaïne. De rechtbank is evenwel van oordeel dat met het wisselen van deze chatberichten nog geen sprake is geweest van strafbare voorbereiding van de invoer van cocaïne. De berichten zijn onvoldoende concreet om te kunnen spreken van daadwerkelijke voorbereidingshandelingen en lijken een meer oriënterend karakter te hebben. Er wordt gesproken over potentiële landen van waaruit invoer kan plaatsvinden. De verdachte benoemt dat hij een Duits en een Nederlands bedrijf heeft en dat hij goederen exporteert uit China. In de berichten wordt enkel in zijn algemeenheid gesproken over producten die via die bedrijven besteld kunnen worden en over wat voor soort producten verhandeld worden. Tenslotte schrijft de verdachte dat hij mogelijk een kennis heeft die naar Ghana gaat, en dat hij bij iemand heeft nagevraagd of hij of zij openstaat voor handel vanuit Ghana, maar ook hieruit blijkt niets concreets. Er is sprake van kennis- en informatieuitwisseling, waardoor men blijft hangen in het voorstadium van strafbare voorbereiding.\n\nOmdat dus niet kan worden bewezen dat de verdachte strafbare voorbereidingshandelingen heeft gepleegd en evenmin dat sprake is geweest van strafbare bevorderingshandelingen, wordt de verdachte vrijgesproken van feit 2.3.3.2.. \n\nBewezenverklaring feiten 1 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6\n\nBewezen is dat de verdachte:\n\nfeit 1 primair\n\nin de periode van 13 april 2020 tot en met 15 april 2020 te Barendrecht, tezamen en in vereniging met anderen, heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , door het verschaffen van inlichtingen, te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] en met dat opzet voornoemde personen meermalen heeft benaderd om dit strafbare feit te plegen, althans te laten plegen en die personen daartoe de:\n\n* adresgegevens en\n\n* een foto van [slachtoffer] en\n\n* informatie over het voertuig van [slachtoffer] en\n\n* informatie over het leefpatroon van [slachtoffer] heeft verstrekt;\n\nfeit 3 primair\n\nin de periode van 2 oktober 2019 tot en met 22 februari 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 259 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nfeit 4 primair\n\nin de periode van 15 maart 2020 tot en met 28 maart 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 781,6 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nfeit 5 primair\n\nin de periode van 2 april 2020 tot en met 3 april 2020 via de Westerschelde, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 489,7 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\nfeit 6\n\nop 12 maart 2020, te Breda en Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 200 kilogram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.3.3.3.. \n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de in bijlage 1opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande nadere bewijsmotivering.3.3.4.. \n\nNadere bewijsmotivering feit 1 primair\n\nOp 15 april 2020 is [slachtoffer] voor zijn woning benaderd door een onbekende man met een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp. Op 15 september 2020 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] door de rechtbank veroordeeld voor hun betrokkenheid bij dit feit. De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] degene is geweest die het (nep)vuurwapen op [slachtoffer] heeft gericht en hem met het wapen op zijn hoofd heeft geslagen en dat [medeverdachte 2] de vluchtauto bestuurde. In het vonnis tegen [medeverdachte 1] is bewezenverklaard dat hij zich hiermee heeft schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. [medeverdachte 2] is veroordeeld voor medeplichtigheid aan deze bedreiging.\n\nLater zijn in de telefoon van de verdachte SkyECC-berichten aangetroffen die betrekking hebben op dit incident. De verdachte heeft bekend dat hij deze berichten heeft verstuurd en dat hij met anderen communiceerde via het SkyECC-account [accountnaam 1] .\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geprobeerd met deze berichten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit te lokken om het slachtoffer zwaar te mishandelen, zoals is tenlastegelegd. Volgens de verdediging was de opzet van de verdachte alleen gericht op het bedreigen van het slachtoffer.\n\nHet verweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte heeft gepoogd om [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te bewegen om het slachtoffer zwaar te mishandelen met voorbedachten rade. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.\n\nHet incident vond plaats op 15 april 2020, omstreeks 6.10 uur. In de dagen daaraan voorafgaand communiceerde de verdachte via zijn SkyECC-account in een chatgroep waar, naast de verdachte, ook de medeverdachte [medeverdachte 3] en een andere onbekend gebleven SkyECC-gebruiker [accountnaam 2] aan deelnamen. Uit de berichten die [accountnaam 2] in de chatgroep zette, kan worden afgeleid dat hij (buiten de chatgroep) in direct contact stond met de uitvoerders. In deze chatgroep gaf de verdachte op 13 april 2020 aanvankelijk de opdracht om het slachtoffer “goed bang te maken”en“ervoor te zorgen dat hij weggaat bij zijn huidige baas”.Op de vraag van [accountnaam 2] wat er moest gebeuren, berichtte [medeverdachte 3] :“slopen, breek beide knieen ofs”. Daarna zette de verdachte desgevraagd een foto van [slachtoffer] in de chatgroep. Door [accountnaam 2] werd vervolgens gevraagd of er nog iets tegen [slachtoffer] gezegd moest worden, waarop [medeverdachte 3] negatief antwoordde en zei:“gwn total loss te slaan”en“beide benen te breken”. In berichten later die middag zette de verdachte nadere informatie over de honden en de auto van het slachtoffer in de chatgroep. Een dag later wisselden de deelnemers aan de chatgroep ook berichten over het slachtoffer uit, onder meer over waar hij zich die dag bevond en hoe laat hij naar zijn werk ging. De verdachte drong daarbij aan op actie, onder meer door in de chatgroep te berichtten:“dan wordt het vandaag eind van de dag ff langs zijn huis rijden broer”. In de vroege ochtend van 15 april 2020 werden de deelnemers aan de chatgroep door [accountnaam 2] ervan op de hoogte gesteld dat de uitvoerders klaarstonden.\n\nUit de inhoud van de chatberichten en het verloop daarvan volgt dat het aanvankelijk geopperde plan om het slachtoffer bang te maken is verlaten en dat de chatberichten uiteindelijk gericht waren op het zwaar mishandelen van [slachtoffer] en dat met voorbedachten rade. Anders dan de verdediging, vindt de rechtbank dat ook de opzet van de verdachte op dit misdrijf gericht is geweest. [medeverdachte 3] heeft steeds gezegd wat er concreet moest gebeuren met het slachtoffer en de verdachte heeft daaraan in ruime mate bijgedragen. Enerzijds door dat niet te weerspreken en anderzijds door actief informatie over [slachtoffer] te blijven verschaffen en aan te dringen op het realiseren van de plannen. Dat uiteindelijk een ander misdrijf is gepleegd door de uitvoerders, maakt dat de handelwijze van de verdachte en zijn medeverdachten moet worden gezien als een poging tot uitlokking.4. Kwalificatie en strafbaarheid4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1 primair\n\nmedeplegen van poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade;\n\nfeit 3 primair\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 4 primair\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 5 primair\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 6\n\nmedeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid van de feiten en van de verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf5.1.. \n\nEis van de officier van justitie\n\nDe verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet aan de verdachte een geldboete worden opgelegd van € 260.000,-, waarvan € 200.000,- als afroomboete en € 60.000,- als boete met een punitief karakter. De afroomboete is gebaseerd op de verdiensten die de verdachte zelf zegt te hebben ontvangen. Als rekening wordt gehouden met de Belgische veroordeling van de verdachte, dan heeft de verdachte weliswaar een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd gekregen, maar daarvan heeft hij niet meer dan drie jaar vastgezeten in België.5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nVoor feit 1 zou, gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, hooguit een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd kunnen worden. Ten aanzien van feiten 3 tot en met 6 moet toepassing worden gegeven aan artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en zou hooguit een gevangenisstraf van twee jaren opgelegd moeten worden. Aan de verdachte moet geen geldboete worden opgelegd. De afroomboete is niet op feiten gebaseerd. De verdachte heeft een ruwe schatting van zijn verdiensten gemaakt, toen hij daar door de officier van justitie naar werd gevraagd op de zitting. Dit dient in een ontnemingsprocedure verder aan de orde te komen.5.3.. Oordeel van de rechtbank5.3.1.. \n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft in 2020 samen met anderen geprobeerd om personen te bewegen om het slachtoffer [slachtoffer] zwaar te mishandelen. De verdachte en het slachtoffer hadden een zakelijk conflict over de hoogte van het geldbedrag dat de verdachte het slachtoffer schuldig was. In de aangetroffen chatberichten wordt aan de uitvoerders de opdracht gegeven om het slachtoffer ‘total loss’ te slaan, en zijn benen of knieën te breken. Een van de uitvoerders is met een (nep)vuurwapen naar de woning van het slachtoffer gegaan en heeft de trekker meerdere malen overgehaald. Bij een worsteling die daarna is ontstaan tussen de uitvoerder en het slachtoffer heeft het slachtoffer een hoofdwond opgelopen. Hierdoor is op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de het slachtoffer en zijn gevoel van veiligheid. Uit de verklaring van het slachtoffer en de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding blijkt dat het gebeuren veel impact op hem en zijn gezin heeft gehad. Het gevoel van veiligheid dat iedereen in en rond zijn eigen huis moet hebben, is hierdoor ook ernstig geschaad. Dergelijke feiten veroorzaken veelal ook gevoelens van onrust in de directe omgeving en in de maatschappij in het algemeen. De verdachte heeft zich totaal niet bekommerd om de gevolgen voor het slachtoffer. Het kennelijke gemak waarmee de verdachte samen met anderen via de chatberichten heeft aangedrongen op het plegen van zwaar geweld is zeer verontrustend.\n\nDaarnaast heeft de verdachte zich eind 2019 en de eerste maanden van 2020 samen met anderen beziggehouden met de internationale handel in cocaïne. Hij heeft bijgedragen aan de invoer van drie grote partijen cocaïne met een gewicht van in totaal ruim 1.500 kilogram. Hij heeft deze cocaïne in containers via de Westerschelde ons land binnengebracht en deze vervolgens naar de haven van Antwerpen laten doorvoeren. Twee containers waarin de cocaïne was vervoerd, zijn aangetroffen in Antwerpen in de loods van de verdachte. Verder heeft de verdachte, ook in 2020, samen met anderen 200 kilogram cocaïne met auto’s vanuit België naar Nederland gebracht. De verdachte had een faciliterende rol bij de invoer van deze partijen cocaïne. Hij huurde in Antwerpen een loods waar de containers naartoe werden gebracht en de cocaïne eruit zou worden gehaald. Hij had daarvoor diverse machines (zoals een heftruck) en gereedschappen gekocht. Ook regelde hij mensen voor het lossen van de containers en was hij daarbij zelf ook veelal aanwezig. Tevens onderhield hij de contacten met zijn opdrachtgevers. Met zijn handelen is de verdachte dus een belangrijke schakel in de keten geweest om cocaïne in te voeren en op de illegale markt te brengen.\n\nDoor de invoer van meerdere grote partijen cocaïne, wat ook nog in een vrij korte periode plaatsvond, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en de handel daarin gaat vaak gepaard met andere vormen van ernstige (gewelds)criminaliteit. Hiermee wordt schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij en het gevoel van veiligheid van burgers. De verdachte heeft hiervoor geen oog gehad en was enkel uit op eigen financieel gewin.5.3.2.. \n\nPersoon en persoonlijke omstandigheden\n\nStrafblad\n\nUit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland. Wel is de verdachte in 2021 in België veroordeeld, waarop hieronder zal worden ingegaan.\n\nOverige persoonlijke omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen. Hij heeft last van mentale klachten vanwege zijn aanhouding in deze zaak. Zijn detentie valt hem zwaar. De verdachte is van plan om na zijn detentie weer te werken voor zijn eigen bedrijf. Zijn compagnon heeft voorlopig de leiding van het bedrijf op zich genomen.5.3.3.. \n\nOplegging straf\n\nGelet op de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan wordt rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Ook is rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten.\n\nDe rechtbank heeft zich afgevraagd welke straf passend zou zijn geweest als de feiten – per soort – afzonderlijk van elkaar aan de rechtbank zouden zijn voorgelegd. Voor het medeplegen van de poging tot uitlokking van zware mishandeling met voorbedachten rade (feit 1) vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de LOVS oriëntatiepunten voor artikel 302 Sr, meer specifiek de categorie onder d, namelijk: ‘het opzettelijk toebrengen van zeer zwaar lichamelijk letsel, zonder gebruik te maken van een wapen’. De rechtbank heeft daarbij niet alleen rekening gehouden met wat de afgesproken plannen waren, maar ook met wat er uiteindelijk is gebeurd, namelijk dat het slachtoffer ernstig is bedreigd met een wapen en een hoofdwond heeft opgelopen, wat een enorme impact op het slachtoffer heeft gehad. Dat het in dit geval bij een poging is gebleven, is vanwege omstandigheden die niet aan de verdachte te danken zijn. Hierin wordt dus geen reden gezien om aan de verdachte een lagere straf op te leggen. Als het aan de verdachte had gelegen was het slachtoffer zwaar mishandeld.\n\nVoor de invoer van de vier partijen cocaïne van in totaal ruim 1.700 kilogram (feiten 3 tot en met 6) zou op zichzelf beschouwd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden passend zijn, gelet op de LOVS oriëntatiepunten en de ondersteunende rol van de verdachte in het geheel. De rechtbank ziet redenen om in het voordeel van de verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten, gelet op de ouderdom van de bewezen feiten.\n\nVerder is van belang dat de verdachte op 17 juni 2021 in België is veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en een geldboete van € 32.000,- voor soortgelijke feiten. De rechtbank zal gelet hierop en gezien de overeenkomende aard van de feiten waarvoor de verdachte in België is veroordeeld, in strafmatigende zin rekening houden met deze veroordeling. Daarom vindt de rechtbank voor de feiten 3 tot en met 6 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend. Beperking van de gevangenisstraf tot twee jaar, zoals de verdediging heeft verzocht, doet onvoldoende recht aan de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden.\n\nIn totaal komt de rechtbank dan uit op een gevangenisstraf van 56 maanden met aftrek van voorarrest. De door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 9 jaar vindt de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, te hoog. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\nDe gevorderde geldboete vindt de rechtbank niet op zijn plaats. De verklaring van de verdachte op de zitting biedt onvoldoende concrete handvatten om de hoogte van de verdiensten van de verdachte vast te kunnen stellen. Het bepalen van de hoogte van een daarop gebaseerde geldboete wordt daarmee in zekere zin willekeurig. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om naast een gevangenisstraf van langere duur, ook nog een geldboete op te leggen. Daarbij weegt ook mee dat de verdachte in zijn financiële positie is getroffen door de veroordeling in België, omdat hij daar wel is veroordeeld tot een geldboete. Ten slotte weegt hierbij mee dat de officier van justitie voor het afnemen van de criminele verdiensten een ontnemingsvordering kan indienen, omdat hij deze op de zitting heeft aangekondigd.\n\nMet de officier van justitie ziet de rechtbank op dit moment geen noodzaak om aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] op te leggen, gelet op de duur van de gevangenisstraf die de verdachte moet ondergaan. Indien nodig kan een contactverbod eventueel worden opgelegd als voorwaarde in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling.6. In beslag genomen voorwerpen6.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen OMIX-telefoon wordt verbeurd verklaard en dat de crypto-ledger van het merk Nano S. wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, omdat (nog) niet vastgesteld is dat de ledger van de verdachte is.6.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om teruggave van de crypto-ledger van het merk Nano S aan de verdachte.6.3.. Oordeel van de rechtbank6.3.1.. \n\nTeruggave\n\nDe rechtbank zal de teruggave van de in beslag genomen OMIX-telefoon (nummer 7) aan de verdachte gelasten, gelet op de vrijspraak van feit 2.\n\nDe rechtbank zal ook de teruggave van de in beslag genomen crypto-ledger van het merk Nano S (nummer 9) aan de verdachte gelasten. Deze crypto-ledger is in de woning van de verdachte aangetroffen. De officier van justitie heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de crypto-ledger niet zou toebehoren aan de verdachte.7. Vordering van de benadeelde partij7.1.. \n\nVordering [benadeelde]\n\n heeft als benadeelde partij voor feit 1 schadevergoeding gevorderd. De vordering ziet op bedragen van € 6.505,- voor verhuiskosten, € 5.437,50 voor notariskosten, € 544,50 voor makelaarskosten en € 346,50 voor reiskosten, als vergoeding voor materiële schade en € 7.500,- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarbij is aangevoerd dat de benadeelde partij voor zijn huis is aangevallen en dat de daders zijn adres wisten, waardoor hij zich niet meer veilig voelde in zijn huis. Hij heeft het huis daarom in oktober 2021 in de verkoop gezet en in de zomer van 2022 is hij verhuisd. De hiermee samenhangende kosten zijn te zien als schade die in direct verband tot het strafbare feit staat. Ook heeft de benadeelde partij lichamelijk letsel door het strafbare feit opgelopen en heeft hij geestelijke gevolgen door het strafbare feit ondervonden. Hij is uiteindelijk in augustus en september 2025 uitgevallen op zijn werk, waarna hij zich heeft gemeld voor therapie. Hij heeft psychologische hulp gekregen voor PTSS-klachten die zijn ontstaan door het strafbare feit. Het gevoel van veiligheid van de benadeelde partij is aangetast. Hij heeft de reiskosten moeten maken in verband met de therapiesessies. Ter onderbouwing van de vordering is namens de benadeelde partij gewezen op vergelijkbare zaken.7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor de gevorderde reiskosten. De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering van de met de verhuizing samenhangende kosten, omdat onvoldoende is gebleken van causaal verband tussen de verhuizing en het strafbare feit. Niet is gebleken dat de benadeelde partij zich uit angst voor de verdachte genoodzaakt zag om te verhuizen. Enerzijds omdat uit verschillende berichten en uitlatingen van de benadeelde partij blijkt dat hij niet bang was voor de verdachte. Anderzijds omdat er chatberichten in het dossier zitten dat de benadeelde partij al vóór het strafbare feit bezig was met de aankoop van een nieuwe woning, zodat de wens om te verhuizen er al was. De vordering tot vergoeding van immateriële schade is onvoldoende onderbouwd dan wel bovenmatig. De diagnose PTSS is niet bij de benadeelde partij gesteld. Dat de benadeelde klachten ervaart die passen bij PTSS kan niet worden gelijkgesteld met een vastgestelde stoornis. Daarnaast is in de strafzaken tegen twee andere verdachten een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- toegewezen, terwijl er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die rechtvaardigen dat de verdachte een hogere vergoeding dient te betalen. De vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBLIM:2023:7380) waarnaar is verwezen, komt niet overeen met deze zaak. Verzocht wordt hoofdelijke veroordeling voor het immateriële deel van de vordering, zodat de verdachte deze schadevergoeding samen met de andere verdachten moet voldoen.7.4.. Oordeel van de rechtbank7.4.1.. \n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden bestaande uit reiskosten als gevolg van het onder 1 genoemde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering op dit punt niet betwist. De gevorderde reiskosten komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom voor dit deel toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 346,50 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot vergoeding van materiële schade in de vorm van makelaars-, notaris en verhuiskosten. De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij met argumenten betwist. De beoordeling van de vordering vraagt om een nadere uitwisseling van standpunten en mogelijk bewijslevering. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafproces op. De rechtbank verklaart de benadeelde partij dus niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.7.4.2.. \n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit onder 1 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een hoofdwond. Voorts heeft het strafbare feit psychische gevolgen voor de benadeelde partij gehad.\n\nDie schade wordt naar billijkheid begroot op € 1.000,-. De benadeelde partij is door het handelen van de verdachte niet alleen aangetast in zijn lichamelijke integriteit, maar ook in zijn persoonlijke levenssfeer omdat het strafbare feit plaatsvond bij zijn woonadres. Voor wat betreft de aard en ernst van het letsel houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de overgelegde medische informatie volgt dat sprake is geweest van oppervlakkig letsel aan het hoofd en dat de verdachte gezondheidsproblemen heeft die vallen onder de noemer PTSS, waardoor de benadeelde partij in 2025 voor een periode van twee maanden is uitgevallen op het werk. Dat deze klachten enkele jaren na het incident (in ernstigere mate) aanwezig zijn, is, gezien het verloop van de strafzaak, begrijpelijk. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Ook heeft de rechtbank gekeken naar de begroting van de schade die de uitvoerders aan de benadeelde partij hebben moeten vergoeden. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.\n\nDe verdachte heeft getracht anderen uit te lokken om de benadeelde partij zwaar te mishandelen. Daarmee heeft de verdachte zelf, dus los van aan die anderen te maken verwijten, onrechtmatig jegens de benadeelde partij gehandeld, zodat geen plaats is voor hoofdelijke veroordeling met de uitvoerders, zoals door de verdediging is verzocht.7.4.3.. \n\nWettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe wettelijke rente over de immateriële schade wordt toegewezen vanaf 15 april 2020, zijnde de datum waarop de schade is ingetreden. Wat de reiskosten betreft, is aannemelijk geworden dat deze kosten zijn gemaakt vanaf 1 oktober 2025 gedurende een periode van 6 maanden, zodat de wettelijke rente vanaf het midden van deze periode, te weten vanaf 1 januari 2026, zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 13 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Wettelijke voorschriften\n\nDe oplegging van de straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46a, 47, 57 en 303 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.9. Beslissingen\n\nDe rechtbank:\n\nVoorvragen\n\nverklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;\n\nVrijspraak\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 primair, feit 3 primair, feit 4 primair, feit 5 primair en feit 6, zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd;\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nstelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 56 (zesenvijftig) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nIn beslag genomen voorwerpen\n\nbeveelt de teruggave van de OMIX-telefoon (nummer 7) en de crypto-ledger van het merk Nano S. (nummer 9) aan de verdachte;\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\nveroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] (feit 1 primair), te betalen een bedrag van € 1.346,50, bestaande uit € 346,50 als vergoeding van materiële schade en € 1.000,- als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over het materiële schadebedrag vanaf 1 januari 2026 en de wettelijke rente over het immateriële schadebedrag vanaf 15 april 2020 tot de dag van volledige betaling;\n\nwijst af de vordering van het resterende deel van de immateriële schade;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering van de materiële schade; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;\n\nlegt aan de verdachte voor feit 1 primair de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] aan de staat€ 1.346,50te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de materiële schade van € 346,50 vanaf 1 januari 2026 en de wettelijke rente over de immateriële schade van € 1.000,- vanaf 15 april 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur vanmaximaal 13 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\n10. Samenstelling rechtbank en ondertekening\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. W.J. de Veld, voorzitter,\n\nen mrs. M.K. Asscheman-Versluis en M.S. Polet, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. E.H. Karakus, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 21 april 2026.\n\nMr. Polet is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\n Vonnis Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen 17 juni 2021, pagina 41 e.v. van het zaaksdossier [dossiernaam] .\n\n HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:387, r.o. 3.3.1.\n\nDe exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:7914","2026-07-13T00:29:24.526Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":37,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":137,"summary":37,"language":7,"source":39,"sourceUrl":138,"sourceTimestamp":139,"parsedAt":41,"updatedAt":140},"284","ECLI:NL:RBROT:2023:5671","ecli-nl-rbrot-2023-5671","Rechtbank Rotterdam\n\nTeam straf 1\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 28 juni 2023\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte01]\n,\n\ngeboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres:\n\n[adres01] , [postcode01] [plaats01],\n\nraadsvrouw mr. J. van Wingerden, advocaat te Dordrecht.1.. Onderzoek op de terechtzitting\n\nGelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2023.2.. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.3.. Eis officier van justitie\n\nDe officier van justitie mr. J. Spaans heeft gevorderd:\n\nvrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;\n\nbewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde;\n\nveroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week met aftrek van voorarrest.4.. Waardering van het bewijs\n\nInleiding:\n\nOp grond van hetgeen is besproken ter zitting en op grond van het strafdossier is het volgende komen vast te staan:\n\nTijdens de jaarwisseling van 2022\u002F2023 hebben zich in het centrum van ’s-Gravendeel ernstige ongeregeldheden voorgedaan. Politiemensen die ter plekke dienst deden werden beschoten met vuurpijlen en zwaar vuurwerk dat werd gegooid vanuit een groep in het zwart geklede jongeren. Deze jongeren trokken door het dorp terwijl zij vernielingen pleegden en ook naar nietsvermoedende burgers vuurwerk gooiden. Op de [straatnaam01] , ter hoogte van [huisnummer01] , werden glimmende voorwerpen op de weg aangetroffen ter hoogte van een wegversmalling. Politiemedewerkers ontdekten dat het zelf geproduceerde kraaienpoten waren, kennelijk opzettelijk neergelegd om de banden van (politie)voertuigen lek te laten rijden. De politiemedewerkers moesten dekking zoeken om niet geraakt te worden en vroegen om versterking, in de vorm van de Mobiele Eenheid.\n\nToen de Mobiele Eenheid (verder: ME) omstreeks 01.30 uur arriveerde werd opnieuw geweld gepleegd en zwaar vuurwerk gegooid, onder meer bestaande uit witte bollen die na ontploffing een enorme drukgolf teweeg brachten in de onmiddellijke nabijheid van politiemensen. Na verloop van tijd kon een grote groep mensen door de ME ingesloten (‘ingeboxt’) worden, met het doel de orde en rust weer te laten keren. Terwijl deze groep mensen, waaronder de verdachte, ingesloten was, bleef het gooien van vuurwerk, het gooien van voorwerpen, het beledigen en schreeuwen, het opdringen en ander geweld in de richting van de ME voortduren. Enkelen probeerden te ontsnappen. Naar de ME werd opnieuw vuurwerk en andere projectielen gegooid om dit ontsnappen te ondersteunen. Tijdens dit insluiten is zeer zwaar illegaal vuurwerk gebruikt tegen de ME. Bij de ME’ers was er reële angst voor blijvend letsel. Door twintig politieambtenaren werd aangifte gedaan.\n\nDe officier van justitiestelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, te weten de poging doodslag\u002Fzware mishandeling als ook van het onder 2 ten laste gelegde, te weten het plegen van openlijk geweld tegen de politie. Ondanks dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte01] een verwerpelijk filmpje heeft opgenomen, is dat onvoldoende zwaarwegend of dragend voor een veroordeling van openlijk geweld.\n\nDe\n\nverdachteheeft ter zitting verklaard bij deze rellen aanwezig te zijn geweest doch hieraan niet te hebben deelgenomen. De verdachte zou niets hebben gegooid zodat hij van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daarnaast zou hij geen geweld hebben gebruikt, zodat hij ook van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hij heeft weliswaar deelgenomen aan een whatsappgroep in de dagen voorafgaand aan oudejaarsnacht en hij heeft een filmpje opgenomen op zijn mobiele telefoon toen hij was ingesloten door de ME. In dat filmpje spreekt hij samen met medeverdachte [medeverdachte01] over het doodschoppen of doodslaan van een agent. Daaruit kan echter geen voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het openlijk geweld worden afgeleid. De verdachte heeft namelijk niet deelgenomen aan het appgesprek. Het filmpje was niet meer dan een misplaatste grap en een verband tussen het filmpje en het geweld dat medeverdachte [medeverdachte01] later pleegde ontbreekt.\n\nBeoordeling:\n\nDe centrale vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is de vraag of de verdachte openlijk geweld heeft gebruikt tijdens de grote ordeverstoringen in deze oudejaarsnacht, waarbij bovendien door de verdachte zou zijn geprobeerd om tezamen met anderen \u002F een ander politiemensen te doden en \u002F of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.4.1.. \n\nVrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde\n\nDe rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte eens dat dit feit niet met de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen bewezen kan worden. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte al dan niet met één of meer anderen geprobeerd heeft om politiemensen te doden dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.4.2.. \n\nBewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.\n\nArtikel 141 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) – de openlijke geweldpleging wordt hierin strafbaar gesteld – beoogt een strafrechtelijke vertaling te geven aan de aantasting van de openbare orde door geweldpleging vanuit een groep. Dit brengt mee dat de verdachte die zelf geweld pleegt geen weet hoeft te hebben gehad van (al) het geweld dat is gepleegd door andere personen die deel uitmaakten van de samengekomen menigte, laat staan dat hij aan dat andere geweld een bijdrage moet hebben geleverd. Dat zou juist bij grootschalige verstoringen van de openbare orde waaraan de wetgever oorspronkelijk dacht een onmogelijke eis zijn geweest. Voldoende voor aansprakelijkheid was en is nog steeds dat men één van de geweldplegers was. Voorts brengt het mee dat alle door de verschillende personen uit de menigte gepleegde geweldshandelingen deel uitmaken van één en dezelfde verstoring van de openbare orde. De optelsom van al die individuele geweldshandelingen vormt als het ware de openbare orde verstorende openlijke geweldpleging waarvoor de verdachte mede aansprakelijk wordt gehouden. Anders gezegd: de afzonderlijke geweldshandelingen leveren samen één overtreding van artikel 141 Sr. op. Tot slot dient te worden vermeld dat het vaste rechtspraak is dat van ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert\u002Fheeft geleverd aan het (mede door anderen gepleegde) geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn.\n\nHet is vanuit dit normkader van de strafbepaling die aan de verdachte wordt verweten dat de rechtbank het gedrag van de verdachte beoordeelt en zij neemt daar bij het volgende in haar overwegingen mee.\n\nDe verdachte heeft voorafgaand aan de jaarwisseling deelgenomen aan een appgroep waaraan naast de verdachte anderen (waaronder ook medeverdachte [medeverdachte01] ) hebben meegedaan. Hierin werd in de weken\u002Fdagen voorafgaand aan oudejaarsnacht gesproken over de aankomende jaarwisseling, over de aankoop van zwaar illegaal vuurwerk, over de komst van “tuig” naar het dorp in de oudejaarsnacht, werd concreet besproken om de camera’s van de in het dorp zich bevindende torenpaal af te plakken en waar om 23:08:29 uur op 31 december 2022 wordt gezegd:\n\n\"Wij zijn sgravendeel nu weeegje gassss drop niemand is gekker dan wij.\"\n\nDe verdachte heeft – zoals hij ter zitting heeft verklaard – zich sinds kort na twaalf uur tijdens de jaarwisseling in het centrum rond de rellen bevonden.\n\nOp de telefoon van de verdachte bevindt zich een filmpje, gemaakt op 1 januari 2023 te 1:01 uur UTC, te weten 2:01 uur plaatselijke tijd. genaamd\n\n“Agent pakt”.Hierin spreken de verdachte en [medeverdachte01] met elkaar waarbij [medeverdachte01] zegt:\n\"Als ik een agent pak, sla jij hem dan dood?\"De verdachte antwoordde:\n\"Als ik.. Als jij een agent pakt schop ik hem dood.\"De verdachte [medeverdachte01] , antwoordde:\n\"Nee. Ja.\" De verdachte antwoordde:\n\"Ja, is goed\"Vervolgens werd de camera van de telefoon van de verdachte gericht op een lid van de Mobiele Eenheid en iemand zei\n: \"Hij\".Kennelijk is dit filmpje gemaakt op een moment dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte01] door de ME waren ingesloten.\n\nDe medeverdachte [medeverdachte01] trapte kort daarna, omstreeks 2:15 uur, tegen het schild van agent [verbalisant01] en werd vervolgens terzake openlijke geweldpleging aangehouden.\n\nOp basis van getuigenverklaringen en processen-verbaal van bevindingen stelt de rechtbank vast dat in de periode dat een groep mensen, die overlast hadden gegeven en waaronder de verdachte en [medeverdachte01] zich bevonden werden opgehouden door de mobiele eenheid, deze ME-ers werden bestookt met vuurwerk en andere projectielen. Mensen probeerden te ontsnappen uit deze situatie door geweld tegen de politie te gebruiken.\n\nOok is vastgesteld dat nadat de gehele groep was geïdentificeerd en was vertrokken, op de grond verschillende cobra’s, boksbeugels etc. door de politie zijn aangetroffen.\n\nDe verdachte heeft, hiermee ter zitting geconfronteerd, gezegd dat hij wel lid was van de appgroep, maar dat hij de appgesprekken grotendeels niet heeft meegekregen. Het filmpje is gemaakt nadat hij ruim een uur ingesloten had gestaan door de politie. Op een gegeven moment heeft hij toen voor de grap dat filmpje gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij het filmpje op dat moment wel grappig vond, maar toen hij het terugzag niet meer, hij noemt het een misplaatste grap.\n\nDe rechtbank schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde. Er zijn in de appgroep teveel concrete gegevens door de politie aangetroffen die rechtstreeks in verband met de rellen van die nacht gebracht kunnen worden om deze verklaring van de verdachte aan te nemen. De rechtbank stelt vast dat in de appgesprekken en het filmpje blijkt van voorbereidingen voor gevechten met de ME in de oudejaarsnacht, waarbij illegaal vuurwerk zou worden gekocht, mogelijk bewijs vergarende instrumenten (camera’s) onklaar zouden worden gemaakt en gericht ME-ers werden aangewezen om geweld tegen uit te oefenen. De verdachte heeft op 30 december 2022 een bericht van de verdachte [medeverdachte01] doorgestuurd in die groepsapp. Daaruit leidt de rechtbank af dat hij wel degelijk deelnam aan die appgroep.\n\nHet geweld tegen de politieagent [verbalisant01] , die hierdoor pijn en letsel opliep, vormt een essentieel onderdeel van het openlijk geweld ter verstoring van de openbare orde. Anders dan de verdediging heeft bepleit ziet de rechtbank gelet op het korte tijdsverloop tussen het moment dat de verdachte en [medeverdachte01] het filmpje – dat later de naam “ [bestandsnaam01] ” heeft meegekregen – hebben gemaakt en het moment dat [medeverdachte01] tegen schild van [verbalisant01] heeft getrapt, wel een voldoende oorzakelijk verband tussen het filmpje en het gepleegde geweld zodat in het verlengde daarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan dat geweld heeft geleverd.\n\nDe in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen zijn niet alle door de verdachten verricht maar vormen tezamen met zijn bijdrage deze inbreuk op de openbare orde zoals door de officier van justitie is beschreven. Feit 2 is dan ook bewezen zoals hierna is aangegeven.4.3.. \n\nBewezenverklaring zonder nadere motivering van het onder 3 ten laste gelegde\n\nHet onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.4.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nIn bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.\n\nIn bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.\n\nDe verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:\n\n2.\n\nhij op 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,\n\nopenlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen\n\nverbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk in de richting van voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant01] te trappen;\n\n3.\n\nhij op 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een prullenbak, die aan Gemeente Hoeksche Waard toebehoorde heeft vernield.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.5.. Strafbaarheid feiten\n\nDe bewezen feiten leveren op:\n\n2.\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.\n\n3.\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.6.. Strafbaarheid verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.7.. Motivering straf7.1.. \n\nAlgemene overweging\n\nDe straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.7.2.. \n\nFeiten waarop de straf is gebaseerd\n\nZoals hierboven onder 4 vermeld, hebben zich rond de jaarwisseling 2022 \u002F 2023 zeer ernstige ongeregeldheden voorgedaan. Het heeft er alle schijn van dat er sprake was van een vooropgezet plan om politieambtenaren en ME’ers in de val te lokken en fysieke schade toe te brengen, onder meer door het bekogelen van die politiemensen met zwaar, illegaal vuurwerk. Uit de aangiften blijkt dat de politieambtenaren, die toch gewend zijn aan het optreden in stressvolle situaties, oprecht bang waren dat zij er niet zonder ernstig letsel van af zouden komen. Meerdere politiemensen spraken van een oorlogssituatie, enkelen van hen overwogen zelfs om – uit lijfsbehoud – gericht op relschoppers te schieten.\n\nDe verdachte heeft in de aanloop naar deze rellen een rol gespeeld door deel te nemen aan opruiende WhatsApp-gesprekken. Verder nam hij deel aan een gefilmd gesprek over het doodschoppen van ME’ers. Dat was kort voordat medeverdachte [medeverdachte01] agent [verbalisant01] , op dat moment in functie als ME’er, tegen haar schild schopte en daardoor pijn en letsel toebracht. Dit alles gebeurde te midden van het ‘strijdtoneel’ waarin politieambtenaren met zwaar vuurwerk werden bekogeld. De verdachte was, door zijn opruiende rol en door het van politieambtenaren, mede verantwoordelijk voor het openlijk geweld dat door de grotere groep werd gepleegd.\n \nEerder, in de avond van 31 december 2022, heeft de verdachte een vuilnisbak opgeblazen met zwaar vuurwerk. Deze vernieling staat los van wat er later die nacht is gebeurd, maar past wel in het patroon van geweldpleging met behulp van zwaar vuurwerk.7.3.. \nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte7.3.1.. \n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 mei 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.7.3.2.. \n\nRapportage\n\nReclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 mei 2023. Dit rapport houdt – onder meer en voor zover van belang – het volgende in.\n\nHet alcoholgebruik van de verdachte wordt als delictgerelateerd beschouwd, en zijn sociaal netwerk mogelijk ook. Uit het onderzoek komen geen aanwijzingen voor agressieproblematiek naar voren. De verdachte komt zijn afspraken in het kader van het schorsingstoezicht na. Positief is dat de verdachte na zijn vrijlating weer aan het werk is gegaan en dat hij wordt gesteund door zijn familie. De kans op recidive en letselschade wordt laag ingeschat. Geadviseerd wordt om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op de informatie van de reclassering.7.4.. \n\nConclusies van de rechtbank\n\nGelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.\n\nGezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest. In plaats daarvan wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank legt de verdachte een hogere straf dan door de officier van justitie gevorderd, omdat zij feit 2 bewezen heeft verklaard.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.8.. Vorderingen benadeelde partijen\n\nTweeëntwintig politieagenten hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partijen [benadeelde partij01] ,\n\n[benadeelde partij02] , [benadeelde partij03] , [benadeelde partij04] , [benadeelde partij05] , [benadeelde partij06] , [benadeelde partij07] , [benadeelde partij08] , [benadeelde partij09] , [benadeelde partij10] ,\n\n[benadeelde partij11] , [benadeelde partij12] , [benadeelde partij13] , [benadeelde partij14] , [benadeelde partij15] , [benadeelde partij16] , [benadeelde partij17] , [benadeelde partij18] en [benadeelde partij19] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,- aan immateriële schade, de benadeelde partijen [benadeelde partij20] en [benadeelde partij21] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,- aan immateriële schade en de benadeelde partij [benadeelde partij22] vordert een vergoeding van € 750,- aan immateriële schade.8.1.. \n\nStandpunt officier van justitie\n\nOmdat er vrijspraak is gevorderd dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.8.2.. \n\nStandpunt verdediging\n\nDe benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering omdat er vrijspraak is bepleit.8.3.. \n\nBeoordeling\n\nDe benadeelde partijen zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard omdat thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 2 primair bewezen verklaarde feit. Daarbij heeft de rechtbank ervoor gekozen om ten aanzien van de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen uit te gaan van de door de verdachte gepleegde handelingen. Die hebben wel bijgedragen aan het door medeverdachte [medeverdachte01] gepleegde geweld, maar de verdachte heeft zelf geen geweldshandelingen gepleegd.\n\nNu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.8.4.. \n\nConclusie\n\nIn deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.9.. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nGelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 141 van het Wetboek van Strafrecht.10. . Bijlagen\n\nDe in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.11.. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;\n\nstelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een\n\ngevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;\n\nbepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot\n\n73 (drieënzeventig) dagenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;\n\nverbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;\n\ntenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;\n\nstelt als algemene voorwaarde:\n\nde veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht zodat thans geen onvoorwaardelijk strafdeel resteert, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;\n\nheft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;\n\nverklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij01] , [benadeelde partij02] , [benadeelde partij20] ,\n\n[benadeelde partij03] , [benadeelde partij04] , [benadeelde partij05] , [benadeelde partij06] , [benadeelde partij21] , [benadeelde partij07] , [benadeelde partij08] , [benadeelde partij09] , [benadeelde partij10] , [benadeelde partij11] , [benadeelde partij12] , [benadeelde partij13] ,\n\n[benadeelde partij22] , [benadeelde partij14] , [benadeelde partij15] , [benadeelde partij16] , [benadeelde partij17] , [benadeelde partij18] en\n\n[benadeelde partij19] niet-ontvankelijk in de vorderingen;\n\nveroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.M. Havik, voorzitter,\n\nen mrs. G.P. van de Beek en C.J.L. van Dam, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.\n\nDe voorzitter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\nAan de verdachte wordt ten laste gelegd dat\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof diens mededader(s) voorgenomen misdrijf om\n\néén of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant21] (hoofdagent) en\u002Fof [verbalisant22] (aspirant)\n\nen\u002Fof\n\néén of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , althans een of meer (andere) verbalisanten\n\nopzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten heeft\u002Fhebben afgeschoten en\u002Fof gegooid, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten heeft\u002Fhebben gegooid,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard,\n\nopenlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen\n\neen of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant21] (hoofdagent) en\u002Fof [verbalisant22] (aspirant)\n\nen\u002Fof\n\néén of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant02] en\u002Fof [verbalisant01] en\u002Fof [verbalisant03] en\u002Fof [verbalisant04] en\u002Fof [verbalisant05] en\u002Fof [verbalisant06] en\u002Fof [verbalisant07] en\u002Fof [verbalisant08] en\u002Fof [verbalisant09] en\u002Fof [verbalisant10] en\u002Fof [verbalisant11] en\u002Fof [verbalisant12] en\u002Fof [verbalisant13] en\u002Fof [verbalisant14] en\u002Fof [verbalisant15] en\u002Fof [verbalisant16] en\u002Fof [verbalisant17] en\u002Fof [verbalisant18] en\u002Fof [verbalisant19] en\u002Fof [verbalisant20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [verbalisant22] en\u002Fof [verbalisant21] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [verbalisant22] en\u002Fof [verbalisant21] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant01] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3.\n\nhij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard\n\nopzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:5671","2023-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:22.607Z",20]