[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-benefits-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},86,"benefits-law-nl","Benefits Law","NL","2026-07-08T16:55:44.327Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"915","ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","ecli-nl-rbobr-2026-4636","","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2933\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster], uit [vestigingsplaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: M.A. Brouwer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de vraag welke schade het UWV aan verzoekster moet vergoeden als gevolg van te late besluitvorming door het UWV. Verzoekster heeft de rechtbank gevraagd hierover te oordelen.\n\n1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de schade van verzoekster heeft vergoed. De overige schade waarvan verzoekster vergoeding vraagt komt niet voor vergoeding in aanmerking. Verzoekster krijgt dus geen gelijk en het verzoek om veroordeling van het UWV tot een hogere schadevergoeding wordt afgewezen. Verzoekster krijgt wel een vergoeding van een deel van haar proceskosten, omdat het UWV een nieuw besluit heeft genomen over de schadevergoeding aan verzoekster, nadat verzoekster haar verzoek bij de rechtbank had ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekster heeft op 13 augustus 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het UWV. Op 15 oktober 2025 heeft het UWV op dit verzoek beslist en aan verzoekster een schadevergoeding toegekend van € 1.450,19.\n\n2.1. Verzoekster heeft op 31 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingestuurd.\n\n2.2. Het UWV heeft op 18 november 2025 een nieuwe beslissing genomen met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding en daarbij een schadevergoeding aan verzoekster toegekend van in totaal € 24.625,19.\n\n2.3. Verzoekster heeft haar verzoekschrift aangevuld.\n\n2.4. Het UWV heeft gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.\n\n2.5. Verzoekster heeft op het aanvullende verweerschrift gereageerd.\n\n2.6. De rechtbank heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.7. De rechtbank heeft ter zitting verzoekster een termijn verleend voor het indienen van nadere stukken en het onderzoek aangehouden.\n\n2.8. Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd. Het UWV heeft hierop gereageerd. Verzoekster heeft vervolgens gereageerd op de reactie van het UWV.\n\n2.9. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de schade die verzoekster claimt voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de toekenning van een schadevergoeding van € 24.625,19 de geleden schade van verzoekster heeft vergoed en dat daarom het verzoek van verzoekster om een hogere schadevergoeding moet worden afgewezen. Hierna wordt dit uitgelegd.\n\nDe aanleiding voor het verzoek en de standpunten van partijen\n\n4. De ex-werknemer van verzoekster is in februari 2022 ziek geworden. Nadat hij twee jaar ziek is gebleven en verzoekster twee jaar zijn loon had doorbetaald, heeft de ex-werknemer een WIA-uitkering aangevraagd bij het UWV. Naar aanleiding van een verzoek om herbeoordeling op 30 oktober 2024, heeft het UWV op 23 juni 2025 besloten een IVA-uitkering toe te kennen aan de ex-werknemer vanaf 30 oktober 2024 (het WIA-besluit). De uitkering is dus met terugwerkende kracht van toepassing, vanaf het moment van ontvangst van het verzoek om herbeoordeling.\n\n4.1. Tijdens de behandeling van het verzoek om herbeoordeling heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer doorbetaald. Nu het UWV het besluit om aan de ex-werknemer een hogere uitkering toe te kennen te laat heeft genomen heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer langer doorbetaald dan nodig was. Verzoekster heeft het UWV dan ook gevraagd om het te veel betaalde loon te vergoeden vanaf 30 oktober 2024 tot en met juni 2025 samen met een vergoeding voor andere door verzoekster gemaakte kosten. In totaal heeft verzoekster volgens het UWV € 46.1943,63 aan kosten gemaakt en zij heeft het UWV in eerste instantie verzocht om € 20.305,09 te vergoeden.\n\n4.2. Het UWV heeft aanvankelijk € 1.450,19 vergoed. Meer schade die voor vergoeding in aanmerking komt had verzoekster volgens het UWV niet geleden. Het loon van de ex-werknemer over de maanden november 2024 tot en met juni 2025 was € 46.1943,63. Een deel van dit loon, €21.569,44, heeft eiseres van het UWV ontvangen vanwege de WGA-uitkering van de ex-werknemer en € 23.175,- is vergoed aan eiseres door haar verzuimverzekeraar Sazas verzuimverzekeringen (Sazas). Na indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank heeft het UWV aan verzoekster laten weten dat ook de € 23.175,- door het UWV wordt vergoed. Het UWV heeft eiseres gevolgd in haar standpunt dat deze kosten door Sazas zijn teruggevorderd. De schade van verzoekster wordt door het UWV hiermee vastgesteld op € 24.625,19.\n\n4.3. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht het UWV te veroordelen tot een hogere schadevergoeding. Verzoekster stelt meer schade te hebben dan het UWV tot nu toe heeft vergoed. Verzoekster stelt dat Sazas € 28.350,- terugvordert in plaats van € 23.175,-, zodat UWV is gehouden om nog € 5.175,- te vergoeden. Ook vraagt zij om de kosten van Merks Advies (haar gemachtigde) te vergoeden. Deze kosten zijn volgens eiseres gemaakt om de fouten van het UWV te moeten corrigeren en kosten die verband houden met de\n\nre-integratie van de ex-werknemer. De kosten hiervan zijn € 6.260,- voor de periode november 2024 tot en met juni 2025 en € 4.772,- voor de periode juli 2025 tot en met november 2025. In totaal vraagt verzoekster voor de kosten van Merks Advies dus € 11.032,-.\n\n4.4. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een termijn van 8 weken heeft om een beslissing te nemen op het verzoek tot herbeoordeling van eiseres. Het verzoek is op 30 oktober 2024 ingediend, zodat deze termijn eindige op 27 december 2024. Pas na deze datum is de schade van verzoekster ontstaan, omdat vanaf dat moment vaststaat dat het UWV te laat op het verzoek om herbeoordeling heeft beslist. Het UWV heeft de schade van verzoekster vergoed vanaf 1 november 2024. Daarmee heeft het UWV verzoekster niet tekort gedaan. Het UWV schrijft verder dat hij de kosten die verzoekster heeft gemaakt en daarna zijn teruggevorderd door Sazas heeft vergoed. Dat Sazas nu een hoger bedrag terugvordert dan dat het UWV aan verzoekster heeft betaald, is volgens het UWV een kwestie tussen verzoekster en Sazas. Er is geen causaal verband tussen het hogere bedrag dat Sazas terugvordert en de te late beslissing. De door verzoekster geclaimde schade vanwege de kosten voor Merks Advies komen volgens het UWV niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze schade niet een rechtsreeks gevolg is van het te late WIA-besluit. De kosten gemaakt vanwege re-integratie zijn geen gevolg van het te late besluit, maar gingen daaraan vooraf. De facturen die zijn overgelegd laten volgens het UWV alleen zien dat er werkzaamheden zijn verricht door Merks Advies, maar specificeren niet welke werkzaamheden dat dan zijn geweest en hoe deze het gevolg waren van het te late WIA-besluit. Het verzoek om de nabetaling IVA aan de werkgever over te maken, het verzoek om de maandelijkse uitkering aan de werkgever over te maken, het verzoek om schadevergoeding en de toelichting op de geclaimde loonschade zijn wel inzichtelijk. Toch komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking volgens het UWV, omdat deze werkzaamheden behoren tot reguliere taken van een werkgever en bij de reguliere bedrijfsvoering horen. Dat de werkgever deze taken heeft uitbesteed, is een keuze van de werkgever. Het UWV beroept zich op de jurisprudentie waarin dit is beslist.\n\nBeoordelingskader\n\n5. De bestuursrechter is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n5.1. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van zo’n verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluit bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. De vraag die in deze zaak aan de rechtbank voorligt is of er een oorzakelijk (causaal) verband bestaat tussen enerzijds de te late besluitvorming en anderzijds de schadeposten die verzoekster claimt. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of die schadeposten aan het UWV kunnen worden toegerekend, zodat het UWV die schade moet betalen.Tot slot vergelijkt de rechtbank de uitkomst van deze beoordeling met de schadevergoeding die het UWV al heeft toegekend en de onderbouwing daarvan.\n\n5.2. Bij dit alles geldt als uitgangspunt dat de schadevergoeding de verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Dat betekent in deze zaak dat de hoogte van de schade het positieve verschil is tussen enerzijds het door verzoekster betaalde loon aan de ex-werknemer en de kosten die daarbij kwamen kijken en anderzijds de kosten die zij had gehad als het UWV op tijd een besluit had genomen op het verzoek om herbeoordeling van de ex-werknemer.\n\nBeoordeling van het verzoek om schadevergoeding\n\n6. Tussen verzoekster en het UWV staat niet ter discussie dat te laat is besloten op het verzoek om herbeoordeling en dat verzoekster daardoor schade heeft geleden. Het geschil gaat over de hoogte van de schade. In beroep zijn nog twee schadeposten in geschil: te weten: 1. de loonkosten die door eiseres zijn doorbetaald aan de ex-werknemer en aanvankelijk door Sazas zijn uitgekeerd, maar uiteindelijk door Sazas zijn teruggevorderd. Het betreft nog een bedrag van € 5.175,-; 2. de kosten van Merks Advies van in totaal € 11.032,-. De rechtbank zal deze gevorderde schadeposten beoordelen.\n\n1. De terugvordering van de uitkering van Sazas van € 5.175,-\n\n7. De rechtbank volgt het UWV niet in zijn standpunt dat de uitkering die door Sazas is teruggevorderd niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat het totale bedrag van € 28.350,- betrekking heeft op door eiseres aan de ex-werknemer doorbetaalde loonkosten van na 27 december 2024. Er is dus een causaal verband tussen enerzijds het schadeveroorzakende feit, te weten de te late WIA-beslissing en de door eiseres geleden schade. Dat eiseres aan het UWV aanvankelijk om een te lage vergoeding van deze schadepost heeft verzocht, houdt de rechtbank op een omissie van eiseres, die zij in beroep heeft hersteld door alsnog deze schadepost te specificeren. Toch leidt dit niet tot het oordeel dat het UWV is gehouden om het nog niet vergoede bedrag van € 5.175,- aan eiseres te betalen. Dat motiveert de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV eiseres meer dan volledig schadeloos heeft gesteld met de toekenning van in totaal € 24.625,19. Met het UWV is de rechtbank het eens dat hij aan eiseres over de maanden november 2024 en december 2024 onterecht schadevergoeding heeft betaald, omdat in deze maanden het schadeveroorzakende feit, het te laat beslissen, nog niet plaatsgevonden. Dit betekent dat het UWV € 8.654,27 ten onrechte aan verzoekster heeft vergoed. Dit bedrag is door verzoekster niet betwist. Omdat het UWV € 8.654,27 te veel schadevergoeding heeft betaald, kan de door verzoekster gevraagde € 5.175,- niet leiden tot toekenning van een hogere schadevergoeding dan die zij al heeft ontvangen van het UWV. Een ander oordeel zou leiden tot de situatie waarin verzoekster door de schadevergoeding in een betere financiële positie komt te verkeren en dit druist in tegen het uitgangspunt dat de schadevergoeding verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Voor dit oordeel is ook van belang dat de rechtbank de door verzoekster gevraagde schadepost van € 11.032,- voor de kosten van Merks Advies afwijst. Hoe de rechtbank tot dit oordeel komt, licht de rechtbank hieronder toe.2. De kosten van Merks Advies van € 11.032,-7.1.. De kosten van Merks zijn volgens verzoekster gemaakt om de fouten van het UWV te herstellen. Voor zover daarvan al sprake is, kan dat niet leiden tot toewijzing van het gevorderde bedrag, omdat verzoekster niet aannemelijk heeft kunnen maken dat deze kosten verband houden met het schadeveroorzakende feit. Daar komt bij dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 9 december 2015heeft geoordeeld dat kosten voor reguliere, binnen het dienstverband verrichte werkzaamheden niet voor schadevergoeding in aanmerking komen. De werkzaamheden die Merks Advies heeft uitgevoerd in verband met het voldoen aan re-integratieverplichtingen en een eventuele discussie hierover met een uitvoeringsinstantie zoals het UWV, behoren, als deze binnen bepaalde grenzen blijven, tot de normale bedrijfsvoering. Dat verzoekster deze werkzaamheden aan haar gemachtigde heeft uitbesteed doet niets af aan dit uitgangspunt. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden deze grens hebben overschreden. Verzoekster heeft niet aan de hand van een inzichtelijke berekening duidelijk gemaakt waarin de noodzaak lag voor de geclaimde uren aan werkzaamheden naar aanleiding van het te laat beslissen door het UWV. Met het ingebrachte urenoverzicht van de gemachtigde heeft verzoekster hierin niet voorzien. De werkzaamheden die de gemachtigde van verzoekster naar aanleiding van het te laat beslissen heeft verricht behoorden daarom tot de normale bedrijfsvoering en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Over de kosten die verzoekster claimt omdat haar gemachtigde kosten heeft gemaakt voor deze procedure, oordeelt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak er geen plaats is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten via de weg van een aanvullend verzoek om schadevergoeding.Voor zover de kosten van juridische bijstand moeten worden gezien als buitengerechtelijke kosten heeft verzoekster niet voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat van deze kosten sprake is geweest en dat het maken van de kosten, in de gegeven omstandigheden, redelijk is en dat de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk was om vergoeding van de schade te verkrijgen.\n\n7.2.. De slotsom is dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, voor zover de hoogte daarvan de door het UWV toegekende schadevergoeding te boven gaat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt.\n\n8.1.. Het UWV heeft een aanvullende schadevergoeding toegekend met het besluit van 18 november 2025 naar aanleiding van het verzoek. In de omstandigheid dat verzoekster een verzoek heeft moeten indienen om die aanvullende schadevergoeding te krijgen, ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar griffierecht. Het UWV moet deze vergoeding betalen.\n\n8.2.. De hoogte van de proceskosten stelt de rechtbank vast op € 934,-. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift. De rechtbank kent in dit geval geen punt toe voor het bijwonen van de zitting omdat het nieuwe schadebesluit door het UWV twee weken na het indienen van het verzoek is genomen, nog voor de zaak op zitting is gepland.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek om aanvullende schadevergoeding af;\n\n- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 385,- aan verzoekster te vergoeden;\n\n- veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\n Wet werk en inkomensvoorziening naar arbeidsvermogen.\n\n Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.\n\n Centrale Raad van Beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452 en Centrale Raad van Beroep 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130.\n\n Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.\n\n Centrale Raad van beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1319.\n\n Centrale Raad van Beroep 3 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2094, en 16 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:87.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:54.342Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"920","ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","ecli-nl-rbobr-2026-4607","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2436\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de terugvordering van een aan eiser verstrekt voorschot op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing over die terugvordering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 7 juli 2025 heeft het UWV vastgesteld dat eiser € 782,51 bruto te veel aan voorschot op de WAO-uitkering heeft ontvangen en dat hij dit moet terugbetalen aan het UWV.\n\n2.1.. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 17 september 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n2.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner, en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen een vraag van de rechtbank voor te leggen aan zijn voormalig werkgever. Eiser heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt en de schriftelijke reactie van zijn voormalig werkgever (een brief van 23 maart 2026) in het geding gebracht. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Van die gelegenheid heeft het UWV gebruikgemaakt.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij het niet nodig vindt om in deze zaak een nadere zitting te houden en partijen de gelegenheid gegeven om het binnen vier weken te laten weten als zij wel op een nadere zitting willen worden gehoord. Geen van de partijen heeft binnen die termijn verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe relevante feiten\n\n3. Eiser bereikte op 26 juni 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd. Eiser had tot die datum recht op een WAO-uitkering. Deze uitkering werd in de vorm van een voorschot verstrekt, waarbij achteraf de inkomsten werden verrekend met zijn uitkering. Eiser had namelijk naast zijn WAO-uitkering inkomen uit arbeid. Hij werkte voor [naam] Ook dat dienstverband eindigde op 26 juni 2025 wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.\n\n4. Eiser heeft voor de periode 1 juni 2025 tot en met 25 juni 2025 een voorschot ontvangen op zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het ging om een voorschot van € 724,54 bruto (exclusief vakantiegeld).\n\nEiser heeft in de maand juni 2025 in totaal € 4.541,10 bruto van zijn werkgever ontvangen, waaronder naast zijn gebruikelijke salaris een (eenmalig) bedrag van € 1.900 genaamd ‘uitkering Vut\u002FPensioen N\u002FBr.eenm’.\n\n5. Het UWV heeft op basis van de inkomensgegevens van de Belastingdienst een definitieve berekening van eisers WAO-uitkering uitgevoerd over juni 2025. Daarbij is berekend of het in juni 2025 verstrekte voorschot in overeenstemming was met het bedrag aan WAO-uitkering waar eiser in die maand recht op had. Dat heeft geleid tot de besluitvorming zoals weergegeven onder ‘Procesverloop’.\n\nDe standpunten van partijen\n\n6. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het voorschot op de WAO-uitkering dat eiser in juni 2025 heeft ontvangen (€ 782,51 incl. vakantiegeld) hoger is dan de uitkering waar eiser in die maand recht op had (€ 0,00). Dat bedrag moet eiser daarom terugbetalen. Het UWV heeft dit berekend door in de maand juni 2025 een bedrag van € 4.541,10 aan SV-loon in aanmerking te nemen. Het loonverlies (en arbeidsongeschiktheidspercentage) wordt berekend door de volgende som: (maatmanloon - SV-loon)\u002F maatmanloon x 100%. Het maatmanloon van eiser bedraagt € 4.629,80. Voormelde som leidt dan tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%, zodat het uitkeringspercentage 0% bedraagt. De aan eiser in juni 2025 betaalde gift van\n\n€ 1.900, die onderdeel uitmaakt van het voormelde bedrag van € 4.541,10, is volgens het UWV door de werkgever (terecht) aangemerkt als SV-loon, zodat het moet worden verrekend met eisers WAO-uitkering. Dat dit is aangemerkt als SV-loon blijkt volgens het UWV uit de polisadministratie en eisers loonstrook. Volgens het UWV is deze gift, anders dan bijvoorbeeld extra salaris bij een 25-jarig of 40-jarig jubileum, niet uitgezonderd van het loonbegrip. Om die reden is het als loon in aanmerking genomen en verrekend met de uitkering.\n\n7. Eiser is het niet eens met de terugvordering. Hij voert aan dat hij, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, in juni 2025 een financiële gift heeft ontvangen van zijn werkgever ter hoogte van € 1.900 (€ 50 netto per gewerkt jaar voor de door eiser gewerkte 38 dienstjaren). Eiser vindt het onterecht dat dit bedrag wordt verrekend met de WAO-uitkering. Dit is volgens eiser een ‘cadeau’ van zijn werkgever, wat ook zou blijken uit de personeelsgids van zijn werkgever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser (in bezwaar) zijn loonstrook over de maand juni 2025 overgelegd. Als dit ‘cadeau’ was verstrekt na 1 juli 2025, dan was er volgens eiser niets aan de hand geweest en zou het UWV niets hebben verrekend. Eiser heeft het ontstane probleem aangekaart bij de werkgever en die zal de betreffende ‘cadeaus’ in het vervolg een maand later uitkeren.\n\nEiser stelt dat het UWV het cadeau bij het 25-jarig jubileum wel akkoord vond. Verder voert eiser aan dat hem onduidelijk is waarom hij nu € 643,01 netto moet terugbetalen, terwijl hij in juni 2025 € 595,30 netto van het UWV heeft ontvangen.\n\nDe redenen voor de beslissing van de rechtbank\n\n8. De wet- en regelgeving die voor de beoordeling van het beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n9. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd.\n\n10. Om te kunnen bepalen of het UWV dit bedrag terecht van eiser heeft teruggevorderd is van belang of het UWV voor de maand juni 2025 het juiste bedrag aan inkomsten uit arbeid in aanmerking heeft genomen voor het berekenen van de arbeidsongeschiktheidsklasse op basis waarvan de WAO-uitkering van eiser over deze maand moet worden uitbetaald.\n\n11. Tussen partijen staat alleen ter discussie of het UWV de aan eiser gedane financiële verstrekking van € 1.900 terecht heeft betrokken in de verrekening met de WAO-uitkering, zoals bepaald in artikel 44 van de WAO. Op grond van deze bepaling moet het UWV een fictieve schatting te maken van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde, indien hij inkomen uit arbeid ontvangt.\n\n12. Om te bepalen wat onder inkomen en loon als bedoeld in artikel 44 van de WAO wordt verstaan, wordt teruggevallen op het loonbegrip zoals dat in de fiscale wet- en regelgeving wordt omschreven. Dat is het zogeheten SV-loon. Dit is ook bepaald in de artikelen 2 en 2a van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen. De strekking van die bepalingen is hetzelfde, namelijk dat, voor zover hier van belang, als loon en inkomen heeft te gelden het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten.\n\n13. Uit artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt dat niet tot loon behoort een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft.\n\n14. In de brief van 23 maart 2026 van de werkgever die eiser in het geding heeft gebracht, heeft de werkgever verklaard dat het verstrekte bedrag van € 1.900 geen verband houdt met het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar of na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar. Hieruit volgt dat het bedrag niet valt onder de wettelijke uitzondering zoals genoemd in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964. Er is dus geen sprake van een financiële verstrekking die buiten het (fiscale) loonbegrip valt. Dat het, zoals eiser stelt, door de werkgever een ‘cadeau’ wordt genoemd laat onverlet dat het wel een (gebruteerde) financiële verstrekking is waarvan de werkgever loonaangifte heeft gedaan. In zoverre is dus sprake van loon dat het UWV moet verrekenen met de WAO-uitkering.\n\n15. Eisers voormalig werkgever heeft het verstrekte bedrag van € 1.900 als SV-loon in de loonaangifte opgenomen in het aangiftetijdvak van juni 2025. Die informatie van de Belastingdienst komt terecht in de polisadministratie die het UWV gebruikt bij het vaststellen van het inkomen uit arbeid dat een uitkeringsgerechtigde ontvangt. Het UWV mag uitgaan van deze gegevens, tenzij wordt aangetoond dat die gegevens onjuist zijn. Eiser heeft de juistheid van deze gegevens van de Belastingdienst niet betwist. In artikel 44, tweede lid, van de WAO is uitdrukkelijk bepaald dat het loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. Dus in dit geval is dat juni 2025. Het UWV kan dus, voor zover eiser dat bedoelt aan te voeren, dat loon niet toerekenen aan een later dan wel ander tijdvak dan juni 2025.\n\n16. Het UWV heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar rechtspraak, verder uitgelegd dat hier sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid en niet uit een vroegere dienstbetrekking, zodat de aan eiser gedane extra financiële verstrekking ook in die zin geen uitgezonderd loon vormt dat buiten beschouwing moet worden gelaten bij de schatting. Eiser heeft die uitleg niet betwist. Die uitleg van het UWV is ook in lijn met de rechtspraak van de hoogste rechter in Nederland in sociale zekerheidszaken, de Centrale Raad van Beroep.\n\n17. Gelet op het voorgaande heeft het UWV de financiële verstrekking van € 1.900 terecht als loon verrekend met de WAO-uitkering.\n\n18. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de eenmalige uitkering van € 1.900 in juni 2025 de overschrijding van de inkomensgrens in die maand veroorzaakt, waardoor eiser in die maand terugvalt van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% naar de lagere klasse van 0 tot 15%. Dat heeft tot gevolg dat zijn uitkeringspercentage in die maand wijzigt van 28% naar 0% van de grondslag. Hierdoor heeft eiser over die maand een te hoog voorschot aan WAO-uitkering ontvangen. Cijfermatig betekent dit volgens het UWV dat eiser in de maand juni 2025 € 782,51 te veel (voorschot) WAO-uitkering (inclusief vakantiegeld) heeft ontvangen. Dat is het (bruto)bedrag dat van eiser is teruggevorderd.\n\n19. Over de hoogte van dat teruggevorderde bedrag, waarvan eiser vindt dat het onduidelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. In het betreden besluit en in het verweerschrift is hierover uitgelegd dat bij het in juni 2025 verstrekte bruto bedrag van € 724,54 een bedrag aan gereserveerde vakantietoeslag van bruto € 57,97 moet worden opgeteld, waarmee het totaal terug te vorderen bedrag uitkomt op € 782,51. Eiser heeft die uitleg verder niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de hoogte van het teruggevorderde bedrag te twijfelen.\n\n20. Er zijn geen dringende redenen gesteld of gebleken op grond waarvan het UWV had moeten besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n21. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd. De beroepsgronden slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nBijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving\n\nWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)\n\nArtikel 44\n\n1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:\n\na. niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of\n\nb. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.\n\nNa afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.\n\n2 Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid als bedoeld in het eerste lid verricht of heeft verricht, wordt het loon geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.\n\n(…)\n\n8 Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.\n\nArtikel 57\n\n1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.\n\n2 De uitkering die onverschuldigd aan de werkgever is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de werkgever teruggevorderd, indien de werkgever de uitkering op grond van artikel 629, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in mindering heeft kunnen brengen op het loon.\n\n(…)\n\n6 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n7 Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.\n\n8 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.\n\nRegeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen\n\nArtikel 2\n\n1. Onder loon als bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, van de WAO en 58, tweede lid, van de Waz wordt verstaan het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer in de zin van die wet, met uitzondering van:\n\na. het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\nb. loondervingsuitkeringen, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de door de werkgever betaalde aanvullingen op die uitkeringen;\n\nc. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964. (…)\n\nArtikel 2a\n\n1. Onder inkomen als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, van de WAO en 58, eerste lid, van de Waz wordt verstaan:\n\na.het loon, bedoeld in artikel 2;\n\n(…)\n\nc. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de verzekerde niet als werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen, inkomen verdient, met uitzondering van:\n\n1°.het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\n(…)\n\n6 Bij de vaststelling van het inkomen wordt het in de relevante aangiftetijdvakken opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de in die tijdvakken opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag als bedoeld in artikel 1:1 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in aanmerking, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag in die tijdvakken niet in aanmerking worden genomen.\n\nWet financiering sociale verzekeringen\n\nArtikel 16\n\n1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.\n\n2 Tot het loon behoren niet:\n\na. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op grond van de Toeslagenwet;\n\n(…).\n\nWet op de loonbelasting 1964\n\nArtikel 11\n\n1. Tot het loon behoren niet:\n\n(…)\n\no. een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft, mits is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; (…).\n\n Algemene Ouderdomswet (AOW).\n\n Op grond van artikel 44 van de WAO.\n\n Vergelijk de uitspraak van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.569Z",1,20]