[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-corporate-income-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":86},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},77,"corporate-income-tax-nl","Corporate Income Tax","NL","2026-07-08T16:55:03.360Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2024-07-03T00:00:00.000Z","2026-06-03T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122692","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 47",1,[27,38,46,54,63,71,79],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1340","ECLI:NL:GHSHE:2026:1454","ecli-nl-ghshe-2026-1454","","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F514\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [naam 1] en [naam 2] (hierna: [Advocatenkantoor] ), namens en op naam van [belanghebbende] N.V.(hierna: belanghebbende),\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 maart 2024, nummer BRE 21\u002F3979, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2017 aan belanghebbende opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Namens belanghebbende is bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Namens belanghebbende is tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.4.. \n [Advocatenkantoor] heeft namens en op naam van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting heeft [Advocatenkantoor] het hof geïnformeerd dat de oud-bestuurder van belanghebbende is overleden, eventuele erfgenamen van de oud-bestuurder zich niet bekend hebben gemaakt en [Advocatenkantoor] zich als gemachtigde van belanghebbende terugtrekt. De griffier heeft een advertentie doen plaatsen in de Staatscourant van 23 december 2025, [nummer 2] , waarin mededeling is gedaan van de zitting en eventuele belanghebbenden zijn opgeroepen om zich te melden bij het hof. Op de oproep in de advertentie heeft niemand gereageerd en namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen.\n\n1.6.. De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft haar statutaire zetel in Curaçao en is feitelijk gevestigd in Nederland. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit het aantrekken en verstrekken van financieringen voor projectontwikkeling (met name in [plaats 1] ) en overige holdingactiviteiten. [naam 3] was tot aan zijn overlijden op 9 juni 2025 (indirect) directeur-enigaandeelhouder van belanghebbende.\n\n2.2.. Op 25 april 2017 hebben de inspecteur en (onder meer) belanghebbende een vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO) gesloten waarbij onder andere is afgesproken dat belanghebbende de op haar fiscale balans 2016 vermelde voorziening voor niet-ontvangen rente van € 4.903.270 in de jaren 2017, 2018 en 2019 in drie gelijke delen ten gunste van de winst zal laten vrijvallen. Daarbij heeft belanghebbende uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht op bezwaar en het recht op beroep bij de rechter ter zake van de in de VSO geregelde onderwerpen.\n\n2.3.. De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om de aangifte Vpb 2017 te doen. Belanghebbende heeft dat niet binnen de uiterste termijn genoemd in de aanmaning gedaan. De inspecteur heeft vervolgens met dagtekening van 3 augustus 2019 de (ambtshalve) aanslag Vpb 2017 vastgesteld naar een belastbare winst van € 1.000 en een belastbaar bedrag van nihil. Tegelijkertijd heeft de inspecteur bij beschikking een verzuimboete van € 2.639 vastgesteld.\n\n2.4.. Op 8 november 2019 heeft de Kamer van Koophandel en Nijverheid te Curaçao een lijst (hierna: de ontbindingslijst) gepubliceerd van een groot aantal vennootschappen waarvoor het voornemen bestond om deze te ontbinden op grond van artikel 2:25 van het Burgerlijk Wetboek van Curaçao (hierna: BWC). Belanghebbende was één van de op de ontbindingslijst opgenomen vennootschappen.\n\n2.5.. Op 31 december 2019 heeft belanghebbende alsnog een aangifte Vpb 2017 ingediend naar een belastbaar bedrag van negatief € 176.417. De inspecteur heeft deze aangifte aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen.\n\n2.6.. Op 3 maart 2020 heeft de Kamer van Koophandel en Nijverheid bij beschikking met nummer [nummer 1] (hierna: de ontbindingsbeschikking) belanghebbende daadwerkelijk ontbonden en de ontbinding bekend gemaakt in de Landscourant van Curaçao van 6 maart 2020.\n\n2.7.. In de ontbindingsbeschikking is als vereffenaar benoemd de 2de Secretaris van de Kamer van Koophandel en Nijverheid, de heer [vereffenaar] (hierna: de vereffenaar). Aan de ontbindingsbeschikking is een formulier “Model T: Overige opgaven” van 3 maart 2020 gehecht waarin de vereffenaar verklaart dat:\n\n“- de Kamer van Koophandel en Nijverheid bij beschikking van 3 maart 2020, de rechtspersoon heeft ontbonden en ondergetekende in zijn functie van 2de Secretaris van de Kamer qq. tot vereffenaar heeft benoemd.\n\n- hij terstond bij zijn aantreden vast heeft moeten stellen, dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn. Krachtens de wet eindigt alsdan de vereffening en houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop deze verklaring bij het handelsregister is gedeponeerd en de bekendmaking hiervan ex art. 2:25, vierde lid, plaats heeft gevonden.”\n\n2.8.. Tot de gedingstukken behoort een uittreksel uit het Handelsregister Curaçao van 4 juni 2024 waarop is vermeld dat belanghebbende “is ontbonden ex artikel 2:25 van het Burgerlijk Wetboek vanaf 3 maart 2020”.\n\n2.9.. De inspecteur heeft met dagtekening 5 september 2020 een navorderingsaanslag Vpb 2017 (hierna: de navorderingsaanslag) aan belanghebbende opgelegd naar een belastbare winst van € 1.458.006 (te weten de gedeeltelijke vrijval van de rentevoorziening conform de VSO van € 1.634.423 minus de door de NV aangegeven negatieve winst van € 176.417) en een belastbaar bedrag na voorwaartse verliesverrekening van € 793.444. Gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking (hierna: de rentebeschikking) een bedrag van € 28.992 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.10.. Op 8 oktober 2020 heeft [naam 4] te [plaats 2] (hierna: [naam 4] ) op naam van belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag. [naam 4] heeft op 17 september 2021 beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar.\n\n2.11.. Op 22 december 2021 is de jaarrekening 2020 van belanghebbende vastgesteld en op 28 december 2021 is deze gedeponeerd. De balans per 31 december 2020 vermeldt een eigen vermogen van € 7.957.179 en activa van in totaal € 7.968.679.\n\n2.12.. Op 27 april 2022 heeft belanghebbende aangifte Vpb gedaan voor het kalenderjaar 2020. De aangifte vermeldt per jaareinde 2020 een totaal ondernemingsvermogen van € 7.957.179 en activa van in totaal € 7.968.679.\n\n2.13.. Op 28 december 2022 is een gewijzigde jaarrekening 2020 van belanghebbende vastgesteld en gedeponeerd met als vermelding: “Toelichting op heraanlevering van het document op basis van inhoudelijk en onoverkomelijke onjuistheden.” De gewijzigde balans per 31 december 2020 vermeldt een eigen vermogen van nihil en activa in totaal van nihil. In de toelichting op de gewijzigde jaarrekening staat: “Als gevolg van een fiscale beroepsprocedure is er een onduidelijke juridische en fiscale positie ontstaan. De directie heeft externe deskundigen ingeschakeld voor nader onderzoek.”.\n\n2.14.. Op 24 januari 2023 heeft belanghebbende aangifte Vpb gedaan over het kalenderjaar 2021. De aangifte vermeldt per jaareinde 2021 een totaal ondernemingsvermogen en activa van € 7.443.683.\n\n2.15.. Op 25 april 2024 heeft [Advocatenkantoor] namens en op naam van belanghebbende hoger beroep ingesteld. [Advocatenkantoor] was daartoe gemachtigd door [naam 3] (zie 2.1) en niet door de vereffenaar (zie 2.7).\n\n2.16.. De inspecteur heeft een “Inzien Uittreksel” van de Nederlandse Kamer van Koophandel van 4 juni 2024 overgelegd waaruit blijkt dat belanghebbende op die datum was ingeschreven als buitenlandse rechtsvorm met vestiging in [plaats 1] .\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\na. Is het hoger beroep ontvankelijk?\n\nAls het hoger beroep ontvankelijk is komen de volgende vragen aan de orde:\n\n Was de indirect oud-bestuurder en aandeelhouder van belanghebbende bevoegd bezwaar te maken en beroep aan te tekenen tegen de navorderingsaanslag?\n\n Is het bezwaar en beroep niet-ontvankelijk omdat in de VSO is afgesproken dat belanghebbende geen rechtsmiddelen zal aanwenden?\n\n Moet de navorderingsaanslag worden vernietigd omdat deze niet binnen de navorderingstermijn op de juiste wijze bekend gemaakt is?\n\n Is sprake van een ambtelijk verzuim bij het regelen van de aanslag waardoor de inspecteur niet meer mag navorderen?\n\n Is sprake van gewijzigde omstandigheden waardoor de in de VSO overeengekomen vrijval van de rentevoorziening niet hoeft plaats te vinden?\n\n Moet de waarde van de vrijgevallen rentevoorziening worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer in 2017 en daarom op nihil?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslag en de rentebeschikking en tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De inspecteur concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep en subsidiair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nVooraf en ambtshalve\n\nOproeping\n\n4.1.. Op basis van hetgeen onder 1.5 is vermeld in verbinding met artikel 8:26, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\n4.2.. Artikel 27h, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt dat slechts de belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen en de inspecteur hoger beroep in kunnen stellen. Het hof ziet zich daarom voor het antwoord op de vraag of [Advocatenkantoor] gerechtigd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen, voor de vraag gesteld of [Advocatenkantoor] gerechtigd was om beroep in te stellen bij de rechtbank.\n\n4.3.. Artikel 26a, lid 1, AWR luidt als volgt:\n\n“1. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep slechts worden ingesteld door:\n\na. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;\n\nb. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden;\n\nc. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt;\n\nd. de laatste bestuurder, aandeelhouder of vereffenaar in geval van een belastingaanslag die is vastgesteld met toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 aan een belastingschuldige die is opgehouden te bestaan of waarvan vermoed wordt dat deze is opgehouden te bestaan.”\n\n4.4.. De navorderingsaanslag is met dagtekening van 5 september 2020 opgelegd aan belanghebbende. De inspecteur stelt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat het hoger beroep volgens het hogerberoepschrift van 5 april 2024 is ingesteld “namens en op naam van belanghebbende, [belanghebbende] B.V.”. Naar het oordeel van het hof is dit een verschrijving en is buiten twijfel dat het hoger beroep is ingesteld namens en op naam van belanghebbende. Het hogerberoepschrift verwijst immers onder “inzake” naar “ [belanghebbende] N.V.\u002FFiscus-HB” en de uitspraak van de rechtbank van 13 maart 2024 met nummer BRE 21\u002F3979 is als bijlage bij het hogerberoepschrift gevoegd.\n\n4.5.. Verder betoogt de inspecteur dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat vanaf 3 maart 2020 alleen de vereffenaar (zie 2.6 en 2.7) bevoegd was om belanghebbende te vertegenwoordigen. Belanghebbende is niet bij haar ontbinding op 3 maart 2020 opgehouden te bestaan want uit de aangiften Vpb van belanghebbende voor de jaren 2020 en 2021 blijkt dat zij per jaareinde 2020 en 2021 nog substantiële bezittingen had. Ook uit de jaarrekening 2020 van belanghebbende blijkt dat er op jaareinde 2020 nog substantiële bezittingen waren. Dat deze jaarrekening vervolgens is gewijzigd doet daar volgens de inspecteur niet aan af omdat niet duidelijk is waarom belanghebbende plotsklaps geen bezittingen meer zou hebben en omdat de aangifte Vpb 2020 door belanghebbende niet is aangepast na de wijziging van de jaarrekening. Volgens de inspecteur bestaat belanghebbende nog steeds en dus is de vereffenaar nog altijd de enige die belanghebbende kan vertegenwoordigen. De vereffenaar heeft geen opdracht gegeven om hoger beroep in te stellen en heeft het hoger beroep ook niet later bekrachtigd. Het hoger beroep is dan ook niet door belanghebbende ingesteld. De navorderingsaanslag is niet vastgesteld met toepassing van artikel 8, lid 2, Invorderingswet 1990 dus kan het hoger beroep niet worden ingesteld door de laatste bestuurder of aandeelhouder van belanghebbende. [naam 3] was daarom niet bevoegd om het hoger beroep in te stellen of in te laten stellen. Het hoger beroep is dus niet-ontvankelijk, aldus de inspecteur.\n\n4.6.. \n [Advocatenkantoor] stelt dat belanghebbende op 3 maart 2020 niet alleen is ontbonden maar op dezelfde dag is opgehouden te bestaan omdat de vereffenaar bij zijn aantreden direct aan de Curaçaose Kamer van Koophandel en Nijverheid heeft gemeld dat geen aan hem bekende baten aanwezig waren. Volgens [Advocatenkantoor] is belanghebbende daarmee op 3 maart 2020 opgehouden te bestaan. [Advocatenkantoor] betoogt dat [naam 3] daarmee als (indirect) laatste aandeelhouder en bestuurder bevoegd was om hoger beroep in te stellen namens en op naam van belanghebbende. Verder stelt [Advocatenkantoor] dat de Belastingdienst wist of had moeten weten dat belanghebbende was opgehouden te bestaan of ten minste had moeten vermoeden dat dit het geval was. [Advocatenkantoor] betoogt dat de Belastingdienst daarom de navorderingsaanslag bekend had moeten maken met toepassing van artikel 8, lid 2, Invorderingswet 1990. Door dat niet te doen heeft de Belastingdienst het volgens [Advocatenkantoor] onmogelijk gemaakt voor belanghebbende om zich te verweren tegen de navorderingsaanslag.\n\n4.7.. Het hof stelt voorop dat uit de mededeling van de vereffenaar dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn (zie 2.7), niet zonder meer voortvloeit dat belanghebbende naar Curaçaos recht is opgehouden te bestaan. Daarvoor is ook vereist dat die mededeling juist is.Met hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd over de aangiften Vpb voor de jaren 2020 en 2021 (zie 2.12 en 2.14) en de op 22 december 2021 vastgestelde jaarrekening 2020 (zie 2.11) heeft hij aannemelijk gemaakt dat de mededeling van de vereffenaar niet juist was en dat belanghebbende op 3 maart 2020 niet is opgehouden te bestaan. Daar doet niet aan af dat de jaarrekening 2020 vervolgens is gewijzigd (zie 2.13) omdat onduidelijk is welke feiten aanleiding hebben gegeven tot de wijziging en waardoor het eigen vermogen en de activa van belanghebbende gedurende het jaar 2020 zijn verdwenen. Daarbij neemt het hof ook mee dat de wijziging van de jaarrekening niet heeft geleid tot wijziging door belanghebbende van haar aangifte Vpb 2020. Overigens bepaalt artikel 2:31 BWC dat de vereffening eindigt en de vennootschap ophoudt te bestaan als de vereffenaar in het van Landswege uitgegeven blad heeft meegedeeld dat hem geen baten meer bekend zijn. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke mededeling is gepubliceerd. Het hof gaat er daarom van uit dat belanghebbende in ieder geval tot de datum waarop het hoger beroep is ingesteld nog niet was opgehouden te bestaan. Belanghebbende was wel in liquidatie en daartoe was de vereffenaar aangesteld. Op het moment dat de vereffenaar benoemd werd, defungeerde het bestuur van belanghebbende van rechtswege. Vanaf het moment van de ontbinding is dus alleen de vereffenaar bevoegd om belanghebbende te vertegenwoordigen en om eventueel rechtsmiddelen tegen de navorderingsaanslag aan te wenden. Omdat vaststaat dat hij dat niet heeft gedaan, is de slotsom dat het hoger beroep niet door belanghebbende is ingesteld.\n\n4.8.. De stelling van [Advocatenkantoor] dat de Belastingdienst de navorderingsaanslag bekend had moeten maken met toepassing van artikel 8, lid 2, Invorderingswet 1990 faalt ook. Anders dan [Advocatenkantoor] betoogt heeft de Ontvanger het recht om onder bepaalde omstandigheden belastingaanslagen op openbare wijze bekend te maken, maar hij is daartoe niet verplicht. Het is ook niet zo dat belanghebbende daarmee beperkt wordt in haar mogelijkheden om zich te verdedigen tegen de navorderingsaanslag. De vereffenaar had als hij daartoe aanleiding had gezien rechtsmiddelen tegen de navorderingsaanslag aan kunnen wenden. Overigens heeft [Advocatenkantoor] hun stelling dat de Belastingdienst wist of had moeten weten dat belanghebbende was opgehouden te bestaan of ten minste had moeten vermoeden dat dit het geval was, niet onderbouwd. Het betreft een blote stelling die door de inspecteur is betwist onder meer met verwijzing naar het feit dat belanghebbende op 4 juni 2024 nog altijd was ingeschreven bij de Nederlandse Kamer van Koophandel (zie 2.16). Ook op die grond gaat het betoog van [Advocatenkantoor] niet op. De Ontvanger was dan ook niet verplicht om de navorderingsaanslag op openbare wijze bekend te maken en er is dus geen grond om [naam 3] bevoegd te achten om aan [Advocatenkantoor] te vragen namens en op naam van belanghebbende hoger beroep in te stellen.\n\n4.9.. Omdat belanghebbende het hoger beroep niet heeft ingesteld (zie 4.7) en [naam 3] niet gerechtigd was om belanghebbende te vertegenwoordigen bij het instellen van het hoger beroep (zie 4.8) is het hoger beroep niet ingesteld door iemand die daartoe volgens artikel 26a, lid 1, AWR bevoegd is. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\n4.10.. Omdat het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, komt het niet toe aan de behandeling van de overige geschilpunten.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.\n\nDe uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, A.J. Kromhout en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nM.M. Stassen-Kanters B.J. Rubbens\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Hoge Raad 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:543, r.o. 4.5.1.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1454","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:16.742Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":43,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":44,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"1535","ECLI:NL:GHSHE:2026:1277","ecli-nl-ghshe-2026-1277","2026-05-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F320\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur,\n\nen het incidentele hoger beroep van\n\n [belanghebbende] B.V. (voorheen: [SA 1] ),\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 januari 2024, nummer BRE 23\u002F1332, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam 1] en haar gemachtigde [gemachtigde] , ter bijstand vergezeld door [naam 4] en [naam 3] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 4] en [inspecteur 3] .\n\n1.7.. Beide partijen hebben tijdens de zitting pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van vier bij de pleitnota van de inspecteur behorende bijlagen.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\nStructuur\n\n2.1.. Belanghebbende is op 20 oktober 1998 is in het kader van een herstructurering van de [A-groep] naar Luxemburgs recht opgericht onder de naam [SA 1] en is op 27 december 2019 grensoverschrijdend omgezet naar de rechtsvorm van een Nederlandse besloten vennootschap. Belanghebbende was in 2014 gevestigd in Luxemburg. In 2014 werden de aandelen in belanghebbende gehouden door [SPF 1] , gevestigd in Luxemburg en werden de aandelen in [SPF 1] gehouden door [naam aandeelhouder] (hierna: ook de UBO ), woonachtig in België. In 2014 was het Luxemburgse SPF-regime van toepassing op [SPF 1] , waardoor zij niet onderworpen was aan Luxemburgse vennootschaps- en dividendbelasting. Het Luxemburgse SPF-regime vereist dat door het betrokken lichaam geen enkele economische activiteit wordt uitgeoefend. Voordat het SPF-regime op [SPF 1] van toepassing werd was het Luxemburgse 1929-regime van toepassing. Hierdoor was [SPF 1] vrijgesteld van vennootschaps- en dividendbelasting. Belanghebbende was tot aan haar zetelverplaatsing fiscaal inwoner van Luxemburg en onderworpen aan Luxemburgse vennootschaps- en vermogensbelasting.\n\n2.2.. Belanghebbende hield in 2014 alle aandelen in (onder meer) [B.V. 1] en [B.V. 2] , beide gevestigd in Nederland. [B.V. 1] is op 28 april 1998 opgericht en [B.V. 2] is op 20 december 2013 opgericht. [naam aandeelhouder] is bestuurder van deze vennootschappen. De [A-groep] houdt zich met name bezig met leegstands- en vastgoedbeheer en is actief (geweest) in 7 landen: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Ierland en Luxemburg.\n\n2.3.. Het voorgaande kan schematisch als volgt worden weergegeven:\n\n2.4.. Op 31 december 2013 heeft [B.V. 2] drie vennootschappen van belanghebbende gekocht. De totale koopsom bedroeg € 22.246.000 en is door [B.V. 2] schuldig gebleven.\n\n2.5.. Op 2 januari 2014 heeft [B.V. 1] een aantal deelnemingen verkocht aan [B.V. 2] De totale koopsom bedroeg € 24.166.002 en is door [B.V. 2] schuldig gebleven.\n\n2.6.. Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 1] besloten tot een dividenduitkering aan belanghebbende van € 19.000.000 (hierna: de dividenduitkering).\n\nTransacties in 2014\n\n2.7.. Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 1] € 19.000.000 van haar vordering op [B.V. 2] aan belanghebbende gecedeerd. De koopprijs is door belanghebbende schuldig gebleven.\n\n2.8.. Eveneens op 6 mei 2014 is een ‘set off agreement’ tot stand gekomen tussen [B.V. 1] en belanghebbende. Op basis van deze overeenkomst is de vordering van [B.V. 1] op belanghebbende uit hoofde van de onder 2.5. beschreven transactie verrekend met de vordering van belanghebbende op [B.V. 1] als gevolg van de dividenduitkering.\n\n2.9.. Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 2] 100.000 aandelen met een nominale waarde van € 1 uitgegeven aan belanghebbende. Belanghebbende heeft vervolgens haar vordering op [B.V. 2] van € 22.246.000 als agio gestort op deze aandelen.\n\n2.10.. Op 15 mei 2014 heeft (onder meer) [B.V. 2] een financieringsovereenkomst met een bank ( [bank] ) getekend voor kredietfaciliteiten tot een totaalbedrag van € 15.500.000. Blijkens de getekende offerte had de kredietfaciliteit voor een bedrag van € 15.000.000 tot doel een dividenduitkering dan wel terugbetaling van aandelenkapitaal door [B.V. 2] te financieren.\n\nBestuur en activiteiten\n\n2.11.. Belanghebbende werd tot aan de zetelverplaatsing naar Nederland bestuurd door drie vertegenwoordigers van een trustmaatschappij. Tot en met 2013 was dit de trustmaatschappij [SA 2] . Deze maatschappij werkte op basis van een vaste prijsafspraak voor zowel de domicilie, bestuurs- en administratiewerkzaamheden. De jaarlijkse vergoeding voor deze werkzaamheden bedroeg € 3.750 (exclusief omzetbelasting).\n\n2.12.. Met ingang van 2014 heeft [SA 3] de taken van [SA 2] overgenomen. Contractueel is [SA 3] belast met de volgende taken: (1) het ter beschikking stellen van bestuurders, (ii) het voeren van de boekhouding en (iii) het vaststellen van de jaarrekening. De jaarlijkse bestuurdersvergoeding bedraagt € 1.000 per bestuurder, de jaarlijkse vergoeding voor de boekhouding bedraagt € 1.000 en de vergoeding voor het vaststellen van de jaarrekening bedraagt jaarlijks € 1.200.\n\n2.13.. Belanghebbende heeft geen personeel op de loonlijst staan. Er zijn ook geen loonkosten in de administratie verantwoord.\n\n2.14.. Belanghebbende beschikt niet over een eigen kantoorruimte in Luxemburg.\n\n2.15.. Belanghebbende heeft op 1 januari 2013 zes leningen verstrekt aan zes verschillende groepsvennootschappen, allemaal met een looptijd van 60 maanden en tegen een rente van 3% per jaar.\n\n2.16.. In 2014 vond één aandeelhoudersvergadering plaats in Luxemburg. Tijdens die vergadering is besloten om de jaarrekening 2013 van belanghebbende goed te keuren en decharge te verlenen voor de bestuurders en accountant van belanghebbende.\n\n2.17.. In 2014 vond één directievergadering van belanghebbende plaats in Luxemburg waarin werd besloten tot de agiostorting (zie 2.7.) en de ‘set-off agreement’ (zie 2.6.).\n\n2.18.. In 2014 hebben geen andere vergaderingen plaatsgevonden.\n\n2.19.. Het commerciële resultaat van belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 bestond uit dividendinkomsten, financiële basten\u002Flasten in verband met geldverstrekkingen en uitgaven in verband met de werkzaamheden die worden uitgevoerd door de trustmaatschappijen, door accountskantoren en door notarissen.\n\n2.20.. Belanghebbende had in 2014 de volgende kosten (in EUR):\n\nBoekenonderzoek [B.V. 1]2.21.. Bij [B.V. 1] en een aantal van haar deelnemingen heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van de aangifte vennootschapsbelasting voor 2012 en de aangiften omzetbelasting en loonheffing over de tijdvakken in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013. Dit onderzoek is later uitgebreid naar (deels) de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015 voor wat betreft omzetbelastingaspecten van IT support en credit cards (integrale steekproef). Van de bevindingen van het boekenonderzoek is een controlerapport opgemaakt met dagtekening 23 januari 2017. In het controlerapport is een vermogensvergelijking opgenomen voor de jaren 2012, 2013 en 2014. De dividenduitkering van € 19.000.000 is in deze vermogensvergelijking opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’ waar een bedrag staat vermeld van € 18.943.192.\n\n2.22.. Op 27 juli 2017 heeft de inspecteur van gemachtigde een verzoek om vooroverleg inzake de remigratie van de UBO ontvangen.\n\n2.23.. Bij brief van 25 januari 2018 heeft de inspecteur [B.V. 2] verzocht om informatie te verstrekken met betrekking tot de afhandeling van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2014 en 2015 van [B.V. 2] Daarop is op 28 maart 2018 gereageerd. Daaropvolgend zijn nog een aantal informatieverzoeken aan [B.V. 2] gestuurd.\n\n2.24.. Bij e-mail van 27 juli 2018 heeft de inspecteur met betrekking tot de afhandeling van de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van [B.V. 1] informatie verzocht over de dividenduitkering van € 19.000.000. [B.V. 1] heeft vervolgens informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n2.25.. De inspecteur heeft bij brief van 16 januari 2019 een informatieverzoek aan belanghebbende gestuurd en daarin zijn voornemen kenbaar gemaakt om de belastingplicht van belanghebbende voor de vennootschapsbelasting te gaan onderzoeken.\n\nE-mailcorrespondentie augustus 2016\n\n2.26.. Tot de gedingstukken behoort de volgende e-mailcorrespondentie uit augustus 2016 tussen [naam 5] (finance controller van [B.V. 1] ), [naam 6] en [naam 7] (twee trustbestuurders van belanghebbende) en [naam 8] (CFO van zowel [B.V. 1] en [B.V. 2] ).\n\nEen e-mail van 2 augustus 2016 van [naam 5] gericht aan [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] :\n\n“[…] Today [SA 1] will receice a payment from [B] of € 1.373.715 euro (ref Bridge loan) tot [SA 1]\n\nCould you please make a payment from [SA 1] to [B.V. 1] reference Bridge loan ( [bank] account […] of € 1.370.000.\n\nPlease arrange an urgent payment.\n\n@ [naam 8] ,\n\nPlease approve the payment above. (…)”\n\nWaarop [naam 8] aan allen reageert:\n\n“(..) I advice you to carry out payments as set out below by [naam 5] .”\n\nTransacties en activiteiten na dividenduitkering\n\n2.27.. \n [naam aandeelhouder] heeft in 2018 zijn aandelen in [SPF 1] geschonken aan zijn minderjarige kinderen. Daaropvolgend is hij samen met zijn minderjarige kinderen geremigreerd naar Nederland.\n\n2.28.. \n [SPF 1] is evenals belanghebbende in 2019 omgezet naar een Nederlandse besloten vennootschap.\n\n2.29.. In 2020, 2022 en 2023 hebben terugbetalingen van kapitaal plaatsgevonden. Deze terugbetalingen leverden voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geen belastbaar feit voor de minderjarige kinderen omdat zij, als gevolg van de schenking en immigratie, recht hebben op een step-up naar de waarde in het economisch verkeer.\n\nAanslagregeling\n\n2.30.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend. Belanghebbende is daartoe ook niet uitgenodigd. Er is geen definitieve aanslag opgelegd aan belanghebbende.\n\n2.31.. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslag de dividenduitkering in aanmerking genomen als belastbaar inkomen uit een aanmerkelijk belang op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb). De navorderingsaanslag is gedagtekend 30 november 2019.\n\n2.32.. \n\nDe navorderingsaanslag is vastgesteld naar een belastbare winst (tevens belastbaar bedrag) van € 19.000.000 en een verschuldigde belasting van € 475.000. Tevens is bij beschikking € 171.277 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.\n\n2.33.. De rechtbank heeft geoordeeld dat inspecteur beschikt over een nieuw feit op grond waarvan de navorderingsaanslag kan worden opgelegd en het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen. Verder heeft de rechtbank de navorderingaanslag en de rentebeschikking vernietigd omdat zij van oordeel is dat de dividenduitkering niet bij belanghebbende belastbaar is op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb?\n\nIs sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt (incidenteel hoger beroep belanghebbende)?\n\nIs sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel? (incidenteel hoger beroep belanghebbende)\n\n3.2.. De inspecteur beantwoordt de eerste en tweede vraag bevestigend en de laatste vraag ontkennend en concludeert tot handhaving van de navorderingsaanslag en rentebeschikking. Belanghebbende is de tegengestelde mening toegedaan.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n1. Is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb?\n\nWettelijk kader\n\n4.1.. Ingevolge het bepaalde in artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb (tekst vanaf 1 januari 2012) behoort tot het Nederlandse inkomen: het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 Wet IB 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een vrijgestelde beleggingsinstelling, indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (hierna ook: de subjectieve voorwaarde) en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming (hierna ook: de ondernemingstoets).\n\n4.2.. \n\nMet ingang van 1 januari 2016 is artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in overeenstemming gebracht met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijnzoals laatst gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2015\u002F121 van de Raad van 27 januari 2015. Daarbij is in de subjectieve voorwaarde de terminologie “het voornaamste doel of een van de voornaamste doelen” vervangen door “het hoofddoel of een van de hoofddoelen”. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.Tevens is de ondernemingstoets komen te vervallen en in de tekst vervangen door de voorwaarde dat er sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies waarbij:\n\n1° een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;\n\n2° een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (hierna ook: de objectieve voorwaarde).\n\nDe arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 en 18 juli 2025\n\n4.3.. In de rechtsoverwegingen 4.5.1. tot en met 4.6.6. van zijn arresten van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668 en 669 (hierna: de arresten van 25 april 2025), heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht, met inbegrip van de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast, een en ander zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.6 van die arresten. De betreffende overwegingen luiden als volgt:\n\n“Bestanddelen van misbruik van Unierecht4.4.1. Die rechtspraak van het Hof van Justitie houdt met betrekking tot het begrip misbruik van Unierecht in dat daarvoor enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden is vereist waaruit blijkt dat – in weerwil van de formele naleving van de door regels van Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) opgelegde voorwaarden – het door die regels beoogde doel niet werd bereikt (hierna ook: het doelvereiste). Anderzijds is tevens een subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door het Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.9\n\n4.4.2. Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie moet de vraag of de hiervoor in 4.4.1 bedoelde bestanddelen van misbruik van Unierecht (het doelvereiste en het subjectieve element) aanwezig zijn, worden beantwoord aan de hand van een onderzoek van alle feiten en omstandigheden van het geval. In het bijzonder moet in elk concreet geval de desbetreffende structuur in haar geheel worden onderzocht om te bezien of belastingplichtigen enkel formele of kunstmatige transacties hebben verricht waarvoor geen economische en commerciële rechtvaardiging bestaat, met als voornaamste doel wederrechtelijk een voordeel te verkrijgen.10\n\n4.4.3. Een concern – begrepen als: een groepering van vennootschappen met (een) gemeenschappelijke achterliggende aandeelhouder(s) – kan als een kunstmatige constructie worden beschouwd indien het (i) niet is opgericht om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, (ii) een zuiver formele structuur heeft en (iii) als voornaamste doel of een van zijn voornaamste doelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt. Zo’n kunstmatige constructie doet zich met name voor wanneer de belastingheffing over dividenden wordt ontgaan doordat aan de concernstructuur een doorstroomvennootschap wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden.11\n\nAanwijzingen voor misbruik van Unierecht\n\n4.4.4. De rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van Unierecht houdt verder in dat een dergelijk misbruik kan worden vastgesteld aan de hand van een reeks aanwijzingen, voor zover deze objectief zijn en onderling overeenstemmen.12 Aan het arrest T Danmark zijn de hierna in 4.4.5 en 4.4.6 bij wijze van voorbeeld omschreven aanwijzingen te ontlenen voor de aanwezigheid van misbruik van Unierecht met behulp van een kunstmatige constructie zoals hiervoor in 4.4.3 bedoeld.\n\n4.4.5. Een aanwijzing dat het in het geval van een concern gaat om een kunstmatige constructie, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het concern zich bedient van een vennootschap die als doorstroomvennootschap fungeert. Een doorstroomvennootschap is een vennootschap die zich uitsluitend bezighoudt met het ontvangen van dividenden en de doorbetaling daarvan aan de uiteindelijk gerechtigde tot die dividenden of aan (een) andere doorstroomvennootschap(pen). Ook indien de vennootschap die de uitgekeerde dividenden heeft ontvangen, wel andere activiteiten ontplooit, kan het gaan om een kunstmatige constructie. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze vennootschap de dividenden zeer snel na de ontvangst ervan, eventueel onder een andere titel, volledig of nagenoeg volledig doorsluist naar of moet doorbetalen aan een of meer entiteiten die niet aan de toepassingsvoorwaarden van de moeder-dochterrichtlijn voldoet respectievelijk voldoen.13\n\n4.4.6. Aanwijzingen voor het bestaan van een kunstmatige constructie als hiervoor in 4.4.3 bedoeld, kunnen verder worden gevonden in het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit bij de vennootschap die de dividenden ontvangt. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van die vennootschap, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting. Verdere aanwijzingen kunnen zijn gelegen in het bij de dividend ontvangende vennootschap ontbreken van de bevoegdheid om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken, of in het feit dat deze vennootschap in wezen niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting.14\n\nBestanddelen van misbruik ‘vertaald’ naar artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet\n\n4.5.1. Het hiervoor in 4.4.1 omschreven subjectieve element van misbruik van Unierecht bevat de bestanddelen van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, dat wil zeggen zowel de subjectieve voorwaarde dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het aanmerkelijk belang is om belastingheffing bij een ander te ontgaan, als de objectieve voorwaarde dat sprake is van een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd. Voor de uitleg en toepassing van die bepaling in overeenstemming met het Unierecht moet daarom aan deze beide voorwaarden tezamen op een zodanige wijze inhoud worden gegeven, dat daaraan slechts wordt voldaan indien dit subjectieve element van misbruik van recht aanwezig is.\n\n4.5.2. Bij de hiervoor in 4.5.1 bedoelde uitleg en toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet moet in de regel worden aangenomen dat tevens is voldaan aan het andere Unierechtelijke vereiste voor misbruik, namelijk het doelvereiste. Dit vereiste houdt in dat uit het geheel van objectieve omstandigheden van het geval blijkt dat het door de desbetreffende Unierechtelijke regeling (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) beoogde doel niet wordt bereikt door (ook) in het aan de orde zijnde geval het in die richtlijn voorziene belastingvoordeel toe te kennen. Op dit punt zijn doel en strekking van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet gelijk aan die van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn.15\n\nBewijslast ter zake van misbruik\n\n4.6.1. Het is op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie aan de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de bestanddelen van misbruik van recht (in dit geval: van de moeder-dochterrichtlijn) aanwezig zijn. Tot die bestanddelen behoort het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element.16 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt verder dat de belastingplichtige daartegenover de gelegenheid moet hebben om bewijs te leveren dat meebrengt dat van misbruik geen sprake is.17 Die gelegenheid moet betrekking hebben op beide aspecten van het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element van misbruik, dus zowel op de bedoeling om een door het Unierecht toegekend fiscaal voordeel te verkrijgen, als op het kunstmatige karakter van de structuur waarmee de voorwaarden zijn gecreëerd waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.\n\n4.6.2. Aan de bewijslast met betrekking tot de subjectieve en de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet – als bestanddelen van het subjectieve element van misbruik van Unierecht – moet daarom inhoud worden gegeven doordat de inspecteur feiten en omstandigheden moet stellen, en in geval van betwisting aannemelijk moet maken, waaruit een reeks objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen voortvloeit als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, die wijzen op misbruik van recht. De vaststelling dat zo’n reeks aanwijzingen zich voordoet, brengt, behoudens door de belastingplichtige geleverd tegenbewijs als hiervoor in 4.6.1 bedoeld, mee dat het gaat om misbruik van recht.18\n\n4.6.3. Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan zijn dat zich geen van de situaties voordoet die in de totstandkomingsgeschiedenis van de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet zijn genoemd als “geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen”19. Het gaat dan om de situatie dat de buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap rechtstreeks houdt (i) geen materiële onderneming drijft tot het vermogen waarvan het aanmerkelijk belang functioneel behoort, en (ii) niet een wezenlijke functie ten dienste van de bedrijfsuitoefening van het concern vervult, en (iii) evenmin een schakelfunctie – tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van haar kleindochtervennootschap(pen) – vervult én voldoende zogenoemde substance (bedrijfseconomische aanwezigheid) heeft. Dergelijke omstandigheden kunnen erop wijzen dat de desbetreffende buitenlandse vennootschap een doorstroomvennootschap is als hiervoor in 4.4.5 bedoeld. De aanwezigheid van zo’n doorstroomvennootschap kan – maar hoeft niet – een relevante, objectieve aanwijzing voor misbruik van recht (te) vormen.\n\n4.6.4. Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan verder worden gevonden binnen het kader van de subjectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, indien de achterliggende aandeelhouder(s) van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap (die het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks houdt), meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap, dus wanneer dividenduitkeringen door de Nederlandse vennootschap rechtstreeks aan die achterliggende aandeelhouder(s) zouden zijn gedaan (de wegdenkgedachte).20\n\n4.6.5. Indien de hiervoor in 4.6.3 en 4.6.4 bedoelde aanwijzingen aanwezig zijn, kan op grond daarvan – behoudens tegenbewijs – worden aangenomen dat de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap (middellijk) houdt, een doorstroomvennootschap is waarmee misbruik van recht wordt gepleegd.\n\n4.6.6. Het hiervoor in 4.6.2 bedoelde tegenbewijs kan worden geleverd door feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, en in aanvulling in zoverre op hetgeen over het tegenbewijs is overwogen in rechtsoverweging 2.6.7 van het arrest van 10 januari 2020, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de toepasselijke belastingwetgeving (in dit geval: artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, zoals uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn).21\n\nOnder vermelding van de volgende voetnoten:\n\n9. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 97 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.\n\n10. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 98 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.\n\n11. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 100.\n\n12. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 114.\n\n13. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 101,103 en 104.\n\n14. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 104 en 105.\n\n15. Vgl. Richtlijn (EU) 2015\u002F121 van de Raad van 27 januari 2015, tot wijziging van Richtlijn 2011\u002F96\u002FEU (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid29cea53a04404bd28dfb282cebef5422)betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten,PbEU2015, L 21\u002F1, preambule onder 5.\n\n16. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 117 en 118.\n\n17. Vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A\u002FS, gevoegde zaken C504\u002F16 en C613\u002F16, ECLI:EU:C:2017:1009 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid5fe095b4327149bab2d9eb938e4d6c6a), punt 70, en HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6\u002F16,ECLI:EU:C:2017:641 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid8b5d8ca06eda41e89cec1aff0e4837ae), punt 36, alsmede HR 10 januari 2020,ECLI:NL:HR:2020:21 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.5.\n\n18. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 99, alsmede HR 10 januari 2020,ECLI:NL:HR:2020:21 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.7.\n\n19. Vgl. Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 306, nr. 3 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-34306-3.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 9, enKamerstukken II 2015\u002F16, 34 306, nr. 6 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-34306-6.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 7.\n\n20. Vgl. Kamerstukken II 2011\u002F12, 33 003, nr. 10 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-33003-10.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 93-94, en HR 10 januari 2020,ECLI:NL:HR:2020:21 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.2, eerste alinea.\n\n21. Vgl. HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228\u002F24, ECLI:EU:C:2025:239 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidf6a96399bc3c4a8e87c675f41e9f0b8f), punten 52 tot en met 54.”\n\n4.4.. In zijn arresten van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1162 en 1163 over Belgische houdstervennootschappen (hierna: de 18 juli-arresten) heeft de Hoge Raad aan dit toetsingskader toegevoegddat de vraag of sprake is van een concern dat als een kunstmatige constructie kan worden beschouwd als omschreven in rechtsoverweging 4.4.3 van de arresten van 25 april 2025, moet worden beantwoord aan de hand van een onderzoek dat niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het opzetten van de constructie. Gelet op de context van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn kan namelijk niet worden uitgesloten dat een constructie die aanvankelijk is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, vanaf een bepaald moment als kunstmatig moet worden beschouwd omdat die constructie ondanks een wijziging in de omstandigheden in stand is gehouden. Daarom kunnen bij de beoordeling of de constructie kunstmatig is, mede feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die zich voordoen of hebben voorgedaan na de totstandkoming van de constructie.\n\nHet toetsingskader toegepast op onderhavig geval\n\n4.5.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ten tijde van de dividenduitkering een aanmerkelijk belang hield in [B.V. 1] , dat [B.V. 1] ten tijde van de dividenduitkering in Nederland was gevestigd, en dat [B.V. 1] geen vrijgestelde beleggingsinstelling was. Het geschil spitst zich daarom enkel toe op de vraag of in dit geval sprake is van misbruik van Unierecht.\n\n4.6.. Het toetsingskader zoals uiteengezet door de Hoge Raad brengt mee dat het in eerste instantie aan de inspecteur is om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat het aanmerkelijk belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (de subjectieve voorwaarde) en dat het aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming (de ondernemingstoets). Indien de inspecteur in die bewijslast slaagt, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn.\n\nDe subjectieve voorwaarde\n\n4.7.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval is voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat als belanghebbende en [SPF 1] uit de structuur worden weggedacht, Nederland 15% dividend- en\u002Fof inkomstenbelasting had kunnen heffen over de dividenduitkering.\n\n4.8.. Belanghebbende erkent dat op basis van alleen de wegdenkgedachte in principe wordt voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Belanghebbende stelt echter dat zij ook de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren en stelt zich op het standpunt dat op basis van het door haar geleverde tegenbewijs niet aan de subjectieve voorwaarde wordt voldaan.\n\n4.9.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur aan de hand van de wegdenkgedachte aan zijn initiële bewijslast heeft voldaan aannemelijk te maken dat aan de subjectieve voorwaarde is voldaan. Indien [B.V. 1] de dividenduitkering rechtstreeks had gedaan aan [naam aandeelhouder] zou de dividenduitkering zijn onderworpen aan 15% dividendbelasting en 15% inkomstenbelasting, terwijl met belanghebbende in de structuur er geen Nederlandse belastingheffing is over de dividenduitkering. De stelling van belanghebbende dat zij de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren dat niet aan de subjectieve voorwaarde is voldaan, is gelet op het hiervoor beschreven toetsingskader juist. Het hof zal hetgeen belanghebbende in dit kader heeft aangevoerd behandelen onder het kopje ‘tegenbewijs’.\n\nDe ondernemingstoets\n\n4.10.. Uit de wetsgeschiedenisvolgt dat de wetgever met de ondernemingstoets voor ogen heeft gestaan dat wordt nagegaan of de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt als belegging, dat wil zeggen met het oog op het verkrijgen van een rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. Als dat het geval is, is niet aan de ondernemingstoets voldaan. Daarnaast geldt niet als zelfstandig vereiste dat de belastingplichtige een onderneming drijft.Van het houden van een aandelenbelang als belegging kan in elk geval niet worden gesproken (a) indien de onderneming van het lichaam waarin wordt deelgenomen in het verlengde ligt van de onderneming van de belastingplichtige, (b) indien de belastingplichtige een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van een groep, of (c) indien en voor zover de belastingplichtige als participatiemaatschappij belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep.Indien zich geen van deze situaties voordoet, vormt dit een aanwijzing voor misbruik van recht.\n\n4.11.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de ondernemingstoets wordt voldaan omdat (i) belanghebbende geen onderneming drijft, (ii) belanghebbende niet beschikt(e) over (relevante) substance), (iii) belanghebbende zich niet heeft bemoeid met het beleid en activiteiten van haar dochtervennootschappen, (iv) de ondernemingsactiviteiten van [B.V. 1] niet in het verlengde liggen van belanghebbende, (v) belanghebbende geen wezenlijke functie vervult (c.q. vervulde) ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep; en (vi) belanghebbende geen rol als (actieve) participatiemaatschappij vervult (c.q. vervulde).\n\n4.12.. Belanghebbende drijft geen onderneming en is geen participatiemaatschappij die belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep. Belanghebbende heeft dit, naar het oordeel van het hof terecht, niet betwist.\n\nIs belanghebbende een tophoudster of een tussenhoudster met een wezenlijke functie?\n\n4.13.. Wel stelt belanghebbende dat ze een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep omdat ze een actieve financieringsfunctie heeft binnen de groep. Zij verstrekt geldleningen aan gelieerde maatschappijen en draagt in dat kader ook de economische risico’s van haar financieringsfunctie. Zij vervult deze rol al sinds 1998 zodat van gekunsteldheid geen sprake kan zijn, aldus belanghebbende.\n\n4.14.. Indien sprake is van een tophoudster die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend en\u002Fof financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, zal deze tophoudster de aandelen niet als belegging houden. Indien sprake is van een tussenhoudster die door een schakelfunctie een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van de kleindochtervennootschap legt, kan deze tussenhoudster worden geacht een wezenlijke functie ten dienste van de groep te vervullen. De tussenhoudster vervult ook een schakelfunctie als de moedervennootschap een tophoudster is, die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, en de tussenhoudster een deelneming heeft in een lichaam dat een (actieve) onderneming drijft.\n\n4.15.. De inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat belanghebbende geen tophoudster of tussenhoudster met een wezenlijke functie is het volgende aangevoerd:\n\n( i) Belanghebbende beschikte vanaf het moment van oprichting (1998) tot aan het moment van de dividenduitkering (2014) niet over (relevante) substance. Zo stond er in het jaar van de dividenduitkering geen personeel op de loonlijst. Hetzelfde geldt voor de daaraan voorafgaande jaren, althans uit niets kan het tegendeel worden afgeleid. Voorts zijn desgevraagd geen bewijzen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende – op enig moment – de (vrije) beschikking(smacht) heeft gehad over een kantoorruimte. In lijn hiermee ligt dat de inspecteur geen huur- of andere huisvestingskosten is tegengekomen in de stukken. Dat belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft gehad over een kantoorruimte kan ook niet worden afgeleid uit de ‘Domiciliation Agreement’, zoals door belanghebbende werd betoogd ter zitting bij de rechtbank. Die overeenkomst regelt (slechts) het formele vestigingsadres.\n\n( ii) Ook [SPF 1] (enig aandeelhouder in belanghebbende) beschikte in die periode niet over (relevante) substance. Het Luxemburgse SPF-regime verbiedt zelfs dat door een SPF-lichaam economische activiteiten worden uitgeoefend, hoe gering ook (in casu relevant vanaf 2011).\n\n( iii) Belanghebbendes formele (trust)bestuur beschikte over een beperkt mandaat.\n\nDe drie formele bestuurders van belanghebbende ontvingen een marginale vergoeding. In totaal hooguit € 3.000 per jaar. Reeds hierdoor is het niet aannemelijk dat belanghebbende enige invloed heeft gehad op het rendement van [B.V. 1] , zijnde de vennootschap die het dividend uitkeerde. Zulks geldt te meer omdat belanghebbende toen ook geen personeel op de loonlijst had staan. In werkelijkheid handelde belanghebbende volgens de inspecteur daarentegen in opdracht van de UBO dan wel de directie van de dochtervennootschappen, waarbij vaststaat dat de UBO de enig bestuurder van de relevante dochtervennootschappen was. Illustratief in dat kader is de e-mail van 2 augustus 2016 (zie 2.24.). Indachtig het voorgaande is het evenmin aannemelijk dat belanghebbende (meer dan bijkomstige) invloed heeft gehad op de voorwaarden inzake de door haar verstrekte leningen aan de dochtervennootschappen. De inspecteur wijst er in dit verband op dat de leningen die belanghebbende op 1 januari 2013 heeft verstrekt aan haar dochtervennootschappen hetzelfde rentepercentage hebben (3%), terwijl aan zes verschillende binnenlandse en buitenlandse dochtervennootschappen een lening is verstrekt waarbij de hoofdsom varieert van € 500.000 tot 7,5 miljoen euro.\n\n4.16.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende geen tophoudster is of een tussenhoudster met een wezenlijke functie binnen de groep. De enkele omstandigheid dat belanghebbende al sinds 1998 geldleningen aan gelieerde maatschappijen verstrekt en zij daarmee economisch risico loopt is in het licht van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot de conclusie te komen dat belanghebbende een actieve financieringsfunctie heeft binnen de groep en zij daarom als tussenhoudster een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep.\n\nTussenconclusie misbruik van Unierecht\n\n4.17.. Gelet op de oordelen in 4.9 en 4.16. heeft de inspecteur aan zijn initiële bewijslast voldaan aannemelijk te maken dat aan zowel de subjectieve als objectieve voorwaarde wordt voldaan. Dit brengt mee dat moet worden aangenomen dat in dit geval in beginsel tevens is voldaan aan het doelvereiste.\n\nTegenbewijs\n\n4.18.. Aangezien de inspecteur in zijn initiële bewijslast is geslaagd, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn.\n\n4.19.. Het hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd er niet in is geslaagd dit tegenbewijs te leveren. Hierbij overweegt het hof het volgende.\n\n4.19.1. Belanghebbende heeft aangevoerd dat aan de transacties die in 2014 hebben plaatsgevonden zakelijk overwegingen ten grondslag lagen, namelijk verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] . Belanghebbende wijst daarbij op de agiostorting in [B.V. 2] . In de gestelde verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] ziet het hof echter geen reden voor de tussenschakeling van belanghebbende. De agiostorting heeft geen direct verband met de dividenduitkering door [B.V. 1] , maar met de eerdere verkoop van drie deelnemingen door belanghebbende aan [B.V. 2] , getuige de exact corresponderende bedragen. De agiostorting biedt dus ook geen verklaring voor de tussenschakeling van belanghebbende ten opzichte van [B.V. 1] , waarvan het dividend is verkregen. Volledigheidshalve merkt het hof op dat de rechtshandelingen zoals beschreven in 2.5 tot en met 2.8 (waarbij de schuld van [B.V. 1] van € 19.000.000 als gevolg van de dividenduitkering aan belanghebbende uiteindelijk tenietgaat) evenmin aannemelijk maken dat een zakelijke reden bestond voor de tussenschakeling van belanghebbende. De vermogens- of liquiditeitspositie is immers voor geen van de betrokken partijen verbeterd als gevolg van deze rechtshandelingen en overige zakelijke redenen voor deze rechtshandelingen zijn gesteld noch gebleken.\n\n4.19.2. \n\nDaarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat het remigratietraject van de UBO en zijn minderjarige kinderen en de onbelaste terugbetalingen volledig los staan van de herstructurering die in 2014 heeft plaatsgevonden. Verder heeft belanghebbende naar voren gebracht dat de structuur al 16 jaar vóór de dividenduitkering tot stand is gekomen, zonder substantiële wijzigingen in de feitelijke leiding en vestigingsplaats van zowel de uitkerende als de ontvangende vennootschap tot en met het jaar van de dividenduitkering. Belanghebbende heeft als reden voor haar vestigingsplaats aangevoerd dat Luxemburg geografisch een logische keuze was omdat het een buurland is van België, de toenmalige woonplaats van de heer [naam aandeelhouder] .\n\nAl datgene, wat er ook zij van de juistheid ervan, zegt echter niets over de reden(en) van tussenschakeling van belanghebbende.\n\n4.19.3. Belanghebbende heeft gesteld dat er zakelijke redenen zijn voor het opzetten van een houdsterstructuur. Hieronder vallen bijvoorbeeld het beperken van aansprakelijkheid, het beperken van de (financiële) aanspraak van schuldeisers bij een eventueel faillissement, de voordelen die het oplevert bij verkoop van de werkmaatschappijen, en het onderling ter beschikking stellen van middelen. Door het aanhouden van een houdstervennootschap kunnen dan ook gelden uit de risicosfeer van de werkmaatschappij worden gehaald en worden geherinvesteerd in andere vennootschappen. Het gaat er dus niet alleen om dat de UBO wordt afgeschermd tegen aansprakelijkheid, zoals wordt gesuggereerd door de inspecteur. De inspecteur heeft dit alles gemotiveerd betwist. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat dit daadwerkelijk de redenen zijn geweest om belanghebbende tussen te schakelen. Aan die bewijslast heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof niet voldaan. Het hof acht in dit kader relevant dat (de gemachtigde van) belanghebbende ter zitting van het hof niet kon aangeven wat de reden(en) is (zijn) geweest van de herstructurering van de [A-groep] in 1998 en de ‘Luxemburg-structuur’ zoals die toen is opgezet. Ook acht het hof het in dit kader relevant dat belanghebbende zelf wordt gehouden door een houdstervennootschap. De door belanghebbende genoemde zakelijke redenen voor het opzetten van een houdsterstructuur verklaren op zichzelf bezien niet de dubbele Luxemburgse houdsterstructuur.\n\n4.19.4. \n\nBelanghebbende heeft erop gewezen dat het dividend van € 19.000.000 uit 2014 niet is ‘door uitgedeeld’ aan de UBO en dat in België belasting zou zijn geheven als dat wel het geval was geweest. Het hof stelt vast dat belanghebbende een hypothetisch scenario schetst en ziet in deze stelling dan ook geen bewijs dat de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb ondermijnt. Het dividend is immers niet uitgekeerd aan de UBO . De UBO heeft in 2018 zijn aandelen in [SPF 1] geschonken aan zijn minderjarige kinderen. Daaropvolgend is hij samen met zijn minderjarige kinderen geremigreerd naar Nederland. [SPF 1] is evenals belanghebbende in 2019 omgezet naar een Nederlandse besloten vennootschap. In 2020, 2022 en 2023 hebben terugbetalingen van kapitaal plaatsgevonden. Deze terugbetalingen leverden voor de Wet IB 2001 geen belastbaar feit voor de minderjarige kinderen omdat zij, als gevolg van de schenking en immigratie, recht hebben op een step-up naar de waarde in het economisch verkeer. Voor zover belanghebbende met deze stelling heeft willen betogen dat het geen doorstroomvennootschap is, overweegt het hof dat ook zonder (snelle) dooruitdeling sprake kan zijn van een volstrekt kunstmatige constructie.\n\nHet hof acht verder relevant dat [SPF 1] omdat zij een SPF is geen beroep kan doen op de moeder-dochterrichtlijn en ook niet gerechtigd is tot de toepassing van het belastingverdrag tussen Luxemburg en Nederland. Belanghebbende lijkt daarom veeleer te zijn tussengeschoven tussen [SPF 1] en de in de Nederland gevestigde werkmaatschappijen om op die manier toch de richtlijn- en verdragsvoordelen te kunnen inroepen. In het geval belanghebbende niet zou zijn tussengeschoven, dan was de dividenduitkering aan [SPF 1] belast geweest met 15% Nederlandse dividendbelasting.\n\nAndere standpunten van belanghebbende\n\n4.20.. Belanghebbende heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in strijd is (i) met de moeder-dochterrichtlijn, (ii) de vrijheid van vestiging van artikel 49 VWEU en (iii) de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag Nederland-Luxemburg.\n\n4.21.. \n\nHet hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt. De nationale antimisbruikmaatregel van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb is richtlijnconform toegepast. Verder is de moeder-dochterrichtlijn niet van toepassing in geval van misbruik; van strijdigheid met de moeder-dochterrichtlijn is dan ook geen sprake.\n\nOok kunnen indien sprake is van misbruik van Unierecht de in het VWEU neergelegde vrijheden niet worden ingeroepen.\n\nBelanghebbende verwijst naar de non-discriminatiebepaling van artikel 24 in het belastingverdrag tussen Nederland en Luxemburg. Volgens belanghebbende zou zij door toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb, anders of zwaarder belast worden dan indien zij onderdaan van Nederland zou zijn. Ook deze stelling faalt. De non-discriminatiebepaling in het verdrag is gebaseerd op primair EU-recht (verbod op discriminatie naar nationaliteit). Als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van misbruik van EU-recht kan naar het oordeel van het hof geen geslaagd beroep meer worden gedaan op een non-discriminatiebepaling in een belastingverdrag. Grondrechten zijn er niet om oneigenlijke belastingverijdeling te faciliteren.\n\n4.22.. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de door de inspecteur voorgestane vennootschapsbelastingheffing ten aanzien van de dividenduitkering van 2,5% op grond van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb leidt tot economische dubbele belasting die niet van toepassing was geweest in de situatie dat het een puur binnenlandse situatie had betroffen omdat belanghebbende en [SPF 1] alsdan de deelnemingsvrijstelling hadden kunnen toepassen. Volgens belanghebbende is deze economisch dubbele belasting in casu disproportioneel bezien vanuit de doelstelling van bestrijding van belastingontwijking.\n\n4.23.. Het hof volgt belanghebbende niet in haar stelling. De vergelijking die belanghebbende maakt gaat naar het oordeel van het hof niet op. [SPF 1] is omdat zij een SPF is in Luxemburg vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De vergelijking die dan gemaakt dient te worden is die van een Nederlands vennootschapsbelastingplichtig lichaam dat een dividend uitkeert aan in Nederland gevestigd van vennootschapsbelasting vrijgesteld lichaam. Ter zake van dergelijke dividenduitkeringen is in de regel 15% Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Het dividend wordt in casu daarom niet zwaarder belast dan het geval was geweest in een puur binnenlandse situatie.\n\n4.24.. Gelet op het voorgaande is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb. Dat betekent dat het hof toekomt aan de behandeling van het incidentele hoger beroep van belanghebbende.\n\n2. Is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?\n\n4.25.. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Belanghebbende stelt dat de feiten waar de inspecteur zich op beroept reeds bekend waren dan wel bekend hadden moeten zijn als gevolg van het boekenonderzoek bij [B.V. 1] In het controlerapport zijn immers correcties voorgesteld met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting van (de fiscale eenheid) [B.V. 1] , het jaar waarin de dividenduitkering van [B.V. 1] aan belanghebbende heeft plaatsgevonden. De dividenduitkering van € 19.000.000 blijkt volgens belanghebbende duidelijk uit de in het controlerapport opgenomen vermogensvergelijking van [B.V. 1] waar het is opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’. Over deze dividenduitkering zijn in het kader van het boekenonderzoek geen verdere vragen gesteld. Een verdere aanwijzing dat geen sprake is van een nieuw feit is volgens belanghebbende dat de inspecteur bekend was met de structuur van de [A-groep] , waaronder de Luxemburgse aandeelhouder van belanghebbende. Ten slotte is belanghebbende van mening dat de inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 aan belanghebbende.\n\n4.26.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en geen sprake is van een ambtelijk verzuim. Het boekenonderzoek bij [B.V. 1] gaf volgens hem geen enkele aanleiding om enig onderzoek in te stellen naar de belastingpositie van belanghebbende. Van belanghebbende bestond in eerste instantie nog geen dossier omdat zij bij de inspecteur niet bekend was als (buitenland) belastingplichtige. Verder rustte op de inspecteur niet de verplichting om andere dossiers te raadplegen voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Ook kon de inspecteur uit andere dossiers, waaronder het boekenonderzoek bij [B.V. 1] , niet opmaken dat belanghebbende een kunstmatig tussengeschoven vennootschap was die niet werd beschermd door het Unierecht. Het vermoeden van de (buitenlandse) belastingplicht van belanghebbende is pas gerezen in de periode tussen 27 juli 2018 en 16 januari 2019. Op 27 juli 2018 stelde de inspecteur voor het eerst vragen over de dividenduitkering bij [B.V. 1] Op 29 augustus 2018 verzocht de inspecteur voor het eerst om contactgegevens van belanghebbende om de fiscale gevolgen van de dividenduitkering bij belanghebbende te kunnen onderzoeken en op 16 januari 2019 stelde de inspecteur de eerste concrete vragen over de belastingpositie van belanghebbende.\n\n4.27.. Het hof stelt voorop dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de vennootschapsbelasting van de belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens voor de vennootschapsbelasting van die belastingplichtige bevat. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die door hem of door een andere inspecteur zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook niet als de mogelijkheid bestaat dat daarin gegevens worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de vennootschapsbelasting van belang kunnen zijn. In het algemeen is de inspecteur slechts dan verplicht tot een onderzoek buiten het (digitale) dossier van de belastingplichtige indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.De inspecteur was in dit geval dan ook niet verplicht om bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting het dossier dat binnen de Belastingdienst was aangelegd met het oog op de heffing van de vennootschapsbelasting van de [B.V. 1] te raadplegen. Zoals onweersproken is gesteld door de inspecteur was in ieder geval tot juli 2018 geen dossier aangelegd van belanghebbende omdat zij op dat moment nog niet bij de inspecteur bekend was als buitenlands belastingplichtige.\n\n4.28.. Het voorgaande neemt niet weg dat onder bijzondere omstandigheden het (digitale) dossier van de belastingplichtige (in dit geval: belanghebbende) onvolledig moet worden geacht c.q. er een dossier aangelegd had moeten worden omdat de ten aanzien van een andere belastingplichtige bevoegde inspecteur heeft nagelaten dat dossier aan te (doen) vullen c.q. maken. Dat is het geval indien een wettelijke regeling meebrengt dat (een geheel van) rechtshandelingen, verricht door tot een specifiek afgebakende, beperkte groep van verwanten behorende belastingplichtigen, rechtstreeks van invloed kunnen zijn op de belastingplicht van tot die groep behorende en bij die rechtshandelingen betrokken verwanten, zodat de inspecteur die deze rechtshandelingen ten aanzien van één van hen heeft onderzocht, gehouden is de resultaten van dat onderzoek te doen opnemen in de (digitale) dossiers van die verwanten.Een dergelijk geval doet zich in deze zaak niet voor.\n\n4.29.. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert. Het nieuwe feit volgt uit de informatie die de inspecteur van belanghebbende heeft verkregen nadat de inspecteur op 16 januari 2019 belanghebbende heeft medegedeeld dat hij haar belastingplicht wil onderzoeken en belanghebbende om informatie heeft verzocht.\n\n4.30.. Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat de inspecteur niet voortvarend genoeg heeft gehandeld met het opleggen van de navorderingsaanslag en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2013. Het voortvarendheidsvereiste geldt echter alleen voor navorderingsaanslagen die met toepassing van artikel 16, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn opgelegd. Dat is in deze zaak niet het geval.\n\n4.30.. Gelet op het voorgaande beschikt de inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en is de inspecteur niet te laat geweest met navorderen.\n\n3. Is sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel?\n\n4.31.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De inspecteur kon de dividenduitkering afleiden uit de vermogensvergelijking bij het boekenonderzoek dat heeft plaatsgevonden bij [B.V. 1] . Doordat de inspecteur de dividenduitkering al tijdens het boekenonderzoek heeft kunnen detecteren, en daar verder geen vragen over heeft gesteld, moet dit als een impliciete standpuntbepaling worden gezien. De inspecteur heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.\n\n4.32.. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Als regel heeft te gelden dat een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een of meer andere belastingplichtigen. Dit is echter anders indien dat optreden heeft plaatsgevonden op een zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden dat de belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat dit ook bedoeld was om te gelden in zijn situatie.Van een dergelijke situatie is in deze zaak geen sprake. Uit de enkele omstandigheid dat in de post ‘niet aftrekbare bedragen’ in de vermogensvergelijking van de dochtermaatschappij het dividend van € 19.000.000 is begrepen en de inspecteur van de dochtermaatschappij daar geen nader onderzoek naar heeft gedaan, volgt niet dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb niet van toepassing is en de dividenduitkering niet belastbaar is.\n\nTussenconclusie\n\n4.33.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en het incidentele hoger beroep ongegrond.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.34.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nverklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Richtlijn 2011\u002F96\u002FEU van de Raad van 30 november 2011.\n\n Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 306, nr. 3, p. 8.\n\n Zie r.o. 5.2.3. van de arresten van 18 juli 2025.\n\n Het dividend zou bij [naam aandeelhouder] op grond van artikel 7.5. Wet IB 2001 als regulier AB-voordeel worden belast tegen het in 2014 geldende aanmerkelijkbelang-tarief van 25% (tot € 250.000 22%). Nederland mag de dividenduitkering op grond van het belastingverdrag met België echter maar met maximaal 15% belasten (artikel 10, lid, 2, letter b, van het Verdrag).\n\n Kamerstukken II 2011\u002F12, 33 003, nr. 10, p. 94, in samenhang gelezen met Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 58 en 59.\n\n Vergelijk HR 14 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0829.\n\n HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, r.o. 2.5.2.\n\n Vergelijk de arresten van 25 april 2025, r.o. 4.6.3.\n\n Vergelijk Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 59.\n\n Vergelijk de arresten van 25 april 2025, r.o. 4.5.2\n\n Zie r.o. 5.4.4. van de arresten van 18 juli 2025 en de onderdelen 5.16 tot en met 5.18 van de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Wattel.\n\n Zie r.o. 5.4.4. van de arresten van 18 juli 2025 en onderdeel 5.18 van de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Wattel.\n\n Vergelijk Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1343, r.o. 5.2.1.\n\n Hoge Raad 3 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1508, r.o. 3.2.\n\n ECLI:NL:HR:2013:717.\n\n Hoge Raad 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7213, r.o. 3.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1277","2026-07-13T00:29:25.888Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":42,"fullText":50,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":36,"updatedAt":53},"1269","ECLI:NL:GHSHE:2026:1261","ecli-nl-ghshe-2026-1261","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 25\u002F170\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 januari 2025, nummer BRE 24\u002F1720, in het geding tussen de inspecteur en\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] (Canada), met gekozen domicilie in [plaats] ,\n\nhierna: belanghebbende.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag dividendbelasting over het jaar 2014 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.\n\n1.6.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [naam 1] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [gemachtigde 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .\n\nOp deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24\u002F1888 tot en met 24\u002F1194 en 24\u002F1220 tot en met 24\u002F1236.\n\n1.7.. De inspecteur heeft tijdens de zitting exemplaren van een pleitnota overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende (voorheen genaamd [belangheb.] ) is een naar Canadees recht door [Ltd 8] (hierna: [Ltd 8] ) ingestelde trust. Volgens een bestuursbesluit van [Ltd 8] van 1 maart 2013 is belanghebbende ingesteld om een pensioenregeling te treffen voor haar werknemers.\n\n2.2.. Belanghebbende is door de Canadese fiscale autoriteiten met ingang van 1 januari 2013 aangemerkt als geregistreerd pensioenfonds. Conform de bepalingen van het Canadese recht is belanghebbende vrijgesteld van belastingheffing naar het inkomen in de periode waarin hij is aan te merken als een geregistreerd pensioenfonds.\n\n2.3.. Aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht neemt één deelnemer, te weten [persoon] , deel. Op basis van het pensioenreglement is het deelnemers niet toegestaan om bij te dragen aan het pensioen. De werkgever draagt verplicht bij aan het pensioen.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft op 1 september 2014 een ‘Profit Share and Cooperation agreement’ (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten met [Ltd 6] . Hierin is onder meer het volgende opgenomen (waarbij belanghebbende als [belangheb.] is aangeduid):\n\n“\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n”\n\n2.5.. De Samenwerkingsovereenkomst is namens [Ltd 6] . ondertekend door [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [Ltd 6] . was in 2014 een dochtervennootschap van [C BV] en maakte onderdeel uit van de zogenoemde [A-groep] . [naam 2] is de uiteindelijk gerechtigde van de [A-groep] .\n\n2.6.. Het eigen vermogen van belanghebbende bedroeg op 1 januari 2015 CAD $ 93.759 en op 31 december 2015 CAD $ 135.145. Belanghebbende heeft in 2015 een resultaat behaald van CAD $ 39.374 dat in de winst- en verliesrekening over 2015 als volgt is gespecificeerd (bedragen in CAD $):\n\n2.7.. De balans van belanghebbende per ultimo 2015 is als volgt (bedragen in CAD $):\n\n2.8.. Tijdens de zitting van het hof heeft [naam 2] verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (hierna: [stichting] ). [stichting] heeft een fiscale procedure gevoerd waarin de vraag centraal stond of zij als pensioenfonds vrijgesteld is van vennootschapsbelasting. Het gerechtshof Amsterdam heeft die vraag ontkennend beantwoord en onder meer geoordeeld dat [stichting] een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 (hierna: het Besluit). Het door [stichting] tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad ongegrond verklaard.\n\n2.9.. Belanghebbende hield in 2014 een rekening aan bij [Ltd 5] (hierna: [Ltd 5] ), gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Belanghebbende hield op deze rekening uitsluitend long posities in aandelen met daartegenover short posities in derivaten. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van de rekening bij [Ltd 5] van 12 november 2014 waaruit een sinds 4 november 2014 opgebouwde long positie in Duitse aandelen volgt van € 175.792.081,92.\n\n2.10.. Belanghebbende heeft op 11 november 2014 1.000.000 aandelen [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) gekocht. De settlement date van de transactie is 13 november 2014. Op 12 november 2014 heeft belanghebbende 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] gekocht. De settlement date van die transactie is 14 november 2014.\n\n2.11.. Vervolgens heeft belanghebbende op 11 november 2014 respectievelijk 12 november 2014 futures die zien op 1.000.000 respectievelijk 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht.\n\n2.12.. De record date, de datum die bepalend is voor de uitkering van dividenden, van de aandelen [bedrijf 4] was op 14 november 2014. Voor de 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] ontving belanghebbende op 22 december 2014 € 885.301,56 dividend waarop € 132.796,23 dividendbelasting is ingehouden.\n\n2.13.. Op 9 december 2014 heeft belanghebbende 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht.\n\n2.14.. Belanghebbende heeft verder op 6 november 2014 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] gekocht. Op diezelfde datum is belanghebbende een price return swap overeengekomen ten aanzien van hetzelfde aantal aandelen [bedrijf 5] .\n\n2.15.. De record date van de aandelen [bedrijf 5] was op 7 november 2014. Voor de 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] ontving belanghebbende op 10 december 2014 een dividend van € 512.829 waarop € 76.924,35 dividendbelasting is ingehouden.\n\n2.16.. Belanghebbende heeft 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] op 9 december 2014 verkocht. Op diezelfde datum is de price return swap afgewikkeld.\n\n2.17.. Belanghebbende heeft op 12 oktober 2015 verzocht om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting op de dividenden die hij op 22 december 2014 van [bedrijf 4] , respectievelijk op 10 december 2014 van [bedrijf 5] had ontvangen. De inspecteur heeft naar aanleiding van dat verzoek op 13 januari 2016 een teruggaaf dividendbelasting van € 209.720,58 verleend.\n\n2.18.. Vervolgens heeft de inspecteur, naar aanleiding van aan belanghebbende gestelde vragen, aanleiding gezien een naheffingsaanslag dividendbelasting voor het jaar 2014 op te leggen (hierna: de naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag is opgelegd op 20 december 2021 en bestaat uit € 209.720,58 nageheven dividendbelasting, vermeerderd met € 43.380 belastingrente (hierna: de rentebeschikking).\n\n2.19.. Het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking heeft de inspecteur ongegrond verklaard.\n\n2.20.. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag en de rentebeschikking vernietigd.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\n- Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting als bedoeld in artikel 10, lid 3, Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB)? Het geschil spitst zich in dit verband toe op de vraag of belanghebbende, ware hij in Nederland gevestigd, zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit (vraag 1).\n\n- Bij ontkennende beantwoording van vraag 1: staat het Unierecht aan naheffing in de weg (vraag 2)?\n\n- Is belanghebbende opbrengstgerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd (vraag 3)?\n\n- Is belanghebbende uiteindelijk gerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd (vraag 4)? Bij deze vraag spitst het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 7, Wet DB (tekst 2014).\n\n- Bij ontkennende beantwoording van vraag 3 of 4: is er een wettelijke grondslag voor naheffing (vraag 5)?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nVraag 1: Zou belanghebbende op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd?\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB verzocht om teruggaaf van dividendbelasting. Voor een dergelijke teruggaaf is onder meer de voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van een lichaam dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, alhier niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan die voorwaarde is voldaan omdat hij als pensioenfonds vrijgesteld zou zijn geweest van vennootschapsbelasting als hij in Nederland was gevestigd. Volgens belanghebbende verricht hij tezamen met [Ltd 6] . dividendarbitrage-activiteiten door middel van zogenoemde (reverse) cash-and-carry-transacties. De inspecteur heeft dat standpunt gemotiveerd betwist. De inspecteur is van mening dat belanghebbende dividendbelastingarbitrage-activiteiten verricht. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat aan deze voorwaarde is voldaan.\n\n4.2.. Ingevolge artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb worden vrijgesteld van de belasting lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding (hierna: de verzorgingsdoelstelling). Artikel 3 Besluit vereist voorts dat de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met de verzorgingsdoelstelling van dat lichaam (hierna: de werkzaamhedentoets) en dat bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge laatstgenoemd artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang. Met de voor de toepassing van de vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen.\n\n4.3.. \n\nHet hof stelt vast dat:\n\n(i) belanghebbende via zijn Joint Account (2.4) actief deelneemt aan het economische (beurs)verkeer;\n\n(ii) belanghebbende met behulp van zijn (reverse) cash-and-carry-activiteiten, een meer dan ‘autonoom’ rendement kan creëren (2.4, 2.6 en 2.7);\n\n(iii) belanghebbende voor het beheer van zijn vermogen relatief (zeer) hoge kosten beloopt (2.6);\n\n(iv) de voor belanghebbende aan dit vermogensbeheer gerelateerde risico’s, in het bijzonder het risico dat de dividendbelasting niet wordt teruggegeven, en met het vermogensbeheer gegenereerde opbrengsten die van een normale, min of meer ‘passieve’ belegger aanzienlijk te boven gaan (2.6 en 2.7);\n\n(v) aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht één deelnemer deelneemt, het deelnemers op basis van het pensioenreglement niet is toegestaan om bij te dragen aan het pensioenfonds; de werkgever is verplicht bij te dragen aan het pensioen (2.3);\n\n(vi) de pensioenbijdrage van de werkgever in 2015, het jaar van het verzoek om teruggaaf, CAD $ 5.400 was;\n\n(vii) belanghebbende gelet op zijn posities (2.9) tot aanzienlijke bedragen over andere middelen dan premiegelden moet hebben beschikt en deze andere middelen heeft aangewend voor (reverse) cash-and-carry-activiteiten;\n\n(viii) het gebruikmaken van derivaten van effecten niet plaatsvindt in het kader van de belegging van ingelegde pensioengelden;\n\n(ix) de dividendbelasting die belanghebbende als vrijgesteld lichaam heeft geïncasseerd een veelvoud is van zijn uiteindelijke nettoresultaat (2.6 en 2.17);\n\n(x) De samenwerkingspartner \u002F asset manager van belanghebbende, [Ltd 9] , onderdeel is van de [A-groep] , waarvan [naam 2] directeur en uiteindelijk gerechtigde is (2.8);\n\n(xi) [naam 2] ter zitting voor het hof heeft verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (2.8);\n\n(xii) Ten aanzien van [stichting] in rechte is vast komen te staan dat zij een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) Besluit (2.8).\n\n4.4.. Het hof komt op basis van deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat (ook) belanghebbende een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft, dat (ook) de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat belanghebbende niet voldoet aan de werkzaamhedentoets zoals opgenomen in artikel 3 Besluit.\n\n4.5.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het destijds geenszins duidelijk was hoe moest worden vastgesteld of een pensioenlichaam als vrijgesteld lichaam kon worden aangemerkt. Verder is de vergelijking met [stichting] wat haar betreft te makkelijk. Volgens belanghebbende is bij hem geen sprake van vreemd vermogen, terwijl dat bij [stichting] in het oudste jaar wel het geval was. Bovendien bestaat volgens belanghebbende in zijn geval geen risico dat de dividendbelasting niet voor teruggaaf in aanmerking komt, al was het maar vanwege het Unierecht, en heeft dit risico zich bij [stichting] uiteindelijk niet gemanifesteerd. Mocht de vergelijkbaarheid met [stichting] op dit punt al opgaan, dan is de toets in de procedure van [stichting] over haar ondernemerschap onjuist, althans achterhaald, althans nog immer onduidelijk, mede in Europeesrechtelijk perspectief. Belanghebbende meent dat aan het Hof van Justitie EU (hierna: HvJ) vragen dienen te worden gesteld of de wijze waarop de Hoge Raad de subjectieve vrijstelling invult moet voldoen aan de Pensioenrichtlijn, omdat het een invulling is van het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten, alsmede of de gegeven uitleg dan de juiste is. Belanghebbende wijst in dit kader ook op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 26 oktober 2021 in een procedure die is gevoerd door [stichting].\n\n4.6.. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om anders te oordelen of om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. De procedure van [stichting] bij het CBb ging over de vraag of De Nederlandsche Bank terecht boetes aan [stichting] had opgelegd vanwege vermeende overtreding van het verbod van nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pensioenwet (hierna: Pw). Dat artikel bepaalt dat een pensioenfonds slechts activiteiten verricht in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden. Het CBb heeft de opgelegde boetes vernietigd omdat volgens hem het voor [stichting] destijds niet voorzienbaar was dat de beleggingsactiviteiten zoals door haar verricht in strijd waren met artikel 116 Pw. In onderhavige procedure gaat het echter niet om de vraag of belanghebbende verboden nevenactiviteiten had, maar om de vraag of belanghebbende een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam zou zijn geweest ware hij in Nederland gevestigd. Met de voor deze vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen (4.2). Deze voorwaarden hebben daarom een andere achtergrond dan het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pw.\n\n4.7.. \n\nVoor zover belanghebbende betoogt dat hij vergelijkbaar is met andere vrijgestelde rechtspersonen, zoals bijvoorbeeld een stichting, en om die reden recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, heeft het volgende te gelden.\n\nDe teruggaafregeling van artikel 10, lid 1, Wet DB is bedoeld om de subjectieve niet‑onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting uit te breiden naar de voorheffing die de dividendbelasting is voor de (Nederlandse) vennootschapsbelasting. De doelstelling om vennootschapsbelasting noch dividendbelasting te doen drukken op dividenden, is daarmee beperkt tot bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Buitenlandse doelvermogens die daarmee vergelijkbaar zijn, hebben evenzeer recht op teruggaaf, voor zover zij geen onderneming drijven. Tot andere lichamen strekt de bedoeling van deze bepaling niet.\n\nEen buitenlands doelvermogen dat vergelijkbaar is met een stichting, heeft dus recht op teruggaaf van dividendbelasting, mits de effecten niet behoren tot het vermogen van een onderneming van het doelvermogen. Aangezien de aandelen waarop belanghebbende de opbrengst terugvraagt behoren tot het vermogen van de (arbitrage)onderneming van belanghebbende heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf op basis van artikel 10 Wet DB.\n\n4.8.. Vraag 1 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord. Gelet hierop komt het hof toe aan behandeling van vraag 2.\n\nVraag 2: Staat het Unierecht aan naheffing in de weg?\n\n4.9.. Belanghebbende heeft zich ook op het standpunt gesteld dat hij op basis van het Unierecht recht heeft op teruggave van dividendbelasting. Als hij niet kwalificeert als een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam, dan zou hij vennootschapsbelastingplichtig zijn geweest indien hij in Nederland was gevestigd. Een ingezeten vennootschapsbelastingplichtig lichaam kan de geheven dividendbelasting als voorbelasting verrekenen of krijgt deze voorheffing, indien er geen vennootschapsbelasting verschuldigd is, terug. Voor een niet-ingezeten lichaam, zoals belanghebbende, is de dividendbelasting echter een eindheffing. Belanghebbende heeft in dit kader verwezen naar de prejudiciële vraag die dit gerechtshof op 14 december 2022aan het HvJ heeft gesteld in de zaak van een Engelse verzekeringsmaatschappij die ‘unit-linked-polissen’ afsloot met grote in het Verenigd Koninkrijk gevestigde pensioenverzekeraars en de beantwoording daarvan door het HvJ op 7 november 2024. Belanghebbende stelt dat in zijn geval de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen dividenden van Nederlandse herkomst (hierna: de Nederlandse dividenden) leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen. Dit omdat volgens belanghebbende sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen zijn (arbitrage)resultaten en het in Canada verplicht moeten doteren van het volledige resultaat aan de pensioenreserve.\n\n4.10.. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de Nederlandse dividenden voor hem als niet-ingezeten belastingplichtige zwaarder worden belast dan het geval is bij een vergelijkbare ingezeten belastingplichtige. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan die bewijslast heeft voldaan. Als belanghebbende in Nederland was gevestigd en vennootschapsbelastingplichtig was geweest, zouden de Nederlandse (bruto)dividenden onderdeel uitmaken van de belastbare winst. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij hem sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden waardoor die dividenden per saldo niet, of minder zouden worden belast, met een teruggaaf van dividendbelasting tot gevolg. Dat het resultaat van belanghebbende in Canada verplicht moet worden gedoteerd aan de pensioenreserve moge zo zijn, maar dat betekent op zichzelf bezien nog niet dat voor de Nederlandse fiscale winstbepaling sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden zoals in de zaak van de unit-linked verzekeraar.\n\n4.11.. Het ter zitting bij het hof gedane bewijsaanbod van belanghebbende om alsnog een zogenoemde drukvergelijking te overleggen, wijst het hof af. Belanghebbende heeft eerder in de procedure gesteld dat de drukvergelijking besloten ligt in de verplichting in Canada volledig te doteren aan de pensioenreserve en verder het gevolg is van het wettelijk systeem. Een drukvergelijking is volgens belanghebbende kennelijk om die redenen niet nodig. Dat het hof daar anders over oordeelt, neemt niet weg dat belanghebbende reeds voldoende gelegenheid heeft gehad om een drukvergelijking te overleggen. Dat de inspecteur volgens belanghebbende pas ter zitting bij het hof heeft weersproken dat de belastingdruk bij belanghebbende, in het geval geen teruggaaf wordt verleend van dividendbelasting, hoger is dan wanneer hij in Nederland aan de vennootschapsbelasting onderworpen zou zijn geweest, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het hof mocht belanghebbende er redelijkerwijs niet van uitgaan dat de inspecteur hem, zonder dat deze zelf over stukken beschikt om een drukvergelijkging te maken, zou volgen in zijn stelling dat de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen Nederlandse dividenden leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen.\n\n4.12.. Vraag 2 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord.\n\n4.13.. Door de ontkennende beantwoording van vraag 1 en 2 behoeven de vragen 3 en 4 in beginsel geen beantwoording. Belanghebbende heeft echter het standpunt ingenomen dat geen wettelijke grondslag voor naheffing bestaat indien hij niet opbrengstgerechtigde en\u002Fof uiteindelijk gerechtigde zou zijn (vraag 5). Om redenen van proceseconomie zal het hof eerst die vraag beantwoorden.\n\nVraag 5: Is er een wettelijke grondslag voor naheffing?\n\n4.14.. Het hof zal er bij de beantwoording van deze vraag veronderstellenderwijs van uitgaan dat belanghebbende geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden ten aanzien waarvan hij de dividendbelasting heeft teruggevraagd.\n\n4.15.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 20, lid 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een beperkte groep van personen en lichamen aanwijst, namelijk de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde, van wie kan worden nageheven. Belanghebbende valt niet onder die beperkte groep indien hij geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden. Indien wordt geconcludeerd dat belanghebbende ten onrechte teruggaven van dividendbelasting heeft ontvangen dan kan dat alleen civielrechtelijk worden hersteld, aldus belanghebbende.\n\n4.16.. Artikel 20 AWR luidt als volgt:\n\n“1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek (…) teruggaaf van belasting is verleend.\n\n2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegdaan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan welaan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan welteruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd (onderstreping hof).”\n\n4.17.. Het hof is van oordeel dat de tekst van artikel 20, lid 2, AWR de inspecteur de mogelijkheid biedt om bij belanghebbende na te heffen. Belanghebbende kan immers, gelet op de ontkennende beantwoording van de vragen 1 en 2, worden aangemerkt als ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’. Dat alleen kan worden nageheven van de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde volgt niet uit de tekst van artikel 20, lid 2, AWR. Dat ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’ ook een andere hoedanigheid kan hebben volgt ook uit rechtsoverweging 3.3.2 van het arrest van 14 juni 2013, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur – ook\u002Fzelfs – kan naheffen van een (btw-)fiscale eenheid die materieel niet heeft kunnen bestaan.\n\n4.18.. Vraag 5 dient bevestigend te worden beantwoord. Gelet op het voorgaande behoeven vraag 3 en 4 geen beantwoording meer.\n\nTussenconclusie\n\n4.19.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.20.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nS.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3142.\n\n Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2122 (hierna ook: het arrest van 23 september 2016).\n\n Zie r.o. 2.3.3. van het arrest van 23 september 2016.\n\n CBb 26 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:961.\n\n Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2097, r.o. 3.1.3.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471.\n\n HvJ EU 7 november 2024, ECLI:EU:C:2024:932.\n\n Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4020.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1261","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.066Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":36,"updatedAt":62},"1288","ECLI:NL:RBOBR:2026:2871","ecli-nl-rbobr-2026-2871","2026-05-07T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 82.322925.24\n\nDatum uitspraak: 7 mei 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [1962] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna aangeduid als de verdachte.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 14 april 2026 en 30 april 2026.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 november 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n [naam 1] en\u002Fof [naam 2] en\u002Fof\n\n [naam 3] . en\u002Fof [naam 4] en\u002Fof\n\n [naam 5] en\u002Fof [naam 6]\n\n en\u002Fof [naam 7] , in of omstreeks de\n\nperiode van 6 augustus 2022 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2020) en\u002Fof in of\n\nomstreeks de periode van 25 juli 2023 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2021), in de\n\ngemeente Asten en\u002Fof te Apeldoorn en\u002Fof elders in Nederland, (telkens) tezamen\n\nen in vereniging met een ander of anderen en\u002Fof alleen, meermalen, althans\n\neenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als\n\nbedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale)\n\naangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van [naam 1]\n\nen\u002Fof [naam 2] en\u002Fof [naam 8]\n\n en\u002Fof [naam 4] en\u002Fof [naam 9]\n\n en\u002Fof [naam 10] en\u002Fof [naam 11]\n\n , over het\u002Fde aangiftetijdvak(ken) 2020 en\u002Fof 2021\n\nniet heeft\u002Fhebben gedaan en\u002Fof niet binnen de daarvoor gestelde termijn\n\nheeft\u002Fhebben gedaan,\n\nterwijl dat\u002Fdie feit (en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting werd\n\ngeheven,\n\ntot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)re feit(en) verdachte\n\n(telkens) opdracht heeft gegeven en\u002Fof aan welke bovenomschreven verboden\n\ngedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.\n\nVoor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijswaardering.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft betoogd dat de verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘niet doen van aangiften’, omdat de aangiften vennootschapsbelasting uiteindelijk wel zijn ingediend.\n\nMet betrekking tot de in het dossier genoemde aanmaningen (tot het doen van belastingaangifte vennootschapsbelasting) heeft de verdediging – kort weergegeven –betoogd dat in het dossier slechts uitdraaien van aanmaningsbrieven uit het systeem van de Belastingdienst zijn opgenomen. Niet gecontroleerd kan worden dat de aanmaningen het adres van de belastingplichtigen daadwerkelijk hebben bereikt. Bij deze stand van zaken dient de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de verdediging (onder verwijzing naar jurisprudentie).\n\nDe verdediging heeft verder betoogd dat het opzet op het niet tijdig doen van aangiften ontbreekt en (subsidiair) dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste.\n\nOok heeft de verdediging betoogd dat verdachte niet als pleger van de onderhavige feiten kan worden veroordeeld, omdat het kwaliteitsdelicten betreft en verdachte niet de betreffende kwaliteit heeft.\n\nDe verdediging heeft tot slot betoogd dat geen sprake is van medeplegen, zodat de verdachte hiervan (partieel) dient te worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen over het bewijs.\n\nDe bewijsmiddelen zijn opgenomen in het procesdossier van de Belastingdienst\u002FFIOD, genummerd\u002Fgenaamd [nummer] ‘Braddon’, gesloten op 10 oktober 2024, aantal pagina’s 130.\n\nHierna zal de rechtbank telkens in de voetnoten verwijzen naar de vindplaats van de desbetreffende bewijsmiddelen (digitale nummering).\n\nVolgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [naam 1] is\n\nde verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap.[naam 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van de verdachte rechtspersonen [naam 2]en [naam 3] .en [naam 4]en [naam 5]en [naam 10]en [naam 7]\n\nHet niet (tijdig) doen van aangiften vennootschapsbelasting.\n\nDe Belastingdienst heeft de hiervoor genoemde verdachte rechtspersonen over de jaren 2020 en 2021 uitgenodigd om aangifte vennootschapsbelasting te doen. Wegens\n\nhet uitblijven van die aangiften is vervolgens telkens een herinnering en daarna een aanmaning verstuurd. In het dossier bevindt zich een overzicht van deze uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen, telkens met verwijzing naar de onderliggende brondocumenten. De uiterste termijn voor het indienen van de vennootschapsbelasting over 2020 bedroeg 5 augustus 2022. Met betrekking tot de vennootschapsbelasting over 2021 was de uiterste termijn 24 juli 2023.\n\nOmdat de aangiften, ondanks uitnodiging en rappelering niet door de Belastingdienst zijn\n\nontvangen heeft de Belastingdienst aan iedere rechtspersoon zogenoemde ‘correctie-\n\nbrieven’ verstuurd met daarin het voornemen om ambtshalve aanslagen op te leggen. Deze hebben steeds betrekking op zowel 2020 als 2021. De inspecteur schrijft daarin:\n\nDe reden dat ik deze ambtshalve aanslagen wil opleggen, is gelegen in het feit dat ik tot op\n\nheden - ondanks verleend uitstel en een herinnering en aanmaning - géén aangiften\n\nvennootschapsbelasting over het jaar 2020 en 2021 heb ontvangen.\n\nDe rechtbank stelt op basis hiervan vast dat binnen de genoemde termijnen geen aangiften vennootschapsbelasting zijn ingediend.\n\nMet betrekking tot het verweer van de verdediging dat niet gecontroleerd kan worden dat voornoemde aanmaningen de belastingplichtigen daadwerkelijk hebben bereikt overweegt de rechtbank als volgt.\n\nDe rechtbank constateert dat de in het dossier genoemde aanmaningen telkens geadresseerd zijn aan het adres [adres] , waar de [naam 1] is gevestigd, en waar zich volgens verdachte ook de centrale administratie van alle ondernemingen bevindt.\n\nIn algemene zin overweegt de rechtbank allereerst dat de verdediging, ook niet bij de monde van de verdachte, nooit heeft betwist dat de aanmaningen de betreffende rechtspersonen telkens hebben bereikt. Er wordt enkel een punt van gemaakt dat zulks op basis van het dossier niet vastgesteld zou kunnen worden en dat verdachte [verdachte] de brieven zelf niet heeft gelezen, althans zich dat niet kan herinneren. Van de situatie – zoals in de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie – dat een verdachte uitdrukkelijk betwist dat hij de aanmaningen heeft ontvangen, waardoor hij (te goeder trouw) niet op de hoogte was van de betalingstermijnen – is hier geen sprake. In die zin laat dit verweer zich ook moeilijk begrijpen nu, hier voor het eerst op zitting een punt van wordt gemaakt. Dit terwijl al gedurende een periode van meerdere jaren vele brieven naar de verdachte (rechtspersonen) zijn verstuurd en naar aanleiding daarvan meerdere gesprekken met de Belastingdienst hebben plaatsgevonden over onder andere de feiten die thans aan de orde zijn.\n\nDe verdachte heeft – kort samengevat – verklaard dat hij brieven tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting niet heeft gezien. Hij heeft hiervoor administratief medewerkers in dienst en een boekhouder\u002Fbelastingadviseur ingeschakeld. Hij ging ervan uit dat de administratief medewerkers goed met de brieven om zouden gaan. De rechtbank stelt dus vast (zoals gezegd) dat de verdachte zelf niet heeft betwist dat de aanmaningen op de juiste adressen terecht zijn gekomen.\n\nOp vragen van de rechtbank heeft de verdachte verder (met betrekking tot de termijnen voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting) verklaard dat hij weleens overleg heeft gehad, dat hij mensen “achter de broek” heeft gezeten en dat hij intern heeft gezegd dat men moest “opschieten”. De rechtbank concludeert hieruit dat de verdachte er blijkbaar wel van op de hoogte was dat er dat er bepaalde termijnen golden voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting en dat hij zijn personeel kennelijk heeft aangespoord om daaraan te voldoen.\n\nDe reden voor het niet binnen de gestelde termijnen indienen van de aangiften vennootschapsbelasting is volgens de verdachte zelf gelegen in allerlei omstandigheden, zoals de inval van de FIOD in 2019, de inbeslagname van de administratie door de FIOD en de omstandigheid dat zijn vaste accountant niet langer voor hem wilde werken. Dit is naar het oordeel van de rechtbank iets anders dan dat de aangiften niet tijdig zijn ingediend omdat de aanmaningen daartoe niet zouden zijn ontvangen.\n\nGetuige [getuige] (belastingadviseur bij [bedrijf] , waar de verdachte en de verdachte rechtspersonen vanaf februari 2022 klant zijn) heeft bij de rechter-commissaris op 26 november 2024 verklaard dat de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2020 en 2021 te laat zijn ingediend, omdat de jaarcijfers niet eerder compleet waren. [getuige] heeft op de vraag of contact is gezocht met de Belastingdienst omtrent het feit dat de termijnen van het indienen van aangiften niet konden worden gehaald geantwoord dat op 4 juli 2023 een overleg is geweest met medewerkers van de Belastingdienst. De bedoeling van het gesprek was de grote achterstand in het doen van aangiften te bespreken. Op de vraag of op andere moment contact is geweest met de Belastingdienst gaf [getuige] aan dat dat veelvuldig het geval is geweest.De rechtbank concludeert ook uit deze verklaring dat de belastingadviseur van de verdachte op de hoogte was van de termijnen die golden voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting en dat deze termijnen reeds waren geschonden, met als reden dat de jaarcijfers niet eerder compleet waren.\n\nDe rechtbank heeft daarom geen reden om aan te nemen dat de betreffende aanmaningen – die telkens aan de juiste adressen zijn geadresseerd – niet daadwerkelijk de belastingplichtigen hebben bereikt. Uiteindelijk zijn de aangiften vennootschapsbelasting – na het verstrijken van de uiterste termijnen – pas op 28 juni 2024 ingediend. Het verweer wordt verworpen.\n\nNu de betreffende aangiften op 28 juni 2024, dus na de gestelde termijnen, alsnog zijn ingediend, kan niet worden gezegd dat geen aangiften zijn ingediend, zodat in zoverre vrijspraak zal volgen.\n\nOpzet.\n\nDe verdachte rechtspersonen hebben de in de tenlastelegging vermelde belastingaangiften niet tijdig gedaan, terwijl zij daartoe wel verplicht waren. De door de verdachte aangehaalde omstandigheden ontslaan hen niet van deze verplichting. Daarnaast is van belang dat [getuige] heeft verklaard dat de bezetting bij de [naam 1] beperkt was, en dat er al jarenlang geen jaarstukken waren opgemaakt.Het is aan de rechtspersonen (en uiteindelijk dus aan verdachte) om ervoor te zorgen dat er een deugdelijke administratie wordt gevoerd waarmee tijdig aangiftes kunnen worden opgesteld en ingediend. Door het ontbreken hiervan hebben de rechtspersonen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de betreffende aangiften niet (tijdig) werden gedaan. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet.\n\nHet strekkingsvereiste.\n\nBij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het strekkingsvereiste gaat het er volgens vaste rechtspraak om of het niet (tijdig) doen van belastingaangiften gezien de effecten die daarvan uitgaan, naar zijn aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Naar het oordeel van de rechtbank mag er naar algemene maatstaven vanuit worden gegaan dat het niet (tijdig) doen van de vereiste aangiften naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven.\n\nDe verdediging heeft in dit verband betoogd dat in zaken zoals de onderhavige (ook) specifieke aspecten van de concrete zaak een rol moeten spelen, en heeft daarbij gewezen op de aanwezigheid van forse compensabele verliezen in de ondernemingen van verdachte.\n\nIn deze zaak heeft de Belastingdienst de belastbare bedragen moeten schatten. Dit heeft in totaal geleid tot een bedrag van ruim 2,8 miljoen euro dat nog aan vennootschapsbelasting moet worden betaald.Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\nVpb-aanslagen\n\nVpb 2020\n\nVpb 2021\n\nTotaal\n\n [naam 1]\n\n€ 979.556,-\n\n€ 890.911,-\n\n€ 1.870.467,- (na correcties van aansluitverschillen resteert een bedrag van ongeveer 1 miljoen euro).\n\n [naam 4]\n\n€ 36.038,-\n\n€ 45.688,-\n\n€ 81.726,-\n\n [naam 7]\n\n€ 531.326,-\n\n€ 628.113,-\n\n€ 1.159.439,-\n\n [naam 3] .\n\n€ 10.312,-\n\n€ 16.955,-\n\n€ 27.267,-\n\n [naam 5]\n\n€ 34.391,-\n\n€ 222.630,-\n\n€ 257.021,-\n\n [naam 2]\n\n€ 59.095,-\n\n€ 113.392,-\n\n€ 172.487,-\n\n [naam 10]\n\n€ 126.085,-\n\n€ 0,-\n\n€ 126.085,-\n\nDe verdediging heeft in reactie hierop gesteld dat inmiddels is gebleken dat correcties over 2020 en 2021 komen te vervallen en dat de in juni 2024 ingediende aangiftes worden gevolgd, waardoor er niet te weinig belasting is geheven.\n\nDe rechtbank is evenwel van oordeel dat de vraag of voldaan is aan het strekkingsvereiste moet worden beoordeeld naar het moment waarop de belastingplichtige in verzuim is. Dit betekent dat ontwikkelingen van na dat moment geen rol spelen. Bovendien heeft de HR op 1 december 2015 nog geoordeeld dat de strekking dat te weinig belasting wordt geheven niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft verricht, maar dat beslissend is of die gedraging – (..) - naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat (in rekenkundige zin) onvoldoende belasting wordt geheven (ECLI:NL:HR:2015:3431).\n\nHetgeen de verdediging heeft betoogd kan daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Het verweer van de verdediging, dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste, wordt verworpen.\n\nToerekening aan de rechtspersonen.\n\nEen rechtspersoon kan een strafbaar feit begaan als de verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.\n\nHet niet binnen de gestelde termijn indienen van de aangiften kan worden toegerekend aan de rechtspersonen, omdat het doen van deze aangiften in de sfeer van de rechtspersoon plaatsvindt en past in de normale bedrijfsvoering van vennootschappen.\n\nOp grond van het voorstaande stelt de rechtbank vast dat de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen zich schuldig hebben gemaakt aan genoemde strafbare feiten.\n\nFeitelijk leidinggeven.\n\nDe verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersonen niet binnen de gestelde termijn belastingaangiften doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zich (nog los van zijn formele bevoegdheden) heeft gepresenteerd en gedragen als de feitelijk leidinggever van de rechtspersonen. De verdachte heeft dit erkend en de verdediging heeft dit ook niet betwist. Verdachte was dus eindverantwoordelijke en hij heeft daarmee feitelijk leidinggegeven aan het nalaten de aangiften tijdig in te dienen.\n\nMedeplegen.\n\nNiet is gebleken dat de ondernemingen de feiten tezamen en in vereniging met (een) ander(e) ondernemingen hebben gepleegd, zodat van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak zal volgen.\n\nKwaliteitsdelict.\n\nDe rechtbank verwerpt dit verweer omdat verdachte volgens de tenlastelegging niet als pleger maar als feitelijk leidinggevende van de ondernemingen is aangemerkt (en dit laatste ook wettig en overtuigend bewezen is).\n\nConclusie.\n\nDe feiten kunnen op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:\n\n [naam 1] en [naam 2] en\n\n [naam 3] . en [naam 4] en\n\n [naam 5] en [naam 6]\n\n en [naam 7] , in de periode van 6 augustus 2022 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2020) en in de periode van 25 juli 2023 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2021), in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van [naam 1]\n\nen [naam 2] en [naam 8]\n\n en [naam 4] en [naam 5] en [naam 10] en [naam 7] , over de aangiftetijdvakken 2020 en 2021 niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben gedaan,\n\nterwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,\n\naan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van de feiten.\n\nHet bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van de verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden geëist.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft betoogd dat er bij een bewezenverklaring rekening mee gehouden dient te worden dat de administratie inmiddels is rechtgetrokken en dat het de intentie van de verdachte is om jaarlijks tijdig aangifte te doen.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nAlgemene overweging.\n\nBij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nFeiten waarop de straf is gebaseerd.\n\nDe verdachte heeft zich als eigenaar van een groot aantal ondernemingen gedurende een periode van meerdere jaren schuldig gemaakt aan ernstige fiscale nalatigheid, door het opzettelijk niet tijdig doen van aangiften vennootschapsbelasting. In het onderhavige geval heeft de Belastingdienst het fiscale nadeel geschat op een bedrag van ruim 2,8 miljoen euro dat nog aan vennootschapsbelasting door de rechtspersonen moet worden betaald.\n\nDe verdachte heeft met zijn handelen de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden, enkel ten behoeve van zijn eigen financiële belangen. Ook heeft hij het financiële fundament van onze samenleving ondermijnd. Uit zijn handelen blijkt dat de verdachte volstrekt onvoldoende prioriteit heeft gegeven aan de fiscale verplichtingen die verbonden zijn aan het drijven van zijn ondernemingen.\n\nDaarbij komt dat de bewust gebrekkige wijze waarop de administratie is gevoerd het lastig maakt om (ook nadat er aangiftes zijn ingediend) te komen tot een juiste aangifte. Dit valt de verdachte volledig te verwijten.\n\nDe rechtbank heeft ook gezien dat het administratief al vanaf 2013\u002F2014 mis gaat bij de verdachte rechtspersonen. Over meerdere boekjaren worden geen jaarcijfers opgemaakt. Pogingen om de verdachte ‘compliant’ te krijgen slagen niet. In 2019 vonden dan invallen door de FIOD plaats bij de verdachte en de verdachte rechtspersonen. Op de terechtzitting van 14 april 2026 heeft een belastingadviseur van het huidige accountantskantoor van de verdachte desgevraagd te kennen gegeven dat er thans nog tientallen fiscale procedures lopen tussen de Belastingdienst en verdachtes rechtspersonen.\n\nDe onderhavige zaak staat dus niet op zichzelf, maar lijkt onderdeel van een vast patroon. Anders dan vergelijkbare ondernemingen van deze omvang heeft verdachte er vele jaren voor gekozen om geen volledige, inzichtelijke en professionele administratie te voeren.\n\nMet als gevolg dat jarenlang niet wordt voldaan aan de fiscale verplichtingen en de belastingdienst handenvol werk heeft. Tegelijkertijd kiest hij ervoor om veelvuldig belastingprocedures te starten.\n\nOp vragen van de rechtbank is niet duidelijk geworden in hoeverre er inmiddels al is betaald. Het is dan ook de vraag of de te betalen belasting uiteindelijk volledig betaald zal gaan worden, aangezien de bedrijven nu grotendeels stilliggen doordat diverse vergunningen zijn ingetrokken. Dit terwijl de bedrijven voorheen winstgevend waren.\n\nDe rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 november 2025. De rechtbank houdt in de strafmaat rekening met een niet-onherroepelijke veroordeling van 15 april 2025 terzake het niet juist voeren van een administratie alsmede het niet (tijdig) doen van belastingaangiften over 2017 en 2018. Hiervoor is aan de verdachte een gevangenisstraf is opgelegd van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Deze zaak en de onderhavige, vergelijkbare zaak hadden gelijktijdig kunnen worden behandeld; artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is hier van toepassing.\n\nStraftoemeting.\n\nGelet op de aard en de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting (LOVS) en naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De oriëntatiepunten gaan bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- en hoger uit van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden tot maximaal (in dit geval) 4 jaar.\n\nAlles afwegend, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank zal, meer dan de officier van justitie, rekening houden met de door de rechtbank op 15 april 2025 opgelegde straf. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal een proeftijd voor de duur van 2 jaren opleggen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 51, 57, 63 Wetboek van Strafrecht,\n\n69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezenverklaarde levert op het misdrijf:\n\nOpzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.\n\nverklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nOplegging van straf:\n\nlegt op een gevangenisstrafvoor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nrnr. E.M. Vermeulen, voorzitter.\n\nmr. F.H.E. Boerma en\n\nmr. M. Langstraat, leden.\n\n in tegenwoordigheid van mr. G van de Luijtgaarden, griffier,\n\nen is uitgesproken op 7 mei 2026.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-010, pag.35.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-019, pag.52.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-027, pag.67.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-035, pag.81.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-044, pag.97.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-053, pag.114.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-060, pag.127.\n\n Overzicht uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen vennootschapsbelasting 2020 en 2021, DOC-062, pag.130.\n\n Correctiebrieven ter attentie van [naam 1] (DOC-007, pag.28), [naam 2] (DOC-016, pag.45) en [naam 3] . (DOC-024, pag.60) en [naam 4] (DOC-032, pag.75) en [naam 5] (DOC-041, pag.90) en [naam 10] (DOC-050, pag.107) en [naam 7] (DOC-057, pag.120).\n\n Aanmaningen aangifte 2020 en 2021 ter attentie van [naam 1] (DOC-002, pag.23 en DOC-003, p. 24), [naam 2] (DOC-013, pag.41 en DOC-014, pag.42 ) en [naam 3] . (DOC-022, pag.58 en DOC-023, pag.59) en [naam 4] (DOC-030, pag.73 en DOC-031, pag.74) en [naam 5] (DOC-038, pag.86 en DOC-039, pag.87) en [naam 10] (DOC-047, pag.103 en DOC-048, pag.104) en [naam 7] (DOC-056, pag.119 en DOC-061, pag.129).\n\n De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting 14 april 2026.\n\n De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting 14 april 2026.\n\n De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 14 april 2026.\n\n proces-verbaal van verhoor getuige [getuige]\n\n proces-verbaal van verhoor getuige [getuige]\n\n Een aanvullende e-mail van P.H. Admiraal (Contactambtenaar AWR\u002FBelastingdienst Directe Grote Ondernemingen) van 9 april 2026 betreffende: ‘Vragen Braddon - reactie namens Belastingdienst’.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2871","2026-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:14.080Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":67,"parsedAt":36,"updatedAt":70},"866","ECLI:NL:GHSHE:2026:948","ecli-nl-ghshe-2026-948","2026-04-08T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F1301\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 juli 2024, nummer BRE 23\u002F3476 in het geding tussen belanghebbende, en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) 2019 opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.\n\n1.6.. Partijen hebben ieder voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota’s doorgestuurd naar de andere partij. Deze pleitnota’s worden met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.7.. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur] .\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft in 2009 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (hierna: de fiscale eenheid) met haar dochtermaatschappij [B.V.] (hierna: de dochter) gevormd.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft in 2009 grond aangekocht voor de bouw van een nieuw bedrijfspand ( [adres] in [vestigingsplaats] ). De nieuwbouw heeft plaatsgevonden in 2011 en 2012.\n\n2.3.. De dochter heeft in de periode 2012 tot en met 2014 het oude bedrijfspand ( [naam bedrijfspand] in [plaats] ) gesloopt en de grond in vijf percelen bouwgrond voor woningen verkocht, waarvan vier in het jaar 2012 en één in het jaar 2014. Twee van de vijf percelen zijn verkocht aan aandeelhouders van belanghebbende.\n\n2.4.. \n\nDe vier verkopen hebben plaatsgevonden onder de ontbindende voorwaarde dat de bepalingen van artikel 22 uit de koopovereenkomst zijn vervuld. In artikel 22 staat het volgende:\n\n“Verkoper verplicht zich, voor diens rekening, zorg te dragen voor:\n\na. wijziging van de bestemming van het verkochte perceel in woningbouw (dit besluit moet formele rechtskracht hebben verkregen en derhalve niet meer vernietigd kunnen worden):\n\nb. het slopen van de opstallen op het verkochte perceel:\n\nc. het saneren van het verkochte perceel; het rapport bodemonderzoek van SMA, projectnummer [projectnummer] zal aan deze overeenkomst worden gehecht.\n\nd. het bouwrijp maken van het verkochte perceel (waaronder te dezen mede wordt verstaan vrij van archeologische belemmeringen);\n\ne. de aanleg nutsvoorzieningen en wegen in het plan [naam plan] .”\n\n2.5.. \n\nDe notariële levering van vier percelen heeft plaatsgevonden op 8 en 12 februari 2013, met overname van de ontbindende voorwaarden uit de koopovereenkomsten. Daarbij is bepaald dat:\n\n“Deze levering geschiedt onder de ontbindende voorwaarde dat koper niet uiterlijk binnen zes weken nadat alle hiervoor vermelde ontbindende voorwaarden zijn vervallen, de koopprijs en het verder door hem verschuldigde heeft voldaan op de wijze als hiervoor aangegeven.”\n\n2.6.. Op 27 augustus 2013 is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. De beroepstermijn liep tot 16 oktober 2013.\n\n2.7.. Op 13 januari 2014 is de beschikking op grond van het Besluit Uniforme Saneringen vastgesteld. Hierin staat dat Gedeputeerde Staten van Zeeland instemmen met het evaluatieverslag van de bodemsanering die in de periode van 10 juni tot en met 12 september 2013 is uitgevoerd. Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking.\n\n2.8.. Vier kopers hebben de koopsom voldaan in 2014, waarvan de notaris een akte van kwijting heeft opgemaakt. Ook de koopsom voor het vijfde perceel is in 2014 voldaan.\n\n2.9.. Belanghebbende heeft in haar aangifte Vpb voor het jaar 2014 een herinvesteringsreserve gevormd van € 378.711 ter grootte van de boekwinst op de verkochte percelen. Belanghebbende heeft dit bedrag afgeboekt van de boekwaarde van de in het jaar 2009 gekochte grond.\n\n2.10.. Op 12 juli 2019 is op verzoek van belanghebbende de fiscale eenheid verbroken. Op 29 november 2019 heeft belanghebbende 14,9% van de aandelen in de dochter verkocht.\n\n2.11.. De aanslag Vpb 2019 (hierna: de aanslag) is vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 1.212.957. De inspecteur heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\n- Heeft de inspecteur terecht de in 2014 gevormde herinvesteringsreserve van € 378.711 in 2019 met toepassing van artikel 15ai Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) tot de belastbare winst van belanghebbende gerekend?\n\n- Heeft belanghebbende terecht de herinvesteringsreserve in 2014 gevormd of had dit in een eerder jaar gemoeten?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vermindering van de aanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Artikel 15ai Wet Vpb bepaalt, voor zover hier van belang, dat een herinvesteringsreserve bij verbreken van een fiscale eenheid onder voorwaarden alsnog tot de winst moet worden gerekend. Eén van die voorwaarden is dat de fiscale eenheid binnen zes jaar na de overdracht van een onroerende zaak binnen de fiscale eenheid of het vormen of nemen van de herinvesteringsreserve wordt verbroken. In geschil is het moment waarop de zesjaarstermijn van artikel 15ai Wet Vpb is aangevangen. Niet in geschil is dat aan de overige voorwaarden van artikel 15ai Wet Vpb is voldaan. Het hof zal daarom beoordelen wanneer de zesjaarstermijn is aangevangen.\n\n4.2.. Belanghebbende betoogt dat artikel 15ai, lid 4, Wet Vpb meebrengt dat de zesjaarstermijn is aangevangen in 2009 op het moment dat belanghebbende de grond aan de [adres] in [vestigingsplaats] aankocht. Dit artikellid bepaalt dat bij het vormen van een herinvesteringsreserve door (in dit geval) de dochter, (in dit geval) de moeder (belanghebbende) geacht wordt het bedrijfsmiddel onmiddellijk voorafgaand daarvoor aan de dochter te hebben overgedragen. Nu belanghebbende de grond in 2009 de grond heeft verworven, wordt de grond door deze fictie in 2009 geacht te zijn overgedragen. Het betoog van belanghebbende luidt dat de sanctietermijn door deze leveringsfictie in 2009 is aangevangen, en dat deze is verstreken in 2015, dus voor het verbreken van de fiscale eenheid in 2019.\n\n4.3.. \n\nNaar het oordeel van het hof is de uitleg die belanghebbende van artikel 15ai, lid 4, Wet Vpb voorstaat niet juist. In de parlementaire geschiedenisis het volgende opgemerkt:\n\n“Indien een dochtermaatschappij die beschikt over een herinvesteringsreserve in de fiscale eenheid wordt opgenomen, of tijdens het bestaan van de fiscale eenheid een herinvesteringsreserve vormt, zal deze herinvesteringsreserve ingevolge artikel 3.54 van de Wet inkomstenbelasting 2001 moeten worden afgeboekt op eerstvolgende aanschaffings- en voortbrengingskosten van een herinvestering die door een (willekeurige) maatschappij van de fiscale eenheid wordt verricht. De maatschappijen van de fiscale eenheid worden immers behandeld alsof zij één belastingplichtige zijn. Overigens geldt deze verplichte aanwending blijkens jurisprudentie ook al voor de vervangingsreserve (Hoge Raad 12 maart 1975, BNB 1975\u002F101), zij het dat daarbij de vervangingsreserve moet worden aangewend zodra een bedrijfsmiddel wordt aangeschaft dat als vervangend kan worden beschouwd.\n\nAls gevolg daarvan kan het zo zijn dat de herinvesteringsreserve van die dochtermaatschappij wordt afgeboekt op een herinvestering door een andere maatschappij. In dat geval wordt de afboeking ingevolge het vierde lid aangemerkt als een «besmette transactie», waarop de sanctiebepaling van het eerste lid van toepassing kan zijn. De fiscale eenheid heeft echter, op grond van het vijfde lid, de mogelijkheid met de aanwending van de reserve te wachten tot de eerstvolgende herinvestering door de desbetreffende dochtermaatschappij. De fiscale eenheid wordt dus niet verplicht geconfronteerd met een besmette transactie.”\n\nHet hof leidt uit deze passage af, dat de afboeking van de herinvesteringsreserve de besmette transactie als bedoeld in artikel 15ai Wet Vpb vormt. Lid 4 van artikel 15ai Wet Vpb bewerkstelligt dan dat de herinvestering in één en dezelfde vennootschap plaats vindt. Het feit dat de passage uit de toelichting op de nota van wijziging ziet op een situatie waarin eerst een herinvesteringsreserve is gevormd, en vervolgens de herinvestering is gedaan, en niet andersom zoals hier het geval, doet hier naar oordeel van het hof niet aan af.\n\n4.4.. Verder heeft belanghebbende betoogd dat artikel 15ai Wet Vpb een anti-misbruikbepaling met mechanische werking is, die geen tegenbewijsmogelijkheid kent. Dat betekent, zo betoogt belanghebbende, dat het hof terughoudend dient te zijn met de uitleg van deze bepaling. Ook wijst belanghebbende erop dat hier geen sprake is van misbruik of iets dergelijks. Dit betoog slaagt niet. De omstandigheden dat geen sprake is van misbruik of sprake is van een anti-misbruikbepaling leiden niet tot een andere uitleg of toepassing van artikel 15ai Wet Vpb.\n\n4.5.. Belanghebbende voert verder aan dat goed koopmansgebruik meebrengt, dat de herinvesteringsreserve in ieder geval voor een deel had moeten worden gevormd in 2012 of 2013 en dat op dat moment de zesjaarstermijn van artikel 15ai Wet Vpb is gaan lopen.\n\n4.6.. \n\nIn zijn arrest van 13 oktober 2006heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:\n\n“In het algemeen moet worden aangenomen dat de opbrengst van een in het kader van een onderneming verrichte levering of een dienst naar goed koopmansgebruik tot uitdrukking dient te worden gebracht uiterlijk op het moment waarop de levering of de dienst ten uitvoer is gebracht (HR 18 december 1991, nr. 26 674, BNB1992\u002F181). Van deze regel kan echter worden afgeweken indien aan de ontvangen tegenprestatie onzekerheden zijn verbonden van zodanige aard, dat uitstel van winstneming in overeenstemming is met de voorzichtigheid die aan de winstbepaling volgens goed koopmansgebruik inherent is (vgl. HR 17 januari 1990, nr. 24 948,BNB1990\u002F75). In een geval als het onderhavige is daarvan sprake indien er per ultimo van het (boek)jaar een redelijke kans is dat de koper zich met succes zal gaan beroepen op zijn recht het project terug over te dragen.”\n\n4.7.. Dat betekent dat in dit geval beoordeeld moet worden of er een redelijke kans bestond dat de kopers zich met succes zouden gaan beroepen op enige ontbindende voorwaarde bij de leveringen op 8 en 12 februari 2013.\n\n4.8.. Belanghebbende betoogt dat bij verkoop en levering in 2012 en 2013 al duidelijk was dat het risico op niet-betaling in redelijkheid niet als groot kan worden bestempeld nu twee van de kopers aandeelhouder in belanghebbende waren. De levering van vier van de vijf percelen vond plaats in februari 2013. Omdat de percelen zijn geleverd in februari 2013 en de ontvoeging van de fiscale eenheid is geschied op 12 juni 2019, is de besmette transactie buiten de zesjaarstermijn van artikel 15ai Wet Vpb gedaan, aldus belanghebbende. Het feit dat er op het moment van levering nog ontbindende voorwaarden golden is volgens belanghebbende niet relevant. Belanghebbende stelt dat op grond van de uitspraak van 3 oktober 2007 van het hofaan het einde van het kalenderjaar beoordeeld moet worden of er een redelijke kans is dat de koper zich met succes zal gaan beroepen op een ontbindende voorwaarde. Als aan het einde van het kalenderjaar die kans klein is, dan werkt dat terug naar het moment van de koopovereenkomst. Belanghebbende meent dat de wijziging van het bestemmingsplan de belangrijkste voorwaarde voor de kopers was. Ultimo 2013 was aan deze voorwaarde voldaan, wat betekent dat de kans toen klein was dat de kopers zich nog op een ontbindende voorwaarde zouden beroepen. Dat zou dan volgens belanghebbende tot gevolg hebben dat voor de percelen die begin 2013 zijn geleverd, de zesjaarstermijn begin 2013 is gaan lopen.\n\n4.9.. Dit betoog slaagt niet. Nog daargelaten of belanghebbende een juiste conclusie uit de uitspraak van 3 oktober 2007 van het hof trekt, doorslaggevend is dat niet eerder dan in 2014 aan alle voorwaarden was voldaan en zeker was dat de overeenkomst niet meer ontbonden kon worden. De beschikking op grond van het Besluit Uniforme Saneringen, is vastgesteld op 13 januari 2014. Pas met deze beschikking is de sanering volledig afgerond en is aan de ontbindende voorwaarde van artikel 22, letter c van de koopovereenkomst voldaan (zie 2.4). Het hof is van oordeel dat de formele afronding van de sanering van de grond een belangrijke rol speelt in de afweging of de voorwaarden uit de koopovereenkomst zijn vervuld. Een koper zal geen eigenaar willen worden of blijven van grond waarvan de sanering niet op juiste wijze is uitgevoerd en afgewikkeld. Zolang dat niet vaststaat is er een redelijke kans dat een koper zich met succes op ontbinding kan beroepen. Dan staat het voorzichtigheidsbeginsel toe dat een verkoper de winst ook pas neemt in 2014 wanneer aan alle voorwaarden is voldaan.\n\n4.10.. De herinvesteringsreserve is door belanghebbende gevormd en afgeboekt in 2014. Dat was gelet op het hiervoor overwogene in ieder geval niet onjuist. Dat er mogelijk argumenten zouden zijn geweest om dit in een eerder jaar te doen, doet daar nu niet meer aan af. De winst is in 2014 op goede gronden genomen en vervolgens is de voorziening gevormd en afgeboekt, daarom is de zesjaarstermijn in 2014 gaan lopen.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Rietveld, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.M. van der Vegt in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE.A.D. Dockx J. Rietveld\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Toelichting op de nota van wijziging bij de wijziging van de Wet Vpb (herziening regime fiscale eenheid) Kamerstukken II 2000-2001, 26854 nr. 7, blz. 20 ev.\n\n Hoge Raad 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9985.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 3 oktober 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0316.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:948","2026-07-13T00:28:52.021Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":75,"fullText":76,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":36,"updatedAt":78},"869","ECLI:NL:GHSHE:2026:809","ecli-nl-ghshe-2026-809","2026-03-25T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 23\u002F1580 en 23\u002F1854\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] A.G.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 oktober 2023, nummers BRE 20\u002F7289 en 21\u002F1054, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over het jaar 2016 respectievelijk 2017 en 2018.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft telkens bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.\n\n1.5.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en [persoon] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .\n\nOp deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 23\u002F1579, 23\u002F1593 tot en met 23\u002F1598 en 23\u002F1600.\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.7.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op 7 januari 2011 naar het recht van [plaats 1] opgericht en statutair in [plaats 1] gevestigd.\n\n2.2.. In het handelsregister van [plaats 1] (het Offenlichtkeitsregister) staan als bestuurder van belanghebbende ingeschreven [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), welke is gevestigd in [plaats 1] , vanaf de oprichting, en [bestuurder] , woonachtig in Zwitserland, vanaf 10 februari 2017 tot en met 31 december 2018. Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door [naam 3] , woonachtig in Zwitserland.\n\n2.3.. Tot de stukken van het dossier behoort het “Mandatsvertrag” tussen [naam 3] en [bedrijf 1] , voorzien van een handtekening en datum 7 januari 2011 bij de partij [naam 3] . In artikel 11 van het Mandatsvertrag is vastgelegd dat [naam 2] een volmacht zal krijgen om overeenkomsten te ondertekenen, bancaire aangelegenheden uit te voeren, opdrachten te geven, financieringen aan te gaan en aandelen en obligaties en andere waardepapieren te kopen en te verkopen. In 2011 en 2012 heeft [naam 2] van deze volmacht gebruik gemaakt.\n\n2.4.. \n\nBij brief van 20 februari 2017 heeft de inspecteur belanghebbende, ter attentie van [naam 2] , verzocht om informatie omdat volgens hem uit de door de FIOD inbeslaggenomen gegevens betreffende de jaren 2011 en 2012 blijkt dat de feitelijke leiding van belanghebbende door [naam 2] wordt uitgeoefend. In de brief heeft de inspecteur belanghebbende gevraagd de volgende gegevens te verstrekken:\n\n1. Een schema van de vennootschappelijke structuur van belanghebbende, waarin haar (economische) aandeelhouder(s) is of zijn vermeld en ook de vennootschappen, waarvan belanghebbende - al dan niet middellijk - meer dan 1\u002F3 van de geplaatste aandelen bezit, en waaruit tevens de aandeelhoudersrelatie tussen die (rechts)personen blijken;\n\n2. Een overzicht van de lichamen, waarmee belanghebbende is verbonden als bedoeld in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en een opgave van de transacties tussen deze lichamen en de in Nederland gevestigde vennootschappen, die zijn vermeld in het onder punt 1 hiervoor genoemde schema;\n\n3. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende van het meest recente boekjaar en van drie hieraan voorafgaande boekjaren;\n\n4. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen over 2015 en 2016.\n\n2.5.. Bij brieven van 14 april 2017 heeft de gemachtigde namens [naam 2] en belanghebbende geantwoord dat de informatie niet zal worden verstrekt omdat [naam 2] geen bestuurder van belanghebbende is en belanghebbende fiscaal gevestigd is in [plaats 1] .\n\n2.6.. \n\nBij brief van 21 juni 2017 heeft de inspecteur een opsomming van e-mailberichten gegeven waaruit volgens hem blijkt dat belanghebbende binnenlands belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting en heeft belanghebbende verzocht de volgende gegevens te verstrekken, die volgens de inspecteur van belang zouden kunnen zijn voor het vormen van een oordeel over de mogelijke belastingplicht van belanghebbende in Nederland:\n\n1. Alle correspondentie (inclusief emailberichten) van en over belanghebbende tussen (medewerkers van) [bedrijf 1] , de [bank] , en de heer [naam 2] of de heer [naam 4] of medewerkers van de [naam 2] -groep, die namens deze heren corresponderen (zoals bijvoorbeeld de in het overzicht van de e-mails genoemde mevr. [naam 5] );\n\n2. Het “Treuhandvertrag” dat is genoemd in het emailbericht van 4-11-2011 van [naam 6] (van kantoor [bedrijf 1] ) aan de heer [naam 4] (“In der Beilage senden wir Ihnen den Treuhandvertrag wie soeben telefonisch besprochen”). Indien dit “Treuhandvertrag” niet de overeenkomst is die ten grondslag ligt aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende, dan is het verzoek ook die overeenkomst te verstrekken;\n\n3. Alle facturen en betalingsbewijzen in verband met de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende;\n\n4. Alle bankafschriften van belanghebbende vanaf de oprichting tot heden;\n\n5. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende over de boekjaren 2011 tot en met het meest recente boekjaar waarvan de jaarrekening is opgemaakt;\n\n6. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen vanaf 2011 tot en met 2015.\n\n2.7.. Op 12 november 2018 hebben de fiscale autoriteiten in [plaats 1] informatie verstrekt aan de inspecteur naar aanleiding van een informatieverzoek van 6 augustus 2015. De verstrekte informatie betreft de periode 2011 tot 2013.\n\n2.8.. Op 20 respectievelijk 27 september 2019 heeft belanghebbende, na daartoe te zijn uitgenodigd, aangiftebiljetten vennootschapsbelasting 2016, 2017 en 2018 ingediend met (telkens) een belastbaar bedrag van nihil en een belastbare winst van nihil. Belanghebbende heeft in de aangiftebiljetten vermeld: “Geen v.i. in NL. Schriftelijke onderbouwing volgt”.\n\n2.9.. \n\nNaar aanleiding van de ontvangst van deze aangiftebiljetten heeft de inspecteur belanghebbende bij brief van 10 oktober 2019 verzocht de volgende gegevens te verstrekken:\n\n1. Alle correspondentie (inclusief emailberichten) van en over belanghebbende tussen enerzijds (medewerkers van) [bedrijf 1] of de [bank] en anderzijds de heer [naam 2] of de heer [naam 4] of andere medewerkers van de [naam 2] -groep, die namens deze heren corresponderen (zoals bijvoorbeeld de in het overzicht van de e-mails genoemde mevr. [naam 5] ) in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016;\n\n2. A: Het “Treuhandvertrag” dat is genoemd in het emailbericht van 4-11-2011 van [naam 6] (van kantoor [bedrijf 1] ) aan de heer [naam 4] (“In der Beilage senden wir Ihnen den Treuhandvertrag wie soeben telefonisch besprochen”). Indien dit “Treuhandvertrag” niet de overeenkomst is die ten grondslag ligt aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende, dan is het verzoek ook die overeenkomst te verstrekken;\n\nB: Voor zover de onder A) bedoelde overeenkomst vóór 31 december 2016 is beëindigd: alle volgende overeenkomsten, die ten grondslag liggen aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende;\n\n3. Alle facturen en betalingsbewijzen in verband met de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende over de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2016;\n\n4. Alle bankafschriften van belanghebbende over 2016;\n\n5. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende over de boekjaren 2013 tot en met 2016;\n\n6. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen vanaf 2013 tot en met 2016.\n\n2.10.. Nadat belanghebbende bij brief van 16 oktober 2019 heeft aangegeven de gevraagde informatie niet te verstrekken heeft de inspecteur de informatiebeschikking 2016 gegeven. In de informatiebeschikking heeft de inspecteur verzocht de in zijn brief van 10 oktober 2019 genoemde documenten te verstrekken.\n\n2.11.. \n\nBij brief van 17 september 2020 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht mutatis mutandis met betrekking tot de jaren 2017 en 2018 de documenten te verstrekken die hij in zijn brief van 10 oktober 2019 met betrekking tot het jaar 2016 heeft opgevraagd. Het betreft de volgende documenten:\n\n1. Alle correspondentie (inclusief e-mailberichten) in de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 van en over belanghebbende tussen enerzijds (medewerkers van) [bedrijf 1] en anderzijds degene van wie de heer [bedrijf 1] of medewerkers van zijn kantoor instructies ontvangen in verband met de dienstverlening van dit kantoor met betrekking tot belanghebbende (zoals belanghebbende heeft aangegeven in de brief van 16 oktober 2019);\n\n2. A: Het “Treuhandvertrag” dat is genoemd in het e-mailbericht van 4-11-2011 van [naam 6] (van kantoor [bedrijf 1] ) aan de heer [naam 4] (“In der Beilage senden wir Ihden den Treuhandvertrag wie soeben telefonisch besprochen”). Het e-mailbericht is opgenomen op bladzijde 32 van de bijlage bij de brief van 20 februari 2017. Indien dit “Treuhandvertrag” niet de overeenkomst is die ten grondslag ligt aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende, dan is het verzoek ook die overeenkomst te verstrekken;\n\nB: Voor zover de onder A) bedoelde overeenkomst voor 31 december 2018 is beëindigd: alle volgende overeenkomsten, die ten grondslag liggen aan de dienstverlening door [bedrijf 1] in [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende;\n\n3. Alle facturen en betalingsbewijzen in verband met de dienstverlening door [bedrijf 1] te [plaats 2] met betrekking tot belanghebbende over de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018;\n\n4. Alle bankafschriften van belanghebbende over 2017 en 2018;\n\n5. De (uitgebreide) jaarrekening van belanghebbende over de boekjaren 2016 tot en met 2018;\n\n6. De proef- en saldibalansen en de grootboekrekeningen vanaf 2016 tot en met 2018.\n\n2.12.. Omdat belanghebbende de gevraagde informatie niet heeft verstrekt heeft de inspecteur de informatiebeschikking 2017 en 2018 gegeven. In de informatiebeschikking heeft de inspecteur verzocht de in zijn brief van 17 september 2020 genoemde documenten te verstrekken.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\n1) zijn de informatiebeschikkingen terecht afgegeven, omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit hoofde van artikel 47 AWR?\n\n2) is sprake van schending van het verbod op détournement de pouvoir als bedoeld in artikel 3:3 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)?\n\n3) is er sprake van een fishing expedition door de inspecteur?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de informatiebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.4. Gronden\n\nVooraf en ambtshalve\n\n4.1.. \n\nHet hof beoordeelt in de eerste plaats de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de zaak over de informatiebeschikking 2017-2018. Het hof beschikt namelijk uitsluitend over een pro forma hoger beroep inzake de informatiebeschikking 2016.\n\nGemachtigde heeft op verzoek van het hof informatie verstrekt met track & trace codes van zes stukken die op 9 november 2023 bij het hof zijn ingediend en een email van Business Post Limburg BV van 9 november 2023 met een bevestiging daarvan en eveneens bevestigingen van PostNL over de bezorging. Het hof heeft nader intern onderzoek gedaan naar de op 9 november 2023 ingekomen stukken met track & trace codes. Daaruit volgt dat de betreffende 6 enveloppen bij het hof zijn ingekomen. Het hof acht daarom aannemelijk dat deze 6 enveloppen, vier pro forma hoger beroepschriften van [naam 2] en twee pro forma hoger beroepschriften van belanghebbende bevatten en dat een deel daarvan, waaronder het pro forma hoger beroep inzake de informatiebeschikking 2017-2018 bij het hof zijn zoekgeraakt.\n\nHet hof is daarom van oordeel dat het hoger beroep in beide zaken ontvankelijk is.\n\n1) Zijn de informatiebeschikkingen terecht afgegeven?\n\n4.2.. Voor de vraag of de inspecteur de informatiebeschikkingen terecht heeft afgegeven is van belang of de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.\n\n4.3.. \n\nOp grond van het Mandatsvertrag tussen [naam 3] en [bedrijf 1] , is aan [naam 2] een volmacht verleend. Tevens was [naam 2] als enige gemachtigd tot de bankrekening van belanghebbende. In november 2011 is de heer [naam 4] benoemd als lid van de raad van bestuur van belanghebbende, maar uit diverse e-mails (uit 2012 en 2013) (bijlage 7 bij het verweerschrift in eerste aanleg) leidt het hof af dat de heer [naam 4] alle vragen die door [bedrijf 1] worden gesteld, doorspeelt naar [naam 2] die vervolgens beslist wat er moet worden geantwoord of welke acties moeten worden ondernomen. Op grond van deze informatie kon de inspecteur voor die jaren in ieder geval een redelijk vermoeden hebben van mogelijke belastingplicht voor de vennootschapsbelasting in Nederland, omdat de feitelijke leiding van belanghebbende mogelijk in Nederland was gelegen. Overigens wordt door gemachtigde in zijn brief van 7 oktober 2019 aangegeven dat het vermoeden van een vennootschapsbelastingplicht in Nederland door middel van een vaste inrichting gerechtvaardigd lijkt, hetgeen impliceert dat gemachtigde van mening was dat er mogelijk sprake was van buitenlandse belastingplicht.\n\nDe volmacht die aan [naam 2] is verstrekt in het Mandatsvertrag is nimmer ingetrokken. Belanghebbende stelt dat [naam 2] van deze volmacht in de jaren 2016 en verder geen gebruik heeft gemaakt. De inspecteur heeft dit gemotiveerd weersproken en gesteld dat in 2018 nog gebruik is gemaakt van de volmacht. Ter zitting heeft gemachtigde niet kunnen verklaren wie in de latere jaren heeft zorggedragen voor betalingen. Aangezien [naam 2] als enige gemachtigd was tot de bankrekening bij [bank] , is het vermoeden gerechtvaardigd dat [naam 2] dit heeft gedaan. Het hof is dan ook van oordeel dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat ook in de jaren 2016 tot en met 2018 het vermoeden bestaat dat de feitelijke leiding van belanghebbende nog steeds bij [naam 2] lag en dat die feitelijke leiding in Nederland werd uitgeoefend. Het feit dat [naam 2] op enig moment (30 januari 2017) naar het buitenland is verhuisd doet daar niet aan af, aangezien vaststaat dat [naam 2] nog zeer regelmatig (iedere maand) in Nederland was om leiding te geven aan zijn bedrijven in Nederland.\n\n2) Is er sprake van détournement de pouvoir?\n\n4.4.. \n\nBelanghebbende stelt dat de inspecteur misbruik maakt van zijn bevoegdheden, omdat de inspecteur zoekt naar informatie die belanghebbende linkt aan [naam 2] , een en ander met het oog op de lopende fiscale en strafrechtelijke procedures.\n\nHet hof verwerpt deze stelling. Er zijn voldoende aanknopingspunten voor een vermoeden van belastingplicht in Nederland. Dat in dat kader ook de positie van [naam 2] in beeld komt, doet daar niet aan af.\n\n3) Is er sprake van een fishing-expedition?\n\n4.5.. Het hof is van oordeel dat er geen sprake van een zogenoemde ‘fishing expedition’ omdat de inspecteur voldoende concrete aanknopingspunten heeft verschaft ten grondslag liggende aan zijn stelling dat er redelijkerwijs heffingsbelang kan zijn. De inspecteur heeft er namelijk terecht op gewezen dat uit de jaarrekening 2016 weliswaar volgt dat een commerciële verlies van 2016 van € 55.193 is geleden, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat het fiscale verlies even groot is.\n\nTussenconclusie\n\n4.6.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.7.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.8.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nbepaalt dat belanghebbende de in de informatiebeschikkingen gevraagde informatie alsnog aan de inspecteur kan verstrekken binnen een termijn vier weken vanaf de dag waarop deze uitspraak is gedaan;\n\nDe uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en J. Wessels, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE. Royakkers T.A. Gladpootjes\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:809","2026-07-13T00:28:52.135Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":83,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":36,"updatedAt":85},"1367","ECLI:NL:GHSHE:2024:2141","ecli-nl-ghshe-2024-2141","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 22\u002F1435\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 juni 2022, nummer BRE 20\u002F776, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende houdt (nagenoeg) alle aandelen in [houdstermaatschappij] B.V. (hierna: de houdstermaatschappij), die op haar beurt alle aandelen houdt in [bedrijf 1] B.V. (hierna: de B.V.). Beide vennootschappen zijn opgericht in 2005. Belanghebbende heeft de B.V. opgericht met het doel innovatieve Data Integratie (DI) oplossingen te realiseren. Daartoe heeft de B.V. een product ontwikkeld dat belanghebbende omschrijft als een speciale computer die bedoeld is voor de integratie van verschillende informatiesystemen. Er is zowel hardware als software ontwikkeld om transactie- en beslissingsprocessen te ondersteunen. De B.V. heeft gewerkt aan de ontwikkeling van de Data Source Integrator (DSI), een geïntegreerde software en hardware oplossing voor data-integratie en aggregatievraagstukken, en het Unified Integration Platform (UIP), waarbij de prestaties veel hoger liggen dan die van de DSI op het gebied van snelheid en beschikbare software.\n\n2.2.. Op [datum 1] 2005 heeft de Rabobank een lening (innovatiekrediet) verstrekt aan de houdstermaatschappij en\u002Fof de B.V., beide in oprichting, ten bedrage van € 22.500. De looptijd van deze lening bedraagt 2,5 jaar en er geldt een rentepercentage van 7,1. Belanghebbende heeft voor hoofdelijk medeschuldverbintenis voor de gehele financiering getekend.\n\n2.3.. Op [datum 2] 2008 heeft de Rabobank een geldlening van € 125.000 en een krediet in rekening-courant van € 125.000 verstrekt aan de B.V.. Belanghebbende heeft zich daarbij borg gesteld voor € 125.000. Voor de geldlening heeft de Staat der Nederlanden zich garant gesteld voor een bedrag van € 100.000. Voor de geldlening geldt een rentepercentage 6,45 voor drie jaar vast en voor het krediet in rekening-courant een rentepercentage van 7,95 per jaar.\n\n2.4.. In [maand 1] 2008 heeft de B.V. een aanvraag voor aanvullende financiering gedaan. In [maand 3] 2009 heeft de Rabobank de aanvraag afgewezen.\n\n2.5.. Op [datum 8] 2009 zijn belanghebbende en de B.V. een (schriftelijke) overeenkomst tot kredietverstrekking in rekening-courant overeengekomen:\n\n‘1. [de B.V.] (…),\n\nen\n\n2. [belanghebbende], (…)\n\nOverwegende:\n\n- Dat [de B.V.] zich vanaf het jaar 2005 bezighoudt met de ontwikkeling, productie en distributie van de Data Source Integrator (DSI) welk apparaat de informatiestromen binnen bedrijfsprocessen vanuit verschillende applicaties tot een hoger niveau integreert en aggregeert en hiermee zal voorzien in een dringende behoefte op het terrein van ICT en het data-management;\n\n- Dat [de B.V.] en [belanghebbende] aanvankelijk geen schriftelijke doch slechts een mondelinge rekening-courantovereenkomst hebben gesloten, maar thans wel een schriftelijke overeenkomst wensen aan te gaan mede met het oog op de toetreding van een of meerdere investeerders bij [de B.V.].\n\n- Dat [de B.V.] via een korte termijn lening wordt gefinancierd door de Rabobank [woonplaats] - [plaats] , welke lening is verstrekt ter overbrugging naar een vervolg financiering en bij welke lening er gebruik wordt gemaakt van een staatsgarantie voor innovatieve bedrijven.\n\n- Dat [de B.V.] voorziet dat zij naast genoemde leningen nog extra financieringsbehoefte behoeft welke behoefte zal moeten worden gevonden door middel van het interesseren van een of meer private investeerders.\n\n- Dat echter thans reeds acute behoefte bestaat aan extra middelen ter realisatie van genoemde ontwikkeling, productie en distributie van de DSI.\n\n- Dat [belanghebbende] aan om die reden aan [de B.V.] een kredietfaciliteit in rekening-courant heeft verstrekt tot een bedrag van maximaal € 650.000 euro (…);\n\n- dat partijen deze rekening-courantverhouding thans schriftelijk wensen vast te leggen;\n\nVerklaren te zijn overeengekomen als volgt:\n\nArtikel 1\n\n[Belanghebbende] verklaart aan [de B.V.] - die dit aanneemt - een krediet in rekening-courant te hebben verstrekt tot een bedrag van € 650.000 euro (…),\n\nArtikel 2\n\nDeze overeenkomst is aangegaan voor een periode van maximaal 20 jaar (…).\n\nArtikel 3\n\nZowel de creditrente (over de saldi ten voordele van de debiteur), alsmede de debetrente (over de saldi ten laste van de debiteur) bedraagt een percentage gelijk aan 8%.\n\nDe rente wordt jaarlijks door [belanghebbende] berekend en geadministreerd op de door [belanghebbende] ter zake van deze overeenkomst aan te houden rekening, hierna te noemen: de rekening.\n\n(…)’.\n\n2.6.. Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende opgesteld overzicht van de rekening-courant van belanghebbende met de houdstermaatschappij en de B.V.. Het overzicht ziet er als volgt uit:\n\n‘Verstrekte assets\u002Flening per jaar\n\nJaar Storting Opname Saldo (excl. rente)\n\n2009 378.898,00 378.898,00\n\n2010 102.626,60 481.524,60\n\n2011 68.783,88 35.500 514.808,48\n\n2012 88.522,73 603,331,21\n\n2013 21.418,07 152.353,46 472.395,82\n\n2014 5.226,13 100,00 477.521,95\n\n2015 0,00 0,00477.521,95\n\n665.475,41 187.953,46\n\n[De houdstermaatschappij]\n\nJaar Mutatie Saldo (excl. rente)\n\nt\u002Fm 2008 -61.579,00\n\n2009 -23.550,00 -85.129,00\n\n2010 41.000,00 -44.129,00\n\n2011 41.000,00 -3.129,00\n\n2012 42.000,00 38.871,00\n\n2013 0,00 38.871,00\n\n2014 0,00 38.871,00\n\n2015 0,0038.871,00\n\n38.871\n\nTotaal516.392,95’.\n\n2.7.. Op [datum 9] 2009 heeft de B.V. een Quick Scan Innovatiekrediet aangevraagd bij [bedrijf 2] (voorheen: [bedrijf 3] ) voor de ontwikkeling van UIP. Bij brief van [datum 10] 2010 is de aanvraag afgewezen omdat er onvoldoende vertrouwen is dat de B.V. het ontwikkelproject en de daarop volgende fase van commercialisatie kan financieren en dat de B.V. een ontwikkelingsproject zowel in technische als in economische zin tot een succes zal kunnen maken. In deze brief wordt erop gewezen dat het project wat betreft de technische inhoud goed binnen de regeling past en dat de ontwikkeling van het product tegemoetkomt aan een door de markt geconstateerd probleem, waarbij de eerdere ontwikkeling van de DSI positief is, en dat [bedrijf 2] daarom open staat voor een nieuwe aanvraag voor een innovatiekrediet op het moment dat de punten op basis waarvan de aanvraag is afgewezen, voldoende zijn aangepast.\n\n2.8.. In [maand 4] 2010 heeft de B.V. een nieuwe investeerder benaderd, [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ). Op [datum 11] 2010 heeft de B.V. met [bedrijf 4] een overeenkomst gesloten. In de overeenkomst is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘Overwegingen\n\n1. [De B.V.] is voornemens [bedrijf 4] een recht te geven op het kunnen verkopen van de door haar ontwikkelde en toekomstig te ontwikkelen apparatuur (…)\n\n2. [De B.V.] is voornemens [bedrijf 4] een recht te geven op het verkrijgen van aandelen in haar onderneming.\n\n(…)\n\nkomen als volgt overeen:\n\n1. [bedrijf 4] Leent aan [de B.V.] 10.000 Euro o.b.v. volgende voorwaarden\n\na. Bij investering van [bedrijf 4] in [de B.V.] wordt deze lening omgezet in een onderdeel van de nieuwe lening\n\nb. [De B.V.] geeft een nog niet afleveringsgereed eindproduct, bij haar genoemd DataSource Integrator (DSI) als onderpand. De DSI bestaat uit een hardware component en een software licentie inclusief alle benodigde documentatie. (…) Als dit apparaat afleveringsgereed gemaakt wordt, gaat het pandrecht hierop over.\n\nc. [Belanghebbende] stelt zich persoonlijk garant voor deze lening.\n\n(…)\n\n2. (…)\n\n3. [De B.V.] zal zich voor zijn financieringsbehoefte voor een bedrag tot 1,7 m€ wenden tot [bedrijf 4] .\n\n4. [bedrijf 4] zal hierin voorzien door het verstrekken van een rentedragende lening tot dit bedrag tegen 6% rente. [bedrijf 4] verkrijgt het recht deze lening te converteren in 20-30% van de aandelen.\n\na. [bedrijf 4] zal due diligence uitvoeren op de technologie. (…)’.\n\n2.9.. Tot de gedingstukken behoort een document genaamd ‘[de B.V.]\u002F [datum 3] 2010’ waarin de conceptinvesteringsafspraken zijn opgenomen tussen de houdstermaatschappij, de B.V. en belanghebbende enerzijds en [bedrijf 4] anderzijds (hierna: de investeringsafspraken). In dit document is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘Geachte heer [naam 1] , beste [voornaam] ,\n\nNa vele gesprekken en overleg tref je hieronder de concept afspraken aan.\n\nHuidige structuur\n\n(…)\n\n[De B.V.] is op dit moment partieel eigenaar van alle IP, merkenrechten en andere rechten met betrekking tot de DataSource Integrator. De overige rechten worden gehouden door [belanghebbende] en of [de houdstermaatschappij]\n\n(…)\n\nInvesteringsafspraken met [ [bedrijf 4] ]\n\n(…)\n\n2. [bedrijf 4] verstrekt binnen een week na ondertekening van deze overeenkomst een financiering aan [de B.V.] in de vorm van een lening ad Euro 300.000. (…)\n\nDeze lening draagt 6% rente. Deze lening is bedoeld om de periode tot einde van de pilot fase door te komen. Deze lening zal worden afgelost in de volgende financieringsronde.\n\n3. Na het succesvol doorlopen van de pilot fase verstrekt [bedrijf 4] een converteerbare lening van Euro 1.700.000. (…) Deze converteerbare lening ad Euro 1.700.000 in totaal draagt 6% rente en is (pro rata parte) converteerbaar in totaal 25% van de aandelen [de B.V.] na uitgifte.’.\n\nDit document is niet ondertekend en [bedrijf 4] heeft geen aandelen in de B.V. verkregen.\n\n2.10.. Tot de gedingstukken behoort een ‘Akte van overdracht intellectuele eigendomsrechten’, overeengekomen en ondertekend door belanghebbende en de B.V. op [datum 12] 2010 (hierna: de overdrachtsakte). In de akte is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘overwegende, dat\n\n [Belanghebbende] eigenaar is van alle ontwerpen, algoritmes en source code met betrekking tot de DataSource Integrator, waarbij de Storage Engine expliciet wordt uitgesloten, hierna aangeduid met “het Werk” en houder is van auteursrechten daarop.\n\n Het Werk tussen partijen bekend is onder de naam DataSource Integrator.\n\n [De B.V.] de auteursrechten betreffende het Werk wenst te verkrijgen.\n\n Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de investeringsafspraken zoals gemaakt met [bedrijf 4] B.V..\n\n Partijen deze verkrijging en aanvullende afspraken schriftelijk wensen vast te leggen, conform artikel 2 lid 3 van de Auteurswet.\n\nkomen als volgt overeen:\n\nArtikel 1 Overdracht van rechten\n\n1. [Belanghebbende] draagt hierbij zijn intellectuele eigendomsrechten in hun meest volledige omvang betreffende DataSource Integrator over aan [de B.V.], welke overdracht [de B.V.] aanvaardt.\n\n(…)\n\n5.Voor zover een of meer rechten zoals hierboven bedoeld niet overdraagbaar zijn of niet rechtsgeldig overgedragen zijn krachtens bovenstaande, verleent [belanghebbende] hierbij [de B.V.] een eeuwigdurende, onbeperkte, overdraagbare en exclusieve licentie tot exploitatie van het Werk. Voorts zullen partijen dan alles in het werk stellen om alsnog een rechtsgeldige overdracht van deze rechten te realiseren.\n\n(…)\n\nArtikel 3 Vergoeding voor overdracht\n\n1. Als volledige vergoeding voor de in artikel 1 en 2 overgedragen rechten, licenties en aanspraken zal [de B.V.] aan [belanghebbende] een eenmalige vergoeding van € 400.000 (exclusief BTW) betalen.\n\n2. Deze vergoeding zal worden voldaan conform het budgetplan.\n\n3. Na betaling van het bedrag heeft [belanghebbende] geen recht meer op enige vergoeding in verband met exploitatie of gebruik van het Werk op welke wijze dan ook, behoudens dwingendrechtelijke bepalingen die anderszins bepalen omtrent de vergoeding.’\n\n2.11.. In mei 2010 heeft de Rabobank een aanvraag voor een krediet afgewezen. Later die maand is contact gezocht met Deutsche Bank.\n\n2.12.. Tot de gedingstukken behoort een e-mailbericht van [datum 4] 2010 van [naam 2] van [bedrijf 5] - de eerste investeringsmaatschappij in de B.V. - dat het volgende voorstel bevat:\n\n‘(…)\n\n9. Op eerste verzoek van [bedrijf 6] worden er zekerheden gesteld (verpanding IP, welke vermogensbestanddelen niet zullen worden aangewend tot het geven van zekerheid aan derden)\n\n10. [bedrijf 6] krijgt het recht om na volledige aflossing 6% van de alsdan uitstaande aandelen van [de B.V.] te verwerven tegen nominaal waarbij [bedrijf 6] een meeverkooprecht krijgt als andere aandeelhouders aandelen verkopen en tevens wordt afgesproken dat uitsluiting of beperking van voorkeursrechten wordt uitgesloten. Dit ter compensatie van de lage rente, niet nakomen van de afgesproken verplichtingen alsmede de enorme vertraging in ontwikkeling en omzet t.o.v. eerder door jou gehanteerde uitgangspunten. Wij gaan er overigens vanuit dat alle IP inmiddels is ingebracht in [de B.V.].’\n\n2.13.. In [maand 1] 2010 is de B.V. een pilot gestart voor de DSI. In 2011 is de B.V. hiermee doorgegaan. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken volgt een (voor het eerst) door de B.V. in 2011 behaalde omzet van € 86.914.\n\n2.14.. In [maand 1] 2010\u002F [maand 2] 2011 heeft [bedrijf 4] een lening van [bedrijf 6] B.V. en een deel van de leningen van de Rabobank afgelost. Vervolgens is [bedrijf 4] haar toezeggingen niet verder nagekomen.\n\n2.15.. In [maand 5] 2013 heeft de Rabobank het restant van de leningen opgezegd. In de brief van [datum 13] 2013 is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘Onze bank verstrekte aan [de houdstermaatschappij] en [de B.V.] een financiering die als volgt kan worden gespecificeerd:\n\na. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 2] -2008 een lening tot een bedrag van € 100.000,--, leningnummer [leningnummer 1]\n\nb. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 2] -2008 een lening tot een bedrag van € 25.000,--, leningnummer [leningnummer 2]\n\nc. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 2] -2008 een krediet in rekeningcourant tot een bedrag van € 125.000.--, geadministreerd op rekeningnummer [rekeningnummer 1]\n\nd. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 1] -2005 een lening (Innovatiekrediet) tot een bedrag van € 22.500,--, geadministreerd op rekeningnummer [rekeningnummer 2]\n\nDe huidige kredietlimiet bedraagt € nihil.\n\nDe zekerheid voor de bank bestaat uit:\n\n- een borgtocht ten bedrage van € 125.000,-- blijkens akte d.d. [datum 14] -2008 gesteld door [belanghebbende]\n\n- garantie van de Staat der Nederlanden uit hoofde van een Starters-Borgstellingskrediet met betrekking tot de hiervoor vermelde lening onder nummer [leningnummer 1] .\n\nMet betrekking tot de verstrekte financiering en de zekerheden verwijzen wij naar de destijds getekende overeenkomsten en de daarop toepasselijke voorwaarden.\n\nUw onderneming bevindt zich al geruime tijd in financiële problemen. Doordat gedurende een aantal jaren forse verliezen zijn geleden is er inmiddels sprake van een aanzienlijk negatief eigen vermogen. De financiële verplichtingen aan onze bank kunnen niet meer worden nagekomen. Maatregelen om het tij te keren hebben niet tot het gewenste resultaat geleid.\n\nU heeft besloten over te gaan tot beëindiging van uw bedrijfsactiviteiten.\n\nOmdat daarmee de grondslag voor de door onze bank verstrekte bedrijfsfinanciering komt te vervallen vormt dit voor onze bank reden om tot opzegging van de financiering over te gaan.\n\nOp grond van het bovenstaande zeggen wij dan ook de verstrekte financiering op met een opzegtermijn van twee weken en sommeren wij u om uiterlijk op [datum 15] -2013 aan onze bank te voldoen al hetgeen wij op dat moment van u te vorderen zullen hebben.\n\nMomenteel kan uw schuld als volgt worden gespecificeerd:\n\n(…)\n\ntotaal te voldoen € 91.663,12\n\nte vermeerderen met de vooralsnog p.m. gestelde posten\n\nMocht u aan deze sommatie geen of geen tijdig gevolg geven, dan zal tot uitwinning van de zekerheden worden overgegaan. Dit zal name betekenen dat overgegaan wordt tot het declareren van de Staatsgegarandeerde lening en uitwinning van de door [belanghebbende] gestelde akte van borgtocht.\n\nOp korte termijn zal door u in een uitgebreide toelichting worden aangegeven waarom het project, op basis waarvan de bank u een lening\u002F innovatiekrediet heeft verstrekt, niet is geslaagd.\n\nVoorts ontvangt de bank een door uw advocaat opgestelde brief ten behoeve van de Staat der Nederlanden, welke zich borg heeft gesteld voor de lening onder nummer [leningnummer 1] .’.\n\n2.16.. Belanghebbende heeft aangifte IB\u002FPVV 2015 gedaan naar een verlies uit werk en woning van € 351.720, bestaande uit de volgende bestanddelen:\n\nBelastbare winst € 115.975\n\nResultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen -\u002F- € 454.426\n\nNegatieve inkomsten uit eigen woning -\u002F- € 13.269\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning -\u002F- € 351.7202.17.. De aanslag IB\u002FPVV 2015 is met dagtekening 15 maart 2019 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 102.706. Daarbij is het in de aangifte opgenomen negatieve resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen (hierna: TBS-verlies) niet in aanmerking genomen.\n\n2.18.. Bij beschikking van 15 januari 2020 is de aanslag IB\u002FPVV 2015, als gevolg van de verrekening van een verlies uit werk en woning uit 2017, verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (€ 102.706 - € 11.551 =) € 91.155.\n\n2.19.. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en in verband met overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 200 en de minister voor Rechtsbescherming van € 1.300, de inspecteur veroordeeld in de kosten van beroep tot een bedrag van € 391,40 en de minister voor Rechtsbescherming eveneens tot een bedrag van € 391,40 en de inspecteur en de minister voor Rechtsbescherming gelast tot vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht van ieder de helft, zijnde € 24.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. In geschil is of het TBS-verlies aftrekbaar is. Meer in het bijzonder betreft het geschil het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft belanghebbende een vordering op de B.V. uit hoofde van de overdracht van software die belanghebbende in privé heeft ontwikkeld?\n\nIndien software in privé is ontwikkeld en deze is overgedragen aan de B.V.: bedraagt de waarde van deze rechten € 400.000?\n\nMag belanghebbende zijn vordering in rekening-courant op de B.V. en de houdstermaatschappij afwaarderen? Meer in het bijzonder is in geschil of de vordering moet worden aangemerkt als een onzakelijke lening.\n\n3.2.. Niet in geschil is dat de restaurantuitgaven ten bedrage van € 11.393 niet zakelijk zijn.\n\n3.3.. Belanghebbende concludeert, naar het hof begrijpt, tot vaststelling van een verlies uit werk en woning van € 341.694 (namelijk € 351.720 - (€ 11.393 – 12%).\n\n3.4.. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat het erop lijkt dat de rechtbank een oordeel heeft gegeven, zonder zelf te beschikken over voldoende technische kennis op het gebied van de ontwikkeling van software waarmee de DSI werd ontwikkeld. Belanghebbende verzoekt in zijn hogerberoepschrift het hof daarom een deskundige te benoemen.\n\n4.2.. De rechter kan in beginsel volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot het meebrengen of oproepen van een deskundige, bijvoorbeeld door de belanghebbende in de uitnodigingsbrief voor het onderzoek ter zitting te wijzen op die mogelijkheid. Op 22 februari 2024 is aan partijen een digitaal bericht verzonden met daarin de uitnodiging voor de zitting op 16 mei 2024. Dit bericht bevat een zodanige mededeling. Het hof is niet gebleken van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij heeft nagelaten een deskundige mee te nemen of op te roepen.\n\n4.3.. De bepaling dat het hof partijen in de uitnodiging voor het onderzoek op de zitting moet wijzen op de mogelijkheid deskundigen op te roepen is (mede) in het leven geroepen met het oog op een efficiënte procesgang. Nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid een deskundige mee te brengen naar of op te roepen voor het onderzoek op de zitting van 16 mei 2024, en belanghebbende zelf dus geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat deze perso(o)n(en) in de hoedanigheid van deskundige(n) op de zitting aanwezig zouden zijn wijst het hof het verzoek om deskundigen op te roepen en als deskundige te doen horen af.\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.4.. Belanghebbende stelt dat hij een TBS-verlies heeft geleden, ten gevolge van een afwaardering van een vordering in rekening-courant van hem op de B.V. en de houdstermaatschappij.\n\n4.5.. De inspecteur betoogt dat het TBS-verlies in het geheel niet aftrekbaar is. Volgens hem heeft belanghebbende geen vordering op de B.V. uit hoofde van de overdracht van software, omdat niet belanghebbende maar de B.V. de software heeft ontwikkeld, er dus geen software is overgedragen van belanghebbende naar de B.V. en de koopsom dus non-existent is (vraag a). Voor het geval het hof van oordeel is dat die vordering wel bestaat, betwist de inspecteur de waarde van die vordering (vraag b). Ten slotte betoogt de inspecteur dat de geldlening in rekening-courant onzakelijk is (vraag c).\n\nVraag a\n\n4.6.. Op belanghebbende rust de bewijslast aannemelijk te maken dat hij uit hoofde van overdracht van software die belanghebbende stelt in privé te hebben ontwikkeld een vordering heeft op de B.V.\n\n4.7.. Ter onderbouwing van de stelling dat belanghebbende in privé software heeft ontwikkeld, heeft belanghebbende aangevoerd dat de B.V. en belanghebbende ter verkrijging van een financiering van [bedrijf 4] verplicht waren om in te stemmen met de overdracht van de door belanghebbende ontwikkelde software aan de B.V.. Uiteindelijk zijn de houdstermaatschappij, de B.V. en belanghebbende enerzijds en [bedrijf 4] anderzijds op [datum 7] 2010 in dit kader investeringsafspraken overeengekomen. Uit de tekst onder het kopje “Huidige structuur” van het document “[de B.V.]\u002F [datum 3] 2010” (zie 2.9) blijkt volgens belanghebbende dat de B.V. slechts partieel eigenaar was van alle IP-rechten en merkenrechten en dat de overige rechten werden gehouden door belanghebbende in privé en\u002Fof de houdstermaatschappij. Op [datum 12] 2010 zijn belanghebbende en de B.V. overeengekomen dat de intellectuele eigendomsrechten betreffende de DSI worden overgedragen door belanghebbende aan de B.V. (zie 2.10). Verder heeft belanghebbende twee verklaringen van [naam 3] en een e-mail van [naam 2] van [bedrijf 5] aan belanghebbende met dagtekening [datum 4] 2010 (zie 2.12) overgelegd. Uit deze stukken blijkt volgens belanghebbende dat hij in privé beschikte over de eigendom van de betreffende software en dat de eigendom daarvan is overgedragen aan de B.V..\n\n4.8.. De inspecteur betwist dat belanghebbende de software in privé heeft ontwikkeld. Hij wijst erop dat de investeringsafspraken (zie 2.9) niet zijn ondertekend en dat het document niet bewijst dat belanghebbende in privé software heeft ontwikkeld, evenmin wanneer hij dat zou hebben gedaan, welke software het precies betreft en wat die waard zou zijn of voor welke prijs de genoemde overdracht in dat geval zou moeten plaatsvinden. Verder stelt de inspecteur dat in de aangiften IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 geen melding is gemaakt van een vordering op de B.V. of een daarmee corresponderende renteopbrengst. Ook wijst de inspecteur erop dat uit het in 2.6 bedoelde overzicht blijkt dat in 2009 al een schuld van € 400.000 in rekening-courant is geboekt en dat de B.V. niet afschrijft op eigendomsrechten. Bovendien is in een financieringsaanvraag van juli 2010 geen schuld van de B.V. aan belanghebbende vermeld. De inspecteur stelt verder dat er geen bewijs is voor de door belanghebbende overgelegde verklaringen van [naam 3] .\n\n4.9.. Dat de B.V. de software zelf moet hebben ontwikkeld, leidt de inspecteur af uit de in de rekening-courantovereenkomst vermelde doelstelling van de B.V. (zie 2.5), uit het feit dat de DSI in de in 2.8 bedoelde overeenkomst is omschreven als een combinatie van hardware en software, die onlosmakelijk zijn en uit het feit dat belanghebbende in dienstbetrekking is bij de B.V., zodat op grond van artikel 7 Auteurswet de B.V. de rechthebbende tot de software is.\n\n4.10.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende de rechten op de software in privé heeft ontwikkeld en evenmin dat hij deze vervolgens heeft overgedragen aan de B.V. tegen schuldigerkenning van de koopprijs in rekening-courant voor een bedrag van € 400.000.\n\nVraag b\n\n4.11.. Nu het hof niet aannemelijk acht dat belanghebbende uit hoofde van de overdracht van in privé ontwikkelde software een vordering heeft op de B.V., behoeft vraag b geen beantwoording.\n\nVraag c\n\n4.12.. Belanghebbende heeft in de aangifte een TBS-verlies van € 454.426 in aanmerking genomen, zijnde de afwaardering van een vordering van belanghebbende op de B.V. ten bedrage van, in totaal, € 516.393 verminderd met de terbeschikkingsvrijstelling van € 61.967 (zie 2.16). Het hof constateert dat het bedrag van € 516.393 overeenstemt met het in 2.6 opgenomen rekening-courantoverzicht.Na eliminatie van de restaurantuitgaven (€ 11.393; zie 3.2) en de door belanghebbende in aanmerking genomen vordering uit hoofde van de overdracht van software (€ 400.000; zie 4.10), resteert een vordering in rekening-courant van € 105.000. Het hof merkt hierbij op dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende de vordering uit hoofde van de overdracht van software in aanmerking heeft genomen voor € 400.000, in weerwil van het in het in 2.6 opgenomen overzicht vermelde bedrag van € 378.898. Het hof zal voor de vordering in rekening-courant ten bedrage van € 105.000 beoordelen of sprake is van een onzakelijke lening.\n\n4.13.. Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een aandeelhouder aan zijn vennootschap voor wat betreft de fiscale gevolgen als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt uitzondering indien sprake is van een schijnlening, deelnemerschapslening of bodemlozeputlening. Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van belanghebbende op de B.V. en de houdstermaatschappij niet is aan te merken als een zodanige lening. Niet in geschil is dat sprake is van een geldlening, dat de vordering van belanghebbende onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet IB 2001 valt en dat het resultaat van die vordering dient te worden bepaald overeenkomstig het winstregime (artikel 3.94 en 3.95 Wet IB 2001).\n\n4.14.. De Hoge Raadheeft ter zake van geldleningen tussen gelieerde partijen het volgende geoordeeld:\n\n“3.3.2. Ingeval bij een geldlening tussen gelieerde partijen de rente niet in overeenstemming met het “at arm’s length” beginsel is vastgesteld, zal voor de fiscale winstberekening moeten worden uitgegaan van een rente die wel aan dit criterium voldoet. Daarbij zal - behoudens het rentepercentage - uitgegaan moeten worden van hetgeen partijen zijn overeengekomen (zoals met betrekking tot zekerheden en de looptijd van de lening). Met dat uitgangspunt strookt niet dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening in wezen winstdelend zou worden. Dan zou het karakter van hetgeen partijen zijn overeengekomen worden aangetast.3.3.3.. Indien met inachtneming van het hiervoor in 3.3.2 overwogene geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan de met de vennootschap gelieerde partij, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. Alsdan moet - behoudens bijzondere omstandigheden - ervan worden uitgegaan dat de betrokken vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de met haar gelieerde vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder dan wel dochtervennootschap te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht (…). Hierna zal een zodanige lening worden aangeduid als een onzakelijke lening.\n\nGelet op het hiervoor overwogene en mede om redenen van eenvoud kan als vuistregel worden gehanteerd dat de rente op de onzakelijke lening wordt gesteld op de rente die de gelieerde vennootschap zou moeten vergoeden indien zij met een borgstelling van de concernvennootschap onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen. Aldus wordt tevens voorkomen dat er met betrekking tot de rentelast verschil ontstaat in het resultaat van de gelieerde vennootschap al naar gelang onder borgstelling van een derde wordt geleend, of rechtstreeks van de concernvennootschap.3.3.5.. Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur vervolgens alsnog een onzakelijke lening kan worden. Anders dan in de literatuur die naar aanleiding van het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad met nummer [nummer] is verschenen wel is aangenomen, moet voor de lening als geheel worden beoordeeld of sprake is van een onzakelijke lening. Uitgangspunt voor de fiscale winstberekening vormt hetgeen partijen zijn overeengekomen en bij één overeenkomst is sprake van één debiteurenrisico. Zoals een borgstelling voor een lening die door een derde aan een gelieerde vennootschap is verstrekt in zijn geheel al dan niet in de kapitaalsfeer ligt, heeft hetzelfde te gelden voor het debiteurenrisico van een onzakelijke lening.”.\n\nVorenstaande oordelen gelden ook in de relatie van een aandeelhouder-natuurlijk persoon en zijn vennootschap.\n\n4.15.. Op de inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat de vordering in rekening-courant ten bedrage van € 105.000 moet worden gekwalificeerd als een onzakelijke lening.\n\n4.16.. De inspecteur heeft in dat kader het volgende gesteld. Belanghebbende heeft geen zekerheden bedongen. Gelet op haar vermogenspositie, had de B.V. ook geen zekerheden kunnen verstrekken. Ook heeft belanghebbende geen invorderingsmaatregelen getroffen. De winstreserve van de B.V. is sinds de oprichting negatief en het eigen vermogen per [datum 6] 2009 is negatief, zodat het (kunnen) voldoen van de aflossingen en rente op de in 2009 aangegane rekening-courantovereenkomst geheel afhankelijk is van de toekomstige winst van de B.V.. De B.V. heeft sinds de oprichting tot 2011 geen omzet behaald en de B.V. heeft voor het eerst in 2013 een positief resultaat behaald. Bovendien zijn externe financieringen niet tot stand gekomen. De B.V. heeft weliswaar aflossingen gedaan, maar er is geen rente betaald, terwijl de betaling van rente vóór het aflossen zou moeten gaan. Er waren geen externe financiers te vinden zonder dat zij een in aandelen converteerbare lening verstrekten en dientengevolge aandeelhouder konden worden, zoals belanghebbende zelf tijdens het hoorgesprek heeft verklaard. De Rabobank wilde in 2009 en 2010 geen nieuwe leningen verstrekken (zie 2.4). Het Agentschap NL heeft in [maand 4] 2010 de subsidieaanvraag afgewezen. [bedrijf 4] heeft een lening verstrekt ten bedrage van € 10.000, die feitelijk kwalificeert als een investering, omdat [bedrijf 4] zicht krijgt op een recht op een belang in aandelen (zie 2.8). Gelet hierop is er volgens de inspecteur geen winstonafhankelijke vergoeding te bepalen waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest om de geldleningen te verstrekken aan de B.V. en de houdstermaatschappij.\n\n4.17.. Belanghebbende betoogt dat de geldlening zakelijk is, omdat bij het aangaan van die lening geen enkele reden was om aan te nemen dat die leningen niet zouden worden terugbetaald. Volgens belanghebbende moet rekening worden gehouden met het feit dat sprake is van een technische startup en van aanloopverliezen en heeft de kredietcrisis de B.V. parten gespeeld. Verder stelt belanghebbende dat het Agentschap NL de subsidieaanvraag heeft afgewezen omdat er (nog) geen financieringsdriehoek aanwezig was en niet omdat de onderneming van de B.V. te riskant zou zijn. Belanghebbende wijst erop dat onafhankelijke derden, namelijk [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 4] wel degelijk leningen aan de B.V. hebben verstrekt.\n\n4.18.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, aannemelijk heeft gemaakt dat de rekening-courant vordering van belanghebbende in ieder geval in 2015 onzakelijk is geworden. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende na de afwijzing van de subsidieaanvraag door Agentschap NL een hernieuwde aanvraag heeft ingediend. Dat de kredietcrisis parten heeft gespeeld, is door de inspecteur gemotiveerd weersproken. Ten aanzien van de door [bedrijf 4] verstrekte lening acht het hof aannemelijk dat [bedrijf 4] dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de B.V. in de hoedanigheid van toekomstig aandeelhouder te dienen. Daar doet niet aan af dat [bedrijf 4] uiteindelijk geen aandeelhouder is geworden.\n\n4.19.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat een onafhankelijke derde, zonder aandelenbelang in de houdstermaatschappij en de B.V., de aan de geldleningen inherente risico’s niet zou hebben aanvaard zonder daarvoor een winstafhankelijke beloning te ontvangen. Belanghebbende heeft als geldverstrekker, zie een overzicht van de stortingen in 2.6, een negatief ondernemersrisico aanvaard. Hij liep immers voor het bedrag van de geldleningen het negatieve kredietrisico ter zake van de financiering, dat zich manifesteert als positieve toekomstverwachtingen niet uitkomen, terwijl hij niet over zekerheden beschikte. Het valt niet in te zien dat een willekeurige derde hetzelfde risico zou aanvaarden zonder de kans op (meedelen in) het positieve ondernemersrisico, ofwel zonder winstdeling. Dat laatste blijkt ook uit de voorwaarden die derden zoals de Rabobank en [bedrijf 4] hebben gesteld, bij het verstrekken van de gelden. Omdat belanghebbende de geldleningen als aandeelhouder als zodanig is aangegaan, is het TBS-verlies niet aftrekbaar.\n\nTussenconclusie\n\n4.20.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.21.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.22.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door I. Reijngoud, voorzitter, P. Fortuin en J. Wessels, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2024 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is in plaats van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, omdat de voorzitter is verhinderd te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nM.M. Stassen-Kanters P. Fortuin\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n € 144.258 (winst uit onderneming) minus € 7.280 (zelfstandigenaftrek) minus € 2.123 (startersaftrek) minus € 18.880 (MKB-winstvrijstelling) = € 115.975.\n\n Afwaardering vorderingen belanghebbende op de houdstermaatschappij en\u002Fof de B.V. van € 516.393 minus de terbeschikkingsstellingsvrijstelling van € 61.967 (12% van € 516.393).\n\n HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:133.\n\n HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1194 en HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786.\n\n Uit het overzicht volgen stortingen door belanghebbende van € 665.475,41 en € 38.871 en opnamen van, in totaal, € 187.953,46.\n\n HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442.\n\n HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2141","2026-07-13T00:29:18.206Z",20]