[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-criminal-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":30,"total":16,"page":25,"limit":195},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},87,"criminal-law-nl","Criminal Law","NL","2026-07-08T16:55:44.350Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},26,{"min":18,"max":19},"2022-12-01T00:00:00.000Z","2026-07-08T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123493","Wetboek van Strafvordering","art. 152",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122655","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 69 lid 1",[31,42,49,57,64,71,79,86,93,101,110,118,125,133,142,151,160,168,177,186],{"id":32,"ecli":33,"slug":34,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":40,"updatedAt":41},"570","ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","ecli-nl-rbobr-2026-4793","","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.243457.25\n\nDatum uitspraak: 08 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [2001] ,\n\nthans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 11 maart 2026, 01 juni 2026 en 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.\n\nNa wijziging van de tenlastelegging op 11 maart 2026 is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en\u002Fof aanhet opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende, heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenarenvan de justitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2hij op of omstreeks 15 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2010] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende,heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenaren van dejustitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,meermalen, althans eenmaal,door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld ofeen andere feitelijkheid, te weten- door [slachtoffer 3] mee te nemen naar en\u002Fof in zijn woning en\u002Fof- door het grote leeftijdsverschil en\u002Fof het fysieke en\u002Fof mentaleoverwicht dat hij op die [slachtoffer 3] had en\u002Fof- door op dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] te praten en\u002Fof- door voorbij te gaan aan tekenen van verzet van die [slachtoffer 3] en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij geen seks (meer) methem, verdachte, zou hebben, hij, verdachte, haar familie, zou latenweten dat hij, verdachte, en die [slachtoffer 3] (eerder) seks hadden gehad en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij (tegen hem,verdachte) aangifte zou doen, hij verdachte, haar broer, althans haarfamilie, met een mes zou steken, althans iets zou aandoen,die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,vingers en\u002Fof penis;( art 242 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,(telkens) buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die\n [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof vingers;( art 245 Wetboek van Strafrecht )De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht feit 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair omdat niet is gebleken dat hij het minderjarige meisje ( [slachtoffer 1] ) met opzet heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat zijn handelen daarop van beslissende invloed is geweest.\n\nHet onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen waaruit het verbergen dan wel onttrekken van het minderjarige meisje heeft bestaan en welke rol verdachte hierin heeft gespeeld. Verdachte dient daarom ook van dit tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wetenschap had dat het minderjarige meisje ( [slachtoffer 2] )was weggelopen en zich had onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat verdachte haar bewust verborgen heeft gehouden voor haar ouders of voor politie en justitie. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen (p. 115-116 van het dossier) willen betrekken om tot een bewezenverklaring te komen, dan wordt door de verdediging in dat geval (en dus voorwaardelijk) bezwaar gemaakt tegen de inhoud van dit proces-verbaal en met name de stelling dat het hier om een verklaring van het vermeende slachtoffer zou gaan. De verdediging wenst in dat geval dat het onderzoek heropend wordt en dat van de door de officier van justitie ter zitting overhandigde en aan het dossier toegevoegde dvd met geluidsopnamen een transcriptie wordt opgemaakt.\n\nDe raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie wat betreft feit 3 primair gevorderde vrijspraak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] te wisselend en daardoor ongeloofwaardig zijn. [slachtoffer 3] is voorts de enige getuige ten aanzien van dit feit. Voldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt en daarom dient verdachte van feit 3 primair te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte en [slachtoffer 3] destijds een liefdesrelatie hadden en dat sprake was van een relatief gering leeftijdsgeschil. Daarom was geen sprake van ontuchtig handelen en moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nUit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het procesdossier volgt dat de dertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Zij heeft naar eigen zeggen in de avond van 4 september 2025 de laatste trein van Den Bosch naar haar woonplaats Oss gemist en is samen met anderen, waaronder verdachte, naar de woning van verdachte in Uden gegaan. Van verdachte mocht zij in zijn woning verblijven. Op 5 september 2025 is [slachtoffer 1] , nadat haar vader te weten was gekomen waar zij verbleef, door de politie uit de woning van verdachte gehaald en naar haar ouders teruggebracht.\n\nHet kan voorkomen dat een minderjarige zelf (actief) bijdraagt aan de onttrekking van het wettig over hem of haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem of haar uitoefent. Bijvoorbeeld door van huis of uit een instelling weg te lopen en daarna bij een ander te verblijven. Dat een minderjarige zelf hiertoe het initiatief heeft genomen staat aan een veroordeling van die ander voor strafbare onttrekking niet zonder meer in de weg.\n\nVoor een strafbaar onttrekken is volgens vaste rechtspraak in dat geval wel vereist dat komt vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent, in dit geval de ouders van [slachtoffer 1] .\n\nVerdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk onttrokken heeft aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had dat [slachtoffer 1] zich onttrokken had aan het over haar gestelde wettig gezag.\n\nDe door de officier van justitie gestelde omstandigheden dat door verdachte invloed is uitgeoefend op [slachtoffer 1] om haar mee naar zijn woning te krijgen en dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] pas 14 jaar oud was, vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] van een Syrische jongen haar telefoon op vliegtuigstand moest zetten maakt dit niet anders. Er is geen bewijs dat dit een opdracht van verdachte was, of dat verdachte hier zelf van af wist.\n\nHoewel er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de situatie in het huis van verdachte (waar het een komen en gaan leek van (al dan niet) minderjarige personen, is over verdachtes handelen niet meer komen vast te staan dan dat hij [slachtoffer 1] heeft toegestaan in zijn woning te verblijven, nadat zij de laatste trein naar huis had gemist. Het enkele feit dat iemand een minderjarige, die bij hem op bezoek is gekomen, gedurende enige tijd onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag’.\n\nDat verdachte door zo te handelen wetenschap had van en een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer 1] en haar ouders als degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiair\n\nHet voorgaande werkt ook door bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nDe enige handeling van verdachte in dit verband waarvoor wettig en overtuigend bewijs bestaat is dat hij [slachtoffer 1] in zijn woning heeft laten verblijven nadat zij haar laatste trein gemist had. Dat is onvoldoende om van het verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken in de betekenis die artikel 280, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip geeft (Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1775).\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nUit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vijftienjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Op 15 september 2025 – ten tijde waarvan zij woonachtig was in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – heeft zij met toestemming van verdachte in zijn woning verbleven.\n\nIn de vroege ochtend van 15 september 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht omdat er sterke aanwijzingen waren dat [slachtoffer 1] , die als vermist was opgegeven nadat zij niet thuis gekomen was, daar verbleef. Verdachte en andere aanwezigen zijn in de woning door de politie gehoord. [slachtoffer 2] was, zo bleek later, op dat moment eveneens in de woning aanwezig, maar gaf bij de controle aan de politie een valse naam op en toonde daarbij een vals\u002Fvervalst ID-bewijs. Vlak voor de tweede doorzoeking van de woning is [slachtoffer 2] de woning ontvlucht toen zij de politie aan zag komen.\n\nUit het dossier volgt niet dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich onttrokken had over het over haar gestelde gezag of opzicht. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf bij de rechter-commissaris is het tegendeel af te leiden. Het was ook [slachtoffer 2] zelf die bij controle door de politie een valse naam en vals of vervalst ID-bewijs gaf. Gelet daarop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van justitie en politie heeft onttrokken.\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nBij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een transscriptie van op een dvd geplaatste gesprekken die gevoerd zijn met [slachtoffer 2] . Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.\n\nTen aanzien van feit 3 primair\n\nDe rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verkrachting(en) waarvan verdachte wordt beschuldigd.\n\nIn zaken over zedendelicten in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent.\n\nOver het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.\n\nGelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 3] staat het niet ter discussie dat er (in ieder geval éénmaal) seksueel contact heeft plaatsgevonden.\n\nVoor een bewezenverklaring van “verkrachting” (zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold in de ten laste gelegde pleegperiode) is echter een mate van dwang vereist.\n\nVerdachte ontkent dat sprake was van dwang. Volgens verdachte vond de seks plaats met wederzijdse toestemming en was sprake van een liefdesrelatie.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over het feit dat er sprake was van seksueel contact in de kern voldoende consistent zijn geweest, maar over het aspect ‘dwang’ kan dat niet gezegd worden. Mede gelet op het feit dat de dwang niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent, acht de rechtbank de ‘dwang’ niet bewezen.\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair onder 3 ten laste is gelegd.\n\nTen aanzien van feit 3 subsidiair\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de subsidiair ten laste gelegde ontuchtige handelingen, te weten het seksueel binnendringen bij een persoon die nog geen zestien jaar oud is, bewezen kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nIn artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is bepaald dat het niet is toegestaan om met iemand tussen de twaalf en zestien jaar ontuchtige handelingen te plegen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar de inhoud van het dossier.\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd. Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd.\n\nVerdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] is zwanger geraakt van verdachte. Haar moeder ontdekte op enig moment dat zij niet meer menstrueerde. [slachtoffer 3] heeft gekozen tot abortus over te gaan, die plaatsvond op 26 september 2024. Zij was toen ongeveer 20 weken zwanger. Dat betekent dat de conceptie dan begin mei 2024 zou moeten hebben plaatsgevonden.\n\nVerdachte wist dat [slachtoffer 3] minderjarig was toen hij seks met haar had. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in zijn telefoon de password\u002Fkeychain-notitie “ [naam] ” had staan en dat hij wist dat “2009” stond voor het geboortejaar van [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] zou hem, aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris, ook gezegd hebben dat zij vijftien jaar was.\n\nDe rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en in voldoende mate steun vindt in andere, van haar verklaring onafhankelijke, bewijsmiddelen, waaronder de (deels) bekennende verklaring van verdachte en het feit dat zij zwanger is geraakt. De conclusie is dat er sprake is geweest van meermalen seksueel binnendringen door verdachte van het lichaam van een persoon tussen de twaalf en de zestien jaar.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of voornoemde seksuele handelingen moeten worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud), anders gezegd: of de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm of dat in dit geval het ontuchtige karakter ontbreekt.\n\nVerdachte was bij aanvang van de tenlastegelegde periode 22,5 jaar oud en [slachtoffer 3] vijftien jaar oud. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een kalenderleeftijdsverschil van zeven en een half jaar oud in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil is. Verdachte en [slachtoffer 3] bevonden zich in totaal andere levensfasen. Zo was verdachte getrouwd en woonde hij op zichzelf, terwijl [slachtoffer 3] schoolgaand was en nog bij haar ouders woonde. Dit maakt dat sprake was van een volkomen ongelijke verhouding tussen hen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] in deze omstandigheden niet aan de sociaal-ethische norm voldoen. De seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] zijn als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud).\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.\n\nDe beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair\n\nop tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt,\n\nontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten\n\n-het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en\n\n-het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en vingers.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.Oplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 8 juni 2026.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven zijn aan hem geretourneerd kunnen worden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de in de pleitnota genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal tien maanden op te leggen met daarbij een forse voorwaardelijk gevangenisstraf van bijvoorbeeld acht maanden. Verdachte is bereid om zich gedurende een proeftijd van 3 jaren te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals opgesteld in het reclasseringsadvies.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds vijftienjarig meisje. Verdachte wist ook dat zij zo jong was. Vanwege het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en het feit dat zij zich in andere levensfasen bevonden , had verdachte moeten inzien dat er sprake was van een volkomen ongelijke verhouding. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer is ongewenst zwanger geraakt en heeft een abortus ondergaan. Dat moet, zeker ook binnen de context van haar familiesituatie, grote indruk op haar hebben gemaakt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer en heeft kennelijk enkel gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAan deze (deels) voorwaardelijke straf worden na te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht de geadviseerde proeftijd van 3 jaren noodzakelijk om risicomanagement te kunnen toepassen en om verdachte de tijd te geven om echt aan een gedragsverandering te werken.\n\nHet advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren neemt de rechtbank niet over, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid. Het ontbreekt de rechtbank aan argumenten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe rechtbank legt met de genoemde straf een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2, terwijl de officier van justitie die feiten wel in haar eis betrok. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nBij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank reeds het bevel voorlopige hechtenis opgeheven, vanwege het ontbreken van gronden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair, subsidiair)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij (deels) toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe benadeelde partij dient, aldus de raadsman, vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.\n\nSubsidiair wordt enige vorm van schade en aantasting in de persoon op andere wijze betwist en ook ontbreekt daarvoor iedere vorm van onderbouwing. Het is te ingewikkeld om de opgelopen psychische schade in deze strafzaak te beoordelen, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.\n\nMeer subsidiair is gesteld dat niet op de juiste wijze aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:RBOBR:2026:2759 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2798 waarin duidelijk andere bedragen zijn toegewezen. Daarom wordt verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag.\n\nBeoordeling.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van 15.000,- euro aan immateriële schade.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn\u002Fhaar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn\u002Fhaar persoon is aangetast.​\n\nNaar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit geldt temeer nu uit het dossier en het onderzoek op de zitting bovendien is gebleken dat de destijds vijftienjarige benadeelde partij zwanger is geraakt van verdachte en dat zij deze zwangerschap na ongeveer 4,5 maand middels een abortus heeft afgebroken.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.\n\nVerder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nNaast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nDe rechtbank zoekt aansluiting bij categorie C onder 15.2 met bandbreedte 12.500,- euro en 32.000,- euro nu sprake is geweest van ontucht met binnendringen waarbij sprake is geweest van ernstige gevolgen voor de benadeelde, namelijk een afgebroken zwangerschap.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 1 januari 2024, de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 (oud) Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart niet bewezen de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 primair aan verdachte tenlastegelegde feiten en spreekt hem daarvan vrij;\n\n- verklaart het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd\n\nDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\nVoor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils, reclassering op het adres Dr. Cuyperslaan 80 te Eindhoven.\n\nAmbulante behandeling\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een nog nader te bepalen Forensische GGz-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na de intake procedure. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en de daaruit\n\nvoortvloeiende problematiek. Gelet op de vastgestelde problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nVerblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na aanmelding en opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\nVerbod verdovende middelen\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit geschied middels Urineonderzoek.\n\nDe reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\nContactverbod\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:\n\n [slachtoffer 3] , geboren op [2009]\n\nDagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, nader te bepalen in overleg met de reclassering. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.\n\nAflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nVermijden contact met minderjarigen\n\nVerdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nT.a.v. feit 1 primair en subsidiair:\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een maatregel tot schadevergoeding.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nVoormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:\n\nDe rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.\n\nVerdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. E.L. Traag en mr. I.C. Meuris, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,\n\nen is uitgesproken op 08 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:37.269Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":39,"fullText":46,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":40,"updatedAt":48},"1264","ECLI:NL:RBOBR:2026:4792","ecli-nl-rbobr-2026-4792","vonnis\n\nRECHTBANK OOST-BRABANT\n\n Parketnummers vorderingen: 01.299547.24 en 96.298959.24 Parketnummers: 01.105619.26 en 01.236767.23 (ter terechtzitting gevoegd) [verdachte]\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 01.105619.26 en 01.236767.23 (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummers vorderingen: 01.299547.24 en 96.298959.24\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,\n\nthans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nOp deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte\u002Fveroordeelde, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte\u002Fveroordeelde naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van telkens 20 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nt.a.v. 01-105619-26:\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Eindhoven opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\n- ongeveer 80 gram (1 witte brok), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,4 gram (17 sealbags), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nt.a.v. 01-236767-23:\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2023 te Eindhoven, althans in Nederland,\n\nopzettelijk brand heeft gesticht aan een scooter en\u002Fof bij een woning aan [adres] , door (open) vuur en\u002Fof een brandend middel in aanraking te brengen met een scooter die nabij\u002Ftegen de (voor)gevel van voornoemde woning stond, terwijl daarvan\n\n-gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde woning en\u002Fof scooter te\n\n duchten was en\u002Fof\n\n- levensgevaar en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor een\n\n of meer bewoner(s) van en\u002Fof aanwezigen in voornoemde woning en\u002Fof naastgelegen\n\n woning(en) te duchten was;\n\nDe vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.\n\nDe zaak met parketnummer 01.299547.24 is aangebracht bij vordering van 13 mei 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer te\n\n's-Hertogenbosch van 13 februari 2025. (bijlage 1)\n\nDe zaak met parketnummer 96.298959.24 is aangebracht bij vordering van 13 mei 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch\n\nvan 20 mei 2025. (bijlage 2)\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nRechtmatigheid verkregen bewijs\n\nt.a.v. 01.105619.12\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft gesteld dat de doorzoeking van de auto van verdachte onrechtmatig\n\nis geweest, omdat er op dat moment onvoldoende verdenking van overtreding van een strafbaar feit bestond. Dit onherstelbare vormverzuim moet in de visie van de raadsvrouw tot bewijsuitsluiting van de aangetroffen cocaïne leiden. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2010).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende verdenking bestond om tot doorzoeking van het voertuig over te gaan.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nOp grond van artikel 96b, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de opsporingsambtenaar bevoegd, in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar of\n\nin geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv, een vervoermiddel te doorzoeken en zich daartoe de toegang te verschaffen.\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden of – en zo ja, wanneer – ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit (in casu: een Opiumwetdelict) bestond. De rechtbank dient te toetsen of de betrokken verbalisanten\n\ntot een redelijk vermoeden hebben kunnen komen.\n\nZoals de raadsvrouw terecht heeft gesteld, dient een verdenking te berusten op concrete en objectiveerbare feiten. Daarmee wordt bedoeld dat het vermoeden objectiveerbaar moet zijn en in redelijkheid moet kunnen worden afgeleid uit voor het strafbare feit relevante en concrete gegevens. Uit bestendige jurisprudentie volgt verder dat ervaring en deskundigheid van de verbalisant, evenals een feit van algemene bekendheid, bijdragen aan het bestaan van een redelijke vermoeden van schuld en mitsdien van een verdenking.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende.\n\nVerbalisanten hebben op basis van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 het voertuig met verdachte als bestuurder aan een controle onderworpen en zijn op grond van de navolgende combinatie van feiten en omstandigheden tot een doorzoeking van het voertuig overgegaan. (proces-verbaal van bevindingen pag. 5-9)\n\nVerbalisanten zagen dat verdachte tijdens de controle heel zenuwachtig was. Zo keek hij continu om zich heen, vermeed hij oogcontact met de verbalisanten, transpireerde hij op\n\nzijn voorhoofd, hield hij het stuurwiel gedurende de hele controle stevig vast en vroeg hij meerdere keren naar de reden van de controle.\n\nVerbalisanten zagen in het voertuig twee telefoons liggen en dat verdachte continu werd gebeld door nummers die hij niet als een contact had opgeslagen.\n\nVerbalisanten zagen in de politiesystemen dat verdachte stond geregistreerd voor het\n\nbezit en de handel in harddrugs op 19 september 2024 en het bezit van hard- en softdrugs\n\nop 3 oktober 2023.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] zag ter hoogte van de voeten van verdachte meerdere biljetten geld liggen: briefjes van 50 euro, 20 euro en 5 euro. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat personen die handelen in verdovende middelen doorgaans contant geld bij zich dragen\n\nof voorhanden hebben.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] rook een zoete, frisse lucht, die afkomstig was uit een parfumdoosje in het voertuig. Het is verbalisanten bekend dat personen die handelen in drugs een parfum in hun voertuig bij zich hebben om zo de geur van de drugs te verdoezelen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank levert het algehele samenstel van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, een gerechtvaardigde\n\nen voldoende verdenking van een Opiumwetdelict op. Dat betekent dat de verbalisanten bevoegd waren om de auto van verdachte te doorzoeken op grond van artikel 96b, eerste lid, Sv. Daarmee is sprake van een rechtmatige doorzoeking. De resultaten hiervan kunnen worden voor het bewijs worden gebruikt. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nt.a.v. 01.105619.12\n\nVerdachte wordt ervan beschuldigd dat hij ongeveer 84 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\nt.a.v. 01.236767.23\n\nVerdachte wordt ervan beschuldigd dat hij brand heeft gesticht, door een scooter in brand te steken.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft tot bewezenverklaringen van het Opiumwetdelict, het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, en de brandstichting gerekwireerd. Bij de brandstichting was volgens de officier van justitie sprake van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft op gronden als verwoord in haar pleitnota op het standpunt gesteld dat het bewijs in beide zaken tekortschiet en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.\n\nBewijsbijlage.\n\nDe bewijsmiddelen die de rechtbank bij de beoordeling heeft gebruikt, zijn opgenomen in de bewijsbijlage die deel uitmaakt van dit vonnis. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nT.av. 01.105619.26\n\nVoor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne is op grond van vaste jurisprudentie vereist dat verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne in de auto en dat die cocaïne zich in zijn machtssfeer bevond.\n\nDe rechtbank overweegt daarover als volgt.\n\nOp 8 april 2026 werd in een door verdachte bestuurde personenauto circa 84 gram cocaïne\n\nin een verborgen ruimte in de elektrische raambediening aan de bestuurderszijde aangetroffen. Verdachte was de enige inzittende van het voertuig,\n\nVerdachte stelt zich op het standpunt dat hij niet wist van de aanwezigheid van cocaïne. Hij heeft verklaard dat hij de auto van zijn moeder heeft geleend en dat zijn moeder de auto ook aan anderen uitleende.\n\nDe rechtbank acht niet aannemelijk dat een ander ruim 80 gram cocaïne – die een behoorlijke straatwaarde vertegenwoordigd – in een geleende auto achterlaat. Voor zover verdachte dat met zijn verklaring heeft willen zeggen, vindt de rechtbank dat dus niet aannemelijk. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte zijn verklaring ook niet met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.\n\nDe rechtbank merkt verder op dat de verbalisant in het vak van het bestuurdersportier keek en zag dat het kapje van de elektrische raambediening niet goed bevestigd was. Dit was blijkbaar direct zichtbaar voor de verbalisant, nader onderzoek was kennelijk niet nodig. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook verdachte dit heeft gezien of in ieder geval heeft moeten zien.\n\nVerder betrekt de rechtbank een aantal van de hiervoor genoemde omstandigheden bij haar oordeel. Namelijk dat geldbriefjes bij de voeten van verdachte lagen, dat hij twee telefoons bij zich had, waarvan een van de telefoons werd gebeld door onbekende nummers en het gedrag van verdachte: de politie omschrijft dat verdachte zenuwachtig gedrag vertoonde, namelijk oogcontact vermijden, continu om zich heen kijken en zweten.\n\nGelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat cocaïne in de auto lag. Hij kon hier ook over beschikken.\n\nDe rechtbank stelt gelet op het voorgaande dus vast dat de cocaïne zich in de machtssfeer van verdachte bevond en hij hiervan wetenschap had. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\n01.236767.23\n\nOp 31 augustus 2023, omstreeks 04:00 uur, werd een scooter die geparkeerd stond tegen de voorzijde van de woning gelegen aan [adres] in Eindhoven in brand gestoken. De brand sloeg over naar de gevel van de woning. Op de eerste etage sliepen op dat moment zowel aan de voorzijde als achterzijde de (vier) bewoners van de woning. Op camerabeelden is te zien dat een persoon vloeistof uit een witte emmer over de scooter goot en deze vervolgens in brand stak.\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deze brandstichting heeft gepleegd.\n\nDe rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\nKort na de brandstichting werd door de politie op circa 10 meter afstand van de plaats delict een witte emmer met een benzinegeur aangetroffen. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om de emmer waarmee de vloeistof over de scooter is gegoten. Deze emmer is bemonsterd. Uit deze bemonstering is een DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren verkregen, waaruit een DNA-profiel van één man kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. De additionele DNA-kenmerken van de minder prominente aanwezige donoren zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek.\n\nHoewel het opmerkelijk is dat verdachte donor is van het celmateriaal op de emmer, is de rechtbank van oordeel dat alleen deze omstandigheid onvoldoende is om verdachte als dader van de brandstichting aan te merken. De rechtbank merkt in dit verband op dat het celmateriaal is aangetroffen op een verplaatsbaar object en dat hierop ook celmateriaal van minimaal één andere donor is aangetroffen. Om vast te kunnen stellen dat verdachte degen is die de scooter in brand heeft gestoken en dus om tot een bewezenverklaring te komen, moet er naar het oordeel van de rechtbank in dit geval meer bewijs zijn waaruit blijkt dat het verdachte was die de scooter in brand heeft gestoken.\n\nDat bewijs is er naar het oordeel van de rechtbank niet. Daarover overweegt zij het volgende.\n\nDe ex-partner van verdachte heeft een verklaring afgelegd bij de politie. Zij heeft onder meer verklaard dat zij denkt haar ex, verdachte, te herkennen op de camerabeelden op basis van zijn postuur. Zij zag dat de persoon op de beelden ‘boven bij zijn schouders wat breder was’ en ‘dat de benen heel dun\u002Frecht waren’. Vervolgens verklaart zij dat zij de kleding en schoenen van de persoon op de beelden niet herkent. Nog los van de omstandigheid dat zij verdachte slechts denkt te herkennen, is een herkenning enkel vanwege het postuur en niet onderbouwd met specifieke kenmerken naar het haar oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet. De verklaring van de ex-partner kan op dit punt, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, dus niet als ondersteunend bewijs worden aangemerkt.\n\nDe ex-partner van verdachte heeft verder verklaard dat de relatie door haar is beëindigd omdat zij van verdachte niet met haar vriendin mocht omgaan. Zij denkt dat verdachte daarom in staat zou zijn om de scooter van die vriendin in brand te steken.\n\nDe rechtbank ziet anders dan de officier van justitie in deze verklaring geen steun voor het scenario dat verdachte de scooter in brand heeft gestoken. De enkele gedachte van de ex-partner dat verdachte daartoe in staat zou zijn, vindt de rechtbank daarvoor onvoldoende. De rechtbank merkt voor de volledigheid nog op dat de relatie al enige tijd beëindigd was toen de brand werd gesticht en de rechtbank ziet ook geen andere aanwijzingen in het dossier dat er sinds of vanwege de relatiebreuk sprake was van enige wrok van verdachte naar de vriendin van zijn ex-partner.\n\nDe rechtbank heeft in het dossier ook verder geen aanwijzingen aangetroffen op basis waarvan betrokkenheid van verdachte bij deze brandstichting kan worden vastgesteld.\n\nGelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs niet bewezen kan worden dat verdachte degene is die de brandstichting heeft gepleegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\n t.a.v. 01.105619.26\n\nop 8 april 2026 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n-ongeveer 80 gram (1 witte brok) van een materiaal bevattende cocaïne en\n\n-ongeveer 4,4 gram (17 sealbags) van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.(bijlage 3)\n\nDe officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest gevorderd. Volgens de officier van justitie is niet voldaan aan de formele vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw van verdachte heeft zich niet over een eventuele strafoplegging uitgelaten.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 84 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht\n\naan anderen. Tot slot is inmiddels ook algemeen bekend dat Opiumwetdelicten veelal tot het\n\nverdienmodel en werkterrein van zware criminaliteit behoren waarbij (vuurwapen)geweld en intimidatie niet worden geschuwd. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om deze gevolgen.\n\nStrafblad\n\nHet uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte bevat vanaf 2017 veroordelingen vanwege vermogensdelicten, geweldsdelicten, verkeersdelicten maar ook voor Opiumwetdelicten (15 april 2024, 13 februari 2025). Verdachte is bij die laatste veroordeling aangemerkt als stelselmatige dader en heeft toen – kort gezegd – een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd gekregen. Deze voorwaardelijke maatregel\n\nheeft echter niet het gewenste effect gehad, immers heeft verdachte het onderhavige\n\nOpiumwetdelict tijdens de proeftijd van die veroordeling gepleegd. Verdachte heeft aldus die geboden kans niet aangegrepen om zijn leven een andere wending te geven. Verdachte is kennelijk niet in staat of bereid om het criminele pad te verlaten.\n\nOriëntatiepunten\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor strafbare feiten als bewezenverklaard en straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Voor het bezit van 84 gram cocaïne is de oplegging van een taakstraf van 150 uren het uitgangspunt. Echter, verdachte is een recidivist op het gebied van drugsdelicten, hetgeen strafverzwarend doorwerkt.\n\nRapport reclassering d.d. 16 juni 2026\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 16 juni 2026. Dit rapport kent een sombere teneur. De reclassering ziet huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding als delict gerelateerde criminogene factoren. De reclassering rapporteert dat de voorwaardelijke ISD maatregel verdachte niet lijkt te motiveren zijn leven aan te passen. Verdachte is onvoldoende open geweest waardoor interventies van de reclassering onvoldoende bijdragen aan het beperken van de risico's op recidive en het stabiliseren van het leven van betrokkene, zo stelt de reclassering die dan ook het risico op recidive inschat als hoog en het risico op onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld. De reclassering concludeert het volgende:\n\n“ De heer [verdachte] staat te boek als stelselmatige dader en hij loopt in een voorwaardelijke ISD maatregel. De onstabiele leefsituatie van betrokkene, het psychosociaal functioneren, zijn pro criminele houding en zijn houding ten opzichte van hulpverlening, maken dat het recidive risico hoog blijft. Om de kans op recidive terug te dringen is het van belang dat betrokkene klinisch behandeld wordt. Wij zien de ISD maatregel als meest aangewezen manier of middel om dit te verwezenlijken en om het patroon van het terugvallen in delictgedrag te doorbreken.(,..) Derhalve zien wij op dit moment geen andere mogelijkheid dan de rechtbank te adviseren om bij veroordeling aan betrokkene een ISD-maatregel op te leggen. De hoge justitiële druk van de ISD-maatregel in combinatie met de duur van de maatregel is naar onzes inziens de enige mogelijkheid om een positieve gedragsverandering en stabiliteit in het leven van betrokkene te bewerkstelligen.”\n\nStrafoplegging\n\nVolgens de wet kan de rechter enkel op vordering van het openbaar ministerie een ISD-maatregel opleggen. De officier van justitie heeft echter op formele gronden hiervan afgezien. Hoewel de oplegging van een ISD-maatregel gezien het rapport van de reclassering de meest passende afdoening zou zijn, is de rechtbank dus gebonden aan\n\nde strafeis van de officier van justitie. Dit brengt de rechtbank tot de volgende strafoplegging.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest. Dit betekent dat een straf wordt opgelegd die is gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest. Dat brengt met zich dat\n\nde voorlopige hechtenis van verdachte zal worden opgeheven. In zoverre wordt het opheffingsverzoek van de raadsvrouw gehonoreerd.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst en aard van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en\n\n [benadeelde 4](01.236767.23)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vier vorderingen tot schadevergoeding integraal kunnen worden toegewezen, met telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en telkens met vermeerdering van de wettelijke rente.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de strafzaak de afwijzing van de vorderingen dan wel de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen bepleit. Laatstgenoemde beslissing zou ook dienen te volgen omdat de verdediging door het late tijdstip van indienen van de vorderingen de verzoeken niet adequaat heeft kunnen voorbereiden en een aanhouding van de zaak een onevenredige belasting van het geding oplevert.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben. De rechtbank zal, nu de vorderingen niet worden toegewezen, de benadeelde partijen veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.\n\nBeslag.(01.105619.26)\n\nDe rechtbank zal, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, de teruggave aan verdachte gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen (geld en telefoon), nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling(01.299547.24)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel van 2 jaren gevorderd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak om afwijzing van de vordering verzocht.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in de weg staan zijn niet aanwezig. Integendeel: uit het hiervoor besproken rapport van de reclassering volgt veeleer de noodzaak en het belang van een ISD-maatregel. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging van – kort gezegd- de ISD-maatregel van 2 jaren gelasten.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling(96.298959.24)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 2 weken gevorderd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak om afwijzing van de vordering verzocht.\n\nHet oordeel van de rechtbank,\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt\n\nDe rechtbank zal echter de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen. De rechtbank acht toewijzing van de vordering in het licht van de hiervoor onder parketnummer 01.299547.24 gelaste tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel van 2 jaren niet opportuun.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder het parketnummer 01.236767.23 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.\n\nVerklaart het ten laste gelegde onder het parketnummer 01.105619.26 bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nt.a.v. 01.105619.26\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.Legt op de volgende straf.\n\nt.a.v. 01.105619.26:\n\nEen gevangenisstrafvoor de duur van 90 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nHeft ophet tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.\n\nt.a.v. beslag (01.105619.26)\n\nGelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte, te weten:\n\n-0,40 EUR Geld\n\n-1,00 EUR Geld\n\n-10,00 EUR Geld\n\n-50,00 EUR Geld\n\n-10,00 EUR Geld\n\n-80,00 EUR Geld\n\n-1 STK GSM (G2467387)\n\nt.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4](01.236767.23)\n\nBepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling (01.299547.24)\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Oost-Brabant van 13 februari 2025, gewezen onder parketnummer 01.299547.24, te weten: een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling: (96.298959.24)\n\nWijst af de vordering met parketnummer 96.298959.24 van de officier van justitie d.d.\n\n13 mei 2026.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I.M. Rinzema, voorzitter,\n\nmr. N. Flikkenschild en mr. R.J. Heuft, leden,\n\nin tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4792","2026-07-13T00:29:12.808Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":39,"fullText":53,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":40,"updatedAt":56},"1262","ECLI:NL:RBOBR:2026:4763","ecli-nl-rbobr-2026-4763","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.085805.26\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nthans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nhij op of omstreeks 21 maart 2026 te Boxtel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5503 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nT.a.v. feit 2:\n\nhij op of omstreeks 21 maart 2026 te Boxtel, althans in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en\u002Fof ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en\u002Fof te bemoeilijken.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. Van vormverzuimen in het vooronderzoek, als gevolg van een onrechtmatige doorzoeking en schending van de verbaliseringsplicht, is volgens de officier van justitie geen sprake.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nOp de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten. Kort samengevat is hiertoe het navolgende aangevoerd. Er was nog geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld van overtreding van de Opiumwet, waardoor er geen grond bestond om de auto te betreden en hierin zoeken rond te kijken. Laat staan dat er aanleiding bestond om te doorzoeken. Hoewel er wellicht een verdenking bestond van overtreding van artikel 189a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is doorzoeking van de auto op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) uitsluitend mogelijk in geval van een heterdaad situatie of verdenking van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarvan was geen sprake. Gelet op het voorgaande stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is van een onrechtmatige betreding van de auto en dat er daaropvolgend sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking. Dit is een onherstelbaar vormverzuim.\n\nDaarbij komt dat sprake is van schending van de verbaliseringsplicht. De ambtsedige processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] (pagina 10 t\u002Fm 11 einddossier) en verbalisant [verbalisant 2] (pagina 12 t\u002Fm 16 einddossier) staan diametraal tegenover elkaar. Omdat de processen-verbaal niet allebei waar kunnen zijn, heeft de verdediging verzocht tot het opstellen van nadere processen-verbaal. Ondanks herhaaldelijke verzoeken hiertoe van de officier van justitie, hebben de verbalisanten dit verzoek geweigerd. Gelet op deze weigering is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim.\n\nDe verdediging stelt dat deze combinatie en ernst van vormverzuimen aanleiding geven om over te gaan tot bewijsuitsluiting, waardoor al hetgeen is aangetroffen in de auto van verdachte van het bewijs dient te worden uitgesloten. In het kader van ‘fruits of the poisonous tree’ moeten ook de door verdachte afgelegde verklaringen worden uitgesloten van het bewijs. Het voorgaande betekent dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.\n\nBovendien heeft verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat hij - ondanks het feit dat hij wel wist dat hij drugs vervoerde die ook wel ‘chocolade’ wordt genoemd - niet wist om wat voor soort drugs het precies ging. Hij wist niet dat de drugs die hij vervoerde harddrugs betrof.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling van het verweer t.a.v. de verbaliseringsplicht\n\nDe verbaliseringsplicht is neergelegd in artikel 152 Sv. Dit artikel schrijft voor dat ambtenaren, die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten, ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Redelijke uitleg van die bepaling in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen brengt met zich mee dat het opsporingsambtenaren slechts dan vrij staat het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verrichtingen en bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 21 maart 2026 die hebben geleid tot de verdenking, de staandehouding, doorzoeking, inbeslagneming en aanhouding zijn vastgelegd in de processen-verbaal van 21 maart 2026 (verbalisant [verbalisant 1] ) en 22 maart 2026 (verbalisant [verbalisant 2] ).\n\nHoewel de rechtbank ook heeft geconstateerd dat de processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet uitblinken in nauwkeurigheid en duidelijkheid, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de inhoud van de processen-verbaal wel objectief vastgesteld kan worden hoe een en ander verlopen is op 21 maart 2026. Op grond van voornoemde processen-verbaal stelt de rechtbank het navolgende vast.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] zag op 21 maart 2026 om 10:23 uur dat er op de weg A77 in Nederland een Automatic Number Plate Recognition (hierna: ANPR) hit kwam\n\nop een voertuig met het Duitse kenteken [kenteken] . Uit de Duitse politiesystemen bleek dat het voertuig was voorzien van een verborgen ruimte en dat het voertuig gebruikt wordt om verdovende middelen mee te vervoeren. Hierna heeft [verbalisant 1] de volgende reisbewegingen waargenomen van voornoemd voertuig in het ANPR-systeem:\n\n- 21-03-2026, 10:50 uur, A15 links Valburg;\n\n- 21-03-2026, 11:07 uur, A15 links Geldermalsen;\n\n- 21-03-2026, 11:21 uur, A15 links Gorinchem;\n\n- 21-03-2026, 11:26 uur, A15 links Hardinxveld;\n\n- 21-03-2026, 11:43 uur, A16 links Brienenoord;\n\n- 21-03-2026, 11:48 uur, A20 rechts afrit richting Alexandrium;\n\n- 21-03-2026, 12:24 uur, A16 rechts Brienenoord;\n\n- 21-03-2026, 12:51 uur, A15 rechts Hardinxveld;\n\n- 21-03-2026, 12:57 uur, A5 rechts Gorinchem;\n\n- 21-03-2026, 13:16 uur, A2 rechts Oud Empel.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] beschrijft dat bij hem het vermoeden bestond dat de bestuurder mogelijk verdovende middelen had gehaald en deze nu aan het vervoeren was, aangezien het voertuig ongeveer 41 minuten in Rotterdam is verbleven en gezien het feit dat het voertuig was voorzien van een verborgen ruimte. Dit vermoeden komt de rechtbank niet vreemd voor gelet op de informatie die hem op dat moment bekend was.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] eindigt zijn proces-verbaal met de opmerking dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met een collega van de Nationale Politie met het verzoek voornoemd voertuig te controleren. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het proces-verbaal van [verbalisant 1] niet beschreven is hoe laat dit telefonisch contact plaatsvond. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat deze opmerking onderaan het proces-verbaal staat, ondanks de indruk die dit wekt, niet de conclusie rechtvaardigt dat het telefonisch contact pas heeft plaatsgevonden na de laatste ANPR-hit van 13:16 uur. Verbalisant [verbalisant 2] lijkt immers wel het tijdstip te beschrijven in zijn proces-verbaal waarop het contact tussen hem en verbalisant [verbalisant 1] plaatsvond, namelijk: omstreeks 10:57 uur.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] beschrijft dat hij van [verbalisant 1] de volgende startinformatie kreeg: dat er vanuit Duitsland een voertuig met daarin twee personen vermoedelijk naar Rotterdam onderweg was om daar harddrugs op te halen om het vervolgens naar Duitsland te brengen. Het betrof een voertuig van het merk Opel, type Insignia en voorzien van het kenteken [kenteken] . Hoewel verbalisant [verbalisant 1] in zijn proces-verbaal niet heeft gerept over twee personen in het voertuig en evenmin specifiek over harddrugs, overweegt de rechtbank dat het niet onvoorstelbaar is dat verbalisant [verbalisant 2] zijn waarneming van de latere staande houding van de twee inzittenden en het aantreffen van de harddrugs abusievelijk heeft vervlochten met de startinformatie van [verbalisant 1] bij het opmaken van het onderhavige proces-verbaal. Bovendien is niet uitgesloten dat de verbalisanten naar aanleiding van de ANPR-hit de beschikking hadden over beelden van het voertuig, waaruit bleek dat het om twee inzittenden ging. Het vermoeden dat het voertuig vanuit Duitsland onderweg was naar Rotterdam om daar harddrugs op te halen om dit vervolgens naar Duitsland te brengen, komt de rechtbank niet vreemd voor gelet op het volgende. Uit de eerste ANPR-hit volgt dat de auto, met Duits kenteken, in Nederland is gesignaleerd om 10:23 uur op de A77. De Rijksweg A77 betreft een verbindingsweg tussen Duitsland en Nederland. Mede gelet op het Duitse kenteken, staaft deze route het vermoeden dat de auto vanuit Duitsland Nederland is binnengekomen. Uit de ANPR-hits kan verder worden afgeleid welke route het Duitse voertuig door Nederland volgde, te weten: richting Rotterdam. Het voertuig is enige tijd in (de buurt van) Rotterdam geweest waarna de auto zijn route vervolgde naar het oosten van Nederland. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat Rotterdam een belangrijke spil is in de handel in harddrugs in West-Europa. Daarbij komt dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, ook uit de startinformatie vanuit de Duitse politiesystemen bleek dat het betreffende voertuig, dat voorzien was van een verborgen ruimte, gebruikt werd om verdovende middelen mee te vervoeren.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] beschrijft vervolgens dat hij hoorde dat het voertuig inmiddels door de ANPR was gekomen op de rijksweg A15 komende uit de richting van Tiel gaande richting Rotterdam. Het voorgaande bevestigt overigens dat [verbalisant 2] al eerder telefonisch contact had met [verbalisant 1] dan de laatste door verbalisant [verbalisant 1] beschreven ANPR-hit van 13:16 uur.\n\nVervolgens beschrijft [verbalisant 2] dat hij omstreeks 13:16 uur een ANPR-hit ontving dat het voertuig was gezien op de rijksweg A2 (rechts, hm-paal 110,1). De rechtbank overweegt dat hieruit volgt dat verbalisant [verbalisant 2] deze ANPR-hit zelf ontving, dit was geen informatie die hij via [verbalisant 1] ontving. Verder blijkt uit zijn proces-verbaal dat hij niet veel later achter het betreffende voertuig reed en dat het voertuig en de twee inzittenden gecontroleerd werden aan de Bosscheweg te Boxtel. De staandehouding vond plaats om 13:22 uur. Hoewel de verdediging heeft aangevoerd dat het vrijwel onmogelijk is dat de staandehouding slechts 6 minuten na de laatste ANPR-hit van 13:16 uur plaatsvond, overweegt de rechtbank dat dit haar niet vreemd voorkomt aangezien verbalisant [verbalisant 2] blijkens zijn proces-verbaal werkzaam is bij het Grensoverschrijdend Politie Team. Hij was op 21 maart 2026 belast was met bilaterale patrouilles en voor de uitvoering van deze taak maakte hij gebruik van een – niet als zodanig herkenbaar – politievoertuig. De officier van justitie heeft ter zitting toegelicht dat het proces-verbaal is opgemaakt door het team LX (voluit: De Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, wat onderdeel uitmaakt van het Grensoverschrijdend Politie Team) en dat dit een landelijk verkeersteam betreft dat vrijwel altijd onderweg is. Gelet op het voorgaande en de constatering dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] al eerder contact moeten hebben gehad is het zeer aannemelijk dat verbalisant [verbalisant 2] zich al op de weg bevond en aanrijdend was op het moment dat hij de laatste ANPR-hit ontving. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat politieagenten zeer snel kunnen schakelen, snel aanrijdend zijn en snel ter plaatse zijn naar aanleiding van een melding of informatie (zoals een ANPR-hit) die zij ontvangen.\n\nGelet op het voorgaande deelt de rechtbank het standpunt van de verdediging, inhoudende dat de inhoud van de processen-verbaal diametraal tegenover elkaar staan en niet allebei waar kunnen zijn, niet. Hoewel de processen-verbaal op detailniveau enkele verschillen tonen, overweegt de rechtbank dat de verschillen niet met zich meebrengen dat een van de twee processen-verbaal onjuist of onbruikbaar is. Beide verbalisanten hebben aan de officier van justitie verklaard dat zij in deze processen-verbaal ieder vanuit hun eigen beleving naar waarheid hebben verklaard. Het menselijk geheugen is niet feilloos. Bovendien, en meest belangrijk, is dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van het ontbreken van cruciale informatie die redelijkerwijs van belang is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. De enkele omstandigheid dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op (herhaaldelijk) verzoek van de officier van justitie hebben geweigerd aanvullend proces-verbaal op te maken over de nadere duidingsvragen van de verdediging, waarbij zij aangeven te persisteren bij de inhoud van de op 21 en 22 maart 2026 opgestelde processen-verbaal, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In het onderhavige geval leiden de geringe verschillen en de weigering van de verbalisanten, gelet op de achtergrond zoals hiervoor geschetst, dan ook niet tot een schending van de verbaliseringsplicht.\n\nHet verweer ten aanzien van de verbaliseringsplicht is hiermee verworpen.\n\nBeoordeling van het rechtmatigheidsverweer\n\nUit het proces-verbaal van 22 maart 2026 van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat na de staandehouding van verdachte op 21 maart 2026 toegang is verschaft tot zijn voertuig op grond van artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet (Ow). Dit artikel geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid een voertuig te betreden en zoekend rond te kijken in geval redelijkerwijs kan worden vermoed dat met dit vervoermiddel drugs vervoerd wordt of dat hierin drugs aanwezig zijn. Het betreft echter geen bevoegdheid tot doorzoeking van het voertuig.\n\nGelet op de omstandigheid dat uit het proces-verbaal volgt dat in de kofferbakruimte een verborgen ruimte werd aangetroffen en getracht is deze verborgen ruimte te openen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een doorzoeking in plaats van slechts een betreding, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, Ow.\n\nVerder blijkt uit het proces-verbaal dat het voertuig vervolgens inbeslaggenomen is op grond van artikel 1:37 Algemene Douanewet. Dit artikel geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid over te gaan tot inbeslagname van onder meer vervoermiddelen die kennelijk ingericht of toegerust zijn om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de doorzoeking en inbeslagname rechtmatig zijn geweest. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.\n\nOp grond van artikel 96b Sv zijn opsporingsambtenaren bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken, in geval van een ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.\n\nDe rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat een aangebrachte verborgen ruimte in een voertuig enkel dient om strafbare goederen, zoals drugs, maar ook vuurwapens en uit misdrijf verkregen geld, aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals vermeld in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 21 maart 2026 en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 22 maart 2026 (zoals hiervoor reeds uiteengezet bij het bespreken van de beoordeling van het verweer aangaande de verbaliseringsplicht), is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, te weten: het verbergen of verhullen van drugs. Immers, er reed een voertuig met een buitenlands kenteken met daarin volgens Duitse informatie een verborgen ruimte die werd gebruikt om drugs te vervoeren vanuit de richting van de Duitse grens naar Rotterdam. Alwaar het voertuig kortstondig verbleef, om vervolgens de weg te vervolgen (terug) richting het oosten van het land, mogelijk het land weer uit. Gelet op het voorgaande waren de verbalisanten op grond van artikel 96b Sv de bevoegd het voertuig te doorzoeken ter inbeslagneming.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 22 maart 2026 weliswaar niet de juiste wettelijke grondslag voor de doorzoeking staat vermeld, maar dat wel een wettelijke grondslag voor de doorzoeking bestond. Van een onrechtmatige doorzoeking is daarom geen sprake.\n\nHet rechtmatigsheidsverweer is hiermee verworpen\n\nConclusie\n\nNu de rechtbank heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van schending van de verbaliseringsplicht en geen sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking, stelt de rechtbank vast dat van vormverzuimen in het vooronderzoek geen sprake is. Gelet op deze conclusie gaat de rechtbank over tot de beoordeling van de bewijsmiddelen.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nT.a.v. feit 1:\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, vast komen te staan dat er op 21 maart 2026 in de verborgen ruimte van de auto van verdachte, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , zes pakketten heroïne zijn aangetroffen. Het totaal nettogewicht van deze heroïne betrof 5503 gram. Verdachte heeft hiermee door Nederland gereden.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij wist dat er in zijn auto een verborgen ruimte aanwezig was, dat hij in Rotterdam pakketten in de verborgen ruimte heeft zien liggen en deze ook heeft aangeraakt en dat hij wist dat het om drugs ging, die – zo was hem verteld - ook wel ‘chocolade’ wordt genoemd. Hij wist echter niet precies om welke soort drugs het ging, laat staan dat het om harddrugs ging.\n\nDe rechtbank overweegt in dit verband als volgt.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij in Duitsland heeft ingestemd met een opdracht van een [onbekend gebleven] man. Deze opdracht hield in dat verdachte vanuit Duitsland naar Nederland zou rijden. Hij zou drugs gaan ophalen op een afgesproken locatie in Rotterdam. Hij moest deze drugs vervolgens van Rotterdam naar een dorpje in de buurt van Aken (Duitsland) brengen. Verdachte zou hier een bedrag van 3.000,- euro voor krijgen. Hij heeft nagelaten vragen te stellen aan de man om wat voor soort drugs het ging en heeft ook niet naar de inhoud van de pakketten gekeken. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte zich, door zich niet ervan te vergewissen wat voor soort drugs het transport betrof, willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij zich zou inlaten met het vervoeren van harddrugs in zijn personenauto. Verdachte heeft derhalve gehandeld met het vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 21 maart 2026 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne.\n\nDe rechtbank ziet onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat verdachte het feit gepleegd heeft in bewuste en nauwe samenwerking met een of meer anderen. Er zijn onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat verdachte de feiten heeft gepleegd in vereniging met zijn vriend, die zich als bijrijder in de auto bevond, of met een of meer andere onbekend gebleven personen uit Duitsland. Uit de verklaring van verdachte blijkt weliswaar dat hij afspraken heeft gemaakt met deze personen ten aanzien van het transport van de drugs, maar hij heeft - gezien de uitvoering van deze enkele opdracht, waar alleen hij verantwoordelijk voor was - slechts een beperkte en uitvoerende rol vervuld in het grotere geheel. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van medeplegen. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.\n\nT.a.v. feit 2:\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, op grond van de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een personenauto, terwijl verdachte wist dat dit voertuig was toegerust of ingericht met een verborgen ruimte die kennelijk bedoeld was om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 189a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nop 21 maart 2026 in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, 5503 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nT.a.v. feit 2:\n\nop 21 maart 2026 in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en\u002Fof ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en\u002Fof te bemoeilijken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.\n\nDe strafbaarheid van de feiten.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat ter zake van de twee ten laste gelegde feiten aan verdachte wordt opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft primair verzocht om vrijspraak en subsidiair bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij (gelet op de justitiële documentatie in Nederland en Duitsland) dient te worden beschouwd als een ‘first offender’, hij medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk onderzoek, direct een bekennende verklaring heeft afgelegd, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan alsmede de beperkte rol van verdachte in het grotere geheel. Gelet op de straffen die blijkens de jurisprudentie in soortgelijke gevallen worden opgelegd, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is en gematigd dient te worden tot een gevangenisstraf tussen de 14 en 18 maanden.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nDe aard en ernst van de feiten.\n\nVerdachte heeft zich op 21 maart 2026 schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne. De heroïne werd vervoerd in een speciaal daarvoor gemaakte verborgen ruimte in zijn personenauto. Deze verborgen ruimte was kennelijk bedoeld om de opsporing van strafbare feiten te belemmeren of bemoeilijken.\n\nDe aangetroffen hoeveelheid heroïne vertegenwoordigt een aanzienlijke straatwaarde. De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van harddrugs vaak tot andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachte heeft zich hier niet door laten weerhouden en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële situatie. Daarbij is extra kwalijk dat voor het drugstransport een verborgen ruimte in de auto is gebruikt, wat de opsporing van dit soort feiten kan bemoeilijken. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat aangebrachte verborgen ruimtes enkel dienen om strafbare goederen, zoals drugs, maar ook vuurwapens en uit misdrijf verkregen geld, aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Een dergelijke verborgen ruimte is naar haar aard en gelet op de kosten die met het maken van deze verborgen ruimte zijn gemoeid ook bedoeld voor herhaald gebruik.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat rekening met de omstandigheid dat hij blijkens de hem betreffende uittreksels uit de Justitiële Documentatie in Nederland en Duitsland niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten en zo bezien beschouwd dient te worden als een ‘first offender’.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in Albanië is geboren, naar Duitsland is gegaan en daar een verblijfsvergunning heeft gekregen om te werken. In Duitsland raakte hij in de financiële problemen vanwege het verlies van zijn baan, de medische situatie van zijn ouders die de nodige kosten met zich meebrachten en oplopende leningen\u002Fschulden. De rechtbank overweegt dat dit echter geen excuus is om dergelijke ernstige strafbare feiten te plegen. Verdachte had anders kunnen en anders moeten handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank neemt verdachte dat kwalijk. Verdachte heeft daarentegen wel verantwoordelijkheid getoond door openheid van zaken te geven ten aanzien van zijn eigen handelen en de door hem gepleegde strafbare feiten toegegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het verkeerde van zijn handelen inziet en heeft oprecht berouw getoond.\n\nDe strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving, en rekening houdend met alle hiervoor genoemde omstandigheden, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de straf hanteert de rechtbank als uitgangspunt de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor het vervoeren van harddrugs. In deze oriëntatiepunten wordt voor het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 tot 24 maanden voorgesteld.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het medeplegen van feit 1 en meer gewicht toekent aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals hiervoor vermeld.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de algemene voorwaarde verbinden dat verdachte zich onthoudt van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank wil daarmee enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds beoogt zij daarmee invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte gericht op het maken van andere keuzes wanneer hij zich opnieuw in een financieel benarde positie bevindt en (daarmee) op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nDe voorlopige hechtenis.\n\nOnder verwijzing naar de bepleite vrijspraak, heeft de verdediging ter terechtzitting de opheffing verzocht van de voorlopige hechtenis. Gelet op de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf ter zake van het bewezenverklaarde, wijst de rechtbank het verzoek af.\n\nBeslag.\n\nDe rechtbank overweegt dat geen beslissing meer genomen hoeft te worden ten aanzien van de op de beslaglijst van 22 juni 2026 vermelde inbeslaggenomen goederen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat reeds de teruggave is gelast van het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van 1.075,- euro (zoals vermeld onder 1 op de beslaglijst) en verdachte heeft afstand gedaan van alle inbeslaggenomen drugs.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 57 en 189a Wetboek van Strafrecht;\n\n2 en 10 Opiumwet.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezenzoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de misdrijven:\n\n opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod\n\n voorhanden hebben van een vervoermiddel, wetende dat dit vervoermiddel is toegerust of ingericht met een ruimte die kennelijk is bestemd om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nLegt op de volgende straf.\n\nT.a.v. feit 1, feit 2:\n\n een gevangenisstraf voor de duur van 20 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrechtwaarvan 6 maanden voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. M.W.M. Bankers, voorzitter,\n\nmr. J.H.P.G. Wielders en mr. A. Maas, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4763","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:12.710Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":39,"fullText":61,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":40,"updatedAt":63},"1263","ECLI:NL:RBOBR:2026:4791","ecli-nl-rbobr-2026-4791","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.020221.23\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,\n\nwonende te [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juni 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 14 mei 2022 te Luyksgestel, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:\n\n- het kussen van\u002Fop haar lichaam en\u002Fof\n\n- met haar (tong)zoenen en\u002Fof\n\n- het brengen en\u002Fof duwen en\u002Fof bewegen van zijn penis en\u002Fof vinger(s) in haar vagina en\u002Fof\n\n- het zich door haar laten aftrekken en\u002Fof pijpen,en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte:\n\n- haar kleding uit heeft getrokken en\u002Fof\n\n- haar heeft vastgegrepen en\u002Fof haar hoofd richting zijn penis heeft geduwd en\u002Fof\n\n- heeft gezegd dat ze hem moest pijpen en\u002Fof aftrekken en\u002Fof\n\n- boven op haar is geklommen en\u002Fof is gaan liggen en\u002Fof\n\n- daarbij voorbij is gegaan aan en\u002Fof niet heeft geluisterd naar het mondelinge verzet dat die [slachtoffer] heeft getoond.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijs.\n\nInleiding.\n\nVerdachte wordt ervan verdacht dat hij [slachtoffer] , een destijds 21-jarige vriendin van zijn dochter, heeft verkracht op de wijze zoals in de tenlastelegging staat omschreven.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat de aangifte niet betrouwbaar is. Indien de aangifte wel betrouwbaar wordt geacht, dan is er volgens de raadsman onvoldoende steunbewijs. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nBijzondere overwegingen omtrent het bewijs\n\nBeoordelingskader van het bewijs in zedenzaken\n\nDeze zaak betreft de verdenking van een zedendelict. Dergelijke zaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de beweerde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Als de verdachte ontkent, komt het vaak neer op het woord van het vermeende slachtoffer (in dit geval [slachtoffer] ) tegen dat van de verdachte. Bij de beoordeling van het bewijs moet de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] beoordelen, beoordelen of er voldoende ander bewijs aanwezig is dat deze verklaring ondersteunt en beoordelen of er tegenaanwijzingen zijn.\n\nVolgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (van het slachtoffer) worden bewezen. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.\n\nVolgens de Hoge Raad moet deze bewijsminimumregel in zedenzaken niet zo uitgelegd worden dat vereist is dat de (seksuele) handelingen die op de beschuldiging staan als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voldoende wanneer de verklaring van het vermeende slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een andere bron dan van het vermeende slachtoffer.\n\nBeoordeling\n\nBetrouwbaarheid\n\nDe rechtbank moet allereerst beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn.\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op twee momenten een verklaring heeft afgelegd, te weten tijdens het informatieve gesprek met de politie op 14 mei 2022 en in haar aangifte op 23 juni 2022. Over belangrijke onderdelen van de verdenking, te weten de aard van de seksuele handelingen en de volgorde en plaats van die handelingen heeft [slachtoffer] consistente verklaringen afgelegd. Zowel tijdens het informatieve gesprek met de politie als in haar aangifte heeft [slachtoffer] immers verklaard dat de seksuele handelingen plaatsvonden in de slaapkamer van verdachte en dat deze in drie ‘rondes’ hebben plaatsgevonden. Verder zijn haar verklaringen voldoende gedetailleerd en authentiek, bijvoorbeeld over dat zij ter afleiding met de hond van verdachte ging spelen in de hoop dat er verder niets zou gebeuren of dat zij tussen de seksuele handelingen door de badjas van verdachte aantrok. De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen dat [slachtoffer] haar begeleidster [betrokkene] direct heeft verteld over hetgeen haar was overkomen, waarna zij op dezelfde avond nog forensisch-medisch werd onderzocht in het ziekenhuis en ook het informatieve gesprek heeft plaatsgevonden. Ook de hierna te bespreken resultaten uit het DNA-onderzoek dragen bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . Deze wijzen immers onmiskenbaar op seksueel contact tussen verdachte en [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] en acht deze dan ook in de kern, voor wat betreft de seksuele handelingen, betrouwbaar.\n\nDe rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verklaring van [slachtoffer] voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen (steunbewijs).\n\nSteunbewijs\n\nDoor het NFI is DNA-onderzoek verricht aan de lichaamsbemonsteringen die bij een Forensisch Medisch Onderzoek van [slachtoffer] zijn afgenomen.\n\nIn de bemonstering van de buitenste schaamlippen is, naast een relatief grote hoeveelheid DNA van [slachtoffer] , een relatief geringe hoeveelheid DNA gevonden dat afkomstig kan zijn van verdachte. Dit DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en verdachte, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.\n\nOok in de bemonsteringen van de rechterborst, de linkerborst en de linker bil is DNA van [slachtoffer] en DNA dat afkomstig kan zijn van verdachte gevonden. Het DNA-mengprofiel is voor wat betreft de rechter- en linkerborst meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] en verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van het [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon. Voor wat betreft het DNA-mengprofiel in de bemonstering van de linker bil is dat ongeveer 35 miljoen keer waarschijnlijker.\n\nVoor de bemonstering van de binnenste schaamlippen + ondiep vaginaal en de bemonstering diep vaginaal is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA in deze bemonsteringen. Van dit DNA zijn (met elkaar overeenkomende) Y-chromosomale DNA-profielen verkregen van minimaal één man. Het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte komt overeen met deze Y- chromosomale DNA-profielen. Dit betekent dat het mannelijk DNA in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man.\n\nHet NFI heeft aangegeven dat de DNA-profielen uit de bemonsteringen zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer – kort gezegd – verdachte of een man in de vaderlijke lijn van verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is.\n\nDe resultaten van het NFI-onderzoek ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] dat seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen haar en verdachte. Gelet op de bevindingen van het NFI en de verklaring van [slachtoffer] is de rechtbank van oordeel dat verdachte donor is van het celmateriaal op de buitenste schaamlippen, de rechter- en linkerborst en de linker bil, alsmede op de binnenste schaamlippen en de (ondiepe en diepe) vagina van [slachtoffer] , en dat het gaat om dadersporen.\n\nAlternatief scenario\n\nVerdachte heeft ontkend dat [slachtoffer] alleen bij hem thuis is geweest en dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden met [slachtoffer] . Verdachte zegt geen verklaring te hebben voor de resultaten van het DNA-onderzoek, De raadsman heeft aangevoerd dat de broer van verdachte niet is betrokken in het DNA-onderzoek. Deze broer zou [slachtoffer] , volgens haar verklaring, naar het huis van verdachte hebben gebracht waarna het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden.\n\nDe rechtbank overweegt dat zij de stelling van de raadsman – voor zover die zou moeten worden gezien als een alternatief scenario – volstrekt onaannemelijk acht. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de broer van verdachte seksueel contact met [slachtoffer] heeft gehad. [slachtoffer] heeft dat niet verklaard en verdachte zelf ook niet. Bovendien is er in meerdere lichaamsbemonsteringen van [slachtoffer] , waaronder op de buitenste schaamlippen, autosomaal DNA van verdachte gevonden met een hoge bewijskracht.\n\nTussenconclusie\n\nGelet op de aangifte van [slachtoffer] en de bevindingen van het NFI is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen [slachtoffer] en verdachte seksuele handelingen hebben plaatsgevonden zoals vermeld in de tenlastelegging.\n\nDwang\n\nDwang in de zin van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht kan plaatsvinden door middel van geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Van geweld of bedreiging met geweld is gelet op de inhoud van het dossier geen sprake. Van een door middel van een andere feitelijkheid dwingen tot seksuele handelingen is sprake indien verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat [slachtoffer] die handelingen heeft ondergaan tegen haar wil. Of een dergelijke dwang heeft plaatsgevonden laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.\n\nTussen verdachte en [slachtoffer] bestond een groot leeftijdsverschil. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde 59 jaar en [slachtoffer] was 21 jaar.\n\n [slachtoffer] was een kwetsbare jonge vrouw. Zij had forse psychische problematiek, ze was daarvoor opgenomen en verdachte heeft verklaard dat hij daarvan op de hoogte was.\n\n [slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard.\n\nIk heb hem duidelijk uitgelegd en gezegd dat dat niet kon, dat hij te ver ging. Ik heb gezegd ik ben de beste vriendin van je dochter, ik wil dit niet, stop. Maar daar werd niet naar geluisterd.\n\nHij duwde mijn hoofd naar zijn onderstuk. Hij zei dat ik hem moest pijpen.\n\nToen hij mij zoende, zei ik ook al, nee wat doe je, stop. Hij zei toen, kom op kom op.\n\nIk heb tijdens de seks gezegd dat het pijn deed. Hij zei, het is zo over.\n\nGelet op het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] , de kwetsbare positie van [slachtoffer] en haar verklaring, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van dwang.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank heeft op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\nop 14 mei 2022 te Luyksgestel door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:\n\n- het kussen van\u002Fop haar lichaam en\n\n- met haar zoenen en\n\n- het brengen van zijn penis en vinger(s) in haar vagina en\n\n- het zich door haar laten aftrekken en pijpen,en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat verdachte:\n\n- haar kleding uit heeft getrokken en\n\n- haar heeft vastgegrepen en haar hoofd richting zijn penis heeft geduwd en\n\n- heeft gezegd dat ze hem moest pijpen en aftrekken en\n\n- boven op haar is geklommen en is gaan liggen en\n\n- daarbij voorbij is gegaan aan en niet heeft geluisterd naar het mondelinge verzet dat die [slachtoffer] heeft getoond.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en een ambulante behandeling.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de strafmaat. Verdachte heeft verklaard dat hij bereid is de door de reclassering geadviseerde ambulante behandeling te volgen.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft in 2022 zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een destijds 21-jarige vriendin van zijn dochter. De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer en haar psychische kwetsbaarheid. Er was sprake van verregaande seksuele handelingen gedurende een aantal uren. Verdachte heeft met zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. Dit ernstige zedenmisdrijf moet een enorme impact op [slachtoffer] hebben gehad. De rechtbank rekent het verdachte, die de problematiek van het slachtoffer kende, zwaar aan dat hij zijn eigen seksuele behoefte volledig boven het belang van deze kwetsbare jonge vrouw heeft gesteld.\n\nDe rechtbank houdt in strafverzwarende zin ook rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder, weliswaar lang geleden, is veroordeeld voor zedenfeiten.\n\nDe rechtbank stelt vast dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij de berechting van een zaak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar na aanvang van de redelijke termijn. Als beginpunt van de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn geldt het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt in dit geval als begindatum vast de datum van aanhouding van verdachte, te weten 9 januari 2024. Tussen die datum en de datum van het eindvonnis (7 juli 2026) ligt een periode van 2 jaar en bijna 6 maanden. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 6 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn niet dient te worden meegewogen in de strafoplegging. De rechtbank zal het door het tijdsverloop veroorzaakte nadeel langs de weg van strafvermindering compenseren. De rechtbank heeft dit gedaan door in het voordeel van verdachte het oude oriëntatiepunt voor verkrachting als uitgangspunt te nemen en een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, zoals hierna zal worden toegelicht.\n\nDe rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 27 mei 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nGezien de ontkennende houding van betrokkene is het niet mogelijk om een analyse te maken van de risico’s of verbanden te leggen tussen de leefgebieden en de tenlastelegging.\n\nBetrokkene is eerder veroordeeld voor zedendelicten; aanranding van de eerbaarheid in 2002 en plegen van ontuchtige handelingen in 2004. Omdat dit echter ruim twintig jaar geleden is, kunnen we niet spreken van een actueel delictpatroon. Wel is het opvallend dat betrokkene, buiten deze eerdere veroordeling, vaker als verdachte is aangemerkt met betrekking tot een zedenmisdrijf, al is ook dit meer dan twintig jaar geleden. Uit het gesprek met betrokkene komt naar voren dat hij geen antwoord heeft op de vraag hoe het komt dat hij bij herhaling als verdachte van een zedenmisdrijf wordt aangemerkt. Betrokkene staat ervoor open dit te onderzoeken. Uit de risicotaxatie instrumenten komt, in het geval van een veroordeling, een laag recidiverisico naar voren. Echter zien we ook dat betrokkene met name scoort op de dynamische (veranderbare) risicofactoren en niet op de statische (onveranderbare) factoren. Om deze reden, achten wij een behandeling, in het geval van een veroordeling, geïndiceerd.\n\nBij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden.\n\n• Meldplicht bij reclassering.\n\n• Ambulante behandeling (gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en\u002Fof andere problematiek).\n\nBij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het oriëntatiepunt voor een verkrachting met een beperkte mate van dwang was in 2022, toen nog de oude wetsbepaling gold en het strafklimaat milder was dan heden, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank zal daarom een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.\n\nAlles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten voor de duur van 6 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, te weten een meldplicht en een ambulante behandeling gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en\u002Fof andere problematiek.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 242 (oud) Wetboek van Strafrecht.\n\nDE UITSPRAAK\n\nVerklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nverkrachting\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nLegt op de volgende straf.\n\nEen gevangenisstrafvoor de duur van24 maandenwaarvan6 maanden voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n1. Meldplicht bij reclassering\n\nDat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114 te Eindhoven, telefoonnummer 088-8041504.\n\n2. Ambulante behandeling\n\nDat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door forensische polikliniek De Omslag van GGZ Eindhoven of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en\u002Fof andere problematiek.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nHierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\n- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,\n\nmr. A. Maas en mr. M.W.M. Bankers, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H. Wildeman, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4791","2026-07-13T00:29:12.764Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":39,"fullText":68,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":40,"updatedAt":70},"885","ECLI:NL:RBOBR:2026:4828","ecli-nl-rbobr-2026-4828","vonnis\n\nRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.214632.25\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVerkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [1989] ,\n\nwonende te [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nt.a.v. feit 1:\n\nhij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2022 tot en met 11 september 2024 te Heesch, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\nin de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024\n\neen of meer afbeeldingen en\u002Fof - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft\n\nen\u002Fof\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft\n\nte weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\u002Fof\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\u002Fof\n\n-harde schijf (HGST),\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand, en\u002Fof het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n- Afbeelding #00 toonmap, p. 157 eind-pv\n\n- Afbeelding #05 toonmap, p. 163 t\u002Fm 168 eind-pv\n\n- Afbeelding #07 toonmap, p. 170 eind-pv\n\n- Afbeelding #08 toonmap, p. 171 eind-pv\n\n- Afbeelding #10 toonmap, p. 172 t\u002Fm 174 eind-pv\n\n- Afbeelding #11 toonmap, p. 175 eind-pv\n\n- Afbeelding #12 toonmap, p. 176 eind-pv\n\n- Afbeelding #14 toonmap, p. 177 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel en\u002Fof de eigen borsten met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n- Afbeelding #01 toonmap, p. 158 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\nin een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n-die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar kleding\n\n ontdoet\n\n en\u002Fof\n\n-door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n- Afbeelding #02 toonmap, p. 158\u002F159 eind-pv\n\n- Afbeelding #04 toonmap, p. 160 t\u002Fm 162 eind-pv\n\n- Afbeelding #06 toonmap, p. 169 eind-pv\n\n- Afbeelding #09 toonmap, p. 172 eind-pv\n\n- Afbeelding #13 toonmap, p. 177 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\ndat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten\n\n- Afbeelding #03 toonmap, p. 159 eind-pv\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt;\n\nt.a.v. feit 2:\n\nhij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024 te Heesch, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten 540 foto’s en\u002Fof video’s en\u002Fof gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\u002Fof\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\u002Fof\n\n-harde schijf (HGST),\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof heeft vervaardigd en\u002Fof heeft verspreid, terwijl op die afbeelding(en) (een) ontuchtige handeling(en) zichtbaar is\u002Fzijn, waarbij (telkens) een mens en een dier is\u002Fzijn betrokken of schijnbaar is\u002Fzijn betrokken, welke voornoemde ontuchtige handeling(en) (zakelijk weergegeven) bestond(en) uit:\n\nhet door een dier (met de penis) oraal en\u002Fof vaginaal penetreren van het lichaam van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #07 toonmap, p. 185 eind-pv\n\n- Afbeelding #08 toonmap, p. 186 t\u002Fm 188 eind-pv\n\n- Afbeelding #09 toonmap, p. 189 eind-pv\n\n- Afbeelding #10 toonmap, p. 190 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\nhet door een (volwassen) persoon likken en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een dier\n\n- Afbeelding #00 toonmap, p. 178 en 179 eind-pv\n\n- Afbeelding #01 toonmap, p. 180 eind-pv\n\n- Afbeelding #03 toonmap, p. 182 eind-pv\n\n- Afbeelding #04 toonmap, p. 183 eind-pv\n\n- Afbeelding #06 toonmap, p. 185 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\nhet door een dier likken van het geslachtsdeel van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #02 toonmap, p. 181 eind-pv\n\n- Afbeelding #05 toonmap, p. 184 eind-pv\n\n- Afbeelding #11 toonmap, p. 190 eind-pv;\n\nt.a.v. feit 3:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024 te Heesch, althans in Nederland, een visuele weergave van een seksuele handeling, waarbij een mens en een dier waren betrokken of schijnbaar waren betrokken, heeft verspreid, openlijk tentoon heeft gesteld, heeft vervaardigd, heeft ingevoerd, heeft doorgevoerd, heeft uitgevoerd, en\u002Fof in bezit heeft gehad, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\u002Fof\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\u002Fof\n\n-harde schijf (HGST),\n\nwaarop te zien is dat:\n\neen mens oraal en\u002Fof vaginaal wordt gepenetreerd met een penis door een dier\n\n- Afbeelding #07 toonmap, p. 185 eind-pv\n\n- Afbeelding #08 toonmap, p. 186 t\u002Fm 188 eind-pv\n\n- Afbeelding #09 toonmap, p. 189 eind-pv\n\n- Afbeelding #10 toonmap, p. 190 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\neen mens het geslachtsdeel van het dier likt en\u002Fof aanraakt\n\n- Afbeelding #00 toonmap, p. 178 en 179 eind-pv\n\n- Afbeelding #01 toonmap, p. 180 eind-pv\n\n- Afbeelding #03 toonmap, p. 182 eind-pv\n\n- Afbeelding #04 toonmap, p. 183 eind-pv\n\n- Afbeelding #06 toonmap, p. 185 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\neen dier het geslachtsdeel van het mens likt\n\n- Afbeelding #02 toonmap, p. 181 eind-pv\n\n- Afbeelding #05 toonmap, p. 184 eind-pv\n\n- Afbeelding #11 toonmap, p. 190 eind-pv;\n\nt.a.v. feit 4:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2024 te Heesch, althans in Nederland, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten een of meerdere honden, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:\n\n-het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n-het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n-het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte;\n\nt.a.v. feit 5:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 september 2024 te Heesch, althans in Nederland,\n\n-een of meer seksuele handelingen heeft verricht met een dier en\u002Fof\n\n-een dier een of meer seksuele handelingen heeft laten verrichten met verdachte en\u002Fof met\n\n een derde en\u002Fof\n\n-een dier een of meer seksuele handelingen heeft laten ondergaan, die zijn verricht door een\n\n derde,\n\nte weten:\n\n- het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n- het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n- het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vijf feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman van verdachte heeft zich voor wat betreft de bewijstechnische waardering van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nVerdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting volmondig toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan – kort gezegd - de diverse tenlastegelegde gedragingen die zien op kinderporno, dierenporno en seks met dieren.\n\nGezien het bewijstechnische standpunt van de raadsman van verdachte (referte) en de bekennende verklaring van verdachte over zijn daderschap, komt de rechtbank zonder verdere bespreking van de inhoud van de overige redengevende bewijsmiddelen tot bewezenverklaringen van alle (vijf) feiten zoals hierna uitgeschreven.\n\nDe door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in\n\neen aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld\n\n(artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).\n\nDe bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nDe rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:\n\nt.a.v. feit 1:\n\nin de periode van 16 augustus 2022 tot en met 11 september 2024 te Heesch, meermalen,\n\n-in de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024 afbeeldingen en gegevensdragers, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof vervaardigd en verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad\n\nen\n\n-in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024 visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken heeft verspreid en aangeboden en\n\nvervaardigd en verworven en in bezit heeft gehad\n\nte weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\n\n-harde schijf (HGST),\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand, en\u002Fof het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n- Afbeelding #00 toonmap,\n\n- Afbeelding #05 toonmap\n\n- Afbeelding #07 toonmap,\n\n- Afbeelding #08 toonmap,\n\n- Afbeelding #10 toonmap,\n\n- Afbeelding #11 toonmap,\n\n- Afbeelding #12 toonmap,\n\n- Afbeelding #14 toonmap,\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel en\u002Fof de eigen borsten met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n- Afbeelding #01 toonmap\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\nin een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n-die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar kleding\n\n ontdoet\n\n en\u002Fof\n\n-door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n- Afbeelding #02 toonmap,\n\n- Afbeelding #04 toonmap\n\n- Afbeelding #06 toonmap\n\n- Afbeelding #09 toonmap\n\n- Afbeelding #13 toonmap\n\nen\u002Fof\n\ndat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten\n\n- Afbeelding #03 toonmap\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt;\n\nt.a.v. feit 2:\n\nin de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024 te Heesch afbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24)\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof heeft vervaardigd en\u002Fof heeft verspreid, terwijl op die afbeeldingen ontuchtige handelingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een mens en een dier zijn betrokken,\n\nwelke voornoemde ontuchtige handelingen (zakelijk weergegeven) bestonden uit:\n\nhet door een dier (met de penis) oraal en\u002Fof vaginaal penetreren van het lichaam van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #07 toonmap\n\n- Afbeelding #08 toonmap\n\n- Afbeelding #09 toonmap\n\n- Afbeelding #10 toonmap\n\nen\u002Fof\n\nhet door een (volwassen) persoon likken en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een dier\n\n- Afbeelding #00 toonmap\n\n- Afbeelding #01 toonmap\n\n- Afbeelding #03 toonmap\n\n- Afbeelding #04 toonmap\n\n- Afbeelding #06 toonmap\n\nen\u002Fof\n\nhet door een dier likken van het geslachtsdeel van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #02 toonmap\n\n- Afbeelding #05 toonmap\n\n- Afbeelding #11 toonmap;\n\nt.a.v. feit 3:\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024 te Heesch, een visuele weergave van een seksuele handeling, waarbij een mens en een dier waren betrokken, heeft verspreid, heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24\n\nwaarop te zien is dat:\n\neen mens oraal en\u002Fof vaginaal wordt gepenetreerd met een penis door een dier\n\n- Afbeelding #07 toonmap\n\n- Afbeelding #08 toonmap\n\n- Afbeelding #09 toonmap\n\n- Afbeelding #10 toonmap\n\nen\u002Fof\n\neen mens het geslachtsdeel van het dier likt en\u002Fof aanraakt\n\n- Afbeelding #00 toonmap\n\n- Afbeelding #01 toonmap\n\n- Afbeelding #03 toonmap\n\n- Afbeelding #04 toonmap\n\n- Afbeelding #06 toonmap\n\nen\u002Fof\n\neen dier het geslachtsdeel van het mens likt\n\n- Afbeelding #02 toonmap\n\n- Afbeelding #05 toonmap\n\n- Afbeelding #11 toonmap\n\nt.a.v. feit 4:\n\nin de periode van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2024 in Nederland, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten honden, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:\n\n-het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n-het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n-het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte;\n\nt.a.v. feit 5:\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 september 2024 in Nederland,\n\n-seksuele handelingen heeft verricht met een dier en\u002Fof\n\n-een dier een of meer seksuele handelingen heeft laten verrichten met verdachte\n\nte weten:\n\n- het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n- het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n- het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte.\n\nDe strafbaarheid van de feiten.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straffen.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voor het voorwaardelijke deel van de straf zouden de door de reclassering in haar rapport van 26 februari 2026 geformuleerde bijzondere voorwaarden moeten gelden.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman van verdachte heeft gesteld dat verdachte na zijn aanhouding zelf professionele hulp heeft gezocht en gevonden. Een ongestoorde voortgang van het ingezette behandeltraject is volgens de raadsman van groot belang. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat behandeltraject doorkruisen. Gelet op het aan de orde zijnde taakstrafverbod heeft de raadsman de volgende strafoplegging voorgesteld:\n\n-een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 dag;\n\n-een voorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden met een proeftijd van 3 jaren met\n\n de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en\n\n-een taakstraf, eventueel per afzonderlijk feit opgelegd.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op van 360 dagen, waarvan 359 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf zullen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden verbonden. Ook legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf komt.\n\nDe bewezenverklaarde feiten.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verwerven, verspreiden, aanbieden, vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen en video’s in een periode van (in ieder geval) bijna twee jaar. Op die afbeeldingen en video’s waren ook baby’s en peuters te zien. Ook heeft verdachte Snapchat video’s van minderjarigen opgenomen en verspreid. Via een internetprogramma heeft hij bovendien virtuele kinderpornografische afbeeldingen gecreëerd.\n\nDoor het verzamelen en vervaardigen van dit materiaal heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie en verspreiding van kinderporno. Hierdoor heeft hij ook meegewerkt aan het misbruik en de exploitatie van de betrokken minderjarigen. Door zijn handelen heeft verdachte de industrie die deze minderjarigen misbruikt mede in stand gehouden. Dergelijk misbruik kan zeer nadelige gevolgen hebben (in de zin van psychische, emotionele en lichamelijke schade) bij de desbetreffende minderjarigen en zij kunnen daardoor ernstig worden geschaad in hun verdere ontwikkeling.\n\nVerdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het in bezit hebben en verspreiden van dierenpornografisch materiaal. Een deel van dat materiaal was zelf vervaardigd door het verrichten en filmen van seksuele handelingen met honden. Voor de vervaardiging van dit materiaal zijn dieren misbruikt ten behoeve van de behoeftebevrediging van verdachte en andere personen. Seksueel contact tussen mens en dier is in strijd met de goede zeden. Dergelijke feiten veroorzaken maatschappelijke onrust en verontwaardiging.\n\nZoveel mogelijk gelijke straffen in vergelijkbare zaken.\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ van de rechtspraak. Dit zijn uitgangspunten die strafrechters in Nederland hebben afgesproken om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen. Voor de feiten met betrekking tot het kinderpornografisch materiaal wordt in de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf genoemd. Voor de feiten met betrekking tot de dieren bestaan geen oriëntatiepunten. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een (voorwaardelijke) vrijheidsbeneming op zijn plaats. Daarbij speelt ook een rol dat de wetgever expliciet voor kinderporno heeft bepaald dat het taakstrafverbod van toepassing is.\n\nDe verdachte.\n\nUit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.\n\nVerdachte heeft na zijn aanhouding professionele hulp gezocht en is sindsdien in behandeling. Verdachte heeft direct openheid van zaken gegeven bij de politie en heeft zijn rol op geen enkele wijze kleiner willen maken of de strafwaardigheid van zijn handelen gebagatelliseerd. Hij staat onder behandeling bij de GGZ en heeft ambulante begeleiding. Verdachte ziet inmiddels in dat het bekijken van kinderporno verwerpelijk is en bijdraagt aan kindermisbruik. De behandeling is er onder meer op gericht om seksueel gezond gedrag aan te leren en een terugval te voorkomen.\n\nOver verdachte is op 26 februari 2026 een reclasseringsrapport uitgebracht. De reclassering spreekt van een openheid in contact met politie, justitie, hulpverlening en de reclassering. Verdachte houdt zich aan afspraken. De reclassering schat de kans op recidive in als gemiddeld. De reclassering adviseert bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.\n\nOplegging straf.\n\nGelet op al het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van de samenleving dat de hulp die verdachte ontvangt niet wordt geblokkeerd of doorkruist door een straf die met zich zou brengen dat verdachte lange tijd in detentie moet verblijven. Hierdoor zouden namelijk veel beschermende factoren wegvallen, terwijl het juist van groot belang is dat de hulpverlening wordt voortgezet om recidive te voorkomen. Anderzijds heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De rechtbank zal dan ook, zoals gezegd, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 360 dagen, waarvan 359 dagen voorwaardelijk én een taakstraf van 240 uren. De rechtbank wil hiermee enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds met het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe voorwaardelijke gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft. De rechtbank is daarbij van oordeel dat een proeftijd van drie jaar in deze zaak passend is.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 (oud), 240b (oud), 252, 254 (oud), 254, 254a (oud), 254c en 254d van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart het ten laste gelegde onder feiten 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de misdrijven:\n\nfeit 1\n\neen afbeelding en een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken is betrokken, verspreiden, aanbieden, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben\n\nen\n\neen visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbare seksuele strekking, verspreiden, aanbieden, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte wordt gemaakt\n\nfeit 2\n\neen afbeelding en een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd\n\nfeit 3\n\neen visuele weergave van een seksuele handeling waarbij een mens en een dier zijn betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd\n\nfeit 4\n\nontuchtige handelingen plegen met een dier, meermalen gepleegd\n\nfeit 5\n\nseksuele handelingen verrichten met een dier\n\nen\n\neen dier seksuele handelingen laten verrichten met zichzelf, meermalen gepleegd\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nLegt op de volgende straffen.\n\nt.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5:\n\nEen gevangenisstrafvoor de duur van 360 dagen waarvan 359 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe rechtbank stelt daarbij als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:\n\n- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;\n\n-meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs\n\n ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\n-meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het\n\n zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.\n\nDe rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n- Meldplicht bij reclassering. De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, locatie 's-Hertogenbosch op het adres Eekbrouwersweg 6\u002Ftelefoonnummer 088-8041504.\n\n- Ambulante behandeling. De veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra de aanmelding wordt geaccepteerd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en\u002Fof andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n- Dagbesteding. De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding met een vaste structuur.\n\n- Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik.\n\n Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n 1.digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met\n\n kinderpornografisch materiaal;\n\n 2.digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen\n\n en\u002Fof dieren wordt gecommuniceerd; waaronder ook games met chatfunctie, die\n\n specifiek ontwikkeld zijn voor minderjarigen;\n\n 3.geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker,\n\n Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij\n\n de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor\n\n bankzaken);\n\n 4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. Zal\n\n vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\n Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot\n\n geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices,\n\n USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden\n\n opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de veroordeelde in\n\n gebruik heeft.\n\n De veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde\n\n huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die\n\n veroordeelde in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van\n\n wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals\n\n vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de veroordeelde de\n\n instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden\n\n tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle\n\n weer teruggezet.\n\n De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover\n\n noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied\n\n een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.\n\n De controles mogen gedurende de gehele proeftijd maximaal (circa) drie keer per jaar\n\n gedurende de proeftijd worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de\n\n veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het\n\n bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven\n\n van de veroordeelde.\n\n- Andere voorwaarden het gedrag betreffende:\n\n- Indien tijdens het toezicht nodig wordt gevonden, werkt de veroordeelde mee aan\n\n verder onderzoek gericht op zijn delictgedrag, persoonlijkheid en mogelijke\n\n beperkingen in zijn psychosociaal functioneren en\u002Fof houding. Hij werkt mee aan de\n\n daaruit voortkomende adviezen, ook als dit een behandeling inhoudt door een\n\n forensische zorgverlener en\u002Fof een gedragstraining, te bepalen door de reclassering.\n\n De eventuele behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering\n\n nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de\n\n zorgverlener dan geeft voor de behandeling en\u002Fof de trainer wanneer het een\n\n gedragstraining betreft.\n\n- De veroordeelde werkt mee aan de bestaande (ambulante) zorg uitgevoerd door Unitio\n\n of soortgelijke zorgverlener.\n\nDe rechtbank geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nEen taakstrafvoor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.V. Vullings, voorzitter,\n\nmr. N. Flikkenschild en mr. R.J. Heuft, leden,\n\nin tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4828","2026-07-13T00:28:52.950Z",{"id":72,"ecli":73,"slug":74,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":75,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":76,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":40,"updatedAt":78},"1641","ECLI:NL:RBOBR:2026:4752","ecli-nl-rbobr-2026-4752","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.042924.22\n\nDatum uitspraak: 06 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 mei 2026.\n\nNadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021te Veldhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen,door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fofdoor listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels\n [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro) door:- (onder valse voorwendselen)een vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger te regelen en\u002Fof- (met) die vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger het terrein van [bedrijf 1] op te (laten) rijden en\u002Fofcontact te (laten) zoeken met een medewerker op het terrein en\u002Fofdeze vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger te (laten) parkeren aan een dok (waar goederen worden geladen) en\u002Fof- medewerkers van [bedrijf 1] pallets met sneakers in de oplegger te laten laden en\u002Fof- een vrachtbrief (CMR) te (laten) ondertekenen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door [bedrijf 2] en\u002Fof- zich aldus (overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen [bedrijf 1] ) voor te doen als een bonafide transporteur welke (dagelijks) in opdracht van [bedrijf 1] sneakers, althans goederen, komt laden en transporteren\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), in elk geval enig goed, die\u002Fdat geheel of ten deleaan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomenmet het oogmerk om die\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven en\u002Fof Engelen en\u002Fof ’s-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en\u002Fof heeft overgedragen,terwijl hij tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie is van oordeel dat sprake is van oplichting en een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) . Door een onjuiste voorstelling van zaken zijn medewerkers van [bedrijf 1] (hierna ook: [bedrijf 1] ) bewogen tot de afgifte van de sneakers.\n\nVerdachte heeft een initiërende rol gespeeld bij het regelen van het transport en heeft actief meegeholpen bij het overladen van de buit in Engelen. Verdachte heeft het adres in Veldhoven aan chauffeur [medeverdachte] gegeven, hij heeft zijn Caddy bij een tankstation naast de A2 achtergelaten, hij is bewust uit het zicht achterin de cabine van de vrachtwagen gaan zitten en hij heeft [medeverdachte] de weg gewezen naar een loods op het bedrijventerrein in Veldhoven en wist in welk dock ze moesten zijn. Verdachte wist wel degelijk waar hij mee bezig was.\n\n [medeverdachte] heeft verklaard dat hij was ingeschakeld om iemand te verhuizen. Bij hem hadden al snel de alarmbellen moeten gaan rinkelen, toen de Caddy werd achtergelaten, verdachte en de andere inzittende, [betrokkene 1] , achterin uit het zicht in de vrachtwagen zijn gaan zitten, hij naar een loods in Veldhoven in plaats van Berlicum moest rijden, en zeker op het moment dat hij de dozen met schoenen op de pallets zag staan. Op dat moment moet [medeverdachte] hebben geweten dat hij ingezet was voor criminele zaken. Hij koos er niet voor om vragen te stellen, weg te gaan of de politie te bellen, wat hij wel had moeten doen. Hij ging door en vervulde een actieve rol. Hij liet zijn oplegger laden met de sneakers, tekende een vrachtbrief af waarop stond dat hij van [bedrijf 2] was, vertrok naar de locatie waar werd overgeladen en hielp toen ook mee.\n\nDit alles maakt dat hier sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten. Het primair ten laste gelegde, medeplegen van oplichting, kan aldus de officier van justitie, bewezen worden.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en daartoe onder meer het volgende aangevoerd.\n\nVerdachte was in de veronderstelling dat hij iemand hielp met verhuizen.\n\nWanneer alle verklaringen, onderzoeksbevindingen en objectieve gegevens in onderlinge samenhang worden beschouwd, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte wetenschap had van een oplichting van [bedrijf 1] dan wel van een diefstal van de pallets met sneakers. Uit het dossier volgt hooguit dat verdachte betrokken is geweest bij het regelen van transport en aanwezig is geweest bij onderdelen van het logistieke proces.\n\nDat is echter onvoldoende om te kunnen spreken van oplichting of diefstal.\n\nOok kan niet worden bewezen dat sprake is van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest.\n\nVoor een bewezenverklaring van opzetheling of schuldheling moet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van de goederen wist, of redelijkerwijs moest vermoeden, dat de goederen door misdrijf afkomstig waren.\n\nVerdachte wist niet dat de goederen afkomstig waren van misdrijf. Hij was in de veronderstelling iemand te verhuizen. Voor zover verdachte gedurende de dag vragen kreeg bij hetgeen zich afspeelde, geldt dat een achteraf ontstaan vermoeden niet gelijk kan worden gesteld aan de wetenschap of het redelijkerwijs moeten vermoeden op het moment van het verwerven of voorhanden krijgen van de goederen.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe bewijsmiddelen.\n\nVoor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage.\n\nBewijsoverweging\n\nVaststelling van de feiten.\n\nOp basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.\n\nVerdachte heeft via de telefoon van zijn toenmalige vriendin [betrokkene 2] contact gezocht met [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), mede-eigenaar van [bedrijf 3] . Hij heeft haar gevraagd een vrachtwagen ter beschikking te stellen voor een verhuizing. In eerste instantie gaf verdachte aan dat hij zelf kon rijden, maar dat wilde [betrokkene 3] niet.\n\n [betrokkene 3] heeft vervolgens [medeverdachte] gevraagd op 1 oktober 2021 met een vrachtwagen te rijden ten behoeve van de veronderstelde verhuizing.\n\nOp 1 oktober 2021 zijn verdachte en [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) naar het bedrijf van [bedrijf 3] in Waalwijk gekomen, met een blauwe Volkswagen Caddy.\n\nVerdachte is bij [medeverdachte] in de vrachtwagen gestapt. Op aanwijzen van verdachte is [medeverdachte] richting Eindhoven gereden. [betrokkene 4] is met de Caddy voor de vrachtwagen uitgereden. Bij een tankstation, ter hoogte van Boxtel, moest [medeverdachte] van verdachte stoppen. De Caddy is daar ook gestopt. [betrokkene 4] is bij het tankstation in de vrachtwagen gestapt, waarbij de Caddy bij het tankstation is achtergebleven.\n\nVerdachte en [betrokkene 4] zijn achterin de cabine van de vrachtwagen gaan zitten, buiten het zicht van derden.\n\nTijdens de rit heeft [medeverdachte] van verdachte en [betrokkene 4] het adres in Veldhoven gekregen.\n\n [medeverdachte] is met verdachte en [betrokkene 4] naar Veldhoven gereden, naar het bedrijventerrein waar [bedrijf 1] gevestigd is. Bij dit bedrijf komen dagelijks twee vrachtwagens, één van [bedrijf 4] en één van [bedrijf 2] om lading op te halen. Op sommige dagen komt een vrachtwagen om een tweede lading voor [bedrijf 2] op te halen. Op die bewuste dag waren er reeds één vrachtwagen voor [bedrijf 4] en één vrachtwagen van [bedrijf 2] geweest om lading op te halen.\n\nTer plaatse heeft [medeverdachte] , op aanwijzen van verdachte en [betrokkene 4] , de vrachtwagen in een laaddock van het bedrijf [bedrijf 1] gereden en de achterklep van de vrachtwagen geopend. Er stonden pallets met sneakers klaar die daarop in de vrachtwagen zijn geladen door medewerkers van [bedrijf 1] , overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze. Tijdens het inladen zijn verdachte en [betrokkene 4] niet buiten de cabine geweest. Nadat de medewerkers van het bedrijf de pallets hebben ingeladen, heeft [medeverdachte] de achterdeur van de vrachtwagen gesloten. [medeverdachte] heeft een vrachtbrief afgetekend, waarop in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen door [bedrijf 2] zouden zijn opgehaald.\n\nDe vrachtwagen is daarop vertrokken en op aanwijzen van verdachte en [betrokkene 4] naar de [adres 2] in ’s-Hertogenboch (Engelen) gereden. Daar hebben verdachte en [betrokkene 4] de sneakers overgeladen in een Volkswagen Crafter.\n\nDe rechtbank stelt met betrekking tot de rol van verdachte vast dat verdachte een initiërende rol heeft gehad door het transport te regelen, dat hij daarover veelvuldig contact heeft gehad met [betrokkene 4] , dat verdachte op de hoogte was van het adres van [bedrijf 1] en dit adres ook heeft doorgegeven aan [medeverdachte] , dat de Caddy van verdachte zonder goede reden bij het tankstation is achtergelaten, dat verdachte en [betrokkene 4] uit het zicht achterin de cabine van de vrachtwagen zijn gaan zitten en zich bij [bedrijf 1] niet hebben laten zien, dat [medeverdachte] op aanwijzen van verdachte en [betrokkene 4] met de vracht naar ’s-Hertogenbosch is gereden en dat de sneakers daar door verdachte en [betrokkene 4] zijn overgeladen.\n\nOp grond van deze feiten en omstandigheden vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder valse voorwendselen het transport heeft geregeld bij [bedrijf 3] , met de bedoeling en wetenschap de lading sneakers, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, bij [bedrijf 1] te Veldhoven mee te nemen en zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen.\n\nDe rechtbank acht, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, de verklaring van verdachte dat hij de vrachtwagen heeft geregeld voor een verhuizing ongeloofwaardig. Dat verdachte tegenover [betrokkene 3] en [betrokkene 2] heeft verklaard over een verhuizing, doet daar niets aan af, nu het aannemelijk is dat verdachte dit heeft verklaard om het werkelijke doel van het gebruik van de vrachtwagen, namelijk het zonder toestemming meenemen van de sneakers, te verdoezelen.\n\nDe rechtbank vindt het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, voor zover hierna bewezen is verklaard.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nop 1 oktober 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,\n\nmet het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen,door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen\n\n [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro) door:- onder valse voorwendselen een vrachtwagen te regelen en- met die vrachtwagen het terrein van [bedrijf 1] op te laten rijden encontact te laten zoeken met een medewerker op het terrein en deze vrachtwagen te laten parkeren aan een dok (waar goederen worden geladen) en\u002Fof- medewerkers van [bedrijf 1] pallets met sneakers in de vrachtwagen te laten laden en- een vrachtbrief (CMR) te laten ondertekenen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door [bedrijf 2] en- zich aldus overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen [bedrijf 1] voor te doen als een bonafide transporteur welke dagelijks in opdracht van [bedrijf 1] goederen, komt laden en transporteren.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde een taakstraf gevorderd van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van de duur van de inverzekeringstelling en een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn beperkte rol, die niet verder gaat dan het regelen van een vrachtwagen en zijn aanwezigheid bij onderdelen van het transport.\n\nEen langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou geen recht doen aan de concrete rol van verdachte.\n\nDe raadsvrouw verzoekt, bij een bewezenverklaring te volstaan met een taakstraf of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft [bedrijf 1] op een geraffineerde en brutale wijze, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opgelicht door zich voor te doen als bonafide transporteur en op deze wijze een grote hoeveelheid sneakers in een vrachtwagen te laten laden en deze sneakers weg te maken. Deze sneakers vertegenwoordigen een aanzienlijke financiële waarde. Verdachte heeft de vrachtwagen met chauffeur geregeld, is betrokken geweest bij het ophalen, vervoeren, overladen en wegmaken van de sneakers.\n\nEen oplichting als deze corrumpeert het handelsverkeer en schaadt het maatschappelijk vertrouwen. Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van [bedrijf 1] .\n\nHet feit heeft veel overlast en financiële schade veroorzaakt voor [bedrijf 1] . Uit het handelen van verdachte spreekt minachting voor andermans eigendom.\n\nDe rechtbank constateert dat verdachte een verklaring heeft afgelegd en enige openheid van zaken heeft gegeven, maar constateert ook dat verdachte pas is gaan verklaren nadat hij de beschikking had over het complete dossier.\n\nGelet op de ernst van het feit en het aandeel van verdachte in deze, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.\n\nDe rechtbank constateert echter dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM (van twee jaar), is overschreden met ruim twee jaar (uitgaande van de dag van inverzekeringstelling op 27 juni 2022 als aanvangsdatum en 6 juli 2026 als datum eindvonnis), welke overschrijding niet aan de verdediging te wijten is.\n\nDe rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte rekening met deze overschrijding van de redelijke termijn en ziet om die reden af van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren op zijn plaats om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nDe rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]\n\nDe vordering.\n\nDe benadeelde partij [bedrijf 1] heeft materiële schade gevorderd, te weten 233.557 dollar (omgerekend € 203.195,--) voor de weggenomen sneakers en\n\n€ 8.535,-- betreffende onderzoekskosten, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 203.195,-- bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.\n\nTen aanzien van de post ‘onderzoekskosten’ heeft de officier van justitie bepleit de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze post summier is onderbouwd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Primair omdat de vordering niet is gedateerd, noch is ondertekend. Daarnaast blijkt uit het dossier niet op grond waarvan mevrouw [betrokkene 5] de vordering namens de rechtspersoon heeft ingediend. Een machtiging ontbreekt. Subsidiair gelet op de bepleite vrijspraak en meer subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank constateert dat bij de vordering geen machtiging is gevoegd, waaruit blijkt dat [betrokkene 5] bevoegd is de rechtspersoon in deze strafzaak te vertegenwoordigen.\n\nOok na overleg met de officier van justitie enige tijd voor de zitting is er, ter terechtzitting, geen machtiging overgelegd. Het heropenen van de zaak, teneinde de benadeelde partij alsnog de gelegenheid te geven te voorzien in zo’n machtiging levert, mede in het licht van het belang van een voortvarende afdoening van de zaak en de thans reeds aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering.\n\nDe benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63, 326 Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nMedeplegen van oplichting\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nStraffen\n\nlegt op de volgende straffen.\n\n Een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht\n\nDe rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nVordering benadeelde partij [bedrijf 1]\n\nBepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. H.M. Hettinga, voorzitter,\n\nmr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. A.M. de Koning, leden,\n\nin tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,\n\nen is uitgesproken op 06 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4752","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:31.133Z",{"id":80,"ecli":81,"slug":82,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":83,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":84,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":40,"updatedAt":85},"1643","ECLI:NL:RBOBR:2026:4753","ecli-nl-rbobr-2026-4753","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.054680.22\n\nDatum uitspraak: 06 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 mei 2026.\n\nNadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen,door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fofdoor listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels\n [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro)door:- (onder valse voorwendselen) een vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger te regelen en\u002Fof- (met) die vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger het terrein van [bedrijf 1] op te (laten) rijden en\u002Fof contact te (laten) zoeken met een medewerker op het terrein en\u002Fof deze vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger te (laten) parkeren aan een dok (waar goederen worden geladen) en\u002Fof- medewerkers van [bedrijf 1] pallets met sneakers in de oplegger te laten laden en\u002Fof- een vrachtbrief (CMR) te (laten) ondertekenen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door [bedrijf 2] en\u002Fof- zich aldus (overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen [bedrijf 1] ) voor te doen als een bonafide transporteur welke (dagelijks) in opdracht van [bedrijf 1] sneakers, althans goederen, komt laden en transporteren;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), in elk geval enig goed, die\u002Fdat geheel of ten deleaan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om die\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven en\u002Fof Engelen en\u002Fof ’s-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en\u002Fof heeft overgedragen,terwijl hij tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederenwist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie is van oordeel dat sprake is van oplichting en van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Door een onjuiste voorstelling van zaken zijn medewerkers van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) bewogen tot de afgifte van een lading sneakers.\n\n [medeverdachte] heeft een initiërende rol gespeeld bij het regelen van het transport en heeft actief meegeholpen bij het overladen van de buit in Engelen. [medeverdachte] heeft het adres in Veldhoven doorgegeven, hij heeft zijn Caddy bij een tankstation naast de A2 achtergelaten, hij heeft verdachte de weg gewezen naar een loods op het bedrijventerrein in Veldhoven, wist in welk dock ze moesten zijn en is aldaar zelf bewust uit het zicht achterin de cabine van de vrachtwagen gaan zitten. [medeverdachte] wist goed waar hij mee bezig was.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij was ingeschakeld om iemand te verhuizen. Bij hem hadden echter al snel de alarmbellen moeten gaan rinkelen, toen de Caddy werd achtergelaten, [medeverdachte] en de andere inzittende, [betrokkene 1] , achterin, uit het zicht, in de vrachtwagen zijn gaan zitten, hij naar een loods in Veldhoven in plaats van Berlicum moest rijden, en zeker op het moment dat hij de dozen met schoenen op de pallets zag staan. Op dat moment moet verdachte hebben geweten dat hij ingezet was voor criminele zaken. Hij koos er niet voor om vragen te stellen, weg te gaan of de politie te bellen, wat hij wel had moeten doen. Hij ging door en vervulde een actieve rol. Hij liet zijn oplegger laden met de sneakers, tekende een vrachtbrief af waarop hij deed of hij van [bedrijf 2] was, vertrok naar de locatie waar werd overgeladen en hielp toen ook mee.\n\nDit alles maakt dat hier sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten. Het primair ten laste gelegde, medeplegen van oplichting, kan aldus de officier van justitie, bewezen worden.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Verdachte is gevraagd iemand te verhuizen die in nood was. Hij was dan ook in de veronderstelling dat hij de spullen van iemand ging verhuizen. Verdachte heeft na het inladen vluchtig in de vrachtwagen gekeken en een lading met dozen gezien. Dit was voor hem aanleiding om vragen te stellen aan de mannen in de cabine. Het antwoord van de mannen was voldoende plausibel voor hem. De gebeurtenissen daarna wekten argwaan bij hem. Dat was voor hem aanleiding contact op te nemen met [betrokkene 2] en met zijn broer.\n\nVerdachte kan niet worden gezien als pleger van de oplichting of de diefstal. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan eveneens niet worden bewezen.\n\nTen aanzien van de heling had verdachte bij de verkrijging van de goederen de wetenschap of het vermoeden moeten hebben dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Dat kan niet worden bewezen. Dat hij het vermoeden had dat het foute boel was, is op een later moment geweest, maar niet op het moment dat de goederen verkregen zijn. De verkrijging van de goederen was toen al voltooid.\n\nMocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, dan zou dit hooguit een schuldheling kunnen opleveren.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe bewijsmiddelen.\n\nVoor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage.\n\nBewijsoverweging.\n\nDe verklaring van verdachte.\n\nVerdachte heeft bij de politie en\u002Fof ter terechtzitting verklaard dat hij op 1 oktober 2021 in opdracht van [betrokkene 2] van het transportbedrijf [bedrijf 3] , een vrachtwagen heeft bestuurd, met de bedoeling om een vrouw uit Berlicum te verhuizen. Twee voor hem onbekende mannen zijn die dag naar het transportbedrijf gekomen met een blauwe Volkswagen Caddy. Eén van de mannen is bij hem in de vrachtwagen gestapt. Hij moest van deze man richting Eindhoven rijden. De andere man is hem voor gereden in de Caddy. Bij een tankstation, ter hoogte van Boxtel, moest verdachte stoppen van de man in zijn cabine. De Caddy is daar ook gestopt. De man van de Caddy is bij het tankstation in de vrachtwagen gestapt, waarbij de Caddy bij het tankstation is achtergebleven.\n\nTijdens de rit kreeg verdachte van deze twee personen in de cabine het adres in Veldhoven. Verdachte is met deze twee personen naar dat adres in Veldhoven gereden. Ter plaatse heeft hij de vrachtwagen op hun aanwijzen in een dock van een bedrijf gereden. Verdachte heeft de achterklep van de vrachtwagen geopend, zodat er een en ander kon worden ingeladen. Tijdens het inladen zijn de in zijn cabine aanwezige twee personen niet buiten de cabine geweest. Nadat medewerkers van het bedrijf een aantal pallets hadden ingeladen, heeft verdachte de achterdeur van de vrachtwagen gesloten. Daarbij zag hij in het laaddeel van de vrachtwagen geen verhuisdozen of huisraad, maar op de pallets kleine, ingepakte doosjes. De pallets waren geseald. Verdachte vond dit op dat moment vreemd. Verdachte heeft voor ontvangst een vrachtbrief getekend, waarop als geadresseerde stond vermeld: [bedrijf 2] .\n\nDe rechtbank volgt verdachte in zijn verklaring dat hij in eerste instantie dacht dat het om een verhuizing ging en dat hij niet wist dat de rit met de vrachtwagen was bedoeld om een lading sneakers bij een bedrijf in Veldhoven op te halen. De rechtbank vindt daarvoor bevestiging in de verklaring van [betrokkene 2] , die heeft verklaard dat de vrachtwagen door [medeverdachte] is geregeld om, zoals deze heeft verklaard, een vrouw te verhuizen, alsmede de WhatsApp-berichten die verdachte korte tijd na het ophalen van de lading aan [betrokkene 2] en aan de broer van verdachte heeft gestuurd, waarin verdachte (onder meer) -zakelijk weergegeven- aangeeft dat het helemaal geen verhuizing is, dat het pallets met dozen zijn en dat hij bang is gestolen spullen te hebben vervoerd.\n\nHet is vervolgens de vraag of verdachte zich desondanks door zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan oplichting, diefstal of opzet- of schuldheling, al dan niet met een of meer anderen.\n\nVrijspraak ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde.\n\nDe rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte] , op wiens verzoek verdachte naar het adres in Veldhoven is gereden, zich samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde oplichting. De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] en\u002Fof een of meer anderen, en op 1 oktober 2021 het opzet heeft gehad [bedrijf 1] op te lichten, dan wel zich de 12 pallets met dozen met sneakers wederrechtelijk toe te eigenen. Ook voor voorwaardelijk opzet acht de rechtbank geen bewijs aanwezig.\n\nDe rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde.\n\nOpzetheling.\n\nDe rechtbank acht de meer subsidiair ten laste gelegde opzetheling niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.\n\nDe rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van het overdragen en\u002Fof voorhanden krijgen van de goederen wist, ook niet in voorwaardelijke zin, dat deze goederen door misdrijf verkregen waren.\n\nSchuldheling.\n\nVoor een veroordeling ter zake van schuldheling is ingevolge artikel 417bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht vereist dat ten tijde van het verwerven en\u002Fof het voorhanden krijgen van het bewuste goed sprake is van schuld ten aanzien van de omstandigheid dat het desbetreffende goed door misdrijf is verkregen. In de woorden “redelijkerwijs moeten vermoeden” komt de schuld tot uitdrukking. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het hier gaat om “grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid” en dat daarvan sprake is indien de verdachte in de gegeven omstandigheden bij enig nadenken had kunnen vermoeden dat het goed gestolen\u002Fvan misdrijf afkomstig was en derhalve zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Wat van de verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.\n\nVan belang in dit verband is de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte de sneakers voorhanden heeft gekregen.\n\nUit de verklaring van verdachte en de hierna opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat het niet gebruikelijk was dat er mensen meegingen met een transport. Verdachte had een raar gevoel bij de hele situatie vanaf het moment dat hij zag dat de Caddy van de tweede man werd achtergelaten op het tankstation.\n\nOp het moment dat verdachte de parkeerplaats bij het tankstation afreed, heeft hij van de twee mannen gehoord dat hij naar Veldhoven moest rijden. Dit was anders dan de eerdere informatie die hij zegt van [betrokkene 2] te hebben gekregen. Op het industrieterrein in Veldhoven heeft hij zijn vrachtwagen op aanwijzen van de in zijn cabine aanwezige personen in een laaddock van een bedrijf gereden. Medewerkers van het bedrijf hebben ingesealde pallets met sneakers in de vrachtwagen geladen. Verdachte heeft een vrachtbrief getekend, met daarop vermeld als expediteur\u002Fafzender [bedrijf 1] , en als ontvanger [bedrijf 2] . Bij het sluiten van de achterdeur van de vrachtwagen zag verdachte geen verhuisdozen of huisraad, maar kleine, ingepakte doosjes. Verdachte vond dit op dat moment vreemd, maar is toch met de twee mannen naar ’s-Hertogenbosch gereden, waarna de doosjes in een andere auto zijn geladen.\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen van de lading, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er iets niet in de haak was met de lading en had hij zich ervan moeten distantiëren en\u002Fof de politie op enig moment moeten inschakelen. Verdachte heeft dit echter niet gedaan, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was, maar is met de lading weg- en doorgereden. De rechtbank begrijpt dat de hele situatie intimiderend voor verdachte moet zijn geweest, maar dat neemt niet weg dat hij zich had moeten realiseren dat het niet om een verhuizing van iemand ging en zich had kunnen distantiëren.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus met de voor schuldheling vereiste schuld, in de zin van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, heeft gehandeld.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\nmeer subsidiair:\n\nop 1 oktober 2021 in Nederland,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verkrijgen en het voorhanden krijgen van die goederen, redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.De strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde een taakstraf gevorderd van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de duur van de inverzekeringstelling.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat er misbruik van verdachte is gemaakt door hem als chauffeur in te schakelen. Verdachte is niet beter geworden van dit feit, alleen maar slechter. Hij heeft jarenlang stress door deze zaak en is bang voor represailles.\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Het is heel zwaar geweest voor verdachte, dat de afdoening van de zaak zo lang op zich heeft laten wachten.\n\nDe raadsvrouw heeft, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, verzocht bij een bewezenverklaring verdachte op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een schuldheling, waarbij hij een hoeveelheid sneakers voorhanden heeft gehad, die een aanzienlijke materiële waarde hadden.\n\nDe rechtbank volgt verdachte in zijn verklaring dat hij in eerste instantie dacht dat het om een verhuizing van een persoon in nood ging en later pas door had dat er iets niet in de haak was. Dat neemt niet weg dat verdachte zich door anderen heeft laten gebruiken voor hun criminele activiteiten.\n\nDoor zijn handelen heeft verdachte een bijdrage aan deze criminele activiteiten geleverd, waardoor [bedrijf 1] aanzienlijke financiële schade heeft geleden.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank houdt daarmee in het voordeel van verdachte rekening bij de afdoening van de zaak.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte vanaf het begin, zonder enig voorbehoud, heeft meegewerkt aan het onderzoek en openheid van zaken heeft gegeven.\n\nVerder houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, zo blijkt uit het rapport van de reclassering van 14 mei 2026 en uit de behandeling van de zaak ter terechtzitting, zichtbaar heeft geleden onder de gevolgen van de zaak.\n\nTot slot houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM (van twee jaar), in dit geval een overschrijding van twee jaar en twee maanden (uitgaande van de dag van inverzekeringstelling op 4 april 2022 als aanvangsdatum en 6 juli 2026 als datum eindvonnis), welke overschrijding niet aan de verdediging te wijten is Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de onderhavige zaak niet van een dusdanig uitzonderlijke aard of complexiteit is dat daarmee de termijnoverschrijding zou kunnen worden gerechtvaardigd.\n\nGelet op de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan zoals hiervoor is vermeld en de overschrijding van de redelijke termijn vindt de rechtbank passend en geboden om verdachte geen straf of maatregel op te leggen en te volstaan met een schuldigverklaring overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]\n\nDe vordering.\n\nDe benadeelde partij [bedrijf 1] heeft materiële schade gevorderd,\n\nte weten 233.557 dollar (omgerekend € 203.195,--) voor de weggenomen sneakers en\n\n€ 8.535,-- betreffende onderzoekskosten, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 203.195,-- bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.\n\nTen aanzien van de post ‘onderzoekskosten’ heeft de officier van justitie bepleit de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze post summier is onderbouwd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Primair gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair omdat de machtiging de rechtspersoon te vertegenwoordigen ontbreekt. Meer subsidiair omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert omdat de vordering, ook voor wat betreft de kosten van het onderzoeksbureau, onvoldoende is onderbouwd.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank constateert dat bij de vordering geen machtiging is gevoegd, waaruit blijkt dat [betrokkene 8] bevoegd is de rechtspersoon in deze strafzaak te vertegenwoordigen.\n\nOok na overleg met de officier van justitie enige tijd voor de zitting is er, ter terechtzitting, geen machtiging overgelegd. Het heropenen van de zaak, teneinde de benadeelde partij alsnog de gelegenheid te geven te voorzien in zo’n machtiging levert, mede in het licht van het belang van een voortvarende afdoening van de zaak en de thans reeds aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering.\n\nDe benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nverklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nTen aanzien van meer subsidiair:\n\nSchuldheling\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nOplegging straf en\u002Fof maatregel (artikel 9a Wetboek van Strafrecht)\n\nTen aanzien van feit 1 meer subsidiair:\n\nSchuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.\n\nVordering benadeelde partij [bedrijf 1]\n\nBepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. H.M. Hettinga, voorzitter,\n\nmr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. A.M. de Koning, leden,\n\nin tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,\n\nen is uitgesproken op 6 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4753","2026-07-13T00:29:31.229Z",{"id":87,"ecli":88,"slug":89,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":90,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":91,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":40,"updatedAt":92},"1644","ECLI:NL:RBOBR:2026:4759","ecli-nl-rbobr-2026-4759","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 01.049939.26, 01.029098.26, 01.232213.25 en 01.142086.25 (ter terechtzitting gevoegd), 01.110429.23 (tul)\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,\n\nthans gedetineerd en ingeschreven te: [vestigingsplaats]\n\n .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 augustus 2025 en 2 april 2026 (zaaknummer 01.142086.25) en 22 juni 2026 (alle zaaknummers).\n\nOp de zitting van 22 juni 2026 heeft de rechtbank de tegen verdachte\u002Fveroordeelde (hierna: verdachte), onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 21 mei 2026 (01.049939.26, 01.029098.26 en 01.232213.25) en 11 juli 2025 (01.142086.25).\n\nDe tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nVerdachte wordt - kort samengevat - van het volgende beschuldigd:\n\n01.049939.26\n\nBedreiging van [slachtoffer 1] op 1 januari 2026 (feit 1), 15 september 2025 (feit 2) en 7 september 2025 (feit 3) te Heeze;\n\nVernieling van een ruit van een woning welke ruit aan [slachtoffer 2] toebehoorde op 11 september 2025 te Veldhoven (feit 4);\n\nDiefstal van een telefoon van [slachtoffer 3] (feit 5) en vernieling van een politiecel (feit 6), beide op 24 maart 2026 te Geldrop;\n\n01.029098.26\n\n- Mishandeling van [slachtoffer 4] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg had op 25 oktober 2025 te Geldrop;\n\n01.232213.25\n\n- Mishandeling van zijn moeder (feit 1) en belediging van een aspirant politieagent (feit 2) op 3 september 2025 te Geldrop;\n\n01.142086.25\n\n- Niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs te tonen (feit 1) en verzet bij zijn aanhouding (feit 2), beide op 10 mei 2025 te Geldrop.\n\nDe formele voorvragen\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft namens verdachte geen verweer gevoerd tegen bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot de feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.\n\nDe rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:\n\n01.049939.26\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2026027705.\n\nFeit 1:\n\n- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , opgemaakt op 12 januari 2026, p. 48-52;\n\nHet proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] , opgemaakt op 8 februari 2026, p. 55-57;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 januari 2026, p. 63-67.\n\nFeit 2 en 3:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , opgemaakt op 12 januari 2026, p. 48-52;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 februari 2026, p. 112-177.\n\nFeit 4:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , opgemaakt op 23 september 2025, p. 33-41.\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2026067000.\n\nFeit 5:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , opgemaakt op 24 maart 2026, p. 6-9.\n\nFeit 6:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 1] , opgemaakt op 25 maart 2026, p. 12-14.\n\n01.029098.26\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025240963.\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , opgemaakt op 25 oktober 2025, p. 46-47;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 januari 2026, p. 20-22;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 januari 2026, p. 55-75.\n\n01.232213.25\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025199104.\n\nFeit 1:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt 3 september 2025, p. 5-7.\n\nFeit 2:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 september 2025, p. 8-10.\n\n01.142086.25\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025102549.\n\nFeit 1 en 2:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 mei 2025, p 5-8.\n\nDe rechtbank concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.\n\nDe bewezenverklaring\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven vermelde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\n01.049939.26\n\n1\n\nop 1 januari 2026 in Nederland [slachtoffer 1] indirect heeft bedreigd, immers door het sturen van whatsapp berichten aan een wijkagent, met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen \"ik blaas alles op dat is een belofte, ik knal alles kapot, ik maak hun af, dat ga ik doen\" \"ik breek alles af, het is oorlog\";\n\n2\n\nop 15 september 2025 in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend middels het sturen van berichten de woorden toe te voegen \"Geloof mij, test mij, ik maak jou kapot, jij bent niet meer veilig\" en \"Denk goed na wat je doet, ik sla de bord dwars door je kanus heen\" en \"Ik maak jou dood, jij komt niet bij mijn kind onder de drugs want ik maak jou dood\" en \"Maak jou dood geloof mij\";\n\n3\n\nop 7 september 2025 in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] dreigend middels het sturen van berichten de woorden toe te voegen \"Jij hebt problemen met mij gemaakt, jij gaat er aan geloof me, ik niks, jij niks\";\n\n4\n\nop 11 september 2025 te Veldhoven opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning aan de van [adres] die aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, heeft beschadigd;\n\n5\n\nop 24 maart 2026 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo een gsm die aan [slachtoffer 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n6\n\nhij op 24 maart 2026 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel die aan politie eenheid Oost Brabant toebehoorde onbruikbaar heeft gemaakt.\n\n01.029098.26\n\nhij op 25 oktober 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en een contusiehaard (kneuzing hersenen) en een mandibulafractuur (kaakfractuur), ten gevolge had.\n\n01.232213.25\n\n1\n\nop 3 september 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] bij de nek\u002Fkeel vast te pakken\n\nen\n\nvervolgens te duwen; terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn moeder;\n\n2\n\nop 3 september 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo opzettelijk\n\neen ambtenaar, te weten [slachtoffer 6] , werkzaam als aspirant bij de Eenheid Oost-Brabant,\n\ngedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:\n\n- jij kutwout,\n\n- kankerhomo,\n\n- je hebt een kankerkop en\u002Fof\n\n- je bent een kankerhoerenzoon.\n\n01.142086.25\n\n1\n\nop 10 mei 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, niet op eerste vordering heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht en het Wetboek van Strafrecht;\n\n2\n\nop 10 mei 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 7] (hoofdagent) en\u002Fof [slachtoffer 8] (hoofdagent), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door éénmaal en\u002Fof meermalen,\n\n- zijn hoofd met kracht achterwaarts te drukken,\n\n- met zijn armen te duwen,\n\n- in een andere richting, dan waarin bovengenoemde ambtenaren hem wilden geleiden, te bewegen.\n\nDe strafbaarheid van het feit\n\nHet bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte\n\nTen aanzien van het onbruikbaar maken van de politiecel (feit 6 van parketnummer 01.049939.26) heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte nodig moest plassen en dit via de intercom heeft laten weten aan de politieagenten, maar dat hij niet naar de wc mocht. Er was volgens haar sprake van overmacht, waardoor verdachte niet strafbaar is. De rechtbank gaat echter uit van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van de politie, waarin staat dat verdachte de intercom niet heeft gebruikt. De rechtbank verwerpt het verweer.\n\nEr zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier vordert een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft de rechtbank verzocht in de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een groot deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft een flink aantal strafbare feiten gepleegd. De rode draad in deze feiten is dat dat verdachte met gewelddadig, ongecontroleerd en dreigend gedrag in een korte tijd veel slachtoffers heeft gemaakt.\n\nVerdachte heeft zijn ex-partner op drie momenten met meerdere zeer nare berichten met de dood bedreigd. Zijn ex-partner heeft verklaard doodsbang te zijn geweest voor verdachte, niet alleen voor haarzelf maar ook voor haar kind en haar moeder. Ook heeft verdachte toen hij op bezoek kwam bij zijn kind uit woede en frustratie de ruit van de woning van de moeder van zijn ex-partner beschadigd.\n\nVerdachte heeft bij het uitgaan uit het niets slachtoffer [slachtoffer 4] tegen zijn hoofd geslagen waardoor deze knock-out is neergevallen en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Slachtoffer [slachtoffer 4] heeft toegelicht in zijn slachtofferverklaring dat hij tot de dag van vandaag nog herstellende is en door het letsel in zijn dagelijks leven minder vreugde ervaart dan voorheen.\n\nVerdachte heeft ook zijn moeder bij haar keel gepakt. Uit haar verklaring bij de politieagenten die ter plaatse waren begrijpt de rechtbank dat zij doodsbang is geweest en in haar slachtofferverklaring licht ze toe dat ze erg is geschrokken van wat er is gebeurd.\n\nOok heeft verdachte zich met geweld verzet tegen agenten toen hij werd aangehouden omdat hij zijn ID-bewijs niet kon overhandigen aan de politie. Na een andere aanhouding heeft hij een agent beledigd. Dit handelen getuigt er wederom van dat verdachte zichzelf niet in de hand heeft. Voor de agenten geldt dat zij ongehinderd hun werk moeten kunnen doen en zich nu geconfronteerd zien met het vervelende en agressieve gedrag van verdachte.\n\nVerdachte heeft ook een telefoon gestolen. Verdachte heeft verklaard – en de rechtbank ziet hiervoor ook voldoende aanwijzingen in het dossier - dat hij dit feit heeft gepleegd in een wanhoopspoging om opgenomen te worden vanwege psychische problemen. Dit neemt echter niet weg dat hij hiermee het slachtoffer in een zeer vervelende situatie heeft gebracht.\n\nVerdachte heeft daarnaast nog een minder ernstig, maar toch een hinderlijk feit gepleegd. Hij heeft zijn cel onbruikbaar gemaakt door erin te plassen.\n\nOok heeft verdachte een overtreding gemaakt doordat hij zijn ID-kaart niet kon overhandigen toen de politie deze vorderde.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld, mishandeling, bedreiging met zware mishandeling, wederspannigheid en belediging van agenten in functie. Ook liep hij in een proeftijd vanwege een veroordeling voor wapenbezit.\n\nUit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte kampt met ernstige psychische- en verslavingsproblematiek. De reclassering schat gelet hierop de situatie van verdachte in als ernstig en vreest voor ernstige escalaties. De reclassering ziet mogelijkheden om met bijzondere voorwaarden het recidiverisico in te perken, mits verdachte in een klinische forensische kliniek met een hoog beveiligingsniveau kan worden opgenomen.\n\nIndien dit mogelijk is, adviseert de reclassering de volgende bijzondere voorwaarden:\n\n• Meldplicht bij reclassering\n\n• Opneming in een zorginstelling\n\n• Ambulante behandeling\n\n• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\n• Verbod verdovende middelen\n\n• Alcoholverbod\n\n• Contactverbod met [slachtoffer 1] ,\n\n• Locatieverbod voor het adres Van [adres] .\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij inziet hulp nodig te hebben voor zijn psychische problemen en is bereid zich aan de voorwaarden te houden. Alleen het begeleid wonen ziet hij niet zitten, omdat hij na de klinische opname bij zijn partner en kind wil intrekken.\n\nDe strafoplegging\n\nTen aanzien van het niet overhandigen van de ID-kaart ziet de rechtbank, gelet op de geringe ernst van dit feit, reden om verdachte geen straf of maatregel op te leggen.\n\nTen aanzien van de andere feiten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nDe rechtbank ziet met de reclassering dat verdachte op dit moment een gevaar is voor zichzelf en zijn omgeving. Het recidiverisico, met name op geweldsdelicten, acht de rechtbank hoog.\n\nDe rechtbank zal met het oog de ernst van de feiten en ter bescherming van de maatschappij een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met als doel het recidiverisico zoveel als mogelijk in te perken.\n\nDe rechtbank zal de voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de reclassering. Verblijf in een maatschappelijke opvang acht de rechtbank echter niet geschikt voor verdachte en zal de rechtbank daarom niet opleggen als bijzondere voorwaarde.\n\nDe rechtbank zal, anders dan verdachte voor ogen heeft, wel begeleid wonen als bijzondere voorwaarde opnemen. De rechtbank vindt het van belang dat de reclassering de mogelijkheid heeft om zo nodig toezicht te houden op verdachte in zijn woonsetting. Het is aan de reclassering om na zijn klinische opname kritisch te beoordelen of het daadwerkelijk nodig zal zijn dat verdachte begeleid gaat wonen of dat de reclassering van mening is dat in het geval verdachte bij zijn vriendin woont de risico’s met de andere voorwaarden voldoende kunnen worden ingeperkt.\n\nTer zitting heeft de officier van justitie medegedeeld dat de reclassering heeft laten weten dat er op dit moment geen plek is voor verdachte voor een klinische opname in een forensische kliniek, vanwege zijn complexe problematiek. Om het recidiverisico voldoende in te perken is het van groot belang dat verdachte na vrijlating in een klinische setting wordt behandeld voor zijn problematiek. De rechtbank doet dan ook een dringend beroep op de reclassering om zich te blijven inspannen om een geschikte plek te vinden voor klinische opname van verdachte.\n\nGelet op de ernstige problematiek van verdachte zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van 3 jaar verbinden.\n\nAlles afwegende legt de rechtbank op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Aan de voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.\n\n Omdat er een ernstig gevaar van recidive is zal de rechtbank bepalen dat de gestelde voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]\n\n , wettelijk vertegenwoordigd en ter zitting bijgestaan door mr. B.C.J. Herijgers, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 64.680,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 44.680,11 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en dat de vordering goed onderbouwd is.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft primair niet-ontvankelijkheid van de gehele vordering bepleit, nu deze vordering een werkdag voor de zitting bij haar is binnengekomen en deze complex van aard is. De raadsvrouw heeft geen gelegenheid gehad om onderdelen van de vordering te (laten) onderzoeken, wat een schending van het recht op een eerlijk proces oplevert.\n\nSubsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade in de kostenposten ‘huishoudelijke hulp’, ‘verlies van zelfwerkzaamheid’ en ‘verlies van arbeidsvermogen’ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege de complexiteit daarvan. Ten aanzien van de overige materiële kostenposten refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De gevorderde immateriële schade moet worden verminderd tot een bedrag van hoogstens € 10.000,00.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering:\n\nHet verblijf in het ziekenhuis: € 228,00;\n\nDe kosten van vervoer naar de behandelende sector: € 17,62;\n\nDe parkeerkosten bij de behandelende sector: € 25,00;\n\nDiverse medische kosten: € 1.097,82;\n\nDe kosten van verzorging\u002Fbegeleiding: € 52,50.\n\nVoornoemde onderdelen zijn voldoende gemotiveerd en door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal deze kostenposten toewijzen, te weten € 1.420,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nTen aanzien van de onderdelen ‘huishoudelijke hulp’ (€ 4.405,20), ‘verlies van zelfwerkzaamheid’ (€ 1.034,96) en ‘verlies van arbeidsvermogen’ (€ 37.819,01) overweegt de rechtbank dat het gaat om aanzienlijke bedragen waaraan een complexere berekening ten grondslag ligt. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit.\n\nNader onderzoek naar de juistheid van deze kostenposten zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nImmateriële schade\n\nDe rechtbank overweegt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen door toedoen van verdachte en acht de vordering ten aanzien van de immateriële schade gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 10.000,00. Nu er nog onzekerheid is over het (volledige) herstel van het opgelopen letsel, zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het restant van het immateriële gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nKostenveroordeling\n\nDe rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nDe vordering van de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant\n\nDe Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van\n\n€ 90,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook worden door de benadeelde partij proceskosten ter hoogte van € 20,00 gevorderd en is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte bereid is de schade te vergoeden.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.\n\nKostenveroordeling\n\nDe rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 20,00. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het valmes aan het verkeer onttrokken dient te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven is aangetroffen, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan of ter voorbereiding van soortgelijke misdrijven, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan, en dit voorwerp toebehoort aan verdachte en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.\n\nDe vordering na voorwaardelijke veroordeling 01.110429.23\n\nDe zaak met parketnummer 01.110429.23 is aangebracht bij vordering van 11 juli 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 7 juli 2023. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.\n\nToepasselijke wetsartikelen\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 57, 60a, 62, 180, 266, 267, 285, 300, 304, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nhet bewezen verklaarde levert op de misdrijven en overtreding:\n\n01.049939.26\n\nFeit 1 en 3, telkens:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\nFeit 2\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;\n\nFeit 4\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;\n\nFeit 5\n\ndiefstal\n\nFeit 6\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;\n\n01.029098.26\n\nmishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;\n\n01.232213.25\n\nFeit 1\n\nmishandeling, begaan tegen zijn moeder;\n\nFeit 2\n\neenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam\u002Feen openbaar lichaam\u002Feen openbare instelling;\n\n01.142086.25\n\nFeit 1\n\nniet voldoen aan de hem krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht opgelegde verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden;\n\nFeit 2\n\nwederspannigheid;\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nT.a.v. 01-142086-25 feit 1 (overtreding)\n\nverklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel;\n\nT.a.v. 01-049939-26 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, 01-029098-26 feit 1, 01-142086-25 feit 2, 01-232213-25 feit 1, feit 2\n\nlegt op de volgende straf:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij SVG reclassering in de regio waar klinische behandeling zal plaatsvinden, dan wel bij verslavingsreclassering Novadic Kentron te Eindhoven;\n\n2. zich tijdens de proeftijd voor de duur die de behandelaar beoogt of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in, diagnosticeren en behandelen door een forensisch klinische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is, bij voorkeur aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren;\n\n3. zich gedurende de proeftijd en aansluitend aan de klinische behandeling laat behandelen door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start in aansluiting op de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het vasthouden en bestendigen van aangeleerde vaardigheden in de klinische setting. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n4. indien de reclassering dat noodzakelijk vindt, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, (al dan niet aansluitend aan de klinische opname) verblijft in instelling voor beschermd danwel begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n5. gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n6. gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n7. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n8. zich gedurende de proeftijd niet bevindt in een straal van 300 meter bij de Van [adres] ;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nHierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\n- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nverklaart de voornoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar;\n\nBeslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (01.029098.26 feit 1)\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 11.420,94 euro, bestaande uit 1.420,94 euro materiële schade en 10.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] , van een bedrag van 11.420,94 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 1.420,94 euro materiële schade en 10.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 82 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nVordering benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant (01.049939.26 feit 6)\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant, van een bedrag van 90,75 euro, bestaande uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op 20,00 euro, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant, van een bedrag van 90,75 euro. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nBeslag (01.029098.26)\n\nonttrekt aan het verkeer het inbeslaggenomen goed:\n\n1 STK Valmes.\n\nBeslissing tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf\n\nbeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 25 januari 2024, gewezen onder parketnummer 01.110429.23, te weten:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I.M. Rinzema, voorzitter,\n\nmr. H.M. Hettinga en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,\n\nen is uitgesproken op 6 juli 2026.\n\n.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4759","2026-07-13T00:29:31.275Z",{"id":94,"ecli":95,"slug":96,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":77,"fullText":97,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":98,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":40,"updatedAt":100},"1755","ECLI:NL:RBOBR:2026:4709","ecli-nl-rbobr-2026-4709","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.269414.23\n\nDatum uitspraak: 03 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op 1 [1995],\n\nwonende te [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2026 en 19 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 maart 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij, in of omstreeks de periode van 10 augustus 2023 tot en met 11 augustus 2023, te Helmond, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis en\u002Fof verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:\n\n- het meermalen, althans eenmaal betasten met zijn, verdachtes, hand(en) en\u002Fof vinger(s) van de borsten en\u002Fof vagina en\u002Fof schaamstreek van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal brengen\u002Fduwen en\u002Fof houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en\u002Fof tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal (op en neer) bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en\u002Fof tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal, brengen\u002Fduwen en\u002Fof houden van zijn, verdachtes, penis tegen\u002Fin de vagina en\u002Fof schaamlippen en\u002Fof anus van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal, op en neer bewegen van zijn, verdachtes, penis tegen\u002Fin de vagina en\u002Fof schaamlippen en\u002Fof anus van die [slachtoffer] .\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nOnderzoek Asea.\n\nOp 10 augustus 2023 werd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) als vermist opgegeven door de instelling waar zij op dat moment verbleef. In de nacht van 10 op 11 augustus 2023 werd [slachtoffer] overstuur in een sloot aangetroffen in Helmond. Nadat de politie ter plaatse kwam, werd er telefonisch contact gelegd met de moeder van [slachtoffer] . Ze heeft tegen haar moeder verteld dat ze verkracht is. Hierna werd het onderzoek Asea opgestart.\n\nVerdachte wordt verweten dat hij bij [slachtoffer] handelingen heeft gepleegd, waaronder het seksueel binnendringen, terwijl hij wist dat zij een zodanige verstandelijke beperking had dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie stelt allereerst vast dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen. Er is ook sprake van seksueel binnendringen in de anus, gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het belastende DNA-rapport. Ten tweede is er sprake van een zodanige verstandelijke beperking dat [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Dit blijkt uit de rapporten die over [slachtoffer] zijn opgemaakt en uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer] . Verdachte wist ook van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek. Om deze wetenschap bij verdachte aan te nemen, is voorwaardelijk opzet voldoende. Daarvan was in de visie van het de officier van justitie sprake.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota van 19 juni 2026, bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.\n\nHet oordeel van de rechtbank: vrijspraak.\n\nDe rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken, en overweegt als volgt.\n\nSeksueel binnendringen.\n\nDe rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte bij [slachtoffer] handelingen heeft verricht die ook bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.\n\nDe geestestoestand van [slachtoffer] .\n\nIn het dossier bevindt zich een Gedragswetenschappelijk verslag dat op 18 augustus 2023 door Lore over [slachtoffer] is opgemaakt (hierna: verslag). Daarnaast bevindt zich in het dossier een rapport betreffende psychologisch onderzoek van [slachtoffer] van Amarant van 23 januari 2020 (hierna: rapport). Op basis van het verslag en het rapport, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft. De rechtbank is van oordeel dat de verstandelijke beperking van [slachtoffer] kan worden aangemerkt als een zodanige verstandelijke beperking dat zij onvolkomen in staat is haar wil met betrekking tot de seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Hieruit volgt immers dat [slachtoffer] gedrag laat zien dat passend is bij een (aanzienlijk) jongere ontwikkelingsleeftijd. Naast de verstandelijke beperking is sprake van een hechtingsstoornis en een achterstand in haar emotionele ontwikkeling.\n\nDe wetenschap van de verdachte.\n\nTot slot dient de vraag te worden beantwoord of verdachte wist van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat, op basis van het dossier en wat op zitting is besproken, niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verdachte van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] wist.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte daarop bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard.\n\nDe beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nDe rechtbank overweegt daarover het volgende.\n\nDe rechtbank stelt vast dat dit de eerste keer was dat verdachte en [slachtoffer] elkaar hebben ontmoet. Verdachte zat op een bankje terwijl [slachtoffer] , met natte kleding, naar hem toe kwam lopen en hem vroeg hoe laat het was. Zij raakten aan de praat, waarbij [slachtoffer] onder andere aangaf dat zij zojuist, met kleding aan, is gaan zwemmen. De rechtbank merkt op dat dit een niet alledaagse situatie is.\n\nVerdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] ook heeft verteld dat zij op een groep verbleef, waar zij was weggegaan, omdat zij problemen had.\n\nVerdachte heeft ook verklaard dat hij fysiek en verbaal niets heeft gemerkt van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] . Voor zijn gevoel praatte hij met een volwassen vrouw, die normaal was.\n\nHetzelfde geldt voor de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] er normaal uitzag en bij de rechter-commissaris dat hij niets raars aan haar heeft gemerkt. Over [getuige 1] merkt de rechtbank nog op dat uit de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte blijkt dat [getuige 1] haar leuk vond. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verstandelijke beperking van [slachtoffer] voor [getuige 1] en [getuige 2] niet (direct) kenbaar was.\n\nDe rechtbank heeft verder gezien dat uit het verslag en het rapport blijkt dat [slachtoffer] op het gebied van verbaal begrip relatief sterk functioneert. Daarnaast komt naar voren dat zij zich presenteert als iemand die zelfstandig veel aankan, terwijl dit in de praktijk niet altijd het geval is. Zij heeft de neiging haar eigen mogelijkheden te overschatten en wordt daardoor door haar omgeving regelmatig overschat. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de beperking [slachtoffer] zich zodanig heeft geuit dat deze voor verdachte (direct) kenbaar was.\n\nZoals hiervoor gezegd, blijkt uit de verklaring van [slachtoffer] en verdachte dat [getuige 1] [slachtoffer] leuk vond. Hieruit blijkt ook dat zij daar niet in mee is gegaan. Verdachte verklaart daarover: “Toen kwamen ze weer terug en later gingen ze weer een keer praten. Hij zei tegen haar dat hij haar leuk vond en zij zei tegen hem dat ze hem niet wilde.” [slachtoffer] zegt daarover het volgende: “Toen begon eerst een andere jongen te zeggen: ik vind je leuk, ik vind dat je mooi haar hebt, ik vind je leuk, ik wil... ja zo. Zo. Maar toen had ik gezegd: dat ik... wat had ik gezegd? Dat ik eigenlijk ook niet toe aan een relatie was” en “Ik heb liever iemand van eigen leeftijd zei ik toen maar gewoon.” Dit wordt bevestigd in het telefoongesprek dat [slachtoffer] heeft gevoerd met de broer van verdachte, waarin ze onder meer heeft gezegd: “(…) Is het niet gewoon een zwaar misverstand geweest tussen [verdachte] , die dacht van: zij vindt mij leuk? Want dat heb ook wel gezegd in die kamer. Want toen vroeg een andere jongen: wil jij verkering met mij? En toen zei ik nee, dat wil ik niet.” De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer] op enig moment haar wil richting [getuige 1] heeft geuit en dat verdachte dit heeft waargenomen. Ook deze omstandigheden bieden ondersteuning aan het oordeel dat verdachte niet wist of had moeten weten dat [slachtoffer] een zodanige beperking had dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken en daartegen weerstand te bieden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet kan worden gezegd dat een aanmerkelijke kans bestond dat verdachte seksuele handelingen zou verrichten met een persoon die – kort gezegd – haar wil niet zelf kon bepalen of daartegen geen weerstand kon bieden. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte dit wist of had moeten weten. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zij de omstandigheden dat verdachte wist dat [slachtoffer] op een groep zat en dat zij met kleding aan is gaan zwemmen daarvoor niet voldoende acht, zeker niet in het licht van de verder omschreven omstandigheden. Dat betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had.\n\nConcluderend oordeelt de rechtbank dat het ten laste gelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nDe rechtbank begrijpt uit hetgeen namens [slachtoffer] tijdens het spreekrecht naar voren is gebracht dat de gebeurtenissen voor [slachtoffer] ingrijpend zijn geweest en dat die een grote impact op haar heeft gehad. De rechtbank heeft oog voor de gevoelens van [slachtoffer] en haar familie en realiseert zich dat deze uitspraak mogelijk niet overeenkomt met hetgeen zij hadden gehoopt of verwacht. In het Nederlandse strafrecht kan een verdachte echter alleen worden veroordeeld als er wettig en overtuigend bewijs is voor zijn schuld. Daarvan is in dit geval geen sprake.\n\nDe vordering van [slachtoffer] .\n\nVolgens de wet kan de strafrechter bij een vrijspraak geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.\n\nProceskosten\n\nDe benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nVerklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nBeslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die verdachte in dit kader heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. N. Flikkenschild, voorzitter,\n\nmr. J.H.L.M. Snijders en mr. W.B. Kok, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.D.A.J. Hombergen, griffier,\n\nen is uitgesproken op 03 juli 2026.\n\n Vergelijk Hoge Raad, 3 december 2012, ECLI:NL:HR:2002:AE8908.\n\n Hoge Raad, 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4709","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.251Z",{"id":102,"ecli":103,"slug":104,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":105,"fullText":106,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":107,"sourceTimestamp":108,"parsedAt":40,"updatedAt":109},"1719","ECLI:NL:GHSHE:2026:1694","ecli-nl-ghshe-2026-1694","2026-07-01T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-003327-24\n\nUitspraak : 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-268326-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,\n\nthans verblijvende in [penitentiaire inrichting] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘doodslag’ (feit 1) en ‘een lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 14 jaren, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn beide toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen zijn voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 3] beide integraal toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de verdachte ten slotte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op de datum van het vonnis begroot op nihil.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde (met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling) en het onder feit 2 tenlastegelegde, meer specifiek ‘het oogmerk de oorzaak van het overlijden te verhelen’. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de omstandigheid dat enkel een deel van feit 1 meer subsidiair en feit 2 kan worden bewezen, de voorlopige hechtenis van de verdachte dient te worden opgeheven en de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen aan hem dienen te worden teruggegeven. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman ten slotte primair bepleit dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman de vorderingen, voor zover deze niet door de rechtbank zijn toegewezen, betwist. Indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vorderingen zal toewijzen, heeft de raadsman het hof voorwaardelijk verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op die vorderingen te reageren.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nIn verband met de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof hierna het slachtoffer [slachtoffer] ook aanduiden met haar voornaam [slachtoffer] .\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een of meerdere malen tegen\u002Fop de keel en\u002Fof het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof verstikkend, samendrukkend en\u002Fof smorend geweld op en\u002Fof tegen de keel en\u002Fof hals en\u002Fof mond en\u002Fof neus van die [slachtoffer] toe te passen en\u002Fof met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer] te steken, in ieder geval door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , zijnde de echtgenote van verdachte, tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging verdachte krachtens de wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en\u002Fof gelaten, door geen adequate en\u002Fof tijdige medische hulp\u002Fverzorging in te schakelen en\u002Fof door lichamelijke verzorging te onthouden, immers,\n\n- is hij, verdachte nadat die [slachtoffer] op de grond terecht is gekomen en\u002Fof bloedde uit haar neus\u002Fmond en\u002Fof schokkende bewegingen maakte met haar armen en\u002Fof benen en\u002Fof niet meer ademhaalde en\u002Fof niet meer bewoog, naar buiten gegaan, althans heeft verdachte de kamer waar die [slachtoffer] op de grond lag, verlaten, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij in of omstreeks in de periode van 11 juni tot en met 15 juni te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een of meerdere malen tegen\u002Fop de keel en\u002Fof het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver en\u002Fof Münster-Sarsheim (Kreis Mainz-Bingen), althans in Nederland en\u002Fof Duitsland, het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en\u002Fof weggemaakt met het oogmerk om het feit en\u002Fof de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\n2. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 in Nederland en Duitsland het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nBewijsoverwegingen\n\nStandpunt advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd om de verdachte, naast het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbranden van het lijk met het oogmerk om het feit én de oorzaak van het overlijden te verhelen, ter zake van de onder feit 1 primair tenlastegelegde doodslag te veroordelen. De advocaat-generaal stelt zich voorts op het standpunt dat de aanwijzingen die zich in het dossier bevinden onvoldoende zijn om te komen tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde – met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling – alsmede, zo begrijpt het hof, van het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbanden van het lijk met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota omschreven – in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte heeft vanaf het eerste contact met de politie naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer telkens opnieuw verklaard dat er onenigheid was, hetgeen heeft geresulteerd in een handgemeen waarbij het slachtoffer de verdachte heeft gebeten en hem in het gezicht heeft gekrast. Het slachtoffer had op enig moment een mes in haar handen en er ontstond een korte worsteling, waarna de verdachte het slachtoffer op haar hals\u002Fkeel\u002Fergens in het aangezicht heeft geslagen. Het slachtoffer belandde op de grond, maar was nog aanspreekbaar. De verdachte heeft het huis verlaten en zich over zijn buiten spelende kinderen bekommerd. Bij terugkomst in de woning heeft hij geconstateerd dat het slachtoffer geen tekenen van leven meer vertoonde. De verdediging stelt zich aldus op het standpunt dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gedood laat staan vermoord, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en achtergelaten of heeft mishandeld ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Er was geen enkel motief voor de verdachte om dit te doen en een overlijden veroorzaakt door geweld van de zijde van verdachte kan op grond van het procesdossier niet worden vastgesteld. Alle onderzoeken hebben geen bewijs opgeleverd voor een gewelddadige dood van [slachtoffer] : zo zijn er geen bloedsporen gevonden. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat het slachtoffer spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of ademnood.\n\nTen slotte is er geen enkele redenen om aan te nemen dat er een vorm van geweld is geweest waarbij sprake was van voorbedachten rade.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft weggemaakt teneinde de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nJuridisch kader\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).\n\nHet hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af:\n\n- Sinds 24 mei 2022 was het slachtoffer, [slachtoffer] , in het bezit van haar Nederlandse paspoort (bewijsmiddel 8); Zodra zij genaturaliseerd zou zijn, wilde zij [verdachte] verlaten (bewijsmiddelen 14 en 15);\n\n- De broer van [slachtoffer] , [getuige 1] , heeft op 16 augustus 2022 – toen [slachtoffer] al wel was vermist, maar haar lichaam nog niet als zodanig was geïdentificeerd – verklaard dat [slachtoffer] tegen hem had gezegd dat de verdachte haar zou vermoorden als zij bij hem weg zou gaan en dat hij iets over haar heen zou gooien, zodat niemand haar ooit kon vinden (bewijsmiddel 9);\n\n- Op 8 augustus 2023 (bewijsmiddel 11) heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] , de verdachte en de kinderen vanaf 22 april 2022, met de Ramadan, ca. 18 dagen in Tunesië waren. De sfeer was toen erg gespannen omdat de verdachte met niemand wilde praten en steeds schreeuwde. Door de familie is tegen [slachtoffer] gezegd dat zij niet meer terug moest gaan naar Nederland. [getuige 1] heeft tijdens het verhoor van 8 augustus 2023 herhaald hetgeen hij reeds een jaar eerder verklaarde, namelijk dat de verdachte tegen [slachtoffer] zou hebben gezegd dat hij een vloeistof – iets wat brandend is – over haar heen zou gooien;\n\n- De verdachte heeft – in de periode dat hij nog op werk kwam en, zo begrijpt het hof, aldus voorafgaand aan het weekend van 11 en 12 juni 2022 – aan een collega, [getuige 2] , verteld dat hij door hem gemaakte opnames van [slachtoffer] had beluisterd en hoorde dat zij had gezegd dat zij hem zou verlaten zodra zij genaturaliseerd zou zijn en dat hij het niet zou toelaten dat zij daarvan zou kunnen genieten. Eveneens heeft de verdachte tegen diezelfde collega verteld dat degene die haar man verraad, de doodstraf krijgt. De verdachte was volgens [getuige 2] de laatste keer toen hij terugkwam van vakantie (het hof begrijpt: na het vieren van de Ramadan in Tunesië vanaf 22 april 2022) heel boos en verdrietig richting [slachtoffer] . Hij liet [getuige 2] weten dat hij ‘een einde ging maken’. [getuige 2] zag aan zijn gezichtsuitdrukking dat hij iets ging doen (bewijsmiddel 14);\n\n- Nog voordat het lichaam van [slachtoffer] werd geïdentificeerd en [betrokkene 1] , vriend van de verdachte en buurman van de familie van [slachtoffer] , op de hoogte raakte van wat de verdachte met het lichaam van [slachtoffer] had gedaan, heeft [betrokkene 1] in een telefoongesprek op 14 augustus 2022 tegen de verdachte gezegd: “Je vertelde me, [verdachte] : “Als ze haar papieren krijgt, zal ik iets ongelofelijks doen”” en “Je vertelde: “Als zij de papieren krijgt, dan zul je wel zien wat ik zal doen (bewijsmiddel 15)”. De verdachte had dit tegen [betrokkene 1] gezegd tijdens het verblijf in Tunesië tijdens de Ramadan (bewijsmiddel 11);\n\n- De verdachte heeft op 11 juni 2022 voor € 20,00 aan benzine getankt en heeft op 12 juni 2022 om 16:30 uur, toen [slachtoffer] nog in leven was, bij de Lidl in Reuver een aansteker en vuilniszakken van 240 liter gekocht (bewijsmiddelen 17 en 18);\n\n- Op 12 juni 2022 na 16:30 uur heeft verdachte geweld jegens [slachtoffer] uitgeoefend (bewijsmiddel 18);\n\n- Op 12 juni 2022 heeft de verdachte nadat [slachtoffer] was overleden haar lichaam achter de bank in de woonkamer gelegd. Naderhand heeft hij de op 12 juni 2022 gekochte vuilniszakken gebruikt om [slachtoffer] in te pakken en heeft hij het lichaam vervolgens gewikkeld in het tapijt van de woonkamer en op de achterbank van zijn BMW gelegd (bewijsmiddelen 17 en 18);\n\n- Op 14 juni 2022 heeft de verdachte zijn kinderen om 17:25 uur bij [getuige 3] ondergebracht en is daarna direct doorgereden naar Duitsland, omdat naar zijn zeggen Duitsland groot is en het makkelijker zou zijn het lichaam daar in het donker te verstoppen. De verdachte had benzine bij zich (bewijsmiddelen 18, 19 en 20);\n\n- In de nacht van 14 op 15 juni 2022 heeft de verdachte het lichaam van [slachtoffer] onder een viaduct in Duitsland, ongeveer 240 kilometer verwijderd van zijn woonplaats, na het tapijt om haar lichaam te hebben verwijderd, overgoten met benzine uit een jerrycan en het vervolgens met een aansteker in brand gestoken (bewijsmiddel 18);\n\n- Op 15 juni 2022 om 01:43 uur treft de Duitse politie onder een brug van de A61 bij Münster-Sarmsheim een brandend menselijk lichaam aan (bewijsmiddel 1);\n\n- Na de dood van [slachtoffer] zet de verdachte een dwaalspoor uit waarbij hij doet voorkomen alsof [slachtoffer] nog in leven is, een slechte moeder en vrouw was, en vrijwillig is vertrokken: zo doet de verdachte op 19 juni 2022 aangifte van vermissing van zijn vrouw [slachtoffer] . In dat kader vertelde de verdachte dat hij het vermoeden had dat zijn vrouw hem voor een andere man had verlaten, zij zou hebben gewacht totdat zij haar Nederlandse paspoort had ontvangen en dat zij al haar zomerkleding, gouden sieraden en 28.300,00 euro aan cashgeld zou hebben meegenomen. Op 19 juni 2022 en 6 juli 2022 neemt de verdachte uit naam van [slachtoffer] contact op met de familie van [slachtoffer] door hen uit eerdere opnames geconstrueerde spraakberichten te sturen om het te laten lijken dat ze nog leeft en hem heeft verlaten. Met datzelfde doel stuurt hij berichten vanuit zijn eigen telefoon naar de Huawei van [slachtoffer] , waarin hij bericht dat hij contact met haar wil, wil praten, van haar houdt en haar mist. Op 25 augustus 2022 doet de verdachte een valse aangifte van diefstal jegens [slachtoffer] . Hij levert die dag ook een USB-stick aan bij de politie waarop te horen zou zijn dat [slachtoffer] haar kinderen zou mishandelen. (bewijsmiddelen 9,17, 21, 22, 23, 24, 25 en 26);\n\n- Op 7 oktober 2022 wordt het lichaam van [slachtoffer] geïdentificeerd (bewijsmiddel 1);\n\n- Uit de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] , het huisartsenjournaal betreffende het slachtoffer, en de getuigenissen van de broer van [slachtoffer] en drie vrouwen die haar hebben gekend volgt dat [slachtoffer] voorafgaande aan haar overlijden een gezonde vrouw was, zonder (noemenswaardige) lichamelijke klachten, een concrete doodsoorzaak niet kon worden vastgesteld, een levensdelict in geen geval kan worden uitgesloten ( [deskundige 1] ), en dat het overlijden van [slachtoffer] waarschijnlijker is als gevolg van een niet-ziekelijke oorzaak dan gegeven een ziekelijke oorzaak en waarschijnlijker is als gevolg van een traumatische oorzaak dan gegeven een niet-traumatische oorzaak ( [deskundige 2] ) (bewijsmiddelen 2, 3, 4, 6, 7 en 10).\n\nHet hof leidt uit vorenstaande feiten en omstandigheden af dat de verdachte rond de vakantie in Tunesië, ergens in eind april\u002Fmei 2022, toen de verdachte duidelijk was dat zijn vrouw [slachtoffer] hem na de verkrijging van haar paspoort zou willen verlaten, het plan heeft opgevat om haar na terugkomst in Nederland van het leven te beroven en te zorgen dat haar lichaam niet meer zou worden teruggevonden, en dat hij vervolgens vanaf 11 juni 2022 uitvoering heeft gegeven aan dat plan, inclusief het opzetten van een dwaalspoor om de verdwijning van [slachtoffer] in een hem ontlastend kader te plaatsen.\n\nBij de weging en waardering van de omstandigheden, ter beantwoording van de vraag of er sprake is van voorbedachte raad in onderhavige zaak, stuit het hof enkel op aanwijzingen en bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel de conclusie onontkoombaar maken dat de verdachte het plan heeft opgevat [slachtoffer] van het leven te beroven en daaraan uitvoering heeft gegeven, terwijl aanwijzingen van enig gewicht dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling volledig ontbreken. Dat maakt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord, het aan hem onder feit 1 primair tenlastegelegde.\n\nBespreking verweren verdediging\n\nAnders dan de raadsman betoogt, is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 1] op 14 augustus 2022 erop was gericht verdenkingen van de familie te onderbouwen, en – zo begrijpt het hof – dit gesprek als ongeloofwaardig te betitelen. Dit gelet op de context die de broer van [slachtoffer] (in bewijsmiddel 11) schetst van dit gesprek en het feit dat een collega van de verdachte omstreeks diezelfde tijd voor de vermissing van [slachtoffer] soortgelijke uitspraken uit de mond van de verdachte heeft opgevangen (bewijsmiddel 14).\n\nDat de verdachte de vuilniszakken, aansteker en benzine had gekocht voor het reguliere huishouden, zoals de verdediging stelt, acht het hof ongeloofwaardig, gelet op het feit dat de verdachte deze middelen kort voor de levensberoving aanschaft en daarvan bijna onmiddellijk daarna gebruik maakt. Het aanschaffen van benzine, een aansteker en zeer grote vuilniszakken op 11 en 12 juni 2022, op momenten dat [slachtoffer] nog in leven is, en het aanwenden hiervan in de daarop volgende gebeurtenissen kunnen niet anders dan ter uitvoering van het eerder opgevatte plan worden geduid.\n\nDe verdediging stelt zich verder op het standpunt dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of, zoals verdachte heeft verklaard, ademnood. De verdachte heeft – samengevat – immers verklaard dat hij en [slachtoffer] op 12 juni 2022 in een worsteling zijn geraakt, waarbij hij haar op enig moment tegen haar neus\u002Fmond\u002Fhals\u002Fkeel heeft geslagen. [slachtoffer] zou daarna, omdat zij last had van ademhalingsproblemen, tegen de bank aan in elkaar zijn gezakt, waar zij schokkende bewegingen maakte met haar armen en benen. Zij bood vervolgens haar excuses aan en zei dat ze naar de verdachte zou luisteren. De verdachte is hierna met zijn kinderen een ijsje gaan halen. Toen hij terugkwam, was [slachtoffer] dood. De verdachte stelt dat [slachtoffer] is overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen. De verdachte heeft geen geweld gebruikt jegens zijn vrouw dat de dood ten gevolge heeft gehad. Alle forensische onderzoeken hebben hiervoor geen bewijs opgeleverd, aldus de raadsman. Zo zijn geen bloedsporen gevonden.\n\nHoe (met welk geweld) de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, is niet komen vast te staan. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] enkel tegen haar neus\u002Fmond\u002Fkeel heeft geslagen en dat zij zou zijn overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen, evenwel volstrekt ongeloofwaardig. Niet alleen volgt uit de bewijsmiddelen dat zij niet bekend was met dergelijke problemen. Bovendien geldt dat eventuele hyperventilatieproblemen volgens de deskundigen niet tot de dood hebben kunnen leiden. Ook het standpunt van de verdediging hieromtrent volgt het hof niet. Hoewel een concrete doodsoorzaak, door de verbranding van het stoffelijk overschot, niet kon worden vastgesteld, volgt uit de deskundigenrapportages wel dat er op grond van de bevindingen van de autopsie, waarbij de belangrijke organen nog voldoende intact waren om te onderzoeken, geen ziekelijke oorzaak kan worden aangetoond die van belang zou kunnen zijn geweest voor het overlijden. Een dergelijke ziekelijke oorzaak kan eveneens niet op grond van het medische dossier van [slachtoffer] worden geconcludeerd. Daar komt bij dat [slachtoffer] ten tijde van haar overlijden slechts 35 jaar oud was. Een dergelijk door de verdediging gesteld spontaan overlijden betreft derhalve een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nHet hof is aldus van oordeel dat, gelet op de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] alsmede de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte [slachtoffer] in hun woning opzettelijk (vol opzet) om het leven heeft gebracht door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan haar lichaam, teneinde aan zijn plan om haar te doden, uitvoering te geven.\n\nUit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang volgt tevens genoegzaam dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, niet alleen met het oogmerk om het feit van het overlijden, maar tevens om de oorzaak daarvan te verhelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nHet hof verwerpt mitsdien de door de verdediging gevoerde verweren in al hun onderdelen. Al hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.\n\nDe verdediging heeft ten slotte nog een voorwaardelijk verzoek gedaan: indien het hof van oordeel is dat de rapportages van [deskundige 2] een andere conclusie rechtvaardigen dan die van [deskundige 1] , wenst de verdediging laatstgenoemde te horen over het verschil. Het hof wijst dit verzoek af. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat inwerking van mechanisch geweld\u002Fwurgen\u002Fsmoren als doodsoorzaak en daarmee een levensdelict niet kan worden uitgesloten terwijl postmortale computertomografie \u002F forensische obductie \u002F uitgebreid macroscopisch en lichtmicroscopisch onderzoek van de organen geen ziekelijke doodsoorzaak hebben aangetoond en [deskundige 2] is wat explicieter, door te overwegen dat de belangrijke organen nog goed genoeg te onderzoeken waren; dat op grond van het haar ter beschikking gestelde medische dossier er geen ziekelijke afwijking was die van belang kon zijn voor het overlijden, en dat ook uit het verrichte toxicologische onderzoek geen toxicologische oorzaak van\u002Fbijdrage aan het overlijden is gebleken. Aldus komt zij tot de door haar gedane weging van de twee hypothesen die alleen aan haar zijn voorgelegd. Voor zover de verdediging de deskundigheid van [deskundige 2] in twijfel trekt: het hof heeft geen enkele aanleiding hieraan te twijfelen gelet op haar registratie en lange staat van dienst. Ook overigens ziet het hof voor de beantwoording van de vragen van 348 en 350 Wetboek van Strafvordering geen noodzaak om [deskundige 1] nader te horen, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmoord.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\neen lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nHet hof heeft kennisgenomen van het de verdachte betreffende psychiatrisch en psychologisch onderzoek Pro Justitia van respectievelijk 20 april 2023 en 18 april 2023. Daaruit komt samengevat als conclusie naar voren dat bij de verdachte geen sprake is van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en\u002Fof psychogeriatrische aandoening en dat de tenlastegelegde feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen en derhalve aan de verdachte ter zake van de onder feit 1 tenlastegelegde doodslag en het onder feit 2 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren op te leggen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit dat enkel het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, de verdachte de maximumstraf voor dat feit reeds heeft uitgezeten en de voorlopige hechtenis derhalve dient te worden opgeheven. Voor het overige heeft de raadsman geen straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op zijn partner [slachtoffer] . De verdachte heeft [slachtoffer] ergens in de periode van 11 juni 2022 tot 15 juni 2022 met voorbedachten rade om het leven gebracht. Met deze daad heeft de verdachte [slachtoffer] het meest kostbare dat een mens bezit, namelijk het recht op leven, ontnomen.\n\nNadat dat de verdachte [slachtoffer] om het leven had gebracht, heeft hij haar lichaam achter het bankstel in de woonkamer van hun woning, waar op dat moment ook hun zoontjes van 4 en 6 woonachtig waren, verborgen gehouden. Enkele dagen na het overlijden begon het lichaam van [slachtoffer] te ontbinden, waarna de verdachte het lichaam heeft ingepakt in vuilniszakken, vervolgens in een tapijt heeft gerold en op de achterbank van zijn auto heeft gelegd. Met zijn twee zoontjes op de bijrijdersstoel rijdt hij het lichaam onder andere van en naar school. Uiteindelijk rijdt de verdachte ongeveer 240 kilometer met het lichaam van [slachtoffer] en dumpt haar lichaam midden in de nacht onder een viaduct in Duitsland, waarna hij benzine over het lichaam gooit, het vervolgens in brand steekt en vertrekt. Haar lichaam wordt diezelfde nacht nog gevonden, maar pas maanden later, in oktober 2022, geïdentificeerd.\n\nIn de maanden na het verbranden van haar lichaam doet de verdachte alsof [slachtoffer] vrijwillig is vertrokken en geeft haar als vermist op bij de politie. Hij schetst tegenover de politie een beeld van een vrouw die haar kinderen mishandelde, haar gezin zou hebben verlaten voor een andere man en daarbij een groot geldbedrag en goud zou hebben meegenomen. De verdachte doet daarvan zelfs valse aangifte bij de politie en levert de politie meerdere geluidsbestanden aan om zijn leugens kracht bij te zetten. Tegenover de familie van [slachtoffer] doet de verdachte, door het sturen van spraakberichten van [slachtoffer] , het voorkomen dat [slachtoffer] zelf is weggegaan en nog in leven is. Aan de kinderen vertelde de verdachte dat mama zou zijn vertrokken naar Tunesië. Het hof acht dit handelen van de verdachte bijzonder kwalijk: niet alleen ontnam hij [slachtoffer] het leven, maar daarna bezoedelde hij ook nog haar reputatie om zelf vrijuit te kunnen gaan.\n\nDe verdachte heeft het leven van een jonge vrouw beëindigd en daarmee onherstelbaar leed en onomkeerbaar verlies toegebracht aan de twee zoontjes en familie van het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de door de broer en zus van het slachtoffer ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer] bovendien – door de wijze waarop hij met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is omgegaan – de mogelijkheid ontnomen om op een waardige wijze afscheid van [slachtoffer] te nemen.\n\nDe verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] ontkend, waardoor tot op heden onduidelijk is gebleven wat zich tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft afgespeeld en wat heeft geleid tot haar dood. Dit heeft de verwerking van het verlies van [slachtoffer] en van de feiten die jegens haar zijn gepleegd voor de nabestaanden extra bemoeilijkt, temeer nu [slachtoffer] in de periode voor haar overlijden regelmatig aan haar familie liet weten bang te zijn voor de verdachte en te vrezen voor haar leven. De nabestaanden zullen in onzekerheid achterblijven met vragen over wat [slachtoffer] precies is overkomen en wat zij in de laatste momenten van haar leven heeft doorgemaakt. De verdachte heeft hiermee onnodig extra leed bij de nabestaanden veroorzaakt. De verdachte heeft geen enkel berouw getoond. Het hof realiseert zich dat geen straf ooit recht zal kunnen doen aan het persoonlijk leed van de nabestaanden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten die het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. Dit blijkt ook uit de strafbedreiging die op het delict moord is gesteld, te weten een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren. Reeds hierom kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt. Nu het hof anders dan de advocaat-generaal van oordeel is dat moord in plaats van doodslag bewezen dient te worden verklaard, doet de door advocaat-generaal gevorderde straf naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde zoals hiervoor uiteengezet.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof evenwel het navolgende.\n\nHet hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Het hof gaat in dit geval uit van een termijn van 16 maanden per instantie, nu de verdachte het gehele proces in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nHet hof stelt in de onderhavige zaak vast dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden (in eerste aanleg met bijna 10 maanden en in hoger beroep met ongeveer 2,5 maand), terwijl geen bijzondere omstandigheden aanwezig worden geacht die deze overschrijdingen rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de strafoplegging.\n\nZonder schending van de redelijke termijn zou, zoals hiervoor door het hof is overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu evenwel de redelijke termijn in twee instanties is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nMet betrekking tot de op de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen 6 tot en met 20, in het dictum nader omschreven, is het hof van oordeel dat deze dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, nu is gebleken dat die voorwerpen aan de verdachte toebehoren en het belang van strafvordering zich tegen teruggave hiervan niet verzet.\n\nHet hof is voorts van oordeel dat van de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen 22 tot en met 35, in het dictum nader omschreven, niet genoegzaam is komen vast te staan wie in juridische zin als rechthebbende(n) kan\u002Fkunnen worden aangemerkt. Het hof zal derhalve ten aanzien van deze voorwerpen de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1] (zoon van [slachtoffer] ) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 206.155,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:\n\n€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);\n\n€ 76.538,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 40.580,00 (subsidiair);\n\n€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);\n\n€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);\n\n€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);\n\n€ 20.000,00 aan affectieschade\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 (posten v. en vi.) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 131.155,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPosten i. en iv.\n\nIn overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.\n\nPost ii en iii.\n\nTen aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nHet hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten\n\n€ 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.\n\nHet verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.\n\nPost v.\n\nIngevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.\n\nHet hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nHet hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op een gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.\n\nPost vi.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.\n\nDe totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.), te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 217.451,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:\n\n€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);\n\n€ 87.834,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 46.569,00 (subsidiair);\n\n€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);\n\n€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);\n\n€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);\n\n€ 20.000,00 aan affectieschade\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade (posten v. en vi.), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 142.451,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPosten i. en iv.\n\nIn overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.\n\nPost ii en iii.\n\nTen aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nHet hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten € 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.\n\nHet verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.\n\nPost v.\n\nIngevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.\n\nHet hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nHet hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.\n\nPost vi.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.\n\nDe totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.),te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nVordering van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3]\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] hebben in eerste aanleg ieder een aparte vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schade die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nMet de rechtbank stelt het hof vast dat de benadeelde partijen, de vader ( [benadeelde 4] ) en moeder ( [benadeelde 3] ) van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoren. Het door hen gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal dit bedrag derhalve aan ieder van de benadeelde partijen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nAlgemene overwegingen schadevergoedingsmaatregel en gijzeling\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] , nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat gijzeling zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft. Het hof heeft acht geslagen op de artikelen 36f, vijfde lid, en 60a van het Wetboek van Strafrecht. Daaruit volgt dat de totale duur van de gijzeling maximaal een jaar betreft. Het hof zal dit maximale aantal dagen gijzeling, te weten 365 dagen, op de navolgende wijze evenredig verdelen over de maatregelen van de toegewezen vorderingen, nu het totale aantal dagen gijzeling zonder toepassing van dit maximum boven 365 dagen zou uitstijgen:\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] : 137 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] : 137 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] : 46 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] : 45 dagen gijzeling\n\nDe schadevergoedingsmaatregel en het aantal dagen gijzeling zullen nader worden genoemd in het dictum.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 60a, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (eenentwintig) jaren en 6 (zes) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n6. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549166, rood, merk: hoody met opschrift);\n\n7. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549167, blauw);\n\n8. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549169, zwart);\n\n9. 2 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549170, wit, merk: onbekend sport);\n\n10. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549172, bruin);\n\n11. 1 STK GSM (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549183, blauw, merk: Samsung);\n\n12. 1 STK Sleutelbos (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549194);\n\n13. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562584, wit);\n\n14. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562587, wit);\n\n15. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562599);\n\n16. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562600, zwart);\n\n17. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562601, rood);\n\n18. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562603, blauw);\n\n19. 1 STK Kleiding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562604, blauw, merk: Springfield);\n\n20. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562608, zwart);\n\ngelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n22. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758357, goud);\n\n23. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758360, goud);\n\n24. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758361, goud);\n\n25. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758358, goud);\n\n26. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758347, goud);\n\n27. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758346, goud);\n\n28. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758340, goud);\n\n29. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758342, goud);\n\n30. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758349, goud);\n\n31. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758351, goud);\n\n32. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758354, goud);\n\n33. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758362, goud);\n\n34. ,1 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741378, ibn 19-10-22);\n\n35. 7,75 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741443, ibn 19-10-22);\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nverklaart de vordering tot schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nverklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 46 (zesenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1694","2026-06-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:35.646Z",{"id":111,"ecli":112,"slug":113,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":114,"fullText":115,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":116,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":40,"updatedAt":117},"1771","ECLI:NL:RBOBR:2026:4751","ecli-nl-rbobr-2026-4751","2026-06-30T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 82.227010.22\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [bedrijf 1]\n\ngevestigd op het adres [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026, 2 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 oktober 2025.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 november 2016 tot en met heden in de gemeente Utrecht, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben verdachte en\u002Fof haar mededader(s) (van) aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en), te weten de woning gelegen aan het adres [adres] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, dan wel verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op dat\u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof verborgen en\u002Fof verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n(sub b)\n\nverworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof omgezet en\u002Fof daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die\u002Fdat aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nHet verzoek om aanhouding voor het horen van een getuige van de verdediging\n\nInleiding\n\nNa de inhoudelijke zitting van 12 februari jl. was de rechtbank voornemens het onderzoek op 2 maart 2026 te sluiten, maar is door de verdediging verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te hervatten. Het bleek namelijk dat in het kader van een al sinds 2020 lopend rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie de getuige [getuige] alsnog, op 12 maart 2026, zou worden gehoord door de rechtbank in Johannesburg, Zuid-Afrika. De verdediging verwachtte dat deze getuige ontlastend zou verklaren. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen dit verzoek maar de rechtbank heeft dit verzoek van de verdediging gehonoreerd door te beslissen dat het onderzoek ter terechtzitting op 2 maart 2026 zou worden hervat zodat het verhoor kon worden afgewacht. Ook zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen na ontvangst van het proces-verbaal van dat getuigenverhoor daarop te reageren. Het proces-verbaal van het getuigenverhoor is op 4 juni 2026 (Engelstalig) en 12 juni 2026 (vertaald) verzonden naar de verdediging. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2026 een standpunt ingenomen ten aanzien van de getuigenverklaring.\n\nOp de zitting van 16 juni 2026 zijn de reacties van de verdediging en het Openbaar Ministerie op het getuigenverhoor besproken, en heeft de verdediging opnieuw om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting verzocht en het verzoek gedaan de getuige [getuige] te horen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht [getuige] als getuige te mogen horen om de volgende redenen. Ten eerste omdat sprake is van een zogenaamde Keskin-getuige, deze getuige tegen de verwachting van de verdediging in belastend heeft verklaard en de verdediging geen behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft gehad zodat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Ten tweede omdat de verdediging niet door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid is gesteld vooraf vragen in te dienen of te reageren op de door het Openbaar Ministerie opgestelde vragenlijst. Ten derde heeft de verdediging gesteld dat verschillende vormvereisten tijdens het verhoor zijn geschonden zodat ook om die reden die getuigenverklaring niet betrouwbaar en dus onbruikbaar is als zij niet eerst in de gelegenheid wordt gesteld de getuige te horen.\n\nHet standpunt van het OM\n\nHet Openbaar Ministerie heeft zich tegen dit verzoek verweerd, door, kort gezegd, te stellen dat de verdediging dit verzoek om deze getuige te horen niet eerder heeft gedaan en ook zonder voorbehoud om het afwachten van deze getuigenverklaring heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de verdediging steeds de mogelijkheid heeft gehad om contact te hebben met [getuige] en daar ook gebruik van heeft gemaakt (op de dag van het verhoor is er nog contact geweest tussen de vertegenwoordiger van verdachte en de getuige). De betrokkenheid van verdachte blijkt voldoende uit andere bewijsmiddelen zodat de belastende verklaring van [getuige] niet van doorslaggevend belang is en tenslotte is de verdediging voldoende compensatie geboden.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\nDe rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af. Daarvoor is het procesverloop, zoals hiervoor ook geschetst, redengevend. Door de verdediging is voorafgaand aan of tijdens de zitting van 12 februari 2026 niet verzocht de getuige [getuige] te horen. Het Openbaar Ministerie vond het na de behandeling ter terechtzitting niet nodig het getuigenverhoor van [getuige] in Zuid-Afrika af te wachten en verzette zich tegen het aanhoudingsverzoek van de verdediging. Door de verdediging, die verzocht heeft om de uitkomst van het getuigenverhoor wel af te wachten, is geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het verdere verloop na ontvangst van het getuigenverhoor, niet gevraagd de getuige te horen in haar aanwezigheid, noch is er verzocht om de vraagstelling aan de getuige mee te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de getuigenverklaring van [getuige] af te wachten gehonoreerd, maar daarbij ook nadrukkelijk bepaald dat er geen langer uitstel zou worden geboden dan tot de zitting van 16 juni 2026. In het licht van dit procesverloop acht de rechtbank het verzoek om een getuigenverhoor een gepasseerd station. De verdediging heeft gedurende de procedure onvoldoende initiatief getoond om de getuige te kunnen ondervragen, zodat de zaak niet alsnog om die reden zal worden aangehouden.\n\nVoor de beoordeling of daarmee nog wel wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.). In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] voldoende steun vindt in andere feiten en omstandigheden en niet van dragend belang is. De rechtbank zal hieronder op die andere feiten en omstandigheden ingaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM en dat de getuigenverklaring van [getuige] ook bruikbaar is voor de bewezenverklaring.\n\nTen aanzien van de door het OM ingediende vragenlijst overweegt de rechtbank als volgt. Waar het in de onderzoeksfase van een procedure gebruikelijk is dat een rechtshulpverzoek zelfstandig door het OM wordt uitgevoerd, zonder daar overleg over te hebben met de verdediging of de rechtbank, had het in dit geval, waarin het verhoor pas na de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting zou plaatsvinden, naar het oordeel van de rechtbank wel in de rede gelegen dat het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank had geïnformeerd over de nazending van vragen aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten, ook om de verdediging en de rechtbank indien gewenst in de gelegenheid te stellen vragen in te dienen. Echter, nu zowel de rechtbank en de verdediging daar niet om hadden verzocht en de aanvullende vragen niet wezenlijk afwijken van de eerder in het rechtshulpverzoek aangekondigde vragen, is de rechtbank van oordeel dat dat geen strijd met de goede procesorde oplevert en de verdediging niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de gang van zaken.\n\nVan een concrete schending van de procesorde naar Zuid-Afrikaans recht is evenmin gebleken, zodat op basis van het vertrouwensbeginsel er van mag worden uitgegaan dat de getuigenverklaring rechtmatig is verkregen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nEnig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] ( [verdachte] , hierna: [verdachte] ) is op 12 augustus 2016 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland geïmmigreerd en heeft hier op 26 september 2016 de besloten vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) opgericht. Op 28 september 2016 heeft [bedrijf 1] een koopovereenkomst gesloten voor een appartement aan de [adres] . Op 28 oktober 2016 heeft [bedrijf 1] een bankrekening bij de [bank 1] geopend, waar op 4 november 2016 een bedrag ter grootte van € 402.787,29 is bijgeschreven afkomstig van een bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is een [bedrijf 2] die staat geregistreerd in Hong Kong. Het gaat hier om een overboeking van $ 450.000. Op 15 november 2016 heeft [bedrijf 1] vervolgens € 400.000,- betaald voor het appartement in Utrecht. Hiermee heeft [bedrijf 1] zich volgens het OM schuldig gemaakt aan witwassen, en enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] aan het feitelijk leiding geven aan witwassen.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – kort gezegd – aangevoerd dat er een vermoeden van witwassen is dat de verklaring van (namens) verdachte onvoldoende concreet en hoogst onwaarschijnlijk is, waardoor het Openbaar Ministerie geen onderzoek hoeft te doen naar deze verklaring. Bovendien stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ook uit het onderzoek dat is gedaan door de FIOD en het Openbaar Ministerie niets naar voren is gekomen dat de verklaring van verdachte ondersteunt. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ook wetenschap had van het witwassen.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van de gelden die zijn gebruikt voor de aankoop van het appartement. Het onderzoek naar deze verklaring door het Openbaar Ministerie is volgens de verdediging onvoldoende geweest. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat het geld waarmee het pand in Utrecht is aangekocht van misdrijf afkomstig is, en dat verdachte zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van wetenschap.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nNadere bewijsoverwegingen.\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de gelden die door [bedrijf 1] zijn gebruikt voor de hiervoor beschreven aankoop van het pand in Utrecht uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\nHet juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan).\n\nDe rechtbank moet eerst vaststellen of er een concreet misdrijf is geweest waar het witgewassen voorwerp van afkomstig is. Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen.\n\nStap 1 Is er sprake van een bekend gronddelict?\n\nVan een concreet misdrijf waar dit geld mee zou zijn verdiend is niet gebleken.\n\nStap 2 is er een vermoeden van witwassen?\n\nDeze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.\n\nEnig aandeelhouder en bestuurder van verdachte had in 2016 geen in Nederland bekend inkomen. [bedrijf 1] betrof een nieuw opgerichte B.V., waar geen activiteit in plaatsvond en waar geen vermogen in zat tot de overboeking vanuit Hong Kong. Het feit dat er geen (legaal) inkomen aanwezig was in Nederland, terwijl er wel een pand is aangekocht zonder dat daarvoor een hypotheek hoefde te worden afgesloten, betreft op zichzelf een indicator dat sprake is van witwassen.\n\nDe overboeking vanuit Hong Kong bleek afkomstig van de bankrekening van een daar geregistreerde [bedrijf 2] , te weten [bedrijf 2] . Er is niet gebleken van enige betrokkenheid van [bedrijf 2] met de Nederlandse vastgoedmarkt. [bedrijf 2] is online niet vindbaar als financier en er zijn geen contactgegevens beschikbaar van [bedrijf 2] . De vertegenwoordiger van verdachte, [verdachte] , heeft verklaard zelf ook geen contactgegevens te hebben van medewerkers van [bedrijf 2] . De oorsprong van het geld is daarmee niet transparant of verifieerbaar, en de herkomst van de financier is ongebruikelijk voor de aankoop van Nederlands vastgoed.\n\nUit de stukken die de vertegenwoordiger van verdachte, [verdachte] , bij de [bank 1] heeft overgelegd, blijkt dat zij stelt dat de leningovereenkomst met [bedrijf 2] later is overgenomen door de Zuid-Afrikaanse onderneming [bedrijf 3] , waarna zij met een Zuid-Afrikaanse “shelved” onderneming een leningovereenkomst zou hebben afgesloten bij [bedrijf 3] . Ook dit betreft een financier zonder online zichtbaarheid, ditmaal afkomstig uit Zuid-Afrika. De (papieren) oversluiting van de lening naar Zuid-Afrika maakt de herkomst van het geld minder transparant en draagt daarbij eveneens bij aan het vermoeden van witwassen.\n\nDit betreffen naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, een vermoeden van witwassen in het leven roepen. Gelet hierop mag van vertegenwoordiger van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde bedragen.\n\nStap 3 heeft verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld of de goederen?\n\n [verdachte] heeft verklaard via een zakelijk contact van een van haar bedrijven in Zuid-Afrika, de heer [betrokkene 1] , in contact te zijn gekomen met [bedrijf 2] in Hong Kong. Naar aanleiding van een gesprek met een medewerker van [bedrijf 2] in oktober 2016 heeft zij voor [bedrijf 1] een lening verkregen bij [bedrijf 2] ten behoeve van de aankoop van een appartement in Utrecht. Deze lening is vervolgens in oktober 2017 afgelost door een zakelijk contact van [verdachte] , namelijk de heer [getuige] als directeur van [bedrijf 3] in Zuid-Afrika. [verdachte] heeft een lening afgesloten bij [bedrijf 3] namens [bedrijf 4] , een (‘shelved’) onderneming op haar naam in Zuid-Afrika. [verdachte] heeft verklaard dat zij voldoende liquide middelen had in Zuid-Afrika om deze lening af te kunnen sluiten, nu zij (persoonlijk) een aantal panden in Zuid-Afrika bezit en hier huurinkomsten mee genereert. Zij zou nog steeds voldoen aan de aflossingsverplichting. [verdachte] heeft documenten overgelegd ter onderbouwing van deze verklaring.\n\nStap 4 is de verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk?\n\nTen aanzien van de lening met [bedrijf 2] overweegt de rechtbank dat de vragen die deze lening op zichzelf al oproept, door de verklaring van [verdachte] en de door haar overgelegde stukken eerder zijn toe- dan afgenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze verklaring niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.\n\nDaarvoor weegt allereerst mee de manier waarop de lening met [bedrijf 2] tot stand zou zijn gekomen volgens [verdachte] . [verdachte] heeft verklaard dat zij met [bedrijf 2] in contact is gebracht door een goed, al lang bestaand, zakelijk contact van haar, de heer [betrokkene 1] . Desgevraagd heeft verdachte mailverkeer met de heer [betrokkene 1] opgestuurd naar de [bank 1] ter onderbouwing van deze verklaring. Dit mailverkeer, dat zich in het dossier bevindt (p. 266 e.v.), duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op jarenlang goed contact tussen verdachte en de heer [betrokkene 1] . Het lijkt er op basis van de inhoud van de mailberichten op dat verdachte en de heer [betrokkene 1] elkaar voor het eerst hebben ontmoet op een beurs in oktober 2016 en er is geen enkele aanwijzing dat de heer [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld in het contact tussen verdachte en [bedrijf 2] .\n\nVerder weegt mee de onwaarschijnlijkheid van de verklaring van [verdachte] in het verhoor op 18 december 2024 dat zij vervolgens in een café een meeting zou hebben gehad met een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] , maar dat zij niet meer weet wie deze persoon was. De afspraak zou ongeveer een uur hebben geduurd, voordat de lening werd afgesloten. Deze gang van zaken acht de rechtbank, gelet op de omvang van het geleende bedrag en het feit dat [bedrijf 2] volgens [verdachte] een lening zou gaan verstrekken voor een appartement in het buitenland, zonder een gevestigd pandrecht op dat appartement, aan een persoon die tot voor de ‘meeting’ nog onbekend was geweest, hoogst onwaarschijnlijk.\n\nDaar komt nog bij dat de leningovereenkomst volgens de inhoud van die overeenkomst vervolgens zou zijn ondertekend door [verdachte] en een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] in Hong Kong op 31 oktober 2016. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op dat moment niet in Hong Kong was. De rechtbank stelt eveneens vast dat er geen mailwisseling of andere gegevens zijn overgelegd tussen haar en [bedrijf 2] en er na aangaan van de overeenkomst geen rente- en afbetalingen zijn gedaan door [bedrijf 1] . Ook dit gedeelte acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de leningovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] het volgende. Zoals hiervoor reeds aangehaald ontplooide [bedrijf 1] in 2016 geen activiteiten, had het bedrijf geen vermogen en was het pas kort voor de transactie opgericht. Het onderpand dat volgens de leningsovereenkomst die verdachte heeft overgelegd werd gegeven door [bedrijf 1] , te weten alle aandelen van de onderneming, kan naar het oordeel van de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet gelden als onderpand voor een dergelijk hoge lening. Te meer nu er geen pandrecht is gevestigd op het appartement. Dat een investeerder, in het normaal economisch verkeer, een dergelijke lening zou afsluiten is naar het oordeel van de rechtbank concluderend hoogst onwaarschijnlijk, waardoor de rechtbank tot de conclusie komt dat deze lening niet op zakelijke gronden is aangegaan. Nu een andere – geloofwaardige – verklaring ontbreekt, brengt dat de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het hiervoor al benoemde vermoeden tot witwassen niet heeft weerlegd met haar verklaring.\n\nDat de lening van [bedrijf 1] met [bedrijf 2] een jaar later zou zijn overgenomen door [bedrijf 3] , zoals [verdachte] heeft verklaard, is voor de beoordeling van de verdenking ten aanzien van de aankoop in 2016 niet van doorslaggevend belang. Desalniettemin zal de rechtbank ook bij deze verklaring stilstaan, nu de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken ten aanzien van deze overboeking de verklaring van verdachte dat sprake was van een bonafide leningsconstructie bij de aankoop van het pand extra ongeloofwaardig maken.\n\n [bedrijf 3] is wederom een bedrijf dat online niet zichtbaar is als financier. Dit Zuid-Afrikaanse bedrijf zou de lening tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] op verzoek van [verdachte] volledig hebben afgelost, maar de condities waaronder zouden, naar eigen verklaring van [verdachte] ter zitting, langs haar heen zijn gegaan: zij zou daar niet bij betrokken zijn. Ook dit acht de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet begrijpelijk. [bedrijf 4] , het bedrijf dat vervolgens een lening zou zijn aangegaan bij [bedrijf 3] , is net als de andere bedrijven niet vindbaar online en bovendien heeft [verdachte] verklaard dat het een ‘shelved company’ is, waaruit de rechtbank opmaakt dat er geen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. Dat betekent dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 2] , een leningsovereenkomst zou hebben verstrekt zonder ook maar enige zekerheid te hebben dat die lening wordt terugbetaald. De rechtbank acht ook dit aspect van de verklaring van [verdachte] hoogst onwaarschijnlijk. Dat [verdachte] haar persoonlijke onroerende goederen in onderpand gegeven zou hebben – die in waarde de hoogte van de lening niet dekken - waar met behulp van een huurconstructie de aflossingen van de lening zouden worden betaald, acht de rechtbank eveneens hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot weegt de rechtbank nog de volgende omstandigheid uit het dossier mee, die op geen enkele wijze te rijmen is met de verklaring van [verdachte] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] zijn twee bankkaarten van de bank [bank 2] , gevestigd in Zuid-Afrika, aangetroffen. De ene kaart stond op naam van [bedrijf 4] , de andere op naam van [bedrijf 3] . Beide kaarten waren volgens de envelop op hetzelfde adres geleverd (het adres van de bank) en op dezelfde datum aangevraagd. De lening tussen Royal Square en [bedrijf 4] zou op 26 oktober 2017 zijn afgesloten, de bankkaarten dateren van 23 december 2019. Het voorgaande sterkt de rechtbank in de overtuiging dat ook de (papieren) leningsconstructie met Royal Square Investment uitsluitend bedoeld is geweest om te verhullen wat de daadwerkelijke herkomst van de gelden is. De verklaring van [verdachte] dat zij samen met de heer [getuige] naar de bank is gegaan – zonder daartoe voorafgaand met de bank een afspraak te maken- om de rekeningen te openen, dat ze direct de bankpassen meekregen, en dat zij per ongeluk ook de pas van [bedrijf 3] heeft meegenomen is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.\n\nDe getuigenverklaring van de heer [getuige] bevestigt hetgeen hierboven reeds is overwogen. [getuige] heeft verklaard slechts op papier directeur van [bedrijf 3] te zijn en er verder niets van weten. Ten aanzien van het openen van de bankrekening bij [bank 2] heeft hij desgevraagd verklaard dat dit in opdracht van de heer [betrokkene 2] (rechtbank: ook [betrokkene 2] genoemd) is gedaan, maar dat hij ook daar verder niets van wist. Ook zou hij geen lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] hebben ondertekend of goedgekeurd en geen lening tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben afgelost. Hij zou de gegevens van de [bank 2] -rekening hebben overgedragen in de veronderstelling dat [betrokkene 2] een woning kocht voor verdachte in Nederland. Volgens getuige [getuige] was [verdachte] de persoonlijk assistent van deze [betrokkene 2] . Deze verklaring van de heer [getuige] staat haaks op de verklaring van [verdachte] dat sprake zou zijn geweest van een reële contractsovername.\n\nAlles afwegende concludeert de rechtbank dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd door de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte. Het Openbaar Ministerie behoefde hier geen nader onderzoek naar te doen. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de aankoop van het appartement aan de [adres] te Utrecht met geld is gefinancierd uit legale herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden gelden.\n\nWetenschap.\n\nDe volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de vertegenwoordiger van verdachte wetenschap had van de illegale herkomst van dit geld. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op de hierboven geschetste constructie – een lening tussen een lege Nederlandse B.V. met een onvindbare [bedrijf 2] uit Hong Kong, overgesloten naar een lening bij een Zuid-Afrikaans bedrijf met een directeur die heeft verklaard alleen op papier een functie te hebben, met een “shelved” Zuid-Afrikaans bedrijf – er bewust moet zijn gekozen voor verhulling van de daadwerkelijke herkomst van de gelden. Gelet op de rol van [verdachte] binnen de verschillende bedrijven kan het niet anders zijn geweest dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van die verhullende constructie. Het verweer dat andere partijen in Nederland, zoals de notaris en de [bank 1] , ook geen vragen hebben gesteld bij de aankoop van de woning treft geen doel, nu zij anders dan [verdachte] geen zicht hadden op de onwaarachtigheid van de constructie. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de vertegenwoordiger van verdachte op het moment van afsluiten van de leningovereenkomst met [bedrijf 2] wist van de illegale herkomst van het geld.\n\nToerekenbaarheid rechtspersoon.\n\nDe vertegenwoordiger van verdachte is een leningovereenkomst aangegaan namens [bedrijf 1] met [bedrijf 2] , waarna vanuit [bedrijf 2] het geld is overgeboekt naar [bedrijf 1] waarvan de aankoop van het appartement in Utrecht is gefinancierd. Aan de hand van het Uittreksel van de Kamer van Koophandel stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] onder meer zouden omvatten het investeren in onroerend goed. De aankoop van het appartement valt daarmee naar het oordeel van de rechtbank onder de normale bedrijfsvoering. Het ontvangen van het geld van [bedrijf 2] is naar het oordeel van de rechtbank ook dienstig geweest aan het uitgeoefende bedrijf binnen de rechtspersoon, nu daarmee het appartement kon worden aangeschaft.\n\nOp grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen hebben zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.\n\nDie gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.\n\nConclusie.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het witwassen.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\nin de periode van 4 november 2016 tot en met heden in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte van geld en de woning gelegen aan het adres [adres] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard en de herkomst verhuld\n\n(sub b)\n\nverworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist dat dat geld en voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte een geldboete ter hoogte van € 20.000,00 op te leggen en de verbeurdverklaring van het pand aan de [adres] te Utrecht. Voorts heeft de officier van justitie een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangekondigd indien de rechtbank niet zal overgaan tot verbeurdverklaring van het pand.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft strafmaatverweer gevoerd, door aan te voeren dat bij verbeurverklaring van het pand de vertegenwoordiger van de verdachte zwaar zou treffen omdat het haar woning is.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met draagkracht van de rechtspersoon.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van het feit.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen door de aankoop van een pand in Utrecht te financieren met uit misdrijf afkomstig geld. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. De integriteit van het financieel en economisch bestel wordt daardoor ernstige schade toegebracht. Verdachte heeft gebruik gemaakt van een schimmige en ondoorzichtige financieringsconstructie voor de aanschaf van het pand, waarbij gebruik is gemaakt van internationale schakels. Verdachte is voor de aanschaf van het pand listig en geraffineerd te werk gegaan en heeft geen enkel inzicht gegeven in de werkelijke financiering daarvan. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.\n\nVoorts overweegt de rechtbank dat [bedrijf 1] enkel is opgericht voor de aanschaf van de [adres] te Utrecht, en daarmee voor het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank houdt hiermee in het nadeel van verdachte rekening mee.\n\nAan de andere kant weegt de rechtbank mee dat de feitelijke leidinggevende van verdachte ook is vervolgd voor witwassen, en daarvoor een gevangenisstraf krijgt opgelegd.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2025 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is geweest voor strafbare feiten. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.\n\nSchending van de redelijke termijn.\n\nDe rechtbank overweegt dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat de behandeling op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nDe vertegenwoordiger van verdachte is op 22 februari 2023 voor het eerst door de politie verhoord.\n\nHoewel het (eerste) verhoor van de verdachte in de jurisprudentie in beginsel niet als een handeling wordt beschouwd waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, gaat de rechtbank daar in deze zaak wel vanuit. De redelijke termijn is dus aangevangen op 22 februari 2023. De rechtbank heeft einduitspraak gedaan op 30 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden overschreden. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de oudheid van het gepleegde feit.\n\nStraf\n\nDe rechtbank ziet, gelet op het voorgaande en op hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot het in beslag genomen pand, geen aanleiding om naast de verbeurdverklaring van het pand nog een geldboete op te leggen.\n\nVerbeurdverklaring beslag\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het pand aan de [adres] te Utrecht vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke het witwasfeit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde. De rechtbank is van oordeel dat de straf van verbeurdverklaring van het onroerend goed dat verdachte door de strafbare feiten heeft verkregen een passende straf is.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n33, 33a, 51, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;\n\nhet bewezenverklaarde levert op het misdrijf:\n\nwitwassen, begaan door een rechtspersoon\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nlegt op de volgende straf:\n\n* verbeurdverklaring van het pand aan de [adres] te Utrecht.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.H.C. Merkx, voorzitter.\n\nmr. A.C. Palmboom en mr. F.H.E. Boerma, leden, en\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels en mr. S.B.J. de Leeuw, griffier.\n\nen is uitgesproken op 30 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4751","2026-07-13T00:29:38.047Z",{"id":119,"ecli":120,"slug":121,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":114,"fullText":122,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":123,"sourceTimestamp":77,"parsedAt":40,"updatedAt":124},"1769","ECLI:NL:RBOBR:2026:4746","ecli-nl-rbobr-2026-4746","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 82.227005.22\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [1979] ,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026, 2 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 oktober 2025.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n [medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 november 2016 tot en met heden in de gemeente Utrecht, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben verdachte en\u002Fof haar mededader(s) (van) aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en), te weten de woning gelegen aan het adres [adres 2] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, dan wel verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op dat\u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof verborgen en\u002Fof verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den),\n\n(sub b)\n\nverworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof omgezet en\u002Fof daarvan gebruik gemaakt, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die\u002Fdat aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\ntot welk strafbaar feit\u002Faan welke strafbare gedraging zij opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nHet verzoek om aanhouding voor het horen van een getuige van de verdediging\n\nInleiding\n\nNa de inhoudelijke zitting van 12 februari jl. was de rechtbank voornemens het onderzoek op 2 maart 2026 te sluiten, maar is door de verdediging verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te hervatten. Het bleek namelijk dat in het kader van een al sinds 2020 lopend rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie de getuige [getuige] alsnog, op 12 maart 2026, zou worden gehoord door de rechtbank in Johannesburg, Zuid-Afrika. De verdediging verwachtte dat deze getuige ontlastend zou verklaren. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen dit verzoek maar de rechtbank heeft dit verzoek van de verdediging gehonoreerd door te beslissen dat het onderzoek ter terechtzitting op 2 maart 2026 zou worden hervat zodat het verhoor kon worden afgewacht. Ook zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen na ontvangst van het proces-verbaal van dat getuigenverhoor daarop te reageren. Het proces-verbaal van het getuigenverhoor is op 4 juni 2026 (Engelstalig) en 12 juni 2026 (vertaald) verzonden naar de verdediging. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2026 een standpunt ingenomen ten aanzien van de getuigenverklaring.\n\nOp de zitting van 16 juni 2026 zijn de reacties van de verdediging en het Openbaar Ministerie op het getuigenverhoor besproken, en heeft de verdediging opnieuw om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting verzocht en het verzoek gedaan de getuige [getuige] te horen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht [getuige] als getuige te mogen horen om de volgende redenen. Ten eerste omdat sprake is van een zogenaamde Keskin-getuige, deze getuige tegen de verwachting van de verdediging in belastend heeft verklaard en de verdediging geen behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft gehad zodat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Ten tweede omdat de verdediging niet door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid is gesteld vooraf vragen in te dienen of te reageren op de door het Openbaar Ministerie opgestelde vragenlijst. Ten derde heeft de verdediging gesteld dat verschillende vormvereisten tijdens het verhoor zijn geschonden zodat ook om die reden die getuigenverklaring niet betrouwbaar en dus onbruikbaar is als zij niet eerst in de gelegenheid wordt gesteld de getuige te horen.\n\nHet standpunt van het OM\n\nHet Openbaar Ministerie heeft zich tegen dit verzoek verweerd, door, kort gezegd, te stellen dat de verdediging dit verzoek om deze getuige te horen niet eerder heeft gedaan en ook zonder voorbehoud om het afwachten van deze getuigenverklaring heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de verdediging steeds de mogelijkheid heeft gehad om contact te hebben met [getuige] en daar ook gebruik van heeft gemaakt (op de dag van het verhoor is er nog contact geweest tussen de verdachte en de getuige). De betrokkenheid van verdachte blijkt voldoende uit andere bewijsmiddelen zodat de belastende verklaring van [getuige] niet van doorslaggevend belang is en tenslotte is de verdediging voldoende compensatie geboden.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\nDe rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af. Daarvoor is het procesverloop, zoals hiervoor ook geschetst, redengevend. Door de verdediging is voorafgaand aan of tijdens de zitting van 12 februari 2026 niet verzocht de getuige [getuige] te horen. Het Openbaar Ministerie vond het na de behandeling ter terechtzitting niet nodig het getuigenverhoor van [getuige] in Zuid-Afrika af te wachten en verzette zich tegen het aanhoudingsverzoek van de verdediging. Door de verdediging, die verzocht heeft om de uitkomst van het getuigenverhoor wel af te wachten, is geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het verdere verloop na ontvangst van het getuigenverhoor, niet gevraagd de getuige te horen in haar aanwezigheid, noch is er verzocht om de vraagstelling aan de getuige mee te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de getuigenverklaring van [getuige] af te wachten gehonoreerd, maar daarbij ook nadrukkelijk bepaald dat er geen langer uitstel zou worden geboden dan tot de zitting van 16 juni 2026. In het licht van dit procesverloop acht de rechtbank het verzoek om een getuigenverhoor een gepasseerd station. De verdediging heeft gedurende de procedure onvoldoende initiatief getoond om de getuige te kunnen ondervragen, zodat de zaak niet alsnog om die reden zal worden aangehouden.\n\nVoor de beoordeling of daarmee nog wel wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.). In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] voldoende steun vindt in andere feiten en omstandigheden en niet van dragend belang is. De rechtbank zal hieronder op die andere feiten en omstandigheden ingaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM en dat de getuigenverklaring van [getuige] ook bruikbaar is voor de bewezenverklaring.\n\nTen aanzien van de door het OM ingediende vragenlijst overweegt de rechtbank als volgt. Waar het in de onderzoeksfase van een procedure gebruikelijk is dat een rechtshulpverzoek zelfstandig door het OM wordt uitgevoerd, zonder daar overleg over te hebben met de verdediging of de rechtbank, had het in dit geval, waarin het verhoor pas na de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting zou plaatsvinden, naar het oordeel van de rechtbank wel in de rede gelegen dat het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank had geïnformeerd over de nazending van vragen aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten, ook om de verdediging en de rechtbank indien gewenst in de gelegenheid te stellen vragen in te dienen. Echter, nu zowel de rechtbank en de verdediging daar niet om hadden verzocht en de aanvullende vragen niet wezenlijk afwijken van de eerder in het rechtshulpverzoek aangekondigde vragen, is de rechtbank van oordeel dat dat geen strijd met de goede procesorde oplevert en de verdediging niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de gang van zaken.\n\nVan een concrete schending van de procesorde naar Zuid-Afrikaans recht is evenmin gebleken, zodat op basis van het vertrouwensbeginsel er van mag worden uitgegaan dat de getuigenverklaring rechtmatig is verkregen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nVerdachte is op 12 augustus 2016 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland geïmmigreerd en heeft hier op 26 september 2016 de besloten vennootschap [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) opgericht. Op 28 september 2016 heeft [medeverdachte] een koopovereenkomst gesloten voor een appartement aan de [adres 2] . Op 28 oktober 2016 heeft [medeverdachte] een bankrekening bij de [bank 1] geopend, waar op 4 november 2016 een bedrag ter grootte van € 402.787,29 is bijgeschreven afkomstig van een bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is een [bedrijf 2] die staat geregistreerd in Hong Kong. Het gaat hier om een overboeking van $ 450.000. Op 15 november 2016 heeft [medeverdachte] vervolgens € 400.000,- betaald voor het appartement in Utrecht. Hiermee heeft [medeverdachte] zich volgens het OM schuldig gemaakt aan witwassen, en verdachte aan het feitelijk leiding geven aan witwassen.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – kort gezegd – aangevoerd dat er een vermoeden van witwassen is en dat de verklaring van verdachte onvoldoende concreet en hoogst onwaarschijnlijk is, waardoor het Openbaar Ministerie geen onderzoek hoeft te doen naar deze verklaring. Bovendien stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ook uit het onderzoek dat is gedaan door de FIOD en het Openbaar Ministerie niets naar voren is gekomen dat de verklaring van verdachte ondersteunt. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ook wetenschap had van het witwassen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van de gelden die zijn gebruikt voor de aankoop van het appartement. Het onderzoek naar deze verklaring door het Openbaar Ministerie is volgens de verdediging onvoldoende geweest. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat het geld waarmee het pand in Utrecht is aangekocht van misdrijf afkomstig is, en dat verdachte zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van wetenschap.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nNadere bewijsoverwegingen.\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de gelden die door [medeverdachte] zijn gebruikt voor de hiervoor beschreven aankoop van het pand in Utrecht uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\nHet juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan).\n\nDe rechtbank moet eerst vaststellen of er een concreet misdrijf is geweest waar het witgewassen voorwerp van afkomstig is. Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen.\n\nStap 1 Is er sprake van een bekend gronddelict?\n\nVan een concreet misdrijf waar dit geld mee zou zijn verdiend is niet gebleken.\n\nStap 2 is er een vermoeden van witwassen?\n\nDeze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.\n\nVerdachte had in 2016 geen in Nederland bekend inkomen. [medeverdachte] betrof een nieuw opgerichte B.V., waar geen activiteit in plaatsvond en waar geen vermogen in zat tot de overboeking vanuit Hong Kong. Het feit dat er geen (legaal) inkomen aanwezig was in Nederland, terwijl er wel een pand is aangekocht zonder dat daarvoor een hypotheek hoefde te worden afgesloten, betreft op zichzelf een indicator dat sprake is van witwassen.\n\nDe overboeking vanuit Hong Kong bleek afkomstig van de bankrekening van een daar geregistreerde [bedrijf 2] , te weten [bedrijf 2] . Er is niet gebleken van enige betrokkenheid van [bedrijf 2] met de Nederlandse vastgoedmarkt. [bedrijf 2] is online niet vindbaar als financier en er zijn geen contactgegevens beschikbaar van [bedrijf 2] . Verdachte heeft verklaard zelf ook geen contactgegevens te hebben van medewerkers van [bedrijf 2] . De oorsprong van het geld is daarmee niet transparant of verifieerbaar, en de herkomst van de financier is ongebruikelijk voor de aankoop van Nederlands vastgoed.\n\nUit de stukken die de verdachte bij de [bank 1] heeft overgelegd, blijkt dat zij stelt dat de leningovereenkomst met [bedrijf 2] later is overgenomen door de Zuid-Afrikaanse onderneming [bedrijf 3] , waarna zij met een Zuid-Afrikaanse “shelved” onderneming een leningovereenkomst zou hebben afgesloten bij [bedrijf 3] . Ook dit betreft een financier zonder online zichtbaarheid, ditmaal afkomstig uit Zuid-Afrika. De (papieren) oversluiting van de lening naar Zuid-Afrika maakt de herkomst van het geld minder transparant en draagt daarbij eveneens bij aan het vermoeden van witwassen.\n\nDit betreffen naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, een vermoeden van witwassen in het leven roepen. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde bedragen.\n\nStap 3 heeft verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld of de goederen?\n\nVerdachte heeft verklaard via een zakelijk contact van een van haar bedrijven in Zuid-Afrika, de heer [betrokkene 1] , in contact te zijn gekomen met [bedrijf 2] in Hong Kong. Naar aanleiding van een gesprek met een medewerker van [bedrijf 2] in oktober 2016 heeft zij voor [medeverdachte] een lening verkregen bij [bedrijf 2] ten behoeve van de aankoop van een appartement in Utrecht. Deze lening is vervolgens in oktober 2017 afgelost door een zakelijk contact van verdachte, namelijk de heer [getuige] als directeur van [bedrijf 3] in Zuid-Afrika. Verdachte heeft een lening afgesloten bij [bedrijf 3] namens [bedrijf 4] , een (‘shelved’) onderneming op haar naam in Zuid-Afrika. Verdachte heeft verklaard dat zij voldoende liquide middelen had in Zuid-Afrika om deze lening af te kunnen sluiten, nu zij een aantal panden in Zuid-Afrika bezit en hier huurinkomsten mee genereert. Zij zou nog steeds voldoen aan de aflossingsverplichting. Verdachte heeft documenten overgelegd ter onderbouwing van deze verklaring.\n\nStap 4 is de verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk?\n\nTen aanzien van de lening met [bedrijf 2] overweegt de rechtbank dat de vragen die deze lening op zichzelf al oproept, door de verklaring van verdachte en de door haar overgelegde stukken eerder zijn toe- dan afgenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze verklaring niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.\n\nDaarvoor weegt allereerst mee de manier waarop de lening met [bedrijf 2] tot stand zou zijn gekomen volgens verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zij met [bedrijf 2] in contact is gebracht door een goed, al lang bestaand, zakelijk contact van haar, de heer [betrokkene 1] . Desgevraagd heeft verdachte mailverkeer met de heer [betrokkene 1] opgestuurd naar de [bank 1] ter onderbouwing van deze verklaring. Dit mailverkeer, dat zich in het dossier bevindt (p. 266 e.v.), duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op jarenlang goed contact tussen verdachte en de heer [betrokkene 1] . Het lijkt er op basis van de inhoud van de mailberichten op dat verdachte en de heer [betrokkene 1] elkaar voor het eerst hebben ontmoet op een beurs in oktober 2016 en er is geen enkele aanwijzing dat de heer [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld in het contact tussen verdachte en [bedrijf 2] .\n\nVerder weegt mee de onwaarschijnlijkheid van de verklaring van verdachte in het verhoor op 18 december 2024 dat zij vervolgens in een café een meeting zou hebben gehad met een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] , maar dat zij niet meer weet wie deze persoon was. De afspraak zou ongeveer een uur hebben geduurd, voordat de lening werd afgesloten. Deze gang van zaken acht de rechtbank, gelet op de omvang van het geleende bedrag en het feit dat [bedrijf 2] volgens verdachte een lening zou gaan verstrekken voor een appartement in het buitenland, zonder een gevestigd pandrecht op dat appartement, aan een persoon die tot voor de ‘meeting’ nog onbekend was geweest, hoogst onwaarschijnlijk.\n\nDaar komt nog bij dat de leningovereenkomst volgens de inhoud van die overeenkomst vervolgens zou zijn ondertekend door verdachte en een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] in Hong Kong op 31 oktober 2016. De rechtbank stelt vast dat verdachte op dat moment niet in Hong Kong was. De rechtbank stelt eveneens vast dat er geen mailwisseling of andere gegevens zijn overgelegd tussen haar en [bedrijf 2] en er na aangaan van de overeenkomst geen rente- en afbetalingen zijn gedaan door [medeverdachte] . Ook dit gedeelte acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de leningovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte] het volgende. Zoals hiervoor reeds aangehaald ontplooide [medeverdachte] in 2016 geen activiteiten, had het bedrijf geen vermogen en was het pas kort voor de transactie opgericht. Het onderpand dat volgens de leningsovereenkomst die verdachte heeft overgelegd werd gegeven door [medeverdachte] , te weten alle aandelen van de onderneming, kan naar het oordeel van de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet gelden als onderpand voor een dergelijk hoge lening. Te meer nu er geen pandrecht is gevestigd op het appartement. Dat een investeerder, in het normaal economisch verkeer, een dergelijke lening zou afsluiten is naar het oordeel van de rechtbank concluderend hoogst onwaarschijnlijk, waardoor de rechtbank tot de conclusie komt dat deze lening niet op zakelijke gronden is aangegaan. Nu een andere – geloofwaardige – verklaring ontbreekt, brengt dat de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het hiervoor al benoemde vermoeden tot witwassen niet heeft weerlegd met haar verklaring.\n\nDat de lening van [medeverdachte] met [bedrijf 2] een jaar later zou zijn overgenomen door [bedrijf 3] , zoals verdachte heeft verklaard, is voor de beoordeling van de verdenking ten aanzien van de aankoop in 2016 niet van doorslaggevend belang. Desalniettemin zal de rechtbank ook bij deze verklaring stilstaan, nu de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken ten aanzien van deze overboeking de verklaring van verdachte dat sprake was van een bonafide leningsconstructie bij de aankoop van het pand extra ongeloofwaardig maken.\n\n [bedrijf 3] is wederom een bedrijf dat online niet zichtbaar is als financier. Dit Zuid-Afrikaanse bedrijf zou de lening tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte] op verzoek van verdachte volledig hebben afgelost, maar de condities waaronder zouden, naar eigen verklaring van verdachte ter zitting, langs haar heen zijn gegaan: zij zou daar niet bij betrokken zijn. Ook dit acht de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet begrijpelijk. [bedrijf 4] , het bedrijf dat vervolgens een lening zou zijn aangegaan bij [bedrijf 3] , is net als de andere bedrijven niet vindbaar online en bovendien heeft verdachte verklaard dat het een ‘shelved company’ is, waaruit de rechtbank opmaakt dat er geen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. Dat betekent dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 2] , een leningsovereenkomst zou hebben verstrekt zonder ook maar enige zekerheid te hebben dat die lening wordt terugbetaald. De rechtbank acht ook dit aspect van de verklaring van verdachte hoogst onwaarschijnlijk. Dat verdachte haar persoonlijke onroerende goederen in onderpand gegeven zou hebben – die in waarde de hoogte van de lening niet dekken - waar met behulp van een huurconstructie de aflossingen van de lening zouden worden betaald, acht de rechtbank eveneens hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot weegt de rechtbank nog de volgende omstandigheid uit het dossier mee, die op geen enkele wijze te rijmen is met de verklaring van verdachte. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn twee bankkaarten van de bank [bank 2] , gevestigd in Zuid-Afrika, aangetroffen. De ene kaart stond op naam van [bedrijf 4] , de andere op naam van [bedrijf 3] . Beide kaarten waren volgens de envelop op hetzelfde adres geleverd (het adres van de bank) en op dezelfde datum aangevraagd. De lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] zou op 26 oktober 2017 zijn afgesloten, de bankkaarten dateren van 23 december 2019. Het voorgaande sterkt de rechtbank in de overtuiging dat ook de (papieren) leningsconstructie met [bedrijf 3] uitsluitend bedoeld is geweest om te verhullen wat de daadwerkelijke herkomst van de gelden is. De verklaring van verdachte dat zij samen met de heer [getuige] naar de bank is gegaan – zonder daartoe voorafgaand met de bank een afspraak te maken- om de rekeningen te openen, dat ze direct de bankpassen meekregen, en dat zij per ongeluk ook de pas van [bedrijf 3] heeft meegenomen is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.\n\nDe getuigenverklaring van de heer [getuige] bevestigt hetgeen hierboven reeds is overwogen. [getuige] heeft verklaard slechts op papier directeur van [bedrijf 3] te zijn en er verder niets van weten. Ten aanzien van het openen van de bankrekening bij [bank 2] heeft hij desgevraagd verklaard dat dit in opdracht van de heer [betrokkene 2] (rechtbank: ook [betrokkene 2] genoemd) is gedaan, maar dat hij ook daar verder niets van wist. Ook zou hij geen lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] hebben ondertekend of goedgekeurd en geen lening tussen [medeverdachte] en [bedrijf 2] hebben afgelost. Hij zou de gegevens van de [bank 2] -rekening hebben overgedragen in de veronderstelling dat [betrokkene 2] een woning kocht voor verdachte in Nederland. Volgens getuige [getuige] was verdachte de persoonlijk assistent van deze [betrokkene 2] . Deze verklaring van de heer [getuige] staat haaks op de verklaring van verdachte dat sprake zou zijn geweest van een reële contractsovername.\n\nAlles afwegende concludeert de rechtbank dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd door de verklaring van verdachte. Het Openbaar Ministerie behoefde hier geen nader onderzoek naar te doen. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de aankoop van het appartement aan de [adres 2] met geld is gefinancierd uit legale herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden gelden.\n\nWetenschap.\n\nDe volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte wetenschap had van de illegale herkomst van dit geld. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op de hierboven geschetste constructie – een lening tussen een lege Nederlandse B.V. met een onvindbare [bedrijf 2] uit Hong Kong, overgesloten naar een lening bij een Zuid-Afrikaans bedrijf met een directeur die heeft verklaard alleen op papier een functie te hebben, met een “shelved” Zuid-Afrikaans bedrijf – er bewust moet zijn gekozen voor verhulling van de daadwerkelijke herkomst van de gelden. Gelet op de rol van verdachte binnen de verschillende bedrijven kan het niet anders zijn geweest dan dat verdachte zich bewust is geweest van die verhullende constructie. Het verweer dat andere partijen in Nederland, zoals de notaris en de [bank 1] , ook geen vragen hebben gesteld bij de aankoop van de woning treft geen doel, nu zij anders dan verdachte geen zicht hadden op de onwaarachtigheid van de constructie. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte op het moment van afsluiten van de leningovereenkomst met [bedrijf 2] wist van de illegale herkomst van het geld.\n\nToerekenbaarheid rechtspersoon.\n\nVerdachte is een leningovereenkomst aangegaan namens [medeverdachte] met [bedrijf 2] , waarna vanuit [bedrijf 2] het geld is overgeboekt naar [medeverdachte] waarvan de aankoop van het appartement in Utrecht is gefinancierd. Aan de hand van het Uittreksel van de Kamer van Koophandel stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte] onder meer zouden omvatten het investeren in onroerend goed. De aankoop van het appartement valt daarmee naar het oordeel van de rechtbank onder de normale bedrijfsvoering. Het ontvangen van het geld van [bedrijf 2] is naar het oordeel van de rechtbank ook dienstig geweest aan het uitgeoefende bedrijf binnen de rechtspersoon, nu daarmee het appartement kon worden aangeschaft.\n\nOp grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen hebben zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.\n\nDie gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.\n\nFeitelijk leidinggeven.Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is van [medeverdachte] Verdachte is degene die alle hierboven genoemde handelingen namens [medeverdachte] heeft verricht en zij heeft daarmee feitelijk leidinggegeven aan het witwassen.\n\nConclusie.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven aan witwassen.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\n [medeverdachte] in de periode van 4 november 2016 tot en met heden in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte van geld en de woning gelegen aan het adres [adres 2] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard en de herkomst verhuld\n\n(sub b)\n\nverworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist dat dat geld en voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf,\n\ntot welk strafbaar feit zij feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd, door aan te voeren dat rekening moet worden gehouden met haar persoonlijke omstandigheden (herhaaldelijk direct en indirect als slachtoffer betrokken bij geweldsmisdrijven in Zuid-Afrika, waardoor zij PTSS heeft opgelopen) en dat verbeurdverklaring van het pand haar zwaar treft nu het haar woning is.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van het feit.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan witwassen door de aankoop van een pand in Utrecht te financieren met uit misdrijf afkomstig geld. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. De integriteit van het financieel en economisch bestel wordt daardoor ernstige schade toegebracht. Verdachte heeft gebruik gemaakt van een schimmige en ondoorzichtige financieringsconstructie voor de aanschaf van het pand, waarbij gebruik is gemaakt van internationale schakels. Verdachte is voor de aanschaf van het pand listig en geraffineerd te werk gegaan en heeft geen enkel inzicht gegeven in de werkelijke financiering daarvan. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.\n\nDe persoon van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2025 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is geweest voor strafbare feiten. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.\n\nVoorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ook getroffen zal worden door de verbeurdverklaring van het pand in de strafzaak tegen de rechtspersoon.\n\nSchending van de redelijke termijn.\n\nDe rechtbank overweegt verder dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat de behandeling op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nVerdachte is op 22 februari 2023 voor het eerst door de politie verhoord.\n\nHoewel het (eerste) verhoor van de verdachte in de jurisprudentie in beginsel niet als een handeling wordt beschouwd waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, gaat de rechtbank daar in deze zaak wel vanuit. De redelijke termijn is dus aangevangen op 22 februari 2023. De rechtbank heeft einduitspraak gedaan op 30 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden overschreden. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de oudheid van het gepleegde feit.\n\nDe op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist omdat de op te leggen straf de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking brengt. Bovendien zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheden zoals hierboven weergegeven.\n\nAlles overziend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 27, 51, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;\n\nhet bewezenverklaarde levert op het misdrijf:\n\nfeitelijk leidinggeven aan witwassen, begaan door een rechtspersoon\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nlegt op de volgende straf:\n\n* een gevangenisstrafvoor de duur van12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van eenproeftijd van 2 jaarde hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nvoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.H.C. Merkx, voorzitter.\n\nmr. A.C. Palmboom en mr. F.H.E. Boerma, leden, en\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels en mr. S.B.J. de Leeuw, griffier.\n\nen is uitgesproken op 30 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4746","2026-07-13T00:29:37.967Z",{"id":126,"ecli":127,"slug":128,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":129,"fullText":130,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":131,"sourceTimestamp":99,"parsedAt":40,"updatedAt":132},"662","ECLI:NL:GHSHE:2026:1742","ecli-nl-ghshe-2026-1742","2026-06-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-003319-24\n\nUitspraak : 26 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-315596-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van\n\n€ 420,00, subsidiair 8 dagen hechtenis.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00 met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de afdoening heeft de verdediging primair verzocht dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair dat het hof zal volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nHet hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen (cursief weergegeven) in die zin dat de tenlastelegging komt te luiden dat:\n\nzij op of omstreeks 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van afvalstoffen, te wetenhout en\u002Fof plastic en\u002Fof papier en\u002Fof zilverfolie en\u002Fof metalen kabeltjes, althans een of meer afvalstoffen, heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nzij op 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van afvalstoffen, te weten plastic en papier en metalen kabeltjes heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIn het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de\n\nfeiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is opgemaakt en ondertekend, maar dat uit de inhoud van het proces-verbaal volgt dat er niets door verbalisant [verbalisant 2] wordt geconstateerd en er enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven. Derhalve is er sprake van waarnemingen van één verbalisant en kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat er is verbrand, nu het mogelijk is dat de verbalisant zich heeft vergist en er afvalstoffen zijn waargenomen van een eerder stookmoment. In het dossier zijn bovendien geen duidelijke foto’s aanwezig, dan wel een duidelijke omschrijving van hetgeen is waargenomen in de oven\u002Fbarbecue, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt hieromtrent het navolgende.\n\nVoorafgaand aan de inhoud van het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 is opgenomen ‘Wij verbalisanten, [verbalisant 1] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, [verbalisant 2] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, verklaren het volgende’ en het proces-verbaal is vervolgens op 8 juni 2023 op ambtsbelofte opgemaakt, gesloten en ondertekend door beide verbalisanten. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat verbalisant [verbalisant 2] zich – zoals het pleidooi van de verdediging ten aanzien van (de vorm van) het proces-verbaal zou impliceren – heeft gedistantieerd van hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd. Hoewel in het proces-verbaal schijnbaar enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven en deze bovendien in de eerste persoon enkelvoud zijn geschreven, begrijpt het hof het proces-verbaal zo dat deze waarnemingen overeenstemmen met die van de medeondertekenaar van dit proces-verbaal. Evenmin in het gegeven dat in het dossier geen gedetailleerde foto’s dan wel een meer gedetailleerde omschrijving aanwezig is van hetgeen is waargenomen, ziet het hof een reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de waarnemingen waarover door beide verbalisanten op ambtsbelofte in hun proces-verbaal is gerelateerd en gaat het hof dan ook uit van de juistheid van hetgeen hierin is gerelateerd.\n\nHoewel de in het dossier aanwezige foto’s wellicht niet heel scherp zijn, geven deze foto’s geen steun aan de verklaring van de verdachte dat er geen afvalstoffen zijn verbrand, nu op deze foto’s wel een (deel van een) voorwerp is te zien dat geen hout betreft. Het verweer dat dit mogelijk een afvalstof betreft van een eerder stookmoment behoeft geen verdere bespreking, nu het hof hiervoor heeft overwogen uit te gaan van de juistheid en de betrouwbaarheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal en hieruit blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] en, naar het hof begrijpt, ook verbalisant [verbalisant 2] een sterke brandlucht roken waaruit duidelijk kon worden opgemaakt dat deze afkomstig was van kunststofverbranding.\n\nHet tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen.\n\nResumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit, zijnde een overtreding, is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te verbranden. Hiermee heeft zij een voorschrift van de Wet Milieubeheer overtreden. Het belang van dat voorschrift is de bescherming van bodem en milieu. Door haar handelen heeft de verdachte dit belang veronachtzaamd.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het e-mailbericht van [hulpverlener] , ambulant hulpverlener bij [bedrijf] , d.d. 11 juni 2026. Hieruit volgt dat zij intensief is betrokken bij de verdachte en de verdachte op diverse leefgebieden hulp nodig heeft. Hulpverlening komt twee keer per week op huisbezoek om alle zaken die spelen op te pakken en daarnaast is er veelvuldig telefonisch contact. De verdachte ervaart veel stress. Financieel heeft zij het zwaar en extra kosten zouden zwaar op haar budget drukken. Er is weinig financiële draagkracht. De verdachte heeft te kampen met ADHD en is voortdurend overbelast, aldus de ambulant begeleider. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een uitkering ontvangt en een weekbudget heeft van € 83,00, waarvan zij moeilijk kan rondkomen.\n\nGelet op de ernst van het bewezenverklaarde, onder andere dat het een milieudelict betreft en de mogelijke overlast die omwonenden hebben ondervonden van het bewezenverklaarde, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verzocht door de verdediging.\n\nAlles afwegende acht het hof, in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete niet wenselijk. Het hof is van oordeel dat de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 300,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, passend en geboden. Anders dan de verdediging ziet het hof aanleiding om hieraan een proeftijd van 2 jaren te verbinden.\n\nBij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nMet oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 22 mei 2023 onder CJIB nummer [nummer] .\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door3 (drie) dagen hechtenis.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.R. Hartmann, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,\n\nen op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1742","2026-07-13T00:28:41.799Z",{"id":134,"ecli":135,"slug":136,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":137,"fullText":138,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":140,"parsedAt":40,"updatedAt":141},"1288","ECLI:NL:RBOBR:2026:2871","ecli-nl-rbobr-2026-2871","2026-05-07T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 82.322925.24\n\nDatum uitspraak: 7 mei 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [1962] ,\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nhierna aangeduid als de verdachte.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 14 april 2026 en 30 april 2026.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 november 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n [naam 1] en\u002Fof [naam 2] en\u002Fof\n\n [naam 3] . en\u002Fof [naam 4] en\u002Fof\n\n [naam 5] en\u002Fof [naam 6]\n\n en\u002Fof [naam 7] , in of omstreeks de\n\nperiode van 6 augustus 2022 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2020) en\u002Fof in of\n\nomstreeks de periode van 25 juli 2023 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2021), in de\n\ngemeente Asten en\u002Fof te Apeldoorn en\u002Fof elders in Nederland, (telkens) tezamen\n\nen in vereniging met een ander of anderen en\u002Fof alleen, meermalen, althans\n\neenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als\n\nbedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale)\n\naangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van [naam 1]\n\nen\u002Fof [naam 2] en\u002Fof [naam 8]\n\n en\u002Fof [naam 4] en\u002Fof [naam 9]\n\n en\u002Fof [naam 10] en\u002Fof [naam 11]\n\n , over het\u002Fde aangiftetijdvak(ken) 2020 en\u002Fof 2021\n\nniet heeft\u002Fhebben gedaan en\u002Fof niet binnen de daarvoor gestelde termijn\n\nheeft\u002Fhebben gedaan,\n\nterwijl dat\u002Fdie feit (en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting werd\n\ngeheven,\n\ntot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)re feit(en) verdachte\n\n(telkens) opdracht heeft gegeven en\u002Fof aan welke bovenomschreven verboden\n\ngedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.\n\nVoor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijswaardering.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft betoogd dat de verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘niet doen van aangiften’, omdat de aangiften vennootschapsbelasting uiteindelijk wel zijn ingediend.\n\nMet betrekking tot de in het dossier genoemde aanmaningen (tot het doen van belastingaangifte vennootschapsbelasting) heeft de verdediging – kort weergegeven –betoogd dat in het dossier slechts uitdraaien van aanmaningsbrieven uit het systeem van de Belastingdienst zijn opgenomen. Niet gecontroleerd kan worden dat de aanmaningen het adres van de belastingplichtigen daadwerkelijk hebben bereikt. Bij deze stand van zaken dient de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de verdediging (onder verwijzing naar jurisprudentie).\n\nDe verdediging heeft verder betoogd dat het opzet op het niet tijdig doen van aangiften ontbreekt en (subsidiair) dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste.\n\nOok heeft de verdediging betoogd dat verdachte niet als pleger van de onderhavige feiten kan worden veroordeeld, omdat het kwaliteitsdelicten betreft en verdachte niet de betreffende kwaliteit heeft.\n\nDe verdediging heeft tot slot betoogd dat geen sprake is van medeplegen, zodat de verdachte hiervan (partieel) dient te worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen over het bewijs.\n\nDe bewijsmiddelen zijn opgenomen in het procesdossier van de Belastingdienst\u002FFIOD, genummerd\u002Fgenaamd [nummer] ‘Braddon’, gesloten op 10 oktober 2024, aantal pagina’s 130.\n\nHierna zal de rechtbank telkens in de voetnoten verwijzen naar de vindplaats van de desbetreffende bewijsmiddelen (digitale nummering).\n\nVolgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [naam 1] is\n\nde verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap.[naam 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van de verdachte rechtspersonen [naam 2]en [naam 3] .en [naam 4]en [naam 5]en [naam 10]en [naam 7]\n\nHet niet (tijdig) doen van aangiften vennootschapsbelasting.\n\nDe Belastingdienst heeft de hiervoor genoemde verdachte rechtspersonen over de jaren 2020 en 2021 uitgenodigd om aangifte vennootschapsbelasting te doen. Wegens\n\nhet uitblijven van die aangiften is vervolgens telkens een herinnering en daarna een aanmaning verstuurd. In het dossier bevindt zich een overzicht van deze uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen, telkens met verwijzing naar de onderliggende brondocumenten. De uiterste termijn voor het indienen van de vennootschapsbelasting over 2020 bedroeg 5 augustus 2022. Met betrekking tot de vennootschapsbelasting over 2021 was de uiterste termijn 24 juli 2023.\n\nOmdat de aangiften, ondanks uitnodiging en rappelering niet door de Belastingdienst zijn\n\nontvangen heeft de Belastingdienst aan iedere rechtspersoon zogenoemde ‘correctie-\n\nbrieven’ verstuurd met daarin het voornemen om ambtshalve aanslagen op te leggen. Deze hebben steeds betrekking op zowel 2020 als 2021. De inspecteur schrijft daarin:\n\nDe reden dat ik deze ambtshalve aanslagen wil opleggen, is gelegen in het feit dat ik tot op\n\nheden - ondanks verleend uitstel en een herinnering en aanmaning - géén aangiften\n\nvennootschapsbelasting over het jaar 2020 en 2021 heb ontvangen.\n\nDe rechtbank stelt op basis hiervan vast dat binnen de genoemde termijnen geen aangiften vennootschapsbelasting zijn ingediend.\n\nMet betrekking tot het verweer van de verdediging dat niet gecontroleerd kan worden dat voornoemde aanmaningen de belastingplichtigen daadwerkelijk hebben bereikt overweegt de rechtbank als volgt.\n\nDe rechtbank constateert dat de in het dossier genoemde aanmaningen telkens geadresseerd zijn aan het adres [adres] , waar de [naam 1] is gevestigd, en waar zich volgens verdachte ook de centrale administratie van alle ondernemingen bevindt.\n\nIn algemene zin overweegt de rechtbank allereerst dat de verdediging, ook niet bij de monde van de verdachte, nooit heeft betwist dat de aanmaningen de betreffende rechtspersonen telkens hebben bereikt. Er wordt enkel een punt van gemaakt dat zulks op basis van het dossier niet vastgesteld zou kunnen worden en dat verdachte [verdachte] de brieven zelf niet heeft gelezen, althans zich dat niet kan herinneren. Van de situatie – zoals in de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie – dat een verdachte uitdrukkelijk betwist dat hij de aanmaningen heeft ontvangen, waardoor hij (te goeder trouw) niet op de hoogte was van de betalingstermijnen – is hier geen sprake. In die zin laat dit verweer zich ook moeilijk begrijpen nu, hier voor het eerst op zitting een punt van wordt gemaakt. Dit terwijl al gedurende een periode van meerdere jaren vele brieven naar de verdachte (rechtspersonen) zijn verstuurd en naar aanleiding daarvan meerdere gesprekken met de Belastingdienst hebben plaatsgevonden over onder andere de feiten die thans aan de orde zijn.\n\nDe verdachte heeft – kort samengevat – verklaard dat hij brieven tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting niet heeft gezien. Hij heeft hiervoor administratief medewerkers in dienst en een boekhouder\u002Fbelastingadviseur ingeschakeld. Hij ging ervan uit dat de administratief medewerkers goed met de brieven om zouden gaan. De rechtbank stelt dus vast (zoals gezegd) dat de verdachte zelf niet heeft betwist dat de aanmaningen op de juiste adressen terecht zijn gekomen.\n\nOp vragen van de rechtbank heeft de verdachte verder (met betrekking tot de termijnen voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting) verklaard dat hij weleens overleg heeft gehad, dat hij mensen “achter de broek” heeft gezeten en dat hij intern heeft gezegd dat men moest “opschieten”. De rechtbank concludeert hieruit dat de verdachte er blijkbaar wel van op de hoogte was dat er dat er bepaalde termijnen golden voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting en dat hij zijn personeel kennelijk heeft aangespoord om daaraan te voldoen.\n\nDe reden voor het niet binnen de gestelde termijnen indienen van de aangiften vennootschapsbelasting is volgens de verdachte zelf gelegen in allerlei omstandigheden, zoals de inval van de FIOD in 2019, de inbeslagname van de administratie door de FIOD en de omstandigheid dat zijn vaste accountant niet langer voor hem wilde werken. Dit is naar het oordeel van de rechtbank iets anders dan dat de aangiften niet tijdig zijn ingediend omdat de aanmaningen daartoe niet zouden zijn ontvangen.\n\nGetuige [getuige] (belastingadviseur bij [bedrijf] , waar de verdachte en de verdachte rechtspersonen vanaf februari 2022 klant zijn) heeft bij de rechter-commissaris op 26 november 2024 verklaard dat de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2020 en 2021 te laat zijn ingediend, omdat de jaarcijfers niet eerder compleet waren. [getuige] heeft op de vraag of contact is gezocht met de Belastingdienst omtrent het feit dat de termijnen van het indienen van aangiften niet konden worden gehaald geantwoord dat op 4 juli 2023 een overleg is geweest met medewerkers van de Belastingdienst. De bedoeling van het gesprek was de grote achterstand in het doen van aangiften te bespreken. Op de vraag of op andere moment contact is geweest met de Belastingdienst gaf [getuige] aan dat dat veelvuldig het geval is geweest.De rechtbank concludeert ook uit deze verklaring dat de belastingadviseur van de verdachte op de hoogte was van de termijnen die golden voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting en dat deze termijnen reeds waren geschonden, met als reden dat de jaarcijfers niet eerder compleet waren.\n\nDe rechtbank heeft daarom geen reden om aan te nemen dat de betreffende aanmaningen – die telkens aan de juiste adressen zijn geadresseerd – niet daadwerkelijk de belastingplichtigen hebben bereikt. Uiteindelijk zijn de aangiften vennootschapsbelasting – na het verstrijken van de uiterste termijnen – pas op 28 juni 2024 ingediend. Het verweer wordt verworpen.\n\nNu de betreffende aangiften op 28 juni 2024, dus na de gestelde termijnen, alsnog zijn ingediend, kan niet worden gezegd dat geen aangiften zijn ingediend, zodat in zoverre vrijspraak zal volgen.\n\nOpzet.\n\nDe verdachte rechtspersonen hebben de in de tenlastelegging vermelde belastingaangiften niet tijdig gedaan, terwijl zij daartoe wel verplicht waren. De door de verdachte aangehaalde omstandigheden ontslaan hen niet van deze verplichting. Daarnaast is van belang dat [getuige] heeft verklaard dat de bezetting bij de [naam 1] beperkt was, en dat er al jarenlang geen jaarstukken waren opgemaakt.Het is aan de rechtspersonen (en uiteindelijk dus aan verdachte) om ervoor te zorgen dat er een deugdelijke administratie wordt gevoerd waarmee tijdig aangiftes kunnen worden opgesteld en ingediend. Door het ontbreken hiervan hebben de rechtspersonen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de betreffende aangiften niet (tijdig) werden gedaan. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet.\n\nHet strekkingsvereiste.\n\nBij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het strekkingsvereiste gaat het er volgens vaste rechtspraak om of het niet (tijdig) doen van belastingaangiften gezien de effecten die daarvan uitgaan, naar zijn aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Naar het oordeel van de rechtbank mag er naar algemene maatstaven vanuit worden gegaan dat het niet (tijdig) doen van de vereiste aangiften naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven.\n\nDe verdediging heeft in dit verband betoogd dat in zaken zoals de onderhavige (ook) specifieke aspecten van de concrete zaak een rol moeten spelen, en heeft daarbij gewezen op de aanwezigheid van forse compensabele verliezen in de ondernemingen van verdachte.\n\nIn deze zaak heeft de Belastingdienst de belastbare bedragen moeten schatten. Dit heeft in totaal geleid tot een bedrag van ruim 2,8 miljoen euro dat nog aan vennootschapsbelasting moet worden betaald.Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\nVpb-aanslagen\n\nVpb 2020\n\nVpb 2021\n\nTotaal\n\n [naam 1]\n\n€ 979.556,-\n\n€ 890.911,-\n\n€ 1.870.467,- (na correcties van aansluitverschillen resteert een bedrag van ongeveer 1 miljoen euro).\n\n [naam 4]\n\n€ 36.038,-\n\n€ 45.688,-\n\n€ 81.726,-\n\n [naam 7]\n\n€ 531.326,-\n\n€ 628.113,-\n\n€ 1.159.439,-\n\n [naam 3] .\n\n€ 10.312,-\n\n€ 16.955,-\n\n€ 27.267,-\n\n [naam 5]\n\n€ 34.391,-\n\n€ 222.630,-\n\n€ 257.021,-\n\n [naam 2]\n\n€ 59.095,-\n\n€ 113.392,-\n\n€ 172.487,-\n\n [naam 10]\n\n€ 126.085,-\n\n€ 0,-\n\n€ 126.085,-\n\nDe verdediging heeft in reactie hierop gesteld dat inmiddels is gebleken dat correcties over 2020 en 2021 komen te vervallen en dat de in juni 2024 ingediende aangiftes worden gevolgd, waardoor er niet te weinig belasting is geheven.\n\nDe rechtbank is evenwel van oordeel dat de vraag of voldaan is aan het strekkingsvereiste moet worden beoordeeld naar het moment waarop de belastingplichtige in verzuim is. Dit betekent dat ontwikkelingen van na dat moment geen rol spelen. Bovendien heeft de HR op 1 december 2015 nog geoordeeld dat de strekking dat te weinig belasting wordt geheven niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft verricht, maar dat beslissend is of die gedraging – (..) - naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat (in rekenkundige zin) onvoldoende belasting wordt geheven (ECLI:NL:HR:2015:3431).\n\nHetgeen de verdediging heeft betoogd kan daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Het verweer van de verdediging, dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste, wordt verworpen.\n\nToerekening aan de rechtspersonen.\n\nEen rechtspersoon kan een strafbaar feit begaan als de verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.\n\nHet niet binnen de gestelde termijn indienen van de aangiften kan worden toegerekend aan de rechtspersonen, omdat het doen van deze aangiften in de sfeer van de rechtspersoon plaatsvindt en past in de normale bedrijfsvoering van vennootschappen.\n\nOp grond van het voorstaande stelt de rechtbank vast dat de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen zich schuldig hebben gemaakt aan genoemde strafbare feiten.\n\nFeitelijk leidinggeven.\n\nDe verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersonen niet binnen de gestelde termijn belastingaangiften doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zich (nog los van zijn formele bevoegdheden) heeft gepresenteerd en gedragen als de feitelijk leidinggever van de rechtspersonen. De verdachte heeft dit erkend en de verdediging heeft dit ook niet betwist. Verdachte was dus eindverantwoordelijke en hij heeft daarmee feitelijk leidinggegeven aan het nalaten de aangiften tijdig in te dienen.\n\nMedeplegen.\n\nNiet is gebleken dat de ondernemingen de feiten tezamen en in vereniging met (een) ander(e) ondernemingen hebben gepleegd, zodat van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak zal volgen.\n\nKwaliteitsdelict.\n\nDe rechtbank verwerpt dit verweer omdat verdachte volgens de tenlastelegging niet als pleger maar als feitelijk leidinggevende van de ondernemingen is aangemerkt (en dit laatste ook wettig en overtuigend bewezen is).\n\nConclusie.\n\nDe feiten kunnen op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:\n\n [naam 1] en [naam 2] en\n\n [naam 3] . en [naam 4] en\n\n [naam 5] en [naam 6]\n\n en [naam 7] , in de periode van 6 augustus 2022 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2020) en in de periode van 25 juli 2023 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2021), in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van [naam 1]\n\nen [naam 2] en [naam 8]\n\n en [naam 4] en [naam 5] en [naam 10] en [naam 7] , over de aangiftetijdvakken 2020 en 2021 niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben gedaan,\n\nterwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,\n\naan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van de feiten.\n\nHet bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van de verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden geëist.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft betoogd dat er bij een bewezenverklaring rekening mee gehouden dient te worden dat de administratie inmiddels is rechtgetrokken en dat het de intentie van de verdachte is om jaarlijks tijdig aangifte te doen.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nAlgemene overweging.\n\nBij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nFeiten waarop de straf is gebaseerd.\n\nDe verdachte heeft zich als eigenaar van een groot aantal ondernemingen gedurende een periode van meerdere jaren schuldig gemaakt aan ernstige fiscale nalatigheid, door het opzettelijk niet tijdig doen van aangiften vennootschapsbelasting. In het onderhavige geval heeft de Belastingdienst het fiscale nadeel geschat op een bedrag van ruim 2,8 miljoen euro dat nog aan vennootschapsbelasting door de rechtspersonen moet worden betaald.\n\nDe verdachte heeft met zijn handelen de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden, enkel ten behoeve van zijn eigen financiële belangen. Ook heeft hij het financiële fundament van onze samenleving ondermijnd. Uit zijn handelen blijkt dat de verdachte volstrekt onvoldoende prioriteit heeft gegeven aan de fiscale verplichtingen die verbonden zijn aan het drijven van zijn ondernemingen.\n\nDaarbij komt dat de bewust gebrekkige wijze waarop de administratie is gevoerd het lastig maakt om (ook nadat er aangiftes zijn ingediend) te komen tot een juiste aangifte. Dit valt de verdachte volledig te verwijten.\n\nDe rechtbank heeft ook gezien dat het administratief al vanaf 2013\u002F2014 mis gaat bij de verdachte rechtspersonen. Over meerdere boekjaren worden geen jaarcijfers opgemaakt. Pogingen om de verdachte ‘compliant’ te krijgen slagen niet. In 2019 vonden dan invallen door de FIOD plaats bij de verdachte en de verdachte rechtspersonen. Op de terechtzitting van 14 april 2026 heeft een belastingadviseur van het huidige accountantskantoor van de verdachte desgevraagd te kennen gegeven dat er thans nog tientallen fiscale procedures lopen tussen de Belastingdienst en verdachtes rechtspersonen.\n\nDe onderhavige zaak staat dus niet op zichzelf, maar lijkt onderdeel van een vast patroon. Anders dan vergelijkbare ondernemingen van deze omvang heeft verdachte er vele jaren voor gekozen om geen volledige, inzichtelijke en professionele administratie te voeren.\n\nMet als gevolg dat jarenlang niet wordt voldaan aan de fiscale verplichtingen en de belastingdienst handenvol werk heeft. Tegelijkertijd kiest hij ervoor om veelvuldig belastingprocedures te starten.\n\nOp vragen van de rechtbank is niet duidelijk geworden in hoeverre er inmiddels al is betaald. Het is dan ook de vraag of de te betalen belasting uiteindelijk volledig betaald zal gaan worden, aangezien de bedrijven nu grotendeels stilliggen doordat diverse vergunningen zijn ingetrokken. Dit terwijl de bedrijven voorheen winstgevend waren.\n\nDe rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 november 2025. De rechtbank houdt in de strafmaat rekening met een niet-onherroepelijke veroordeling van 15 april 2025 terzake het niet juist voeren van een administratie alsmede het niet (tijdig) doen van belastingaangiften over 2017 en 2018. Hiervoor is aan de verdachte een gevangenisstraf is opgelegd van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Deze zaak en de onderhavige, vergelijkbare zaak hadden gelijktijdig kunnen worden behandeld; artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is hier van toepassing.\n\nStraftoemeting.\n\nGelet op de aard en de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting (LOVS) en naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De oriëntatiepunten gaan bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- en hoger uit van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden tot maximaal (in dit geval) 4 jaar.\n\nAlles afwegend, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank zal, meer dan de officier van justitie, rekening houden met de door de rechtbank op 15 april 2025 opgelegde straf. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal een proeftijd voor de duur van 2 jaren opleggen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 51, 57, 63 Wetboek van Strafrecht,\n\n69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezenverklaarde levert op het misdrijf:\n\nOpzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.\n\nverklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nOplegging van straf:\n\nlegt op een gevangenisstrafvoor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nrnr. E.M. Vermeulen, voorzitter.\n\nmr. F.H.E. Boerma en\n\nmr. M. Langstraat, leden.\n\n in tegenwoordigheid van mr. G van de Luijtgaarden, griffier,\n\nen is uitgesproken op 7 mei 2026.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-010, pag.35.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-019, pag.52.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-027, pag.67.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-035, pag.81.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-044, pag.97.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-053, pag.114.\n\n Een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 12 april 2024, DOC-060, pag.127.\n\n Overzicht uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen vennootschapsbelasting 2020 en 2021, DOC-062, pag.130.\n\n Correctiebrieven ter attentie van [naam 1] (DOC-007, pag.28), [naam 2] (DOC-016, pag.45) en [naam 3] . (DOC-024, pag.60) en [naam 4] (DOC-032, pag.75) en [naam 5] (DOC-041, pag.90) en [naam 10] (DOC-050, pag.107) en [naam 7] (DOC-057, pag.120).\n\n Aanmaningen aangifte 2020 en 2021 ter attentie van [naam 1] (DOC-002, pag.23 en DOC-003, p. 24), [naam 2] (DOC-013, pag.41 en DOC-014, pag.42 ) en [naam 3] . (DOC-022, pag.58 en DOC-023, pag.59) en [naam 4] (DOC-030, pag.73 en DOC-031, pag.74) en [naam 5] (DOC-038, pag.86 en DOC-039, pag.87) en [naam 10] (DOC-047, pag.103 en DOC-048, pag.104) en [naam 7] (DOC-056, pag.119 en DOC-061, pag.129).\n\n De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting 14 april 2026.\n\n De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting 14 april 2026.\n\n De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 14 april 2026.\n\n proces-verbaal van verhoor getuige [getuige]\n\n proces-verbaal van verhoor getuige [getuige]\n\n Een aanvullende e-mail van P.H. Admiraal (Contactambtenaar AWR\u002FBelastingdienst Directe Grote Ondernemingen) van 9 april 2026 betreffende: ‘Vragen Braddon - reactie namens Belastingdienst’.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2871","2026-05-06T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:14.080Z",{"id":143,"ecli":144,"slug":145,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":146,"fullText":147,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":148,"sourceTimestamp":149,"parsedAt":40,"updatedAt":150},"1280","ECLI:NL:GHSHE:2026:1139","ecli-nl-ghshe-2026-1139","2026-03-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-001528-21\n\nUitspraak : 9 april 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 16 juni 2021, in de strafzaak met parketnummer 01-880060-18 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1977,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als\n\n‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het feit verschaffen, en voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij en zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit’ en de verdachte daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen personenauto Ford Transit, voorzien van het kenteken [kenteken 1] verbeurdverklaard.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 17 juni 2021 onbeperkt ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. Aangezien een verdachte gelet op het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, zal de verdachte in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – met aanvulling van gronden – zal bevestigen, met uitzondering van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich – met verbetering en aanvulling van gronden – met het beroepen vonnis, voor zover dat aan zijn oordeel is onderworpen, en zal het vonnis dan ook bevestigen, behalve voor wat betreft de door de rechtbank opgelegde sancties. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.\n\nVerbetering van gronden\n\nDe bewijsmiddelen die door de rechtbank in de bewijsbijlage bij het vonnis zijn opgenomen, behoeven op een aantal punten verbetering. Ten behoeve van de leesbaarheid zullen de door de rechtbank uitgewerkte bewijsmiddelen worden geschrapt en worden deze vervangen door de hierna in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen.\n\nAanvulling van gronden\n\nBewijsmiddelen\n\nIn aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op de volgende bewijsmiddelen.\n\nHet proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 1] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:\n\nU vraagt mij of ik iets kan vertellen over de stand van zaken in mijn eigen strafzaak. Ik ben\n\nveroordeeld, omdat de Nederlanders chemicaliën hadden ingekocht.\n\nU vraagt mij of ik in het kort kan vertellen welke producten ik produceerde dan wel\n\nverhandelde in de periode april, mei 2018. We produceren rond de 300 producten. Vloeibaar\n\nwasmiddel, waspoeder, zoutzuur en aceton.\n\nU vraagt mij of ik het adres [adres 2] me iets zegt. Als ik het me goed\n\nherinner dan was dat ook een garagebox op een groot terrein.\n\nU vraagt mij of ik me kan herinneren of ik in de periode van april tot en met mei met een\n\nbestelwagen naar Nederland ben gereden. Ik weet niet of het deze periode was. Maar als ik\n\nga, dan ga ik met een bestelbusje. Want in een kofferbak past het niet.\n\nU vraagt mij of ik ooit naar Nederland ben gereden en geen spullen heb afgeleverd, maar dat\n\nik ze mee terug naar Duitsland heb genomen. Nee.\n\nHet proces-verbaal van getuigenverhoor van de getuige [medeverdachte 2] door de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, d.d. 14 november 2023, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:\n\nU vraagt mij waarvoor ik veroordeeld ben. Ik ben veroordeeld voor het smokkelen van\n\nchemicaliën. Ik heb twee keer gereden.\n\nU vraagt mij of ik zelf als bestuurder heb opgetreden, toen ik zojuist verklaarde dat ik twee\n\nkeer had gereden. We zijn met twee voertuigen gegaan. Ik ben in beide gevallen bestuurder\n\ngeweest.\n\nU vraagt mij wie de andere bestuurder van het andere voertuig was. De heer [medeverdachte 1] .\n\nU vraagt mij of ik beide keren vanuit Duitsland vertrokken ben. Ja, beide keren.\n\nU vraagt mij of ik beide keren in Nederland terecht ben gekomen. Ja.\n\nU vraagt mij of ik wist welke producten ik vervoerde. Ik wist wel dat er\n\nchemicaliën in zaten.\n\nU vraagt mij of ik beide keren naar hetzelfde adres ben gereden. Ja.\n\nU vraagt mij of ik me dat adres kan herinneren. Nee, ik ben enkel achter mijn collega\n\naangereden.\n\nU vraagt mij of ik me nog kan herinneren wat voor merk die bestelauto had. Volgens mij\n\neen Volkswagen Transporter.\n\nU vraagt mij welk merk de auto van de heer [medeverdachte 1] had. Ik denk ook een Volkswagen\n\nTransporter, maar dat weet ik niet zeker.\n\nU vraagt mij of ik veroordeeld ben voor de twee data die ook in het vonnis staan. Ja, dat is\n\njuist.\n\nDe getuige is veroordeeld voor medeplichtigheid. De twee feiten vonden plaats op 10 april\n\n2018 en 18 april 2018. Art. 3 GÜG.\n\nDe Duitse rechter houdt uit het Duitse vonnis voor dat het zou gaan om afleveringen op de\n\nlocatie [adres 2] , [locatie 1] .\n\nU vraagt mij of ik me kan herinneren of ik twee keer op hetzelfde adres in Nederland ben\n\ngeëindigd. Ik ben alleen maar achter mijn collega aangereden, maar volgens mij wel.\n\nU vraagt mij of beide bestelbussen in beide gevallen bij hetzelfde adres aangekomen zijn.\n\nJa.\n\nU vraagt mij of de spullen die in de bestelbussen zaten beide keren in Nederland zijn gelost.\n\nMijn auto is gelost, natuurlijk.\n\nU vraagt mij of ook de auto van de heer [medeverdachte 1] was gelost. Ja.\n\nU vraagt mij hoe ik wist dat ik chemicaliën aan het vervoeren was. Dat is me verteld door\n\nverdachte [medeverdachte 1] .\n\nU vraagt mij hoe de producten in de auto eruit zagen. De producten zaten in jerrycans.\n\nU vraagt mij of ik iets mee terug heb genomen uit Nederland . Nee.\n\nEen vertaling van een vonnis van het Kantongerecht Velbert , 8 april 2022, voor zover inhoudende:\n\nVonnis\n\nIn de strafzaak tegen\n\n1. De heer [medeverdachte 1] ,\n\ngeboren op [geboortedag 2] 1975 in [geboorteplaats 2] ,\n\nDuitse staatsburger, gescheiden,\n\nwonende in [adres 3] ,\n\n2. De heer [medeverdachte 2] ,\n\ngeboren op [geboortedag 3] 1982 in [geboorteplaats 3] , [functie] ,\n\nDuitse staatsburger, ongehuwd,\n\nwonende in [adres 4] ,\n\nwegens de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG e.a.\n\nheeft het kantongerecht van Velbert\n\nop basis van de openbare rechtszitting van 18-03-2022\n\nrechterlijk besloten:\n\nDe verdachte [medeverdachte 1] wordt wegens de opzettelijke commerciële handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in vijf gevallen veroordeeld tot een gecombineerde gevangenisstraf van één jaar en elf maanden met verplichte betaling van de onkosten.\n\nDe tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd.\n\nTen aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] wordt de verbeurdverklaring van € 16.000 als schadevergoeding bevolen.\n\nDe verdachte [medeverdachte 2] wordt wegens de medeplichtigheid aan de handel in precursoren in strijd met § 3 GÜG in twee gevallen veroordeeld tot een gecombineerde geldboete van 90 dagtarieven van ieder € 50 met verplichte betaling van de onkosten.\n\nTen aanzien van de verdachte [medeverdachte 2] wordt de verbeurdverklaring van een schadevergoeding ten bedrage van € 600 bevolen.\n\nRedenen:\n\nVerdachte [medeverdachte 1] heeft uiterlijk in maart 2018 besloten om een doorlopende inkomstenbron van enige omvang te verwerven door met winstoogmerk aceton te kopen en te verkopen aan Nederlandse afnemers, waarbij de aceton - zoals verdachte wist en beoogde - zou worden gebruikt bij de vervaardiging van drugs, te weten ecstasypillen met de werkzame stof MDMA. Verder wist de verdachte dat aceton een precursor was in de zin van de Duitse Wet op het toezicht van precursoren.\n\nAls gevolg van zijn beslissing heeft de verdachte [medeverdachte 1] vervolgens als vermeend werknemer van het feitelijk inactieve bedrijf [bedrijf 1] , [adres 5] , grote hoeveelheden aceton gekocht bij het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach . Het bedrijf [bedrijf 2] leverde de voor [bedrijf 1] bestemde aceton telkens volgens opdracht in blauwe jerrycans op het terrein van [bedrijf 3] , [adres 6] t\u002Fm [adres 7] . Vervolgens werden de stickers van het bedrijf [bedrijf 2] van de jerrycans verwijderd en op sommige jerrycans vervangen door stickers van het bedrijf [bedrijf 3] . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde alle geleverde jerrycans aceton vervolgens van Velbert naar Nuenen in Nederland in een huurvoertuig van [bedrijf 4] , in sommige gevallen in twee huurvoertuigen met medewerking van medeverdachte [medeverdachte 2] . Hierbij stonden de opnieuw geëtiketteerde jerrycans rechtstreeks bij de te openen achterdeur van de bestelauto’s geplaatst in geval van een politie- of douanecontrole. In Nederland zou de aceton door onbekende daders worden gebruikt om ecstasypillen te maken.\n\nMeer in detail vervoerde de verdachte [medeverdachte 1] in de volgende gevallen de jerrycans aceton die door het bedrijf [bedrijf 2] in Mönchengladbach voor het bedrijf [bedrijf 1] naar Velbert werden geleverd, naar Nuenen naar een industrieterrein aan [adres 2] , en wel naar [locatie 1] .\n\n1e dossier 3\n\nop 10-04-2018 samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald;\n\nterwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 2] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.\n\n2e dossier 4\n\nop 18-04-2018, wederom samen met medeverdachte [medeverdachte 2] , in twee huurvoertuigen 1.600 kilogram aceton (64 jerrycans x 25 kg aceton), die de verdachte [medeverdachte 1] voor 1.872,00 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) bij het bedrijf [bedrijf 2] heeft gekocht en contant heeft betaald; terwijl de verdachte [medeverdachte 1] de bestelauto met het kenteken [kenteken 3] gebruikte om de helft van de jerrycans te vervoeren, gebruikte de verdachte [medeverdachte 2] de bestelauto met het kenteken [kenteken 4] om 32 jerrycans aceton te vervoeren.\n\n3e dossier 5\n\nin ieder geval op 03-05-2018 in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 3] , 800 kilogram aceton (32 jerrycans x 25 kg aceton), die hij op 24-04-2018 bij het bedrijf [bedrijf 2] bestelde en die op 26-04-2018 naar Velbert werden uitgeleverd; de verdachte [medeverdachte 1] betaalde de koopprijs van 936 euro (exclusief de prijs van de jerrycans) contant bij de levering.\n\n4e dossier 6\n\nOp 02-05-2018 bestelde de verdachte [medeverdachte 1] 1.600 kilogram aceton bij het bedrijf [bedrijf 2] , die op 07-05-2018 werden geleverd op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] in Velbert . De verdachte [medeverdachte 1] vervoerde telkens 800 kilogram aceton in de gehuurde bestelauto met het kenteken [kenteken 3] naar zijn afnemers in Nederland , en wel op 08-05-2018 naar het voornoemde magazijn in Nuenen .\n\n5e dossier 7\n\nReeds op 14-05-2018 leverde het bedrijf [bedrijf 2] op basis van een bestelling van de verdachte [medeverdachte 1] op 08-05-2018 nog eens 800 kilogram aceton op het gebruikelijke adres van het bedrijf [bedrijf 3] te Velbert , die de verdachte [medeverdachte 1] op 15-05-2018 in een huurvoertuig met het kenteken [kenteken 5] naar voormeld magazijn in Nuenen vervoerde.\n\nDe verdachte [medeverdachte 1] ontving van zijn afnemers minimaal 2.000,00 euro voor elke geleverde 800 kilogram aceton (punt 1: € 4.000, punt 2: € 4.000, punt 3: € 2.000, punt 4: € 4.000, punt 5: € 2.000). De verdachte [medeverdachte 1] betaalde de medeverdachte [medeverdachte 2] € 300,00 voor elke transportrit.\n\nDe procedure met betrekking tot de beschuldiging van de illegale handel in verdovende middelen ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 1] werd overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt. Ten aanzien van de beklaagde [medeverdachte 2] werd de procedure met betrekking tot de desbetreffende medeplichtigheid hieraan c.q. de aflevering van verdovende middelen overeenkomstig § 154a lid 2 Duits W.v.Sv. beperkt\n\nDe bevindingen over de feiten van de zaak zijn gebaseerd op de volledig bekennende verklaringen van de verdachten, aan de waarheid waarvan de rechtbank geen enkele twijfel heeft.\n\nBewijsoverwegingen\n\nHet hof verenigt zich met de bewijsoverwegingen van de rechtbank en vult deze op de volgende punten aan.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat het plaatsen van een camera, gericht op het pand aan [adres 2] , is geschied zonder dat voor de volledige periode dat opnamen zijn gemaakt het daarvoor vereiste bevel van een officier van justitie was afgegeven en hierdoor sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.\n\nIn dat kader stelt het hof vast dat door het Openbaar Ministerie in Wuppertal ( Duitsland ) een rechtshulpverzoek is gedaan aan het Arrondissementsparket Oost-Brabant. De Duitse autoriteiten verzochten om de volgende onderzoeksmaatregelen uit te voeren:\n\n- Langdurige observatie met technische hulpmiddelen met betrekking tot de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , alsmede de in Nederland actieve daders die de chemicaliën in ontvangst nemen of ophalen en transporteren.\n\nArtikel 9, eerste lid, van de Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken houdt in:\n\nDe uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.\n\nNaar aanleiding van het verzoek van de Duitse autoriteiten is door de officier van justitie in Nederland een bevel grensoverschrijdende stelselmatige observatie (artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering) afgegeven. Dit bevel bevindt zich ook in het dossier (pagina’s 383-385). Ingevolge het bepaalde in artikel 126g, derde lid, kan de officier van justitie ook bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel – zoals een (heimelijk geplaatste) camera – kan worden aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Uit de inhoud van het dossier volgt dat heimelijk een camera is geplaatst op [adres 2] , met zicht op de roldeur van de [locatie 2] , [locatie 3] en [locatie 1] . Blijkens het zich in het dossier bevindende bevel d.d. 11 april 2018 dient dit schriftelijk bevel ter bevestiging van het eerder mondeling gegeven bevel van 27 maart 2018. Het is het hof niet gebleken dat het bevel eerder op schrift is gesteld. Gelet hierop stelt het hof vast dat het mondelinge bevel niet binnen drie dagen na 27 maart 2018 door de officier van justitie op schrift is gesteld. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet voldaan aan het in artikel 126g, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde wettelijke vereiste. Naar het oordeel van het hof levert dit – nu het bevel niet alsnog binnen drie dagen op schrift kan worden gesteld – een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek op. Het belang dat met het geschonden voorschrift wordt gediend ziet op de controleerbaarheid en transparantie van het gegeven bevel. Nu het mondeling gegeven bevel achteraf – weliswaar te laat – alsnog ter bevestiging op schrift is gesteld en hierdoor – en ook overigens – geen nadeel voor de verdachte is ontstaan, kan naar het oordeel van het hof worden volstaan met de (enkele) constatering van het vormverzuim. Het hof zal hier dan ook geen gevolgen als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan verbinden.\n\nVoor zover de verdediging naar voren heeft gebracht dat zij niet de mogelijkheid heeft gehad om de gemaakte camerabeelden te controleren omdat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn, overweegt het hof als volgt.\n\nHet hof merkt op dat het in het algemeen de voorkeur verdient camerabeelden – indien aanwezig – aan het dossier toe te voegen. Op die manier bestaat de mogelijkheid dat die camerabeelden op enig moment in de procedure (door een van de procesdeelnemers) kunnen worden bekeken en gecontroleerd. Het is in zoverre dan ook ongelukkig dat de gemaakte camerabeelden niet meer beschikbaar zijn. Die omstandigheid impliceert naar het oordeel van het hof echter niet dat daarmee ook sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat tot enig rechtsgevolg moet leiden. Hierbij neemt het hof mede in aanmerking dat de gemaakte camerabeelden door verbalisanten zijn bekeken en dat door hen in processen-verbaal van bevindingen die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt is gerelateerd wat daarop is waar te nemen. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die processen-verbaal te twijfelen. Van de zijde van de verdediging is ook niet weersproken dat hetgeen door verbalisanten op de camerabeelden is waargenomen en hetgeen in de processen-verbaal van bevindingen daaromtrent is geverbaliseerd onjuist is. Het verweer van de verdediging wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\nVoorts merkt het hof als aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank nog het volgende op.\n\nOp basis van de inhoud van het dossier acht het hof – met de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk grondstoffen, chemicaliën en andere voorwerpen voorhanden heeft gehad ten behoeve van de productie van synthetische drugs en met een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en\u002Fof MDMA heeft getracht te verschaffen. Bij dit oordeel neemt het hof, in aanvulling op de bewijsoverwegingen van de rechtbank, in het bijzonder in aanmerking dat in de periode van 10 april 2018 tot en met 31 mei 2018 vanuit Duitsland meerdere leveringen van chemicaliën hebben plaatsgevonden, welke leveringen zijn afgeleverd aan het adres [adres 2] , [locatie 1] . Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die zij ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben afgelegd, blijkt dat zij chemicaliën hebben afgeleverd en niets mee terug naar Duitsland hebben genomen. Door het kantongerecht Velbert in Duitsland zijn zij ook veroordeeld ter zake van verschillende leveringen van chemicaliën. Uit dit vonnis blijkt dat het gaat om leveringen van aceton. Voorts stelt het hof vast dat in de nacht van 22 mei 2018 op 23 mei 2018 in [locatie 1] een groot aantal blikken en jerrycans zijn aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] blijkt dat hij de aangetroffen goederen nader heeft onderzocht en deze middels een analyseapparaat heeft getest. Uit dit onderzoek is gebleken dat het ging om methanol en aceton. [verbalisant] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen opgenomen dat er monsters zijn genomen, welke ter analyse werden aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof stelt – met de verdediging – vast dat onduidelijkheid bestaat over de vraag of er ook daadwerkelijk monsters zijn genomen van de in [locatie 1] aangetroffen stoffen die ter nadere analyse naar het Nederlands Forensisch Instituut zouden zijn verzonden. In het dossier heeft het hof daaromtrent geen stukken aangetroffen. Dit maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat moet worden getwijfeld aan de juistheid en betrouwbaarheid van hetgeen [verbalisant] overigens in het door hem op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal heeft geverbaliseerd. Ook in de omstandigheid dat het proces-verbaal van bevindingen op 13 september 2018 is opgemaakt, ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van het proces-verbaal van bevindingen.\n\nUit de inhoud van het dossier blijkt niet alleen dat de verdachte de huurder van [locatie 1] was. Op basis van de inhoud van het dossier stelt het hof ook vast dat het voertuig van de verdachte, een Ford Transit met kenteken [kenteken 1] , aanwezig was bij [locatie 1] op\u002Fomstreeks het moment dat een levering vanuit Duitsland had plaatsgevonden. Nu uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de gebruiker van voornoemd voertuig was, concludeert het hof dat het de verdachte is geweest die toen ook steeds aanwezig is geweest. Zo blijkt dat op 18 april 2018, omstreeks 11.00 uur, door twee voertuigen met een Duits kenteken ( [kenteken 3] en [kenteken 4] ) leveringen zijn gedaan en verdachtes voertuig toen voor [locatie 1] stond geparkeerd. De twee Duitse voertuigen vertrokken vervolgens weer om 11:09 uur, waarna om 11:18 uur [locatie 1] werd afgesloten en even later de verdachte met zijn voertuig vertrok. Op 3 mei 2018 was de verdachte omstreeks 09:11 uur in [locatie 1] aanwezig en heeft hij zijn bus achteruit [locatie 1] ingereden. Omstreeks 09:28 kwam verdachtes bus uit de loods gereden, werd deze bij de ingang van de loods geparkeerd en ging omstreeks 09:37 uur een Duits voertuig met kenteken [kenteken 3] verdachtes loods in. Het Duitse voertuig is vervolgens om 10:00 uur weer de loods uitgereden, en de verdachte reed ongeveer een minuut later ook weg. Ten aanzien van 15 mei 2018 blijkt dat (eveneens) omstreeks 11:00 uur een levering heeft plaatsgevonden, dat het voertuig met het Duitse kenteken [kenteken 5] om 11:14 uur weer bij verdachtes loods vertrok en dat om 11:15 uur de verdachte met zijn Ford Transit is weggereden. Voorts stelt het hof vast dat de verdachte met zijn voertuig meerdere keren van [locatie 1] naar [locatie 2] is gereden en bij die gelegenheden enige tijd in [locatie 2] is geweest. In [locatie 2] werden – evenals in [locatie 1] – ook diverse jerrycans en vaten met chemicaliën aangetroffen.\n\n [locatie 2] werd gehuurd door medeverdachte [medeverdachte 4] . De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] kennen elkaar. Over de redenen van de vervoersbewegingen heeft de verdachte niet willen verklaren.\n\nIn het dossier is gerelateerd dat de in [locatie 2] en in [locatie 1] aangetroffen jerrycans qua uiterlijk, volume (30 liter) en inhoud (aceton) soortgelijk zijn. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof dan ook buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte goederen met zijn voertuig vanuit [locatie 1] heeft verplaatst naar [locatie 2] . In dit verband neemt het hof bovendien nog in aanmerking dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de leveringen vanuit Duitsland telkens zijn afgeleverd aan [adres 2] , [locatie 1] . Niet is gebleken dat leveringen (direct) zijn afgeleverd aan [adres 2] , [locatie 2] .\n\nVoor de uit Duitsland afkomstige chemicaliën die bij [locatie 1] , de loods van de verdachte, zijn afgeleverd, noch voor de in [locatie 1] aangetroffen aceton noch voor de diverse vervoersbewegingen tussen [locatie 1] en [locatie 2] van de medeverdachte [medeverdachte 4] , noch voor het feit dat de verdachte ook toegang had tot de [locatie 2] , noch voor de aanwezigheid van de voor productie van synthetische drugs benodigde chemicaliën en goederen in [locatie 2] , waardoor een verdenking van het tenlastegelegde in de rede ligt, heeft de verdachte, hoewel de feiten daar wel om schreeuwen, een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven. Bij gebrek aan een dergelijke verklaring laten de feiten zich niet anders begrijpen dan dat de verdachte met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] nauw en bewust heeft samengewerkt om de opzettelijke vervaardiging van amfetamine en\u002Fof MDMA voor te bereiden. Het verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt in zoverre verworpen.\n\nOp te leggen sanctie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 40.000,00.\n\nDe verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf en (eventueel) een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daartoe is – kort gezegd – naar voren gebracht dat de rechtbank aan medeverdachte [medeverdachte 5] een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaren heeft opgelegd en de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft gevorderd dat medeverdachte [medeverdachte 4] zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. In de zaak tegen de verdachte dient bij het bepalen van de op te leggen straf aansluiting te worden gezocht bij voornoemde sancties, aldus de verdediging. Bovendien dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sanctie gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nBij het bepalen van de op te leggen sanctie neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van grote hoeveelheden grondstoffen\u002Fchemicaliën en (laboratorium)benodigdheden die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs. Evenals de rechtbank ziet het hof verdachtes rol in het geheel als die van coördinator. Het hof wijst in dit verband in het bijzonder op verdachtes aanwezigheid op momenten dat goederen werden geleverd en de ontmoetingen die hij onder andere met leveranciers heeft gehad. De verdachte heeft als coördinator een cruciale rol gehad. Gelet op verdachtes rol ziet het hof aanleiding om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan zoals die door de rechtbank aan [medeverdachte 5] is opgelegd en door de advocaat-generaal in de zaak tegen [medeverdachte 4] is gevorderd. Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met de omstandigheid dat synthetische drugs allerlei gevaren voor de gezondheid van de gebruikers daarvan kunnen opleveren, terwijl die gebruikers hun mogelijke verslaving hieraan veelal door ander crimineel handelen proberen te bekostigen, ten gevolge waarvan de samenleving op die wijze ook schade wordt berokkend. De verdachte heeft zich van voornoemde belangen kennelijk niets aangetrokken. Ook rekent het hof de verdachte aan dat hij op geen enkele wijze openheid van zaken heeft gegeven. Het uitgangspunt bij een feit als het onderhavige is – in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het feit en de rol van de verdachte – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt dat de verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde handelen eerder onherroepelijk is veroordeeld. Die veroordelingen dateren evenwel van langer geleden en hebben te maken met andersoortige strafbare feiten dan het thans bewezenverklaarde. Het hof zal voornoemde omstandigheid dan ook niet ten nadele van de verdachte bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen sanctie meewegen.\n\nNaar het oordeel van het hof kan gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf – zoals door de verdediging is bepleit – acht het hof onvoldoende recht doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde en derhalve niet passend.\n\nHet hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. De redelijke termijn is in eerste aanleg aangevangen op 17 september 2018, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Aan die handeling kon de verdachte immers in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. De rechtbank heeft eerst op 16 juni 2021 vonnis gewezen. De behandeling in eerste aanleg is dan ook niet met een eindvonnis afgerond binnen twee jaar na de aanvang van de hiervoor genoemde termijn. De redelijke termijn is in eerste aanleg met een periode van ongeveer 9 maanden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn valt naar het oordeel van het hof gedeeltelijk te wijten aan de omstandigheid dat de behandeling van de zaak tweemaal op verzoek van de verdediging is aangehouden. Tegelijkertijd stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak op 13 mei 2020 is aangehouden en dat de zaak vervolgens pas weer op de terechtzitting van 29 april 2021 is aangebracht. Dit tijdsverloop valt naar het oordeel van het hof niet aan de verdachte toe te rekenen.\n\nVan de zijde van de verdachte is vervolgens op 17 juni 2021 hoger beroep ingesteld.\n\nHet hof wijst het onderhavige arrest op 9 april 2026. Het hof stelt vast dat het niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van 2 jaren en ongeveer 10 maanden overschreden. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep zijn weliswaar nog verschillende getuigen gehoord, maar dat vormt naar het oordeel van het hof geen rechtvaardiging voor voornoemde aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling in hoger beroep binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat deze schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.\n\nZonder deze overschrijdingen van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Rekening houdend met de overschrijdingen van de redelijke termijn, zal het hof in plaats daarvan de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nMet de rechtbank heeft het hof geconstateerd dat de verdachte schriftelijk afstand heeft gedaan van de goederen die onder de nummers 2 tot en met 22 op de beslaglijst staan vermeld. Nu het beslag daarmee is beëindigd, hoeft daarover niet meer te worden beslist.\n\nHet hof is van oordeel dat de op de lijst van inbeslaggenomen goederen onder 1 genoemde bestelauto, een Ford Transit voorzien van het kenteken [kenteken 1] – vatbaar is verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is gepleegd. Hoewel het voertuig op naam van een ander is gesteld, volgt uit het dossier dat deze Ford Transit langdurig in gebruik was bij de verdachte. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de inbeslaggenomen Ford Transit graag terug wenst te krijgen. Naar het oordeel van het hof is op grond van deze feiten en omstandigheden komen vast te staan dat de Ford Transit aan de verdachte toebehoort. Het hof zal voornoemde bestelauto dan ook verbeurdverklaren. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde sancties en doet in zoverre opnieuw recht.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (eenentwintig) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVerklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\nFord Transit voorzien van het kenteken [kenteken 1] .\n\nBevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.C. Bosch, voorzitter,\n\nmr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,\n\nen op 9 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. H.A.T.G. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde einddossier van de politie Oost-Brabant, dienst regionale recherche, onderzoek Wellington\u002FOBRAA18211, sluitingsdatum 26 april 2019, pagina 1 - pagina 966. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1139","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:13.695Z",{"id":152,"ecli":153,"slug":154,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":155,"fullText":156,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":157,"sourceTimestamp":158,"parsedAt":40,"updatedAt":159},"827","ECLI:NL:GHARL:2025:8237","ecli-nl-gharl-2025-8237","2025-10-15T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-002733-24\n\nUitspraak : 15 oktober 2025\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 31 maart 2023, in de strafzaak met parketnummer 16-017691-23, alsmede de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 21-005774-19, tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,\n\nblijkens de Informatiestaat SKDB-persoon van 13 augustus 2025 ingeschreven op: [adres 1] .\n\nHoger beroep\n\nBij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair en feit 4 primair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat telkens gekwalificeerd als ‘diefstal’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tot slot heeft de politierechter de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken – onder parketnummer 21-005774-19 – gelast.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.\n\nNamens de verdachte is door de raadsvrouw voor alle feiten primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging heeft de raadsvrouw het hof verzocht om – indien het hof tot een veroordeling komt – de proeftijd te verlengen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met aanvulling van de bewijsvoering en met aanvulling van de strafmotivering.\n\nAanvulling van de bewijsvoering\n\nAanvulling bewijsmiddelen feit 1\n\nIn verband met het ontbreken van de postcode vult het hof het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [bedrijf 1] [adres 2] , op ambtsbelofte en op ambtseed opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 4 maart 2022, p. 5 ev’ aan met:\n\nPlaats delict: [adres 2] .\n\nAanvulling bewijsmiddelen feit 2\n\nIn verband met het ontbreken van de postcode vult het hof het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [bedrijf 2] , [adres 3] , op ambtsbelofte en op ambtseed opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] op 24 maart 2022, p. 18 ev.’ aan met:\n\nPlaats delict: [adres 3] .\n\nAanvulling bewijsmiddelen feit 3\n\nIn verband met het ontbreken van het huisnummer, de postcode en de plaats vult het hof het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [bedrijf 3] , [adres 4] , op ambtsbelofte en op ambtseed opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] , p. 31 ev.’ aan met:\n\nPlaats delict: [adres 4] , binnen de gemeente West Betuwe.\n\nAanvulling bewijsmiddelen feit 4\n\nIn verband met het ontbreken van de postcode vult het hof het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel ‘Proces-verbaal van aangifte van [aangever] , namens [bedrijf 3] , [adres 5] , op ambtsbelofte opgemaakt door de verbalisant [verbalisant 1] en op ambtseed ondertekend door verbalisant [verbalisant 2] , p. 42 ev (gebezigd als geschrift in de zin van art. 344.1.5° WvSv)’ aan met:\n\nPlaats delict: [adres 5] .\n\nAanvulling strafmotivering\n\nHet hof verenigt zich met hetgeen door de rechtbank omtrent de op te leggen straf is overwogen en beslist. Het hof zal deze overwegingen aanvullen met de constatering dat in hoger beroep sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Namens de verdachte is immers op 11 april 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst heden, op 15 oktober 2025, arrest. Gelet daarop is niet binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM arrest gewezen en is de redelijke termijn in hoger beroep met zes maanden overschreden. Het hof overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep voornamelijk te wijten valt aan de verdachte. Het hof heeft de zaak immers eerder aangehouden op verzoek van de verdediging, omdat de verdachte in de file stond. Het hof zal zodoende geen consequenties verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn en zal volstaan met de enkele constatering daarvan.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep. met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.M.G. Smit, voorzitter,\n\nmr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. A. Muller, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap en mr. N. van Abeelen, griffiers,\n\nen op 15 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. A.M.G. Smit, mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. N. van Abeelen zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8237","2025-12-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.021Z",{"id":161,"ecli":162,"slug":163,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":155,"fullText":164,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":165,"sourceTimestamp":166,"parsedAt":40,"updatedAt":167},"831","ECLI:NL:GHARL:2025:8751","ecli-nl-gharl-2025-8751","Parketnummer : 20-002786-24\n\nUitspraak : 15 oktober 2025\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 augustus 2023, in de strafzaak met parketnummer 96-271636-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem bij verstek veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van €1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.\n\nNamens de verdachte is vrijspraak bepleit. Daarnaast is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het bestreden vonnis van de politierechter, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met aanvulling van de strafmotivering\n\nVoorts zal het hof - nu de meervoudige strafkamer van het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerst volzin, van het Wetboek van Strafvordering - de inhoud van het door de politierechter opgesomde bewijsmiddel dat redengevend is voor de bewezenverklaring hieronder uitwerken.\n\nAanvulling en uitwerking van de bewijsvoering\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Landelijke Eenheid, zaakregistratienummer PL0900-2022311407, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent, gesloten d.d. 21 oktober 2022, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde digitale dossierpagina’s 1-17.\n\n1. Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 21 oktober 2022, digitale dossierpagina’s 4-5, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :\n\nControle rijden onder invloed\n\nOp 21 oktober 2022 om 01.45 uur bevond ik mij op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A1, ter hoogte van hectometerpaal 40.4 linker rijbaan, Amersfoort.\n\nOp bovengenoemde datum, tijd en plaats zag ik dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, Volkswagen Polo, Nederland, kenteken [kenteken] , dit bestuurde.\n\nTer controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde\n\nvoorschriften heb ik, verbalisant, de bestuurder zijn voertuig doen stilhouden en een\n\nonderzoek ingesteld.\n\nBeginnende bestuurder\n\nHet betrof hier een bestuurder van een motorrijtuig waarvoor voor het besturen een rijbewijs vereist is. Bij controle bleek dat de bestuurder in het bezit was van een rijbewijs waarvan sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en dat hij op die datum van afgifte de leeftijd van 18 jaar of ouder had bereikt.\n\nVordering voorlopig onderzoek uitgeademde lucht\n\nIk heb op 21 oktober 2022 om 01.46 uur de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.\n\nGeen medewerking voorlopig onderzoek uitgeademde lucht\n\nDe bestuurder verleende geen medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde\n\nlucht, wat mij bleek uit: de verdachte wilde niet meewerken aan een ademtest. Ik hoorde de verdachte verklaren dat hij dit niet wilde doen.\n\nIdentiteitsgegevens van de verdachte\n\nDe verdachte gaf mij op te zijn genaamd:\n\nAchternaam: [verdachte] (het hof begrijpt [verdachte])\n\nVoornamen: [verdachte]\n\nGeboren: [geboortedag] 1995\n\nDe opgegeven personalia werden door mij geverifieerd aan de hand van zijn geldig rijbewijs.\n\nBevel tot medewerking aan ademanalyse\n\nOp 21 oktober 2022 om 01.47 uur heb ik de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem meegedeeld dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. Voor dit onderzoek is de verdachte overgebracht naar het bureau van politie in Amersfoort.\n\nGeen gevolg aan bevel tot medewerking ademanalyse\n\nDe verdachte gaf op 21 oktober 2022 om 01.48 uur geen gevolg aan dit bevel, wat mij bleek uit het volgende feit: er is door verbalisant [verbalisant 2] , rang Brigadier, het bevel gegeven voor de medewerking aan de ademanalyse. Gezien het feit dat de verdachte naar alcohol riekte en rood doorlopen ogen had. De verdachte verklaarde vervolgens niet mee te willen werken aan de ademanalyse.\n\n2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 oktober 2022, digitale dossierpagina’s 11-12, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:\n\nV: verdachte\n\nP: verhoorder\n\nP: Er is je bevolen medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Waarom weiger je hieraan medewerking te verlenen?\n\nV: Ik heb hier geen zin in.\n\nBewijsoverweging\n\nDe raadsvrouw van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat het bevel tot ademanalyse onbevoegd is gegeven. Verbalisant [verbalisant 1] heeft het bevel tot ademanalyse gegeven en hij is de enige die het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 21 oktober 2022 heeft ondertekend, echter zou [verbalisant 1] niet over de juiste rang beschikken. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onjuistheden in voornoemd proces-verbaal staan. Als gevolg daarvan heeft de raadsvrouw het hof verzocht het proces-verbaal niet tot het bewijs te bezigen, hetgeen tot vrijspraak dient te leiden.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nHet hof overweegt dat – ingevolge artikel 163 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) – bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 WVW 1994, de opsporingsambtenaar hem kan bevelen om medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a WVW 1994. De onderdelen a in het tweede en derde lid van artikel 8 WVW 1994 zien op het alcoholgehalte in de uitgeademde lucht. Ingevolge artikel 163, lid 8 WVW 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van dat artikel.\n\nDeze nadere regels zijn neergelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Artikel 10, lid 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer bepaalt dat het ademonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar. Ingevolge artikel 1 onderdeel a van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer wordt in dit besluit onder opsporingsambtenaar verstaan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge artikel 141 onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 2 onderdeel a van de Politiewet 2012 betreft dit ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.\n\nOp grond van het voorgaande komt het hof komt tot de conclusie dat verbalisant [verbalisant 1] bevoegd was om het bevel tot het verlenen van medewerking aan het ademonderzoek te geven. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.\n\nTen aanzien van de door de raadsvrouw aangedragen onjuistheden in het proces-verbaal merkt het hof op dat, voor zover daar sprake van is, deze niet bijdragen aan het bewijs. Ten overvloede overweegt het hof dat deze door de raadsvrouw gestelde onjuistheden niet van dusdanige aard zijn dat het gehele proces-verbaal als onbetrouwbaar terzijde geschoven dient te worden. Dit verweer van de raadsvrouw wordt eveneens verworpen.\n\nAanvulling van de strafmotivering\n\nHet hof verenigt zich met hetgeen door de politierechter omtrent de op te leggen straf is overwogen en beslist. Het hof zal deze overwegingen aanvullen met de constatering dat in hoger beroep sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het hof stelt de aanvang van deze termijn op de datum van het instellen van het hoger beroep op 10 oktober 2023. Het einde wordt door het hof gesteld op 15 oktober 2025, zijnde de datum van de einduitspraak van het hof. Daarmee is de redelijke termijn van 2 jaren met enkele dagen overschreden. Gelet op deze zeer geringe overschrijding volstaat het hof met de constatering ervan en zal daaraan geen verdere consequenties verbinden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,\n\nmr. A.M.G. Smit en mr. A. Muller, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap en mr. N. van Abeelen, griffiers,\n\nen op 15 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, mr. A.M.G. Smit en mr. N. van Abeelen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:8751","2026-02-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:50.161Z",{"id":169,"ecli":170,"slug":171,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":172,"fullText":173,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":174,"sourceTimestamp":175,"parsedAt":40,"updatedAt":176},"852","ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","ecli-nl-ghshe-2024-4140","2024-12-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH\n\nParketnummer : 20-002537-19\n\nUitspraak : 17 december 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 31 juli 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-996007-10 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1961,\n\nvolgens opgave ter terechtzitting in hoger beroep wonende te:\n\n [woonplaats] (Spanje, provincie [provincie] ), [woonadres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de dagvaarding partieel nietig verklaard, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’, het onder feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde bewezenverklaard, de verdachte ter zake van het onder feit 4 sub A bewezenverklaarde ontslagen van alle rechtsvervolging, de overige bewezenverklaarde feiten gekwalificeerd als:\n\n‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, van welke organisatie hij leider is’ (feit 1);\n\n‘valsheid in geschrift, meermalen gepleegd’ (feit 2);\n\n‘opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’ (feit 3) en\n\n‘medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen’ (feit 4),\n\nde verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van het voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank partieel vrijgesproken van het in de tenlastelegging onder feit 3 impliciet cumulatief opgenomen strafbare verwijt met betrekking tot het onjuist doen van aangifte omzetbelasting over september 2006. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.\n\nTegen het vonnis is bij akte van 7 augustus 2019 namens de verdachte onbeperkt hoger beroep ingesteld.\n\nIngevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken.\n\nHet hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de beschermde vrijspraak is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissingen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, gemeente Aalburg en\u002Fof in de gemeente(n) Heusden en\u002Fof Veghel en\u002Fof Zundert en\u002Fof Vianen en\u002Fof Hardinxveld-Giessendam en\u002Fof Oud-Beijerland en\u002Fof Sliedrecht en\u002Fof (elders) in Nederland en\u002Fof Duitsland en\u002Fof België en\u002Fof Spanje (telkens) heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door hem verdachte, en\u002Fof - [medeverdachte 1] en\u002Fof - [medeverdachte 2] en\u002Fof - [medeverdachte 3] en\u002Fof - [medeverdachte 4] en\u002Fof - [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 5] en\u002Fof - [autobedrijf 2] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 6] en\u002Fof - [autobedrijf 3] B.V. en\u002Fof - [medeverdachte 7] en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 2) en\u002Fof [autobedrijf 4] B.V. (per 22-01-2009) en\u002Fof - [autobedrijf 4] B.V. ( [autobedrijf 4] 3) en\u002Fof - [medeverdachte 8] en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: - het plegen van valsheid in geschrift (art. 225, lid 1 WvSr) en\u002Fof - het opzettelijk doen van onjuiste en\u002Fof onvolledige aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 2 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet doen van aangiften met betrekking tot de omzetbelasting (art. 69, lid 1 AWR) en\u002Fof - het opzettelijk niet voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen en\u002Fof het opzettelijk niet bewaren van boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers (art. 68, lid 1 sub d en sub e jo. art. 69 lid 1 AWR) en\u002Fof - witwassen van (een) geldbedrag(en) (art. 420ter, art. 420bis Sr), zulks terwijl hij, verdachte, van bedoelde organisatie oprichter en\u002Fof leider en\u002Fof bestuurder was;\n\n2. hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (een deel van) de (bedrijfs)administratie van zijn, verdachtes, onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde (dat deel van) de (bedrijfs)administratie voornoemd, (telkens) een (samenstel van) geschrift(en) die\u002Fdat bestemd waren\u002Fwas om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), (telkens) opzettelijk valselijk en\u002Fof in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – in (dat deel van) die (bedrijfs)administratie voornoemd opgenomen en\u002Fof verwerkt en\u002Fof doen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof verwerken, (circa) 1475 valse of vervalste inkoopfacturen en\u002Fof (circa) 1184 valse en\u002Fof vervalste verkoopfacturen, althans een (groot) aantal valse of vervalste (inkoop- en\u002Fof verkoop)facturen, waaronder * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode 1 juni 2006 tot en met 31 december 2006 (te weten: F\u002F2527, F\u002F2528 en\u002Fof F-2536), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 1] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 4, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de maand oktober 2006 (waaronder F\u002F2529 en\u002Fof F\u002F2530), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 2] en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 3, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode maart 2006 tot en met maart 2007 (waaronder F\u002F2511, F\u002F2503 en\u002Fof F\u002F1512), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 3] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 6, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van januari 2007 tot en met juli 2007 (waaronder F\u002F2062, F\u002F2082, F\u002F2104, F\u002F2139, F\u002F2137 en\u002Fof F\u002F2155), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 4] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode juli 2007 tot en met april 2008 (waaronder F\u002F1708, F\u002F1976, F\u002F1898 , F\u002F1670, F\u002F1827, F\u002F1787, F\u002F1924 en\u002Fof F\u002F1869), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 5] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 2, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode april 2008 tot en met mei 2008 (waaronder F\u002F2431 en\u002Fof F\u002F2441), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 6] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode mei 2008 tot en met februari 2009 (waaronder F\u002F1488, F\u002F1494, F\u002F1502, F\u002F1530, F\u002F1577, F\u002F1573, F\u002F1558 en\u002Fof 1599), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van (ZAP) [onderneming 7] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van februari 2009 tot en met september 2009 (waaronder F\u002F1344, F\u002F1375, F\u002F1399, F\u002F1401, F\u002F1414, F\u002F1425, F\u002F1440 en\u002Fof F\u002F1460), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 8] B.V. (h.o.d.n. [onderneming 8] ) en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van juli 2009 tot en met december 2009 (waaronder F\u002F1244, F\u002F1307, F\u002F1316 en\u002Fof F\u002F2335), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 9] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (inkoop)facturen, uit de periode van december 2009 tot en met november 2010 (waaronder F\u002F0969, F\u002F0902, F\u002F1093, F\u002F1146, F\u002F1165, F\u002F1202, F\u002F1237 en\u002Fof F\u002F2266), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [onderneming 10] B.V. en (telkens) gericht aan [autobedrijf verdachte] en\u002Fof * 8, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode van augustus 2006 tot en met november 2008 (waaronder F\u002F3391, F\u002F3389, F\u002F3416, F\u002F3400, F\u002F3570, F\u002F4012, F\u002F4464 en\u002Fof F\u002F4560), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 1] B.V. en\u002Fof * 10, in elk geval een of meer (verkoop)facturen, uit de periode januari 2009 tot en met december 2010 (waaronder F\u002F3731, F\u002F4960, F\u002F5249, F\u002F5322, F\u002F5420, F\u002F5439, F\u002F6782, F\u002F6855, F\u002F6889 en\u002Fof F\u002F7006), volgens factuuropdruk(ken) (telkens) afkomstig van [autobedrijf verdachte] en (telkens) gericht aan [autobedrijf 2] B.V., terwijl een inkoop van auto's en\u002Fof een verkoop van auto's zoals op die facturen vermeld, in werkelijkheid (telkens) niet tussen die voornoemde onderneming(en) heeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en\u002Fof terwijl in werkelijkheid sprake was van door die onderneming(en) opgezette (schijn)transacties met het (vooropgezette) doel om (in het kader van een internationale BTW-fraude) de Nederlandse Staat financieel te benadelen (op het terrein van omzetbelasting) en\u002Fof zichzelf\u002Fhenzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om die\u002Fdat (samenstel van) geschrift(en) (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2006 tot en met 31 december 2010 in de gemeente(n) Sprang-Capelle en\u002Fof Breda en\u002Fof Apeldoorn en\u002Fof (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), te weten aangifte(n) voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) over het\u002Fde (maandelijkse) aangiftetijdvak(ken) - maanden oktober 2006 tot en met december 2006 en\u002Fof - maanden januari 2007 tot en met december 2007 en\u002Fof - maanden januari 2008 tot en met december 2008 en\u002Fof - maanden januari 2009 tot en met december 2009 en\u002Fof - maanden januari 2010 tot en met oktober 2010, onjuist en\u002Fof onvolledig heeft gedaan, althans doen of laten doen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn medeverdachte(n), toen aldaar (telkens) opzettelijk op\u002Fin het\u002Fde bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Breda en\u002Fof Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (langs elektronische weg) ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) – zakelijk weergegeven – - (telkens) een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, en\u002Fof - (telkens) een te laag belastbaar bedrag en\u002Fof een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, althans doen of laten opgeven, terwijl die\u002Fdat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4. hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 2 april 2006 tot en met 22 oktober 2010 te Veen, gemeente Aalburg, en\u002Fof in de gemeente(n) Veghel en\u002Fof in Vianen en\u002Fof Zundert en\u002Fof (elders) in Nederland, en\u002Fof in Duitsland en\u002Fof in Spanje en\u002Fof in België, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt, althans zich schuldig heeft\u002Fhebben gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben hij, verdachte, en\u002Fof (een of meer van) zijn mededader(s), (uit hoofde van die gewoonte) (telkens) in voornoemde periode van (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de\u002Fhet navolgende geldbedrag(en), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fof (van) (een) voorwerp(en), te weten een of meer van de navolgende geldbedrag(en), (telkens) verworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof overgedragen en\u002Fof omgezet en\u002Fof gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) dat die\u002Fdat voorwerp(en) en\u002Fof dat\u002Fdie geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf, door:\n\nA) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een (totaal)bedrag groot (circa) € 702.098,00, althans enig(e) geldbedrag(en), in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening en\u002Fof\n\n B) (een of meer van) de navolgende geldbedrag(en) als kasopname\u002Fkasuitgave in het kasboek van (het [autobedrijf verdachte] ) [verdachte] jaar 2008 te boeken en\u002Fof te laten boeken met als verantwoording \" [onderneming 6] BV\" en\u002Fof \" [onderneming 6] \", terwijl die \" [onderneming 6] BV \"en\u002Fof \" [onderneming 6] \" als onderneming(en) rechtens niet bestond(en), (het betrof(fen) het\u002Fde navolgende geboekte geldbedrag(en) (in euro's): - april 24 58.000,00 en\u002Fof - april 25 110.500,00 en\u002Fof - april 29 158.250,00 en\u002Fof - mei 6 55.050,00 en\u002Fof - mei 7 39.000, - mei 8 62.500,00 en\u002Fof\n\nC) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) een of meer van de navolgende geldbedrag(en) over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen bankrekening(en) ten name gesteld van het\u002Fde navolgende (plof)bedrijf\u002Fbedrijven, te weten: - in het jaar 2007 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 12.035.500,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in het jaar 2008 naar [onderneming 11] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.304.200,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 naar [onderneming 10] B.V. een (totaal)bedrag groot (circa) € 13.816.350,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof - in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 naar [onderneming 12] , een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.804.600,00, althans (een) geldbedrag(en), en\u002Fof\n\nJ) vanaf de\u002Feen bankrekening (nr. [rekeningnummer 2] ) ten name gesteld van [onderneming 10] B.V. in de periode van 1 december 2009 tot en met 24 december 2010 een (totaal)bedrag groot (circa) € 8.896.670,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Belgische) bankrekening(en) ( [rekeningnummer 3] ) (DEXIA) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA en\u002Fof ( [rekeningnummer 4] (ING) ten name gesteld van [onderneming 13] BVBA, en\u002Fof\n\nL) vanaf de\u002Feen bankrekening ( [rekeningnummer 5] ) ten name gesteld van [onderneming 12] in de periode van 1 februari 2009 tot en met 30 juni 2010: - een (totaal)bedrag groot (circa) € 2.630.700,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 6] ) ten name gesteld van, althans in gebruik bij, [onderneming 14] (GmbH & Co KG) en\u002Fof - een (totaal)bedrag groot (circa) € 59.500,00, althans enig(e) geldbedrag(en), over te boeken en\u002Fof te laten overboeken naar en\u002Fof te ontvangen op de\u002Feen (Duitse) bankrekening ( [rekeningnummer 7] ) ten name gesteld van [onderneming 15] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nPartiële nietigheid van de dagvaarding\n\nHet onder feit 1 tenlastegelegde, voor zover het de zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’ betreft, behelst naar het oordeel van het hof, gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, een onduidelijkheid, aangezien niet duidelijk is op welke (rechts)personen de steller der tenlastelegging doelt. De tenlastelegging is op dit punt in hoger beroep niet anders komen te luiden.\n\nNu in zoverre niet is voldaan aan de aan een dagvaarding te stellen eisen voor wat betreft duidelijkheid, is het hof mitsdien van oordeel dat de tenlastelegging, zoals vervat in de inleidende dagvaarding, voor wat betreft voormelde zinsnede, niet voldoet aan de daaraan in artikel 261, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Het hof zal derhalve, evenals de rechtbank, de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.\n\nVrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde\n\nDe verdachte staat ingevolge hetgeen aan hem onder feit 1 ten laste is gelegd terecht ter zake van het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten valsheid in geschrift, belastingfraude en witwassen, terwijl de verdachte daarvan leider was.\n\nHet hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast dat er meer dan voldoende bewijs voorhanden is dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een grootschalige BTW-fraude in de autohandel. Die fraude heeft niet anders dan binnen een crimineel samenwerkingsverband kunnen plaatsvinden. Uit de heden eveneens uitgesproken en ten laste van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] gewezen arresten komt naar voren dat zij een rol binnen dat samenwerkingsverband hebben gehad, welke rol in strafrechtelijke zin als deelneming aan een criminele organisatie moet worden aangemerkt. Uit het procesdossier komt verder naar voren dat medeverdachte [medeverdachte 1] een leidende rol binnen de gepleegde BTW-fraude heeft vervuld.\n\nIn de onderhavige zaak dient het hof evenwel de vraag te beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze criminele organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is dienaangaande het volgende naar voren gekomen. Medeverdachte [medeverdachte 9] heeft verklaard dat hij onder meer voor de verdachte rechtstreeks auto’s heeft opgehaald bij [onderneming 15] in Duitsland. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij eveneens voor de verdachte auto’s bij dat Duitse bedrijf heeft opgehaald, meestal met een transporter van de verdachte, waarvoor hij door de verdachte contant werd betaald.\n\nDe directeur van [onderneming 15] , [directeur onderneming 15] , heeft als getuige verklaard dat de verdachte telefonisch contact met zijn [autobedrijf verdachte] had om te informeren naar bepaalde voertuigen. De verdachte zou ook voertuigen hebben besteld en hebben gemeld welke firma de voertuigen kwam afhalen en op welke firma de voertuigen moesten worden gefactureerd. De verdachte zou volgens [directeur onderneming 15] de auto’s zelf hebben uitgezocht. Medeverdachte [medeverdachte 1] kocht ook vaak bij hem in, aldus getuige [directeur onderneming 15] .\n\nDe verdachte heeft de verklaring van [directeur onderneming 15] waaruit zijn betrokkenheid bij het inkopen van auto’s in Duitsland ten overstaan van het hof ten stelligste bestreden. De verdachte stelt dat hij nimmer zelf voertuigen bij [onderneming 15] heeft ingekocht, maar dat hijzelf zijn voertuigen alleen inkocht via medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte voelt zich misbruikt door medeverdachte [medeverdachte 1] en stelt dat [medeverdachte 1] en [directeur onderneming 15] de schuld op hem proberen af te schuiven, nadat zij zijn geconfronteerd met belastingcontroles. In dat verband heeft de verdachte aangevoerd dat [directeur onderneming 15] in 2010, nadat de FIOD bij de verdachte een inval had gedaan en [onderneming 15] onderzocht werd door de Duitse fiscus, bij hem op zijn bedrijf is geweest met een stapel door [medeverdachte 1] te tekenen koopcontracten om zijn administratie kloppend te maken. Bij die gelegenheid zou [directeur onderneming 15] de verdachte een beloning van € 25.000,00 in het vooruitzicht hebben gesteld als hij hem in contact zou kunnen brengen met [medeverdachte 1] om dit te bewerkstelligen.\n\nHet hof stelt vast dat getuige [directeur onderneming 15] pas in zijn tweede verhoor en in vrij algemene zin heeft verklaard over de rol van de verdachte en dat die verklaring geen nadere steun vindt in andere bewijsmiddelen. Weliswaar lijken de in 2010 aangetroffen voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] met daarop handgeschreven (inkoop)bedragen op het eerste gezicht steun te bieden aan de verklaring van [directeur onderneming 15] , doch het hof heeft geconstateerd dat de daarop vermelde auto’s afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en niet van [onderneming 15] . Daarbij komt dat [directeur onderneming 14] van [onderneming 14] als getuige niet heeft verklaard over de verdachte als zijnde de persoon die bij [onderneming 14] de auto’s inkocht. Dat was immers steeds medeverdachte [medeverdachte 1] . In de getuigenverklaring van [directeur onderneming 14] is aldus veeleer ondersteuning te vinden voor de verklaring van de verdachte, dan dat deze getuigenverklaring de verklaring van [directeur onderneming 15] ondersteunt.\n\nVoorts heeft het hof acht geslagen op de inhoud van de getuigenverklaring van [getuige 1] , echtgenote van [echtgenoot getuige 1] , die heeft verklaard dat [directeur onderneming 15] haar – bij afwezigheid van haar echtgenoot omdat hij in de gevangenis zat – thuis onder druk heeft gezet om papieren met betrekking tot auto’s (onder meer afhaalverklaringen) te tekenen.\n\nHet voorgaande maakt dat er bij het hof twijfels zijn gerezen over de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [directeur onderneming 15] . Om die reden kan niet zonder meer, zonder nadere ondersteuning, van de juistheid van zijn belastende getuigenverklaring met betrekking tot de rol van de verdachte uit worden gegaan, zodat die verklaring naar ’s hofs oordeel niet in doorslaggevende zin tot het bewijs in deze zaak kan bijdragen.\n\nMet betrekking tot een mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de gebruikte plofbedrijven die in de constructie van de BTW-fraude een essentiële rol hebben gespeeld heeft medeverdachte [medeverdachte 4] verklaard dat zij de bankrekening van [onderneming 10] B.V. op haar naam heeft laten zetten op verzoek van medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de verdachte. Het procesdossier ontbeert verdere concrete aanknopingspunten op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de verdachte gedragingen heeft verricht in relatie tot de plofbedrijven die bij de BTW-fraude zijn gebruikt.\n\nHet hof is van oordeel dat aan de hiervoor beschreven gedragingen van de verdachte niet het wettige bewijs kan worden ontleend dat die gedragingen strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de criminele organisatie. Dat maakt dat het bewijs ervoor tekort schiet om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde te kunnen komen. Het hof zal de verdachte derhalve daarvan vrijspreken.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er met betrekking tot de in- en verkoop van auto’s, waarop de onder feit 2 bedoelde facturen zien, grootschalige BTW-fraude is gepleegd. Om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde te kunnen komen is onder meer vereist dat in rechte kan worden vastgesteld dat de verdachte opzet had op de valsheid van de facturen betreffende de transactie(s) met betrekking tot een bepaalde auto. Daarvoor is noodzakelijk dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van de valsheid van die betreffende facturen. Indien blijkt dat de verdachte wist dat in een opeenvolging van transacties met betrekking tot een bepaalde auto bij een transactie met betrekking tot die auto (in betrekkelijk korte tijd) sprake was van een prijsval ten opzichte van een eerdere transactie met betrekking tot diezelfde auto, dan draagt dat bij tot het bewijs daarvoor. In het handelsverkeer is immers een prijsdaling bij opvolgende verkooptransacties met betrekking tot hetzelfde voorwerp (auto) zonder dat concreet sprake is van een (aanwijsbare oorzaak voor een) waardedaling van dat voorwerp, zeer ongewoon. Het hof heeft daarom bij de in verband met de in de tenlastelegging opgenomen facturen aan de orde zijnde in- of verkooptransacties ten aanzien van desbetreffende voertuigen afzonderlijk beoordeeld of sprake is geweest van een dergelijke prijsval.\n\nHet hof is allereerst met de rechtbank van oordeel dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde verkoopfacturen (laatste twee gedachtestreepjes) niet als vals kunnen worden aangemerkt. De met [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen waren voor de verdachte een middel om financiering te verkrijgen voor de aankopen die hij deed. Welke vennootschappen hem in dat kader financierden en op welke wijze zij die financiering regelden, was voor de verdachte niet belangrijk. [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V. zijn bij de litigieuze autotransacties betrokken geraakt door de relatie die zij hadden met [medeverdachte 8] , met wie de verdachte zaken deed. In de onherroepelijke vonnissen, door de rechtbank gewezen in de zaken tegen [autobedrijf 1] B.V. en [autobedrijf 2] B.V., heeft de rechtbank geconcludeerd dat deze beide vennootschappen geacht moeten worden de beschikkingsmacht te hebben gehad over de door hen bij de verdachte gekochte auto’s, dat zij niet bekend waren met het bestaan van een prijsval of met de prijzen die in Duitsland werden betaald en dat zij geen wetenschap hadden van de BTW-fraude en tenslotte dat van een valselijk opgemaakte administratie bij deze vennootschappen geen sprake is. Op grond daarvan dienen de tussen de verdachte en [autobedrijf 1] B.V. respectievelijk [autobedrijf 2] B.V. gesloten verkopen als in het handelsverkeer gebruikelijke transacties te worden beschouwd. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de in de tenlastelegging bedoelde verkoopfacturen.\n\nMet betrekking tot de inkoopfacturen geldt het volgende. Tijdens het vooronderzoek zijn voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte] uit de periode van 2 maart tot en met 6 december 2010 in beslag genomen, waarop in de linkermarge met pen handgeschreven bedragen zijn vermeld. Aan de hand van die voorraadlijsten met auto’s, van welke auto’s het merendeel is ingekocht bij [onderneming 14] in Duitsland en welke auto’s via de in de tenlastelegging genoemde (plof)bedrijven zijn verkocht aan [autobedrijf verdachte] , heeft het hof onderzocht of sprake was van een prijsval en of de verdachte daar wetenschap van had. Het hof heeft, zoals hierna onder B.4 en B.5 zal worden overwogen, met betrekking tot de voorraadlijst die in de jaszak van de verdachte is aangetroffen en waarvan aldus – in combinatie met de vaststelling dat het zijn handschrift betreft – kan worden vastgesteld dat hij daar gebruik van heeft gemaakt, geconcludeerd dat ter zake van vijf transacties sprake is geweest van een prijsval aan de inkoopzijde én dat de verdachte daarvan wetenschap moet hebben gehad. Het hof heeft die conclusie niet kunnen trekken ten aanzien van overige tenlastegelegde inkoopfacturen. Daarvoor is het wettige bewijs namelijk niet toereikend. In zoverre zal het hof de verdachte dan ook vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde\n\nNu, behoudens de hierna te bespreken vijf inkoopfacturen, het bewijs ervoor tekort schiet om te kunnen oordelen dat de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde facturen vals zijn en dat met het opnemen daarvan (een deel van) de bedrijfsadministratie van [autobedrijf verdachte] valselijk is opgemaakt, kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat de aangiften omzetbelasting over de maanden oktober 2006 tot en met april 2010 en juni 2010 tot en met oktober 2010 onjuist zijn gedaan. Die facturen liggen immers aan de aangiften over de genoemde aangiftetijdvakken ten grondslag. Het hof zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nPartiële vrijspraak van het onder feit 4 tenlastegelegde\n\nAangezien de verdachte partieel zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 en onder feit 3 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat de grondslag aan de witwasverdenking, zoals onder feit 4 in de aanhef en sub B, C, J en L aan de verdachte ten laste is gelegd, komt te ontvallen. Dat maakt dat het onder feit 4 tenlastegelegde in zoverre niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, reden waarom het hof de verdachte daarvan zal vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n2. hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 24 november 2010 tot en met 7 december 2010 te Veen, in de gemeente Aalburg, een deel van de bedrijfsadministratie van zijn onderneming, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk in die bedrijfsadministratie voornoemd doen of laten opnemen en\u002Fof verwerken, 5 valse inkoopfacturen, waaronder 2 inkoopfacturen uit de periode van november 2010, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [onderneming 10] B.V. en telkens gericht aan [autobedrijf verdachte] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en terwijl in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;\n\n3. hij, verdachte, op 25 juni 2010 in Nederland opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, te weten aangifte voor de omzetbelasting op naam van [verdachte] , als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten over het maandelijkse aangiftetijdvak mei 2010, onjuist heeft laten doen, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk in het bij de inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Apeldoorn langs elektronische weg ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd aangiftetijdvak een te hoog bedrag aan voorbelasting doen of laten opgeven en een te laag\u002Fonjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting doen of laten opgeven, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;\n\n4.\n\nhij, verdachte, in de periode van 25 juni 2010 tot en met 22 oktober 2010 in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode een voorwerp, te weten een bedrag groot € 207.371,00, althans enig geldbedrag, voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag geheel onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf, door vanaf de bankrekening (nr. [rekeningnummer 1] ) ten name van [verdachte] (h.o.d.n. [autobedrijf verdachte] ) geldbedragen in contanten op te nemen en\u002Fof laten opnemen en\u002Fof pinbetalingen te verrichten en\u002Fof te laten verrichten vanaf die bankrekening.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Daarin wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD, kantoor Rotterdam, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , opsporingsambtenaren van de Belastingdienst\u002FFIOD, dossiernummer 45590, onderzoek ‘Kameleon’, gesloten d.d. 17 januari 2012, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-6299.\n\nBewijsoverwegingen\n\nA.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.\n\nDe verdachte kocht auto’s in bij de bedrijven van medeverdachte [medeverdachte 1] . De verdachte had geen wetenschap van de Duitse aankoopprijzen van die auto’s die [medeverdachte 1] bij de Duitse autohandelaren had betaald. Er zijn voorts in de visie van de verdediging verklaarbare legale redenen voor een prijsval in de facturenketen, waardoor de tussenverkopers (waaronder de verdachte) en de uiteindelijke afnemers van de auto’s geen argwaan hoefden te hebben dat er sprake zou zijn van fraude. Tevens is er volgens de raadsman geen bewijs voor de wetenschap aan de zijde van de verdachte dat de plofbedrijven betrokken waren bij BTW-fraude en evenmin dat hij op enigerlei wijze daarbij was betrokken. Het feit dat er uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zijn gemaakt, is wat de raadsman betreft een sterke contra-indicatie voor hetgeen de verdachte wordt verweten. Het is in de visie van de verdediging juist medeverdachte [medeverdachte 1] geweest die de kwade genius was achter de BTW-fraude, waarbij hij door de zijnen werd geholpen.\n\nDe verdachte stelt zich op het standpunt dat de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 (documentnummer D-0059-c, dossierpagina 2777) – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, maar de inkoopprijs die de verdachte heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven. De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om de FIOD opdracht te geven om aan de hand van de chassisnummers de facturen van de betreffende transacties en de betalingen van de verdachte aan de betreffende bedrijven na te gaan om de stelling van de verdachte te kunnen verifiëren.\n\nMet betrekking tot het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de Belastingdienst bij het autobedrijf van de verdachte een boekenonderzoek heeft ingesteld en daarvoor meerdere keren bij het autobedrijf langs is geweest. De fiscus heeft echter nimmer onregelmatigheden in de facturen opgemerkt. De verdachte heeft telkens BTW teruggevraagd en teruggekregen van de Belastingdienst. Tegen die achtergrond vermag de verdediging niet in te zien waarom de verdachte het verwijt van het doen van onjuiste aangiften voor de omzetbelasting kan worden gemaakt.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nB.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier zijn met betrekking tot het onder feit 2, feit 3 en onder feit 4 tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal hierna tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.\n\nB.1Aanleiding onderzoek KameleonDe Belastingdienst heeft een controle in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme ingesteld bij [autobedrijf verdachte] , de eenmanszaak van de verdachte. Daarbij zijn in 2008 inkoopfacturen ten name van een aantal bedrijven meegenomen. Onderzoek naar deze facturen leverde het strafrechtelijke vermoeden op dat er sprake zou kunnen zijn van valse facturen en fiscale fraude. Daaropvolgend is op 3 juni 2010 onder leiding van de officier van justitie bij het Functioneel Parket door de FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart met de onderzoeksnaam ‘Kameleon’. Tijdens het onderzoek ontstond de verdenking dat auto’s die door [autobedrijf verdachte] werden ingekocht in Duitsland via een fictieve dan wel valse facturenstroom aan [autobedrijf verdachte] werden doorgefactureerd. Daarbij zouden de Duitse leveranciers tegen het 0% BTW-tarief – vanwege de omstandigheid dat het intracommunautaire leveringen betrof – factureren aan zogenoemde (Nederlandse) plofbedrijven, zijnde niet daadwerkelijk bestaande dan wel daadwerkelijk handelende bedrijven. Die bedrijven deden over de door hen bij verkoop van die ingekochte auto’s verkregen behaalde omzet – waarbij BTW aan de kopers in rekening werd gebracht – geen of onjuiste aangiften omzetbelasting en droegen verschuldigd geworden omzetbelasting niet op aangifte af. Op naam van deze plofbedrijven zouden de auto’s inclusief BTW worden gefactureerd aan [autobedrijf verdachte] , waarmee de plofbedrijven verlies zouden lijden aangezien deze bedrijven een netto-verkoopprijs (prijs exclusief BTW) hanteerden die lager lag dan hun inkoopprijs bij de Duitse leveranciers. Hierdoor ontstond een prijsval, omdat de plofbedrijven de verschuldigde BTW niet afdroegen, terwijl [autobedrijf verdachte] de aan hem in rekening gebrachte BTW wel als voorbelasting in aftrek bracht bij zijn aangiften omzetbelasting.\n\nB.2Voorraadlijsten van [autobedrijf verdachte]\n\nDe verdachte heeft ten overstaan van het hof verklaard dat er binnen zijn autobedrijf gewerkt werd met voorraadlijsten. De lijsten met het opschrift ‘Voorrraadlijst’ komen hem bekend voor. De verdachte gebruikte die lijsten bij de verkooponderhandelingen met zijn afnemers. De verdachte was degene die steeds onderweg was om in auto’s te handelen. De broer van de verdachte, [broer verdachte] , deed op het autobedrijf van de verdachte in [plaats] de administratie en hij verwerkte de inkoopfacturen daarin. De verdachte gaf altijd aan zijn broer door welke prijs hij voor een auto had betaald. De verdachte keek ook wel eens naar een ingekomen factuur, maar heeft zich naar eigen zeggen niet met elke factuur bemoeid. De verdachte deed veel zaken met [medeverdachte 1] . De verdachte kreeg voor de auto’s die hij bij [medeverdachte 1] had gekocht van hem per fax een factuur toegestuurd. Die facturen waren volgens de verdachte afkomstig van de bedrijven van [medeverdachte 1] , waaronder [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA.\n\nUit het procesdossier komt naar voren dat er tijdens het vooronderzoek op 9 december 2010 in de woning van [zoon verdachte] , de zoon van de verdachte, aan de [adres] een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Bij die gelegenheid is in de jaszak van de verdachte een uitgeprinte of getypte voorraadlijst aangetroffen en in beslag genomen. Die voorraadlijst bestond uit twee pagina’s en had als opschrift ‘Voorrraadlijst 02-12-2010’.Op de voorraadlijst is per auto ‘opgetypt’ om welk merk, welk type, welke kleur, welk bouwperiode (maand en jaar), welke kilometerstand, welk chassisnummer en welke verkoopprijs c.q. vraagprijs het gaat. Bij elke auto is voorts in de linkermarge telkens handgeschreven een andere prijs vermeld. Die prijs is steeds aanmerkelijk lager dan de getypte verkoopprijs c.q. vraagprijs.\n\nB.3Voorraadlijst van 2 december 2010 en het daarop vermelde handschrift\n\nHet hof acht, gezien de locatie waar de voorraadlijst van 2 december 2010 is aangetroffen (te weten in de jaszak van de verdachte), met name die voorraadlijst van belang in relatie tot hetgeen de verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd. In dat verband heeft het hof zich de vraag gesteld of het handschrift waarmee de handgeschreven bedragen in de linkermarge zijn geschreven het handschrift van de verdachte betreft. Het hof acht dat aannemelijk en overweegt daartoe als volgt.\n\nAan getuige [getuige 2] is door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank te Middelburg, een voorraadlijst getoond die in gebruik was bij het [autobedrijf verdachte] van de verdachte.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat hij die voorraadlijsten herkende als lijsten waarmee ‘ [broer verdachte] ’ bij het [autobedrijf verdachte] waar hij werkzaam was kwam om te kijken of zij in één of meer van de op die lijst vermelde auto’s geïnteresseerd waren.Het hof stelt vast dat in plaats van [broer verdachte] de verdachte bedoeld zal zijn, gelet op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij steeds op weg was om in auto’s te handelen en in aanmerking genomen dat zijn broer [broer verdachte] uitsluitend de administratie van het [autobedrijf verdachte] verzorgde.\n\nVoorts zijn aan de getuige [getuige 2] lijsten getoond met bijlagenummers D-04 en D-05.Getuige [getuige 2] heeft daarop verklaard dat die lijsten hem bekend voorkomen. Daarop staan auto’s die van [verdachte] waren gekocht. Die lijst werd door [verdachte] gemaakt, aldus getuige [getuige 2] .\n\nHet hof heeft in raadkamer het handschrift in de tabellen op de lijsten met bijlagenummers D-04 en D-05 vergeleken met het handschrift op de voorraadlijst van 2 december 2010 en heeft geconstateerd dat daarin dusdanig grote overeenkomsten zijn te zien, dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat sprake is van hetzelfde handschrift. Daarbij heeft het hof onder meer acht geslagen op de kenmerkende wijze waarop de cijfers 7, 8 en 9 zijn geschreven. Gezien de verklaring van getuige [getuige 2] dat de verdachte deze lijsten heeft gemaakt en in aanmerking genomen dat hetzelfde handschrift te zien is op een door het [autobedrijf verdachte] van de verdachte per fax verstuurde handgeschreven notitie waarop zeven auto’s staan vermeld, is het hof van oordeel dat het steeds gaat om het handschrift van de verdachte. Het andersluidende standpunt van de verdachte, meer bepaald dat opsporingsambtenaren van de FIOD deze bedragen op de lijsten hebben bijgeschreven, welke stelling op geen enkele wijze is onderbouwd, wordt derhalve door het hof als zijnde onaannemelijk verworpen.\n\nHet voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de verdachte van de voorraadlijst van 2 december 2010 gebruik heeft gemaakt, aangezien hij de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst heeft geschreven en die lijst bij zich heeft gedragen. Dat laat naar ’s hofs oordeel geen andere conclusie toe dan dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de op die lijst vermelde gegevens.\n\nB.4Transacties met betrekking tot vijf op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s\n\nHet hof heeft in raadkamer een nader onderzoek ingesteld naar de inkoopzijde van de op de voorraadlijst van 2 december 2010 vermelde auto’s en daarmee samenhangende facturenstroom. In dat kader is gebruik gemaakt van het door de FIOD opgestelde digitale Excelbestand.In het digitale bestand zijn de gegevens met betrekking tot alle tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten (onder de nummers F\u002F0001 t\u002Fm F\u002F7475) van de bij het strafrechtelijk onderzoek betrokken bedrijven en personen opgenomen, waaronder de herkomst van de betreffende factuur, de meldcode van de op de factuur vermelde auto (de laatste 4 cijfers van het chassisnummer) en de op de factuur genoemde prijs (al dan niet inclusief BTW). Deze gegevens zijn overgenomen van de aan- en verkoopfacturen en koopovereenkomsten van de betrokken bedrijven en (mede)verdachte(n). Aan de hand van dit bestand zijn per auto dan wel per meldcode transacties geselecteerd en geanalyseerd, zodat telkens kon worden vastgesteld via welke facturenstroom een auto is verkocht. De tijdens het vooronderzoek aangetroffen facturen en koopovereenkomsten hebben betrekking op 1663 auto’s in de periode van 2006 tot en met 2010, bijna allemaal afkomstig uit Duitsland en voornamelijk van het merk Mercedes. De hierna te noemen auto’s die op de voorraadlijst van 2 december 2010 staan vermeld zijn ook te vinden in het digitale Excelbestand, edoch het hof heeft geconstateerd dat de facturen van de verkopen van die auto’s zelf door de officier van justitie niet aan het dossier zijn toegevoegd.\n\nHet hof heeft bij vorenbedoeld onderzoek in raadkamer geconstateerd dat vijf auto’s, via [onderneming 10] B.V. dan wel via [onderneming 13] BVBA, afkomstig zijn van [onderneming 14] in Duitsland en waarbij de handgeschreven bedragen in de linkermarge gelijkluidend zijn aan de prijzen waarvoor de auto door [onderneming 14] in Duitsland is verkocht. De bevindingen aangaande die auto’s zijn als volgt:\n\ni. De eerste auto is een Mercedes E 200 CDI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 04\u002F10, kilometerstand 22000, met chassisnummer [chassisnummer 1] en een vraagprijs van € 31.500,00 inclusief BTW.Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 26.500,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202590 (in het dossier aangeduid als: F-2634) op 30 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 26.500,00.\n\nii. De tweede auto is een Mercedes E 250 T CGI, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 03\u002F10, kilometerstand 25500, met chassisnummer [chassisnummer 2] en een vraagprijs van € 34.750,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 30.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202570 (in het dossier aangeduid als: F-2627) op 24 november 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 10] B.V. voor een bedrag van € 30.600,00.\n\niii. De derde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 20000, met chassisnummer [chassisnummer 3] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 42.600,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202198 (in het dossier aangeduid als: F-2726) op 11 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 42.600,00.\n\niv. De vierde auto is een Mercedes E 350 CGI, kleur wit\u002Fzwart, bouwperiode 11\u002F09, kilometerstand 12000, met chassisnummer [chassisnummer 4] en een vraagprijs van € 47.500,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 43.000,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 6202245 (in het dossier aangeduid als: F-2727) op 28 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 43.000,00.\n\nv. De vijfde auto is een Mercedes CL 500, kleur zwart\u002Fzwart, bouwperiode 10\u002F09, kilometerstand 17800, met chassisnummer [chassisnummer 5] en een vraagprijs van € 85.000,00 inclusief BTW. Met pen is in de linkermarge door de verdachte een bedrag van € 74.700,00 vermeld.Deze auto is afkomstig van [onderneming 14] in Duitsland en is blijkens de daarvan opgemaakte factuur met nummer 1209030 (in het dossier aangeduid als: F-2753) op 14 mei 2010 verkocht door [onderneming 14] aan [onderneming 13] BVBA voor een bedrag van € 74.700,00.\n\nB.5Prijsval en valselijk opmaken van (een deel van) de bedrijfsadministratie\n\nWezenskenmerk van BTW-fraude is dat in de fraudeketen in de regel één keer een prijsdaling of prijsval plaatsvindt, waarbij door een ondernemer wordt verkocht voor een lagere nettoprijs dan waarvoor hij heeft ingekocht (exclusief BTW). De prijsval treedt veelal op bij het plofbedrijf, dat de BTW welke dat bedrijf in rekening brengt op zijn verkoop niet afdraagt aan de Belastingdienst. Door het niet afdragen van de BTW is het plofbedrijf, ondanks het verlies waarmee hij doorlevert, in staat om alsnog (een kleine) winst te maken.\n\n [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA hebben de betreffende auto’s volgens de daarvan opgemaakte facturen telkens ingekocht bij [onderneming 14] . Uit het vorenoverwogene volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte in ieder geval op de hoogte was van de inkoopprijzen van de vijf genoemde auto’s bij [onderneming 14] in Duitsland. De omstandigheid dat de door de verdachte handgeschreven bedragen met betrekking tot de vijf auto’s exact overeenkomen met de uit het dossier naar voren komende Duitse inkoopprijzen, laat immers geen andere conclusie toe dan dat de verdachte van die inkoopprijzen op de hoogte was. Het hof stelt aan de hand van de gehanteerde prijzen vast dat bij [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA een prijsval moet hebben opgetreden, omdat het verschil van de Duitse inkoopprijs en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijs steeds minder dan 19% (zijnde het toentertijd geldende BTW-tarief) bedraagt en de door de verdachte gehanteerde verkoopprijzen exclusief BTW telkens lager zijn dan de Duitse inkoopprijs. Nu de verdachte wetenschap had van de Duitse inkoopprijs, kan het niet anders zijn dan dat hij – zeker als door de wol geverfde autohandelaar – moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden. Daarmee heeft hij minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken is geraakt in een BTW-fraudeketen, waarbij in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat.\n\nDe door de raadsman ten verwere aangevoerde omstandigheid dat uit de getapte telefoongesprekken van de verdachte niet valt op te maken dat hijzelf prijsafspraken in het kader van BTW-fraude zou hebben gemaakt kan aan het voorgaande niet afdoen. Voorts zijn naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten in het procesdossier te vinden die de conclusie kunnen wettigen dat sprake zou zijn van ‘legale redenen’ voor de prijsval, zoals de verdediging heeft beweerd. Nu dergelijke redenen ook overigens op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk zijn geworden, kan de conclusie geen andere zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude.\n\n De inkoopfacturen afkomstig van de plofbedrijven [onderneming 10] B.V. en [onderneming 13] BVBA zijn naar het oordeel van het hof als intellectueel vals in de zin der wet aan te merken. De inhoud van die facturen stemt immers niet overeen met hoe een gebruikelijke transactie in het handelsverkeer tot stand zou zijn gekomen en de opmaak van die factuur heeft mede tot doel gehad om een frauduleuze prijsval te creëren teneinde, aan de hand van die facturen, BTW-fraude te kunnen plegen.\n\nDoor onder voormelde omstandigheden de valse facturen te doen of laten opnemen in de bedrijfsadministratie, is het hof van oordeel dat een deel van die administratie opzettelijk valselijk is opgemaakt. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde, voor zover dat betrekking heeft op de hiervoor aangehaalde facturen van [onderneming 10] B.V. (2 stuks) en [onderneming 13] BVBA (3 stuks).\n\nB.6Verzoek opdracht aan FIOD om de voorraadlijst van 6 december 2010 te controlerenHet verzoek om de FIOD aan de hand van de inkoopfacturen en betaalstromen te laten controleren of de handgeschreven bedragen op de voorraadlijst van 6 december 2010 de Duitse inkoopprijzen van de auto’s betreffen, of – zoals de verdachte beweert – de inkoopprijs die hij heeft betaald aan de in de onder feit 2 in de tenlastelegging genoemde en aan medeverdachte [medeverdachte 1] gelieerde bedrijven, wordt door het hof als niet noodzakelijk zijnde afgewezen, aangezien enerzijds de op die voorraadlijst vermelde transacties geen verband houden met hetgeen onder feit 2 bewezen zal worden verklaard en anderzijds omdat het hof in raadkamer zelf in staat is geweest om de (on)juistheid van de stelling van de verdachte te onderzoeken.\n\nB.7Onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010Uit het procesdossier komt naar voren dat fiscaal adviesbureau [fiscaal adviesbureau] de administratie van [autobedrijf verdachte] over de jaren 2006 tot en met 2010 verzorgde. Uit daarnaar ingesteld onderzoek volgt dat onder meer over de maand mei 2010 op aangifte teruggave van voorbelasting is verzocht op basis van facturen afkomstig van [onderneming 10] B.V.De aangifte over dat tijdvak is op 25 juni 2010 elektronisch binnengekomen bij de centrale administratie van de Belastingdienst te Apeldoorn.\n\nGetuige [getuige 3] van het gelijknamige fiscaal adviesbureau heeft verklaard dat in opdracht van de verdachte de aangiften omzetbelasting voor [autobedrijf verdachte] werden verzorgd. Er werd maandelijks aangifte gedaan via de computer. De bescheiden werden altijd aangeleverd door zijn broer [broer verdachte] .\n\nDe broer van de verdachte, [broer verdachte] , heeft als getuige verklaard dat de administratieve gegevens door hem werden gebracht naar [fiscaal adviesbureau] . Het kwam ook voor dat de administratie werd opgehaald. [broer verdachte] legde de administratieve bescheiden op volgorde en deed de bankbetalingen en de kasadministratie. De verkoopfacturen werden door hem opgemaakt. Dit alles gebeurde volgens hem in opdracht van de verdachte.\n\nHet hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de verdachte de aangifte omzetbelasting over mei 2010 ten name van hemzelf (zijn eenmanszaak) heeft laten doen. Die aangifte is onjuist gedaan, omdat ten onrechte tegen het tarief van 19% BTW voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek is genomen met betrekking tot de facturen die afkomstig waren van [onderneming 10] B.V.Als sprake is van fraude, zoals in casu aan de orde, had de verdachte – die bovendien van die fraude af heeft geweten, althans heeft moeten weten – niet dat bedrag aan voorbelasting in aftrek mogen nemen. Immers, naar bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient aan een belastingplichtige de toepassing te worden geweigerd van het recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de BTW, indien aan de hand van objectieve gegevens vast komt te staan dat deze belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op het betrokken recht wordt gemaakt, deelnam aan fraude ter zake van de BTW in het kader van een keten van leveringen. Dit geldt niet alleen wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van BTW-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was.Mutatis mutandis is eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. In aanmerking genomen dat de verdachte, zoals hiervoor onder B.5 is overwogen, wetenschap heeft gehad van de valsheid van de inkoopfacturen van [onderneming 10] B.V., kan naar ’s hofs oordeel eveneens worden vastgesteld dat de aan de hand van die facturen gedane aangifte omzetbelasting opzettelijk onjuist is gedaan. Het hof komt aldus eveneens tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde.\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de Belastingdienst in 2007 en 2008 een boekenonderzoek heeft uitgevoerd en toen geen onregelmatigheden heeft geconstateerd. Ter adstructie daarvan is een rapport van de fiscus overgelegd. Nog afgezien van het feit dat dit boekenonderzoek voornamelijk tot doel heeft om te controleren of de administratie aansluit op de ingediende aangiften omzetbelasting, behoeft dit verweer geen nadere bespreking omdat dit boekenonderzoek betrekking had op de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 2003 tot en met 2006, terwijl de onjuiste aangifte ziet op het tijdvak mei 2010.\n\nB.8Witwassen van een bedrag van € 207.371,00\n\nHet hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van het onder feit 4 sub A in de tenlastelegging genoemde geldbedrag. In dat verband overweegt het hof als volgt.\n\nVoor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende in rechte komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nHet hof is van oordeel dat sprake is van voldoende bewijs op grond waarvan een rechtstreeks verband valt te leggen tussen (een deel van) het tenlastegelegde geldbedrag, te weten tot een bedrag van € 207.371,00, en een bepaald misdrijf. De verdachte heeft zich namelijk schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting over mei 2010. Er is bij het doen van die aangifte op 25 juni 2010 ten onrechte voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen. Daarmee heeft de verdachte eveneens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Het hof stelt vast dat de verdachte aldus een besparing heeft gerealiseerd, omdat hij – na aftrek van de voorbelasting waarop hij geen recht had – slechts een bedrag een € 3.884,00 aan verschuldigde omzetbelasting aan de fiscus op aangifte heeft afgedragen, terwijl dat een bedrag van € 211.255,00 had moeten zijn.Hiermee is sprake van een gronddelict voor het witwassen.\n\nNiettegenstaande dat de Belastingdienst, naar aanleiding van de onjuist gedane aangifte omzetbelasting over mei 2010, geen gelden aan de verdachte heeft betaald omdat het saldo van de aangifte resulteerde in een positief en dus af te dragen bedrag aan omzetbelasting, is het hof van oordeel dat het niet aan de fiscus afgedragen bedrag (de hiervoor bedoelde besparing) kan worden aangemerkt als een ‘voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig uit enig misdrijf’ in de zin van artikel 420bis en artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht, welk voorwerp kan worden witgewassen. De verdachte is aldus, door het (laten) doen van onjuiste aangifte omzetbelasting over mei 2010, over een vermogensbestanddeel ter waarde van de ontdoken omzetbelasting de beschikking blijven houden, terwijl hij daartoe niet gerechtigd was. Dat niet afgedragen vermogensbestanddeel is daarmee als ware ‘van kleur verschoten’, te weten van – verondersteld – legaal geld naar crimineel geld. Daarmee is het bedrag van € 207.371,00 naar ’s hofs oordeel onmiddellijk afkomstig uit enig misdrijf.\n\nBij de Rabobank werd door de verdachte, handelend onder de naam [autobedrijf verdachte] , een bankrekening aangehouden met nummer [rekeningnummer 1] .Het van misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00 is vermengd geraakt met de overige geldbedragen op die rekening die door middel van (verondersteld) legale activiteiten zijn verkregen, waardoor het aldus vermengde vermogen – en nadien elke betaling en opname daaruit – kan worden aangemerkt als gedeeltelijk van misdrijf afkomstig.\n\nUit de bewijsmiddelen komt naar voren dat van voormelde bankrekening in 2010 contante geldopnamen zijn gedaan ten bedrage van € 195.830,00 en in datzelfde jaar betalingen bij betaalautomaten zijn gedaan ten bedrage van € 12.557,00.Voorts heeft in 2010 met betrekking tot die bankrekening tot een bedrag van € 87.500,00 aan contante kasopnamen bij de bank plaatsgevonden.Deze vaststellingen zijn gedaan aan de hand van de bankafschriften, waarvan de laatste is gedateerd op 22 oktober 2010.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg voor de rechtbank verklaard dat de contante opnamen van zijn rekening werden gedaan door zijn broer, in opdracht van hemzelf. Contante betalingen werden gedaan door hemzelf of door zijn broer, in zijn opdracht.\n\nHet hof is van oordeel, gelet op de omstandigheden dat het de bankrekening betrof van de eenmanszaak van de verdachte waarover hij als gerechtigde tot die bankrekening als heer en meester kon beschikken, hij het geldbedrag van € 207.371,00 voorhanden heeft gehad. Ten minste een deel van dit bedrag is eveneens omgezet, doordat de verdachte in ieder geval geldbedragen van zijn bankrekening heeft opgenomen, althans laten opnemen, en de bedragen daarmee van chartaal naar giraal geld heeft omgezet. Voorts zijn bij betaalautomaten betalingen gedaan vanaf de bankrekening.\n\nGelet op het voorgaande zien de witwashandelingen van de verdachte naar het oordeel van het hof zowel op het voorhanden hebben, omzetten als gebruik maken van het geldbedrag van € 207.371,00, althans in ieder geval van een deel daarvan. Het onder feit 4 tenlastegelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.\n\nC.\n\nAldus falen alle tot vrijspraak strekkende verweren. Het hof verwerpt mitsdien de verweren van de verdediging in al hun onderdelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nAangezien, zoals hiervoor onder B.8 is overwogen, naast het voorhanden hebben van het uit eigen misdrijf afkomstige geldbedrag ad € 207.371,00, eveneens sprake is geweest van omzettingshandelingen en van het gebruik maken van dat geldbedrag, vindt de kwalificatieuitsluitingsgrond ter zake van witwassen geen toepassing. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld en waartoe de advocaat-generaal heeft gerequireerd, zal het hof de verdachte dan ook niet in zoverre van het onder feit 4 tenlastegelegde ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nvalsheid in geschrift.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 3 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nopzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.\n\nHet bewezenverklaarde van het onder feit 4 tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nwitwassen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, het opzettelijk onjuist doen van een belastingaangifte en witwassen.\n\nDe verdachte was werkzaam als autohandelaar. Hij heeft vijf valse inkoopfacturen die te maken hadden met grootschalige BTW-fraude in zijn administratie laten opnemen en daarmee (een deel van) zijn bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt. Voorts heeft de verdachte een onjuiste aangifte omzetbelasting laten doen. Bij die aangifte is voor een bedrag van € 207.371,00 aan voorbelasting in aftrek genomen, terwijl de verdachte daartoe niet gerechtigd was. Dat bedrag is vervolgens door de verdachte witgewassen, doordat hij dat bedrag – dat zich heeft vermengd met het overige aanwezige banksaldo – voorhanden heeft gehad, heeft omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt.\n\nDoor de bedrijfsadministratie valselijk op te maken heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming. Het hof rekent het de verdachte eveneens aan dat hij een aangifte omzetbelasting onjuist heeft ingediend. Bij belastingheffing zijn immers in het algemeen gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken. Met belastingheffing wordt beoogd de Staat der Nederlanden en de Europese Unie geldmiddelen te verschaffen die voor hun instandhouding en taakvervulling noodzakelijk zijn. De verdachte heeft door zijn handelwijze deze gemeenschapsbelangen geschonden. Dergelijk strafbaar gedrag leidt er uiteindelijk toe dat bonafide belastingplichtigen meer belasting moeten betalen. Voorts is het voor een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting essentieel dat uitgegaan kan worden van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Het systeem van de omzetbelasting is immers mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan de verschuldigde omzetbelasting of teruggave daarvan vaststelt. De verdachte heeft hiervan misbruik gemaakt. Door een aangifte te doen die niet strookt met de werkelijkheid, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Met het witwassen van criminele gelden, waaraan de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt, wordt getracht om illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 september 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het bewezenverklaarde onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld, zij het niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij thans samen met zijn vrouw woonachtig is in Spanje, hij vier kinderen heeft die niet meer thuis wonen, zijn autobedrijf ten onder is gegaan als gevolg van deze zaak, er naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting aan hem zijn opgelegd en nog niet zijn afgewikkeld, hij zijn eigen woning heeft moeten verkopen en dat hij met het verrichten van diverse hand- en spandiensten zijn inkomen vergaart. De verdachte stelt voorts overspannen te zijn geraakt door deze strafzaak en heeft daardoor een tijd te kampen gehad met psychische klachten.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstraf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag, passend en geboden.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak evenwel nog het volgende. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg is overschreden. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 24 mei 2011, te weten de dag waarop de verdachte voor de eerste keer door de FIOD als verdachte is gehoord. De rechtbank heeft op 31 juli 2019 vonnis gewezen. Derhalve is sprake van een overschrijding van 6 jaren en ruim 2 maanden. Daarnaast is het hof gebleken dat ook de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Namens de verdachte is immers op 7 augustus 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden – op 17 december 2024 en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep – eindarrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is daarmee met ongeveer 3 jaren en iets meer dan 4 maanden overschreden. De totale overschrijding bedraagt aldus om en nabij 9 jaren en 6 maanden.\n\nBij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en\u002Fof zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel de onderhavige zaak zeer omvangrijk en complex van aard is en de verdediging diverse (door de rechtbank en het hof gehonoreerde) onderzoekswensen heeft ingediend, is het hof van oordeel dat die redenen niet het gehele tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Het hof zal de aanzienlijke overschrijding van de redelijk termijn mitsdien ten faveure van de verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de op te leggen taakstraf zal worden gematigd met 25 uren.\n\nHet voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 125 uren subsidiair 62 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstaf van twee uren per in verzekering doorgebrachte dag.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beschermde partiële vrijspraak van het onder feit 3 tenlastegelegde, namelijk voor zover dat ziet op de aangifte omzetbelasting over september 2006;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nverklaart de dagvaarding partieel nietig, namelijk voor zover die betrekking heeft op de onder feit 1 vermelde zinsnede ‘en\u002Fof een of meer (andere) natuurlijke perso(o)n(en) en\u002Fof (rechts)perso(o)n(en)’;\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van125 (honderdvijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door62 (tweeënzestig) dagen hechtenis;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. J. Platschorre, voorzitter,\n\nmr. J.M. van der Vegt en mr. W.F. Koolen, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,\n\nen op 17 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Vegt voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Proces-verbaal van aantreffen voorraadlijsten in pand [adres] AH-126-a, p. 1645; Proces-verbaal van doorzoeking [adres] , AH-18-b, p. 1136-1137; D-0059-b, p. 2775-2776; Bewijzen van inbeslaggenomen voorwerpen [adres] , AH-018-b-1, p. 1141.\n\n Voorraadlijst met documentnummer D-03-B, 49412 1\u002F2, p. 653.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven lijsten met documentnummers D-04, 49412, p. 669 en D-05, 4912, p. 670.\n\n Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 9 mei 2016, p. 6 met bijlagen.\n\n Handgeschreven notitie met zeven auto’s, per fax verstuurd vanuit [autobedrijf verdachte] , D-0140-C, p. 3184.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, welk bestand onderdeel uitmaakt van het procesdossier.\n\n De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat indien sprake was van een personenauto (zoals hier telkens aan de orde), de prijzen altijd inclusief BTW waren. Zie het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, derde meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 november 2024, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte] .\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3060. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-31, regel 3053. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar Nederland, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2775.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3152. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3153. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Voorraadlijst van 2 december 2010, D-0059-b, p. 2776.\n\n Excelbestand met de naam ‘45590 Facturen.XLS’, herkomst D-36, regel 3179. Het genoemde bedrag betreft hier een intracommunautaire levering vanuit Duitsland naar België, belast tegen 0% BTW. Het gaat dus om een bruto-nettoprijs.\n\n Overzichtsproces-verbaal, p. 20.\n\n Proces-verbaal van nadeelberekening [autobedrijf verdachte] , AH-171, p. 1912-1916; Jaaroverzicht omzetbelasting 2006, B-0081-aa en Aangiftenoverzicht omzetbelasting B-0081-a, p. 5392-5397.\n\n Ambtsedige verklaring omzetbelasting januari 2006 tot en met juli 2010, B-0081, p. 5388-5391.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 3] d.d. 12 juli 2011, p. 2603-2604.\n\n Proces-verbaal van getuigenverhoor van [broer verdachte] d.d. 6 juli 2011, p. 2427.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395 in combinatie met het proces-verbaal inzake nadeelberekening [verdachte] , AH-171, p. 1912-1916.\n\n Vgl. Hof van Justitie van de EU 6 juli 2006, Kittel en Recolta, C-439\u002F04 en C-440\u002F04, ECLI:EU:C:2006:446, punten 45, 46, 56 en 61; Hof van Justitie van de EU 6 december 2012, Bonik, ECLI:EU:C:2012:774, punten 38‑40; Hof van Justitie van de 18 december 2014, Italmoda, ECLI:EU:C:2014:2455.\n\n Aangiftenoverzichten omzetbelasting, B-0081-a, p. 5395.\n\n Vgl. Hoge Raad 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774 en de daaraan voorafgaande conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 27 mei 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BD2774, i.h.b. r.o. 11, 12 en 20, alsmede de conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad van 5 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:516, i.h.b. r.o. 40-44.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630-1631.\n\n Vgl. Hoge Raad 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar opnamen bij geldautomaat en betalingen bij betaalautomaat, AH-124-b, p. 1634-1635.\n\n Proces-verbaal onderzoek naar kasopnamen bij de bank, AH-124-c, p. 1636.\n\n Proces-verbaal onderzoek bankrekening [rekeningnummer 1] t.n.v. [verdachte] , AH-124, p. 1630.\n\n Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda van 13 mei 2019, 15 mei 2019 en 31 juli 2019, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] , p. 8.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4140","2024-12-20T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:51.279Z",{"id":178,"ecli":179,"slug":180,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":181,"fullText":182,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":183,"sourceTimestamp":184,"parsedAt":40,"updatedAt":185},"777","ECLI:NL:GHSHE:2024:3585","ecli-nl-ghshe-2024-3585","2024-09-18T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-003285-23\n\nUitspraak : 18 september 2024\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 23 november 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-208912-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,\n\nzonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en ter zake van ‘opzetheling’ (feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en heeft de politierechter bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte in zoverre, opnieuw rechtdoende, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met aftrek van voorarrest.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nOntvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraak door de politierechter van het onder feit 2 tenlastegelegde. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.\n\nAl hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met aanvulling en verbetering van gronden, en met uitzondering van de opgelegde straf.\n\nAanvulling bewijsmiddelen\n\nHet hof ziet aanleiding om het door de politierechter gebezigde bewijsmiddel 3.1.2., te weten het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina’s 34 en 35, aan te vullen door na de zin “Zij hadden (…) fiets getroffen” in te voegen:\n\nOmstreeks 08:20 uur waren wij ter plaatse. Wij (het hof begrijpt: verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] )hoorden van de boa’s dat zij met een actie bezig waren tegen fietsendiefstallen. Zij hadden een man weg zien fietsen bij de [supermarkt] aan de Van Beethovenlaan. De boa’s waren achter de man aangefietst en controleerden hem. De man had geen identiteitsbewijs bij zich. Zij controleerden het chassisnummer van de fiets via de STOP heling app. Hieruit kwam naar voren dat de fiets gestolen was. De boa’s hebben toen via het operationele centrum de politie ter plaatse gevraagd.\n\nVerbetering van de bewijsoverwegingen\n\nDe raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is samengevat aangevoerd dat het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake lijkt te zijn van een willekeurige staande houding van de verdachte door de verbalisanten, waarbij niet naar het identiteitsbewijs is gevraagd en vragen aan de verdachte zijn gesteld zonder dat de cautie is gegeven.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nGelet op hetgeen daaromtrent is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , concludeert het hof dat de boa’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] de verdachte, nadat zij hem hadden gestopt, hebben gevraagd naar zijn identiteitsbewijs. Op grond van de Wet op de identificatieplicht was de verdachte verplicht aan hun bevel gehoor te geven. Van een staandehouding op de voet van artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering was, anders dan de raadsman heeft betoogd, derhalve geen sprake. Toen de boa’s vervolgens evenwel waarnamen dat het slot van de (elektrische) fiets waarop de verdachte reed was doorgeslepen en achter op de bagagedrager hing, hebben zij hem bevraagd over de fiets. Omdat op dat moment wel een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bij de boa’s moet zijn gerezen, hadden ze de verdachte, alvorens hem naar aanleiding van hun verdenking te bevragen, de cautie moeten geven. Aan de omstandigheid dat zij dit hebben nagelaten verbindt het hof in het onderhavige geval evenwel geen consequenties omdat de verdachte, gelet op het door hem gegeven antwoord op de vraag van wie de fiets was, te weten dat hij de fiets had geleend van een vriend, niet in zijn belangen is geschaad.\n\nHet verweer van de verdediging wordt verworpen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, op te leggen.\n\nIndien het hof tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman van de verdachte bepleit aan te sluiten bij de straf zoals is gevorderd door de advocaat-generaal.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een fiets. Door aldus te handelen heeft de verdachte meegewerkt aan het in stand houden van een afzetmarkt voor goederen die van misdrijf afkomstig zijn. Heling van gestolen goederen leidt ertoe dat plegers van diefstallen geldelijk voordeel kunnen trekken uit de door hen gepleegde strafbare feiten, terwijl deze feiten leiden tot financiële schade en overlast voor de eigenaren van de weggenomen goederen. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 juli 2024, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk ter zake van (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nNaar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.\n\nAlles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van2 (twee) weken;\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. M.C.C. van de Schepop, voorzitter,\n\nmr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 18 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:3585","2024-11-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:47.586Z",{"id":187,"ecli":188,"slug":189,"caseNumber":35,"courtId":5,"decisionDate":190,"fullText":191,"summary":35,"language":7,"source":37,"sourceUrl":192,"sourceTimestamp":193,"parsedAt":40,"updatedAt":194},"1172","ECLI:NL:GHSHE:2024:2467","ecli-nl-ghshe-2024-2467","2024-07-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000534-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\nopgeroepen als:\n\n [verdachte] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel toegewezen, het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 9.000,00 en aan de betrokkene een betalingsverplichting opgelegd voor datzelfde bedrag.\n\nNamens van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 12 juli 2024 alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe verdediging heeft primair afwijzing van de vordering bepleit. Subsidiair heeft de verdediging – gelijk aan hetgeen in eerste aanleg aangevoerd – het hof verzocht de in verband met het verhuren van de stallen gemaakte kosten, e weten de\n\nwaterschapslasten (€ 708,- : 2 = € 359,-),\n\nverzekeringskosten (€ 4.341,60 : 2 = € 2.170,80) en,\n\nonroerendezaakbelasting (€ 1199,- : 2 = € 599,50)\n\nop het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te brengen, zodat een bedrag van € 5.870,70 aan wederrechtelijk verkregen voordeel resteert, en vervolgens dat bedrag te matigen zodat recht wordt gedaan aan de feitelijke situatie waarbij het grootste deel van de door de betrokkene verhuurde stallen legaal in gebruik waren.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet hof verenigt zich met het vonnis en met de redengeving waarop dit berust en zal daarom het vonnis integraal bevestigen.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nbevestigt het vonnis waarvan beroep.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2467","2024-07-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:08.020Z",20]