[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-dividend-withholding-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":46,"total":16,"page":24,"limit":71},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},158,"dividend-withholding-tax-nl","Dividend Withholding Tax","NL","2026-07-08T17:00:45.407Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},3,{"min":18,"max":18},"2026-05-20T00:00:00.000Z",[20,25,28,32,36,39,43],{"provisionId":21,"code":22,"article":23,"count":24},"122437","Algemene wet bestuursrecht","art. 8:29",1,{"provisionId":26,"code":22,"article":27,"count":24},"122438","art. 8:42",{"provisionId":29,"code":30,"article":31,"count":24},"122439","Pensioenwet","art. 116",{"provisionId":33,"code":34,"article":35,"count":24},"122440","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 20",{"provisionId":37,"code":34,"article":38,"count":24},"122442","art. 64",{"provisionId":40,"code":41,"article":42,"count":24},"122444","Wet op de dividendbelasting","",{"provisionId":44,"code":45,"article":42,"count":24},"122445","Wet op de vennootschapsbelasting",[47,57,64],{"id":48,"ecli":49,"slug":50,"caseNumber":42,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":51,"summary":42,"language":7,"source":52,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":55,"updatedAt":56},"730","ECLI:NL:GHSHE:2026:1262","ecli-nl-ghshe-2026-1262","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 24\u002F1220 tot en met 24\u002F1231\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] (Canada), met gekozen domicilie in [plaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 juni 2024, nummers BRE 20\u002F9811, 20\u002F9812, 20\u002F9814 tot en met 20\u002F9818, 21\u002F1708 tot en met 21\u002F7810, 21\u002F2031 en 23\u002F2032, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur,\n\nen\n\nde Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),\n\nhierna: de minister.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de volgende naheffingsaanslagen dividendbelasting aan belanghebbende opgelegd en gelijktijdig de volgende bedragen aan belastingrente in rekening gebracht:\n\nJaar\n\nAanslagnummer\n\ndividendbelasting\n\nbelastingrente\n\n2014\n\n [aanslagnummer 1]\n\n€ 85.500\n\n€ 17.033\n\n2013\n\n [aanslagnummer 2]\n\n€ 192.470\n\n€ 45.561\n\n2014\n\n [aanslagnummer 3]\n\n€ 219.966,82\n\n€ 43.822\n\n2014\n\n [aanslagnummer 4]\n\n€ 782.305,46\n\n€ 160.807\n\n2014\n\n [aanslagnummer 5]\n\n€ 106.875\n\n€ 17.820\n\n2015\n\n [aanslagnummer 6]\n\n€ 245.214\n\n€ 40.888\n\n2015\n\n [aanslagnummer 7]\n\n€ 85.500\n\n€ 14.256\n\n1.2.. Verder heeft de inspecteur de volgende beschikkingen (hierna: de overige beschikkingen) vastgesteld:\n\nAdressant\n\nNummer beschikking\n\n [adressant 2]\n\n [nummer 1]\n\n [adressant 1]\n\n [nummer 2]\n\n [adressant 1]\n\n [nummer 3]\n\n [adressant 2]\n\n [nummer 4]\n\n [adressant 2]\n\n [nummer 5]\n\n1.3.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de in 1.1 genoemde naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen ongegrond verklaard. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de in 1.2 genoemde overige beschikkingen nietontvankelijk verklaard.\n\n1.4.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en tevens een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.6.. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn steeds doorgestuurd naar de andere partij.\n\n1.7.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .\n\nOp deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24\u002F1188 tot en met 24\u002F1194, 24\u002F1232 tot en met 24\u002F1236 en 25\u002F170.\n\n1.8.. De inspecteur heeft tijdens de zitting exemplaren van een pleitnota overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.9.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.10.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is een op 19 oktober 2010 door [Ltd 3a] naar Canadees recht ingestelde trust. Belanghebbende voorziet, zo staat in de trustakte, in de uitvoering van pensioenregelingen van werknemers van [Ltd 3a]\n\n2.2.. Belanghebbende is in Canada vrijgesteld voor de winstbelasting.\n\n2.3.. Belanghebbende had in de in geschil zijnde jaren één deelnemer aan de pensioenregeling. Op basis van het pensioenreglement is het deelnemers niet toegestaan bij te dragen aan het pensioen. De werkgever draagt verplicht bij aan het pensioen.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft op 1 januari 2013 een ‘Profit Share and Cooperation agreement’ (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten met [Ltd 1] (hierna: [Ltd 1] ). Hierin is onder meer het volgende opgenomen (waarbij belanghebbende als [Ltd 3] is aangeduid):\n\n“\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n”\n\n2.5.. Op basis van de Samenwerkingsovereenkomst was belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 de volgende bedragen (in Canadese dollars) aan [Ltd 1] verschuldigd:\n\n2013\n\n$ 1.234.297\n\n2014\n\n$ 1.807.018\n\n2015\n\n$ 719.772\n\n2016\n\n$ 673.512\n\n2.6.. De Samenwerkingsovereenkomst is namens [Ltd 1] ondertekend door [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [Ltd 1] was in de in geschil zijnde jaren een dochtervennootschap van [A BV] (hierna: [A BV] ) en maakte deel uit van de [A-groep] . [naam 2] is de uiteindelijk gerechtigde van de [A-groep] .\n\n2.7.. Het eigen vermogen van belanghebbende bedroeg op 1 januari 2015 CAD $ 512.491 en op 31 december 2015 CAD $ 819.314. Belanghebbende heeft in 2015 een resultaat behaald van CAD $ 306.823 dat in de ‘net asset statement’ verder is gespecificeerd. Daaruit volgt een inleg van de werkgever in 2015 van CAD $ 3.601 en administratiekosten van CAD $ 12.543.\n\n2.8.. Tijdens de zitting van het hof heeft [naam 2] verklaard dat de (arbitrage-)activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (hierna: [stichting] ). [stichting] heeft een fiscale procedure gevoerd waarin de vraag centraal stond of zij als pensioenfonds vrijgesteld is van vennootschapsbelasting. Het gerechtshof Amsterdam heeft die vraag ontkennend beantwoord en onder meer geoordeeld dat [stichting] een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 (hierna: het Besluit). Het door [stichting] tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad ongegrond verklaard.\n\n2.9.. Belanghebbende hield in de in geschil zijnde jaren rekeningen aan bij [Ltd 5] (hierna: [Ltd 5] ), gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, en bij [bedrijf 1] , gevestigd in Ierland. Belanghebbende hield op deze rekeningen uitsluitend long posities in aandelen met daartegenover short posities in derivaten. Tot de gedingstukken behoren ‘trading account statements’ van [bedrijf 1] , waaruit volgt dat per 1 juni 2015 de closing balance € 1.589.574,26 bedraagt en de cleared balance per diezelfde datum € 27.210.785,74.\n\n2.10.. Op 20 december 2012 heeft [naam 4] (hierna: [naam 4] ) een e-mail gestuurd aan [naam 6] (hierna: [naam 6] ), een medewerker van de Belastingdienst Amsterdam . Die email bevat als bijlage het volgende verzoek inzake artikel 10, lid 3, Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB), ingediend namens belanghebbende:\n\n“(…) [hof: belanghebbende] is een pensioenlichaam gevestigd in Canada (hierna: pensioenlichaam) en voorziet in de uitvoering van pensioenregelingen van werknemers van [Ltd 3a] Het pensioenlichaam wenst onder gebruikmaking van artikel 10 lid 3 Wet op de dividendbelasting 1965 in aanmerking komen voor teruggaaf van de in Nederland te haren laste ingehouden dividendbelasting.\n\nCliënt wenst graag met de Belastingdienst af te stemmen dat zij aan de voorwaarden van artikel 10 lid 3 Wet op de dividendbelasting 1965 voldoet en mitsdien dit artikel op haar van toepassing is, een en ander voor zover de ingehouden dividendbelasting betrekking heeft op de opbrengst uit portfolio investeringen als bedoeld in dat artikel.\n\nHiertoe merk ik het volgende op.\n\nHet lichaam moet zijn gevestigd in een door een bij ministeriële regeling aangewezen derde land waarmee afdoende informatie-uitwisseling bestaat. (…) Artikel 26 juncto 26b van het belastingverdrag tussen Nederland en Canada bevat een bepaling inzake de uitwisseling van inlichtingen welke overeenkomt met artikel 26 van het OESO standaardverdrag.\n\nVoorts dient het lichaam in het derde land niet te zijn onderworpen aan een winstbelasting en evenmin, indien het lichaam in Nederland zou zijn gevestigd, belastingplichtig te zijn voor de vennootschapsbelasting. Het pensioenlichaam is in Canada vrijgesteld voor de winstbelasting. Een kopie van de beschikking treft u bijgaand aan. Het pensioenlichaam kwalificeert onder artikel 5, lid 1 onder b Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en zou mitsdien in Nederland niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting, indien het lichaam in Nederland zou zijn gevestigd.\n\nGelet op het bovenstaande verzoek ik u ermee in te stemmen dat (…) [hof: bedoeld zal zijn belanghebbende] gebruik kan maken van de regeling genoemd onder 10 lid 3 van de Wet op de dividendbelasting 1965, voor zover de ingehouden dividendbelasting betrekking heeft op opbrengsten uit portfolio investeringen als bedoeld in dat artikel. Hiertoe zal steeds binnen drie jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de opbrengst ter beschikking is gesteld, een verzoek ex artikel 10 lid 1 Wet op de dividendbelasting 1965 worden ingediend.”\n\nAls bijlagen bij het verzoek zijn het certificaat van registratie van belanghebbende als pensioenfonds in Canada verstrekt en de bevestiging van de Canadese autoriteiten dat belanghebbende aldaar als vrijgesteld lichaam wordt aangemerkt.\n\n2.11.. Nadat [naam 6] aan [naam 4] kenbaar heeft gemaakt het verzoek niet te kunnen behandelen, heeft [naam 4] het verzoek op 28 januari 2013 doorgestuurd aan [naam 7] , medewerker van de Belastingdienst Heerlen (hierna: [naam 7] ). [naam 4] schrijft in zijn e-mail aan [naam 7] het volgende:\n\n“Geachte heer [naam 7] , zoals daarnet besproken stuur ik u bijgaand mijn eerdere verzoek toe. Ik begreep van u al dat tussen Nederland en Canada op voldoende wijze is voorzien in de informatie-uitwisseling zoals artikel 10 lid 3 Div stelt. Aan die voorwaarde wordt dus voldaan. De vraag die resteert is of het onderhavige pensioenlichaam kwalificeert als een lichaam zoals bedoeld in artikel 10 lid 3 Div.”\n\n2.12.. Op 15 februari 2013 heeft [naam 4] aan [naam 7] een volgende e-mail gestuurd, waarin hij het volgende heeft vermeld:\n\n“Geachte heer [naam 7] , op uw verzoek stuur ik u hierbij documenten toe op grond waarvan u de juridische status van (…) [hof: belanghebbende] kunt beoordelen. Ik zie uw reactie met belangstelling tegemoet.”\n\n2.13.. \n\nMet laatstgenoemd verzoek heeft belanghebbende de volgende documenten meegestuurd:\n\n- Statement of Investment Policies and Procedures d.d. 30 juli 2010; - Trust Agreement [bedrijf 2] d.d. 19 oktober 2010; - Pensioenreglement [bedrijf 2] d.d. 28 oktober 2010; - Brief van Financial Services Commission van Ontario d.d. 15 november 2010; - Confirmation of Tax exemption in Canada d.d. 7 januari 2013.\n\n2.14.. Op 18 februari 2013 heeft [naam 7] als volgt per e-mail gereageerd op het verzoek van [naam 4] :\n\n“Geachte heer [naam 4] ,\n\nHierbij deel ik u mede dat (…) [hof: belanghebbende] kwalificeert als een lichaam als bedoeld in art. 10, lid 3 Wet op de dividendbelasting en derhalve aanspraak kan maken op teruggave van dividendbelasting, indien overigens aan de vereisten voor teruggave is voldaan.”\n\n2.15.. Op 7 maart 2013 heeft [naam 4] een opvolgende e-mail aan [naam 7] verstuurd, waarin hij ook voor [Ltd 2] eenzelfde verzoek doet:\n\n“Geachte heer [naam 7] , hartelijk dank voor uw bericht. [Ltd 2] is op dezelfde manier opgezet als het door u beoordeelde lichaam. Ik heb een aantal stukken voor dit tweede lichaam bijgevoegd. Kunt u voor de volledigheid bevestigen dat [Ltd 2] eveneens kwalificeert onder artikel 10 lid 3 Div.?”\n\n2.16.. Bij brieven van 10 april 2013 heeft [naam 7] ten aanzien van zowel belanghebbende als [Ltd 2] (hierna: [Ltd 7] ) de volgende bevestigingen gegeven:\n\n“Geachte heer [naam 4] ,\n\nHierbij doe ik de bevestigingen ten name van (…) [hof: belanghebbende] en het [hof: [Ltd 7] ] toekomen.”\n\nEn:\n\n“Hierbij bevestig ik dat (…) [hof: belanghebbende] kwalificeert als een lichaam als bedoeld in artikel 10, lid 3 Wet op de dividendbelasting en derhalve aanspraak kan maken op teruggave van dividendbelasting, indien overigens aan de vereisten voor teruggave is voldaan.”\n\nEn:\n\n“Hierbij bevestig ik dat (…) [ [Ltd 7] ] kwalificeert als een lichaam als bedoeld in artikel 10, lid 3 Wet op de dividendbelasting en derhalve aanspraak kan maken op teruggave van dividendbelasting, indien overigens aan de vereisten voor teruggave is voldaan.”\n\n2.17.. In 2014 en 2015 hebben onder meer [adressant 1] ( [adressant 1] ) en [adressant 2] ( [adressant 2] ) namens belanghebbende verzoeken om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2013 tot en met 2015 ingediend. Deze verzoeken zijn (uiteindelijk) gehonoreerd. Met de hiervoor in 1.2 vermelde beschikkingen ten name van [adressant 1] \u002F [adressant 2] zijn later de teruggaven teruggenomen. Door middel van de in hiervoor in 1.1 vermelde naheffingsaanslagen heeft de inspecteur de teruggegeven dividendbelasting bij belanghebbende nageheven.\n\n2.18.. Op 20 juni 2015 en 19 augustus 2015 dient een nieuwe gemachtigde “ [gemachtigde 2] ” teruggaafverzoeken in namens [Ltd 7] . Die verzoeken zijn door de inspecteur op 25 augustus 2015 geweigerd. Als reden voor de weigering is vermeld:\n\n“(…) [ [Ltd 7] ] is niet objectief vergelijkbaar met een in Nederland gevestigd pensioenlichaam dat op grond van artikel 5, lid 1, onderdeel b, Wet VPB 1969 subjectief is vrijgesteld van de vennootschapsbelasting. Aldus zou [ [Ltd 7] ] ware hij in Nederland gevestigd geweest, aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.\n\nDaardoor behoort het lichaam niet tot de groep waarvoor de teruggaafregeling van artikel 10 Wet DB 1965 bedoeld is.”\n\n2.19.. Op 4 september 2015 heeft [naam 4] naar aanleiding van die weigering contact opgenomen met [naam 7] en de volgende e-mail verstuurd:\n\n“Geachte heer [naam 7] ,\n\nGraag vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn april 2013 heb ik met u afgestemd dat [Ltd 2] kwalificeert voor toepassing van artikel 10 lid 3 van de Wet op de dividendbelasting 1965. Uw akkoordverklaring heb ik voor de volledigheid bijgevoegd. In juli 2014 is de naam van [Ltd 2] gewijzigd in [Ltd 7] . De bevestiging daarvan heb ik voor uw informatie bijgevoegd. Cliënte heeft op (tenminste) een tweetal teruggaveverzoeken bericht ontvangen dat zij niet zou kwalificeren als een hier bedoeld lichaam en dat haar om die reden geen teruggave van dividendbelasting wordt verleend. Ik verwijs u naar de bijgevoegde correspondentie.\n\nGelet op het vorenstaande verzoek ik u vriendelijk de naamswijziging in uw systemen door te voeren en aan cliënte teruggave van de dividendbelasting te verlenen.”\n\n2.20.. \n [naam 7] blijkt inmiddels met pensioen te zijn waarna de kwestie is voorgelegd aan [naam 8] (hierna: [naam 8] ). De e-mail van 7 september 2015 van [naam 8] aan [naam 4] luidt vervolgens als volgt:\n\n“Geachte heer [naam 4] ,\n\nHartelijk dank voor uw e-mail.\n\nIndien [ [Ltd 7] ] zich niet met de uitspraak kan verenigen dient zij via de officiële weg bezwaar te maken tegen de afwijzende teruggaafbeschikkingen. Tenzij dit uitdrukkelijk uw bedoeling was, merk ik uw e-mail vooralsnog niet aan als een officieel ingediend bezwaar. De bezwaarbehandelaar zal vervolgens beoordelen op welke gronden de verzoeken namens (…) [ [Ltd 7] ] zijn afgewezen, en of dit al dan niet terecht is gebeurd. De primaire behandelaar komt blijkbaar thans tot de conclusie dat belanghebbende in onvoldoende mate vergelijkbaar is met een '5-1-b'-lichaam. Ik neem aan dat hier een zorgvuldige afweging aan is voorafgegaan.\n\nHet kan zijn dat in het verleden is gecommuniceerd dat het betreffende fonds voor een teruggaaf van dividendbelasting in aanmerking komt, maar het staat de inspecteur uiteraard vrij een herbeoordeling toe te passen op het fonds.”\n\n2.21.. \n [naam 4] reageert eveneens op 7 september 2015 als volgt op de mail van [naam 8] :\n\n“Geachte heer [naam 8] , hartelijk dank voor uw snelle reactie. Mijn e-mail met bijlagen, welke ik overigens vandaag ook per reguliere post heb toegezonden, dient inderdaad als een bezwaarschrift te worden opgevat. Ik vermoed zelf dat door de naamswijziging de eerdere goedkeuring van de heer [naam 7] niet is meegenomen bij de totstandkoming van de onderhavige beschikkingen. Het verbaasde mij overigens ook dat er geen dagtekening en behandelaar op de beschikkingen stonden vermeld. Ik ga er van uit dat bij het vervaardigen van de beschikkingen deze gegevens zijn weggevallen of niet zijn ingevuld. Kunt u mij laten weten wie mijn verzoek in behandeling neemt?”\n\n2.22.. \n [naam 8] reageert op 7 september 2015 als volgt op de e-mail van [naam 4] :\n\n“Geachte heer [naam 4] ,\n\nHoogstwaarschijnlijk zal ik het bezwaar in behandeling nemen. Ervan uitgaande dat het een pensioenlichaam betreft zou ik u in dat kader (…) alvast willen vragen de volgende (kopieën van) documenten naar mij toe te sturen: - de statuten van het fonds; - de pensioenregeling\u002Fhet pensioenplan; en - de meest recente jaarrekening.”\n\n2.23.. Wederom op 7 september 2015 reageert [naam 4] als volgt op de e-mail van [naam 8] :\n\n“Geachte heer [naam 8] , ik heb zojuist getracht u te bellen. Uit uw reactie maak ik op dat u opnieuw wilt beoordelen of cliënt kwalificeert voor de toepassing van artikel 10 lid 3 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet Div). Juist ter voorkoming van discussie achteraf heb ik dit punt met de heer [naam 7] afgestemd. De heer [naam 7] heeft de documentatie beoordeeld en hij heeft op grond daarvan bevestigd dat cliënt kwalificeert als lichaam als bedoeld in artikel 10 lid 3 Wet Div. Nu er nadien enkel een naamswijziging heeft plaatsgevonden is het evident dat de kwalificatie van cliënt voor de genoemde bepaling vaststaat. Cliënt behoort derhalve tot de groep die aanspraak kan maken op de teruggave van dividendbelasting.”\n\n2.24.. Op 8 september 2015 stuurt [naam 8] de volgende e-mail naar [naam 4] :\n\n“Uit de stukken blijkt de door u gevoerde correspondentie met de heer [naam 7] inzake (…) [ [Ltd 7] ]. De heer [naam 7] komt daarin inderdaad (…) tot de conclusie dat (…) [ [Ltd 7] ] kwalificeert als een lichaam als bedoeld in artikel 10, lid 3, Wet DB 1965. Aldus is er volgens mijn gegevens (…) een teruggaaf van dividendbelasting over 2013 verleend ten bedrage van € 97.042 (…).\n\nAfgaande op het mij ter beschikking staande pensioenplannen (van zowel [Ltd 2] als [Ltd 7] , welke identiek zijn), en naar aanleiding van HR 15 november 2013, nr. 12\u002F01866, BNB 2014\u002F20 (r.o. 3.3) staat het voor mij niet bij voorbaat vast dat (…) [ [Ltd 7] ] objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd en subjectief vrijgesteld pensioenlichaam in de zin van artikel 5, lid 1, onderdeel b, Wet Vpb 1969. Als er sprake mocht zijn van onvoldoende objectieve vergelijkbaarheid zou het fonds in Nederland kunnen zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting, ware het alhier gevestigd. Daardoor behoort hij mogelijkerwijs niet tot de groep waarvoor de tegemoetkoming van artikel 10 Wet DB 1965 is bedoeld. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat BNB 2014\u002F20 niet alleen van toepassing is op beleggingslichamen, maar ook op andere rechtspersonen (dus ook pensioenlichamen).\n\nVanwege de expliciete beslissing van mijn voorganger [naam 7] , alsmede op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zal ik het door u ingediende bezwaar (waarvan ik aanneem dat ik deze nog per post ontvang) ditmaal gegrond verklaren en alsnog de teruggaaf van dividendbelasting verlenen (op de beschikkingsnummers: (…)).\n\nUitdrukkelijk vermeld ik hierbij dat voor de toekomst aan mijn beslissing geen rechten kunnen worden ontleend. Ten aanzien van toekomstige dividenduitdelingen kunt u derhalve geen vertrouwen meer ontlenen aan de brief van de heer [naam 7] van 10 april 2013.”\n\n2.25.. In reactie op de e-mail van [naam 8] reageert [naam 4] diezelfde dag als volgt:\n\n“Geachte heer [naam 8] , dank voor uw reactie. U geeft aan dat u per heden de brief van de heer [naam 7] intrekt. Ik wil graag op korte termijn meer inhoudelijk op dat besluit terugkomen. Voor de goede orde meld ik u dat ik van cliënt heb begrepen dat er nog posities lopen die reeds vóór vandaag zijn aangegaan en waarvan de betaalstelling van het dividend en daarmee de inhouding van dividendbelasting nog gaat plaatsvinden. U zult begrijpen dat cliënt bij het innemen van deze posities erop heeft vertrouwd dat de kwalificatie voor artikel 10 lid 3 Wet Div niet ter discussie stond. Ik neem dan ook aan dat deze posities nog conform de eerdere bevestiging van de heer [naam 7] kunnen worden afgewikkeld en dus de ten aanzien van deze posities nog in te houden dividendbelasting kan worden teruggevraagd.”\n\n2.26.. In een tweede e-mailbericht van 8 september 2015 heeft [naam 8] aan [naam 4] onder meer geschreven:\n\n“Uiteraard geldt voor de reeds lopende posities hetzelfde als ten aanzien van de onderhavige gevallen. Teruggaaf van ingehouden dividendbelasting kan in dat geval worden verleend, onder verwijzing naar de toezegging van de heer [naam 7] en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.\n\nOverigens sluit ik niet uit dat (…) [ [Ltd 7] ] in de toekomst in aanmerking blijft komen voor een teruggaaf, maar het klopt dat er in de gehele linie een herbeoordeling van pensioenachtige lichamen gaat plaatsvinden. De ‘5-1-b’-toets is in het verleden niet altijd strict genoeg aangelegd door de inspecteur, hetgeen wordt onderkend door het Ministerie. Er loopt momenteel ook een procedure inzake de objectieve vergelijkbaarheid met een ‘5-1-b’-lichaam. De inspecteur volgt hierbij de lijn uit BNB 2014\u002F20, en wordt daarbij ook gesteund door het Ministerie. De uitkomst van deze procedure zal mede bepalend zijn voor andere in derdenlanden gevestigde pensioen(achtige) lichamen.”\n\n2.27.. Op 13 oktober 2015 komt [naam 8] in de uitspraak op bezwaar volledig tegemoet aan de bezwaren van [Ltd 7] .\n\n2.28.. Op 9 februari 2016 stuurt [naam 4] een nieuw verzoek aan [naam 8] :\n\n“Geachte heer [naam 8] ,\n\nGraag vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nZoals u bekend is, is [Ltd 7] (voorheen genaamd: [Ltd 2] ) in het verleden door de Belastingdienst aangemerkt als kwalificerend lichaam als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet Div). Bij e-mail van 8 september 2015 bent u tegemoet gekomen aan het bezwaar tegen de niet-terugbetaling van de ten laste van [Ltd 7] ingehouden Nederlandse dividendbelasting. Daarbij heeft u de eerder van de Belastingdienst ontvangen goedkeuring naar de toekomst toe ingetrokken, omdat naar uw mening niet bij voorbaat zou vaststaan dat [Ltd 7] objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd en subjectief vrijgesteld pensioenlichaam in de zin van artikel 5 lid 1 onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.\n\n [Ltd 7] is een pensioenlichaam gevestigd in Canada (hierna: pensioenlichaam) en voorziet in de uitvoering van pensioenregelingen van werknemers van [Ltd 7] . Vaststaat dat het pensioenlichaam in Canada is vrijgesteld voor de winstbelasting. Een kopie van de beschikking d.d. 1 februari 2016 van de Canadese autoriteiten treft u bijgaand ten overvloede aan. Als het pensioenlichaam in Nederland zou zijn gevestigd, dan zou zij subjectief zijn vrijgesteld op grond van artikel 5 lid 1 onderdeel b Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en mitsdien in Nederland niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting.\n\nGelet op het bovenstaande verzoek ik u ermee in te stemmen dat [Ltd 7] weer gebruik kan maken van de regeling genoemd onder 10 lid 3 van de Wet op de dividendbelasting 1965, voor zover de ingehouden dividendbelasting betrekking heeft op opbrengsten uit portfolio investeringen als bedoeld in voornoemd artikel.\n\n(…)\n\nBijlagen:\n\n- Beschikking d.d. 1 februari 2016 van de Canadese autoriteiten\n\n- [Ltd 7] d.d. 1 januari 2015\n\n- Trust Agreement d.d. 4 juli 2014\n\n- Statement of Investment Policies and Procedures d.d. 4 juli 2014”\n\n2.29.. Op 19 februari 2016 stuurt [naam 8] aan [naam 4] het volgende e-mailbericht:\n\n“Geachte heer [naam 4] ,\n\nNaar aanleiding van de door u gestuurde documentatie bevestig ik u (bij uitzondering op voorhand) dat [Ltd 7] met vrucht een beroep kan doen op de teruggaaffaciliteit van artikel 10 Wet DB 1965.\n\nHet betreffende verzoek om teruggaaf zie ik gaarne tegemoet.”\n\n2.30.. Op 14 februari 2017 heeft [naam 4] contact gezocht met [naam 8] naar aanleiding van een afwijzende beschikking aan [Ltd 7] . Er zijn vervolgens diverse e-mails gewisseld. Op 15 februari 2017 heeft [naam 8] de volgende e-mail aan [naam 4] gestuurd:\n\n“Geachte heer [naam 4] ,\n\nNaar aanleiding van ons telefoontje van gisteren en de e-mail informeer ik u als volgt.\n\nMijn e-mail was van 16 februari 2016. Inderdaad spreek ik (met de kennis van toen) uit dat [Ltd 7] op grond van artikel 10 Wet DB 1965 aanspraak maakt op een teruggaaf van dividendbelasting. Ik realiseer mij dat daarin opgewekt vertrouwen besloten ligt. Hiermee zal ik in mijn uiteindelijke overweging rekening houden.\n\nVoor nu merk ik als achtergrond het volgende op. Dan begrijpt u eventueel ook waarom mijn eerder ingenomen standpunt thans niet meer zo eenduidig is.\n\nTen aanzien van de door de inspecteur te toetsen criteria en voorwaarden voor een vrijstelling van vennootschapsbelasting heeft de staatssecretaris op 17 juni 2016 naar aanleiding van een WOB-verzoek een document openbaar gemaakt over de teruggaaf van dividendbelasting aan buitenlandse pensioenfondsen (…). In een mij tot dat moment onbekend memo aan het MT Belastingdienst d.d. 16 februari 2016 (datum berust op toeval) worden vooruitlopend op een nog uit te vaardigen beleidsbesluit de voorwaarden opgesomd waar een pensioenfonds aan moet voldoen om voor een vrijstelling van vennootschapsbelasting in aanmerking te komen. Van wat ik begrepen heb ligt dit uiteindelijke beleidsbesluit momenteel ter ondertekening bij de staatssecretaris. Op grond van dit memo kom ik in beginsel tot de conclusie dat [Ltd 7] niet aan de voorwaarden voldoet.\n\n(…)\n\nAfgaande op het overgelegde pensioenplan gelden de volgende argumenten waarom het fonds in onvoldoende mate vergelijkbaar wordt geacht met een ingezeten vrijgesteld pensioenlichaam:\n\n- er bestaat geen enkele verplichting tot deelname aan de aangeboden pensioenplannen; - de deelname is slechts beperkt tot een specifieke groep medewerkers, te weten de directie; - er bestaat de mogelijkheid tot vrije uittreding uit het plan; - een deelnemer is niet verplicht om premie af te dragen; - lump-sum betalingen zijn mogelijk (iets wat hier in feite expliciet, buiten een kleine afkoop, onmogelijk is).\n\nVolgens mijn informatie is er op 4 november 2016 een verzoek tot registratie voor het digitaal indienen van een teruggaafverzoek dividendbelasting ingediend ten name van [Ltd 7] door [B] . Dit verzoek is afgewezen met als argument dat [Ltd 7] niet in voldoende mate objectief vergelijkbaar is met een ingezeten vrijgesteld pensioenlichaam in de zin van artikel 5, lid 1, onderdeel b, Wet Vpb 1969.\n\nMomenteel loopt er bij de rechtbank een procedure van een buitenlands pensioenfonds dat net als [Ltd 7] aanspraak meent te maken op een teruggaaf van dividendbelasting, waarbij aan de rechter wordt gevraagd de voorwaarden voor de vrijstelling te toetsen. Wij wachten deze uitspraak af, alvorens aan niet-ingezeten pensioen(achtige)-lichamen die niet aan de voorwaarden voldoen teruggaaf van dividendbelasting te verlenen.\n\nGraag verneem ik van u gemotiveerd waarom u van mening bent dat [Ltd 7] (en ook [bedrijf 2] ) met de kennis van nu toch aan de gestelde voorwaarden voldoet om voor een teruggaaf van dividendbelasting in aanmerking te komen. In hoeverre bent u van mening dat er bij vermeende vestiging in Nederland sprake zou zijn van een subjectieve vrijstelling van de heffing van Vpb (met inachtneming van wat de Hoge Raad heeft geoordeeld in BNB 2014\u002F20)? Ik merk hierbij overigens terzijde op dat de meeste in Canada gevestigde pensioenlichamen gewoon een teruggaaf van dividendbelasting krijgen, omdat zij wél hoofdzakelijk aan de voorwaarden voldoen die ook gelden voor ingezeten pensioenlichamen.”\n\n2.31.. Op 8 maart 2017 heeft [naam 4] de volgende e-mail aan [naam 8] gestuurd:\n\n“Geachte heer [naam 8] , ik zal separaat op uw onderstaande mail reageren . Wel zou ik het op prijs stellen als we de thans lopende claims nu kunnen afwikkelen indachtig de afstemming die ik vorig jaar met u heb gedaan. Ik verneem graag van u.”\n\n2.32.. Op 9 maart 2017 heeft [naam 8] de volgende e-mail aan [naam 4] gestuurd:\n\n“Geachte heer [naam 4] ,\n\nDe ingediende verzoeken zijn reeds per beschikking afgewezen. De enige manier waarop er dus alsnog een teruggaaf kan worden verleend is naar aanleiding van een in te dienen bezwaarschrift door of namens de betreffende belanghebbenden. In dat geval zal ik op grond van opgewekt vertrouwen de teruggaven dividendbelasting alsnog verlenen. Dit vertrouwen zeg ik in de oude hoedanigheid echter per direct op, zodat daar geen discussie meer over kan bestaan met het oog op de discussie of de betreffende lichamen in voldoende mate objectief vergelijkbaar zijn met ingezeten vrijgestelde pensioenfondsen in de zin van artikel 5, lid 1, onderdeel b, Wet Vpb 1969, waardoor zij behoren tot de groep van personen waarvoor de teruggaafregeling van artikel 10 Wet DB 1965 is bedoeld.\n\nHet verdient aanbeveling om het bezwaar direct aan mij te richten, opdat geen andere collega van mij het bezwaar in behandeling neemt (met het risico dat er niet wordt tegemoetgekomen aan het bezwaar).”\n\n2.33.. In 2019 is de inspecteur verder onderzoek gaan doen naar belanghebbende. Vervolgens zijn de in 1.1 vermelde naheffingsaanslagen opgelegd.\n\n2.34.. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\n- Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht (vraag 1)?\n\n- Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting als bedoeld in artikel 10, lid 3, Wet DB? Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende, ware hij in Nederland gevestigd, zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit (vraag 2).\n\n- Bij ontkennende beantwoording van vraag 2: staat het Unierecht aan naheffing in de weg (vraag 3)?\n\n- Is belanghebbende opbrengstgerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd (vraag 4)?\n\n- Is belanghebbende uiteindelijk gerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd (vraag 5)? Hierbij spitst het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 7, Wet DB.\n\n- Bij ontkennende beantwoording van vraag 4 of 5: is er een wettelijke grondslag voor naheffing bij belanghebbende (vraag 6)?\n\n- Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden (vraag 7)?\n\n- Is belanghebbende bezwaar- en beroepsgerechtigd ten aanzien van de overige beschikkingen (vraag 8)?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen en vernietiging van de overige beschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nVraag 1: Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft overgelegd. Belanghebbende doelt op de volgende stukken:\n\na. a) stukken die betrekking hebben op Deense procedures; en\n\nb) de bezwaren van de intermediërende banken tegen de door belanghebbende bestreden overige beschikkingen.\n\n4.2.. De inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat alle op de zaak betrekking hebbende gegevens zijn overgelegd en dat voor zover de stukken betrekking hebben op Deense procedures, al die stukken openbaar zijn.\n\n4.3.. \n\nOp grond van artikel 8:42, lid 1, Awb dient het bestuursorgaan in beginsel alle op de zaak betrekking hebbende stukken die aan dat orgaan ter beschikking staan of hebben gestaan aan de rechter over te leggen. Tot de op grond van die bepaling over te leggen stukken behoren alle stukken die het bestuursorgaan ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Artikel 8:42, lid 1, Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van het bestuursorgaan aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft als doel te waarborgen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. De rechter ziet toe op de naleving van artikel 8:42, lid 1, Awb. Indien uit het dossier blijkt dat de door het bestuursorgaan ingezonden stukken niet volledig zijn, dient de rechter het bestuursorgaan op te dragen dat verzuim te herstellen. De rechter is niet gehouden om ambtshalve onderzoek te doen naar het mogelijke bestaan van stukken die het bestuursorgaan ten onrechte niet heeft overgelegd.\n\nIndien de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door het bestuursorgaan moet worden overgelegd, dient aan dat verzoek te worden tegemoetgekomen, mits het bestaan van dat stuk aannemelijk is. Dit is slechts anders in gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 Awb en in uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht.\n\n4.4.. Het hof is van oordeel dat artikel 8:42 Awb niet is geschonden. Belanghebbende maakt tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk dat meer gegevens bestaan dan de reeds in het dossier aanwezige stukken over de Deense procedures die overigens ook openbaar zijn. Voorts zijn die stukken ook niet relevant voor de beslechting van het geschil, omdat ze, zoals belanghebbende ook zelf ter zitting heeft gesteld, slechts relevant zijn voor de vraag of sprake is van de aanwezigheid van kwade trouw of dividendstrippen. Aan de beantwoording van deze vragen komt het hof echter niet toe, gelet op het hiernavolgende. Het hof acht het bestaan van bezwaren van de intermediërende banken tegen de overige beschikkingen evenmin relevant voor de onderhavige procedure.\n\nVraag 2: Zou belanghebbende op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd?\n\n4.5.. Belanghebbende heeft op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB verzocht om teruggaaf van dividendbelasting. Voor een dergelijke teruggaaf is onder meer de voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van een lichaam dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, alhier niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan die voorwaarde is voldaan omdat hij als pensioenfonds vrijgesteld zou zijn geweest van vennootschapsbelasting als hij in Nederland was gevestigd. De inspecteur heeft dat standpunt gemotiveerd betwist. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat aan deze voorwaarde is voldaan.\n\n4.6.. Ingevolge artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb worden vrijgesteld van de belasting lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding (hierna: de verzorgingsdoelstelling). Artikel 3 Besluit vereist voorts dat de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met de verzorgingsdoelstelling van dat lichaam (hierna: de werkzaamhedentoets) en dat bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge laatstgenoemd artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang. Met de voor de toepassing van de vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen.\n\n4.7.. Het hof stelt vast dat:\n\n( i) belanghebbende via zijn Joint Account (2.4) actief deelneemt aan het economische (beurs)verkeer;\n\n(ii) belanghebbende met behulp van zijn (reverse) cash-and-carry-activiteiten, een meer dan ‘autonoom’ rendement kan creëren;\n\n(iii) belanghebbende voor het beheer van zijn vermogen relatief (zeer) hoge kosten beloopt (2.5);\n\n(iv) de voor belanghebbende aan dit vermogensbeheer gerelateerde risico’s, in het bijzonder het risico dat de dividendbelasting niet wordt teruggegeven, en de met het vermogensbeheer gegenereerde opbrengsten die van een normale, min of meer ‘passieve’ belegger aanzienlijk te boven gaan (2.7);\n\n( v) aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht één deelnemer deelneemt, het deelnemers op basis van het pensioenreglement niet is toegestaan om bij te dragen aan het pensioenfonds; de werkgever verplicht is bij te dragen aan het pensioen (2.3);\n\n(vi) de pensioenbijdrage van de werkgever in 2015, één van de jaren waarin verzocht is om teruggaaf, CAD $ 3.600 was;\n\n(vii) belanghebbende gelet op zijn posities (2.9) tot aanzienlijke bedragen over andere middelen dan premiegelden moet hebben beschikt en deze andere middelen heeft aangewend voor (reverse) cash-and-carry-activiteiten;\n\n(viii) het gebruikmaken van derivaten van effecten niet plaatsvindt in het kader van de belegging van ingelegde pensioengelden;\n\n(ix) de dividendbelasting die belanghebbende als vrijgesteld lichaam heeft geïncasseerd een veelvoud is van zijn uiteindelijke nettoresultaat (2.7, 2.10 en 1.1);\n\n( x) de samenwerkingspartner \u002F asset manager van belanghebbende, [Ltd 1] , onderdeel is van de [A-groep] , waarvan [naam 2] directeur en uiteindelijk gerechtigde is (2.6);\n\n(xi) [naam 2] ter zitting voor het hof heeft verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (2.8);\n\n(xii) Ten aanzien van [stichting] in rechte is vast komen te staan dat zij een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 Besluit (2.8).\n\n4.8.. Het hof komt op basis van deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat (ook) belanghebbende een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft, dat (ook) de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat belanghebbende niet voldoet aan de werkzaamhedentoets zoals opgenomen in artikel 3 Besluit.\n\n4.9.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het destijds geenszins duidelijk was hoe moest worden vastgesteld of een pensioenlichaam als vrijgesteld lichaam kon worden aangemerkt. Verder is de vergelijking met [stichting] wat hem betreft te makkelijk. Volgens belanghebbende is bij hem geen sprake van vreemd vermogen, terwijl dat bij [stichting] in het oudste jaar wel het geval was. Bovendien bestaat volgens belanghebbende in zijn geval geen risico dat de dividendbelasting niet voor teruggaaf in aanmerking komt, al was het maar vanwege het Unierecht, en heeft dit risico zich bij [stichting] uiteindelijk niet gemanifesteerd. Mocht de vergelijkbaarheid met [stichting] op dit punt al opgaan, dan is de toets in de procedure van [stichting] over haar ondernemerschap onjuist, althans achterhaald, althans nog immer onduidelijk, mede in Europeesrechtelijk perspectief. Belanghebbende meent dat aan het Hof van Justitie EU (hierna: HvJ) vragen dienen te worden gesteld of de wijze waarop de Hoge Raad de subjectieve vrijstelling invult moet voldoen aan de Pensioenrichtlijn, omdat het een invulling is van het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten, alsmede of de gegeven uitleg dan de juiste is. Belanghebbende wijst in dit kader ook op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 26 oktober 2021 in een procedure die is gevoerd door [stichting].\n\n4.10.. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om anders te oordelen of om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. De procedure van [stichting] bij het CBb ging over de vraag of De Nederlandsche Bank terecht boetes aan [stichting] had opgelegd vanwege vermeende overtreding van het verbod van nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pensioenwet (hierna: Pw). Dat artikel bepaalt dat een pensioenfonds slechts activiteiten verricht in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden. Het CBb heeft de opgelegde boetes vernietigd omdat volgens hem het voor [stichting] destijds niet voorzienbaar was dat de beleggingsactiviteiten zoals door haar verricht in strijd waren met artikel 116 Pw. In onderhavige procedure gaat het echter niet om de vraag of belanghebbende verboden nevenactiviteiten had, maar om de vraag of belanghebbende een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam zou zijn geweest ware hij in Nederland gevestigd. Met de voor deze vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen (4.6). Deze voorwaarden hebben daarom een andere achtergrond dan het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pw.\n\n4.11.. \n\nVoor zover belanghebbende betoogt dat hij vergelijkbaar is met andere vrijgestelde rechtspersonen, zoals bijvoorbeeld een stichting, en om die reden recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, heeft het volgende te gelden.\n\nDe teruggaafregeling van artikel 10, lid 1, Wet DB is bedoeld om de subjectieve niet‑onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting uit te breiden naar de voorheffing die de dividendbelasting is voor de (Nederlandse) vennootschapsbelasting. De doelstelling om vennootschapsbelasting noch dividendbelasting te doen drukken op dividenden, is daarmee beperkt tot bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Buitenlandse doelvermogens die daarmee vergelijkbaar zijn, hebben evenzeer recht op teruggaaf, voor zover zij geen onderneming drijven.\n\nEen buitenlands doelvermogen dat vergelijkbaar is met een stichting, heeft dus recht op teruggaaf van dividendbelasting, mits de effecten niet behoren tot het vermogen van een onderneming van het doelvermogen. Aangezien de dividendbelasting die belanghebbende terug heeft gevraagd samenhangt met opbrengsten op aandelen die behoren tot het vermogen van de (arbitrage)onderneming van belanghebbende, heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf op basis van artikel 10 Wet DB.\n\n4.12.. Vraag 2 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord.\n\nVraag 3: Staat het Unierecht aan naheffing in de weg?\n\n4.13.. Belanghebbende heeft zich ook op het standpunt gesteld dat hij op basis van het Unierecht recht heeft op teruggave van dividendbelasting. Als hij niet kwalificeert als een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam, dan zou hij vennootschapsbelastingplichtig zijn geweest indien hij in Nederland was gevestigd. Een ingezeten vennootschapsbelastingplichtig lichaam kan de geheven dividendbelasting als voorbelasting verrekenen of krijgt deze voorheffing, indien er geen vennootschapsbelasting verschuldigd is, terug. Voor een niet-ingezeten lichaam, zoals belanghebbende, is de dividendbelasting echter een eindheffing. Belanghebbende heeft in dit kader verwezen naar de prejudiciële vraag die dit gerechtshof op 14 december 2022aan het HvJ heeft gesteld in de zaak van een Engelse verzekeringsmaatschappij die ‘unit-linked-polissen’ afsloot met in het Verenigd Koninkrijk gevestigde pensioenverzekeraars en de beantwoording daarvan door het HvJ op 7 november 2024. Belanghebbende stelt dat in zijn geval de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen dividenden van Nederlandse herkomst (hierna: de Nederlandse dividenden) leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen. Dit omdat volgens belanghebbende sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen zijn (arbitrage)resultaten en het in Canada verplicht moeten doteren van het volledige resultaat aan de pensioenreserve.\n\n4.14.. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de Nederlandse dividenden voor hem als niet-ingezeten belastingplichtige zwaarder worden belast dan het geval is bij een vergelijkbare ingezeten belastingplichtige. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan die bewijslast heeft voldaan. Als belanghebbende in Nederland was gevestigd en vennootschapsbelastingplichtig was geweest, zouden de Nederlandse (bruto)dividenden onderdeel uitmaken van de belastbare winst. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij hem sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden waardoor die dividenden per saldo niet, of minder zouden worden belast, met een teruggaaf van dividendbelasting tot gevolg. Dat het resultaat van belanghebbende in Canada verplicht moet worden gedoteerd aan de pensioenreserve moge zo zijn, maar dat betekent op zichzelf bezien nog niet dat ook voor de Nederlandse fiscale winstbepaling sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden zoals in de zaak van de unit-linked verzekeraar.\n\n4.15.. Het ter zitting bij het hof gedane bewijsaanbod van belanghebbende om alsnog een zogenoemde drukvergelijking te overleggen, wijst het hof af. Belanghebbende heeft eerder in de procedure gesteld dat de drukvergelijking besloten ligt in de verplichting in Canada volledig te doteren aan de pensioenreserve en verder het gevolg is van het wettelijk systeem. Een drukvergelijking is volgens belanghebbende kennelijk om die redenen niet nodig. Dat het hof daar anders over oordeelt, neemt niet weg dat belanghebbende reeds voldoende gelegenheid heeft gehad om een drukvergelijking te overleggen. Dat de inspecteur volgens belanghebbende pas ter zitting bij het hof heeft weersproken dat de belastingdruk bij belanghebbende, in het geval geen teruggaaf wordt verleend van dividendbelasting, hoger is dan wanneer hij in Nederland aan de vennootschapsbelasting onderworpen zou zijn geweest, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het hof mocht belanghebbende er redelijkerwijs niet van uitgaan dat de inspecteur hem, zonder dat hij zelf over stukken beschikt om een drukvergelijkging te maken, zou volgen in zijn stelling dat de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen Nederlandse dividenden leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen.\n\n4.16.. Vraag 3 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord.\n\n4.17.. Door de ontkennende beantwoording van vraag 2 en 3 behoeven de vragen 4 en 5 in beginsel geen beantwoording. Belanghebbende heeft echter het standpunt ingenomen dat geen wettelijke grondslag voor naheffing bestaat indien hij niet opbrengstgerechtigde en\u002Fof uiteindelijk gerechtigde zou zijn (vraag 6). Om redenen van proceseconomie zal het hof eerst die vraag beantwoorden.\n\nVraag 6: Is er een wettelijke grondslag voor naheffing?\n\n4.18.. Het hof zal er bij de beantwoording van deze vraag veronderstellenderwijs van uitgaan dat belanghebbende geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden ten aanzien waarvan hij de dividendbelasting heeft teruggevraagd.\n\n4.19.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 20, lid 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een beperkte groep van personen en lichamen aanwijst, namelijk de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde, van wie kan worden nageheven. Belanghebbende valt niet onder die beperkte groep indien hij geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden. Indien wordt geconcludeerd dat belanghebbende ten onrechte teruggaven van dividendbelasting heeft ontvangen dan kan dat alleen civielrechtelijk worden hersteld, aldus belanghebbende.\n\n4.20.. Artikel 20 AWR luidt als volgt:\n\n“1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek (…) teruggaaf van belasting is verleend.\n\n2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegdaan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan welaan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan welteruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd (onderstreping hof).”\n\n4.21.. Het hof is van oordeel dat de tekst van artikel 20, lid 2, AWR de inspecteur de mogelijkheid biedt om bij belanghebbende na te heffen. Belanghebbende kan immers, gelet op de ontkennende beantwoording van de vragen 2 en 3, worden aangemerkt als ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’. Dat alleen kan worden nageheven van de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde volgt niet uit de tekst van artikel 20, lid 2, AWR. Dat ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’ ook een andere hoedanigheid kan hebben volgt ook uit rechtsoverweging 3.3.2 van het arrest van 14 juni 2013, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur – ook\u002Fzelfs – kan naheffen van een (btw-)fiscale eenheid die materieel niet heeft kunnen bestaan.\n\n4.22.. Vraag 6 dient bevestigend te worden beantwoord. Gelet op het voorgaande behoeven vraag 4 en 5 geen beantwoording meer.\n\nVraag 7: Heeft de inspecteur het vertrouwensbeginsel geschonden?\n\n4.23.. Belanghebbende stelt dat de inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslagen het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Hij wijst er daarbij op dat [naam 7] heeft bevestigd dat belanghebbende kwalificeert als lichaam als bedoeld in artikel 10, lid 3, Wet DB. Verder wijst belanghebbende erop dat de inspecteur, nadat twee namens [Ltd 7] ingediende verzoeken om teruggaaf waren geweigerd en [Ltd 7] tegen die weigering bezwaar had gemaakt, alsnog de gevraagde teruggaaf heeft verleend.\n\n4.24.. De inspecteur stelt allereerst dat jegens belanghebbende in het geheel geen toezeggingen zijn gedaan, omdat een volmacht van belanghebbende aan [naam 4] tot 2 september 2019 ontbreekt, en de uitlatingen tegen [naam 4] zijn gedaan. Verder stelt de inspecteur dat belanghebbende in redelijkheid niet mocht aannemen dat de beide inspecteurs kennis hadden genomen van alle vereiste bijzonderheden van het desbetreffende geval. Ten slotte stelt de inspecteur dat belanghebbende niet te goeder trouw dan wel te kwader trouw is geweest omdat [naam 4] ondanks zijn betrokkenheid bij de procedure over [stichting] de inspecteur niet heeft ingelicht over belanghebbendes activiteiten en belanghebbende wist dat er geen contact was tussen de medewerkers van de Belastingdienst die betrokken waren bij de procedure van [stichting] en de medewerkers die betrokken waren bij belanghebbende. Dat belanghebbende niet te goeder trouw was volgt volgens de inspecteur ook uit het bewust ontwijken van een aantal door de inspecteur gestelde vragen en informatie die door de FIOD met de inspecteur is gedeeld.\n\n4.25.. Belanghebbende stelt daarentegen dat het bezwaar duidelijk is ingesteld door en namens belanghebbende en dat om die reden via [naam 4] uitlatingen jegens belanghebbende zijn gedaan. Verder stelt belanghebbende dat, gelet op de omstandigheid dat in dit geval het vertrouwen is gewekt met een uitspraak op bezwaar, het op de weg van de inspecteur had gelegen om aanvullende vragen te stellen en dat in die bezwaarfase meer nodig is om het vertrouwen te doorbreken dan wat in het kader van vooroverleg het geval zou zijn. Aangezien [naam 8] , terwijl twijfels bestonden, geen aanvullende vragen heeft gesteld, brengt dit met zich dat belanghebbende redelijkerwijs mocht aannemen dat [naam 8] – die overigens specialist was – over voldoende informatie beschikte om tot zijn conclusie te komen om de teruggaven te verlenen. Belanghebbende stelt ten slotte dat het fair playbeginsel is geschonden en dat door de FIOD aan de inspecteur gestuurde informatie (meer specifiek e-mailgesprekken en de hiervoor in 4.24 vermelde ontwijking van antwoorden op door de inspecteur gestelde vragen) moet worden uitgesloten als bewijs.\n\n4.26.. Voor een geval als dit, waarin het gaat om het verlenen van teruggaven dividendbelasting aan belanghebbende na daarover inhoudelijk contact te hebben gehad met de inspecteur, geldt het volgende. Indien het gaat om als toezeggingen op te vatten expliciete uitlatingen van de inspecteur, kan belanghebbende zich onder voorwaarden met succes beroepen op het daarmee door de inspecteur gewekt vertrouwen. Daartoe is vereist dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan door de inspecteur na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval, en de belastingplichtige aan die toezeggingen het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de inspecteur in zijn geval aan wettelijke, dan wel andere door hem in acht te nemen algemene regels een bepaalde toepassing zal geven. Bovendien is voor in rechte te beschermen vertrouwen vereist dat de toezeggingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs de onjuistheid daarvan had kunnen en moeten beseffen, en daarom op nakoming van die toezegging in redelijkheid niet mocht rekenen.\n\n4.27.. Dat wat hiervoor in 4.26 is overwogen geldt niet alleen indien de inspecteur daadwerkelijk kennis heeft genomen van alle benodigde feiten en omstandigheden van het geval, maar ook indien de belastingplichtige in redelijkheid ervan mocht uitgaan dat de inspecteur kennis heeft genomen van alle feiten en omstandigheden die hij (de inspecteur) voor de door hem gedane toezegging nodig acht. Bij de beoordeling of belanghebbende hiervan in redelijkheid mocht uitgaan, is het van belang dat het op de weg ligt van belanghebbende die de inspecteur vraagt om zekerheid vooraf, ervoor te zorgen dat de inspecteur alle informatie verkrijgt waarover die belanghebbende redelijkerwijs de beschikking heeft of kan krijgen en die nodig is om deze kwestie op haar fiscale merites te kunnen beoordelen.Daaraan doet niet af dat de inspecteur op grond van artikel 3:2 Awb bij de voorbereiding van een besluit is gehouden om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren.\n\n4.28.. De inspecteur is echter niet gebonden aan een door middel van verleende teruggaven dividendbelasting gedane toezegging, en de belastingplichtige kan niet met succes een beroep doen op vertrouwen gewekt door een dergelijke toezegging, indien die belastingplichtige (i) bij het verzoek om die teruggaaf of naar aanleiding van vragen van de inspecteur om nadere inlichtingen naar aanleiding van dat verzoek, onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt dan wel de inspecteur de juiste en volledige inlichtingen daarover heeft onthouden, terwijl (ii) die belastingplichtige redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur daardoor niet in staat was het verzoek goed en volledig op zijn fiscale merites te beoordelen.\n\n4.29.. Het hof zal, gelet op het hiervoor vermelde toetsingskader, eerst de vraag beantwoorden of [naam 7] de toezegging heeft gedaan dat belanghebbende kwalificeert als een lichaam als bedoeld in artikel 10, lid 3, Wet DB na kennisneming van alle daartoe benodigde feiten en omstandigheden van het geval. Van belang daarbij is ook of belanghebbende in redelijkheid ervan mocht uitgaan dat [naam 7] kennis had genomen van alle feiten en omstandigheden die [naam 7] voor de door hem gedane toezegging nodig achtte. Het hof is van oordeel dat die beide vragen ontkennend moet worden beantwoord. Meer specifiek zijn in ieder geval de (voorgenomen) feitelijke werkzaamheden van belanghebbende, het drijven van de dividendarbitrage onderneming, niet door [naam 4] benoemd. [naam 4] , zo volgt uit zijn verzoek van 20 december 2012, heeft enerzijds expliciet kenbaar gemaakt dat belanghebbende kwalificeert onder artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb en daarom niet in Nederland belastingplichtig zou zijn, terwijl hij anderzijds zijn verzoek aan [naam 7] toespitst op ‘de juridische status’ (zie 2.12) en\u002Fof de kwalificatie van ‘lichaam’ in de zin van artikel 10, lid 3, Wet DB (zie 2.11). Dat het verzoek zich slechts beperkte tot de juridische aspecten van artikel 10, lid 3, Wet DB en niet zag op alle voorwaarden die voor het recht op teruggaaf vandividendbelasting van belang waren, vindt ook bevestiging in de omstandigheid dat met de initiële verzoeken slechts de Canadese vrijstellingsbeschikking en de registratie van de pensioenfondsen is meegestuurd. [naam 7] beschikte ook niet over jaarcijfers waaruit hij zelf had kunnen opmaken wat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende waren. Het lag op de weg van belanghebbende om de informatie waar de stelling op stoelde dat hij kwalificeerde onder artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb, aan de inspecteur voor te leggen. Dat heeft belanghebbende nagelaten.\n\n4.30.. Vervolgens komt het hof tot het oordeel dat ook de uitlatingen van [naam 8] geen gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt. Het hof stelt in dat kader voorop dat, gelet op het verzoek van [naam 8] van 7 september 2015 om onder andere de recente jaarcijfers, ook [naam 8] nog niet over de informatie beschikte waaruit hij zou kunnen opmaken wat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende waren. Door in het contact met [naam 8] expliciet te verwijzen naar de afstemming met [naam 7] en naar de eerdere naamswijziging van belanghebbende als reden voor het afwijzen van het verzoek, zonder [naam 8] de noodzakelijke informatie te verstrekken om zelfstandig te beoordelen of belanghebbende was vrijgesteld als hij in Nederland zou zijn gevestigd, is ook [naam 8] niet bekend kunnen worden met alle voor de toezegging relevante feiten en omstandigheden. De twijfel van [naam 8] beperkte zich tot de vraag of belanghebbende objectief vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd en subjectief vrijgesteld pensioenlichaam in de zin van artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb en aan die twijfel kan geen vertrouwen worden ontleend ten aanzien van de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende. Dat [naam 8] niet veel meer dan de twee identieke pensioenplannen (van [Ltd 2] uit het verzoek ten tijde van [naam 7] en van belanghebbende na de latere naamswijziging) en de overgelegde (juridische) stukken heeft beoordeeld volgt ook expliciet uit zijn e-mail van 8 september 2015 (zie 2.24). De twijfel van [naam 8] was in eerste instantie gestoeld op de gelijkluidende reden van afwijzing van het verzoek (zie 2.24). Hoewel op [naam 8] (en overigens ook [naam 7] ) een onderzoeksplicht rust, mocht [naam 8] er in beginsel vanuit gaan dat de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende, die zich presenteerde als pensioenfonds, ook in lijn waren met de activiteiten van een pensioenfonds, (ook) mede in het licht van belanghebbendes niet-onderbouwde stelling dat hij kwalificeerde onder artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb. Naar het oordeel van het hof was [naam 8] gelet op deze omstandigheden niet gehouden om zelfstandig onderzoek te doen naar de feitelijke werkzaamheden van belanghebbende. Hoewel belanghebbende zich richting [naam 8] (en daarvoor richting [naam 7] ) presenteerde als pensioenfonds, dreef hij in feite een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming. Door [naam 8] hierover niet te informeren, heeft belanghebbende er niet voor gezorgd dat de inspecteur alle informatie heeft verkregen die nodig is om het verzoek op haar fiscale merites te kunnen beoordelen. [naam 4] had, gelet op al het voorgaande en mede gelet op zijn hoedanigheid van belastingadviseur, naar het oordeel van het hof redelijkerwijs moeten weten dat [naam 8] slechts met het in reikwijdte beperkte initiële verzoek en de beperkt overgelegde juridische documenten niet in staat was de desbetreffende kwestie, namelijk of recht bestond op teruggaaf van dividendbelasting, goed en volledig op haar fiscale merites te beoordelen. Het hof vindt voor het voorgaande oordeel steun in de omstandigheid dat [naam 4] in februari 2016 namens [Ltd 7] een nieuw teruggaafverzoek heeft ingediend waarbij i) wederom geen jaarcijfers zijn meegestuurd, ii) niets over de activiteiten is vermeld en iii) is gesteld dat belanghebbende kwalificeert onder artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb. Dit terwijl [naam 4] in ieder geval bij de zitting van de rechtbank van [stichting] aanwezig was geweest en ook die rechtbank al oordeelde dat [stichting] niet aan één van de voorwaarden die volgde uit artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb had voldaan en het hof aannemelijk acht dat [naam 4] ook van de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 18 juni 2015op de hoogte moet zijn gebracht.\n\n4.31.. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is geen sprake geweest van schending van het vertrouwensbeginsel.\n\nVraag 8: Is belanghebbende bezwaar- en beroepsgerechtigd ten aanzien van de overige beschikkingen?\n\n4.32.. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ten aanzien van de overige beschikkingen bezwaar- en beroepsgerechtigd is zoals bedoeld in artikel 26a AWR. De inspecteur betwist dit.\n\n4.33.. Het hof volgt belanghebbende in zijn standpunt en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.33.1.. De banken hebben namens belanghebbende dividendbelasting teruggevraagd op basis van de bijzondere regeling voor grote gemachtigden als bedoeld in artikel 3 van het besluit van 25 januari 2012, nr. DGB2012\u002F20M.Aan deze bijzondere regeling zijn voorwaarden verbonden, waaronder de volgende: ‘i.De gemachtigde gaat – ongeacht de mogelijkheid tot verhaal op de gerechtigden – onvoorwaardelijk akkoord met terugbetaling aan de Belastingdienst\u002FKantoor Buitenland van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende teruggaven.’\n\n4.33.2.. .De overige beschikkingen zijn het gevolg van het feit dat de banken akkoord zijn gegaan met deze voorwaarde.\n\n4.33.3.. Volgens de inspecteur betreffen de overige beschikkingen naheffingsaanslagen dividendbelasting en zijn deze aan de banken opgelegd op grond van de doelmatigheidsbepaling als opgenomen in artikel 64 AWR in samenhang met de bijzondere regeling voor grote gemachtigden als hiervoor genoemd. De inspecteur heeft daarnaast ter behoud van rechten naheffingsaanslagen dividendbelasting opgelegd aan belanghebbende en [Ltd 7] .\n\n4.33.4.. Artikel 26a, lid 2, AWR bepaalt dat het beroep mede kan worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.\n\n4.33.5.. In zijn arrest van 11 augustus 2017overwoog de Hoge Raad als volgt:\n\n“2.3.2. Blijkens de wetsgeschiedenis – zoals weergegeven in de onderdelen 4.26 tot en met 4.35 van de conclusie van de Advocaat-Generaal – is artikel 64 AWR opgenomen als een doelmatigheidsbepaling, gericht op efficiënte afwikkeling van een materiële belastingschuld. Uit die wetsgeschiedenis volgt ook dat de toepassing van artikel 64 AWR niet mag leiden tot vermindering van de rechtsbescherming die ingevolge deze wet moet worden geboden.2.3.3.. Dit brengt mee dat ook degene wiens materiële belastingschuld is geformaliseerd door middel van een belastingaanslag die met een beroep op artikel 64 AWR is opgelegd aan een ander, de mogelijkheid moet hebben die aanslag aan het oordeel van de belastingrechter te onderwerpen, zonder enige beperking die hem niet zou kunnen worden tegengeworpen indien de aanslag aan hemzelf was opgelegd.2.3.4.. Die mogelijkheid kan degene wiens materiële belastingschuld het betreft bij de onderhavige heffing worden geboden door toepassing van artikel 26a, lid 2, AWR. Terecht klaagt het eerste onderdeel van het middel erover dat het Hof belanghebbende niet op grond van deze bepaling als beroepsgerechtigde heeft aangemerkt. De wetsgeschiedenis bevat, anders dan het Hof heeft overwogen, onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de wetgever bij de invoering van het huidige lid 2 van artikel 26a AWR uitsluitend het oog heeft gehad op de gevallen waarin een inkomens- of vermogensbestanddeel voor de heffing van inkomstenbelasting (destijds: inkomstenbelasting of vermogensbelasting) bij een ander dan de rechthebbende in de heffing wordt betrokken.”\n\n4.33.6.. De overige beschikkingen zien op de materiële belastingschuld van belanghebbende en [Ltd 7] . De inspecteur heeft deze materiële belastingschuld met een beroep op artikel 64 AWR geformaliseerd door de beschikkingen (ook) aan de banken te geven. De Hoge Raad oordeelt in het hierboven aangehaalde arrest expliciet dat artikel 26a AWR niet is beperkt tot gevallen waarin een inkomens- of vermogensbestanddeel voor de heffing van inkomstenbelasting bij een ander dan de rechthebbende in de heffing wordt betrokken.\n\n4.34.. Het hof is dan ook van oordeel dat de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de overige beschikkingen, die als aan de banken opgelegde naheffingsaanslagen zijn aan te merken, ten onrechte nietontvankelijk heeft verklaard. Tot een gegrond hoger beroep kan dit echter niet leiden. In de zaken van belanghebbende met betrekking tot de in 1.1 genoemde naheffingsaanslagen is het hof tot het oordeel gekomen dat deze belastingaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De naheffingsaanslagen die aan de banken zijn opgelegd hebben betrekking op dezelfde materiële belastingschuld van belanghebbende. De inspecteur had de bezwaren van belanghebbende tegen de overige beschikkingen dan ook ongegrond moeten verklaren in plaats van nietontvankelijk. Niet valt in te zien echter welk belang belanghebbende heeft bij het corrigeren van het dictum in de uitspraken op bezwaar. De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar die zien op de overige beschikkingen, wat er ook zij van de gebezigde gronden, terecht ongegrond verklaard.\n\nTussenconclusie\n\n4.35.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.36.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\n- verklaart het hoger beroep ongegrond;\n\n- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nS.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3142.\n\n Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2122 (hierna ook: het arrest van 23 september 2016).\n\n Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1670, r.o. 2.2.1-2.2.3.\n\n Zie r.o. 2.3.3. van het arrest van 23 september 2016.\n\n CBb 26 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:961.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471.\n\n HvJ EU 7 november 2024, ECLI:EU:C:2024:932.\n\n Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4020, r.o. 3.3.2.\n\n Vergelijk Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675, r.o. 4.5.2.\n\n Vergelijk artikel 4:2, lid 2, Awb.\n\n Vergelijk Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675, r.o. 4.5.3.\n\n Vergelijk Hoge Raad 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675, r.o. 4.5.4.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2015:3142.\n\n Staatscourant 2012-2668.\n\n ECLI:NL:HR:2017:1608.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1262","2026-05-19T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:45.293Z",{"id":58,"ecli":59,"slug":60,"caseNumber":42,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":61,"summary":42,"language":7,"source":52,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":54,"parsedAt":55,"updatedAt":63},"1269","ECLI:NL:GHSHE:2026:1261","ecli-nl-ghshe-2026-1261","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 25\u002F170\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 23 januari 2025, nummer BRE 24\u002F1720, in het geding tussen de inspecteur en\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] (Canada), met gekozen domicilie in [plaats] ,\n\nhierna: belanghebbende.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft een naheffingsaanslag dividendbelasting over het jaar 2014 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.\n\n1.6.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [naam 1] , als gemachtigde van belanghebbende, ter bijstand vergezeld door [gemachtigde 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .\n\nOp deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24\u002F1888 tot en met 24\u002F1194 en 24\u002F1220 tot en met 24\u002F1236.\n\n1.7.. De inspecteur heeft tijdens de zitting exemplaren van een pleitnota overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende (voorheen genaamd [belangheb.] ) is een naar Canadees recht door [Ltd 8] (hierna: [Ltd 8] ) ingestelde trust. Volgens een bestuursbesluit van [Ltd 8] van 1 maart 2013 is belanghebbende ingesteld om een pensioenregeling te treffen voor haar werknemers.\n\n2.2.. Belanghebbende is door de Canadese fiscale autoriteiten met ingang van 1 januari 2013 aangemerkt als geregistreerd pensioenfonds. Conform de bepalingen van het Canadese recht is belanghebbende vrijgesteld van belastingheffing naar het inkomen in de periode waarin hij is aan te merken als een geregistreerd pensioenfonds.\n\n2.3.. Aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht neemt één deelnemer, te weten [persoon] , deel. Op basis van het pensioenreglement is het deelnemers niet toegestaan om bij te dragen aan het pensioen. De werkgever draagt verplicht bij aan het pensioen.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft op 1 september 2014 een ‘Profit Share and Cooperation agreement’ (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten met [Ltd 6] . Hierin is onder meer het volgende opgenomen (waarbij belanghebbende als [belangheb.] is aangeduid):\n\n“\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n(…)\n\n”\n\n2.5.. De Samenwerkingsovereenkomst is namens [Ltd 6] . ondertekend door [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [Ltd 6] . was in 2014 een dochtervennootschap van [C BV] en maakte onderdeel uit van de zogenoemde [A-groep] . [naam 2] is de uiteindelijk gerechtigde van de [A-groep] .\n\n2.6.. Het eigen vermogen van belanghebbende bedroeg op 1 januari 2015 CAD $ 93.759 en op 31 december 2015 CAD $ 135.145. Belanghebbende heeft in 2015 een resultaat behaald van CAD $ 39.374 dat in de winst- en verliesrekening over 2015 als volgt is gespecificeerd (bedragen in CAD $):\n\n2.7.. De balans van belanghebbende per ultimo 2015 is als volgt (bedragen in CAD $):\n\n2.8.. Tijdens de zitting van het hof heeft [naam 2] verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (hierna: [stichting] ). [stichting] heeft een fiscale procedure gevoerd waarin de vraag centraal stond of zij als pensioenfonds vrijgesteld is van vennootschapsbelasting. Het gerechtshof Amsterdam heeft die vraag ontkennend beantwoord en onder meer geoordeeld dat [stichting] een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) van het Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971 (hierna: het Besluit). Het door [stichting] tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad ongegrond verklaard.\n\n2.9.. Belanghebbende hield in 2014 een rekening aan bij [Ltd 5] (hierna: [Ltd 5] ), gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. Belanghebbende hield op deze rekening uitsluitend long posities in aandelen met daartegenover short posities in derivaten. Tot de gedingstukken behoort een afschrift van de rekening bij [Ltd 5] van 12 november 2014 waaruit een sinds 4 november 2014 opgebouwde long positie in Duitse aandelen volgt van € 175.792.081,92.\n\n2.10.. Belanghebbende heeft op 11 november 2014 1.000.000 aandelen [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) gekocht. De settlement date van de transactie is 13 november 2014. Op 12 november 2014 heeft belanghebbende 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] gekocht. De settlement date van die transactie is 14 november 2014.\n\n2.11.. Vervolgens heeft belanghebbende op 11 november 2014 respectievelijk 12 november 2014 futures die zien op 1.000.000 respectievelijk 1.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht.\n\n2.12.. De record date, de datum die bepalend is voor de uitkering van dividenden, van de aandelen [bedrijf 4] was op 14 november 2014. Voor de 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] ontving belanghebbende op 22 december 2014 € 885.301,56 dividend waarop € 132.796,23 dividendbelasting is ingehouden.\n\n2.13.. Op 9 december 2014 heeft belanghebbende 2.312.700 aandelen [bedrijf 4] verkocht.\n\n2.14.. Belanghebbende heeft verder op 6 november 2014 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] gekocht. Op diezelfde datum is belanghebbende een price return swap overeengekomen ten aanzien van hetzelfde aantal aandelen [bedrijf 5] .\n\n2.15.. De record date van de aandelen [bedrijf 5] was op 7 november 2014. Voor de 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] ontving belanghebbende op 10 december 2014 een dividend van € 512.829 waarop € 76.924,35 dividendbelasting is ingehouden.\n\n2.16.. Belanghebbende heeft 1.799.400 aandelen [bedrijf 5] op 9 december 2014 verkocht. Op diezelfde datum is de price return swap afgewikkeld.\n\n2.17.. Belanghebbende heeft op 12 oktober 2015 verzocht om teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting op de dividenden die hij op 22 december 2014 van [bedrijf 4] , respectievelijk op 10 december 2014 van [bedrijf 5] had ontvangen. De inspecteur heeft naar aanleiding van dat verzoek op 13 januari 2016 een teruggaaf dividendbelasting van € 209.720,58 verleend.\n\n2.18.. Vervolgens heeft de inspecteur, naar aanleiding van aan belanghebbende gestelde vragen, aanleiding gezien een naheffingsaanslag dividendbelasting voor het jaar 2014 op te leggen (hierna: de naheffingsaanslag). De naheffingsaanslag is opgelegd op 20 december 2021 en bestaat uit € 209.720,58 nageheven dividendbelasting, vermeerderd met € 43.380 belastingrente (hierna: de rentebeschikking).\n\n2.19.. Het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking heeft de inspecteur ongegrond verklaard.\n\n2.20.. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag en de rentebeschikking vernietigd.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\n- Heeft belanghebbende recht op teruggaaf van dividendbelasting als bedoeld in artikel 10, lid 3, Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB)? Het geschil spitst zich in dit verband toe op de vraag of belanghebbende, ware hij in Nederland gevestigd, zou zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit (vraag 1).\n\n- Bij ontkennende beantwoording van vraag 1: staat het Unierecht aan naheffing in de weg (vraag 2)?\n\n- Is belanghebbende opbrengstgerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd (vraag 3)?\n\n- Is belanghebbende uiteindelijk gerechtigde met betrekking tot de dividenden waarvan hij dividendbelasting heeft teruggevraagd (vraag 4)? Bij deze vraag spitst het geschil zich toe op de vraag of belanghebbende niet als uiteindelijk gerechtigde wordt aangemerkt gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 7, Wet DB (tekst 2014).\n\n- Bij ontkennende beantwoording van vraag 3 of 4: is er een wettelijke grondslag voor naheffing (vraag 5)?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de rechtbank ingestelde beroep.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nVraag 1: Zou belanghebbende op grond van artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb in samenhang gelezen met artikel 3 Besluit zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting indien hij in Nederland was gevestigd?\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op grond van artikel 10, lid 3, Wet DB verzocht om teruggaaf van dividendbelasting. Voor een dergelijke teruggaaf is onder meer de voorwaarde gesteld dat sprake moet zijn van een lichaam dat, ware het in Nederland gevestigd geweest, alhier niet aan de heffing van vennootschapsbelasting zou zijn onderworpen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan die voorwaarde is voldaan omdat hij als pensioenfonds vrijgesteld zou zijn geweest van vennootschapsbelasting als hij in Nederland was gevestigd. Volgens belanghebbende verricht hij tezamen met [Ltd 6] . dividendarbitrage-activiteiten door middel van zogenoemde (reverse) cash-and-carry-transacties. De inspecteur heeft dat standpunt gemotiveerd betwist. De inspecteur is van mening dat belanghebbende dividendbelastingarbitrage-activiteiten verricht. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat aan deze voorwaarde is voldaan.\n\n4.2.. Ingevolge artikel 5, lid 1, letter b, Wet Vpb worden vrijgesteld van de belasting lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten, dan wel partners en gewezen partners en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt, een en ander door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling of van uitkeringen krachtens een regeling voor vervroegde uittreding (hierna: de verzorgingsdoelstelling). Artikel 3 Besluit vereist voorts dat de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming zijn met de verzorgingsdoelstelling van dat lichaam (hierna: de werkzaamhedentoets) en dat bovendien de winst, behoudens een uitkering tot ten hoogste vijf percent per jaar over het gestorte kapitaal of over de inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ingevolge laatstgenoemd artikel vrijgesteld lichaam, of een algemeen maatschappelijk belang. Met de voor de toepassing van de vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen.\n\n4.3.. \n\nHet hof stelt vast dat:\n\n(i) belanghebbende via zijn Joint Account (2.4) actief deelneemt aan het economische (beurs)verkeer;\n\n(ii) belanghebbende met behulp van zijn (reverse) cash-and-carry-activiteiten, een meer dan ‘autonoom’ rendement kan creëren (2.4, 2.6 en 2.7);\n\n(iii) belanghebbende voor het beheer van zijn vermogen relatief (zeer) hoge kosten beloopt (2.6);\n\n(iv) de voor belanghebbende aan dit vermogensbeheer gerelateerde risico’s, in het bijzonder het risico dat de dividendbelasting niet wordt teruggegeven, en met het vermogensbeheer gegenereerde opbrengsten die van een normale, min of meer ‘passieve’ belegger aanzienlijk te boven gaan (2.6 en 2.7);\n\n(v) aan de pensioenregeling die bij belanghebbende is ondergebracht één deelnemer deelneemt, het deelnemers op basis van het pensioenreglement niet is toegestaan om bij te dragen aan het pensioenfonds; de werkgever is verplicht bij te dragen aan het pensioen (2.3);\n\n(vi) de pensioenbijdrage van de werkgever in 2015, het jaar van het verzoek om teruggaaf, CAD $ 5.400 was;\n\n(vii) belanghebbende gelet op zijn posities (2.9) tot aanzienlijke bedragen over andere middelen dan premiegelden moet hebben beschikt en deze andere middelen heeft aangewend voor (reverse) cash-and-carry-activiteiten;\n\n(viii) het gebruikmaken van derivaten van effecten niet plaatsvindt in het kader van de belegging van ingelegde pensioengelden;\n\n(ix) de dividendbelasting die belanghebbende als vrijgesteld lichaam heeft geïncasseerd een veelvoud is van zijn uiteindelijke nettoresultaat (2.6 en 2.17);\n\n(x) De samenwerkingspartner \u002F asset manager van belanghebbende, [Ltd 9] , onderdeel is van de [A-groep] , waarvan [naam 2] directeur en uiteindelijk gerechtigde is (2.8);\n\n(xi) [naam 2] ter zitting voor het hof heeft verklaard dat de activiteiten van belanghebbende dezelfde zijn als die van [stichting] (2.8);\n\n(xii) Ten aanzien van [stichting] in rechte is vast komen te staan dat zij een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft en dat de doelstelling van [stichting] niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat zij niet voldeed aan de eisen van artikel 3 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid1495d46b8cb594b5a9d62539d6cd34ac) Besluit (2.8).\n\n4.4.. Het hof komt op basis van deze vaststellingen, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat (ook) belanghebbende een commerciële\u002Fprofessionele effectenhandel en arbitrageonderneming drijft, dat (ook) de doelstelling van belanghebbende niet (nagenoeg) uitsluitend die van een pensioenfonds was en dat belanghebbende niet voldoet aan de werkzaamhedentoets zoals opgenomen in artikel 3 Besluit.\n\n4.5.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het destijds geenszins duidelijk was hoe moest worden vastgesteld of een pensioenlichaam als vrijgesteld lichaam kon worden aangemerkt. Verder is de vergelijking met [stichting] wat haar betreft te makkelijk. Volgens belanghebbende is bij hem geen sprake van vreemd vermogen, terwijl dat bij [stichting] in het oudste jaar wel het geval was. Bovendien bestaat volgens belanghebbende in zijn geval geen risico dat de dividendbelasting niet voor teruggaaf in aanmerking komt, al was het maar vanwege het Unierecht, en heeft dit risico zich bij [stichting] uiteindelijk niet gemanifesteerd. Mocht de vergelijkbaarheid met [stichting] op dit punt al opgaan, dan is de toets in de procedure van [stichting] over haar ondernemerschap onjuist, althans achterhaald, althans nog immer onduidelijk, mede in Europeesrechtelijk perspectief. Belanghebbende meent dat aan het Hof van Justitie EU (hierna: HvJ) vragen dienen te worden gesteld of de wijze waarop de Hoge Raad de subjectieve vrijstelling invult moet voldoen aan de Pensioenrichtlijn, omdat het een invulling is van het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten, alsmede of de gegeven uitleg dan de juiste is. Belanghebbende wijst in dit kader ook op een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 26 oktober 2021 in een procedure die is gevoerd door [stichting].\n\n4.6.. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden om anders te oordelen of om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen. De procedure van [stichting] bij het CBb ging over de vraag of De Nederlandsche Bank terecht boetes aan [stichting] had opgelegd vanwege vermeende overtreding van het verbod van nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pensioenwet (hierna: Pw). Dat artikel bepaalt dat een pensioenfonds slechts activiteiten verricht in verband met pensioen en werkzaamheden die daarmee verband houden. Het CBb heeft de opgelegde boetes vernietigd omdat volgens hem het voor [stichting] destijds niet voorzienbaar was dat de beleggingsactiviteiten zoals door haar verricht in strijd waren met artikel 116 Pw. In onderhavige procedure gaat het echter niet om de vraag of belanghebbende verboden nevenactiviteiten had, maar om de vraag of belanghebbende een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam zou zijn geweest ware hij in Nederland gevestigd. Met de voor deze vrijstelling gestelde voorwaarden is beoogd concurrentieverstoring met andere ondernemingen als gevolg van de vrijstelling te voorkomen (4.2). Deze voorwaarden hebben daarom een andere achtergrond dan het verbod voor pensioenfondsen op nevenactiviteiten zoals bepaald in artikel 116 Pw.\n\n4.7.. \n\nVoor zover belanghebbende betoogt dat hij vergelijkbaar is met andere vrijgestelde rechtspersonen, zoals bijvoorbeeld een stichting, en om die reden recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting, heeft het volgende te gelden.\n\nDe teruggaafregeling van artikel 10, lid 1, Wet DB is bedoeld om de subjectieve niet‑onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting uit te breiden naar de voorheffing die de dividendbelasting is voor de (Nederlandse) vennootschapsbelasting. De doelstelling om vennootschapsbelasting noch dividendbelasting te doen drukken op dividenden, is daarmee beperkt tot bepaalde rechtspersonen, die door de aard van hun activiteiten of de bestemming van de daarmee behaalde winst zijn uitgezonderd van onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting. Buitenlandse doelvermogens die daarmee vergelijkbaar zijn, hebben evenzeer recht op teruggaaf, voor zover zij geen onderneming drijven. Tot andere lichamen strekt de bedoeling van deze bepaling niet.\n\nEen buitenlands doelvermogen dat vergelijkbaar is met een stichting, heeft dus recht op teruggaaf van dividendbelasting, mits de effecten niet behoren tot het vermogen van een onderneming van het doelvermogen. Aangezien de aandelen waarop belanghebbende de opbrengst terugvraagt behoren tot het vermogen van de (arbitrage)onderneming van belanghebbende heeft belanghebbende geen recht op teruggaaf op basis van artikel 10 Wet DB.\n\n4.8.. Vraag 1 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord. Gelet hierop komt het hof toe aan behandeling van vraag 2.\n\nVraag 2: Staat het Unierecht aan naheffing in de weg?\n\n4.9.. Belanghebbende heeft zich ook op het standpunt gesteld dat hij op basis van het Unierecht recht heeft op teruggave van dividendbelasting. Als hij niet kwalificeert als een van vennootschapsbelasting vrijgesteld pensioenlichaam, dan zou hij vennootschapsbelastingplichtig zijn geweest indien hij in Nederland was gevestigd. Een ingezeten vennootschapsbelastingplichtig lichaam kan de geheven dividendbelasting als voorbelasting verrekenen of krijgt deze voorheffing, indien er geen vennootschapsbelasting verschuldigd is, terug. Voor een niet-ingezeten lichaam, zoals belanghebbende, is de dividendbelasting echter een eindheffing. Belanghebbende heeft in dit kader verwezen naar de prejudiciële vraag die dit gerechtshof op 14 december 2022aan het HvJ heeft gesteld in de zaak van een Engelse verzekeringsmaatschappij die ‘unit-linked-polissen’ afsloot met grote in het Verenigd Koninkrijk gevestigde pensioenverzekeraars en de beantwoording daarvan door het HvJ op 7 november 2024. Belanghebbende stelt dat in zijn geval de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen dividenden van Nederlandse herkomst (hierna: de Nederlandse dividenden) leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen. Dit omdat volgens belanghebbende sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen zijn (arbitrage)resultaten en het in Canada verplicht moeten doteren van het volledige resultaat aan de pensioenreserve.\n\n4.10.. Het hof stelt voorop dat op belanghebbende de last rust te bewijzen dat de Nederlandse dividenden voor hem als niet-ingezeten belastingplichtige zwaarder worden belast dan het geval is bij een vergelijkbare ingezeten belastingplichtige. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan die bewijslast heeft voldaan. Als belanghebbende in Nederland was gevestigd en vennootschapsbelastingplichtig was geweest, zouden de Nederlandse (bruto)dividenden onderdeel uitmaken van de belastbare winst. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij hem sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden waardoor die dividenden per saldo niet, of minder zouden worden belast, met een teruggaaf van dividendbelasting tot gevolg. Dat het resultaat van belanghebbende in Canada verplicht moet worden gedoteerd aan de pensioenreserve moge zo zijn, maar dat betekent op zichzelf bezien nog niet dat voor de Nederlandse fiscale winstbepaling sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden zoals in de zaak van de unit-linked verzekeraar.\n\n4.11.. Het ter zitting bij het hof gedane bewijsaanbod van belanghebbende om alsnog een zogenoemde drukvergelijking te overleggen, wijst het hof af. Belanghebbende heeft eerder in de procedure gesteld dat de drukvergelijking besloten ligt in de verplichting in Canada volledig te doteren aan de pensioenreserve en verder het gevolg is van het wettelijk systeem. Een drukvergelijking is volgens belanghebbende kennelijk om die redenen niet nodig. Dat het hof daar anders over oordeelt, neemt niet weg dat belanghebbende reeds voldoende gelegenheid heeft gehad om een drukvergelijking te overleggen. Dat de inspecteur volgens belanghebbende pas ter zitting bij het hof heeft weersproken dat de belastingdruk bij belanghebbende, in het geval geen teruggaaf wordt verleend van dividendbelasting, hoger is dan wanneer hij in Nederland aan de vennootschapsbelasting onderworpen zou zijn geweest, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van het hof mocht belanghebbende er redelijkerwijs niet van uitgaan dat de inspecteur hem, zonder dat deze zelf over stukken beschikt om een drukvergelijkging te maken, zou volgen in zijn stelling dat de heffing van dividendbelasting over door hem ontvangen Nederlandse dividenden leidt tot een zwaardere belastingheffing dan die waaraan met belanghebbende vergelijkbare, vennootschapsbelastingplichtige lichamen, worden onderworpen.\n\n4.12.. Vraag 2 dient gelet op het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord.\n\n4.13.. Door de ontkennende beantwoording van vraag 1 en 2 behoeven de vragen 3 en 4 in beginsel geen beantwoording. Belanghebbende heeft echter het standpunt ingenomen dat geen wettelijke grondslag voor naheffing bestaat indien hij niet opbrengstgerechtigde en\u002Fof uiteindelijk gerechtigde zou zijn (vraag 5). Om redenen van proceseconomie zal het hof eerst die vraag beantwoorden.\n\nVraag 5: Is er een wettelijke grondslag voor naheffing?\n\n4.14.. Het hof zal er bij de beantwoording van deze vraag veronderstellenderwijs van uitgaan dat belanghebbende geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden ten aanzien waarvan hij de dividendbelasting heeft teruggevraagd.\n\n4.15.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 20, lid 2, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een beperkte groep van personen en lichamen aanwijst, namelijk de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde, van wie kan worden nageheven. Belanghebbende valt niet onder die beperkte groep indien hij geen opbrengst- en uiteindelijk gerechtigde is van de dividenden. Indien wordt geconcludeerd dat belanghebbende ten onrechte teruggaven van dividendbelasting heeft ontvangen dan kan dat alleen civielrechtelijk worden hersteld, aldus belanghebbende.\n\n4.16.. Artikel 20 AWR luidt als volgt:\n\n“1. Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek (…) teruggaaf van belasting is verleend.\n\n2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegdaan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan welaan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan welteruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd (onderstreping hof).”\n\n4.17.. Het hof is van oordeel dat de tekst van artikel 20, lid 2, AWR de inspecteur de mogelijkheid biedt om bij belanghebbende na te heffen. Belanghebbende kan immers, gelet op de ontkennende beantwoording van de vragen 1 en 2, worden aangemerkt als ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’. Dat alleen kan worden nageheven van de belastingplichtige, de inhoudingsplichtige of een ‘schuldige’ derde volgt niet uit de tekst van artikel 20, lid 2, AWR. Dat ‘degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend’ ook een andere hoedanigheid kan hebben volgt ook uit rechtsoverweging 3.3.2 van het arrest van 14 juni 2013, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de inspecteur – ook\u002Fzelfs – kan naheffen van een (btw-)fiscale eenheid die materieel niet heeft kunnen bestaan.\n\n4.18.. Vraag 5 dient bevestigend te worden beantwoord. Gelet op het voorgaande behoeven vraag 3 en 4 geen beantwoording meer.\n\nTussenconclusie\n\n4.19.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.20.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nS.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Gerechtshof Amsterdam 18 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:3142.\n\n Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2122 (hierna ook: het arrest van 23 september 2016).\n\n Zie r.o. 2.3.3. van het arrest van 23 september 2016.\n\n CBb 26 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:961.\n\n Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2097, r.o. 3.1.3.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 december 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:4471.\n\n HvJ EU 7 november 2024, ECLI:EU:C:2024:932.\n\n Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4020.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1261","2026-07-13T00:29:13.066Z",{"id":65,"ecli":66,"slug":67,"caseNumber":42,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":68,"summary":42,"language":7,"source":52,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":55,"updatedAt":70},"1535","ECLI:NL:GHSHE:2026:1277","ecli-nl-ghshe-2026-1277","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F320\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur,\n\nen het incidentele hoger beroep van\n\n [belanghebbende] B.V. (voorheen: [SA 1] ),\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 januari 2024, nummer BRE 23\u002F1332, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [naam 1] en haar gemachtigde [gemachtigde] , ter bijstand vergezeld door [naam 4] en [naam 3] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 4] en [inspecteur 3] .\n\n1.7.. Beide partijen hebben tijdens de zitting pleitnota’s voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van vier bij de pleitnota van de inspecteur behorende bijlagen.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\nStructuur\n\n2.1.. Belanghebbende is op 20 oktober 1998 is in het kader van een herstructurering van de [A-groep] naar Luxemburgs recht opgericht onder de naam [SA 1] en is op 27 december 2019 grensoverschrijdend omgezet naar de rechtsvorm van een Nederlandse besloten vennootschap. Belanghebbende was in 2014 gevestigd in Luxemburg. In 2014 werden de aandelen in belanghebbende gehouden door [SPF 1] , gevestigd in Luxemburg en werden de aandelen in [SPF 1] gehouden door [naam aandeelhouder] (hierna: ook de UBO ), woonachtig in België. In 2014 was het Luxemburgse SPF-regime van toepassing op [SPF 1] , waardoor zij niet onderworpen was aan Luxemburgse vennootschaps- en dividendbelasting. Het Luxemburgse SPF-regime vereist dat door het betrokken lichaam geen enkele economische activiteit wordt uitgeoefend. Voordat het SPF-regime op [SPF 1] van toepassing werd was het Luxemburgse 1929-regime van toepassing. Hierdoor was [SPF 1] vrijgesteld van vennootschaps- en dividendbelasting. Belanghebbende was tot aan haar zetelverplaatsing fiscaal inwoner van Luxemburg en onderworpen aan Luxemburgse vennootschaps- en vermogensbelasting.\n\n2.2.. Belanghebbende hield in 2014 alle aandelen in (onder meer) [B.V. 1] en [B.V. 2] , beide gevestigd in Nederland. [B.V. 1] is op 28 april 1998 opgericht en [B.V. 2] is op 20 december 2013 opgericht. [naam aandeelhouder] is bestuurder van deze vennootschappen. De [A-groep] houdt zich met name bezig met leegstands- en vastgoedbeheer en is actief (geweest) in 7 landen: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk, Ierland en Luxemburg.\n\n2.3.. Het voorgaande kan schematisch als volgt worden weergegeven:\n\n2.4.. Op 31 december 2013 heeft [B.V. 2] drie vennootschappen van belanghebbende gekocht. De totale koopsom bedroeg € 22.246.000 en is door [B.V. 2] schuldig gebleven.\n\n2.5.. Op 2 januari 2014 heeft [B.V. 1] een aantal deelnemingen verkocht aan [B.V. 2] De totale koopsom bedroeg € 24.166.002 en is door [B.V. 2] schuldig gebleven.\n\n2.6.. Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 1] besloten tot een dividenduitkering aan belanghebbende van € 19.000.000 (hierna: de dividenduitkering).\n\nTransacties in 2014\n\n2.7.. Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 1] € 19.000.000 van haar vordering op [B.V. 2] aan belanghebbende gecedeerd. De koopprijs is door belanghebbende schuldig gebleven.\n\n2.8.. Eveneens op 6 mei 2014 is een ‘set off agreement’ tot stand gekomen tussen [B.V. 1] en belanghebbende. Op basis van deze overeenkomst is de vordering van [B.V. 1] op belanghebbende uit hoofde van de onder 2.5. beschreven transactie verrekend met de vordering van belanghebbende op [B.V. 1] als gevolg van de dividenduitkering.\n\n2.9.. Op 6 mei 2014 heeft [B.V. 2] 100.000 aandelen met een nominale waarde van € 1 uitgegeven aan belanghebbende. Belanghebbende heeft vervolgens haar vordering op [B.V. 2] van € 22.246.000 als agio gestort op deze aandelen.\n\n2.10.. Op 15 mei 2014 heeft (onder meer) [B.V. 2] een financieringsovereenkomst met een bank ( [bank] ) getekend voor kredietfaciliteiten tot een totaalbedrag van € 15.500.000. Blijkens de getekende offerte had de kredietfaciliteit voor een bedrag van € 15.000.000 tot doel een dividenduitkering dan wel terugbetaling van aandelenkapitaal door [B.V. 2] te financieren.\n\nBestuur en activiteiten\n\n2.11.. Belanghebbende werd tot aan de zetelverplaatsing naar Nederland bestuurd door drie vertegenwoordigers van een trustmaatschappij. Tot en met 2013 was dit de trustmaatschappij [SA 2] . Deze maatschappij werkte op basis van een vaste prijsafspraak voor zowel de domicilie, bestuurs- en administratiewerkzaamheden. De jaarlijkse vergoeding voor deze werkzaamheden bedroeg € 3.750 (exclusief omzetbelasting).\n\n2.12.. Met ingang van 2014 heeft [SA 3] de taken van [SA 2] overgenomen. Contractueel is [SA 3] belast met de volgende taken: (1) het ter beschikking stellen van bestuurders, (ii) het voeren van de boekhouding en (iii) het vaststellen van de jaarrekening. De jaarlijkse bestuurdersvergoeding bedraagt € 1.000 per bestuurder, de jaarlijkse vergoeding voor de boekhouding bedraagt € 1.000 en de vergoeding voor het vaststellen van de jaarrekening bedraagt jaarlijks € 1.200.\n\n2.13.. Belanghebbende heeft geen personeel op de loonlijst staan. Er zijn ook geen loonkosten in de administratie verantwoord.\n\n2.14.. Belanghebbende beschikt niet over een eigen kantoorruimte in Luxemburg.\n\n2.15.. Belanghebbende heeft op 1 januari 2013 zes leningen verstrekt aan zes verschillende groepsvennootschappen, allemaal met een looptijd van 60 maanden en tegen een rente van 3% per jaar.\n\n2.16.. In 2014 vond één aandeelhoudersvergadering plaats in Luxemburg. Tijdens die vergadering is besloten om de jaarrekening 2013 van belanghebbende goed te keuren en decharge te verlenen voor de bestuurders en accountant van belanghebbende.\n\n2.17.. In 2014 vond één directievergadering van belanghebbende plaats in Luxemburg waarin werd besloten tot de agiostorting (zie 2.7.) en de ‘set-off agreement’ (zie 2.6.).\n\n2.18.. In 2014 hebben geen andere vergaderingen plaatsgevonden.\n\n2.19.. Het commerciële resultaat van belanghebbende in de jaren 2013 tot en met 2016 bestond uit dividendinkomsten, financiële basten\u002Flasten in verband met geldverstrekkingen en uitgaven in verband met de werkzaamheden die worden uitgevoerd door de trustmaatschappijen, door accountskantoren en door notarissen.\n\n2.20.. Belanghebbende had in 2014 de volgende kosten (in EUR):\n\nBoekenonderzoek [B.V. 1]2.21.. Bij [B.V. 1] en een aantal van haar deelnemingen heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar de aanvaardbaarheid van de aangifte vennootschapsbelasting voor 2012 en de aangiften omzetbelasting en loonheffing over de tijdvakken in de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013. Dit onderzoek is later uitgebreid naar (deels) de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015 voor wat betreft omzetbelastingaspecten van IT support en credit cards (integrale steekproef). Van de bevindingen van het boekenonderzoek is een controlerapport opgemaakt met dagtekening 23 januari 2017. In het controlerapport is een vermogensvergelijking opgenomen voor de jaren 2012, 2013 en 2014. De dividenduitkering van € 19.000.000 is in deze vermogensvergelijking opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’ waar een bedrag staat vermeld van € 18.943.192.\n\n2.22.. Op 27 juli 2017 heeft de inspecteur van gemachtigde een verzoek om vooroverleg inzake de remigratie van de UBO ontvangen.\n\n2.23.. Bij brief van 25 januari 2018 heeft de inspecteur [B.V. 2] verzocht om informatie te verstrekken met betrekking tot de afhandeling van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2014 en 2015 van [B.V. 2] Daarop is op 28 maart 2018 gereageerd. Daaropvolgend zijn nog een aantal informatieverzoeken aan [B.V. 2] gestuurd.\n\n2.24.. Bij e-mail van 27 juli 2018 heeft de inspecteur met betrekking tot de afhandeling van de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van [B.V. 1] informatie verzocht over de dividenduitkering van € 19.000.000. [B.V. 1] heeft vervolgens informatie aan de inspecteur verstrekt.\n\n2.25.. De inspecteur heeft bij brief van 16 januari 2019 een informatieverzoek aan belanghebbende gestuurd en daarin zijn voornemen kenbaar gemaakt om de belastingplicht van belanghebbende voor de vennootschapsbelasting te gaan onderzoeken.\n\nE-mailcorrespondentie augustus 2016\n\n2.26.. Tot de gedingstukken behoort de volgende e-mailcorrespondentie uit augustus 2016 tussen [naam 5] (finance controller van [B.V. 1] ), [naam 6] en [naam 7] (twee trustbestuurders van belanghebbende) en [naam 8] (CFO van zowel [B.V. 1] en [B.V. 2] ).\n\nEen e-mail van 2 augustus 2016 van [naam 5] gericht aan [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] :\n\n“[…] Today [SA 1] will receice a payment from [B] of € 1.373.715 euro (ref Bridge loan) tot [SA 1]\n\nCould you please make a payment from [SA 1] to [B.V. 1] reference Bridge loan ( [bank] account […] of € 1.370.000.\n\nPlease arrange an urgent payment.\n\n@ [naam 8] ,\n\nPlease approve the payment above. (…)”\n\nWaarop [naam 8] aan allen reageert:\n\n“(..) I advice you to carry out payments as set out below by [naam 5] .”\n\nTransacties en activiteiten na dividenduitkering\n\n2.27.. \n [naam aandeelhouder] heeft in 2018 zijn aandelen in [SPF 1] geschonken aan zijn minderjarige kinderen. Daaropvolgend is hij samen met zijn minderjarige kinderen geremigreerd naar Nederland.\n\n2.28.. \n [SPF 1] is evenals belanghebbende in 2019 omgezet naar een Nederlandse besloten vennootschap.\n\n2.29.. In 2020, 2022 en 2023 hebben terugbetalingen van kapitaal plaatsgevonden. Deze terugbetalingen leverden voor de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geen belastbaar feit voor de minderjarige kinderen omdat zij, als gevolg van de schenking en immigratie, recht hebben op een step-up naar de waarde in het economisch verkeer.\n\nAanslagregeling\n\n2.30.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 geen aangifte vennootschapsbelasting ingediend. Belanghebbende is daartoe ook niet uitgenodigd. Er is geen definitieve aanslag opgelegd aan belanghebbende.\n\n2.31.. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslag de dividenduitkering in aanmerking genomen als belastbaar inkomen uit een aanmerkelijk belang op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb). De navorderingsaanslag is gedagtekend 30 november 2019.\n\n2.32.. \n\nDe navorderingsaanslag is vastgesteld naar een belastbare winst (tevens belastbaar bedrag) van € 19.000.000 en een verschuldigde belasting van € 475.000. Tevens is bij beschikking € 171.277 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.\n\n2.33.. De rechtbank heeft geoordeeld dat inspecteur beschikt over een nieuw feit op grond waarvan de navorderingsaanslag kan worden opgelegd en het beroep op het vertrouwensbeginsel afgewezen. Verder heeft de rechtbank de navorderingaanslag en de rentebeschikking vernietigd omdat zij van oordeel is dat de dividenduitkering niet bij belanghebbende belastbaar is op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb?\n\nIs sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt (incidenteel hoger beroep belanghebbende)?\n\nIs sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel? (incidenteel hoger beroep belanghebbende)\n\n3.2.. De inspecteur beantwoordt de eerste en tweede vraag bevestigend en de laatste vraag ontkennend en concludeert tot handhaving van de navorderingsaanslag en rentebeschikking. Belanghebbende is de tegengestelde mening toegedaan.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n1. Is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb?\n\nWettelijk kader\n\n4.1.. Ingevolge het bepaalde in artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb (tekst vanaf 1 januari 2012) behoort tot het Nederlandse inkomen: het belastbare inkomen uit een aanmerkelijk belang in de zin van hoofdstuk 4 Wet IB 2001 in een in Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een vrijgestelde beleggingsinstelling, indien de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt met als voornaamste doel of een van de voornaamste doelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (hierna ook: de subjectieve voorwaarde) en dit aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming (hierna ook: de ondernemingstoets).\n\n4.2.. \n\nMet ingang van 1 januari 2016 is artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in overeenstemming gebracht met de algemene antimisbruikbepaling van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijnzoals laatst gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2015\u002F121 van de Raad van 27 januari 2015. Daarbij is in de subjectieve voorwaarde de terminologie “het voornaamste doel of een van de voornaamste doelen” vervangen door “het hoofddoel of een van de hoofddoelen”. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.Tevens is de ondernemingstoets komen te vervallen en in de tekst vervangen door de voorwaarde dat er sprake is van een kunstmatige constructie of reeks van constructies waarbij:\n\n1° een constructie uit verscheidene stappen of onderdelen kan bestaan;\n\n2° een constructie of reeks van constructies als kunstmatig wordt beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (hierna ook: de objectieve voorwaarde).\n\nDe arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 en 18 juli 2025\n\n4.3.. In de rechtsoverwegingen 4.5.1. tot en met 4.6.6. van zijn arresten van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:668 en 669 (hierna: de arresten van 25 april 2025), heeft de Hoge Raad uiteengezet hoe artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb moet worden uitgelegd en toegepast in het licht van de moeder-dochterrichtlijn en de in dat verband gewezen rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van recht, met inbegrip van de daarbij geldende regels over stelplicht en bewijslast, een en ander zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.6 van die arresten. De betreffende overwegingen luiden als volgt:\n\n“Bestanddelen van misbruik van Unierecht4.4.1. Die rechtspraak van het Hof van Justitie houdt met betrekking tot het begrip misbruik van Unierecht in dat daarvoor enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden is vereist waaruit blijkt dat – in weerwil van de formele naleving van de door regels van Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) opgelegde voorwaarden – het door die regels beoogde doel niet werd bereikt (hierna ook: het doelvereiste). Anderzijds is tevens een subjectief element vereist, namelijk de bedoeling om een door het Unierecht (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.9\n\n4.4.2. Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie moet de vraag of de hiervoor in 4.4.1 bedoelde bestanddelen van misbruik van Unierecht (het doelvereiste en het subjectieve element) aanwezig zijn, worden beantwoord aan de hand van een onderzoek van alle feiten en omstandigheden van het geval. In het bijzonder moet in elk concreet geval de desbetreffende structuur in haar geheel worden onderzocht om te bezien of belastingplichtigen enkel formele of kunstmatige transacties hebben verricht waarvoor geen economische en commerciële rechtvaardiging bestaat, met als voornaamste doel wederrechtelijk een voordeel te verkrijgen.10\n\n4.4.3. Een concern – begrepen als: een groepering van vennootschappen met (een) gemeenschappelijke achterliggende aandeelhouder(s) – kan als een kunstmatige constructie worden beschouwd indien het (i) niet is opgericht om redenen die de economische realiteit weerspiegelen, (ii) een zuiver formele structuur heeft en (iii) als voornaamste doel of een van zijn voornaamste doelen heeft een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van de toepasselijke belastingwetgeving ondermijnt. Zo’n kunstmatige constructie doet zich met name voor wanneer de belastingheffing over dividenden wordt ontgaan doordat aan de concernstructuur een doorstroomvennootschap wordt toegevoegd tussen de vennootschap die de dividenden uitkeert en de uiteindelijk gerechtigde tot deze dividenden.11\n\nAanwijzingen voor misbruik van Unierecht\n\n4.4.4. De rechtspraak van het Hof van Justitie over misbruik van Unierecht houdt verder in dat een dergelijk misbruik kan worden vastgesteld aan de hand van een reeks aanwijzingen, voor zover deze objectief zijn en onderling overeenstemmen.12 Aan het arrest T Danmark zijn de hierna in 4.4.5 en 4.4.6 bij wijze van voorbeeld omschreven aanwijzingen te ontlenen voor de aanwezigheid van misbruik van Unierecht met behulp van een kunstmatige constructie zoals hiervoor in 4.4.3 bedoeld.\n\n4.4.5. Een aanwijzing dat het in het geval van een concern gaat om een kunstmatige constructie, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het concern zich bedient van een vennootschap die als doorstroomvennootschap fungeert. Een doorstroomvennootschap is een vennootschap die zich uitsluitend bezighoudt met het ontvangen van dividenden en de doorbetaling daarvan aan de uiteindelijk gerechtigde tot die dividenden of aan (een) andere doorstroomvennootschap(pen). Ook indien de vennootschap die de uitgekeerde dividenden heeft ontvangen, wel andere activiteiten ontplooit, kan het gaan om een kunstmatige constructie. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze vennootschap de dividenden zeer snel na de ontvangst ervan, eventueel onder een andere titel, volledig of nagenoeg volledig doorsluist naar of moet doorbetalen aan een of meer entiteiten die niet aan de toepassingsvoorwaarden van de moeder-dochterrichtlijn voldoet respectievelijk voldoen.13\n\n4.4.6. Aanwijzingen voor het bestaan van een kunstmatige constructie als hiervoor in 4.4.3 bedoeld, kunnen verder worden gevonden in het ontbreken van een daadwerkelijke economische activiteit bij de vennootschap die de dividenden ontvangt. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van alle relevante gegevens betreffende met name het beheer van die vennootschap, haar boekhoudkundige balans, haar kostenstructuur en de werkelijk gemaakte kosten, haar werknemers, alsook haar kantoren en uitrusting. Verdere aanwijzingen kunnen zijn gelegen in het bij de dividend ontvangende vennootschap ontbreken van de bevoegdheid om vanuit economisch oogpunt vrij over de ontvangen dividenden te beschikken, of in het feit dat deze vennootschap in wezen niet het recht heeft op het gebruik en genot van die dividenden, ook al rust op haar geen dergelijke contractuele of wettelijke verplichting.14\n\nBestanddelen van misbruik ‘vertaald’ naar artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet\n\n4.5.1. Het hiervoor in 4.4.1 omschreven subjectieve element van misbruik van Unierecht bevat de bestanddelen van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, dat wil zeggen zowel de subjectieve voorwaarde dat het hoofddoel of een van de hoofddoelen van het houden van het aanmerkelijk belang is om belastingheffing bij een ander te ontgaan, als de objectieve voorwaarde dat sprake is van een constructie of reeks van constructies die als kunstmatig wordt beschouwd. Voor de uitleg en toepassing van die bepaling in overeenstemming met het Unierecht moet daarom aan deze beide voorwaarden tezamen op een zodanige wijze inhoud worden gegeven, dat daaraan slechts wordt voldaan indien dit subjectieve element van misbruik van recht aanwezig is.\n\n4.5.2. Bij de hiervoor in 4.5.1 bedoelde uitleg en toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet moet in de regel worden aangenomen dat tevens is voldaan aan het andere Unierechtelijke vereiste voor misbruik, namelijk het doelvereiste. Dit vereiste houdt in dat uit het geheel van objectieve omstandigheden van het geval blijkt dat het door de desbetreffende Unierechtelijke regeling (in dit geval: de moeder-dochterrichtlijn) beoogde doel niet wordt bereikt door (ook) in het aan de orde zijnde geval het in die richtlijn voorziene belastingvoordeel toe te kennen. Op dit punt zijn doel en strekking van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet gelijk aan die van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn.15\n\nBewijslast ter zake van misbruik\n\n4.6.1. Het is op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie aan de inspecteur om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de bestanddelen van misbruik van recht (in dit geval: van de moeder-dochterrichtlijn) aanwezig zijn. Tot die bestanddelen behoort het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element.16 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt verder dat de belastingplichtige daartegenover de gelegenheid moet hebben om bewijs te leveren dat meebrengt dat van misbruik geen sprake is.17 Die gelegenheid moet betrekking hebben op beide aspecten van het hiervoor in 4.4.1 bedoelde subjectieve element van misbruik, dus zowel op de bedoeling om een door het Unierecht toegekend fiscaal voordeel te verkrijgen, als op het kunstmatige karakter van de structuur waarmee de voorwaarden zijn gecreëerd waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.\n\n4.6.2. Aan de bewijslast met betrekking tot de subjectieve en de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet – als bestanddelen van het subjectieve element van misbruik van Unierecht – moet daarom inhoud worden gegeven doordat de inspecteur feiten en omstandigheden moet stellen, en in geval van betwisting aannemelijk moet maken, waaruit een reeks objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen voortvloeit als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, die wijzen op misbruik van recht. De vaststelling dat zo’n reeks aanwijzingen zich voordoet, brengt, behoudens door de belastingplichtige geleverd tegenbewijs als hiervoor in 4.6.1 bedoeld, mee dat het gaat om misbruik van recht.18\n\n4.6.3. Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan zijn dat zich geen van de situaties voordoet die in de totstandkomingsgeschiedenis van de objectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet zijn genoemd als “geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen”19. Het gaat dan om de situatie dat de buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap rechtstreeks houdt (i) geen materiële onderneming drijft tot het vermogen waarvan het aanmerkelijk belang functioneel behoort, en (ii) niet een wezenlijke functie ten dienste van de bedrijfsuitoefening van het concern vervult, en (iii) evenmin een schakelfunctie – tussen de bedrijfsmatige activiteiten of hoofdkantooractiviteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van haar kleindochtervennootschap(pen) – vervult én voldoende zogenoemde substance (bedrijfseconomische aanwezigheid) heeft. Dergelijke omstandigheden kunnen erop wijzen dat de desbetreffende buitenlandse vennootschap een doorstroomvennootschap is als hiervoor in 4.4.5 bedoeld. De aanwezigheid van zo’n doorstroomvennootschap kan – maar hoeft niet – een relevante, objectieve aanwijzing voor misbruik van recht (te) vormen.\n\n4.6.4. Een aanwijzing voor misbruik van recht als hiervoor in 4.4.4 bedoeld, kan verder worden gevonden binnen het kader van de subjectieve voorwaarde van artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, indien de achterliggende aandeelhouder(s) van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap (die het aanmerkelijk belang in de in Nederland gevestigde vennootschap rechtstreeks houdt), meer Nederlandse inkomstenbelasting of dividendbelasting zou(den) zijn verschuldigd zonder tussenkomst van de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap, dus wanneer dividenduitkeringen door de Nederlandse vennootschap rechtstreeks aan die achterliggende aandeelhouder(s) zouden zijn gedaan (de wegdenkgedachte).20\n\n4.6.5. Indien de hiervoor in 4.6.3 en 4.6.4 bedoelde aanwijzingen aanwezig zijn, kan op grond daarvan – behoudens tegenbewijs – worden aangenomen dat de tussengeschakelde buitenlandse vennootschap die het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap (middellijk) houdt, een doorstroomvennootschap is waarmee misbruik van recht wordt gepleegd.\n\n4.6.6. Het hiervoor in 4.6.2 bedoelde tegenbewijs kan worden geleverd door feiten en omstandigheden te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, en in aanvulling in zoverre op hetgeen over het tegenbewijs is overwogen in rechtsoverweging 2.6.7 van het arrest van 10 januari 2020, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van de buitenlandse vennootschap(pen) niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de toepasselijke belastingwetgeving (in dit geval: artikel 17, lid 3, letter b, van de Wet, zoals uitgelegd in overeenstemming met de moeder-dochterrichtlijn).21\n\nOnder vermelding van de volgende voetnoten:\n\n9. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 97 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.\n\n10. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 98 en de aldaar aangehaalde rechtspraak.\n\n11. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 100.\n\n12. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 114.\n\n13. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 101,103 en 104.\n\n14. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 104 en 105.\n\n15. Vgl. Richtlijn (EU) 2015\u002F121 van de Raad van 27 januari 2015, tot wijziging van Richtlijn 2011\u002F96\u002FEU (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002FopenCitation\u002Fid29cea53a04404bd28dfb282cebef5422)betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten,PbEU2015, L 21\u002F1, preambule onder 5.\n\n16. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punten 117 en 118.\n\n17. Vgl. HvJ 20 december 2017, Deister Holding AG en Juhler Holding A\u002FS, gevoegde zaken C504\u002F16 en C613\u002F16, ECLI:EU:C:2017:1009 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid5fe095b4327149bab2d9eb938e4d6c6a), punt 70, en HvJ 7 september 2017, Eqiom SAS en Enka SA, C-6\u002F16,ECLI:EU:C:2017:641 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid8b5d8ca06eda41e89cec1aff0e4837ae), punt 36, alsmede HR 10 januari 2020,ECLI:NL:HR:2020:21 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.5.\n\n18. Vgl. HvJ 26 februari 2019, T Danmark en Y Denmark Aps, gevoegde zaken C-116\u002F16 en C-117\u002F16, ECLI:EU:C:2019:135 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid1c35c034acb0409fa6900ae36e6730e6), punt 99, alsmede HR 10 januari 2020,ECLI:NL:HR:2020:21 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.7.\n\n19. Vgl. Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 306, nr. 3 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-34306-3.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 9, enKamerstukken II 2015\u002F16, 34 306, nr. 6 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-34306-6.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 7.\n\n20. Vgl. Kamerstukken II 2011\u002F12, 33 003, nr. 10 (https:\u002F\u002Fzoek.officielebekendmakingen.nl\u002Fkst-33003-10.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust), blz. 93-94, en HR 10 januari 2020,ECLI:NL:HR:2020:21 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fida22ea6acb914495eb4c9d254a017751e), rechtsoverweging 2.6.2, eerste alinea.\n\n21. Vgl. HvJ 3 april 2025, “Nordcurrent group” UAB, C-228\u002F24, ECLI:EU:C:2025:239 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fidf6a96399bc3c4a8e87c675f41e9f0b8f), punten 52 tot en met 54.”\n\n4.4.. In zijn arresten van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1162 en 1163 over Belgische houdstervennootschappen (hierna: de 18 juli-arresten) heeft de Hoge Raad aan dit toetsingskader toegevoegddat de vraag of sprake is van een concern dat als een kunstmatige constructie kan worden beschouwd als omschreven in rechtsoverweging 4.4.3 van de arresten van 25 april 2025, moet worden beantwoord aan de hand van een onderzoek dat niet is beperkt tot de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van het opzetten van de constructie. Gelet op de context van artikel 1, leden 2 en 3, van de moeder-dochterrichtlijn kan namelijk niet worden uitgesloten dat een constructie die aanvankelijk is opgezet om zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, vanaf een bepaald moment als kunstmatig moet worden beschouwd omdat die constructie ondanks een wijziging in de omstandigheden in stand is gehouden. Daarom kunnen bij de beoordeling of de constructie kunstmatig is, mede feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die zich voordoen of hebben voorgedaan na de totstandkoming van de constructie.\n\nHet toetsingskader toegepast op onderhavig geval\n\n4.5.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ten tijde van de dividenduitkering een aanmerkelijk belang hield in [B.V. 1] , dat [B.V. 1] ten tijde van de dividenduitkering in Nederland was gevestigd, en dat [B.V. 1] geen vrijgestelde beleggingsinstelling was. Het geschil spitst zich daarom enkel toe op de vraag of in dit geval sprake is van misbruik van Unierecht.\n\n4.6.. Het toetsingskader zoals uiteengezet door de Hoge Raad brengt mee dat het in eerste instantie aan de inspecteur is om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat het aanmerkelijk belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting of dividendbelasting bij een ander te ontgaan (de subjectieve voorwaarde) en dat het aanmerkelijk belang niet behoort tot het vermogen van een onderneming (de ondernemingstoets). Indien de inspecteur in die bewijslast slaagt, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn.\n\nDe subjectieve voorwaarde\n\n4.7.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval is voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat als belanghebbende en [SPF 1] uit de structuur worden weggedacht, Nederland 15% dividend- en\u002Fof inkomstenbelasting had kunnen heffen over de dividenduitkering.\n\n4.8.. Belanghebbende erkent dat op basis van alleen de wegdenkgedachte in principe wordt voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Belanghebbende stelt echter dat zij ook de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren en stelt zich op het standpunt dat op basis van het door haar geleverde tegenbewijs niet aan de subjectieve voorwaarde wordt voldaan.\n\n4.9.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur aan de hand van de wegdenkgedachte aan zijn initiële bewijslast heeft voldaan aannemelijk te maken dat aan de subjectieve voorwaarde is voldaan. Indien [B.V. 1] de dividenduitkering rechtstreeks had gedaan aan [naam aandeelhouder] zou de dividenduitkering zijn onderworpen aan 15% dividendbelasting en 15% inkomstenbelasting, terwijl met belanghebbende in de structuur er geen Nederlandse belastingheffing is over de dividenduitkering. De stelling van belanghebbende dat zij de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te leveren dat niet aan de subjectieve voorwaarde is voldaan, is gelet op het hiervoor beschreven toetsingskader juist. Het hof zal hetgeen belanghebbende in dit kader heeft aangevoerd behandelen onder het kopje ‘tegenbewijs’.\n\nDe ondernemingstoets\n\n4.10.. Uit de wetsgeschiedenisvolgt dat de wetgever met de ondernemingstoets voor ogen heeft gestaan dat wordt nagegaan of de belastingplichtige het aanmerkelijk belang houdt als belegging, dat wil zeggen met het oog op het verkrijgen van een rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. Als dat het geval is, is niet aan de ondernemingstoets voldaan. Daarnaast geldt niet als zelfstandig vereiste dat de belastingplichtige een onderneming drijft.Van het houden van een aandelenbelang als belegging kan in elk geval niet worden gesproken (a) indien de onderneming van het lichaam waarin wordt deelgenomen in het verlengde ligt van de onderneming van de belastingplichtige, (b) indien de belastingplichtige een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van een groep, of (c) indien en voor zover de belastingplichtige als participatiemaatschappij belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep.Indien zich geen van deze situaties voordoet, vormt dit een aanwijzing voor misbruik van recht.\n\n4.11.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de ondernemingstoets wordt voldaan omdat (i) belanghebbende geen onderneming drijft, (ii) belanghebbende niet beschikt(e) over (relevante) substance), (iii) belanghebbende zich niet heeft bemoeid met het beleid en activiteiten van haar dochtervennootschappen, (iv) de ondernemingsactiviteiten van [B.V. 1] niet in het verlengde liggen van belanghebbende, (v) belanghebbende geen wezenlijke functie vervult (c.q. vervulde) ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep; en (vi) belanghebbende geen rol als (actieve) participatiemaatschappij vervult (c.q. vervulde).\n\n4.12.. Belanghebbende drijft geen onderneming en is geen participatiemaatschappij die belangen houdt in een of meer lichamen die niet middellijk of onmiddellijk beleggen, zonder dat sprake is van een houdsterfunctie binnen een groep. Belanghebbende heeft dit, naar het oordeel van het hof terecht, niet betwist.\n\nIs belanghebbende een tophoudster of een tussenhoudster met een wezenlijke functie?\n\n4.13.. Wel stelt belanghebbende dat ze een houdstervennootschap is die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep omdat ze een actieve financieringsfunctie heeft binnen de groep. Zij verstrekt geldleningen aan gelieerde maatschappijen en draagt in dat kader ook de economische risico’s van haar financieringsfunctie. Zij vervult deze rol al sinds 1998 zodat van gekunsteldheid geen sprake kan zijn, aldus belanghebbende.\n\n4.14.. Indien sprake is van een tophoudster die op grond van haar activiteiten op bestuurlijk, beleidsvormend en\u002Fof financieel terrein een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, zal deze tophoudster de aandelen niet als belegging houden. Indien sprake is van een tussenhoudster die door een schakelfunctie een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de moedervennootschap en de activiteiten van de kleindochtervennootschap legt, kan deze tussenhoudster worden geacht een wezenlijke functie ten dienste van de groep te vervullen. De tussenhoudster vervult ook een schakelfunctie als de moedervennootschap een tophoudster is, die een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep, en de tussenhoudster een deelneming heeft in een lichaam dat een (actieve) onderneming drijft.\n\n4.15.. De inspecteur heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat belanghebbende geen tophoudster of tussenhoudster met een wezenlijke functie is het volgende aangevoerd:\n\n( i) Belanghebbende beschikte vanaf het moment van oprichting (1998) tot aan het moment van de dividenduitkering (2014) niet over (relevante) substance. Zo stond er in het jaar van de dividenduitkering geen personeel op de loonlijst. Hetzelfde geldt voor de daaraan voorafgaande jaren, althans uit niets kan het tegendeel worden afgeleid. Voorts zijn desgevraagd geen bewijzen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende – op enig moment – de (vrije) beschikking(smacht) heeft gehad over een kantoorruimte. In lijn hiermee ligt dat de inspecteur geen huur- of andere huisvestingskosten is tegengekomen in de stukken. Dat belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft gehad over een kantoorruimte kan ook niet worden afgeleid uit de ‘Domiciliation Agreement’, zoals door belanghebbende werd betoogd ter zitting bij de rechtbank. Die overeenkomst regelt (slechts) het formele vestigingsadres.\n\n( ii) Ook [SPF 1] (enig aandeelhouder in belanghebbende) beschikte in die periode niet over (relevante) substance. Het Luxemburgse SPF-regime verbiedt zelfs dat door een SPF-lichaam economische activiteiten worden uitgeoefend, hoe gering ook (in casu relevant vanaf 2011).\n\n( iii) Belanghebbendes formele (trust)bestuur beschikte over een beperkt mandaat.\n\nDe drie formele bestuurders van belanghebbende ontvingen een marginale vergoeding. In totaal hooguit € 3.000 per jaar. Reeds hierdoor is het niet aannemelijk dat belanghebbende enige invloed heeft gehad op het rendement van [B.V. 1] , zijnde de vennootschap die het dividend uitkeerde. Zulks geldt te meer omdat belanghebbende toen ook geen personeel op de loonlijst had staan. In werkelijkheid handelde belanghebbende volgens de inspecteur daarentegen in opdracht van de UBO dan wel de directie van de dochtervennootschappen, waarbij vaststaat dat de UBO de enig bestuurder van de relevante dochtervennootschappen was. Illustratief in dat kader is de e-mail van 2 augustus 2016 (zie 2.24.). Indachtig het voorgaande is het evenmin aannemelijk dat belanghebbende (meer dan bijkomstige) invloed heeft gehad op de voorwaarden inzake de door haar verstrekte leningen aan de dochtervennootschappen. De inspecteur wijst er in dit verband op dat de leningen die belanghebbende op 1 januari 2013 heeft verstrekt aan haar dochtervennootschappen hetzelfde rentepercentage hebben (3%), terwijl aan zes verschillende binnenlandse en buitenlandse dochtervennootschappen een lening is verstrekt waarbij de hoofdsom varieert van € 500.000 tot 7,5 miljoen euro.\n\n4.16.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende geen tophoudster is of een tussenhoudster met een wezenlijke functie binnen de groep. De enkele omstandigheid dat belanghebbende al sinds 1998 geldleningen aan gelieerde maatschappijen verstrekt en zij daarmee economisch risico loopt is in het licht van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot de conclusie te komen dat belanghebbende een actieve financieringsfunctie heeft binnen de groep en zij daarom als tussenhoudster een wezenlijke functie vervult ten dienste van de bedrijfsuitoefening van de groep.\n\nTussenconclusie misbruik van Unierecht\n\n4.17.. Gelet op de oordelen in 4.9 en 4.16. heeft de inspecteur aan zijn initiële bewijslast voldaan aannemelijk te maken dat aan zowel de subjectieve als objectieve voorwaarde wordt voldaan. Dit brengt mee dat moet worden aangenomen dat in dit geval in beginsel tevens is voldaan aan het doelvereiste.\n\nTegenbewijs\n\n4.18.. Aangezien de inspecteur in zijn initiële bewijslast is geslaagd, dient belanghebbende de gelegenheid te krijgen feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die erop wijzen (i) hetzij, dat voor de tussenschakeling van belanghebbende geldige zakelijke redenen bestaan die de economische realiteit weerspiegelen, zodat die tussenschakeling niet een kunstmatige constructie oplevert die geen verband houdt met de economische realiteit, (ii) hetzij, dat – ondanks het ontbreken van zakelijke redenen als hiervoor bedoeld – de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel ondermijnt van de moeder-dochterrichtlijn.\n\n4.19.. Het hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd er niet in is geslaagd dit tegenbewijs te leveren. Hierbij overweegt het hof het volgende.\n\n4.19.1. Belanghebbende heeft aangevoerd dat aan de transacties die in 2014 hebben plaatsgevonden zakelijk overwegingen ten grondslag lagen, namelijk verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] . Belanghebbende wijst daarbij op de agiostorting in [B.V. 2] . In de gestelde verbetering van de eigen vermogenspositie van [B.V. 2] in combinatie met het verkrijgen van een lening van [bank] ziet het hof echter geen reden voor de tussenschakeling van belanghebbende. De agiostorting heeft geen direct verband met de dividenduitkering door [B.V. 1] , maar met de eerdere verkoop van drie deelnemingen door belanghebbende aan [B.V. 2] , getuige de exact corresponderende bedragen. De agiostorting biedt dus ook geen verklaring voor de tussenschakeling van belanghebbende ten opzichte van [B.V. 1] , waarvan het dividend is verkregen. Volledigheidshalve merkt het hof op dat de rechtshandelingen zoals beschreven in 2.5 tot en met 2.8 (waarbij de schuld van [B.V. 1] van € 19.000.000 als gevolg van de dividenduitkering aan belanghebbende uiteindelijk tenietgaat) evenmin aannemelijk maken dat een zakelijke reden bestond voor de tussenschakeling van belanghebbende. De vermogens- of liquiditeitspositie is immers voor geen van de betrokken partijen verbeterd als gevolg van deze rechtshandelingen en overige zakelijke redenen voor deze rechtshandelingen zijn gesteld noch gebleken.\n\n4.19.2. \n\nDaarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat het remigratietraject van de UBO en zijn minderjarige kinderen en de onbelaste terugbetalingen volledig los staan van de herstructurering die in 2014 heeft plaatsgevonden. Verder heeft belanghebbende naar voren gebracht dat de structuur al 16 jaar vóór de dividenduitkering tot stand is gekomen, zonder substantiële wijzigingen in de feitelijke leiding en vestigingsplaats van zowel de uitkerende als de ontvangende vennootschap tot en met het jaar van de dividenduitkering. Belanghebbende heeft als reden voor haar vestigingsplaats aangevoerd dat Luxemburg geografisch een logische keuze was omdat het een buurland is van België, de toenmalige woonplaats van de heer [naam aandeelhouder] .\n\nAl datgene, wat er ook zij van de juistheid ervan, zegt echter niets over de reden(en) van tussenschakeling van belanghebbende.\n\n4.19.3. Belanghebbende heeft gesteld dat er zakelijke redenen zijn voor het opzetten van een houdsterstructuur. Hieronder vallen bijvoorbeeld het beperken van aansprakelijkheid, het beperken van de (financiële) aanspraak van schuldeisers bij een eventueel faillissement, de voordelen die het oplevert bij verkoop van de werkmaatschappijen, en het onderling ter beschikking stellen van middelen. Door het aanhouden van een houdstervennootschap kunnen dan ook gelden uit de risicosfeer van de werkmaatschappij worden gehaald en worden geherinvesteerd in andere vennootschappen. Het gaat er dus niet alleen om dat de UBO wordt afgeschermd tegen aansprakelijkheid, zoals wordt gesuggereerd door de inspecteur. De inspecteur heeft dit alles gemotiveerd betwist. Het is dan aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat dit daadwerkelijk de redenen zijn geweest om belanghebbende tussen te schakelen. Aan die bewijslast heeft belanghebbende naar het oordeel van het hof niet voldaan. Het hof acht in dit kader relevant dat (de gemachtigde van) belanghebbende ter zitting van het hof niet kon aangeven wat de reden(en) is (zijn) geweest van de herstructurering van de [A-groep] in 1998 en de ‘Luxemburg-structuur’ zoals die toen is opgezet. Ook acht het hof het in dit kader relevant dat belanghebbende zelf wordt gehouden door een houdstervennootschap. De door belanghebbende genoemde zakelijke redenen voor het opzetten van een houdsterstructuur verklaren op zichzelf bezien niet de dubbele Luxemburgse houdsterstructuur.\n\n4.19.4. \n\nBelanghebbende heeft erop gewezen dat het dividend van € 19.000.000 uit 2014 niet is ‘door uitgedeeld’ aan de UBO en dat in België belasting zou zijn geheven als dat wel het geval was geweest. Het hof stelt vast dat belanghebbende een hypothetisch scenario schetst en ziet in deze stelling dan ook geen bewijs dat de tussenschakeling van belanghebbende niet heeft plaatsgevonden met als voornaamste doel of een van haar voornaamste doelen een belastingvoordeel te verkrijgen dat de strekking of het doel van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb ondermijnt. Het dividend is immers niet uitgekeerd aan de UBO . De UBO heeft in 2018 zijn aandelen in [SPF 1] geschonken aan zijn minderjarige kinderen. Daaropvolgend is hij samen met zijn minderjarige kinderen geremigreerd naar Nederland. [SPF 1] is evenals belanghebbende in 2019 omgezet naar een Nederlandse besloten vennootschap. In 2020, 2022 en 2023 hebben terugbetalingen van kapitaal plaatsgevonden. Deze terugbetalingen leverden voor de Wet IB 2001 geen belastbaar feit voor de minderjarige kinderen omdat zij, als gevolg van de schenking en immigratie, recht hebben op een step-up naar de waarde in het economisch verkeer. Voor zover belanghebbende met deze stelling heeft willen betogen dat het geen doorstroomvennootschap is, overweegt het hof dat ook zonder (snelle) dooruitdeling sprake kan zijn van een volstrekt kunstmatige constructie.\n\nHet hof acht verder relevant dat [SPF 1] omdat zij een SPF is geen beroep kan doen op de moeder-dochterrichtlijn en ook niet gerechtigd is tot de toepassing van het belastingverdrag tussen Luxemburg en Nederland. Belanghebbende lijkt daarom veeleer te zijn tussengeschoven tussen [SPF 1] en de in de Nederland gevestigde werkmaatschappijen om op die manier toch de richtlijn- en verdragsvoordelen te kunnen inroepen. In het geval belanghebbende niet zou zijn tussengeschoven, dan was de dividenduitkering aan [SPF 1] belast geweest met 15% Nederlandse dividendbelasting.\n\nAndere standpunten van belanghebbende\n\n4.20.. Belanghebbende heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb in strijd is (i) met de moeder-dochterrichtlijn, (ii) de vrijheid van vestiging van artikel 49 VWEU en (iii) de non-discriminatiebepaling in het belastingverdrag Nederland-Luxemburg.\n\n4.21.. \n\nHet hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt. De nationale antimisbruikmaatregel van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb is richtlijnconform toegepast. Verder is de moeder-dochterrichtlijn niet van toepassing in geval van misbruik; van strijdigheid met de moeder-dochterrichtlijn is dan ook geen sprake.\n\nOok kunnen indien sprake is van misbruik van Unierecht de in het VWEU neergelegde vrijheden niet worden ingeroepen.\n\nBelanghebbende verwijst naar de non-discriminatiebepaling van artikel 24 in het belastingverdrag tussen Nederland en Luxemburg. Volgens belanghebbende zou zij door toepassing van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb, anders of zwaarder belast worden dan indien zij onderdaan van Nederland zou zijn. Ook deze stelling faalt. De non-discriminatiebepaling in het verdrag is gebaseerd op primair EU-recht (verbod op discriminatie naar nationaliteit). Als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van misbruik van EU-recht kan naar het oordeel van het hof geen geslaagd beroep meer worden gedaan op een non-discriminatiebepaling in een belastingverdrag. Grondrechten zijn er niet om oneigenlijke belastingverijdeling te faciliteren.\n\n4.22.. Belanghebbende heeft verder gesteld dat de door de inspecteur voorgestane vennootschapsbelastingheffing ten aanzien van de dividenduitkering van 2,5% op grond van artikel 17, lid 3, letter b, Wet Vpb leidt tot economische dubbele belasting die niet van toepassing was geweest in de situatie dat het een puur binnenlandse situatie had betroffen omdat belanghebbende en [SPF 1] alsdan de deelnemingsvrijstelling hadden kunnen toepassen. Volgens belanghebbende is deze economisch dubbele belasting in casu disproportioneel bezien vanuit de doelstelling van bestrijding van belastingontwijking.\n\n4.23.. Het hof volgt belanghebbende niet in haar stelling. De vergelijking die belanghebbende maakt gaat naar het oordeel van het hof niet op. [SPF 1] is omdat zij een SPF is in Luxemburg vrijgesteld van vennootschapsbelasting. De vergelijking die dan gemaakt dient te worden is die van een Nederlands vennootschapsbelastingplichtig lichaam dat een dividend uitkeert aan in Nederland gevestigd van vennootschapsbelasting vrijgesteld lichaam. Ter zake van dergelijke dividenduitkeringen is in de regel 15% Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Het dividend wordt in casu daarom niet zwaarder belast dan het geval was geweest in een puur binnenlandse situatie.\n\n4.24.. Gelet op het voorgaande is de dividenduitkering belastbaar op grond van artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb. Dat betekent dat het hof toekomt aan de behandeling van het incidentele hoger beroep van belanghebbende.\n\n2. Is sprake van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt?\n\n4.25.. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Belanghebbende stelt dat de feiten waar de inspecteur zich op beroept reeds bekend waren dan wel bekend hadden moeten zijn als gevolg van het boekenonderzoek bij [B.V. 1] In het controlerapport zijn immers correcties voorgesteld met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting van (de fiscale eenheid) [B.V. 1] , het jaar waarin de dividenduitkering van [B.V. 1] aan belanghebbende heeft plaatsgevonden. De dividenduitkering van € 19.000.000 blijkt volgens belanghebbende duidelijk uit de in het controlerapport opgenomen vermogensvergelijking van [B.V. 1] waar het is opgenomen onder het kopje ‘overname niet-aftrekbare bedragen’. Over deze dividenduitkering zijn in het kader van het boekenonderzoek geen verdere vragen gesteld. Een verdere aanwijzing dat geen sprake is van een nieuw feit is volgens belanghebbende dat de inspecteur bekend was met de structuur van de [A-groep] , waaronder de Luxemburgse aandeelhouder van belanghebbende. Ten slotte is belanghebbende van mening dat de inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2014 aan belanghebbende.\n\n4.26.. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en geen sprake is van een ambtelijk verzuim. Het boekenonderzoek bij [B.V. 1] gaf volgens hem geen enkele aanleiding om enig onderzoek in te stellen naar de belastingpositie van belanghebbende. Van belanghebbende bestond in eerste instantie nog geen dossier omdat zij bij de inspecteur niet bekend was als (buitenland) belastingplichtige. Verder rustte op de inspecteur niet de verplichting om andere dossiers te raadplegen voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Ook kon de inspecteur uit andere dossiers, waaronder het boekenonderzoek bij [B.V. 1] , niet opmaken dat belanghebbende een kunstmatig tussengeschoven vennootschap was die niet werd beschermd door het Unierecht. Het vermoeden van de (buitenlandse) belastingplicht van belanghebbende is pas gerezen in de periode tussen 27 juli 2018 en 16 januari 2019. Op 27 juli 2018 stelde de inspecteur voor het eerst vragen over de dividenduitkering bij [B.V. 1] Op 29 augustus 2018 verzocht de inspecteur voor het eerst om contactgegevens van belanghebbende om de fiscale gevolgen van de dividenduitkering bij belanghebbende te kunnen onderzoeken en op 16 januari 2019 stelde de inspecteur de eerste concrete vragen over de belastingpositie van belanghebbende.\n\n4.27.. Het hof stelt voorop dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de vennootschapsbelasting van de belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens voor de vennootschapsbelasting van die belastingplichtige bevat. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die door hem of door een andere inspecteur zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook niet als de mogelijkheid bestaat dat daarin gegevens worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de vennootschapsbelasting van belang kunnen zijn. In het algemeen is de inspecteur slechts dan verplicht tot een onderzoek buiten het (digitale) dossier van de belastingplichtige indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.De inspecteur was in dit geval dan ook niet verplicht om bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting het dossier dat binnen de Belastingdienst was aangelegd met het oog op de heffing van de vennootschapsbelasting van de [B.V. 1] te raadplegen. Zoals onweersproken is gesteld door de inspecteur was in ieder geval tot juli 2018 geen dossier aangelegd van belanghebbende omdat zij op dat moment nog niet bij de inspecteur bekend was als buitenlands belastingplichtige.\n\n4.28.. Het voorgaande neemt niet weg dat onder bijzondere omstandigheden het (digitale) dossier van de belastingplichtige (in dit geval: belanghebbende) onvolledig moet worden geacht c.q. er een dossier aangelegd had moeten worden omdat de ten aanzien van een andere belastingplichtige bevoegde inspecteur heeft nagelaten dat dossier aan te (doen) vullen c.q. maken. Dat is het geval indien een wettelijke regeling meebrengt dat (een geheel van) rechtshandelingen, verricht door tot een specifiek afgebakende, beperkte groep van verwanten behorende belastingplichtigen, rechtstreeks van invloed kunnen zijn op de belastingplicht van tot die groep behorende en bij die rechtshandelingen betrokken verwanten, zodat de inspecteur die deze rechtshandelingen ten aanzien van één van hen heeft onderzocht, gehouden is de resultaten van dat onderzoek te doen opnemen in de (digitale) dossiers van die verwanten.Een dergelijk geval doet zich in deze zaak niet voor.\n\n4.29.. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim dat navordering verhindert. Het nieuwe feit volgt uit de informatie die de inspecteur van belanghebbende heeft verkregen nadat de inspecteur op 16 januari 2019 belanghebbende heeft medegedeeld dat hij haar belastingplicht wil onderzoeken en belanghebbende om informatie heeft verzocht.\n\n4.30.. Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat de inspecteur niet voortvarend genoeg heeft gehandeld met het opleggen van de navorderingsaanslag en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2013. Het voortvarendheidsvereiste geldt echter alleen voor navorderingsaanslagen die met toepassing van artikel 16, lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn opgelegd. Dat is in deze zaak niet het geval.\n\n4.30.. Gelet op het voorgaande beschikt de inspecteur over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en is de inspecteur niet te laat geweest met navorderen.\n\n3. Is sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel?\n\n4.31.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. De inspecteur kon de dividenduitkering afleiden uit de vermogensvergelijking bij het boekenonderzoek dat heeft plaatsgevonden bij [B.V. 1] . Doordat de inspecteur de dividenduitkering al tijdens het boekenonderzoek heeft kunnen detecteren, en daar verder geen vragen over heeft gesteld, moet dit als een impliciete standpuntbepaling worden gezien. De inspecteur heeft dit standpunt gemotiveerd betwist.\n\n4.32.. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Als regel heeft te gelden dat een belastingplichtige geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen aan het optreden van de inspecteur ten aanzien van een of meer andere belastingplichtigen. Dit is echter anders indien dat optreden heeft plaatsgevonden op een zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden dat de belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat dit ook bedoeld was om te gelden in zijn situatie.Van een dergelijke situatie is in deze zaak geen sprake. Uit de enkele omstandigheid dat in de post ‘niet aftrekbare bedragen’ in de vermogensvergelijking van de dochtermaatschappij het dividend van € 19.000.000 is begrepen en de inspecteur van de dochtermaatschappij daar geen nader onderzoek naar heeft gedaan, volgt niet dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat artikel 17, lid 3, aanhef en letter b, Wet Vpb niet van toepassing is en de dividenduitkering niet belastbaar is.\n\nTussenconclusie\n\n4.33.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en het incidentele hoger beroep ongegrond.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.34.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nverklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Richtlijn 2011\u002F96\u002FEU van de Raad van 30 november 2011.\n\n Kamerstukken II 2015\u002F16, 34 306, nr. 3, p. 8.\n\n Zie r.o. 5.2.3. van de arresten van 18 juli 2025.\n\n Het dividend zou bij [naam aandeelhouder] op grond van artikel 7.5. Wet IB 2001 als regulier AB-voordeel worden belast tegen het in 2014 geldende aanmerkelijkbelang-tarief van 25% (tot € 250.000 22%). Nederland mag de dividenduitkering op grond van het belastingverdrag met België echter maar met maximaal 15% belasten (artikel 10, lid, 2, letter b, van het Verdrag).\n\n Kamerstukken II 2011\u002F12, 33 003, nr. 10, p. 94, in samenhang gelezen met Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 58 en 59.\n\n Vergelijk HR 14 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0829.\n\n HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:21, r.o. 2.5.2.\n\n Vergelijk de arresten van 25 april 2025, r.o. 4.6.3.\n\n Vergelijk Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 59.\n\n Vergelijk de arresten van 25 april 2025, r.o. 4.5.2\n\n Zie r.o. 5.4.4. van de arresten van 18 juli 2025 en de onderdelen 5.16 tot en met 5.18 van de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Wattel.\n\n Zie r.o. 5.4.4. van de arresten van 18 juli 2025 en onderdeel 5.18 van de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Wattel.\n\n Vergelijk Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1343, r.o. 5.2.1.\n\n Hoge Raad 3 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1508, r.o. 3.2.\n\n ECLI:NL:HR:2013:717.\n\n Hoge Raad 4 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7213, r.o. 3.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1277","2026-07-13T00:29:25.888Z",20]