[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-environmental-permit-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":84,"limit":85},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},93,"environmental-permit-nl","Environmental Permit","NL","2026-07-08T16:55:59.522Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},7,{"min":18,"max":19},"2022-05-20T00:00:00.000Z","2026-07-06T00:00:00.000Z",[],[22,32,41,50,59,68,77],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"1606","ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","ecli-nl-rbobr-2026-4762","","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F1562 OWNATU\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekers]\n\n ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nverzoekers\n\nen\n\nGedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college\n\n(gemachtigde: S.J.S. van Gils en L.A.M. Kroon)\n\nAls derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Lagouw)\n\nSamenvatting\n\n1.1.. De derde-partij is voornemens wijkgebouw [adres] en verpleeghuis [naam] aan de [adres] in [woonplaats] te slopen om daar nieuwbouw te realiseren. In dat kader heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verrichten van flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleemuis (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen, voor de periodes van 15 april tot en met 15 mei en 15 juli tot en met 15 augustus. Dit geldt vanaf de dag na de bekendingmaking van het besluit tot en met 15 mei 2031.\n\n1.2.. Met het besluit van 12 mei 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning met voorschriften aan de derde-partij verleend. Het college is – kort samengevat – van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden en dat er een wettelijk belang is om de negatieve effecten te rechtvaardigen.\n\n1.3.. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit af. Er wordt wel een voorziening getroffen met betrekking tot de geplande werkzaamheden totdat de huidige verblijfplaatsen conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning ongeschikt zijn gemaakt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Vergunninghouder heeft op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 toegewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekers. Verder waren aanwezig de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij was aanwezig [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Ook waren aanwezig [naam] en [naam] , beide werkzaam als ecoloog..\n\nInleiding\n\n3.1.. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Vergunninghouder wil nieuwbouw realiseren aan de [adres] (wijkgebouw) en [adres] (verpleeghuis) te [woonplaats] (de locatie). In de nieuwbouw komt een zorglocatie, 18 driekamerappartementen en gesloten parkeergarage. De herontwikkeling vindt plaats in twee fases. In de eerste fase wordt het bestaande verpleeghuis [naam] gesloopt en worden het nieuwe zorgcentrum gerealiseerd. In de tweede fase wordt het bestaande wijkgebouw [naam] gesloopt en wordt gestart met de bouw van de huurappartementen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in het activiteitenplan, dat op 10 maart 2026 definitief is geworden.\n\n3.3.. Om te bepalen of met het project negatieve effecten optreden ten aanzien van de eventueel in het gebied voorkomende beschermde diersoorten heeft vergunninghouder ecologisch onderzoek laten uitvoeren en is gebleken dat de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aanwezig zijn:\n\n- 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 potentiële (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.\n\nEen essentiële vliegroute voor vleermuizen is wel aanwezig, maar wordt niet aangetast zolang er geen additionele verlichting aanwezig zal zijn.\n\n3.4.. Om het bouwplan te realiseren, moet vergunninghouder de gewone dwergvleermuis verstoren en zijn voorplanting- en rustplaatsen vernielen. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).3.5.. Om deze reden heeft vergunninghouder op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit.De ontheffing is gevraagd op grond van het belang “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” zoals genoemd in artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).\n\n3.6.. \n\nMet het besluit van 15 mei 2026 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend met voorschriften. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Maatregelen bestaan onder anderen uit dat het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot en met 15 mei of 15 juli tot en met 15 augustus. Ongeschikt maken mag uitsluitend plaatsvinden nadat een voorafgaande controle\n\ndoor een deskundige ecoloog heeft vastgesteld dat de verblijfplaatsen niet (meer) in\n\ngebruik zijn. Verder bestaan de maatregelen uit het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis en het werken buiten kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft hierbij niet bepaald dat het besluit vier weken later in werking treedt (en dus geen toepassing gegeven aan artikel 16.79, tweede lid van de Omgevingswet).\n\n3.7.. Verzoekers wonen op verschillende adressen aan [adres] en [adres] en hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4.1.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n4.2.. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. Er is wel aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de geplande stripwerkzaamheden voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.\n\nHebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, nu vergunninghouder op korte termijn gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.\n\nZijn verzoekers belanghebbenden?\n\n6. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is bepalend of de handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval in dit geval de bouw van de zorglocatie en woningen - is bij die beoordeling niet van belang.\n\n6.1. In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.\n\n6.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet natuurbescherming-ontheffing kan worden afgeleid dat bij een afstand van meer dan 100 meter het niet aannemelijk is dat de ontheffing (nu de omgevingsvergunning) invloed zal hebben op de betreffende directe woon- en leefomgeving.Verzoekers wonen in dit geval echter op een afstand van minder dan 100 meter van de projectlocatie, waarbij de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter van de projectlocatie en ongeveer 45 meter van plaatsen waar vleermuizen verblijven. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het gebruiken van de verleende omgevingsvergunning ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.Dat geldt in ieder geval voor verzoekers 3 en 5 die schuin tegenover de locatie wonen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voor deze verzoekers zonder meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat in het midden kan blijven of de overige verzoekers een rechtstreeks betrokken belang hebben.\n\nHet verzoek\n\n7. Het verzoek strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen voor de beschermde fauna (de gewone dwergvleermuis). Volgens verzoekers start vergunninghouder ten onrechte op 6 juli 2026 met de sloopwerkzaamheden. Verzoekers hebben verzocht een voorziening te treffen die van kracht blijft totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan in een lopende procedure over het bestemmingsplan.\n\nAanvang sloopwerkzaamheden op 6 juli 2026\n\n8. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zij voornemens is om vanaf 6 juli 2026 te starten met werkzaamheden. Het zou gaan om stripwerkzaamheden die volgens haar geen invloed zouden hebben op de aanwezige beschermde soort (de gewone dwergvleermuizen) en daarom zijn toegestaan. Vanaf 15 juli 2026 (afhankelijk van weersomstandigheden maar niet eerder) gaat vergunninghouder beginnen met ongeschikt maken van de bebouwing voor de vleermuizen. Ook de stripwerkzaamheden zullen daarna naar alle waarschijnlijkheid nog plaatsvinden. Vanaf 17 augustus 2026 zal worden gestart met de sloopwerkzaamheden.\n\n8.1.. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen voorafgaand aan de werkzaamheden moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot 15 mei of van 15 juli tot 15 augustus. Dit om te zorgen dat de vleermuizen weg zijn voordat aan de sloop van de bebouwing wordt begonnen. De sloopwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als na een controleronde is vastgesteld dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn en pas na expliciete toestemming van de ecoloog. In de voorschriften is ook bepaald dat alle werkzaamheden moeten plaatsvinden volgens het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning is gehecht. Hierin is het volgende bepaald: “Voordat de bebouwing kan worden gesloopt, dient voorkomen te worden dat op moment van de werkzaamheden nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing. De bebouwing dient dan ook ongeschikt gemaakt te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid krijgen om uit zichzelf te vertrekken voordat de sloop plaatsvindt.” In voorschrift 1 is bepaald dat met werkzaamheden en\u002Fof activiteiten alle handelingen worden bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen.\n\n8.2. Tijdens de zitting is gebleken dat het hoogst waarschijnlijk is dat er nog vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de door vergunninghouder bedoelde stripwerkzaamheden werkzaamheden zijn die vallen binnen het bereik van de vergunning. Het zijn handelingen die invloed kunnen hebben op de vleermuizen. De voorzieningenrechter beschouwt stripwerkzaamheden als onderdeel van de sloopwerkzaamheden. Het verrichten van de stripwerkzaamheden voordat de vleermuisverblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, is dus een handeling in strijd met algemeen voorschrift 6 van de omgevingsvergunning. Het uitvoeren van de stripwerkzaamheden vanaf 6 juli 2026 vóór het ongeschikt maken van de stripwerkzaamheden is dus verboden op grond van artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Het is ook een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, eerste lid in combinatie met artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten.\n\n8.4. Het college geeft terecht aan dat dit een kwestie is van handhaving, en heeft ter zitting ook aangegeven dat steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Het college heeft niet aangegeven of de uitvoering van stripwerkzaamheden is toegestaan en lijkt dit te laten afhangen van de aard van de werkzaamheden tijdens de controles. Gelet op het voorgaande oordeel dat stripwerkzaamheden onderdeel zijn van de sloopwerkzaamheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning.\n\n8.5. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden, in de wetenschap dat er hoogstwaarschijnlijk vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode, mede gelet op de te treffen voorlopige voorziening, wordt beschouwd als een overtreding van de specifieke zorgplicht in 11.27 eerste lid onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nu hoogstwaarschijnlijk vleermuizen aanwezig zijn en de bebouwing op korte termijn ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen, kan van vergunninghouder redelijkerwijze worden verwacht dat zij voor die tijd geen werkzaamheden uitvoert teneinde verstoring van de vleermuizen te voorkomen. Mocht een vleermuis als gevolg van verstoring door deze werkzaamheden overlijden, is sprake van een overtreding van artikel 11.46 eerste lid onder a, van het Bal omdat vergunninghouder dan willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood .Dan is sprake van zogenoemde voorwaardelijke opzet.Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook werkzaamheden aan een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op de aanwezige vleermuizen en\u002Fof hun verblijfplaats.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n9. Dan resteert de vraag of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen.\n\nToetsingskader\n\n10. De verleende omgevingsvergunning moet worden beoordeeld op grond van artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de daarin genoemde voorwaarden, die voor zover hier van belang luiden:\n\n- er bestaat geen andere bevredigende oplossing;\n\n- op grond van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieuwezenlijke gunstige effecten;\n\n- de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.\n\nDwingende redenen van groot openbaar belang\n\n11. Volgens verzoekers kan de omgevingsvergunning niet worden verleend op grond van \"dwingende redenen van groot openbaar belang\". Het maatschappelijke argument van ‘wijkintegratie’ en de realisatie van een gecombineerde multifunctionele accommodatie (MFA) wordt op oneigenlijke wijze als een deken over het ene project wordt gelegd. Zij wijzen erop dat de specifieke kwetsbare doelgroep in het verzorgingstehuis geenszins zelfstandig zal of kan participeren in het openbare wijkleven of de geplande MFA. Voor zover de nieuwbouw daarnaast voorziet in reguliere huisvesting (zoals in de woontoren), geldt dat voor die bewoners geen sprake is van een specifieke, dwingende zorgbehoefte die de aantasting van beschermde fauna rechtvaardigt.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige gebouw niet voldoet aan de (psychiatrische) ondersteuningsbehoefte van haar huidige bewoners. Zij zijn daarom op een andere locatie ondergebracht, maar kunnen hier niet blijven. Door het realiseren van een multifunctionele accommodatie met onder andere een gezamenlijke buurthuiskamer, waar ook zowel bewoners van de wijk als bewoners van de zorglocatie kunnen komen, verbetert de wijkintegratie. Ten slotte wordt ook het belang van woningbouw vermeld ter onderbouwing van het wettelijk belang. Er wordt verwezen naar de woningopgave van de gemeente Oss. Het betreft hier sociale huurwoningen waar in de gemeente Oss grote vraag naar is. Dit project draagt ook weer bij om aan de woningopgave te voldoen.\n\n11.2. Vergunninghouder wijst erop dat het vaste rechtspraak is dat woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang op een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Uit de Woonagenda 2025-2207 volgt dat de gemeente Oss tot 2024 10.000 extra woningen wil bouwen. Op grond van de Regionale Woondeal zal Oss in de periode tot 2023 5217 sociale huurwoningen moeten bouwen. Het staat niet ter discussie dat er een dringende behoefte bestaat aan sociale huurwoningen.\n\n11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in de behoefte aan een zorglocatie en woningen, een dwingende reden van groot openbaar belang heeft mogen zien. Het college heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan een zorglocatie voor zware zorg in de regio omdat de huidige bewoners uit noodzaak elders zijn ondergebracht, maar daar niet kunnen blijven. Doordat de nieuwbouw vertraging heeft opgelopen neemt de wachtlijst en de urgentie toe. Ook is er lokale behoefte aan woningbouw. Het college heeft daarbij gewezen op de woningopgave in de regio Oss van 600 woningen per jaar. De 18 te realiseren appartementen kunnen daaraan bijdragen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen en ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nAndere bevredigende oplossing\n\n12. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte het alternatief dat door verzoekers op 20 juni 2025 is aangedragen, na een quickscan is afgewezen omdat het niet past binnen de intern gestelde financiële kaders. Nadere uitwerking leert dat een alternatief wel haalbaar is en de volledige sloop overbodig maakt en meer zorgwoningen oplevert.\n\n12.1.. Het college heeft gesteld dat verzoekers het door hen voorgedragen alternatief niet nader hebben onderbouwd. Het kan daardoor niet reageren op de vraag of dit een redelijk alternatief zou zijn voor de uitvoering van het project. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn kan door het college alleen worden betrokken wanneer het doel van het project ook bereikt zou kunnen worden op een manier die tot minder effecten zou leiden voor de aanwezige flora en fauna. Het doel van dit project is het realiseren van 18 driekamerappartementen, een gesloten parkeergarage en een zorglocatie. Uit nader onderzoek, niet enkel uit de QuickScan, is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Ten slotte zou ook bij renovatie de spouwmuur verloren gaan, hetgeen leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\n12.2. Vergunninghouder wijst erop dat het door verzoekers voorgestelde alternatief qua uitgangspunten een geheel ander bouwplan betreft en dus geen alternatief bevat voor haar wensen, die van BrabantZorg en de gemeente. Uit hoofdstuk 3 van de presentatie van verzoekers \"Voorstel van een alternatief ontwerp\" blijken de verschillen. Het programma van verzoekers behelst 74 zorgappartementen, terwijl het programma van vergunninghouder 48 zorgappartementen, 18 woningen en een MFA. Nu het niet om hetzelfde bouwplan gaat, is het ook geen alternatief.\n\n12.3.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het project, die minder effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Het college heeft toegelicht dat uit nader onderzoek is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat bij renovatie de spouwmuren ook verloren gaan en dat leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\nGunstige staat van instandhouding\n\n13. Verzoekers stellen dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zijn, omdat verzuimd zou zijn om de toekomstige fysieke gebruikssituatie te betrekken. De beoogde locaties voor de permanente voorzieningen zullen zich namelijk in de nabijheid zullen bevinden van installaties zoals warmtepompen- en luchtbehandelingskasten.\n\n13.1. Het college heeft gesteld dat verzoeker verwijst naar de permanente inbouwvoorzieningen die pas tijdens de nieuwbouw worden geplaatst. Het college merkt op dat deze grond daarom niet spoedeisend is, aangezien de permanente voorzieningen niet op korte termijn worden geplaatst. Ten overvloede overweegt het college dat de exacte locaties van de inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en de kraamverblijfplaats nog moeten worden afgestemd met de initiatiefnemer in verband met de nieuwbouw. Alleen voor de massawinterverblijfplaats is de exacte locatie al bekend. Met de opsomming van eigenschappen en maatregelen ten aanzien van de permanente voorzieningen opgenomen op pagina 11 van de verleende omgevingsvergunning wordt de effectiviteit van de voorzieningen gewaarborgd.\n\n13.2. Vergunninghouder heeft daaraan toegevoegd dat vleermuizen veel geluiden niet waarnemen. Als er al enig geluid waarneembaar (voor mensen) zou zijn op de locaties van de permanente nestkasten, dan betekent dat dus niet dat die geluiden ook voor vleermuizen waarneembaar zouden zijn, laat staat dat dat zou betekenen dat deze geluiden tot verstoring zou leiden. Het is vergunninghouder op dit moment niet duidelijk óf en zo ja hoeveel trillingen de installaties veroorzaken. Hij gaat dit onderzoeken en zal zo nodig de locaties van de permanente voorzieningen hierop afstemmen.\n\n13.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de beschrijving van de eigenschappen en maatregelen en de in de voorschriften vervatte verplichting tijdelijke en permanente voorzieningen te treffen, in het bestreden besluit voldoende is geborgd dat er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Mede in combinatie met het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode, heeft het college voldoende bewerkstelligt dat door deze maatregelen en verplichtingen de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt.\n\n13.4.. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet nog wel meer concreet worden geborgd waar precies de exacte locaties van de permanente inbouwvoorzieningen van de vier inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en twee inbouwkasten voor de kraamverblijfplaats geplaatst moeten worden. De enkele verplichting om de locatie af te stemmen met vergunninghouder in verband met de nieuwbouw is onvoldoende. De voorzieningenrechter beschouwt de permanente voorzieningen als een mitigerende maatregel en dat de locaties van deze inbouwkasten ten tijde van de besluitvorming bepaald hadden moeten zijn. De voordelige effecten van de maatregel moeten bij mitigerende maatregelen namelijk op voorhand vaststaan. Zolang er onduidelijkheid blijft bestaan waar deze inbouwkasten worden gerealiseerd, staat niet vast dat met deze mitigerende maatregelen voldoende is geborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het besluit te schorsen omdat de nieuwbouw niet op korte termijn gerealiseerd zal zijn en het college dit nog in bezwaar kan herstellen.\n\nOnderzoeken niet uitgevoerd conform het protocol\n\n14. Verzoekers voeren aan dat de brondata uit het Activiteitenplan fundamentele protocolfouten aantonen. Verzoekers geven hierbij aan dat in de nacht van 18 op 19 augustus 2025 opeenvolgende onderzoeksronden binnen één etmaal zijn samengepropt in plaats van 10 dagen tussentijd. Verzoekers verwijzen naar de reactie van de eigen onafhankelijke deskundige van de initiatiefnemer (Twisk) waarin schriftelijk wordt bevestigd dat deze najaarsronden niet voldoen aan de richtlijn van het vleermuisprotocol.\n\n14.1. Het college stelt dat verzoekers verwijzen naar processtuk 10, de aanvullingen van 24 april 2026. Hierin is het volgende opgenomen: “De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.\n\n14.2. Vergunninghouder merkt op dat haar deskundige (Twisk) in zijn rapport 'Beoordeling verblijfplaats gewone dwergvleermuis, [adres] , [woonplaats] ' concludeert dat er geen massawinterverblijfplaats aanwezig is. Hij stelt dat de twee door Sweco uitgevoerd bezoeken op 7 en 19 augustus aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol voldoen. Dat is ook voldoende. De andere twee uitgevoerde rondes hadden een ander doel, namelijk het waarnemen van paar- en baltsgedrag. Deze hoeven dus ook niet volgens het massawinterprotocol uitgevoerd te worden.\n\n14.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken. Weliswaar heeft Het collefge toegelicht dat sprake is van afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen en die voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Verder is in het activiteitenplan van 15 september 2025 inderdaad een fout geslopen. Er staat 15 juli 2025 in de voetteksten, maar dat had de datum van 15 september 2025 moeten zijn. Dat maakt niet dat de gehele besluitvorming onzorgvuldig is en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nTransportroute en volksgezondheid\n\n15 Verzoekers stellen dat de route van de vrachtwagen in de sloopmelding anders loopt dan de route die is opgenomen in rapporten van de Aeriusberekeningen. Nu de vergunning expliciet eist dat verstoring van de fauna te allen tijde moet worden voorkomen, dwingt deze gewijzigde rijroute tot een hernieuwde ecologische beoordeling. De totale sloop van de huidige bebouwing vormt bovendien een acute bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna.\n\n15.1. Het college stelt dat de AERIUS-berekeningen geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. Deze procedure heeft geen betrekking op een Natura 2000-activiteit. Het college wijst erop dat het in de procedurele overwegingen van het besluit hebben overwogen dat er een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. Verzoekers hebben verder niet aangevoerd hoe de gekozen transportroute een zware belasting vormt qua trillingen en geluid.\n\n15.2.. Vergunninghouder merkt hierover op dat de vrachtwagens de route zullen rijden zoals aangegeven in de sloopmelding. Op het moment dat de vrachtwagen van de sloop gaan rijden, zullen de vleermuizen zich niet meer in de te slopen gebouwen bevinden vanwege de ontmoedigingsmaatregelen. Er zijn voor deze periode tijdelijke voorzieningen aangebracht op de woningen. Slechts een deel van de locaties van de tijdelijke voorzieningen ligt langs de aanvoerroute van de vrachtwagen. Dit is bovendien op redelijke grote afstand. Bovendien zal het zware verkeer als gevolg van de sloop geen significant effect hebben ten opzichte van het reeds bestaande zware verkeer op de verschillende omliggende straten.\n\n15.3.. Het bestreden besluit ziet niet op de stikstofemissies vanwege transport. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de verblijfplaatsen niet dicht in de buurt bij de transportroute zitten. Het college heeft dit gesteld en eisers hebben het niet weersproken. De voorzieningenrechter acht het op grond daarvan onvoldoende aannemelijk dat de transportroute zal leiden tot verstoring.\n\n15.4.. Verzoekers maken zich zorgen vanwege de stofoverlast door de sloop van de huidige bebouwing die een acute bedreiging zou vormen voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna. Vergunninghouder mag op grond van voorschrift 1 van de verleende omgevingsvergunning geen werkzaamheden uitvoeren die invloed hebben op een beschermde soort. Daarmee is voldoende geborgd dat de transporten een acute dreiging kunnen vormen voor de lokale (beschermde) fauna. De volksgezondheid is niet een belang dat het college bij deze besluitvorming heeft hoeven te betrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Teneinde iedere verwarring omtrent de stripwerkzaamheden weg te nemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen en ziet hij hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst hij het verzoek voor het overige af.\n\n17 Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nverbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H. M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 5.1. tweede lid van de Omgevingswet\n\n2Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na.een bouwactiviteit,\n\nb.een milieubelastende activiteit,\n\nc.een lozingsactiviteit op:\n\n1°.een oppervlaktewaterlichaam,\n\n2°.een zuiveringtechnisch werk,\n\nd.een wateronttrekkingsactiviteit,\n\ne.een mijnbouwlocatieactiviteit,\n\nf.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:\n\n1°.een weg,\n\n2°.een waterstaatswerk,\n\n3°.een luchthaven,\n\n4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,\n\n5°.een installatie in een waterstaatswerk,\n\ng.een flora- en fauna-activiteit,\n\nvoor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 11.27 Bal\n\n1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:\n\na.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;\n\nb.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en\n\nc.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\n2. voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:\n\na.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:\n\n1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;\n\n2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;\n\n3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en\n\n4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;\n\nb.als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nc.als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nd.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;\n\ne.tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en\n\nf. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.\n\n3 Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.\n\nArtikel 11.46 Bal\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:\n\na. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn,bijlage IIbij het verdrag van Bern ofbijlage Ibij het verdrag van Bonn;\n\nb. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;\n\nc. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;\n\nd. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en\n\ne. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn ofbijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.\n\nArtikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving\n\n1Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid,11.47, eerste lid, of11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:\n\na.er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;\n\nb.de activiteit nodig is:\n\n1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;\n\n2°.voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;\n\n3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;\n\n4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of\n\n5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en\n\nc.de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.\n\n2Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld inartikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.\n\n3Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.\n\n Artikel 5.1. tweede lid onder g van de Omgevingswet\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n voorschrift 1 van de vergunning\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:29.306Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":36,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":30,"updatedAt":40},"1132","ECLI:NL:RBOBR:2026:2711","ecli-nl-rbobr-2026-2711","2026-04-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F972 OWBOUW\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eersel, het college\n\n(gemachtigde: mr. P.M.H.M. Bakermans).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam]uit [woonplaats] (de vergunninghouder).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden aan de [adres] in [woonplaats] . Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 18 maart 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nVooraf\n\n3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.\n\n De vergunninghouder exploiteert een verhuurbedrijf van bouwkranen aan de [adres] in [woonplaats] (de locatie). Verzoeker is eigenaar van het aangrenzende bedrijfsperceel.\n\n Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Eersel (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “[naam]” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Bedrijf - 2”, “Agrarisch met waarden – Landschap” en “Waarde – Archeologie 5.2” toegekend. De locatie bevat tevens een bouwvlak en de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\n Op 11 februari 2026 is de omgevingsvergunning aangevraagd. Uit de aanvraag volgt dat het project bestaat uit het aanbrengen van terreinverharding en het uitvoeren van graafwerkzaamheden. De terreinverharding komt te liggen op de achterzijde van de locatie en beslaat een oppervlakte van 3.389 m2. De graafwerkzaamheden zijn ten behoeve van een wadi en worden uitgevoerd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\nSpoedeisend belang\n\n4. Voor het treffen van een voorlopige voorziening geldt op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het vereiste van het aanwezig zijn van een spoedeisend belang. Gebleken is dat nog geen uitvoering is gegeven aan de vergunning. Verzoeker vreest onder meer wateroverlast vanwege de aan te leggen wadi. De wadi komt op basis van de bij de aanvraag gevoegde tekening te liggen binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Ingevolge artikel 4.1, onder h, van de planregels zijn die gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van hydrologische waarden. De voorzieningenrechter veronderstelt dat een nieuwe wadi van invloed kan zijn op de hydrologische waarden ter plaatse, en daarmee ook op de waterhuishouding binnen het perceel van verzoeker. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een voldoende spoedeisend belang.\n\nIs er aanleiding om het bestreden besluit te schorsen?\n\n5. Ter zitting is met partijen gesproken over de voorgenomen plannen. De terreinverharding wordt aangelegd binnen de bedrijfsbestemming. Volgens het college is het toegestaan om die bestemming te verharden ten behoeve van bedrijvigheid. Het is de voorzieningenrechter echter duidelijk geworden dat binnen de bedrijfsbestemming op twee plaatsen ook de functieaanduiding ‘landschapswaarden’ is gelegen. Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor “Bedrijf – 2” aangewezen gronden mede bestemd voor het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’. Uit de tekening die bij de aanvraag is gevoegd leidt de voorzieningenrechter af dat ook ter hoogte van de aanduidingen ‘landschapswaarden’ sprake zal zijn van terreinverharding. Op grond van artikel 6.6.1 van de planregels is het ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen aan te brengen of (delen van) landschapselementen te verwijderen. Vanwege de omgevingsvergunning zal in ieder geval sprake zijn van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 6.6.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van het landschapselement.\n\n6. De wadi wordt aangelegd binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschap” met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Ingevolge artikel 4.1, van de planregels zijn die gronden onder meer bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden, behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, en het behoud en herstel van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. Op grond van artikel 4.4.1, onder a, van de planregels is het verboden om binnen die bestemming zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bodem af te graven. Vanwege de aanleg van de wadi zal sprake zijn van het afgraven van de bodem. De omgevingsvergunning kan ingevolge artikel 4.4.3 van de planregels slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\n7. Gelet op het voorgaande zijn de activiteiten die zien op zowel het aanleggen van de terreinverharding als het aanleggen van de wadi vergunningplichtig onder het bestemmingsplan. Deze activiteiten zijn op basis van artikel 22.277, onder a, van het omgevingsplan eveneens vergunningplichtig. Artikel 22.281 van het omgevingsplan bepaalt dat het college bevoegd is om de vergunning te verlenen en niet verplicht is om de vergunning te verlenen.\n\n8. In het bestreden besluit is niet kenbaar gemotiveerd dat de terreinverharding geen onevenredige afbreuk doet aan het landschapselement. Evenmin is kenbaar gemotiveerd dat de werkzaamheden ten behoeve van de wadi geen onevenredige afbreuk doen aan de landschappelijke waarden, de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden, het landschapselement ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ en de hydrologische eigenschappen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de omgevingsvergunning te schorsen. Het is niet bekend welke waarden ter plaatse aanwezig zijn en of de werkzaamheden hieraan op onevenredige wijze afbreuk doen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 18 maart 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.\n\n9.1.. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage: relevante bepalingen uit het bestemmingsplan\n\nArtikel 4 Agrarisch met waarden - Landschap\n\n4.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor ‘Agrarisch met waarden - Landschap’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na agrarische grondexploitatie;\n\nb behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarden;\n\nc behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden;\n\nd extensief recreatief medegebruik;\n\ne groenvoorzieningen;\n\nf water en waterhuishoudkundige voorzieningen;\n\nalsmede voor:\n\ng het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;\n\nh het behoud en herstel van hydrologische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\n4.4. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n4.4.1. \n\nOmgevingsvergunning\n\na Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:\n\n1. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen;\n\n2 het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m²;\n\n3 het kappen en\u002Fof rooien van bomen en\u002Fof houtgewas;\n\n4 het beplanten van gronden met houtgewas, met uitzondering van het beplanten van houtgewas in het kader van agrarische wisselteelt (teelt van maximaal 5 jaar);\n\n5 het diepploegen en diepwoelen van de bodem;\n\n6 het afgraven, ophogen, en egaliseren van de bodem.\n\nb In aanvulling op het bepaalde in sub a is het ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:\n\n1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen of banen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;\n\n2 het verwijderen van (delen van) landschapselementen.\n\nc In aanvulling op het bepaalde in sub a is het ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:\n\n1. het aanbrengen van houtopstanden;\n\n2 het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en halfverhardingen.\n\n4.4.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 4.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden welke:\n\na het normale onderhoud en\u002Fof landschapsbeheer betreffen;\n\nb reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\nc waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan omgevingsvergunning is verleend.\n\n4.4.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe in lid 4.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van:\n\na de landschappelijke waarden;\n\nb de cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden;\n\nc het landschapselement, ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;\n\nd de hydrologische eigenschappen, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – beekdal’.\n\nArtikel 6 Bedrijf – 2\n\n6.1. \n\nBestemmingsomschrijving\n\nDe voor ‘Bedrijf – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na bedrijven genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 2 t\u002Fm 3.2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige en risicovolle bedrijven;\n\nb bestaande bedrijven genoemd in bijlage 1 (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 1;\n\nc productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotsmiddelen;\n\nd tevens een sigarenfabriek, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - sigarenfabriek’;\n\ne tevens een landbouwmechanisatiebedrijf ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - landbouwmechanisatiebedrijf’.\n\nf bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;\n\ng opslag en uitstalling;\n\nh parkeervoorzieningen;\n\ni groenvoorzieningen;\n\nj wegen, paden en straten;\n\nk tuinen, erven en verhardingen;\n\nl water en waterhuishoudkundige voorzieningen;\n\nalsmede voor:\n\nm het behoud en herstel van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’;\n\nn het behoud en herstel van cultuurhistorische en historisch-stedenbouwkundige waarden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorische waardevolle bebouwing’\n\n6.6. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden\n\n6.6.1. \n\nOmgevingsvergunning\n\na Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren ter plaatse van de aanduiding ‘landschapswaarden’:\n\n1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen of banen en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;\n\n2 het verwijderen van (delen van) landschapselementen.\n\n6.6.2. \n\nUitzonderingen\n\nHet in lid 6.6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken of werkzaamheden welke:\n\na het normale onderhoud en\u002Fof landschapsbeheer betreffen;\n\nb reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;\n\nc waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan omgevingsvergunning is verleend.\n\n6.6.3. \n\nToelaatbaarheid\n\nDe in lid 6.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaats vindt van het landschapselement.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2711","2026-04-29T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:05.800Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":45,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":48,"parsedAt":30,"updatedAt":49},"583","ECLI:NL:RBOBR:2024:4571","ecli-nl-rbobr-2024-4571","2024-10-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F1896\n uitspraak van de meervoudige kamer van 4 oktober 2024 in de zaak tussen\n\nBrabant Luchtvaart Beheer B.V., handelend onder de naam “Kempen Airport”, gevestigd in [vestigingsplaats] , Kempen Airport (gemachtigde: mr. R.M. Schnitker),\n\nen\n\nHet college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, het college\n\n(gemachtigde: mr. H. Vermeulen).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaak deel: - Nyrstar Budel B.V. (gemachtigde: mr. S.L. Kombrink), Nyrstar, en - de raad van de gemeente Cranendonck (gemachtigde: mr. D.C.F.J. Velings), de raad.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van Kempen Airport tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een zonneveld gelegen in een gebied tussen de [straatnaam] en de [straatnaam] in Budel-Dorplein, gemeente Cranendonck (de omgevingsvergunning). Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 15 februari 2024 verleend.\n\n1.1.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Nyrstar heeft schriftelijk gereageerd. Kempen Airport heeft daarop gereageerd en op 22 augustus 2024 een nader stuk ingediend.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld van [naam] , directeur van Kempen Airport, de gemachtigde van het college, vergezeld van [naam] , net als de gemachtigde van het college werkzaam bij de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant, en [naam] , werkzaam bij de provincie, de gemachtigde van Nyrstar, vergezeld van [naam] , hoofd projectontwikkeling bij Statkraft Nederland, [naam] , werkzaam bij Nyrstar en [naam] , adviseur, en de gemachtigde van de raad.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning voor het zonneveld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n3. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Deze beslissing staat aan het einde van deze uitspraak onder het kopje “beslissing”. Hierna legt de rechtbank eerst uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omgevingswet niet van toepassing\n\n4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De aanvraag van Nyrstar is ingediend voor 1 januari 2024. Dat betekent dat oud recht van toepassing is, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De rechtbank verwijst op dit punt naar artikel 4.3, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing\n\n5. Op deze zaak is verder afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing, omdat het project ziet op de aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit met behulp van zonne-energie, zoals bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw. Dat betekent onder meer dat de gronden van het beroep binnen de beroepstermijn van zes weken aangevoerd moeten worden en daarna niet meer aangevuld kunnen worden.\n\n6. Het college heeft bij de kennisgeving in het gemeenteblad niet laten weten dat op het instellen van beroep de Chw van toepassing is. De rechtbank heeft bij de bevestiging van ontvangst van het beroep ook niet laten weten dat de Chw op het beroep van toepassing is. Verder heeft de rechtbank bij de uitnodiging voor de zitting weliswaar laten weten dat de Chw van toepassing is, maar niet dat geen nieuwe gronden meer konden worden aangevoerd. De rechtbank vindt het daarom niet redelijk, en uit een oogpunt van rechtsbescherming ook ongewenst, om wat Kempen Airport heeft aangevoerd met het nadere stuk van 22 augustus 2024 buiten beschouwing te laten. Het feit dat het college in de overwegingen van de omgevingsvergunning te kennen heeft gegeven dat de Chw van toepassing is, maakt haar oordeel dan ook niet anders. Niet aannemelijk is dat Kempen Airport moet hebben geweten van de toepasselijkheid van de Chw. Daarvoor acht de rechtbank de wisselende en impliciete informatievoorziening van zowel het college als de rechtbank van belang. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 augustus 2014.De rechtbank laat bij haar oordeel overigens in het midden of het nadere stuk een nadere onderbouwing is van eerder aangevoerde gronden of, zoals in het opschrift van het stuk is vermeld, aanvullende gronden bevat.Kern van het geschil\n\n7. Nyrstar wil het zonneveld realiseren om via dit veld op een duurzame manier te voldoen aan een gedeelte van haar energiebehoefte. Het zonneveld komt te liggen op het industrieterrein en wordt aangelegd op een voormalige stortplaats, waarvan de bodem is of wordt gesaneerd. Het zonneveld wordt ontwikkeld door Statkraft Nederland.\n\n8. Kempen Airport exploiteert luchthaven Budel. Zij richt zich met name op de kleine (zakelijke) luchtvaart (General- en Business Aviation; hierna: GA) die gebruik maakt van een verharde landingsbaan. Het vliegveld beschikt daarnaast over een grasbaan voor Micro Light Aircrafts (MLA’s), die gelegen is tussen de verharde hoofdbaan en de Loozerheide. Het zonneveld komt te liggen ten zuidwesten van de landingsbaan, in de directe nabijheid van de geadviseerde aanvliegroute voor GA. Kempen Airport vreest dat GA het zonneveld gaat mijden en daardoor in een rechte lijn over Budel Dorplein gaat vliegen waardoor er klachten gaan komen over geluidsoverlast. Kempen Airport vindt dat het college ten onrechte geen overleg met haar heeft gevoerd daarover.\n\n9. Het college ziet geen aanleiding om de omgevingsvergunning te weigeren, ook niet in de argumenten die Kempen Airport naar voren heeft gebracht. Volgens het college is de verwachting dat piloten naar een andere vliegroute uitwijken ongegrond. Ook als dat wel het geval zou zijn, kan Kempen Airport blijven voldoen aan de gestelde geluidnormen.\n\n10. De raad omarmt het initiatief van Nyrstar. Het past in het beleid van de gemeente om de uitstoot van CO2 terug te dringen door het opwekken van duurzame energie. In ruimtelijk opzicht heeft de raad geen bezwaren tegen de komst van het zonneveld op het perceel. Totstandkoming van het besluit\n\n11. Op 23 februari 2022 heeft Nyrstar een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo ingediend voor de activiteiten bouwen, handelen in strijd met ruimtelijke regels en milieu. Het zonneveld is voorzien op de percelen, kadastraal bekend, raad Budel, sectie G, nummer [nummer] (het perceel), plaatselijk gelegen aan de [straatnaam] .\n\n12. Ten behoeve van het project heeft de raad op 11 juli 2023 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven, als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo.\n\n12. Het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning heeft van 1 september 2023 tot en met 12 oktober 2023 ter inzage gelegen.\n\n12. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a), “uitvoeren van een werk” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b), “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c) en “milieu” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e). Overeenkomstig de aanvraag heeft de omgevingsvergunning een geldigheidsduur van 25 jaar (voorschrift 1.1.4).\n\n15. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo. Op het perceel geldt op grond van het bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” (het bestemmingsplan) de bestemming “Bedrijventerrein 1a”. De op de plankaart als \"Bedrijventerrein\" aangewezen\n\ngronden zijn bestemd voor de functies bedrijven, groenvoorzieningen, natuurlijk gebied en openbare nutsvoorzieningen. Het zonneveld is in strijd daarmee. Op het perceel geldt ook het bestemmingsplan “Zoneringen Luchthaven Budel”. Het zonneveld is, naar ook niet in geschil is, niet in strijd met één van deze aanduidingen die op grond van dat bestemmingsplan aan het perceel zijn toegekend. Bespreking van de beroepsgronden\n\n16. Tijdens de zitting heeft Kempen Airport laten weten geen zelfstandig oordeel van de rechtbank te willen over de grond dat met het zonneveld de vliegveiligheid in geding komt. Deze grond heeft zij op vragen van de rechtbank dan ook ingetrokken. De verschillende argumenten over de vliegveiligheid heeft zij aangevoerd om te onderstrepen dat met de komst van het zonneveld de kans reëel is dat gezagvoerders de vliegroute over het zonneveld gaan mijden en alleen nog voor een vliegroute zullen kiezen over Budel-Dorplein, zo heeft Kempen Airport tijdens de zitting toegelicht. Ontbreken vooroverleg\n\n17. Kempen Airport betoogt dat het college ten onrechte geen overleg met haar heeft gevoerd. Zij vindt dat onzorgvuldig van het college. Haar belangen zijn in het bijzonder in het geding door de komst van het zonneveld. Nu zij geen overleg met het college heeft gehad, had de omgevingsvergunning niet verleend mogen worden. Het feit dat zij niet meer deelneemt aan het overleg van de zogenoemde CROBD kan haar niet worden tegengeworpen. Dat betreft geen overleg met het college maar met een onafhankelijke commissie die de provincie adviseert. Op deze adviezen reageert de provincie overigens niet, wat één van de redenen is voor Kempen Airport om niet meer aan dat overleg deel te nemen. Met het contact dat Nyrstar met haar heeft gezocht, heeft het college niet aan zijn zorgvuldigheidsverplichting voldaan. Dan gaat het nog steeds niet om overleg met het college als bevoegd gezag, aldus Kempen Airport.\n\n18. Voor zover Kempen Airport in haar beroepschrift ter ondersteuning van dit betoog heeft gewezen op Verordening (EU) nr. 139\u002F2014 van 12 maart 2014, heeft zij tijdens de zitting op vragen van de rechtbank uitdrukkelijk laten weten met die verwijzing niet te willen betogen dat de omgevingsvergunning in strijd met deze Verordening is verleend. Zij heeft ook niet willen betogen dat de Verordening rechtstreekse werking heeft en door haar in dit geding kan worden ingeroepen. Met de verwijzing naar de Verordening heeft zij alleen willen benadrukken dat het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld en dat het naar haar mening logisch is dat met de exploitant van een luchthaven overleg wordt gevoerd door het bevoegd gezag als zich initiatieven aandienen in de nabije omgeving van een luchthaven.\n\n18. De Wabo kent geen verplichting om overleg te voeren met belanghebbenden voorafgaande aan het verlenen van een omgevingsvergunning. In dit geval kan ook aan het zorgvuldigheidsbeginsel een dergelijke verplichting niet worden ontleend. Het enkele feit dat het belang van Kempen Airport betrokken is bij de omgevingsvergunning is, brengt niet mee dat het college met Kempen Airport moest overleggen voordat het de omgevingsvergunning. Verder heeft het college in de aanloop naar de vergunningverlening of op een ander moment bijvoorbeeld niet toegezegd overleg te zullen voeren met Kempen Airport. Het college heeft voor de mogelijkheid van overleg dan ook kunnen verwijzen naar de uitgebreide voorbereidingsprocedure, in welk verband Kempen Airport een zienswijze naar voren heeft kunnen brengen. Het betoog van Kempen Airport slaagt niet. Vrees voor toename geluidklachten door mijden zonneveld\n\n18. Kempen Airport vreest voor toename van klachten van inwoners van Budel-Dorplein over geluidhinder van de vliegverkeer. Piloten van GA zouden de vliegroute over het zonneveld gaan mijden, onder meer omdat het zonneveld niet meer als noodlandingslocatie wordt gezien. Hierdoor zullen zij uitwijken naar een route over Budel-Dorplein. Dat leidt dan weer tot meer klachten van inwoners van Budel-Dorplein. Daarbij verwijst Kempen Airport naar een rapport van adviesbureau To70 (To70) waarin staat dat het vlieggedrag zal wijzigen door de komst van het zonneveld. Dat het terrein nu voornamelijk bestaat uit bomen en beplanting doet daar niet aan af. Een zonneveld bestaat uit schuin opstaande onder stroom staande panelen\u002Fobjecten die nog minder geschikt zijn om op te landen dan een veld met bomen en beplanting. Ook bij andere luchthavens bevinden de panelen zich langs de start- en landingsbaan. Nergens worden vanwege de vliegveiligheid zonnepanelen aangelegd onder een vertrek- of naderingsroute, aldus Kempen Airport.\n\n18. Tijdens de zitting is gebleken dat de grond van Kempen Airport over de gevreesde toename van klachten over geluidhinder, alleen betrekking heeft op mogelijk gedrag van vliegtuigen voor GA. Voor zover Kempen Airport in het beroepschrift heeft aangevoerd dat ook MLA het zonneveld zal mijden, zal de rechtbank op dat punt van het beroep niet ingaan.\n\n18. Het college verwacht niet dat gezagvoerders hun vliegroutes zullen aanpassen door de komst van het zonneveld. Daarvoor verwijst het in de eerste plaats naar de conclusie van het onderzoek door Adecs Airinfra consultants B.V. van 14 september 2021 met kenmerk [kenmerk] (in het dictum van het bestreden besluit “Quickscan vluchtuitvoering”). Het rapport van To70 dat Kempen Airport heeft ingebracht, is gebaseerd op een enquête onder slechts 13 MLA-vliegers. De resultaten zijn daarmee niet representatief en hebben bovendien betrekking op een gedateerd plan. Verder acht het college de vrees van Kempen Airport dat de komst van het zonneveld tot meer geluidsoverlast zal leiden ongegrond. Uit de door de luchthaven op kwartaalbasis uit te brengen rapportage over de geluidsproductie door de vliegtuigen blijkt dat Kempen Airport ruimschoots voldoet aan de geluidnormen.Het college heeft dan ook niet de verwachting dat als gezagvoerders afwijken van de aanbevolen vliegroutes, niet meer wordt voldaan aan de geluidnormen.\n\n23. In de aanloop naar de zitting hebben partijen van gedachten gewisseld over de betekenis van de zogenoemde Aeronautical Information Publication (AIP) over Kempen Airport voor de omgevingsvergunning. Daarbij is de vraag opgekomen of, en zo ja, in hoeverre gezagvoerders verplicht zijn om vliegroutes van en naar Kempen Airport te gebruiken die op de AIP zijn weergegeven. Tijdens de zitting is bij bestudering van de verbeelding die bij de AIP hoort, gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat gezagvoerders verplicht zijn om de “Entry” en “Exit” punten te volgen. Stippellijnen op de verbeelding zijn alleen adviesroutes voor GA, waar de gezagvoerder hoe dan ook niet aan gebonden is. Binnen het circuit van Kempen Airport dat daarop is weergegeven, is de gezagvoerder van GA vrij om een route te kiezen van en naar de verharde landingsbaan. Voor zover partijen standpunten naar voren hebben gebracht over de betekenis van de AIP voor de afweging die het college bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft gemaakt, zal de rechtbank die standpunten buiten beschouwing laten. De betekenis van de AIP is namelijk niet in geschil, zo is tijdens de zitting gebleken.\n\n23. De rechtbank deelt niet het standpunt van het college dat het relativiteitsbeginsel als bedoeld in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de weg staat aan vernietiging van de omgevingsvergunning vanwege de door Kempen Airport gevreesde toename van geluidklachten van bewoners van Budel-Dorplein. De norm van een goede ruimtelijke ordening, die van toepassing is op een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, ziet namelijk ook op de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf als het gaat om de borging van goed woon- en leefklimaat. Degene die een bedrijf uitoefent kan, omdat hij geconfronteerd kan worden met klachten van de bewoners van een woning over de milieugevolgen van zijn bedrijf, aanvoeren dat in de omgeving vanwege de milieugevolgen van zijn bedrijf geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Dat betekent dat de mogelijke toename van geluidhinder niet alleen naar voren kan worden gebracht door omwonenden en inwoners van Budel-Dorplein, maar ook door Kempen Airport. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de Afdeling, zoals die onder meer blijkt uit de uitspraak van 11 november 2020.\n\n24.1.. In het bestemmingsplan “Zonering Luchthaven Budel” is de Verordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant (de verordening) verwerkt. De verordening is een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43 van de Wet luchtvaart. Een luchthavenbesluit bevat regels over het luchthavenluchtverkeer, de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond een luchthaven, geluidregels over het luchthavenverkeer en regels die nodig zijn voor vliegveiligheid. Daarnaast wordt in een luchthavenbesluit een beperkingengebied vastgesteld en kan dit regels bevatten over de functie en het gebruik van het gebied rond de luchthaven, waaronder de hoogte van bouwwerken. Op grond van artikel 8.47, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8.9, eerste lid, van de Wet luchtvaart, zoals die luidden tot inwerkingtreding van de Omgevingswet, moet bij een besluit over een omgevingsvergunning om van een bestemmingsplan af te wijken een luchthavenbesluit in acht worden genomen. De afweging wat in verband met de vliegveiligheid rond een luchthaven wel en niet mag, wordt daarmee in beginsel in een luchthavenbesluit gemaakt. Als geen strijd bestaat met het luchthavenbesluit, zoals in dit geval, moet het luchthavenbesluit niet in acht worden genomen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college er daarom van uitgaan dat het zonneveld niet in strijd komt met het belang van de luchthaven en van de vliegveiligheid. Het college diende bij de beslissing over de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan wel rekening te houden met die belangen. Die belangen zijn namelijk bij het besluit over de omgevingsvergunning betrokken. Bij de beslissing om al dan niet in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, komt het college echter beleidsruimte toe. Dat betekent dat de rechtbank niet in de plaats van het college zelf gaat bepalen wat redelijk is, maar beoordeelt of de keuze van het college niet onredelijk is. De keuze van het college toetst de rechtbank dus terughoudend, tenzij de verlening van de omgevingsvergunning in strijd met het recht is.\n\n24.2.. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank in de door Kempen Airport gevreesde toename van geluidhinder en daarmee samenhangende mogelijke klachten van inwoners van Budel-Dorplein, in redelijkheid geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning voor het zonneveld te weigeren. Ook als moet worden aangenomen dat gezagvoerders de route over het zonneveld zullen mijden, blijkt uit de stukken en wat op de zitting aan de orde is gekomen niet dat de geluidnormen die gelden voor Kempen Airport worden overschreden. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat bij gebruik van andere vliegroutes dan de aanbevolen vliegroutes de geluidnormen (ruimschoots) kunnen worden nageleefd. Dan blijft alleen de vrees voor de toename van klachten van inwoners Budel-Dorplein over. Het college heeft in alleen de vrees voor toename van de klachten in redelijkheid geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning te weigeren. Het betoog van Kempen Airport slaagt daarom niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Nyrstar het zonneveld mag aanleggen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Huijben, voorzitter, en mr. R. Grimbergen en mr. J.J.H. van Kempen, leden, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2024.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2014:2959.\n\n Deze normen zijn vastgelegd in de door provinciale staten van Noord-Brabant vastgestelde Verordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant van 20 september 2013 en laatstelijk gewijzigd in de Eerste wijzigingsverordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant van 19 januari 2018.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o 10.6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:4571","2024-10-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.042Z",{"id":51,"ecli":52,"slug":53,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":54,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":57,"parsedAt":30,"updatedAt":58},"761","ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","ecli-nl-ghshe-2024-2468","2024-07-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-000535-22\n\nUitspraak : 26 juli 2024\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 21 februari 2022, in de strafzaak met parketnummer 82-205241-21 tegen:\n\n [verdachte]\n\nStatutair gevestigd te [adres] ,\n\ngedagvaard als:\n [maatschap] ,\n\nstatutair gevestigd te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3 aanhef en onder a, juncto artikel 2.1 eerste lid aanhef en onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht” veroordeeld tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 9.000,00 waarvan € 4.500,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nGeldigheid van de dagvaarding\n\nAmbtshalve merkt het hof op dat de dagvaarding in hoger beroep, zoals ook in eerste aanleg het geval was, is gericht aan ‘ [maatschap] ’. Ter terechtzitting in eerste aanleg is reeds gebleken dat ‘ [maatschap] ’ niet bestaat. Ook is gebleken dat [vertegenwoordiger verdachte] – naast de besloten vennootschap [bedrijf 2] – maat is in de ‘ [verdachte] ’ en dat hij daarnaast enig aandeelhouder en bestuurder is van de besloten vennootschap [bedrijf 2] Dit komt overeen met de gegevens in het procesdossier. Gelet hierop, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de tenaamstelling in de dagvaarding berust op een kennelijke vergissing. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is hierdoor bij de maatschap geen verwarring ontstaan en was bekend welk strafrechtelijk verwijt haar werd gemaakt. Het hof leest daarom de op de dagvaarding vermelde naam van de verdachte ‘ [maatschap] ’ verbeterd als ‘ [verdachte] ’. De verdachte is hierdoor niet in haar belangen geschaad.\n\nUit het dossier blijkt ook dat [vertegenwoordiger verdachte] in persoon de huurovereenkomst van de stallen heeft getekend en dat de stallen bedrijfsmatig door hem werden verhuurd, terwijl blijkens de verklaring van de heer [vertegenwoordiger verdachte] als vertegenwoordiger van de [verdachte] (onder meer) activiteiten ontplooit op het gebied van de verhuur van vastgoed in de agrarische sector. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens het laatste woord namens de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nprimair:\n\nzij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A;\n\nsubsidiair:[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 29 april 2020, althans op of omstreeks 27 januari 2020, te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] , aldaar, waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, melk en\u002Fof eieren, al dan niet opzettelijk, in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\u002Fof,\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij\u002Ftot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest, althans opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen heeft verschaft door toen daar onder andere de stal 3a en\u002Fof de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nVrijspraak\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als drijver van de inrichting in de stallen 3a en 4a aan de [adres] . Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt immers dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over de varkenshouderij die in die stallen werd geëxploiteerd. Die zeggenschap lag volledig bij [medeverdachte] , die het hof dan ook als drijver van de inrichting kwalificeert (zie hierna in het arrest). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte niet desondanks als medepleger van het haar primair tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt geenszins dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] .\n\nGelet op het voorgaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken. Het subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde feit acht het hof wel wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna is uiteengezet.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 te [adres] in de gemeente Alphen-Chaam, als degene die een inrichting dreef aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren werden gehouden voor de productie van vlees, opzettelijk in een dierenverblijf voor de hoofdcategorie varkens (subcategorie biggenopfok (gespeende biggen)) dat was opgericht uiterlijk op 30 juni 2015,\n\nin stal 3a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A, en\n\nin stal 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, althans met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak van 0,21 kg NH3 per dierplaats per jaar die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A,\n\nbij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest door toen daar de stal 3a en de stal 4a aan [medeverdachte] te verhuren.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nTen behoeve van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nBewijsoverwegingen\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het tenlastegelegde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nJuridisch kader\n\nOp 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Dit besluit, dat was gericht aan de (intensieve) veehouderijen, bepaalde de maximale emissiewaarden voor ammoniak waaraan door deze veehouderijen moest worden voldaan. Landelijk werd echter een gedoogbeleid gevoerd, ook wel aangeduid als het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Onderdeel van dit actieplan was de stoppersregeling. Veehouderijen die daarvoor waren aangemeld, werden tot 1 januari 2020 vrijgesteld van naleving van de huisvestingsvoorschriften uit het besluit. Wel dienden zij met andere maatregelen een reductie van ammoniakemissie te realiseren. Vanaf 1 januari 2020 moesten de voor de stoppersregeling aangemelde veehouderijen ofwel zijn beëindigd ofwel zodanig zijn aangepast dat alsnog werd voldaan aan de maximale emissiewaarden als opgenomen in het besluit. Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit emissiearme huisvesting is dat besluit niet van toepassing op veehouderijen die maximaal het aantal dieren houden dat in de vierde kolom van de tabel onder bijlage I wordt genoemd. Voor houders van speenbiggen is dat aantal vastgesteld op 20.\n\nArtikel 5, eerste lid onder a, in combinatie met bijlage I van het Besluit emissiearme huisvesting schrijft voor dat degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in een dierenverblijf, dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015, voor de hoofdcategorie varkens geen huisvestingssystemen toepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan 0,21 kilogram NH3 per dierplaats per jaar.\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\n [medeverdachte] , opgericht op 16 december 2012, betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. [verdachte] is opgericht op 1 januari 2014 en houdt zich in haar – overigens reeds vanaf 1 januari 2004 bestaande – onderneming onder meer bezig met het verhuren van vastgoed in de agrarische sector. Sinds de oprichting van de maatschap heeft zij als maten de heer [vertegenwoordiger verdachte] en de besloten vennootschap [bedrijf 2] . Van deze laatste rechtspersoon is de heer [vertegenwoordiger verdachte] enig aandeelhouder en bestuurder.\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 huurde [medeverdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3, stal 4 en stal 6 – van [vertegenwoordiger verdachte] . Deze stallen waren gevestigd aan de [adres] . Uit de huurovereenkomst, gesloten tussen beide partijen, volgt dat van de stallen 3 en 4 enkel de kraamafdelingen en van stal 4 ook de opfokafdeling werden verhuurd. Stal 6 betrof de biggenstal en werd in het geheel aan [medeverdachte] verhuurd.\n\nOp 28 november 2011 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning (activiteit milieu) afgegeven voor het houden van onder meer 155 kraamzeugen inclusief biggen tot spenen (71 in stal 3a en 84 in stal 4a) en 1728 gespeende biggen (in stal 6). In oktober 2014 is aan [vertegenwoordiger verdachte] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets verleend. Daarbij is het hiervoor genoemde, in de in 2011 verleende omgevingsvergunning opgenomen voorschrift ongewijzigd gebleven. Verder was [vertegenwoordiger verdachte] aangemeld voor de stoppersregeling van het Actieplan Ammoniak Veehouderij.\n\nOp 27 januari 2020 zijn de stallen 3a, 4a en 6 aan de [adres] door een toezichthouder van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant aan een controle onderworpen. Daarbij is geconstateerd dat in de stallen 3a en 4a meer dieren (speenbiggen) werden gehouden dan op grond van de aan [vertegenwoordiger verdachte] verleende omgevingsvergunning was toegestaan. Ook werd vastgesteld dat in stal 3a een huisvestingssysteem werd toegepast met een emissiefactor voor ammoniak van 0,69 kg NH3 per dierplaats per jaar en in stal 4a een huisvestingssysteem met een emissiefactor voor ammoniak van 0,24 kg NH3 per dierplaats per jaar, met als gevolg dat de huisvestingssystemen van de stallen 3a en 4a niet voldeden aan het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nDrijver van de inrichting\n\nOp grond van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting is degene die een inrichting drijft waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, verplicht zich te houden aan de in bijlage I bij dat besluit genoemde maximale emissiewaarden voor ammoniak. De wetgever heeft niet bepaald op grond van welke criteria kan worden vastgesteld wie in een bepaald geval de drijver van een inrichting is. Het begrip “drijverschap” heeft derhalve nader invulling gekregen in de jurisprudentie en literatuur. Daaruit volgt dat, om te bepalen wie een inrichting drijft, van belang is wie feitelijk de zeggenschap heeft over (de exploitatie van) die inrichting en\u002Fof over haar activiteiten alsmede over het gebruik van het onroerend goed ten behoeve van het verrichten van deze activiteiten. De drijver kan zowel een natuurlijke als een rechtspersoon zijn.\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte] houder was van de biggen die in de periode van 1 januari 2020 tot en met de laatste week van april 2020 in stal 3a en stal 4a aan de [adres] waren gehuisvest en ook beschikte over de daarvoor benodigde varkensrechten. Het was [medeverdachte] die de varkenshouderij op de desbetreffende locatie exploiteerde.\n\nHet hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat [medeverdachte] de drijver was van de inrichting (in de stallen 3a en 4a) aan de [adres] , waarin speenbiggen werden gehouden. Op haar lag dan ook als drijver van de inrichting de plicht om te voldoen aan artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat zij aan die plicht in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet heeft voldaan.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte geen enkele feitelijke zeggenschap had over (de exploitatie van) de in de stallen 3a en 4a ingerichte varkenshouderij. Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat de verdachte niet (ook) als drijver van voornoemde inrichting kan worden aangemerkt.\n\nOpzet bij (de vertegenwoordiger van) [medeverdachte]\n\nDe vertegenwoordiger van [medeverdachte] heeft op 29 juli 2020 verklaard dat hij wist dat de huisvestingssystemen van stal 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet aan het Besluit emissiearme huisvesting voldeden. Desalniettemin heeft hij tot de laatste week van april 2020 in deze stallen speenbiggen gehouden. Daarmee heeft de vertegenwoordiger van [medeverdachte] opzettelijk gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nToerekening van de verboden gedraging aan [medeverdachte]\n\nHet hof stelt voorop dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de (verboden) gedraging in kwestie redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.\n\nVan een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:\n\nhet gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,\n\nde gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,\n\nde gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.\n\n [medeverdachte] betreft een onderneming in het exploiteren en het doen exploiteren van intensieve veehouderij, in het bijzonder van fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 huurde [medeverdachte] de stallen 3a en 4a aan de [adres] . In onder meer deze stallen hield zij speenbiggen en werd haar varkenshouderij geëxploiteerd. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat de huisvestingssystemen in de stallen 3a en 4a aan de [adres] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 niet voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. [medeverdachte] was, als drijver van de in de stallen gevestigde inrichting, verantwoordelijk voor de naleving van deze voorschriften. Bewust heeft zij nagelaten maatregelen te treffen om wel aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting te voldoen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had. Het hof is, gelet op het voorgaande, dan ook van oordeel dat de verboden gedragingen, zoals tenlastegelegd, aan [medeverdachte] kunnen worden toegerekend.\n\nMedeplichtigheid [verdachte]\n\nVan 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde [vertegenwoordiger verdachte] drie stallen – in het dossier aangeduid als stal 3a, stal 4a en stal 6 –, gelegen aan de [adres] , aan [medeverdachte] In de tussen beide partijen gesloten huurovereenkomst is opgenomen dat huurder gehouden is het gehuurde overeenkomstig de bestemming als varkensstallen te gebruiken en het gehuurde daartoe tot beëindiging van deze overeenkomst ook zo ingericht te houden.\n\nUit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat vanaf 1 januari 2020 de stallen 3a en 4a niet meer voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting. Blijkens zijn verklaring van 10 augustus 2020 was [vertegenwoordiger verdachte] hiervan op de hoogte. De latere ontkenning daarvan acht het hof niet overtuigend. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat in het controleverslag van 29 oktober 2018 – de stallen van [vertegenwoordiger verdachte] stonden op dat moment leeg – is opgenomen “dat stal 6 [mogelijk] nog een enkele keer zal worden gebruikt voor het houden van gespeende biggen, aangezien deze voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting maar dan zal hier wel een huurder voor moeten worden gevonden”. Bovendien leidt het hof uit een door [vertegenwoordiger verdachte] zelf opgestelde en ondertekende verklaring van 10 augustus 2020 af dat hij eind december 2019 wist dat de biggen met enige urgentie in de aan [medeverdachte] verhuurde stallen vóór 1 januari 2020 moesten zijn verwijderd en dat “zijn stal per 31-12-2019 dan leeg (zou) zijn”, terwijl – nota bene - de verhuurovereenkomst eigenlijk nog tot eind mei 2020 zou doorlopen.\n\nDoor een huurovereenkomst te sluiten met [medeverdachte] voor de periode van 1 augustus 2018 tot en met mei 2020, waarin expliciet is bepaald dat de gehuurde stallen – te weten de stallen 3a, 4a en 6 – overeenkomstig de bestemming als varkensstallen dienen te worden gebruikt, wetende dat de stallen 3a en 4a vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het Besluit emissiearme huisvesting, heeft [vertegenwoordiger verdachte] minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door [medeverdachte] vanaf 1 januari 2020 met betrekking tot de stallen 3a en 4a in strijd zou worden gehandeld met dat besluit. Door het sluiten van de huurovereenkomst heeft [vertegenwoordiger verdachte] aan [medeverdachte] de gelegenheid en middelen verschaft tot het plegen van dat strafbare feit.\n\nHet hof merkt nog op dat [vertegenwoordiger verdachte] de huurovereenkomst met [medeverdachte] op persoonlijke titel heeft gesloten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, zowel in eerste aanleg – zoals dat is beschreven in het proces-verbaal van die zitting – als in hoger beroep, volgt evenwel dat de stallen door [vertegenwoordiger verdachte] in het kader van zijn bedrijf, dat zich immers onder meer richt op het verhuren van vastgoed in de agrarische sector, werden verhuurd. Hieruit leidt het hof af dat [vertegenwoordiger verdachte] namens ‘ [verdachte] ’ de stallen heeft verhuurd. Dat komt overeen met wat [vertegenwoordiger verdachte] tijdens zijn laatste woord ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard.\n\nDe periode\n\nNa de controle op 27 januari 2020 is [medeverdachte] begonnen met het leeghalen van de stallen. Vanaf 1 januari 2020 mochten in de stallen 3a, 4a en 6 respectievelijk maximaal 20, 20 en 1728 biggen worden gehouden. Op de veesaldokaart is te zien dat voor het eerst op 20 april 2020 in totaal niet meer dan 1768 biggen werden gehouden op de locatie [adres] . Tot en met 19 april 2020 was daarom zonder meer sprake van een illegale situatie. Het hof acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting.\n\nConclusie\n\nOp grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte] in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 als drijver van een inrichting aan de [adres] waarin landbouwhuisdieren worden gehouden, in de stallen 3a en 4a een huisvestingssysteem heeft toegepast met een hogere emissiefactor voor ammoniak dan de maximale emissiewaarde voor ammoniak die is vermeld in de bij het Besluit emissiearme huisvesting behorende bijlage 1, kolom A. Daarmee heeft [medeverdachte] gehandeld in strijd met artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting. Deze overtreding is op grond van artikel 1a van de Wet op de economische delicten in combinatie met artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer een economisch delict. Door het in voornoemde periode verhuren van de stallen 3a en 4a aan [medeverdachte] , die daarin een varkenshouderij exploiteerde, wetende dat deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan de huisvestingsvoorschriften van het Besluit emissiearme huisvesting, is de verdachte, [verdachte] , medeplichtig geweest aan de door [medeverdachte] begane overtreding van artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer. De in de huurovereenkomst opgenomen clausules die de verantwoordelijkheid voor het naleven van de vergunningvoorschriften en de toepasselijke wet- en regelgeving op de huurder leggen, ontslaan de verdachte niet van deze strafrechtelijke aansprakelijkheid.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmedeplichtigheid aan overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, alsmede op de aard en hoedanigheid van de verdachte rechtspersoon en haar draagkracht, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof verenigt zich in grote lijnen met de straf(maat)overwegingen, zoals opgenomen in het vonnis van de rechtbank, en heeft deze, voor zover het zich ermee verenigt, tot de zijne gemaakt. In dit arrest zijn de straf(maat)overwegingen uit het vonnis dan ook voor een groot deel letterlijk overgenomen. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank naar eigen inzicht verbeterd, aangevuld en\u002Fof genuanceerd.\n\nIndien en voor zover in dit arrest wordt verwezen naar voorschriften uit wet- en regelgeving, wordt daarmee bedoeld de voorschriften uit wet- en regelgeving zoals die luidden ten tijde van het bewezenverklaarde, dus in de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij medeplichtig is geweest aan overtreding van artikel 5, eerste lid onder a, van het Besluit emissiearme huisvesting, begaan door [medeverdachte] . In de periode van 1 augustus 2018 tot en met april 2020 verhuurde de verdachte drie varkensstallen aan [medeverdachte] , wetende dat twee van deze stallen vanaf 1 januari 2020 niet (meer) voldeden aan het hiervoor genoemde besluit. Daarmee heeft zij minst genomen op de koop toegenomen dat vanaf 1 januari 2020 door [medeverdachte] met betrekking tot twee van de door verdachte verhuurde stallen een overtreding zou worden begaan. Dat is ook gebeurd. In de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 april 2020 heeft [medeverdachte] in de desbetreffende stallen een huisvestingssysteem toegepast met een emissiefactor voor ammoniak die hoger is dan de destijds op grond van voornoemd besluit toegestane maximale emissiewaarde voor ammoniak. Het Besluit emissiearme huisvesting heeft onder meer tot doel de uitstoot van ammoniak te beperken en daarmee het milieu te beschermen. Met haar handelen heeft de verdachte zich van deze belangen weinig aangetrokken. Dit rekent het hof de verdachte aan.\n\nHet hof heeft acht geslagen op het, de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 mei 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.\n\nAlles afwegende, is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf, te weten een geldboete ter hoogte van € 6.000,00 waarvan € 3.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 48, 49, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 8.40 van de Wet milieubeheer en artikel 5 van het Besluit emissiearme huisvesting, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 6.000,00 (zesduizend euro);\n\nbepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot € 3.000,00 (drieduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.J. Henzen, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. M. van der Horst, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. S. Kerssies, griffier,\n\nen op 26 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. A.J. Henzen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2468","2024-07-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:46.913Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":63,"fullText":64,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":65,"sourceTimestamp":66,"parsedAt":30,"updatedAt":67},"580","ECLI:NL:RBOBR:2023:3260","ecli-nl-rbobr-2023-3260","2023-07-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 22\u002F2751 en SHE 22\u002F2730\n uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2023 in de zaken tussen\n Brabant Luchtvaart Beheer B.V. h.o.d.n. Kempen Airport, uit Budel, eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Schnitker),\n\nen\n\n [eisers], uit [woonplaats] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck, het college\n\n(gemachtigden: mr. A.W.R. Verbruggen, D. Kara en M.B.E.J. Kösters).\n\nAls derde-partijen nemen aan de zaken deel: de raad van de gemeente Cranendonck,[naam] B.V.en[naam] B.V., beide uit [vestigingsplaats] , (gemachtigde: mr. S.L. Kombrink).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres en eisers tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor een zonnepark, genaamd Nyrstar II, gelegen in een gebied tussen de Fabrieksstraat en de Hoofdstraat in Budel-Dorplein, gemeente Cranendonck.\n\n2. Het college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 5 oktober 2022 verleend.\n\n3. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. [naam] B.V. ( [naam] ) heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n4. De rechtbank heeft de beroepen op 24 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [naam] , de gemachtigden van het college, en de gemachtigde van [naam] en [naam] B.V., vergezeld door [naam] , [naam] , [naam] en [naam] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning voor de realisatie van het zonnepark. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres en eisers.\n\n6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep van eisers gegrond is en het beroep van eiseres ongegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n7. De voor de beoordeling van de beroepen van belang zijnde regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\nFeiten\n\n8. [naam] en [naam] B.V (derde-partijen) willen een zonnepark realiseren, genaamd Nyrstar II, op het industrieterrein Nyrstar te Budel-Dorplein, op de percelen kadastraal bekend gemeente Budel, sectie G, nummers [nummers] . Het zonnepark is voorzien op het (braakliggend) terrein van een zinkfabriek en wordt omgeven door natuurgebied de Loozerheide aan de oostzijde, de Zuid-Willemsvaart aan de zuidzijde en aan de noordzijde door een spoorlijn. Het zonnepark heeft, inclusief de landschappelijke inpassing, een omvang van ongeveer 41 hectare, waarvan ongeveer 23 hectare zal worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Het zonnepark zal ongeveer 58 megawattpiek aan duurzame energie opwekken en ligt in de directe nabijheid van een al aanwezig zonnepark.\n\n9. Eisers wonen allen in het dorp Budel-Dorplein op een afstand van meer dan één kilometer van het zonnepark. Eiseres exploiteert luchthaven Budel, ook wel Kempen Airport genoemd, en richt zich met name op de kleine zakelijke luchtvaart die gebruik maakt van een verharde landingsbaan. Het vliegveld beschikt daarnaast over een grasbaan voor Micro Light Aircrafts (MLA’s), die gelegen is tussen de verharde hoofdbaan en de Loozerheide.\n\n10. Ter plaatse van de percelen waarop het zonnepark is voorzien geldt op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” de bestemming “Bedrijventerrein 1a”. Op grond van dit plan zijn aan een deel van het perceel de aanduidingen “ondergrondse leiding” en “invliegfunnel vliegveld Budel” toegekend. Daarnaast geldt voor een gedeelte van het plangebied het bestemmingsplan “Zonering Luchthaven Budel”. Op grond van dit plan heeft een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduidingen “geluidzone – luchthaven Budel 3”, “luchtvaartverkeerzone – 1”, “luchtvaartverkeerzone - 2”, “luchtvaartverkeerzone – 3” en “veiligheidszone – externe veiligheid luchthaven Budel 2”. Het college heeft de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” verleend, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De omgevingsvergunning heeft een geldigheidsduur van 25 jaar. Ten behoeve van het project heeft de raad van de gemeente Cranendonck op 27 september 2022 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo.\n\n11. Op deze zaak is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (de Chw) van toepassing, omdat het project ziet op de aanleg van een productie-installatie ten behoeve van hernieuwbare elektriciteit met behulp van zonne-energie, zoals bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de Chw.Beroepsgronden\n\nIngetrokken\n\n12. Ter zitting heeft eiseres haar beroepsgrond over de strijd van het bestreden besluit met artikel 20 van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen ingetrokken.\n\nVrees voor veiligheid en geluidoverlast\n\n13. Eiseres stelt dat MLA’s nu vliegen over het perceel waarop het zonnepark zal worden aangelegd. Zij vreest dat er een gevaarlijke situatie kan ontstaan voor de inzittenden van MLA’s, als zij over het zonnepark vliegen op het moment dat er een motorstoring optreedt. Er wordt ter hoogte van het zonnepark namelijk nog op lage hoogte gevlogen, waardoor het voor een MLA-vlieger, die bij een eventuele motorstoring alleen nog rechtuit kan landen, niet mogelijk is om op tijd een open gebied te vinden waar een noodlanding kan worden uitgevoerd. Eiseres en ook eisers vrezen daarom dat piloten na realisatie van het zonnepark uit veiligheidsoogpunt een andere vliegroute zullen kiezen en dan dichter bij Dorplein zullen gaan vliegen. Dat blijkt volgens eiseres ook uit het onderzoek ‘MLA circuit versus Metalot (DIC) en zonnepanelen’ van To70 van juli 2019, welk onderzoek door het college ten onrechte niet is betrokken bij zijn besluitvorming. Omdat de plannen omtrent het zonnepark na het uitbrengen van het rapport van Adecs Airinfra Consultants (Adecs) in 2021 zijn aangepast, stelt eiseres dat het college zijn besluit daarop niet heeft mogen baseren. Dat het college de veiligheid van de luchtvaart niet heeft betrokken bij zijn besluit, blijkt volgens eiseres ook uit het feit dat bij het opstellen van het inpassingsplan op geen enkele wijze met haar overleg is gevoerd. Een andere vliegroute heeft volgens eisers voor hen tot gevolg dat de geluidbelasting op hun woningen zal toenemen. Die geluidbelasting is al hoog vanwege een nabijgelegen NAVO-vliegbasis, de zinkfabriek en vrachtverkeer over de Hoofdstraat. Eiseres stelt dat er hierdoor een hogere geluidbelasting kan optreden op de handhavingspunten HH1 en HH2. Overschrijding van de geluidgrenswaarden kan nadelige gevolgen hebben voor het toegestane gebruik van de luchthaven.\n\n14. Het college betwist niet (langer) dat het zonnepark, wat het MLA-vliegverkeer betreft, voor een klein deel onder het MLA-vliegcircuit ligt en deels onder exit 21. Er zijn geen specifieke regels voor MLA-vliegverkeer, aldus het college. De uiteindelijke verantwoordelijkheid ligt bij de vlieger zelf. MLA-vliegtuigen staan er volgens het college om bekend dat zij een korte landings- en startmogelijkheid hebben zonder grote eisen aan infrastructuur. Een goed weiland zou volgens het college voldoende moeten zijn. Daar is rondom het zonnepark ook sprake van. De omgeving van Nystar bestaat veelal uit bebossing en treinrails. Het is niet realistisch om met een noodlanding rekening te moeten houden. Bovendien is nood- of voorzorglanden in een zonnepanelenveld in principe niet anders dan op een andere locatie met obstakels in de vorm van bebouwing. Daarbij wijst het college erop dat op grond van het geldende bestemmingsplan ter plaatse bebouwing is toegelaten met een hogere bouwhoogte dan de zonnepanelen, die een hoogte hebben van 2 meter. Dit maakt volgens het college de overlevingskansen groter bij een goed uitgevoerde noodlanding dan wanneer hogere bouwwerken zouden zijn gerealiseerd. Het college heeft verder naar voren gebracht dat er, op grond van het bestemmingsplan “Zonering luchthaven Budel”, veiligheidszones zijn aangewezen. Met de realisatie van het zonneveld worden deze zones vrijgehouden. Bovendien is door Adecs nader onderzocht of er mogelijke effecten kunnen optreden. De conclusie van dit onderzoek is dat de realisatie van het zonneveld niet leidt tot aanpassing van vliegroutes. Wat de wijziging van de geluidbelasting op de handhavingspunten HH1 en HH2 betreft, heeft het college gesteld dat deze handhavingspunten op respectievelijk 1,8 km en 1,35 km van het punt liggen waar MLA-vliegers zouden moeten uitwijken. MLA-vliegers hebben in een dergelijk geval alle ruimte om weer terug op de aangewezen routes te komen. Volgens het college dienen MLA-vliegers zich in beginsel echter te allen tijde te houden aan de voorgeschreven vliegroutes, zodat uitwijken naar HH1 en HH2 voor MLA-vliegverkeer in de eerste plaats geen optie is en ook niet noodzakelijk is. Daarnaast is voor het uitwijken voorafgaande toestemming van de verkeersleiding nodig. Verder kan het MLA-vliegverkeer er in de praktijk mogelijk voor kiezen om het zonnepark te mijden en iets noordelijker en daarmee verder van de bebouwing en de omwonenden te vliegen. Dit zal geen extra geluidhinder in de omgeving veroorzaken. Het college stelt dat het zich, ondanks dat de plannen rondom het zonnepark na het uitbrengen van het rapport van Adecs op 14 september 2021 zijn aangepast, in die zin dat het zonnepark nu uit één groot geheel zal bestaan in plaats van uit twee delen, nog steeds op de bevindingen in dit rapport kan beroepen, omdat deze aanpassingen geen gevolg hebben voor de door het MLA-vliegverkeer gehanteerde route. Ten aanzien van het landschappelijk inpassingsplan van Eelerwoude heeft het college gesteld dat er geen wettelijke plicht bestaat om hierover overleg te voeren alvorens het bestreden besluit te nemen. Bovendien maken de vliegroutes van onder andere het MLA-vliegverkeer geen onderdeel uit van het landschappelijk inpassingsplan. Bij een dergelijk plan is het doel om het zonnepark vanuit zichtlijnen op de beste manier op te laten gaan in het landschap door middel van bijvoorbeeld grondwallen, struweel, bosschage, hagen, groenstroken, bosranden en groenwallen. Wat de vliegroutes betreft dient het college wettelijk gezien alleen rekening te houden met specifieke veiligheidszones of obstakelvrije zones. Hierin valt het plangebied niet. 15. De rechtbank stelt vast dat de MLA-vliegtuigen na het opstijgen op grasbaan 21 van het vliegveld een bepaald circuit volgen over het Nystar industrieterrein. Dit heeft te maken met de AIP (Aeronautical Information Publication), op grond waarvan er in principe vaste vliegroutes binnen een circuitgebied gelden waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Vast staat dat de MLA-vliegtuigen ook na realisatie van het zonnepark op zich gebruik kunnen blijven maken van het huidige vliegcircuit. Door de aanleg van het zonnepark ontstaat er namelijk geen situatie die met de luchtvaartregelgeving in strijd is. Ter beoordeling ligt dan ook alleen voor of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het zonnepark in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, uit een oogpunt van veiligheid voor inzittenden van MLA’s en eisers en geluidhinder ter plaatse van onder meer de woningen van eisers. In dat kader is van belang of MLA’s gebruik zullen blijven maken van het huidige vliegcircuit als het zonnepark is gerealiseerd of hierom het zonnepark zullen gaan mijden, ook al zijn zij in principe gebonden aan de vaste route. Hoewel in het rapport van To70 van juli 2019 op basis van een enquête onder dertien vliegers die regelmatig vanaf Kempen Airport vliegen is geconcludeerd dat vliegers na realisatie van het zonnepark anders zullen gaan vliegen, is dit een inschatting op basis van een nog niet bestaande situatie. Niet met zekerheid kan worden gesteld dat dit ook zal gaan gebeuren, maar het kan ook niet worden uitgesloten. Hoewel de rechtbank er ter zitting niet van overtuigd is geraakt dat er in de directe omgeving van het zonnepark geen enkele veilige noodlanding meer mogelijk is, is wel aannemelijk geworden dat na realisatie van het zonnepark het in elk geval moeilijker zal zijn om een locatie zonder bouwwerken of andere belemmeringen te vinden voor een noodlanding. Voor zover eiseres vreest dat een noodlanding in het zonnepark zou leiden tot de dood van de inzittenden vanwege het feit dat zonnepanelen onder spanning staan, heeft vergunninghoudster zich op het standpunt gesteld dat deze vrees ongegrond is. Het zonnepark bevat meerdere veiligheidssystemen in de vorm van aardlekbeveiliging en zekeringen. Bij een defect van de zonnepanelen die tot een aardfout leiden zullen de beveiligingen van de omvormers geactiveerd worden, waardoor deze automatisch uitschakelen. Niet aannemelijk is geworden dat dit standpunt onjuist is. Hoewel vliegers van een MLA, gelet op wat hiervoor is overwogen, door de realisatie van het zonnepark mogelijkerwijs een gevoel van onveiligheid kunnen ervaren en hierom het zonnepark zullen mijden en een noodlanding in een zonnepark niet zonder risico is, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het college hierom geen omgevingsvergunning voor het zonnepark heeft kunnen verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college veel belang kunnen hechten aan het feit dat het zonnepark voorziet in een grote lokale en regionale behoefte aan duurzame energie. Ook heeft het college in redelijkheid kunnen stellen dat de locatie geschikt is omdat het zonnepark is voorzien op een nu braakliggend, tot “Bedrijventerrein” bestemd perceel in de directe nabijheid van een al bestaand zonneveld en slechts een gering aantal bewoners hierop zicht zal hebben. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat op grond van het geldende bestemmingsplan, dus zonder afwijking van het bestemmingsplan, hogere bouwwerken op het perceel zijn toegelaten dan de voorziene zonnepanelen. Dat het bestemmingsplan volgens eisers gedateerd is, leidt, wat daarvan ook zij, niet tot een ander oordeel. Verder heeft de rechtbank bij haar oordeel met betrekking tot de veiligheid in aanmerking genomen dat ter zitting onbetwist is gesteld dat er in de afgelopen 30 jaar twee à drie noodlandingen zijn geweest met MLA’s in de nabije omgeving van het vliegveld. Er komen dus noodlandingen voor, maar de frequentie is tot op heden laag. Over het landschappelijk inpassingsplan heeft het college terecht gesteld dat het niet gehouden was om met eiseres hierover overleg te voeren alvorens het bestreden besluit te nemen. 16.Ten aanzien van de vrees voor een toename van de geluidbelasting op de door eiseres genoemde handhavingspunten HH1 en HH2 als bedoeld in artikel 6 van de Verordening luchthavenbesluit luchthaven Budel Noord-Brabant en op de woningen van onder andere eisers overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel door eiseres ter zitting is gesteld dat de aanname in het rapport van Adecs dat de MLA’s mogelijkerwijs iets noordelijker zullen gaan vliegen om het zonnepark te mijden feitelijk niet mogelijk is, is de rechtbank er niet van overtuigd geraakt, gelet op de ligging van deze punten, dat het vermijden van het zonnepark door MLA-vliegers per definitie betekent dat zij dan zo dicht bij de handhavingspunten HH1 en HH2 zullen gaan vliegen dat hierdoor de daar geldende geluidgrenswaarden zullen worden overschreden. Ook is onvoldoende onderbouwd dat vliegers dan zo dicht de dorpskern Budel-Dorplein zullen naderen dat het woon- en leefklimaat van eisers of andere inwoners van het dorp hierdoor onaanvaardbaar zal worden aangetast. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat niet zomaar van het MLA-circuitgebied mag worden afgeweken. Verder hebben derde-partijen ter zitting onbetwist gesteld dat als er iets meer richting het zuiden wordt gevlogen (om het park heen), de afstand tot het dorp nog steeds ongeveer 1 kilometer bedraagt. Al met al is de rechtbank van oordeel dat het college in de vrees voor afname van de veiligheid van MLA-vliegers en van eisers en de vrees voor toename van de geluidbelasting op de woningen van inwoners van het dorp Budel-Dorplein geen aanleiding heeft behoeven te zien om de omgevingsvergunning te weigeren. Dit betoog faalt. Geen draagvlak\n\n17. Eiseres en eisers stellen dat er bij grote ruimtelijke ontwikkelingen, zoals het zonnepark, een breed maatschappelijk draagvlak voor het zonnepark moet worden gecreëerd alvorens tot besluitvorming wordt overgegaan. Dat is hier niet gebeurd.\n\n18. In paragraaf 5.3.1 van de Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024 staat dat de initiatiefnemer van een zonnepark de omgeving en andere belanghebbenden bij de plannen moet betrekken. De initiatiefnemer moet bij de aanvraag van een zonnepark aantonen welke inspanningen door de initiatiefnemer en omgeving en belanghebbenden zijn gepleegd om de eventuele aantasting van de aantoonbaar aanwezige belangen tot een acceptabel niveau te beperken. Initiatiefnemer zoekt met omgeving en belanghebbenden naar mogelijkheden ter compensatie van de overlast die zij mogelijk gaan ondervinden van een zonnepark (mitigerende maatregelen). Dat kan mogelijk in natura (aanpassing van het initiatief voor wat betreft afstanden en\u002F of opstelling, creëren van overgangszone) of financieel (bijvoorbeeld laten meedelen in opbrengst of korting op stroomprijs). Hierover dient een afspraak te worden vastgelegd die door de gemeente kan worden meegewogen bij de definitieve vergunningverlening.\n\n19. Uit de aanvraag blijkt dat er door derde-partijen meerdere informatiebijeenkomsten voor de inwoners van Cranendonck zijn georganiseerd. Ook is een website in het leven geroepen waarop informatie te vinden is over het project. Verder zijn er keukentafelgesprekken gehouden met omwonenden en zijn er gesprekken geweest met eiseres. Naar aanleiding van deze bijeenkomsten en gesprekken hebben er aanpassingen plaatsgevonden aan het project. Voor omwonenden is het mogelijk om 50% korting te krijgen op hun eigen zonnepanelen. Ook doen derde-partijen eenmalig een bedrag van € 100.000,00 en ook jaarlijks een donatie in het omgevingsfonds dat door de gemeente wordt beheerd en waarvan een substantieel deel in de vorm van leefbaarheidsinitiatieven, waaronder het verduurzamen van woningen en het toevoegen van groen, terugvloeit naar de inwoners van Budel-Dorplein. Ten behoeve van eiseres hebben derde-partijen onderzoek laten verrichten naar de gevolgen van de aanleg van het zonnepark in relatie tot het aan- en uitvliegen naar Kempen Airport. Dit onderzoek is neergelegd in het rapport van Adecs. Daarmee hebben derde-partijen naar het oordeel van de rechtbank de omgeving, eiseres en andere belanghebbenden voldoende bij hun plannen betrokken zoals bedoeld in paragraaf 5.3.1 van de Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024. Van overige eisen op grond van gemeentelijke beleid met betrekking tot het creëren van maatschappelijk draagvlak is de rechtbank niet gebleken. Voor zover eiseres ter zitting heeft gesteld dat het college met haar een dialoog had moeten aangaan alvorens het bestreden besluit te kunnen nemen, heeft het college terecht gesteld dat het daartoe niet verplicht was op grond van enig wettelijk voorschrift. Wat eisers en eiseres hierover hebben aangevoerd kan dan ook geen aanleiding geven voor de conclusie dat het besluit op dit punt onrechtmatig is. Dit betoog slaagt niet.\n\nInterim omgevingsverordening20. Eisers stellen dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.41 van de geldende provinciale Interim omgevingsverordening (IOV). In dat kader brengen zij naar voren dat een integraal en actueel onderzoek naar alle vormen van duurzame energie voor de gemeente Cranendonck niet beschikbaar is en dat er evenmin onderzoek beschikbaar is waaruit blijkt dat binnen Cranendonck in onvoldoende mate kan worden voorzien in duurzame energie binnen stedelijk gebied, waartoe het projectgebied niet behoort. De vergunningaanvraag is volgens hen ten onrechte getoetst aan de IOV die gold tot 15 april 2022.\n\n21. Het college heeft erkend dat de aanvraag is getoetst aan een IOV die op dat moment niet meer van kracht was. Het college heeft echter terecht gesteld dat artikel 3.41 van de IOV dat gold tot 15 april 2022 niet wezenlijk verschilt van dat artikel in de IOV die gold met ingang van 15 april 2022. De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag in het bestreden besluit terecht heeft getoetst aan artikel 3.41 van de IOV, omdat het projectgebied in de IOV is weergegeven als ‘Landelijk gebied – gemengd landelijk gebied’. De rechtbank stelt vast dat de mogelijkheden voor zonne-energie zijn onderzocht in de Visie Zonneparken Cranendonck 2019-2024 (Visie Zonneparken), waarin rekening is gehouden met (on-)mogelijkheden van andere energiebronnen. Uit deze visie volgt dat de mogelijkheden voor energieopwekking in stedelijk gebied te beperkt zijn om aan de doelen voor duurzame energie te voldoen en dat er opwekking in landelijk gebied noodzakelijk is. In de gemeentelijke visie wordt gerefereerd aan het rapport \"Energie en ruimte Zuidoost Brabant -Uitsplitsing naar gemeenten\" (Posad (2017). Daarin zijn scenario's onderzocht over de energievraag in Zuid-Oost Brabant en de wijze waarop daarin kan worden voorzien. Het rapport is een aanvulling op het rapport \"Energiestrategie Zuidoost Brabant\" - Energie & Ruimte voor de regionale energiestrategie Regio Zuidoost Brabant (Posad, april 2017). Er is in Cranendonck gekozen voor een maximaal scenario voor duurzaam opwekpotentieel. Het maximale scenario gaat uit van een combinatie van windmolens, zonnepanelen op dak, zonneparken en biomassavergisters. Dit scenario is niet voldoende om de landelijke doelstelling 'nagenoeg energieneutraal in 2050' te halen. Daarvoor moet meer duurzame energie worden opgewekt: 923 TeraJoule meer dan in het maximale scenario is voorzien. Volgens de gemeentelijke visie zouden zonneparken in gemengd landelijk gebied in (een deel van) deze nog extra benodigde duurzame opwekcapaciteit kunnen voorzien, evenals extra windmolens, benutting van geothermie\u002Frestwarmte en extra biomassavergisters. Uit het onderzoek van Posad komt naar voren dat andere hernieuwbare bronnen als windmolens en biovergisters niet in de volledige vraag kunnen voorzien. Ook zijn er niet voldoende beschikbare en geschikte daklocaties of andere binnenstedelijke locaties om voldoende zonne-energie op te wekken. De stelling van eisers dat deze visie louter een politiek stuk is, niet als een toereikend onderzoek kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 3.41 van de IOV en achterhaald is, is onvoldoende onderbouwd. Omdat uit het onderzoek naar voren komt dat niet volledig in de behoefte aan duurzame energie in 2050 kan worden voorzien door alleen de inzet van andere duurzame energiebronnen dan zonne-energie, is daarmee de in artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder a, van de IOV genoemde noodzaak gegeven. Dit betoog slaagt niet.\n\nMaximum areaal bereikt\n\n22. Eisers voeren ook aan dat realisatie van het zonnepark in strijd is met de Visie Zonneparken, omdat hierin een maximum is vastgesteld van 83 hectare netto voor zonneparken in het buitengebied van Cranendonck en dit maximum met dit project wordt overschreden.\n\n23. Het college heeft hierover gesteld dat het zonnepark is uitgezonderd van de Visie Zonneparken. Daarbij is gewezen op het feit dat het project is voorzien op gronden waar het bestemmingsplan “Industrieterrein Dorplein” geldt. Het industrieterrein behoort daardoor tot het stedelijk gebied, zodat de aanleg van het zonnepark niet meetelt in de hectares uit de Visie Zonneparken.\n\n24. In paragraaf 4.2.1 van de Visie Zonneparken is gesteld dat Nyrstar een bedrijventerrein is dat valt binnen het bestaand stedelijk gebied. Derhalve is het in dit gebied toegestaan, zo staat vermeld, om een stedelijke ontwikkeling – zoals een zonnepark – te realiseren als dat via een ruimtelijke procedure is geregeld. Gelet hierop heeft het college terecht gesteld dat het bestreden besluit in zoverre niet in strijd is met de Visie Zonneparken. Dat de projectlocatie in het provinciale beleid wordt aangeduid als ‘Landelijk gebied – gemengd landelijk gebied’ betekent niet dat deze locatie in het gemeentelijk beleid ook als buitengebied moet worden aangemerkt. Dit betoog faalt.\n\nBestemmingsplan\n\n25. Eisers betogen dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend, omdat het zonnepark niet past binnen het geldende bestemmingsplan. Ten onrechte is in de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar een bestemmingsplan dat in 2017 is vernietigd.\n\n26. Niet in geschil is tussen partijen dat een zonnepark op grond van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan op de voorziene locatie. Dat betekent echter niet dat het college de gevraagde omgevingsvergunning hierom niet heeft kunnen verlenen. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo geeft immers aan het college de bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen als aan de hierin genoemde voorwaarden wordt voldaan. In het bestreden besluit is gesteld dat derde-partijen in de ruimtelijke onderbouwing hebben aangegeven waarom hun initiatief voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en wenselijk is op die locatie. Daarbij hebben derde-partijen zich gebaseerd op een vergelijkbaar plan op deze locatie, waarvoor bij de gemeente draagvlak bestond en waarbij de gemeente zich destijds kon vinden in de bijbehorende motivatie. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de ruimtelijke onderbouwing hierom niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dit betoog slaagt niet.\n\nBodemreflectie\n\n27. Eisers brengen verder naar voren dat de effecten van het terugkaatsen van geluid van allerlei geluidbronnen door de zonnepanelen ten onrechte niet is meegenomen bij de besluitvorming over het zonnepark.\n\n28. Het college heeft hierover overwogen dat de dichtstbijzijnde woning op een veelvoud ligt van de richtafstand van 30 meter voor een elektriciteitsinstallatie. Bovendien ligt er een industrieel complex tussen het zonnepark en de woningen in. Enige geluidreflectie vanuit het zonnepark zal volgens het college niet significant bijdragen aan het reeds aanwezige omgevingsgeluid, mede vanwege de afgelegen ligging van de panelen. Derde-partijen hebben nog aanvullend gesteld dat gelet op de hoek van 15 graden waarin de zonnepanelen worden geplaatst, directe reflectie van geluid niet mogelijk is en zelfs kan leiden tot een afname van het geluid. Daarbij is gewezen op een geluidstudie door TNO met betrekking tot zonnepanelen.\n\n29. Gelet op hetgeen het college en derde-partijen naar voren hebben gebracht, is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat, zo er al sprake mocht zijn van enige geluidreflectie vanwege de zonnepanelen, deze zodanig zal zijn dat het college hierom de gevraagde omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen. Dit betoog faalt.\n\nCoalitieakkoord\n\n30. Eisers stellen ook dat het bestreden besluit in strijd is met landelijk beleid. In het coalitieakkoord, dat ten grondslag ligt aan het kabinet Rutte IV, is afgesproken dat er vooral wordt ingezet op grootschalige installatie van zonnepanelen op daken. Zonnepanelen op land worden alleen toegestaan als multifunctioneel gebruik van dat land mogelijk is, bijvoorbeeld op rijksgronden. Het zonnepark is echter niet voorzien op rijksgronden.\n\n31. De rechtbank is van oordeel dat het coalitieakkoord geen toetsingskader voor het college vormt bij de beoordeling van de aanvraag voor de realisatie van een zonnepark, zodat het college hieraan niet is gebonden. Reeds hierom ziet de rechtbank in deze beroepsgrond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Dit betoog slaagt niet.\n\nStikstofdepositie\n\n32. Eisers en eiseres stellen dat tijdens de bouwfase van het zonnepark sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie op het nabijgelegen en kwetsbare Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. Ten onrechte is hiernaar geen onderzoek verricht voordat het bestreden besluit werd genomen.\n\n33. Het college en derde-partijen hebben hierover gesteld dat het relativiteitsvereiste zich verzet tegen de inhoudelijke behandeling van deze beroepsgronden.\n\n34. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (het relativiteitsvereiste).\n\n35. De bepalingen in de Wet natuurbescherming (de Wnb) over de beoordeling van plannen, projecten of andere handelingen, die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Indien een natuurlijke persoon zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, beroept hij zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. De individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Het perceel van eiser [naam] ligt het dichtst bij het hiervoor genoemde Natura 2000-gebied en wel op een afstand van ongeveer 103 meter. Ter zitting heeft hij gesteld vanaf de zolderverdieping van zijn woning zicht te hebben op het natuurgebied. Het Natura 2000-gebied maakt gelet op de afstand en het (zij het beperkte) zicht daarmee onderdeel uit van zijn woon- en leefomgeving, zodat in dit geval verwevenheid bestaat tussen het individuele belang van eiser [naam] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om deze beroepsgrond inhoudelijk te behandelen. Wanneer aan één van de eisers namens wie een beroepschrift is ingediend, het relativiteitsvereiste niet kan worden tegengeworpen, bestaat geen aanleiding om dit ook na te gaan voor de overige eisers namens wie dat beroepschrift is ingediend. 36. Naar het oordeel van de rechtbank strekken de betrokken normen van de Wnb voor de natuur- en landschapsbescherming echter kennelijk niet tot bescherming van de bedrijfseconomische belangen van eiseres waarvoor zij in deze procedure opkomt, zodat haar betoog niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.\n\n37. Vast staat dat er voor het nemen van het bestreden besluit geen onderzoek is verricht naar de stikstofdepositie in de bouwfase omdat met ingang van 1 juli 2021 artikel 2.9a van de Wnb en artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming in werking waren getreden, waarin de zogenoemde partiële bouwvrijstelling was geregeld. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 november 2022is echter geoordeeld dat deze bouwvrijstelling niet had mogen worden toegepast. Gelet hierop had het onderzoek naar stikstofdepositie in de bouwfase voor het nemen van het bestreden besluit moeten zijn verricht. Dat pas na de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022 bekend was dat de partiele bouwvrijstelling niet had mogen worden toegepast leidt niet tot een ander oordeel. Dit betoog slaagt. 38. De rechtbank stelt vast dat het college na het nemen van het bestreden besluit alsnog onderzoek heeft laten verrichten naar de stikstofdepositie in de bouwfase. Uit het daarover uitgebrachte rapport van Eelerwoude van 3 februari 2023 volgt dat in de bouwfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied vanwege het feit dat er elektrisch wordt gebouwd. De conclusie in het rapport dat er geen sprake zal zijn van een depositie boven de 0,00 mol\u002Fha\u002Fjaar hebben eisers niet betwist. Nu uit het rapport volgt dat het project in de bouwfase evenmin als in de gebruiksfase gevolgen zal hebben voor het Natura 2000-gebied, is het standpunt van het college in het bestreden besluit dat voor het zonnepark geen passende beoordeling behoefde te worden gemaakt ook achteraf bezien juist. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.Conclusie en gevolgen\n\n39. Het beroep van eisers is gegrond en dat van eiseres ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat derde-partijen op grond van de verleende omgevingsvergunning een zonnepark aan de Fabrieksstraat mogen aanleggen en in gebruik mogen nemen. Omdat het beroep van eisers gegrond is, krijgen zij het door hen betaalde griffierecht terug. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat het beroep van eiseres ongegrond is, krijgt zij daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank: - verklaart het beroep van eiseres ongegrond; - verklaart het beroep van eisers gegrond; - vernietigt het besluit van 5 oktober 2022; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,00 aan eisers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. D.J. Hutten, leden, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2023.\n\nde griffier is verhinderd te tekenen\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nAls u het niet met deze uitspraak eens bent, kunt u een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin u uitlegt waarom u het niet met de uitspraak eens bent. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze datum staat hierboven.\n\nOp het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.\n\nBIJLAGE\n\nInterim-omgevingsverordening provincie Noord-Brabant\n\nArtikel 3.41 Zonneparken in Landelijk gebied (tekst van voor 15 april 2022)\n\nLid 1\n\nBinnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:\n\na. uit onderzoek blijkt dat de capaciteit voor het opwekken van duurzame energie in Stedelijk gebied, op bestaande bouwpercelen en rekening houdend met de ontwikkelingsmogelijkheden van windenergie onvoldoende is;\n\nb. de nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;\n\nc. de ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;\n\nd. e ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;\n\ne. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.\n\nLid 2\n\nDe maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:\n\na. de mate van meervoudig ruimtegebruik;\n\nb. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;\n\nc. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.\n\nLid 3\n\nEr kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:\n\na. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;\n\nb. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;\n\nc. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.\n\nArtikel 3.41 Zonneparken in Landelijk gebied (tekst met ingang van 15 april 2022)\n\nLid 1\n\nBinnen Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie als:\n\na. uit onderzoek blijkt dat de aanleg van het zonnepark noodzakelijk is omdat in onvoldoende mate voorzien kan worden in de behoefte voor duurzame energie:\n\n1. door de ontwikkeling van andere vormen van duurzame energie;\n\n2. binnen Stedelijk gebied;\n\n3. door meervoudig ruimtegebruik in Landelijk gebied of binnen bestaand ruimtebeslag op bouwpercelen; en\n\n4. op gronden aansluitend op Stedelijk gebied.\n\nde nieuwvestiging past in het onderzoek naar geschikte locaties voor zelfstandige opstellingen van zonnepanelen, gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit;\n\nde ontwikkeling qua omvang inpasbaar is in de omgeving;\n\nde ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;\n\nde ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.\n\nLid 2\n\nDe maatschappelijke meerwaarde wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:\n\na. de mate van meervoudig ruimtegebruik;\n\nb. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;\n\nc. de bijdrage die wordt geleverd aan andere maatschappelijke doelen.\n\nLid 3\n\nEr kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:\n\na. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;\n\nb. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;\n\nc. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2065.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:283.\n\n ECLI:NL:RVS:2022:3159.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:3260","2023-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.874Z",{"id":69,"ecli":70,"slug":71,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":72,"fullText":73,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":75,"parsedAt":30,"updatedAt":76},"567","ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","ecli-nl-rbobr-2023-3092","2023-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 22\u002F33\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , [eiseres]\n\n(gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. J. Zweers),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven\n\n(gemachtigde: mr. M.L.M. Lammerschop).\n\nInleiding\n\n1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclameobjecten aan de [adres] in [plaats] .\n\n1.2. Het college heeft de aanvraag voor de vergunning met het besluit van 15 juni 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2021 op het bezwaar van [eiseres] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van [eiseres] en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2.1. De rechtbank beoordeelt of het college de weigering van een omgevingsvergunning voor reclameobjecten in stand heeft kunnen gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] .\n\n2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n3. De rechtbank gaat uit van het volgende.\n\n [eiseres] huurt het pand aan de [adres] te [plaats] (het perceel) en gebruikt dit sinds 1 april 2021 voor bedrijfsactiviteiten.\n\nOp deze locatie heeft bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007” betrekking (het bestemmingsplan 2007). Dit bestemmingsplan gold ten tijde van het bestreden besluit. Op 4 april 2022 is bestemmingsplan “Kapelbeemd – GDC – Zuid 2021” vastgesteld (het bestemmingsplan 2021). Het bestemmingsplan 2021 is na het bestreden besluit in werking getreden.\n\nIn het bestemmingsplan 2007 rust op het perceel de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden I’. Artikel 3 van dit bestemmingsplan bepaalt dat het perceel bestemd is voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van Bedrijfsactiviteiten.\"Niet in geschil is dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] op deze locatie onder een lagere milieucategorie vallen dan daar is voorgeschreven.\n\nTussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] in strijd zijn met artikel 3 van het bestemmingsplan 2007. Het college wenst geen strijdig gebruik toe te staan voor het door [eiseres] aangevraagde gebruik en heeft de aanvraag daarom afgewezen.\n\nHad het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 buiten toepassing moeten laten?\n\n4.1. \n [eiseres] stelt dat het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 bij de beoordeling van de aanvraag buiten toepassing had moeten laten. Daartoe voert [eiseres] als eerste aan dat deze planregel evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Verder vindt [eiseres] de planregel evident in strijd met de Richtlijn 2016\u002F123\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn).\n\n4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van evidente strijd met hogere regelgeving. Naast dat het college betwist dat er enige strijd is met de genoemde rechtsnormen, betoogt het college dat er in elk geval geen sprake kan zijn van evidente strijd. Dit zou namelijk betekenen dat de rechtbank zonder nader onderzoek moet kunnen vaststellen dat een dergelijke strijd zich voordoet. Volgens het college is dit niet het geval en hoeft hij artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 daarom niet buiten toepassing te laten.\n\n4.3. Volgens een vaste lijn in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Als in een procedure over een vergunning wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten indien die strijd evident is. Bij strijd met hogere regelgeving is voor evidentie onder meer vereist dat die regeling zo concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.De rechtbank dient dan zonder nader onderzoek in te stellen te kunnen vaststellen dat een planregel in strijd is met een hogere rechtsnorm.\n\n5.1. Ten aanzien van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro stelt [eiseres] , samengevat, dat de planregel niet noodzakelijk is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, althans dat een dergelijke noodzaak niet afdoende in het bestemmingsplan is onderbouwd. Het is volgens [eiseres] niet begrijpelijk waarom een goede ruimtelijke ordening zich verzet tegen het vestigen van bedrijven met een minder zware milieucategorie op het betreffende perceel.\n\n5.2. Het college voert aan dat een zonering op het bedrijventerrein, zoals volgt uit het bestemmingsplan 2007 en de toepasselijke planregels, wel degelijk bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening. Dit maakt een efficiënt ruimtegebruik mogelijk en zorgt voor de nodige afstand tussen bedrijven in zwaardere milieucategorieën enerzijds en woningen en andere gevoelige bebouwing anderzijds. Door percelen alleen te laten gebruiken door bedrijven uit categorie 3 en 4 wordt geborgd dat voor deze bedrijven voldoende vestigingsmogelijkheden beschikbaar blijven.\n\n5.3. De rechtbank komt tot het oordeel dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 niet evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Uit dit artikel 3, in samenhang gelezen met paragraaf 3.2 Bedrijvigheiduit de toelichting op het bestemmingsplan, valt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk af te leiden wat de ratio achter de beperking in de planregel is en hoe de gemeente Eindhoven daarmee een goede ruimtelijke ordening nastreeft. Voor de stelling dat deze planregel niet, of kenbaar ontoereikend, is gemotiveerd, ziet de rechtbank geen grond. Hierdoor kan geen sprake zijn van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro en zal de rechtbank de overige argumenten hierover onbesproken laten.\n\n6.1. \n [eiseres] stelt dat sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn. Volgens [eiseres] is geheel niet gemotiveerd waarom artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 voldoet aan de vereisten in artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn, in het bijzonder het vereiste van noodzakelijkheid en evenredigheid.\n\n6.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 februari 2020,ligt het in een gerechtelijke procedure als deze op de weg van degene die een beroep doet op de Dienstenrichtlijn om te beargumenteren dat sprake is van een eis die een beperking oplevert. Het ligt op de weg van het college om bij de beslissing over het verlenen van een omgevingsvergunning te onderbouwen dat die eis in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn. Het is dus aan het college om te onderbouwen waarom de in het plan neergelegde beperkingen gerechtvaardigd zijn in het licht van de daaraan in de Dienstenrichtlijn gestelde eisen. Daarbij kan het college verwijzen naar de toelichting bij een bestemmingsplan, maar kan het ook, als een dergelijke toelichting ontbreekt, een nadere onderbouwing geven voor de in de planregels opgenomen beperking.\n\n6.3. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007, vanwege de beperking die daaruit voor [eiseres] voortvloeit, heeft te gelden als een eis in de zin van de Dienstrichtlijn, is de rechtbank van oordeel dat het college de beperkende planregel wel heeft toegelicht en de beperking heeft gemotiveerd in de toelichting op het bestemmingsplan. Het college heeft in het bestreden besluit en tijdens de beroepsprocedure nog een nadere toelichting gegeven. Het college is daarbij ook ingegaan op de noodzakelijkheid en evenredigheid van de beperkende planregel.6.4. Wat betreft de voorwaarde van noodzakelijkheid gaat het om de vraag of de eis gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Uit artikel 4, aanhef en onder 8, van de Dienstenrichtlijn volgt dat hiervan sprake kan zijn als een eis wordt gesteld met het oog op de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu. Uit overweging 40 van de preambule blijkt dat hier ook stedelijke en rurale ruimtelijke ordening onder valt.De toelichting van het college is al samengevat onder 5.2 weergegeven en naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze toelichting om de noodzakelijkheid van de beperking te rechtvaardigen.\n\n6.5. Wat betreft de voorwaarde van evenredigheid gaat het erom dat de eis niet verder mag gaan dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken en dat het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. Het college streeft een bepaalde verdeling van bedrijven over een bedrijventerrein na. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan door met zones gebaseerd op milieucategorieën te werken. De rechtbank ziet niet waarom deze zonering verder zou gaan dan hier nodig is, of hoe de gewenste verdeling met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.\n\n6.6. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de beperking dat bedrijven zich op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht slechts op percelen mogen vestigen met de juiste milieucategorie, ook om vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in een zwaardere milieucategorie te behouden, evident niet gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Dat betekent dat alleen al daarom geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze planregeling evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHad het college de omgevingsvergunning moeten verlenen omdat er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening?\n\n7.1. \n [eiseres] stelt dat zijn bedrijfsactiviteiten op deze locatie niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. [eiseres] meent dat, anders dan wat het college hierover stelt, uit de Bedrijventerreinnota Eindhoven, Brainport, november 2015 (de Bedrijventerreinnota) volgt dat de activiteiten van [eiseres] wel goed passen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Volgens [eiseres] volgt uit de typering als modern gemengd bedrijventerreinen het gegeven dat er op deze locatie ruimte is voorverkleuring(een toename van andere -stedelijke- functies) dat het college niet afdoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarom heeft het college de omgevingsvergunning niet mogen weigeren.\n\n7.2. Het college betoogt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel degelijk in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college is het van belang om ruimte beschikbaar te houden voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 en zou een vergunningverlening aan [eiseres] hier afbreuk aan doen. Daarnaast handhaaft het college het standpunt dat het toestaan van [eiseres] op deze locatie voor beperkingen kan zorgen ten aanzien van andere bedrijven die wel tot een zwaardere milieucategorie behoren. Tot slot weerspreekt het college dat uit de Bedrijventerreinnota volgt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel goed passen op Kapelbeemd Acht.\n\n7.3. Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.\n\n7.4. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de mogelijkheid tot een buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, derde, vierde en negende lid van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Ten eerste acht de rechtbank het beleid van het college gericht op zonering binnen het bedrijventerrein Kapelbeemd Acht niet onredelijk. Het college mag belang hechten aan een efficiënte indeling van het bedrijventerrein, waarbij zowel aandacht is voor afstand tot gevoelige objecten als voor voldoende ruimte voor bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4. De rechtbank kan hierbij volgen dat aan het belang van de aanvraag van [eiseres] minder gewicht wordt toegekend. Anders dan [eiseres] ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het standpunt dat dit beleid niet overeenkomt met het gestelde in de Bedrijventerreinnota. Zo volgt uit de classificatie modern gemengden de mogelijkheden totverkleuringniet dat de gehanteerde zonering niet in redelijkheid kan worden nagestreefd. Uit de passages over zware bedrijvigheid en conserverend beleidvolgt volgens de rechtbank niet dat er geen mogelijkheden zijn voor nieuwe bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4 om zich te vestigen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Er wordt juist met nadruk aandacht gevraagd voor dergelijke bedrijven en het college wordt opgeroepen hier actief beleid op te voeren. De rechtbank ziet in de Bedrijventerreinnota daarom eerder een onderschrijving van het beleid van het college op bedrijventerrein Kapelbeemd Acht, dan van strijd hiermee. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.5. \n [eiseres] voert in dit kader verder aan dat het college het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 ten onrechte als toetsingskader heeft gebruikt voor de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank kan het verweer van het college op dit punt volgen dat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 niet als toetsingskader is gehanteerd maar is meegenomen bij de belangenafweging over een goede ruimtelijke ordening en het eventueel toestaan van verkleuring. De rechtbank is van oordeel dat het college dit in redelijkheid op deze wijze heeft mogen meewegen, omdat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 een indicatie geeft welke plannen de gemeente in de nabije toekomst met het bedrijventerrein heeft. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7.6. Ter zitting bleken [eiseres] en het college van opvatting te verschillen tot welke milieucategorie de drukkerij behoorde die voorheen op het perceel gevestigd was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de uitkomst hiervan niet tot een ander resultaat leiden. De kwestie heeft namelijk geen relevante invloed op de vraag of hier sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. [eiseres] krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.S. Badri, rechter, in aanwezigheid van mr. A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet ruimtelijke ordening\n\nArtikel 3.1\n\n1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer\n\nBestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.\n\n[…]\n\nBestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nArtikel 3 Bedrijfsdoeleinden I\n\n3.1. Bestemmingsomschrijving\n\nDe op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden I aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen en met\n\ninbegrip van risicovolle inrichtingen, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nb. bedrijven behorende tot de categorieën 1, 2 en 5, uitsluitend voorzover bestaand;\n\nc. kantooractiviteiten voorzover ondergeschikt aan de bedrijven vermeld onder a en b;\n\nd. productiegebonden detailhandel deel uitmakende van bedrijven vermeld onder a en b,, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen;\n\nmet de daarbijbehorende:\n\ne. tuinen, erven en terreinen;\n\nf. parkeervoorzieningen;\n\ng. groenvoorzieningen;\n\nh. wegen, straten en paden;\n\ni. water;\n\nj. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;\n\nk. voorzieningen van openbaar nut.\n\n[…]\n\n3.4. Gebruiksvoorschriften\n\n3.4.1.. \n\nGebruiksverbod\n\nHet is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming.3.4.2.. \n\nStrijdig gebruik\n\nTot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 3.4.1 wordt in ieder geval gerekend:\n\na. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning;\n\nb. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan\n\nvermeld in lid 3.1 sub d;\n\nc. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.3.4.3.. \n\nVrijstellingsbevoegdheid\n\nBurgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 3.4.1, en:\n\na. tevens bedrijven toestaan, die niet voorkomen in de \"lijst van bedrijfsactiviteiten\" of op\n\ngrond van deze lijst jo. deze voorschriften niet zijn toegestaan doch die naar de aard en de\n\ninvloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in \"lijst van\n\nbedrijfsactiviteiten\" onder de categorieën 3 en 4;\n\nb. risicovolle inrichtingen toestaan, mits de PR10 contour van die inrichting valt binnen\n\nde eigen perceelsgrens.3.4.4.. \n\nVrijstelling voor meest doelmatig gebruik\n\nBurgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 3.4.1 indien strikte\n\ntoepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke\n\nbeperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.\n\n3.5. Procedurebepaling\n\nBij het nemen van een beslissing omtrent vrijstelling als vermeld in lid 3.4.3 nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht:\n\na. het ontwerp-besluit ligt, met bijbehorende stukken, gedurende twee weken ter inzage;\n\nb. van de ter inzage legging wordt tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen,\n\nof op een andere geschikte wijze kennisgegeven;\n\nc. de kennisgeving houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen;\n\nd. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college van\n\nburgemeester en wethouders zienswijzen indienen tegen het ontwerp-besluit.\n\n3.6. Strafbepaling\n\nOvertreding van het bepaalde in lid 3.4.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op de economische delicten.\n\nToelichting op bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007”\n\nBestemming “Bedrijfsdoeleinden I ” (artikel 3)\n\nDeze bestemming is toegekend aan de gronden in het plangebied waar bedrijven zijn toegestaan in de milieucategorie 3 en 4 als bedoeld in de bij deze voorschriften behorende “Lijst van bedrijfsactiviteiten”. Deze lijst is gebaseerd op de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Bedrijven in de overige categorieën zijn alleen toegestaan voorzover het gaat om bestaande bedrijven. Er kan vrijstelling worden verleend ten behoeve van bedrijven die niet voorkomen op de “Lijst van bedrijfsactiviteiten” doch die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd. Bedrijven die ingevolge de Wet geluidhinder geluidszoneringsplichtig zijn, zijn uitgesloten. Ten aanzien van risicovolle bedrijven geldt dat bestaande risicovolle bedrijven zijn toegestaan, nieuwe risicovolle bedrijven zijn middels vrijstelling toegelaten.\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2440.\n\n ECLI:NL:RVS:2020:520\n\n Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1020, onder 11.6.\n\n p. 28, p. 36 en p. 44-45 van de Bedrijventerreinnota.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:3092","2023-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.080Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":81,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":30,"updatedAt":83},"1837","ECLI:NL:RBOBR:2022:2025","ecli-nl-rbobr-2022-2025","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 21\u002F1500 Ttussenuitspraak van de meervoudige kamer van 20 mei 2022 in de zaak tussen\n\n [eisers] ,uit [woonplaats] , eisers\n\n(gemachtigde: mr. V. Wösten),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk (voorheen de gemeente Grave), verweerder\n\n(gemachtigde: mr. G. Lucas).\n\nAls derde-partij neemt aan het geding deel Varkenshouderij [naam] te [plaats]\n\n(gemachtigde: mr. W.P.N. Remie).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 14 augustus 2020 (primair besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een luchtwasser en luchtkanaal bij een bestaande varkensstal, op het perceel kadastraal bekend gemeente Grave, [sectienummer] , plaatselijk bekend [projectlocatie] .\n\nMet het besluit van 11 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser [naam] tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en de bezwaren van de overige eisers niet-ontvankelijk verklaard.\n\nEisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 5 april 2022 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaak SHE 21\u002F1501. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de derde-partij zijn de gemachtigde en [namen] verschenen.\n\nOverwegingen\n\n1. De zaak gaat over de bouw van een luchtwasser met luchtkanaal aan een bestaande varkensstal aan de [projectlocatie] (verder: de projectlocatie). In deze uitspraak zet de rechtbank eerst de feiten op een rij. Daarna gaat de rechtbank in op de vraag of alle eisers een rechtstreeks betrokken belang hebben. Dan worden de inhoudelijke beroepsgronden behandeld. In de bijlage staat de regelgeving waarnaar wordt verwezen in deze uitspraak.\n\n2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:\n\n Op de projectlocatie is een varkenshouderij gevestigd met twee stallen. De oude boerderij zelf is al meer dan 100 jaar geleden gebouwd. Op de projectlocatie is het bestemmingsplan “Buitengebied herziening 2018” van toepassing. De projectlocatie heeft de bestemming “Agrarisch met waarden-landschapswaarden” met de functieaanduiding “intensieve veehouderij” en de dubbelbestemming “Waterstaat-Attentiegebied EHS”.\n\n Voor de inrichting is op 19 oktober 1993 een revisievergunning verleend die onherroepelijk is geworden en in werking is getreden. Stal 1 is hierbij zonder luchtwasser en luchtkanaal opgericht en traditioneel uitgevoerd.\n\n Op 24 september 2010 is voor de oprichting van een nieuwe stal voor 2.160 vleesvarkens (stal 3) een bouwvergunning eerste fase aangevraagd.\n\n Op 27 september 2010 is een bouwvergunning eerste fase aangevraagd voor de bouw van een luchtkanaal en luchtwasser ten behoeve van de al op het perceel aanwezige traditioneel uitgevoerde stal 1.\n\n Op 27 september 2010 is ook een revisievergunning aangevraagd voor verandering van de inrichting met de nieuw op te richten stal (stal 3) en de aansluiting van stal 1 op een chemische luchtwasser en verhoging van de bezetting van stal 1 naar 880 vleesvarkens. Stal 2 is ook een traditionele stal, die volgens de aanvraag buiten gebruik wordt gesteld. Op 9 april 2013 is de revisievergunning verleend.\n\n Vervolgens zijn op 23 mei 2013 de bouwvergunningen eerste fase verleend voor zowel de oprichting van stal 3 als de bouw van het luchtkanaal en de luchtwasser bij stal 1. Op 14 april 2014 is een bouwvergunning tweede fase verleend voor de oprichting van stal 3. Ten behoeve van stal 1 is geen bouwvergunning tweede fase aangevraagd.\n\n Eiser [naam] woont op het perceel naast de projectlocatie. De andere eisers wonen op grotere afstand van de locatie, op 380 meter en 230 meter. De andere eisers hebben (nagenoeg) geen zicht op het te bouwen luchtkanaal en de luchtwasser bij stal 1.\n\n Bij een controle in 2018 is geconstateerd dat is begonnen met de bouw van het luchtkanaal en de luchtwasser. Verweerder heeft een bouwstop opgelegd. Hiertegen heeft de derde-partij bezwaar gemaakt. Dit heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 8 juli 2019 waarin het beroep van de derde-partij ongegrond is verklaard.Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld.\n\n Eisers hebben verweerder ook verzocht om handhavend op te treden wegens een overtreding van artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Zij stellen dat de revisievergunning uit 2013 niet in werking is getreden en dat stal 3 is gerealiseerd in afwijking van de revisievergunning uit 2013. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld, dat bij deze rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer SHE 21\u002F1501. In de tussenuitspraak van heden in die zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de in 2013 verleende revisievergunning in werking is getreden.\n\n2.2. \n\nMet het primaire besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de luchtwasser en het luchtkanaal bij stal 1 en voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en c van de Wabo. Verweerder is (met toepassing van artikel 5.3.1, onder c, van de planregels) afgeweken van het artikel 5.2.1, onder e, van de planregels, waarin eisen worden gesteld aan de hellingshoek van het dak. Verweerder heeft in de vergunning een voorschrift opgenomen dat inhoudt dat uitvoering moet zijn gegeven aan de op 5 februari 2020 gemelde sloop van het achterhuis van de oude boerderij, voordat wordt begonnen met de bouw van het luchtkanaal en de luchtwasser. Die verplichting is opgenomen om te kunnen voldoen aan het verbod op toename van bebouwing, dat is opgenomen in artikel 5.2.2, onder f, van de planregels.\n\nOok heeft verweerder met het primaire besluit een omgevingsvergunning verleend voor grondverzet. Deze vergunning is gebaseerd op artikel 27 van de planregels die gelden voor gronden met de dubbelbestemming “Waterstaat-Attentiegebied EHS”.\n\n2.3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser [naam] , onder afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard en de bezwaren van de overige eisers niet-ontvankelijk verklaard. Als bijlage is bij het bestreden besluit een besluit tot het verlenen van een voorlopig stalderingsbewijs gevoegd. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat hij dit besluit ter informatie heeft bijgevoegd. De rechtbank stelt vast dat het in de bijlage vervatte besluit niet ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit.\n\n3.1. Zijn alle eisers belanghebbenden bij het bestreden besluit? Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de eisers waarvan hij het bezwaar nietontvankelijk heeft verklaard, geen zicht hebben op de bouwlocatie en geen persoonlijk belang hebben.\n\n3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 20 juni 2018,is het uitgangspunt dat degene die feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken, indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Indien bepaalde milieugevolgen zijn genormeerd door een afstandseis, een contour of een grenswaarde, is deze norm niet bepalend voor de vraag of de betrokkene belanghebbende is bij het besluit. Indien het besluit en de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, komt de vraag of aan die norm wordt voldaan aan de orde bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep.\n\n3.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte alleen heeft gekeken naar het zicht op het vergunde bouwwerk. Verweerder heeft daarmee miskend dat ook toestemming wordt verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan en dat deze toestemming alleen mag worden verleend als geen sprake is van een strijd met een goede ruimtelijke ordening. In dit kader had verweerder ook moeten kijken naar de factoren van planologische uitstraling en milieugevolgen, in het kader van de toets aan een goede ruimtelijke ordening. De luchtwasser wordt gebouwd om uitvoering te geven aan de revisievergunning uit 2013 en biedt daardoor de mogelijkheid om dieren te houden in stal 1. De rechtbank kan niet uitsluiten dat eisers hierdoor gevolgen van enige betekenis ondervinden. Daarom hebben alle eisers een rechtstreeks betrokken belang. De omstandigheid dat deze gevolgen al zijn beoordeeld in de revisievergunning van 2013, wil niet zeggen dat verweerder deze gevolgen niet moet betrekken bij de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal. Dit is een aparte beoordeling. De rechtbank concludeert dat verweerder het bezwaar van eisers (met uitzondering van dat van [naam] ) ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n4.1. Eisers hebben opgemerkt dat ten onrechte geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor de afwijkingen bij het realiseren van stal 3.\n\n4.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de ingediende aanvraag volgens het aanvraagformulier betrekking heeft op de ‘bouw van een bouwkundig luchtkanaal aan een bestaande varkensstal en het plaatsen van een luchtwasser’. Het is aan de aanvrager van een omgevingsvergunning te bepalen voor welke activiteit hij vergunning wenst te verkrijgen.\n\n4.3. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat verweerder niet buiten de grondslag van de aanvraag mag treden. Het luchtkanaal en de luchtwasser wijken niet af van de revisievergunning uit 2013 en in zoverre is ook geen sprake van een niet vergunde wijziging van de inrichting. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de revisievergunning uit 2013 in werking is getreden, zoals zij heeft geoordeeld in haar uitspraak in de zaak met zaaknummer\n\nSHE 21\u002F1501 T. Dit betoog slaagt niet.\n\n5.1. Eisers vinden dat de omgevingsvergunning voorziet in een uitbreiding van een gebouw in een zone \"Beperkingen Veehouderij\". Dat is volgens eisers in strijd met artikel 2.72 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV). Volgens eisers is het verbod in artikel 5.2.2 van de planregels niet in overeenstemming met artikel 2.72 van de IOV.\n\n5.2. Verweerder is van mening dat artikel 2.72 van de IOV geen onderscheid maakt tussen stalgebouwen en andere gebouwen. Dit artikel bepaalt uitsluitend dat ‘een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen is uitgesloten’. Per saldo is volgens verweerder geen sprake van toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen. De bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal wordt gecompenseerd met de sloop van het oude achterhuis bij de boerderij.\n\n5.3. De projectlocatie ligt in de zone “Beperkingen Veehouderij” als bedoeld in artikel 2.72 van de IOV. De rechtbank stelt vast dat het verbod in artikel 5.2.2, onder f, van de planregels niet helemaal overeenstemt met artikel 2.72 van de IOV. Artikel 5.2.2, onder f, van de planregels bepaalt de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen op de oppervlakte van gebouwen die op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn. De IOV bepaalt de bestaande oppervlakte van gebouwen op de oppervlakte die op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was. Omdat de mogelijkheid bestaat dat na 21 september 2013, maar voor de vaststelling van het bestemmingsplan, oppervlakte is toegevoegd, toetst de rechtbank (op basis van 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo en artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening) aan de rechtstreeks werkende bepaling in artikel 2.72 van de IOV.\n\n5.4. Het primaire besluit bevat de verplichting om een deel van de oude boerderij te slopen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat dit deel legaal is gebouwd, omdat het al aanwezig was voor 1900 (dus voor inwerkingtreding van de Woningwet). Verweerder hoeft hiervan geen nader bewijs te verschaffen. In het midden kan blijven of er wel of geen dieren mogen worden gehouden in het te slopen deel van de boerderij. Het maakt deel uit van de bebouwing van de veehouderij. Als dit deel wordt gesloopt en het luchtkanaal en de luchtwasser worden gebouwd, neemt de bebouwing van de veehouderij per saldo niet toe. Artikel 2.72 van de IOV staat er niet aan in de weg dat een deel van de bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt om de bebouwing voor de veehouderij te vergroten. Dit betoog slaat niet.\n\n6.1. Volgens eisers wordt met de bouw van de luchtwasser en het luchtkanaal het dierenverblijf vergroot, in strijd met artikel 2.74 van de IOV.\n\n6.2. Verweerder beschouwt (in afwijking van de bezwaarschriftencommissie) de luchtwasser en het luchtkanaal niet als een dierenverblijf in de zin van de planregels. Hierin is een dierenverblijf gedefinieerd als ‘een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen’. In de luchtwasser worden geen landbouwhuisdieren gehouden. Het bouwwerk vormt volgens verweerder een apart bouwwerk naast de bestaande stal, waarin een luchtkanaal en luchtwasser worden ondergebracht. Het bouwwerk is (anders dan via de noodzakelijke ventilatieopeningen) niet verbonden met de bestaande stal en ook niet toegankelijk vanuit de stal. Verweerder beschouwt het bouwwerk als een voorziening buiten de stal en niet als een inpandige voorziening van de bestaande stal\u002Fhet bestaande dierenverblijf. De gezamenlijke oppervlakte van de dierenverblijven verandert door de luchtwasser niet.\n\n6.3. Ook het verbod in artikel 5.2.2, onder e, van de planregels stemt niet helemaal overeen met artikel 2.74 van de IOV. Ook in dit onderdeel van de planregels wordt de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven gekoppeld aan de oppervlakte op de datum van de vaststelling van het bestemmingsplan en niet (zoals in artikel 2.74 van de IOV) aan de datum van 17 maart 2017. Bovendien biedt artikel 5.3.3 van de planregels de mogelijkheid om af te wijken van het verbod in artikel 5.2.2, onder e, van de planregels. Daarom toetst de rechtbank rechtstreeks aan artikel 2.74 van de IOV zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit.\n\n6.4. Hieronder heeft de rechtbank een kopie van de dwarsdoorsnede van het luchtkanaal opgenomen.\n\n6.5. De Afdeling heeft in een uitspraak van 25 maart 2020overwogen dat de stalderingsregeling ook van toepassing is in het geval dat de oppervlakte van het dierenverblijf wordt vergroot voor inpandige voorzieningen, zoals luchtwassers, brijkeukens of ventilatiekanalen, maar de oppervlakte van het dierenverblijf niet wordt vergroot om meer dieren te houden. Blijkens de toelichting bij artikel 26.1 van de IOV is het, vanuit het streven naar een zo eenvoudig mogelijke en eenduidige regeling, niet gewenst om binnen een gebouw onderscheid te maken tussen delen waar wel en waar geen dieren worden gehouden. Daarom hebben provinciale staten ervoor gekozen om bij de stalderingsregeling uit te gaan van de oppervlakte van het gehele dierenverblijf, inclusief de daartoe behorende voorzieningen zoals luchtwassers, brijkeukens en ventilatiekanalen. De rechtbank merkt hierbij op dat de definitie van dierenverblijf in artikel 2.74 van de IOV na deze uitspraak is gewijzigd. Destijds was het begrip \"dierenverblijf\" gedefinieerd als gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen.\n\n6.6. De vraag is of het luchtkanaal en de luchtwasser kunnen worden beschouwd als een apart gebouw of als een inpandige voorziening bij een gebouw. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het luchtkanaal en de luchtwasser niet zijn te beschouwen als een zelfstandig gebouw. Ze zitten aan de bestaande stal vast en zouden zonder de ondersteuning van de stal niet overeind blijven staan. Bovendien zitten er ventilatieopeningen tussen de bestaande stal en het luchtkanaal. Door de bouw van het luchtkanaal wordt het bestaande gebouw vergroot en wordt het luchtkanaal onderdeel van het gebouw. Deze constructie maakt het luchtkanaal tot een inpandige voorziening. Omdat, op grond van artikel 2.74, vierde lid, van de IOV, de inpandige voorzieningen van een dierenverblijf deel uitmaken, is sprake van een vergroting van de oppervlakte van het dierenverblijf. De rechtbank acht niet van belang dat in de inpandige voorzieningen geen dieren worden gehouden. In verweerders uitleg van artikel 2.74 van de IOV, zou het mogelijk kunnen zijn om zonder omgevingsvergunning voor bouwen het luchtkanaal te verbinden met de stal (bijvoorbeeld door een deur te maken) waardoor de stallen alsnog zouden worden vergroot. Dit beoogt artikel 2.74 van de IOV nu juist te voorkomen. Verweerder is dus ten onrechte afgeweken van het advies van de bezwaarschriftencommissie. Er is sprake van een toename van de oppervlakte van een hokdierenverblijf, in strijd met artikel 2.74 van de IOV. Er is dus een stalderingsbewijs nodig. In het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren tegen de omgevingsvergunning voor het bouwen van de luchtwasser en het luchtkanaal ten onrechte niet gegrond geacht.\n\n7.1. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Inmiddels heeft de derde-partij een definitief stalderingsbewijs. Verweerder dient het definitieve stalderingsbewijs te beoordelen en te bezien of hiermee wel een omgevingsvergunning kan worden verleend. Verweerder dient hiertoe een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen na intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. De rechtbank geeft verweerder wel de aanwijzing om het definitieve stalderingsbewijs, inclusief bijlagen, te overleggen en wijst verweerder op rechtsoverweging 9 van de uitspraak van 12 januari 2022.\n\n7.2. Verweerder heeft ter zitting al aangegeven dat hij in de gelegenheid wil worden gesteld om gebreken in het bestreden besluit te herstellen. De rechtbank zal eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n7.3. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\n houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter en mr. D.J. de Lange en mr. R. Grimbergen, rechters, in aanwezigheid van mr. H.J. van der Meiden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2022.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\n Bent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\nBijlage\n\nArtikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:\n\n“Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.”\n\nArtikel 2.10, eerste lid onder c, Wabo\n\nVoor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.\n\nArtikel 4.1, derde lid van de Wro\n\nBij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid kunnen regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan of beheersverordening als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij die verordening aan te geven krachtens dit lid gestelde regels.\n\nArtikel 2.72 Verbod uitbreiding veehouderij IOV\n\nLid 1 Totdat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.48 Veehouderij in Stedelijk gebied en artikel 3.51 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een veehouderij in Stedelijk gebied en Beperkingen Veehouderij dat:\n\na. een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten;\n\nb. een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten;\n\nc. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden.\n\nLid 2 Als bestaande oppervlakte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de oppervlakte die:\n\na. op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of\n\nb. mag worden gebouwd krachtens een vóór 21 september 2013 verleende vergunning.\n\nLid 3 Het verbod bedoeld in het eerste lid onder a en b, geldt niet voor een veehouderij gevestigd in Beperkingen veehouderij, die voldoet aan de voorwaarden van een grondgebonden veehouderij, als opgenomen in de Nadere regels zorgvuldige veehouderij als bedoeld in artikel 5.11.\n\nArtikel 2.74 van de IOV\n\nLid 1 Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een hokdierhouderij gevestigd binnen Stalderingsgebied, dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden.\n\nLid 2 Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf bewijs is overlegd dat:\n\nbinnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;\n\nb. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:\n\n1. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;\n\n2. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;\n\nc. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.\n\nLid 3 Als bestaande oppervlakte dierenverblijf geldt de oppervlakte die:\n\na. op 17 maart 2017 legaal aanwezig was; of\n\nb. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende omgevingsvergunning.\n\nLid 4 Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer.\n\nLid 5 Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het tweede lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden:\n\na. het betreft een legaal opgericht dierenverblijf;\n\nb. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren.\n\nArtikel 5.2.1.e Bestemmingsplan Buitengebied Grave herziening 2018\n\nBouwwerken, voorzien van een dak, worden met een kap afgedekt waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 12º en niet meer mag bedragen dan 45º.\n\nArtikel 5.2.2 aanhef en onder f, Bestemmingsplan Buitengebied Grave herziening 2018\n\nVoor het bouwen van bedrijfsgebouwen ten behoeve van veehouderijen gelden de volgende voorwaarden: Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' mag de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bedrijfswoning(en), niet meer bedragen dan de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen:\n\n die op het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan legaal aanwezig zijn of legaal in uitvoering zijn;\n\n die gebouwd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning.\n\nArtikel 27.2.1 Bestemmingsplan Buitengebied Grave herziening 2018\n\nHet is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, uit te voeren of te laten uitvoeren: het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 m beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingenwet;\n\n ECLI:NL:RBOBR:2019:4044\n\n ECLI:NL:RVS:2018:1986\n\n ECLI:NL:RVS:2020:881\n\n ECLI:NL:RBOBR:2022:23","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2022:2025","2026-07-13T00:29:41.227Z",1,20]