[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-income-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":55,"total":16,"page":25,"limit":148},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},35,"income-tax-nl","Income Tax","NL","2026-07-08T16:53:25.892Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},12,{"min":18,"max":19},"2024-07-03T00:00:00.000Z","2026-06-03T00:00:00.000Z",[21,26,29,32,35,39,42,45,49,52],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121964","Algemene wet bestuursrecht","art. 6:11",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"121965","art. 6:17",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"121966","art. 8:75",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"121967","art. 6:24",{"provisionId":36,"code":37,"article":38,"count":25},"122448","Wet op de rechtsbijstand","",{"provisionId":40,"code":41,"article":38,"count":25},"122001","Wet op de loonbelasting",{"provisionId":43,"code":44,"article":38,"count":25},"122002","Wet inkomstenbelasting",{"provisionId":46,"code":47,"article":48,"count":25},"123666","Algemene wet inzake rijksbelastingen","art. 49",{"provisionId":50,"code":47,"article":51,"count":25},"123669","art. 1",{"provisionId":53,"code":23,"article":54,"count":25},"123671","art. 8:73",[56,66,74,81,89,96,103,111,119,127,134,141],{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":60,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":62,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":65},"393","ECLI:NL:GHSHE:2026:1433","ecli-nl-ghshe-2026-1433","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F1664\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 september 2023, nummer BRE 22\u002F3004 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) over het jaar 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, haar gemachtigde, [gemachtigde] , haar echtgenoot, [echtgenoot] , en haar zus, [zus] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is gehuwd met [echtgenoot] (hierna: de echtgenoot). Gedurende het belastingjaar 2020 kwalificeren zij als elkaars fiscale partners.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft samen met haar echtgenoot twee kinderen, namelijk [kind 1] (geboren op [datum 1] 2006) en [kind 2] (geboren op [datum 2] 2008).\n\n2.3.. De inspecteur heeft op 15 januari 2020 aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2020 opgelegd naar een te ontvangen bedrag van € 1.321. Deze is gebaseerd op een inschatting van de situatie van belanghebbende in 2020. Hierbij is verondersteld dat belanghebbende recht zou hebben op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: IACK).\n\n2.4.. Belanghebbende en haar echtgenoot zijn op 6 januari 2017 een overeenkomst voor de minnelijke schuldregeling aangegaan met de gemeente [gemeente] . Op 25 maart 2021 is dit schuldhulpverleningstraject beëindigd.\n\n2.5.. De teruggave op de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2020 is aangewend ter aflossing van openstaande schulden onder het op dat moment van toepassing zijnde schuldhulpverleningstraject. Op het moment van het opleggen van de definitieve aanslag IB\u002FPVV 2020 was dit schuldhulpverleningstraject beëindigd.\n\n2.6.. Op 17 september 2021 heeft belanghebbende de aangifte IB\u002FPVV 2020 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 19.557 en bestaat geheel uit loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.\n\n2.7.. De aanslag IB\u002FPVV 2020 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.557. Tevens is bij beschikking € 25 belastingrente in rekening gebracht. Het te betalen bedrag van de aanslag IB\u002FPVV 2020 bedraagt € 1.321 (exclusief belastingrente). Het te betalen bedrag is ontstaan doordat de inspecteur heeft vastgesteld dat niet belanghebbende, maar haar echtgenoot over 2020 recht heeft op de IACK.\n\n2.8.. \n\nMet dagtekening 21 juli 2022 schrijft belanghebbende aan de rechtbank dat zij zich laat vertegenwoordigen door haar gemachtigde, [gemachtigde] . De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Naar aanleiding van het door de belastingdienst genomen besluit op bezwaar van 10 mei 2022 inzake een bezwaar welke ongegrond is verklaard wensen wij, mevrouw [belanghebbende] en de heer [echtgenoot] , de heer [gemachtigde] te machtigen ons te vertegenwoordigen in deze beroepzaak.”\n\nDe brief is ondertekend door belanghebbende en haar echtgenoot en vermeld als verzendadres: ‘ [adres 1] [woonplaats] ’.\n\n2.9.. In zijn brief van 19 augustus 2022 verzoekt de griffier van de rechtbank belanghebbende een schriftelijke machtiging te overleggen. Tevens verzoekt de griffier belanghebbende de adresgegevens te vermelden waar zij de verdere correspondentie wenst te ontvangen.\n\n2.10.. \n\nIn reactie op de brief van de griffier van de rechtbank schrijft belanghebbende bij brief van 31 augustus 2022 aan de rechtbank het volgende:\n\n“Hierbij ontvangt u de volmacht om Dhr. [gemachtigde] , woonachtig aan [adres 2] te [plaats] , mij te vertegenwoordigen in de zaak met zaaknummer: BRE 22 \u002F 3004 IB\u002FPVV.\n\n(…)\n\nAlle correspondentie kunt u naar mijn huisadres sturen, te weten: [adres 1] te [woonplaats] .”\n\n2.11.. \n\nDe rechtbank heeft op 8 september 2023 uitspraak gedaan. De uitspraak is op 27 september 2023 aangetekend per post verzonden. De begeleidende brief bij de uitspraak van de rechtbank vermeldt als geadresseerde:\n\n“De heer [gemachtigde]\n\np\u002Fa\n\n [adres 1]\n\n [woonplaats] ”\n\n2.12.. \n\nBij brief van 24 november 2023, door het hof ontvangen op 28 november 2023, heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hogerberoepschrift luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Als gemachtigde heb ik op 20 november 2023 kennis kunnen nemen van de uitspraak. Deze is op 27 september 2023 naar belanghebbende verzonden en naar hun woonadres. Aangezien ik als gemachtigde niet eerder heb kunnen reageren verzoek ik dit als een verschoonbare reden aan te merken. Deze uitspraak in beroep wordt hierbij betwist.”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\ni) Is het hoger beroep van belanghebbende ontvankelijk?\n\nii) Heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV 2020 gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid?\n\niii) Heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV 2020 gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel?\n\niv) Dient de aanslag IB\u002FPVV 2020 te worden verminderd op basis van de hardheidsclausule?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van het bedrag van € 1.321 aan IB\u002FPVV en € 25 aan belastingrente. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\ni) Ontvankelijkheid hoger beroep\n\n4.1.. Voordat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klachten tegen de uitspraak van de rechtbank, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of het hoger beroep ontvankelijk is.\n\n4.2.. De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken.Deze termijn begint de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.Een hogerberoepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.De wet biedt daarnaast een tegemoetkoming voor die gevallen waarin een hoger beroep uiterlijk één week na deze termijn is ontvangen. Een dergelijk hoger beroep wordt toch geacht tijdig ingediend te zijn indien het stuk vóór het einde van de hogerberoepstermijn ter post is bezorgd.\n\n4.3.. Het hoger beroep wordt bij niet-tijdig indienen in beginsel niet-ontvankelijk verklaard, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Op grond van artikel 6:11 Awb kan een niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Daarvan is sprake indien: (i) belanghebbende pas na het verstrijken van de termijn het hogerberoepschrift heeft ingediend als gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid, en tevens (ii) de belanghebbende, nadat die omstandigheid zich niet langer voordeed, het hoger beroepschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd.Of artikel 6:11 Awb van toepassing is, moet per geval worden beoordeeld, waarbij het erop aankomt of van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om tijdig hoger beroep in te stellen.\n\n4.4.. De rechtbank heeft op 8 september 2023 uitspraak gedaan. De uitspraak is op 27 september 2023 aangetekend per post verzonden aan de gemachtigde van belanghebbende, per adres ‘ [adres 1] [woonplaats] ’. Dit geldt als de dag van bekendmaking van deze uitspraak. Met deze bekendmaking gaat de termijn voor het instellen van hoger beroep lopen.De hogerberoepstermijn is aangevangen op (donderdag) 28 september 2023 en eindigde op (woensdag) 8 november 2023. Het hogerberoepschrift is, gelet op de stempel voor ontvangst, op 28 november 2023 bij de griffie van het hof ontvangen. Dit is na afloop van de hogerberoepstermijn die, gelet op dat wat hiervoor is overwogen, op 8 november 2023 is afgelopen en daarmee is het hogerberoepschrift te laat ingediend. De tegemoetkoming zoals omschreven onder 4.2 is niet van toepassing, aangezien dit stuk meer dan één week na 8 november 2023 is ontvangen.\n\n4.5.. Belanghebbende betoogt dat haar gemachtigde pas op 20 november 2023 kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak, nu deze op 27 september 2023 naar het woonadres van belanghebbende is gestuurd. Naar de mening van belanghebbende is daarmee sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de uitspraak niet naar het woonadres van belanghebbende is gestuurd, maar naar het postadres van de gemeente [woonplaats] . Vervolgens is de uitspraak door de gemeente [woonplaats] naar het woonadres van belanghebbende doorgestuurd. Hierdoor heeft belanghebbende, alsook haar gemachtigde, pas op 20 november 2023 kennis kunnen nemen van de uitspraak van de rechtbank, aldus belanghebbende.\n\n4.6.. Uit artikel 6:17 Awb volgt dat, indien iemand zich laat vertegenwoordigen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking moeten worden gesteld. Het hof stelt vast dat belanghebbende in haar brief van 31 augustus 2022 aan de rechtbank (zie 2.10) heeft verzocht om als correspondentieadres haar woonadres te hanteren, te weten, ‘ [adres 1] [woonplaats] ’. Het hof acht aannemelijk dat de rechtbank haar uitspraak, conform dit verzoek, heeft toegezonden naar dit adres. De begeleidende brief van de rechtbank vermeldt immers ‘ [adres 1] [woonplaats] ’ als toezendadres. Ook schrijft de gemachtigde van belanghebbende in het hogerberoepschrift dat de uitspraak ‘naar belanghebbende [is] verzonden en naar hun woonadres’ en heeft zij daarbij niet vermeld dat de uitspraak eerst naar de gemeente [woonplaats] is verzonden, terwijl belanghebbende in het hogerberoepschrift wel verzoekt om de te late indiening van het hogerberoepschrift als verschoonbaar aan te merken. Naar het oordeel van het hof had het dan op de weg van belanghebbende gelegen om in het hogerberoepschrift melding te maken van deze omstandigheid. Met hetgeen belanghebbende heeft gesteld en ter zitting heeft verklaard, acht het hof daarom niet aannemelijk dat de uitspraak niet naar het juiste adres is verzonden.\n\n4.7.. De rechtbank heeft door toezending van haar uitspraak aan het woonadres van belanghebbende (op 27 september 2023) voldaan aan de op haar rustende verplichtingen van artikel 6:17 Awb. Het gegeven dat de gemachtigde van belanghebbende pas later kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak van de rechtbank, komt voor risico van belanghebbende. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende zelf, in reactie op het verzoek daartoe van de rechtbank, haar eigen woonadres als correspondentieadres heeft opgegeven. Ook heeft (de gemachtigde van) belanghebbende in alle overige correspondentie aan de rechtbank het woonadres van belanghebbende vermeld als verzendadres. De omstandigheid dat de gemachtigde pas na het verstrijken van de termijn het hogerberoepschrift heeft ingediend vormt daarom niet een gevolg van een haar niet toe te rekenen omstandigheid, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.\n\n4.8.. Uit bovenstaande volgt dat het hogerberoepschrift van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van belanghebbendes klachten tegen de uitspraak van de rechtbank.\n\nTussenconclusie\n\n4.9.. De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.10.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.11.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Artikel 6:9, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Artikel 6:9, lid 2, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.3.\n\n Vgl. Hoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, r.o. 4.2.3 en 4.3 en Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, r.o. 3.2.4.\n\n Artikel 6:8, lid 1, Awb in verbinding met artikel 6:24 Awb.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1433","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:27.517Z",{"id":67,"ecli":68,"slug":69,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":70,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":71,"sourceTimestamp":72,"parsedAt":64,"updatedAt":73},"395","ECLI:NL:GHSHE:2026:1623","ecli-nl-ghshe-2026-1623","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F213\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] (Duitsland),\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 22\u002F4144, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting (hierna: IB) 2016 gedaan en de inspecteur heeft de aanslag IB 2016 opgelegd (hierna: de aanslag).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag.\n\n1.3.. De inspecteur heeft een verminderingsbeschikking inkomstenbelasting 2016 gegeven.\n\n1.4.. De inspecteur heeft uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.5.. De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB 2016 (hierna: de navorderingsaanslag) opgelegd.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft ook bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag (hierna: het bezwaar tegen de navorderingsaanslag).\n\n1.7.. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ongegrond verklaard (hierna: de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag).\n\n1.8.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.9.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.\n\n1.10.. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.11.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\n1.12.. De zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn echtgenote [echtgenote] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.13.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is inwoner van Duitsland.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft in 2016 twee uitkeringen uit Nederland ontvangen van ABN AMRO Bank N.V., te weten:\n\nEen ontslagvergoeding van € 30.000, waarop € 15.600 aan loonheffing is ingehouden;\n\nEen uitkering uit een levensloopregeling van € 19.900, waarop € 1.672 aan loonheffing is ingehouden.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft aangifte IB voor het jaar 2016 gedaan als kwalificerend buitenlands belastingplichtige en hij heeft daarbij aangegeven dat hij premieplichtig in Nederland is. Hij heeft daarbij gekozen voor toepassing van het overgangsrecht als bedoeld in artikel 33, lid 6, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het belastingverdrag).\n\n2.4.. Tussen de belanghebbende en de inspecteur is veelvuldig contact geweest over de heffing van Nederlandse IB over het jaar 2016.\n\n2.5.. De inspecteur heeft met dagtekening 11 oktober 2019 de aanslag vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 52.039, daarbij is belanghebbende als niet premieplichtig aangemerkt. Aan belanghebbende is een teruggaaf verleend waarover € 634 aan belastingrente is vergoed.\n\n2.6.. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de inspecteur een verminderingsbeschikking genomen waarbij de uitkeringen (zie hiervoor in 2.5) zijn vrijgesteld en het verzamelinkomen van belanghebbende is vastgesteld op € 3.139.\n\n2.7.. Met dagtekening 6 juli 2022 is aan belanghebbende de navorderingsaanslag opgelegd. Belanghebbende heeft hier, bij brief door de inspecteur ontvangen op 30 juni 2022, bezwaar tegen gemaakt.\n\n2.8.. De inspecteur heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat de navorderingsaanslag, als gevolg van een beoordelingsfout ten aanzien van de eerder gegeven verminderingsbeschikking, ten onrechte is opgelegd en vernietigd dient te worden. De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist.\n\n2.9.. In het kader van deze procedure heeft belanghebbende in zijn woonland verzocht tot het opstarten van een Mutual Agreement Procedure (hierna: de MAP-procedure). Ter zitting bij het hof heeft belanghebbende verklaard dat de MAP-procedure is afgerond en dat het heffingsrecht over de uitkeringen aan Nederland is toegewezen.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft belanghebbende recht op een rentevergoeding?\n\nHeeft belanghebbende recht op vergoeding van (immateriële) schade?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van het oordeel over de vernietiging van de navorderingsaanslag en de vergoeding van het griffierecht. Daarnaast verzoekt hij tot toekenning van een (immateriële)schadevergoeding van € 6.500 en toekenning van € 1.925 rentevergoeding. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nVooraf\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. De rechtbank heeft met dagtekening 14 december 2023 uitspraak gedaan. Een afschrift van de uitspraak is op 19 december 2023 aan partijen toegestuurd.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft bij brief, door de rechtbank ontvangen op 17 januari 2024, het volgende geschreven:\n\n“Nadat verdere onderhandeling met de belastingdienst over een schadevergoeding helaas niet mogelijk bleek gaan wij in beroep bij het gerechtshof in Den Bosch. Ter vervollediging van de gerechtelijke stukken verzoek ik u mij van bovengenoemde zaak het zittingsverslag van 2 november 2023 per post te doen toekomen.”\n\n4.3.. De rechtbank heeft bij brief van 13 februari 2024 het volgende aan belanghebbende medegedeeld:\n\n“Uw beroepschrift heb ik op 17 januari 2024 ontvangen. U bent in hoger beroep gegaan.\n\nDeze rechtbank is echter niet bevoegd om uw beroepschrift te behandelen. Daarom heb ik uw beroepschrift doorgezonden aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het gerechtshof zal u over het verdere verloop van de procedure informeren.”\n\n4.4.. Op 6 februari 2024 heeft het gerechtshof een brief van belanghebbende ontvangen met als opschrift: “Pro Forma Beroepschrift”. Dit geschrift is door het hof ontvangen buiten de beroepstermijn.\n\n4.5.. Gegeven de bovenstaande feiten is het hof van oordeel dat belanghebbende tijdig, dan wel verschoonbaar te laat, hoger beroep heeft ingesteld, omdat hij uit de brief van de rechtbank van 13 februari 2024 redelijkerwijs mocht afleiden dat hij hoger beroep had ingesteld. Belanghebbende is ontvankelijk in zijn hoger beroep.\n\nTen aanzien van het geschil\n\n1) Rentevergoeding\n\n4.6.. Belanghebbende heeft aangifte gedaan en daarbij aangegeven dat hij kwalificerend buitenlands belastingplichtig en premieplichtig is. Daarnaast heeft hij aangegeven gebruik te willen maken van het overgangsrecht als bedoeld in artikel 33, lid 6, van het belastingverdrag.\n\n4.7.. Met dagtekening 11 oktober 2019 heeft de inspecteur de aanslag vastgesteld. Daarbij heeft de inspecteur belanghebbende aangemerkt als niet-premieplichtig. Dit heeft geleid tot een teruggaaf. Over de teruggaaf is € 634 aan belastingrente vergoed.\n\n4.8.. De aanslag is vervolgens ambtshalve verminderd, waarna een navorderingsaanslag is opgelegd die overeenkomt met de oorspronkelijke aanslag. De rechtbank heeft de navorderingsaanslag wegens formele redenen vernietigd.\n\n4.9.. In de MAP-procedure is bepaald dat Nederland heffingsrecht heeft over de uitkeringen (zie 2.9). Hieruit volgt dat de initieel opgelegde aanslag en de navorderingsaanslag correct waren. De inspecteur heeft onterecht een vermindering toegekend en kon dit, vanwege formele gronden, niet middels een navorderingsaanslag herstellen. Hierdoor is een situatie ontstaan waarin de inkomensbestanddelen noch in Nederland noch in Duitsland in de heffing zijn betrokken.\n\n4.10.. Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de initiële aanslag terecht was opgelegd. Hoewel belanghebbende belasting heeft teruggekregen in het kader van de hiervoor genoemde onterechte vermindering, kan niet worden gesteld dat belanghebbende onterecht niet over dit geld kon beschikken. Het hof ziet daarom geen reden om de inspecteur te veroordelen tot betaling van rente.\n\n2) Verzoek tot toekennen schadevergoeding\n\n4.11.. Belanghebbende stelt dat de uitspraak van de rechtbank onvolledig is, omdat, onder meer, de rechtbank ten aanzien van de immateriële schadevergoeding slechts een deel van het geheel heeft beoordeeld. Belanghebbende verzoekt in dat kader, naar het hof begrijpt, om i) vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure(s), en ii) een (aanvullende) schadevergoeding vanwege de zaakzwaarte, de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, een wanprestatie van de inspecteur jegens belanghebbende en, in hoger beroep, de onwaarheden die de inspecteur ter zitting in eerste aanleg heeft verteld. Belanghebbende verzoekt het hof om alsnog op dit geschilpunt te beslissen.\n\n4.12.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat i) niet kan worden toegekomen aan de vergoeding van immateriële schade, omdat de redelijke termijn niet is overschreden, en ii) hij geen redenen ziet om op andere gronden een aanvullende schadevergoeding toe te kennen.\n\n4.13.. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag vernietigd en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft geen uitspraak gedaan op het verzoek om een aanvullende schadevergoeding. Aangezien de rechtbank heeft nagelaten over dit geschilpunt te oordelen en belanghebbende het hof verzoekt om een inhoudelijke beoordeling, zal het hof de zaak zelf afdoen. Het hof komt daarbij tot de conclusie dat hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet kan leiden tot toekenning van een (immateriële)schadevergoeding. Het hof merkt daarbij op dat dit niet zonder meer tot een gegrond hoger beroep leidt. Hieronder zal het hof toelichten hoe het tot dat oordeel is gekomen.\n\ni) Immateriële schadevergoeding wegens overschrijden redelijke termijn (eerste aanleg)\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat in eerste aanleg de redelijke termijn is overschreden en hij daarom recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. De redelijke termijn vangt aan in het eerste kwartaal van 2018 “na de belofte van een beslissingsbevoegde bij de Nederlandse belastingdienst om binnenkort een (voorlopige)aanslag 2016 op te leggen” dan wel in oktober 2019, aldus belanghebbende.\n\n4.15.. Voor het bepalen van de vergoeding voor immateriële schade in geval van het overschrijden van de redelijke termijn, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016.Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Als de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.\n\n4.16.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag ontvangen op 30 juni 2022 (zie 2.7). Op 19 december 2023 heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Het hof stelt vast dat de rechtbank binnen twee jaar na het moment van indiening van het bezwaarschrift uitspraak heeft gedaan en oordeelt dat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden.\n\nii) Aanvullende schadevergoeding\n\n4.17.. Als motivering voor zijn verzoek om een aanvullende schadevergoeding voert belanghebbende aan dat de zaak bijzonder zwaar was (“anderhalve ordners aan communicatie”), de inspecteur de belofte van een snelle afwerking niet is nagekomen waardoor het vertrouwensbeginsel is geschonden en de MAP-procedure onnodig lang heeft geduurd. Hoewel de MAP-procedure door het ministerie is gevoerd, acht belanghebbende dit, vanwege de nauwe contacten tussen beide organisaties, ook aan de inspecteur toerekenbaar. Daarnaast zijn de gemaakte fouten in de onderhavige procedure voor belanghebbende aanleiding om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen. Tot slot acht belanghebbende het laakbaar dat de inspecteur ter zitting bij de rechtbank een, naar zijn mening, onjuiste verklaring heeft afgelegd en overigens ook niet zorgvuldig heeft gehandeld. Hij verzoekt het hof naast de toekenning van een schadevergoeding, de inspecteur te berispen.\n\n4.18.. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst belanghebbende op e-mailcorrespondentie tussen hem en de inspecteur. Laatstgenoemde schrijft in een e-mail op een niet nader gespecificeerde datum:\n\n“Om een overlegprocedure op te starten moet er allereerst, daadwerkelijk, sprake zijn van dubbele belastingheffing. De aanslag van 2016 (met de ontslaguitkering) moet dus zijn opgelegd. Dat is nu nog niet het geval. Het is momenteel ook nog niet mogelijk deze aanslag 2016 definitief vast te stellen. Ik zal wel een en ander zo goed mogelijk bewaken om de aanslag met zo min mogelijke vertraging te kunnen vaststellen.”\n\nEn in een e-mail van 5 juli 2017:\n\n“Naar mijn mening zijn er geen echte achterstanden! Zoals ik vanmorgen ook al heb aangegeven in mijn mail, zal ik zorgdragen voor een zo spoedig mogelijke verwerking van uw aanslag 2016. Een duidelijk tijdstip van afhandeling kan ik niet geven, maar wel met u mee hopen dat het gelijktijdig zou kunnen gebeuren met de Duitse aanslag.”\n\n4.19.. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt heeft gesteld dat het vertrouwensbeginsel is geschaad en dat hij op grond daarvan recht heeft op een schadevergoeding, is het hof van oordeel dat de uitlatingen van de inspecteur, zoals hiervoor in de in 4.18 weergegeven e-mails, onvoldoende concreet zijn om redelijkerwijs vertrouwen aan te kunnen ontlenen.\n\n4.20.. Voor zover belanghebbende betoogt dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden en dat deze schending tot een aanvullende schadevergoeding, namelijk naast de schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn, zou moeten leiden, overweegt het hof dat weliswaar is komen vast te staan dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslag, maar dat dit reeds heeft geleid tot vernietiging van deze navorderingsaanslag. Naar het oordeel van het hof kunnen de door belanghebbende aangedragen feiten en omstandigheden ook niet leiden tot de gevolgtrekking dat de inspecteur tegen beter weten in heeft gehandeld. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding.\n\n4.21.. Het hof is voorts van oordeel dat belanghebbende voor het overige geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die kunnen leiden tot het toekennen van een aanvullende schadevergoeding. Voor het berispen van de inspecteur, voor zover daar al aanleiding toe zou zijn, is in deze procedure bij de belastingrechter geen plaats.\n\nTussenconclusie\n\n4.22.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding (in hoger beroep)4.23.. Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in hoger beroep. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof, behoudens bijzondere omstandigheden, uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hogerberoepschrift door het hof is ontvangen.\n\n4.24.. Op 17 januari 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een brief van belanghebbende ontvangen (zie 4.2), deze brief is door de rechtbank aangemerkt als hoger beroep en doorgestuurd aan het hof (zie 4.3). De redelijke termijn is derhalve op zijn vroegst aangevangen op 17 januari 2024. Het hof doet per heden uitspraak. De redelijke termijn is met minder dan zes maanden overschreden.\n\n4.25.. In het arrest van 14 juni 2024heeft de Hoge Raad beslist dat in belastingzaken kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt (de zogeheten bagatelgrens), en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. Uit overweging 3.3.1. van het arrest volgt dat het financiële belang alleen betrekking kan hebben op een of meer belastingaanslagen en\u002Fof voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 26, lid 1 en 2, AWR. Geen rekening wordt gehouden met het belang dat is gemoeid met nevenbeslissingen van bestuursorganen en rechters zoals bijvoorbeeld beslissingen over vergoedingen van proceskosten, (immateriële) schadevergoedingen en beslissingen over wettelijke rente.\n\n4.26.. Aangezien het geschil in hoger beroep, nog slechts beperkt is tot de vraag of belanghebbende recht heeft op een (hogere) rentevergoeding en\u002Fof vergoeding van (immateriële) schade, volstaat het hof, gelet op het voorgaande, met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.27.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.28.. Belanghebbende heeft niet verzocht om vergoeding voor de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, reiskosten of verletkosten. Wel heeft hij gesteld dat hij recht heeft op een vergoeding van de door hem aan de procedure bestede tijd. Deze kosten komen op basis van het besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nF. Marcolina W.W. Monteiro\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1623","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.685Z",{"id":75,"ecli":76,"slug":77,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":78,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":79,"sourceTimestamp":63,"parsedAt":64,"updatedAt":80},"392","ECLI:NL:GHSHE:2026:1458","ecli-nl-ghshe-2026-1458","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 24\u002F1147 t\u002Fm 24\u002F1154\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 1 juli 2024, nummers BRE 23\u002F1090 t\u002Fm 1093, 23\u002F1095, 23\u002F1097, 23\u002F1098 en 23\u002F1100, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV), alsmede in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) voor de jaren 2014, 2015, 2016 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en zijn bij beschikkingen vergrijpboetes opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2016 en 2017 gegrond verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de boete IB\u002FPVV 2014 en de boete IB\u002FPVV 2016 gegrond verklaard en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Op 10 februari 2026 heeft belanghebbende het hof verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft het verzoek op de hierna onder 4.1 tot en met 4.2 vermelde gronden afgewezen.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende, geboren op [datum] 1947, is alleenstaand. Belanghebbende was gehuwd met mevrouw [naam] . Mevrouw [naam] is op 24 augustus 2004 overleden. Uit het huwelijk zijn vijf kinderen geboren.\n\n2.2.. Belanghebbende exploiteert gedurende meer dan 40 jaar een autosloperij.\n\n2.3.. Op 11 juli 2017 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek de woning en het terrein rondom de woning van belanghebbende doorzocht. Daarbij is een bedrag van € 235.715,69 aan contant geld gevonden en sieraden ter waarde van € 29.175. Bij vonnis van 22 juli 2020 van de rechtbank is belanghebbende vrijgesproken van witwassen.Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2014 tot en met 2017 aangiften IB\u002FPVV ingediend. Naar aanleiding van de aangetroffen contante gelden heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat deze gelden inkomen vormen en daarom moeten worden aangemerkt als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Hij heeft het totaalbedrag van € 235.715 over vier belastingjaren verdeeld en voor alle vier de jaren het inkomen uit werk en woning verhoogd. Voor de jaren 2016 en 2017 is eveneens het inkomen uit sparen en beleggen gecorrigeerd.\n\n2.5.. \n\nDe navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.524. Gelijktijdig met de navorderingsaanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 12.411 en is belastingrente van € 6.206 in rekening gebracht. De navorderingsaanslag Zvw 2014 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 75.461. Daarbij is € 315 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 108.004. Daarbij is € 405 belastingrente in rekening gebracht. De aanslag Zvw 2015 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 98.048. Daarbij is € 2 belastingrente in rekening gebracht.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2016 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.969 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.576. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 14.349 en is belastingrente in rekening gebracht van € 4.600. De aanslag Zvw 2016 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 87.213. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 34.\n\nDe aanslag IB\u002FPVV 2017 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.883 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.570. Gelijktijdig met de aanslag is een vergrijpboete opgelegd van € 8.709 en is belastingrente in rekening gebracht van € 1.484. De aanslag Zvw 2017 is opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 45.509. Daarbij is € 124 belastingrente in rekening gebracht.\n\n2.6.. De bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2016 en 2017 zijn gegrond verklaard. Voor 2016 is het inkomen uit werk en woning in stand gelaten en is het inkomen uit sparen en beleggen verminderd. De vergrijpboete is in stand gelaten. Voor het jaar 2017 zijn zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen verminderd, en is de vergrijpboete in zijn geheel vernietigd. De overige bezwaren zijn ongegrond verklaard.\n\n2.7.. Een en ander laat zich - voor wat betreft de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV - als volgt samenvatten.\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\nAangegeven belastbaar inkomen box 1\n\n€ 22.177\n\n€ 40.657\n\n€ 31.622\n\n€ 25.209\n\nCorrectie ROW (totaal € 235.715)\n\n€ 67.347\n\n€ 67.347\n\n€ 67.347\n\n€ 33.674\n\nVastgesteld belastbaar inkomen box 1\n\n€ 89.524\n\n€ 108.004\n\n€ 98.969\n\n€ 58.883\n\nAangegeven vermogen box 3\n\n0\n\n0\n\n0\n\n€ 241.889\n\nCorrectie grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n€ 164.402\n\n€ 233.455\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n0\n\n0\n\n€ 164.402\n\n€ 475.344\n\nVergrijpboete\n\n€ 12.411\n\ngeen\n\n€ 14.349\n\n€ 8.709\n\nUitspraak op bezwaar\n\nongegrond\n\nongegrond\n\ngegrond\n\ngegrond\n\nBelastbaar inkomen box 1\n\nongewijzigd\n\n€ 50.939\n\nVastgestelde grondslag box 3\n\n€ 113.614\n\n€ 201.451\n\nVergrijpboete\n\nongewijzigd\n\nvernietigd\n\n2.8.. De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2014 verminderd naar een bedrag van € 5.000 en de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boetes verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.000 en € 4.800. Verder heeft de rechtbank de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot het bedrag van € 1.750 en bepaald dat de inspecteur het griffierecht van, in totaal, € 100 aan belanghebbende moet vergoeden.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft de inspecteur de (navorderings)aanslagen terecht vastgesteld onder toepassing van artikel 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)?\n\nZo ja, is er sprake van een redelijke schatting door de inspecteur?\n\nZo ja, kan belanghebbende een voorziening vormen ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden ter zake van de door justitie in beslag genomen contanten?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en tot gegrondverklaring van zijn bezwaar voor wat betreft de correctie resultaat uit overige werkzaamheden en de daarbij behorende boetes. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. \n\nDe correcties met betrekking tot de grondslag in box 3, en de daarbij behorende belastingrente en boete, zijn niet langer in geschil.\n\n4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende heeft verzocht om uitstel van de zitting van 19 februari 2026 (zie 1.5). Als reden voor het verzoek om uitstel vermeldt belanghebbende dat de verdere behandeling van het hoger beroep in de strafzaak van belanghebbende (zie 2.3) is uitgesteld tot het tweede kwartaal van 2026.\n\n4.2.. Het hof heeft in hetgeen belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat om gewichtige redenen om uitstel is verzocht. Belanghebbende heeft in zijn verzoek weliswaar aangegeven om uitstel te verzoeken “in verband met de eenheid van het vaststellen van de feiten”, maar heeft in zijn hogerberoepschrift verklaard dat “ten aanzien van de feiten geen verschil van mening [bestaat] zoals deze door de rechtbank Breda zijn vastgesteld”. Ook heeft belanghebbende hierin geschreven dat de omvang van de bedragen niet in geschil is. De belastingrechter is voorts niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Belanghebbende heeft bij zijn verzoek om uitstel ook niet voldaan aan het verzoek om aan te geven op welke data hij wel beschikbaar is voor een zitting. Integendeel, belanghebbende heeft juist verzocht om uitstel voor onbepaalde tijd. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het algemene belang van een doelmatige rechtsgang zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende om uitstel te krijgen tot na zijn strafzitting.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast\n\n4.3.. Belanghebbende voert voor elk van de jaren aan dat de omkering van de bewijslast te lichtvaardig en willekeurig is toegepast. Er zijn geen structurele negatieve kassen. Belanghebbende stelt dat van het aangetroffen contant geld ter grootte van € 235.715 het bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Het restant was van familieleden. Ook stelt belanghebbende dat de aangetroffen contante gelden over een langere periode door hem gespaard zijn en dat deze gelden al in zijn aangiften inkomstenbelasting over eerdere jaren zijn verantwoord.\n\n4.4.. Artikel 27e, lid 1, AWR bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan, het beroep van de belastingplichtige ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het wetsartikel is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.Bij de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast krijgt belanghebbende in plaats van de inspecteur de bewijslast met betrekking tot de hoogte van de aanslag (omkering) en wordt bovendien de bewijslast verzwaard omdat belanghebbende moet doen blijken – dat is overtuigend aantonen – dat, en in hoeverre, de aanslag te hoog is. De vereiste aangifte is, onder andere, niet gedaan indien één of meer gebreken in de aangifte ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, zowel in absoluut als in relatief opzicht. Bij deze beoordeling moeten de normale regels van stelplicht en bewijslast worden toegepast.Een afwijking van 19% dient in ieder geval als ‘verhoudingsgewijs aanzienlijk’ te worden beschouwd.De inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen in het geval dat de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur.Het hof zal dus allereerst beoordelen of belanghebbende, gelet op dit beoordelingskader, voor de jaren 2014 tot en met 2017 niet de vereiste aangiften heeft gedaan.\n\n4.5.. Het hof stelt vast dat belanghebbende geen afzonderlijke gronden heeft aangevoerd tegen de (navorderings)aanslagen Zvw. Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd de (navorderings)aanslagen Zvw te beoordelen in lijn met de (navorderings)aanslagen IB\u002FPVV.\n\nNavorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014\n\n4.6.. Vaststaat dat het bedrag van € 235.715,69 op 11 juli 2017 is aangetroffen op het terrein van belanghebbende rondom de woning. Belanghebbende heeft op verschillende momenten, waaronder ter zitting bij het hof, verklaard dat daarvan een bedrag van € 180.101 hem toebehoort. Belanghebbende stelt dat deze gelden zijn gespaard vanuit maandelijkse kasopnames, bedoeld om huishoudelijke uitgaven van te bekostigen. Na het overlijden van zijn echtgenote in 2004, is belanghebbende minder gaan uitgeven aan zijn huishoudelijke kosten zodat er een groter bedrag kon worden gespaard. Het dossier bevat uiteenlopende verklaringen van belanghebbende omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten.\n\n4.7.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2014 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De met de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.\n\n4.8.. De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2014 over het bedrag van € 142.251 aan contant gelden beschikte. De inspecteur is bij deze berekening uitgegaan van een gespaard bedrag van € 9.400 per jaar voor de jaren 2014 en 2016 (kasopnames van € 1.000 per maand, verminderd met uitgaven van € 50 per week). Voor 2015 gaat de inspecteur - conform de verklaring van belanghebbende - uit van een kasopname van € 16.000, zodat het gespaarde bedrag voor dit jaar op € 13.400 is berekend. Voor de eerste helft van 2017 berekent de inspecteur het gespaarde bedrag op € 5.650 (de helft van het gespaarde bedrag over 2014 en 2016). Uitgaande van contante gelden op 11 juli 2017 ter grootte van € 180.101 bedraagt het vermogen aan contante gelden op 1 januari 2014 € 142.251, zijnde € 180.101, verminderd met 2 x € 9.400, met € 13.400 en met € 5.650. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 hierover berekend op het bedrag van € 893.\n\n4.9.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2014, in ieder geval, het bedrag aan contanten van € 142.251 ten onrechte niet als box 3 bezitting in zijn aangifte heeft verwerkt en dat dit heeft geleid tot het niet heffen van IB\u002FPVV voor een bedrag van € 893. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - ook ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan evenwel niet worden gezegd dat het bedrag van € 893 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast op basis hiervan niet aan de orde is.\n\n4.10.. De inspecteur heeft subsidiair gesteld dat omkering en verzwaring van de bewijslast kan worden gebaseerd op het niet door belanghebbende aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur voert aan dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen moet hebben gehad waaruit hij € 67.347 moet hebben verdiend. Dit bedrag heeft belanghebbende niet in zijn aangifte opgenomen.\n\n4.11.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2014 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2014 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.\n\n4.12.. Nu de bewijslast voor 2014 niet zal worden omgekeerd en verzwaard, en de inspecteur de correctie voor wat betreft het resultaat uit overige werkzaamheden, niet aannemelijk heeft gemaakt, zal het hof het hoger beroep tegen de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014 gegrond verklaren en de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2014 vernietigen.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2015 geen aangifte heeft gedaan binnen het inkomen uit sparen en beleggen van de contante gelden die bij de doorzoeking bij belanghebbende zijn aangetroffen. Hiermee heeft belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan. De voor de niet aangegeven contante gelden verschuldigde belasting is zowel absoluut als relatief aanzienlijk. Op basis hiervan moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard.\n\n4.14.. De inspecteur voert aan dat belanghebbende, gelet op zijn verklaringen omtrent de periode waarin belanghebbende heeft gesteld te kunnen sparen, alsook het bedrag dat belanghebbende maandelijks overhield na bekostiging van de huishoudkosten, op 1 januari 2015 over het bedrag van € 151.651 aan contante gelden beschikte. De inspecteur heeft de verschuldigde inkomstenbelasting in box 3 voor het jaar 2015 hierbij berekend op het bedrag van € 1.512 (zie 4.8).\n\n4.15.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs om aannemelijk te maken dat belanghebbende in 2015, in ieder geval, van de contante gelden een bedrag van € 126.041 niet in zijn aangifte heeft verwerkt. Het hof volgt de inspecteur in zijn berekening, nu deze gebaseerd is op verklaringen zoals door belanghebbende - bevestigd ter zitting bij het hof - zijn afgelegd. Naar het oordeel van het hof kan eveneens worden vastgesteld dat het bedrag van € 1.512 op zichzelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is. Van in relatieve zin aanzienlijk zal naar het oordeel van het hof in beginsel eerst sprake zijn bij een percentage van 10% of meer.De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB\u002FPVV 2015 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 9.971. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 13,2% (€ 1.512\u002F€ 11.483). Het is een feit van algemene bekendheid dat inkomsten uit sparen en beleggen in de heffing van de inkomstenbelasting worden betrokken en daarom moeten worden aangegeven in de aangifte. Doordat belanghebbende dit voor wat betreft zijn (contante) spaargeld niet heeft gedaan moest belanghebbende zich ervan bewust zijn dat daardoor verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven. Het feit dat het hier contante gelden betreft, maakt dit oordeel niet anders.\n\n4.16.. Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2015 moet worden omgekeerd en verzwaard. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de berekening van de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van deze aanslagen en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat belanghebbende in staat is opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de aanslagen redelijk en dus niet willekeurig is. Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schatting zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.\n\n4.17.. De inspecteur heeft aangevoerd dat de aangetroffen gelden niet zijn terug te voeren naar één enkele transactie en dat gelet op de hoogte van het bedrag ook niet aannemelijk is dat dit bedrag in één keer is verdiend. De inspecteur heeft daarom aangenomen dat de contanten die op 11 juli 2017 in de woning van belanghebbende zijn aangetroffen gespreid zijn verdiend over 42 maanden (2014, 2015, 2016 en zes maanden in 2017). De inspecteur is daarbij uit gegaan van het bedrag van € 235.715, dat wil zeggen: zonder rekening te houden met de stelling van belanghebbende dat een deel van de gelden niet aan hem toebehoorde.\n\n4.18.. Het hof volgt de inspecteur niet in zijn berekening waar hij uitgaat van het bedrag van € 235.715. In het vonnis van de rechtbank van 22 juli 2020 inzake de strafzaak tegen belanghebbende is vastgesteld dat “van de twee in de jukebox in de woning van verdachte [hof: belanghebbende] gevonden bedragen en de € 41.848,70 in een motorblok in een loods op zijn terrein verdachte niet als eigenaar wordt aangemerkt”. De belastingrechter is echter niet gebonden aan de feitenvaststelling door een strafrechter in een tegen belanghebbende gevoerde strafzaak ter zake van hetzelfde feitencomplex, noch aan enig oordeel van de strafrechter in die strafzaak. De belastingrechter dient zelfstandig een oordeel over het fiscale geschil te vormen. Wel dient de belastingrechter de Melo Tadeu-jurisprudentie in acht te nemen.Die jurisprudentie houdt kortgezegd in dat de belastingrechter - in het geval er een verband is met een strafzaak - met zijn oordeel en zijn optreden, de motivering van zijn beslissing of de door hem gebruikte bewoordingen geen twijfel doet ontstaan over de juistheid van de vrijspraak van hetgeen de verdachte in zijn strafzaak werd verweten. Verder geldt dat indien de hoogte van de schatting wordt betwist, aan de belastingrechter de bevoegdheid toekomt de schatting op redelijkheid te toetsen en zo nodig door een eigen in goede justitie opgemaakte schatting te vervangen.Het hof zal daarom uitgaan van het bedrag van € 180.101 (zie 4.3) en dit bedrag, gelijk de systematiek van de inspecteur, toerekenen over 42 maanden. Dat betekent dat het hof zal beslissen dat belanghebbende in 2015 een resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald voor het bedrag van € 51.457 (te weten: € 180.101 gedeeld door 42 maanden en vermenigvuldigd met 12 maanden). Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur voor het overige voldoende aanknopingspunten verschaft waaruit is af te leiden dat zijn berekeningen van de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015 redelijk en dus niet willekeurig zijn.\n\n4.19.. Op belanghebbende rust vervolgens de last te doen blijken - dat willen zeggen overtuigend aantonen - dat dit bedrag aan geschat inkomen onjuist is. Belanghebbende heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat:\n\nde aangetroffen gelden over een langere periode door belanghebbende zijn gespaard vanuit kasopnames, bestemd voor huishoudelijke uitgaven; en\n\nde aangetroffen gelden reeds in de aangiften IB\u002FPVV over eerdere belastingjaren waren opgenomen.\n\n4.20.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2015, na vermindering door het hof (zie 4.18), te hoog zijn. Belanghebbende heeft wisselende verklaringen afgelegd met betrekking tot de vraag op welke wijze de aangetroffen gelden zijn verkregen. Ook ter zitting heeft belanghebbende hierover geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Zelfs in het geval het hof uitgaat van de voor belanghebbende meest gunstige verklaring, tellen de alsdan maandelijks gespaarde bedragen niet op tot € 180.101. Ook heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk kunnen maken waaruit de conclusie kan worden getrokken dat een deel van de aangetroffen gelden aan anderen dan belanghebbende toebehoorden, dan wel dat de aangetroffen gelden reeds eerder in de aangifte IB\u002FPVV zijn opgenomen.\n\n4.21.. Voor het geval de correctie met betrekking tot het resultaat uit overige werkzaamheden door het hof in stand wordt gelaten, heeft belanghebbende in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden een voorziening kan worden gevormd. De inspecteur voert aan dat het vermogensverlies definitief wordt in het jaar waarin de verbeurdverklaring onherroepelijk is. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat op de balansdatum sprake is van een redelijke mate van zekerheid dat de strafrechter op vordering van het Openbaar Ministerie zou beslissen tot verbeurdverklaring van het in beslag genomen vermogensbestanddeel dan wel een ontneming en dat deze beslissing in rechte zou standhouden. Bovendien staat artikel 3.14, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001 aftrek van dergelijke kosten niet toe, aldus de inspecteur.\n\n4.22.. Het hof stelt vast dat de aangetroffen gelden eerst in juli 2017 in beslag zijn genomen. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat er reeds in 2015 een redelijke mate van zekerheid bestond dat de gelden in beslag zouden worden genomen. Integendeel, in 2015 beschikte belanghebbende nog over de gelden en er is van geen indicatie gebleken dat die gelden in beslag zouden worden genomen. De stelling van belanghebbende faalt daarom.\n\n4.23.. Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2015 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 92.114, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 40.657. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 82.158 berekenten de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 51.976.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2016\n\n4.24.. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor het jaar 2016 ten bedrage van € 4.544 is in hoger beroep niet langer in geschil. Belanghebbende heeft in 2016 ten onrechte geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in zijn aangifte aangegeven. Over het in de aanslag IB\u002FPVV 2016 in aanmerking genomen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is een bedrag van € 1.363 aan IB\u002FPVV verschuldigd. De inspecteur heeft verder onweersproken gesteld dat indien de aangifte IB\u002FPVV 2016 was gevolgd, de verschuldigde belasting voor aftrek van heffingskortingen moet worden berekend op het bedrag van € 6.347. Uitgedrukt in een percentage bedraagt de belasting ter zake van de veronderstelde gebreken in de aangifte ten opzichte van de veronderstelde werkelijk verschuldigde belasting 17,6% (€ 1.363\u002F€ 7.710). Het niet in de aangifte vermelden van deze inkomsten, mede gelet op de omvang daarvan, ten tijde van het doen van de aangiften leidt tot het oordeel dat belanghebbende zich ervan bewust was, althans zich ervan bewust moet zijn geweest, dat als gevolg daarvan verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven (zie 4.15). Hieruit volgt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte gedaan.\n\n4.25.. Uit bovenstaande volgt dat de bewijslast voor het jaar 2016 moet worden omgekeerd en verzwaard. Het hof zal het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 vaststellen op het bedrag van € 51.457 en acht de schatting voor het jaar 2016 niet willekeurig en onredelijk. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met al hetgeen hij heeft gesteld, niet overtuigend aangetoond dat de aanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2016, na vermindering door het hof, te hoog zijn. Het hof verwijst ter motivering van het voorgaande naar rechtsoverwegingen 4.17 tot en met 4.20.\n\n4.26.. Ook het standpunt van belanghebbende, inhoudende dat hij een voorziening kan vormen in 2016 voor het door justitie in beslag genomen bedrag aan contanten, faalt om redenen als genoemd in rechtsoverweging 4.22.4.27.. Uit bovenstaande volgt dat het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2016 nader zal vaststellen op het bedrag van € 51.457. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 83.079, zijnde het hiervoor genoemde bedrag van € 51.457 en het reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde bedrag van € 31.622. Het voorgaande heeft geen gevolgen voor de aanslag Zvw 2015, nu het hof het bijdrage-inkomen van belanghebbende voor dit jaar op het bedrag van € 71.323 berekenten de inspecteur reeds een aanslag had opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen van € 52.763.\n\nAanslagen IB\u002FPVV en Zvw 2017\n\n4.28.. De inspecteur stelt dat belanghebbende door het niet aangeven van het resultaat uit overige werkzaamheden ter grootte van € 33.674, alsmede het niet (tot het juiste bedrag) vermelden van de contante gelden zich ten tijde van het doen van de aangifte ervan bewust had moeten zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting niet zou worden geheven. Dit is in relatieve en absolute zin aanzienlijk, aldus de inspecteur.\n\n4.29.. Het staat vast dat het werkelijk belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, na bezwaar, lager is dan door belanghebbende vermeld in zijn aangifte IB\u002FPVV 2017. In zoverre kan de omkering en verzwaring van de bewijslast reeds hierom niet daarop worden gebaseerd. Ook de stelling van de inspecteur dat de omkering en verzwaring moet worden gebaseerd op het niet-aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden faalt. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2017 resultaat uit overige werkzaamheden heeft behaald. De inspecteur heeft een vermogensvergelijking voor de periode 2011 tot en met 2018 in het geding ingebracht, waaruit volgens de inspecteur een negatief netto privé blijkt. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd verklaard dat de vermogensvergelijking op onderdelen onjuist is. Ook kon de inspecteur desgevraagd geen toelichting verstrekken op inhoudelijke vragen van het hof over de vermogensvergelijking. Het hof zal daarom geen (voldoende) doorslaggevende betekenis toekennen aan de vermogensvergelijking. De inspecteur heeft overigens ook geen feiten en omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat belanghebbende in 2017 een onbekende bron van inkomen heeft gehad.\n\n4.30.. Gelet op het bovenstaande zal het hof het resultaat uit overige werkzaamheden voor 2017 nader vaststellen op nihil. Het belastbaar inkomen uit werk en woning zal door het hof daarom worden vastgesteld op het bedrag van € 25.209, zijnde de reeds door belanghebbende in de aangifte vermelde belastbare winst uit onderneming (€ 11.835), ontvangen AOW (€ 14.754) en saldo inkomsten eigen woning (-\u002F- € 1.380). Het hof zal de aanslag Zvw 2017 verminderen naar een bijdrage-inkomen van € 11.835.\n\nBoeten\n\n4.31.. De correctie ten aanzien van het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2014 - dat tevens de grondslag voor de boete vormt - zal door het hof worden vernietigd (zie 4.11 en 4.12). Als gevolg daarvan zal het hof de vergrijpboete voor het jaar 2014 eveneens vernietigen.4.32.. Voor zover de boete ziet op het niet door belanghebbende in de aangifte IB\u002FPVV 2016 vermelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen - € 681 (zijnde 50% van € 1.363) - wordt deze door belanghebbende in hoger beroep niet bestreden. Voor het overige ziet de boete op het door belanghebbende niet vermelde resultaat uit overige werkzaamheden. De rechtbank heeft de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verminderd naar een bedrag van € 6.000. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de boete verder met 20% verminderd naar respectievelijk € 4.800. Het hof ziet aanleiding om de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 verder te verminderen naar een bedrag van € 4.500 wegens de vermindering van het resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof zal de boete verminderen met 20% tot het bedrag van € 3.600 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.\n\nTussenconclusie\n\n4.33.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.34.. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.35.. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.\n\n4.36.. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)x € 934 (waarde per punt) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 2.802.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissing over de vergoeding van de proceskosten en griffierechten;\n\nverklaart de beroepen bij de rechtbank gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar, met uitzondering van de beslissingen met betrekking tot de aanslagen Zvw 2015 en Zvw 2016;\n\nvernietigt de navorderingsaanslag IB\u002FPVV 2014 en de navorderingsaanslag Zvw 2014, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven rentebeschikkingen;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2015 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 92.114 en wijzigt de daarbij gegeven beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2016 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 83.079 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2016 naar een bedrag van € 3.600;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2017 tot een waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt vastgesteld op € 25.209 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag Zvw 2017 naar een bijdrage-inkomen van € 11.835;\n\nvernietigt de boetebeschikking bij de aanslag IB\u002FPVV 2017;\n\nbepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;\n\nveroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 2.802.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, M.E. Smorenburg en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is alleen ondertekend door M.E. Smorenburg, aangezien de voorzitter en de griffier zijn verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nM.M. Stassen-Kanters M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3258.\n\n € 235.715 gedeeld door 42 (drie-en-een-half jaar) maal twaalf.\n\n Artikel 27h, lid 2, AWR.\n\n Hoge Raad 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8731.\n\n Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.\n\n Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.2.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 14 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3001, r.o. 4.4.4.\n\n Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9047.\n\n Belastbare winst uit onderneming van € 30.701, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.\n\n Belastbare winst uit onderneming van € 19.866, zoals volgend uit de aangifte, vermeerderd met het resultaat uit overige werkzaamheden van € 51.457.\n\n Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.\n\n 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1458","2026-07-13T00:28:27.466Z",{"id":82,"ecli":83,"slug":84,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":86,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":87,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":64,"updatedAt":88},"425","ECLI:NL:GHSHE:2026:1283","ecli-nl-ghshe-2026-1283","2026-05-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F866\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] (Frankrijk),\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 3 juni 2024, nummer BRE 23\u002F10151, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) over het jaar 2019 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur] .\n\n1.7.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan. Het hof heeft partijen daarna schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen is verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak is geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende woonde in het jaar 2019 in Frankrijk.\n\n2.2.. Belanghebbende heeft in 2019 onder meer een pensioenuitkering van Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP) ontvangen van € 22.766.\n\n2.3.. De Franse belastingautoriteiten hebben op 22 september 2022 een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2019 vastgesteld (hierna: de Franse aanslag). Daarbij is de gehele pensioenuitkering van € 22.766 in de heffing betrokken, conform de door belanghebbende aldaar gedane aangifte.\n\n2.4.. De inspecteur heeft op 7 oktober 2022 de aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2019 opgelegd (hierna: de aanslag), waarbij de pensioenuitkering voor de helft (€ 11.383) in de heffing is betrokken, conform het door belanghebbende in de aangifte aangegeven bedrag.\n\n2.5.. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur, aan de hand van een door belanghebbende overgelegd diensttijdoverzicht, de pensioenuitkering op een tijdsevenredige basis tot een bedrag van € 11.169 (49,06%) in de heffing betrokken. Uit het diensttijdoverzicht volgt dat de pensioenuitkering voor een deel toerekenbaar is aan een publiekrechtelijke arbeidsverhouding (1 augustus 1984 tot 1 augustus 1996) en voor het overige aan een privaatrechtelijke arbeidsverhouding (1 augustus 1996 tot 1 februari 2009).\n\n2.6.. Belanghebbende heeft in zijn brief van 28 november 2024 aan de Franse belastingautoriteiten gevraagd om vermindering van zijn Franse aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 2019 tot en met 2022, vanwege de dubbele belasting van een deel van zijn pensioenuitkeringen. Namens de directeur Overheidsfinanciën van het departement Nièvre is in een brief van 17 maart 2025 aan belanghebbende onder meer het volgende medegedeeld:\n\n“Berekening van de door aangeleverde indeling. U bent immers de enige die de herkomst van uw pensioenuitkeringen kent.\n\nBij het bestuderen van uw dossier bleek dat het publiekrechtelijke pensioen is vrijgesteld in Frankrijk, maar dat er rekening mee gehouden moet worden bij de berekening van het belastingtarief dat van toepassing is op andere inkomsten van de fiscale huishouding (het effectieve tarief).\n\n(…)\n\nDe indeling van het pensioen in publiekrechtelijk en privé is uw taak.\n\nOmdat de genoemde rubrieken bij de Franse aangifte inkomstenbelasting niet juist waren ingevuld, is uw publiekrechtelijke pensioen dat normaliter in Frankrijk is vrijgesteld foutief aangeslagen. Ik wijs u er nogmaals op dat de posten die zijn meegenomen in uw aangifte van inkomsten onder uw verantwoordelijkheid vallen en niet onder die van de Franse Belastingdienst. U bent verplicht om een en ander goed na te kijken en om wijzigingen aan te brengen als dat nodig is.\n\nVoor het jaar 2019 (IR 2020) is de bezwaardatum verlopen op 31 december 2022 en voor het jaar 2020 (IR 2021), is de bezwaartermijn verlopen op 31 december 2023. Dientengevolge kan uw bezwaar van 28 november 2024 niet in uw voordeel beantwoord worden. (…)”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nI. Heeft de inspecteur de aanslag tijdig opgelegd?\n\nII. Heeft de inspecteur de pensioenuitkering terecht voor een deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\nIII. Indien vraag II bevestigend moet worden beantwoord: heeft de inspecteur de pensioenuitkering voor het juiste deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\nIV. Indien vraag II bevestigend moet worden beantwoord: kan belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel doen?\n\nV. Dient de inspecteur een overlegprocedure te starten met de Franse belastingautoriteiten om een oplossing te vinden voor alle emigranten die in dezelfde situatie al belanghebbende verkeren?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag door vermindering van het bedrag van de pensioenuitkering dat in de Nederlandse heffing wordt betrokken tot nihil, of subsidiair om dat bedrag te verlagen tot € 6.835. De inspecteur concludeert dat bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nI. Heeft de inspecteur de aanslag tijdig opgelegd?\n\n4.1.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur te lang heeft gewacht met het opleggen van de aanslag. De inspecteur heeft geen rekening gehouden met de omstandigheid dat belanghebbende in Frankrijk ook tijdig aangifte moest doen. Belanghebbende heeft moeten wachten met het doen van aangifte in Frankrijk totdat de Nederlandse aanslag was opgelegd, zodat hij een boete heeft gekregen voor het te laat doen van aangifte in Frankrijk. Daar komt bij dat de aanslag pas is opgelegd nadat de Franse aanslag al was opgelegd, zodat de inspecteur zijn voorkeursrecht, dat in artikel 19, lid 1, van het Belastingverdrag Nederland-Frankrijk van 16 maart 1973 (hierna: het Verdrag)is vastgelegd, heeft verspeeld.\n\n4.2.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur tijdig, en dus niet te laat, de aanslag heeft opgelegd. De bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag vervalt na drie jaren na het einde van het belastingjaar.In dit geval was de inspecteur dus tot en met 31 december 2022 bevoegd om de aanslag vast te stellen, zodat de aanslag op 7 oktober 2022 tijdig is vastgesteld. Dat belanghebbende ook in Frankrijk tijdig aangifte moest doen, maakt het voorgaande niet anders. Verder is er op grond van het Verdrag geen sprake van een voorkeursrecht, zoals belanghebbende betoogt, maar een verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de landen. Dat de Franse aanslag inkomstenbelasting al was opgelegd, leidt er op zichzelf bezien dus niet toe dat de inspecteur geen aanslag meer mocht vaststellen.\n\nII. Heeft de inspecteur de pensioenuitkering terecht voor een deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\n4.3.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de gehele pensioenuitkering al in Frankrijk belast was. Bovendien geeft het Verdrag niet de mogelijkheid om de pensioenuitkering te splitsen in een publiekrechtelijk en privaatrechtelijk deel. Dit standpunt wordt door de Franse inspecteur bevestigd, aldus belanghebbende.\n\n4.4.. Het hof overweegt dat de pensioenuitkering op grond van nationale wetgeving deel uitmaakt van het belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland.Nederland is verder op grond van het Verdrag bevoegd om belasting te heffen over het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering.Dit deel van de pensioenuitkering dient op grond van datzelfde Verdrag in Frankrijk te worden vrijgesteld van inkomstenbelasting.Dat dit laatste niet gebeurd is, doet niet af aan de bevoegdheid van Nederland om over het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering te heffen. De grond slaagt daarom niet. Het hof merkt daarbij overigens nog op dat ook de Franse belastingautoriteiten ervan uitgaan dat op grond van het Verdrag het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering in Nederland belast mag worden, en dat het in Frankrijk wordt vrijgesteld. Dit volgt namelijk uit de onder 2.6 van deze uitspraak geciteerde passages uit de brief van 17 maart 2025.\n\nIII. Omdat vraag II bevestigend moet worden beantwoord: heeft de inspecteur de pensioenuitkering voor het juiste deel in de Nederlandse heffing betrokken?\n\n4.5.. Belanghebbende stelt dat, als het Verdrag een splitsing van het pensioen toelaat, deze splitsing niet op de door de inspecteur gebruikte tijdsevenredige basis mag worden gemaakt, omdat een tijdsevenredige toedeling alleen past bij een pensioen dat volledig op eindloon is gebaseerd. Hij wijst daarbij op het feit dat zijn pensioenrechten tot 1 januari 2004 werden opgebouwd op basis van een eindloonregeling en vanaf 1 januari 2004 tot 1 februari 2009 op basis van een middenloonregeling. Belanghebbende stelt dat hij over die laatste periode zodanig veel pensioen heeft opgebouwd dat van zijn totale pensioen slechts 30% aan het publiekrechtelijke deel van zijn loopbaan is toe te rekenen.\n\n4.6.. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat bij de splitsing van het pensioen het deel dat is opgebouwd in de jaren dat een middenloonregeling gold bij voorkeur wordt bepaald op het daadwerkelijk in die jaren opgebouwde pensioen. Naar het oordeel van het hof brengt dat met zich dat het op de weg van belanghebbende ligt om aannemelijk te maken dat en hoeveel pensioen hij vanaf 1 januari 2004 heeft opgebouwd. Belanghebbende heeft immers de bewijslast, omdat hij zich beroept op een vermindering van de volgens nationale wetgeving toegestane heffing en alleen hij (en zijn pensioenuitvoerder) (kunnen) beschikken over de voor de berekening benodigde gegevens. Belanghebbende heeft echter slechts een benaderende becijfering gegeven die niet is onderbouwd met stukken en waarbij ten onrechte geen rekening is gehouden met de loonsverhogingen van belanghebbende in de periode van 1 augustus 1996 tot 1 januari 2004. Met deze benaderende becijfering heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 januari 2004 meer dan tijdsevenredig pensioen heeft opgebouwd. Belanghebbende heeft niet betwist dat, als het pensioen tijdsevenredig moet worden gesplitst, de inspecteur deze splitsing correct heeft becijferd. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur de pensioenuitkering dan ook voor het juiste deel in de heffing betrokken.\n\nIV. Omdat vraag II bevestigend moet worden beantwoord: kan belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel doen?\n\n4.7.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de inspecteur de verwachting heeft geschept dat hij rekening zou houden met het deel van de pensioenuitkering dat al in Frankrijk in de heffing betrokken was, in die zin dat hij dit deel dan niet in de Nederlandse belastingheffing zou betrekken. De inspecteur heeft namelijk zelf om de Franse aanslag gevraagd. Belanghebbende wijst daarbij op de volgende passage uit een brief van de inspecteur van 15 september 2022:\n\n“In uw mail van 27 juli 2022 vraagt u het volgende:\n\nOnlangs heb ik de jaaropgaven van het ABP (2019, 2020 en 2021, zie bijlage 2) overgelegd aan de Franse Belastingdienst. Er is nu risico dat het 'ambtenarendeel' dubbel belast gaat worden.\n\nIk zal het erg op prijs stellen als u met dit gegeven rekening houdt bij het vaststellen van mijn belastbaar inkomen over 2019, 2020 en 2021.\n\nAntwoord:\n\nZolang de definitieve aanslag 2019 niet is vastgesteld door Frankrijk kan ik nog geen rekening houden met bedrag wat misschien dubbel belast gaat worden.\n\nU heeft altijd de mogelijkheid om tegen die tijd een bezwaarschrift in te dienen.”\n\n4.8.. Het hof heeft hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Kort gezegd houdt het vertrouwensbeginsel in dat de inspecteur gebonden is aan toezeggingen die door hem zijn gedaan. Het hof is van oordeel dat van een toezegging in dit geval geen sprake is. De inspecteur heeft gedurende de gehele procedure steeds het standpunt ingenomen dat Nederland bevoegd was te heffen over het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering. Belanghebbende heeft dat ook erkend.De passage uit de brief van 15 september 2022, wat daar verder ook van zij, kan naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gezien als een concrete toezegging van de inspecteur dat het deel van de pensioenuitkering waarover in Frankrijk geheven is, niet in de Nederlandse belastingheffing zal worden betrokken. Reeds hierom faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel.\n\nV. Dient de inspecteur een overlegprocedure te starten met de Franse belastingautoriteiten om een oplossing te vinden voor alle emigranten die in dezelfde situatie als belanghebbende verkeren?\n\n4.9.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat een overlegprocedure in de zin van artikel 27 van het Verdrag voor hem geen redelijke weg is om te begaan, aangezien een dergelijke procedure duur is in verhouding tot het concrete financiële belang van belanghebbende zelf. Belanghebbende zal dan namelijk een advocaat moeten inschakelen en gebruik moeten maken van een tolk. Bovendien duurt zo’n procedure lang, en is het onzeker of het tot een oplossing zal leiden. Belanghebbende wijst op de mogelijkheid van artikel 27, lid 3, onder b, en lid 4, van het Verdrag, waarmee de inspecteur op eigen initiatief in overleg kan treden met de Franse belastingautoriteiten om een oplossing te vinden voor alle Nederlanders die in Frankrijk wonen en die hetzelfde probleem als belanghebbende hebben.\n\n4.10.. Het hof overweegt dat het Verdrag aan de bevoegde autoriteiten van Nederland en Frankrijk de mogelijkheid biedt om ten aanzien van verschillende situaties in overleg te treden om overeenstemming te bereiken. Het hof is echter niet bevoegd om de inspecteur te verplichten een dergelijk overleg te initiëren. Het hof merkt daarbij overigens nog op dat van een moeilijkheid of twijfelpunt in algemene zin zoals bedoeld in artikel 27, lid 3, van het Verdrag in dit geval geen sprake lijkt te zijn. Ten aanzien van de toepassing van het Verdrag bestaat in dit geval namelijk geen verschil in opvatting tussen de landen: zowel de Nederlandse als Franse inspecteur gaat ervan uit dat het publiekrechtelijke deel van de pensioenuitkering in Nederland belast is, en het privaatrechtelijke deel in Frankrijk.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe uitspraak is ondertekend door de griffier, en door de oudste raadsheer, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nR. Camps C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n De Nederlandse vertaling van de brief is door belanghebbende in hoger beroep overgelegd.\n\nOvereenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen.\n\n Artikel 11, lid 3 en lid 4, Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Artikel 7.2, lid 2, aanhef en onder b, Wet IB 2001.\n\n Artikel 19, lid 1, van het Verdrag.\n\n Artikel 24, aanhef en onderdeel B, onder a, van het Verdrag.\n\n In zijn nader stuk (reactie op het verweerschrift) van 16 juli 2024, punt 7.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1283","2026-07-13T00:28:29.236Z",{"id":90,"ecli":91,"slug":92,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":93,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":94,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":64,"updatedAt":95},"424","ECLI:NL:GHSHE:2026:1278","ecli-nl-ghshe-2026-1278","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 25\u002F834\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van\n\n24 maart 2025, nummer BRE 24\u002F2629, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en [persoon] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland.\n\n2.2.. Van 18 oktober 2005 tot 2 juni 2022 heeft belanghebbende in loondienst gewerkt voor [bedrijf groep] , waarbij achtereenvolgens als werkgever optraden [bedrijf 1] (van 18 oktober 2005 tot 2 augustus 2013), [bedrijf 2] Luxembourg branch (van 2 augustus 2013 tot 30 september 2018) en [bedrijf 3] (van 1 oktober 2018 tot 2 juni 2022).\n\n2.3.. \n\nGedurende de twee laatstgenoemde dienstverbanden waren [bedrijf 2] ,\n\nLuxembourg branch, respectievelijk [bedrijf 3] inhoudingsplichtige voor de Nederlandse loonbelasting.\n\n2.4.. Tot 1 september 2017 was belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Luxemburg. In dat kader nam hij verplicht deel aan de Luxemburgse pensioenregeling bij Caisse nationale d'assurance pension (hierna: CNAP). De werkgever betaalde de ene helft van de premies, de andere helft van de premies kwam voor rekening van belanghebbende als werknemer.\n\n2.5.. Vanaf 1 september 2017 is belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Nederland en daarom vanaf die datum premieplichtig in Nederland. Op 31 augustus 2017 eindigde derhalve de verplichte sociale verzekering in Luxemburg en daarmee ook de onder 2.4 genoemde inhouding van de werkgever- en werknemersbijdragen op het loon van belanghebbende. [bedrijf 2] , Luxembourg branch heeft belanghebbende geïnformeerd over de mogelijkheid om in Luxemburg pensioenpremies te blijven voldoen en schrijft daarover het volgende:\n\n“It came to our knowledge that there is a possibility for you to continue paying pension funds in Luxembourg, even though you have been disaffiliated as per August the 31st, 2017.\n\nThe system is based on a voluntary applicationwhich all of you can make, if you are interested in continuing to contribute for pension funds in Luxembourg and it can be done retrospectively to September the 1st, 2017.\n\n(…) the company has decided to participate in contributing pension funds in Luxembourg, for those who wish to apply for it. The maximum proportion of the cost which the company can offer is 8% of your total gross salary, such as we've contributed for you during your affiliation in Luxembourg the years before.\n\n(…)\n\nPlease note that this application is an exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution; the invoice has to be entirely paid by the employee and only if the employee provides a copy of the invoice, the company will be able to reimburse the corresponding part of the cost (which can only be maximum half of the amount - 8% of your total gross salary).\n\nAs mentioned here above, the company is willing to meet you in case if your country of affiliation offers you a less favorable pension scheme than provided by the Luxembourgish public pension institution BUTit is solely up to you, whether to decide to subscribe to the voluntary continuation of pension contributions in Luxembourg or not.”\n\n2.6.. Belanghebbende heeft ervoor gekozen om na 1 september 2017 door te gaan met het betalen van pensioenpremies in Luxemburg. Hij betaalt die premies van zijn privébankrekening aan Centre Commun de la Sécurité Sociale (CCSS), gevestigd te Luxemburg. Belanghebbende heeft in het jaar 2020 in totaal een bedrag van € 14.830 betaald aan CCSS.\n\n2.7.. Belanghebbende heeft in 2020 van [bedrijf 3] elke maand een bedrag van € 1.361,83 bruto ontvangen, aangeduid op de loonstroken als ‘pension contribution’.\n\nDaarover schrijft [bedrijf 3] aan belanghebbende:\n\n“If you are making pension contributions to LUX pension CCSS.\n\nOn your payslips (…) you will see a new Gross amount. This is due to the fact that [bedrijf 4] decided to put your pension contributions on your payslip and not pay them separately into your personal bankaccounts (…).”\n\n2.8.. Volgens de gerenseigneerde loongegevens heeft belanghebbende in 2020 van [bedrijf 3] een fiscaal loon ontvangen van in totaal € 82.625, waarvan € 16.332 aan pension contributions.\n\n2.9.. In de aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2020 heeft belanghebbende in de rubriek ‘loon, uitkering ZW en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking’ onder meer het van [bedrijf 3] ontvangen bedrag van € 82.625 aangegeven en verder een negatieve post opgenomen van € 7.415 met de omschrijving ‘betaalde pensioenpremie CCSS Luxemburg’.\n\n2.10.. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2020 van de aangifte afgeweken. Hij heeft het door belanghebbende in zijn aangifte opgenomen negatieve bedrag van € 7.415 in de aanslag IB\u002FPVV 2020 niet in aftrek van het box 1-inkomen toegelaten.\n\n2.11.. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.708. Tevens is bij beschikking € 348 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een aftrek van het inkomen uit werk en woning voor het gedeelte van de door hem aan CCSS betaalde premies, dat niet door zijn werkgever is vergoed.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van het inkomen uit werk en woning met € 7.415 tot € 77.293. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Het hof stelt voorop dat belanghebbende heeft verzocht om aftrek tot een bedrag van € 7.415. Dat bedrag betreft het saldo van de totaal door belanghebbende in 2020 aan CCSS betaalde premies van € 14.830, verminderd met het bedrag dat belanghebbende van [bedrijf 3] heeft ontvangen als ‘pension contributions’ na aftrek van de daarover ingehouden loonheffingen. Partijen zijn het erover eens dat het van [bedrijf 3] ontvangen brutobedrag van € 16.332 correspondeert met een netto bedrag van € 7.415, welk bedrag vergelijkbaar is met de hoogte van de werkgeversbijdrage van de verplichte pensioenbijdragen aan CNAP van voor 1 september 2017.\n\n(Negatief) loon?\n\n4.2.. Het hof zal, gelijk de rechtbank heeft gedaan, eerst stilstaan bij de vraag of de ‘pension contributions’ die belanghebbende van zijn werkgever heeft ontvangen, terecht tot het belastbaar loon zijn gerekend. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende geoordeeld:\n\n“Belastbaar loon5.1.. \n\nDe rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat de inspecteur voor wat betreft de\n\nhoogte van het belastbaar inkomen uit arbeid in de aanslag is uitgegaan van door hem\n\nontvangen gerenseigneerde loongegevens. Dat acht de rechtbank als uitgangspunt juist. De\n\nvergoeding die belanghebbende van zijn werkgever ontving, betreft een geldelijke\n\nvergoeding voortkomend uit dienstverband die belanghebbende heeft aangewend voor een\n\nvrijwillige voortzetting van de voormalige CNAP-regeling bij het CCSS in Luxemburg.\n\nOmdat die vergoeding door de werkgever aan belanghebbende in geld is uitgekeerd en door\n\nbelanghebbende zelf en vrijwillig is aangewend om betalingen aan een door hem in privé\n\novereengekomen verzekering te voldoen, is geen sprake van ‘inhouding’ van\n\npensioenpremies door de werkgever, of van een ‘aanspraak’ ingevolge een\n\npensioenregeling.1 Dat betekent dat belanghebbende in dat kader van zijn werkgever geen\n\nvan de loonbelasting vrijgesteld loon heeft ontvangen. De inspecteur heeft het belastbaar\n\nloon van belanghebbende daarom niet tot een te hoog bedrag in de aanslag IB\u002FPVV 2020\n\nbetrokken.\n\nOnder vermelding van voetnoot 1:\n\nZoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c en j, van de Wet op de Loonbelasting 1964. In\n\nafwijking van de hoofdregel van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in\n\ncombinatie met artikel 10, eerste en tweede lid van de Wet op de Loonbelasting 1964.”\n\nHet hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.3.. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting het voor zijn rekening gebleven deel van de aan CCSS betaalde premies als negatief loon in mindering gebracht op zijn inkomen uit werk en woning.\n\n4.4.. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van negatief loon. Het is belanghebbende die in privé de verzekering heeft afgesloten bij CCSS. De werkgever omschrijft het als een “exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution” (zie 2.5). Anders dan voorheen bij CNAP, is belanghebbendes werkgever geen partij bij de door belanghebbende met CCSS afgesloten verzekeringsovereenkomst. Belanghebbende heeft zichzelf op vrijwillige basis verbonden aan de deelname aan de pensioenverzekering bij CCSS. De aanspraak op uitkeringen die hij daarmee verkrijgt is geen aanspraak op pensioen als bedoeld in artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), in verband waarmee de uitkeringen niet zijn aan te merken als loon in de zin van die wet. Derhalve houdt de premie die belanghebbende aan de pensioenverzekering heeft betaald onvoldoende verband met zijn dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt.\n\n4.5.. De stelling van belanghebbende dat geen sprake is van een willekeurig gekozen verzekering, maar dat een en ander in het verlengde ligt van de voor 1 september 2017 verplichte sociale verzekering via CNAP in Luxemburg (zie onder 4.1 hiervoor), maakt het voorgaande, wat er ook van deze stelling zij, niet anders.\n\n4.6.. Belanghebbende stelt verder nog dat de werkgever en werknemer pensioen zijn overeengekomen. Voor zover belanghebbende hiermee heeft bedoeld te stellen dat de werkgever een pensioentoezegging heeft gedaan aan belanghebbende, is die stelling niet aannemelijk gemaakt. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken valt niet op te maken dat de werkgever aan belanghebbende een pensioentoezegging heeft gedaan (namelijk dat sprake is van pensioenopbouw via de werkgever), maar juist dat de werkgever een vergoeding betaalt voor de door belanghebbende zelf in privé afgesloten pensioenverzekering bij CCSS. Een vergoeding betalen is iets anders dan een pensioentoezegging doen.\n\n4.7.. De verwijzing van belanghebbende naar het vraag-en-antwoordbesluit, gepubliceerd op 11 december 2019 met de titel “V&A 19-010 Behandeling van door werknemers betaalde pensioenpremie aan een beroepspensioenfonds in de aangifte inkomstenbelasting”, wordt door het hof verworpen. Dit besluit ziet namelijk op werknemers die deelnemen aan de pensioenregeling van een beroepspensioenfonds en zelf de pensioenpremie aan dat fonds betalen. De situatie van belanghebbende valt niet onder de reikwijdte van dit besluit, alleen al omdat de pensioenregeling van belanghebbende bij CCSS niet blijft binnen de grenzen die zijn opgenomen in hoofdstuk IIB en VIII van de Wet LB en de daarop gebaseerde regelgeving, zie onder 4.2 en 4.4 hiervoor. In het besluit wordt in dat kader ook verwezen naar het door het hof in 4.4 aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010.\n\nUitgave voor inkomensvoorzieningen (premie voor lijfrente)?4.8.. De volgende vraag waarvoor het hof zich geplaatst ziet is of belanghebbende de premies in aftrek kan brengen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:\n\n“5.2. De rechtbank begrijpt het betoog van belanghebbende verder zo dat de betalingen\n\naan het CCSS als uitgaven voor inkomensvoorziening in mindering op zijn box 1-inkomen\n\nmoeten worden gebracht als aftrekbare premies voor lijfrente. In dat kader rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken dat de betalingen kwalificeren als\n\npremies voor lijfrente als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001,\n\nen dat die premies dienen ter compensatie van een pensioentekort2. Aan die bewijslast heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Aan de hand van hetgeen\n\nbelanghebbende heeft gesteld en de stukken die hij heeft overgelegd, kan namelijk niet de\n\nconclusie worden verbonden dat de premies aan de definitiebepaling van lijfrente voldoen.\n\nBelanghebbende heeft daar mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur\n\nonvoldoende voor gesteld noch met concrete verifieerbare stukken zijn stellingen in dat\n\nkader onderbouwd. Dat betekent dat reeds om die reden belanghebbende de betaalde bedragen aan het CCSS niet als inkomensvoorziening in mindering op zijn box 1-inkomen\n\nkan brengen.\n\nOnder vermelding van voetnoot 2:\n\nZie de voorwaarden van artikel 3.124 eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001.”\n\nHet hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.9.. Belanghebbende heeft verder gesteld dat sprake is van strijd het Europees recht, waaronder diverse artikelen uit het Europees verdrag voor de rechten van de Mens en het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:\n\n“Europees discriminatieverbod5.4.. \n\nBelanghebbende betoogt verder dat de minister een onderscheid maakt door alleen\n\nsommige buitenlandse pensioenverzekeraars als toegelaten pensioenstellingen in de zin van\n\nartikel 3.126 van de Wet IB 2001 aan te merken5. Dat onderscheid is volgens belanghebbende discriminerend en strijdig met het Unierecht. De rechtbank komt aan een\n\ninhoudelijke beoordeling van deze stelling niet toe, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingen aan het CCSS in zijn geval kwalificeren als\n\npremies voor lijfrente in de zin van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.\n\nDat betekent dat het beroep van belanghebbende in zoverre dus ook niet kan slagen.\n\nOnder vermelding van voetnoot 5:\n\nArtikel 3.126, derde lid, van de Wet IB 2001 in combinatie met artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.”\n\nHet hof acht dat oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.10.. Over klachten die zich richten tegen de wettelijke regeling als zodanig kan het hof zich niet uitlaten, omdat de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde en billijkheid der wet te beoordelen. Dat volgt uit artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.\n\n4.11.. Belanghebbende is het verder niet eens met het oordeel van de rechtbank over het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft dienaangaande als volgt geoordeeld:\n\n“Vertrouwensbeginsel5.5.. \n\nOok de beroepsgrond van belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel is\n\ngeschonden omdat de inspecteur de ingediende aangiften van belanghebbende in andere\n\njaren wel heeft gevolgd en alleen voor het jaar 2020 is afgeweken, slaagt niet. Voor in\n\nrechte te beschermen gewekt vertrouwen als hier bedoeld, is meer vereist dan de enkele\n\nomstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag\n\nop een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Dat sprake is van bijkomstige omstandigheden die leiden tot gewekt vertrouwen, is echter niet aannemelijk geworden.”\n\nHet hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.\n\n4.12.. Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat het niet in aftrek toestaan van de premies leidt tot een buitensporige last en potentieel dubbele heffing omdat hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd.\n\n4.13.. Al hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft gesteld, leidt het hof niet tot een ander oordeel.\n\n4.14.. Voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de door hem gevraagde aftrek van aan CCSS betaalde premies.\n\nTussenconclusie\n\n4.15.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.16.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.17.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.H. van Schaik, voorzitter, J.M. van der Vegt en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE. Royakkers M.H. van Schaik\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Hoge Raad 26 november 2010, ECLI:NL:2010:BM9268.\n\n Zie voetnoot 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1278","2026-07-13T00:28:29.177Z",{"id":97,"ecli":98,"slug":99,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":85,"fullText":100,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":101,"sourceTimestamp":85,"parsedAt":64,"updatedAt":102},"859","ECLI:NL:GHSHE:2026:1281","ecli-nl-ghshe-2026-1281","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F945\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 mei 2024, nummer BRE 23\u002F1302, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Namens de inspecteur zijn [inspecteur 1] en [inspecteur 2] verschenen. Voor de zitting hebben belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] laten weten dat zij niet zullen verschijnen.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van de inspecteur geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft op grond van de Ziektewet uitkeringen ontvangen van het UWV gedurende de periode van 18 januari 2019 tot en met 13 januari 2021.\n\n2.2.. Op 13 januari 2020 heeft hij de eerste betaling op grond van de Ziektewet ontvangen voor een bedrag van € 22.339,88 (hierna: de eerste betaling). Volgens de betalingsspecificatie zag deze betaling op de (ziekte)periode van 18 januari 2019 tot en met 12 januari 2020. Volgens de jaaropgaaf 2020 van het UWV heeft belanghebbende in 2020 in totaal een brutobedrag van € 44.691 aan ziektewetuitkeringen ontvangen.\n\n2.3.. \n\nIn zijn aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2020 heeft belanghebbende een belastbaar\n\ninkomen uit werk en woning aangegeven van € 42.867, bestaande uit de ziektewetuitkeringen\n\nvan € 44.691 en een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 1.824.\n\n2.4.. De aanslag is vastgesteld met dagtekening 24 december 2024. Het verzamelinkomen is vastgesteld conform de ingediende aangifte.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bedrag van de eerste betaling terecht in de heffing van de inkomstenbelasting over het jaar 2020 is betrokken.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag naar een verzamelinkomen van € 20.527, tot vermindering van de beschikking belastingrente conform de verlaging van de aanslag, tot vergoeding van immateriële schade en tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in beroep en hoger beroep. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Inkomstenbelasting wordt geheven over de door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten belastbare inkomen.Periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling kwalificeren als aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen en behoren tot het belastbare inkomen.Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft de ziektewetuitkeringen ontvangen op grond van de Ziektewet. De ziektewetuitkeringen zijn daarom aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop deze zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden.\n\n4.3.. Belanghebbende stelt dat de eerste betaling bijna geheel ziet op zijn ziekte gedurende het jaar 2019 en dat deze betaling daarom in 2019 zou moeten worden belast. Belanghebbende voert verder aan dat de eerste betaling ten onrechte niet al in 2019 is gedaan door een fout van het UWV, dat belanghebbende door die fout (gegeven het progressieve belastingtarief) extra inkomstenbelasting verschuldigd is, dat belanghebbende niet de dupe mag worden van de fout van het UWV en dat daarom de eerste betaling niet in de belastingheffing over het jaar 2020 mag worden betrokken. Hij doet daarbij een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst naar jurisprudentie over de matigingvan de terugvordering van zorgtoeslag als de terugvordering een gevolg is van een fout van het UWV bij de uitbetaling van een uitkering.\n\n4.4.. De inspecteur stelt dat de eerste betaling in 2020 is genoten, omdat deze op 13 januari 2020 is ontvangen door belanghebbende en uit niets blijkt dat deze eerder is verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden. De inspecteur betwist dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.\n\n4.5.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met het overleggen van de UWV jaaropgaaf 2020 aannemelijk gemaakt dat het daarin opgenomen bedrag aan ziektewetuitkering, inclusief de eerste betaling, door belanghebbende in 2020 is genoten. Belanghebbende heeft ook erkend dat hij de eerste betaling niet in 2019 maar in 2020 op zijn bankrekening heeft ontvangen. Dat de eerste betaling bijna geheel ziet op een ziekteperiode die in 2019 ligt, betekent op zichzelf bezien niet dat deze in 2019 vorderbaar en inbaar was, ook niet gedeeltelijk. De ziektewetuitkering is pas vorderbaar nadat deze is toegekend en in de regel pas inbaar op het moment bepaald bij de toekenning. Gesteld noch gebleken is dat het recht op de eerste betaling (al dan niet deels) al in 2019 door het UWV is toegekend en betaalbaar gesteld. Het gehele bedrag van de eerste betaling is dan ook in 2020 genoten.\n\n4.6.. Wat er ook zij van de stelling van belanghebbende dat de eerste betaling door een fout van het UWV niet in 2019 maar pas in 2020 is gedaan, deze kan belanghebbende niet helpen. Ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de eerste betaling door een fout van het UWV pas in 2020 aan belanghebbende is toegekend en uitbetaald, dan nog is deze in het kalenderjaar 2020 genoten en dient deze in de belastingheffing voor 2020 te worden betrokken. De inspecteur heeft dat dan ook terecht gedaan. Anders dan belanghebbende stelt, heeft de inspecteur daarmee niet het gelijkheidsbeginsel geschonden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is van belang of een juiste wetstoepassing, in andere, aan dat van belanghebbende zowel feitelijk als rechtens gelijke, gevallen achterwege is gebleven en bovendien de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling berust op een gevoerd begunstigend beleid, een oogmerk van begunstiging of dat sprake is van een situatie waar in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur in andere gevallen anders heeft gehandeld dan bij belanghebbende en alleen al daarom kan van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake zijn. Het feit dat de inkomstenbelasting geen regeling kent zoals de matigingsregeling in de Awir is geen grond voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.\n\nTussenconclusie\n\n4.7.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding\n\n4.8.. Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.\n\n4.9.. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen.\n\n4.10.. Het hof stelt vast dat de rechtbank reeds een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg aan belanghebbende heeft toegekend van € 500. Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep geen gronden aangevoerd. In hoger beroep is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende toe te kennen.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.11.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.12.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is ondertekend door de griffier, en door de oudste raadsheer, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nR. Camps C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 2.3 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).\n\n Artikel 3.101, lid 1, letter a, Wet IB 2001.\n\n Artikel 3.146, lid 1, Wet IB 2001.\n\n Artikel 26, lid 2, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) bepaalt dat de Dienst Toeslagen kan afzien van een volledige terugvordering als deze onevenredig nadelige gevolgen zou hebben.\n\n Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR6481.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1281","2026-07-13T00:28:51.639Z",{"id":104,"ecli":105,"slug":106,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":107,"fullText":108,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":109,"sourceTimestamp":107,"parsedAt":64,"updatedAt":110},"731","ECLI:NL:GHSHE:2026:881","ecli-nl-ghshe-2026-881","2026-04-01T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 24\u002F523 tot en met 24\u002F526\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 maart 2024, nummers BRE 22\u002F3908 tot en met 22\u002F3911, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft over de jaren 2014 en 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd (hierna gezamenlijk: de navorderingsaanslagen). Tevens is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en zijn voor de IB\u002FPVV bij beschikkingen boeten opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, IB\u002FPVV 2015 en Zvw 2015 en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw 2014 ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen: [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. In februari 2014 is door onder meer de Duitse justitie een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van berichten over matchfixing en het gokken op voetbalwedstrijden. Volgens de Duitse justitie was een van de hoofdrolspelers daarin [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Bij nader onderzoek door de FIOD naar [naam 1] is onder meer belanghebbende als verdachte naar voren gekomen. Op 7 april 2014 heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven de communicatie via de mobiele telefoon van belanghebbende op te nemen voor een periode van maximaal twee weken. Uit die opnames bleek dat belanghebbende bijna dagelijks contact had met [naam 1] en door middel van sms-berichten weddenschappen aannam en wegzette bij [naam 1] .\n\n2.2.. Belanghebbende is op 15 februari 2015 gearresteerd. Het dossier bevat verslagen van de verhoren van belanghebbende die zijn afgenomen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. In die verslagen staat onder meer, verkort weergegeven, dat belanghebbende heeft verklaard dat hij de quoteringen voor de weddenschappen kreeg van [naam 1] en dat hij vervolgens ongeveer 12 of 13 personen daarover per sms informeerde, dat als spelers verloren de winst 50\u002F50 werd verdeeld tussen hem en [naam 1] en dat hij en [naam 1] zich soms zelf – al dan niet gezamenlijk – indekten tegen verlies door een aangenomen weddenschap zelf weer weg te zetten tegen een hogere quotering. De inleg van de spelers ging altijd contant. Belanghebbende betaalde de weddenschappen ook contant uit. Het aandeel van [naam 1] in de gemaakte winsten betaalde hij ook in contanten. Het wedden per sms vond plaats in alle weken dat er gevoetbald werd, dus niet in de zomer- en winterstop, maar wel als er dan een WK of EK was, aldus belanghebbende. Belanghebbende gokte ook veel zelf. Zijn inkomsten bestonden uit niets anders dan gokken.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 en 2015 geen inkomsten uit het organiseren van weddenschappen aangegeven. Wel heeft hij aangegeven een bedrag aan loon uit dienstbetrekking bij [bedrijf 1] BV ( [bedrijf 1] ) van € 41.914 voor 2014 en € 3.214 voor 2015, met daarop ingehouden bedragen aan loonheffing van € 12.961 respectievelijk € 964. De aanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor deze jaren zijn opgelegd conform de aangiften.\n\n2.4.. De aandelen in [bedrijf 1] waren eigendom van [bedrijf 2] BV, waarvan [naam 2] alle aandelen hield. [bedrijf 1] heeft auto’s geleased voor belanghebbende: in 2014 Audi’s en in 2015 een Porsche. Vast staat dat belanghebbende nooit bij [bedrijf 1] in dienstbetrekking is geweest maar dat sprake was van een schijndienstbetrekking en dat belanghebbende de bedragen aan ingehouden en afgedragen loonheffing en de kosten van de auto’s zelf heeft betaald. Aan de Audi-dealer is voor de auto’s in 2014 € 10.928,02 en in 2015 € 2.613,81 door hetzij belanghebbende, hetzij [bedrijf 1] betaald. Uit een onderzoek bij de Porsche-dealer is gebleken dat door [bedrijf 2] BV in 2014 een bedrag van € 5.000 en in 2015 een bedrag van € 39.840 voor de aanschaf van de Porsche is betaald.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft in november 2014 in drie tranches een bedrag van € 72.000 in contanten gestort bij [Casino] . Bij de melding ongebruikelijke financiële transacties door [Casino] is aangetekend dat niet bekend is of belanghebbende heeft gespeeld.\n\n2.6.. De FIOD heeft aan de hand van de in de periode 7 tot en met 14 april 2014 (acht dagen) opgenomen sms-berichten van belanghebbende een overzicht gemaakt van de in die periode door hem afgesloten weddenschappen en de resultaten daarvan. Dat resulteert in een totale inzet van € 43.310 en een totaal uit te keren bedrag van € 31.604, en dus in een winst van € 11.706. De inspecteur heeft het door belanghebbende genoten voordeel uit de weddenschappen voor 2014 berekend op 50 procent van 42 weken (38 weken en vier weken WK) maal € 11.706 = € 241.626, en voor 2015 op 50 procent van zes speelweken maal € 11.706 = € 34.518. Die bedragen zijn bij de navorderingsaanslagen belast als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen is geen loon uit dienstbetrekking bij [bedrijf 1] in aanmerking genomen en is de ingehouden loonheffing niet verrekend.\n\n2.7.. Bij onherroepelijke uitspraak van 19 februari 2024 van het gerechtshof Den Haag is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie, met (onder meer) [naam 1] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het zonder vergunning gelegenheid bieden tot deelname aan kansspelen en belastingfraude, en wegens valsheid in geschrifte. De belastingfraude betreft het niet aangeven en voldoen van kansspelbelasting. De valsheid in geschrifte betreft de schijndienstbetrekking bij [bedrijf 1] .\n\n2.8.. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 572.012. Bij uitspraak op bezwaar is deze aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 237.638 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.574. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. De bij deze aanslag opgelegde boete van € 138.969 is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 58.512. De navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2014 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 51.414. Het bezwaar tegen deze aanslag is ongegrond verklaard.\n\n2.9.. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.062. Bij uitspraak op bezwaar is deze aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.594. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. De bij deze aanslag opgelegde boete van € 15.064 is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 4.939. De navorderingsaanslag premie Zvw over het jaar 2015 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 48.762. Na bezwaar is de aanslag verminderd tot een naar een bijdrage-inkomen van € 34.518.\n\n2.10.. Bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn vergrijpboeten opgelegd van 50 procent van de nagevorderde belasting wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. De boete voor het jaar 2014 is aangekondigd bij brief van 12 mei 2020. De boete voor het jaar 2015 is aangekondigd bij brief van 17 september 2021.\n\n2.11.. \n\nBelanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nHet dictum van de uitspraak van de rechtbank luidt:\n\n“De rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond voor zover het de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014 betreft;\n\n- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014, behalve voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014 tot een naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000 met behoud van de overige elementen van deze aanslag;\n\n- vermindert de boeten tot € 49.735 voor het jaar 2014 en € 4.445 voor het jaar 2015.\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.810;\n\n- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 190;\n\n- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 1.750 te betalen op een bankrekening op naam van gemachtigde; en\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vragen of de inspecteur bij het doen van uitspraken op bezwaar het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden en of de navorderingsaanslagen, renten en boeten, al dan niet na vermindering, te hoog zijn. Met betrekking tot het laatste is in het bijzonder in geschil of:\n\nDe inspecteur in het kader van de omkering en verzwaring van de bewijslast een redelijke schatting heeft gemaakt; en\n\nBelanghebbende heeft aangetoond dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld.\n\nTer zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn stellingen over schending van het ne-bis-in-idem-beginsel en het una-via-beginsel en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over het jaar 2014 ingetrokken.\n\nVerder is niet (meer) in geschil dat is voldaan aan de vereisten om te komen tot omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen, vernietiging van de boeten en vergoeding van proceskosten. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nSchending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat de bestreden uitspraken op bezwaar zijn gebaseerd op onjuiste feiten, dat deze onzorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en heeft de verkeerde vaststelling van de feiten door de inspecteur gevolgd zonder afdoende motivering, aldus belanghebbende.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij met de hiervoor genoemde stellingen heeft willen betogen dat sprake is van schending van zowel het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Naar het oordeel van het hof zijn deze beginselen niet geschonden. De uitspraken op bezwaar zijn voldoende gemotiveerd, aangezien de bezwaargronden van belanghebbende door de inspecteur worden benoemd en gemotiveerd worden weerlegd. Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat de inhoudelijke oordelen die enerzijds zijn neergelegd in de uitspraken op bezwaar en anderzijds in de uitspraak van de rechtbank, alsmede de feiten waarop die oordelen zijn gebaseerd, onjuist zijn, brengt dit niet zonder meer met zich dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Tegen deze inhoudelijke oordelen en feitenvaststellingen staan rechtsmiddelen open die belanghebbende als zodanig ook heeft gebruikt. Voor zover belanghebbende heeft gemeend dat sprake is van een schending van enig ander beginsel van behoorlijk bestuur, oordeelt het hof dat belanghebbende onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit de schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aannemelijk wordt.\n\nToepassing omkering en verzwaring van de bewijslast: redelijke schatting en hoogte aanslagen\n\n4.3.. Niet in geschil is dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 27e, lid 1, AWR en dat daardoor omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden toegepast. Dit laat onverlet dat de inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen heeft moeten uitgaan van een redelijke schatting.\n\n4.4.. \n\nIn het kader van deze redelijke schatting heeft belanghebbende gesteld dat de winstverdeling die door de inspecteur is toegepast tussen belanghebbende en [naam 1] onjuist is. Volgens belanghebbende droeg hij minder risico dan door de inspecteur is aangenomen, waardoor hem ook minder winst toekwam.\n\nDaarnaast heeft belanghebbende gesteld dat de extrapolatie die de inspecteur heeft toegepast voor het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning onjuist dan wel onnauwkeurig is. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat de periode die als maatstaf voor extrapolatie is genomen, namelijk 7 tot en met 14 april 2014, niet representatief is. In die periode zijn er namelijk veel wedstrijden, die ook nog eens belangrijk en zelfs beslissend zijn, waardoor het gebruikelijk is dat er in die periode meer is gegokt. Daar komt bij dat de genoemde periode bestaat uit acht dagen, terwijl een week uit zeven dagen bestaat. De aan die periode toegerekende winst is dan ook te hoog vastgesteld om als weekwinst te dienen en zou daarvoor met 12,5% moeten worden verlaagd.\n\nTen slotte heeft belanghebbende betoogd dat bij de redelijke schatting geen of onvoldoende rekening is gehouden met het reeds in de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 en 2015 (onjuist) aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen.\n\n4.5.. \n\nDe inspecteur heeft gesteld dat hetgeen belanghebbende aanvoert over de winstverdeling niet geloofwaardig is, onder meer omdat het in tegenspraak is met meerdere verklaringen van belanghebbende tijdens het strafrechtelijk proces, maar ook omdat het niet in overeenstemming is met het uitgavenpatroon van belanghebbende.\n\nDaarnaast heeft de inspecteur ten aanzien van de toegepaste extrapolatie gesteld dat deze juist is, dat hij de stellingen van belanghebbende op dit punt betwist en dat hij het eens is met de uitspraak van de rechtbank. Meer in het bijzonder heeft de inspecteur gesteld dat de periode van 7 tot en met 14 april 2014 weliswaar acht dagen omvat, maar dat dit een zogeheten speelweek betreft en geen week zoals in het normale spraakgebruik.\n\nTen aanzien van het in de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 en 2015 (onjuist) aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen heeft de inspecteur gesteld dat dit reeds (voldoende) is verdisconteerd in de redelijke schatting.\n\n4.6.. Het hof dient te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het bedrag van de navorderingsaanslagen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de (omkering en) verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur.In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is.Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng.Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.\n\n4.7.. Ten aanzien van de winstverdeling van 50\u002F50 die is toegepast door de inspecteur is het hof van oordeel dat deze redelijk is. Weliswaar heeft belanghebbende betoogd dat hem een kleiner winstaandeel toekwam, maar hij heeft hiervoor, zoals ook door gemachtigde ter zitting erkend, geen feitelijk bewijs aangedragen. De verklaringen ter zitting van gemachtigde dat hij weet hoe het eraan toegaat in de gokindustrie en dat zijn stellingen in lijn liggen met die ervaringen vormen geen concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan de redelijkheid van de door de inspecteur toegepaste schatting. Dit te meer omdat belanghebbende zelf tijdens verhoren in het kader van het strafrechtelijk onderzoek diverse malen heeft verklaard dat hij alles samen deed met [naam 1] en dat “de winst 50\u002F50 ging”.\n\n4.8.. Met betrekking tot de representativiteit van de periode die voor extrapolatie is gebruikt, heeft belanghebbende gesteld dat het gebruikelijk is dat in die periode meer wordt gegokt dan in andere perioden. Belanghebbende heeft dit slechts als blote stelling geponeerd en dit geeft daarom geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de redelijkheid van de schatting.\n\n4.9.. In het kader van de duur van de voor de extrapolatie gebruikte periode, namelijk acht dagen, heeft de inspecteur erkend dat dit geen week betreft zoals in het normale spraakgebruik (hierna: een normale week), maar dat het gaat om een zogeheten speelweek. Hij verwijst hiervoor naar een document dat in het dossier zit, met als titel ‘Overzicht vermoedelijke gok-inzetten per sms bij [belanghebbende] – 7 t\u002Fm 15 april 2014’. Uit dit document volgt dat in die periode in totaal € 43.310 is ingezet bij belanghebbende en in totaal € 31.604 is uitgekeerd aan de deelnemers, wat resulteert in een winst van € 11.706. De inspecteur heeft voor 2014 50 procent van deze winst voor 42 weken (38 weken en vier weken WK) toegerekend aan belanghebbende en voor 2015 50 procent van zes weken. In hoeverre een speelweek afwijkt van een normale week en hoe deze afwijkingen in de extrapolatie zijn meegenomen en verwerkt, heeft de inspecteur desgevraagd ter zitting niet kunnen verklaren. Daarbij merkt het hof onder meer op dat in het hiervoor aangehaalde overzicht bepaalde voetbalclubs meerdere malen zijn vermeld in dezelfde speelweek en dat er voetbalcompetities uit meerdere landen op staan vermeld. Het lijkt er dan ook op dat dit geen afgeronde speelronde is, maar dat het juist een willekeurige periode betreft van acht dagen. Aangezien de inspecteur de redelijke schatting op dit punt niet met feitelijke stellingen heeft onderbouwd en niet duidelijk is wat de aanknopingspunten in dit kader zijn geweest, is de schatting naar het oordeel van het hof op dit punt niet redelijk. Het hof zal daarom, zoals ook betoogd door belanghebbende, de winst na extrapolatie met 1\u002F8ste deel, zijnde 12,5%, verminderen.\n\n4.10.. Belanghebbende heeft voorts betoogd dat de inspecteur bij het maken van de schatting geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met het reeds door belanghebbende aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen.\n\n4.11.. Het hof overweegt hierover het volgende. In het kader van zijn schijndienstbetrekking bij [bedrijf 1] heeft belanghebbende € 41.914 voor 2014 en € 3.214 voor 2015 als loon uit dienstbetrekking aangegeven. Uit de zelf door belanghebbende ingediende aangiften IB\u002FPVV voor die jaren leidt het hof af dat het gaat om bedragen inclusief reeds ingehouden loonheffing (€ 12.961 voor 2014 en € 964 voor 2015). Daarnaast heeft de inspecteur in de uitspraak op bezwaar de volgende cijfermatige onderbouwing opgenomen:\n\n“2014 (in €)\n\n2015 (in €)\n\nInkomen box 1 (DA)\n\n37.926\n\n2.290\n\nAf: Loon [bedrijf 1] B.V.\n\n41.914\n\n3.214\n\nBij: SMS-berichten\n\n241.626\n\n34.518\n\nVast te stellen inkomen box 1\n\n237.638\n\n33.594”\n\nHieruit volgt dat de bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit box 1 de door belanghebbende aangegeven loonbestanddelen, inclusief daarover afgedragen loonheffingen, uit dit inkomen zijn verwijderd. In zoverre heeft de inspecteur bij het maken van de schatting rekening gehouden met de eerder door belanghebbende aangegeven loonbestanddelen.\n\n4.12.. Voorzover belanghebbende heeft betoogd dat de loonheffingen die zijn ingehouden en afgedragen in het kader van de schijndienstbetrekking als voorheffing moeten worden verrekend met de te betalen inkomstenbelasting, oordeelt het hof als volgt. Aangezien er een bedrag is ingehouden en afgedragen, terwijl er, zo is niet in geschil, geen sprake is van een dienstbetrekking van belanghebbende in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, komt dit bedrag niet bij belanghebbende als voorheffing voor verrekening met inkomstenbelasting in aanmerking. In hoeverre dit bedrag door [bedrijf 1] onterecht is afgedragen en of dit bedrag voor terugbetaling aan [bedrijf 1] in aanmerking komt kan in deze procedure, alleen al omdat deze procedure een andere belastingplichtige betreft, niet aan de orde worden gesteld. Het gelijk op dit punt is dus aan de inspecteur.\n\n4.13.. De tussenconclusie is dat de door de inspecteur gemaakte berekening van de navorderingsaanslagen redelijk is, behalve met betrekking tot de periode van acht dagen die als basis voor de extrapolatie is gebruikt.\n\n4.14.. Vervolgens dient beoordeeld te worden of belanghebbende heeft doen blijken dat de schatting, alhoewel deze redelijk is, te hoog is. Belanghebbende heeft niet het van hem vereiste bewijs geleverd, aangezien hij de onjuistheid van de schatting en de veronderstellingen die aan deze schatting ten grondslag liggen niet heeft aangetoond. Voorzover belanghebbende stellingen heeft ingenomen waaruit volgens hem volgt dat de schatting te hoog is, zijn deze stellingen niet met feiten of stukken onderbouwd.\n\n4.15.. Het voorgaande leidt ertoe dat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2014 zal worden vastgesteld op € 207.434 en voor 2015 op € 29.279. Hieraan ligt de volgende berekening ten grondslag (vergelijk de hiervoor in 4.11 weergegeven berekening):\n\n“2014 (in €)\n\n2015 (in €)\n\nInkomen box 1 (DA)\n\n37.926\n\n2.290\n\nAf: Loon [bedrijf 1] B.V.\n\n41.914\n\n3.214\n\nBij: SMS-berichten\n\n241.626\n\n34.518\n\nAf: Vermindering SMS-berichten met 12,5%\n\n30.204\n\n4.315\n\nVast te stellen inkomen box 1\n\n207.434\n\n29.279\n\nDit betekent ook dat de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015 verminderd dient te worden naar een gebaseerd op een bijdrage-inkomen van € 29.279. De navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2014 blijft in stand, aangezien deze is opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw in 2014, namelijk € 51.414.\n\nBelastingrente\n\n4.16.. De hoger beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien de met de belastingrentebeschikkingen samenhangende navorderingsaanslagen worden verminderd, zal het hof de bedragen van de belastingrente dienovereenkomstig verminderen. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Het hof ziet geen aanleiding om voor het overige af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.\n\nDe boeten\n\n4.17.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur heeft bewezen dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan door geen inkomsten uit de weddenschappen op te geven, en dat boeten van 50% van de daarvoor nagevorderde belasting gerechtvaardigd zijn. Aangezien de nagevorderde belasting voor zowel 2014 als 2015 te hoog is vastgesteld door de inspecteur en moet worden verminderd, zal het hof de boeten dienovereenkomstig verminderen. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft de rechtbank de boeten gematigd. Voor het jaar 2014 ging het om een matiging van 15% en voor het jaar 2015 ging het om een matiging van 10%. Het hof sluit zich aan bij deze matigingen en acht de boeten – dus na vermindering wegens vermindering van de boetegrondslagen en wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting – gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden. Zoals hiervoor aangegeven zijn de grondslagen van de boeten de respectievelijke bedragen aan verschuldigde belasting. Deze bedragen zijn wegens het niet doen van de vereiste aangifte komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze omstandigheid is voor het hof, gelet op de hoogte van de door het hof passend en geboden geachte boeten, in dit geval geen aanleiding om die boeten nog verder te matigen. \n\nTussenconclusie\n\n4.18.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.19.. Aangezien het hoger beroep gegrond wordt verklaard, dient de inspecteur aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.20.. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.\n\n4.21.. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.\n\n4.22.. De inspecteur dient de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener te betalen, omdat aan belanghebbende een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen over de hoogte van de navorderingsaanslagen, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015, behalve voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015;\n\nvermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2014 naar een gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 207.434 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000 met behoud van de overige elementen van de navorderingsaanslag;\n\nvermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015 naar een gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.279 met behoud van de overige elementen van de navorderingsaanslag;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015 naar een gebaseerd op een bijdrage-inkomen van € 29.279;\n\nvermindert de beschikkingen belastingrente evenredig;\n\nvermindert de grondslag van de boeten dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aldus berekende boeten voor 2014 en 2015 met respectievelijk 15% en 10% in verband met de door de rechtbank vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn;\n\nbepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;\n\nveroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.868;\n\nbepaalt dat de inspecteur de kosten van het geding betaalt aan de rechtsbijstandverlener.\n\nDe uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nA. Muller W.W. Monteiro\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).\n\n Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093.\n\n Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.\n\n Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.\n\n Artikel 5.3, lid 1, in samenhang met artikel 5.2, lid 1, Regeling zorgverzekering (tekst 2014).\n\nHoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, r.o. 3.6.8.\n\n 1 punt voor hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\n Artikel 8:75, lid 2, Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:881","2026-07-13T00:28:45.362Z",{"id":112,"ecli":113,"slug":114,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":115,"fullText":116,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":115,"parsedAt":64,"updatedAt":118},"739","ECLI:NL:GHSHE:2026:183","ecli-nl-ghshe-2026-183","2026-01-28T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F171\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 december 2023, nummer BRE 21\u002F2955 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde, [gemachtigde] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende was van 29 maart 2006 tot en met 1 december 2017 directeur en enig aandeelhouder van [b.v.] (hierna: de vennootschap). De vennootschap exploiteerde een supermarkt onder de [supermarkt 1] formule.\n\n2.2.. Omdat de vennootschap in een slechte financiële positie verkeerde, heeft belanghebbende in 2012 een bedrag van € 368.263 vanuit zijn privé vermogen naar de vennootschap overgemaakt. Dit bedrag is als schuld in rekening-courant in de jaarrekening van de vennootschap verwerkt. Van deze rekening-courantschuld is geen schriftelijke overeenkomst opgesteld.\n\n2.3.. Eind 2013 wordt voor de exploitatie van de supermarkt overgegaan naar de [supermarkt 2] formule. De rekening-courantschuld aan belanghebbende die op dat moment € 364.808 bedroeg, is op verzoek van [supermarkt 2] omgevormd naar een achtergestelde lening. Met betrekking tot deze lening is op 7 maart 2014 een overeenkomst opgemaakt. Hierin staat, voor zover hier van belang, vermeld:\n\n“Artikel 1 Schuldomzetting\n\n1. Schuldeiser doet hierbij, doch met ingang van 31 december 2013 ten aanzien van het hierna te noemen bedrag afstand van haar rekening courant vordering op Schuldenaar.\n\n2. De rekening courant schuld van Schuldenaar aan Schuldeiser wordt per gelijke datum voor het een bedrag ad € 364.808 (zegge: driehonderdvierenzestigduizend achthonderd en acht euro's) omgezet in een schuld ten titel van geldlening, dat in het hierna volgende zal worden aangeduid als \"de geleende som\", welke geacht wordt per voornoemde datum voor Schuldenaar beschikbaar te zijn.\n\nArtikel 2 Rentevergoeding\n\n1. Over de geleende som, althans over het nog niet afgeloste gedeelte daarvan, is Schuldenaar vanaf de in artikel 1 aangeduide datum aan Schuldeiser een naar tijdsgelang te berekenen jaarlijkse rente van 4 procent verschuldigd.\n\n(…)\n\n4. De rentevergoeding zal pas daadwerkelijk worden uitgekeerd indien het eigen vermogen van de Schuldenaar minimaal € 100.000 bedraagt. Tot die tijd zal de rente bij de lening worden bijgeschreven.\n\n(…)\n\nArtikel 3 Duur en Aflossing van de geleende som\n\n1. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en de geleende som behoeft niet te worden afgelost voordat Schuldeiser teruggave van de geleende som vordert. Partijen zullen alsdan een aflossingsschema overeenkomen.\n\n(…)\n\nArtikel 7 Zekerheden\n\n1. Positieve Pandverklaring: Schuldenaar verbindt zich op eerste afroep van Schuldeiser, tot zekerheid voor de voldoening van de hoofdsom, rente, alle kosten die uit hoofde van deze overeenkomst ten laste van de Schuldenaar komen, en al hetgeen ingevolge de bepalingen dezer akte door de Schuldenaar aan de Schuldeiser verschuldigd is of verschuldigd zal worden, ten behoeve van Schuldeiser bij onderhandse geregistreerde akte een bezitloos pandrecht van zo hoog mogelijke rang te vestigen, op alle thans en in de toekomst tot haar bedrijf behorende bedrijfsinventaris, bedrijfsauto's, overige vaste bedrijfsmiddelen en voorraden. Schuldenaar zal tevens bij geregistreerde onderhandse akte ten behoeve van Schuldeiser een stil pandrecht vestigen op alle inventaris, voorraden en huidige en toekomstige vorderingen op (handels)debiteuren.”.\n\n2.4.. Ultimo 2016 had de vennootschap in de vorm van een achtergestelde lening een schuld ter grootte van € 387.380 aan belanghebbende. Aanvullend had de vennootschap dat moment een rekening-courantvordering op belanghebbende ter grootte van € 67.754, resulterend onder verrekening in een netto schuldpositie van € 319.626.2.5.. Per 1 januari 2017 heeft de vennootschap de onderneming overgedragen aan belanghebbende. Belanghebbende heeft de onderneming voortgezet in de vorm van een eenmanszaak. Met betrekking tot deze overdracht is op 16 mei 2017 een akte van bedrijfsoverdracht overeengekomen. De akte vermeldt, onder meer, het volgende:\n\n“Artikel 7. Betaling\n\nKoper en verkoper van zijn overgekomen dat verkoper de in artikel 6 genoemde koopsom schuldig zal blijven. Over de aflossing, zekerheid en de te vergoeden rente zullen nadere afspraken worden gemaakt.”.\n\n2.6.. De verkoopprijs van de onderneming bedroeg € 438.337 negatief. De vennootschap is deze verkoopprijs aan belanghebbende schuldig gebleven. Dit bedrag, vermeerderd met een bedrag van € 6.793 aan rente, dus totaal € 445.170, staat als vordering op de balans van de eenmanszaak en als schuld op de balans van de vennootschap. In dit bedrag is verdisconteerd het bedrag van € 387.380 (zie 2.4). Blijkens de overnamebalans per 1 januari 2017 is het bedrag van € 445.170 als volgt tot stand gekomen:\n\nActiva\n\nPassiva\n\nImmateriële vaste activa\n\nKortlopende schulden\n\nGoodwill\n\n- 518.000\n\nSchulden aan kredietinstellingen\n\n- 142.266\n\nVoorfinanciering [supermarkt 2]\n\n- 70.750\n\nRenteloze lening [supermarkt 2] I\n\n- 40.600\n\nMateriele vaste activa\n\nRenteloze lening [supermarkt 2] II\n\n- 45.940\n\nAfbouw\n\n- 122.094\n\nRenteloze lening [supermarkt 2] III\n\n- 146.584\n\nInventaris\n\n- 32.885\n\nLening aandeelhouder\n\n- 319.626\n\nCrediteuren\n\n- 690.808\n\nFinanciële vaste activa\n\nTe betalen loonbelasting\n\n- 24.444\n\nInleggeld [supermarkt 2]\n\n- 5.000\n\nOverige schulden\n\n- 30.322\n\nWaarborgsom huur\n\n- 14.652\n\nKredietspaarrekening [supermarkt 2]\n\n- 114.950\n\nVlottende activa\n\nVoorraden\n\n- 200.391\n\nKortlopende vorderingen\n\nVordering omzetbelasting\n\n- 7.632\n\nDebiteuren\n\n- 10.087\n\nRekening-courant directie\n\n0\n\nOverige vorderingen\n\n- 28.927\n\nliquide middelen\n\nliquide middelen\n\n- 718\n\nOverige liquide middelen\n\n- 10.294\n\nTotaal activa\n\n- 1.066.170\n\nTotaal passiva\n\n- 1.511.340\n\nKoopsom onderneming: - € 445.1702.7.. De vennootschap is per 1 december 2017 geliquideerd.\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor het jaar 2017 aangifte IB\u002FPVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 384.404 negatief. Het verlies uit onderneming wordt veroorzaakt door de afwaardering van de vordering op de vennootschap ter grootte van € 445.170. Onder vermindering van de MKB-vrijstelling van 14% wordt in de aangifte ter zake van deze onïnbare vordering opgenomen een aftrekpost van € 391.415. Het verlies uit aanmerkelijk belang in de aangifte bedraagt € 18.000 negatief.\n\n2.9.. Bij het vaststellen van de aanslag IB\u002FPVV voor 2017 is de inspecteur afgeweken van de ingediende aangifte. Hierbij is de afwaardering van de vordering in box 1 geschrapt. Het verlies uit aanmerkelijk belang is verhoogd met het bedrag aan afwaardering van de verstrekte lening. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.011 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 337.626 negatief. Het bedrag van € 337.626 is het saldo van de vordering van belanghebbende op de vennootschap ter grootte van € 387.380, verminderd met de rekening-courant schuld van belanghebbende aan de vennootschap (€ 67.754) en vermeerderd met het bedrag aan gestort kapitaal (€ 18.000). Tevens is bij beschikking € 378 belastingrente in rekening gebracht. Het verzamelinkomen bedraagt € 312.615 negatief.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nIn geschil is het antwoord op de vraag of de vordering van € 445.170 (zie 2.6) onder zakelijke voorwaarden tot stand is gekomen. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:\n\ni) Kan de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering ten laste van het resultaat voor de winst uit onderneming van belanghebbende worden gebracht?\n\nii) Kan de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende worden gebracht?\n\niii) Kan van de afwaardering van de hiervoor genoemde vordering het bedrag € 319.626 ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden van belanghebbende worden gebracht?\n\niv) Heeft de inspecteur gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel?\n\n3.2.. \n\nBelanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair het belastbaar inkomen uit\n\nwerk en woning over het jaar 2017 vast te stellen op € 366.404 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 18.000 negatief (conform de ingediende\n\naangifte), resulterend in een verzamelinkomen van € 384.404 negatief. Subsidiair concludeert belanghebbende het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 366.739 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 18.000 negatief, resulterend in een verzamelinkomen van € 384.739. Meer subsidiair concludeert belanghebbende het belastbaar inkomen uit werk en woning vast te stellen op € 256.260 negatief en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang vast te stellen op € 143.544 negatief, resulterend in een verzamelinkomen van € 399.804 negatief. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende bij het verstrekken van de lening een onzakelijk debiteurenrisico is aangegaan, oftewel of de lening onzakelijk is, gelden de volgende uitgangspunten.Een afwaarderingsverlies ter zake van een vordering komt niet voor aftrek in aanmerking wanneer sprake is van een onzakelijke lening. Hiervan is sprake indien een aandeelhouder van een vennootschap aan die vennootschap een geldlening verstrekt en daarbij een debiteurenrisico aanvaardt dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard, ook niet voor een hogere rente. Indien geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, zonder dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening daardoor in wezen winstdelend zou worden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de crediteur een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. In dat geval moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat de crediteur dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht.\n\n4.2.. De vraag of sprake is van een onzakelijke lening dient beoordeeld te worden naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden.\n\n4.3.. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende een geldlening heeft verstrekt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.\n\n4.4.. Het voorgaande heeft ook betrekking op geldleningen, die door de aandeelhouder aan diens vennootschap zijn verstrekt en waarop de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92, eerste lid, aanhef en letter a, Wet IB 2001 van toepassing is.\n\nTen aanzien van vraag i.\n\n4.5.. Belanghebbende betoogt primair dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een onzakelijke lening waardoor het afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht. Hij voert onder meer aan dat de rechtbank voorbij gaat aan het feit dat de vordering een resultante is van een zakelijke bedrijfsoverdracht. Ten tweede gaat volgens belanghebbende de rechtbank voorbij aan het feit dat de door de rechtbank genoemde ‘lening 2’schriftelijk is vastgelegd in de overeenkomst van 16 mei 2017 (akte van bedrijfsoverdracht). Belanghebbende erkent dat er ten aanzien van deze lening geen separate overeenkomst van geldlening is opgesteld, maar meende dat dit voldoende was benoemd in de overeenkomst van 16 mei 2017.\n\n4.6.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende de afwaardering van de vordering op de vennootschap ten bedrage van € 445.170 niet ten laste van de winst uit onderneming, dan wel het resultaat overige werkzaamheden kan worden gebracht, omdat de lening onder zodanige voorwaarden en omstandigheden is verstrekt dat daarmee een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. De lening is volgens de inspecteur reeds vanaf de verstrekking ervan in 2017 onzakelijk.\n\n4.7.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat belanghebbende een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben aanvaard, en overweegt daartoe het volgende.\n\n4.8.. Belanghebbende is bij de aankoop van de onderneming akkoord gegaan met de voorwaarde dat de verkoper, de vennootschap, de (negatieve) koopsom schuldig zal blijven. Anders dan in artikel 7 van de akte van bedrijfsoverdracht staat vermeld (zie 2.5), zijn partijen niets overeengekomen over de aflossing, zekerheid en de te vergoeden rente. Uit de overnamebalans per 1 januari 2017 (zie 2.6) volgt dat de vennootschap op 1 januari 2017 een significant negatief eigen vermogen heeft. Ook de balans van de vennootschap na overdracht van de onderneming toont een negatief eigen vermogen. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de vennootschap ten tijde van het ontstaan van de vordering op de vennootschap ten bedrage van € 445.170 weliswaar de intentie had om de schuld af te lossen, maar dat de vennootschap op dat moment geen ondernemingsactiviteiten uitoefende of voornemens was uit te gaan oefenen, op basis waarvan vermogen kon worden gegenereerd waarmee de schuld kon worden afgelost. Op basis hiervan moet het belanghebbende ten tijde van de overdracht van de onderneming duidelijk zijn geweest dat de schuld ten bedrage van € 445.170 niet door de vennootschap kon en ook niet zou worden voldaan.\n\n4.9.. Een onafhankelijke derde die de vennootschap gelden zou lenen, zou er in zo’n geval niet mee instemmen dat geen zekerheden worden gesteld en geen aflossingsschema wordt overeengekomen. Belanghebbende heeft alsdan een debiteurenrisico gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Onder de gegeven omstandigheden – met name het significante negatieve eigen vermogen van de vennootschap in combinatie met het ontbreken van zekerheden en een aflossingsschema, en het ontbreken van een voornemen om nieuwe activiteiten te starten –concludeert het hof dat de kans op terugbetaling van de lening zeer gering was, en zou een zakelijk handelende derde naar het oordeel van het hof een dergelijke lening niet zijn aangegaan. Er is dus sprake van een onzakelijke lening, zodat het onderhavige afwaarderingsverlies niet ten laste van de winst uit onderneming kan worden gebracht. Ook als er van uit moet worden gegaan dat de koopsom zelf onder zakelijke omstandigheden tot stand is gekomen, treft dat geen doel. Niet van belang is of de koopsom op zakelijke gronden tot stand is gekomen, maar of de lening voortvloeiende uit het schuldig blijven van de koopsom onder zakelijke omstandigheden tot stand is gekomen. Vraag i moet ontkennend worden beantwoord.\n\nTen aanzien van vragen ii en iii.\n\n4.10.. \n\nSubsidiair betoogt belanghebbende dat de vordering ten bedrage van € 445.170 uit twee verschillende leningen bestaat, te weten een deellening ter grootte van € 319.626\n\nen een deellening ter grootte van € 125.544. De deellening van € 319.626 is gelijk aan de ultimo 2016 bestaande netto schuldverhouding van de vennootschap aan belanghebbende en maakt onderdeel uit van de koopsom. De deellening van € 125.544 houdt verband met de schuldig gebleven koopsom ter zake van de overdracht van de onderneming. Naar de mening van belanghebbende vormt de afwaardering van deze twee deelleningen een verlies dat in mindering kan worden gebracht op het resultaat overige werkzaamheden. Meer subsidiair betoogt belanghebbende dat in ieder geval de afwaardering van de deellening van € 319.626 een verlies vormt dat in mindering kan worden gebracht op het resultaat overige werkzaamheden.\n\n4.11.. Het hof stelt vast dat de schuld van de vennootschap aan belanghebbende ten tijde van de overdracht van de onderneming door de vennootschap aan belanghebbende € 387.380 bedroeg. Belanghebbende had nog een rekening-courantschuld aan de vennootschap ter grootte van € 67.754 zodat het totaalbedrag uitkomt op € 319.626. Met de overdracht van de onderneming door de vennootschap aan belanghebbende hebben de hoedanigheid van schuldeiser en die van schuldenaar zich in één persoon, te weten belanghebbende, verenigd. Naar het oordeel van het hof is deze lening daarmee van rechtswege teniet gegaan door vermenging.Van een afwaardering van de vordering ten laste van het resultaat overige werkzaamheden voor het bedrag van € 319.626 door belanghebbende kan reeds hierom geen sprake zijn.\n\n4.12.. De afwaardering van de deellening van € 125.544 kan naar het oordeel van het hof evenmin ten laste van het resultaat overige werkzaamheden worden gebracht op basis van de gronden zoals hiervoor vermeld in rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.9. Vragen ii en iii moeten ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag iv\n\n4.13.. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door de afwaardering van de vordering niet ten laste van de winst of het resultaat te laten komen bij de liquidatie van de vennootschap. Dit geldt temeer nu ter zake van de liquidatie van de vennootschap overleg is geweest tussen de vennootschap en de inspecteur, aldus belanghebbende.\n\n4.14.. Het hof stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast voor een beroep op het vertrouwensbeginsel op belanghebbende rusten. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de inspecteur toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen.Belanghebbende heeft zulke toezeggingen, uitlatingen en\u002Fof gedragingen van de zijde van de inspecteur niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt. Het betoog van belanghebbende faalt derhalve. Vraag iv moet ontkennend worden beantwoord.\n\nGevolgen voor het verzamelinkomen\n\n4.15.. Uit bovenstaande volgt dat belanghebbende de afwaardering van de vordering ter grootte van € 445.170, dan wel de vorderingen ter grootte van € 387.380 en\u002Fof € 125.544 niet ten laste van de winst uit onderneming, dan wel ten laste van het resultaat overige werkzaamheden kan brengen. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld op € 25.011.\n\n4.16.. Belanghebbende bepleit in zijn primaire en subsidiaire standpunt tot vaststelling van de aanslag IB\u002FPVV 2017 naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 18.000 negatief en meer subsidiair naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 143.544 negatief. De inspecteur heeft aanslag IB\u002FPVV 2017 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 337.626 negatief. Omdat belanghebbende niet in een slechtere positie mag komen dan als hij geen bezwaar of (hoger) beroep ingesteld had, zal het hof het hoger beroep ongegrond verklaren.\n\nTussenconclusie\n\n4.17.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.18.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.19.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, A.M. van Amsterdam en M.E. Smorenburg, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE.A.D. Dockx J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Zie onder andere HR 9 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1108, HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, HR 13 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BP8068, HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735 en HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BW6552.\n\n Zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442.\n\n Zie HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952.\n\n Volgens de rechtbank is ‘lening 1’ de oude rekening-courantschuld van € 387.380 en is ‘lening 2’ ontstaan bij de overname en als schuld op de balans van de vennootschap blijven staan (zie p-v).\n\n Artikel 6:161, lid 1, Burgerlijk Wetboek.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1069 en ECLI:NL:HR:2021:439.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:183","2026-07-13T00:28:45.863Z",{"id":120,"ecli":121,"slug":122,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":123,"fullText":124,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":64,"updatedAt":126},"1385","ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","ecli-nl-ghshe-2024-4083","2024-12-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2298 tot en met 22\u002F2305\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F7946 t\u002Fm BRE 18\u002F7953 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2013 tot en met 2016 (de informatiebeschikking).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, namens belanghebbende, na te noemen belanghebbende 1 en na te noemen belanghebbende 2 en de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende heeft aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 (hierna: belanghebbende 1) en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291(hierna: belanghebbende 2).\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is op [oprichtingsdatum] 2013 opgericht naar het recht van [vestigingsplaats] , en heeft de rechtsvorm Limited. Het statutaire adres van belanghebbende bevindt zich op [vestigingsplaats] .\n\n2.2.. De aandelen in belanghebbende werden gehouden door belanghebbende 1 en belanghebbende 2, elk voor 50%. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 voerden gezamenlijk de directie over belanghebbende. Zij waren tevens werknemer van belanghebbende.\n\n2.3.. De activiteiten van belanghebbende bestonden uit ICT-dienstverlening en projectmanagement. Hiertoe werden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 gedetacheerd. De diensten werden sinds begin 2013 verricht via tussenkomst van [J BV] , [S Ltd] , [T Ltd] en [F Ltd] . De uiteindelijke opdrachtgever van belanghebbende was [H BV] .\n\n2.4.. Vanaf begin 2008 tot oprichting van belanghebbende in 2013 hadden belanghebbende 1 en belanghebbende 2 een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . In die periode heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende 1 en belanghebbende 2 verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Tot begin 2008 verrichtten belanghebbende 1 en belanghebbende 2 hun werkzaamheden als zelfstandige.\n\n2.5.. Belanghebbende 1 en belanghebbende 2 woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [vestigingsplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [vestigingsplaats] .\n\n2.6.. Met dagtekening 21 maart 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende een vragenbrief gestuurd. De inspecteur heeft belanghebbende verzocht haar volledige administratie, inclusief e-mailverkeer, over 2013 tot de datum van dagtekening van de brief binnen vier weken na dagtekening over te leggen. Ook heeft de inspecteur belanghebbende uitgenodigd voor een gesprek.\n\n2.7.. Bij e-mail van 11 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft onder meer betwist dat de werkzaamheden van belanghebbende 1 en belanghebbende 2 na de verhuizing in Nederland hebben plaatsgevonden, dat de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens correct zijn en heeft vermeld dat belanghebbende inzage wenste te krijgen in deze gegevens. De door de inspecteur gevraagde informatie is niet overgelegd.\n\n2.8.. Bij e-mail van 13 april 2018 heeft de inspecteur gereageerd op belanghebbendes e-mailbericht en heeft hij zijn verzoek om informatie herhaald.\n\n2.9.. Bij e-mail van 24 april 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd. De gemachtigde heeft onder meer geschreven dat belanghebbende druk doende was om informatie te verzamelen die de aan de inspecteur ter beschikking staande gegevens kunnen weerleggen en heeft verzocht inzage te verstrekken in de gegevens die de inspecteur beweert te hebben ontvangen van derden. Belanghebbende heeft tevens verzocht met inachtneming van nader over te leggen gegevens het vermoeden van een heffingsbelang gemotiveerd te heroverwegen. Verder was volgens de gemachtigde niet duidelijk wat de over te leggen administratie inhoudt. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.10.. Bij brief van 28 mei 2018 heeft de inspecteur een herhaald verzoek om inlichtingen en bescheiden naar belanghebbende verstuurd. In dit verzoek stond onder meer het volgende:\n\n‘U stelt dat onduidelijk is wat administratie inhoudt, nu in [vestigingsplaats] andere administratieve eisen gelden. [Belanghebbende] verzoekt helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting.\n\nAls onderdeel van die administratie beschouw ik onder meer:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2] , inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en -overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die correspondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\nBij deze wil ik u nogmaals in de gelegenheid stellen om te reageren op de brief van 21 maart 2018. Ik geef u de gelegenheid tot 19 juni 2018.’\n\n2.11.. Bij e-mail van 19 juni 2018 heeft belanghebbendes gemachtigde gereageerd op de vragenbrief van de inspecteur. Belanghebbende heeft haar standpunten uit de mail van 24 april 2018 gehandhaafd. De gevraagde informatie is niet verstrekt.\n\n2.12.. Bij e-mail van 2 juli 2018 heeft belanghebbende aan de inspecteur een tweetal verklaringen gestuurd van de Comptroller of Taxes van [vestigingsplaats] van 18 januari 2017, ten aanzien van belanghebbende 1 en belanghebbende 2, waarin het volgende is opgenomen:\n\n‘I confirm that you are resident and paying taxes in [vestigingsplaats] for [vestigingsplaats] Income Tax purposes since October 2013.’\n\n2.13.. Op 3 juli 2018 heeft de inspecteur aan belanghebbende de informatiebeschikking gegeven. Deze heeft betrekking op de heffing van omzetbelasting en vennootschapsbelasting over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. De informatiebeschikking vermeldt, voor zover van belang, het volgende:\n\n‘(…)\n\n2. Omvang en tijdstip informatieverzoek\n\nDe inspecteur heeft informatie ontvangen met betrekking tot de vennootschap [belanghebbende]. [Belanghebbende] is een naar het recht van [vestigingsplaats] opgericht lichaam. Bestuurders en aandeelhouders van deze Limited zijn [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2].\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik [belanghebbende] om informatie gevraagd. In de hiervoor genoemde brief heb ik een beschouwing gegeven over het theoretisch kader van het Nederlands heffingsbelang met een verwijzing naar artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen en het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268. Daarnaast heb ik in mijn brief het theoretische kader toegepast op de feiten en omstandigheden inzake [belanghebbende]. Ik heb u medegedeeld dat ik informatie heb ontvangen van derden inzake de werkzaamheden in Nederland bij Nederlandse eindopdrachtgevers door de bestuurders van [belanghebbende].\n\nUit informatie die de inspecteur van derden heeft gekregen, valt af te leiden dat [Belanghebbende 2] namens [belanghebbende] werkzaamheden in Nederland heeft uitgevoerd.\n\n[Belanghebbende 1] heeft na zijn formele vertrek naar [vestigingsplaats] namens [belanghebbende] in voortdurendheid werkzaamheden voor een Nederlandse eindopdrachtgever verricht. [Belanghebbende 1] was bij deze eindopdrachtgever voor vertrek naar [vestigingsplaats] ook werkzaam. De plaats van werkzaamheden was op dat moment gelegen in Nederland, waarvoor door [Belanghebbende 1] kosten voor dagelijks woon-werkverkeer is geclaimd. Volgens verkregen informatie van derden zou er bij de werkzaamheden voor deze eindopdrachtgever na vertrek van [Belanghebbende 1] naar [vestigingsplaats] niets zijn veranderd.\n\nOp basis van deze informatie lijkt het aannemelijk dat de feitelijke vestigingsplaats van [belanghebbende] in Nederland is gelegen, danwel dat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland of dat er sprake is van een vaste vertegenwoordiging in Nederland. Deze feiten leiden tot een fiscaal Nederlands heffingsbelang bij [belanghebbende]. In redelijkheid heb ik mij daardoor op het standpunt gesteld dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nGevraagde informatie\n\nPer brief van 21 maart 2018 heb ik u verzocht om de volledige administratie (inclusief afschriften van alle e-mailverkeer, contracten en overeenkomsten, bankafschriften etc.) van de vennootschap in te zenden over 2013 tot en met heden. Kopie van deze brief heb ik bijgevoegd als bijlage 1.\n\nAls alternatief heb ik [Belanghebbende 1] en [Belanghebbende 2], in hun hoedanigheid als bestuurders van [belanghebbende], op grond van artikel 41 AWR, opgeroepen voor een gesprek in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht en ze in de gelegenheid te stellen om de administratie persoonlijk te overhandigen en toe te lichten. In mijn brief heb ik 16 april 2018; 17 april 2018; 23 april 2018; 24 april 2018 en 26 april 2018 als beschikbare datum voorgesteld. Ik heb belanghebbenden gevraagd binnen 2 weken na dagtekening van de brief te reageren op het verzoek om een afspraak te maken en ik heb verzocht binnen 4 weken na dagtekening van de brief de administratie te verstrekken.\n\nUw reactie\n\n(…)\n\nTot slot zou het belanghebbende onduidelijk zijn wat ik onder ‘administratie’ versta. In [vestigingsplaats] zouden andere administratieve eisen worden gesteld dan in Nederland. Belanghebbende verzocht mij helderheid te verstrekken ter voorkoming van het risico niet te kunnen voldoen aan de informatieverplichting, zonder overigens eerst enige documentatie te overleggen. In mijn reactie van 28 mei 2018 heb ik een opsomming gegeven van wat ik ondermeer onder administratie beschouw. Daar ik tot op heden nog geen enkel stuk heb ontvangen zal ik deze opsomming hieronder nogmaals\n\ngeven:\n\n1. (Concept-)Jaarrekeningen 2013 tot heden van [belanghebbende] of andere stukken die inzicht geven in de financiele positie per balansdatum en de betreffende accountantsrapporten;\n\n2. een beschrijving van de administratieve organisatie en interne beheersing van [belanghebbende] waarin is opgenomen hoe\n\na. telefoonverkeer, e-mailverkeer, communicatie via sms\u002Fskype\u002Ffacetime\u002Fwhatsapp of via overige communicatiekanalen moeten worden vastgelegd en geadministreerd;\n\nb. het proces en de vastleggingen rond aandeelhoudersvergaderingen is beschreven;\n\nc. het proces en de vastleggingen rond bestuursvergaderingen is beschreven; en\u002Fof\n\nd. het proces rond binnenkomende inkoopfacturen is beschreven.\n\n3. (een digitale kopie van) de volledige administratie (in de meest ruime zin van het woord) van [belanghebbende] over de periode van 2013 tot heden. Onder de volledige administratie versta ik alle gegevens over [belanghebbende] die zijn vastgelegd, zowel op papier als in digitale vorm. Dit zijn onder meer, doch zeker niet uitputtend, de volgende stukken:\n\na. De (digitale) financiele administratie;\n\nb. Alle (e-mailcorrespondentie met de heer Belanghebbende 1 en mevrouw Belanghebbende 2, inbrengers van vermogen, debiteuren, banken, financiers, autoriteiten, de vertegenwoordiger(s) namens [belanghebbende];\n\nc. Verslagen en\u002Fof notulen van bestuursvergaderingen en - overleggen;\n\nd. Bestuursbesluiten;\n\ne. Tussentijds gemaakte (klad)-berekeningen;\n\nf. In- en verkoopfacturen en overige facturen;\n\ng. Alle bankafschriften;\n\nh. Leningsovereenkomsten en een overzicht van de rekening-courantrekening(en);\n\ni. Verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van [belanghebbende] en verslagen van aandeelhoudersvergaderingen van (eventuele) deelnemingen;\n\nj. Documenten waaruit blijkt op welk moment [belanghebbende] belastingplichtig is geworden voor de winstbelasting van [vestigingsplaats]\n\nk. Winstbelastingaangiften en -aanslagen van de jaren 2013 tot heden van [belanghebbende].\n\n4. Het tijdschrijven (of de urenverantwoording) van de medewerkers en de directie van [belanghebbende] ten behoeve van [belanghebbende] en ten behoeve van klanten van [belanghebbende].\n\nIndien de (e-mail)correspondentie fiscale adviezen bevat, mogen de adviesdelen van die\n\ncorrespondentie onleesbaar gemaakt worden.\n\n(…)\n\n3. Conclusie\n\nOp dit moment is voldoende dat ik mij, gelet op de bij mij bekende gegevens, op het standpunt kan stellen dat de door mij gevraagde gegevens, inlichtingen, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van [belanghebbende]. In mijn e-mail van 13 april 2018 heb ik u al medegedeeld dat ik pas kan beoordelen of er sprake is van een reële heffing en tot welke omvang, als ik over alle feiten en omstandigheden beschik.\n\nIk stel vast dat ik de verzochte informatie, genoemd in onderdeel 2, niet heb ontvangen. Daarom ontvangt u bij deze een informatiebeschikking. Deze beschikking is gebaseerd op artikel 52a van de AWR en wordt aan u afgegeven omdat u ook na herhaalde verzoeken, niet heeft voldaan aan uw informatieverplichtingen van artikel 47 eerste lid letter a en b en artikel 49 van de AWR. Deze informatiebeschikking heeft betrekking op de omzetbelasting en vennootschapsbelasting van het jaar 2013, 2014, 2015 en 2016.\n\nU kunt, naar aanleiding van deze beschikking, ervoor kiezen om alsnog aan de informatieverplichting(en) te voldoen. In dat geval verzoek ik u om spoedig doch binnen 2 weken na dagtekening van deze informatiebeschikking met mij contact op te nemen.\n\n(…)’\n\n2.14.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo (CLO) aan de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [vestigingsplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2. In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n“On 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] officially emigrated to [vestigingsplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [Belanghebbende 1] and possibly [Belanghebbende 2] incorporated [belanghebbende] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA) shows that after 14 October 2013, [Belanghebbende 1] and [Belanghebbende 2] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [Belanghebbende 2] and [Belanghebbende 1] declare the income from these activities in their income tax returns in [vestigingsplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [Belanghebbende 1] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n [belanghebbende]\n\nTo gain insight into the fiscal residence of the company and to determine whether there is a permanent establishment in the Netherlands. In addition, there may be activities by [Belanghebbende 1] and\u002For [Belanghebbende 2] via [belanghebbende], that are subject to income tax in the Netherlands. I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of corporation tax returns and assessments of [belanghebbende] for the years 2013 - (…) 2015.\n\n2. Overview of declared and paid wages tax regarding the years 2013 - 2016.\n\n3. Financial statements of [belanghebbende] regarding the years 2013 - 2015.\n\n4. Copies of invoices sent by [belanghebbende] and a specification of the performed activities\u002Fservices for the years 2013 -2016.”\n\n2.15.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 7 januari 2019 de ‘company tax returns and assessments’ voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [vestigingsplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [vestigingsplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.16.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 ongegrond verklaard en heeft belanghebbende voorts tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2013 tot en met 2016 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 2013 tot en met 2016 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikking voor de jaren 213 tot en met 2016 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de ten aanzien van haar genomen informatiebeschikking en tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nVraag a. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden.\n\n4.2.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.3.. Vraag a moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag b) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.4.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.5.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.6.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.7.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) is de informatiebeschikking terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.9.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikking ten onrechte is gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte is gehandhaafd.\n\n4.10.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.11.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.12.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.13.. De inspecteur stelt dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende, omdat de inspecteur aannemelijk acht dat hij aan de hand van belanghebbendes administratie in staat zal zijn om de subjectieve belastingplicht van belanghebbende vast te stellen en, indien van toepassing, tevens de objectieve belastingplicht van belanghebbende. Tevens meent de inspecteur, aan de hand van de administratie van belanghebbende, te kunnen beoordelen of belanghebbende over de betreffende jaren omzetbelasting is verschuldigd. De omstandigheden op basis waarvan de inspecteur zich op het standpunt heeft gesteld dat hij opheldering wenst te verkrijgen over de belastingplicht van belanghebbende zijn onder meer de volgende:\n\n- Belanghebbende is, voor zover bekend, uitsluitend actief op de Nederlandse markt en heeft uitsluitend Nederlandse afnemers, zoals [H] ;\n\n- De enige bekende werknemers van belanghebbende, belanghebbende 1 en belanghebbende 2, hebben de Nederlandse nationaliteit en woonden, in ieder geval tot september 2013, in Nederland;\n\n- De inspecteur beschikt over aanwijzingen dat de werknemers van belanghebbende ook na september 2013 hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk in Nederland verrichtten:\n\n- Ten aanzien van belanghebbende 2 wordt op 3 januari 2017 namens [S Ltd] . verklaard dat zij haar werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] uitsluitend in Nederland verricht;\n\n- Ten aanzien van de belanghebbende 1 verklaart mevrouw [persoon 6] van [J BV] op 15 december 2016 dat de plaats van werkzaamheden niet is gewijzigd ten tijde van de verhuizing van belanghebbende 1 naar [vestigingsplaats] en dat dit vermoedelijk [plaats 1] is;\n\n- Belanghebbende maakt gebruik van een Nederlandse bankrekening en verzoekt [J BV] op 7 oktober 2013 om de gefactureerde bedragen naar deze Nederlandse bankrekening over te maken;\n\n- Op 20 december 2013 ondertekent belanghebbende 1, namens belanghebbende, een overeenkomst met IT-Staffing. De overeenkomst vermeldt dat deze is ondertekend te [plaats 5] .\n\n4.14.. Om vast te stellen of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is, beschikt de inspecteur over de in artikel 47 AWR vastgelegde bevoegdheid om algemene inlichtingen in te winnen. De verplichting die inlichtingen te verstrekken is zeer ruim. Indien een (rechts)persoon niet voldoet aan die op haar rustende inlichtingenverplichtingen, kan de inspecteur dat vastleggen in een informatiebeschikking en, zodra die beschikking definitief is, aanslagen opleggen waarna de belastingplichtige in beginsel moet bewijzen (overtuigend aantonen) dat de aanslagen onjuist zijn, bijvoorbeeld omdat zij niet in Nederland is gevestigd. Gelet op de onder 4.13 vermelde omstandigheden zijn de door de inspecteur gestelde vragen en verzoek om inlichtingen legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Op grond van deze omstandigheden heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.Belanghebbende heeft in reactie op de vragen geen inhoudelijk antwoord verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.15.. Vraag c moet bevestigd worden beantwoord.\n\nVraag d) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.16.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.17.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.18.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.19.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.20.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikking is opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderings- dan wel naheffingsaanslagen te verlengen.\n\n4.21.. Vraag d moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag e) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.22.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.23.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.24.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikking hoeft dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.25.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikking is gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.27.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.28.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.29.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Heeft de inspecteur de informatiebeschikking gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.30.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [vestigingsplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding.\n\n4.31.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [vestigingsplaats] .\n\n4.32.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.33.. Uit de slotzin van de onder 4.32 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.34.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.35.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikking ten onrechte is gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.36.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag d). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur de informatiebeschikking heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.37.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.38.. Zoals uit het voorgaande volgt, is de informatiebeschikking terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderings- dan wel naheffingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.39.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.40.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.41.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.42.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.43.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.44.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.45.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\n HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 en HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4083","2026-07-13T00:29:19.174Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":123,"fullText":131,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":64,"updatedAt":133},"1384","ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","ecli-nl-ghshe-2024-4082","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2292 tot en met 22\u002F2297\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 1] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6597 t\u002Fm BRE 18\u002F6602, en BRE 18\u002F6604 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van zijn partner, en zijn gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, zijn partner en zijn gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 22\u002F2285 t\u002Fm 22\u002F2291 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en zijn partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. Belanghebbende heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. Belanghebbende verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde belanghebbende de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat belanghebbende verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. Belanghebbende hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . . [B Ltd] . hield via [C Ltd] , [E Ltd] . en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voeren gezamenlijk de directie over [G Ltd] . Belanghebbende is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant als zelfstandige - in de vorm van een eenmanszaak via tussenkomst van een bemiddelaar, [J] BV - en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van zijn in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming. Vanaf oktober 2007 verrichtte belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant voor [H BV] .\n\n2.6.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten, via tussenkomst van [J] BV, gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd.\n\n2.7.. Vanaf 1 oktober 2013 verricht belanghebbende zijn werkzaamheden voor [H] , via [Q BV] , door middel van tussenkomst van [L Ltd] . Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland vanaf 1\u002F10\u002F2013.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoed voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor het jaar 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner () d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen]\n\n te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier, [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst V December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] ING Creditcard\n\n [rekeningnummer 11]\n\n [bankkaartnummer]\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] en\u002Fof de partner\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Profijt rekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 11]\n\nNVT\n\nING beleggingsrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 12]\n\nNVT\n\nABN-AMRO Direct beleggen & eurostyle rekening [kind]\n\n [rekeningnummer 13]\n\n??\n\nCotes-d’Armor Frankrijk de partner en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas aangevraagd.\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 14]\n\nNVT\n\nING Groeirekening [kind]\n\n [rekeningnummer 15]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\nPAYPAL [L] .nl\n\n [rekeningnummer 16]\n\nNVT\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\nA. Zie kopie hypotheekakte voor huis in Frankrijk ( [naam] ) van notaires [notaris] op naam van [belanghebbende], 17\u002F10\u002F2008.\n\nB. ING Lineaire hypotheek: [lineaire hypotheeknummer] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012. Het nieuwe nummer werd: [huypotheeknummer] .\n\nC. ING aflossingsvrij hypotheek [Afl. hypotheeknummer 5] . ING heeft de hypotheek nummers gewijzigd in 2012.\n\nD. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nA. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 3] )\n\nB. Atos pensioenfonds (relatienummer: [relatienummer] )\n\nC. Centraal beheer (polisnummer: [polisnummer 4] )\n\nD. ABP (klantnummer [klantnummer] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend. Niet van toepassing geweest.\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015. Niet van toepassing geweest.\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 — 2015.\n\nA. [Belanghebbende] was niet belastingplichting in [woonplaats] in de periode 01\u002F01\u002F2010 —30\u002F09\u002F2013 maar in Nederland.\n\nB. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens vanaf 30\u002F09\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n‘Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht. [1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht. [2]. Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt. [3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 7.1 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is de volgende bepaling opgenomen:\n\n“Ten aanzien van de buitenlandse belastingplichtige wordt de inkomstenbelasting geheven over het door hem in het kalenderjaar genoten:\n\na. belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland;\n\nb. belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap en\n\nc. belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland.\"\n\nIn artikel 7.2 Wet IB is dit nader uitgewerkt:\n\n\"1.Het belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland is het inkomen uit werk en woning in Nederland verminderd met de verliezen uit werk en woning, berekend overeenkomstig de regels van hoofdstuk 3 en verminderd, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6.2., 6.2a en 6.31, met uitgaven voor monumentenpanden.\n\n2. Het inkomen uit werk en woning in Nederland is het gezamenlijke bedrag van:\n\na.de belastbare winst uit Nederlandse onderneming, dat is de belastbare winst, bedoeld in de\n\nartikelen 3.2 en 3.3 uit een onderneming die, of het gedeelte van een onderneming dat wordt\n\ngedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland of een vaste vertegenwoordiger in\n\nNederland (Nederlandse onderneming);...”\n\nUit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse\n\ntussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n\"Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.\"\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd]\n\n ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van\n\n2008 ad € 100.000,= en 2009 ad € 12.000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld. 16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum\n\noprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd]\n\n en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met\n\nkopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Kopie notariële akten lening verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een aandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen. U hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\n- de aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\n- de genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Op pagina 3 geeft uw aan:\" Uit informatie verkregen uit een derdenonderzoek is gebleken dat u via een Nederlandse tussenpersoon (onderneming) bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaamheden (heeft) verricht\".Vervolgens geeft u uitleg over al hetgeen dat onder loon kan worden verstaan.\n\n1. Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht\" maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en om de work\u002Fhealth balance van medewerkers te ondersteunen.\n\n2. Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\n\n3. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n4. U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een\n\nderdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\n\n5. Op basis van punten A.1., A.2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\n\nB. U geeft aan op pagina 4: \"Mogelijk hebt u no liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelenontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking\".\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund B. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nC. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven welke wetten of rechtelijke uitspraken (\"Theoretisch kaderheffingsbelang') volgens u van toepassing zijn (\"theoretisch kader toegepast op uw situatie\") voor elk standpunt dat u aandraagt (zie hierboven A. & B.). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Specifieker aan te geven welke vragen volgens u corresponderen met elk standpunt die u aandraagt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 4, 7, 11, 12, 13, 14,15 etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Gelet op C3., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n5. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 4, 8, 17) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n6. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).' U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n7. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welke uw standpunten onderbouwen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven.. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n8. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt om u standpunt te onderbouwen daadwerklijk van toepassing kunnen zijn. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n9. Op pagina 4 geeft u aan \"Ik wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, foxen, facturen endergelijk.' Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek omzo uitgebreid mogelijkte beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy)b die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld C3, C4, C5, C6).\n\n10. Gelet op D 1 t\u002Fm D 9 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunten genoemd in A & B.\n\nD. Gelet op punt A. 4., B.4. & C.10, zijn al uw vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven\n\n4. Kopie opdrachtbevestigingen en contracten 2008 t\u002Fm heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6 hierboven.\n\n• Opdrachten\u002Fcontracten van [G Ltd] zijn in de brief van 29 augustus 2016 reeds aangeleverd mbt boekenonderzoek [E Ltd] .\n\n5. Consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5 hierboven.\n\n6. Kopie bankrekeningen mutaties 2013-2015\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5.\n\n• Voor 2013 (tot 30\u002F9\u002F2013) is in mijn vorige brief van 17 mei 2016 de verloopstaten van de Franse bankrekening als bijlage opgenomen.\n\n7. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011-2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, C5 & C6.\n\n8. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie C5& C6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n10. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Zie mijn eerdere brief 17 mei 2016 (leningsoverenkomsten) voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n11. Kopieen onderliggende stukken betreffende de oprichting [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n12. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n13. Kopieen stukken beftreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd]\n\n .\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven.\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n14. Onderbouwing van de verkoopprijs aandelen en toelichting hoogte verkoopprijs aandelen in relatie dividend van 2008 & 2009.\n\n• Niet relevant zie C3, C4, CS & C6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van de verkoopprijs aandelen is vermeld.\n\n• Niet relevant zie D3, D4, DS & D6 hierboven\n\n• Onduidelijk over welke verkoopprijs van de aandelen u op doelt?\n\n16. Is het dividend in 2008 en 2009 ook als lening aan u vestrekt door [E Ltd] ?\n\n• Niet relevant zie CS & C6 hierboven.\n\n17. Alle leningsovereenkomsten afgesloten met [E] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode tot 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n18. Kopieen van alle communicatie rente betalingen en afwikkeling leningen met [E Ltd]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie brief 17 mei 2016 voor de periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013 (leningsovereenkomsten).\n\n19. Bankafschriften van rentebetalingen leningen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Niet relevant zie CS & C6\n\n• Zie bijlagen voorde periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n20. Kopieen van alle communicatie van leningen na liquidatiedatum [E Ltd] .\n\n• Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Zie vraag 20.\n\n• Zie vraag 8\n\n22: Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven.\n\n• Nee.\n\n24. Aandelen [B]\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Niet relevant zie C4 & C5\n\n• Zie bijlage\n\n25. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt D. hierboven\n\n• Nee”\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. Met betrekking tot de informatie welke ik heb verkregen uit een derdenonderzoek, waaruit blijkt dat u na opheffing van [G Ltd] op 1 oktober 2013 via dezelfde Nederlandse tussenpersoon bij dezelfde Nederlandse eindopdrachtgever dezelfde consultacywerkzaamheden bent blijven uitvoeren, stelt u het volgende:\n\n1. \"Ik werkte inderdaad vanuit [woonplaats] waar ik woon via een in Nederland gevestigde tussenpersoon. De werkzaamheden werden in [woonplaats] uitgevoerd met behulp van collaboration\u002Fvirtual tools (internet). Fysieke aanwezigheid in Nederland werd niet verlangt van de eindopdrachtgever. Derhalve, ik heb niet \"bij een Nederlandse eindopdrachtgever consultancywerkzaameheden verricht maar voor een Nederlandse eindopdrachtgever werkzaamheden verricht. De eindopdrachtgever is een internationaal bedrijf met veel kantoren in diverse landen, een bewust beleid heeft gevoerd om interne en externe medewerkers zoveel mogelijk thuis te laten werken om kantoorkosten te verminderen en work\u002Fhealth balance balance van medewerkers te ondersteunen.\"\n\nUit mijn informatie blijkt dat u tot 1 oktober 2013 woon-werkverkeer heeft gedeclareerd, welke is onderbouwd als dagelijks reizen naar de werkplek in [plaats 1] . Uit onze informatie blijkt dat uw werkzaamheden ook in [plaats 1] plaats hebben gevonden. Uit verdere informatie is geen wijziging opgetreden ten aanzien van de plaats van tewerkstelling. Ik moet dan verder constateren dat u uw stelling van thuiswerken niet heeft onderbouwd met documentatie, waaruit blijkt dat u vanaf 1 oktober 2013 voor uw werkzaamheden niet langer op de werkplek in [plaats 1] aanwezig hoefde te zijn. Ik verzoek u dan ook uw stelling met documentatie te onderbouwen.\n\n2. \"Zie mijn brief van 17 mei 2016 waarin ik heb aangegeven niet meer in Nederland te wonen vanaf 30\u002F9\u002F2013 waarvoor tevens bewijs (bijlagen) zijn aangeleverd. Indien u het hier niet mee eens bent, verzoek u ik dit gaarne te onderbouwen.\"\n\nVooralsnog volg ik u in uw stelling dat u vanaf 1 oktober 2013 in [woonplaats] woonachtig bent. Dit laat onverlet dat inkomsten uit werkzaamheden in Nederland na 1 oktober 2013 mogelijk in Nederland belast zijn. Indien deze werkzaamheden door u in [woonplaats] over de jaren 2013 en verder zijn aangegeven, zou dit een nadere onderbouwing kunnen zijn voor het uitvoeren van de werkzaamheden door u in [woonplaats] en de belastbaarheid van deze werkzaamheden in [woonplaats] .\n\n3. “Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig), zonder eerst (bewust of onbewust) uw standpunt A. te veriferen bij mij of deze (bewust of onbewust) enigzins concreet aannemelijk te maken. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A.1.\"\n\n4. \"U geeft aan tot uw standpunt te komen o.b.v. informatie verkregen uit een derdenonderzoek. In uw brief geeft u geen verdere gedetailleerde informatie hierover. Bijvoorbeeld de bronen van de verkregen informatie of de documenten\u002Fbewijsmaterialen welk zijn verkregen uit het derdenonderzoek waarop u uw standpunt heeft gebaseerd. Ik constateer verder dat u zeer persoonlijke gegevens (privacy) opvraagt van mij over de periode na 30\u002F9\u002F2013 (bijv. alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) wanneer ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) zonder de betrouwbaarheid en\u002Fof de bewijsstukken van deze informatie eerst door mij te laten veriferen of te weerleggen. Dit is mijn inziens onredelijk welk wordt bevestigd door mijn onderbouwing aangegeven in A. 1.\"\n\n5. \"Op basis van punten A. 1., A. 2., A.3. & A.4. ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 aangezien ik niet in Nederland binnenlands belastingplichtig ben. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t. dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat u op basis van artikel 47 AWR gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u hiervoor dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nB. Ten aanzien van de mogelijk ontvangen voordelen voortkomend uit de (voormalige)\n\ndienstbetrekking, heeft u het volgende medegedeeld:\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, zie punt A. 2. hierboven. \"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een (voormalige) dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 21) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6- alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig).\"\n\n4. \"Gelet B. 1., B2. & 83., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voorstandpund B. Hierdoorben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk herhaal hetgeen in onder A3, A4 en A5 reeds heb opgemerkt.\n\nOnder C. en D. merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers.\n\nIk herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 22, 23 en 25. Met betrekking tot uw antwoorden op vraag 23 en 25 merk ik op dat ik informatie heb ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 23 en 25.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n 1 november 2016;\n\n 3 november 2016;\n\n 14 november 2016;\n\n 15 november 2016; of\n\n 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstellingen onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt.\n\n4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden.\n\n5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.\n\n6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de oprichting van [F Ltd] .\n\n12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] ).\n\n13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] .\n\n14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad € 100.000,= en 2009 ad 12 000,=.\n\n15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld.\n\n16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort;\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen.\n\n17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle leningovereenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden.\n\n18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen.\n\n19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland.\n\n20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland.\n\n21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n22. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n23. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de\n\nverwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle\n\nonderliggende stukken.\n\nHierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten:\n\nKopie letter of wishes, overeenkomst 'success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie.\n\n25. Bent u en\u002Fof uw partner [de echtgenote] op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [belanghebbende] en [de partner] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [belanghebbende] en [de partner] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van de heer [belanghebbende] en\u002Fof [de partner].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [belanghebbende] en [de partner] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [belanghebbende] en [de partner].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 22 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, [de partner] en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [belanghebbende] and possibly [de partner] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [belanghebbende] and [de partner] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [belanghebbende] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, [R Ltd] en het [commission] .\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 21 en 24 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot zijn beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van zijn beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van zijn genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op zijn emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet hij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of hij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en hij daarmee niet aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Overzicht van opdrachtgevers waarvoor u consultancywerkzaamheden heeft verricht in de periode na uw emigratie naar [woonplaats] tot heden, inclusief plaats van tewerkstelling en onderbouwende documentatie waaruit de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) blijkt, de vestigingsplaats van de opdrachtgever (en eindopdrachtgever) en de plaats van tewerkstelling blijkt’,\n\n‘4. Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak) van [belanghebbende] en na 1 oktober 2013 tot heden’,\n\n‘5. Hebt u de consultancywerkzaamheden na verhuizing naar [woonplaats] in dienstverband verricht voor een werkgever?\n\na. Zo ja; gegevens van de werkgever\u002Fvennootschap;\n\nb. Kopie arbeidscontract;\n\nc. Hebt u een aanmerkelijk belang in deze vennootschap? Zo ja: kopie jaarrekeningen vanaf datum oprichting tot en met heden danwel liquidatiedatum.’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende na 1 oktober 2013 (nagenoeg) uitsluitend voor de eindopdrachtgever [H BV] heeft gewerkt. Om die reden wenst hij te onderzoeken of Nederland over de daarmee verband houdende inkomsten mogelijk een heffingsrecht heeft. Gelet hierop kon de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar het volgende aan toe.\n\n4.22.. Belanghebbende stelt geen consultancywerkzaamheden te hebben verricht als zelfstandige (natuurlijk persoon) na zijn verhuizing. Belanghebbende stelt in dienst te zijn geweest bij een derde, [L Ltd] . Het is geheel onduidelijk welk doel de inspecteur zou hebben om informatie te ontvangen van alle opdrachtgevers hierin, aldus belanghebbende. Als de inspecteur een vermoeden heeft dat er werkzaamheden zouden hebben plaatsgevonden voor een Nederlandse opdrachtgever, dan zouden specifieke vragen over deze desbetreffende Nederlandse opdrachtgever afdoende kunnen zijn en niet die informatie van alle overige niet Nederlandse opdrachtgevers.\n\n4.23.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De inspecteur heeft met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschreden.\n\n‘6. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )’,\n\n‘7. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015’,,\n\n‘8. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris’,\n\n‘9. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen’en\n\n‘21. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.24.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.13.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.13.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.25.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt daar met betrekking tot vraag 7 het volgende aan toe.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat hij niet beschikte over een American Expresskaart na 2012 en reeds daarom de verzochte gegevens niet over heeft kunnen leggen. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op zijn inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven. De door belanghebbende overgelegde brief van American Express leidt niet tot een ander oordeel. De brief van American Express bevestigt enkel dat er geen gegevens van belanghebbende bekend zijn ten tijde van de verzending van de brief (14 december 2016). De brief vermeldt tevens dat de gegevens uit het verleden niet meer traceerbaar zijn, zodat de brief in zoverre geen duidelijkheid verschaft over het niet-bestaan van een American Expresskaart in de periode voor 14 december 2016.\n\n‘10. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa’,\n\n‘11. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ’,\n\n‘12. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever [H] )’,\n\n‘13. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verkoop van de aandelen [F Ltd] ’,\n\n‘14. Een onderbouwing van de verkoopprijs van de aandelen waarbij u ook een toelichting geeft op de hoogte van de verkoopprijs aandelen in relatie met het toegekende (interim)dividend van 2008 ad €100.000,= en 2009 ad 12 000,=’ en\n\n‘15. Kopie van het bankafschrift waar de ontvangst van verkoopprijs aandelen in is vermeld’\n\n4.27.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.14.1. Bij de inspecteur heerst het vermoeden dat belanghebbende zijn werkzaamheden als IT-consultant begin 2008 in [G Ltd] heeft ingebracht. Dit vermoeden is gebaseerd op de omstandigheid dat belanghebbende dezelfde werkzaamheden, na het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [G Ltd] , via deze vennootschap is blijven verrichten. Omdat belanghebbende zichzelf daarvoor een laag salaris heeft toegekend ten opzichte van de door [G Ltd] behaalde omzet, is een fors deel van de met die werkzaamheden behaalde winst in [G Ltd] achtergebleven, aldus de inspecteur.De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.14.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\n4.14.3.. Belanghebbende heeft de vragen niet beantwoord. Dat belanghebbende met betrekking tot de vraag over de vermoedelijke inbreng van zijn werkzaamheden in [G Ltd] niet zou begrijpen wat ermee wordt bedoeld, doet hieraan niet af. In zijn brief met dagtekening 27 september 2016 staat vermeld dat hij hierop heeft geantwoord dat hij de verstrekking van die informatie niet relevant acht, onder meer omdat hij in twijfel trekt waarom hij informatie met betrekking tot [G Ltd] dient te verstrekken (zie 2.11). Hieruit volgt dat hij wel degelijk kon begrijpen dat de inspecteur vermoedt dat hij zijn werkzaamheden in [G Ltd] heeft ingebracht. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.28.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne, en voegt hier het volgende aan toe.\n\n4.29.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.30.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 zijn consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat hij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat hij (of zijn partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.31.. Het Hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat hij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] , over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Deze gegevens zouden aanwezig moeten zijn (geweest) in zijn eigen administratie dan wel in de administratie van de vennootschappen. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [E Ltd] (Cyprus) en [G Ltd] (vragen 10 en 11) en de informatie betreffende de verkoop van [G Ltd] (vragen 13, 14 en 15).\n\n4.32.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, zijn werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk. Van een ‘fishing expedition’ door de inspecteur is geen sprake.\n\n‘16. Is het toegekende dividend in 2008 en 2009 ook als lening door [E Ltd] aan u verstrekt? Zo ja;\n\na. Kopieën van banafschrift(en) waarop lening(en) is (zijn) gestort,\n\nb. Kopie leningsovereenkomsten;\n\nc. Kopieën van alle onderliggende stukken en communicatie betreffende deze leningen’,\n\n‘17. Voor zover u deze niet al heeft verstrekt bij uw brief van 17 mei 2016: Alle lening overeenkomsten afgesloten met [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland vanaf datum oprichting tot en met afwikkeling van de leningen danwel tot op heden’,\n\n‘18. Kopieën van alle communicatie met [E Ltd] (Cyprus) en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen inzake het aangaan, de rentebetalingen en afwikkeling van de leningen’,\n\n‘19. Bankafschriften van alle rentebetalingen die zijn gedaan voor alle leningen ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar deelnemingen in Nederland’ en\n\n‘20. Kopieën van alle communicatie rondom overdracht en\u002Fof afwikkeling van de leningen na liquidatiedatum van [E Ltd] en haar deelnemingen in Nederland’\n\n4.33.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.15.1. De inspecteur vermoedt dat de door belanghebbende bij [G Ltd] aangegane leningen van ieder € 200.000 slechts dienden om voordelen uit aanmerkelijk belang te verhullen en de aanzienlijke vermogensoverschotten die in [G Ltd] zijn ontstaan onbelast te onttrekken. De inspecteur vermoedt dat in werkelijkheid geen sprake van een terugbetalingsverplichting is geweest (zie 2.3). De inspecteur vermoedt dat in de jaren 2008 en 2009 ook dergelijke gelden bij [G Ltd] zijn geleend en dat daarop evenmin is afgelost.\n\n4.15.2.. De inspecteur kon zich op grond hiervan in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft voormelde vragen niet beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.34.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘24. U hebt in box 3 aandelen in [B] verantwoord;\n\na. Kopieën betreffende alle onderliggende stukken en communicatie betreffende de verwerving van deze aandelen;\n\nb. Welke rechten zijn aan deze aandelen verbonden, graag kopieën van alle onderliggende stukken.\n\nc. Specificatie van de voordelen verkregen uit deze aandelen en kopieën van alle onderliggende stukken. Hierbij verwacht ik tenminste de navolgende documenten: Kopie letter of wishes, overeenkomst `success by sharing' formule en de hierbij horende relevante communicatie’\n\n4.35.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.16.1. De inspecteur vermoedt dat het aandelenbelang van belanghebbende in [B Ltd] niet in box 3, maar in box 2 in aanmerking moet worden genomen. Volgens de inspecteur zou sprake kunnen zijn van een indirect aanmerkelijk belang in [G Ltd] , dat vermoedelijk recht geeft op haar volledige waardeontwikkeling en winst. Dit zou kunnen via een side letter of enige andere overeenkomst, waarin staat vermeld dat bijzondere rechten aan het belang in [B Ltd] zijn verbonden, aldus de inspecteur.\n\n4.16.2.. Naar het oordeel van de rechtbank kon de inspecteur gelet op het hiervoor vermelde zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.36.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n4.37.. Gelet op het voorgaande zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee hij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.38.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.39.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.40.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.41.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.42.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.43.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.44.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.45.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.46.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.47.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.48.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.49.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.50.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.51.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.52.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.53.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.54.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.55.. Uit de slotzin van de onder 4.54 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.56.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.57.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.58.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.59.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.61.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor zijn bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.62.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.63.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.64.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.65.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.66.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.67.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.68.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.69.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.70.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van Jersey inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4082","2026-07-13T00:29:19.111Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":123,"fullText":138,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":123,"parsedAt":64,"updatedAt":140},"1364","ECLI:NL:GHSHE:2024:4081","ecli-nl-ghshe-2024-4081","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 22\u002F2285 tot en met 22\u002F2291\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende 2] ,\n\nwonend in [woonplaats] (de Kanaaleilanden), domicilie gekozen hebbend in [plaats 1] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 oktober 2022, nummers BRE 18\u002F6587 t\u002Fm BRE 18\u002F6591, BRE 18\u002F6593 en BRE 18\u002F6594 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegeven over de jaren 2008 tot en met 2014.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard en heeft het beroep met betrekking tot de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld van haar partner, en haar gemachtigde, [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur] . Belanghebbende, haar partner en haar gemachtigde hebben aan de zitting deelgenomen door middel van een directe beeld- en geluidsverbinding via Microsoft Teams. Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 22\u002F2292 t\u002Fm 22\u002F2297 en de zaken met nummers 22\u002F2298 t\u002Fm 22\u002F2305.\n\n1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst dan wel aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende en haar partner woonden tot eind september 2013 in [plaats 2] , Nederland. Vanaf 1 september 2013 hebben zij een woning gehuurd op [woonplaats] . Op 14 oktober 2013 hebben zij zich met hun twee kinderen uitgeschreven in Nederland en zich ingeschreven op [woonplaats] .\n\n2.2.. De partner heeft ook na september 2013 de woning te [plaats 2] in eigendom gehouden. De partner verhuurde deze woning van 1 november 2013 tot 31 oktober 2014 aan een derde. Gedurende de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 juli 2016 verhuurde de partner de woning te [plaats 2] aan de heer en mevrouw [persoon 2] (eveneens derden). In de beide huurcontracten is een diplomatenclausule opgenomen, welke inhoudt dat de partner verklaart dat hij de vorige bewoner van het woonhuis is en dat hij de woning, na afloop van de overeengekomen huurperiode, zelf weer zal betrekken.\n\n2.3.. De partner hield in de onderhavige jaren 5 van de 225 aandelen in het aandelenkapitaal van [B Ltd] . [B Ltd] hield via [C Ltd] , [E Ltd] en [F Ltd] , 100% van de aandelen in het aandelenkapitaal in [G Ltd] .\n\n2.4.. Belanghebbende en de partner voerden gezamenlijk de directie over [G Ltd] . De partner is in de jaren 2011 en 2012 twee leningen van ieder € 200.000 bij [G Ltd] aangegaan.\n\n2.5.. Belanghebbende was in de onderhavige jaren werkzaam als IT-consultant. Tot begin 2008 verrichtte belanghebbende haar werkzaamheden als IT-consultant zelfstandig en deed daarvoor jaarlijks aangifte IB\u002FPVV ter zake van haar in het betreffende jaar genoten winst uit onderneming.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft haar IT-werkzaamheden tot en met het jaar 2012 verricht voor [bank] . Vanaf het jaar 2013 verrichtte zij haar werkzaamheden uitsluitend voor [H BV] . Voormelde werkzaamheden heeft zij verricht via tussenkomst van een bemiddelaar. Tot eind 2008 was dit [I] en daarna achtereenvolgens [J] en [K] .\n\n2.7.. Op 31 maart 2008 heeft belanghebbende een arbeidsovereenkomst gesloten met [G Ltd] . Vanaf dat moment heeft [G Ltd] klanten gefactureerd voor de door belanghebbende verrichte werkzaamheden. [G Ltd] is eind 2013 geliquideerd. Vanaf het jaar 2013 heeft belanghebbende voormelde werkzaamheden via [L Ltd] verricht. Belanghebbende en de partner houden gezamenlijk 100% van de aandelen in [L Ltd] .\n\n2.8.. Belanghebbende heeft voor de jaren 2008 tot en met 2014 aangiften IB\u002FPVV gedaan.\n\n2.9.. De inspecteur heeft bij brief van 5 april 2016 belanghebbende verzocht om informatie voor de behandeling van de aangiften IB\u002FPVV 2010 tot en met 2014. De brief luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n‘Voor de behandeling van uw aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 heb ik additionele informatie nodig. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij onderstaand genoemde informatie toe te zenden.\n\n- Kopie samenlevingscontract of vergelijkbaar indien opgemaakt;\n\n- Overzicht van aandelenbelangen, inclusief aan- en verkochte belangen;\n\n- Opgave van de waardering van de door u, niet als aanmerkelijk belang gehouden, aandelen (inclusief een kopie van onderliggende stukken);\n\n- Overzicht van kapitaalstortingen en\u002Fof terugbetalingen in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzichten ontvangen dividenden, welke betrekking hebben op de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen in de periode 2010 tot en met 2014 (inclusief de datum van ontvangst en opgave op welke bankrekening);\n\n- Bent u in de periode 2010 tot en met 2014 -in welke vorm dan ook- betrokken bij een afgezonderd particulier vermogen? Zo ja, dan graag een toelichting op de betreffende APV's en uw betrokkenheid bij deze(n), alsmede kopieën van de onderliggende stukken);\n\n- Kopie directie- en managementovereenkomsten welke door u zijn afgesloten en\u002Fof welke van kracht waren over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen directie en\u002Fof managementvergoedingen welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Kopie van uw arbeidscontracten welke door u zijn aangegaan en\u002Fof welke van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht ontvangen inkomsten (voordelen) op basis van voornoemde arbeidscontracten, welke betrekking hebben op door u uitgevoerde werkzaamheden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van eventueel overige bezoldigde en onbezoldigde functies die u in de periode 2010 tot en met 2014 hebt bekleed;\n\n- Kopie verkoopcontracten welke zijn gesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014 welke door u zijn gesloten in een andere hoedanigheid dan als directeur, bestuurder en\u002Fof medewerker van een rechtspersoon;\n\n- Documentatie waaruit uw verhuizing naar [woonplaats] , alsmede het moment van uw verhuizing naar [woonplaats] blijkt;\n\n- Leningenovereenkomsten (ontvangen en verstrekte gelden) met verbonden entiteiten zoals werkgevers of deelnemingen, welke zijn afgesloten en\u002Fof van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Verloopstaten van de rekening-couranten en leningen (ontvangen en verstrekte gelden) over de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts en dergelijke op eigen naam gehouden in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen, inclusief PayPal-, bitcointaccounts niet op eigen naam, waarover u wel kunt beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed (mede) op uw naam in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht van hypotheken en leningen (akten en jaaropgaves) welke zijn afgesloten of van kracht waren in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht credit-, debit en overige paycards waarover u kon beschikken in de periode 2010 tot en met 2014;\n\n- Overzicht pensioenproducten, lijfrentes etc;\n\n- Verhuurcontracten van onroerend goed (mede) op uw naam in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015;\n\n- Overzicht ontvangen huren in Nederland aangegaan of van kracht in de periode 2010 tot en met 2015:\n\n- Kopie van uw aangifte(n) inkomstenbelasting in [woonplaats] over de periode 2010 tot en met 2015.\n\nGraag ontvang ik bovenstaande informatie vóór 2 mei 2016. Ik verzoek u bovenstaande informatie ook te verstrekken indien u van mening zou zijn dat deze informatie niet relevant is voor de Nederlandse belastingheffing. Ik wil dan tevens verzoeken uw standpunt nader te onderbouwen.\n\nWellicht ten overvloede wil ik u erop wijzen dat ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een ieder verplicht is desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing ten zijnen aanzien van belang kan zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Ingevolge artikel 49 van de AWR dient het verstrekken van de inlichtingen en gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te geschieden.’\n\n2.10.. Belanghebbende heeft bij brief van 17 mei 2016 op de onder 2.9 vermelde vragenbrief van de inspecteur, als volgt gereageerd:\n\n‘Hieronder vindt u puntsgewijs antwoord op uw verzoek om informatie for de aangifte inkomstenbelastingen 2010, 2011, 2012, 2013 & 2014. Het volgende is daarbij in beschouwing genomen.\n\nA. In de genoemde jaren heeft de heer [persoon 5] van het kantoor [kantoornaam] te [plaats 2] de jaarlijkse inkomstenbelasting aangiftes opgesteld en ingediend bij de belastingdienst.\n\nB. Aangenomen wordt dat u beschikking heeft over de jaaraangiftes, aanslagen & definitieve aanslagen.\n\nC. Vanaf 21\u002F10\u002F2013 is [belanghebbende] en kinderen ((…) & (…)) woonachtig in [woonplaats] (Channel Islands).\n\nD. De heer [persoon 5] heeft voor het jaar 2013 de eerste negen maanden (1\u002F1\u002F2013 - 30\u002F09\u002F2013) meegenomen in de aangifte inkomstenbelasting. De [woonplaats] accountant is de inkomsten vanaf 1\u002F10\u002F2013 gaan administreren.\n\nE. Gelet op C & D, is [belanghebbende] niet belastingplichtig in Nederland voor inkomen uit werk & woning vanaf 1\u002F10\u002F2013. i.v.m. onroerend goed in Nederland ( [adres 1] , [postcode] [plaats 2] ) is aangifte ingediend voor 2014 en zal aangifte plaatsvinden voor 2015.\n\nF. Derhalve is inkomens gegevens toegevoegd voor de jaren 2010, 2011, 2012 en tot 30\u002F09\u002F2013 voor 2013.\n\nPuntsgewijs antwoordt op uw verzoek om informatie\n\n1. Samenlevingscontract met de partner (…) d.d. 8\u002F11\u002F2002 [notarissen] te [plaats 3] . Zie kopie toegevoegd.\n\n2. Overzicht van aandelenbelangen. Niet van toepassing. Zie kopien toegevoegd van aandelen [B Ltd] voor de jaren 2010, 2011, 2012 & 2013.\n\n3. Opgave van waarderingen aanmerkelijk belang. Niet van toepassing geweest.\n\n4. Overzicht van kapitaalstortingen. Niet van toepassing geweest.\n\n5. Overzicht ontvangen dividenden. Niet van toepassing geweest.\n\n6. Overzicht van ontvangen en\u002Fof toegezegde schenkingen. Niet van toepassing geweest.\n\n7. Betrokkenheid APV's. Niet van toepassing geweest.\n\n8. Kopie directive-managementovereenkomsten. Niet van toepassing geweest.\n\n9. Overzicht ontvangen directive en\u002Fof managementvergoedingen. Niet van toepassing geweest.\n\n10. Kopie arbeidscontracten. Zie kopie toegevoegd.\n\n11. Overzicht ontvangen inkomsten o.b.v. arbeidscontracten.\n\na) 2010 - € 52.693\n\nb) 2011 - € 50.822\n\nc) 2012 - € 52.036\n\nd) 2013 - € 37.818\n\n12. Overzicht overige bezoldigde functies. Niet van toepassing geweest.\n\n13. Kopie verkoopcontracten. Niet van toepassing geweest.\n\n14. Documentatie waaruit verhuizing naar [woonplaats] blijkt.\n\na. Zie kopie inschrijving gezinsleden [woonplaats] social security department St Helier , [woonplaats] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nb. Zie kopie inschrijving kinderen (…) [school] autumn term 4\u002F11\u002F2013.\n\nc. Zie kopie Child health registration States of [woonplaats] [kinderen] op 21\u002F10\u002F2013.\n\nd. Zie verhuizingsfactuur van [verhuisbedrijf] . Een deel van de inboedel is verhuisd naar het vakantie huis Frankrijk en in dezelfde rit is het grootste deel van de inboedel naar [adres 2] , [plaats 4] , [woonplaats] verhuisd. Uitvoeringsdatum van verhuizing is opgenomen op factuur (12\u002F9\u002F2013).\n\ne. Zie kopie uitschrijvingen gemeente [plaats 2] van alle gezinsleden op 14\u002F10\u002F2013.\n\nf. Zie kopie huur contract [adres 2] [plaats 4] , […] , [woonplaats] per 1\u002F9\u002F2013.\n\n15. Leningenovereenkomsten.\n\na. Leningen overeenkomst 1st December 2011, welke is gewijzigd op 10th October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\nb. Leningen overeenkomst 4 September 2012, welke is gewijzid op 10 October 2012. Zie kopien toegevoegd.\n\n16. Verloopstaten van rekening-couranten. Zie overzichten per jaar aan eind van deze brief.\n\n17. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nING Betaalrekening [belanghebbende] Creditcard\n\n [rekeningnummer 1]\n\n [nummer]\n\nING Betaalrekening [de partner] en\u002Fof [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 2]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nING Betaalrekening [belanghebbende]\n\n [rekeningnummer 3]\n\n?? Rekening is opgeheven in\n\n2013\n\nCotes-D'Armor Frankrijk [belanghebbende] en\u002Fof [de partner]\n\n [rekeningnummer 4]\n\nMomenteel is nieuwe pas\n\naangevraagd.\n\nING Beleggings Hypotheek\n\n [rekeningnummer 5]\n\nNVT\n\nWestland Utrecht Garantie Fonds\n\n [rekeningnummer 6]\n\nNVT\n\n18. Overzicht binnenlandse- en buitenlandse rekeningen niet op eigen naam.\n\nRekening\n\nRekening nummer\n\nBankcards nummer\n\nRabo rekening courant zonder krediet - [G Ltd] Credit card\n\n [rekeningnummer 7]\n\n?? opgeheven 2013\n\n?? Opgeheven 2013\n\nRabo bedrijfstelerekening - [G Ltd]\n\n [rekeningnummer 8]\n\nNVT\n\nRabo rekeningen bedrijfstelerekening - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 9]\n\nNVT\n\nRabo rekening courant - [F Ltd]\n\n [rekeningnummer 10]\n\n?? Opgeheven 2013\n\n19. Overzicht binnenland en buitenlands onroerend goed.\n\na. Zie kopie hypotheekakte voor huis [adres 1] , [postcode] [plaats 2] op naam van [belanghebbende], 19\u002F10\u002F2001.\n\nb. ING Beleggershypotheek: [Bel. hypotheek nummer 1] was voorheen [Bel. hypotheek nummer 2] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\nc. ING Aflossingsvrije Hypotheek [Afl. hypotheeknummer 1] was voorheen [Afl. hypotheeknummer 2] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\nd. ING Aflossingsvrije Hypotheek [Afl. hypotheeknummer 3] was voorheen [Afl. hypotheeknummer 4] . ING heeft nummers gewijzigd in 2012.\n\ne. Zie tevens leenovereenkomsten bij punt 15.\n\n20. Overzicht credit-, debit & overage paycards. Zie tabelen bij 17 & 18.\n\n21. Overzicht pensioen, lijfrentes etc;\n\nf. AEGON lijfrente (polisnummer: [polisnummer 1] )\n\ng. Nationale Nederlanden – pensioen beleggingsverzekering ( [werkgever] werkgever) (polis: [polisnummer 2] )\n\n22. Verhuurcontracten van onroerend.\n\nh. Huis [adres 1] , [postcode] [plaats 2] staat op naam [belanghebbende]\n\ni. Zie huurovereenkomst mevr. [persoon 1] periode 1\u002F11\u002F2013 – 1\u002F07\u002F2015 opgesteld door [makelaar] .\n\nj. Zie huurovereenkomst mevr. [persoon 2] periode 1\u002F8\u002F2015 – heden, opgesteld door [makelaar] .\n\n23. Overzicht ontvangen huren in Nederland periode 2010 t\u002Fm 2015.\n\nk. Huurcontract mevr. [persoon 1] - periode 1\u002F11\u002F2013 – 1\u002F07\u002F2015. Huur ontvangen 2013 – € 4.350, 2014 – €17.400, 2015 – €5.852. Schuld achterstand\u002Fvordering bestaat nog van €6.292 voor periode 2015 zoals bepaald door gerechtelijk uitspraak. Deurwaarder procedure loopt.\n\nI. Huurcontract [persoon 2] – periode 1\u002F8\u002F2015 – 31\u002F12\u002F2015. Huur ontvangen € 6.750\n\n24. Kopie van aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] 2010 – 2015.\n\nm. [belanghebbende] was niet belastingplichting in periode 01\u002F01\u002F2010 – 30\u002F09\u002F2013 in [woonplaats] maar in Nederland.\n\nn. Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.’\n\n2.11.. De inspecteur heeft bij brief van 8 september 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘Per brief van 5 april 2016 heb ik u informatie gevraagd over de door u ingediende aangiften\n\ninkomstenbelasting 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014. U hebt hierop gereageerd per brief van 17 mei 2016. Naar aanleiding van deze brief en de informatie verkregen uit een boekenonderzoek bij de vennootschappen waar u tot datum liquidatie benoemd was als directeur, vraag ik uw aandacht voor het volgende.\n\nIn mijn brief van 5 april 2016 heb ik u gevraagd om kopieën te verstrekken van de ingediende aangiften inkomstenbelasting in [woonplaats] . In uw brief van 17 mei reageert u op mijn verzoek als volgt:\n\n\"Aangezien [belanghebbende] niet woonachtig is Nederland vanaf 01\u002F10\u002F2013 maar in [woonplaats] , zijn de inkomsten gegevens uit werk vanaf 01\u002F10\u002F2013 niet relevant voor de Nederlandse belastingdienst.\"\n\nIn deze brief wil ik nader in gaan op het Nederlandse heffingsbelang ten aanzien van de periode vanaf 1 oktober 2013 en u om aanvullende inlichtingen en bescheiden verzoeken.\n\nHet Nederlandse heffingsbelang\n\nTheoretisch kader – heffingsbelang\n\nEr bestaat een wettelijke grondslag voor de opvraag van de informatie, welke (onder andere) is neergelegd artikel 47 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De grondslag van de verplichting tot overlegging van informatie ex artikel 47 AWR zal ik in dit onderdeel nader onderbouwen.\n\nIn artikel 47 AWR is onder andere het volgende bepaald:\n\n'Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur.\n\na. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn\n\nb. de boeken en bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen'\n\nIn HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 2003\u002F268, ECLI:NL:HR:2003:AF7498 is in r.o. 3.3. het navolgende opgenomen:\n\n3.3.. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich — zoals het Hof heeft geoordeeld — op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Voor de aanwezigheid van een belang in vorengenoemde zin is slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing (Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, BNB 1986\u002F126 alsmede HR 18 april 2003, nr. 38 122, BNB 20031268).\n\nDe inspecteur hoeft niet aan te tonen dat het gevraagde van belang is. Het inwinnen van informatie met een beroep op artikel 47 AWR is onder andere mogelijk indien de inspecteur zich een oordeel wilt vormen over de mogelijke belastingplicht van een (rechts)persoon. Dit oordeel kan betrekking hebben op zowel de objectieve als de subjectieve belastingplicht.[1]\n\nDe inspecteur moet wel over feitenmateriaal beschikken op grond waarvan hij in redelijkheid kan vermoeden dat mogelijk sprake is van belastingplicht.[2] Deze aanwijzingen mogen beperkt zijn, maar niet dusdanig beperkt dat het verder vragen van informatie een 'fishing expedition' wordt.[3] De inspecteur behoeft echter niet te bewijzen of belanghebbende daadwerkelijk inwoner is\u002Fwas van Nederland. Anders gezegd: niet van belang is dat de belastingplicht wordt aangetoond door de inspecteur. De opgevraagde gegevens zouden van belang kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de subjectieve en\u002Fof objectieve belastingplicht van belanghebbende in Nederland. Op de inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij met zijn informatieverzoek niet de grenzen der redelijkheid heeft overschreden.\n\nVorenstaand kader is onlangs bevestigd in HR 18 december 2015, nr. 15\u002F00040 ECLI:NL:HR:2015:3603. Met name wordt in dit verband gewezen op no. 2.4.3.:\n\n2.4.3.. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het geschil in onderdeel 4.2 van zijn uitspraak terecht als uitgangspunt genomen het arrest BNB 2003\u002F268. Evenwel heeft het Hof in onderdeel 4.5, na te hebben geoordeeld dat op zijn minst twijfels bestaan over het antwoord op de vraag of de werkelijke leiding van belanghebbende bij het statutaire bestuur berustte, overwogen dat het erom gaat dat de Inspecteur een begin van bewijs levert op grond waarvan een vermoeden bestaat dat de werkelijke leiding in Nederland ligt. Vervolgens heeft het in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak geoordeeld dat het in de stukken van het geding waarop de Inspecteur zich beroept ter staving van zijn vermoeden nog geen begin van bewijs heeft gezien dat de feitelijke leiding mogelijk aanwezig is in Nederland. Hetgeen het Hof in onderdeel 4.5 van zijn uitspraak heeft overwogen strookt niet met het in onderdeel 4.2 ervan verwoorde uitgangspunt, aangezien het in dat onderdeel 4.5 overwogene een verdergaande eis aan het door de Inspecteur te leveren bewijs behelst dan uit het in onderdeel 4.2 neergelegde uitgangspunt voortvloeit. Doordat onderdeel 4.5 van zijn uitspraak in dit opzicht niet overeenstemt met onderdeel 4.2 ervan kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt of het Hof een juiste rechtsopvatting ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak. In het bijzonder kan uit 's Hofs uitspraak niet worden opgemaakt wat het Hof van de Inspecteur heeft verlangd voor het voeden van de veronderstelling dat belanghebbende belastingplichtig is in Nederland. Derhalve heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Het middel slaagt in zoverre.\n\nTheoretisch kader toegepast op uw situatie.\n\nUit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 kan worden afgeleid, dat de informatie verstrekt moet worden door belastingplichtige als de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende.\n\nOp grond van de navolgende gegevens ben ik van mening dat ik aan u informatie kan op vragen op grond van artikel 47 AWR.\n\nIn artikel 10 lid 1 van de Wet op de loonbelasting is het volgende opgenomen:\n\n‘Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.’\n\nAlle voordelen uit dienstbetrekking behoren tot het loon. Het voordeel behoeft daarbij niet steeds het resultaat van verrichte arbeid te zijn. De basis is de rechtsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. De ontvangen beloning moet gekoppeld kunnen worden aan de dienstbetrekking als bron van die beloning. Er is sprake van loon als het genoten voordeel, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen, geacht kan worden zakelijk aan de dienstbetrekking te kunnen worden toegerekend.\n\nMogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\nIk ben van mening dat ik mij op het standpunt kan stellen dat er sprake is van een (mogelijk)\n\nNederlands heffingsbelang.\n\nVerzoek om informatie\n\nIk wil u verzoeken alle vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke.\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3 Kopie van opdrachtbevestigingen en contracten (eind)opdrachtgevers over de periode 2008 (eenmanszaak).\n\n3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen die u hebt verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n7. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] .\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n10. Kopie notariële akten betreffende de lening(en) verkregen van [E Ltd] en\u002Fof deelnemingen in Nederland ten behoeve van onroerend goed.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\nAanmerkelijk belang\n\nIn hoofdstuk 4 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 is een regeling opgenomen voor een\n\naandeelhouder met een 'aanmerkelijk belang' in een vennootschap. Op grond van deze wetgeving valt het inkomen dat een 'ab-houder' geniet uit zijn aanmerkelijk belang in box 2. Het belastingtarief van box 2 is 25%. In box 2 worden reguliere voordelen zoals dividend en andere winstuitkeringen belast maar ook vervreemdingsvoordelen.\n\nU hebt o.a. een aanmerkelijk belang als u, eventueel samen met uw fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% had van:\n\nde aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\nde genotsrechten (ook per soort) van de aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap\n\nde genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.\n\nVraag:\n\nBent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s)\n\n(geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum. Graag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\n[1] Rechtbank Gelderland 4 juni 2013, nr. AWB 12\u002F4041, LJN CA1899. ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1899.\n\n[2] Hoge Raad 18 april 2003, nr. 38122, LJN AF7498, BNB 2003\u002F268, Hoge Raad 28 mei 1986, nr. 23784, LJN AW8017, BNB 1986\u002F238, Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23034, LJN AW8125, BNB 1986\u002F128.\n\n[3] Hof ’s-Hertogenbosch 28 november 2014, nr. 14-00447.’\n\n2.12.. Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2016 op de onder 2.11 vermelde brief, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\nA. U geeft aan op pagina 3: \"Mogelijk hebt u na liquidatie de van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen ontvangen die, voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking.\n\n1. Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013. Derhalve is uw standpunt niet relevant, gelet op het feit dat ik niet meer in Nederland woon (niet binnenlands belastingplichtig) per 1\u002F10\u002F2013.\n\n2. In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw standpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoen om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\n\n3. U vraagt specifieke informatie (zie vraag 6) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannamelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannamelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit zou derhalve mijn inziens onredelijk zijn mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 3 - alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben.\n\n4. Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund A. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\n\nB. Ik verzoek ik u in verdere correspondentie:\n\n1. Specifieker aan te geven waarom u vragen stelt over [G Ltd] en [F Ltd] (zie bijv. 3,4, 8, etc) in een brief die als doel heeft mijn aangifte inkomstenbelasting (prive persoon) te behandelen. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n2. Gelet op Bl., zou (bewust of onbewust) de indruk door u gewekt kunnen worden dat het boekenonderzoek van [F Ltd] integraal en\u002Fof vermengd kan worden met mijn aangifte inkomstenbelasting. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n3. Specifieker aan te geven waarom u bij sommige vragen (bijv. 3,4) informatie aanvraagt voorafgaand of na de periode waarover u de aangiften inkomstenbelasting in beschouwing neemt (2010 t\u002Fm 2014). Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief.\n\n4. Ik heb op de website van de belastingdienst vernomen \"U kunt een navorderingsaanslag krijgen binnen 5 jaar na het einde van het belastingtijdvak waarin uw belastingschuld is ontstaan (meestal het kalenderjaar).\"U heeft niet aangegeven in uw brieven waarom u m.b.t. de aangifte inkomstenbelasting het jaar 2010 in beschouwing neemt. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brieven.\n\n5. De rechtelijke uitspraken die u noemt verwijzen naar teksten welke vervolgens niet zijn opgenomen in uw brief. Dit maakt het kunnen beoordelen of het aan gedragen theoretisch kader uberhoudt relevant is (bewust of onbewust) erg moeilijk en tevens de indruk wekt dat alleen die teksten zijn opgenomen welk uw standpunt onderbouwd. Dit is (bewust of onbewust) onduidelijk en onzorgvuldig in u brief. Derhalve wordt verzocht alle relevante teksten op te nemen in uw toekomstige brieven. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n6. Een kopie mee te sturen van alle volledige rechterlijke uitspraken (BNB's) welk door u genoemd worden in uw brief en u toekomstige brieven als onderbouwing van uw standpunten. Dit gelet op het feit dat ik niet over een juridische bibliotheek bezit er derhalve niet kan beoordelen of de (volledige) rechterlijke uitspraken die u aandraagt daadwerklijk van toepassing kunnen zijn op u standpunt. Dit is mijn inziens onredelijk. Ik zou het opprijs stellen als u dit alsnog zou kunnen doen m.b.t. uw brief van 8 september 2016.\n\n7. Op pagina 4 geeft u aan \"!k wil u verzoeken all vragen zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden en de antwoorden te voorzien van alle onderliggende communicatie. Daarmee bedoel ik (maar niet uitsluitend) agenda-items, telefoonnoties, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijk.\"Gelet op het feit dat u for beide standpunten (A. & B.) geen concrete of aannamelijke onderbouwing aandraagt (zie o.a. A3, A4, B2 & B3) zou u verzoek om zo uitgebreid mogelijk te beantwoorden (bewust of onbewust) als het ware tot een sleepnet actie kunnen leiden. Indien uw standpunten (aannemelijk) onderbouwd werden, zou ik alleen die informatie hoeven aan te dragen welk specifiek en relevant zijn om u standpunten te weerleggen. U verzoek is derhalve mijn inziens onredelijk mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 6 – alle bankrekening mutaties na 30\u002F9\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig) alsmede de onduidelijke relevantie van een aantal van uw vragen (zie bijvoorbeeld B1, B2, B3, B4).\n\n8. Gelet op B1 t\u002Fm B7 leidt mij verder te beoordelen dat u op een fishing expedition uit bent m.b.t u standpunt genoemd in A.\n\nC. Gelet op punt A. 4. & B.8, zijn al u vragen in uw brief van 8 september 2016 en uw vorige brieven beantwoordt welke relevant zijn tot de periode 30\u002F9\u002F2013.\n\nDe vragen zoals door u gesteld, zijn hier beneden beantwoordt waarbij de hierboven beschreven punten (A, B & C) in rekening zijn genomen.\n\nZoals uit mijn vorige brieven en deze brief blijkt, wens ik mee te werken met uw aangiften inkomstenbelasting onderzoek.\n\n(…)\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 & 2015 [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n• Voor periode 1\u002F1\u002F2011- 30\u002F9\u002F2013 is informatie al eerder aangeleverd.\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting betaald in [woonplaats] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n3. Overzicht opdrachtgevers na emigratie.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 hierboven\n\n4. Kopieen mutaties American Expresskaart 2011- 2015.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B1 t\u002Fm B4,\n\n5. Overzicht van alle voordelen verkregen uit [F Ltd] .\n\nBehoudens direct salaris tussen 19 maart 2008 en heden.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3 & B4 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B3& B4 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013.\n\n7. Kopieen van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] .\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Niet relevant zie B5 & B6 hierboven.\n\n• Geen voor periode 1\u002F1\u002F2011 tot 30\u002F9\u002F2013\n\n8. Kopieen stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten.\n\n• Niet relevant zie B1 t\u002Fm B4\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten n.a.v. liquidatie [E Ltd] of Nederlandse deelnemingen.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n10. Kopie notariele akten leningen van [E] .\n\n• Er bestaan geen notariele akten.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot op heden schenkingen ontvangen van [E Ltd]\n\n of bovenliggende moedermaatschappijen?\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven.\n\n• Nee.\n\n12. Bent u en\u002Fof partner ultimate beneficiary owner geweest van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffing.\n\n• Niet relevant na 30\u002F9\u002F2013, zie punt C. hierboven\n\n• Nee’\n\n2.13.. De inspecteur heeft bij brief van 13 oktober 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n‘A. In mijn brief van 8 september 2016 heb ik aangegeven dat het mogelijk is dat u na liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen, voordelen heeft ontvangen die voortkomen uit de (voormalig) dienstbetrekking. U reageert daar als volgt op.\n\n1. \"Ik heb begrepen dat [E Ltd] is opgeheven na 30\u002F9\u002F2013.\n\nDerhalve is uw standpunt niet relevant, gelet op het feit dat ik niet meer in Nederland woon (niet binnenlands belastingplichtig) per 1\u002F10\u002F2013.\"\n\nIk wil u erop attenderen dat ook voordelen uit een voormalige dienstbetrekking eveneens leiden tot fiscaal belast inkomen. Het opheffen van een entiteit leidt niet automatisch tot beëindiging van voordelen voorkomend uit (een dienstbetrekking bij) deze entiteit.\n\n2. \"In uw brief heb ik niet kunnen achterhalen op basis van welk informatie u tot uw\n\nstandpunt komt. Hierdoor geeft u mij geen mogelijkheid (bewust of onbewust) om u standpunt op gerichte wijze te weerleggen voorafgaand aan u verzoek te moeten voldoe om zeer persoonlijke gegevens te verstrekken over de periode dat ik niet in Nederland woonachtig ben (niet binnenlands belastingplichtig). Dit is mijn inziens onredelijk.\"\n\n3. \"U vraagt specifieke informatie (zie vraag 6) in dezelfde brief waarin u al een standpunt daarover heeft geformuleerd en waarbij u tevens geen aannemelijke onderbouwing geeft bij u ingenomen standpunt. Dit zou kunnen betekenen dat u weinig of geen aannemelijk onderbouwing heeft voor u ingenomen standpunt. Dit zou derhalve mijn inziens onredelijk zijn mede gelet op de zeer persoonlijke informatie (privacy) die u daarbij opvraagt (bijv. vraag 3- alle bankrekening mutaties na 3019\u002F2013) over de periode dat ik niet meer in Nederland woonachtig ben.\"\n\n4. “Gelet B. 1., B2. & B3., ben ik derhalve (principieel) van mening dat ik u geen informatie hoef te verstrekken m.b.t. de periode na 30\u002F9\u002F2013 voor standpund A. Hierdoor ben ik van oordeel dat u op een 'fishing expedition' uit bent m.b.t dit standpunt.\"\n\nIk merk op dat op basis van artikel 47 AWR u gehouden bent desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichten te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. De onderbouwing van het mogelijk fiscaal belang heb ik reeds in mijn brief van 8 september 2016 aan u medegedeeld. Ik verwijs u dan ook naar mijn brief van 8 september 2016 en adviseer u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies in te winnen van een fiscaal adviseur.\n\nOnder B en C merk ik samengevat op, dat u stelt dat ik u onvoldoende informatie heb verstrekt om mijn standpunt te onderbouwen. Hierop herhaal ik dat ik het fiscaal belang in mijn brief van 8 september 2016 afdoende heb onderbouwd. De in mijn brief opgenomen jurisprudentie kunt u integraal op internet terugvinden onder de door mij opgenomen uitspraaknummers. Ik herhaal mijn advies dat u, bij onduidelijkheid over uw juridische positie, advies kan inwinnen bij een fiscaal adviseur.\n\nVoor de vragen die toezien op de periode van voor 2011, is het volgende van toepassing. De aandeelhouder van [F Ltd] Is een in Cyprus gevestigde entiteit. Indien de aandeelhouder u een beloning heeft verstrekt op basis van uw werkzaamheden voor [G Ltd] , dan is er mogelijk sprake van in het buitenland opgekomen inkomen, waarop de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing is.\n\nTen aanzien van de door mij in mijn brief van 8 september 2016 gestelde vragen, merk ik op dat u geen van de vragen heeft beantwoord, met uitzondering van vraag 10, 11 en 12 (ab vraag). Ik heb informatie ontvangen, welke tegenstrijdig is met de door u verstrekte antwoorden op vraag 12 (ab vraag).\n\nOm een lang correspondentietraject te voorkomen, roep ik u op voor een gesprek met u in persoon op het Belastingkantoor te Utrecht. Dit gesprek kan plaatsvinden op één van de navolgende datums:\n\n- 1 november 2016;\n\n- 3 november 2016;\n\n- 14 november 2016;\n\n- 15 november 2016; of\n\n- 17 november 2016.\n\nBij dit gesprek verzoek ik u om de navolgende informatie mee te nemen:\n\n1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] .\n\n2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] .\n\n3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] ).\n\n4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015.\n\n5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris.\n\n6. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen.\n\n7. Kopieën van alle communicatie vanuit prive met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa.\n\n8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten (bijvoorbeeld uw consultancy werkzaamheden voor de eindopdrachtgever ING ).\n\n9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken.\n\n10. Deze vraag acht ik afdoende beantwoord.\n\n11. Hebt u in de periode 2008 tot en met heden een schenking ontvangen van [E Ltd] en\u002Fof haar bovenliggende moedermaatschappijen en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen? Zo ja graag kopieën van alle onderliggende stukken en stortingsbewijs.\n\n12. Bent u en\u002Fof uw partner (…) op enig wijze de Ultimate Beneficiary Owner(s) (geweest) van [G Ltd] tussen 19 maart 2008 en opheffingsdatum.\n\nGraag met overzicht van de periode(n) waarin u de UBO bent geweest, alsmede de wijze waarop u UBO bent geweest.\n\nInformatie verplichting\n\nGewezen wordt op de toepassing van artikel 47, lid 1, onderdeel a en b van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR). Op grond van dit artikel bent u verplicht de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In artikel 49 AWR is bepaald dat deze gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud moeten worden verstrekt op de aangegeven wijze en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.\n\nIndien u de gevraagde gegevens en inlichtingen, onjuist of onvolledig verstrekt pleegt u een strafbaar feit als omschreven in artikel 68 en 69 AWR.\n\nVerder wil ik u er graag op wijzen dat, indien u de gevraagde informatie niet (volledig) verstrekt, ik een informatiebeschikking ex art. 52a AWR op kan leggen.’\n\n2.14.. Belanghebbende heeft bij e-mail van 2 november 2016 de inspecteur om uitstel van vier weken verzocht voor het beantwoorden van de onder 2.13 vermelde brief.\n\n2.15.. De inspecteur heeft bij e-mail van 7 november 2016, voor zover van belang, als volgt gereageerd:\n\n“Helaas moet ik u berichten dat ik heb moeten constateren dat [de partner] en [belanghebbende] al geruime tijd niet aan hun informatieverplichting hebben voldaan. Ook de reactietermijn van mijn laatste brief, waarin ik [de partner] en [belanghebbende] heb opgeroepen voor een gesprek, is reeds ruimschoots verstreken zonder enige reactie van [de partner] en\u002Fof [belanghebbende].\n\nHoewel ik begrip heb voor uw behoefte om het dossier te kunnen bestuderen, ben ik van mening dat [de partner] en [belanghebbende] u dan hiervoor eerder de gelegenheid hadden moeten bieden. Dit risico komt mijns inziens voor rekening van [de partner] en [belanghebbende].\n\nGezien de reeds aan uw cliënten geboden termijnen, alsmede de gezien de aanslagtermijnen kan ik uw cliënten helaas geen uitstel meer verlenen.’\n\n2.16.. De inspecteur heeft met dagtekening 20 november 2016 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven. De inspecteur heeft de in de brief van 13 oktober 2016 vermelde vragen in de informatiebeschikkingen opgenomen (zie 2.13).\n\n2.17.. Op 14 maart 2017 heeft de inspecteur via de Central Liaison Office te Almelo ( CLO ) aan de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op de voet van artikel 4 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken(de Tax Information Exchange Agreement; hierna: TIEA) informatie gevraagd over belanghebbende, de partner en [L Ltd] . In het verzoek is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:\n\n‘On 14 October 2013, [de partner] and [belanghebbende] officially emigrated to [woonplaats] . As a result of an income tax audit it was established that [de partner] and possibly [belanghebbende] incorporated [L Ltd] and [O Ltd] prior to the emigration.\n\nIn addition, information available to the Netherlands Tax and Customs Administration (NTCA ) shows that after 14 October 2013, [de partner] and [belanghebbende] received a structural income from activities for an (end) customer in the Netherlands. These activities were performed at the workplace of the (end) customer in the Netherlands at least until 14 October 2013. These activities may be subject to Dutch taxation.\n\nIt is not clear if [belanghebbende] and [de partner] declare the income from these activities in their income tax returns in [woonplaats] . Perhaps they perform these activities via one of their companies. In that case there may be a permanent establishment in the Netherlands or perhaps the fiscal residence of the company is actually the Netherlands.\n\nDuring the audit by the NTCA it emerged that [de partner] at least has\u002Fhad a bank account with HSBC Bank Plc.\n\nInformation requested\n\n(…)\n\n[Belanghebbende]\n\nTo gain insight into the assets and interests of [belanghebbende] in 2013, and to gain insight into the income that [belanghebbende] declared in [woonplaats] , I would like to receive the following information from you:\n\n1. Copies of income tax returns and income tax assessments of [belanghebbende] regarding the period 2013 - 2015.\n\n2. Overview regarding the period 2013 - 2016 of interests held by [belanghebbende] in companies with start date and end date of the interest held.’\n\n2.18.. Na verdere correspondentie gedurende 2018 heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 7 januari 2019 de ‘income tax returns’ van belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 ontvangen. Verder heeft het CLO van de bevoegde autoriteiten van [woonplaats] op 22 februari 2019 informatie ontvangen afkomstig van HSBC Bank Plc [woonplaats] Branch, PKF BBA Limited en het Companies Registry at the [woonplaats] Financial Services Commission.\n\n2.19.. Op 21 februari 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.\n\n2.20.. Op 19 juni 2020 respectievelijk 20 oktober 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen opgelegd voor 2008, 2009, 2011 en 2012.\n\n2.21.. De rechtbank heeft het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 vernietigd en de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gewijzigd in die zin dat alleen de vragen 1 tot en met 9 in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de gelegenheid gesteld alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken. De rechtbank heeft de inspecteur in de voor bezwaar en beroep gemaakte proceskosten aan de zijde van belanghebbende veroordeeld tot het bedrag van € 2.430 en heeft gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 46 vergoedt.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nIs belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard met betrekking tot haar beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012? Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord (dat wil zeggen: belanghebbende is ontvankelijk met betrekking tot haar beroep tegen de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012), zijn deze informatiebeschikkingen dan terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nStaat artikel 6 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toepassing van de artikelen 47 en 52a AWR voor de jaren 2010, 2013 en 2014 in de weg?\n\nZijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\nHeeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\nHeeft de inspecteur artikel 8 EVRM geschonden en\u002Fof de artikelen 5, 9 en 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: BUPO), dan wel enig ander internationaal voorschrift geschonden?\n\nHeeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van haar hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot ontvankelijkverklaring van haar beroep voor de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012, tot vernietiging van alle ten aanzien van haar genomen informatiebeschikkingen, tot veroordeling van de inspecteur in de werkelijke kosten van het geding bij dit hof en tot vergoeding van schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De inspecteur heeft ter zitting bij het hof zijn standpunt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belanghebbende uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\na) Ontvankelijkheid beroep met betrekking tot jaren 2008, 2009, 2011 en 2012\n\n4.1.. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep van belanghebbende met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk is verklaard wegens een gebrek aan belang. De informatiebeschikkingen zijn vanwege het opleggen van de navorderingsaanslagen van rechtswege komen te vervallen. Belanghebbende stelt dat het beroep tegen de informatiebeschikkingen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank had de informatiebeschikkingen dienen te vernietigen.\n\n4.2.. Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. \n\n4.3.. Artikel 52a, lid 3, AWR, bepaalt dat de informatiebeschikking van rechtswege vervalt indien de inspecteur een navorderingsaanslag oplegt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden. Niet in geschil is dat over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn opgelegd. Dit brengt mee dat de informatiebeschikkingen voor die jaren van rechtswege zijn vervallen.\n\n4.4.. Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende met betrekking tot de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende voor deze jaren is derhalve ongegrond.\n\n4.5.. De eerste vraag beantwoordt het hof bevestigend. De onder a) gestelde vervolgvraag behoeft in dat geval geen beantwoording.\n\nVraag b. Is er sprake van schending van artikel 6 EVRM?\n\n4.6.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Als de informatiebeschikkingen over de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 van rechtswege zouden vervallen, kan de rechtmatigheid ervan niet meer worden getoetst. Het vervallen van de informatiebeschikking is in dat geval in strijd met het recht op een eerlijk proces zoals dat in artikel 6 EVRM is neergelegd. Door het vervallen van de informatiebeschikkingen, wordt belanghebbende een eerlijk proces ontnomen. Belanghebbende stelt dat artikel 6 EVRM in dit geval in de weg staat aan toepassing van nationaal recht, te weten artikel 52a, lid 3, AWR, omdat belanghebbende daarmee een eerlijk proces wordt ontnomen.\n\n4.7.. Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt dat artikel 6 EVRM niet ziet op belastingzaken, met uitzondering van boetes.Nu aan belanghebbende geen boete (‘criminal charge’) is opgelegd, faalt belanghebbendes beroep op artikel 6 EVRM reeds daarom.\n\n4.8.. Vraag b moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag c) Zijn de bevoegdheden uit hoofde van artikelen 47 en 52a AWR territoriaal begrensd?\n\n4.9.. In artikel 1, lid 1 AWR is bepaald dat de bepalingen van deze wet gelden in Nederland bij de heffing van rijksbelastingen. Op grond van artikel 47, lid 1, AWR is een iedergehouden desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 52a AWR kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking vaststellen dat niet of niet volledig aan de verplichtingen van artikel 47 is voldaan (informatiebeschikking). Bij een eventueel bezwaar tegen een belastingaanslag wordt deze op grond van artikel 25, lid 3, AWR gehandhaafd als de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag onjuist is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in beroep en hoger beroep (artikel 27e AWR en artikel 27h AWR).\n\n4.10.. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een persoon in Nederland belastingplichtig is. De Hoge Raad oordeelde in dit kader als volgt:\n\n‘Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. Voor het antwoord op de vraag of voor belanghebbende op grond van artikel 47 AWR een verplichting bestaat om aan de inspecteur desgevraagd gegevens en inlichtingen te verstrekken en\u002Fof boeken, bescheiden en andere gegevensdragers beschikbaar te stellen, is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en\u002Fof andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is (vgl. het arrest BNB 2003\u002F268).’\n\n4.11.. Uit bovenstaande volgt dat de inspecteur voor een geval als het onderhavige gegevens en inlichtingen mag vragen die van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. Voor het bestaan van een verplichting voor belanghebbende ingevolge artikel 47 van de AWR is voldoende dat de inspecteur zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is. De tekst van de artikelen 47 en 52a AWR noopt niet tot de conclusie dat deze artikelen zich niet uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Ook uit de tekst van lid 1 van artikel 1 AWR kan niet worden afgeleid dat de bevoegdheid van de inspecteur om een mogelijke belastingplicht in Nederland voor rijksbelastingen te onderzoeken zich niet zou uitstrekken tot (vermeend) buiten Nederland woonachtige of gevestigde (natuurlijke) personen. Verdere steun hiervoor kan worden ontleend aan de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van artikel 52a AWR:\n\n‘Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of de indieners van het wetsvoorstel en de regering kunnen aangeven of en zo ja, in hoeverre het wetsvoorstel in strijd kan zijn met Europese wetgeving en bilaterale verdragen.\n\nHet uitwisselen van inlichtingen kan op drie manieren gebeuren: op verzoek, automatisch of spontaan. Bij het spontaan of automatisch uitwisselen van gegevens gaat het om gegevens die de Belastingdienst al in zijn bezit heeft. Het wetsvoorstel heeft daarmee geen invloed op deze gegevensverstrekking. Als er verzocht wordt om gegevens die de Belastingdienst niet in zijn bezit heeft dienen deze via de nationale wettelijke procedure opgevraagd te worden bij de belastingplichtige. In internationale situaties gaat het veelal om gegevens van derden (bijvoorbeeld inhoudingsplichtigen of banken). Omdat in het compromisvoorstel niet langer wordt voorgesteld de rechtsbescherming vooraf te doen geschieden maar achteraf bij wege van kostenvergoeding, is in deze gevallen geen sprake van spanning met internationale regelingen op het gebied van gegevensuitwisseling. De informatie moet dan immers wel worden verstrekt. Indien het gaat om informatie van de belastingplichtige zelf, worden de nationale regelingen in het algemeen gerespecteerd. Uit het overzicht internationale vergelijking blijkt dat verschillende landen ieder hun eigen rechtssystematiek kennen.’\n\n4.12.. Uit bovenstaande volgt verder dat, nu artikel 47 AWR niet territoriaal begrensd is, het de inspecteur in beginsel is toegestaan om aan belanghebbende een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR te geven.\n\n4.13.. Vraag c moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag d) zijn de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 terecht aan belanghebbende gegeven?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven en in bezwaar en beroep ten onrechte zijn gehandhaafd.\n\n4.15.. Voor de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat de te verstrekken informatie niet daadwerkelijk tot heffing hoeft te leiden. Voor de aanwezigheid van een belang is vereist dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van betrokkene.Er is geen verplichting voor een belanghebbende om informatie te verstrekken voor zover de inspecteur zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd of sprake is een zogenoemde ‘fishing expedition’. Dat is niet anders indien de inspecteur zijn bevoegdheden alleen voor heffingsdoeleinden aanwendt. De inspecteur zal derhalve aannemelijk moeten maken dat het gevorderde materiaal bestaat en dat de belastingplichtige daarover de beschikking heeft of, met de van hem redelijkerwijs te verwachten inspanning, kan verkrijgen.Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot geen of een lagere belasting van die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de inspecteur nadere inlichtingen te verstrekken, geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheden rustte immers al op de belastingplichtige. Bij het vragen van inlichtingen heeft de inspecteur dan niet een belang als waarop artikel 47 AWR ziet.\n\n4.16.. Op de inspecteur rust in dat kader derhalve de last feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de door hem van belanghebbende verlangde informatie van belang zou kunnen zijn voor een (mogelijke) belastingheffing van belanghebbende in Nederland. De inspecteur mag met zijn verzoek niet de grenzen der redelijkheid overschrijden en hij moet aannemelijk maken dat belanghebbende niet aan haar wettelijke informatieverplichting heeft voldaan.\n\n4.17.. De rechtbank heeft geoordeeld dat per vraag dient te worden beoordeeld of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen. Voor zover de vragen in grote mate samenhangen, heeft de rechtbank deze gezamenlijk beoordeeld. Het hof volgt de rechtbank in deze en zal eveneens per vraag beoordelen of deze terecht in de informatiebeschikkingen is opgenomen, waarbij het hof de vragen ook gezamenlijk zal behandelen voor zover zij in grote mate samenhangen. Het hof zal daarbij het hiervoor beschreven rechtskader als uitgangspunt nemen.\n\n‘1. Kopie aangifte inkomstenbelasting 2013, 2014 en 2015 [woonplaats] ’ en\n\n‘2. Kopie aanslagen inkomstenbelasting door u werden betaald in [woonplaats] ’\n\n4.18.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.11.1. Belanghebbende heeft hierop geantwoord dat gelet op haar emigratie naar [woonplaats] , de gevraagde informatie voor de Nederlandse Belastingdienst niet relevant is vanaf 30 september 2013. Om die reden ziet zij geen aanleiding de gevraagde informatie te verstrekken. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift geschreven dat gelet op de omstandigheid dat belanghebbende vanaf 1 oktober 2013 in Nederland aangifte als buitenlands belastingplichtige doet, hij het redelijk acht om te toetsen of zij in [woonplaats] als binnenlands belastingplichtige aangifte doet.\n\n4.11.2.. Met de inspecteur is de rechtbank van oordeel dat hij zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door hem gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. Die informatie zou immers licht kunnen werpen op de mogelijke (binnenlandse of buitenlandse) belastingplicht voor een bepaalde inkomensbron in Nederland. Hieraan doet niet af dat de inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij over de gevraagde informatie in vraag 1 reeds beschikt, aangezien die informatie niet door belanghebbende is overgelegd en zij daarmee niet aan haar informatieverplichting heeft voldaan. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.19.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne.\n\n‘3. Kopie bankrekening-mutaties van alle door u gehouden buitenlandse bankrekeningen 2013, 2014 en 2015 (van belang in verband met mogelijke betalingen welke verband houden met [E Ltd] en voortkomen uit het dienstverband met [F Ltd] )”,\n\n“4. Kopieën van mutaties op uw American Expresskaart 2011 tot en met 2015”,\n\n“5. Een overzicht van alle voordelen welke u direct of indirect hebt verkregen uit [F Ltd] tussen 19 maart 2008 en heden. Behoudens uw direct verloonde salaris”\n\n“6. Overzicht van alle toezeggingen die u heeft verkregen van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen”\n\n“7. Kopieën van alle communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa”\n\n“8. Kopieën van alle onderliggende stukken betreffende de inbreng van alle werkcontracten in [G Ltd] ”\n\n“9. Opgave van alle voordelen die u hebt genoten na[ar] aanleiding van liquidatie van [E Ltd] en\u002Fof haar in Nederland gevestigde deelnemingen met kopieën van alle onderliggende stukken’\n\n4.20.. De rechtbank heeft hierover als volgt geoordeeld.\n\n‘4.12.1. De inspecteur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat bij de inspecteur het vermoeden heerst dat [G Ltd] feitelijk in Nederland gevestigd was, zodat belanghebbende mogelijk een dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever had en een belang in het aandelenkapitaal van een in Nederland gevestigde vennootschap had dat dan kwalificeert als een aanmerkelijk belang. In dat kader wilde de inspecteur verifiëren of belanghebbende na liquidatie van [G Ltd] mogelijk nabetalingen van een salaris, dividenden of een liquidatie-uitkering heeft genoten.\n\n4.12.2.. Belanghebbende heeft deze vragen niet adequaat beantwoord. Hieraan doet niet af de stelling dat het niet duidelijk zou zijn wat de inspecteur heeft bedoeld met de gevraagde informatie met betrekking tot de buitenlandse bankrekeningen. De inspecteur heeft zijn vermoedens dat belanghebbende mogelijk in Nederland belastingplichtig is in zijn vragenbrieven duidelijk aan de orde gesteld, zodat niet valt in te zien dat belanghebbende in de veronderstelling is dat met de “buitenlandse bankrekeningen” de Nederlandse bankrekeningen wordt bedoeld. Het gaat hier immers om een verzoek om informatie van de Nederlandse Belastingdienst.\n\n4.12.3.. Wat betreft de stelling dat de door de inspecteur verzochte kopieën van de mutaties van belanghebbendes American Expresskaart voor de jaren 2011 tot en met 2015 (vraag 4) reeds zijn aangeleverd, kan de rechtbank haar niet volgen. In haar brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende op dit verzoek geantwoord dat gelet op haar inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing (zie 2.11). Verder is het de rechtbank ook uit de gedingstukken niet gebleken dat deze kopieën zijn overgelegd. De informatiebeschikkingen zijn in zoverre terecht gegeven.’\n\n4.21.. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, op goede gronden gegeven en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.\n\n4.22.. Voor een informatiebeschikking is geen plaats indien niet aan de inlichtingenverplichting wordt voldaan, omdat de belanghebbende niet over de gevraagde gegevens beschikte of kon beschikken. Belanghebbende stelt dat de inspecteur geen redelijk vermoeden heeft dat de gevraagde informatie bestaat. De vragen zijn te ruim zijn gesteld en er is derhalve sprake is van een fishing expedition, aldus belanghebbende.\n\n4.23.. De inspecteur stelt dat belanghebbende tot begin 2008 haar consultancy-werkzaamheden zelfstandig verrichtte en dat zij daarvoor jaarlijks aangifte deed van winst uit onderneming. De inspecteur vermoedt dat belanghebbende deze activiteit begin 2008 heeft ingebracht in [G Ltd] ., aangezien belanghebbende dezelfde activiteiten vanaf dat moment via [G Ltd] . verricht. Een fors deel van de winst die belanghebbende tot 2008 in privé genoot, blijft vanaf dat moment achter in [G Ltd] . Dit valt niet te rijmen met belanghebbendes stelling dat zij (of haar partner) niet de Ultimate Beneficial Owner (UBO) van [G Ltd] . was, aldus de inspecteur. De inspecteur wenst daarom inzicht te krijgen in de daadwerkelijke verhoudingen tussen [G Ltd] en belanghebbende en daarmee ook vast te stellen of sprake is van een aanmerkelijk belang, en indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord, de hoogte van het genoten inkomen uit aanmerkelijk belang. De communicatie vanuit privé met [E Ltd] (Cyprus) en vice versa, alsmede de onderliggende stukken betreffende voormelde inbreng, kunnen hier volgens de inspecteur (mede) een licht op werpen.\n\n4.24.. Het hof stelt voorop dat een aantal vragen ziet op zaken waar belanghebbende in ieder geval rechtstreeks bij betrokken is geweest en dat zij, al dan niet als bestuurder van of gerechtigde tot het vermogen van [F Ltd] . en [E Ltd] ., over de desbetreffende gegevens zou moeten kunnen beschikken. Belanghebbende zou normaliter over deze gegevens hebben moeten beschikken dan wel zouden deze gegevens in de administratie van de vennootschappen aanwezig moeten zijn. Daarbij gaat het onder meer om de correspondentie van belanghebbende met [F Ltd] . (vragen 7 en 8) en de dividendstromen en overige voordelen en toezeggingen binnen de structuur (vragen 5 en 6) en de wijze van vereffening van het vermogen van de geliquideerde vennootschappen (vraag 9).\n\n4.25.. Gezien de aard van de gevraagde informatie en de onderbouwing van de inspecteur acht het hof aannemelijk dat deze documenten bestaan en dat belanghebbende met de van haar redelijkerwijs te verwachten inspanning, die informatie kan verkrijgen. Het gaat om een complexe structuurwijziging waarbij belanghebbende, kort samengevat, haar werkzaamheden inbrengt in een buiten Nederland gevestigde vennootschap, welke vennootschap enkele jaren later wordt geliquideerd. Dat ten aanzien hiervan geen, dan wel niet meer dan belanghebbende reeds heeft overgelegd, schriftelijke correspondentie heeft plaatsgevonden en documenten bestaan, acht het hof geenszins aannemelijk.\n\n4.26.. Belanghebbende stelt dat zij niet beschikte over een American Expresskaart in de periode 2011 tot en met 2015 en reeds daarom de verzochte gegevens niet heeft kunnen overleggen. In haar brief met dagtekening 27 september 2016 heeft belanghebbende aangegeven dat, gelet op haar inwonerschap in [woonplaats] vanaf 30 september 2013, voormelde kopieën niet relevant zijn voor de Nederlandse belastingheffing. Hieruit leidt het hof af dat deze kopieën wel beschikbaar zijn. Niet gebleken is dat belanghebbende deze kopieën reeds eerder heeft overgelegd, zodat de informatiebeschikking in zoverre terecht is gegeven.\n\n4.27. Gelet op het voorgaande is van een fishing expedition door de inspecteur geen sprake en zijn de vragen met betrekking tot de werkzaamheden vanuit [woonplaats] en de relatie met de vennootschappen op [woonplaats] legitiem en noodzakelijk voor de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. Gelet op de in 2.10 en 2.12 vermelde reactie op de door de inspecteur gestelde vragen is het hof van oordeel dat de gestelde vragen niet adequaat zijn beantwoord en dat voorts de verzochte informatie niet is verstrekt. Belanghebbende heeft in reactie op het overgrote deel van de vragen vermeld dat de verzochte informatie niet relevant of niet van toepassing is, waarmee zij geen inhoudelijk antwoord heeft verstrekt. Hieruit volgt dat de informatiebeschikkingen in zoverre terecht zijn gegeven.\n\n4.28.. Vraag d moet bevestigend worden beantwoord.\n\nVraag e) Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?\n\n4.29.. De inspecteur dient de op grond van artikel 47 AWR toegekende bevoegdheden in redelijkheid uit te oefenen. Dit betekent onder andere dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel dient te respecteren. Hij zal een controle tijdig moeten aankondigen en de belastingplichtige een redelijke termijn moet gunnen op de gevraagde informatie aan te leveren. Ook moet de inspecteur het belang van de gevraagde informatie op grond van het motiveringsbeginsel kunnen motiveren als belastingplichtige daarom vraagt.\n\n4.30.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur niet gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De informatiebeschikkingen zijn genomen na een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse gesprekken met belanghebbende gevoerd en is belanghebbende diverse malen in de gelegenheid gesteld om alsnog de informatie aan te leveren.\n\n4.31.. Het hof is voorts van oordeel dat de verzoeken om informatie voldoende door de inspecteur zijn gemotiveerd. De inspecteur heeft omschreven op welke gegevens hij zijn verzoek heeft gebaseerd, en hij heeft daarbij steeds het heffingsbelang toegelicht. De gronden waarop de bezwaren van belanghebbende zijn afgewezen, blijken bovendien voldoende duidelijk uit de uitspraken op bezwaar.\n\n4.32.. Naar het oordeel van het hof kan belanghebbende evenmin met een beroep op het fairplaybeginsel weigeren aan haar uit de artikelen 47 AWR voortvloeiende verplichtingen te voldoen. De inspecteur heeft bij het nemen van de informatiebeschikking immers niet gehandeld in strijd met de wettelijke regeling waarin deze bevoegdheid aan hem is verleend.\n\n4.33.. Ook de door belanghebbende aangehaalde zinsnede in de statusupdate van [P] maakt niet dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit dit bericht kan niet worden afgeleid dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd met het doel om de aanslagtermijn voor de op te leggen navorderingsaanslagen te verlengen.\n\n4.34.. Vraag e moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag f) Is er sprake van schending van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO of enig ander verdrag of voorschrift?\n\n4.35.. Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen zijn opgelegd in strijd met artikel 8 EVRM, de artikelen 5, 9 en 17 van het BUPO en het nemo-tenetur-beginsel, mede onder verwijzing naar de zaak De Legé tegen Nederland.\n\n4.36.. In verband met het beroep van belanghebbende op het nemo-tenetur-beginsel geldt dat artikel 6 EVRM op de eerste plaats alleen van toepassing is in zogenoemde ‘criminal charge’-zaken. Belastingen vallen niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM.Een informatiebeschikking vormt geen maatregel waarmee de verstrekking van die informatie wordt afgedwongen. Dat wordt niet anders doordat een dergelijke beschikking, indien zij onherroepelijk wordt, op grond van artikel 25, derde lid, van de AWR gepaard gaat met omkering en verzwaring van de bewijslast. Dit brengt mee dat het niet nodig is dat de inspecteur bij zijn informatiebeschikking, of de belastingrechter bij zijn oordeel omtrent die beschikking, een restrictie formuleert met betrekking tot het gebruik van wilsafhankelijke informatie voor sanctiedoeleinden. Zou het gevraagde materiaal in handen van de inspecteur komen en mede worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel over de vraag in hoeverre het gaat om wilsafhankelijk materiaal en over de vraag welk gevolg moet worden verbonden aan schending van deze uit het EVRM voortvloeiende restrictie toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.Daarbij wijst het hof expliciet, voor wat betreft de eventuele ‘omkering en verzwaring van de bewijslast’, naar de op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 te maken belangenafweging.\n\n4.37.. Belanghebbende moet derhalve desgevraagd alle informatie verschaffen die van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsafhankelijke of wilsonafhankelijke informatie. Belanghebbende kan dus niet met een beroep op artikel 6 EVRM of enig ander voorschrift weigeren de gevraagde inlichtingen te verstrekken. De informatiebeschikkingen hoeven dan ook niet wegens strijd met het nemo-tenetur-beginsel te worden vernietigd.\n\n4.38.. Belanghebbende stelt voorts dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De inspecteur mag zijn bevoegdheid niet gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft ingezet met een ander doel dan de beoordeling van de belastingplicht van belanghebbende. In zoverre is er geen sprake van een handelen in strijd met het verbod op détournement de pouvoir.\n\n4.39.. Belanghebbende stelt verder dat de informatiebeschikkingen zijn gegeven in strijd met het recht op privacy van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM bepaalt dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van het recht van eenieder op respect voor zijn privéleven, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\n4.40.. Het hof stelt vast dat van enkele door de inspecteur verzochte gegevens gesteld kan worden dat het hier in beginsel een inmenging betreft in het recht van belanghebbende op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Om te beoordelen of deze inmenging aan het opvragen van de informatie in de weg staat, moet worden onderzocht of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 EVRM die een inmenging kunnen rechtvaardigen.\n\n4.41.. De eerste voorwaarde die artikel 8 EVRM stelt is dat de inmenging bij wet is voorzien. De inspecteur heeft in het kader van artikel 47 AWR agenda-items, telefoonnotities, emailverkeer, sms, notities, overeenkomsten, faxen, facturen en dergelijke bij belanghebbende opgevraagd (zie 2.11). Nog daargelaten of het hier om een inmenging gaat als bedoeld in artikel 8 EVRM, is de wettelijke grondslag van deze inmenging gelegen in artikel 47 AWR. Dat is een voldoende wettelijke grondslag voor de inmenging. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake is van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en\u002Fof gebruiken van gegevens kan weliswaar een meer specifieke grondslag vereist zijn, maar zo’n geval doet zich hier niet voor. Daarnaast is er sprake van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2 EVRM. Een maatregel waarmee wordt gewaarborgd dat belasting wordt betaald is namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier doet zich geen uitzondering op de regel voor. Nu het opvragen van deze gegevens bovendien proportioneel is in de gegeven omstandigheden, is er van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM geen sprake.\n\n4.42.. Vraag f moet ontkennend worden beantwoord.\n\nVraag g) Heeft de inspecteur de informatiebeschikkingen voor de jaren 2010, 2013 en 2014 gegeven in strijd met de TIEA?\n\n4.43.. Op 1 maart 2008 is het TIEA in werking getreden. Op grond van artikel 11 TIEA mag Nederland in alle belastingzaken informatie opvragen aan [woonplaats] voor belastingtijdvakken die beginnen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor de inkomstenbelasting is dat dus in beginsel vanaf 1 januari 2009.\n\n4.44.. Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van de TIEA, dan wel dat de uitleg en toepassing daarvan te goeder trouw moet zijn. Meer in het bijzonder stelt belanghebbende dat de toepassing van artikel 47 AWR wordt beperkt door de TIEA en het nationale recht van [woonplaats] .\n\n4.45.. Artikel 4, lid 1 TIEA luidt als volgt:\n\n‘The competent authority of the requested party shall provide upon request by the requesting party information for the purposes referred to in Article 1. Such information shall be exchanged without regard to whether the requested party needs such information for its own tax purposes or the conduct being investigated would constitute a crime under the laws of the requested party if it had occurred in the territory of the requested party. The competent authority of the requesting party shall only make a request for information pursuant to this Article when it is unable to obtain the requested information by other means, except where recourse to such means would give rise to disproportionate difficulty.’\n\n4.46.. Uit de slotzin van de onder 4.45 genoemde passage volgt dat de bevoegde autoriteit van de verzoekende partij – in casu: Nederland – uitsluitend een verzoek om informatie op grond van dit artikel doet wanneer zij niet in staat is de gevraagde informatie op een andere manier te verkrijgen, behalve wanneer het gebruik van dergelijke middelen aanleiding zou geven tot onevenredige problemen.\n\n4.47.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of artikel 4, lid 1 TIEA – in een geval als het onderhavige waarin de belanghebbende stelt buiten Nederland woonachtig te zijn – de inspecteur verplicht om de gevraagde inlichtingen bij uitsluiting via artikel 4, lid 1 TIEA te verzoeken, of dat het de inspecteur ook toegestaan is om zich rechtstreeks tot belanghebbende te wenden. Op grond van het territorialiteitsbeginsel kan worden gesteld dat de inspecteur gehouden is – alvorens de belastingplichtige rechtstreeks te benaderen – de mogelijkheden uit de TIEA met het desbetreffende land volledig te benutten. Voorts kan worden gesteld dat de TIEA – bij het ontbreken van enige verwijzing daarnaar – toepassing van de bevoegdheden voortvloeiende uit de AWR verhindert.\n\n4.48.. Daar waar de inspecteur, min of meer, twee gelijkwaardige mogelijkheden tot zijn beschikking heeft, te weten de route via de TIEA en de rechtstreekse benadering van de belastingplichtige, acht het hof het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel vereist dat de inspecteur eerst, en wellicht uitsluitend, de mogelijkheden benut welke tot zijn beschikking staan op grond van de TIEA. Dit zou betekenen dat de door de inspecteur in de onderhavige zaak gegeven informatiebeschikkingen ten onrechte zijn gegeven. Anderzijds kan worden gesteld dat het de inspecteur vrij staat om de voor hem meeste geschikte route te benutten voor het vergaren van de gevraagde informatie. In beginsel is denkbaar dat de inspecteur ervoor kan kiezen de route via de TIEA te benutten, dan wel rechtstreeks de belastingplichtige te benaderen, dan wel om beide routes gelijktijdig te benutten.\n\n4.49.. Uit voorgaande volgt dat twijfel kan bestaan over de vraag of de inspecteur een keuzevrijheid heeft (gehad) ten aanzien van de hiervoor genoemde routes ter verkrijging van de door hem gewenste informatie. Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. Dit is anders indien het handelen van de inspecteur in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Van dat laatste is in het onderhavige geval niet gebleken (zie het antwoord op vraag e). Anders dan belanghebbende verdedigt staat ook de goede verdragstrouwniet in de weg aan het oordeel dat het de inspecteur in beginsel vrij staat om bij belanghebbende informatie op te vragen die hij ook langs andere weg kan verkrijgen. In het bijzonder gelet op de slotzin van lid 1 van artikel 4 TIEA past bij de uitleg van de TIEA juist dat de inspecteur eerst andere wegen moet bewandelen dan een beroep te doen op de TIEA. De conclusie is derhalve dat de TIEA er niet aan in de weg staat dat de inspecteur informatiebeschikkingen heeft gegeven aan belanghebbende.\n\n4.50.. Vraag g moet ontkennend worden beantwoord.\n\nNieuwe termijn\n\n4.51.. Zoals uit het voorgaande volgt, zijn de informatiebeschikkingen terecht gegeven. Het hof zal belanghebbende een nieuwe termijn stellen om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken aan de inspecteur, en wel binnen een termijn van vier weken na verzending van deze uitspraak. Het hof wijst belanghebbende er op dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie zoals nader volgt uit deze uitspraak, nadelige gevolgen kan hebben voor haar bewijspositie in de bezwaar- en beroepsfase tegen de navorderingsaanslagen.\n\nTussenconclusie\n\n4.52.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\n4.53.. Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd noopt niet tot een ander oordeel.\n\n4.54.. Voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waar belanghebbende om heeft verzocht, ziet het hof geen aanleiding.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.55.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.56.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.57.. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van schade in verband met de van rechtswege vervallen informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012. Op dit verzoek is in beginsel artikel 8:73 Awb (oud) van toepassing.\n\n4.58.. Omdat voor de informatiebeschikkingen met betrekking tot de jaren 2008, 2009, 2011 en 2012 het bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk is verklaard, en niet gegrond, is een vergoeding van schade niet de aan de orde.\n\nOverschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase\n\n4.59.. In beginsel is de bestuursrechter niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn is overschreden wanneer in hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval is dit anders omdat het hof het onderzoek op 25 juli 2024 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan, welke datum ligt binnen de termijn van twee jaar. Er was dus op 25 juli 2024 geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was, uitgaande van de in artikel 8:66 jo 8:108, lid 1, Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien, zodat er voor belanghebbende ook geen reden was daarover te klagen. Er is daarom aanleiding ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend.\n\n4.60.. Het hoger beroep is in deze procedure ingesteld op 1 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat het hof in deze zaak uitspraak doet, levert wat de hogerberoepsfase betreft een overschrijding van de redelijke termijn op met niet meer dan zes maanden. Aangezien inzicht in het financiële belang van belanghebbende bij de onderhavige procedure ontbreekt, volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.Aan belanghebbende komt geen vergoeding van immateriële schade toe.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af;\n\nstelt belanghebbende tot vier weken na verzending van deze uitspraak in de\n\ngelegenheid alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te verstrekken.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, P. Fortuin en I. Reijngoud, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op\n\nen een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nR. Camps J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag .Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staten van [woonplaats] inzake de uitwisseling van informatie betreffende belastingzaken; (met Memorandum van Overeenstemming), Trb. 2007, 208 en 2008, 24.\n\n Vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3602 en Toelichting bij de Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II, 2008\u002F09, 30 645, nr. 14, p. 10-11.\n\n EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998; HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.\n\n Kamerstukken II 2010\u002F11, 30645, nr D.\n\n HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.\n\n HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141.\n\n HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.\n\nEHRM van 4 oktober 2022 nr. 58342\u002F15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215, De Legé tegen Nederland.\n\nEHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (Ferrazzini\u002FItalië), HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969 en HR 5 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469.\n\n HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640; HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1117; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1130; HR 24 april 2015; ECLI:NL:HR:2015:1135; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1137; HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1141; vgl. HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359.\n\n ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.5.\n\n Eerste tijdvak na inwerkingtreding op 1 maart 2008.\n\n Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht, Trb. 1985, 79.\n\n Voor de inkomstenbelasting tot 1 januari 2029 van toepassing op grond van artikel V van de ‘Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, Stb. 2013, 50)’, zoals gewijzigd bij artikel 3.4, onder A van de ‘Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht’, Stb. 2021, 135, ‘Besluit van 6 oktober 2023 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht en daarmee samenhangende bepalingen uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en de Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Stb. 2021, 135)’, Stb. 2023, 236 en artikel 8:108 Awb. Vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7736.\n\n HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.4.3 en 3.5.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:4081","2026-07-13T00:29:18.069Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":145,"summary":38,"language":7,"source":61,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":64,"updatedAt":147},"1367","ECLI:NL:GHSHE:2024:2141","ecli-nl-ghshe-2024-2141","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 22\u002F1435\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 juni 2022, nummer BRE 20\u002F776, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2024 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende houdt (nagenoeg) alle aandelen in [houdstermaatschappij] B.V. (hierna: de houdstermaatschappij), die op haar beurt alle aandelen houdt in [bedrijf 1] B.V. (hierna: de B.V.). Beide vennootschappen zijn opgericht in 2005. Belanghebbende heeft de B.V. opgericht met het doel innovatieve Data Integratie (DI) oplossingen te realiseren. Daartoe heeft de B.V. een product ontwikkeld dat belanghebbende omschrijft als een speciale computer die bedoeld is voor de integratie van verschillende informatiesystemen. Er is zowel hardware als software ontwikkeld om transactie- en beslissingsprocessen te ondersteunen. De B.V. heeft gewerkt aan de ontwikkeling van de Data Source Integrator (DSI), een geïntegreerde software en hardware oplossing voor data-integratie en aggregatievraagstukken, en het Unified Integration Platform (UIP), waarbij de prestaties veel hoger liggen dan die van de DSI op het gebied van snelheid en beschikbare software.\n\n2.2.. Op [datum 1] 2005 heeft de Rabobank een lening (innovatiekrediet) verstrekt aan de houdstermaatschappij en\u002Fof de B.V., beide in oprichting, ten bedrage van € 22.500. De looptijd van deze lening bedraagt 2,5 jaar en er geldt een rentepercentage van 7,1. Belanghebbende heeft voor hoofdelijk medeschuldverbintenis voor de gehele financiering getekend.\n\n2.3.. Op [datum 2] 2008 heeft de Rabobank een geldlening van € 125.000 en een krediet in rekening-courant van € 125.000 verstrekt aan de B.V.. Belanghebbende heeft zich daarbij borg gesteld voor € 125.000. Voor de geldlening heeft de Staat der Nederlanden zich garant gesteld voor een bedrag van € 100.000. Voor de geldlening geldt een rentepercentage 6,45 voor drie jaar vast en voor het krediet in rekening-courant een rentepercentage van 7,95 per jaar.\n\n2.4.. In [maand 1] 2008 heeft de B.V. een aanvraag voor aanvullende financiering gedaan. In [maand 3] 2009 heeft de Rabobank de aanvraag afgewezen.\n\n2.5.. Op [datum 8] 2009 zijn belanghebbende en de B.V. een (schriftelijke) overeenkomst tot kredietverstrekking in rekening-courant overeengekomen:\n\n‘1. [de B.V.] (…),\n\nen\n\n2. [belanghebbende], (…)\n\nOverwegende:\n\n- Dat [de B.V.] zich vanaf het jaar 2005 bezighoudt met de ontwikkeling, productie en distributie van de Data Source Integrator (DSI) welk apparaat de informatiestromen binnen bedrijfsprocessen vanuit verschillende applicaties tot een hoger niveau integreert en aggregeert en hiermee zal voorzien in een dringende behoefte op het terrein van ICT en het data-management;\n\n- Dat [de B.V.] en [belanghebbende] aanvankelijk geen schriftelijke doch slechts een mondelinge rekening-courantovereenkomst hebben gesloten, maar thans wel een schriftelijke overeenkomst wensen aan te gaan mede met het oog op de toetreding van een of meerdere investeerders bij [de B.V.].\n\n- Dat [de B.V.] via een korte termijn lening wordt gefinancierd door de Rabobank [woonplaats] - [plaats] , welke lening is verstrekt ter overbrugging naar een vervolg financiering en bij welke lening er gebruik wordt gemaakt van een staatsgarantie voor innovatieve bedrijven.\n\n- Dat [de B.V.] voorziet dat zij naast genoemde leningen nog extra financieringsbehoefte behoeft welke behoefte zal moeten worden gevonden door middel van het interesseren van een of meer private investeerders.\n\n- Dat echter thans reeds acute behoefte bestaat aan extra middelen ter realisatie van genoemde ontwikkeling, productie en distributie van de DSI.\n\n- Dat [belanghebbende] aan om die reden aan [de B.V.] een kredietfaciliteit in rekening-courant heeft verstrekt tot een bedrag van maximaal € 650.000 euro (…);\n\n- dat partijen deze rekening-courantverhouding thans schriftelijk wensen vast te leggen;\n\nVerklaren te zijn overeengekomen als volgt:\n\nArtikel 1\n\n[Belanghebbende] verklaart aan [de B.V.] - die dit aanneemt - een krediet in rekening-courant te hebben verstrekt tot een bedrag van € 650.000 euro (…),\n\nArtikel 2\n\nDeze overeenkomst is aangegaan voor een periode van maximaal 20 jaar (…).\n\nArtikel 3\n\nZowel de creditrente (over de saldi ten voordele van de debiteur), alsmede de debetrente (over de saldi ten laste van de debiteur) bedraagt een percentage gelijk aan 8%.\n\nDe rente wordt jaarlijks door [belanghebbende] berekend en geadministreerd op de door [belanghebbende] ter zake van deze overeenkomst aan te houden rekening, hierna te noemen: de rekening.\n\n(…)’.\n\n2.6.. Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende opgesteld overzicht van de rekening-courant van belanghebbende met de houdstermaatschappij en de B.V.. Het overzicht ziet er als volgt uit:\n\n‘Verstrekte assets\u002Flening per jaar\n\nJaar Storting Opname Saldo (excl. rente)\n\n2009 378.898,00 378.898,00\n\n2010 102.626,60 481.524,60\n\n2011 68.783,88 35.500 514.808,48\n\n2012 88.522,73 603,331,21\n\n2013 21.418,07 152.353,46 472.395,82\n\n2014 5.226,13 100,00 477.521,95\n\n2015 0,00 0,00477.521,95\n\n665.475,41 187.953,46\n\n[De houdstermaatschappij]\n\nJaar Mutatie Saldo (excl. rente)\n\nt\u002Fm 2008 -61.579,00\n\n2009 -23.550,00 -85.129,00\n\n2010 41.000,00 -44.129,00\n\n2011 41.000,00 -3.129,00\n\n2012 42.000,00 38.871,00\n\n2013 0,00 38.871,00\n\n2014 0,00 38.871,00\n\n2015 0,0038.871,00\n\n38.871\n\nTotaal516.392,95’.\n\n2.7.. Op [datum 9] 2009 heeft de B.V. een Quick Scan Innovatiekrediet aangevraagd bij [bedrijf 2] (voorheen: [bedrijf 3] ) voor de ontwikkeling van UIP. Bij brief van [datum 10] 2010 is de aanvraag afgewezen omdat er onvoldoende vertrouwen is dat de B.V. het ontwikkelproject en de daarop volgende fase van commercialisatie kan financieren en dat de B.V. een ontwikkelingsproject zowel in technische als in economische zin tot een succes zal kunnen maken. In deze brief wordt erop gewezen dat het project wat betreft de technische inhoud goed binnen de regeling past en dat de ontwikkeling van het product tegemoetkomt aan een door de markt geconstateerd probleem, waarbij de eerdere ontwikkeling van de DSI positief is, en dat [bedrijf 2] daarom open staat voor een nieuwe aanvraag voor een innovatiekrediet op het moment dat de punten op basis waarvan de aanvraag is afgewezen, voldoende zijn aangepast.\n\n2.8.. In [maand 4] 2010 heeft de B.V. een nieuwe investeerder benaderd, [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ). Op [datum 11] 2010 heeft de B.V. met [bedrijf 4] een overeenkomst gesloten. In de overeenkomst is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘Overwegingen\n\n1. [De B.V.] is voornemens [bedrijf 4] een recht te geven op het kunnen verkopen van de door haar ontwikkelde en toekomstig te ontwikkelen apparatuur (…)\n\n2. [De B.V.] is voornemens [bedrijf 4] een recht te geven op het verkrijgen van aandelen in haar onderneming.\n\n(…)\n\nkomen als volgt overeen:\n\n1. [bedrijf 4] Leent aan [de B.V.] 10.000 Euro o.b.v. volgende voorwaarden\n\na. Bij investering van [bedrijf 4] in [de B.V.] wordt deze lening omgezet in een onderdeel van de nieuwe lening\n\nb. [De B.V.] geeft een nog niet afleveringsgereed eindproduct, bij haar genoemd DataSource Integrator (DSI) als onderpand. De DSI bestaat uit een hardware component en een software licentie inclusief alle benodigde documentatie. (…) Als dit apparaat afleveringsgereed gemaakt wordt, gaat het pandrecht hierop over.\n\nc. [Belanghebbende] stelt zich persoonlijk garant voor deze lening.\n\n(…)\n\n2. (…)\n\n3. [De B.V.] zal zich voor zijn financieringsbehoefte voor een bedrag tot 1,7 m€ wenden tot [bedrijf 4] .\n\n4. [bedrijf 4] zal hierin voorzien door het verstrekken van een rentedragende lening tot dit bedrag tegen 6% rente. [bedrijf 4] verkrijgt het recht deze lening te converteren in 20-30% van de aandelen.\n\na. [bedrijf 4] zal due diligence uitvoeren op de technologie. (…)’.\n\n2.9.. Tot de gedingstukken behoort een document genaamd ‘[de B.V.]\u002F [datum 3] 2010’ waarin de conceptinvesteringsafspraken zijn opgenomen tussen de houdstermaatschappij, de B.V. en belanghebbende enerzijds en [bedrijf 4] anderzijds (hierna: de investeringsafspraken). In dit document is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘Geachte heer [naam 1] , beste [voornaam] ,\n\nNa vele gesprekken en overleg tref je hieronder de concept afspraken aan.\n\nHuidige structuur\n\n(…)\n\n[De B.V.] is op dit moment partieel eigenaar van alle IP, merkenrechten en andere rechten met betrekking tot de DataSource Integrator. De overige rechten worden gehouden door [belanghebbende] en of [de houdstermaatschappij]\n\n(…)\n\nInvesteringsafspraken met [ [bedrijf 4] ]\n\n(…)\n\n2. [bedrijf 4] verstrekt binnen een week na ondertekening van deze overeenkomst een financiering aan [de B.V.] in de vorm van een lening ad Euro 300.000. (…)\n\nDeze lening draagt 6% rente. Deze lening is bedoeld om de periode tot einde van de pilot fase door te komen. Deze lening zal worden afgelost in de volgende financieringsronde.\n\n3. Na het succesvol doorlopen van de pilot fase verstrekt [bedrijf 4] een converteerbare lening van Euro 1.700.000. (…) Deze converteerbare lening ad Euro 1.700.000 in totaal draagt 6% rente en is (pro rata parte) converteerbaar in totaal 25% van de aandelen [de B.V.] na uitgifte.’.\n\nDit document is niet ondertekend en [bedrijf 4] heeft geen aandelen in de B.V. verkregen.\n\n2.10.. Tot de gedingstukken behoort een ‘Akte van overdracht intellectuele eigendomsrechten’, overeengekomen en ondertekend door belanghebbende en de B.V. op [datum 12] 2010 (hierna: de overdrachtsakte). In de akte is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘overwegende, dat\n\n [Belanghebbende] eigenaar is van alle ontwerpen, algoritmes en source code met betrekking tot de DataSource Integrator, waarbij de Storage Engine expliciet wordt uitgesloten, hierna aangeduid met “het Werk” en houder is van auteursrechten daarop.\n\n Het Werk tussen partijen bekend is onder de naam DataSource Integrator.\n\n [De B.V.] de auteursrechten betreffende het Werk wenst te verkrijgen.\n\n Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de investeringsafspraken zoals gemaakt met [bedrijf 4] B.V..\n\n Partijen deze verkrijging en aanvullende afspraken schriftelijk wensen vast te leggen, conform artikel 2 lid 3 van de Auteurswet.\n\nkomen als volgt overeen:\n\nArtikel 1 Overdracht van rechten\n\n1. [Belanghebbende] draagt hierbij zijn intellectuele eigendomsrechten in hun meest volledige omvang betreffende DataSource Integrator over aan [de B.V.], welke overdracht [de B.V.] aanvaardt.\n\n(…)\n\n5.Voor zover een of meer rechten zoals hierboven bedoeld niet overdraagbaar zijn of niet rechtsgeldig overgedragen zijn krachtens bovenstaande, verleent [belanghebbende] hierbij [de B.V.] een eeuwigdurende, onbeperkte, overdraagbare en exclusieve licentie tot exploitatie van het Werk. Voorts zullen partijen dan alles in het werk stellen om alsnog een rechtsgeldige overdracht van deze rechten te realiseren.\n\n(…)\n\nArtikel 3 Vergoeding voor overdracht\n\n1. Als volledige vergoeding voor de in artikel 1 en 2 overgedragen rechten, licenties en aanspraken zal [de B.V.] aan [belanghebbende] een eenmalige vergoeding van € 400.000 (exclusief BTW) betalen.\n\n2. Deze vergoeding zal worden voldaan conform het budgetplan.\n\n3. Na betaling van het bedrag heeft [belanghebbende] geen recht meer op enige vergoeding in verband met exploitatie of gebruik van het Werk op welke wijze dan ook, behoudens dwingendrechtelijke bepalingen die anderszins bepalen omtrent de vergoeding.’\n\n2.11.. In mei 2010 heeft de Rabobank een aanvraag voor een krediet afgewezen. Later die maand is contact gezocht met Deutsche Bank.\n\n2.12.. Tot de gedingstukken behoort een e-mailbericht van [datum 4] 2010 van [naam 2] van [bedrijf 5] - de eerste investeringsmaatschappij in de B.V. - dat het volgende voorstel bevat:\n\n‘(…)\n\n9. Op eerste verzoek van [bedrijf 6] worden er zekerheden gesteld (verpanding IP, welke vermogensbestanddelen niet zullen worden aangewend tot het geven van zekerheid aan derden)\n\n10. [bedrijf 6] krijgt het recht om na volledige aflossing 6% van de alsdan uitstaande aandelen van [de B.V.] te verwerven tegen nominaal waarbij [bedrijf 6] een meeverkooprecht krijgt als andere aandeelhouders aandelen verkopen en tevens wordt afgesproken dat uitsluiting of beperking van voorkeursrechten wordt uitgesloten. Dit ter compensatie van de lage rente, niet nakomen van de afgesproken verplichtingen alsmede de enorme vertraging in ontwikkeling en omzet t.o.v. eerder door jou gehanteerde uitgangspunten. Wij gaan er overigens vanuit dat alle IP inmiddels is ingebracht in [de B.V.].’\n\n2.13.. In [maand 1] 2010 is de B.V. een pilot gestart voor de DSI. In 2011 is de B.V. hiermee doorgegaan. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken volgt een (voor het eerst) door de B.V. in 2011 behaalde omzet van € 86.914.\n\n2.14.. In [maand 1] 2010\u002F [maand 2] 2011 heeft [bedrijf 4] een lening van [bedrijf 6] B.V. en een deel van de leningen van de Rabobank afgelost. Vervolgens is [bedrijf 4] haar toezeggingen niet verder nagekomen.\n\n2.15.. In [maand 5] 2013 heeft de Rabobank het restant van de leningen opgezegd. In de brief van [datum 13] 2013 is onder meer het volgende vermeld:\n\n‘Onze bank verstrekte aan [de houdstermaatschappij] en [de B.V.] een financiering die als volgt kan worden gespecificeerd:\n\na. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 2] -2008 een lening tot een bedrag van € 100.000,--, leningnummer [leningnummer 1]\n\nb. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 2] -2008 een lening tot een bedrag van € 25.000,--, leningnummer [leningnummer 2]\n\nc. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 2] -2008 een krediet in rekeningcourant tot een bedrag van € 125.000.--, geadministreerd op rekeningnummer [rekeningnummer 1]\n\nd. blijkens onderhandse akte\u002Fovereenkomst d.d. [datum 1] -2005 een lening (Innovatiekrediet) tot een bedrag van € 22.500,--, geadministreerd op rekeningnummer [rekeningnummer 2]\n\nDe huidige kredietlimiet bedraagt € nihil.\n\nDe zekerheid voor de bank bestaat uit:\n\n- een borgtocht ten bedrage van € 125.000,-- blijkens akte d.d. [datum 14] -2008 gesteld door [belanghebbende]\n\n- garantie van de Staat der Nederlanden uit hoofde van een Starters-Borgstellingskrediet met betrekking tot de hiervoor vermelde lening onder nummer [leningnummer 1] .\n\nMet betrekking tot de verstrekte financiering en de zekerheden verwijzen wij naar de destijds getekende overeenkomsten en de daarop toepasselijke voorwaarden.\n\nUw onderneming bevindt zich al geruime tijd in financiële problemen. Doordat gedurende een aantal jaren forse verliezen zijn geleden is er inmiddels sprake van een aanzienlijk negatief eigen vermogen. De financiële verplichtingen aan onze bank kunnen niet meer worden nagekomen. Maatregelen om het tij te keren hebben niet tot het gewenste resultaat geleid.\n\nU heeft besloten over te gaan tot beëindiging van uw bedrijfsactiviteiten.\n\nOmdat daarmee de grondslag voor de door onze bank verstrekte bedrijfsfinanciering komt te vervallen vormt dit voor onze bank reden om tot opzegging van de financiering over te gaan.\n\nOp grond van het bovenstaande zeggen wij dan ook de verstrekte financiering op met een opzegtermijn van twee weken en sommeren wij u om uiterlijk op [datum 15] -2013 aan onze bank te voldoen al hetgeen wij op dat moment van u te vorderen zullen hebben.\n\nMomenteel kan uw schuld als volgt worden gespecificeerd:\n\n(…)\n\ntotaal te voldoen € 91.663,12\n\nte vermeerderen met de vooralsnog p.m. gestelde posten\n\nMocht u aan deze sommatie geen of geen tijdig gevolg geven, dan zal tot uitwinning van de zekerheden worden overgegaan. Dit zal name betekenen dat overgegaan wordt tot het declareren van de Staatsgegarandeerde lening en uitwinning van de door [belanghebbende] gestelde akte van borgtocht.\n\nOp korte termijn zal door u in een uitgebreide toelichting worden aangegeven waarom het project, op basis waarvan de bank u een lening\u002F innovatiekrediet heeft verstrekt, niet is geslaagd.\n\nVoorts ontvangt de bank een door uw advocaat opgestelde brief ten behoeve van de Staat der Nederlanden, welke zich borg heeft gesteld voor de lening onder nummer [leningnummer 1] .’.\n\n2.16.. Belanghebbende heeft aangifte IB\u002FPVV 2015 gedaan naar een verlies uit werk en woning van € 351.720, bestaande uit de volgende bestanddelen:\n\nBelastbare winst € 115.975\n\nResultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen -\u002F- € 454.426\n\nNegatieve inkomsten uit eigen woning -\u002F- € 13.269\n\nBelastbaar inkomen uit werk en woning -\u002F- € 351.7202.17.. De aanslag IB\u002FPVV 2015 is met dagtekening 15 maart 2019 vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 102.706. Daarbij is het in de aangifte opgenomen negatieve resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen (hierna: TBS-verlies) niet in aanmerking genomen.\n\n2.18.. Bij beschikking van 15 januari 2020 is de aanslag IB\u002FPVV 2015, als gevolg van de verrekening van een verlies uit werk en woning uit 2017, verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (€ 102.706 - € 11.551 =) € 91.155.\n\n2.19.. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en in verband met overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 200 en de minister voor Rechtsbescherming van € 1.300, de inspecteur veroordeeld in de kosten van beroep tot een bedrag van € 391,40 en de minister voor Rechtsbescherming eveneens tot een bedrag van € 391,40 en de inspecteur en de minister voor Rechtsbescherming gelast tot vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht van ieder de helft, zijnde € 24.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. In geschil is of het TBS-verlies aftrekbaar is. Meer in het bijzonder betreft het geschil het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft belanghebbende een vordering op de B.V. uit hoofde van de overdracht van software die belanghebbende in privé heeft ontwikkeld?\n\nIndien software in privé is ontwikkeld en deze is overgedragen aan de B.V.: bedraagt de waarde van deze rechten € 400.000?\n\nMag belanghebbende zijn vordering in rekening-courant op de B.V. en de houdstermaatschappij afwaarderen? Meer in het bijzonder is in geschil of de vordering moet worden aangemerkt als een onzakelijke lening.\n\n3.2.. Niet in geschil is dat de restaurantuitgaven ten bedrage van € 11.393 niet zakelijk zijn.\n\n3.3.. Belanghebbende concludeert, naar het hof begrijpt, tot vaststelling van een verlies uit werk en woning van € 341.694 (namelijk € 351.720 - (€ 11.393 – 12%).\n\n3.4.. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat het erop lijkt dat de rechtbank een oordeel heeft gegeven, zonder zelf te beschikken over voldoende technische kennis op het gebied van de ontwikkeling van software waarmee de DSI werd ontwikkeld. Belanghebbende verzoekt in zijn hogerberoepschrift het hof daarom een deskundige te benoemen.\n\n4.2.. De rechter kan in beginsel volstaan met de mededeling dat hij gelegenheid biedt tot het meebrengen of oproepen van een deskundige, bijvoorbeeld door de belanghebbende in de uitnodigingsbrief voor het onderzoek ter zitting te wijzen op die mogelijkheid. Op 22 februari 2024 is aan partijen een digitaal bericht verzonden met daarin de uitnodiging voor de zitting op 16 mei 2024. Dit bericht bevat een zodanige mededeling. Het hof is niet gebleken van omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat aan belanghebbende in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen dat hij heeft nagelaten een deskundige mee te nemen of op te roepen.\n\n4.3.. De bepaling dat het hof partijen in de uitnodiging voor het onderzoek op de zitting moet wijzen op de mogelijkheid deskundigen op te roepen is (mede) in het leven geroepen met het oog op een efficiënte procesgang. Nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid een deskundige mee te brengen naar of op te roepen voor het onderzoek op de zitting van 16 mei 2024, en belanghebbende zelf dus geen pogingen heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat deze perso(o)n(en) in de hoedanigheid van deskundige(n) op de zitting aanwezig zouden zijn wijst het hof het verzoek om deskundigen op te roepen en als deskundige te doen horen af.\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.4.. Belanghebbende stelt dat hij een TBS-verlies heeft geleden, ten gevolge van een afwaardering van een vordering in rekening-courant van hem op de B.V. en de houdstermaatschappij.\n\n4.5.. De inspecteur betoogt dat het TBS-verlies in het geheel niet aftrekbaar is. Volgens hem heeft belanghebbende geen vordering op de B.V. uit hoofde van de overdracht van software, omdat niet belanghebbende maar de B.V. de software heeft ontwikkeld, er dus geen software is overgedragen van belanghebbende naar de B.V. en de koopsom dus non-existent is (vraag a). Voor het geval het hof van oordeel is dat die vordering wel bestaat, betwist de inspecteur de waarde van die vordering (vraag b). Ten slotte betoogt de inspecteur dat de geldlening in rekening-courant onzakelijk is (vraag c).\n\nVraag a\n\n4.6.. Op belanghebbende rust de bewijslast aannemelijk te maken dat hij uit hoofde van overdracht van software die belanghebbende stelt in privé te hebben ontwikkeld een vordering heeft op de B.V.\n\n4.7.. Ter onderbouwing van de stelling dat belanghebbende in privé software heeft ontwikkeld, heeft belanghebbende aangevoerd dat de B.V. en belanghebbende ter verkrijging van een financiering van [bedrijf 4] verplicht waren om in te stemmen met de overdracht van de door belanghebbende ontwikkelde software aan de B.V.. Uiteindelijk zijn de houdstermaatschappij, de B.V. en belanghebbende enerzijds en [bedrijf 4] anderzijds op [datum 7] 2010 in dit kader investeringsafspraken overeengekomen. Uit de tekst onder het kopje “Huidige structuur” van het document “[de B.V.]\u002F [datum 3] 2010” (zie 2.9) blijkt volgens belanghebbende dat de B.V. slechts partieel eigenaar was van alle IP-rechten en merkenrechten en dat de overige rechten werden gehouden door belanghebbende in privé en\u002Fof de houdstermaatschappij. Op [datum 12] 2010 zijn belanghebbende en de B.V. overeengekomen dat de intellectuele eigendomsrechten betreffende de DSI worden overgedragen door belanghebbende aan de B.V. (zie 2.10). Verder heeft belanghebbende twee verklaringen van [naam 3] en een e-mail van [naam 2] van [bedrijf 5] aan belanghebbende met dagtekening [datum 4] 2010 (zie 2.12) overgelegd. Uit deze stukken blijkt volgens belanghebbende dat hij in privé beschikte over de eigendom van de betreffende software en dat de eigendom daarvan is overgedragen aan de B.V..\n\n4.8.. De inspecteur betwist dat belanghebbende de software in privé heeft ontwikkeld. Hij wijst erop dat de investeringsafspraken (zie 2.9) niet zijn ondertekend en dat het document niet bewijst dat belanghebbende in privé software heeft ontwikkeld, evenmin wanneer hij dat zou hebben gedaan, welke software het precies betreft en wat die waard zou zijn of voor welke prijs de genoemde overdracht in dat geval zou moeten plaatsvinden. Verder stelt de inspecteur dat in de aangiften IB\u002FPVV 2009 tot en met 2014 geen melding is gemaakt van een vordering op de B.V. of een daarmee corresponderende renteopbrengst. Ook wijst de inspecteur erop dat uit het in 2.6 bedoelde overzicht blijkt dat in 2009 al een schuld van € 400.000 in rekening-courant is geboekt en dat de B.V. niet afschrijft op eigendomsrechten. Bovendien is in een financieringsaanvraag van juli 2010 geen schuld van de B.V. aan belanghebbende vermeld. De inspecteur stelt verder dat er geen bewijs is voor de door belanghebbende overgelegde verklaringen van [naam 3] .\n\n4.9.. Dat de B.V. de software zelf moet hebben ontwikkeld, leidt de inspecteur af uit de in de rekening-courantovereenkomst vermelde doelstelling van de B.V. (zie 2.5), uit het feit dat de DSI in de in 2.8 bedoelde overeenkomst is omschreven als een combinatie van hardware en software, die onlosmakelijk zijn en uit het feit dat belanghebbende in dienstbetrekking is bij de B.V., zodat op grond van artikel 7 Auteurswet de B.V. de rechthebbende tot de software is.\n\n4.10.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende de rechten op de software in privé heeft ontwikkeld en evenmin dat hij deze vervolgens heeft overgedragen aan de B.V. tegen schuldigerkenning van de koopprijs in rekening-courant voor een bedrag van € 400.000.\n\nVraag b\n\n4.11.. Nu het hof niet aannemelijk acht dat belanghebbende uit hoofde van de overdracht van in privé ontwikkelde software een vordering heeft op de B.V., behoeft vraag b geen beantwoording.\n\nVraag c\n\n4.12.. Belanghebbende heeft in de aangifte een TBS-verlies van € 454.426 in aanmerking genomen, zijnde de afwaardering van een vordering van belanghebbende op de B.V. ten bedrage van, in totaal, € 516.393 verminderd met de terbeschikkingsvrijstelling van € 61.967 (zie 2.16). Het hof constateert dat het bedrag van € 516.393 overeenstemt met het in 2.6 opgenomen rekening-courantoverzicht.Na eliminatie van de restaurantuitgaven (€ 11.393; zie 3.2) en de door belanghebbende in aanmerking genomen vordering uit hoofde van de overdracht van software (€ 400.000; zie 4.10), resteert een vordering in rekening-courant van € 105.000. Het hof merkt hierbij op dat tussen partijen niet in geschil is dat belanghebbende de vordering uit hoofde van de overdracht van software in aanmerking heeft genomen voor € 400.000, in weerwil van het in het in 2.6 opgenomen overzicht vermelde bedrag van € 378.898. Het hof zal voor de vordering in rekening-courant ten bedrage van € 105.000 beoordelen of sprake is van een onzakelijke lening.\n\n4.13.. Voor de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking door een aandeelhouder aan zijn vennootschap voor wat betreft de fiscale gevolgen als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is in beginsel de civielrechtelijke vorm beslissend. Deze regel lijdt uitzondering indien sprake is van een schijnlening, deelnemerschapslening of bodemlozeputlening. Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van belanghebbende op de B.V. en de houdstermaatschappij niet is aan te merken als een zodanige lening. Niet in geschil is dat sprake is van een geldlening, dat de vordering van belanghebbende onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet IB 2001 valt en dat het resultaat van die vordering dient te worden bepaald overeenkomstig het winstregime (artikel 3.94 en 3.95 Wet IB 2001).\n\n4.14.. De Hoge Raadheeft ter zake van geldleningen tussen gelieerde partijen het volgende geoordeeld:\n\n“3.3.2. Ingeval bij een geldlening tussen gelieerde partijen de rente niet in overeenstemming met het “at arm’s length” beginsel is vastgesteld, zal voor de fiscale winstberekening moeten worden uitgegaan van een rente die wel aan dit criterium voldoet. Daarbij zal - behoudens het rentepercentage - uitgegaan moeten worden van hetgeen partijen zijn overeengekomen (zoals met betrekking tot zekerheden en de looptijd van de lening). Met dat uitgangspunt strookt niet dat de rente zodanig wordt aangepast dat de geldlening in wezen winstdelend zou worden. Dan zou het karakter van hetgeen partijen zijn overeengekomen worden aangetast.3.3.3.. Indien met inachtneming van het hiervoor in 3.3.2 overwogene geen rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken aan de met de vennootschap gelieerde partij, onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, moet worden verondersteld dat bij die verstrekking door de vennootschap een debiteurenrisico wordt gelopen dat deze derde niet zou hebben genomen. Alsdan moet - behoudens bijzondere omstandigheden - ervan worden uitgegaan dat de betrokken vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de met haar gelieerde vennootschap in de hoedanigheid van aandeelhouder dan wel dochtervennootschap te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht (…). Hierna zal een zodanige lening worden aangeduid als een onzakelijke lening.\n\nGelet op het hiervoor overwogene en mede om redenen van eenvoud kan als vuistregel worden gehanteerd dat de rente op de onzakelijke lening wordt gesteld op de rente die de gelieerde vennootschap zou moeten vergoeden indien zij met een borgstelling van de concernvennootschap onder overigens gelijke voorwaarden van een derde zou lenen. Aldus wordt tevens voorkomen dat er met betrekking tot de rentelast verschil ontstaat in het resultaat van de gelieerde vennootschap al naar gelang onder borgstelling van een derde wordt geleend, of rechtstreeks van de concernvennootschap.3.3.5.. Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur vervolgens alsnog een onzakelijke lening kan worden. Anders dan in de literatuur die naar aanleiding van het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad met nummer [nummer] is verschenen wel is aangenomen, moet voor de lening als geheel worden beoordeeld of sprake is van een onzakelijke lening. Uitgangspunt voor de fiscale winstberekening vormt hetgeen partijen zijn overeengekomen en bij één overeenkomst is sprake van één debiteurenrisico. Zoals een borgstelling voor een lening die door een derde aan een gelieerde vennootschap is verstrekt in zijn geheel al dan niet in de kapitaalsfeer ligt, heeft hetzelfde te gelden voor het debiteurenrisico van een onzakelijke lening.”.\n\nVorenstaande oordelen gelden ook in de relatie van een aandeelhouder-natuurlijk persoon en zijn vennootschap.\n\n4.15.. Op de inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat de vordering in rekening-courant ten bedrage van € 105.000 moet worden gekwalificeerd als een onzakelijke lening.\n\n4.16.. De inspecteur heeft in dat kader het volgende gesteld. Belanghebbende heeft geen zekerheden bedongen. Gelet op haar vermogenspositie, had de B.V. ook geen zekerheden kunnen verstrekken. Ook heeft belanghebbende geen invorderingsmaatregelen getroffen. De winstreserve van de B.V. is sinds de oprichting negatief en het eigen vermogen per [datum 6] 2009 is negatief, zodat het (kunnen) voldoen van de aflossingen en rente op de in 2009 aangegane rekening-courantovereenkomst geheel afhankelijk is van de toekomstige winst van de B.V.. De B.V. heeft sinds de oprichting tot 2011 geen omzet behaald en de B.V. heeft voor het eerst in 2013 een positief resultaat behaald. Bovendien zijn externe financieringen niet tot stand gekomen. De B.V. heeft weliswaar aflossingen gedaan, maar er is geen rente betaald, terwijl de betaling van rente vóór het aflossen zou moeten gaan. Er waren geen externe financiers te vinden zonder dat zij een in aandelen converteerbare lening verstrekten en dientengevolge aandeelhouder konden worden, zoals belanghebbende zelf tijdens het hoorgesprek heeft verklaard. De Rabobank wilde in 2009 en 2010 geen nieuwe leningen verstrekken (zie 2.4). Het Agentschap NL heeft in [maand 4] 2010 de subsidieaanvraag afgewezen. [bedrijf 4] heeft een lening verstrekt ten bedrage van € 10.000, die feitelijk kwalificeert als een investering, omdat [bedrijf 4] zicht krijgt op een recht op een belang in aandelen (zie 2.8). Gelet hierop is er volgens de inspecteur geen winstonafhankelijke vergoeding te bepalen waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest om de geldleningen te verstrekken aan de B.V. en de houdstermaatschappij.\n\n4.17.. Belanghebbende betoogt dat de geldlening zakelijk is, omdat bij het aangaan van die lening geen enkele reden was om aan te nemen dat die leningen niet zouden worden terugbetaald. Volgens belanghebbende moet rekening worden gehouden met het feit dat sprake is van een technische startup en van aanloopverliezen en heeft de kredietcrisis de B.V. parten gespeeld. Verder stelt belanghebbende dat het Agentschap NL de subsidieaanvraag heeft afgewezen omdat er (nog) geen financieringsdriehoek aanwezig was en niet omdat de onderneming van de B.V. te riskant zou zijn. Belanghebbende wijst erop dat onafhankelijke derden, namelijk [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 4] wel degelijk leningen aan de B.V. hebben verstrekt.\n\n4.18.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, aannemelijk heeft gemaakt dat de rekening-courant vordering van belanghebbende in ieder geval in 2015 onzakelijk is geworden. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende na de afwijzing van de subsidieaanvraag door Agentschap NL een hernieuwde aanvraag heeft ingediend. Dat de kredietcrisis parten heeft gespeeld, is door de inspecteur gemotiveerd weersproken. Ten aanzien van de door [bedrijf 4] verstrekte lening acht het hof aannemelijk dat [bedrijf 4] dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van de B.V. in de hoedanigheid van toekomstig aandeelhouder te dienen. Daar doet niet aan af dat [bedrijf 4] uiteindelijk geen aandeelhouder is geworden.\n\n4.19.. Het hof acht de inspecteur geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat een onafhankelijke derde, zonder aandelenbelang in de houdstermaatschappij en de B.V., de aan de geldleningen inherente risico’s niet zou hebben aanvaard zonder daarvoor een winstafhankelijke beloning te ontvangen. Belanghebbende heeft als geldverstrekker, zie een overzicht van de stortingen in 2.6, een negatief ondernemersrisico aanvaard. Hij liep immers voor het bedrag van de geldleningen het negatieve kredietrisico ter zake van de financiering, dat zich manifesteert als positieve toekomstverwachtingen niet uitkomen, terwijl hij niet over zekerheden beschikte. Het valt niet in te zien dat een willekeurige derde hetzelfde risico zou aanvaarden zonder de kans op (meedelen in) het positieve ondernemersrisico, ofwel zonder winstdeling. Dat laatste blijkt ook uit de voorwaarden die derden zoals de Rabobank en [bedrijf 4] hebben gesteld, bij het verstrekken van de gelden. Omdat belanghebbende de geldleningen als aandeelhouder als zodanig is aangegaan, is het TBS-verlies niet aftrekbaar.\n\nTussenconclusie\n\n4.20.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.21.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.22.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door I. Reijngoud, voorzitter, P. Fortuin en J. Wessels, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2024 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is in plaats van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer, omdat de voorzitter is verhinderd te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nM.M. Stassen-Kanters P. Fortuin\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n € 144.258 (winst uit onderneming) minus € 7.280 (zelfstandigenaftrek) minus € 2.123 (startersaftrek) minus € 18.880 (MKB-winstvrijstelling) = € 115.975.\n\n Afwaardering vorderingen belanghebbende op de houdstermaatschappij en\u002Fof de B.V. van € 516.393 minus de terbeschikkingsstellingsvrijstelling van € 61.967 (12% van € 516.393).\n\n HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:133.\n\n HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1194 en HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786.\n\n Uit het overzicht volgen stortingen door belanghebbende van € 665.475,41 en € 38.871 en opnamen van, in totaal, € 187.953,46.\n\n HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442.\n\n HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8952.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:2141","2026-07-13T00:29:18.206Z",20]