[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-local-taxes-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":43,"total":16,"page":25,"limit":120},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},152,"local-taxes-nl","Local Taxes","NL","2026-07-08T17:00:05.844Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},10,{"min":18,"max":19},"2024-03-06T00:00:00.000Z","2026-06-03T00:00:00.000Z",[21,26,30,34,37,40],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121962","Burgerlijk Wetboek","art. 3:3",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122665","Algemene wet bestuursrecht","art. 3:41",{"provisionId":31,"code":32,"article":33,"count":25},"122686","Verordening","art. 3",{"provisionId":35,"code":32,"article":36,"count":25},"122687","art. 2",{"provisionId":38,"code":32,"article":39,"count":25},"122688","art. 5",{"provisionId":41,"code":28,"article":42,"count":25},"122793","art. 6:22",[44,55,62,69,76,83,90,97,105,112],{"id":45,"ecli":46,"slug":47,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":49,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":54},"391","ECLI:NL:GHSHE:2026:1447","ecli-nl-ghshe-2026-1447","","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F867\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 april 2024, nummer BRE 23\u002F1853, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: het object) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd.\n\n1.6.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , als gemachtigden van belanghebbende,\n\nen, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .\n\nOp deze zitting is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24\u002F868.1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van het object. Het object betreft een PV-installatie (zonne-energieinstallatie), bestaande uit zonnepanelen, inclusief draagconstructie en bevestigingsmaterialen, omvormers, bekabeling\u002Fleidingen en meet- en regelapparatuur. De installatie is geplaatst op het dak van een distributiecentrum, gevestigd aan de [adres] te [plaats] . De PV-installatie is niet vast verankerd aan het dak, maar ligt los op het dak met alleen ballast om de PV-installatie op de plaats te houden. De installatie is eigendom van en wordt geëxploiteerd door belanghebbende. Het distributiecentrum is eigendom van een derde, met wie ten behoeve van het gebruik maken van het dak een huurovereenkomst is gesloten en tevens een recht van opstal is gevestigd.\n\n2.2.. De waarde van het object is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 847.000.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de waarde van het object te hoog is vastgesteld.\n\n3.2.. Niet in geschil is dat de werktuigenvrijstelling van toepassing is op de omvormers, bekabeling\u002Fleidingen en meet- en regelapparatuur.\n\n3.3.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vaststellen van de waarde op nihil. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Volgens artikel 16 Wet WOZ wordt als één onroerende zaak aangemerkt:\n\na. een gebouwd eigendom;\n\nb. een ongebouwd eigendom;\n\nc. een zelfstandig gedeelte daarvan;\n\nd. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel aof onderdeelbbedoelde eigendommen, of in onderdeelcbedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen.\n\n4.2.. De waarde van het object is de waarde in het economisch verkeer.Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor het object.\n\n4.3.. Artikel 17, lid 3, Wet WOZ bepaalt dat de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, wordt bepaald op vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid.\n\n4.4.. Op grond van artikel 18, lid 4, Wet WOZ in verbinding met artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel e, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van de werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken (de zogenoemde werktuigenvrijstelling).\n\n4.5.. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.\n\n4.6.. De heffingsambtenaar heeft de PV-installatie aangemerkt als één onroerende zaak, een gebouwd eigendom, als bedoeld in de zin van artikel 16 Wet WOZ.\n\n4.7.. Volgens de Hoge Raaddient bij beantwoording van de vraag of een PV-installatie op zichzelf als gebouwd eigendom is aan te merken als maatstaf worden gehanteerd of de installatie naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij komt geen betekenis toe aan de vraag of de zonnepanelen direct of indirect zijn verenigd met de grond. Alleen indien het gaat om de vraag of een onderdeel van een afzonderlijk WOZ-object op zichzelf is aan te merken als een gebouwd eigendom, moet de vraag worden beantwoord of een PV-installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht heeft. De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat een opstalrecht niet kan worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van artikel 16 Wet WOZ.\n\n4.8.. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat, anders dan waarvan is uitgegaan in de zaak waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld, de PV-installatie geen werk is in de zin van artikel 3:3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en dus geen onroerende zaak is. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat uit de omstandigheid dat de zonnepanelen los op het dak liggen en enkel door ballast (stoeptegels) op hun plaats worden gehouden blijkt dat het de bedoeling is dat de zonnepanelen verplaatsbaar blijven.Uit de huurovereenkomst blijkt volgens belanghebbende ook dat verplaatsing noodzakelijk is als de eigenaar van het dak dat verlangt.\n\n4.9.. Artikel 3:3 BW bepaalt dat onroerend zijn de grond, alsmede de met de grond verenigde gebouwen en werken. Een gebouw of werk kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van artikel 3:3 BW doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet van belang is dan meer dan technisch de mogelijkheid bestaat om het gebouw of gebouw of werk te verplaatsen. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten toe kenbaar is. Onder de bouwer moet mede worden verstaat degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.\n\n4.10.. Hieruit volgt dat de maatstaf of sprake is van een werk als bedoeld in artikel 3.3 BW verschilt niet wezenlijk van de maatstaf of sprake is van een gebouwd eigendom (zie 4.7).\n\n4.11.. Het hof is van oordeel dat de PV-installatie een werk in de zin van artikel 3:3 BW is. De PV-installatie is naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het een technisch complexe samenstelling van zonnepanelen, onderstel en kabels betreft en dat de installatie is verzwaard met ballast. Aan de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven doet niet af dat de PV-installatie door een eenvoudige demontage kan worden verplaatst. Evenmin doet daaraan af dat op grond van de huurovereenkomst in bijzondere omstandigheden de installatie zou moeten worden verplaatst, omdat dit niet een fysiek aspect betreffende de aard en inrichting is dat naar buiten kenbaar is.\n\n4.12.. Het vorenstaande betekent dat de PV-installatie voor de toepassing van de Wet WOZ als een onroerende zaak moet worden aangemerkt.\n\n4.13.. \n\nVoor dat geval heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de PV-installatie niet moet worden aangemerkt als een afzonderlijk WOZ-object, maar een samenstel vormt met het dak van het distributiecentrum, waarop de PV-installatie is aangebracht. Belanghebbende stelt dat de (dak) huurovereenkomst een exclusief gebruiksrecht geeft op het dak, en dat dit exclusieve gebruiksrecht een onroerende zaak is (in de zin van art 16 Wet WOZ) en een apart WOZ-object. Het (gebruiksrecht op het) dak is volgens belanghebbende dan zelf ook een gebouwd eigendom.\n\nHet WOZ-object bestaat dan volgens belanghebbende uit het gebruiksrecht op het dak en de PV-installatie, dus twee gebouwde eigendommen en dan moet volgens belanghebbende de vraag worden beantwoord of de PV-installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht heeft.\n\n4.14.. Het hof is van oordeel dat ook dit standpunt van belanghebbende niet kan worden gevolgd, reeds omdat een gebruiksrecht middels een huurovereenkomst niet betekent dat belanghebbende het dak in eigendom heeft of daarop een beperkt recht heeft. Van een samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder d, Wet WOZ kan slechts sprake zijn als beide eigendommen eenzelfde eigenaar of beperkt gerechtigde hebben. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dat daarnaast een recht van opstal is gevestigd doet hieraan niet af. Een opstalrecht kan immers niet worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van artikel 16 Wet WOZ (zie 4.7).4.15.. \n\nVoor het geval de PV-installatie een afzonderlijk WOZ-object is, is niet in geschil dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.\n\nTussenconclusie\n\n4.16.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.17.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.18.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M.E. Smorenburg en\n\nJ.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE. Royakkers L.B.M. Klein Tank\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 17, lid 2, Wet WOZ.\n\n Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:56.\n\n Hoge Raad 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabin).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1447","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:27.398Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":59,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":61},"856","ECLI:NL:GHSHE:2026:1450","ecli-nl-ghshe-2026-1450","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F31\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 november 2023, nummer BRE 22\u002F1633 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in Mijn Rechtspraak geplaatst.1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .\n\n1.7.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Het hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en\u002Fof stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan. De schriftelijke inlichten en\u002Fof nadere stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\n1.8.. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.2. 2. Feiten\n\n2.1.. De heffingsambtenaar heeft bij WOZ-beschikking de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 222.000. Belanghebbende heeft tegen die WOZ-beschikking tijdig bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dit bezwaar gegrond verklaard en de waarde bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 215.000.\n\n2.2.. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 24 december 2021. De heffingsambtenaar heeft op die dag een bulk van 3.636 brieven aangeboden aan [mail] B.V. (hierna: [mail] ).\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in een brief van 4 februari 2022 aan de heffingsambtenaar geschreven:\n\n“(…) Op 17-1-2022 ontvingen wij van u een bedrag van € 530,00 aan proceskostenvergoeding, waarvoor onze dank. Volgens de omschrijving in de betaling heeft dit bedrag betrekking op uw aanslagnummer (…). De corresponderende uitspraak op het bezwaarschrift hebben wij echter nog niet ontvangen. In verband met het beoordelen van de uitspraak en het verstrijken van de beroepstermijn, verzoeken wij u vriendelijk ons zo spoedig mogelijk de uitspraak op bezwaar te doen toekomen. Aangezien wij tot op heden geen kennis hebben kunnen nemen van de uitspraak, zal de beroepstermijn aanvangen op het moment van ontvangen van de uitspraak (…).”.\n\n2.4.. De heffingsambtenaar heeft bij e-mail van 8 februari 2022 de uitspraak op bezwaar als bijlage aan belanghebbende toegestuurd.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft bij beroepschrift met dagtekening 22 maart 2022 beroep ingesteld. Het beroepschrift is diezelfde dag door de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding gezien.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Partijen hebben tijdens de zitting bij het hof verzocht om, indien het hof oordeelt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank af te doen.\n\n2.7.. Belanghebbende heeft het hof na de zitting schriftelijk medegedeeld dat de waarde, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, niet langer in geschil is en het geschil alleen nog ziet op de ontvankelijkheid van het beroep. Partijen hebben schriftelijk verklaard geen gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot een ontvankelijk beroep. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep door de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de heffingsambtenaar geen deugdelijke verzendadministratie heeft overgelegd, niet aannemelijk is gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 is verstuurd. Het beroepschrift is ingediend zes weken nadat belanghebbende kennis had genomen van de uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank was er onvoldoende aanleiding om het indienen van een beroepschrift na pas zes weken redelijk te vinden.\n\n4.2.. Volgens de heffingsambtenaar moet ervan uit worden gegaan dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar meteen heeft ontvangen. Op 24 december 2021 is een bulk van 3.636 uitspraken bij [mail] aangeboden, waaronder de onderhavige uitspraak op bezwaar. Belanghebbende had ook een pro-forma beroepschrift kunnen indienen, aldus de heffingsambtenaar.\n\n4.3.. Belanghebbende betwist dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 is verstuurd. Hij heeft de uitspraak op bezwaar pas op 8 februari 2022 onder ogen gekregen en de beroepstermijn ving toen aan. Het beroepschrift is op 22 maart 2022, binnen zes weken na de aanvang van de beroepstermijn en dus tijdig ingediend. De rechtbank had het beroep ontvankelijk moeten verklaren, aldus belanghebbende.\n\nDe wet\n\n4.4.. In de wet is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.\n\n4.5.. De bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan belanghebbende.\n\nToezending aan belanghebbende\n\n4.6.. Belanghebbende betwist dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 aan hem is toegestuurd. Hij betwist dan ook de verzending daarvan. Voor dat geval is het aan de heffingsambtenaar om die verzending aannemelijk te maken.\n\n4.7.. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 aan belanghebbende is verzonden. Uit de overgelegde printscreen van de verzendadministratie van de bulk van 3.636 uitspraken kan niet worden afgeleid dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk aan [mail] is aangeboden en dat de verzending heeft plaatsgevonden.De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat dit niet verder aannemelijk kan worden gemaakt, omdat een nadere specifieke verzendadministratie met betrekking tot de uitspraak op bezwaar zelf ontbreekt.4.8.. Nu ook overigens niet kan worden vastgesteld wanneer de uitspraak op bezwaar is verzonden, moet ervan worden uitgegaan dat deze niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In dat geval moet worden aangenomen dat belanghebbende pas in de gelegenheid is geweest om kennis te nemen van de uitspraak op bezwaar op de dag waarop hij een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen en de beroepstermijn van zes weken pas op die dag aanvangt.In dat geval geldt niet de eis dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld.\n\nBeroep binnen zes weken\n\n4.9.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op 8 februari 2022 feitelijk kennis heeft genomen van de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroepschrift is ingediend binnen zes weken na die datum, waarop belanghebbende een afschrift van de uitspraak onder ogen kreeg, is het beroep ten onrechte wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk verklaard.\n\n4.10.. Nu het beroepschrift niet na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend, is de vraag of het van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om een pro-forma beroepschrift in te dienen, waarin nog niet de gronden van het beroep zijn opgenomen, niet relevant.\n\nWaarde niet in geschil4.11.. Belanghebbende heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep ontvankelijk had moeten verklaren. Dit kan echter niet tot een gegrond hoger beroep leiden omdat de waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil is. Het hof zal het hoger beroep daarom ongegrond verklaren.\n\nTussenconclusie\n\n4.12.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.13.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.14.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof verklaart het hoger beroep ongegrond.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\n Artikel 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Artikel 6:9, lid 1, Awb.\n\n Artikel 3:41 Awb.\n\n Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, onder 2.4.4.\n\n Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175, onder 2.2.3.\n\n Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, onder 2.3.1 en Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, onder 2.4.4.\n\n Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, onder 2.3.1.\n\n Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960 onder 2.3.2.\n\nHoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, onder 4.2.4.\n\n Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1283, onder 2.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1450","2026-07-13T00:28:51.483Z",{"id":63,"ecli":64,"slug":65,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":66,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":68},"861","ECLI:NL:GHSHE:2026:1468","ecli-nl-ghshe-2026-1468","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F957\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 mei 2024, nummer SHE 23\u002F1124 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde invorderingsambtenaar van de gemeente Helmond,\n\nhierna: de invorderingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De invorderingsambtenaar heeft belanghebbende aangemaand om een naheffingsaanslag parkeerbelasting te betalen. Daarbij is € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De invorderingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De invorderingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Aan belanghebbende zijn aanmaningskosten van € 8 in rekening gebracht wegens het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de aanmaningskosten gegrond verklaard en geoordeeld dat deze ten onrechte in rekening zijn gebracht.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de invorderingsambtenaar veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase.\n\nDe rechtbank heeft met betrekking tot de proceskostenvergoeding in haar uitspraak onder r.o. 6 overwogen:\n\n“Nu het beroep van eiseres gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de invorderingsambtenaar te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten van eiseres in de bezwaar- en beroepsfase. Dit levert op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de bezwaarfase 2 punten op (à € 296) en voor de beroepsfase 1 punt (à € 875) met wegingsfactor 1. De rechtbank ziet, gelet op bijzondere omstandigheden die zich voordoen, aanleiding deze proceskostenvergoeding te matigen. Het belang dat in deze zaak kan worden nagestreefd is namelijk slechts € 8,-. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ziet in dergelijke gevallen aanleiding om een wegingsfactor 0,5 te hanteren.Daarbij komt dat de gemachtigde van eiseres rechtsbijstand verleent in een veelvoud van soortgelijke invorderingszaken over dezelfde geschilpunten, met dezelfde juridische argumenten over de verzendadministratie. Daarnaast zijn zowel het bezwaar- als beroepsschrift van eiseres (dat door haar gemachtigde is opgesteld) van zeer algemene aard en standaardmatig. Als met deze omstandigheden geen rekening zou worden gehouden, dan leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Daarom zijn er niet alleen redenen om de wegingsfactor aan te passen naar 0,5 maar ook bijzondere omstandigheden aan te nemen zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank stelt het door de invorderingsambtenaar te betalen bedrag aan proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase vast op € 200.”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft de hoogte van de aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en een vergoeding van de kosten die in deze procedure redelijkerwijs zijn gemaakt. De invorderingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat voor de kostenvergoeding in de bezwaarfase ten onrechte is uitgegaan van een te laag tarief per punt. Het tarief dient op grond van onderdeel B2 punt 2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht € 624 te bedragen. Verder stelt hij dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de proceskostenvergoeding gematigd moet worden. Ook is het financiële belang geen reden om af te wijken van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).\n\n4.2.. Het hof leidt uit de stukken af dat tussen partijen niet in geschil is dat voor de bezwaarfase twee punten moeten worden toegekend en voor de beroepsfase één punt (belanghebbende is niet ter zitting verschenen). Verder leidt het hof uit de stukken af dat tussen partijen niet in geschil is dat kan worden uitgegaan van een wegingsfactor 0,5.\n\n4.3.. Met betrekking tot het door de rechtbank gehanteerde tarief voor de kostenvergoeding in de bezwaarfase is het hof van oordeel dat belanghebbende in het gelijk moet worden gesteld. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van een tarief van € 296 per punt. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2024heeft geoordeeld moet punt 1 van onderdeel B2 van de bijlage bij het Bpb buiten toepassing blijven. De regelgever heeft immers het onderscheid in vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase tussen belastingzaken en overige zaken onvoldoende onderbouwd. Het hof zal daarom de kostenvergoeding voor de bezwaarfase opnieuw vaststellen naar een tarief per punt van € 666 (tarief 2026). Dit leidt echter niet tot een gegrond hoger beroep gelet op hetgeen hierna is overwogen.\n\n4.4.. \n\nMet betrekking tot de matiging van de proceskostenvergoeding op de grond dat sprake is van bijzondere omstandigheden overweegt het hof als volgt.\n\nIn artikel 2, lid 3, Bpb is bepaald dat de rechter in bijzondere omstandigheden kan afwijken van de forfaitaire of gelimiteerde tariefstelling als bedoeld in artikel 2, lid 1, Bpb.\n\nHet hof verenigt zich met de hiervoor weergegeven beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep aanvullend nog heeft aangevoerd, werpt geen nieuw of ander licht op de zaak. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende betoogt is het hof van oordeel dat in dit geval rekening moeten worden gehouden met de omstandigheid dat het geschil betrekking had op een zeer gering financieel belang. Het hof verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 11 juli 2025.\n\n4.5.. Indien met deze bijzondere omstandigheden geen rekening wordt gehouden en bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan het puntensysteem zoals opgenomen in het Bpb, leidt dit zonder twijfel tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Het hof acht dit onwenselijk gelet op het doel en de strekking van het Bpb. De vergoedingen op grond van het Bpb hebben immers het karakter van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten.Het hof wijkt daarom af van het puntensysteem en stelt de kostenvergoeding, zoals de rechtbank terecht heeft gedaan, voor de bezwaar- en beroepsfase vast op € 200.\n\nTussenconclusie\n\n4.6.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.7.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.8.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Vergelijk: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9827.\n\n ECLI:NL:GHSHE:2018:4638, zie r.o. 4.6.4.3. onder b en c.\n\n Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.\n\n Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o 4.6.\n\n Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o 4.3 tot en met 4.6.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1468","2026-07-13T00:28:51.760Z",{"id":70,"ecli":71,"slug":72,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":73,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":74,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":75},"948","ECLI:NL:GHSHE:2026:1432","ecli-nl-ghshe-2026-1432","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F1441\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 6 september 2023, nummer ROE 23\u002F671 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft geen verweerschrift ingediend maar verwezen naar de stukken zoals deze in de loop van de bezwaarprocedure en bij de rechtbank reeds zijn ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2 Feiten\n\n2.1.. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken] die op 8 november 2022 omstreeks 15:48 uur geparkeerd stond aan [adres] in [plaats] .\n\n2.2.. Een parkeercontroleur van de gemeente heeft op de hiervoor vermelde datum en tijdstip geconstateerd dat achter de voorruit geen parkeerkaartje zichtbaar was. Hij heeft daarop aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag) ten bedrage van € 67,50, bestaande uit € 1 aan parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten voor de naheffingsaanslag.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vernietiging van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van belanghebbende op 8 november 2022 omstreeks 15:48 uur geparkeerd stond aan [adres] in [plaats] en dat deze locatie door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.\n\n4.2.. Belanghebbende stelt dat zij de verschuldigde parkeerbelasting wel degelijk heeft voldaan en heeft bij haar bezwaarschrift een parkeerbonnetje van 8 november 2022 overgelegd waarop een aankomsttijd van 15:24 uur staat vermeld en een eindtijd van 15:54 uur. Het bonnetje vermeldt een betaald bedrag van € 0,50. Belanghebbende heeft verklaard dit bedrag contant te hebben voldaan via de parkeerautomaat. Belanghebbende stelt dat dit parkeerkaartje met het sluiten van de autodeur op de grond moet zijn gevallen omdat zij deze bij terugkomst op de vloer van haar auto aan de bestuurderskant aantrof.\n\n4.3.. Het hof overweegt dat naheffing alleen mogelijk is indien de belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, waardoor te weinig belasting is geheven.Van belang is dus of de verschuldigde belasting is betaald en niet of op de voorgeschreven wijze aangifte is gedaan.Het enkele feit dat een parkeerbonnetje niet zichtbaar achter de voorruit ligt, is dus onvoldoende voor het opleggen van een naheffingsaanslag. De bewijslast dat de verschuldigde belasting niet is betaald rust op de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft het brondocument overgelegd waarin wordt aangegeven dat is geparkeerd zonder zichtbaar geldig kaartje en heeft fotomateriaal bijgevoegd waarop geen parkeerkaartje in de auto zichtbaar is. In het algemeen kan dit toereikend worden geacht en heeft de heffingsambtenaar daarmee voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan.\n\n4.4.. \n\nHet ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om bewijs aan te dragen voor haar stelling dat zij de verschuldigde parkeerbelasting wel heeft voldaan. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van haar stelling in bezwaar en beroep een kopie van het parkeerkaartje overgelegd. Het hof stelt vast dat de datum en de parkeertijd op het kaartje overeenkomen met de datum en het tijdstip waarop de naheffingsaanslag is opgelegd.\n\nHet hof is echter van oordeel dat het door belanghebbende achteraf overleggen van een parkeerkaartje op zichzelf onvoldoende bewijs vormt dat belanghebbende heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling van de parkeerbelasting, omdat een directe link tussen het overgelegde parkeerkaartje en belanghebbende ontbreekt. Het hof kan hierdoor niet uitsluiten dat het parkeerkaartje op andere wijze – bijvoorbeeld door een derde - is verkregen. Dit betekent dat meer nodig is dan het enkel achteraf overleggen van een parkeerkaartje om het hof ervan te overtuigen dat aan de betalingsverplichting is voldaan. Nu door belanghebbende geen aanvullend bewijs is ingebracht is het hof van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de verplichting om parkeerbelasting te betalen is voldaan. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is daarom terecht aan belanghebbende opgelegd.\n\nTussenconclusie\n\n4.5.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.6.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.7.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 20, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Hoge Raad 11 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1593.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1432","2026-07-13T00:28:56.244Z",{"id":77,"ecli":78,"slug":79,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":80,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":81,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":82},"949","ECLI:NL:GHSHE:2026:1435","ecli-nl-ghshe-2026-1435","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F1697\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 oktober 2023, nummer SHE 22\u002F2045 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Reusel-De Mierden,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) voor het jaar 2022 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een vrijstaande woning uit 1932. De woning, gelegen in [woonplaats] , bestaat uit een hoofdbouw met een oppervlakte van 154 m², een vrijstaande garage met een oppervlakte van 35 m² en een berging van 31 m². Verder is er sprake van asbest. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 545 m².\n\n2.2.. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 355.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 330.000 en de aanslag OZB evenredig verminderd. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 538.\n\n2.3.. De heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatiematrix overgelegd, opgesteld op 26 juli 2023 door [heffingsambtenaar] , WOZ-gediplomeerd taxateur. In de matrix is de waarde van de woning bepaald op € 352.000. De taxateur heeft de volgende vergelijkingsobjecten in aanmerking genomen:\n\n- [adres 2] te [woonplaats] , verkocht op 11 maart 2020 voor € 350.000;\n\n- [adres 3] te [woonplaats] , verkocht op 12 juni 2020 voor € 292.000;\n\n- [adres 4] te [woonplaats] , verkocht op 16 juni 2020 voor € 375.000.\n\n2.4.. \n\nIn de matrix zijn de kenmerken van de woning en de vergelijkingsobjecten vermeld, en de koopprijzen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum en onderverdeeld over de verschillende objectkenmerken.\n\nDe heffingsambtenaar heeft in hoger beroep nadere foto’s overgelegd van de vergelijkingsobjecten. Belanghebbende heeft in hoger beroep eveneens nadere foto’s overgelegd.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot verlaging van de WOZ-waarde tot een waarde tussen € 200.000 en € 236.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. De waarde van de onroerende zaak is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor de onroerende zaak. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.\n\n4.2.. De hiervoor bedoelde waarde voor woningen wordt in principe bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.\n\nStijging ten opzichte van de WOZ-waarde in eerdere jaren\n\n4.3.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de aan de woning toegekende waarde te hard is gestegen ten opzichte van de waarde die aan de woning is toegekend met waardepeildatum 1 januari 2020. Naar de mening van belanghebbende houdt deze waardestijging verband met de gewijzigde methode - van m3 naar m2 - van waarderen door de gemeente.\n\n4.4.. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum voordoen, waarbij voorbij wordt gegaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de woning is toegekend. De waarde van de woning is vastgesteld op basis van rond de waardepeildatum behaalde verkoopcijfers van de met de woning vergelijkbare objecten. De procentuele stijging van de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende, op zichzelf beschouwd dan wel in relatie tot andere woningen in of buiten de gemeente [woonplaats] , is om die reden niet relevant voor de waardebepaling van de woning. Het is het hof, gelijk de rechtbank, voorts niet gebleken dat door de wijziging van de manier van waarderen van m3 naar m2 de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld.\n\nVergelijkingsobjecten\n\n4.5.. Belanghebbende stelt dat de vergelijkingsobjecten niet representatief zijn. Zijn woning heeft een slechtere ligging dan de vergelijkingsobjecten, omdat zijn woning aan een 80km-weg is gelegen, terwijl de vergelijkingsobjecten aan een rustigere weg zijn gelegen. Ook bevindt de woning van belanghebbende zich in een slechtere staat van onderhoud en kwaliteit dan de vergelijkingsobjecten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende een aantal foto’s in het geding gebracht, waarop optrekkend vocht in zijn woning zichtbaar is. Ook heeft belanghebbende foto’s overgelegd van zijn CV-ketel uit 1993. Deze CV-ketel is niet energiezuinig en is daardoor slechter dan die van de vergelijkingsobjecten, aldus belanghebbende.\n\n4.6.. De stelling van belanghebbende dat bij de waardebepaling onvoldoende rekening is gehouden met de ligging aan een drukkere weg dan waar de vergelijkingsobjecten zijn gelegen, slaagt. Het hof stelt vast dat de woningen aan de [adres 2] en [adres 4] te [woonplaats] een factor 3 (gemiddeld) hebben voor de ligging. De woning aan de [adres 3] te [woonplaats] heeft, gelijk de woning van belanghebbende, een factor 2 gekregen voor de ligging. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar onvoldoende rekening gehouden met de specifieke ligging van de woning van belanghebbende, in het bijzonder vergeleken met de woning aan de [adres 3] . De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat de woning aan de [adres 3] is gelegen tegenover een horecagelegenheid en winkelpanden, maar dat maakt naar het oordeel van het hof de ligging van deze woning niet voldoende vergelijkbaar met de ligging van een woning aan een doorgaande 80km-weg. Ook de stelling van belanghebbende dat de voorzieningen in zijn woning van een mindere kwaliteit zijn dan die in de vergelijkingsobjecten slaagt. De heffingsambtenaar heeft de voorzieningen in de woning van belanghebbende, gelijk de voorzieningen in de vergelijkingsobjecten, een factor 3 gegeven. Het hof is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de voorzieningen in zijn woning zich in een minder goede staat bevinden dan die in de vergelijkingsobjecten.\n\nWaarde berging\n\n4.7.. Belanghebbende stelt verder dat de waarde van de berging negatief is vanwege de slechte bouwkundige\u002Fvervallen staat en tevens omdat er asbest aanwezig is in onder andere het dak. In hoger beroep heeft belanghebbende een tweetal foto’s overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. De heffingsambtenaar heeft de beoordelingsaspecten ‘kwaliteit’, ‘onderhoud’, ‘uitstraling’, ‘doelmatigheid’ en ‘voorzieningen’ van de berging beoordeeld als voldoende en hieraan een factor 3 toegekend. De heffingsambtenaar heeft een aftrek toegepast voor, in totaal € 816, vanwege de aanwezigheid van asbest. Van de vergelijkingsobjecten beschikt enkel de woning aan de [adres 4] te [woonplaats] over een vrijstaande berging.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende, met de door hem overgelegde foto’s van de berging aannemelijk gemaakt dat deze van een matige kwaliteit en onderhoud is. Nu de heffingsambtenaar geen foto’s, of andere bewijsmiddelen, in het geding heeft gebracht waaruit de kwaliteit en staat van onderhoud van de berging van het vergelijkingsobject aan de [adres 4] blijkt, volgt het hof belanghebbende in zijn standpunt dat de heffingsambtenaar de waarde van de berging, behorende bij de woning van belanghebbende, op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de heffingsambtenaar ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat een factor 2 voor de berging wellicht meer op zijn plaats zou zijn geweest. Het hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de waarde van de berging negatief is. De heffingsambtenaar heeft reeds een bedrag in mindering gebracht vanwege de aanwezigheid van asbest en uit de door belanghebbende overgelegde foto’s volgt niet dat de berging in een dusdanige staat verkeerd dat hieraan een negatieve waarde moet worden toegekend.\n\n4.9.. Het hof stelt voorop dat de in geschil zijnde (WOZ-)waarde de woning in haar geheel betreft. Daarbij vormen de aan de samenstellende onderdelen van de woning toegekende waarden een hulpmiddel om de waarde van de woning als geheel inzichtelijk te maken. Dit in aanmerking nemende en alles overziende heeft de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde waarde niet aannemelijk gemaakt. Nu de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door hem bepleite waarde van tussen de € 200.000 en € 236.000 aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende heeft in (hoger) beroep verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat de waarde tot het door hem bepleite bedrag moet worden vastgesteld. Gelet hierop maakt ook belanghebbende de door hem bepleite waarde niet aannemelijk.\n\n4.10.. Het vorenstaande maakt dat geen van beide partijen erin is geslaagd het van hen gevergde bewijs te leveren voor de door hen bepleite waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Het hof bepaalt de waarde, rekening houdend met alle ter zake doende feiten en omstandigheden, in goede justitie op € 310.000.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 136, in totaal € 186, te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.\n\n4.14.. Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het beroep bij de rechtbank op een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank van respectievelijk € 30,44 en € 297,78, is in totaal € 328,22.\n\n4.15.. Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het hoger beroep bij het hof op een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting bij het hof van respectievelijk € 30,44 en € 297,50, is in totaal € 327,94. Het hof is daarbij, in afwijking van het door belanghebbende overgelegde formulier, uitgegaan van een zittingsduur van een half uur.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nwijzigt de WOZ-beschikking en stelt de waarde van [adres 1] per waardepeildatum van 1 januari 2021 vast op € 310.000;\n\nvermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en hoger beroep van in totaal € 186 vergoedt;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van in totaal € 656,16.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 4, lid 1, letter a, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1435","2026-07-13T00:28:56.278Z",{"id":84,"ecli":85,"slug":86,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":87,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":88,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":89},"952","ECLI:NL:GHSHE:2026:1441","ecli-nl-ghshe-2026-1441","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F292\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 januari 2024, nummer BRE 23\u002F3398 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Bergen op Zoom,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen belanghebbende. Voor de zitting heeft de heffingsambtenaar laten weten dat hij niet zal verschijnen.\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende opgelegd, omdat diens auto met kenteken [kenteken] op 11 april 2023 omstreeks 16.37 uur stil stond aan [adres] te [woonplaats] . Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.\n\n2.2.. Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 69,25 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1,20 en € 68,05 aan kosten van de naheffingsaanslag.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de vraag of toepassing van de menselijke maat het opleggen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting in het onderhavige geval verhindert.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Belanghebbende voert aan dat hij slechts voor een zeer korte periode heeft geparkeerd, omdat zijn kleindochter de hockeytas was vergeten en dat zij tot doel hadden tijdig bij de hockeytraining aanwezig te zijn. Belanghebbende is van mening dat, onder deze omstandigheden, toepassing van de menselijke maat noopt tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat er geen ruimte is geweest om de omstandigheden van zijn geval toe te kunnen lichten aan de heffingsambtenaar. Het hof begrijpt het betoog van belanghebbende als een beroep op het evenredigheidsbeginsel.\n\n4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende heeft geparkeerd op een locatie waar betaald parkeren geldt en dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan.\n\n4.3.. Over de toepassing van evenredigheidsbeginsel bij het heffen van parkeerbelasting is door een rechtbank een vraag aan de Hoge Raad gesteld. De rechtbank wilde van de Hoge Raad weten of het bedrag van de kosten door de rechter mag worden verminderd, als de rechter tot het oordeel komt dat dit bedrag te hoog is in verhouding tot het verwijt dat iemand in een bepaald geval kan worden gemaakt door geen parkeerbelasting te betalen. De Hoge Raad heeft bij prejudiciële beslissing van 25 oktober 2024 als volgt geantwoord:\n\n“5.6.1. Voor zover de Rechtbank met de vierde vraag wenst te vernemen in hoeverre de in die vraag bedoelde beoordeling van besluiten tot het naheffen van parkeerbelasting met kostenopslag in een individueel geval kan plaatsvinden door toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, overweegt de Hoge Raad als volgt.\n\n5.6.2.. Zowel het besluit tot naheffing van verschuldigde parkeerbelasting die niet is voldaan, als het besluit om daarbij de aan het opleggen van de naheffingsaanslag verbonden kosten tot het wettelijke maximumbedrag in rekening te brengen, berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin. Dergelijke besluiten kunnen slechts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur voor zover zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Daarbij gaat het onder meer om gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.\n\n5.6.3.. Met het invoeren van de mogelijkheid voor gemeenten om bij de naheffing van parkeerbelasting tevens een vast, wettelijk gemaximeerd bedrag in rekening te brengen tot verhaal van de met die naheffing gemoeide kosten, heeft de wetgever beoogd de gemeenten in staat te stellen op een efficiënte en financieel verantwoorde wijze hun parkeerbeleid te realiseren.\n\n5.6.4.. Zoals de Advocaat-Generaal uiteen heeft gezet in de onderdelen 13.55 en 13.57 van zijn conclusie, heeft de wetgever daarbij onder ogen gezien dat een besluit tot naheffing van parkeerbelasting met een kostenopslag en de omvang van het in rekening te brengen bedrag aan kosten niet afhankelijk zijn van de mate van verwijtbaarheid van de aan de naheffing ten grondslag liggende gedraging of van de overige omstandigheden van het geval. Buiten [bepaalde] situaties, waarin naheffing met kostenopslag niet is toegestaan, kan daarom niet worden gezegd dat in gevallen van ontbrekende of geringe verwijtbaarheid en in gevallen waarin het bedrag van de kostenopslag naar het oordeel van de rechter niet passend en geboden zou zijn, sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Het evenredigheidsbeginsel kan daarom in die gevallen niet tot gevolg hebben dat de heffingsambtenaar bij zijn besluitvorming de wettelijke regeling geheel of ten dele buiten toepassing moet laten.\n\n5.6.5. […]. Voor zover vraag 4 tevens betrekking heeft op de toetsing van de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met de daaraan verbonden kosten aan het evenredigheidsbeginsel, moet vraag 4 aldus worden beantwoord dat deze toetsing […] niet aan de orde is in gevallen van ontbrekende of geringe verwijtbaarheid en evenmin in gevallen waarin het bedrag van de kostenopslag naar het oordeel van de rechter niet passend en geboden zou zijn.”\n\n4.4.. Kort samengevat volgt uit het antwoord van de Hoge Raad dat de heffingsambtenaar noch de belastingrechter in het geval van belanghebbende kunnen toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.\n\n4.5.. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 3.6 van haar uitspraak juist heeft geoordeeld is niet van belang dat belanghebbende voor slechts korte duur heeft geparkeerd. Ook het gegeven dat belanghebbende - vanwege de haast om tijdig bij de training van zijn kleindochter te kunnen zijn - over het hoofd heeft gezien dat op de desbetreffende plek betaald parkeren geldt, kan hem niet baten. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de wet onder ogen gezien dat dit soort gevallen van geringe verwijtbaarheid er kunnen zijn, maar heeft gekozen om de gemeenten ook dan de mogelijkheid te geven tot het in rekening brengen van een vast (wettelijk gemaximeerd) bedrag. Het hof heeft dan geen ruimte om op grond van het evenredigheidsbeginsel de kosten, en daarmee de naheffingsaanslag, te verlagen.\n\n4.6.. Het hof verenigt zich dan ook met de beslissing van de rechtbank en maakt de gronden waarop deze beslissing berust (rechtsoverwegingen 3.6 t\u002Fm 3.8) tot de zijne. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nTussenconclusie\n\n4.7.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.8.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.9.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 junim 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n ECLI:NL:HR:2024:1535.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1441","2026-07-13T00:28:56.377Z",{"id":91,"ecli":92,"slug":93,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":94,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":95,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":53,"updatedAt":96},"947","ECLI:NL:GHSHE:2026:1434","ecli-nl-ghshe-2026-1434","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F771\n\nUitspraak op het incidentele hoger beroep van\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk,\n\nhierna: de heffingsambtenaar,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 april 2023, nummer BRE 21\u002F117, in het geding tussen\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\nen\n\nde heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken.\n\n1.7.. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De rechtbank heeft de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting in stand gelaten. Zij heeft wel geoordeeld dat sprake is van schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd en om die reden een proceskostenveroordeling uitgesproken. Zij heeft daarover overwogen:\n\n“10. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837, en een wegingsfactor 1). De heffingsambtenaar dient tevens het griffierecht van € 49 te vergoeden.”\n\n2.2.. De rechtbank heeft ook een vergoeding van immateriële schade toegewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\ni. is sprake van (veronderstelde) spanning en frustratie bij belanghebbende op grond waarvan terecht een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende is toegekend?\n\nii. heeft de rechtbank terecht een proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend?\n\n3.2.. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de vergoeding van immateriële schade en toekenning van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4Gronden\n\n4.1.. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van spanning en frustratie zodat een vergoeding van immateriële schade niet op zijn plaats is.\n\n4.2.. Het hof overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in belastingzaken, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, wordt verondersteld dat de belanghebbende daardoor immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.Van bijzondere omstandigheden is het hof in het onderhavige geval niet gebleken.\n\n4.3.. Voor de vraag of iemand recht heeft op toekenning van een vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is niet relevant of de belanghebbende daadwerkelijk immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie heeft geleden.\n\n4.4.. Verder staat volgens de Hoge Raad aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in de weg dat aan de belanghebbende bijstand is verleend op basis van no cure no pay. Evenmin staat daaraan in de weg dat belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald.\n\n4.5.. De rechtbank heeft dus terecht een vergoeding van immateriële schade toegekend aan belanghebbende. Het betoog van de heffingsambtenaar slaagt niet.\n\nProceskostenvergoeding\n\n4.6.. De heffingsambtenaar betoogt dat de rechtbank ten onrechte een proceskostenvergoeding heeft uitgesproken omdat deze slechts is gebaseerd op de omstandigheid dat een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn is toegekend. Ook is ten onrechte een wegingsfactor 1 toegepast, aldus de heffingsambtenaar.\n\n4.7.. De rechtbank heeft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het hof stelt vast dat de rechtbank in verband met toepassing van artikel 6:22 Awb aan belanghebbende een proceskostenvergoeding heeft toegekend en niet in verband met het toekennen van een immateriële schadevergoeding, zoals de heffingsambtenaar verondersteld. Indien de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt gepasseerd en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in beginsel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding. Alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden kan de rechter afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet.\n\n4.8.. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden een proceskostenvergoeding aan belanghebbende heeft toegekend. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor het afzien daarvan is niet gebleken. Het betoog van de heffingsambtenaar faalt in zoverre.\n\n4.9.. De heffingsambtenaar stelt dat ten onrechte een wegingsfactor 1 is toegepast, en dat deze 0,5 moet bedragen. Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de toekenning van een proceskostenvergoeding de beoordelende instantie zelfstandig, op grond van een eigen waardering, dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Indien, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geklaagd over een door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding, toetst het hof ten volle de proceskostenvergoeding van de vorige procesfase. Deze toets ziet ook op het gewicht van de zaak.\n\n4.10.. In deze zaak speelden in eerste aanleg verschillende geschilpunten, waaronder de schending van de toezendplicht zoals bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De rechtbank heeft belanghebbende alleen ten aanzien van schending van de toezendplicht in het gelijk gesteld. Het hof ziet in de geschilpunten die bij de rechtbank voorlagen en de inhoudelijke behandeling daarvan, geen aanleiding om uit te gaan van een lager dan gemiddeld gewicht, en daarmee van een lagere wegingsfactor dan 1. Dit neemt niet weg dat gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), de proceskostenvergoeding kan worden gematigd. Dat kan als een belanghebbende uitsluitend in het gelijk wordt gesteld op een punt van ondergeschikt belang.Het hof ziet in de omstandigheid dat het beroep in eerste aanleg alleen voor wat betreft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geslaagd, geen aanleiding om de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, Bpb te matigen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het geschilpunt omtrent de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet van ondergeschikt belang was en er tevens een inhoudelijk debat is gevoerd over de WOZ-waarde. Een matiging van de proceskosten zou dan – gelet op de specifieke omstandigheden van deze zaak – te veel afbreuk doen aan de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en het belang van de zaak. Dit betekent dat ook dit betoog van de heffingsambtenaar faalt en dat diens incidentele hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het incidentele hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13.. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het incidenteel beroep bij het hof omdat het door de heffingsambtenaar ingestelde incidentele hoger beroep ongegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 punt x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak), is in totaal € 233,50.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nVergoeding van immateriële schade5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 233,50.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.1.\n\n Zie ook gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:345, r.o. 4.3.5.\n\n Vgl. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965.\n\n Hoge Raad 25 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.\n\n Vgl. Hoge Raad 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.\n\n Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1447.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1434","2026-07-13T00:28:56.209Z",{"id":98,"ecli":99,"slug":100,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":101,"fullText":102,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":53,"updatedAt":104},"867","ECLI:NL:GHSHE:2026:599","ecli-nl-ghshe-2026-599","2026-03-04T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 24\u002F1718 en 24\u002F1719\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 7 oktober 2024, nummers ROE 23\u002F3423 en 23\u002F3452, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2022 aanslagen toeristenbelasting en zuiveringsheffing (hierna: de aanslagen) opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende exploiteert een park met 35 chalets aan [adres] te [vestigingsplaats] . De activiteiten van belanghebbende bestaan volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (onder meer) uit het huisvesten van arbeidsmigranten.\n\n2.2.. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het belastingjaar 2022 een aanslag zuiveringsheffing van € 5.081,01 opgelegd op basis van 90,7 vervuilingseenheden.\n\n2.3.. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende daarnaast eveneens voor het belastingjaar 2022 een aanslag toeristenbelasting opgelegd. De aanslag toeristenbelasting van € 48.609,60 is berekend naar een totaal van 40.508 overnachtingen van arbeidsmigranten naar een tarief van € 1,20 per overnachting. De aanslag is vastgesteld conform de door belanghebbende ingediende aangifte, waarin staat vermeld:\n\n“6. Arbeidsmigranten (H11)\n\nAantal beschikbare slaapplaatsen 175\n\nAantal overnachtingen 40.508”\n\nGeen van deze arbeidsmigranten stond in het jaar 2022 ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna ook: BRP).\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.\n\nTer zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat het hoger beroep enkel ziet op het jaar 2022 (en niet op het jaar 2023).\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging dan wel vermindering van de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nZuiveringsheffing 2022 (zaaknummer 24\u002F1718)\n\n4.1.. \n\nBelanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij niet de gebruiker is van de 35 chalets en dat zij daarom geen zuiveringsheffing hoeft te betalen. Belanghebbende stelt – naar het hof begrijpt – dat een uitzendbureau de gebruiker is en wijst op een factuur van belanghebbende aan een uitzendbureau en een grootboekkaart.\n\nBelanghebbende stelt verder dat de aanslag zuiveringsheffing onjuist is berekend, omdat die volgens belanghebbende berekend moet worden door het aantal chalets (woningen) te vermenigvuldigen met 3 vervuilingseenheden. Belanghebbende verwijst in dit verband naar een uitspraak op bezwaar voor de WOZ over het belastingjaar 2023, waarin staat dat het object [adres] te [vestigingsplaats] ten onrechte is aangemerkt als ‘niet woning’.\n\nTot slot stelt belanghebbende dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.\n\nTer zitting heeft belanghebbende ondubbelzinnig en zonder voorbehoud afstand gedaan van zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel en de stelling dat de aanslag te hoog is vastgesteld vanwege corona.\n\n4.2.. De heffingsambtenaar heeft de stellingen van belanghebbende betwist.\n\n4.3.. \n\nIn artikel 122d Waterschapswet is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:\n\n“1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren.\n\n2. Aan de heffing worden onderworpen:\n\na. ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;\n\n(...)\n\n3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig:\n\n(...)\n\nc. in geval van het ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik: degene die die ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.”\n\n4.4.. In artikel 3 Verordening zuiveringsheffing Waterschap Limburg 2022 (hierna: de Verordening) is het volgende bepaald:\n\n“1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren.\n\n2. Aan de heffing worden onderworpen:\n\na. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik\n\nheeft van die ruimte;\n\n(…)\n\n3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingplichtig:\n\n(…)\n\nc. in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of be-\n\ndrijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat\n\ndegene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te\n\nverhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.\n\n4.5.. Ingevolge artikel 3, lid 2, aanhef en onderdeel a, Verordening wordt in overeenstemming met artikel 122d, lid 2, aanhef en onderdeel a, Waterschapswet – aan de zuiveringsheffing ter zake van het afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of een woonruimte onderworpen degene die het gebruik heeft van die ruimte. Uit artikel 3, lid 3, aanhef en onderdeel c, Verordening volgt – in overeenstemming met artikel 122d, lid 3, aanhef en onderdeel c, Waterschapswet – dat degene die een woonruimte of bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik ter beschikking stelt als heffingsplichtige wordt aangemerkt voor de zuiveringsheffing.\n\n4.6.. Tussen partijen is niet in geschil dat de chalets op het park in 2022 voor volgtijdig gebruik ter beschikking werden gesteld aan wisselende arbeidsmigranten.\n\n4.7.. Belanghebbende stelt dat zij niet als gebruiker in de zin van voormelde artikelen kan worden aangemerkt. De heffingsambtenaar betwist dit. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met de enkele verwijzing naar een factuur aan een uitzendbureau en de grootboekkaart niet aannemelijk gemaakt dat zij niet degene is die de chalets volgtijdig ter beschikking heeft gesteld als bedoeld in artikel 3, lid 3, aanhef en onderdeel c Verordening. Uit deze stukken kan niet worden afgeleid dat een ander dan belanghebbende in 2022 de chalets volgtijdig ter beschikking heeft gesteld. Naar het oordeel van het hof is belanghebbende derhalve terecht aangemerkt als heffingsplichtige voor de zuiveringsheffing.\n\n4.8.. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de aanslag moet worden vastgesteld op basis van 35 chalets (woningen) vermenigvuldigd met 3 vervuilingseenheden, overweegt het hof als volgt. Voor het vaststellen van de aanslag is de heffingsambtenaar uitgegaan van 90,7 vervuilingseenheden. De berekening van belanghebbende leidt tot 105 vervuilingseenheden. Nu de berekening van belanghebbende leidt tot een hoger aantal vervuilingseenheden dan waarvan bij het opleggen van de aanslag is uitgegaan, kan de stelling van belanghebbende – wat daar overigens ook van zij – haar niet in een betere positie brengen. Het hof zal daarom aan deze stelling voorbij gaan.\n\n4.9.. Met betrekking tot het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof als volgt. Het is aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft niet gesteld ten opzichte van wie of waarom sprake zou zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hof zal deze beroepsgrond dan ook verwerpen.\n\n4.10.. De slotsom is dat de aanslag zuiveringsheffing terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.\n\nToeristenbelasting 2022 (zaaknummer 24\u002F1719)\n\n4.11.. Op grond van artikel 224 Gemeentewet zijn gemeenten bevoegd een toeristenbelasting te heffen ter zake van het houden van verblijf binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de BRP zijn ingeschreven. In artikel 2 Verordening verblijfsbelasting Peel en Maas 2022 (hierna: de Verordening) is het volgende bepaald:\n\n“Onder de naam ‘verblijfsbelasting’ wordt een directe belasting geheven voor:\n\n1. het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven;\n\n2. het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, indien deze personen gedurende hun verblijf beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden verrichten voor of in opdracht van anderen.”\n\nIn artikel 5 Verordening is bepaald dat de belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar.\n\n4.12.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat, in weerwil van het in de aangifte genoemde aantal overnachtingen, moet worden uitgegaan van een lager aantal overnachtingen, omdat:\n\n- het park in 2022 nog niet volledig in bedrijf was;\n\n- in het totaal van de overnachtingen ook overnachtingen zijn begrepen van personen die ingeschreven hadden moeten worden in de BRP (vanwege verblijf langer dan 4 maanden), maar die ten onrechte niet zijn ingeschreven vanwege de omstandigheid dat (i) de gemeente in 2022 niet langs kwam op het park om de arbeidsmigranten in te schrijven in de BRP, en (ii) het niet mogelijk was om een inschrijving in de BRP te doen plaatsvinden bij het gemeentehuis vanwege coronamaatregelen.\n\nDe heffingsambtenaar heeft onder meer gesteld dat in 2022 geen sprake is geweest van sluiting van het gemeentehuis vanwege coronamaatregelen en dat inschrijving in de BRP bij het gemeentehuis gedurende het gehele jaar 2022 mogelijk was.\n\n4.13.. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding om uit te gaan van een lager aantal overnachtingen dan waarvan in (de aangifte en) de aanslag is uitgegaan. De enkele stelling, dat het park nog niet volledig in bedrijf was, is daarvoor onvoldoende. Verder staat vast dat in het jaar 2022 geen van de arbeidsmigranten als ingezetene met een adres in de gemeente in de BRP was ingeschreven. Derhalve is terecht uitgegaan van het totaal aantal overnachtingen van alle (niet in de BRP ingeschreven) arbeidsmigranten. Belanghebbende heeft zijn stelling dat inschrijving in de BRP bij het gemeentehuis in 2022 niet mogelijk was, gelet op de betwisting door de heffingsambtenaar, niet aannemelijk gemaakt. De gevolgen van het feit dat in 2022 geen van de arbeidsmigranten is ingeschreven in de BRP komen voor rekening en risico van belanghebbende. De omstandigheid dat de gemeente in andere jaren langskwam op het park (en op andere parken) om arbeidsmigranten in te schrijven in de BRP doet hier niet aan af.\n\n4.14.. Belanghebbende heeft nog gesteld dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat er in 2022 gemeenten zijn geweest die (i) vanwege de coronamaatregelen geen toeristenbelasting hebben geheven, (ii) een korting hebben verleend voor de toeristenbelasting of (iii) door de (rijks)overheid zijn gecompenseerd voor lagere inkomsten uit de toeristenbelasting. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, is de gemeente Peel en Maas niet gebonden aan wat andere gemeenten of de (rijks)overheid bepalen of beslissen met betrekking tot de (verordening inzake de) heffing (en inning) van toeristenbelasting. Er is dan ook geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.\n\n4.15.. Al hetgeen belanghebbende verder nog heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. De aanslag toeristenbelasting is terecht en tot het juiste bedrag opgelegd.\n\nTussenconclusie\n\n4.16.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.17.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.18.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.H. van Schaik, voorzitter, J.C.E. Ackermans-Wijn en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE.A.D. Dockx M.H. van Schaik\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:599","2026-07-13T00:28:52.059Z",{"id":106,"ecli":107,"slug":108,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":101,"fullText":109,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":110,"sourceTimestamp":101,"parsedAt":53,"updatedAt":111},"868","ECLI:NL:GHSHE:2026:598","ecli-nl-ghshe-2026-598","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F1070\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 juni 2024, nummer BRE 23\u002F1563, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft een voorlopige aanslag zuiveringsheffing voor het jaar 2022 (hierna: de aanslag) opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.\n\n1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .\n\n1.7.. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak). De onroerende zaak is een woning in de wijk [wijk] . De onroerende zaak beschikt over verschillende kamers, een keuken en een badkamer.\n\n2.2.. De onroerende zaak is tot 1 juli 2022 verhuurd geweest aan vijf mannen die allen zijn geboren in het jaar 2001 of 2002, met verschillende achternamen en nationaliteiten. Vanaf 1 juli 2022 is de onroerende zaak verhuurd aan vier nieuwe bewoners, die allen man zijn, geboren zijn in 1999 of 2000 en verschillende achternamen hebben. De bewoners beschikken ieder over hun eigen kamer. Beide huurovereenkomsten zijn voor een jaar aangegaan. In de huurovereenkomsten is door de bewoners verklaard dat zij tezamen één huishouden vormen. Verder is onder meer bepaald dat (i) de huurbetalingen vanaf één rekening dienen te gebeuren en (ii) het huurders (zonder schriftelijke toestemming) niet is toegestaan warme maaltijden te bereiden in de kamers. Hiervoor is een keuken in de woning beschikbaar. Tot slot is (iii) het intern wisselen van woonruimten binnen de onroerende zaak toegestaan, maar is het niet toegestaan om de huiskamer, badkamer en keuken te wijzigen in bestemming.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft een verklaring, gedagtekend 13 april 2023, overgelegd van de vier bewoners die de onroerende zaak vanaf 1 juli 2022 hebben gehuurd. Hierin is staat het volgende:\n\n“Geachte verhuurder,\n\nWe wonen hier met zijn allen als huishouden waarbij we samen leven, eten, dingen met elkaar doen, en voor elkaar zorgen voor onbepaalde tijd. Hebben u eerder stukken van boodschappen e.d. toegezonden en dat we met de Gemeente hebben gesproken.\n\nWe gebruiken geen aparte vakjes voor onszelf in de keuken, dat is ook goed te zien op de foto's. We zijn geen groep studenten. (…)”.\n\n2.4.. In de pleitnota van de heffingsambtenaar staat onder meer het volgende:\n\n“Voorts wil ik uw hof nog wijzen op de laatste bladzijde van bijlage 2-7 (huurovereenkomst 23-7-2021) bij mijn verweer aan de rechtbank. De laatste bladzijde van deze bijlage betreft namelijk de beëindiging van de huurovereenkomst, welke op 23-7-2021 was aangegaan. Dat er juist wel sprake moet zijn geweest van studenten blijkt uit deze opzegging welke door de toenmalige bewoners is opgesteld en ondertekend. Ik citeer:\n\n“De reden van de beëindiging van de huurovereenkomst is dat we een geschiktere en betaalbare woning hebben gevonden die dichter bij de school staat”.\n\nUit de Basisregistratie personen volgt dat iedere bewoner, na het verlaten van [adres] , ieder zijn eigen weg is gegaan. Zo is men verhuisd naar een gallerijflat, een studentenstudio, een niet zelfstandige wooneenheid van [naam] of een appartement voor een doelgroep.”.\n\nVerordening\n\n2.5.. De Verordening zuiveringsheffing waterschap Brabantse Delta 2022 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover van belang:\n\n“Artikel 1 Definities\n\nDeze verordening verstaat onder:\n\n(…)\n\n d. woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;\n\n e. bedrijfsruimte: een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering.\n\n(…)\n\nArtikel 3 Belastbaar feit en heffingsplicht\n\n1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.\n\n2. Aan de heffing worden onderworpen:\n\na. ter zake het afvoeren vanuit een woonruimte of een bedrijfsruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte;\n\n(…)\n\n3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, is heffingsplichtig:\n\na. in geval van gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden: degene die door de heffingsambtenaar BWB is aangewezen;\n\nb. in geval van gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in gebruik is gegeven: degene die dat deel in gebruik heeft gegeven met dien verstande dat degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;\n\nc. in geval van het voor volgtijdig gebruik ter beschikking stellen van een woonruimte of bedrijfsruimte: degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie de ruimte ter beschikking is gesteld.\n\nArtikel 15 Vervuilingswaarde van kleine bedrijfsruimten\n\n1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een zuiveringtechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden afgevoerd gesteld op drie vervuilingseenheden indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde minder dan vijf vervuilingseenheden bedraagt en op één vervuilingseenheid indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die één vervuilingseenheid of minder bedraagt.\n\n(…)\n\nArtikel 16 Vervuilingswaarde van woonruimten\n\n1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een woonruimte worden afgevoerd, gesteld op drie vervuilingseenheden. De vervuilingswaarde van de stoffen die vanuit een door één persoon gebruikte woonruimte worden afgevoerd, bedraagt één vervuilingseenheid.\n\n(…)\n\nArtikel 18 Tarief\n\n1. Het tarief bedraagt € 62,85 per vervuilingseenheid.\n\n2. Het tarief van een eenpersoonshuishouden bij gebruik van een woonruimte bedraagt € 62,85\n\n3. Het tarief van een meerpersoonshuishouden bij gebruik van een woonruimte bedraagt € 188,55”.\n\n2.6.. De heffingsambtenaar heeft voor de zuiveringsheffing de onroerende zaak als bedrijfsruimte aangemerkt. De voorlopige aanslag is opgelegd voor een bedrag van € 923,90 en is gebaseerd op 14,7 vervuilingseenheden.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of:\n\n1) de onroerende zaak moet worden aangemerkt als een bedrijfsruimte (standpunt heffingsambtenaar) of woonruimte (standpunt belanghebbende).\n\n2) de aanslag niet in stand kan blijven wegens schending van het gelijkheids-, motiverings-, rechtvaardigheids-, en\u002Fof evenredigheidsbeginsel.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nWoonruimte en bedrijfsruimte\n\n4.1.. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak van het waterschap inzake het zuiveren van afvalwater, wordt een zuiveringsheffing geheven ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of een woonruimte.\n\n4.2.. Belanghebbende stelt primair dat de onroerende zaak een woonruimte is in de zin van de Waterschapswet en de Verordening. Het hof zal daarom allereerst beoordelen of daarvan sprake is.\n\n4.3.. Voor toepassing van de zuiveringsheffing zijn de begrippen woonruimte en bedrijfsruimte gedefinieerd in artikel 122c Waterschapswet en in artikel 1, letter d en e van de Verordening. Onder woonruimte wordt verstaan een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven. Onder bedrijfsruimte wordt verstaan een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering. Uit jurisprudentie blijkt dat deze begrippen afwijken van hetgeen in het dagelijks spraakgebruik met woon- respectievelijk bedrijfsruimte wordt bedoeld.\n\n4.4.. De Waterschapswet bevat geen objectafbakeningsregels. Wel heeft de Hoge Raad in enkele arresten over de voorloper van de zuiveringsheffing, de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren, het begrip woonruimte ingevuld. Hetgeen in deze arresten is geoordeeld, geldt nog steeds, ook al is de verontreinigingsheffing per 1 januari 2009 voor gevallen als het onderhavige vervangen door de zuiveringsheffing.\n\n4.4.1.. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 juli 1984geoordeeld dat:\n\n“[t]ekst noch strekking van de [destijds in de Verordening opgenomen, met het huidige art. 122c onderdeel h Wsw overeenstemmende] bepaling (…) zich ertegen [verzet] om onder ,,woonruimten'' tevens te begrijpen gedeelten van gebouwen, mits het gaat om gedeelten die, wat betreft de woonfunctie, voldoende zelfstandigheid bezitten. Deze zelfstandigheid dient te worden afgeleid uit de inrichting van het gebouw, waarbij bepalend is in hoeverre de gebruiker van het desbetreffende gedeelte afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige, voor de woonfunctie wezenlijke voorzieningen.\n\n(…)\n\nVan een ruimte waaraan een wezenlijke voorziening als een keuken ontbreekt, kan niet worden gezegd dat de gebruiker ervan slechts bijkomstig van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen afhankelijk is.”.\n\n4.4.2.. Indien de bewoners van een gebouw of zelfstandig gedeelte daarvan (zoals een appartement) niet ieder afzonderlijk beschikken over wezenlijke voorzieningen (kookgelegenheid, wasgelegenheid, toilet), zijn de door hen bewoonde onzelfstandige delen van (het zelfstandige gedeelte van) het gebouw geen woonruimten.\n\n4.4.3.. De Hoge Raad heeft in het arrest van 14 juni 1995geoordeeld:\n\n“3.3. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat in het pand geen afzonderlijke woonruimten aanwijsbaar zijn. Daarvan uitgaande heeft het Hof de vraag of het pand is aan te merken als woonruimte terecht ervan doen afhangen (HR 23 juli 1984, nr. 22.178, BNB 1984\u002F282) of het pand ten dienste staat aan een gezin of een daarmee op één lijn staande leefeenheid. Die vraag heeft het Hof terecht ontkennend beantwoord. Het in 3.1 overwogene laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de bewoners van het onderhavige pand door de stichting en haar medewerkers dag en nacht worden opgevangen en begeleid en dat hun huisvesting onder verantwoordelijkheid van de stichting en haar medewerkers plaats vindt. Alsdan kan niet worden gezegd dat sprake is van een woonruimte die ten dienste staat van een gezin of een daarmee gelijk te stellen leefeenheid.”.\n\n4.5.. De bewoners van de onroerende zaak delen de essentiële (woon)voorzieningen zoals de keuken en badkamer met elkaar. Aangezien kennelijk slechts sprake is van één ruimte die voorziet in woongelegenheid als hiervoor bedoeld en de bewoners geen ruimten hebben die als afzonderlijk geheel voor hen kan voorzien in woongelegenheid zonder dat zij afhankelijk zijn van gemeenschappelijke voorzieningen, moet vervolgens naar de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad worden beoordeeld of het gehele pand als woonruimte kan worden aangemerkt. Dit is slechts het geval als het pand ten dienste staat van een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid.Dit laatste vindt geen steun in door partijen aangevoerde feiten. De bewoners wonen weliswaar samen in de onroerende zaak, maar dat tussen hen als bewoners een zodanige betrekking, samenhang of bindende factor bestaat, waardoor zij gelijk te stellen zijn met een gezin is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Het hof heeft aan dit oordeel mede ten grondslag gelegd dat de heffingsambtenaar onweersproken heeft gesteld dat uit zijn onderzoek in de Basisregistratie Personen volgt dat de bewoners genoemd in de huurovereenkomst die tot 1 juli 2022 liep zich op verschillende data hebben uitgeschreven op het adres van de onroerende zaak en dat de vier bewoners genoemd in de met ingang van 1 juli 2022 gesloten huurovereenkomst naar (doelgroep)appartementen op verschillende adressen in [woonplaats] zijn vertrokken. De voor een gezin kenmerkende duurzaamheid in de personele samenstelling ontbreekt daardoor. Verder ligt aan dit oordeel ten grondslag dat de bewoners genoemd in de huurovereenkomst die tot 1 juli 2022 liep als reden van opzegging hebben aangegeven dat ze “een geschiktere en betaalbare woning hebben gevonden die dichter bij de school staat”.Het lijkt er daarom veeleer op dat sprake is van studenten die een kamer voor zichzelf, met gebruik van gemeenschappelijke delen hebben gehuurd. De omstandigheid dat de bewoners hebben verklaard samen een huishouden te vormen en de huurbetalingen van één rekening moeten worden betaald doet hier niet aan af. Evenmin doet aan dit oordeel af dat kamerverhuur niet zou zijn toegestaan, zoals belanghebbende heeft gesteld. Het hof is daarom van oordeel dat de onroerende zaak voor de toepassing van de Waterschapswet en de Verordening geen woonruimte is.\n\n4.6.. \n\nDe volgende te beantwoorden vraag is of de onroerende zaak een bedrijfsruimte is.\n\nVolgens artikel 122c, onderdeel i, Waterschapswet en artikel 1, letter e van de Verordening is een bedrijfsruimte: “een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringstechnisch werk of een riolering”.\n\n4.7.. Onder 4.5 heeft het hof geoordeeld dat de onroerende zaak geen woonruimte is. Uit de onder 2.1 vermelde feiten volgt dat de onroerende zaak evenmin een zuiveringstechnisch werk of riolering is. Uit die feiten volgt verder dat de onroerende zaak wel een naar haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte is. Bij dit laatste neemt het hof in aanmerking dat feiten op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat binnen de onroerende zaak twee of meer als een afzonderlijk geheel te beschouwen ruimten te onderscheiden zijn, niet zijn gesteld en evenmin zijn gebleken.\n\n4.8.. Het hof is gelet op voorgaande van oordeel dat de onroerende zaak een bedrijfsruimte is.\n\nSchending van het gelijkheids-, motiverings-, rechtvaardigheids- en\u002Fof evenredigheidsbeginsel?\n\n4.9.. Belanghebbende heeft gesteld dat de aanslag niet in stand kan blijven omdat het omgevingsplan expliciet stel dat huishoudens in de ruimste zin zijn toegestaan, dus niet enkel gezinnen of vergelijkbare structuren. Volgens belanghebbende is de aanslag daarom opgelegd in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet gelet op het overwogene in 4.5. Dat volgens het omgevingsplan huishoudens in de ruimste zin zijn toegestaan is niet relevant voor de kwalificatie woonruimte of bedrijfsruimte. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar voor gelijke gevallen een aanslag bedrijfsruimte achterwege heeft gelaten.\n\n4.10.. Belanghebbende heeft gesteld dat de rechtbank het motiveringsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank is uitgegaan van onjuiste feiten omdat sprake is van één huurder en niet meerdere huurders. Verder heeft de rechtbank de feiten niet juist beoordeeld omdat in de huurovereenkomst juist duidelijk vermeld staat dat de huurder een huishouden vormt en kamerverhuur expliciet niet is toegestaan. Deze klacht slaagt niet gelet op het vastgestelde in 2.2 en het overwogene in 4.5.\n\n4.11.. Belanghebbende heeft ten slotte ook nog gesteld dat sprake is van schending van het rechtvaardigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Volgens belanghebbende is de aanslag onredelijk bezwarend. Het zou redelijk zijn als de huurder de zuiveringsheffing betaalt. Ook deze klachten slagen niet. Gelet op het oordeel van het hof dat de onroerende zaak een bedrijfsruimte is en het bepaalde in artikel 3 van de Verordening heeft de heffingsambtenaar belanghebbende terecht aangeslagen. Het hof merkt in dit verband ten overvloede op dat in artikel 3 van de Verordening ook is bepaald dat in geval van een bedrijfsruimte degene die het deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven. Dat de aanslag onredelijk bezwarend is voor belanghebbende is door hem niet aannemelijk gemaakt.\n\n4.12.. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.\n\nTussenconclusie\n\n4.13.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het verzoek om schadevergoeding\n\n4.14.. Er is geen reden voor een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) omdat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.15.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.16.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, J.M. van der Vegt en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE.A.D. Dockx C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 122d van de Waterschapswet.\n\n ECLI:NL:HR:1984:AW8591, BNB 1984\u002F283.\n\n ECLI:NL:HR:1995:AA1584, BNB 1995\u002F253.\n\n Vgl. de hiervoor genoemde arresten HR 23 juli 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8590, BNB 1984\u002F282 en HR 14 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1584, BNB 1995\u002F253.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:598","2026-07-13T00:28:52.098Z",{"id":113,"ecli":114,"slug":115,"caseNumber":48,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":116,"summary":48,"language":7,"source":50,"sourceUrl":117,"sourceTimestamp":118,"parsedAt":53,"updatedAt":119},"1369","ECLI:NL:GHSHE:2024:699","ecli-nl-ghshe-2024-699","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 22\u002F00148\n\nTussenuitspraak als bedoeld in hoofdstuk V, afdeling 2a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 december 2021, nummer SHE 19\u002F3481, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Vught,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2019 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en vervolgens met dagtekening 14 september 2022 een aanvulling op het verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 1 juni 2023 in ’sHertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [taxateur] (de taxateur) en [heffingsambtenaar] .\n\n1.6.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en\u002Fof stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan.\n\n1.7.. De enkelvoudige kamer van het hof heeft vervolgens bepaald dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. Tevens heeft de meervoudige kamer vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord.\n\n1.8.. Het hof heeft vervolgens besloten tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.\n\n1.9.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om de Hoge Raad prejudiciële vragen voor te leggen alsmede over de inhoud van die vragen. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 15 februari 2024. De heffingsambtenaar heeft gereageerd bij brief van 19 februari 2024.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een rijwoning met bouwjaar 1936. De woning is gelegen in [woonplaats] en heeft een inhoud van 338 m3 en beschikt over twee aanbouwen van gezamenlijk 34 m3, een vrijstaande berging van 35 m3 en een dakkapel. Het perceel heeft een oppervlakte van 143 m2.\n\n2.2.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2018 bij beschikking van 28 februari 2019 vastgesteld op € 253.000.\n\n2.3.. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van zijn standpunt bij brief van 14 september 2022 een taxatierapport overgelegd, opgesteld door [taxateur] (hierna: de taxateur). In het taxatierapport worden de volgende referentiepanden opgenomen, alle gelegen in [woonplaats] :\n\nReferentiepand\n\nVerkoopdatum\n\nVerkoopprijs\n\n [adres 2]\n\n16-09-2019\n\n€ 289.500\n\n [adres 3]\n\n03-04-2017\n\n€ 312.500\n\n [adres 4]\n\n02-11-2018\n\n€ 325.000\n\n [adres 5]\n\n03-07-2017\n\n€ 333.000\n\n [adres 6]\n\n24-08-2017 en 16-07-2018\n\n€ 237.500 en € 359.000\n\n [adres 7]\n\n15-07-2018\n\n€ 347.500\n\nTer zitting bij de rechtbank en bij het hof heeft de heffingsambtenaar referentieobject [adres 2] uit de vergelijking gehaald gelet op de transactiedatum. [adres 6] is tweemaal gebruikt voor de onderbouwing van de waarde, omdat een transactiecijfer van zowel in 2017 als in 2018 beschikbaar is. Bij het taxatierapport is een matrix gevoegd, waarin de vastgestelde WOZ-waarde wordt herleid uit bovenstaande verkopen.\n\n2.4.. In de bezwaarfase heeft de heffingsambtenaar stukken ter inzage gelegd. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van zijn inzagerecht. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase verzocht om de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren. De heffingsambtenaar heeft de grondstaffel pas in hoger beroep verstrekt. De heffingsambtenaar heeft geen gebruik gemaakt van de KOUDV- en liggingsfactoren.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft de heffingsambtenaar de indexering van de verkoopcijfers voldoende inzichtelijk gemaakt?\n\nIs de WOZ-waarde naar een te hoog bedrag vastgesteld?\n\nHeeft de heffingsambtenaar artikel 40 Wet WOZ geschonden en wat zijn de gevolgen voor de proceskostenvergoeding?\n\nHeeft belanghebbende recht op een vergoeding voor immateriële schade en zo ja, voor welk bedrag?\n\nIndien belanghebbende uitsluitend ten aanzien van vraag iv in het gelijk wordt gesteld, heeft hij dan recht op vergoeding van het griffierecht?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 223.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. In verband met de hierna te stellen prejudiciële vragen beperkt het hof deze tussenuitspraak tot de in geschil zijnde vragen iv en v, en gaat het hof er – in verband met de beantwoording van vraag v – veronderstellenderwijs vanuit dat de vragen i, ii en iii, in het nadeel van belanghebbende worden beantwoord.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft bij brief van 19 juni 2023 verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft in dat kader aangevoerd dat het bezwaarschrift bij de heffingsambtenaar op 22 maart 2019 is ingekomen en dat de redelijke termijn van vier jaar is overschreden.\n\n4.3.. \n\nDe heffingsambtenaar heeft in reactie daarop gesteld dat:\n\n(i) het niet aannemelijk is dat sprake is van spanning en frustratie bij belanghebbende, omdat – gelet op de werkwijze van zogenoemde no-cure-no-pay-bureaus – moet worden betwijfeld dat belanghebbende op de hoogte is van de procedure;\n\n(ii) er geen sprake is van spanning en frustratie, omdat belanghebbende in de verstrekte machtiging reeds afstand heeft gedaan van een te ontvangen vergoeding ten gunste van gemachtigde;\n\n(iii) de vergoeding voor immateriële schade moet worden gematigd, omdat het financiële belang bij de door belanghebbende verdedigde waardevermindering ver onder de € 500 ligt en slechts € 115,89 bedraagt, bestaande uit vermindering van onroerendezaakbelasting, watersysteemheffing en inkomstenbelasting;\n\n(iv) de vergoeding voor immateriële schade in dit soort geschillen moet worden beperkt tot € 50 per half jaar overschrijding, onder verwijzing naar diverse uitspraken van rechtbanken.\n\n4.4.. Het hof is bekend met de conclusie van de Advocaat-Generaal van 17 november 2023.Het hof onderschrijft de door hem getrokken conclusies, inhoudende dat de vergoeding voor immateriële schade in procedures over de WOZ en de Bpm in beginsel moet worden vastgesteld op € 50 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn, de vergoeding moet worden gemaximeerd op het pleitbare financiële belang bij de procedure en de bagatelgrens fors hoger moet worden gesteld dan € 15.\n\n4.5.. In beginsel ligt het in de rede om de beslissing van de Hoge Raad in de desbetreffende zaak af te wachten. Het hof acht echter de kans zeer wel aanwezig dat de Hoge Raad in die voorliggende zaak zich niet zal uitlaten over deze kwesties, aangezien het voor de beslissing in die zaak niet noodzakelijk is om op het punt van de vergoeding voor immateriële schade in te gaan op de voorstellen van de Advocaat-Generaal. Dit heeft te maken met het feit dat het financiële belang – afgezien van de nevenbeslissingen – slechts € 0,80 bedraagt. In dat geval zal de rechtspraktijk nog lange tijd in onzekerheid verkeren of de door diverse rechtbanken ingezette lijn om over te gaan tot het vergoeden van lagere bedragen bij overschrijding van de redelijke termijn in cassatie stand houdt en ook over de andere vraagpunten waarover de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd komt dan geen duidelijkheid. Om die reden heeft het hof besloten om in de onderhavige zaak prejudiciële vragen te stellen, aangezien deze zaak naar het oordeel van het hof uitermate geschikt is om op korte termijn helderheid te krijgen over de in de rechtspraktijk opgeworpen vraagpunten rond de vergoeding voor immateriële schade.\n\n4.6.. Het hof zal hierna de door de heffingsambtenaar verdedigde standpunten (zie onder 4.3 hiervoor) bespreken en vervolgens de prejudiciële vragen formuleren.\n\n4.7.. De heffingsambtenaar heeft in de eerste plaats gesteld dat moet worden betwijfeld of belanghebbende op de hoogte is van de procedure en dat om die reden geen sprake is van spanning of frustratie. Het hof verwerpt dit standpunt. De heffingsambtenaar heeft slechts gesteld en op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet op de hoogte is van deze procedure. Belanghebbende heeft een machtiging afgegeven voor het voeren van deze procedure. Uitgangspunt is dan ook dat daaruit mag worden afgeleid dat belanghebbende op de hoogte is van het bestaan van deze procedure. Het had op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om zijn stelling nader met bewijs te onderbouwen, bijvoorbeeld door navraag te doen bij belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft dat kennelijk niet gedaan en slechts volstaan met een blote stelling zonder nadere onderbouwing.\n\n4.8.. In de tweede plaats stelt de heffingsambtenaar dat geen sprake is van spanning en frustratie, omdat belanghebbende in de verstrekte machtiging reeds afstand heeft gedaan van een te ontvangen vergoeding ten gunste van de gemachtigde. In de door belanghebbende ondertekende machtiging is slechts het recht op vergoeding van proceskosten overgedragen aan gemachtigde. Over een eventuele vergoeding voor immateriële schade wordt niets gezegd. Het is het hof echter bekend dat gemachtigde algemene voorwaarden hanteert (te vinden op de website van gemachtigde) waarin is bepaald dat gemachtigde het recht heeft om ook andere rechten op schadevergoeding, die voortvloeien uit een handelen en\u002Fof nalaten van het bestuursorgaan dan wel de rechterlijke organisatie, te vorderen en dat de toegekende schadevergoeding in dat geval toekomt aan gemachtigde. Het is het hof niet bekend of deze algemene voorwaarde ook al gold ten tijde van het ondertekenen van de volmacht. Het hof gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat dit het geval is.\n\n4.9.. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juni 2017 geoordeeld dat aan de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in de weg staat dat aan de belanghebbende bijstand wordt verleend op basis van ‘no cure no pay’ en dat daaraan evenmin in de weg staat dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding voor immateriële schade aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald.De heffingsambtenaar heeft verwezen naar enkele uitspraken van rechtbanken die in andere zin hebben geoordeeld. Dit roept de vraag op of de ontwikkelingen in de rechtspraktijk en met name de wijze waarop sommige rechtsbijstandverleners opereren, aanleiding vormen om thans tot een ander oordeel te komen. Het hof is – evenals gerechtshof Amsterdam– geneigd die vraag ontkennend te beantwoorden. Om helderheid op dat punt te verkrijgen zal het hof op dit punt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorleggen. Hieraan staat niet in de weg dat inmiddels op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmis bepaald dat betaling van een dergelijke schadevergoeding aan de belanghebbende zelf dient plaats te vinden en dat dergelijke vorderingen tot uitbetaling niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding. Dit sluit immers niet uit dat partijen afspraken maken over het vervolgens doorbetalen van een dergelijke vergoeding aan de rechtsbijstandverlener.\n\n4.10.. In de derde plaats meent de heffingsambtenaar dat reden voor matiging van de vergoeding voor immateriële schade op zijn plaats is vanwege het geringe financiële belang. De heffingsambtenaar heeft het financiële belang berekend op € 115,89. Belanghebbende heeft dit niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat.\n\n4.10.1.. De Hoge Raad heeft in het arrest van 24 februari 2017geoordeeld dat bij een financieel belang van ten hoogste € 15 kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder toekenning van een schadevergoeding (bagatelgrens). De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie bepleit om de bagatelgrens fors te verhogen. Het hof onderschrijft die visie. Relevant in dat verband is hetgeen de Advocaat-Generaal in onderdeel 8.12 van zijn conclusie opmerkt, dat de door de Hoge Raad gehanteerde bagatelgrens moeilijk te verenigen lijkt met de rechtspraak van de Hoge Raad als boeterechter, op grond waarvan bij een boete van niet meer dan € 1.000 geen matiging plaatsvindt bij overschrijding van de redelijke termijn.Een lijn die onlangs nog is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 19 januari 2024.\n\n4.10.2.. Naast de hierboven vermelde bagatelgrens, wordt door de Advocaat-Generaal geadviseerd om de vergoeding voor immateriële schade te maximeren op het pleitbare financiële belang van de zaak. In de onderhavige zaak bedraagt dat belang € 115,89. Naarmate de bagatelgrens hoger wordt gesteld, zal wellicht minder behoefte bestaan aan een dergelijke maximering. Desalniettemin lijkt niet goed verdedigbaar dat bij een belang van € 115,89 een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van minimaal € 500 wordt toegekend.\n\n4.11.. Ten slotte heeft de heffingsambtenaar verdedigd dat in het geval een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, deze op € 50 per overschrijding van zes maanden moet worden gesteld overeenkomstig de door hem genoemde uitspraken van diverse rechtbanken. Ook de Advocaat-Generaal adviseert die benadering toe te passen. Het hof onderschrijft ook dat advies. Daaraan doet niet af dat inmiddels via de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm is voorzien in een vergoeding van € 50 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Deze wettelijke bepaling geldt immers pas voor vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn aanvangt na 1 januari 2024.\n\n4.12.. Zoals onder 4.5 hiervóór is opgemerkt acht het hof de kans aanwezig dat de Hoge Raad niet toekomt aan de beantwoording van de door de Advocaat-Generaal opgeworpen vragen. De kans is immers reëel dat de Hoge Raad het oordeel van het hof volgt dat het financiële belang slechts € 0,80 bedraagt en dat om die reden geen recht bestaat op een vergoeding voor immateriële schade.\n\n4.13.. Het hof is in 2023 begonnen met het registreren van het aantal gevallen waarin hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank waarin is geoordeeld dat bij overschrijding van de redelijke termijn de vergoeding voor immateriële schade moet worden beperkt tot € 50 per half jaar overschrijding. Op dit moment zijn dit 57 zaken en aannemelijk is dat dit aantal (fors) zal toenemen omdat de rechtbanken vermoedelijk nog geen aanleiding zien om van de door hen ingezette lijn af te wijken.\n\n4.14.. Indien het hoger beroep ongegrond is – dat wil zeggen indien de vragen i, ii en iii, in het nadeel van belanghebbende worden beantwoord – komt de vraag op of belanghebbende naast een proceskostenvergoeding ook recht heeft op vergoeding van griffierecht. Het hof constateert dat rechterlijke instanties daar verschillend over oordelen.\n\n4.14.1.. De Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest van 19 februari 2016overwogen:\n\n“3.14.1. Indien de rechter het (hoger) beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb toekent, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende te laten vergoeden en, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14\u002F01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015\u002F198). Dit is niet anders indien de rechter over de vergoeding van immateriële schade beslist in een afzonderlijke, nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, lid 2, Awb.”\n\n4.14.2.. Andere bestuursrechtershebben in gevallen waarin Titel 8:4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is, geoordeeld dat in het geval geen griffierecht is verschuldigd voor het afzonderlijke gedane verzoek om schadevergoeding,er geen aanleiding bestaat voor het vergoeden van griffierecht, dus ook niet het griffierecht voor het beroep of hoger beroep over het schadeveroorzakende besluit.\n\n4.14.3.. Het gerechtshof Amsterdam heeft in een geschil betreffende een heffing van lagere overheden in gelijkluidende zin geoordeeld.Ook diverse rechtbanken volgen (inmiddels) die lijn.\n\n4.14.4.. De vraag is of het onderscheid dat hier wordt gemaakt tussen enerzijds procedures waarop titel 8:4 Awb van toepassing is en procedures waarin de schadevergoeding wordt toegekend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb, juist is. De enige reden dat op grond van artikel 8:94, lid 2, Awb geen griffierecht is verschuldigd, is gelegen in het feit dat al griffierecht is voldaan in de procedure tegen het besluit. Dat geldt echter evenzeer voor procedures waarin titel 8:4 Awb nog niet van toepassing is. Ook in dat geval kan geen sprake zijn van het tweemaal heffen van griffierecht.\n\n4.15.. Het hof hanteert tot op heden de lijn dat ook in zaken van lagere overheden en de vennootschapsbelasting, griffierecht moet worden vergoed indien het hoger beroep weliswaar ongegrond is, maar aanleiding bestaat tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. Het hof acht dit nog steeds de juiste lijn, maar daarover kan worden getwijfeld gelet op de onder 4.14.2 en 4.14.3 vermelde rechtspraak.\n\n4.16.. Om voormelde redenen zal het hof de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorleggen:\n\nBeslissing\n\nHet hof verzoekt de Hoge Raad de volgende vragen door middel van een prejudiciële beslissing te beantwoorden:\n\n1. Staat een beding waarin is overeengekomen dat een door de rechter te bepalen vergoeding voor immateriële schade ten goede komt aan de rechtsbijstandverlener, in de weg aan het toekennen van een dergelijke vergoeding aan de belanghebbende?\n\n2. Dient de zogenoemde ‘bagatel-grens’ van € 15 - waarbij kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden zonder dat een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend - te worden verhoogd en zo ja, tot welk bedrag?\n\n3. Dient de vergoeding voor immateriële schade te worden gemaximeerd op het pleitbare financiële belang bij de procedure?\n\n4. Dient de vergoeding voor immateriële schade in procedures over de WOZ (en eventueel andere heffingen) te worden gemaximeerd op € 50 per zes maanden overschrijding?\n\n5. Dient griffierecht te worden vergoed in zaken waarin titel 8:4 Awb van toepassing is en het (hoger) beroep in de hoofdzaak ongegrond is, maar een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend?\n\nHet hof houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat de Hoge Raad naar aanleiding van de vorenstaande vragen uitspraak heeft gedaan.\n\nDeze tussenuitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe uitspraak is ondertekend door de griffier, en door A.J. Kromhout, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nE. Royakkers A.J. Kromhout\n\nTegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open (artikel 28, lid 5 Algemene wet inzake rijksbelastingen). Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).\n\n Vergelijk rechtbank Noord-Holland 8 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:10940 en rechtbank Den Haag 13 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5695.\n\n O.a. rechtbank Midden-Nederland 21 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5547 en rechtbank Midden-Nederland 12 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2269.\n\n Conclusie Advocaat-Generaal Wattel van 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042.\n\n Het gerechtshof ArnhemLeeuwarden heeft in een uitspraak 9 januari 2024 expliciet afgezien van het stellen van prejudiciële vragen over de onderhavige problematiek, zie ECLI:NL:GHARL:2024:245, r.o. 4.6.\n\n Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3.\n\n Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3466, r.o. 4.4.\n\n Staatsblad 2023, 507.\n\n Hoge Raad 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, r.o. 2.3.\n\n Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3.\n\n Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:50, r.o. 4.3.1.\n\n De vraag of aanleiding bestaat tot een lagere vergoeding dan € 500 per overschrijding van zes maanden speelt overigens niet alleen in WOZ- en bpm-zaken, maar ook in andere zaken, zoals bijvoorbeeld zaken over de parkeerbelasting.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Centrale Raad van Beroep 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102, r.o. 3.3 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1160, r.o. 6.1.\n\n Artikel 8:94, lid 2, Awb in verbinding gelezen met artikel 8:91, lid 1, Awb.\n\n Gerechtshof Amsterdam 12 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3068, r.o. 2.3.\n\n Vergelijk Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1032, r.o. 2.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:699","2024-03-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:18.303Z",20]