[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-property-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":33,"total":16,"page":25,"limit":108},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},76,"property-tax-nl","Property Tax","NL","2026-07-08T16:54:48.713Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},9,{"min":18,"max":19},"2024-03-06T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[21,26,30],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"121962","Burgerlijk Wetboek","art. 3:3",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122665","Algemene wet bestuursrecht","art. 3:41",{"provisionId":31,"code":28,"article":32,"count":25},"122793","art. 6:22",[34,45,54,61,70,77,84,91,100],{"id":35,"ecli":36,"slug":37,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":39,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":41,"sourceTimestamp":42,"parsedAt":43,"updatedAt":44},"1076","ECLI:NL:RBOBR:2026:4781","ecli-nl-rbobr-2026-4781","","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F1298\n uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant\n\n(gemachtigde: S.A. Van Eck).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ-waarde van haar woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2023.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning met de beschikking van 30 september 2023 vastgesteld op € 280.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar woning 2023 en de aanslag watersysteemheffing gebouwd 2023 opgelegd.\n\n1.2.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd naar € 248.000 en de opgelegde aanslagen verminderd.\n\n1.3.. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd met een conclusie van repliek.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft gereageerd met een conclusie van dupliek. Eiseres heeft daarop nog gereageerd.\n\n1.6.. De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.\n\n1.7.. De rechtbank heeft partijen tijdens de zitting doorverwezen naar mediation en de behandeling van de zaak geschorst. Het mediationtraject heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil.\n\n1.8.. Eiseres heeft nadere stukken ingediend.\n\n1.9.. De rechtbank heeft de behandeling op 5 februari 2026 op zitting voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.\n\nFeiten\n\n2. Eiseres is eigenaar van de woning, een vrijstaande bedrijfswoning uit 1990. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 165 m2 en een serre van 20 m2. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 405 m².\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n4. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nZijn het verweerschrift en de dupliek te laat ingediend?\n\n5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het verweerschrift en de dupliek van de heffingsambtenaar niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Het verweerschrift is namelijk buiten de door de rechtbank bepaalde termijn van 16 september 2024 op 23 september 2024 ingediend en de dupliek is binnen de 10 dagentermijn ingediend. De rechtbank begrijpt dat eiseres bedoelt dat het verweerschrift vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten en de dupliek wegens schending artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten beschouwing moet worden gelaten, waarin is bepaald dat tot tien dagen voor de zitting partijen nadere stukken kunnen indienen. De hiervoor genoemde bepaling beoogt een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Binnen het kader van de goede procesorde heeft de rechter de mogelijkheid stukken al dan niet in de procedure toe te laten. Een goede procesorde brengt mee dat de rechter de inhoud van de stukken alleen aan het oordeel ten grondslag legt als de andere partij voldoende in de gelegenheid is geweest daarvan kennis te nemen en daarop te reageren.De termijn van tien dagen is dus geen harde grens; stukken die gelet op die termijn op tijd zijn ingediend, maar die vanwege bijvoorbeeld hun omvang de wederpartij niet meer in staat stellen om er adequaat op te reageren, kunnen alsnog worden geweigerd. En stukken die gelet op die termijn te laat zijn ingediend, maar waarop gelet op hun inhoud of beperkte omvang een wederpartij nog prima kan reageren, kunnen toch worden toegelaten.\n\n5.1.. De (eerste) zittingsdag was op 12 december 2024 en de heffingsambtenaar heeft het stuk op 2 december 2024 ingediend. In beginsel is dat in strijd met artikel 8:58, eerste lid, van de Awb en dus te laat. De rechtbank constateert echter dat eiseres uitgebreid heeft kunnen reageren in haar reactie van 5 december 2024 op de dupliek. Daarnaast heeft eiseres doordat de zaak wegens mediation is geschorst haar stellingen kunnen aanvullen. De rechtbank betrekt daarom de dupliek bij de beoordeling. Aangezien er na indiening van het verweerschrift gelegenheid is geweest voor re- en dupliek en eiseres daarna ook nog heeft gereageerd op de dupliek, is er ook geen aanleiding om het verweerschrift buiten beschouwing te laten wegens schending van de goede procesorde.\n\nFormele stellingen van eiseres\n\n6. Eiseres voert aan dat de heffingsambtenaar niet op al haar bezwaren heeft gereageerd. Eiseres vindt verder dat het taxatieverslag niet voldoet aan het wettelijk vastgelegde model taxatieverslag. Ook staat er een aantal onjuistheden in en wijst zij erop dat de foto’s van de vergelijkingsobjecten ontbreken. Verder zijn zonder haar toestemming foto’s van haar woning openbaar gemaakt, wat een aantasting is van haar privacy. Ook voert zij aan dat dat de heffingsambtenaar dezelfde onderbouwing geeft als hij heeft gegeven tegen de vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar 2022, terwijl daarover een procedure is gevoerd bij de rechtbank en daarover uitspraakis gedaan. Zij handhaaft de in die procedure aangevoerde bezwaren.\n\n6.1.. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stellingen. In de bestreden uitspraak is de heffingsambtenaar op de door eiseres aangevoerde gronden ingegaan. Maar ook al zou het onvoldoende gemotiveerd zijn dan nog leidt dat niet tot een gegrond beroep. Volgens vaste rechtspraakhoeft het enkele feit dat een aanslag onzorgvuldig is voorbereid, niet te leiden tot vernietiging van die aanslag. Eventuele onzorgvuldigheden en onjuistheden\u002Fmotiveringsgebreken in de uitspraak op bezwaar kunnen in beroep worden hersteld en hoeven niet te betekenen dat de waardevaststelling onjuist is. Verder vindt de rechtbank niet dat eiseres is benadeeld doordat er geen foto’s van de vergelijkingsobjecten in het taxatieverslag staan. De vergelijkingsobjecten liggen op relatief korte afstand van de woning. Eiseres heeft de vergelijkingsobjecten zelf van dichtbij kunnen bekijken door daarbij langs te gaan, wat zij ook heeft gedaan. De rechtbank overweegt verder dat de heffingsambtenaar de foto’s van de woning heeft gebruikt in de beroepszaak van eiseres. Daarmee zijn de foto’s niet openbaar gemaakt. Zittingen van de belastingrechter vinden namelijk achter gesloten deuren plaats, juist om de privacy van de belastingplichtige te borgen. De heffingsambtenaar moet zich in beroep kunnen verweren tegen de stellingen van eiseres dat hij de waarde op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Om aan zijn bewijslast te voldoen heeft de heffingsambtenaar zich genoodzaakt gezien om fotomateriaal te verzamelen en aan de dossiers toe te voegen. Dit fotomateriaal dient er ook toe om de rechtbank inzicht te geven op basis van welke uitgangspunten de heffingsambtenaar de woning heeft getaxeerd. Tot slot heeft eiseres niet kenbaar gemaakt welke bezwaren eiseres tegen de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2022 naar voren heeft gebracht en waarom die moeten leiden tot een geslaagd beroep. De enkele overlegging van het betreffende beroepschrift over dat belastingjaar is daarvoor onvoldoende. De beroepsgronden slaagt niet.\n\nHet verzoek om foto’s uit het bestand van de heffingsambtenaar te laten verwijderen\n\n7. Eiseres verzoekt de rechtbank om de heffingsambtenaar op te dragen foto’s van haar woning uit zijn bestand te laten verwijderen en dit te bevestigen. De belastingrechter beoordeelt slechts of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld en heeft dus niet de bevoegdheid om over een verzoek zoals dat hier door eiseres is gedaan, te oordelen. Zij gaat er daarom aan voorbij.\n\nWaarde van de woning\n\n8. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2023. De waardepeildatum is 1 januari 2022.\n\n9. Eiseres vindt dat de waarde € 203.877 moet zijn. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning onderbouwd met een taxatierapport en een waardematrix. Met dit taxatierapport, opgesteld op 12 november 2024 door gediplomeerd WOZ-taxateurs [naam] en [naam] is de WOZ-waarde (€ 248.000) bepaald op een lager bedrag, namelijk € 215.000.\n\n10. Aangezien het waardestandpunt van de heffingsambtenaar in beroep lager is dan de beschikte WOZ-waarde, is het beroep alleen al om die reden gegrond. De rechtbank begrijpt het standpunt van de heffingsambtenaar aldus dat hij in beroep van mening is, dat de WOZ-waarde op € 215.000 moet worden vastgesteld. De rechtbank zal beoordelen of de heffingsambtenaar de nieuw bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n11. Eiseres heeft de objectafbakening van de woning niet aan de orde gesteld. Van een onjuiste objectafbakening is ook de rechtbank niet gebleken. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep daarom uit van wat daarover is opgenomen in het taxatierapport van de heffingsambtenaar.\n\n12. Eiseres heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar is uitgegaan van een onjuist aantal vierkante meters gebruikersoppervlakte, omdat hij in strijd met de meetinstructie het vloeroppervlak van de zolder heeft meegerekend. Tijdens de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat hij het vloeroppervlak van de zolder buiten beschouwing heeft gelaten in zijn nieuwe waardestandpunt. De rechtbank constateert dat partijen hierover niet (meer) met elkaar van mening verschillen.\n\n13. De heffingsambtenaar heeft de waarde in de beroepsfase onderbouwd door de woning te vergelijken met vijf objecten, te weten: Het [adres] in [woonplaats] , [adres] in [woonplaats] , [adres] in [woonplaats] , [adres] in [woonplaats] , en [adres] in [woonplaats] . Deze woningen worden de vergelijkingsobjecten genoemd. De waardeonderbouwing is opgenomen in een waardematrix. De vergelijkingsobjecten zijn vrijstaande bedrijfswoningen die binnen een jaar rond de waardepeildatum zijn verkocht. De heffingsambtenaar heeft de transactieprijzen geïndexeerd naar de waardepeildatum. In het taxatierapport en de waardematrix heeft de heffingsambtenaar de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de door hem benoemde waarderelevante verschillen.\n\n14. Eiseres voert aan dat de onderbouwing van de heffingsambtenaar niet inzichtelijk is. Gelet op het black box-arrest moet een gemeente op een inzichtelijke en controleerbare wijze uitleg moeten kunnen geven over de onderbouwing van een WOZ-waarde die zij hebben berekend ook als deze berekend is aan de hand van geautomatiseerd modelberekening. Dat heeft de heffingsambtenaar niet gedaan. Verder wijst zij erop dat er verschillen zijn tussen de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten zoals deze staan geregistreerd in het WOZ-waardeloket en de BAG en de gegevens waarvan de heffingsambtenaar in de matrix is uitgegaan. Volgens eiseres heeft de heffingsambtenaar ook onvoldoende rekening gehouden met de ligging van de woning; er komen windmolens en mogelijk een mestfabriek in de buurt van de woning. Eiseres verwijst ook naar haar bezwaargrond die ziet op de haven. Eiseres vindt dat het taxatierapport meerdere fouten bevat. Het grootste deel van de tuin ligt op het noorden respectievelijk noord-oosten in plaats van het zuiden waar de heffingsambtenaar van uitgaat. Er is een perceel grond van een andere eigenaar opgenomen bij de tuin. Ook het dak van de woning is niet gemiddeld en zij kan de waardering van de serre, aanbouw bij de woning en de inpandige garage niet volgen. Eiseres wijst erop dat de heffingsambtenaar een compromisvoorstel van € 215.000 heeft gedaan en dat dit hetzelfde is als de taxatie. Volgens haar is de taxatie ‘fake’.\n\n15. De heffingsambtenaar wijst erop dat voor de ligging van de woning een correctie is toegepast die resulteert in een factor 1, waarmee rekening is gehouden met de nadelige omgevingsfactoren, waaronder de geplande windmolen en mogelijke mestfabriek. Hij wijst verder op de door hem overgelegde luchtfoto, waaruit blijkt dat een substantieel gedeelte van de tuin en de tuindeur zich op het zuiden bevinden. Verder stelt de heffingsambtenaar dat de waarden van de verschillende onderdelen van de woning, zoals de serre, aanbouw en de inpandige correct zijn vastgesteld. Over het door hem aangeboden compromisvoorstel van € 215.000 licht de heffingsambtenaar toe dat de oorspronkelijk vastgestelde WOZ-waarde van € 280.000 naar aanleiding van het beroepschrift bij het compromisvoorstel is verlaagd naar € 215.000, in lijn met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 december 2023, waarbij de WOZ-waarde van de woning voor belastingjaar 2022 op € 215.000 is vastgesteld in goede justitie.In het kader van een compromis en naar aanleiding van deze uitspraak is de vierkante meterprijs verlaagd naar € 921, wat resulteert in een totale taxatiewaarde van € 215.000. Deze correcties zijn zorgvuldig en inzichtelijk doorgevoerd. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep deze waarde.\n\n16. De rechtbank ziet aanleiding om allereerst in te gaan op het nieuwe waardestandpunt van € 215.000 en het door partijen aangeduide ‘compromisvoorstel’. De rechtbank begrijpt uit de stellingen over en weer dat de heffingsambtenaar naar aanleiding van de uitspraak van 22 december 2023 van deze rechtbank, waarin de waarde voor het belastingjaar 2022 per waardepeildatum 1 januari 2021 in goede justitie is bepaald op € 215.000, aan eiseres bij wijze van compromis heeft aangeboden om ook voor het belastingjaar 2023 de WOZ-waarde vast te stellen op € 215.000. Dit voorstel zou dan in de plaats komen van de bij aanslag vastgestelde WOZ-waarde van € 280.000. Eiseres heeft dit voorstel niet aanvaard. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar de woning opnieuw getaxeerd en een taxatierapport en matrix opgesteld, waaruit volgt dat de waarde van de woning € 215.000 is voor het belastingjaar 2023. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft op de zitting verklaard dat nadat het compromisvoorstel is afgewezen, er een matrix voor de waarde-onderbouwing is toegevoegd. De eenheidsprijs is daarin bepaald om uit te komen bij € 215.000, aldus de gemachtigde. Ook heeft de gemachtigde verklaard dat het geen toeval is dat de matrix uitkomt op € 215.000. De heffingsambtenaar handhaaft de matrix ter onderbouwing van het nieuwe waardestandpunt. De rechtbank kan deze werkwijze van de heffingsambtenaar niet volgen. Het heeft er namelijk alle schijn van dat – nadat eiseres het compromisvoorstel heeft afgewezen – de heffingsambtenaar met de door hem opgestelde waardematrix en bijbehorende taxatierapport heeft toegerekend naar een waarde, in dit geval € 215.000, om aan te sluiten bij de door de rechtbank bepaalde waarde voor het kalenderjaar 2022. Zo is bij de eenheidsprijs een waardeaftrek toegepast van € 9.040. Een steekhoudende, onderbouwende toelichting hiervoor ontbreekt. De rechtbank wijst er bovendien op dat het doel en de strekking van de Wet WOZ met zich brengen dat de waarde van een onroerende zaak voor elk belastingtijdvak opnieuw wordt bepaald aan de hand van feiten en omstandigheden die zich voordoen op of rond de waardepeildatum. De WOZ-waarde van een eerder jaar vormt niet een feit of omstandigheid dat relevant is voor de huidige waardepeildatum. Dit betekent dat er voor de waardebepaling in deze zaak geen betekenis toekomt aan een uitspraak van de rechtbank die gaat over een eerdere waardepeildatum. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het taxatierapport en de matrix verwerpt als onderbouwing van het nieuwe waardestandpunt van de heffingsambtenaar. Nu er geen andere onderbouwing ten grondslag ligt aan het waardestandpunt van de heffingsambtenaar, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar ook de in beroep verdedigde waarde niet aannemelijk heeft gemaakt. Bij deze stand van zaken behoeven de andere argumenten van eiseres niet te worden behandeld.\n\nHeeft eiseres de waarde aannemelijk gemaakt?\n\n17. Eiseres bepleit een waarde van € 203.877. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij is uitgegaan van de waarde van € 215.000 die door de rechtbank voor het belastingjaar 2022 is vastgesteld en een correctie vanwege de gebruikersoppervlakte van de zolder heeft toegepast. Eiseres heeft dezelfde indexering van 8,81% als de heffingsambtenaar heeft gehanteerd en komt dan op dit bedrag uit. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen, alleen al omdat de waarde is gebaseerd op de WOZ-waarde voor een andere waardepeildatum. Eiseres heeft ook geen andere stukken overgelegd die de door haar bepleite waarde aannemelijk maken.\n\n18. Omdat geen van beide partijen is geslaagd om de waarde aannemelijk te maken, bepaalt de rechtbank de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2023 op de waardepeildatum 1 januari 2022 in goede justitie op € 210.000. De rechtbank zal verder bepalen dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerende zaaksbelasting en de watersysteemheffing gebouwd overeenkomstig die waarde vermindert en dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak.\n\nSchadevergoeding\n\n19. Eiseres vraagt om een schadevergoeding van een symbolisch bedrag van € 25, omdat het haar veel tijd en geld kost om onder andere de referentielocaties te bezoeken en alle fouten van de heffingsambtenaar te weerleggen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de heffingsambtenaar jegens eiseres door en\u002Fof vanwege deze procedure schadeplichtig is geworden en wijst het verzoek daarom af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht terug dat door de heffingsambtenaar moet worden betaald. Zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten omdat de werkzaamheden van de gemachtigde van eiseres gelet op het besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking komen.\n\n21. Eiseres heeft nog verzocht om te bepalen dat de heffingsambtenaar de wettelijke rente vergoedt over de door haar op de aanslag teveel betaalde belasting en andere vergoedingen. De rechtbank wijst dit verzoek af. Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen geldt op grond van artikel 231 van de Gemeentewet de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990. Artikel 28a e.v. van de Invorderingswet 1990 bevat een regeling voor de vergoeding van invorderingsrente. Voor vergoeding van wettelijke rente over het bedrag waarmee de aanslag wordt verminderd is daarnaast geen grond (ECLI:NL:HR:2005:AT2884). Het met ingang van 1 juli 2009 in artikel 4:102, lid 1, van de Awb bepaalde omtrent de vergoeding van de wettelijke rente is ingevolge artikel 4:103 van de Awb niet van toepassing indien bij formele wet een andere regeling omtrent verzuim en de gevolgen daarvan is getroffen. Dit is voor de heffing van (gemeentelijke) belastingen het geval (MvT, Kamerstukken II 2003\u002F04, 29 702, blz. 52).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;\n\nstelt de waarde van de woning per de waardepeildatum van 1 januari 2022, voor het kalenderjaar 2023, vast op € 210.000 en vermindert de voor dat kalenderjaar opgelegde aanslagen onroerende zaaksbelasting en watersysteemheffing gebouwd overeenkomstig die waarde;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak op bezwaar;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiseres het betaalde griffierecht van € 51 moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzitter, en mr. M. Cune en mr. F.J.H.L. Makkinga, leden, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.\n\n Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4948.\n\n Rb. Oost-Brabant 19 februari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:555.\n\n Zie de arresten van de Hoge Raad van 28 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146, en 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5668 of: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:396\n\n ECLI:NL:RBOBR:2023:6003.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4781","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:02.833Z",{"id":46,"ecli":47,"slug":48,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":50,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":43,"updatedAt":53},"976","ECLI:NL:RBOBR:2026:4416","ecli-nl-rbobr-2026-4416","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F4373\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant\n\n(gemachtigde: S.A. van Eck RT),\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ-waarde van haar woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2024.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning met de beschikking van 25 februari 2024 vastgesteld op € 430.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2023 en voor het kalenderjaar 2024. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar woning 2024 en de watersysteemheffing gebouwd 2024 opgelegd.1.2.. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 16 november 2024 (de bestreden uitspraak) de waarde gehandhaafd.\n\n1.3.. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd met aanvullende gronden en bijlagen.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft nadere stukken ingediend en daar heeft eiseres op gereageerd.\n\n1.6.. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.\n\nFeiten\n\n2. Eiseres is eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] . De woning is een twee-onder-een-kap woning met bouwjaar 1998. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 108 m2, een zolder en een vrijstaande garage van 25 m². De woning heeft ook een berging en een carport. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 262 m².\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n4. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWaarde van de woning\n\n5. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2024. De waardepeildatum is 1 januari 2023.\n\n6. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Daarbij zal de rechtbank betrekken wat eiseres daartegen heeft aangevoerd. Als eiseres een beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens haar tot een lagere waarde van de woning leiden, moet zij stellen, en bij betwisting bewijzen, dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt zij daarin, dan moet de heffingsambtenaar vervolgens aannemelijk maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden.Alleen als de heffingsambtenaar niet aan de bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiseres de door haar verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Als ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter de waarde zelf in goede justitie vaststellen.\n\n7. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning onderbouwd met een waardematrix. Met deze waardematrix is de WOZ-waarde (€ 430.000) bepaald op een lager bedrag, namelijk € 417.000.\n\n8. Aangezien dit waardestandpunt van de heffingsambtenaar in beroep lager is dan de beschikte WOZ-waarde, is het beroep alleen al om die reden gegrond. De rechtbank begrijpt het standpunt van de heffingsambtenaar aldus dat hij in beroep van mening is, dat de WOZ-waarde op € 417.000 moet worden vastgesteld. Eiseres is het daarmee niet eens en vindt dat de WOZ-waarde lager moet worden vastgesteld. Gelet hierop zal de rechtbank beoordelen of de heffingsambtenaar de nieuw bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n9. Eiseres heeft de objectafbakening van de woning niet aan de orde gesteld. Van een onjuiste objectafbakening is ook de rechtbank niet gebleken. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep daarom uit van wat daarover is opgenomen in de waardematrix van de heffingsambtenaar.\n\n10. Eiseres heeft gesteld dat zij in beroep al haar bezwaren handhaaft. Dit vormt echter geen argument waarop de rechtbank inhoudelijk zal ingaan. Op de bezwaargronden is namelijk gereageerd met de uitspraak op bezwaar. Het is dan aan eiseres om concreet te benoemen welke geschilpunten er in beroep nog aan de orde zijn. De rechtbank kijkt dus alleen naar wat eiseres concreet in beroep heeft aangevoerd.\n\n11. Het taxatieverslag dat in de bezwaarfase door de heffingsambtenaar is verstrekt, voldoet volgens eiseres niet aan de vereisten die de Waarderingskamer eraan stelt. Volgens de Waarderingskamer dienen foto’s van vergelijkbare objecten te worden aangegeven. Dit heeft de heffingsambtenaar niet gedaan.\n\n12. Het model taxatieverslag is geen algemeen verbindende rechtsregel waaraan de rechtbank gebonden is. In de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (de Regeling) is onder bijlage 4 een model-taxatieverslag opgenomen. De Regeling vloeit voort uit het Uitvoeringsbesluit onderbouwing en uitvoering waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (het Besluit). Uit het Besluit valt op te maken dat de Regeling richtlijnen betreft. De rechtbank ziet niet in dat eiseres door het ontbreken van deze foto’s in haar belangen geschaad is. Het argument treft geen doel.\n\n13. Eiseres betwijfelt in algemene zin de deskundigheid, onafhankelijkheid en integriteit van de door de heffingsambtenaar ingeschakelde taxateur, alsmede of diens handelen in overeenstemming is met de richtlijnen van het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (NRVT). De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om daaraan te twijfelen en evenmin gronden die kunnen leiden tot een gegrond beroep. Deze beroepsgronden slagen niet.\n\n14. De heffingsambtenaar heeft gebruik gemaakt van een vergelijkingsmethode voor de waardering van de woning. De heffingsambtenaar heeft voor die waardebepaling de woning vergeleken met vier rondom de peildatum verkochte vergelijkingsobjecten, te weten [adres] , [adres] , [adres] en [adres] alle in [woonplaats] . Met de onderlinge verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten is bij de waardebepaling rekening gehouden. De verkoopprijzen zijn door de heffingsambtenaar geïndexeerd naar de waardepeildatum. De rechtbank is van oordeel dat de waardebepaling van de heffingsambtenaar in zoverre niet op onjuiste uitgangspunten berust.\n\n15. Eiseres is van mening dat de heffingsambtenaar bij de waardering van de woning is uitgegaan van onjuiste objectgegevens, omdat de heffingsambtenaar de zolder ten onrechte heeft opgenomen in de gebruiksoppervlakte van de woning. Op grond van de meetinstructie van de Waarderingskamer had de zolder niet meegenomen mogen worden. Verder voert eiseres aan dat in de waardematrix alleen de prijs per m2 van het woningdeel inzichtelijk is gemaakt. De overige onderdelen zoals o.a. carport, grond, garage, zolder, etc., zijn op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Ook worden de correcties niet onderbouwd. Eiseres kan de correctie van de buurtcode niet volgen, omdat de vergelijkingsobjecten volgens haar in dezelfde buurt liggen. De gemiddelde m2-prijs voor grond is niet conform de grondprijzenbrief van de gemeente Oss. Eiseres kan ook niet volgen dat er verschillen zijn tussen het bij de WOZ-aanslag overgelegde taxatieverslag en de waardematrix die de heffingsambtenaar heeft overgelegd in beroep. Verder wijst eiseres op de verschillen in oppervlakte en waarde van de vergelijkingsobjecten tussen de waardematrix en die staan vermeld in het WOZ-waardeloket. Ook benoemt eiseres de verschillen in m2-prijs van de aanbouw van de vergelijkingsobjecten. Eisers wijst er verder op dat volgens haar geen rekening is gehouden met het energielabel.\n\n16. De rechtbank heeft op de zitting aan de orde gesteld dat het taxatierapport van de woning in het dossier ontbreekt. Desgevraagd kon de heffingsambtenaar deze ter zitting niet overleggen. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar weliswaar een waardematrix ten grondslag heeft gelegd aan de door hem bepleite waarde, maar dat de daarin opgenomen gegevens niet controleerbaar zijn. In het licht van de gemotiveerde betwisting van deze onderbouwing door eiseres, leidt dit tot het oordeel dat de heffingsambtenaar ook de nieuwe bepleite waarde niet aannemelijk heeft gemaakt.\n\nWelke waarde stelt de rechtbank vast?\n\n17. Eiseres heeft zelf geen concreet waardestandpunt ingenomen. Omdat zowel eiseres als de heffingsambtenaar geen WOZ-waarde aannemelijk hebben gemaakt, ziet de rechtbank aanleiding het geschil met toepassing van art 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb finaal te beslechten. Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, stelt de rechtbank de waarde in goede justitie vast op € 405.000. De aanslagen OZB en watersysteemheffing dienen dienovereenkomstig te worden verminderd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht terug dat door de heffingsambtenaar moet worden betaald. Zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten omdat de werkzaamheden van de gemachtigde van eiseres gelet op het besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking komen.\n\n19. Eiseres heeft nog verzocht om te bepalen dat de heffingsambtenaar de wettelijke rente vergoedt over de door haar op de aanslag teveel betaalde belasting en andere vergoedingen. De rechtbank wijst dit verzoek af. Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen geldt op grond van artikel 231 van de Gemeentewet de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990. Artikel 28a e.v. van de Invorderingswet 1990 bevat een regeling voor de vergoeding van invorderingsrente. Voor vergoeding van wettelijke rente over het bedrag waarmee de aanslag wordt verminderd is daarnaast geen grond (ECLI:NL:HR:2005:AT2884). Het met ingang van 1 juli 2009 in artikel 4:102, lid 1, van de Awb bepaalde omtrent de vergoeding van de wettelijke rente is ingevolge artikel 4:103 van de Awb niet van toepassing indien bij formele wet een andere regeling omtrent verzuim en de gevolgen daarvan is getroffen. Dit is voor de heffing van (gemeentelijke) belastingen het geval (MvT, Kamerstukken II 2003\u002F04, 29 702, blz. 52).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;\n\nstelt de waarde van de woning per de waardepeildatum van 1 januari 2023, voor het kalenderjaar 2024, vast op € 405.000 en vermindert de voor dat kalenderjaar opgelegde aanslagen OZB en watersysteemheffing gebouwd overeenkomstig die waarde;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak op bezwaar;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiseres het betaalde griffierecht van € 51 moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzitter, en mr. M. Cune en mr. F.J.H.L. Makkinga, leden, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.\n\n Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)\n\n Hoge Raad, 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:571.\n\n Hoge Raad, 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (Oostflakkee-arrest).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4416","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:57.191Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":49,"fullText":58,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":43,"updatedAt":60},"995","ECLI:NL:RBOBR:2026:4417","ecli-nl-rbobr-2026-4417","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F1948\n uitspraak van de meervoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant\n\n(gemachtigde: S.A. van Eck RT).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ-waarde van haar woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2023.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning met de beschikking van 22 februari 2023 vastgesteld op € 393.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar woning 2023 en de aanslag watersysteemheffing gebouwd 2023 opgelegd.1.2.. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024 (de bestreden uitspraak) de waarde gehandhaafd.\n\n1.3.. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd met een conclusie van repliek.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.\n\n1.6.. De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.\n\n1.7.. De rechtbank heeft partijen tijdens de zitting doorverwezen naar mediation en de behandeling geschorst. Het mediationtraject heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil.\n\n1.8.. Eiseres heeft nadere stukken ingediend.\n\n1.9.. De rechtbank heeft de behandeling op 5 februari 2026 op zitting voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen:de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.\n\nFeiten\n\n2. Eiseres is eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] . De woning is een twee-onder-een-kap woning met bouwjaar 1998. De woning bestaat uit een hoofdgebouw van 108 m2, een zolder van 25 m2 en een vrijstaande garage van 25 m². De woning heeft ook een berging en een carport. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 262 m².\n\nObjectkenmerken\n\n3. De heffingsambtenaar heeft in zijn conclusie van dupliek de grootte van de carport aangepast van 17 m2 naar 16 m2 en van de berging van 7 m2 naar 6 m2. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres bevestigd akkoord te zijn met deze wijzigingen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n5. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nIs het verweerschrift te laat ingediend?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het verweerschrift buiten beschouwing moet worden gelaten wegens schending van de goede procesorde, omdat het verweerschrift kort voor de zitting is ingediend. De rechtbank heeft op de eerste zitting beslist daarvoor geen aanleiding te zien, omdat eiseres inhoudelijk op het verweerschrift heeft kunnen reageren. Eiseres heeft na die beslissing aangevoerd dat zij niet in de gelegenheid is geweest om alles goed uit te zoeken. Gelet op de schorsing van de zaak wegens mediation en de mogelijkheid om de stellingen aan te vullen nadat de mediation niet tot een minnelijke regeling heeft geleid, is dat geen aanleiding om terug te komen van deze beslissing.\n\nFormele stellingen van eiseres\n\n7. Eiseres voert aan dat de heffingsambtenaar de zaakstukken op grond van artikel 40 lid 2 van de Wet WOZ aan eiseres moet verstrekken. Er wordt volgens haar niet voldaan aan het black-boxarrest. Verder voert eiseres aan dat de heffingsambtenaar onvoldoende gereageerd op haar bezwaren. Ook voert zij aan dat dat de heffingsambtenaar dezelfde onderbouwing geeft als hij heeft gegeven tegen de vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar 2022, terwijl daarover een procedure is gevoerd bij de rechtbank en daarover uitspraakis gedaan. Zij handhaaft de in die procedure aangevoerde bezwaren. Eiseres vindt tot slot dat het taxatieverslag geen onderbouwing bevat. Er worden enkel kenmerken vermeld, maar geen onderbouwde cijfers.\n\n7.1.. De rechtbank volgt eiseres niet in deze stellingen. Eiseres heeft in de bezwaarfase kennis kunnen nemen van het taxatieverslag, de grondstaffel en de KOUDV-factoren van het betreffende object en de referentiewoningen. Dit stelde eiseres volgens de heffingsambtenaar in staat om de bij de waardebepaling gebruikte gegevens en aannames te controleren en daarop een gemotiveerde reactie te geven, zoals de door de heffingsambtenaar terecht is aangevoerd. Eiseres heeft niet gesteld dat zij om extra en\u002Fof andere gegevens heeft verzocht. Dat is volgens een arrest van de Hoge Raad een vereiste om een schending van artikel 40 lid 2 van de Wet WOZ te kunnen vaststellen.De rechtbank ziet in het dossier verder geen grond voor het oordeel dat de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met het black-boxarrest. Zij vindt ook niet dat de bestreden uitspraak onvoldoende is gemotiveerd of onzorgvuldig tot stand is gekomen. In de bestreden uitspraak is de heffingsambtenaar op de door eiseres aangevoerde gronden ingegaan. Maar ook al zou het onvoldoende gemotiveerd zijn dan nog leidt dat niet tot een gegrond beroep. Volgens vaste rechtspraakhoeft het enkele feit dat een aanslag onzorgvuldig is voorbereid, niet te leiden tot vernietiging van die aanslag. Eventuele onzorgvuldigheden en onjuistheden\u002Fmotiveringsgebreken in de uitspraak op bezwaar kunnen in beroep worden hersteld en hoeven niet te betekenen dat de waardevaststelling onjuist is. Dit geldt ook voor eiseres’ stelling dat het taxatieverslag niet voldoet. Tot slot heeft eiseres niet kenbaar gemaakt welke bezwaren eiseres tegen de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2022 naar voren heeft gebracht en waarom die moeten leiden tot een geslaagd beroep. De beroepsgronden slagen niet.\n\nHet verzoek om foto’s uit het bestand van de heffingsambtenaar te laten verwijderen\n\n8. Eiseres heeft gesteld dat de heffingsambtenaar beschikt over foto’s van haar woning en verzoekt de rechtbank om de heffingsambtenaar op te dragen die foto’s uit zijn bestand te laten verwijderen en dit te bevestigen. De belastingrechter beoordeelt slechts of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld en heeft dus niet de bevoegdheid om over een verzoek zoals dat hier door eiseres is gedaan, te oordelen. Zij gaat er daarom aan voorbij.\n\nWaarde van de woning\n\n9. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2023. De waardepeildatum is 1 januari 2022.\n\n10. Eiseres vindt dat de waarde € 312.700 moet zijn. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning onderbouwd met een taxatierapport en een waardematrix. Met dit taxatierapport, opgesteld op 11 november 2024 door taxateur N. Elfers, is de WOZ-waarde (€ 393.000) getaxeerd op € 393.000.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft de waarde in de beroepsfase onderbouwd door de woning te vergelijken met vier objecten, te weten: [adres] in [woonplaats] , [adres] in [woonplaats] , [adres] in [woonplaats] en [adres] in [woonplaats] . Deze woningen worden de vergelijkingsobjecten genoemd. De waardeonderbouwing is opgenomen in een waardematrix. De vergelijkingsobjecten zijn twee-onder-een-kap woningen die binnen een jaar rond de waardepeildatum zijn verkocht. De heffingsambtenaar heeft de transactieprijzen geïndexeerd naar de waardepeildatum. In het taxatierapport en de waardematrix heeft de heffingsambtenaar de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de door hem benoemde waarderelevante verschillen. Dat heeft tot gevolg gehad dat de taxateur een m²-prijs van € 1.926 per m² voor de woning heeft gehanteerd. Daarmee heeft de heffingsambtenaar voldoende de verschillen tot uitdrukking gebracht. Ook is een grondstaffel met een toelichting daarop bijgevoegd. De rechtbank is van oordeel dat de waardebepaling van de heffingsambtenaar in zoverre niet op onjuiste uitgangspunten berust.\n\n12. Wat eiser in beroep aanvoert brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank bespreekt die gronden hierna.\n\n12.1.. Eiseres vraagt zich af wat de verhouding is tussen de grond en de opstallen, omdat deze door de heffingsambtenaar is gewijzigd en niet is onderbouwd. Het is hierdoor onduidelijk wat de verhouding tussen de grond- en woningcomponent en de bijgebouwen is. Daarnaast wijkt de grondprijs waarmee in de taxatie is gerekend, af van de grondprijzen waarmee gemeente Oss rekent. Eiseres verwijst naar de grondprijzenbrief 2022-2023 van deze gemeente.\n\n12.2.. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat uit onderzoek bleek dat de verhouding tussen de grond- en opstalcomponenten in eerdere jaren niet optimaal was, waardoor de grondwaarde relatief laag en de opstalwaarde relatief hoog werd ingeschat. In reactie hierop heeft in het nieuwe taxatiemodel, dat geldt vanaf belastingjaar 2023, een verschuiving plaatsgevonden. Het aandeel in de WOZ-waarde voor de grond is vergroot ten opzichte van het aandeel voor de opstallen. Dit is ook een gevolg van de algemene marktontwikkelingen op de woningmarkt. Deze wijzigingen zijn in het taxatiemodel ingevoerd en consistent toegepast voor zowel de woning als de referentiewoningen, waardoor de marktconforme WOZ-waarde gelijk blijft. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Verder stelt de rechtbank vast dat de WOZ-waarde is gebaseerd op de vergelijkingsmethode, waarbij de heffingsambtenaar in dit geval vier transacties heeft gehanteerd. De grondprijzenbrief, die geen betrekking heeft op het in geschil zijnde belastingjaar, brengt de rechtbank daarom niet aan het twijfelen. Dit argument slaagt niet.\n\n12.3.. Eiseres voert aan dat het niet duidelijk is op wat voor manier de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de staat van het onderhoud van de woning. Een concrete onderbouwing ontbreekt. Zij voert aan dat de keuken, sanitair, cv-ketel, wandafwerking badkamer en toiletten sterk zijn verouderd en gedateerd (24 jaar).\n\n12.4.. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stellingen. Voorop staat dat de rechtbank de vaststelling van een correctie(factor) door een taxateur niet op juistheid kan beoordelen. Zo’n vaststelling betreft namelijk geen juridische kwestie en is ook geen vaststelling van een ‘hard’ feit, maar een taxatietechnische waardering. Uitgangspunt is dat de vaststelling van deze correcties op het terrein van een taxateur als de deskundige ligt. De rechtbank kan de vaststelling – voor zover zij wordt betwist – bijvoorbeeld beoordelen op begrijpelijkheid in het licht van onder andere de toelichting door de taxateur, de gegevens in het dossier, wat de andere partij tegen de vaststelling aanvoert, en de reactie daarop van de taxateur. De heffingsambtenaar heeft erop gewezen dat de taxateur in het kader van de beroepsprocedure een inpandige opname heeft uitgevoerd. Tijdens deze opname gaf eiseres echter geen toestemming voor het maken van foto’s. Op basis van de inspectie en mondelinge toelichting heeft de taxateur de staat van onderhoud als gemiddeld beoordeeld, waarbij de verschillen met referentieobjecten zijn meegewogen. De inpandige opname is verwerkt in het rapport en de matrix. Eiseres heeft in beroep zelf foto’s overgelegd, maar gelet op de toelichting van de heffingsambtenaar doet dat de rechtbank niet twijfelen aan het oordeel van de taxateur. De stellingen van eiseres treffen geen doel.\n\n12.5.. Eiser heeft aangevoerd dat de zolderruimte niet als gebruiksoppervlakte moet worden meegenomen omdat die niet verwarmd is. De heffingsambtenaar heeft toegelicht dat hij dit in beroep heeft herzien en dat de zolder is geclassificeerd als bergzolder (overige inpandige ruimte), conform de meetinstructie. Verder heeft hij in de aangepaste matrix onderbouwd dat deze aanpassing geen effect heeft op de beschikte WOZ-waarde. De rechtbank kan deze toelichting volgen.\n\n12.6.. Eiseres heeft over de matrix opgemerkt dat de daarin vermelde WOZ-waarde van de referentieobjecten niet overeenkomen met de WOZ-waarde zoals vermeld in het WOZ-waardeloket. De heffingsambtenaar heeft er terecht op gewezen dat in de matrix de WOZ-waarde bepaald is op basis van gecorrigeerde transactieprijzen, die zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum. De verkoopprijzen van de referentieobjecten worden vermeld in het taxatierapport en de matrix, niet de WOZ-waarden. Het argument slaagt niet.12.7.. Eiseres heeft verder de correctie van +8,1% voor het referentieobject [adres] betwist en stelt dat dit onjuist is. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de correctie juist is toegepast. Hij heeft toegelicht dat het referentieobject is beoordeeld met een lagere kwaliteit (kwaliteit 2), waarvoor een negatieve correctie van -7,5% is toegepast. Om dit object weer vergelijkbaar te maken met een woning van gemiddelde kwaliteit (kwaliteit 3), is de negatieve correctie ongedaan gemaakt door een positieve correctie van +8,1% toe te passen. Dit verschil ontstaat omdat het terugrekenen naar een oorspronkelijke waarde altijd een iets hoger percentage vereist dan de oorspronkelijke correctie. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Het argument treft geen doel.\n\n12.8.. Eiseres heeft een waarde van € 312.700 bepleit. Deze waarde is gebaseerd op de argumenten die eiseres heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar beroepsgrond dat de waarde te hoog is vastgesteld. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, slagen deze argumenten niet. Met de door haar bepleite waarde heeft eiseres daarom geen twijfel gezaaid over de juistheid van de waarde die de heffingsambtenaar heeft vastgesteld.\n\n12.9.. Nu geen van de door eiseres aangedragen argumenten doel treft, slaagt haar beroepsgrond dat de heffingsambtenaar de waarde te hoog heeft vastgesteld, niet. De conclusie is daarom dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.\n\nHet verzoek van eiseres om schadeloosstelling\n\n13. Eiseres vraagt om een schadeloosstelling. Daartoe voert zij aan dat zij niet op alle stellingen van de heffingsambtenaar heeft kunnen reageren en haar rechten worden ontnomen. Volgens eiseres is het wettelijk zo bepaald dat zij niet in aanmerking komt voor een schadeloosstelling, maar zij vindt dat vanwege alle onvolkomenheden van de heffingsambtenaar een schadeloosstelling op zijn plaats is. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de heffingsambtenaar jegens eiseres door en\u002Fof vanwege deze procedure schadeplichtig is geworden en wijst het verzoek daarom af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de WOZ-waarde gehandhaafd blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzitter, en mr. M. Cune, en mr. F.J.H.L. Makkinga, leden, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.\n\n Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)\n\n HR 17 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316.\n\n Rb. Oost-Brabant 19 februari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:555.\n\n HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, rechtsoverweging 3.2.4, HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, rechtsoverweging 4.3.1, HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, rechtsoverwegingen 5.2 en 5.16.\n\n Zie de arresten van de Hoge Raad van 28 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146, en 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5668 of: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:396","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4417","2026-07-13T00:28:58.049Z",{"id":62,"ecli":63,"slug":64,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":66,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":67,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":43,"updatedAt":69},"949","ECLI:NL:GHSHE:2026:1435","ecli-nl-ghshe-2026-1435","2026-06-03T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F1697\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 27 oktober 2023, nummer SHE 22\u002F2045 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Reusel-De Mierden,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) voor het jaar 2022 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .\n\n1.6.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een vrijstaande woning uit 1932. De woning, gelegen in [woonplaats] , bestaat uit een hoofdbouw met een oppervlakte van 154 m², een vrijstaande garage met een oppervlakte van 35 m² en een berging van 31 m². Verder is er sprake van asbest. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 545 m².\n\n2.2.. De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 355.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 330.000 en de aanslag OZB evenredig verminderd. Aan belanghebbende is een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend van € 538.\n\n2.3.. De heffingsambtenaar heeft in beroep een taxatiematrix overgelegd, opgesteld op 26 juli 2023 door [heffingsambtenaar] , WOZ-gediplomeerd taxateur. In de matrix is de waarde van de woning bepaald op € 352.000. De taxateur heeft de volgende vergelijkingsobjecten in aanmerking genomen:\n\n- [adres 2] te [woonplaats] , verkocht op 11 maart 2020 voor € 350.000;\n\n- [adres 3] te [woonplaats] , verkocht op 12 juni 2020 voor € 292.000;\n\n- [adres 4] te [woonplaats] , verkocht op 16 juni 2020 voor € 375.000.\n\n2.4.. \n\nIn de matrix zijn de kenmerken van de woning en de vergelijkingsobjecten vermeld, en de koopprijzen zijn geïndexeerd naar de waardepeildatum en onderverdeeld over de verschillende objectkenmerken.\n\nDe heffingsambtenaar heeft in hoger beroep nadere foto’s overgelegd van de vergelijkingsobjecten. Belanghebbende heeft in hoger beroep eveneens nadere foto’s overgelegd.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot verlaging van de WOZ-waarde tot een waarde tussen € 200.000 en € 236.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. De waarde van de onroerende zaak is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor de onroerende zaak. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.\n\n4.2.. De hiervoor bedoelde waarde voor woningen wordt in principe bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.\n\nStijging ten opzichte van de WOZ-waarde in eerdere jaren\n\n4.3.. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de aan de woning toegekende waarde te hard is gestegen ten opzichte van de waarde die aan de woning is toegekend met waardepeildatum 1 januari 2020. Naar de mening van belanghebbende houdt deze waardestijging verband met de gewijzigde methode - van m3 naar m2 - van waarderen door de gemeente.\n\n4.4.. Doel en strekking van de Wet WOZ brengen mee dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum voordoen, waarbij voorbij wordt gegaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de woning is toegekend. De waarde van de woning is vastgesteld op basis van rond de waardepeildatum behaalde verkoopcijfers van de met de woning vergelijkbare objecten. De procentuele stijging van de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende, op zichzelf beschouwd dan wel in relatie tot andere woningen in of buiten de gemeente [woonplaats] , is om die reden niet relevant voor de waardebepaling van de woning. Het is het hof, gelijk de rechtbank, voorts niet gebleken dat door de wijziging van de manier van waarderen van m3 naar m2 de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld.\n\nVergelijkingsobjecten\n\n4.5.. Belanghebbende stelt dat de vergelijkingsobjecten niet representatief zijn. Zijn woning heeft een slechtere ligging dan de vergelijkingsobjecten, omdat zijn woning aan een 80km-weg is gelegen, terwijl de vergelijkingsobjecten aan een rustigere weg zijn gelegen. Ook bevindt de woning van belanghebbende zich in een slechtere staat van onderhoud en kwaliteit dan de vergelijkingsobjecten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende een aantal foto’s in het geding gebracht, waarop optrekkend vocht in zijn woning zichtbaar is. Ook heeft belanghebbende foto’s overgelegd van zijn CV-ketel uit 1993. Deze CV-ketel is niet energiezuinig en is daardoor slechter dan die van de vergelijkingsobjecten, aldus belanghebbende.\n\n4.6.. De stelling van belanghebbende dat bij de waardebepaling onvoldoende rekening is gehouden met de ligging aan een drukkere weg dan waar de vergelijkingsobjecten zijn gelegen, slaagt. Het hof stelt vast dat de woningen aan de [adres 2] en [adres 4] te [woonplaats] een factor 3 (gemiddeld) hebben voor de ligging. De woning aan de [adres 3] te [woonplaats] heeft, gelijk de woning van belanghebbende, een factor 2 gekregen voor de ligging. Naar het oordeel van het hof heeft de heffingsambtenaar onvoldoende rekening gehouden met de specifieke ligging van de woning van belanghebbende, in het bijzonder vergeleken met de woning aan de [adres 3] . De heffingsambtenaar heeft ter zitting verklaard dat de woning aan de [adres 3] is gelegen tegenover een horecagelegenheid en winkelpanden, maar dat maakt naar het oordeel van het hof de ligging van deze woning niet voldoende vergelijkbaar met de ligging van een woning aan een doorgaande 80km-weg. Ook de stelling van belanghebbende dat de voorzieningen in zijn woning van een mindere kwaliteit zijn dan die in de vergelijkingsobjecten slaagt. De heffingsambtenaar heeft de voorzieningen in de woning van belanghebbende, gelijk de voorzieningen in de vergelijkingsobjecten, een factor 3 gegeven. Het hof is van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de voorzieningen in zijn woning zich in een minder goede staat bevinden dan die in de vergelijkingsobjecten.\n\nWaarde berging\n\n4.7.. Belanghebbende stelt verder dat de waarde van de berging negatief is vanwege de slechte bouwkundige\u002Fvervallen staat en tevens omdat er asbest aanwezig is in onder andere het dak. In hoger beroep heeft belanghebbende een tweetal foto’s overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt. De heffingsambtenaar heeft de beoordelingsaspecten ‘kwaliteit’, ‘onderhoud’, ‘uitstraling’, ‘doelmatigheid’ en ‘voorzieningen’ van de berging beoordeeld als voldoende en hieraan een factor 3 toegekend. De heffingsambtenaar heeft een aftrek toegepast voor, in totaal € 816, vanwege de aanwezigheid van asbest. Van de vergelijkingsobjecten beschikt enkel de woning aan de [adres 4] te [woonplaats] over een vrijstaande berging.\n\n4.8.. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende, met de door hem overgelegde foto’s van de berging aannemelijk gemaakt dat deze van een matige kwaliteit en onderhoud is. Nu de heffingsambtenaar geen foto’s, of andere bewijsmiddelen, in het geding heeft gebracht waaruit de kwaliteit en staat van onderhoud van de berging van het vergelijkingsobject aan de [adres 4] blijkt, volgt het hof belanghebbende in zijn standpunt dat de heffingsambtenaar de waarde van de berging, behorende bij de woning van belanghebbende, op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de heffingsambtenaar ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat een factor 2 voor de berging wellicht meer op zijn plaats zou zijn geweest. Het hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat de waarde van de berging negatief is. De heffingsambtenaar heeft reeds een bedrag in mindering gebracht vanwege de aanwezigheid van asbest en uit de door belanghebbende overgelegde foto’s volgt niet dat de berging in een dusdanige staat verkeerd dat hieraan een negatieve waarde moet worden toegekend.\n\n4.9.. Het hof stelt voorop dat de in geschil zijnde (WOZ-)waarde de woning in haar geheel betreft. Daarbij vormen de aan de samenstellende onderdelen van de woning toegekende waarden een hulpmiddel om de waarde van de woning als geheel inzichtelijk te maken. Dit in aanmerking nemende en alles overziende heeft de heffingsambtenaar de door hem vastgestelde waarde niet aannemelijk gemaakt. Nu de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende de door hem bepleite waarde van tussen de € 200.000 en € 236.000 aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende heeft in (hoger) beroep verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat de waarde tot het door hem bepleite bedrag moet worden vastgesteld. Gelet hierop maakt ook belanghebbende de door hem bepleite waarde niet aannemelijk.\n\n4.10.. Het vorenstaande maakt dat geen van beide partijen erin is geslaagd het van hen gevergde bewijs te leveren voor de door hen bepleite waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Het hof bepaalt de waarde, rekening houdend met alle ter zake doende feiten en omstandigheden, in goede justitie op € 310.000.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 136, in totaal € 186, te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.\n\n4.14.. Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het beroep bij de rechtbank op een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank van respectievelijk € 30,44 en € 297,78, is in totaal € 328,22.\n\n4.15.. Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het hoger beroep bij het hof op een bedrag aan reis- en verletkosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting bij het hof van respectievelijk € 30,44 en € 297,50, is in totaal € 327,94. Het hof is daarbij, in afwijking van het door belanghebbende overgelegde formulier, uitgegaan van een zittingsduur van een half uur.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nverklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar;\n\nwijzigt de WOZ-beschikking en stelt de waarde van [adres 1] per waardepeildatum van 1 januari 2021 vast op € 310.000;\n\nvermindert de aanslag OZB dienovereenkomstig;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep en hoger beroep van in totaal € 186 vergoedt;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van in totaal € 656,16.\n\nDe uitspraak is gedaan door J. Wessels, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw J. Wessels\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 4, lid 1, letter a, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1435","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:56.278Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":74,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":43,"updatedAt":76},"391","ECLI:NL:GHSHE:2026:1447","ecli-nl-ghshe-2026-1447","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F867\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 30 april 2024, nummer BRE 23\u002F1853, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] ,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: het object) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende en de heffingsambtenaar hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd.\n\n1.6.. \n\nDe zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , als gemachtigden van belanghebbende,\n\nen, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .\n\nOp deze zitting is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24\u002F868.1.7.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.9.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van het object. Het object betreft een PV-installatie (zonne-energieinstallatie), bestaande uit zonnepanelen, inclusief draagconstructie en bevestigingsmaterialen, omvormers, bekabeling\u002Fleidingen en meet- en regelapparatuur. De installatie is geplaatst op het dak van een distributiecentrum, gevestigd aan de [adres] te [plaats] . De PV-installatie is niet vast verankerd aan het dak, maar ligt los op het dak met alleen ballast om de PV-installatie op de plaats te houden. De installatie is eigendom van en wordt geëxploiteerd door belanghebbende. Het distributiecentrum is eigendom van een derde, met wie ten behoeve van het gebruik maken van het dak een huurovereenkomst is gesloten en tevens een recht van opstal is gevestigd.\n\n2.2.. De waarde van het object is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 847.000.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de waarde van het object te hoog is vastgesteld.\n\n3.2.. Niet in geschil is dat de werktuigenvrijstelling van toepassing is op de omvormers, bekabeling\u002Fleidingen en meet- en regelapparatuur.\n\n3.3.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en vaststellen van de waarde op nihil. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Volgens artikel 16 Wet WOZ wordt als één onroerende zaak aangemerkt:\n\na. een gebouwd eigendom;\n\nb. een ongebouwd eigendom;\n\nc. een zelfstandig gedeelte daarvan;\n\nd. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel aof onderdeelbbedoelde eigendommen, of in onderdeelcbedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen.\n\n4.2.. De waarde van het object is de waarde in het economisch verkeer.Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor het object.\n\n4.3.. Artikel 17, lid 3, Wet WOZ bepaalt dat de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, wordt bepaald op vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid.\n\n4.4.. Op grond van artikel 18, lid 4, Wet WOZ in verbinding met artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel e, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling) wordt bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van de werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken (de zogenoemde werktuigenvrijstelling).\n\n4.5.. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.\n\n4.6.. De heffingsambtenaar heeft de PV-installatie aangemerkt als één onroerende zaak, een gebouwd eigendom, als bedoeld in de zin van artikel 16 Wet WOZ.\n\n4.7.. Volgens de Hoge Raaddient bij beantwoording van de vraag of een PV-installatie op zichzelf als gebouwd eigendom is aan te merken als maatstaf worden gehanteerd of de installatie naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij komt geen betekenis toe aan de vraag of de zonnepanelen direct of indirect zijn verenigd met de grond. Alleen indien het gaat om de vraag of een onderdeel van een afzonderlijk WOZ-object op zichzelf is aan te merken als een gebouwd eigendom, moet de vraag worden beantwoord of een PV-installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht heeft. De Hoge Raad heeft ook geoordeeld dat een opstalrecht niet kan worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van artikel 16 Wet WOZ.\n\n4.8.. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat, anders dan waarvan is uitgegaan in de zaak waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld, de PV-installatie geen werk is in de zin van artikel 3:3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en dus geen onroerende zaak is. Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat uit de omstandigheid dat de zonnepanelen los op het dak liggen en enkel door ballast (stoeptegels) op hun plaats worden gehouden blijkt dat het de bedoeling is dat de zonnepanelen verplaatsbaar blijven.Uit de huurovereenkomst blijkt volgens belanghebbende ook dat verplaatsing noodzakelijk is als de eigenaar van het dak dat verlangt.\n\n4.9.. Artikel 3:3 BW bepaalt dat onroerend zijn de grond, alsmede de met de grond verenigde gebouwen en werken. Een gebouw of werk kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van artikel 3:3 BW doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet van belang is dan meer dan technisch de mogelijkheid bestaat om het gebouw of gebouw of werk te verplaatsen. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten toe kenbaar is. Onder de bouwer moet mede worden verstaat degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.\n\n4.10.. Hieruit volgt dat de maatstaf of sprake is van een werk als bedoeld in artikel 3.3 BW verschilt niet wezenlijk van de maatstaf of sprake is van een gebouwd eigendom (zie 4.7).\n\n4.11.. Het hof is van oordeel dat de PV-installatie een werk in de zin van artikel 3:3 BW is. De PV-installatie is naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat het een technisch complexe samenstelling van zonnepanelen, onderstel en kabels betreft en dat de installatie is verzwaard met ballast. Aan de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven doet niet af dat de PV-installatie door een eenvoudige demontage kan worden verplaatst. Evenmin doet daaraan af dat op grond van de huurovereenkomst in bijzondere omstandigheden de installatie zou moeten worden verplaatst, omdat dit niet een fysiek aspect betreffende de aard en inrichting is dat naar buiten kenbaar is.\n\n4.12.. Het vorenstaande betekent dat de PV-installatie voor de toepassing van de Wet WOZ als een onroerende zaak moet worden aangemerkt.\n\n4.13.. \n\nVoor dat geval heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de PV-installatie niet moet worden aangemerkt als een afzonderlijk WOZ-object, maar een samenstel vormt met het dak van het distributiecentrum, waarop de PV-installatie is aangebracht. Belanghebbende stelt dat de (dak) huurovereenkomst een exclusief gebruiksrecht geeft op het dak, en dat dit exclusieve gebruiksrecht een onroerende zaak is (in de zin van art 16 Wet WOZ) en een apart WOZ-object. Het (gebruiksrecht op het) dak is volgens belanghebbende dan zelf ook een gebouwd eigendom.\n\nHet WOZ-object bestaat dan volgens belanghebbende uit het gebruiksrecht op het dak en de PV-installatie, dus twee gebouwde eigendommen en dan moet volgens belanghebbende de vraag worden beantwoord of de PV-installatie zelfstandigheid in bouwkundig opzicht heeft.\n\n4.14.. Het hof is van oordeel dat ook dit standpunt van belanghebbende niet kan worden gevolgd, reeds omdat een gebruiksrecht middels een huurovereenkomst niet betekent dat belanghebbende het dak in eigendom heeft of daarop een beperkt recht heeft. Van een samenstel als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder d, Wet WOZ kan slechts sprake zijn als beide eigendommen eenzelfde eigenaar of beperkt gerechtigde hebben. Daarvan is in dit geval geen sprake. Dat daarnaast een recht van opstal is gevestigd doet hieraan niet af. Een opstalrecht kan immers niet worden aangemerkt als een onroerende zaak in de zin van artikel 16 Wet WOZ (zie 4.7).4.15.. \n\nVoor het geval de PV-installatie een afzonderlijk WOZ-object is, is niet in geschil dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.\n\nTussenconclusie\n\n4.16.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.17.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.18.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M.E. Smorenburg en\n\nJ.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nE. Royakkers L.B.M. Klein Tank\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 17, lid 2, Wet WOZ.\n\n Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:56.\n\n Hoge Raad 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabin).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1447","2026-07-13T00:28:27.398Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":81,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":43,"updatedAt":83},"856","ECLI:NL:GHSHE:2026:1450","ecli-nl-ghshe-2026-1450","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F31\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 november 2023, nummer BRE 22\u002F1633 in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [plaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in Mijn Rechtspraak geplaatst.1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .\n\n1.7.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Het hof heeft partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en\u002Fof stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan. De schriftelijke inlichten en\u002Fof nadere stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\n1.8.. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.2. 2. Feiten\n\n2.1.. De heffingsambtenaar heeft bij WOZ-beschikking de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 222.000. Belanghebbende heeft tegen die WOZ-beschikking tijdig bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dit bezwaar gegrond verklaard en de waarde bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 215.000.\n\n2.2.. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 24 december 2021. De heffingsambtenaar heeft op die dag een bulk van 3.636 brieven aangeboden aan [mail] B.V. (hierna: [mail] ).\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in een brief van 4 februari 2022 aan de heffingsambtenaar geschreven:\n\n“(…) Op 17-1-2022 ontvingen wij van u een bedrag van € 530,00 aan proceskostenvergoeding, waarvoor onze dank. Volgens de omschrijving in de betaling heeft dit bedrag betrekking op uw aanslagnummer (…). De corresponderende uitspraak op het bezwaarschrift hebben wij echter nog niet ontvangen. In verband met het beoordelen van de uitspraak en het verstrijken van de beroepstermijn, verzoeken wij u vriendelijk ons zo spoedig mogelijk de uitspraak op bezwaar te doen toekomen. Aangezien wij tot op heden geen kennis hebben kunnen nemen van de uitspraak, zal de beroepstermijn aanvangen op het moment van ontvangen van de uitspraak (…).”.\n\n2.4.. De heffingsambtenaar heeft bij e-mail van 8 februari 2022 de uitspraak op bezwaar als bijlage aan belanghebbende toegestuurd.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft bij beroepschrift met dagtekening 22 maart 2022 beroep ingesteld. Het beroepschrift is diezelfde dag door de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding gezien.\n\n2.6.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Partijen hebben tijdens de zitting bij het hof verzocht om, indien het hof oordeelt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank af te doen.\n\n2.7.. Belanghebbende heeft het hof na de zitting schriftelijk medegedeeld dat de waarde, zoals deze luidt na de uitspraak op bezwaar, niet langer in geschil is en het geschil alleen nog ziet op de ontvankelijkheid van het beroep. Partijen hebben schriftelijk verklaard geen gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot een ontvankelijk beroep. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep door de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen dat, nu de heffingsambtenaar geen deugdelijke verzendadministratie heeft overgelegd, niet aannemelijk is gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 is verstuurd. Het beroepschrift is ingediend zes weken nadat belanghebbende kennis had genomen van de uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank was er onvoldoende aanleiding om het indienen van een beroepschrift na pas zes weken redelijk te vinden.\n\n4.2.. Volgens de heffingsambtenaar moet ervan uit worden gegaan dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar meteen heeft ontvangen. Op 24 december 2021 is een bulk van 3.636 uitspraken bij [mail] aangeboden, waaronder de onderhavige uitspraak op bezwaar. Belanghebbende had ook een pro-forma beroepschrift kunnen indienen, aldus de heffingsambtenaar.\n\n4.3.. Belanghebbende betwist dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 is verstuurd. Hij heeft de uitspraak op bezwaar pas op 8 februari 2022 onder ogen gekregen en de beroepstermijn ving toen aan. Het beroepschrift is op 22 maart 2022, binnen zes weken na de aanvang van de beroepstermijn en dus tijdig ingediend. De rechtbank had het beroep ontvankelijk moeten verklaren, aldus belanghebbende.\n\nDe wet\n\n4.4.. In de wet is bepaald dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt.Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.\n\n4.5.. De bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan belanghebbende.\n\nToezending aan belanghebbende\n\n4.6.. Belanghebbende betwist dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 aan hem is toegestuurd. Hij betwist dan ook de verzending daarvan. Voor dat geval is het aan de heffingsambtenaar om die verzending aannemelijk te maken.\n\n4.7.. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op of rond 24 december 2021 aan belanghebbende is verzonden. Uit de overgelegde printscreen van de verzendadministratie van de bulk van 3.636 uitspraken kan niet worden afgeleid dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk aan [mail] is aangeboden en dat de verzending heeft plaatsgevonden.De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting bij het hof toegelicht dat dit niet verder aannemelijk kan worden gemaakt, omdat een nadere specifieke verzendadministratie met betrekking tot de uitspraak op bezwaar zelf ontbreekt.4.8.. Nu ook overigens niet kan worden vastgesteld wanneer de uitspraak op bezwaar is verzonden, moet ervan worden uitgegaan dat deze niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In dat geval moet worden aangenomen dat belanghebbende pas in de gelegenheid is geweest om kennis te nemen van de uitspraak op bezwaar op de dag waarop hij een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen en de beroepstermijn van zes weken pas op die dag aanvangt.In dat geval geldt niet de eis dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld.\n\nBeroep binnen zes weken\n\n4.9.. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende op 8 februari 2022 feitelijk kennis heeft genomen van de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroepschrift is ingediend binnen zes weken na die datum, waarop belanghebbende een afschrift van de uitspraak onder ogen kreeg, is het beroep ten onrechte wegens termijnoverschrijding nietontvankelijk verklaard.\n\n4.10.. Nu het beroepschrift niet na overschrijding van de beroepstermijn is ingediend, is de vraag of het van belanghebbende onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid kon worden gevergd om een pro-forma beroepschrift in te dienen, waarin nog niet de gronden van het beroep zijn opgenomen, niet relevant.\n\nWaarde niet in geschil4.11.. Belanghebbende heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep ontvankelijk had moeten verklaren. Dit kan echter niet tot een gegrond hoger beroep leiden omdat de waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil is. Het hof zal het hoger beroep daarom ongegrond verklaren.\n\nTussenconclusie\n\n4.12.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.13.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.14.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof verklaart het hoger beroep ongegrond.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).\n\n Artikel 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Artikel 6:9, lid 1, Awb.\n\n Artikel 3:41 Awb.\n\n Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, onder 2.4.4.\n\n Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175, onder 2.2.3.\n\n Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, onder 2.3.1 en Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, onder 2.4.4.\n\n Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, onder 2.3.1.\n\n Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960 onder 2.3.2.\n\nHoge Raad 5 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:515, onder 4.2.4.\n\n Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1283, onder 2.4.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1450","2026-07-13T00:28:51.483Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":65,"fullText":88,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":68,"parsedAt":43,"updatedAt":90},"947","ECLI:NL:GHSHE:2026:1434","ecli-nl-ghshe-2026-1434","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nEnkelvoudige Belastingkamer\n\nNummer: 23\u002F771\n\nUitspraak op het incidentele hoger beroep van\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Waalwijk,\n\nhierna: de heffingsambtenaar,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 12 april 2023, nummer BRE 21\u002F117, in het geding tussen\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\nen\n\nde heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven en daarbij de waarde van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Belanghebbende heeft schriftelijk gereageerd op het incidentele hoger beroep.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft vervolgens het hoger beroep ingetrokken.\n\n1.7.. Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. De rechtbank heeft de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting in stand gelaten. Zij heeft wel geoordeeld dat sprake is van schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd en om die reden een proceskostenveroordeling uitgesproken. Zij heeft daarover overwogen:\n\n“10. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837, en een wegingsfactor 1). De heffingsambtenaar dient tevens het griffierecht van € 49 te vergoeden.”\n\n2.2.. De rechtbank heeft ook een vergoeding van immateriële schade toegewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\ni. is sprake van (veronderstelde) spanning en frustratie bij belanghebbende op grond waarvan terecht een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende is toegekend?\n\nii. heeft de rechtbank terecht een proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend?\n\n3.2.. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de vergoeding van immateriële schade en toekenning van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4Gronden\n\n4.1.. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van spanning en frustratie zodat een vergoeding van immateriële schade niet op zijn plaats is.\n\n4.2.. Het hof overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in belastingzaken, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, wordt verondersteld dat de belanghebbende daardoor immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.Van bijzondere omstandigheden is het hof in het onderhavige geval niet gebleken.\n\n4.3.. Voor de vraag of iemand recht heeft op toekenning van een vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn is niet relevant of de belanghebbende daadwerkelijk immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie heeft geleden.\n\n4.4.. Verder staat volgens de Hoge Raad aan toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in de weg dat aan de belanghebbende bijstand is verleend op basis van no cure no pay. Evenmin staat daaraan in de weg dat belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald.\n\n4.5.. De rechtbank heeft dus terecht een vergoeding van immateriële schade toegekend aan belanghebbende. Het betoog van de heffingsambtenaar slaagt niet.\n\nProceskostenvergoeding\n\n4.6.. De heffingsambtenaar betoogt dat de rechtbank ten onrechte een proceskostenvergoeding heeft uitgesproken omdat deze slechts is gebaseerd op de omstandigheid dat een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn is toegekend. Ook is ten onrechte een wegingsfactor 1 toegepast, aldus de heffingsambtenaar.\n\n4.7.. De rechtbank heeft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het hof stelt vast dat de rechtbank in verband met toepassing van artikel 6:22 Awb aan belanghebbende een proceskostenvergoeding heeft toegekend en niet in verband met het toekennen van een immateriële schadevergoeding, zoals de heffingsambtenaar verondersteld. Indien de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ met toepassing van artikel 6:22 Awb wordt gepasseerd en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in beginsel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding. Alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden kan de rechter afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet.\n\n4.8.. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden een proceskostenvergoeding aan belanghebbende heeft toegekend. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor het afzien daarvan is niet gebleken. Het betoog van de heffingsambtenaar faalt in zoverre.\n\n4.9.. De heffingsambtenaar stelt dat ten onrechte een wegingsfactor 1 is toegepast, en dat deze 0,5 moet bedragen. Het hof stelt voorop dat ten aanzien van de toekenning van een proceskostenvergoeding de beoordelende instantie zelfstandig, op grond van een eigen waardering, dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Indien, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geklaagd over een door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding, toetst het hof ten volle de proceskostenvergoeding van de vorige procesfase. Deze toets ziet ook op het gewicht van de zaak.\n\n4.10.. In deze zaak speelden in eerste aanleg verschillende geschilpunten, waaronder de schending van de toezendplicht zoals bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ. De rechtbank heeft belanghebbende alleen ten aanzien van schending van de toezendplicht in het gelijk gesteld. Het hof ziet in de geschilpunten die bij de rechtbank voorlagen en de inhoudelijke behandeling daarvan, geen aanleiding om uit te gaan van een lager dan gemiddeld gewicht, en daarmee van een lagere wegingsfactor dan 1. Dit neemt niet weg dat gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 2, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), de proceskostenvergoeding kan worden gematigd. Dat kan als een belanghebbende uitsluitend in het gelijk wordt gesteld op een punt van ondergeschikt belang.Het hof ziet in de omstandigheid dat het beroep in eerste aanleg alleen voor wat betreft de schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ is geslaagd, geen aanleiding om de proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, lid 2, Bpb te matigen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het geschilpunt omtrent de toezendplicht van artikel 40, lid 2, Wet WOZ niet van ondergeschikt belang was en er tevens een inhoudelijk debat is gevoerd over de WOZ-waarde. Een matiging van de proceskosten zou dan – gelet op de specifieke omstandigheden van deze zaak – te veel afbreuk doen aan de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener en het belang van de zaak. Dit betekent dat ook dit betoog van de heffingsambtenaar faalt en dat diens incidentele hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het incidentele hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.13.. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het incidenteel beroep bij het hof omdat het door de heffingsambtenaar ingestelde incidentele hoger beroep ongegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 punt x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak), is in totaal € 233,50.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nVergoeding van immateriële schade5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het incidentele hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 233,50.\n\nDe uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nR.J.M. de Fouw M.E. Smorenburg\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.9.1.\n\n Zie ook gerechtshof ’s-Hertogenbosch 12 februari 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:345, r.o. 4.3.5.\n\n Vgl. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965.\n\n Hoge Raad 25 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106.\n\n Vgl. Hoge Raad 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243 en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1659.\n\n Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 9 april 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1447.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1434","2026-07-13T00:28:56.209Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":95,"fullText":96,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":98,"parsedAt":43,"updatedAt":99},"1143","ECLI:NL:RBOBR:2024:5577","ecli-nl-rbobr-2024-5577","2024-11-21T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F1920\n uitspraak van de meervoudige kamer van 21 november 2024 in de zaken tussen\n \n [bedrijf] B.V., uit [plaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: D. van der Locht),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, de heffingsambtenaar\n\n(gemachtigde: S.A. van Eck).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 8 februari 2024 en de waarde van het object [adres] in [plaats] .\n\n2. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde voor kalenderjaar 2023 met de beschikking van 22 februari 2023 vastgesteld op € 1.452.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar voor dit kalenderjaar de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) 2023 gebruiker naar een grondslag van € 658.000 opgelegd.\n\n3. De heffingsambtenaar heeft met de in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar van 8 februari 2024 ook de waarde van het object voor het kalenderjaar 2023 en de aanslag OZB gebruikersheffing gehandhaafd (bestreden uitspraak). Aan eiseres is een proceskostenvergoeding toegekend van € 620 voor de verlaging van de waarden van drie andere in de uitspraak genoemde objecten.\n\n4. Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld en de heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n5. De rechtbank heeft partijen op 1 oktober 2024 een brief gestuurd waarop partijen hebben gereageerd. 6. De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres, [naam] en taxateur E.M.J. Brandsen RT, en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.Feiten\n\n7. Eiseres is huurder en daarmee gebruiker van de onroerende zaak.\n\n8. Het betreft een zorgcentrum. Het oorspronkelijk bouwjaar van het object, een voormalig klooster, is 1952. Vervolgens zijn diverse aanbouwen gerealiseerd in 1961, 1981 en 1994. In 2014 heeft het object de functie gekregen als verzorgingstehuis. De opstallen omvatten verzorgingsruimtes, woonruimtes, centrale voorzieningen op de begane grond en de eerste verdieping en een vrijstaande berging\u002Fschuur.\n\n Beoordeling door de rechtbank De objectafbakening\n\n9. De rechtbank moet allereerst ambtshalve oordelen over de objectafbakening. Vanwege het dwingend karakter van artikel 16 van de Wet WOZ komt aan de heffingsambtenaar daarbij geen beoordelingsvrijheid toe.De rechtbank moet zich over de juistheid van de door de heffingsambtenaar toegepaste objectafbakening zelfstandig een oordeel vormen. Zij mag zich daarbij niet laten weerhouden door de omstandigheid dat partijen van een andere opvatting zijn uitgegaan.\n\n10. De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting een brief naar partijen gestuurd waarin zij heeft aangeven dat mogelijk sprake is van een onjuiste objectafbakening.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft in zijn reactie en ook ter zitting betwist dat sprake is van een onjuiste objectafbakening. Hij heeft gesteld dat perceel [perceel 1] , groot 43.921 m², als onderdeel in eerste instantie niet in de waardering is betrokken, maar dat het wel altijd onderdeel is geweest van het klooster en niet los van het hoofdobject kan worden beschouwd.\n\n12. Eiseres heeft in haar reactie, kort gezegd, aangegeven dat de heffingsambtenaar ten onrechte perceel [perceel 1] niet heeft betrokken in de objectafbakening. Daarmee is volgens eiseres sprake van een onjuiste objectafbakening.\n\n13. In artikel 16 van de Wet WOZ is het volgende bepaald: “Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt:\n\na. een gebouwd eigendom;\n\nb. een ongebouwd eigendom; (…)\n\nd. een samenstel van twee of meer (…) eigendommen (…) die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; (…).”\n\n14. Of sprake is van een samenstel zoals bedoeld in artikel 16, onderdeel d, van de Wet WOZ moet worden beoordeeld naar de omstandigheden. De heffingsambtenaar heeft bij de aanslag en de WOZ-beschikking van 22 februari 2023, zoals ook volgt uit het taxatieverslag dat de heffingsambtenaar in bezwaar heeft overgelegd, het object afgebakend met een perceelgrootte van 26.172 m² met daarop gelegen de opstallen. Uit het taxatieverslag blijkt duidelijk dat de heffingsambtenaar alleen perceel [perceel 2] , groot 26.172 m², heeft betrokken. In beroep heeft de heffingsambtenaar op 27 september 2024 een verweerschrift uitgebracht en daarbij onder andere een taxatierapport gevoegd. In dit taxatierapport staat, voor zover hier van belang, vermeld op bladzijde 6:\n\n“Bij de controle van de objectkenmerken ten behoeve van onderhavige taxatie is gebleken dat het perceel [perceel 1] , groot 43.921 m² in eerste instantie niet in de waardering is betrokken. In beroep dit perceel betrokken in de taxatie (…).”Dat betekent volgens de rechtbank dat in dit geval sprake is van een samenstel van een gebouwd eigendom (de opstallen) en twee ongebouwde eigendommen (de twee kadastrale percelen) die bij eiseres in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen.\n\n15. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar dan ook niet in zijn standpunt dat kadastraal perceel [perceel 1] altijd is meegenomen in de objectafbakening. De rechtbank constateert namelijk dat de heffingsambtenaar aanvankelijk het object heeft afgebakend met daarbij enkel behorend kadastraal perceel [perceel 2] , groot 26.172 m². Anders dan de heffingsambtenaar stelt, maakte het perceel [perceel 1] niet eerder dan in beroep deel uit van het object. Dat betekent dat de heffingsambtenaar het object te klein heeft afgebakend en het laatstgenoemde kadastrale perceel ten onrechte buiten de waardering is gehouden.\n\n16. Omdat het object te klein is afgebakend volgt uit het Schiphol-arrest dat de WOZ-beschikking onjuist is en de aanslag als een ten onrechte vastgestelde aanslag geldt. Dat betekent dat de rechtbank, anders dan wat de heffingsambtenaar heeft bepleit, niet toekomt aan de inhoudelijke beoordeling en het bespreken van de beroepsgronden. Het beroep is dus gegrond en de rechtbank zal de WOZ-beschikking en de aanslag OZB vernietigen.De heffingsambtenaar kan voor het juist afgebakende object een nieuwe WOZ-beschikking geven. Ook kan verweerder een nieuwe aanslag OZB opleggen, als de termijn van artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen nog niet is verstreken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank reden om te bepalen dat het griffierecht (€ 371) moet worden vergoed.\n\n18. Ook ziet de rechtbank aanleiding een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van eiseres in de bezwaar- en beroepsfase. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, als volgt berekend.\n\nBezwaarfase\n\n19. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend en is naar de hoorzitting gegaan. In het geval van eiseres zijn in bezwaar de waarden van twee andere objecten verlaagd, maar deze zijn op één aanslag vermeld en de bezwaren daartegen hebben dus ook te gelden als één bezwaarschrift. De omstandigheid dat belanghebbende in afzonderlijke geschriften bezwaar heeft gemaakt doet hieraan niet af.De Hoge Raad heeft bepaald dat de kosten voor het bezwaar met toepassing van het hogere tarief voor overige gevallen worden vergoed.Omdat de uitspraak van de rechtbank in 2024 wordt gedaan, moet daarbij het tarief worden toegepast dat in 2024 is vastgesteld (€ 624 per punt voor bezwaar).Voor een vergoeding van andere kosten in bezwaar bestaat geen grond. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een WOZ-beschikking van voor 1 januari 2024. Gelet op het overgangsrecht betekent dit, dat de in artikel 30a van de Wet WOZ bepaalde vermenigvuldigingsfactor voor de bezwaarfase niet van toepassing is. De rechtbank stelt op grond hiervan de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 1.248 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting met een waarde per punt van € 624), waarvan de heffingsambtenaar al € 620 heeft vergoed.\n\nBeroepsfase\n\n20. De gemachtigde van eiseres heeft een beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875. De vergoeding voor de beroepsfase bedraagt dan € 2.187,50 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke reactie van eiseres, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding om vanwege bijzondere omstandigheden de wegingsfactor aan te passen naar boven zoals eiseres heeft betoogd. Voor zover de zaak aanvankelijk ingewikkelder was dan gemiddeld, betreft het vooral de inspanning van de taxateur en niet zozeer de inspanning van de gemachtigde. Omdat het beroep van eiseres is gericht tegen een uitspraak op bezwaar van 8 februari 2024is de wettelijke vermenigvuldigingsfactor van 0,25 uit de Wet WOZvoor de proceskostenvergoeding in de beroepsfase wel van toepassing. De vergoeding voor de beroepsfase bedraagt daarmee € 546,88.\n\n21. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de vergoeding van de kosten van het namens eiseres opgestelde taxatierapport, omdat voor vergoeding geen aanleiding bestaat omdat het besluit wordt vernietigd vanwege een ambtshalve te toetsen aspect. De heffingsambtenaar moet wel de kosten vergoeden voor het bijwonen van de zitting door de taxateur, omdat het voorafgaand aan de zitting nog niet duidelijk was of tot een inhoudelijke bespreking van het geschil zou worden gekomen. Hierbij wordt hetzelfde tarief in aanmerking genomen als voor de taxatiewerkzaamheden geldt. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 130 per uur (zittingsduur 1 uur), exclusief BTW, omdat onweersproken is dat deze BTW niet op haar drukt. In het Bpb en de toepasselijke Richtlijn is, anders dan eiseres meent, geen grondslag voor een afzonderlijke vergoeding van de gemaakte reiskosten van de taxateur.\n\n22. De totale proceskosten voor beroep komen daarmee uit op € 676,88.\n\n23. De rechtbank merkt ten slotte op dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ verplicht is om de genoemde bedragen uit te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.\n\nBeslissing\n\n De rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de bestreden uitspraak voor zover deze ziet op het object [adres] in [plaats] en de proceskostenvergoeding in bewaar;\n\nvernietigt de WOZ-beschikking ten aanzien van het object [adres] in [plaats] en de op die waarde gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting gebruikersheffing;\n\nstelt de aan eiseres te vergoeden proceskosten van bezwaar vast op een bedrag van € 1.248;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak;\n\nveroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van beroep tot een bedrag van € 676,88\n\ndraagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, voorzitter, en mr. M. Venderbosch en mr. R. Grimbergen, leden, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 21 november 2024.\n\ngriffier\n\nDe voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.\n\n Hoge Raad, 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058 (Schiphol-arrest).\n\n Hoge Raad, 18 januari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8687.\n\n Zie Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058 (Schiphol-arrest).\n\n Hoge Raad, 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822 en Hoge Raad, 9 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:19.\n\n Hoge Raad, 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.\n\n Bijlage bij het Bpb onder B.\n\n Artikel IV, onder a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.\n\n Artikel 30a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet WOZ.\n\n Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Stcrt. 2018, 28796.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2024:5577","2024-11-19T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:06.386Z",{"id":101,"ecli":102,"slug":103,"caseNumber":38,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":104,"summary":38,"language":7,"source":40,"sourceUrl":105,"sourceTimestamp":106,"parsedAt":43,"updatedAt":107},"1369","ECLI:NL:GHSHE:2024:699","ecli-nl-ghshe-2024-699","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 22\u002F00148\n\nTussenuitspraak als bedoeld in hoofdstuk V, afdeling 2a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 december 2021, nummer SHE 19\u002F3481, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Vught,\n\nhierna: de heffingsambtenaar.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2019 bekendgemaakt.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en vervolgens met dagtekening 14 september 2022 een aanvulling op het verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 1 juni 2023 in ’sHertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [taxateur] (de taxateur) en [heffingsambtenaar] .\n\n1.6.. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en\u002Fof stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan.\n\n1.7.. De enkelvoudige kamer van het hof heeft vervolgens bepaald dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. Tevens heeft de meervoudige kamer vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord.\n\n1.8.. Het hof heeft vervolgens besloten tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.\n\n1.9.. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen om de Hoge Raad prejudiciële vragen voor te leggen alsmede over de inhoud van die vragen. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 15 februari 2024. De heffingsambtenaar heeft gereageerd bij brief van 19 februari 2024.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een rijwoning met bouwjaar 1936. De woning is gelegen in [woonplaats] en heeft een inhoud van 338 m3 en beschikt over twee aanbouwen van gezamenlijk 34 m3, een vrijstaande berging van 35 m3 en een dakkapel. Het perceel heeft een oppervlakte van 143 m2.\n\n2.2.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2018 bij beschikking van 28 februari 2019 vastgesteld op € 253.000.\n\n2.3.. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van zijn standpunt bij brief van 14 september 2022 een taxatierapport overgelegd, opgesteld door [taxateur] (hierna: de taxateur). In het taxatierapport worden de volgende referentiepanden opgenomen, alle gelegen in [woonplaats] :\n\nReferentiepand\n\nVerkoopdatum\n\nVerkoopprijs\n\n [adres 2]\n\n16-09-2019\n\n€ 289.500\n\n [adres 3]\n\n03-04-2017\n\n€ 312.500\n\n [adres 4]\n\n02-11-2018\n\n€ 325.000\n\n [adres 5]\n\n03-07-2017\n\n€ 333.000\n\n [adres 6]\n\n24-08-2017 en 16-07-2018\n\n€ 237.500 en € 359.000\n\n [adres 7]\n\n15-07-2018\n\n€ 347.500\n\nTer zitting bij de rechtbank en bij het hof heeft de heffingsambtenaar referentieobject [adres 2] uit de vergelijking gehaald gelet op de transactiedatum. [adres 6] is tweemaal gebruikt voor de onderbouwing van de waarde, omdat een transactiecijfer van zowel in 2017 als in 2018 beschikbaar is. Bij het taxatierapport is een matrix gevoegd, waarin de vastgestelde WOZ-waarde wordt herleid uit bovenstaande verkopen.\n\n2.4.. In de bezwaarfase heeft de heffingsambtenaar stukken ter inzage gelegd. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van zijn inzagerecht. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase verzocht om de grondstaffel en de KOUDV- en liggingsfactoren. De heffingsambtenaar heeft de grondstaffel pas in hoger beroep verstrekt. De heffingsambtenaar heeft geen gebruik gemaakt van de KOUDV- en liggingsfactoren.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:\n\nHeeft de heffingsambtenaar de indexering van de verkoopcijfers voldoende inzichtelijk gemaakt?\n\nIs de WOZ-waarde naar een te hoog bedrag vastgesteld?\n\nHeeft de heffingsambtenaar artikel 40 Wet WOZ geschonden en wat zijn de gevolgen voor de proceskostenvergoeding?\n\nHeeft belanghebbende recht op een vergoeding voor immateriële schade en zo ja, voor welk bedrag?\n\nIndien belanghebbende uitsluitend ten aanzien van vraag iv in het gelijk wordt gesteld, heeft hij dan recht op vergoeding van het griffierecht?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 223.000. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. In verband met de hierna te stellen prejudiciële vragen beperkt het hof deze tussenuitspraak tot de in geschil zijnde vragen iv en v, en gaat het hof er – in verband met de beantwoording van vraag v – veronderstellenderwijs vanuit dat de vragen i, ii en iii, in het nadeel van belanghebbende worden beantwoord.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft bij brief van 19 juni 2023 verzocht om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende heeft in dat kader aangevoerd dat het bezwaarschrift bij de heffingsambtenaar op 22 maart 2019 is ingekomen en dat de redelijke termijn van vier jaar is overschreden.\n\n4.3.. \n\nDe heffingsambtenaar heeft in reactie daarop gesteld dat:\n\n(i) het niet aannemelijk is dat sprake is van spanning en frustratie bij belanghebbende, omdat – gelet op de werkwijze van zogenoemde no-cure-no-pay-bureaus – moet worden betwijfeld dat belanghebbende op de hoogte is van de procedure;\n\n(ii) er geen sprake is van spanning en frustratie, omdat belanghebbende in de verstrekte machtiging reeds afstand heeft gedaan van een te ontvangen vergoeding ten gunste van gemachtigde;\n\n(iii) de vergoeding voor immateriële schade moet worden gematigd, omdat het financiële belang bij de door belanghebbende verdedigde waardevermindering ver onder de € 500 ligt en slechts € 115,89 bedraagt, bestaande uit vermindering van onroerendezaakbelasting, watersysteemheffing en inkomstenbelasting;\n\n(iv) de vergoeding voor immateriële schade in dit soort geschillen moet worden beperkt tot € 50 per half jaar overschrijding, onder verwijzing naar diverse uitspraken van rechtbanken.\n\n4.4.. Het hof is bekend met de conclusie van de Advocaat-Generaal van 17 november 2023.Het hof onderschrijft de door hem getrokken conclusies, inhoudende dat de vergoeding voor immateriële schade in procedures over de WOZ en de Bpm in beginsel moet worden vastgesteld op € 50 per half jaar overschrijding van de redelijke termijn, de vergoeding moet worden gemaximeerd op het pleitbare financiële belang bij de procedure en de bagatelgrens fors hoger moet worden gesteld dan € 15.\n\n4.5.. In beginsel ligt het in de rede om de beslissing van de Hoge Raad in de desbetreffende zaak af te wachten. Het hof acht echter de kans zeer wel aanwezig dat de Hoge Raad in die voorliggende zaak zich niet zal uitlaten over deze kwesties, aangezien het voor de beslissing in die zaak niet noodzakelijk is om op het punt van de vergoeding voor immateriële schade in te gaan op de voorstellen van de Advocaat-Generaal. Dit heeft te maken met het feit dat het financiële belang – afgezien van de nevenbeslissingen – slechts € 0,80 bedraagt. In dat geval zal de rechtspraktijk nog lange tijd in onzekerheid verkeren of de door diverse rechtbanken ingezette lijn om over te gaan tot het vergoeden van lagere bedragen bij overschrijding van de redelijke termijn in cassatie stand houdt en ook over de andere vraagpunten waarover de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd komt dan geen duidelijkheid. Om die reden heeft het hof besloten om in de onderhavige zaak prejudiciële vragen te stellen, aangezien deze zaak naar het oordeel van het hof uitermate geschikt is om op korte termijn helderheid te krijgen over de in de rechtspraktijk opgeworpen vraagpunten rond de vergoeding voor immateriële schade.\n\n4.6.. Het hof zal hierna de door de heffingsambtenaar verdedigde standpunten (zie onder 4.3 hiervoor) bespreken en vervolgens de prejudiciële vragen formuleren.\n\n4.7.. De heffingsambtenaar heeft in de eerste plaats gesteld dat moet worden betwijfeld of belanghebbende op de hoogte is van de procedure en dat om die reden geen sprake is van spanning of frustratie. Het hof verwerpt dit standpunt. De heffingsambtenaar heeft slechts gesteld en op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet op de hoogte is van deze procedure. Belanghebbende heeft een machtiging afgegeven voor het voeren van deze procedure. Uitgangspunt is dan ook dat daaruit mag worden afgeleid dat belanghebbende op de hoogte is van het bestaan van deze procedure. Het had op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om zijn stelling nader met bewijs te onderbouwen, bijvoorbeeld door navraag te doen bij belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft dat kennelijk niet gedaan en slechts volstaan met een blote stelling zonder nadere onderbouwing.\n\n4.8.. In de tweede plaats stelt de heffingsambtenaar dat geen sprake is van spanning en frustratie, omdat belanghebbende in de verstrekte machtiging reeds afstand heeft gedaan van een te ontvangen vergoeding ten gunste van de gemachtigde. In de door belanghebbende ondertekende machtiging is slechts het recht op vergoeding van proceskosten overgedragen aan gemachtigde. Over een eventuele vergoeding voor immateriële schade wordt niets gezegd. Het is het hof echter bekend dat gemachtigde algemene voorwaarden hanteert (te vinden op de website van gemachtigde) waarin is bepaald dat gemachtigde het recht heeft om ook andere rechten op schadevergoeding, die voortvloeien uit een handelen en\u002Fof nalaten van het bestuursorgaan dan wel de rechterlijke organisatie, te vorderen en dat de toegekende schadevergoeding in dat geval toekomt aan gemachtigde. Het is het hof niet bekend of deze algemene voorwaarde ook al gold ten tijde van het ondertekenen van de volmacht. Het hof gaat er veronderstellenderwijs vanuit dat dit het geval is.\n\n4.9.. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juni 2017 geoordeeld dat aan de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn niet in de weg staat dat aan de belanghebbende bijstand wordt verleend op basis van ‘no cure no pay’ en dat daaraan evenmin in de weg staat dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding voor immateriële schade aan de rechtsbijstandverlener wordt uitbetaald.De heffingsambtenaar heeft verwezen naar enkele uitspraken van rechtbanken die in andere zin hebben geoordeeld. Dit roept de vraag op of de ontwikkelingen in de rechtspraktijk en met name de wijze waarop sommige rechtsbijstandverleners opereren, aanleiding vormen om thans tot een ander oordeel te komen. Het hof is – evenals gerechtshof Amsterdam– geneigd die vraag ontkennend te beantwoorden. Om helderheid op dat punt te verkrijgen zal het hof op dit punt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorleggen. Hieraan staat niet in de weg dat inmiddels op grond van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmis bepaald dat betaling van een dergelijke schadevergoeding aan de belanghebbende zelf dient plaats te vinden en dat dergelijke vorderingen tot uitbetaling niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding. Dit sluit immers niet uit dat partijen afspraken maken over het vervolgens doorbetalen van een dergelijke vergoeding aan de rechtsbijstandverlener.\n\n4.10.. In de derde plaats meent de heffingsambtenaar dat reden voor matiging van de vergoeding voor immateriële schade op zijn plaats is vanwege het geringe financiële belang. De heffingsambtenaar heeft het financiële belang berekend op € 115,89. Belanghebbende heeft dit niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat.\n\n4.10.1.. De Hoge Raad heeft in het arrest van 24 februari 2017geoordeeld dat bij een financieel belang van ten hoogste € 15 kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, zonder toekenning van een schadevergoeding (bagatelgrens). De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie bepleit om de bagatelgrens fors te verhogen. Het hof onderschrijft die visie. Relevant in dat verband is hetgeen de Advocaat-Generaal in onderdeel 8.12 van zijn conclusie opmerkt, dat de door de Hoge Raad gehanteerde bagatelgrens moeilijk te verenigen lijkt met de rechtspraak van de Hoge Raad als boeterechter, op grond waarvan bij een boete van niet meer dan € 1.000 geen matiging plaatsvindt bij overschrijding van de redelijke termijn.Een lijn die onlangs nog is bevestigd in het arrest van de Hoge Raad van 19 januari 2024.\n\n4.10.2.. Naast de hierboven vermelde bagatelgrens, wordt door de Advocaat-Generaal geadviseerd om de vergoeding voor immateriële schade te maximeren op het pleitbare financiële belang van de zaak. In de onderhavige zaak bedraagt dat belang € 115,89. Naarmate de bagatelgrens hoger wordt gesteld, zal wellicht minder behoefte bestaan aan een dergelijke maximering. Desalniettemin lijkt niet goed verdedigbaar dat bij een belang van € 115,89 een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van minimaal € 500 wordt toegekend.\n\n4.11.. Ten slotte heeft de heffingsambtenaar verdedigd dat in het geval een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend, deze op € 50 per overschrijding van zes maanden moet worden gesteld overeenkomstig de door hem genoemde uitspraken van diverse rechtbanken. Ook de Advocaat-Generaal adviseert die benadering toe te passen. Het hof onderschrijft ook dat advies. Daaraan doet niet af dat inmiddels via de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm is voorzien in een vergoeding van € 50 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Deze wettelijke bepaling geldt immers pas voor vergoedingen voor overschrijding van de redelijke termijn waarvan de termijn aanvangt na 1 januari 2024.\n\n4.12.. Zoals onder 4.5 hiervóór is opgemerkt acht het hof de kans aanwezig dat de Hoge Raad niet toekomt aan de beantwoording van de door de Advocaat-Generaal opgeworpen vragen. De kans is immers reëel dat de Hoge Raad het oordeel van het hof volgt dat het financiële belang slechts € 0,80 bedraagt en dat om die reden geen recht bestaat op een vergoeding voor immateriële schade.\n\n4.13.. Het hof is in 2023 begonnen met het registreren van het aantal gevallen waarin hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank waarin is geoordeeld dat bij overschrijding van de redelijke termijn de vergoeding voor immateriële schade moet worden beperkt tot € 50 per half jaar overschrijding. Op dit moment zijn dit 57 zaken en aannemelijk is dat dit aantal (fors) zal toenemen omdat de rechtbanken vermoedelijk nog geen aanleiding zien om van de door hen ingezette lijn af te wijken.\n\n4.14.. Indien het hoger beroep ongegrond is – dat wil zeggen indien de vragen i, ii en iii, in het nadeel van belanghebbende worden beantwoord – komt de vraag op of belanghebbende naast een proceskostenvergoeding ook recht heeft op vergoeding van griffierecht. Het hof constateert dat rechterlijke instanties daar verschillend over oordelen.\n\n4.14.1.. De Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest van 19 februari 2016overwogen:\n\n“3.14.1. Indien de rechter het (hoger) beroep dan wel het beroep in cassatie op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb toekent, is er aanleiding het griffierecht op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb aan de belanghebbende te laten vergoeden en, indien sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb, een veroordeling uit te spreken in de proceskosten van de belanghebbende (vgl. HR 20 maart 2015, nr. 14\u002F01332, ECLI:NL:HR:2015:660, BNB 2015\u002F198). Dit is niet anders indien de rechter over de vergoeding van immateriële schade beslist in een afzonderlijke, nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, lid 2, Awb.”\n\n4.14.2.. Andere bestuursrechtershebben in gevallen waarin Titel 8:4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is, geoordeeld dat in het geval geen griffierecht is verschuldigd voor het afzonderlijke gedane verzoek om schadevergoeding,er geen aanleiding bestaat voor het vergoeden van griffierecht, dus ook niet het griffierecht voor het beroep of hoger beroep over het schadeveroorzakende besluit.\n\n4.14.3.. Het gerechtshof Amsterdam heeft in een geschil betreffende een heffing van lagere overheden in gelijkluidende zin geoordeeld.Ook diverse rechtbanken volgen (inmiddels) die lijn.\n\n4.14.4.. De vraag is of het onderscheid dat hier wordt gemaakt tussen enerzijds procedures waarop titel 8:4 Awb van toepassing is en procedures waarin de schadevergoeding wordt toegekend met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 Awb, juist is. De enige reden dat op grond van artikel 8:94, lid 2, Awb geen griffierecht is verschuldigd, is gelegen in het feit dat al griffierecht is voldaan in de procedure tegen het besluit. Dat geldt echter evenzeer voor procedures waarin titel 8:4 Awb nog niet van toepassing is. Ook in dat geval kan geen sprake zijn van het tweemaal heffen van griffierecht.\n\n4.15.. Het hof hanteert tot op heden de lijn dat ook in zaken van lagere overheden en de vennootschapsbelasting, griffierecht moet worden vergoed indien het hoger beroep weliswaar ongegrond is, maar aanleiding bestaat tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. Het hof acht dit nog steeds de juiste lijn, maar daarover kan worden getwijfeld gelet op de onder 4.14.2 en 4.14.3 vermelde rechtspraak.\n\n4.16.. Om voormelde redenen zal het hof de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voorleggen:\n\nBeslissing\n\nHet hof verzoekt de Hoge Raad de volgende vragen door middel van een prejudiciële beslissing te beantwoorden:\n\n1. Staat een beding waarin is overeengekomen dat een door de rechter te bepalen vergoeding voor immateriële schade ten goede komt aan de rechtsbijstandverlener, in de weg aan het toekennen van een dergelijke vergoeding aan de belanghebbende?\n\n2. Dient de zogenoemde ‘bagatel-grens’ van € 15 - waarbij kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden zonder dat een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend - te worden verhoogd en zo ja, tot welk bedrag?\n\n3. Dient de vergoeding voor immateriële schade te worden gemaximeerd op het pleitbare financiële belang bij de procedure?\n\n4. Dient de vergoeding voor immateriële schade in procedures over de WOZ (en eventueel andere heffingen) te worden gemaximeerd op € 50 per zes maanden overschrijding?\n\n5. Dient griffierecht te worden vergoed in zaken waarin titel 8:4 Awb van toepassing is en het (hoger) beroep in de hoofdzaak ongegrond is, maar een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend?\n\nHet hof houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat de Hoge Raad naar aanleiding van de vorenstaande vragen uitspraak heeft gedaan.\n\nDeze tussenuitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, A.J. Kromhout en M.J.C. Pieterse, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2024 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.\n\nDe uitspraak is ondertekend door de griffier, en door A.J. Kromhout, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De raadsheer,\n\nE. Royakkers A.J. Kromhout\n\nTegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open (artikel 28, lid 5 Algemene wet inzake rijksbelastingen). Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).\n\n Vergelijk rechtbank Noord-Holland 8 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:10940 en rechtbank Den Haag 13 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5695.\n\n O.a. rechtbank Midden-Nederland 21 december 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:5547 en rechtbank Midden-Nederland 12 mei 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2269.\n\n Conclusie Advocaat-Generaal Wattel van 17 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1042.\n\n Het gerechtshof ArnhemLeeuwarden heeft in een uitspraak 9 januari 2024 expliciet afgezien van het stellen van prejudiciële vragen over de onderhavige problematiek, zie ECLI:NL:GHARL:2024:245, r.o. 4.6.\n\n Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:965, r.o. 2.3.3.\n\n Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3466, r.o. 4.4.\n\n Staatsblad 2023, 507.\n\n Hoge Raad 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:292, r.o. 2.3.\n\n Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3.\n\n Hoge Raad 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:50, r.o. 4.3.1.\n\n De vraag of aanleiding bestaat tot een lagere vergoeding dan € 500 per overschrijding van zes maanden speelt overigens niet alleen in WOZ- en bpm-zaken, maar ook in andere zaken, zoals bijvoorbeeld zaken over de parkeerbelasting.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.\n\n Centrale Raad van Beroep 12 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:102, r.o. 3.3 en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1160, r.o. 6.1.\n\n Artikel 8:94, lid 2, Awb in verbinding gelezen met artikel 8:91, lid 1, Awb.\n\n Gerechtshof Amsterdam 12 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3068, r.o. 2.3.\n\n Vergelijk Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1032, r.o. 2.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2024:699","2024-03-05T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:18.303Z",20]