[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-social-security-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":61},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},44,"social-security-nl","Social Security","NL","2026-07-08T16:53:39.844Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-07-01T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122448","Wet op de rechtsbijstand","",1,[27,37,46,54],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":31,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":33,"sourceTimestamp":34,"parsedAt":35,"updatedAt":36},"915","ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","ecli-nl-rbobr-2026-4636","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2933\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster], uit [vestigingsplaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: M.A. Brouwer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de vraag welke schade het UWV aan verzoekster moet vergoeden als gevolg van te late besluitvorming door het UWV. Verzoekster heeft de rechtbank gevraagd hierover te oordelen.\n\n1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de schade van verzoekster heeft vergoed. De overige schade waarvan verzoekster vergoeding vraagt komt niet voor vergoeding in aanmerking. Verzoekster krijgt dus geen gelijk en het verzoek om veroordeling van het UWV tot een hogere schadevergoeding wordt afgewezen. Verzoekster krijgt wel een vergoeding van een deel van haar proceskosten, omdat het UWV een nieuw besluit heeft genomen over de schadevergoeding aan verzoekster, nadat verzoekster haar verzoek bij de rechtbank had ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekster heeft op 13 augustus 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het UWV. Op 15 oktober 2025 heeft het UWV op dit verzoek beslist en aan verzoekster een schadevergoeding toegekend van € 1.450,19.\n\n2.1. Verzoekster heeft op 31 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingestuurd.\n\n2.2. Het UWV heeft op 18 november 2025 een nieuwe beslissing genomen met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding en daarbij een schadevergoeding aan verzoekster toegekend van in totaal € 24.625,19.\n\n2.3. Verzoekster heeft haar verzoekschrift aangevuld.\n\n2.4. Het UWV heeft gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.\n\n2.5. Verzoekster heeft op het aanvullende verweerschrift gereageerd.\n\n2.6. De rechtbank heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.7. De rechtbank heeft ter zitting verzoekster een termijn verleend voor het indienen van nadere stukken en het onderzoek aangehouden.\n\n2.8. Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd. Het UWV heeft hierop gereageerd. Verzoekster heeft vervolgens gereageerd op de reactie van het UWV.\n\n2.9. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de schade die verzoekster claimt voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de toekenning van een schadevergoeding van € 24.625,19 de geleden schade van verzoekster heeft vergoed en dat daarom het verzoek van verzoekster om een hogere schadevergoeding moet worden afgewezen. Hierna wordt dit uitgelegd.\n\nDe aanleiding voor het verzoek en de standpunten van partijen\n\n4. De ex-werknemer van verzoekster is in februari 2022 ziek geworden. Nadat hij twee jaar ziek is gebleven en verzoekster twee jaar zijn loon had doorbetaald, heeft de ex-werknemer een WIA-uitkering aangevraagd bij het UWV. Naar aanleiding van een verzoek om herbeoordeling op 30 oktober 2024, heeft het UWV op 23 juni 2025 besloten een IVA-uitkering toe te kennen aan de ex-werknemer vanaf 30 oktober 2024 (het WIA-besluit). De uitkering is dus met terugwerkende kracht van toepassing, vanaf het moment van ontvangst van het verzoek om herbeoordeling.\n\n4.1. Tijdens de behandeling van het verzoek om herbeoordeling heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer doorbetaald. Nu het UWV het besluit om aan de ex-werknemer een hogere uitkering toe te kennen te laat heeft genomen heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer langer doorbetaald dan nodig was. Verzoekster heeft het UWV dan ook gevraagd om het te veel betaalde loon te vergoeden vanaf 30 oktober 2024 tot en met juni 2025 samen met een vergoeding voor andere door verzoekster gemaakte kosten. In totaal heeft verzoekster volgens het UWV € 46.1943,63 aan kosten gemaakt en zij heeft het UWV in eerste instantie verzocht om € 20.305,09 te vergoeden.\n\n4.2. Het UWV heeft aanvankelijk € 1.450,19 vergoed. Meer schade die voor vergoeding in aanmerking komt had verzoekster volgens het UWV niet geleden. Het loon van de ex-werknemer over de maanden november 2024 tot en met juni 2025 was € 46.1943,63. Een deel van dit loon, €21.569,44, heeft eiseres van het UWV ontvangen vanwege de WGA-uitkering van de ex-werknemer en € 23.175,- is vergoed aan eiseres door haar verzuimverzekeraar Sazas verzuimverzekeringen (Sazas). Na indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank heeft het UWV aan verzoekster laten weten dat ook de € 23.175,- door het UWV wordt vergoed. Het UWV heeft eiseres gevolgd in haar standpunt dat deze kosten door Sazas zijn teruggevorderd. De schade van verzoekster wordt door het UWV hiermee vastgesteld op € 24.625,19.\n\n4.3. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht het UWV te veroordelen tot een hogere schadevergoeding. Verzoekster stelt meer schade te hebben dan het UWV tot nu toe heeft vergoed. Verzoekster stelt dat Sazas € 28.350,- terugvordert in plaats van € 23.175,-, zodat UWV is gehouden om nog € 5.175,- te vergoeden. Ook vraagt zij om de kosten van Merks Advies (haar gemachtigde) te vergoeden. Deze kosten zijn volgens eiseres gemaakt om de fouten van het UWV te moeten corrigeren en kosten die verband houden met de\n\nre-integratie van de ex-werknemer. De kosten hiervan zijn € 6.260,- voor de periode november 2024 tot en met juni 2025 en € 4.772,- voor de periode juli 2025 tot en met november 2025. In totaal vraagt verzoekster voor de kosten van Merks Advies dus € 11.032,-.\n\n4.4. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een termijn van 8 weken heeft om een beslissing te nemen op het verzoek tot herbeoordeling van eiseres. Het verzoek is op 30 oktober 2024 ingediend, zodat deze termijn eindige op 27 december 2024. Pas na deze datum is de schade van verzoekster ontstaan, omdat vanaf dat moment vaststaat dat het UWV te laat op het verzoek om herbeoordeling heeft beslist. Het UWV heeft de schade van verzoekster vergoed vanaf 1 november 2024. Daarmee heeft het UWV verzoekster niet tekort gedaan. Het UWV schrijft verder dat hij de kosten die verzoekster heeft gemaakt en daarna zijn teruggevorderd door Sazas heeft vergoed. Dat Sazas nu een hoger bedrag terugvordert dan dat het UWV aan verzoekster heeft betaald, is volgens het UWV een kwestie tussen verzoekster en Sazas. Er is geen causaal verband tussen het hogere bedrag dat Sazas terugvordert en de te late beslissing. De door verzoekster geclaimde schade vanwege de kosten voor Merks Advies komen volgens het UWV niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze schade niet een rechtsreeks gevolg is van het te late WIA-besluit. De kosten gemaakt vanwege re-integratie zijn geen gevolg van het te late besluit, maar gingen daaraan vooraf. De facturen die zijn overgelegd laten volgens het UWV alleen zien dat er werkzaamheden zijn verricht door Merks Advies, maar specificeren niet welke werkzaamheden dat dan zijn geweest en hoe deze het gevolg waren van het te late WIA-besluit. Het verzoek om de nabetaling IVA aan de werkgever over te maken, het verzoek om de maandelijkse uitkering aan de werkgever over te maken, het verzoek om schadevergoeding en de toelichting op de geclaimde loonschade zijn wel inzichtelijk. Toch komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking volgens het UWV, omdat deze werkzaamheden behoren tot reguliere taken van een werkgever en bij de reguliere bedrijfsvoering horen. Dat de werkgever deze taken heeft uitbesteed, is een keuze van de werkgever. Het UWV beroept zich op de jurisprudentie waarin dit is beslist.\n\nBeoordelingskader\n\n5. De bestuursrechter is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n5.1. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van zo’n verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluit bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. De vraag die in deze zaak aan de rechtbank voorligt is of er een oorzakelijk (causaal) verband bestaat tussen enerzijds de te late besluitvorming en anderzijds de schadeposten die verzoekster claimt. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of die schadeposten aan het UWV kunnen worden toegerekend, zodat het UWV die schade moet betalen.Tot slot vergelijkt de rechtbank de uitkomst van deze beoordeling met de schadevergoeding die het UWV al heeft toegekend en de onderbouwing daarvan.\n\n5.2. Bij dit alles geldt als uitgangspunt dat de schadevergoeding de verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Dat betekent in deze zaak dat de hoogte van de schade het positieve verschil is tussen enerzijds het door verzoekster betaalde loon aan de ex-werknemer en de kosten die daarbij kwamen kijken en anderzijds de kosten die zij had gehad als het UWV op tijd een besluit had genomen op het verzoek om herbeoordeling van de ex-werknemer.\n\nBeoordeling van het verzoek om schadevergoeding\n\n6. Tussen verzoekster en het UWV staat niet ter discussie dat te laat is besloten op het verzoek om herbeoordeling en dat verzoekster daardoor schade heeft geleden. Het geschil gaat over de hoogte van de schade. In beroep zijn nog twee schadeposten in geschil: te weten: 1. de loonkosten die door eiseres zijn doorbetaald aan de ex-werknemer en aanvankelijk door Sazas zijn uitgekeerd, maar uiteindelijk door Sazas zijn teruggevorderd. Het betreft nog een bedrag van € 5.175,-; 2. de kosten van Merks Advies van in totaal € 11.032,-. De rechtbank zal deze gevorderde schadeposten beoordelen.\n\n1. De terugvordering van de uitkering van Sazas van € 5.175,-\n\n7. De rechtbank volgt het UWV niet in zijn standpunt dat de uitkering die door Sazas is teruggevorderd niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat het totale bedrag van € 28.350,- betrekking heeft op door eiseres aan de ex-werknemer doorbetaalde loonkosten van na 27 december 2024. Er is dus een causaal verband tussen enerzijds het schadeveroorzakende feit, te weten de te late WIA-beslissing en de door eiseres geleden schade. Dat eiseres aan het UWV aanvankelijk om een te lage vergoeding van deze schadepost heeft verzocht, houdt de rechtbank op een omissie van eiseres, die zij in beroep heeft hersteld door alsnog deze schadepost te specificeren. Toch leidt dit niet tot het oordeel dat het UWV is gehouden om het nog niet vergoede bedrag van € 5.175,- aan eiseres te betalen. Dat motiveert de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV eiseres meer dan volledig schadeloos heeft gesteld met de toekenning van in totaal € 24.625,19. Met het UWV is de rechtbank het eens dat hij aan eiseres over de maanden november 2024 en december 2024 onterecht schadevergoeding heeft betaald, omdat in deze maanden het schadeveroorzakende feit, het te laat beslissen, nog niet plaatsgevonden. Dit betekent dat het UWV € 8.654,27 ten onrechte aan verzoekster heeft vergoed. Dit bedrag is door verzoekster niet betwist. Omdat het UWV € 8.654,27 te veel schadevergoeding heeft betaald, kan de door verzoekster gevraagde € 5.175,- niet leiden tot toekenning van een hogere schadevergoeding dan die zij al heeft ontvangen van het UWV. Een ander oordeel zou leiden tot de situatie waarin verzoekster door de schadevergoeding in een betere financiële positie komt te verkeren en dit druist in tegen het uitgangspunt dat de schadevergoeding verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Voor dit oordeel is ook van belang dat de rechtbank de door verzoekster gevraagde schadepost van € 11.032,- voor de kosten van Merks Advies afwijst. Hoe de rechtbank tot dit oordeel komt, licht de rechtbank hieronder toe.2. De kosten van Merks Advies van € 11.032,-7.1.. De kosten van Merks zijn volgens verzoekster gemaakt om de fouten van het UWV te herstellen. Voor zover daarvan al sprake is, kan dat niet leiden tot toewijzing van het gevorderde bedrag, omdat verzoekster niet aannemelijk heeft kunnen maken dat deze kosten verband houden met het schadeveroorzakende feit. Daar komt bij dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 9 december 2015heeft geoordeeld dat kosten voor reguliere, binnen het dienstverband verrichte werkzaamheden niet voor schadevergoeding in aanmerking komen. De werkzaamheden die Merks Advies heeft uitgevoerd in verband met het voldoen aan re-integratieverplichtingen en een eventuele discussie hierover met een uitvoeringsinstantie zoals het UWV, behoren, als deze binnen bepaalde grenzen blijven, tot de normale bedrijfsvoering. Dat verzoekster deze werkzaamheden aan haar gemachtigde heeft uitbesteed doet niets af aan dit uitgangspunt. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden deze grens hebben overschreden. Verzoekster heeft niet aan de hand van een inzichtelijke berekening duidelijk gemaakt waarin de noodzaak lag voor de geclaimde uren aan werkzaamheden naar aanleiding van het te laat beslissen door het UWV. Met het ingebrachte urenoverzicht van de gemachtigde heeft verzoekster hierin niet voorzien. De werkzaamheden die de gemachtigde van verzoekster naar aanleiding van het te laat beslissen heeft verricht behoorden daarom tot de normale bedrijfsvoering en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Over de kosten die verzoekster claimt omdat haar gemachtigde kosten heeft gemaakt voor deze procedure, oordeelt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak er geen plaats is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten via de weg van een aanvullend verzoek om schadevergoeding.Voor zover de kosten van juridische bijstand moeten worden gezien als buitengerechtelijke kosten heeft verzoekster niet voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat van deze kosten sprake is geweest en dat het maken van de kosten, in de gegeven omstandigheden, redelijk is en dat de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk was om vergoeding van de schade te verkrijgen.\n\n7.2.. De slotsom is dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, voor zover de hoogte daarvan de door het UWV toegekende schadevergoeding te boven gaat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt.\n\n8.1.. Het UWV heeft een aanvullende schadevergoeding toegekend met het besluit van 18 november 2025 naar aanleiding van het verzoek. In de omstandigheid dat verzoekster een verzoek heeft moeten indienen om die aanvullende schadevergoeding te krijgen, ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar griffierecht. Het UWV moet deze vergoeding betalen.\n\n8.2.. De hoogte van de proceskosten stelt de rechtbank vast op € 934,-. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift. De rechtbank kent in dit geval geen punt toe voor het bijwonen van de zitting omdat het nieuwe schadebesluit door het UWV twee weken na het indienen van het verzoek is genomen, nog voor de zaak op zitting is gepland.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek om aanvullende schadevergoeding af;\n\n- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 385,- aan verzoekster te vergoeden;\n\n- veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\n Wet werk en inkomensvoorziening naar arbeidsvermogen.\n\n Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.\n\n Centrale Raad van Beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452 en Centrale Raad van Beroep 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130.\n\n Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.\n\n Centrale Raad van beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1319.\n\n Centrale Raad van Beroep 3 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2094, en 16 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:87.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:54.342Z",{"id":38,"ecli":39,"slug":40,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":41,"fullText":42,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":35,"updatedAt":45},"920","ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","ecli-nl-rbobr-2026-4607","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2436\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de terugvordering van een aan eiser verstrekt voorschot op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing over die terugvordering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 7 juli 2025 heeft het UWV vastgesteld dat eiser € 782,51 bruto te veel aan voorschot op de WAO-uitkering heeft ontvangen en dat hij dit moet terugbetalen aan het UWV.\n\n2.1.. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 17 september 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n2.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner, en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen een vraag van de rechtbank voor te leggen aan zijn voormalig werkgever. Eiser heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt en de schriftelijke reactie van zijn voormalig werkgever (een brief van 23 maart 2026) in het geding gebracht. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Van die gelegenheid heeft het UWV gebruikgemaakt.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij het niet nodig vindt om in deze zaak een nadere zitting te houden en partijen de gelegenheid gegeven om het binnen vier weken te laten weten als zij wel op een nadere zitting willen worden gehoord. Geen van de partijen heeft binnen die termijn verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe relevante feiten\n\n3. Eiser bereikte op 26 juni 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd. Eiser had tot die datum recht op een WAO-uitkering. Deze uitkering werd in de vorm van een voorschot verstrekt, waarbij achteraf de inkomsten werden verrekend met zijn uitkering. Eiser had namelijk naast zijn WAO-uitkering inkomen uit arbeid. Hij werkte voor [naam] Ook dat dienstverband eindigde op 26 juni 2025 wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.\n\n4. Eiser heeft voor de periode 1 juni 2025 tot en met 25 juni 2025 een voorschot ontvangen op zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het ging om een voorschot van € 724,54 bruto (exclusief vakantiegeld).\n\nEiser heeft in de maand juni 2025 in totaal € 4.541,10 bruto van zijn werkgever ontvangen, waaronder naast zijn gebruikelijke salaris een (eenmalig) bedrag van € 1.900 genaamd ‘uitkering Vut\u002FPensioen N\u002FBr.eenm’.\n\n5. Het UWV heeft op basis van de inkomensgegevens van de Belastingdienst een definitieve berekening van eisers WAO-uitkering uitgevoerd over juni 2025. Daarbij is berekend of het in juni 2025 verstrekte voorschot in overeenstemming was met het bedrag aan WAO-uitkering waar eiser in die maand recht op had. Dat heeft geleid tot de besluitvorming zoals weergegeven onder ‘Procesverloop’.\n\nDe standpunten van partijen\n\n6. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het voorschot op de WAO-uitkering dat eiser in juni 2025 heeft ontvangen (€ 782,51 incl. vakantiegeld) hoger is dan de uitkering waar eiser in die maand recht op had (€ 0,00). Dat bedrag moet eiser daarom terugbetalen. Het UWV heeft dit berekend door in de maand juni 2025 een bedrag van € 4.541,10 aan SV-loon in aanmerking te nemen. Het loonverlies (en arbeidsongeschiktheidspercentage) wordt berekend door de volgende som: (maatmanloon - SV-loon)\u002F maatmanloon x 100%. Het maatmanloon van eiser bedraagt € 4.629,80. Voormelde som leidt dan tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%, zodat het uitkeringspercentage 0% bedraagt. De aan eiser in juni 2025 betaalde gift van\n\n€ 1.900, die onderdeel uitmaakt van het voormelde bedrag van € 4.541,10, is volgens het UWV door de werkgever (terecht) aangemerkt als SV-loon, zodat het moet worden verrekend met eisers WAO-uitkering. Dat dit is aangemerkt als SV-loon blijkt volgens het UWV uit de polisadministratie en eisers loonstrook. Volgens het UWV is deze gift, anders dan bijvoorbeeld extra salaris bij een 25-jarig of 40-jarig jubileum, niet uitgezonderd van het loonbegrip. Om die reden is het als loon in aanmerking genomen en verrekend met de uitkering.\n\n7. Eiser is het niet eens met de terugvordering. Hij voert aan dat hij, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, in juni 2025 een financiële gift heeft ontvangen van zijn werkgever ter hoogte van € 1.900 (€ 50 netto per gewerkt jaar voor de door eiser gewerkte 38 dienstjaren). Eiser vindt het onterecht dat dit bedrag wordt verrekend met de WAO-uitkering. Dit is volgens eiser een ‘cadeau’ van zijn werkgever, wat ook zou blijken uit de personeelsgids van zijn werkgever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser (in bezwaar) zijn loonstrook over de maand juni 2025 overgelegd. Als dit ‘cadeau’ was verstrekt na 1 juli 2025, dan was er volgens eiser niets aan de hand geweest en zou het UWV niets hebben verrekend. Eiser heeft het ontstane probleem aangekaart bij de werkgever en die zal de betreffende ‘cadeaus’ in het vervolg een maand later uitkeren.\n\nEiser stelt dat het UWV het cadeau bij het 25-jarig jubileum wel akkoord vond. Verder voert eiser aan dat hem onduidelijk is waarom hij nu € 643,01 netto moet terugbetalen, terwijl hij in juni 2025 € 595,30 netto van het UWV heeft ontvangen.\n\nDe redenen voor de beslissing van de rechtbank\n\n8. De wet- en regelgeving die voor de beoordeling van het beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n9. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd.\n\n10. Om te kunnen bepalen of het UWV dit bedrag terecht van eiser heeft teruggevorderd is van belang of het UWV voor de maand juni 2025 het juiste bedrag aan inkomsten uit arbeid in aanmerking heeft genomen voor het berekenen van de arbeidsongeschiktheidsklasse op basis waarvan de WAO-uitkering van eiser over deze maand moet worden uitbetaald.\n\n11. Tussen partijen staat alleen ter discussie of het UWV de aan eiser gedane financiële verstrekking van € 1.900 terecht heeft betrokken in de verrekening met de WAO-uitkering, zoals bepaald in artikel 44 van de WAO. Op grond van deze bepaling moet het UWV een fictieve schatting te maken van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde, indien hij inkomen uit arbeid ontvangt.\n\n12. Om te bepalen wat onder inkomen en loon als bedoeld in artikel 44 van de WAO wordt verstaan, wordt teruggevallen op het loonbegrip zoals dat in de fiscale wet- en regelgeving wordt omschreven. Dat is het zogeheten SV-loon. Dit is ook bepaald in de artikelen 2 en 2a van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen. De strekking van die bepalingen is hetzelfde, namelijk dat, voor zover hier van belang, als loon en inkomen heeft te gelden het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten.\n\n13. Uit artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt dat niet tot loon behoort een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft.\n\n14. In de brief van 23 maart 2026 van de werkgever die eiser in het geding heeft gebracht, heeft de werkgever verklaard dat het verstrekte bedrag van € 1.900 geen verband houdt met het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar of na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar. Hieruit volgt dat het bedrag niet valt onder de wettelijke uitzondering zoals genoemd in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964. Er is dus geen sprake van een financiële verstrekking die buiten het (fiscale) loonbegrip valt. Dat het, zoals eiser stelt, door de werkgever een ‘cadeau’ wordt genoemd laat onverlet dat het wel een (gebruteerde) financiële verstrekking is waarvan de werkgever loonaangifte heeft gedaan. In zoverre is dus sprake van loon dat het UWV moet verrekenen met de WAO-uitkering.\n\n15. Eisers voormalig werkgever heeft het verstrekte bedrag van € 1.900 als SV-loon in de loonaangifte opgenomen in het aangiftetijdvak van juni 2025. Die informatie van de Belastingdienst komt terecht in de polisadministratie die het UWV gebruikt bij het vaststellen van het inkomen uit arbeid dat een uitkeringsgerechtigde ontvangt. Het UWV mag uitgaan van deze gegevens, tenzij wordt aangetoond dat die gegevens onjuist zijn. Eiser heeft de juistheid van deze gegevens van de Belastingdienst niet betwist. In artikel 44, tweede lid, van de WAO is uitdrukkelijk bepaald dat het loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. Dus in dit geval is dat juni 2025. Het UWV kan dus, voor zover eiser dat bedoelt aan te voeren, dat loon niet toerekenen aan een later dan wel ander tijdvak dan juni 2025.\n\n16. Het UWV heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar rechtspraak, verder uitgelegd dat hier sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid en niet uit een vroegere dienstbetrekking, zodat de aan eiser gedane extra financiële verstrekking ook in die zin geen uitgezonderd loon vormt dat buiten beschouwing moet worden gelaten bij de schatting. Eiser heeft die uitleg niet betwist. Die uitleg van het UWV is ook in lijn met de rechtspraak van de hoogste rechter in Nederland in sociale zekerheidszaken, de Centrale Raad van Beroep.\n\n17. Gelet op het voorgaande heeft het UWV de financiële verstrekking van € 1.900 terecht als loon verrekend met de WAO-uitkering.\n\n18. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de eenmalige uitkering van € 1.900 in juni 2025 de overschrijding van de inkomensgrens in die maand veroorzaakt, waardoor eiser in die maand terugvalt van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% naar de lagere klasse van 0 tot 15%. Dat heeft tot gevolg dat zijn uitkeringspercentage in die maand wijzigt van 28% naar 0% van de grondslag. Hierdoor heeft eiser over die maand een te hoog voorschot aan WAO-uitkering ontvangen. Cijfermatig betekent dit volgens het UWV dat eiser in de maand juni 2025 € 782,51 te veel (voorschot) WAO-uitkering (inclusief vakantiegeld) heeft ontvangen. Dat is het (bruto)bedrag dat van eiser is teruggevorderd.\n\n19. Over de hoogte van dat teruggevorderde bedrag, waarvan eiser vindt dat het onduidelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. In het betreden besluit en in het verweerschrift is hierover uitgelegd dat bij het in juni 2025 verstrekte bruto bedrag van € 724,54 een bedrag aan gereserveerde vakantietoeslag van bruto € 57,97 moet worden opgeteld, waarmee het totaal terug te vorderen bedrag uitkomt op € 782,51. Eiser heeft die uitleg verder niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de hoogte van het teruggevorderde bedrag te twijfelen.\n\n20. Er zijn geen dringende redenen gesteld of gebleken op grond waarvan het UWV had moeten besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n21. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd. De beroepsgronden slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nBijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving\n\nWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)\n\nArtikel 44\n\n1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:\n\na. niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of\n\nb. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.\n\nNa afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.\n\n2 Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid als bedoeld in het eerste lid verricht of heeft verricht, wordt het loon geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.\n\n(…)\n\n8 Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.\n\nArtikel 57\n\n1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.\n\n2 De uitkering die onverschuldigd aan de werkgever is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de werkgever teruggevorderd, indien de werkgever de uitkering op grond van artikel 629, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in mindering heeft kunnen brengen op het loon.\n\n(…)\n\n6 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n7 Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.\n\n8 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.\n\nRegeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen\n\nArtikel 2\n\n1. Onder loon als bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, van de WAO en 58, tweede lid, van de Waz wordt verstaan het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer in de zin van die wet, met uitzondering van:\n\na. het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\nb. loondervingsuitkeringen, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de door de werkgever betaalde aanvullingen op die uitkeringen;\n\nc. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964. (…)\n\nArtikel 2a\n\n1. Onder inkomen als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, van de WAO en 58, eerste lid, van de Waz wordt verstaan:\n\na.het loon, bedoeld in artikel 2;\n\n(…)\n\nc. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de verzekerde niet als werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen, inkomen verdient, met uitzondering van:\n\n1°.het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\n(…)\n\n6 Bij de vaststelling van het inkomen wordt het in de relevante aangiftetijdvakken opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de in die tijdvakken opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag als bedoeld in artikel 1:1 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in aanmerking, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag in die tijdvakken niet in aanmerking worden genomen.\n\nWet financiering sociale verzekeringen\n\nArtikel 16\n\n1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.\n\n2 Tot het loon behoren niet:\n\na. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op grond van de Toeslagenwet;\n\n(…).\n\nWet op de loonbelasting 1964\n\nArtikel 11\n\n1. Tot het loon behoren niet:\n\n(…)\n\no. een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft, mits is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; (…).\n\n Algemene Ouderdomswet (AOW).\n\n Op grond van artikel 44 van de WAO.\n\n Vergelijk de uitspraak van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","2026-06-26T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:54.569Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":50,"fullText":51,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":52,"sourceTimestamp":50,"parsedAt":35,"updatedAt":53},"859","ECLI:NL:GHSHE:2026:1281","ecli-nl-ghshe-2026-1281","2026-05-20T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F945\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 mei 2024, nummer BRE 23\u002F1302, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Namens de inspecteur zijn [inspecteur 1] en [inspecteur 2] verschenen. Voor de zitting hebben belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] laten weten dat zij niet zullen verschijnen.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van de inspecteur geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende heeft op grond van de Ziektewet uitkeringen ontvangen van het UWV gedurende de periode van 18 januari 2019 tot en met 13 januari 2021.\n\n2.2.. Op 13 januari 2020 heeft hij de eerste betaling op grond van de Ziektewet ontvangen voor een bedrag van € 22.339,88 (hierna: de eerste betaling). Volgens de betalingsspecificatie zag deze betaling op de (ziekte)periode van 18 januari 2019 tot en met 12 januari 2020. Volgens de jaaropgaaf 2020 van het UWV heeft belanghebbende in 2020 in totaal een brutobedrag van € 44.691 aan ziektewetuitkeringen ontvangen.\n\n2.3.. \n\nIn zijn aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2020 heeft belanghebbende een belastbaar\n\ninkomen uit werk en woning aangegeven van € 42.867, bestaande uit de ziektewetuitkeringen\n\nvan € 44.691 en een negatief saldo inkomsten uit eigen woning van € 1.824.\n\n2.4.. De aanslag is vastgesteld met dagtekening 24 december 2024. Het verzamelinkomen is vastgesteld conform de ingediende aangifte.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het bedrag van de eerste betaling terecht in de heffing van de inkomstenbelasting over het jaar 2020 is betrokken.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag naar een verzamelinkomen van € 20.527, tot vermindering van de beschikking belastingrente conform de verlaging van de aanslag, tot vergoeding van immateriële schade en tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in beroep en hoger beroep. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.1.. Inkomstenbelasting wordt geheven over de door de belastingplichtige in het kalenderjaar genoten belastbare inkomen.Periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling kwalificeren als aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen en behoren tot het belastbare inkomen.Aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft de ziektewetuitkeringen ontvangen op grond van de Ziektewet. De ziektewetuitkeringen zijn daarom aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop deze zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden.\n\n4.3.. Belanghebbende stelt dat de eerste betaling bijna geheel ziet op zijn ziekte gedurende het jaar 2019 en dat deze betaling daarom in 2019 zou moeten worden belast. Belanghebbende voert verder aan dat de eerste betaling ten onrechte niet al in 2019 is gedaan door een fout van het UWV, dat belanghebbende door die fout (gegeven het progressieve belastingtarief) extra inkomstenbelasting verschuldigd is, dat belanghebbende niet de dupe mag worden van de fout van het UWV en dat daarom de eerste betaling niet in de belastingheffing over het jaar 2020 mag worden betrokken. Hij doet daarbij een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst naar jurisprudentie over de matigingvan de terugvordering van zorgtoeslag als de terugvordering een gevolg is van een fout van het UWV bij de uitbetaling van een uitkering.\n\n4.4.. De inspecteur stelt dat de eerste betaling in 2020 is genoten, omdat deze op 13 januari 2020 is ontvangen door belanghebbende en uit niets blijkt dat deze eerder is verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar geworden. De inspecteur betwist dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.\n\n4.5.. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met het overleggen van de UWV jaaropgaaf 2020 aannemelijk gemaakt dat het daarin opgenomen bedrag aan ziektewetuitkering, inclusief de eerste betaling, door belanghebbende in 2020 is genoten. Belanghebbende heeft ook erkend dat hij de eerste betaling niet in 2019 maar in 2020 op zijn bankrekening heeft ontvangen. Dat de eerste betaling bijna geheel ziet op een ziekteperiode die in 2019 ligt, betekent op zichzelf bezien niet dat deze in 2019 vorderbaar en inbaar was, ook niet gedeeltelijk. De ziektewetuitkering is pas vorderbaar nadat deze is toegekend en in de regel pas inbaar op het moment bepaald bij de toekenning. Gesteld noch gebleken is dat het recht op de eerste betaling (al dan niet deels) al in 2019 door het UWV is toegekend en betaalbaar gesteld. Het gehele bedrag van de eerste betaling is dan ook in 2020 genoten.\n\n4.6.. Wat er ook zij van de stelling van belanghebbende dat de eerste betaling door een fout van het UWV niet in 2019 maar pas in 2020 is gedaan, deze kan belanghebbende niet helpen. Ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de eerste betaling door een fout van het UWV pas in 2020 aan belanghebbende is toegekend en uitbetaald, dan nog is deze in het kalenderjaar 2020 genoten en dient deze in de belastingheffing voor 2020 te worden betrokken. De inspecteur heeft dat dan ook terecht gedaan. Anders dan belanghebbende stelt, heeft de inspecteur daarmee niet het gelijkheidsbeginsel geschonden. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is van belang of een juiste wetstoepassing, in andere, aan dat van belanghebbende zowel feitelijk als rechtens gelijke, gevallen achterwege is gebleven en bovendien de door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling berust op een gevoerd begunstigend beleid, een oogmerk van begunstiging of dat sprake is van een situatie waar in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.Gesteld noch gebleken is dat de inspecteur in andere gevallen anders heeft gehandeld dan bij belanghebbende en alleen al daarom kan van een schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake zijn. Het feit dat de inkomstenbelasting geen regeling kent zoals de matigingsregeling in de Awir is geen grond voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.\n\nTussenconclusie\n\n4.7.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding\n\n4.8.. Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.\n\n4.9.. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen.\n\n4.10.. Het hof stelt vast dat de rechtbank reeds een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg aan belanghebbende heeft toegekend van € 500. Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep geen gronden aangevoerd. In hoger beroep is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende toe te kennen.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.11.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.12.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe uitspraak is ondertekend door de griffier, en door de oudste raadsheer, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.\n\nDe griffier, De oudste raadsheer,\n\nR. Camps C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 2.3 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).\n\n Artikel 3.101, lid 1, letter a, Wet IB 2001.\n\n Artikel 3.146, lid 1, Wet IB 2001.\n\n Artikel 26, lid 2, Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) bepaalt dat de Dienst Toeslagen kan afzien van een volledige terugvordering als deze onevenredig nadelige gevolgen zou hebben.\n\n Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR6481.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1281","2026-07-13T00:28:51.639Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":24,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":58,"summary":24,"language":7,"source":32,"sourceUrl":59,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":35,"updatedAt":60},"731","ECLI:NL:GHSHE:2026:881","ecli-nl-ghshe-2026-881","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummers: 24\u002F523 tot en met 24\u002F526\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 maart 2024, nummers BRE 22\u002F3908 tot en met 22\u002F3911, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft over de jaren 2014 en 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen (hierna: IB\u002FPVV) en inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd (hierna gezamenlijk: de navorderingsaanslagen). Tevens is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en zijn voor de IB\u002FPVV bij beschikkingen boeten opgelegd.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV 2014, IB\u002FPVV 2015 en Zvw 2015 en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw 2014 ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nBelanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen: [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .\n\n1.6.. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. In februari 2014 is door onder meer de Duitse justitie een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van berichten over matchfixing en het gokken op voetbalwedstrijden. Volgens de Duitse justitie was een van de hoofdrolspelers daarin [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Bij nader onderzoek door de FIOD naar [naam 1] is onder meer belanghebbende als verdachte naar voren gekomen. Op 7 april 2014 heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven de communicatie via de mobiele telefoon van belanghebbende op te nemen voor een periode van maximaal twee weken. Uit die opnames bleek dat belanghebbende bijna dagelijks contact had met [naam 1] en door middel van sms-berichten weddenschappen aannam en wegzette bij [naam 1] .\n\n2.2.. Belanghebbende is op 15 februari 2015 gearresteerd. Het dossier bevat verslagen van de verhoren van belanghebbende die zijn afgenomen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. In die verslagen staat onder meer, verkort weergegeven, dat belanghebbende heeft verklaard dat hij de quoteringen voor de weddenschappen kreeg van [naam 1] en dat hij vervolgens ongeveer 12 of 13 personen daarover per sms informeerde, dat als spelers verloren de winst 50\u002F50 werd verdeeld tussen hem en [naam 1] en dat hij en [naam 1] zich soms zelf – al dan niet gezamenlijk – indekten tegen verlies door een aangenomen weddenschap zelf weer weg te zetten tegen een hogere quotering. De inleg van de spelers ging altijd contant. Belanghebbende betaalde de weddenschappen ook contant uit. Het aandeel van [naam 1] in de gemaakte winsten betaalde hij ook in contanten. Het wedden per sms vond plaats in alle weken dat er gevoetbald werd, dus niet in de zomer- en winterstop, maar wel als er dan een WK of EK was, aldus belanghebbende. Belanghebbende gokte ook veel zelf. Zijn inkomsten bestonden uit niets anders dan gokken.\n\n2.3.. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 en 2015 geen inkomsten uit het organiseren van weddenschappen aangegeven. Wel heeft hij aangegeven een bedrag aan loon uit dienstbetrekking bij [bedrijf 1] BV ( [bedrijf 1] ) van € 41.914 voor 2014 en € 3.214 voor 2015, met daarop ingehouden bedragen aan loonheffing van € 12.961 respectievelijk € 964. De aanslagen IB\u002FPVV en Zvw voor deze jaren zijn opgelegd conform de aangiften.\n\n2.4.. De aandelen in [bedrijf 1] waren eigendom van [bedrijf 2] BV, waarvan [naam 2] alle aandelen hield. [bedrijf 1] heeft auto’s geleased voor belanghebbende: in 2014 Audi’s en in 2015 een Porsche. Vast staat dat belanghebbende nooit bij [bedrijf 1] in dienstbetrekking is geweest maar dat sprake was van een schijndienstbetrekking en dat belanghebbende de bedragen aan ingehouden en afgedragen loonheffing en de kosten van de auto’s zelf heeft betaald. Aan de Audi-dealer is voor de auto’s in 2014 € 10.928,02 en in 2015 € 2.613,81 door hetzij belanghebbende, hetzij [bedrijf 1] betaald. Uit een onderzoek bij de Porsche-dealer is gebleken dat door [bedrijf 2] BV in 2014 een bedrag van € 5.000 en in 2015 een bedrag van € 39.840 voor de aanschaf van de Porsche is betaald.\n\n2.5.. Belanghebbende heeft in november 2014 in drie tranches een bedrag van € 72.000 in contanten gestort bij [Casino] . Bij de melding ongebruikelijke financiële transacties door [Casino] is aangetekend dat niet bekend is of belanghebbende heeft gespeeld.\n\n2.6.. De FIOD heeft aan de hand van de in de periode 7 tot en met 14 april 2014 (acht dagen) opgenomen sms-berichten van belanghebbende een overzicht gemaakt van de in die periode door hem afgesloten weddenschappen en de resultaten daarvan. Dat resulteert in een totale inzet van € 43.310 en een totaal uit te keren bedrag van € 31.604, en dus in een winst van € 11.706. De inspecteur heeft het door belanghebbende genoten voordeel uit de weddenschappen voor 2014 berekend op 50 procent van 42 weken (38 weken en vier weken WK) maal € 11.706 = € 241.626, en voor 2015 op 50 procent van zes speelweken maal € 11.706 = € 34.518. Die bedragen zijn bij de navorderingsaanslagen belast als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen is geen loon uit dienstbetrekking bij [bedrijf 1] in aanmerking genomen en is de ingehouden loonheffing niet verrekend.\n\n2.7.. Bij onherroepelijke uitspraak van 19 februari 2024 van het gerechtshof Den Haag is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie, met (onder meer) [naam 1] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het zonder vergunning gelegenheid bieden tot deelname aan kansspelen en belastingfraude, en wegens valsheid in geschrifte. De belastingfraude betreft het niet aangeven en voldoen van kansspelbelasting. De valsheid in geschrifte betreft de schijndienstbetrekking bij [bedrijf 1] .\n\n2.8.. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 572.012. Bij uitspraak op bezwaar is deze aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 237.638 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.574. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. De bij deze aanslag opgelegde boete van € 138.969 is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 58.512. De navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2014 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 51.414. Het bezwaar tegen deze aanslag is ongegrond verklaard.\n\n2.9.. De navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.062. Bij uitspraak op bezwaar is deze aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.594. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. De bij deze aanslag opgelegde boete van € 15.064 is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 4.939. De navorderingsaanslag premie Zvw over het jaar 2015 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 48.762. Na bezwaar is de aanslag verminderd tot een naar een bijdrage-inkomen van € 34.518.\n\n2.10.. Bij de navorderingsaanslagen IB\u002FPVV zijn vergrijpboeten opgelegd van 50 procent van de nagevorderde belasting wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. De boete voor het jaar 2014 is aangekondigd bij brief van 12 mei 2020. De boete voor het jaar 2015 is aangekondigd bij brief van 17 september 2021.\n\n2.11.. \n\nBelanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nHet dictum van de uitspraak van de rechtbank luidt:\n\n“De rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond voor zover het de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014 betreft;\n\n- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014, behalve voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;\n\n- vermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2014 tot een naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000 met behoud van de overige elementen van deze aanslag;\n\n- vermindert de boeten tot € 49.735 voor het jaar 2014 en € 4.445 voor het jaar 2015.\n\n- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.810;\n\n- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 190;\n\n- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 1.750 te betalen op een bankrekening op naam van gemachtigde; en\n\n- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.”\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vragen of de inspecteur bij het doen van uitspraken op bezwaar het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden en of de navorderingsaanslagen, renten en boeten, al dan niet na vermindering, te hoog zijn. Met betrekking tot het laatste is in het bijzonder in geschil of:\n\nDe inspecteur in het kader van de omkering en verzwaring van de bewijslast een redelijke schatting heeft gemaakt; en\n\nBelanghebbende heeft aangetoond dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld.\n\nTer zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn stellingen over schending van het ne-bis-in-idem-beginsel en het una-via-beginsel en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over het jaar 2014 ingetrokken.\n\nVerder is niet (meer) in geschil dat is voldaan aan de vereisten om te komen tot omkering en verzwaring van de bewijslast.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen, vernietiging van de boeten en vergoeding van proceskosten. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.\n\n4. Gronden\n\nTen aanzien van het geschil\n\nSchending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel\n\n4.1.. Belanghebbende stelt dat de bestreden uitspraken op bezwaar zijn gebaseerd op onjuiste feiten, dat deze onzorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en heeft de verkeerde vaststelling van de feiten door de inspecteur gevolgd zonder afdoende motivering, aldus belanghebbende.\n\n4.2.. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij met de hiervoor genoemde stellingen heeft willen betogen dat sprake is van schending van zowel het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Naar het oordeel van het hof zijn deze beginselen niet geschonden. De uitspraken op bezwaar zijn voldoende gemotiveerd, aangezien de bezwaargronden van belanghebbende door de inspecteur worden benoemd en gemotiveerd worden weerlegd. Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat de inhoudelijke oordelen die enerzijds zijn neergelegd in de uitspraken op bezwaar en anderzijds in de uitspraak van de rechtbank, alsmede de feiten waarop die oordelen zijn gebaseerd, onjuist zijn, brengt dit niet zonder meer met zich dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Tegen deze inhoudelijke oordelen en feitenvaststellingen staan rechtsmiddelen open die belanghebbende als zodanig ook heeft gebruikt. Voor zover belanghebbende heeft gemeend dat sprake is van een schending van enig ander beginsel van behoorlijk bestuur, oordeelt het hof dat belanghebbende onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit de schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aannemelijk wordt.\n\nToepassing omkering en verzwaring van de bewijslast: redelijke schatting en hoogte aanslagen\n\n4.3.. Niet in geschil is dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 27e, lid 1, AWR en dat daardoor omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden toegepast. Dit laat onverlet dat de inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen heeft moeten uitgaan van een redelijke schatting.\n\n4.4.. \n\nIn het kader van deze redelijke schatting heeft belanghebbende gesteld dat de winstverdeling die door de inspecteur is toegepast tussen belanghebbende en [naam 1] onjuist is. Volgens belanghebbende droeg hij minder risico dan door de inspecteur is aangenomen, waardoor hem ook minder winst toekwam.\n\nDaarnaast heeft belanghebbende gesteld dat de extrapolatie die de inspecteur heeft toegepast voor het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning onjuist dan wel onnauwkeurig is. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat de periode die als maatstaf voor extrapolatie is genomen, namelijk 7 tot en met 14 april 2014, niet representatief is. In die periode zijn er namelijk veel wedstrijden, die ook nog eens belangrijk en zelfs beslissend zijn, waardoor het gebruikelijk is dat er in die periode meer is gegokt. Daar komt bij dat de genoemde periode bestaat uit acht dagen, terwijl een week uit zeven dagen bestaat. De aan die periode toegerekende winst is dan ook te hoog vastgesteld om als weekwinst te dienen en zou daarvoor met 12,5% moeten worden verlaagd.\n\nTen slotte heeft belanghebbende betoogd dat bij de redelijke schatting geen of onvoldoende rekening is gehouden met het reeds in de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 en 2015 (onjuist) aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen.\n\n4.5.. \n\nDe inspecteur heeft gesteld dat hetgeen belanghebbende aanvoert over de winstverdeling niet geloofwaardig is, onder meer omdat het in tegenspraak is met meerdere verklaringen van belanghebbende tijdens het strafrechtelijk proces, maar ook omdat het niet in overeenstemming is met het uitgavenpatroon van belanghebbende.\n\nDaarnaast heeft de inspecteur ten aanzien van de toegepaste extrapolatie gesteld dat deze juist is, dat hij de stellingen van belanghebbende op dit punt betwist en dat hij het eens is met de uitspraak van de rechtbank. Meer in het bijzonder heeft de inspecteur gesteld dat de periode van 7 tot en met 14 april 2014 weliswaar acht dagen omvat, maar dat dit een zogeheten speelweek betreft en geen week zoals in het normale spraakgebruik.\n\nTen aanzien van het in de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 en 2015 (onjuist) aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen heeft de inspecteur gesteld dat dit reeds (voldoende) is verdisconteerd in de redelijke schatting.\n\n4.6.. Het hof dient te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het bedrag van de navorderingsaanslagen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de (omkering en) verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur.In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is.Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng.Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven.\n\n4.7.. Ten aanzien van de winstverdeling van 50\u002F50 die is toegepast door de inspecteur is het hof van oordeel dat deze redelijk is. Weliswaar heeft belanghebbende betoogd dat hem een kleiner winstaandeel toekwam, maar hij heeft hiervoor, zoals ook door gemachtigde ter zitting erkend, geen feitelijk bewijs aangedragen. De verklaringen ter zitting van gemachtigde dat hij weet hoe het eraan toegaat in de gokindustrie en dat zijn stellingen in lijn liggen met die ervaringen vormen geen concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan de redelijkheid van de door de inspecteur toegepaste schatting. Dit te meer omdat belanghebbende zelf tijdens verhoren in het kader van het strafrechtelijk onderzoek diverse malen heeft verklaard dat hij alles samen deed met [naam 1] en dat “de winst 50\u002F50 ging”.\n\n4.8.. Met betrekking tot de representativiteit van de periode die voor extrapolatie is gebruikt, heeft belanghebbende gesteld dat het gebruikelijk is dat in die periode meer wordt gegokt dan in andere perioden. Belanghebbende heeft dit slechts als blote stelling geponeerd en dit geeft daarom geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de redelijkheid van de schatting.\n\n4.9.. In het kader van de duur van de voor de extrapolatie gebruikte periode, namelijk acht dagen, heeft de inspecteur erkend dat dit geen week betreft zoals in het normale spraakgebruik (hierna: een normale week), maar dat het gaat om een zogeheten speelweek. Hij verwijst hiervoor naar een document dat in het dossier zit, met als titel ‘Overzicht vermoedelijke gok-inzetten per sms bij [belanghebbende] – 7 t\u002Fm 15 april 2014’. Uit dit document volgt dat in die periode in totaal € 43.310 is ingezet bij belanghebbende en in totaal € 31.604 is uitgekeerd aan de deelnemers, wat resulteert in een winst van € 11.706. De inspecteur heeft voor 2014 50 procent van deze winst voor 42 weken (38 weken en vier weken WK) toegerekend aan belanghebbende en voor 2015 50 procent van zes weken. In hoeverre een speelweek afwijkt van een normale week en hoe deze afwijkingen in de extrapolatie zijn meegenomen en verwerkt, heeft de inspecteur desgevraagd ter zitting niet kunnen verklaren. Daarbij merkt het hof onder meer op dat in het hiervoor aangehaalde overzicht bepaalde voetbalclubs meerdere malen zijn vermeld in dezelfde speelweek en dat er voetbalcompetities uit meerdere landen op staan vermeld. Het lijkt er dan ook op dat dit geen afgeronde speelronde is, maar dat het juist een willekeurige periode betreft van acht dagen. Aangezien de inspecteur de redelijke schatting op dit punt niet met feitelijke stellingen heeft onderbouwd en niet duidelijk is wat de aanknopingspunten in dit kader zijn geweest, is de schatting naar het oordeel van het hof op dit punt niet redelijk. Het hof zal daarom, zoals ook betoogd door belanghebbende, de winst na extrapolatie met 1\u002F8ste deel, zijnde 12,5%, verminderen.\n\n4.10.. Belanghebbende heeft voorts betoogd dat de inspecteur bij het maken van de schatting geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met het reeds door belanghebbende aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen.\n\n4.11.. Het hof overweegt hierover het volgende. In het kader van zijn schijndienstbetrekking bij [bedrijf 1] heeft belanghebbende € 41.914 voor 2014 en € 3.214 voor 2015 als loon uit dienstbetrekking aangegeven. Uit de zelf door belanghebbende ingediende aangiften IB\u002FPVV voor die jaren leidt het hof af dat het gaat om bedragen inclusief reeds ingehouden loonheffing (€ 12.961 voor 2014 en € 964 voor 2015). Daarnaast heeft de inspecteur in de uitspraak op bezwaar de volgende cijfermatige onderbouwing opgenomen:\n\n“2014 (in €)\n\n2015 (in €)\n\nInkomen box 1 (DA)\n\n37.926\n\n2.290\n\nAf: Loon [bedrijf 1] B.V.\n\n41.914\n\n3.214\n\nBij: SMS-berichten\n\n241.626\n\n34.518\n\nVast te stellen inkomen box 1\n\n237.638\n\n33.594”\n\nHieruit volgt dat de bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit box 1 de door belanghebbende aangegeven loonbestanddelen, inclusief daarover afgedragen loonheffingen, uit dit inkomen zijn verwijderd. In zoverre heeft de inspecteur bij het maken van de schatting rekening gehouden met de eerder door belanghebbende aangegeven loonbestanddelen.\n\n4.12.. Voorzover belanghebbende heeft betoogd dat de loonheffingen die zijn ingehouden en afgedragen in het kader van de schijndienstbetrekking als voorheffing moeten worden verrekend met de te betalen inkomstenbelasting, oordeelt het hof als volgt. Aangezien er een bedrag is ingehouden en afgedragen, terwijl er, zo is niet in geschil, geen sprake is van een dienstbetrekking van belanghebbende in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, komt dit bedrag niet bij belanghebbende als voorheffing voor verrekening met inkomstenbelasting in aanmerking. In hoeverre dit bedrag door [bedrijf 1] onterecht is afgedragen en of dit bedrag voor terugbetaling aan [bedrijf 1] in aanmerking komt kan in deze procedure, alleen al omdat deze procedure een andere belastingplichtige betreft, niet aan de orde worden gesteld. Het gelijk op dit punt is dus aan de inspecteur.\n\n4.13.. De tussenconclusie is dat de door de inspecteur gemaakte berekening van de navorderingsaanslagen redelijk is, behalve met betrekking tot de periode van acht dagen die als basis voor de extrapolatie is gebruikt.\n\n4.14.. Vervolgens dient beoordeeld te worden of belanghebbende heeft doen blijken dat de schatting, alhoewel deze redelijk is, te hoog is. Belanghebbende heeft niet het van hem vereiste bewijs geleverd, aangezien hij de onjuistheid van de schatting en de veronderstellingen die aan deze schatting ten grondslag liggen niet heeft aangetoond. Voorzover belanghebbende stellingen heeft ingenomen waaruit volgens hem volgt dat de schatting te hoog is, zijn deze stellingen niet met feiten of stukken onderbouwd.\n\n4.15.. Het voorgaande leidt ertoe dat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2014 zal worden vastgesteld op € 207.434 en voor 2015 op € 29.279. Hieraan ligt de volgende berekening ten grondslag (vergelijk de hiervoor in 4.11 weergegeven berekening):\n\n“2014 (in €)\n\n2015 (in €)\n\nInkomen box 1 (DA)\n\n37.926\n\n2.290\n\nAf: Loon [bedrijf 1] B.V.\n\n41.914\n\n3.214\n\nBij: SMS-berichten\n\n241.626\n\n34.518\n\nAf: Vermindering SMS-berichten met 12,5%\n\n30.204\n\n4.315\n\nVast te stellen inkomen box 1\n\n207.434\n\n29.279\n\nDit betekent ook dat de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015 verminderd dient te worden naar een gebaseerd op een bijdrage-inkomen van € 29.279. De navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2014 blijft in stand, aangezien deze is opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw in 2014, namelijk € 51.414.\n\nBelastingrente\n\n4.16.. De hoger beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien de met de belastingrentebeschikkingen samenhangende navorderingsaanslagen worden verminderd, zal het hof de bedragen van de belastingrente dienovereenkomstig verminderen. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Het hof ziet geen aanleiding om voor het overige af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.\n\nDe boeten\n\n4.17.. Het hof is van oordeel dat de inspecteur heeft bewezen dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan door geen inkomsten uit de weddenschappen op te geven, en dat boeten van 50% van de daarvoor nagevorderde belasting gerechtvaardigd zijn. Aangezien de nagevorderde belasting voor zowel 2014 als 2015 te hoog is vastgesteld door de inspecteur en moet worden verminderd, zal het hof de boeten dienovereenkomstig verminderen. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft de rechtbank de boeten gematigd. Voor het jaar 2014 ging het om een matiging van 15% en voor het jaar 2015 ging het om een matiging van 10%. Het hof sluit zich aan bij deze matigingen en acht de boeten – dus na vermindering wegens vermindering van de boetegrondslagen en wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting – gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden. Zoals hiervoor aangegeven zijn de grondslagen van de boeten de respectievelijke bedragen aan verschuldigde belasting. Deze bedragen zijn wegens het niet doen van de vereiste aangifte komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze omstandigheid is voor het hof, gelet op de hoogte van de door het hof passend en geboden geachte boeten, in dit geval geen aanleiding om die boeten nog verder te matigen. \n\nTussenconclusie\n\n4.18.. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.19.. Aangezien het hoger beroep gegrond wordt verklaard, dient de inspecteur aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.20.. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.\n\n4.21.. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.\n\n4.22.. De inspecteur dient de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener te betalen, omdat aan belanghebbende een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep gegrond;\n\nvernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen over de hoogte van de navorderingsaanslagen, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015, behalve voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;\n\nvernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015;\n\nvermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2014 naar een gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 207.434 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000 met behoud van de overige elementen van de navorderingsaanslag;\n\nvermindert de navorderingsaanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2015 naar een gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.279 met behoud van de overige elementen van de navorderingsaanslag;\n\nvermindert de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015 naar een gebaseerd op een bijdrage-inkomen van € 29.279;\n\nvermindert de beschikkingen belastingrente evenredig;\n\nvermindert de grondslag van de boeten dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aldus berekende boeten voor 2014 en 2015 met respectievelijk 15% en 10% in verband met de door de rechtbank vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn;\n\nbepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;\n\nveroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.868;\n\nbepaalt dat de inspecteur de kosten van het geding betaalt aan de rechtsbijstandverlener.\n\nDe uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nA. Muller W.W. Monteiro\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).\n\n Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.\n\n Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093.\n\n Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.\n\n Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.\n\n Artikel 5.3, lid 1, in samenhang met artikel 5.2, lid 1, Regeling zorgverzekering (tekst 2014).\n\nHoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, r.o. 3.6.8.\n\n 1 punt voor hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\n Artikel 8:75, lid 2, Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:881","2026-07-13T00:28:45.362Z",20]