[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-s-hertogenbosch-value-added-tax-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":45},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},72,"'s-Hertogenbosch","nl","s-hertogenbosch",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},78,"value-added-tax-nl","Value Added Tax","NL","2026-07-08T16:55:03.373Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-05-27T00:00:00.000Z","2026-06-03T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123639","Richtlijn","art. 12",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1342","ECLI:NL:GHSHE:2026:1444","ecli-nl-ghshe-2026-1444","","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F117\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 december 2023, nummer BRE 21\u002F644, in het geding tussen belanghebbende,\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur\n\nen\n\nde Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),\n\nhierna: de minister.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte op 24 december 2018. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.2.. \n\nBelanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.\n\nDe rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.4. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\n1.5.. De zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen als gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] (hierna: de gemachtigde), bijgestaan door [naam 1] , en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 24\u002F118 tot en met 24\u002F120.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. Deze pleitnota is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.\n\n1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n1.8.. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.\n\n1.9.. De gemachtigde heeft na de zitting nadere stukken ingediend. Het hof zal deze stukken niet tot de gedingstukken rekenen (zie verder onder overweging 4.1).\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende is één van de vier commanditair vennoten van de commanditaire vennootschap [naam 2] C.V. (hierna: de C.V.).\n\n2.2.. Bij akte van levering van 30 november 2018 hebben de commanditaire vennoten van de C.V., waaronder belanghebbende, van projectontwikkelaar [projectontwikkelaar] B.V. (hierna: verkoper), een hotelgebouw met buitenterrein gelegen aan [adres] in [plaats] verkregen (hierna: het gebouw). Het gebouw was ten tijde van de verkrijging in verhuurde staat. De netto-koopprijs van het gebouw bedroeg € 33.900.000 (vrij op naam), inclusief eventueel verschuldigde overdrachtsbelasting. Blijkens de in de akte van levering opgenomen voetverklaring bedraagt de heffingsgrondslag voor de overdrachtsbelasting afgerond € 31.889.500, zodat de verschuldigde overdrachtsbelasting € 1.913.370 bedraagt.\n\n2.3.. Het gebouw, gebouwd in 1974\u002F1975, was voorheen een kantoorgebouw dat op 22 mei 2015 in onverhuurde staat voor € 4.700.000 door verkoper werd gekocht. Het doel van verkoper bij aankoop was om het gebouw te transformeren tot een hotelaccommodatie met circa 150 hotelkamers, een minimarkt, sportschool, restaurant en vergaderruimten.\n\n2.4.. In opdracht van verkoper zijn aan het gebouw de volgende werkzaamheden verricht:\n\nIn het gebouw hebben sloopwerkzaamheden plaatsgevonden. Verwijderd zijn onder meer de (niet dragende) wanden, deuren, stoffering, meubilair, plafonds, dekvloeren, elektrische en werkbouwkundige installaties, isolatie, binnen spouwwanden, kozijnen en ramen. Ook is alle asbest gesaneerd.\n\nIedere verdieping van het gebouw is opnieuw ingedeeld en ingericht. Op iedere verdieping zijn nieuwe (niet dragende) muren en plafonds gezet.\n\nAlle infrastructuur (elektriciteit, water en IT) is vervangen.\n\nAlle werkbouwkundige installaties zijn vervangen, waaronder luchtbehandelingskasten, airco-systemen, warmwaterketels, drinkwatertracé, riolering en sanitaire voorzieningen.\n\nAlle elektrische installaties zijn vervangen, waaronder brandmeldinstallaties, ontruimingsinstallaties, hoofd- en onderverdeelkasten en kabeltracé.\n\nDe dakbedekking, bestaande uit de afwerking met isolatiemateriaal, houten platen en bitumen dakbekleding, is vervangen. Daarbij zijn ook de dakranden meegenomen. Het gaat daarbij om het systeem dat ervoor zorgt dat het hemelwater wordt afgevoerd. Dat wil zeggen de noodoverstorten, ingelegde loodflappen en zetwerk dakranden.\n\nAlle vloeren zijn opnieuw afgewerkt. Daarbij zijn alle cementdekvloeren verwijderd en zijn op alle verdiepingen nieuwe betonvloeren gestort.\n\nIn de kelder is een vochtscherm geplaatst en vervolgens is de betonvloer opgehoogd. Op de kelderbak is een waterkering geplaatst.\n\nDe dakconstructie op de zevende verdieping is aangepast in verband met een nieuwe noodtrap en verder is er op die verdieping een stuk borstwering weggehaald. Het dak op de zevende verdieping is opengemaakt voor de realisatie van het terras en de vide. Daarvoor was een stalen constructie nodig.\n\nOp alle verdiepingen zijn schachten dichtgestort en nieuwe schachten geplaatst.\n\nOp de begane grond zijn stukken uit de gevel gezaagd en op de achtste verdieping is een gevelopening gemaakt voor de toegang tot een terras.\n\nVoor de aanpassingen op de zevende en achtste verdieping was een stalen constructie benodigd.\n\nNaast de drie bestaande liftschachten is een liftschacht bijgeplaatst. Verder zijn de bestaande liften vernieuwd.\n\nAlle ramen zijn vervangen door ramen met kiep- en draaifunctie. Ook zijn nieuwe kozijnen en waterslagen geplaatst. Er zijn deels grotere ramen geplaatst en ramen toegevoegd voor extra lichtinval.\n\nEr zijn twee nieuwe puien aangebracht voor de toegang tot het terras van het restaurant en de minimarkt. Het betreffen grote roldeuren.\n\nDe gevel is chemisch gereinigd en voegen zijn opnieuw gekit.\n\nHet parkeerterrein is heringericht. Er is een nieuw rioolstelsel, nieuw leidingwerk et cetera gelegd.\n\nDe parkeergarage is gereinigd, heringericht en de hekmotoren zijn vervangen. Er zijn een nieuw hekwerk en nieuwe slagbomen geplaatst.\n\nEr zijn nieuwe in- en uitgangen gecreëerd ten behoeve van de minimarkt en restaurant en er zijn nieuwe noodtrappen geplaatst.\n\n2.5.. Na afronding van de werkzaamheden heeft verkoper, blijkens een op 23 november 2017 gesloten huurovereenkomst, het gebouw met omzetbelasting belast verhuurd aan [bedrijf] BV (hierna: [bedrijf] ) voor de duur van ten minste tien jaar. [bedrijf] exploiteert in het gebouw een hotel.\n\n2.6.. Op 8 juni 2018 heeft verkoper een verzoek om vooroverleg ingediend bij de Belastingdienst. Namens verkoper is daarbij aan de Belastingdienst verzocht te bevestigen dat voornoemde verbouwing heeft geleid tot een vervaardigd goed in de zin van artikel 11, lid 3, aanhef en onderdeel b, Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 2018) (hierna: Wet OB) en dat daarmee voor de overdrachtsbelasting de samenloopvrijstelling van toepassing is.\n\n2.7.. Ter zake van de verkrijging van het gebouw is door de commanditaire vennoten van de C.V. tezamen € 1.913.367 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Belanghebbende is hierbij – als één van de vier commanditaire vennoten – voor l\u002F4e deel van dit betaalde bedrag aan overdrachtsbelasting betrokken. Vervolgens is namens de vier commanditaire vennoten bezwaar gemaakt tegen de voldoening van overdrachtsbelasting op aangifte, omdat zij van mening zijn dat de samenloopvrijstelling van toepassing is.\n\n2.8.. Bij brief van 15 april 2019 heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de verbouwing niet heeft geleid tot een vervaardigd goed in voornoemde zin en dat de levering van het gebouw aan de commanditaire vennoten van de C.V. van rechtswege is vrijgesteld van omzetbelasting.\n\n2.9.. De inspecteur heeft voorts het bezwaar afgewezen en de voldoening van de overdrachtsbelasting op aangifte gehandhaafd. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.\n\n2.10.. Tot het dossier in hoger beroep behoort een door belanghebbende aangedragen deskundigenrapport van [naam 3] van 1 mei 2024 (hierna: het deskundigenrapport). Hierin staat voor zover van belang het volgende:\n\n“3.3. Constructieve ingrepen3.3.1.. Hoofddraagconstructie\n\nEr dient onderscheid te worden gemaakt tussen de directe constructieve ingrepen volgens de opgave van de constructeur en de ingrepen in de uitwendige scheidingsconstructie. Onderstaande ingrepen zien toe op de constructieve veiligheid en zijn door de constructeur [Constructeur] opgetekend. De constructietekeningen en berekeningen maken onderdeel uit van de omgevingsvergunning, zie bijlage 3.\n\nDe ingrepen gerekend tot de hoofddraagconstructie zijn:\n\nSouterrain\n\n• aanbrengen sparingen tbv nieuwe goederenlift\n\n• aanbrengen schuimbeton tbv realisatie nieuwe vloer\n\n• fundering middels buispalen en betonnen vloer tbv entrees\n\nBegane grond, verdiepingsvloeren\n\n• verwijderen gevel tbv dakterras 8e verdieping (…)\n\n• realiseren nieuwe dakconstructie (…)\n\n• realiseren uitbreiding verdiepingsvloer (…)\n\n• verwijderen schachten en dichtzetten vloersparingen\n\n• aanbrengen diverse sparingen in de vloer- en wandconstructie (…)\n\nDak\n\n• aanbrengen diverse sparingen in de dakconstructie\n\n• realiseren dakopbouw (…)\n\n• uitbreiding dakconstructie. (…)\n\n3.3.2.. Uitwendige scheidingsconstructie\n\nBij de uitwendige scheidingsconstructie gaat het om de gevel en dakopbouw van het gebouw. Bouwbesluit, artikel 1.1, eerste lid, geeft de definitie van uitwendige scheidingsconstructie; een uitwendige scheidingsconstructie vormt de scheiding tussen een ruimte en de buitenlucht. Het samenstel van onderdelen vormt de gevelconstructie en dakconstructie en zijn onlosmakelijk verbonden.\n\nDe ingrepen aan de uitwendige scheidingsconstructie zien toe op dak- en gevelconstructie. De gesloten uitwendige gevelconstructie (…) bestaat uit een betonnen buitenblad, isolatie en een binnenblad. De uitwendige dakconstructie bestaat uit een prefab betonvloer met onderliggend plafond, aan de bovenzijde voorzien van isolatie en dakbedekking. De gehele dakopbouw vanaf casco constructie is volledig vervangen waarbij tevens de isolatiewaarde is\n\nverbeterd. De gevelkozijnen zijn volledig vervangen door hoogwaardig geïsoleerde kozijnen en beglazing. De vormtaal van de oorspronkelijke kozijnen zijn gevolgd. De gewassen grondbeton gevel is geheel gereinigd waardoor de gevel als nieuw oogt.\n\nDe ingrepen gerekend tot de uitwendige scheidingsconstructie zijn:\n\nSouterrain\n\n• aanbrengen schuimbetonvloer\n\n• vochtscherm\n\n• realiseren entree\n\nBegane grond, verdiepingsvloeren\n\n• verwijderen gevelpuien \u002F verwijderen open gevelconstructie\n\n• verwijderen binnenspouwblad van de gevelconstructie\n\nDak.\n\n• verwijderen dakafwerking en isolatie van de dakconstructie”.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. \n\nHet geschil betreft het antwoord op de vraag of sprake is van een verkrijging waarop de vrijstelling van artikel 15, zesde lid, in samenhang met artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst 2018) (hierna: de samenloopvrijstelling) van toepassing is. Dit geschil spitst zich toe op de beantwoording van de volgende vragen:\n\nI. Is sprake van een verbouwing die een vervaardigd goed heeft voortgebracht in de zin van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud)?\n\nII. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Is artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB en het daaruit voortvloeiende criterium ‘in wezen nieuwbouw’ in overeenstemming met artikel 12 Richtlijn 2006\u002F112\u002FEG (hierna: de Btw-richtlijn)?\n\nIII. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Kan worden getoetst aan een ruimere Unierechtelijke uitleg?\n\nVoor het geval het hof beslist dat de levering aan onder meer belanghebbende van het tot hotel getransformeerde kantoorgebouw is belast met omzetbelasting, is tussen partijen niet in geschil dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van de samenloopvrijstelling is voldaan.\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, tot een teruggaaf van overdrachtsbelasting van € 1.913.367 voor de vier commanditaire vennoten gezamenlijk en een integrale proceskostenvergoeding voor de hogerberoepsfase. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n4. 4. Gronden\n\nVooraf\n\n4.1.. Belanghebbende heeft op 21 november 2025 om 17:35 uur nadere stukken geplaatst in Mijn Rechtspraak. Het hof zal deze stukken niet meenemen in zijn oordeel. Dit komt omdat belanghebbende de stukken na het sluiten van het onderzoek heeft ingediend. Het hof ziet in de stukken geen aanleiding om het onderzoek te heropenen, omdat de inhoud van de stukken geen invloed heeft op het oordeel dat door het hof in deze zaak moet worden gegeven.\n\nTen aanzien van het geschil\n\nJuridisch kader (Unierechtelijk)\n\n4.2.. Artikel 12 Btw-richtlijn luidt, voor zover hier van belang, als volgt:\n\n“Artikel 12\n\n1. De lidstaten kunnen als belastingplichtige aanmerken eenieder die incidenteel een handeling verricht in verband met de in artikel 9, lid 1, tweede alinea, bedoelde werkzaamheden, met name een van de volgende handelingen:\n\na) de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijbehorende terrein vóór de eerste ingebruikneming;\n\n(…)\n\n2. Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt als „gebouw” beschouwd ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden.\n\nDe lidstaten kunnen de voorwaarden voor de toepassing van het in lid 1, onder a), bedoelde criterium op de verbouwing van gebouwen, alsmede het begrip „bijbehorend terrein” bepalen.\n\nDe lidstaten kunnen andere criteria dan dat van de eerste ingebruikneming toepassen, zoals het tijdvak dat verloopt tussen de datum van voltooiing van het gebouw en die van eerste levering, of het tijdvak tussen de datum van eerste ingebruikneming en die van de daaropvolgende levering, mits deze tijdvakken niet langer duren dan onderscheidenlijk vijf en twee jaar.”\n\n4.3.. Artikel 135 Btw-richtlijn bepaalt in lid 1:\n\n“De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:\n\n(…)\n\nj) de levering van een gebouw of een gedeelte ervan en van het bijbehorende terrein, met uitzondering van de in artikel 12, lid 1, onder a), bedoelde levering;”\n\nJuridisch kader (nationaalrechtelijk)\n\n4.4.. Artikel 11 Wet OB (tekst 2018) bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:\n\n“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:\n\na. de levering van onroerende zaken en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, met uitzondering van:\n\n1° de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het er bijbehorend terrein vóór, op of uiterlijk twee jaren na het tijdstip van eerste ingebruikneming, alsmede de levering van een bouwterrein;\n\n(…)\n\n[Lid 3, m.i.v. 2019 lid 5]\n\nVoor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°:\n\nb. wordt na de verbouwing van een gebouw de ingebruikneming als eerste ingebruikneming aangemerkt, indien door die verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht;”\n\nVervaardigd goed?\n\n4.5.. Voor de vraag of door de verbouwing een vervaardigd goed is voortgebracht, geldt het volgende. Met betrekking tot onroerende zaken is volgens vaste jurisprudentie slechts sprake van vervaardiging van een goed, indien door de werkzaamheden aan de onroerende zaak sprake is van ‘in wezen nieuwbouw’.\n\n4.6.. Belanghebbende stelt dat, gelet op de ‘in wezen nieuwbouw’-jurisprudentie waarin het begrip ‘vervaardiging’ door de Hoge Raadis ingevuld, sprake is van een vervaardigd goed, omdat de verbouwingswerkzaamheden hebben geleid tot wijziging dan wel vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie. Belanghebbende wijst in dit verband met name op (1) de sloop van het voormalige kantoorgebouw tot op het betonskelet, (2) de door de verbouwingswerkzaamheden aangebrachte wijzigingen zoals de verwijdering van de binnengevel en het dak op de zevende en de achtste verdieping en het weghalen en opnieuw plaatsen van muren, vloeren en plafonds, en (3) de omvang van de in het gebouw gedane investeringen en de met de verbouwing gerealiseerde meerwaarde. Met de verbouwingswerkzaamheden zijn volgens belanghebbende de bouwkundige identiteit en de uiterlijke herkenbaarheid van het gebouw gewijzigd. Voor een uitgebreide toelichting op de gestelde constructieve wijzigingen verwijst belanghebbende naar het tot de processtukken behorende deskundigenrapport. De inspecteur stelt daarentegen dat met de verbouwing van het gebouw geen vervaardigd goed is voortgebracht, omdat de constructieve aanpassingen daarvoor te beperkt zijn.\n\n4.7.. Bij de beantwoording van de vraag of in wezen een nieuw gebouw is ontstaan, moet – volgens de huidige stand van de jurisprudentie – worden vastgesteld wat in bouwkundig opzicht met het bestaande gebouw is gebeurd. Alleen wijzigingen in de bouwkundige constructie, daaronder begrepen vervanging (van een deel) van de bestaande bouwkundige constructie, kunnen de conclusie rechtvaardigen dat een verbouwing zo ingrijpend is geweest dat daardoor in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Of zulke wijzigingen zodanig ingrijpend zijn geweest, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Factoren zoals de eventuele functiewijziging, de (bouwkundige) identiteit, de uiterlijke herkenbaarheid of de naamsbekendheid van een gebouw voor en na de verbouwing kunnen aanwijzingen zijn voor de constatering dat een verbouwing in bouwkundig opzicht zo ingrijpend is geweest dat in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Zij zijn voor die beoordeling echter niet doorslaggevend, noch op zichzelf, noch tezamen genomen, en evenmin noodzakelijk.\n\n4.8.. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de onder 2.4 opgenomen verbouwingswerkzaamheden dusdanig ingrijpend zijn geweest dat deze de conclusie rechtvaardigen dat er in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. Daarvoor zijn, zoals hiervoor opgenomen, wijzigingen in de bouwkundige constructie van doorslaggevend belang. Het hof is van oordeel dat de verbouwing van het gebouw niet dusdanig ingrijpend is geweest dat dit heeft geleid tot een situatie waarin in wezen een nieuw gebouw is ontstaan. De omvang van de wijzigingen in de bouwkundige constructie van het gebouw acht het hof, gelet op de in 2.4 vermelde werkzaamheden, daarvoor te beperkt. Een belangrijk deel van de werkzaamheden betreft namelijk het strippen van het oude gebouw tot het casco en de daaropvolgende modernisering en de verduurzaming ervan. Dit kan niet zonder meer kwalificeren als een ingrijpende wijziging in de bouwkundige constructie van het gebouw.\n\n4.8.1.. In het door belanghebbende aangedragen deskundigenrapport (zie 2.10)wordt gesteld dat op de hoofddraagconstructie en de uitwendige scheidingsconstructie is ingegrepen. Indien en voor zover de ingrepen in de hoofddraagconstructie geduid moeten worden als wijzigingen in de bouwkundige constructie van het gebouw, zijn de met die wijzigingen gemoeide kosten, ten opzichte van de totale verbouwingsopgave, te beperkt om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een ingrijpende wijziging in voornoemde zin. Hierbij merkt het hof op dat hij, anders dan belanghebbende, de in het deskundigenrapport genoemde indirecte projectkosten en de kosten voor de uitwendige scheidingsconstructie niet beschouwt als kosten voor constructieve ingrepen. Van deze kosten is naar het oordeel van het hof ofwel onvoldoende duidelijk geworden waarop deze zien (indirecte projectkosten) dan wel is sprake van kosten die naar hun aard niet behoren tot de kosten voor constructieve ingrepen (kosten uitwendige scheidingsconstructie); belanghebbende heeft in dat verband namelijk gesteld dat de noodzakelijke draagconstructie van het gebouw (i.e. stabiliteitsconstructie) in stand is gebleven. Gelet op het voorgaande stelt het hof, mede in het licht van wat ter zitting is gesteld, vast dat de totale verbouwingsopgave € 14.279.100 (exclusief omzetbelasting) bedraagt, waarvan een bedrag van € 848.285 (exclusief omzetbelasting) betrekking heeft op constructieve ingrepen.Dat komt neer op ongeveer 6% van het bouwbudget. Ook in relatieve zin is dat naar het oordeel van het hof te beperkt om te spreken van een ingrijpende verbouwing in voornoemde zin. Zelfs als de indirecte projectkosten, die niet gespecificeerd zijn, zouden worden meegenomen als kosten voor constructieve ingrepen, rechtvaardigt dat geen andere conclusie.\n\n4.8.2.. Ook de omstandigheden dat het gebouw van functie is veranderd en dat het bedrag aan investeringen, in absolute zin, van aanzienlijke omvang is geweest doen aan dat oordeel niet af, gelet op het niet-doorslaggevende karakter van die omstandigheden.\n\n4.9.. Gelet op het voorgaande, moet de eerste geschilvraag ontkennend worden beantwoord.\n\nIs het criterium ‘in wezen nieuwbouw’ in overeenstemming met de Btw-richtlijn?\n\n4.10.. Belanghebbende stelt dat de in 4.7 genoemde uitleg van de Hoge Raad te strikt is, gelet op de tekst van artikel 12, lid 2, Btw-richtlijn en omdat de in dat kader gewezen Unierechtelijke jurisprudentie (in het bijzonder de zaken Kozubaen Promo 54) daar geen ruimte voor biedt. Iedere Unierechtelijk kwalificerende verbouwing verdient volgens belanghebbende op grond van het fiscale neutraliteitsbeginsel eenzelfde behandeling.\n\n4.11.. De inspecteur stelt daarentegen dat het ‘voortbrengen van een vervaardigd goed’ en het daaruit voortvloeiende criterium ‘in wezen nieuwbouw’ verenigbaar is met artikel 12, lid 2, Btw-richtlijn, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ-EU) in de Btw-richtlijn slechts een ondergrens heeft gesteld. Het arrest Kozuba en in het bijzonder punt 55 bevestigt die uitleg ook, aldus de inspecteur. Het arrest Promo 54 doet daar volgens de inspecteur niet aan af, omdat België geen voorwaarden had gesteld aan het verbouwingsbegrip en juist daarom het begrip in die zaak conform de ondergrens moest worden uitgelegd.\n\n4.12.. In de prejudiciële beslissing van 4 november 2022heeft de Hoge Raad geoordeeld dat Kozuba niet in de weg staat aan de keuze van de wetgever om de hernieuwde eerste ingebruikneming van gebouwen te koppelen aan het begrip ‘vervaardiging’, omdat het HvJ-EU met Kozuba en het daarin uitgelegde begrip van een kwalificerende verbouwing slechts een ondergrens heeft gesteld; een striktere uitleg zoals de Hoge Raad tijdens de prejudiciële beslissing voorstond was dus mogelijk.Advocaat-Generaal Wattel heeft op 29 november 2024– dus ná Promo 54 – geconcludeerd dat Promo 54 nauwelijks nog discretionaire ruimte laat bij de invulling van ‘eerste ingebruikneming’ van verbouwde gebouwen. Toch heeft hij vervolgens de strikte uitleg van het begrip ‘vervaardiging’ in lijn met de Unierechtelijke rechtspraak geacht, mede gelet op punt 55 van Kozuba.Ten slotte heeft de Hoge Raad in het arrest van 31 januari 2025eveneens verwezen naar datzelfde punt en ditmaal buiten redelijke twijfel geacht dat zijn uitleg van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud) in overeenstemming is met de mogelijkheid die artikel 12, lid 2, Btw-richtlijn biedt om de voorwaarden te bepalen voor de toepassing van het criterium van de ‘eerste ingebruikneming’ op de verbouwing van oude gebouwen, te meer daar met deze uitleg van artikel 11, lid 3, onderdeel b, Wet OB (oud) de in punt 26 van Promo 54 bedoelde draagwijdte van het begrip verbouwing, zoals omlijnd door het HvJ-EU, in acht wordt genomen.\n\n4.13.. Het hof ziet in dat wat belanghebbende heeft aangevoerd geen reden – gelet op deze beslissingen van de Hoge Raad – om thans anders te oordelen of om prejudiciële vragen aan het HvJ-EU te stellen. De tweede geschilvraag moet bevestigend worden beantwoord.\n\nToch een ruimere uitleg?\n\n4.14.. Belanghebbende stelt in dat geval tot slot, zo begrijpt het hof, dat in de situatie dat een verbouwing niet tot een ‘vervaardiging’ leidt maar tot een Unierechtelijk kwalificerende verbouwing, rechtstreeks terugkeer plaatsvindt naar de fase vóór de eerste ingebruikneming op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1° Wet OB. Belanghebbende verwijst in dit verband naar Promo 54 waarin het HvJ-EU, aldus belanghebbende, rechtstreeks uitleg geeft aan het niet-optionele artikel 12, lid 1, onderdeel a, Btw-richtlijn. Die uitleg leidt er volgens belanghebbende toe dat als sprake is van een verbouwing, zoals omlijnd in het Kozuba-arrest, automatisch sprake is van een terugkeer van het oude gebouw naar de fase vóór de eerste ingebruikneming. Daaruit volgt, zo stelt belanghebbende, dat de levering van een gebouw van rechtswege is belast met omzetbelasting als het zoals in dit geval veranderingen van betekenis heeft ondergaan die zijn bedoeld om het gebruik ervan te wijzigen of om de omstandigheden waaronder het wordt betrokken ingrijpend aan te passen.\n\n4.15.. Dit betoog van belanghebbende slaagt niet, nu het eerste lid en het derde lid van artikel 11 Wet OB (oud) onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. In het derde lid wordt eerst expliciet verwezen naar het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en vervolgens gepreciseerd wanneer in het geval van verbouwing van een oud gebouw van een eerste ingebruikneming sprake is. Uit die verbinding tussen de betreffende artikelleden volgt naar het oordeel van het hof dat de eerste ingebruikneming niet kan worden geïnterpreteerd zonder de precisering van het derde lid en het daarin opgenomen begrip ‘vervaardiging’ bij die lezing te betrekken.\n\n4.16.. Gelet op het voorgaande, moet de derde vraag ontkennend worden beantwoord.\n\nTussenconclusie\n\n4.17.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van de immateriële schadevergoeding\n\n4.18.. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep geldt als uitgangspunt dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld en binnen vier jaar nadat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. Een verzoek om vergoeding van immateriële schade is in dit geval niet nodig, omdat de redelijke termijn pas is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak.\n\n4.19.. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. In dit geval zijn de zaken van de commanditaire vennoten gezamenlijk behandeld (zaaknummers 24\u002F117 tot en met 24\u002F120). Voorop staat dat iedere belanghebbende bij de gezamenlijk behandelde zaken een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft. De gezamenlijke behandeling kan echter een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen.Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval van een dergelijke matigende invloed sprake omdat de feiten en de geschilpunten in de procedures van de commanditaire vennoten gelijk zijn, en de hoger beroepen van de commanditaire vennoten op dezelfde zitting zijn behandeld. Het hof zal daarom voor de commanditaire vennoten tezamen éénmaal het tarief van € 500 per half jaar hanteren.Dit komt voor belanghebbende neer op een vergoeding van € 125 per half jaar.\n\n4.20.. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met (naar boven afgerond) vijf maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (naar boven afgerond) één half jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 125, waartoe de minister wordt veroordeeld.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.21.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.22.. Omdat het hof ambtshalve overgaat tot vergoeding van immateriële schade en het hoger beroep ongegrond is, ziet het hof geen aanleiding voor een (werkelijke) proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank;\n\nveroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 125.\n\nDe uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, M.E. Smorenburg en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nJ.H.M. van Ooijen A.J. Kromhout\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Voetverklaring bij akte van levering van 30 november 2018.\n\n Hoge Raad 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6681, r.o. 3.3.1.\n\n Hoge Raad 4 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1577.\n\n Hoge Raad 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1609, r.o. 2.3.2.\n\n Paragraaf 3.3 deskundigenrapport.\n\n Paragraaf 3.5 deskundigenrapport.\n\n HvJ EU 16 november 2017, Kozuba, ECLI:EU:C:2017:869.\n\n HvJ EU 9 maart 2023, Promo 54, ECLI:EU:C:2023:181.\n\n Hoge Raad 4 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1577.\n\n Zie de conclusie van A-G Ettema van 3 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:6. Ook A-G Ettema concludeerde dat sprake was van een ondergrens van het verbouwingsbegrip in Kozuba.\n\n ECLI:NL:PHR:2024:1283.\n\n Dat punt luidt als volgt: “Voor een oud gebouw ontstaat die toegevoegde waarde wanneer het dermate ingrijpend wordt verbouwd, dat het op één lijn kan worden gesteld met een nieuw gebouw.”\n\n Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:157, r.o. 2.2.2.\n\n Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2.\n\n Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:147, r.o. 4.2.\n\n Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:586 en Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700.\n\n Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NLHR:2024:567, r.o. 7.1.2. en Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299, r.o. 5.7.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1444","2026-06-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:16.864Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":36,"updatedAt":44},"1850","ECLI:NL:GHSHE:2026:1362","ecli-nl-ghshe-2026-1362","GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH\n\nTeam belastingrecht\n\nMeervoudige Belastingkamer\n\nNummer: 24\u002F1849\n\nUitspraak op het hoger beroep van\n\n [belanghebbende] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nhierna: belanghebbende,\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 28 oktober 2024, nummer BRE 23\u002F1898, in het geding tussen belanghebbende en\n\nde inspecteur van de Belastingdienst,\n\nhierna: de inspecteur.\n\n1. Ontstaan en loop van het geding\n\n1.1.. De inspecteur heeft met dagtekening 28 juli 2022 aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) van € 21.468 opgelegd over de tijdvakken in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2021 (hierna: de naheffingsaanslag) en daarbij bij beschikking € 1.643 belastingrente (hierna: de rentebeschikking) in rekening gebracht.\n\n1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.\n\n1.6.. Belanghebbende heeft op 17 maart 2026 verzocht om uitstel van de zitting. Het hof heeft het verzoek op 18 maart 2026 afgewezen.\n\n1.7.. De zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting heeft belanghebbende laten weten dat zij niet zal verschijnen; daarop heeft ook de inspecteur laten weten dat hij niet zal verschijnen.\n\n1.8.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Belanghebbende handelt onder de naam [onderneming] . Zij heeft zich in 2018 bij de Belastingdienst gemeld als ondernemer in de zin van de wet. Belanghebbende heeft per kwartaal aangiften OB gedaan. Dat waren vooral nihilaangiften.\n\n2.2.. Over het tweede kwartaal van 2021 heeft belanghebbende om een teruggaaf van € 13.697 gevraagd. Dit betrof de voorbelasting op een factuur voor twee Mercedessen die zij wilde gaan exploiteren door middel van verhuur voor feesten en partijen (hierna: de auto’s).\n\n2.3.. Naar aanleiding van de aangifte over het tweede kwartaal van 2021 heeft de inspecteur op 30 juni 2021 een vragenbrief gestuurd (hierna: de vragenbrief). In deze vragenbrief is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:\n\n“Hoe gaat het nu verder?\n\nIk verzoek u binnen 3 weken na de datum bovenaan deze brief de informatie naar mij toe te sturen.\n\nNadat ik de informatie heb ontvangen, ga ik verder met de behandeling van uw verzoek. Maximaal 8 weken na de dag waarop ik de informatie van u heb ontvangen, laat ik u mijn beslissing weten. Als ik bij de verdere behandeling van uw verzoek nog vragen heb, neem ik contact met u op.”\n\nBelanghebbende heeft op 7 juli 2021 informatie aan de inspecteur verstrekt. Op 6 december 2021 heeft de inspecteur een onderzoek aangekondigd. Het rapport daarvan is uitgebracht op 22 juli 2022. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd. De teruggaaf over het tweede kwartaal van 2021 is niet verleend.\n\n2.4.. Belanghebbende heeft de auto’s in oktober 2021 verkocht.\n\n2.5.. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 19.222 en de rentebeschikking evenredig verminderd. De rechtbank heeft verder – voor zover hier relevant – het verzoek om schadevergoeding van belanghebbende afgewezen, de inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 333,33 en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 166,67.\n\n3. Geschil en conclusies van partijen\n\n3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: heeft belanghebbende recht op een bedrag aan (im)materiële schadevergoeding, omdat de inspecteur niet binnen acht weken op het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2021 heeft beslist?\n\n3.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de toekenning van een schadevergoeding en een hoger bedrag aan vergoeding van immateriële schade. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.\n\n3.3.. De naheffingsaanslag en rentebeschikking zijn niet in geschil.\n\n4. Gronden\n\nVooraf en ambtshalve\n\n4.1.. Bij de onder 1.6 vermelde brief heeft belanghebbende verzocht om uitstel van de zitting van 1 april 2026. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden de zitting uit te stellen. Belanghebbende geeft kort gezegd aan niet in staat te zijn de zitting bij te wonen vanwege de impact op haar van de oorlog in Iran waarin haar familie zou zijn betrokken en waarmee geen contact meer bestaat. Het hof kan zich voorstellen dat de oorlog impact op belanghebbende heeft, maar ziet daarin geen gewichtige reden die uitstel van de zitting rechtvaardigt. Belanghebbende heeft niet aangevoerd waarom zij niet op de vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn, terwijl het hof uit de omstandigheid dat zij gelijktijdig met het uitstelverzoek nadere (inhoudelijke) stukken heeft ingediend afleidt dat zij kennelijk wel met de zaak bezig is.\n\nTen aanzien van het geschil\n\n4.2.. Belanghebbende betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor materiële en immateriële schade heeft toegekend. Volgens haar had de inspecteur, zoals vermeld in de vragenbrief, binnen de gestelde termijn van acht weken moeten reageren op haar verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, uiterlijk op 1 september 2021. Doordat de inspecteur pas op 6 december 2021 – bij de aankondiging van het boekenonderzoek – reageerde, heeft belanghebbende schade geleden. Had de inspecteur tijdig gereageerd, dan had zij de auto’s eerder en met minder verlies kunnen verkopen. Daarnaast stelt belanghebbende dat de vertraging psychologische en emotionele schade heeft veroorzaakt. De inspecteur betwist dat belanghebbende recht heeft op deze schadevergoeding.\n\n4.3.. Op grond van het overgangsrecht van artikel V Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluitenis de regeling voor schadevergoeding bij onrechtmatig overheidshandelen, zoals neergelegd in titel 8.4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), (nog) niet van toepassing op besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst, met uitzondering van besluiten betreffende de vennootschapsbelasting en lokale heffingen. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 8:73 (oud) Awb.\n\n4.4.. Artikel 8:73, lid 1, Awb luidde tot 1 juli 2013 als volgt: “Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.”\n\n4.5.. Nu de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard en de naheffingsaanslag heeft verminderd, en deze naheffingsaanslag in hoger beroep niet in geschil is, is de belastingkamer van het hof bevoegd het bestuursorgaan te veroordelen tot schadevergoeding. Op grond van de gebruikelijke regels van stelplicht en bewijslast is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat zij schade heeft geleden als gevolg van het vernietigde besluit en daarnaast om de omvang van deze schade te specificeren.\n\n4.6.. Ten aanzien van de materiële schade stelt belanghebbende in hoger beroep dat haar schade € 24.311 bedraagt. Dit bedrag omvat het verlies bij de gedwongen verkoop van de auto’s, exclusief bijkomende kosten zoals verzekeringen en motorrijtuigenbelasting. Omdat belanghebbende niet eerder dan in december 2021 kennisnam van het ingestelde boekenonderzoek en daarmee van de mogelijke afwijzing van het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting, was zij reeds in oktober 2021 niet meer in staat de onderneming voort te zetten. Ter onderbouwing heeft zij aankoop- en verkoopfacturen van de auto’s overgelegd, waaruit blijkt dat de verkoopprijs lager is dan de aankoopprijs. Uit deze stukken blijkt dat belanghebbende op 7 april 2021 een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 1] heeft gekocht voor € 28.450 die is verkocht op 23 oktober 2021 voor € 25.780 (inclusief OB), en dat zij op 3 juni 2021 een Mercedes-Benz met kenteken [kenteken 2] heeft gekocht voor € 43.276,15 plus € 7.723,85 OB die op 16 oktober 2021 is verkocht voor € 35.500 (inclusief OB). Het hof overweegt dat belanghebbende met de aankoop- en verkoopfacturen heeft aangetoond dat een verlies is geleden tussen de aankoop- en verkoopmomenten. Dit betekent echter nog niet dat zij heeft gekwantificeerd wat de schade is die voortvloeit uit het feit dat de verkoop in oktober 2021 plaatsvond in plaats van op 1 september 2021, de uiterste datum waarop de inspecteur de beslissing op het teruggaafverzoek volgens de informatiebrief zou geven. De bijkomende kosten zijn bovendien geheel niet gekwantificeerd.\n\n4.7.. Ten aanzien van de immateriële schade stelt belanghebbende in hoger beroep dat zij psychologische en emotionele schade heeft geleden. Zij geeft te kennen dat de langdurige onzekerheid een negatieve invloed heeft gehad op haar gezondheid, waaronder paniekaanvallen, huilbuien en lichamelijke klachten, en op haar persoonlijke situatie. Door de stress en financiële problemen is zij de afgelopen jaren niet in staat geweest volledig te werken. In een van de nadere stukken heeft zij een bedrag van € 10.000 aan immateriële schade begroot. Het hof merkt allereerst op dat voor zover het verzoek om immateriële schadevergoeding betrekking heeft op de invordering van de belastingschuld naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank, het hof zich onbevoegd verklaart. De belastingrechter is in dit geval niet bevoegd te oordelen over een besluit dat is genomen op grond van de Invorderingswet 1990. Belanghebbende dient zich hiervoor tot de civiele rechter te wenden. Voor zover het verzoek betrekking heeft op hetgeen waarvoor de belastingrechter wel bevoegd is, is het hof van oordeel dat belanghebbende haar verzoek tot immateriële schadevergoeding onvoldoende heeft onderbouwd en gekwantificeerd. Voor zover het genoemde bedrag van € 10.000 ziet op de procedure rondom de teruggaafbeschikking, ontbreekt elke nadere toelichting en is onduidelijk waarop dit bedrag is gebaseerd. Het enkele stellen dat zij psychologische en emotionele schade heeft geleden is onvoldoende voor het toewijzen van het verzoek om schadevergoeding.\n\n4.8.. Het hof wijst het verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade reeds daarom af, omdat belanghebbende gelet op het voorgaande niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Anders dan belanghebbende in hoger beroep betoogt, brengt het feit dat haar beroep door de rechtbank gegrond is verklaard niet automatisch mee dat zij aanspraak maakt op een schadevergoeding. Het hof is van oordeel dat de rechtbankuitspraak, anders dan belanghebbende betoogt, ook voldoende is gemotiveerd wat betreft de afwijzing van de schadevergoeding.\n\n4.9.. Naast de omstandigheid dat belanghebbende niet is geslaagd in haar bewijslast om de omvang van de schade te specificeren, overweegt het hof als volgt. De op grond van artikel 8:73 Awb toe te kennen schadevergoeding heeft betrekking op alle schade die een partij als gevolg van het door de inspecteur onrechtmatig genomen besluit heeft geleden en waarvoor wordt voldaan aan de vereisten voor de toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van artikel 6:162 BW komt slechts die schade voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met het vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geclaimde schade aan de inspecteur kan worden toegerekend. Het hof sluit zich aan bij de rechtbank in haar oordeel dat het niet begrijpelijk is dat de onderneming geen doorgang kon vinden zonder een snelle teruggaaf van de voorbelasting. Het feit dat de auto’s zijn aangeschaft en de onderneming kennelijk is gestart in afhankelijkheid van een snelle teruggaaf wijst op een niet goed onderbouwd en niet realistisch ondernemingsplan. Het is aannemelijker dat het verlies eerder daaraan is toe te rekenen dan aan de vertraagde besluitvorming en het gebrek aan communicatie door de inspecteur. Bovendien mag van een ondernemer worden verwacht dat hij over een financiële reserve beschikt om een (korte) periode van tegenslag te kunnen overbruggen. Indien belanghebbende geen financiële reserve had, komen de gevolgen daarvan voor haar eigen risico.\n\n4.10.. Het hogerberoepschrift is door het hof ontvangen op 8 december 2024. Omdat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, is de redelijke termijn in de hoger beroepsfase niet overschreden. Belanghebbende heeft daarom geen recht op een aanvullende vergoeding van immateriële schade.\n\nTussenconclusie\n\n4.11.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.\n\nTen aanzien van het griffierecht\n\n4.12.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.\n\nTen aanzien van de kosten van het bezwaar\n\n4.13.. Het verzoek van belanghebbende om vergoeding van de kosten van bezwaar wijst het hof af. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar voordat de inspecteur op bezwaar heeft beslist.\n\nTen aanzien van de proceskosten\n\n4.14.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.\n\n5. Beslissing\n\nHet hof:\n\nverklaart het hoger beroep ongegrond;\n\nbevestigt de uitspraak van de rechtbank.\n\nDe uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.\n\nDe beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nDe griffier, De voorzitter,\n\nS.M.R. Moberts C.W.M.M. Verkoijen\n\nHet aanwenden van een rechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\nBij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.\n\n(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\nHet beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\nde naam en het adres van de indiener;\n\nde dagtekening;\n\neen omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\ne gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.\n\nIn het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Artikel 7 Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).\n\nStb. 2013, 50.\n\n HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:559.\n\n Artikel 7:15, lid 3, Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1362","2026-07-13T00:29:42.019Z",20]