[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-tilburg-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":29,"total":16,"page":25,"limit":55},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},76,"Tilburg","nl","tilburg",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-05-22T00:00:00.000Z",[21,26],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"123244","Burgerlijk Wetboek","art. 6:205",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"123251","art. 6:136",[30,41,48],{"id":31,"ecli":32,"slug":33,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":35,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":40},"1153","ECLI:NL:RBZWB:2026:5037","ecli-nl-rbzwb-2026-5037","","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12119469 \\ AZ VERZ 26-20\n\nBeschikking van 22 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nwonende te [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. D.F. Oberman,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] B.V.,\n\nstatutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaats 1] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: mr. C.H.G. Heijnen.\n\n1. De zaak in het kort\n\nHet gaat in deze zaak om door [werkgever] verleend ontslag op staande voet om reden dat [werknemer] in de bedrijfskantine van de Bijenkorf – waar [werkgever] een pop up store had – producten niet of niet volledig heeft afgerekend en goedkopere producten heeft aangeslagen dan de daadwerkelijk afgenomen producten. [werknemer] verzoekt om vernietiging van het ontslag op staande voet. [werknemer] betwist niet onjuist te hebben afgerekend, maar beroept zich op persoonlijke omstandigheden waardoor de dringende reden minder zwaar zou wegen. Daarnaast beroept [werknemer] zich op de ernstige gevolgen van het ontslag op staande voet voor hem. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. [werknemer] verzoekt ook om betaling van achterstallig loon en onverschuldigde betalingen die hij heeft gedaan. Die verzoeken worden toegewezen. Hierna zal worden uitgelegd waarom.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 12;\n\n- het verweerschrift met producties 1 tot en met 5;\n\n- de namens [werknemer] toegezonden aanvullende producties 13 tot en met 16;\n\n- de namens [werkgever] toegezonden aanvullende producties 6 en 7.\n\n2.2.. Op 31 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij partijen met hun gemachtigden aanwezig waren. Partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting. Na de inhoudelijke behandeling is de zitting geschorst voor het treffen van een regeling tussen partijen. Na de schorsing hebben partijen de kantonrechter medegedeeld dat zij een regeling hebben bereikt waarbij onder meer overeengekomen is dat de arbeidsovereenkomst op 28 februari 2026 is beëindigd. Die regeling is vastgelegd in een proces-verbaal en is (wegens een printerstoring bij de rechtbank) na afloop van de zitting door partijen op 31 maart 2026 ondertekend.\n\n2.3.. Bij bericht van 13 april 2026 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan de kantonrechter medegedeeld dat [werknemer] gebruik wil maken van de bedenktermijn van veertien dagen en primair verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling en subsidiair verzocht om een beslissing te geven. Als reactie daarop heeft de gemachtigde van [werkgever] bij brief van 14 april 2026 aan de kantonrechter medegedeeld dat [werknemer] misbruik van recht maakt door zich te beroepen op de bedenktermijn (onder meer) omdat zij kosten heeft gemaakt voor uitvoering van de afspraken en er een betaling van € 4.000,00 netto is verricht. De gemachtigde van [werkgever] heeft aangegeven dat er geen grond is voor aanhouding van de zaak of een nieuwe behandeling. De griffie van de rechtbank heeft de gemachtigden van partijen vervolgens bericht dat de zaak wordt verwezen voor beschikking.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [werkgever] is een bedrijf dat gespecialiseerd is in de verkoop van zoete lekkernijen (Turks fruit). Zij levert producten vanuit Turkije die onder het merk [merk] verkocht worden aan afnemers op de Nederlandse markt.\n\n3.2.. Sinds 1 oktober 2023 is [werknemer] (geboren op [geboortedag] 1983) als kennismigrant via een payrollconstructie (waarbij Ravecruitment BV en later [bedrijf] optraden als payrollbedrijf) bij [werkgever] in dienst getreden voor onbepaalde tijd in de functie van operations manager. De arbeidsovereenkomst is per 1 juli 2025 door [werkgever] en [werknemer] voortgezet voor bepaalde tijd tot en met 30 september 2026 voor 40 uur per week tegen een loon van laatstelijk € 5.688,00 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.\n\n3.3.. \n [werknemer] verrichtte in zijn functie van operations manager een zelfstandige en verantwoordelijke rol. Hij onderhield contacten met leveranciers in Turkije en was betrokken bij de verkoopactiviteiten.\n\n3.4.. In aanloop naar de feestdagen in december 2025 was [werknemer] veel aanwezig in de pop up store die [werkgever] had in de Bijenkorf in [plaats 2] . Eerder, op 9 mei 2025, heeft [werknemer] een zogenaamde dervingsverklaring bij de Bijenkorf getekend waarin (onder meer) staat dat zij een strikt beleid voert op het gebied van interne fraude en de gevolgen bij fraude zijn dat het dienstverband onmiddellijk wordt beëindigd en er aangifte wordt gedaan bij de politie.\n\n3.5.. Op 24 december 2024 is [werkgever] benaderd door de fraudeafdeling van de Bijenkorf omdat zij naar aanleiding van het algoritme van het softwareprogramma intern onderzoek heeft gedaan waaruit is gebleken dat [werknemer] in de periode van 21 november 2025 tot en met 5 december 2025 producten niet, of niet volledig, heeft afgerekend en goedkopere producten heeft aangeslagen dan de daadwerkelijk in de personeelskantine van de Bijenkorf door [werknemer] afgenomen producten. Dit is in die periode 17 keer voorgekomen waarbij totaal € 33,25 te weinig is betaald.\n\n3.6.. Op 29 december 2025 heeft [werkgever] [werknemer] in een gesprek geconfronteerd met de bevindingen van de Bijenkorf (waaronder foto’s en camerabeelden) en medegedeeld dat er sprake is van fraude dan wel diefstal. [werknemer] heeft in dat gesprek de gedragingen niet ontkend en aangegeven dat het een gering bedrag was en hij het missende bedrag wil betalen. [werkgever] heeft [werknemer] na afloop van het gesprek op non-actief gesteld.\n\n3.7.. \n [werkgever] heeft [werknemer] uitgenodigd voor een vervolggesprek op 31 december 2025 waarbij ook de echtgenote van [werknemer] aanwezig was. In dat gesprek heeft [werknemer] volgens [werkgever] geen afdoende verklaring gegeven voor zijn handelen. [werkgever] heeft [werknemer] in dat gesprek op staande voet ontslagen wegens fraude bij de Bijenkorf.\n\n3.8.. \n\nIn de ontslagbrief van 31 december 2025, die de heer [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) – die teamleider is bij [werkgever] – heeft ondertekend, is de volgende dringende reden genoemd:\n\n“Op 29 december 2025 bent u geïnformeerd dat er een melding is gekomen van fraude door u bij een van onze leveranciers, daarop bent u voor een periode van 48 uur op non-actief gesteld in verband met een intern onderzoek. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek is vandaag besloten uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden.”\n\n3.9.. Vanaf juli 2025 tot en met oktober 2025 heeft [werkgever] het loon van [werknemer] niet volledig uitbetaald. Het (gedeeltelijke) loon van oktober 2025 heeft [werkgever] in december 2025 uitbetaald. Het loon van de maanden november en december 2025 is helemaal niet betaald.3.10.. Op 26 februari 2026 heeft de Bijenkorf aangifte gedaan van diefstal door [werknemer] in de periode tussen 21 november 2025 en 5 december 2025 door structureel te weinig af te rekenen.\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n\n [werknemer] verzoekt:\n\nbij wijze van voorlopige voorziening\n\nI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon van € 5.688,00 bruto per maand, vermeerderd met vakantietoeslag vanaf 1 november 2025 tot de dag van rechtsgeldige beëindiging;\n\nII. [werkgever] in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nprimair\n\nIII. het ontslag op staande voet te vernietigen;\n\nIV. [werkgever] te verplichten [werknemer] toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nsubsidiair\n\nV. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 55.000,00 bruto;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 4.266,00 bruto;\n\nVII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging begroot op € 5.688,00 bruto;\n\nVIII. [werkgever] te veroordelen tot overlegging van een deugdelijke eindafrekening met specificatie op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;\n\nmeer subsidiair,voor het geval de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd mocht zijn door ontslag;\n\nIX. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 4.056,48 bruto;\n\nX. [werkgever] te veroordelen tot overlegging van een deugdelijke eindafrekening met specificatie, op straffe van een dwangsom;\n\nin alle gevallen\n\nXI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid over de hiervoor genoemde bedragen;\n\nXII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van achterstallig loon en onverschuldigde bedragen van € 20.547,79 netto vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente zodat het verschuldigde bedrag uitkomt op € 31.643,60 netto;\n\nXIII. [werkgever] te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n [werknemer] stelt zich op het standpunt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat hij zich niet bewust was van eventuele fouten door medische klachten, de taalbarrière en sprake was van niet volledig betaald loon. Volgens [werknemer] heeft [werkgever] ten onrechte geen rekening gehouden met de verstrekkende gevolgen van het ontslag voor zijn verblijfsrecht en van zijn gezin dat van hem afhankelijk is. Daarnaast stelt [werknemer] dat hij totaal € 17.043,98 netto te weinig loon betaald heeft gekregen en hij onverschuldigde privébetalingen van totaal € 3.503,81 heeft gedaan aan [werkgever] die zij dient terug te betalen.4.3.. \n [werkgever] voert verweer en stelt dat het ontslag op staande voet wel terecht is gegeven. Volgens haar moet het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet worden afgewezen.\n\n4.4.. \n [werkgever] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan voor het geval de kantonrechter het ontslag op staande voet zal vernietigen. In dat geval verzoekt zij om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder toekenning van een vergoeding en met veroordeling van [werknemer] in de kosten van de procedure.\n\n4.5.. Als reactie op het voorwaardelijk tegenverzoek heeft [werknemer] aangevoerd dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden afgewezen.\n\n5. De beoordeling\n\nBedenktermijn\n\n5.1.. Een werknemer heeft het recht om een gesloten vaststellingsovereenkomst (waarbij de arbeidsovereenkomst met de werkgever is beëindigd) zonder opgaaf van redenen, binnen veertien dagen na de datum waarop de overeenkomst tot stand is gekomen te ontbinden.Volgens de wetsgeschiedenis is gekozen voor een bedenktermijn om de werknemer een extra bescherming te bieden in verband met het grote belang voor de werknemer bij een arbeidsovereenkomst en gelet op het aan het arbeidsrecht ten grondslag liggende beginsel van de ongelijkheidscompensatie.Door de bedenktermijn moet voorkomen worden dat een werknemer (al dan niet onder psychische druk van de werkgever, in een emotionele toestand) instemt met een opzegging of beëindigingsovereenkomst, terwijl hij onvoldoende heeft kunnen overzien welke gevolgen de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst voor hem heeft.\n\n5.2.. De kantonrechter volgt [werkgever] niet in haar standpunt dat [werknemer] geen gebruik kon maken van de bedenktermijn. Het kan namelijk voorkomen dat een werknemer de gevolgen van een beëindigingsovereenkomst niet helemaal overziet en dat hij zich pas later realiseert wat de consequenties zijn van ondertekening van de beëindigingsovereenkomst. Niet vereist is dat de werknemer motiveert waarom hij gebruik maakt van zijn recht om zich te bedenken. Dit recht kan niet worden uitgesloten. Daarom kan ook niet snel sprake zijn van misbruik van omstandigheden. De kantonrechter is van oordeel dat hier geen sprake is van misbruik van omstandigheden door [werknemer] . Eventueel gemaakte kosten van [werkgever] voor uitvoering van de regeling en de gestelde betaling van [werkgever] maken niet dat het inroepen van de bedenktermijn door [werknemer] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit betekent dat [werknemer] de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Dit heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst niet met wederzijds goedvinden per 28 februari 2026 is beëindigd.\n\nVerzoek tot vernietiging ontslag op staande voet: geen switch\n\n5.3.. Een werknemer, die vindt dat zijn arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd door zijn werkgever, moet in een procedure een keuze maken tussen het verzoek tot vernietiging van de opzegging en het verzoek tot toekenning van schadevergoeding (billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding). [werknemer] heeft gekozen voor de vernietiging van de opzegging en heeft geen ‘switch’ gemaakt. [werknemer] heeft daardoor ervoor gekozen het verzoek tot vernietiging van het ontslag te laten beoordelen en niet het subsidiaire verzoek tot toekenning van de voornoemde schadevergoeding.\n\nOntslag op staande voet5.4. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\n5.5.. Op grond van de wet is iedere partij bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.Het ontslag moet dus ‘onverwijld’ zijn gegeven, er moet sprake zijn van een dringende reden voor het ontslag en die reden moet ook ‘onverwijld’ zijn meegedeeld.\n\n5.6.. Als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, zijn alleen de opgegeven redenen maatgevend en moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.\n\nBevoegd gegeven ontslag en onverwijld\n\n5.7.. Het ontslag op staande voet is gegeven door [persoon 1] in het gesprek van 31 december 2025. [persoon 1] heeft dat ontslag op staande voet met toestemming van [werkgever] gegeven. Mevrouw [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ), die indirect bestuurder is van [werkgever] , was namelijk ook bij het gesprek van 31 december 2025 aanwezig en de ontslagbrief (die per mail is verzonden) is ook in cc aan [persoon 2] verzonden. Op de mondelinge behandeling heeft [werknemer] ook gesteld dat hij het ontslag door een bevoegd persoon niet langer betwist. Uitgegaan wordt daarom van een bevoegd gegeven ontslag. De kantonrechter is daarnaast van oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven. Dit is ook niet in geschil tussen partijen.\n\nHoor\u002Fwederhoor\n\n5.8.. \n\n [werknemer] beroept zich erop dat [werkgever] ten onrechte geen wederhoor heeft toegepast, maar daarin volgt de kantonrechter [werknemer] niet. Er hebben namelijk gesprekken plaatsgevonden op 29 en 31 december 2025 waarin [werkgever] de bevindingen over het onjuist afrekenen in de personeelskantine heeft voorgehouden aan [werknemer] en hem gelegenheid gegeven om daarop te reageren. [werknemer] heeft in die gesprekken de bevindingen niet ontkend en ook in deze procedure heeft hij het verweten handelen niet ontkend. Gelet op de erkenning van [werknemer] , die bevestigd wordt met de overgelegde foto’s, is geen sprake van ongefundeerde beschuldigingen. De stelling van [werknemer] dat er in de gesprekken sprake was van een intimiderende toonzetting van de zijde van HacibabaHd, heeft [werkgever] betwist en dat is niet komen vast te staan. Het van de zijde van [werkgever] benoemen van diefstal en [werknemer] erop wijzen dat hij daarmee een groot probleem heeft, kan voor [werknemer] hard zijn overgekomen, maar is niet te beschouwen als een ontoelaatbare bejegening. Het door [werkgever] aan [werknemer] voorhouden van de bevindingen in combinatie met de ontslagbrief maken dat het voor [werknemer] voldoende duidelijk was wat de dringende reden van het ontslag op staande voet is. De kantonrechter passeert daarom ook de stelling van [werknemer] dat de ontslagbrief te algemeen en onvoldoende geconcretiseerd is.\n\nDringende reden\n\n5.9.. \n\nDe dringende reden bestaat uit het onjuist afrekenen van producten in de personeelskantine van de Bijenkorf. [werknemer] ontkent niet dat hij in de periode van 21 november 2025 tot en met 5 december 2025 17 keer onjuist heeft afgerekend. [werknemer] heeft bij de Bijenkorf een dervingsverklaring getekend en niet uitdrukkelijk betwist dat hij wist van het zero-tolerance beleid van de Bijenkorf. Bijenkorf heeft het onjuist afrekenen door [werknemer] hoog opgenomen door aangifte te doen bij de politie en de store approvalvan [werknemer] in te trekken. [werknemer] heeft in de korte periode dat hij werd gecontroleerd dagelijks onjuist afgerekend. Van een werknemer mag verwacht worden dat hij weet dat hij alle producten op zijn dienblad moet aanslaan en dat hij juiste aanslagen doet. [werknemer] heeft dit niet gedaan want hij heeft minder producten en\u002Fof totaal andere producten aangeslagen dan op zijn dienblad stonden. Verwacht mocht worden dat hij het verschil tussen knäckebröd en een muffin of bolletje begreep. Ook waren de op het dienblad geplaatste artikelen als muffin en cola Engelstalig en mag verondersteld worden dat die [werknemer] bekend waren. Ter zitting heeft [werknemer] aangegeven dat hij dacht dat het systeem “het gepakt heeft” maar nergens uit blijkt dat sprake was van een gebrekkig kassasysteem en het lag op de weg van [werknemer] om steeds te kijken dat producten goed geselecteerd waren na het aanslaan. [werknemer] heeft meerdere keren onjuist afgerekend waardoor sprake is van een patroon. Daarbij komt dat [werknemer] een voorbeeldfunctie als manager naar collega’s had, waardoor zijn handelen extra is aan te rekenen. Het eventuele feit dat [werkgever] [werknemer] niet in het FAD systeem heeft geregistreerd, doet er niet aan af dat sprake is van een dringende reden.\n\nVerzachtende omstandigheden\n\n5.10.. De stelling van [werknemer] dat hij destijds regelmatig last had van migraine, daarvoor medicatie gebruikte als valproïnezuur, Relpax en eletriptan, een andere taalachtergrond heeft, soms lange werkdagen maakte en hij sinds oktober 2025 geen loon had ontvangen, maken de dringende reden niet minder zwaarwegend. Voor zover medische klachten of medicijngebruik van invloed konden zijn op zijn functioneren had verwacht mogen worden dat hij zich ziek had gemeld. [werknemer] heeft ook niet aan [werkgever] gemeld dat hij niet in staat was om zijn werkzaamheden naar behoren te verrichten of dat lange dagen van invloed waren op zijn functioneren. Overigens blijkt uit het door [werkgever] overgelegde overzicht met kloktijden (productie 7) dat het aantal dagen dat hij langer dan 8,5 uur (8 uur werktijd en 0,5 uur pauze) aanwezig was relatief beperkt was. [werknemer] erkent verder dat hij uitleg had gekregen van personeel van de Bijenkorf over bediening van de kassa en hij bediende ook de kassa bij de shop van Hacibiba in de Bijenkorf. Een taalbarrière kan verder geen rechtvaardiging zijn voor het verkeerd aanslaan, want als hij tegen onduidelijkheden aanliep of vragen had over het kassasysteem dan had hij daarvoor hulp moeten inroepen. Verder is het feit dat [werknemer] niet zijn volledige loon ontving vervelend voor hem, maar geen verzachtende omstandigheid voor zijn handelen. Dat geldt ook voor de door [werknemer] beweerde stress die hij ervoer bij het afrekenen in de personeelskantine van de Bijenkorf omdat meerdere mensen achter hem stonden. Een rij achter hem betekende namelijk niet dat hij producten niet of niet volledig hoefde aan te slaan.\n\nGevolgen\n\n5.11.. De vraag is dan of de gedragingen van [werknemer] , gelet op de gevolgen van het ontslag op staande voet voor hem het ontslag op staande voet rechtvaardigen. De kantonrechter is van oordeel dat de gevolgen van het ontslag op staande voet voor [werknemer] groot zijn omdat hij geen inkomen heeft en naar eigen zeggen zijn verblijfsvergunning in gevaar komt. Dit maakt echter niet dat [werkgever] hem niet als gevolg van deze diefstallen bij haar belangrijkste klant mocht ontslaan.\n\n5.12.. Op grond van het voorgaande wordt het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet afgewezen. Het verzoek tot toelating tot de werkzaamheden zal ook worden afgewezen.\n\nTransitievergoeding\n\n5.13.. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.\n\nEindafrekening\n\n5.14.. \n [werknemer] verzoekt om een eindafrekening met specificatie op straffe van een dwangsom. Uit de laatste loonstrook van december 2025 blijkt niet dat [werkgever] een eindafrekening heeft verstrekt met opgebouwd vakantiegeld en niet opgenomen vakantiedagen tot 31 december 2025. [werkgever] zal daarom veroordeeld worden die te verstrekken. Voor oplegging van een dwangsom ziet de kantonrechter geen aanleiding en die zal worden afgewezen.\n\nLoon\n\nTe weinig betaald loon\n\n5.15.. \n [werknemer] stelt dat in zijn nettoloon van € 4.607,33 per maand de 30% regeling is inbegrepen en dat vanaf juli 2025 niet meer volledig is betaald en de maanden november en december 2025 helemaal niet meer zijn betaald. Hij stelt dat [werkgever] over de periode van juli 2025 tot en met december 2025 totaal € 17.043,98 netto te weinig loon heeft betaald.\n\n5.16.. \n [werkgever] betwist dat [werknemer] recht had op de 30% regeling omdat die uitsluitend gold bij het dienstverband met Ravecruitment\u002F [bedrijf] en die regeling niet is overeengekomen bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst met haar.\n\n5.17.. De kantonrechter is van oordeel dat [werknemer] onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij ook op grond van de (direct) met [werkgever] gesloten arbeidsovereenkomst per 1 juli 2025 recht had op de 30% regeling. Een afspraak hierover blijkt niet uit de gesloten arbeidsovereenkomst en dit heeft [werknemer] na de betwisting van [werkgever] niet onderbouwd. Daarnaast is ook niet gesteld of gebleken dat partijen daarvoor gezamenlijk een aanvraag hebben ingediend bij de belastingdienst en dat de belastingdienst goedkeuring heeft gegeven. Toepassing van de 30% regeling kan alleen aan de orde zijn als de belastingdienst goedkeuring daarvoor heeft bevestigd.\n\n5.18.. Op basis van de loonstroken en betaalbewijzen zal uitgegaan worden van een nog door [werkgever] verschuldigd bedrag aan achterstallig loon van totaal € 13.181,72 netto zoals volgt uit navolgend overzicht:\n\nNettoloon volgens loonstroken\n\nBetaald\n\nNog te betalen\n\nJuli 25 - € 3.963,62\n\n€ 1.000,-- d.d. 13-08-2025\n\n€ 2.963,62\n\nAug 25 - € 3.963,62\n\n€ 3.200,-- d.d 27-08-2025\n\n€ 763,62\n\nSep 25 - € 3.963,62\n\n€ 3.200,-- d.d. 24-10-2025\n\n€ 763,62\n\nOkt 25 - € 3.963,62\n\n€ 3.200,-- d.d. 24-12-2025\n\n€ 763,62\n\nNov 25 - € 3.963,62\n\nniets\n\n€ 3.963,62\n\nDec 25 - € 3.963,62\n\nniets\n\n€ 3.963,62\n\nTotaal\n\n€ 13.181,72 netto\n\n5.19.. Op grond van het voorgaande zal aan achterstallig loon over de periode juli 2025 tot en met december 2025 een bedrag van € 13.181,72 netto worden toegewezen. Voor zover [werknemer] de door [werkgever] gestelde betaling van € 4.000,00 heeft ontvangen, dient dit in mindering te worden gebracht op het toe te wijzen bedrag aan loon.\n\nTerugbetaling privébetalingen5.20.. Daarnaast verzoekt [werknemer] om terugbetaling van privébetalingen die hij heeft gedaan aan [werkgever] omdat [werkgever] in de eerste helft van 2025 een loon van € 3.125,00 netto en later € 3.200,00 netto passend achtte. [werknemer] stelt dat het gaat om terugbetaling van totaal € 3.503,81 netto (op 03-03-2025 € 574,49, op 26-03-2025 € 607,33, op 27-04-2025 € 607,33, op 26-05-2025 € 607,33 en op 05-07-2025 € 1.107,33).\n\n5.21.. \n [werkgever] betwist dat [werknemer] recht heeft op het verzochte bedrag van € 3.503,81 netto en voert ter zitting aan dat sprake was van een lening waarop door [werknemer] werd afbetaald.\n\n5.22.. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] onvoldoende onderbouwd heeft dat sprake was van afbetalingen van [werknemer] op een lening. Ter zitting heeft [werkgever] aan de kantonrechter wel een briefje in het Turks getoond, maar dat is een stuk dat door [werkgever] zelf is opgesteld en nergens uit blijkt dat [werknemer] daarmee akkoord is gegaan. Aan het verweer van [werkgever] dat de betalingen van [werknemer] zien op een lening wordt daarom als onvoldoende onderbouwd voorbij gegaan. Omdat er geen grond is gebleken waarom [werknemer] de betalingen aan [werkgever] heeft gedaan, heeft [werknemer] recht op terugbetaling van het bedrag van € 3.503,81 netto. Dit bedrag is toewijsbaar.\n\nWettelijke verhoging\n\n5.23.. \n [werknemer] verzoekt om toekenning van de wettelijke verhoging van 50% over het totale loon. [werkgever] verzoekt om matiging van die wettelijke verhoging gelet op de omstandigheden van het geval en omdat [werknemer] de wijze van betaling niet eerder ter discussie heeft gesteld.\n\n5.24.. De kantonrechter zal de wettelijke verhoging toewijzen over het bedrag van € 13.181,72 omdat [werkgever] dat loon ten onrechte niet heeft betaald en van rechtswege in verzuim is met te late betaling. De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 25% gezien de gestelde financiële situatie van [werkgever] . De wettelijke verhoging over het bedrag van € 3.503,81 netto zal worden afgewezen omdat die uit hoofde van onverschuldigde betaling toewijsbaar is en niet als loon.\n\nWettelijke rente\n\n5.25.. De door [werknemer] verzochte wettelijke rente over het onbetaalde loon van € 13.181,72 netto zal worden toegewezen vanaf de data van opeisbaarheid. Daarnaast zal de wettelijke rente over de privébetalingen van € 3.503,81 netto worden toegewezen vanaf datum van indiening van het verzoekschrift, zijnde 26 februari 2026. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat er sprake is van kwader trouw bij [werkgever] ten aanzien van het bedrag van € 3.503,81 netto waardoor zij op grond van artikel 6:205 BW zonder ingebrekestelling in verzuim is en de wettelijke rente vanaf datum ontvangst van de betalingen zou moeten lopen.\n\nVoorlopige voorziening\n\n5.26.. Aan het verzoek van [werknemer] om een voorlopige voorziening wordt gezien de eindbeslissing niet toegekomen.\n\nVoorwaardelijke ontbinding\n\n5.27.. \n\nHet verzoek van [werkgever] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ingediend voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zou zijn verleend. Omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag wel rechtsgeldig is gegeven en de voorwaarde voor het verzoek op ontbinding niet is vervuld, komt de kantonrechter niet toe aan behandeling van dat verzoek.\n\nProceskosten\n\n5.28.. Omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. wijst de verzoeken tot vernietiging van het ontslag op staande voet en werkhervatting af,\n\n6.2.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een eindafrekening te verstrekken met specificatie,\n\n6.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 13.181,72 netto aan te weinig betaald loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 25% en vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de verzuimdata tot de dag van volledige betaling,\n\n6.4.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 3.503,81 netto aan onverschuldigde betalingen, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 26 februari 2026 tot de datum van volledige betaling,6.5.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n6.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.\n\n Artikel 7:670b lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 818, nr. 3, p. 103\n\n Kamerstukken II 2013\u002F14, 33 818, nr. 7, p. 56\n\n Artikel 7:677 lid 1 BW\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW\n\n Artikel 7:673 lid 7, onder c BW\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5037","2026-06-09T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:07.070Z",{"id":42,"ecli":43,"slug":44,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":45,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":46,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":47},"676","ECLI:NL:RBZWB:2026:5043","ecli-nl-rbzwb-2026-5043","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11850634 \\ AZ VERZ 25-68\n\nBeschikking van 22 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. M.M. van der Marel,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MATCH TALENT RECRUITMENT B.V.,\n\ngevestigd te Tilburg ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: MatchTalent ,\n\ngemachtigde: mr. A.C.M. van den Kieboom.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [verzoeker] is ten onrechte op staande voet ontslagen. Hij heeft daarom recht op de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en in beginsel een billijke vergoeding. Omdat onduidelijk is wat de gemiddelde bonus is die [verzoeker] heeft ontvangen in de periode januari 2024 tot en met april 2025 zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten. Naar aanleiding van de aktes van partijen stelt de kantonrechter vast op welke transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding [verzoeker] recht heeft. De door [verzoeker] verzochte billijke vergoeding zal worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de beschikking van 27 februari 2026 en de daarin genoemde processtukken;\n\n- de akte uitlating van [verzoeker] met producties;\n\n- de antwoordakte van MatchTalent met producties; - de brief van de griffier van 9 april 2025 aan de gemachtigde van [verzoeker] waarin hij in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de producties ontvangen bij antwoordakte.\n\n2.2.. \n [verzoeker] heeft niet meer gereageerd op de door MatchTalent overgelegde producties bij antwoordakte. Daarom is de beschikking bepaald op vandaag.3. De verdere beoordeling\n\n3.1.. Bij beschikking van 27 februari 2026 is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om onderbouwd aan te geven wat de gemiddelde bonus is die hij heeft ontvangen over de periode van januari 2024 tot en met april 2025 (16 maanden).\n\n3.2.. \n [verzoeker] stelt bij akte dat hij niet meer beschikt over de loonstroken van januari 2024 en november 2024. Hij stelt dat het totaalbedrag aan uitbetaalde bonussen over de hele periode € 4.068,52 is en wegens de twee missende loonstroken van januari 2024 en november 2024 deelt hij dat bedrag door 14 maanden en komt uit op een gemiddelde bonus van € 290,61.\n\n3.3.. MatchTalent voert bij antwoordakte aan dat in de beschikking van 27 februari 2026 onder 5.22 ten onrechte is overwogen dat de ontvangen bonussen een structureel karakter hebben. Volgens MatchTalent dient de gemiddelde bonus niet betrokken te worden bij de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding. Daarnaast voert MatchTalent aan dat de gemiddelde bonus berekend dient te worden over het hele dienstverband van totaal 18 maanden. MatchTalent legt de loonstroken van januari 2024 en november 2024 over en voert aan dat daaruit volgt dat [verzoeker] in november 2024 een bonus van € 547,98 bruto heeft ontvangen en de gemiddelde bonus per maand € 256,50 bruto (€ 4.617,00\u002F18) bedraagt.\n\n3.4.. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] niet meer gereageerd heeft op de door MatchTalent overgelegde loonstroken van januari 2024 en november 2024 en zal die daarom als juist beschouwen en meenemen bij de verdere beoordeling.\n\nTransitievergoeding\n\n3.5.. Het verzoek van [verzoeker] om MatchTalent te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt toegewezen. Er is geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] .\n\n3.6.. De hoogte van de transitievergoeding wordt berekend aan de hand van het loon. Wat onder loon wordt verstaan is bepaald in de artikelen 2 en 3 van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (hierna: het Besluit) in verbinding met de artikelen 4 en 5 van de Regeling looncomponenten en arbeidsduur. Daarom zal naast het loon van € 3.100,00 bruto per maand vermeerderd met 8% vakantietoeslag rekening worden gehouden met de bonus. Omdat [verzoeker] een maandelijks bonus kreeg als hij bepaalde prestaties of resultaten bereikte en geen sprake is van een jaarlijks betaalde bonus waar artikel 3 lid 1 onderdeel c van het Besluit vanuit gaat, zal de gemiddelde bonus worden vastgesteld over de hele duur van het dienstverband en dus over een periode van 18 maanden. Gezien het totaal aan ontvangen bonussen van € 4.617,00 komt dat neer op € 256,50 (€ 4.617,00\u002F18) per maand. Het door [verzoeker] gestelde mobiliteitsbudget wordt niet beschouwd als looncomponent die bij de berekening van de transitievergoeding moet worden meegenomen. Uit artikel 4.3 van de ‘overeenkomst mobiliteitsbudget’ – waarin is bepaald dat er geen aanspraak meer is op het mobiliteitsbudget bij langer dan 10 werkdagen afwezigheid – volgt dat sprake is van een reiskostenvergoeding. Het mobiliteitsbudget wordt daarom buiten beschouwing gelaten bij de berekening van de transitievergoeding.\n\n3.7.. Op grond van het voorgaande stelt de kantonrechter de transitievergoeding tot datum uitdiensttreding (23 juni 2025) en rekening houdend met het loon van € 3.604,50 (inclusief vakantiegeld en de gemiddelde bonus) per maand vast op € 2.976,04 bruto. Dit bedrag zal worden toegewezen.\n\n3.8.. De door [verzoeker] verzochte wettelijke verhoging over de transitievergoeding zal worden afgewezen omdat de transitievergoeding geen “in geld vastgesteld loon” als bedoeld in artikel 7:625 BW is. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding zal worden toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW).\n\nGefixeerde schadevergoeding\n\n3.9.. Door de onregelmatige opzegging is MatchTalent een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. De gefixeerde schadevergoeding omvat het bedrag van het “in geld vastgestelde loon” over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.De kantonrechter is van oordeel dat gezien de voormelde formulering en de bewuste keuze van de wetgever om niet te voorzien in een volledige schadevergoeding maar in een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging, deze vergoeding moet worden gebaseerd op het overeengekomen loon. Dat bestaat uit het bedrag van € 3.100,00 bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en de gemiddelde bonus. Het feit dat [verzoeker] arbeidsongeschikt is vanaf maart 2025 doet er niet aan af dat hij (ook) recht heeft op doorbetaling van de gemiddelde bonus. Het mobiliteitsbudget wordt hier buiten beschouwing gelaten omdat het geen loon is, zoals eerder is overwogen. De gefixeerde schadevergoeding wordt berekend over de periode van 23 juni 2025 tot 1 augustus 2025 en vastgesteld op € 4.565,70 bruto ((€ 3.604,50\u002F30) x 8) + € 3.604,50).\n\n3.10.. De door [verzoeker] verzochte wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding zal worden afgewezen omdat het geen loon betreft. De verzochte wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 23 juni 2025.\n\nBillijke vergoeding\n\n3.11.. \n [verzoeker] verzoekt dat MatchTalent hem een billijke vergoeding toekent van € 25.000,00 bruto waarvan:\n\n€ 2.712,40 aan misgelopen bonussen vanaf maart 2025,\n\n€ 3.900,00 aan misgelopen mobiliteitsbudget,\n\n€ 17.205,00 aan 75% van een gesloten leningsovereenkomst na toezeggingen van MatchTalent ,\n\n€ 1.182,60 aan immateriële schadevergoeding.\n\n3.12.. MatchTalent betwist dat [verzoeker] recht heeft op een billijke vergoeding.\n\n3.13.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] in beginsel recht heeft op toekenning van een billijke vergoeding omdat MatchTalent ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onterecht tot ontslag op staande voet over te gaan. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding kan rekening gehouden worden met alle omstandigheden van het geval, met inachtneming van de (niet limitatieve) gezichtspunten die de Hoge Raad in het New Hairstyle-arrestheeft geformuleerd, zoals de mate van verwijtbaarheid van de werkgever bij beëindiging en de gevolgen van het ontslag voor de werknemer.3.14.. De kantonrechter neemt het door [verzoeker] gestelde mobiliteitsbudget niet mee als materiele schadecomponent omdat het een onkostenvergoeding is. Evenmin neemt de kantonrechter de kosten van de leningsovereenkomst voor aanschaf van een auto mee als schadecomponent. Het was namelijk de eigen keuze van [verzoeker] om die leningsovereenkomst aan te gaan voor een luxere auto in plaats van gebruik van de poolauto die MatchTalent hem bood en dat staat los van de door MatchTalent beëindigde arbeidsovereenkomst. Voor wat betreft de misgelopen bonus geldt dat deze eerst na beëindiging van de arbeidsovereenkomst een schadecomponent kan zijn.\n\n3.15.. Hier is sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd dat zonder het ontslag op staande voet per 1 augustus 2025 geëindigd zou zijn. In maart 2025 had MatchTalent al aan [verzoeker] medegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst niet wilde verlengen en vanaf 1 augustus 2025 heeft [verzoeker] een andere baan. Ten aanzien van die nieuwe baan heeft [verzoeker] ter zitting aangegeven dat hij bij zijn nieuwe werkgever iets meer verdient dan bij MatchTalent . Daarmee is inkomensverlies (aan misgelopen bonus) van [verzoeker] in ieder geval beperkt. MatchTalent heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door het onterecht gegeven ontslag op staande voet en de eerdere onterecht opgelegde loonstop. Maar daar staat tegenover dat [verzoeker] zelf ook verwijtbaar heeft gehandeld en daarmee een rol heeft gespeeld in het ontstaan van het geschil. [verzoeker] heeft namelijk niet steeds een coöperatieve houding gehad tijdens het re-integratietraject, heeft ten onrechte geen toestemming gevraagd aan MatchTalent voor uitvoering van de taakstraf in april 2025 en hij heeft informatie gedeeld over zijn arbeidsrelatie met MatchTalent in ChatGPT. [verzoeker] heeft de gestelde immateriële schade niet onderbouwd en daarvoor ziet de kantonrechte geen aanleiding gezien het eigen verwijtbare handelen. Alles afwegende is de kantonrechter van oordeel dat er gezien het beperkte inkomensverlies van [verzoeker] , de mate van verwijtbaarheid alsmede de reeds toegekende transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging geen aanleiding is om een billijke vergoeding toe te kennen.\n\nProceskosten\n\n3.16.. \n [verzoeker] verzoekt om vergoeding van werkelijke proceskosten wegens ernstig verwijtbaar handelen van MatchTalent . Een vergoeding van de werkelijke proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als (in casu) het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als MatchTalent haar verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen hiervan past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.\n\n3.17.. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende onderbouwd heeft dat van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen zijdens MatchTalent sprake is. De kantonrechter zal dan ook niet over gaan tot een veroordeling in de volledige proceskosten. De kantonrechter zal de proceskosten begroten op basis van het toepasselijke liquidatietarief. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.578,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 1.177,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1.. veroordeelt MatchTalent om aan [verzoeker] te betalen een transitievergoeding van € 2.976,04 bruto vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2.. veroordeelt MatchTalent om aan [verzoeker] te betalen een gefixeerde schadevergoeding van € 4.565,70 bruto vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 23 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.3.. veroordeelt MatchTalent in de proceskosten van € 1.578,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als MatchTalent niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n4.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187\n\n Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2012:BV7828\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5043","2026-07-13T00:28:42.671Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":34,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":52,"summary":34,"language":7,"source":36,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":39,"updatedAt":54},"1154","ECLI:NL:RBZWB:2026:5038","ecli-nl-rbzwb-2026-5038","RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12078654 \\ AZ VERZ 26-11\n\nBeschikking van 11 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nwonende te [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. T.T. van Woensel,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [werkgever] B.V.,\n\nstatutair gevestigd te [plaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\nprocederend in persoon, vertegenwoordigd door [gemachtigde] (bestuurder).\n\n1. De zaak in het kort\n\n [werknemer] verzoekt om toekenning van een transitievergoeding wegens opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] . [werkgever] erkent een transitievergoeding verschuldigd te zijn, maar beroept zich op verrekening met ongeoorloofde verzuimuren. De kantonrechter wijst het beroep van [werkgever] op verrekening af en wijst de vastgestelde transitievergoeding toe.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet verzoekschrift met producties dat op 30 januari 2026 ter griffie is ontvangen;\n\nde akte houdende wijziging van het verzoek, tevens overlegging aanvullende producties;\n\nde door [werkgever] overgelegde producties;\n\nde mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\nde spreekaantekeningen van [werknemer] , met daarin een eiswijziging.\n\n2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [werknemer] , geboren [geboortedag] 2006, is per 1 juli 2022 in dienst getreden bij [werkgever] als algemeen medewerker voor de duur van veertien maanden. Per 1 augustus 2023 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten (voor 36 maanden). Die arbeidsovereenkomst was gekoppeld aan een opleidingsovereenkomst in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, gesloten tussen [werknemer] , [werkgever] en het [mbo-school] .\n\n3.2.. \n [werknemer] ontving van [werkgever] een loon van laatstelijk € 1.645,94 bruto per maand voor de overeengekomen duur van 38 uur per week.\n\n3.3.. Op de gesloten arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing.\n\n3.4.. Bij brief van 29 september 2025 heeft [werkgever] aan [werknemer] medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd wegens tekortkomingen in het functioneren en dat met een opzegtermijn van één maand de laatste werkdag van [werknemer] op 31 oktober 2025 zal zijn.\n\n3.5.. \n [werknemer] heeft berust in de opzegging van [werkgever] .\n\n3.6.. De gemachtigde van [werknemer] heeft aan [werkgever] verzocht om verstrekking van loonstroken en de jaaropgave alsmede betaling van de transitievergoeding. [werknemer] heeft inmiddels toegang tot de loonstroken en jaaropgave, maar de transitievergoeding heeft hij niet ontvangen.\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [werknemer] verzoekt de kantonrechter (na schriftelijke eiswijziging ter zitting) om [werkgever] te veroordelen om aan hem te betalen het netto-equivalent van € 2.241,81 bruto aan verschuldigde transitievergoeding vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [werkgever] in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [werknemer] legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. Door opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] is [werkgever] de transitievergoeding verschuldigd. De transitievergoeding moet worden berekend tot 1 augustus 2026 omdat [werkgever] de arbeidsovereenkomst tegen die datum regelmatig kon opzeggen.\n\n4.3.. \n [werkgever] voert verweer. Zij voert het volgende aan. Op de verschuldigde transitievergoeding dient in mindering te worden gebracht 45 uur ongeoorloofde verzuimuren op school. [werkgever] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de ter zitting gewijzigde eis van [werknemer] .\n\n5. De beoordeling\n\nTransitievergoeding\n\n5.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of [werkgever] een transitievergoeding verschuldigd is aan [werknemer] . [werkgever] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de ter zitting gewijzigde eis van [werknemer] en is hierdoor ook niet in haar verweer benadeeld.\n\n5.2.. Omdat de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet op initiatief van [werkgever] is zij op grond van de wet een transitievergoeding verschuldigd.De kantonrechter dient de transitievergoeding ambtshalve te berekenen.De hoogte van de transitievergoeding dient te worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig (met de juiste opzegtermijn) zou hebben opgezegd.Bij regelmatige beëindiging (uitgaande van toestemming van het UWV tot opzegging) kon [werkgever] de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 1 lid 2 van de arbeidsovereenkomst (productie 3 verzoekschrift) tussentijds beëindigen met een opzegtermijn van één maand.De transitievergoeding wordt daarom berekend over de periode van 1 juli 2022 tot en met 31 oktober 2025. Uitgaande van het door [werknemer] gestelde bruto maandloon van € 1.645,94 – welk loon [werkgever] niet betwist – en vermeerderd met 8% vakantietoeslag, bedraagt de door [werkgever] verschuldigde transitievergoeding € 1.975,13 bruto.\n\n5.3.. \n [werkgever] beroept zich op verrekening met ongeoorloofde verzuimuren van [werknemer] . [werknemer] betwist echter dat sprake is van ongeoorloofd verzuim en [werkgever] heeft niet met overzichten inzichtelijk gemaakt wanneer dan sprake zou zijn geweest van ongeoorloofd verzuim. [werkgever] heeft daarmee onvoldoende gesteld voor een mogelijke vordering van haar op [werknemer] . Omdat de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen, zal de kantonrechter op grond van de wet aan het beroep op verrekening voorbij gaan.\n\n5.4.. Het voorgaande leidt ertoe dat aan transitievergoeding het bedrag van € 1.975,13 bruto toewijsbaar is.\n\nWettelijke rente\n\n5.5.. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).\n\nProceskosten\n\n5.6.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] omdat [werkgever] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 814,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten) plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.7.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen het netto-equivalent van € 1.975,13 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.2.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 814,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.\n\n Artikel 7:673 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:365\n\n Hoge Raad 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286 r.o. 3.3.9\n\n Artikel 16 CAO en artikel 7:672 BW\n\n Artikel 6:136 BW\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5038","2026-07-13T00:29:07.114Z",20]