[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-asylum-and-migration-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":172,"limit":16},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},89,"asylum-and-migration-nl","Asylum and Migration","NL","2026-07-08T16:55:59.400Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},20,{"min":18,"max":19},"2025-04-15T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,49,56,63,70,77,84,91,98,106,113,120,127,134,141,148,155,164],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1584","ECLI:NL:RBDHA:2026:18523","ecli-nl-rbdha-2026-18523","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.9713\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister, waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18523","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:28.431Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"598","ECLI:NL:RBDHA:2026:18752","ecli-nl-rbdha-2026-18752","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5063\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18752","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:38.667Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"607","ECLI:NL:RBDHA:2026:18754","ecli-nl-rbdha-2026-18754","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5226\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nFeiten\n\n2. De zaak heeft betrekking op de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.1.. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat hij is vertrokken uit Nederland.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake meer is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n3.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n3.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser Nederland heeft verlaten en naar Ierland is vertrokken. Op 7 januari 2025 heeft eiser daar een asielaanvraag ingediend. De Ierse autoriteiten hebben de Nederlandse autoriteiten verzocht om de behandeling van de asielaanvraag over te nemen op grond van de Dublinverordening. De Nederlandse autoriteiten hebben ingestemd met dit verzoek. Hiertegen heeft eiser in Ierland beroep ingesteld. De Ierse autoriteiten hebben verzocht om verlenging van de termijn om de overdracht uit te voeren vanwege de schorsende werking van het beroep. HetHet is de minister niet gebleken dat eiser weer in Nederland verblijft.\n\n3.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. In zijn gronden heeft eiser het bovenstaande niet betwist. De rechtbank overweegt dat, doordat eiser Nederland heeft verlaten de vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV voor hem geen feitelijke betekenis meer heeft. Dit maakt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er in beginsel geen procesbelang is. Het is weliswaar mogelijk dat eiser op enig moment aan Nederland zal worden overgedragen door Ierland, maar dat is een onzekere toekomstige gebeurtenis waar nu geen procesbelang aan kan worden ontleend. Bovendien zal eiser op dat moment, zoals in het bestreden besluit staat vermeld, in beginsel recht hebben op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers vanwege de door hem in Ierland ingediende asielaanvraag, die dan door Nederland moet worden overgenomen en zal worden beoordeeld.\n\n4. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n4.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18754","2026-07-13T00:28:39.020Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":55},"617","ECLI:NL:RBDHA:2026:18755","ecli-nl-rbdha-2026-18755","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5295\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18755","2026-07-13T00:28:39.485Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":60,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":62},"624","ECLI:NL:RBDHA:2026:18761","ecli-nl-rbdha-2026-18761","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5861\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , eiseres\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiseres heeft een dergelijk besluit gekregen. Zij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiseres geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiseres geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiseres een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag. Zij heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening. In deze procedure is nog geen uitspraak gedaan. Als gevolg hiervan heeft eiseres recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiseres dan ook geen feitelijke betekenis meer. Zij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiseres voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat het procesbelang van eiseres bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18761","2026-07-13T00:28:39.826Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":67,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":69},"628","ECLI:NL:RBDHA:2026:18762","ecli-nl-rbdha-2026-18762","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5862\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18762","2026-07-13T00:28:40.001Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":74,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":76},"1705","ECLI:NL:RBDHA:2026:18555","ecli-nl-rbdha-2026-18555","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4978\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18555","2026-07-13T00:29:34.467Z",{"id":78,"ecli":79,"slug":80,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":81,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":82,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":83},"1713","ECLI:NL:RBDHA:2026:18557","ecli-nl-rbdha-2026-18557","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4990\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18557","2026-07-13T00:29:35.347Z",{"id":85,"ecli":86,"slug":87,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":88,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":89,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":90},"1721","ECLI:NL:RBDHA:2026:18561","ecli-nl-rbdha-2026-18561","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4992\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18561","2026-07-13T00:29:35.769Z",{"id":92,"ecli":93,"slug":94,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":95,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":96,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":97},"1726","ECLI:NL:RBDHA:2026:18569","ecli-nl-rbdha-2026-18569","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4993\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18569","2026-07-13T00:29:36.003Z",{"id":99,"ecli":100,"slug":101,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":102,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":103,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":31,"updatedAt":105},"1765","ECLI:NL:RBDHA:2026:18237","ecli-nl-rbdha-2026-18237","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4922\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag. Hij heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening. In deze procedure is nog geen uitspraak gedaan. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18237","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:37.779Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":110,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":31,"updatedAt":112},"1767","ECLI:NL:RBDHA:2026:18238","ecli-nl-rbdha-2026-18238","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4923\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18238","2026-07-13T00:29:37.868Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":117,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":31,"updatedAt":119},"1770","ECLI:NL:RBDHA:2026:18241","ecli-nl-rbdha-2026-18241","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4931\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nFeiten\n\n2. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.1.. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n3.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n3.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een verblijfsvergunning heeft gekregen. Hierdoor is eiser voor onderdak en ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie niet langer aangewezen op de Staat der Nederlanden. Hij kan de gemeente vragen om bemiddeling naar of voorrang bij de toewijzing van een woonruimte of onderdak.Ook kan hij bij de gemeente bijstand in de noodzakelijke kosten van bestaan aanvragen.De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze mogelijkheden.\n\n3.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de mogelijkheden die onder 3.2. zijn vermeld. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n4. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n4.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).\n\n Op grond van de Huisvestingswet, de plaatselijke huisvestings- of woonruimteverordening of de reguliere dak- en thuislozenregeling.\n\n Op grond van de Participatiewet.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18241","2026-07-13T00:29:38.009Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":124,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":31,"updatedAt":126},"1776","ECLI:NL:RBDHA:2026:18243","ecli-nl-rbdha-2026-18243","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4933\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18243","2026-07-13T00:29:38.241Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":131,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":133},"593","ECLI:NL:RBDHA:2026:18749","ecli-nl-rbdha-2026-18749","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5058\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18749","2026-07-13T00:28:38.491Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":138,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":31,"updatedAt":140},"1827","ECLI:NL:RBDHA:2026:18256","ecli-nl-rbdha-2026-18256","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4977\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18256","2026-07-13T00:29:40.728Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":145,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":146,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":147},"559","ECLI:NL:RBDHA:2026:18735","ecli-nl-rbdha-2026-18735","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5024\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag. Hij heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening. In deze procedure is nog geen uitspraak gedaan. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18735","2026-07-13T00:28:36.730Z",{"id":149,"ecli":150,"slug":151,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":152,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":153,"sourceTimestamp":104,"parsedAt":31,"updatedAt":154},"1760","ECLI:NL:RBDHA:2026:18235","ecli-nl-rbdha-2026-18235","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4907\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18235","2026-07-13T00:29:37.507Z",{"id":156,"ecli":157,"slug":158,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":159,"fullText":160,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":161,"sourceTimestamp":162,"parsedAt":31,"updatedAt":163},"397","ECLI:NL:RBDHA:2026:13160","ecli-nl-rbdha-2026-13160","2026-01-15T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht\n\nzaaknummers: NL24.6883, NL24.15999\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R.V. Bekker).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiseres op 14 juli 2025 is opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Kameroense nationaliteit. In Oekraïne had zij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2\n\n4. Op 15 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft hierna het besluit ingetrokken, waarna eiseres dit beroep heeft ingetrokken.\n\n1. Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F3822.\n\n5. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister aan haar een terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit twee keer beroep ingesteld. Op 22 februari 2024, bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL24.6883, en op 11 april 2024, bij de rechtbank geregistreerd met zaaknummer NL24.15999.\n\n6. Op 4 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.6884 het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening afgewezen.\n\n7. Op 14 juli 2025 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2025 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan eiseres een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiseres op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken3 en vervangen met het bestreden besluit van 14 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n8. De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Lacin als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nOntvankelijkheid\n\nHet beroep met zaaknummer NL24.6883\n\n9. Het beroep dat is gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege mede betrekking op het besluit van 14 juli 2025. Nu de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat gericht is tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Het beroep tegen het besluit van 14 juli 2025 zal hieronder inhoudelijk worden beoordeeld.Het beroep met zaaknummer NL24.15999\n\n10. Eiseres heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van\n\n7 februari 2024. Vanwege het al eerder ingediende beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024, is het voor de tweede keer ingediende beroep niet-ontvankelijk.\n\nDe beroepsgronden van eiseres en het oordeel van de rechtbank.\n\nToepassingsbereik van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit en implementatie\n\n11. Eiseres voert in beroep -kort samengevat- aan dat eiseres niet onder de facultatieve bepaling van artikel 7 van de RTB valt, maar onder de groep personen op wie artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit van toepassing is. Volgens eiseres mag de minister\n\n3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.\n\nniet als vereiste stellen dat zij moet beschikken over een geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning, omdat in andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit in artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, dit niet als vereiste is opgenomen. Eiseres stelt dat in de verschillende taalversies uiteenlopend wordt gesproken over ‘legaal verblijf’ versus ‘permanent verblijf’, en verwijst hiervoor ook naar artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en overweging 13 van de considerans. Eiseres stelt verder dat Nederland artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit in nationale bepalingen heeft geïmplementeerd, zonder eerst duidelijkheid te krijgen over de verschillen tussen de vertalingen. Dit kan niet en daarom is sprake van een onjuiste implementatie. Dit heeft tot gevolg dat de van toepassing zijnde nationale bepaling (lees: artikel 3.9a van het Vreemdelingen Voorschrift (VV)) buiten toepassing moet worden gelaten. Op basis daarvan concludeert eiseres dat voor het terugkeerbesluit van 13 augustus 2025 een wettelijke grondslag ontbreekt. Ter onderbouwing heeft eiseres een beëdigde vertaling van de Zweedse versie van het Uitvoeringsbesluit overgelegd, en een verklaring van een beëindigd vertaler met betrekking tot de Hongaarse versie van het Uitvoeringsbesluit.\n\n12. In artikel 5, derde lid, van de RTB zijn de voorwaarden genoemd waaraan een besluit van de Raad moet voldoen. Het besluit moet onder meer een omschrijving bevatten van de specifieke groepen personen waarop de tijdelijke bescherming betrekking heeft. In artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, is een omschrijving als hier bedoeld opgenomen. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3.9a van het VV, waarbij vreemdelingen zijn aangewezen voor wie de tijdelijke bescherming van kracht is. Uit artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder c, van het VV volgt dat een vreemdeling moet beschikken over een permanente verblijfsvergunning.\n\n13. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) kan de in een van de taalversies van een gemeenschapsbepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen. Ook kan één taalversie niet prevaleren boven de andere taalversies.4 Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht. Wanneer er verschillen bestaan tussen de verschillende taalversies van een bepaling van gemeenschapsrecht, moet bij de uitlegging van deze bepaling worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt.5\n\n14. De rechtbank stelt vast dat de Zweedse tekst van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet afwijkt van die van de Nederlandse tekst, waarin voor het in aanmerking komen van tijdelijke bescherming als vereiste is gesteld dat de vreemdeling over een geldige permanente verblijfsvergunning beschikt. Dat in de considerans van de Zweedse taalversie het woord ‘permanent’ ontbreekt, betekent niet dat dit vereiste niet geldt.\n\n15. In de zienswijze heeft eiseres een vertaling opgenomen van de Hongaarse versie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Uit deze vertaling blijkt dat voor tijdelijke bescherming alleen legaal verblijf als vereist is gesteld. In beroep heeft eiseres een verklaring van een beëdigd vertaler overgelegd waarmee zij dit heeft willen bevestigen. De omstandigheid dat er in de overgelegde Hongaarse vertaling van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit ‘het permanent verblijf’ niet als vereiste is opgenomen, vormt een\n\n4 Zie in dit kader bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 12 november 1998, ECLI:EU:C:1998:536.\n\n5 Zie in dit kader het arrest van het Hof van 3 april 2008, ECLI:EU:C:2008:197.\n\nonvoldoende onderbouwing om niet uit te gaan van de andere taalversies van het Uitvoeringsbesluit, waaronder de Nederlandse. In de Nederlandse versie staat dat om in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming, sprake moet zijn van legaal verblijf op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning. Deze versie komt overeen met de andere taalversies, zoals die in het Engels, Duits en Frans. Dat sprake moet zijn van een permanente verblijfsvergunning vindt steun in de algemene opzet en doelstelling van het Uitvoeringsbesluit. In overwegingen 12 en 13 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de verplicht en de facultatief beschermde derdelanders, waarbij voor deze laatste groep melding wordt gemaakt van tijdelijke vergunningen voor studie of werk. In de Hongaarse vertaling van de considerans is in overwegingen 12 en 13 eveneens onderscheid gemaakt tussen derdelanders met een permanente en met een tijdelijke verblijfsvergunning, hetgeen er ook op wijst dat onderscheid bestaat tussen deze twee groepen. Dat voor toepassing van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit sprake moet zijn van permanent verblijf is ook terug te lezen in het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024.6\n\n16. Het vorenstaande leidt er toe dat de minister ook niet is gehouden om op grond van artikel 28, vijfde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VEU) de uitvoering de RTB aan de Raad voor te leggen, nu niet kan worden gesproken van ernstige moeilijkheden bij de uitvoering van het Uitvoeringsbesluit. Ook is geen sprake van een gebrekkige of onjuiste implementatie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit in de Nederlandse wetgeving op grond waarvan artikel 3.9a van het VV buiten toepassing moet worden gelaten. Eiseres valt wel onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit en de tijdelijke bescherming is voor eiseres beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.Privéleven\n\n17. Eiseres voert aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van haar privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).\n\n18. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven.\n\n19. De rechtbank merkt op dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toepastemming van verblijf, en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.7 Uit deze richtlijn volgt dan ook geen verplichting voor de minister voort om na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf te geven. In zoverre wijst de minister terecht erop dat wanneer eiseres meent dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op privéleven, zoals dat volgt\n\n6 ECLI:EU:C:2024:1038, overwegingen 87 en 88.\n\n7 ECLI:EU:C:2022:913, overwegingen 84 en 85.\n\nuit artikel 8 van het EVRM, zij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.\n\n20. Hoewel artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn het privéleven niet vermeldt als een van de factoren waarmee rekening moet worden gehouden, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het arrest X van het Hof van 22 november 20228, dat er geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd als daarmee inbreuk zou worden gedaan op het recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.\n\n21. Eiseres heeft op grond van de RTB rechtmatig verblijf gehad. Het enkele gegeven dat zij gedurende dit verblijf in Nederland een privéleven heeft opgebouwd, vormt op zichzelf geen inbreuk op de eerbieding van het privéleven waarin de minister aanleiding had moeten zien om geen terugkeerbesluit op te leggen. Het gaat hier ook om een relatief kort verblijf. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n22. Gelet op het voorgaande kan het terugkeerbesluit stand houden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep met zaaknummer NL24.6883 is, voor zo ver het ziet op het besluit van 7 februari 2024, niet-ontvankelijk. Het beroep dat mede is gericht tegen het besluit van\n\n14 juli 2025 is ongegrond. Het beroep met zaaknummer NL24.15999 is niet-ontvankelijk.\n\n24. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep dat gericht is tegen het besluit van 7 februari 2024 met zaaknummer NL24.6883, het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank reden om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van\n\n€ 934,- en een wegingsfactor 1).\n\n25. Bij uitspraak van 12 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.16000 een voorlopige voorziening getroffen. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiseres.\n\n8 ECLI:EU:C:2022:913.\n\nBeslissing\n\nHet beroep met zaaknummer NL24.6883\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;\n\n-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van 934,-.\n\nHet beroep met zaaknummer NL24.15999\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n15 januari 2026\n\nMr. B. Fijnheer W.J.T. Twijnstra\n\nRechter Griffier\n\nRechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:13160","2026-05-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:27.752Z",{"id":165,"ecli":166,"slug":167,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":168,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":169,"sourceTimestamp":170,"parsedAt":31,"updatedAt":171},"635","ECLI:NL:RBDHA:2025:6692","ecli-nl-rbdha-2025-6692","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.1577\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de weigering eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor amv heeft mogen weigeren.1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de weigering een verblijfsvergunning te verlenen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 11 mei 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 januari 2025 deze aanvraag (opnieuw) afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister beslist dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt op grond van het buitenschuldbeleid voor amv. Verder heeft de minister beslist dat eiser om medische redenen uitstel van vertrek krijgt voor de duur van zes maanden.2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en de heer Z. Gharbaoui als tolk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3. Een eerder ingediend beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser is door deze rechtbank en zittingsplaats op 19 januari 2023 gegrond verklaard.1 Hierbij is het eerder door de minister genomen besluit2 op de asielaanvraag van eiser vernietigd, maar alleen voor zover daarin een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op basis van het buitenschuldbeleid amv is afgewezen en een terugkeerbesluit is genomen. Het gedeelte van het besluit dat betrekking heeft op de asielaanvraag van eiser is wel in stand gelaten. De rechtbank stelt daarom vast dat de afwijzing van de aanvraag voor zover deze betrekking heeft op het verzoek om internationale bescherming niet meer aan de orde is. Die staat in rechte vast. Ter beoordeling ligt dan ook enkel nog het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv voor. Ter zitting hebben partijen bevestigd dat het geschil zich hiertoe beperkt.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft geoordeeld dat eiser niet (met terugwerkende kracht) in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv. Eiser is inmiddels meerderjarig geworden en adequate opvang kon niet gedurende de minderjarigheid van eiser worden vastgesteld. De minister overweegt dat dit komt doordat het gelet op adviezen van Medifirst niet mogelijk was om eiser in persoon te horen over eventuele opvangmogelijkheden in Marokko. De minister heeft daarom bij meerderjarigheid van eiser bezien of eiser alsnog in aanmerking komt voor vergunningverlening. Nu eiser echter na het beantwoorden van schriftelijke vragen onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang is dit niet het geval, aldus de minister. De minister wijst er in dat kader onder meer op dat eiser geen adres- of telefoongegevens van de ooms, bij wie hij eerder in Marokko had verbleven, heeft verstrekt. Dit terwijl eiser bij de beantwoording van de vragen had aangegeven dit na te moeten vragen bij zijn moeder, met wie hij regelmatig telefonisch contact heeft. Deze ooms hebben eerder voor eiser gezorgd en gesteld noch gebleken is dat zij dit niet opnieuw hadden kunnen doen.\n\nHeeft de minister voortvarend gehandeld bij het onderzoek naar adequate opvang?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister niet voortvarend heeft gewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Ook is er niet door de minister gemotiveerd waarom het onderzoek niet afgerond kon zijn binnen de daartoe gestelde maximale termijn van een jaar. Gelet hierop en onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)3 is eiser van mening dat hem een vergunning in het kader van het buitenschuldbeleid amv had moeten worden verleend.\n\n6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie4 (HvJ) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 20225 volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Verder volgt uit die uitspraken van de Afdeling dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, de minister niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aan te tonen. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Of de minister voortvarend handelt vergt een casuïstische beoordeling waarbij onder meer vertragende factoren die niet aan de minister kunnen worden toegerekend en de medewerking van de vreemdeling een rol spelen, aldus de Afdeling.\n\n1. Uitspraak van deze rechtbank in de zaak NL22.26206.\n\n2 Van 30 november 2022.\n\n3 Uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 ECLI:NL:RVS:2022:1530 en van 12 juli 2023,\n\nECLI:NL:RVS: 2023:2670.\n\n4 Arrest van 14 januari 2021, zaak C-441\u002F19.\n\n5 ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 mei 2021 een aanvraag heeft gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Op 30 november 2022 heeft de (rechtsvoorganger van de) minister deze aanvraag afgewezen en geconcludeerd dat er adequate opvang aanwezig is in Marokko in de persoon van de moeder van eiser. De minister is daarbij uitgegaan van de omstandigheid dat de ouders van eiser inmiddels waren gescheiden. Op 19 januari 2023 heeft de rechtbank het beroep van eiser hiertegen gegrond verklaard en geoordeeld dat het onderzoek naar een opvangmogelijkheid in Marokko ontoereikend is geweest. Eiser moet verder worden bevraagd of er moet op een andere manier informatie worden ingewonnen over de vraag of de vader van eiser zich al dan niet bij zijn moeder bevindt en of de opvang bij zijn moeder daarmee adequaat is. Ook de gezondheidssituatie van eiser moet hierbij worden betrokken.\n\n8. Na deze uitspraak heeft de minister, zo blijkt uit het voornemen, op 25 april 2023, 30 mei 2023, 19 september 2023, 13 oktober 2023 en 9 januari 2024 medisch advies ingewonnen om te laten beoordelen of eiser medisch in staat is om gehoord te worden over opvangmogelijkheden in Marokko. Uit deze adviezen blijkt steeds dat eiser ofwel zonder bericht niet was verschenen op het spreekuur ofwel eiser (nog) niet kon worden gehoord. Op 1 februari 2024 heeft de minister uiteindelijk eiser schriftelijke vragen voorgelegd met betrekking tot zijn opvangmogelijkheden in Marokko. Deze heeft eiser bij brief van 11 maart 2024 beantwoord. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat niet eerder voor het stellen van schriftelijke vragen is gekozen omdat het in persoon horen sterk de voorkeur geniet boven het stellen van zakelijke vragen op papier, zeker in het geval van een kwetsbare minderjarige. Ook heeft de minister hierbij laten meewegen dat de artsen steeds verzochten om eiser na een bepaalde termijn (1 à 3 maanden) opnieuw te zien waardoor bij de minister de hoop bleef bestaan dat eiser alsnog in persoon gehoord kon worden. De minister heeft steeds na (ongeveer) de door Medifirst geadviseerde termijn opnieuw een medisch onderzoek laten doen. Verder heeft DT&V in die periode nader onderzoek gedaan door meerdere keren (vergeefs) te proberen telefonisch contact op te nemen met de ouders van eiser. Ook is er een gesprek gevoerd met de voogd van eiser. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke stappen zijn ondernomen en wat de redenen zijn geweest voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang. Deze zijn gelegen in de medische situatie van eiser waardoor horen steeds niet mogelijk is gebleken. Tot de meerderjarigheid van eiser is er geen positief hooradvies uitgebracht door Medifirst. Dit is een omstandigheid die niet aan de minister kan worden toegerekend. Hierbij acht de rechtbank het gelet op de uitleg van de minister niet onbegrijpelijk dat de insteek steeds is gebleven om eiser in persoon te horen. De minister heeft daarom, onder de gegeven omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank voortvarend gehandeld en dit op voldoende wijze inzichtelijk gemaakt. Anders dan eiser betoogt, wordt door de Afdeling in de uitspraak van 8 juni 2022 geen maximumtermijn van één jaar aan het onderzoek naar adequate opvang verbonden. Door de Afdeling wordt in dit verband juist benoemd dat deze termijn per situatie kan verschillen waarbij de minister wel gehouden is om voortvarend te handelen.6 De beroepsgrond slaagt dan ook niet.\n\nHeeft eiser voldoende meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang?\n\n9. Eiser stelt dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiser verwijst hierbij naar de nota van DT&V van 8 februari 2024 waarin wordt geconcludeerd dat het onderzoek naar adequate opvang niet binnen de gestelde onderzoekstermijn kon worden vastgesteld maar dat dit evident niet te wijten valt aan een gebrek aan medewerking van eiser. Verder is eiser van mening dat de later verkregen gegevens uit het schriftelijke gehoor niet tegen hem kunnen worden gebruikt. Een schriftelijk gehoor is niet gelijk te stellen met een gehoor in persoon en eiser heeft psychische beperkingen om bepaalde onderwerpen te bespreken.\n\n10. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat, anders dan uit het bestreden besluit zou kunnen worden afgeleid, aan eiser niet wordt tegengeworpen dat hij gedurende zijn minderjarigheid onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiser kon immers niet worden gehoord wegens medische omstandigheden, hetgeen hem niet is toe te rekenen. Bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd was hierom nog niet vastgesteld of adequate opvang aanwezig is in Marokko terwijl dit niet aan eiser te wijten was. Daarom heeft de minister bij de meerderjarigheid van eiser beoordeeld of en zo ja, op welke wijze aan eiser een verblijfsrecht volgens het amv-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen en wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid7. De minister heeft vervolgens op grond van de antwoorden van eiser op de schriftelijke vragen geconcludeerd dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang en dat hij daarom niet (met terugwerkende kracht) in aanmerking komt voor vergunningverlening.\n\n11. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister hiermee niet in lijn met eerdergenoemde jurisprudentie van de Afdeling over het toetsingskader in zaken van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen heeft gehandeld. De stelling van eiser dat uit die jurisprudentie volgt dat bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd ofwel adequate opvang moet zijn vastgesteld ofwel een vergunning dient te worden verleend8, leest de rechtbank hierin niet terug. De rechtbank is van oordeel dat de minister op grond van de reactie van eiser op de schriftelijk aan hem gestelde vragen niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat hij onvoldoende meewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang in Marokko. Eiser heeft in zijn antwoorden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud aangegeven dat hij voor wat betreft de adres- en telefoongegevens van zijn ooms navraag moet doen bij zijn moeder. Nu hij regelmatig contact onderhoudt met zijn moeder en dit basale informatie betreft, valt niet in te zien waarom hij vervolgens heeft nagelaten de gevraagde gegevens te verschaffen. De medische problematiek van eiser leidt hierbij niet tot een ander oordeel. Hierbij wijst de rechtbank erop dat deze informatie geen betrekking heeft op de vader van eiser, met wie hij zeer moeizame relatie onderhoudt. Hierom valt niet in te zien waarom van eiser niet verlangd zou kunnen worden dat hij de gevraagde basale informatie verstrekt. Nu eiser niet met medische stukken heeft onderbouwd dat dit medisch gezien niet van hem kan worden verlangd, slaagt de beroepsgrond niet.\n\n6 Afdeling 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, overweging 19.2.\n\n7 Overeenkomstig Afdeling 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2670.\n\n8 Onder verwijzing naar Afdeling 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, overweging 19.2.\n\nOpvang bij moeder\n\n12. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij de beroepsgrond die betrekking heeft op adequate opvang bij zijn moeder, niet langer handhaaft. Dit nadat de minister had bevestigd eiser hieromtrent geen verwijt te maken.\n\nPrejudiciële vragen\n\n13. Eiser heeft op de zitting de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen om duidelijkheid te verkrijgen over een eventuele maximale termijn tussen het moment dat een vreemdeling illegaal wordt en het moment dat een terugkeerbesluit moet zijn genomen. De rechtbank stelt echter vast dat, hoewel er wel een voornemen hiertoe was, in het bestreden besluit door de minister geen terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd. Reeds hierom bestaat geen aanleiding te voldoen aan dit verzoek van eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n15 april 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:6692","2025-04-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.361Z",1]