[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-benefits-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":49,"limit":50},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},86,"benefits-law-nl","Benefits Law","NL","2026-07-08T16:55:44.327Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},3,{"min":18,"max":19},"2026-06-02T00:00:00.000Z","2026-06-12T00:00:00.000Z",[],[22,33,42],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1557","ECLI:NL:RBMNE:2026:3503","ecli-nl-rbmne-2026-3503","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 26\u002F3244\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: B. van der Plas)\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van de heer [A] .\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)\n\n3. Eiseres heeft haar verzoek om herbeoordeling ingediend op 11 maart 2024. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 19 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 14 mei 2024 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 8 mei 2026 beroep ingesteld.\n\n4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb). Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.\n\n5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.\n\n6. De rechtbank bepaalt verder dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).\n\n8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,-.\n\n9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan eiseres betalen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\n- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:41.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3503","2026-06-18T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:27.049Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1411","ECLI:NL:RBMNE:2026:3411","ecli-nl-rbmne-2026-3411","2026-06-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 26\u002F2599\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster] , uit [plaats] (Groot-Brittannië), verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. C.H. Bijvank),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep van 2 april 2026 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 6 november 2024.\n\nNa de indiening van het beroep hebben de partijen overeenstemming bereikt waarmee het procesbelang van het beroep is komen te vervallen.\n\nVerzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.\n\nVerweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.\n\n2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.\n\n4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).\n\n5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van\n\nJ.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid te ondertekenen\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3411","2026-06-16T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:20.024Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"1399","ECLI:NL:RBMNE:2026:3366","ecli-nl-rbmne-2026-3366","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F7258\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: mr. M.B. Visser),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep van 12 september 2025 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 2 juni 2024.\n\nOp 22 december 2025 heeft verweerder alsnog een besluit genomen.\n\nVerzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.\n\nVerweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek, maar wel in het verweerschrift van 2 maart 2026 gezegd het griffierecht en een proceskostenvergoeding te betalen. Dit omdat het beroep op zichzelf terecht is ingesteld.\n\nOverwegingen\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.\n\n2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).\n\n3. Verweerder heeft in het verweerschrift van 2 maart 2026 gezegd het griffierecht en de proceskostenvergoeding te betalen.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het besluit van 22 december 2025 tegemoet is gekomen aan verzoekster. De rechtbank zal het verzoek daarom als volgt toewijzen. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).\n\n5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van\n\nJ.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3366","2026-07-13T00:29:19.633Z",1,20]