[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-child-protection-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":70,"limit":71},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},34,"child-protection-nl","Child Protection","NL","2026-07-08T16:53:25.882Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},6,{"min":18,"max":19},"2026-05-26T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,32,39,48,55,63],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"677","ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","ecli-nl-rbmne-2026-4029","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F268999-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1989] in [plaats 1] ,\n\nverblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 2] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M. Landsman (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken.\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt daarom de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024.\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken van het slaan met een koekenplan en het slaan met de vuist, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nTot slot verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de armen meeslepen en\u002Fof armen verdraaien, door urine heen trekken, afplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres 2] in [plaats 3] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar [verdachte] (hierna: de verdachte) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1 (voornaam)] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2 (voornaam)] ). [slachtoffer 1 (voornaam)] is volledig naakt en [slachtoffer 2 (voornaam)] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood. De kinderen zijn vervolgens gehoord door de politie.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de advocaat van verdachte dat er onvoldoende en wettig bewijs is voor het slaan met de koekenpan. Het is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOp grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, het stelselmatig mishandelen van haar kinderen [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [medeverdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [medeverdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt.\n\nAls ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten ze in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en dat zij werden opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiele vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank volgt dit verweer. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs nu [slachtoffer 2 (voornaam)] zelf hier niets over verklaart en dit ook niet uit enige andere verklaring blijkt. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken.\n\nPeriode\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\n [slachtoffer 1 (voornaam)] is op 21 augustus 2024 verhoord. Tijdens dit verhoor verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] onder meer dat zijn moeder vroeger als ze boos was wel eens sloeg met een koekenpan of hen onder de koude douche zette. Wanneer de politie vraagt wanneer ‘vroeger’ was, verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] dat dit wel een jaar geleden was en dat hij toen 9 jaar was. Ook verklaart hij dat dit allemaal thuis gebeurt sinds zijn vader gescheiden is in 2023 en dat het eigenlijk al een jaar zo is.\n\nDe verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] wordt ondersteund door de verklaringen van de juffen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in het schooljaar 2023\u002F2024. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 2 (voornaam)] blijkt namelijk dat zij al vanaf oktober 2023 zorgen hadden over [slachtoffer 2 (voornaam)] . Zo was er sprake van veranderend gedrag. [slachtoffer 2 (voornaam)] was onrustig en was snel bozig. Ook had [slachtoffer 2 (voornaam)] vaak dezelfde kleren aan. [slachtoffer 2 (voornaam)] begon er vermoeid uit te zien en haar juf had de indruk dat ze wat vermagerde. Na de meivakantie in 2024 gaf [slachtoffer 2 (voornaam)] ook aan dat ze geen ontbijt kreeg naar school. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 1 (voornaam)] volgt ook dat er zorgen waren in het schooljaar 23\u002F24. Zo viel aan het begin van het schooljaar externaliserend gedrag op en zag hij er vanaf september onverzorgd en niet schoon uit. Hij had vieze nagels en zijn haar zat niet in model. Ook verklaart zijn juf dat [slachtoffer 1 (voornaam)] vergeleken met 5 september 2024 (de dag waarop zij haar verklaring bij de politie aflegt) echt wel mager was en kringen onder zijn ogen had. Ook verklaart zij dat [slachtoffer 1 (voornaam)] dat schooljaar vaak dezelfde kleren aan. Begin maart 2024 heeft de juf ook gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] brood uit de tas van andere kinderen pakte en gaf [slachtoffer 1 (voornaam)] aan af en toe trek te hebben.\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar kinderen stelselmatig heeft mishandeld vanaf 1 augustus 2023, zoals ten laste gelegd.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\n [plaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhaar kind, [slachtoffer 2] , geboren op [2017] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 11 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met haar kinderen. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die niet langer is dan de duur van het voorarrest, aangevuld met een fors voorwaardelijk strafdeel. Indien noodzakelijk zou dit aangevuld kunnen worden met een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nDaartoe voert de advocaat aan dat indien de rechtbank de verdediging volgt, de rechtbank tot een bewezenverklaring komt over een kortere periode dan ten laste is gelegd en één of meer feitelijkheden niet bewezen worden verklaard.\n\nTer onderbouwing van zijn verzoek wijst de advocaat ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is een first offender en heeft vanaf het moment dat de politie heeft ingegrepen haar verantwoordelijkheid genomen. Ze heeft openheid van zaken gegeven en is met zichzelf aan de slag gegaan. Zo werkt de verdachte onder meer mee aan een behandeling bij [instelling 2] . Ook merkt de advocaat op dat verdachtes kinderen niet meer onder haar gezag vallen en dat hier ook geen omgang of contact mee is. De verdachte heeft een sociale huurwoning die zij bij een langdurige detentie zal kwijtraken. Hetzelfde geldt voor haar baan.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat er geen bezwaar is tegen een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] . Ten aanzien van de kinderen stelt de advocaat zich op het standpunt dat er geen aanleiding is die een dergelijk verbod noodzakelijk maakt nu contact altijd met tussenkomst van de instanties moet gebeuren.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft gedurende ongeveer één jaar stelselmatig haar kinderen mishandeld. De rechtbank acht bovendien bewezen dat sprake was van medeplegen van die mishandeling, in ieder geval gedurende de periode vanaf 22 januari 2024 tot 19 augustus 2024.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2 (voornaam)] en [slachtoffer 1 (voornaam)] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1 (voornaam)] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan, waarna zij vervolgens in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilde kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geborgen hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog iedere dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1 (voornaam)] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2 (voornaam)] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook iedere dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen, moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 21 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog [A] . Uit het onderzoeksrapport van de psycholoog blijkt onder meer dat bij de verdachte tekortkomingen zijn geconstateerd, maar geen psychische stoornis aanwezig is en ook niet was ten tijde van het tenlastegelegde feit. De psycholoog acht de verdachte geheel toerekeningsvatbaar en adviseert haar het tenlastegelegde, indien bewezen verklaard, toe te rekenen. Tot slot wordt er geen advies voor behandeling gegeven.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van [instelling 1] van 11 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] . Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico op korte termijn als laag inschat. Als delictgerelateerd en als risicofactoren die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit vergroten, ziet de reclassering het psychosociale functioneren van de verdachte, het contact met de medeverdachte en de zorgtaak over haar kinderen. De verdachte is inmiddels uit het ouderlijk gezag gezet. Dit verlaagt de recidivekans aanzienlijk. Daarnaast heeft de verdachte haar leven in praktische zin op orde en werkt zij mee aan de bijzondere voorwaarden die haar in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis zijn opgelegd, waaronder de behandelverplichting. Hoewel de risico's vanwege haar huidige persoonlijke omstandigheden op dit moment laag lijken, kan de reclassering het risico op de langere termijn niet inschatten, omdat het afhangt van hoe de verdachte haar persoonlijke omstandigheden er dan uitzien. Zoals of er (stief)kinderen in haar leven zijn en hoe het met haar beïnvloedbaarheid en met haar vaardigheden gesteld is na de behandeling bij [instelling 2] .\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod met haar kinderen.\n\nDe reclassering schat in dat er een langer dan gebruikelijk toezicht nodig is om de behandeling af te kunnen ronden en om eventuele risico’s op de langere termijn te monitoren. Gelet hierop adviseert de reclassering een langer dan gebruikelijke proeftijd.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte en haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van veertien (14) maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vier (4) maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling en zich houdt aan een contactverbod met haar kinderen.\n\nDeze straf is langer dan de gevangenisstraf die aan de medeverdachte wordt opgelegd. De reden hiervoor is onder meer dat bij de medeverdachte een aanzienlijk kortere periode bewezen is verklaard dan bij de verdachte en het feit in verminderde mate kan worden toegerekend aan de medeverdachte.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, omdat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting is van het strafproces. Het gaat om omvangrijke vorderingen, die slechts twee werkdagen voorafgaand aan de zitting zijn ingediend. De verdediging heeft onvoldoende voorbereidingstijd gehad.\n\nSubsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de posten ‘toekomstige kosten bijles’ en ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’. Dit zijn posten die een mogelijk deskundigenoordeel of externe informatie behoeven om juist te kunnen beoordelen.\n\nTen aanzien van de immateriële deel stelt de advocaat zich op het standpunt dat bij toewijzing de pleegperiode die bewezen wordt verklaard, verdisconteerd moet worden in de gevorderde bedragen, die van een andere begindatum uitgaan.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert in verband met de late indiening van de vorderingen. De wet biedt de mogelijkheid aan een benadeelde partij om zich tot het moment van het requisitoir te voegen. De vorderingen zijn op 19 juni 2026 ingediend voor de inhoudelijke behandeling op 23 juni 2026. De vorderingen zijn in die zin tijdig ingediend.\n\nDit betekent dat de benadeelde partijen ontvangen kunnen worden in hun vorderingen\n\nDe rechtbank zal bij de verdere beoordeling van de verschillende onderdelen van de vordering voor ogen houden dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, en dat dat meebrengt dat de rechtbank zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan zijde van verdachte niet zo is, of eigen onderzoek van rechter naar toewijsbaarheid van vordering daarvoor voldoende compensatie biedt. (HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [instelling 1] op het adres [adres 3] in [plaats 3] ;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en de beïnvloedbaarheid. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1983] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\nUtrecht, althans in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] ,\n\ngeboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228,\n\n239, 965) en\u002Fof\n\n- te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof\n\n- aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p.\n\n239) en\u002Fof\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof\n\n- hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine\n\nheen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof\n\n- met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a.\n\np. 47, 142, 922) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p.\n\n500, 507) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof\n\n- als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof\n\n- te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof\n\n- hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nIk had intensief contact met [medeverdachte (voornaam)] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]). We hadden appcontact maar ook contact via Face time. Het was onze afspraak dat ik alles zou zeggen wat de kinderen zeiden en deden. Ik heb haar om advies gevraagd, vooral over het straffen van de kinderen. Ik luisterde naar het advies van [medeverdachte (voornaam)] . We gingen steeds meer straffen geven en de straffen werden steeds erger tot 19 augustus 2024.\n\nHet klopt dat de kinderen niet naar de wc mochten en dat zij als zij op de grond plasten of poepten dit zelf moesten opruimen. Er zat een slot op de slaapkamerdeuren van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . De kinderen hebben maximaal één of twee dagen geen eten gekregen. Ze gingen wel eens zonder ontbijt naar school. Ik ben de kinderen gaan uitschelden.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nA: [medeverdachte (voornaam)] heb ook weleens gezegd, geef [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nV: Waar moesten ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou? A: De laatste tijd niet vaak.\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet.Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1 (voornaam)] honger had. En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1 (voornaam)] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1 (voornaam)] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen?\n\nA: Ook. Maar dat was ook haar idee.\n\nV: Wat was haar idee?\n\nA: Om hem te straffen, zodat. Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres 2] in [plaats 3] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [verdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [plaats 3] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1 (voornaam)] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1 (voornaam)] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2 (voornaam)] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama (de rechtbank begrijpt: de verdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he. A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1 (voornaam)] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1 (voornaam)] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja V: En wat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1 (voornaam)] . V: Maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1 (voornaam)] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1 (voornaam)] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [verdachte] en [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon (een Iphone 13) van verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [verdachte] ( [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ), hun gedragingen, hoe [verdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [verdachte] door [medeverdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [verdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [verdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [medeverdachte] .\n\nIn de chats wordt benoemd door [verdachte] dat ze [slachtoffer 1 (voornaam)] sleept. De volgende chat illustreert dat [verdachte] [slachtoffer 1 (voornaam)] door zijn eigen urine heeft getrokken.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [medeverdachte (voornaam)] wordt contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [medeverdachte (voornaam)] de contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] wordt. Er wordt afgesproken dat [verdachte (voornaam)] contact met [medeverdachte (voornaam)] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [medeverdachte (voornaam)] [verdachte (voornaam)] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen..\n\n Pagina 965.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:42.749Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":38},"679","ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","ecli-nl-rbmne-2026-4044","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F277060-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1983] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M.P.M. Balemans (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ..\n\n2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe voert de raadsman aan dat niet is gebleken dat de verdachte strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn. Zelfs indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat een dergelijke samenwerking wel kan worden bewezen, stelt de advocaat dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het voor medeplegen vereiste dubbele opzet.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres] in [woonplaats] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) aan. [slachtoffer 1] is volledig naakt en [slachtoffer 2] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood.\n\nVervolgens zijn de kinderen verhoord en is er onder meer ook onderzoek gedaan naar de telefoon van [medeverdachte] . Hierin zijn belastende gesprekken en foto’s aangetroffen tussen [medeverdachte] en de verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ).\n\nDe advocaat van de verdachte betwist niet zozeer wat er met de kinderen is gebeurd, maar wel dat [verdachte] strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn.\n\nDe rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\nMedeplegen\n\nDe betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dit feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de intellectuele en\u002Fof materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\n [verdachte] en [medeverdachte] kennen elkaar van het schoolplein van de kinderen. Tijdens de zitting vertelden zij dat de kinderen het samen goed konden vinden en het tussen hen ook klikte. Zij kregen steeds meer contact. Rond de scheiding van [medeverdachte] intensiveerde dit contact, omdat [medeverdachte] advies vroeg aan [verdachte] over de opvoeding van de kinderen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 22 januari 2024 met de hulpverlening van [medeverdachte] is afgesproken dat [verdachte] als contactpersoon voor [medeverdachte] zou fungeren. Daarbij is afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen. Vanaf dat moment was [verdachte] nadrukkelijk betrokken bij het gezin van [medeverdachte] .\n\nUit de analyse van de chatberichten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] in de periode van 2 juli tot en met 18 augustus 2024 meer dan twintigduizend berichten met elkaar hebben uitgewisseld. De tijd tussen opeenvolgende berichten bedroeg soms slechts enkele seconden. De inhoud van deze berichten heeft grotendeels betrekking op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , met name het gedrag van de kinderen, de wijze waarop [medeverdachte] daarop reageert of zou moeten reageren. De hoeveelheid chats tonen aan dat er sprake was van zeer intensief contact over de opvoeding en behandeling van de kinderen. [medeverdachte] hield [verdachte] dagelijks, vanaf de vroege ochtend tot de late avond, op de hoogte van het gedrag van de kinderen en haar eigen handelen. Naast het chatten blijkt ook dat de verdachten vaak met elkaar gingen (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto’s stuurde van haar kinderen naar [verdachte] .\n\nNaar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, onder meer de chats tussen de verdachten en de verklaring van [medeverdachte] , dat [verdachte] een sturende en bepalende rol had bij de beslissingen die [medeverdachte] ten aanzien van haar kinderen nam. Zo stuurt [verdachte] onder meer: ‘niks doms lopen doen nu ik niet aan de lijn ben’.Ook zegt [verdachte] ‘Geef hem niet zulke antwoorden. En zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb. Nog uit leggen ook. Ben je gek. Niks uitleggen.’Vervolgens bedrukt [verdachte] dat [medeverdachte] het weer niet goed doet‘ja weer die fout’.\n\nUit de chats blijkt ook dat ze onderling afspraken hebben. In dat kader schrijft [medeverdachte] in een chatbericht aan [verdachte] op 1 augustus ‘wrm zou k het doen als k juist wil bewijzen dat k me aan de dingen hou die we hebben afgesproken samen’.Dit wordt ook ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte] .\n\nOok blijkt uit de analyse van de enorme hoeveelheid chatberichten dat de instructies van [verdachte] in belangrijke mate richtinggevend waren voor hetgeen zich binnen het gezin afspeelde. [medeverdachte] spreekt [verdachte] in de chats nauwelijks tegen en lijkt haar aanwijzingen en opdrachten zonder weerstand op te volgen. De communicatie laat ook zien dat [verdachte] dominant was in het contact tussen hen. Enkele voorbeelden waaruit dit onder meer volgt, zijn de berichten van [verdachte] op 29 juli 2024 ‘ja en hij moet nee laat hem nu zitten nu’ en ‘ja maar hoor je ook niet zeggen zitten mongool’.Ook schrijf [verdachte] op 14 juli 2024 ‘wakker houden slaan anders’.\n\nTegelijkertijd merkt de rechtbank op dat uit de berichten niet volgt dat [medeverdachte] geen eigen keuzevrijheid meer had ten aanzien van de wijze waarop zij haar kinderen behandelde. Wel lijkt zij zich gemakkelijk te conformeren aan de suggesties en instructies van [verdachte] .\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, anders dan de verdediging heeft betoogd, een actieve en aansturende rol heeft gehad bij alle ten laste gelegde gedragingen en dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Het feit dat er geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, in die zin dat de verdachte fysiek in de nabijheid van [medeverdachte] was op het moment dat zij de gedragingen uitvoerde, doet daaraan niet af. De intellectuele en aansturende bijdrage van de verdachte ook via het soms langdurig beeldbellen is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.\n\nDubbel opzet\n\nEr is alleen sprake van medeplegen als wordt vastgesteld dat sprake is geweest van ‘dubbel opzet’. De verdachte moet opzet hebben op de nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] en - al dan niet in voorwaardelijke zin - op de verwezenlijking van het gronddelict, in dit geval de kindermishandeling.\n\nDoor te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, namelijk door gedurende een langere periode vrijwel dagelijks intensief met [medeverdachte] te communiceren over wat de kinderen wel of niet mochten, en of zij wel of niet gestraft moesten worden, heeft de verdachte opzet gehad op de nauwe en bewuste samenwerking met van [medeverdachte] . Gelet op de inhoud en strekking van chats tussen de verdachten komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn aan de kinderen van [medeverdachte] , dan wel op het veroorzaken van hevige onlust veroorzakende lichamelijke en\u002Fof geestelijke gewaarwording of het benadelen van hun gezondheid. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de advocaat.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de medeverdachte heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. Bovendien is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOordeel\n\nDe rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] , de kinderen van de medeverdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gedurende een periode van ongeveer 8 maanden stelselmatig heeft mishandeld.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat er sprake was van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand en [slachtoffer 1] eenmaal ook geslagen is met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [verdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [verdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt. Als ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten de kinderen in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine ook opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachten [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank zal de verdachte ook vrij spreken ten aanzien van [slachtoffer 2] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door haar eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en\u002Fof daarmee te bedreigen en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. [slachtoffer 2] zelf verklaart hier niets over en het blijkt ook niet uit enige andere verklaring in het dossier.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, het kind van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhet kind van haar mededader, [slachtoffer 2] , geboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen een minderjarige, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 9 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, ambulante begeleiding en een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachte. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank, indien zij tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf. Indien de rechtbank daartoe aanleiding ziet, kan deze worden aangevuld met een voorwaardelijke straf waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.\n\nTer onderbouwing van dit verzoek wijst de advocaat op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de over haar opgemaakte rapportages. Daarnaast wijst de advocaat op de rol van de verdachte binnen de ten laste gelegde feiten. Een aanzienlijk deel van de in de tenlastelegging omschreven gedragingen heeft volgens de advocaat buiten medeweten en zonder betrokkenheid van de verdachte plaatsgevonden.\n\nHoewel uit de chatberichten blijkt dat de verdachte zich op momenten heftig heeft uitgelaten, moet dit volgens de advocaat worden gezien in het licht van het voortdurende spervuur aan berichten van [medeverdachte] , waardoor de verdachte haar geduld verloor. De verdachte had niet de bedoeling om de baas te zijn, maar vroeg zich af waarom de medeverdachte haar om hulp vroeg, terwijl zij zich vervolgens niet hield aan verdachtes goedbedoelde adviezen. Volgens de advocaat is de verdachte in een toxische relatie terechtgekomen.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat het contactverbod zal worden nageleefd.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachte gedurende ongeveer 8 maanden stelselmatig de kinderen van de medeverdachte mishandeld.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan waarna zij in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilden kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nHoewel de medeverdachte weliswaar de feitelijke handelingen uitvoerde en zij degene was die de kinderen sloeg of niet naar de wc liet gaan, blijkt uit de bewijsmiddelen dat alles in samenspraak ging. Dag in dag uit werd alles aangaande de kinderen door de medeverdachte en [verdachte] besproken, per chat maar ook via FaceTime. De rechtbank acht de rollen van de verdachten bij het plegen van deze schokkende feiten daarom gelijkwaardig en net zo kwalijk.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geboren hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog ieder dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook ieder dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 5 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog M.G.H. van Willigenburg. Uit het rapport blijkt het volgende. De rapporteur stelt vast dat bij de verdachte sprake is van een gecombineerd beeld van een licht verstandelijke beperking en een traumagerelateerde stoornis. Haar vermogen om gesproken en geschreven taal te begrijpen en zich daarin uit te drukken is verminderd. Inlevingsvermogen is zwak, gedrag van anderen kan ze niet goed inschatten door zwakke empathische vaardigheden. Relativeringsvermogen ontbreekt en ze raakt erg makkelijk overbelast als er dingen gebeuren die buiten haar normale structuur vallen. Bij oplopende stress is ze vermijdend, meer wantrouwend, meer prikkelbaar en mogelijk meer bot. Het vermogen tot signaleren van problemen bij haarzelf is zwak, haar zorgen delen en hulp vragen doet ze niet adequaat. Abstract redeneervermogen is zwak. Ze heeft geen goed overzicht van de gevolgen die haar eigen gedrag op anderen kan hebben en neigt tot concreet denken, zoals zaken letterlijk nemen. Gezien de onafgebroken aanwezigheid van de verstandelijke beperking en de psychische problematiek, acht rapporteur het onwaarschijnlijk dat de verdachte haar gedragingen in vrijheid heeft kunnen afwegen en wordt geadviseerd haar de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate toe te rekenen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundige ten aanzien van de toerekenvatbaarheid over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe rapporteur adviseert outreachende lvb-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie, die bijdraagt aan structuur, stabiliteit, rust, regelmaat en ondersteuning kan geven op de verschillende levensgebieden. De hulpverlening rondom de verdachte kan het beste gecoördineerd worden door een regiebehandelaar (bij voorkeur een psychotherapeut of klinisch psycholoog) die kennis heeft van lvb-problematiek en traumaproblematiek en ook enige forensische expertise heeft. Verder acht de rapporteur van belang de opvoedkundige vaardigheden van de verdachte te monitoren. Gezien haar functieniveau zou opschalen naar woonbegeleiding en\u002Fof op termijn beschermd\u002Fbegeleid wonen een geschikte route kunnen zijn. Het interventieadvies kan worden uitgevoerd door de polikliniek [naam] , onderdeel van [instelling] , waar de verdachte nu ook in behandeling is. De beschreven behandeling kan worden voortgezet (en geïntensiveerd) in het kader van een bijzondere voorwaarde met een verplicht toezicht door de reclassering, bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 9 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [A] . De reclassering heeft, doordat de verdachte zich de vermeende feiten niet kan herinneren, beperkt relatie kunnen leggen tussen het ten laste gelegde en de leefgebieden. De reclassering ziet een directe relatie tussen de vermeende feiten en het sociale netwerk van de verdachte. Volgens de reclassering zou de verdachte baat hebben bij een outreachende LVB-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie die bijdraagt aan rust, structuur, stabiliteit, regelmaat en ondersteuning op verschillende leefgebieden. Daarnaast wordt behandeling door of met een regiebehandelaar noodzakelijk geacht. De eerder ingezette zorg in de vorm van het Buurtteam en Spoor 030 hebben niet bijgedragen aan het voorkomen of stoppen van de vermeende feiten.\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod de slachtoffers en de medeverdachte in de zaak;\n\nAmbulante begeleiding.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte, haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, waaronder passende hulpverlening, waar de verdachte naar verwachting veel baat bij zou hebben.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling, meewerkt aan ambulante begeleiding en zich houdt aan een contactverbod met de slachtoffers in deze zaak.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert geen verweer tegen de gevorderde reiskosten en parkeerkosten voor de traumabehandeling.\n\nTen aanzien van de gevorderde bijleskosten stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze kosten moeten worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze noodzakelijk waren. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partijen ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk te verklaren.\n\nMet betrekking tot de post ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’ stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze moet worden afgewezen, omdat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partij ook op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren, nu de behandeling van deze post een onevenredige belasting is van het strafproces en de kosten worden betwist.\n\nTen aanzien van de immateriële schade stelt de advocaat zich op het standpunt dat, indien en voor zover tot toewijzing wordt overgegaan, maximaal een bedrag van € 3.000,- aan de verdachte kan worden toegerekend gelet op haar ondergeschikte rol. Dit bedrag kan eventueel in mindering worden gebracht op het aan de medeverdachte toe te rekenen bedrag.\n\n6.4.. Oordeel van de rechtbank\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald, zoals gevorderd.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk), ongeacht hun rol. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Het is gebruikelijk om voor schade die is ontstaan over een langere periode de wettelijke rente in te laten gaan halverwege de periode en dat is in dit geval 6 mei 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel als mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op opmaak delict-analyse, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, direct of indirect, contact met de slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n Ambulante begeleiding\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd begeleiden door het Forensisch Fact team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering ambulante begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo snel als mogelijk. Huisbezoeken zijn onderdeel van de begeleiding;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1989] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van tot 18 juni 2026 de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nals de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228, 239, 965) en\u002Fof - te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof - aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p. 239) en\u002Fof - (gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond te laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof - gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun eigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap te laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof urine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof - hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine heen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof - met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a. p. 47, 142, 922) en\u002Fof - gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p. 500, 507) en\u002Fof - gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof - als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof - te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te spreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof - hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nHet klopt dat er intensief contact tussen ons beide (de rechtbank begrijpt: de verdachte en [medeverdachte]) is geweest. Er was veel chatverkeer. Zij vroeg veel over de kinderen en over de opvoeding. Wij hebben via face time gebeld. Ik heb wel gescholden omdat ik boos was. Ze deed dingen anders dan we hadden besproken.\n\nEen proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nToen hebben [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) en ik samen regels bedacht van hoe ik met de kinderen om moest gaan, want ik wist het zelf niet meer. Het begon minder extreem, maar de laatste paar weken (voor de aanhouding) was het wel op het hoogtepunt. Eerst kon er meer qua eten, plassen. Maar de laatste paar weken was het extreem geworden. Dus bijvoorbeeld zoals maandag (de rechtbank begrijpt: maandag 19 augustus 2024), dat ze een tijdje in de plas zitten.\n\nDe regels waren bijvoorbeeld: - De kinderen moesten op de grond zitten; - Ze mochten alleen twee boterhammen s ochtends, 2 s middags en avondeten. Alleen wat nodig was. Als straf kregen ze geen tussendoortjes; - Ze mochten alleen plassen en poepen als het gesprek klaar was (bijvoorbeeld, gesprek over school, over familie of over het misbruik); - Ze moesten alles vragen (of ze mochten plassen, poepen, eten, drinken, schoonmaken van plas en poep); - De kinderen moesten dit aan mij vragen, en ik moest het dan vervolgens aan [verdachte] vragen en [verdachte] gaf dan toestemming (ja of nee of even wachten); - Ik moest alles overleggen met [verdachte] en overal toestemming voor vragen.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nV: Als jullie dan gingen beeldbellen, want dat gebeurde wel eens, hoe ging dat dan? Want soms typte je ook wat tegelijkertijd. A: Ja, dan hoorde ze het niet. V: Wie? A: [verdachte] . Ja. Dus dan moest ik het ook typen, zeg maar. V: En wat hoorde ze dan niet? A: Wat de kinderen zeiden.\n\nV: En zij jou dan opdrachten gaf, wat je moest doen. En wat voor opdrachten hebben we het dan over? A: Hoe ik mijn kinderen aan moest pakken.\n\nV: En wat voor, hoe moest je dat doen? A: Slaan. Ze heb ook weleens gezegd, geef ze een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nA: Ik moest ook overleggen, als de kinderen iets vroegen, moest ik het naar haar typen. A: En dan bepaalde zij of het mocht ja of nee. V: En waar hebben we het dan over? A: Ze vroegen altijd of ze mochten plassen, eten en drinken. V: En wat was [verdachte] 's rol dan? A: Toestemming geven daarvoor.\n\nV: Jullie hebben dan beeldbellen en typen tegelijk. Hoelang was dat op een dag? A: Van ochtends vroeg tot avonds laat.\n\nV: Waarom mocht hij niet naar de wc ‘s nachts? A: Omdat hij straf had. Volgens haar. V: Er waren nachten dat hij niet naar de wc mocht. En was dat voor [slachtoffer 1] of ook voor [slachtoffer 2] ? A: Allebei. V: En hoe vaak gebeurde het dat ze ‘s nachts niet mochten plassen? A: De laatste tijd heel vaak.\n\nV: De kinderen mochten s ‘nachts niet plassen, omdat ze dan straf hadden. En wij hebben ook gevraagd, ja, maar wat als de kinderen dan moesten plassen of poepen? Wat dan? A: Dan deden ze het gewoon in bed. V: En wat gebeurde er dan? A: En moesten we het de volgende ochtend opruimen van haar.\n\nV: Schold jij je kinderen uit? A: Niet in hun gezicht. Niet altijd.​​​​​​​ V: En niet altijd zeg je? A: Nee, ik werd wel eens opgedragen om dingen te zeggen.\n\nV: Waar moest ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Oh, eh op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou?\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet. A: De laatste tijd niet vaak. Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nV: Want heb jij [slachtoffer 1] wel eens opgesloten in huis? A: Ja.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1] honger had.\n\nV: En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen? A: Ook. Maar dat was ook haar idee. V: Wat was haar idee? A: Om hem te straffen, zodat... Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres] in [woonplaats] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [medeverdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [geboorteplaats] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder Omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama(de rechtbank begrijpt: de medeverdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he? A: Ja V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he? A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja. V: En wat zei [slachtoffer 1] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat. V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1] . V: maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, chat tbv verhoor [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nUit de telefoon van [medeverdachte] is een chatgesprek naar voren gekomen tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Dit betreft een gesprek wat grotendeels gaat over de kinderen van [medeverdachte] . Uit de context is op te maken dat [verdachte] en [medeverdachte] veel bellen tussendoor en [verdachte] meekijkt bij [medeverdachte] in de woning en dus ziet en hoort wat [medeverdachte] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] doen.\n\nOp 29 juli 2024 hebben [verdachte] en [medeverdachte] een gesprek waarin [verdachte] verteld wat [medeverdachte] moet doen met betrekking tot de kinderen.\n\n [verdachte] : ja laat hem zo zitten\n [medeverdachte] : Ja hy heeft gepist\n [verdachte] : Ja en hij moet nee laat hem na zitten nu\n\nOp 14 juli 2024 in de avond is er een gesprek waarin [verdachte] zegt wat [medeverdachte] bij haar kinderen moet doen.\n\n [verdachte] : Wakker houden slaan anders\n\nNiet zo op je tel zitten\n\n [verdachte] : Geef hem niet zulke antwoorden zeggen antwoord\n\nEn zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb\n\nNog uit leggen ook\n\nBen je gek\n\nNiks uitleggen\n\n [verdachte] : Ja dat deed k idd over dat niet slapen\n\n [verdachte] : Ja weer die fout\n\nOp 29 juli 2024 is er een gesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarin onder andere het volgende werd gezegd:\n\n [verdachte] : Volgens mij moet hij zitten op z e kont en niet dit\n\n [medeverdachte] : Nee dit zkr niet\n\nMaar hy gaat ook gwn door\n\n [verdachte] : Ja maar hoorje ook niet zeggen zitten mongool\n\nGepoep zeker\n\nVal dood zeggen\n\nWat deed ie\n\n [medeverdachte] : Hy schopte de plas weg\n\nIk trok hem er door heen\n\n [verdachte] : Ja hoorde ik\n\n [medeverdachte] : Hys nu also een baby om z'n vader aan het roepen maar heel zacht\n\n [verdachte] : Ohh latenzo\n\n [medeverdachte] : Ja drm\n\nHij zit me best\n\n [verdachte] : Niet schoonmaken\n\nOp 31 juli zegt [verdachte] tegen [medeverdachte] :\n\nKlappen geven neem ik aan\n\nAls ze doorgaat\n\nNee geen nieuw water\n\nProces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [medeverdachte] en [verdachte] , voor\n\nzover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon van verdachte [medeverdachte] is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [medeverdachte] en medeverdachte [verdachte] . De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [medeverdachte] ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ), hun gedragingen, hoe [medeverdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [medeverdachte] door [verdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [medeverdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [verdachte] .\n\nIn de weergave hierna volgt een selectie van chats die door [verdachte] zijn verzonden.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [verdachte] wordt contactpersoon voor [medeverdachte] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [verdachte] de contactpersoon voor [medeverdachte] wordt. Er wordt afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 479.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 946.\n\n Pagina 947.\n\n Pagina 962.\n\n Pagina 966.\n\n Pagina 967.\n\n Pagina 969.\n\n Pagina 972.\n\n Pagina 976.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 982.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 477.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 458.\n\n Pagina 459.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 480.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 485.\n\n Pagina 486.\n\n Pagina 495.\n\n Pagina 500.\n\n Pagina 501.\n\n Pagina 502.\n\n Pagina 509.\n\n Pagina 511.\n\n Pagina 512.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","2026-07-13T00:28:42.896Z",{"id":40,"ecli":41,"slug":42,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":44,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":45,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":47},"1670","ECLI:NL:RBMNE:2026:3855","ecli-nl-rbmne-2026-3855","2026-06-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F590851 \u002F FO RK 25-347\n\nBeschikking van 3 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming Regio Noord-Holland,\n\ngevestigd in Haarlem,\n\nhierna te noemen: de Raad\n\nmet als belanghebbende\n\nSamen Veilig Midden-Nederland,\n\ngevestigd in Utrecht,\n\ngecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De rechtbank heeft eerder in deze zaak een beschikking gegeven op 15 oktober 2025. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst de rechtbank naar de vorige beschikking.\n\n1.2. Daarna heeft de rechtbank nog de volgende stukken ontvangen:\n\nhet SAVE Evaluatie & Vervolgplan van de GI van 12 maart 2026;\n\nde brief van de GI van 13 april 2026;\n\nhet rapport van de Raad van 16 april 2026.\n\n1.3. Het verzoek is verder behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nmevrouw [A.] namens de Raad;\n\nmevrouw [B.] namens de GI (die digitaal bij de zitting aanwezig was).\n\n2. Waar gaat deze procedure over?\n\n2.1. \n\nMet behulp van Stichting De Beschermde Wieg is geboren:\n\n- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] .\n\n2.2. Bij de rechtbank zijn geen gegevens bekend over de moeder. Op de geboorteakte van [minderjarige] staan ook geen persoonsgegevens van de moeder. De burgemeester heeft de geboorte aangegeven.\n\n2.3. Uit de informatie van de melder van de geboorte bij de Raad blijkt dat de moeder minderjarig is en onder toezicht staat van de GI.2.4. De biologische vader van [minderjarige] is onbekend.\n\n2.5. \n [minderjarige] verblijft in een pleeggezin.\n\n2.6. In de beschikking van [datum] 2025 heeft de rechtbank de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .\n\n2.7. De Raad verzoekt om de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n2.8. De GI heeft zich bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.\n\n3. De verdere beoordeling\n\nConclusie3.1. De rechtbank wijst het verzoek toe en belast de GI met de voogdij over [minderjarige] . De beslissing wordt hierna toegelicht.\n\nWettelijk kader3.2. Zoals vermeld zijn er geen gegevens van de moeder vermeld op de geboorteakte. Er is dus geen ouder bekend die het gezag kan uitoefenen.\n\nToelichting3.3. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat de GI wordt belast met de voogdij over hem. Er moet namelijk iemand zijn die de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen omdat hij minderjarig is. De Raad adviseert de rechtbank om de GI met de voogdij te belasten. Evenals de Raad vindt ook de rechtbank het belangrijk dat de GI als neutrale partij wordt belast met de voogdij. Een neutrale partij zal in het belang van [minderjarige] handelen en niet met conflicterende belangen te maken hebben. De Raad heeft ook een bereidverklaring van de GI overgelegd.\n\nGegevens van de moeder3.4. De rechtbank heeft in de vorige beschikking aan de GI de opdracht gegeven om te onderzoeken of het mogelijk is om de naam van de biologische moeder op te nemen op de geboorteakte van [minderjarige] . Vervolgens heeft de GI in samenwerking met de Raad een moreel beraad georganiseerd onder begeleiding van een externe ethicus. Bij het moreel beraad waren aanwezig twee juristen (één van de GI en één van de Raad), drie gedragswetenschappers (van verschillende SAVE-locaties, waaronder één onafhankelijk deelnemer), de voogd, twee gezinsvoogden van de moeder, de betrokken medewerker van de Raad en een vertegenwoordiger van pleegzorg. Tijdens het moreel beraad zijn risico’s en zorgen naar voren gekomen waardoor de GI heeft besloten om de naam van de biologische moeder op dit moment niet bekend te maken en deze niet in de geboorteakte van [minderjarige] op te laten nemen. De reden hiervoor is dat openbaarmaking van deze informatie niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Integendeel, het delen van deze informatie kan ernstige negatieve gevolgen hebben voor het welzijn en de veiligheid van de biologische moeder, hetgeen indirect ook het belang van [minderjarige] schaadt.\n\n3.5. De rechtbank begrijpt dat niet op korte termijn gegevens van de moeder op de akte van geboorte vermeld zullen worden en dat het gezagsvacuüm zal blijven bestaan. De rechtbank acht het daarom in het belang dat de voorlopige maatregel wordt vervangen door benoeming van SAVE als voogd. Tijdens de zitting is besproken dat de GI het besluit rondom het ontbreken van oudergegevens regelmatig zal herzien en evalueren. Mocht het op termijn wel mogelijk zijn om de gegevens van de moeder op te nemen op de geboorteakte, is de GI op de hoogte hoe een dergelijk verzoek ingediend moet worden. De rechtbank heeft er dan ook voldoende vertrouwen in dat de GI haar taak serieus neemt en zorgvuldig uitvoert.\n\nAchterhalen identiteit moeder op latere leeftijd [minderjarige]3.6. Tijdens de zitting zijn ook de mogelijkheden besproken over hoe [minderjarige] op een latere leeftijd informatie kan krijgen over zijn afkomst en de identiteit van de moeder. Zowel de Raad als de GI hebben de gegevens van de moeder in het dossier van [minderjarige] opgeslagen en hebben verklaard dat [minderjarige] later zijn dossier kan opvragen. De rechter heeft de GI ook gewezen op de mogelijkheid om de persoonsgegevens van de moeder op te laten nemen in een akte bij de notaris.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad3.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing meteen geldt, ook als er hoger beroep tegen de beslissing wordt ingesteld.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n4.1. belast stichting Samen Veilig Midden-Nederland, locatie Utrecht, met de voogdij over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ;\n\n4.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3855","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.640Z",{"id":49,"ecli":50,"slug":51,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":43,"fullText":52,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":53,"sourceTimestamp":46,"parsedAt":30,"updatedAt":54},"1662","ECLI:NL:RBMNE:2026:3853","ecli-nl-rbmne-2026-3853","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilierecht\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F599247 \u002F FO RK 25-1114\n\nMeerderjarigverklaring\n\nBeschikking van 3 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n [de moeder],\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de moeder\n\nadvocaat mr. N.J. Hos,\n\nbetreffende het kind: [minderjarige].\n\nmet als belanghebbenden\n\n [grootouder1],\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nhierna te noemen: de opa\n\nen\n\n [grootouder2],\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: de oma,\n\nhierna samen genoemd: de grootouders van moederszijde,\n\nmet als informant\n\n [de vader],\n\nwonende in [woonplaats 3] ,\n\nhierna te noemen: de vader.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kinderrechter heeft de volgende stukken ontvangen:\n\nhet verzoekschrift van de moeder met bijlagen, binnengekomen op [geboortedatum 2] 2025;\n\nhet bericht met bijlage van de moeder van 6 november 2025;\n\nhet bericht met bijlage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 9 december 2025;\n\nhet bericht van de moeder van 28 januari 2026;\n\nhet bericht van de opa van 4 mei 2026.\n\n1.2. Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling gehouden op 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\nde moeder met haar advocaat;\n\nde oma;\n\nde vader;\n\nmevrouw [A.] namens de Raad.\n\n1.3. De opa is (na afmelding) niet naar de zitting gekomen.\n\n2. De belangrijke feiten\n\n2.1. De grootouders zijn de ouders van: [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] (hierna: de moeder).\n\n2.2. De grootouders hebben samen het ouderlijk gezag over de moeder.\n\n2.3. De moeder is bevallen van een dochter: [minderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [woonplaats 1] .\n\n2.4. De vader heeft [minderjarige] erkend. Omdat de moeder minderjarig is, is de vader niet belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n2.5. De moeder woont bij haar vader (de opa) in [woonplaats 1] . De vader woont bij zijn ouders in [woonplaats 3] .\n\n2.6. Partijen hebben allen de Nederlandse nationaliteit.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. De moeder verzoekt de kinderrechter om haar meerderjarig te verklaren.\n\n3.2. De grootouders en de vader zijn het eens met het verzoek.\n\n4. De beoordeling\n\nConclusie4.1. De kinderrechter wijst het verzoek toe en verklaart de moeder meerderjarig. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\nWettelijk kader4.2. Zoals vermeld, is de moeder minderjarig. Dit heeft tot gevolg dat zij onbevoegd is om het gezag over haar kind uit te oefenen.Dit betekent dat de moeder geen beslissingen mag nemen over [minderjarige] . In dit soort gevallen kan de kinderrechter een voogd over het kind benoemen.\n\n4.3. De kinderrechter kan ook een minderjarige vrouw van zestien of zeventien jaar meerderjarig verklaren als de vrouw haar kind wil verzorgen en opvoeden als degene die het gezag heeft. Dit verzoek wordt alleen toegewezen als de kinderrechter dit in het belang van de moeder en haar kind wenselijk vindt.\n\nToelichting4.4. De kinderrechter is net als de Raad van oordeel dat het in het belang van de moeder en [minderjarige] is dat de moeder meerderjarig wordt verklaard en het gezag over [minderjarige] krijgt. Uit het onderzoek van de Raad blijkt dat de moeder goed in staat is om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. De moeder is nog jong en haar zwangerschap was onverwacht, maar zij toont desondanks haar verantwoordelijkheid als moeder. Daarnaast is er een warm en betrokken netwerk. De vader is ook veel betrokken en ondersteunt de moeder in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Ook de ouders van de moeder zijn betrokken en ondersteunen haar waar nodig. Alle betrokkenen staan bovendien achter de meerderjarigverklaring van de moeder. Tot slot staat de moeder open voor hulpverlening indien nodig. De kinderrechter is dan ook voldoende op toegerust dat moeder (en vader) op het moment dat zij wel een hulpvraag hebben hiervoor contact zullen opnemen met het wijkteam.\n\nGezag en ingangsdatum4.5. De meerderjarigverklaring kan niet eerder ingaan dan per de datum van deze beschikking. Door de meerderjarigverklaring krijgt de moeder van rechtswege het gezag over [minderjarige] .\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.6. De moeder heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd, ook al wordt er hoger beroep ingesteld. De kinderrechter zal dit verzoek toewijzen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n5.1. verklaart [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] , meerderjarig;\n\n5.2. stelt vast dat [de moeder], geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [woonplaats 1] , door haar meerderjarigverklaring het ouderlijk gezag krijgt over haar dochter:[minderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [woonplaats 1] ;\n\n5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.\n\n Artikel 1:246 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 1:253q lid 2 BW\n\n Artikel 1:253ha BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3853","2026-07-13T00:29:32.257Z",{"id":56,"ecli":57,"slug":58,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":59,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":30,"updatedAt":62},"2002","ECLI:NL:RBMNE:2026:3638","ecli-nl-rbmne-2026-3638","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F609823 \u002F JE RK 26-519\n\nDatum uitspraak: 26 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling\n\nin de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,\n\nhierna te noemen GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nadvocaat mr. H.M. Hooijer,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [plaats 2] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen van 9 april 2026;\n\nhet Evaluatie & Vervolgplan van SAVE van 10 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 1 mei 2025;\n\nhet bericht van de moeder, met als bijlage het verslag van [naam] , binnengekomen bij de rechtbank op 20 mei 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader;\n\n- de moeder met haar advocaat, mr. H.M. Hooijer;\n\n- [A.] , een vertegenwoordiger van de GI.\n\n1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat weergegeven wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.1.4.. De kinderrechter heeft direct na de zitting mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking daarvan.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] woont bij zijn moeder.\n\n2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 3 juni 2026.\n\n3. Het verzoek\n\nDe GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\nBeide ouders stemmen in met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar hebben beiden ook zorgen over de geringe vooruitgang die in de afgelopen periode is geboekt.\n\n5. De beoordeling\n\nDe beslissing5.1.. \n\nDe kinderrechter zal het verzoek van de GI toewijzen en ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar, te weten tot 3 juni 2027. De kinderrechter legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.\n\nDe toelichting5.2.. Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek voor een ondertoezichtstelling. De ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] is het afgelopen jaar onvoldoende verminderd. Het is een zwaar jaar geweest voor zowel [minderjarige] als de ouders. De school van [minderjarige] heeft ernstige zorgen geuit en aangegeven dat hulpverlening noodzakelijk was, omdat [minderjarige] door zijn emoties onvoldoende aan leren toekwam. De inzet van [naam] en mogelijk daaropvolgende therapie was voor de school aanleiding om [minderjarige] op zijn huidige leerlijn te laten blijven. Positief is dat op de zitting naar voren is gekomen dat het de laatste weken beter lijkt te gaan op school en dat [minderjarige] overgaat naar groep vijf.5.3.. Ook rondom de omgang met de vader blijven veel zorgen bestaan. Hoewel de omgangsmomenten zelf goed lijken te verlopen, is sprake van veel spanning voorafgaand aan en na afloop van de omgang. De belasting voor [minderjarige] lijkt groot. Daarnaast is zijn gezondheid kwetsbaar. Hij heeft het afgelopen jaar tweemaal een longontsteking gehad en kampt regelmatig met keel- en oorontstekingen. Mogelijk maken de spanningen hem extra vatbaar. Verder is duidelijk geworden dat [minderjarige] veel weerstand laat zien ten aanzien van de omgang. De huidige vorm van omgang lijkt op dit moment het maximaal haalbare voor hem. De omgang zal voorlopig zelfs tijdelijk worden stopgezet in afwachting van het hulpverleningsoverleg van 28 mei 2026 en de conclusies en vervolgstappen die daaruit voortvloeien.5.4.. De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij het lastig vindt dat tijdens de omgang veel voorwaarden gelden, waardoor hij het gevoel heeft zijn vaderrol onvoldoende te kunnen vervullen. Hoewel de vader niet tegen verlenging van de ondertoezichtstelling is, wil hij wel dat er veranderingen komen in de aanpak rondom de omgang. Daarnaast heeft de vader aangegeven weinig vertrouwen te hebben in de betrokken medewerker van [naam] . De kinderrechter begrijpt dat dit de samenwerking bemoeilijkt, maar benadrukt dat het aan de GI is om te beoordelen welke hulpverlening noodzakelijk is voor [minderjarige] .5.5.. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat ook zij inziet dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog onvoldoende zijn bereikt. Volgens haar is dit daarom niet het moment om de hulpverlening vanuit de GI te beëindigen. Zij vindt het wel teleurstellend dat de gestelde doelen nog onvoldoende zijn behaald. Daarnaast ervaart ook de moeder de situatie als zwaar, onder meer doordat zij [minderjarige] telkens opnieuw moet motiveren voor de omgangsmomenten.5.6.. De kinderrechter acht de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de ingezette hulpverlening voort te zetten. Zonder deze hulpverlening is onvoldoende duidelijk hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen en is er onvoldoende zicht op een oplossing.5.7.. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, volgt dat [naam] momenteel de basis legt voor verdere therapie voor [minderjarige] , waaronder speltherapie. Deze hulpverlening moet bijdragen aan meer duidelijkheid over wat er bij [minderjarige] speelt en waar zijn weerstand richting de vader vandaan komt. Daarnaast zal de GI aandacht moeten blijven besteden aan de verhouding tussen de ouders. Er is sprake van minimale communicatie tussen hen en de onderlinge spanningen zijn voor [minderjarige] merkbaar.5.8.. De kinderrechter acht het daarbij van belang dat meer zicht komt op de achtergrond van de ouderrelatie en de invloed daarvan op de huidige problematiek. De GI heeft ervoor gekozen de MASIC niet af te nemen. Zonder voldoende inzicht in de achterliggende dynamiek tussen de ouders is het echter lastig om goed te beoordelen wat van beide ouders mag worden verwacht in het verbeteren van hun onderlinge contact en daarmee in het verminderen van de spanningen voor [minderjarige] .4.10.. Omdat de doelen binnen de ondertoezichtstelling het afgelopen jaar onvoldoende zijn behaald, acht de kinderrechter het van belang dat de GI zich het komende jaar blijft richten op de volgende doelen:\n\n- de ouders betrekken [minderjarige] niet bij hun volwassenproblematiek en [minderjarige] mag zonder oordeel van de ouders met beiden in contact zijn. [minderjarige] weet wanneer hij zijn vader en moeder ziet en kan spreken. Hij ervaart dat het contact oké is en door beide ouders wordt toegestaan en ondersteund;\n\n- [minderjarige] moet gaan voelen dat beide ouders hem begrijpen en oog hebben voor zijn eigen beleving van wat er in het verleden is gebeurd;\n\n- de ouders zijn met elkaar in contact als het om [minderjarige] gaat. Denk hierbij bijvoorbeeld aan school- en medische zaken en ophalen\u002Fafzetten van [minderjarige] ;\n\n- [minderjarige] krijgt de hulpverlening die de GI passend vindt en ouders moeten hier aan meewerken.\n\nUitvoerbaar bij voorraad5.9.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 3 juni 2027;6.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026 door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\nCL","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3638","2026-06-24T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:49.479Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":67,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":30,"updatedAt":69},"2010","ECLI:NL:RBMNE:2026:3643","ecli-nl-rbmne-2026-3643","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Utrecht\n\nZaaknummers: C\u002F16\u002F609218 \u002F JE RK 26-460 en C\u002F16\u002F609422 \u002F JE RK 26-482\n\nDatum uitspraak: 26 mei 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter\n\nin de zaak C\u002F16\u002F609218 \u002F JE RK 26-460, de zaak van\n\nde gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,\n\nhierna te noemen GI,\n\nover\n\n [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. G.G. Kempenaars uit Almere,\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nin de zaak C\u002F16\u002F609422 \u002F JE RK 26-482, de zaak van\n\n [de moeder],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nadvocaat mr. G.G. Kempenaars uit Almere,\n\ntegen\n\nde gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,\n\nhierna te noemen GI,\n\n De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [de vader],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\n1. Het verloop van de procedure\n\n1.1.. \n\nDe kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F16\u002F609218 \u002F JE RK 26-460:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 27 maart 2026;\n\n- de brief van de moeder van 6 mei 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F16\u002F609422 \u002F JE RK 26-482:\n\n- het verzoekschrift van de moeder, ontvangen op 1 april 2026.\n\n1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de vader,\n\n- de moeder met haar advocaat;\n\n- [A.] en [B.] namens de GI.\n\nDe gezinshuisouders zijn ook opgeroepen, maar hebben zich voor de zitting afgemeld.1.3.. De kinderrechter heeft beide zaken gelijktijdig behandeld.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter te praten.\n\n1.5.. De kinderrechter heeft direct na de zitting mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking daarvan.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\n2.2.. \n [minderjarige] verblijft in een gezinshuis.\n\n2.3.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 31 mei 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 31 mei 2025. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd, voor het laatst tot 31 mei 2026.\n\n2.4.. De kinderrechter heeft op 23 september 2024 een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinshuis of pleeggezin. Daarna is de machtiging tot uithuisplaatsing steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 19 november 2025 tot 31 mei 2026.\n\n3. De verzoekenIn de zaak met zaaknummer C\u002F16\u002F609218 \u002F JE RK 26-4603.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F16\u002F609422 \u002F JE RK 26-4823.2.. De moeder verzoekt primair te bepalen dat de GI de omgang tussen de moeder en [minderjarige] uit moet breiden in duur en frequentie. Daarnaast wil de moeder dat de GI een gefaseerd opbouwschema opstelt, gericht op het realiseren van overnachtingen bij de moeder om zo de mogelijkheid van terugplaatsing beter te kunnen onderzoeken. De moeder verzoekt subsidiair om te beslissen zoals de rechtbank juist acht. De moeder verzoekt de beslissing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n4. De standpunten\n\nDe ouders zijn het niet eens met de verzoeken van de GI.\n\n5. De beoordeling\n\nDe ondertoezichtstelling\n\nHet juridisch kader5.1.. Op grond van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen als de minderjarige in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet er sprake zijn van de situatie dat de ouders de hulp die nodig is om die bedreiging weg te nemen, niet of niet genoeg accepteren. Tot slot moet bij de kinderrechter wel de verwachting bestaan dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige zelf weer kunnen dragen. Op grond van artikel 1: 260 BW kan de kinderrechter deze ondertoezichtstelling met een jaar verlengen.\n\nDe toelichting5.2.. Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat nog steeds is voldaan aan deze wettelijke criteria.5.3.. Er is nog altijd sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] moet kunnen opgroeien in een omgeving waar hij de ruimte krijgt om zich vrij te ontwikkelen, te exploreren en zijn eigen behoeften en grenzen aan te geven. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat hiervoor in de thuissituatie bij de moeder onvoldoende ruimte is. Daarover bestonden ten tijde van de start van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing al grote zorgen vanuit school en de betrokken hulpverlening. Ook bleek in die periode dat de ingezette hulpverlening niet langer welkom was bij de moeder, waardoor er onvoldoende zicht was op [minderjarige] en verbetering van de situatie niet mogelijk was.\n\n5.4.. De kinderrechter stelt vast dat deze situatie op dit moment onvoldoende is veranderd. De moeder ontkent nog steeds de zorgen die door verschillende betrokken instanties en personen worden geuit. Zij ziet geen noodzaak voor hulpverlening voor zichzelf en heeft geen hulpvraag kunnen formuleren op basis waarvan passende hulpverlening kon worden ingezet. Hierdoor is het niet mogelijk om oplossingen te bedenken om de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder thuis te verbeteren.\n\n5.5.. De omgangsbegeleiding beschrijft zorgen en deze zorgen worden bevestigd door andere betrokkenen, zoals de uitvoerend jeugdbeschermer en personen die in de buurt zijn tijdens de omgangsmomenten. Deze zorgen gaan onder meer over de conflicten die de moeder opzoekt tijdens de omgang met onder andere de omgangsbegeleider, maar ook met toevallige personen zoals andere kinderen en begeleiders op een voetbalveldje. Deze situaties zorgen er voor dat [minderjarige] veel stress ervaart. De kinderrechter maakt zich daarbij ook zorgen over de uitlatingen van de moeder tijdens de zitting over het dragen van capuchons tijdens de omgang vanwege overvliegende helikopters. De moeder heeft op de zitting verklaard dat zij denkt dat zij en [minderjarige] mogelijk vanuit de lucht in de gaten worden gehouden tijdens de omgangsmomenten. Deze uitlatingen versterken de zorgen van de kinderrechter over de belastbaarheid van de moeder en haar vermogen om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] .5.6.. De kinderrechter weegt daarbij mee dat [minderjarige] zich momenteel positief ontwikkelt in het gezinshuis. Hij laat groei zien in het omgaan met emoties en grenzen, ontwikkelt meer zelfvertrouwen en functioneert goed op school en in sociale contacten. Het is in zijn belang dat deze ontwikkeling behouden blijft en zich verder door kan zetten.5.7.. De doelen die aan de ondertoezichtstelling ten grondslag liggen zijn nog niet behaald. Voortzetting van de ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. De doelen voor de komende periode luiden als volgt:\n\n- [minderjarige] groeit op in een omgeving waarin hij toekomt aan zijn ontwikkeltaken, passend bij zijn leeftijd;\n\n- het is duidelijk waar [minderjarige] opgroeit;\n\n- [minderjarige] heeft contact en omgang met zijn beide ouders;\n\n- [minderjarige] kan omgaan met zijn emoties en heeft nare gebeurtenissen verwerkt;\n\n- [minderjarige] wordt ondersteund bij het omgaan met een ouder met Alzheimer en een ouder met psychische problemen.\n\n5.8.. Verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar is passend. Er is sprake van zorgelijke problematiek en de stappen die moeten leiden tot een oplossing moeten nog gezet worden.\n\nDe machtiging tot uithuisplaatsing\n\nHet juridisch kader4.9.. Wanneer er een ondertoezichtstelling is, kan een minderjarige alleen met een machtiging tot uithuisplaatsing ergens anders verblijven. Op grond van artikel 1:265b BW kan de kinderrechter een minderjarige uithuisplaatsen als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid, BW kan de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.\n\nDe toelichting5.10.. De kinderrechter is van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .5.11.. Hoewel de vader en de moeder vinden dat [minderjarige] weer bij zijn moeder moet wonen, vindt de kinderrechter dat [minderjarige] op dit moment nog niet terug naar huis kan. De situatie bij de moeder is onvoldoende veranderd ten opzichte van het moment waarop de uithuisplaatsing werd uitgesproken. Er is nog geen hulpverlening voor de moeder van de grond gekomen, de moeder ziet zelf geen zorgen en de kinderrechter heeft onvoldoende vertrouwen dat [minderjarige] momenteel bij de moeder voldoende veilig en stabiel kan opgroeien.\n\n5.12.. Daartegenover staat dat [minderjarige] zich juist goed ontwikkelt in het gezinshuis. Hij ervaart daar rust, voorspelbaarheid en stabiliteit. Daarnaast loopt momenteel een uitgebreid traject bij [naam] , bestaande uit NIKA en een To-the-Point-traject, waarin wordt onderzocht wat het perspectief van [minderjarige] is en wat nodig is om de opvoedsituatie bij de moeder te verbeteren. Het is noodzakelijk om eerst de resultaten van dit onderzoek af te wachten voordat verdere stappen richting uitbreiding van contact of een mogelijke thuisplaatsing kunnen worden gezet. Daarbij merkt de kinderrechter op dat het belangrijk is dat de moeder meewerkt aan eventuele adviezen die uit dit traject volgen.\n\n5.13.. De kinderrechter acht het passend om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zeven maanden, te weten tot 31 december 2026 en de beslissing voor het overige aan te houden. De verwachting is dat dan uitkomsten uit het gestarte traject bekend zijn. Op die manier kan de kinderrechter dan opnieuw toetsen welke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en welke conclusies uit het onderzoek volgen.\n\nDe omgang\n\nHet juridisch kader4.14.. \n\nDe kinderrechter vat het verzoek van de moeder op als een verzoek gegrond op artikel 1:262f BW. Dit artikel geeft ouders het recht om de kinderrechter te verzoeken de omgangsregeling met hun uit huis geplaatste kind vast te stellen of uit te breiden.\n\nDe toelichting4.15. De moeder verzoekt uitbreiding van de omgangsmomenten met [minderjarige] en wil toewerken naar logeermomenten en een eventuele terugplaatsing. De kinderrechter begrijpt deze wens van de moeder en stelt vast dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en graag betrokken wil zijn bij zijn leven.\n\n4.16.. De kinderrechter is tegelijkertijd van oordeel dat op dit moment nog onvoldoende ruimte bestaat voor uitbreiding van de omgang. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er tijdens de omgangsmomenten nog onvoldoende rust en ontspanning is. [minderjarige] ervaart spanning tijdens de omgang en probeert situaties te voorkomen of op te lossen die ontstaan door gedrag van de moeder richting begeleiders of andere betrokkenen. Dat is niet passend bij zijn leeftijd en het is niet zijn verantwoordelijkheid.5.17.. Het is daarom niet in het belang van [minderjarige] om vooruitlopend op de resultaten van het lopende NIKA- en To-the-Pointtraject de omgang al uit te breiden. Anders dan de advocaat van de moeder heeft betoogd, acht de kinderrechter het niet verantwoord om “maar te proberen” of meer omgang mogelijk is. Er zijn namelijk nog steeds ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en de invloed daarvan op de ontwikkeling van [minderjarige] .5.18.. Wel begrijpt de kinderrechter dat het traject lang duurt. De kinderrechter verwacht daarom van de GI dat als uit het lopende traject eerder dan bij de eindconclusie concrete adviezen volgen over uitbreiding of wijziging van de omgang, deze actief met de moeder worden besproken en serieus worden onderzocht.5.19.. Het verzoek van de moeder zal, gelet op het voorgaande, worden afgewezen.\n\nUitvoerbaar bij voorraad5.19.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 31 mei 2027;\n\n6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 31 december 2026;6.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;6.4.. houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan;6.5.. wijst het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de omgang af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\nCL\n\n Artikel 1:265a BW.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3643","2026-07-13T00:29:49.772Z",1,20]