[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-debt-restructuring-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":20,"total":16,"page":16,"limit":32},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},36,"debt-restructuring-nl","Debt Restructuring","NL","2026-07-08T16:53:25.925Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},1,{"min":18,"max":18},"2026-07-02T00:00:00.000Z",[],[21],{"id":22,"ecli":23,"slug":24,"caseNumber":25,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":26,"summary":25,"language":7,"source":27,"sourceUrl":28,"sourceTimestamp":29,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"997","ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","ecli-nl-rbmne-2026-4006","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F26\u002F1033 R\n\nuitspraakdatum: 2 juli 2026\n\nVonnis op grond van artikel 350 lid 3 Fw (tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling)\n\nIn de zaak van:\n\n [verzoeker] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mrs. A. Coppelmans en M.E.R. van Herpen, kantoorhoudend in Den Haag,\n\ntegen\n\n [verweerster] ,\n\nwonende op een, bij de rechtbank bekend, geheim adres,\n\nverweerster,\n\nhierna te noemen: [verweerster] ,\n\nadvocaat: mr. R. van Biezen, kantoorhoudend in Den Haag.\n\n1. Het procesverloop\n\nBij vonnis van 12 februari 2026 is ten aanzien van [verweerster] de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) uitgesproken met benoeming van mr. G. Konings tot rechter-commissaris en dhr. B.L. Menting tot bewindvoerder.\n\nMet een verzoekschrift, gedateerd op 6 maart 2026, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht om de toepassing van de Wsnp tussentijds te beëindigen. Vervolgens is de mondelinge behandeling bepaald op 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft vóór de mondelinge behandeling kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nverzoekschrift ingediend door [verzoeker] met bijlage 1 t\u002Fm 44;\n\nverweerschrift van [verweerster] met bijlage N01 t\u002Fm N05 en de referentieset;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 1 juni 2026 met bijlage 45 t\u002Fm 49;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlage 50;\n\nde aanvullende reactie van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlages N01 t\u002Fm N08;\n\nde nagestuurde referentieset bij het verweer van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026.\n\nOp de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 zijn [verzoeker] en zijn beide advocaten verschenen. Mr. Coppelmans heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. [verweerster] is eveneens verschenen en bijgestaan door haar advocaat voornoemd. [verweerster] heeft aan het einde van de mondelinge behandeling een “nadere toelichting”voorgedragen en overgelegd. Verder heeft [verweerster] nog een aan haar gerichte“werkgeversverklaring mbt reintegratie werkzaamheden”, gedateerd 3 juni 2026, overgelegd. Op de mondelinge behandeling is tenslotte nog verschenen dhr. B.L. Menting, bewindvoerder van [verweerster] .\n\nVonnis is bepaald op heden.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.\n\n [verzoeker] verzoekt de rechtbank “de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van mevrouw [verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1972, op grond van artikel 350 lid 3 sub e en\u002Fof sub f Fw tussentijds te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”\n\nIn zijn verzoekschrift voert [verzoeker] aan dat er sprake is van benadeling van schuldeisers en schulden te kwader trouw. Indien, aldus [verzoeker] , [verweerster] alle relevante informatie had gedeeld was de toepassing van de schuldsanering nimmer uitgesproken. De toepassing van de Wsnp dient dan ook tussentijds te worden beëindigd, zonder toekenning van de schone lei. [verzoeker] beroept zich op twee gronden:\n\ni) artikel 350, lid 3 sub e Fw: [verweerster] tracht haar schuldeisers te benadelen;\n\nii) artikel 350, lid 3 sub f Fw: er zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van indiening van het verzoek tot toelating reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen.\n\n2.2.\n\n [verweerster] verzoekt de rechtbank: “het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen en het vonnis van 13 februari 2026, waarbij verweerster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten, in stand te laten.”\n\nIn haar verweerschrift concludeert [verweerster] dat de door [verzoeker] , in zijn verzoekschrift, aangevoerde “feiten en omstandigheden” ofwel feitelijk onjuist zijn, ofwel niet onderbouwd, ofwel bekend waren bij de toelatingsrechter en bij de toelating zijn meegewogen. Er is geen sprake van benadeling van schuldeisers in de zin van artikel 350, lid 3 sub e Fw. Er zijn geen naderhand bekend geworden feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub f Fw die tot afwijzing van het toelatingsverzoek hadden geleid. Het verzoek tot tussentijdse beëindiging is, aldus [verweerster] , niet gegrond en dient te worden afgewezen.\n\n3. De beoordeling van het verzoek\n\n3.1.\n\nBij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten.\n\n- Partijen zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag d.d.\n\n [datum echtscheiding] 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.\n\nBij beschikking van 31 januari 2022 heeft de rechtbank Den Haag beslist over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding.\n\nNadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld tegen voormelde beschikking van 31 januari 2022 en [verweerster] incidenteel hoger beroep had ingesteld heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 7 december 2022 de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 vernietigd en -opnieuw rechtdoende- een andere wijze van verdeling gelast en [verweerster] veroordeeld tot betaling van een bedrag ad\n\n€ 278.372,50 aan [verzoeker] . Bij beschikking van 29 maart 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van 7 december 2022 verbeterd aldus dat het door [verweerster] aan [verzoeker] te betalen bedrag is bepaald op € 289.304,30.\n\nDirect ná de beschikking van 31 januari 2022 heeft [verweerster] diverse beslagen ten laste van [verzoeker] doen leggen. In de daarop volgende procedures zijn -voor zover einduitspraak is gedaan- de vorderingen van [verweerster] afgewezen.\n\nBij vonnis in kort geding d.d. 16 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag alle ten laste van [verzoeker] gelegde beslagen opgeheven, [verweerster] verboden opnieuw executoriaal beslag te leggen ter zake partneralimentatie en - kort en zakelijk samengevat- [verweerster] veroordeeld mee te werken aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals bepaald bij beschikking van\n\n7 december 2022 (en aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023).\n\nEind 2024 heeft [verweerster] de rechtbank Midden-Nederland verzocht om toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nHet verzoek van [verweerster] om toegelaten te worden tot de Wsnp is door de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 25 februari 2025 afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 6 juni 2025 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 25 februari 2025 bekrachtigd.\n\nEind 2025 heeft [verweerster] zich opnieuw tot de rechtbank Midden-Nederland gewend met een verzoek toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nBij vonnis van 13 februari 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland [verweerster] toegelaten tot de Wsnp. Voor zover thans van belang heeft de rechtbank daarbij het volgende overwogen:\n\n“De rechtbank overweegt dat hetgeen het hof heeft overwogen over het gebrek aan goede trouw van [verweerster] ten aanzien van het laten ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, in beginsel nog steeds in de weg staat aan toelating tot de Wsnp. [verweerster] heeft immers in augustus 2023 een recht van hypotheek aan [bedrijf 1] B.V. verstrekt. De in artikel 288, eerste lid, onder b, van de Faillissementswet opgenomen driejaarstermijn verstrijkt dus pas in augustus 2026.\n\nHoewel deze omstandigheid toelating tot de Wsnp in beginsel in de weg staat, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval op grond van de uitzichtloze situatie van [verweerster] en ter voorkoming van verdere neergang, een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank zal evenwel ter compensatie van het geconstateerde verwijtbare handelen van [verweerster] , de duur van de schuldsanering verlengen en licht dit als volgt toe.”\n\nen verder:\n\n“De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de uiteenzetting van [verweerster] in het verzoekschrift en de aanvullende stukken van 21 januari 2026 en 8 februari 2026 waarin [verweerster] aannemelijk heeft gemaakt welke gerechtelijke procedures er thans lopen en dat er voor haar geringe financiële risico’s aan zijn verbonden, dit aspect een toewijzing tot de Wsnp niet in de weg staat. De rechter-commissaris zal verder de voortzetting en aanvang van (nieuwe) procedures dienen te beoordelen.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2026 heeft het gerechtshof het hiervoor vermelde kort geding vonnis van 16 september 2024 bekrachtigd met veroordeling van [verweerster] in de geliquideerde proceskosten. Daarbij heeft het gerechtshof Den Haag het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot de procedures die zij tegen de man heeft gevoerd. Ook van haar kan worden verlangd dat zij op een correcte wijze uitvoering geeft aan rechterlijke beslissingen en van haar kan ook in redelijkheid worden verlangd dat zij niet nodeloos de man in rechte betrekt. Ook de advocaat van de vrouw heeft hier een rol in om nodeloze procedures te voorkomen. Gezien de proceshouding van de vrouw ziet het hof thans aanleiding haar in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen. Het hof zal thans nog uitgaan van het liquidatietarief.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 2 juni 2026 -waarbij het gerechtshof de door [verweerster] bestreden vonnissen van de rechtbank Den Haag d.d. 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 heeft bekrachtigd, is [verweerster] veroordeeld in de werkelijke proceskosten van [verzoeker] . Daarbij heeft het gerechtshof het volgende overwogen: “Uit de gewisselde stukken volgt dat [verweerster] een veelvoud aan procedures (waaronder naast bodemprocedures meerdere kortgedingen en beslagprocedures in twee instanties) tegen [verzoeker] heeft opgestart, waarop zij ook in eerdere procedures reeds onherroepelijk besliste geschilpunten veelal opnieuw -al dan niet in een andere vorm- naar voren brengt. Het hof concludeert dat [verweerster] , nadat zij daar al eerder op is gewezen, (ook) in deze procedure in hoger beroep weer een groot aantal stellingen naar voren brengt, zonder daarbij duidelijk aan te geven tegen welke oordelen zij zich richt en welke bezwaren (grieven) er precies tegen die oordelen worden aangevoerd, hetgeen de positie van de wederpartij onnodig verzwaart ook stelt het hof vast dat [verweerster] geen uitvoering heeft gegeven aan de in gezag van gewijsde gegane beschikkingen van dit hof van 7 december 2022 en 29 maart 2023, en ook niet aan een aantal andere onherroepelijke veroordelingen, al dan niet op straffe van een dwangsom opgelegd (bijvoorbeeld ten aanzien van het huisje in België). Daarmee bemoeilijkt ze de afronding van andere geschilpunten en procedures die tussen partijen lopen zonder dat daar een goede grond voor is gebleken. Ook zijn er beslagprocedures gevoerd, waarbij het door [verweerster] gelegde beslag moest worden opgeheven omdat daar geen of te weinig grondslag voor bleek te bestaan. Dit alles heeft geleid tot hoog opgelopen proceskosten voor [verzoeker] en nu ook de BV, die mede de oorzaak zijn voor het feit dat in de onderhavige procedure niet tot afstorting van pensioen kan worden overgegaan. Bij arrest van 26 maart 2026 van dit hof heeft het hof al overwogen dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot het voeren van procedures tegen de man en heeft het hof de vrouw in de proceskosten veroordeeld, het hof verwijst naar productie 72 van de akte van geïntimeerden. Uit productie 73 van voormelde akte volgt dat [verweerster] op 7 april 2026 wederom in hoger beroep heeft gedagvaard met betrekking tot appel van een vonnis van 11 maart 2026. Er komt geen eind aan alle procedures die [verweerster] voert en blijft voeren. Gezien de proceshouding van [verweerster] is het hof van oordeel dat zij hiermee al met al misbruik van procesrecht maakt ten opzichte van [verzoeker] . Het hof zal [verweerster] veroordelen in de werkelijke proceskosten conform de opgave van de advocaat van geïntimeerden (….), nu deze opgave in hoger beroep onbestreden is gebleven. Het gaat dan om een bedrag van € 15.888,--, inclusief griffierecht ad € 6.803,--”.\n\nAlvorens de door [verzoeker] aangevoerde twee gronden voor tussentijdse beëindiging te\n\nbespreken overweegt de rechtbank het volgende.\n\nIn haar aan de toelating tot de Wsnp ten grondslag liggend verzoekschrift is het volgende verwoord:\n\n“Mevrouw [verweerster] is bij arrest van het gerechtshof van 29 maart 2023 veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan haar ex-partner.\n\nNaar aanleiding van deze uitspraak is de heer [verzoeker] vanaf 1 oktober 2023 overgegaan tot het inhouden van een substantieel deel van de door hem verschuldigde partneralimentatie. Hierdoor is het inkomen van mevrouw [verweerster] drastisch gedaald.\n\nOm zich te verweren tegen de voortdurende juridische conflicten met haar ex-partner heeft mevrouw [verweerster] noodgedwongen verschillende deskundigen moeten inschakelen, waaronder advocaten, deurwaarders en pensioenadviseurs. De aanzienlijke kosten die hieruit zijn voortgevloeid hangen allemaal rechtstreeks samen met de te hoge verrekening van de partneralimentatie door de heer [verzoeker] en daarnaast ook door de onrechtmatige onttrekking van dividend, de weigering van [verzoeker] van de waardeoverdracht pensioenreserve naar een andere toegelaten pensioenaanbieder en zijn weigering tot medewerking aan de overname van het eigendomsaandeel van mevrouw [verweerster] van het chalet in de [plaats 1] als ook de medewerking van de verkoop aan derden.\n\nDeze schulden zijn dan ook niet het gevolg van verwijtbaar financieel gedrag, maar vinden hun oorsprong in omstandigheden die buiten de invloedssfeer van mevrouw [verweerster] liggen. In oktober 2024 heeft mevrouw [verweerster] , gelet op de uitzichtloze situatie waarin zij verkeert, een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Dit verzoek is in zowel eerste aanleg als hoger beroep afgewezen.\n\nSinds die tijd is haar financiële positie verder verslechterd. De heer [verzoeker] is nog minder alimentatie gaan betalen, waardoor het inkomen van mevrouw [verweerster] verder is gedaald. Daarnaast is zij inmiddels arbeidsongeschikt geraakt door de langdurige financiële stress en onzekerheid. Ondanks deze omstandigheid blijft mevrouw [verweerster] zich volledig inspannen om haar lopende verplichtingen te voldoen.”\n\nDe rechtbank vindt dat [verweerster] met deze inleiding in haar verzoekschrift toelating Wsnp een vertekend beeld heeft gegeven van de werkelijkheid. Er zijn diverse procedures tussen partijen gevoerd (en er lopen nog procedures) die zijn begonnen nadat [verweerster] beslag en executiemaatregelen is gaan nemen op basis van de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 wetende dat tegen deze beschikking hoger beroep was ingesteld. Hier komt bij dat, nadat de beschikking van de rechtbank Den Haag door het gerechtshof Den Haag was vernietigd en het gerechtshof een andere wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden had gelast, [verweerster] is doorgegaan met beslagen en executiemaatregelen, daarbij de inhoud van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 niet in acht nemend. Het beeld dat uit de vele procedures opkomt is dat [verweerster] geen uitvoering wenst te geven aan de onherroepelijke beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 (aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023), daarbij talloze procedures heeft geïnitieerd met als meest recente uitkomst twee proceskostenveroordelingen door het gerechtshof Den Haag .\n\nArtikel 350, lid 3 sub e Fw\n\n3.3.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub e Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\n- vermogen heeft verschoven naar derden via een web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen. In haar Wsnp-verzoek heeft [verweerster] als onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven en KvK-uittreksels van [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] , [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] overgelegd. Uit deze uittreksels volgt enkel dat [naam 1] bestuurder is. Hiermee poogt [verweerster] , aldus [verzoeker] , haar betrokkenheid bij deze vennootschappen te verbergen. Eerst na haar toelating tot de Wsnp is [verzoeker] gebleken Dat [bedrijf 1] B.V. onder [bedrijf 2] hangt welke stichting voorheen gevestigd was op het woonadres van de ouders van [verweerster] . Op 23 maart 2024 heeft [verweerster] [bedrijf 5] B.V. opgericht van welke B.V. de dochter van partijen, [naam 2] , sedert 17 mei 2024 enig aandeelhouder is. [naam 2] was op dat moment 18 jaar en was bezig met het afronden van de middelbare school in Italië. Op 18 april 2025 is [bedrijf 5] B.V. enig aandeelhouder geworden van [bedrijf 5] B.V., eveneens gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . Eveneens op naam van dochter [naam 2] is op\n\n26 april 2024 [bedrijf 6] B.V. opgericht, ook gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . [bedrijf 6] B.V. is enig aandeelhouder van [bedrijf 7] B.V. en [bedrijf 8] B.V. Deze laatste B.V. heeft als omschrijving: handel in onroerend goed en bemiddeling in en beheer van onroerend goed voor een vast bedrag dan wel bedrag op contractbasis. Dit past bij [verweerster] die makelaar is, niet bij [naam 2] die -voor zover [verzoeker] bekend- nog student is aan de [onderwijsinstelling] . Op 15 februari 2022 heeft [verweerster] [bedrijf 3] B.V. opgericht en één dag later [bedrijf 9] B.V. waarvan [bedrijf 3] B.V. enig aandeelhouder is. Sinds 2023 is mevrouw [naam 1] (bestuurder van [bedrijf 1] B.V.) bestuurder van de B.V. en is de [bedrijf 4] enig aandeelhouder van de B.V. en de deelnemingen. Het is onbekend of [verweerster] haar aandelen heeft verkocht en, zo ja, voor welk bedrag. Ook is onbekend of [verweerster] nog inkomen ontvangt uit deze ondernemingen. En tenslotte: [verweerster] was haar opheffing op 15 oktober 2024 gevolmachtigde van [bedrijf 10] B.V., gevestigd op het adres van haar ouders. Het is onbekend wat de rol van [verweerster] is geweest;\n\ndrie percelen grond in Italië heeft verkocht aan een offshore entiteit in een niet transparante jurisdictie. In mei 2022, slechts enkele dagen nadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld, heeft [verweerster] drie percelen grond in Italië verkocht aan [bedrijf 11] , gevestigd te [plaats 2] en [plaats 3] . Niet duidelijk is onder welke voorwaarden deze verkoop heeft plaatsgevonden. In haar verzoekschrift toelating Wsnp vermeldt [verweerster] dat zij een bedrag ad € 120.000,-- heeft ontvangen maar dat is niet geloofwaardig nu in de procedure bij het gerechtshof Den Haag de onroerende zaken zijn gewaardeerd op € 384.000,--. De verkoop aan een offshore entiteit in een niet-transparante jurisdictie, kort ná aanvang van het hoger beroep, was kennelijk gericht op het onttrekken van vermogen aan het verhaal van schuldeisers;\n\nonrechtmatig hypotheek heeft gevestigd op een woning die reeds aan [verzoeker] was toegedeeld. In haar Wsnp-verzoek stelt [verweerster] dat [verzoeker] weigert zijn medewerking te verlenen aan de overname van het eigendomsdeel van [verweerster] dan wel het verkopen aan derden. Het tegendeel is echter het geval, aldus [verzoeker] . [verweerster] is, eerst vanwege de beschikking van 7 december 2022 en later het vonnis van 16 september 2024, gehouden tot het verlenen van haar medewerking aan toedeling van het chalet in België aan [verzoeker] . [verweerster] heeft echter (i) geen enkele actie ondernomen om tot doorhaling van de hypotheek op de woning te komen en (ii) heeft door het weigeren van medewerking een bedrag ad € 60.000,-- aan dwangsommen verbeurd;\n\nde beslagvrije voet kunstmatig hoog gehouden door structureel onjuiste en onvolledige inkomensgegevens te verstrekken, waardoor het voor verrekening beschikbare gedrag werd geminimaliseerd en [verzoeker] als schuldeiser direct werd benadeeld;\n\nde aard van haar schulden onjuist voorgesteld door haar eigen agressieve processtrategie en onrechtmatig handelen te presenteren als noodzakelijk verweer.\n\nDit alles, aldus [verzoeker] , levert in samenhang en los bezien een grond op voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350, lid 3 sub e Fw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub e Fw opgaat. Bij de toepassing van artikel 350, lid 3 sub e Fw gaat het in wezen om gedrag dat in de gegeven omstandigheden niet als te goeder trouw kan worden geschetst. Daarvan is in ieder geval sprake bij de hiervoor in 3.3. eerste, derde en vijfde gedachtestreepje genoemde handelingen en nalatigheden. Voor wat betreft het hiervoor genoemde “web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” blijkt uit het verzoekschrift toelating Wsnp in ieder geval dat [verweerster] onvolledig is geweest. Dat had wel gemoeten met een deugdelijke toelichting waarom meerdere vennootschappen waarbij [verweerster] betrokken was over zijn gegaan naar een medewerker van haar vennootschap en de net meerderjarige dochter van [verzoeker] en [verweerster] . Door aldus te handelen heeft [verweerster] objectief de schijn gewekt vermogen achter te houden en daarmee haar schuldeisers, waaronder [verzoeker] , te benadelen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is in ieder geval ook sprake voor zover het betreft de vakantiewoning in België. Nu uit de beschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 7 december 2022 volgt dat partijen het eens zijn dat de vakantiewoning wordt toegedeeld aan [verzoeker] heeft [verweerster] deze toedeling gefrustreerd door een recht van hypotheek te vestigen op het door haar aan [verzoeker] over te dragen aandeel in de woning. Onbegrijpelijk is dat [verweerster] nog steeds niets heeft gedaan om tot doorhaling van de hypotheek te komen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is verder sprake voor zover het betreft de recente proceskostenveroordelingen. Dit betreffen nieuwe schulden aan [verzoeker] . De in de door [verweerster] overgelegde “werkgeversverklaring mbt reïntegratie werkzaamheden” genoemde schenking maakt dit niet anders. De schenking is immers gedaan onder de voorwaarde dat [verweerster] in de Wsnp blijft en dat is niet het geval zoals hierna zal worden beslist.\n\nArtikel 350, lid 3 sub f Fw\n\n3.5.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub f Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\nondernemingen heeft verzwegen. [verweerster] heeft in het Wsnp-verzoek als (ex-)onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven. Ten tijde van de toelating was [verweerster] echter (in)direct betrokken bij meerdere vennootschappen. Van [bedrijf 3] B.V. is weliswaar een KvK-uittreksel bijgevoegd, maar uitsluitend in de huidige staat (met [bedrijf 4] als bestuurder), zonder enige toelichting op de eerdere betrokkenheid van [verweerster] . Hiermee poogt [verweerster] haar eerdere betrokkenheid bij deze vennootschap te verhullen;\n\ncruciale gerechtelijke uitspraken niet in het Wsnp-verzoek heeft opgenomen. Het betreft:\n\n(i) het vonnis in kort geding van 16 september 2024, waarin alle beslagen ten laste van [verzoeker] zijn opgeheven, [verweerster] diverse ge- en verboden zijn opgelegd (waaronder een verbod tot het leggen van executoriaal beslag voor partneralimentatie, versterkt met dwangsommen tot € 75.000 respectievelijk € 60.000 en een gebod tot medewerking aan levering van aandelen en de woning in België);\n\n(ii) het vonnis van 21 augustus 2024, waarin de pensioenvordering van [verweerster] is afgewezen en de reconventionele vorderingen van [verzoeker] (onverschuldigde betaling ad € 123.336,44 en proceskosten ad € 4.437,00 zijn toegewezen);\n\n(iii) de beslissing van het Tribunal de Premiere Instance du Luxembourg, Division Neufchateau, van 23 april 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de woning in België is afgewezen en [verweerster] is veroordeeld in de proceskosten;\n\n(iv) de beschikking van 26 juni 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de aandelen in [bedrijf 12] B.V. is afgewezen en zij is veroordeeld in de proceskosten.\n\nIn het bijzonder, aldus [verzoeker] , is het vonnis van 16 september 2024 van groot belang, nu daaruit een patroon blijkt van onrechtmatige beslaglegging, het frustreren van gerechtelijke uitspraken en de noodzaak tot het opleggen van ge- en verboden versterkt met aanzienlijke dwangsommen. Indien deze uitspraken bij de toelating bekend waren geweest, hadden zij aanleiding gegeven het verzoek af te wijzen wegens het ontbreken van goede trouw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub f Fw opgaat.\n\nZoals de rechtbank hiervoor in 3.4. heeft overwogen heeft [verweerster] met “het web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” de schijn gewekt vermogen achter te houden. Daarmee ontbreekt in ieder geval de goede trouw zoals vereist voor toelating tot de Wsnp. Dat geldt ook voor wat betreft het onvolledig zijn met betrekking tot het vermelden van gerechtelijke procedures in haar verzoek om toelating tot de Wsnp. De rechtbank is met [verzoeker] van oordeel dat vermelding en bespreking van in ieder geval het kort geding vonnis van 16 september 2024 niet had mogen ontbreken. Met dit vonnis en de daarmee niet strokende inleiding van haar verzoek tot toelating Wsnp (zie hiervoor 3.2) zou [verweerster] niet zijn toegelaten tot de Wsnp.\n\n3.7.\n\nHet vorenstaande leidt tot toewijzing van het verzoek zoals hierna in het dictum van dit vonnis verwoord. De rechtbank merkt hierbij overigens nog het volgende op.\n\nAan dit vonnis ligt ten grondslag de in 1.3. genoemde stukken en het verhandelde van 4 juni 2026. De rechtbank heeft geenkennis van andere stukken zoals bijvoorbeeld de aantekeningen van de zitting van 14 januari 2026.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling en bepaalt dat de schuldsaneringsregeling zal eindigen na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis;\n\n- stelt het salaris van de bewindvoerder, dhr. Menting, vast op € 3.052,50 incl. btw en voorschotten, voor zover het boedelactief toereikend is.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen, rechter, in samenwerking met de griffier, R.A. Oelen, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\nHoger beroep tegen dit vonnis kan alleen worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de uitspraak van dit vonnis.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:58.121Z",20]