[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-environmental-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":66,"limit":67},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},98,"environmental-law-nl","Environmental Law","NL","2026-07-08T16:56:40.702Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},5,{"min":18,"max":19},"2022-02-17T00:00:00.000Z","2026-07-02T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51,59],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1041","ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","ecli-nl-rbmne-2026-3907","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 26\u002F3070 en 26\u002F2165-T\n\ntussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser sub 1]\n\n [eiser sub 2]\n\n [eiser sub 3]\n\n [eiser sub 4]\n\n [eiser sub 5] ,\n\n [eiser sub 6] B.V.\n\neisers, allen uit [woonplaats]\n\n(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer),\n\nenhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E. Kovacsek).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder).\n\nInleiding\n\n1. Vergunninghouder heeft op 9 juli 2024 een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen van 30 woonunits voor de huisvesting van arbeidsmigranten aan de [adres] in [plaats] aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning op 2 oktober 2024 verleend (het primaire besluit I). Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt, omdat zij vrezen dat zij door de woonunits in hun agrarische bedrijfsvoering, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, worden belemmerd.\n\n2. Met het besluit op bezwaar van 4 juni 2025, dat is uitgereikt op 6 februari 2026 (hierna het bestreden besluit I), heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder verbetering van de motivering. Omdat twee units op minder dan 50 meter afstand van de agrarische percelen zijn gelegen, zoals is gebleken bij een grensreconstructie van het Kadaster, is het primaire besluit I aangepast met een nieuwe situatietekening. Op die tekening staat bij de twee betreffende units het woord ‘opslag’. Het gewijzigde primaire besluit (het primaire besluit II) is genomen op 5 januari 2026.\n\n3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit I en hebben daartegen beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat het bestreden besluit I volgens hen evident onrechtmatig is.\n\n4. Naar aanleiding van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening heeft het college het bestreden besluit I aangevuld met het besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit II). Met het bestreden besluit II zijn twee voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden en is het primaire besluit II ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eisers van rechtswege mede tegen het bestreden besluit II gericht.\n\n5. Op 9 juni 2026 hebben eisers de rechtbank bericht dat het bestreden besluit II geen aanleiding geeft om het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser sub 2] , [eiser sub 1] , de gemachtigde van eiser, vergezeld door mr. M. de Boer, en de gemachtigde van het college. Vergunninghouder is niet op de zitting verschenen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n7. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\n8. De voorzieningenrechter beoordeelt de bestreden besluiten I en II aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Op de zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat hen de mogelijkheid is ontnomen om zich uit te laten over de vraag of de wijziging die met het primaire besluit II is doorgevoerd aangemerkt kan worden als een ondergeschikte wijziging, doordat dit besluit niet aan hen kenbaar is gemaakt, ingetrokken. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet zal beoordelen of sprake is geweest van een ondergeschikte wijziging van de aanvraag.\n\n9. De voorzieningenrechter zal hierna eerst het wettelijk kader, dan het bestreden vergunningvoorschrift in het bestreden besluit II en daarna alle overige beroepsgronden bespreken.\n\nHet wettelijk kader\n\n10. Partijen zijn het erover eens, en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat de bouw van de woonunits in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dronten (D4000)’ dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan en waarin het perceel de bestemming ‘Maatschappelijk-Zorgboerderij’ heeft.\n\n11. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling van de omgevingsvergunning voorop dat, omdat de omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, het college deze alleen kan verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom niet zelf of de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eisers of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht.\n\n12. Het college heeft voor het bouwplan ook een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit aan vergunninghouder verleend, maar daartegen zijn de beroepsgronden niet gericht. De beroepsgronden zijn uitsluitend gericht tegen de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.\n\nHet beroep tegen het voorschrift in het bestreden besluit II\n\n13. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning evident in strijd is met de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over spuitvrije zones tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (spuitzonering). Met het vergunningvoorschrift dat het gebruik van units 1 en 16 voor langdurig verblijf van mensen niet is toegestaan (waaronder in elk geval, doch niet uitsluitend, het gebruik voor de huisvesting van arbeidsmigranten wordt begrepen) is volgens eisers onvoldoende ondervangen dat niet wordt verbleven in de spuitzone. De units blijven gevoelige objecten, voorzien van een keuken, badkamer, slaapkamer en woonkamer, waarvoor een minimale afstand van 50 meter tot agrarische gronden in acht moet worden genomen. Omdat dit niet het geval is, had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, niet onredelijk wordt geacht.Het college heeft in de bezwaarfase onderkent dat units 1 en 16 zich binnen de spuitzones van de aangrenzende agrarische percelen van eisers bevinden. Om die reden heeft het college het primaire besluit II genomen, waarmee een gewijzigde tekening aan de omgevingsvergunning is toegevoegd. Op die tekening is bij units 1 en 16 het woord ‘opslag’ vermeld, zodat het niet is toegestaan dat deze units gebruikt worden voor het verblijf van personen. Bij nader inzien vond het college de keuze voor een tweede primaire besluit minder wenselijk, omdat dit besluit inhoudelijk een reactie is op het ingestelde bezwaar van eisers, maar geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit I. Daarom heeft het college het primaire besluit II weer ingetrokken en alsnog met het bestreden besluit II het in rechtsoverweging 13 genoemde voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Het bestreden besluit II maakt wel, zoals eerder vermeld, op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege onderdeel uit van de onderhavige beroepsprocedure tegen het bestreden besluit I.\n\n15. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, heeft het college bij de formulering van het vergunningvoorschrift gepoogd om aan te sluiten bij de definitie van een gevoelig object, zoals is ontwikkeld in de rechtspraak van de Afdeling. Een (spuit)gevoelig object wordt in de rechtspraak van de Afdeling gedefinieerd als een object waar mensen langdurig verblijven.De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het alsnog aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift onvoldoende duidelijk is wat wordt verstaan onder een ‘langdurig verblijf’ van mensen. Uit het voorschrift zelf blijkt niet welke maximale verblijfsduur daaronder wordt geschaard. Gelet hierop is het voorschrift onvoldoende concreet. Dit leidt tot onduidelijkheden voor de naleving en handhaafbaarheid. Bovendien zullen er ook met het verbinden van een geconcretiseerd voorschrift twee units aanwezig zijn die onverminderd geschikt blijven voor het gebruik dat binnen de spuitzone onaanvaardbaar is. Het bestreden besluit II bevat op dit punt een gebrek.\n\nHet beroep tegen het bestreden besluit I\n\n16. Eisers voeren aan dat het college de omgevingsvergunning om drie redenen had moeten weigeren: er is gebouwd buiten het bouwvlak, de aanvraag voldoet niet aan de voorwaarden in het afwijkingenbeleid en de tuinaanleg bij de units valt (gedeeltelijk) binnen de spuitzone.\n\nWoonunits buiten het bouwvlak\n\n17. Eisers voeren aan dat de woonunits inmiddels al zijn gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en zich bevinden buiten het bouwvlak (specifieke bouwaanduiding- bebouwing) zoals dat op de plankaart van het bestemmingsplan met een stippellijn is weergegeven. Dat blijkt volgens eisers uit de gegevens afkomstig van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De overschrijding van het bouwvlak is volgens eisers ten onrechte niet betrokken bij het bestreden besluit I. Bovendien was ten tijde van het nemen van dat besluit al bekend dat de ingediende tekening bij de vergunningaanvraag onjuist was, omdat in ieder geval twee units zich binnen de spuitzone bevonden. Het college had in bezwaar niet alleen onderzoek moeten doen naar units 1 en 16, maar ook naar de plaatsing van de reeds gerealiseerde units buiten het bouwvlak. Omdat in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd buiten het bouwvlak, had het college de omgevingsvergunning volgens eisers moeten weigeren.\n\n18. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college moet beslissen op de aanvraag, zoals die door de aanvrager is ingediend. De aanvraag heeft geen betrekking op bouwen buiten het bouwvlak. Dat de woonunits inmiddels al in afwijking van de verleende omgevingsvergunning buiten het bouwvlak zijn gerealiseerd, zoals ook door het college op de zitting is bevestigd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een handhavingskwestie. Omdat op het college een beginselplicht tot handhaving rust, is het aan het college om te onderzoeken of er een concreet zicht op legalisatie bestaat en zo niet om tot handhaving over te gaan. Kortom, de afwijkende plaatsing van de units is geen grond voor weigering van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nToetsing aan afwijkingenbeleid: participatie en aantal personen per slaapvertrek\n\n19. Eisers voeren aan dat het college het eigen beleid willekeurig toepast. Zo wijkt het college af van het beleid dat elke arbeidsmigrant in beginsel zijn eigen kamer heeft (dit beleid is gebaseerd op de zogenoemde Roemer-norm). Het beleid is volgens eisers opgesteld om aanvaardbare woon- en leefomstandigheden voor arbeidsmigranten te waarborgen, maar ook om overlast voor omwonenden te voorkomen. Uit het vergunde aantal personen blijkt dat het college uitgaat van een maximale bezetting, dus van twee personen per kamer in plaats van de Roemer-norm. Met de stelling van het college dat participatie op grond van de Omgevingswet geen weigeringsgrond is, gaat het college volgens eisers ook voorbij aan de participatieverplichting die voortvloeit uit het eigen beleid. In dit kader verwijzen eisers naar de op 10 september 2025 geweigerde omgevingsvergunning voor vijftien extra units op het perceel. Volgens eisers was die aanvraag geweigerd vanwege strijdigheden met het gemeentelijk beleid, wat volgens eisers ook nu het geval is.\n\n20. De aanvraag is door het college getoetst aan het Afwijkingenbeleid 2024 van de gemeente Dronten (het afwijkingenbeleid). Het afwijkingenbeleid schrijft voor dat de minimale gebruiksoppervlakte voor wonen conform de NEN 2580, 15 m2 per persoon bedraagt, waarvan minimaal 5,5 m2 per slaapvertrek. Uitgangspunt is één persoon per slaapvertrek. Als de arbeidsmigranten dit wensen zijn tweepersoonsslaapvertrekken toegelaten.In tegenstelling tot wat het college stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze norm ook strekt ter bescherming van het woonklimaat van omwonenden zodat zij zich op deze norm kunnen beroepen. Zoals uit de formulering blijkt is echter sprake van een beleidsmatig uitgangspunt en geen harde norm. De voorzieningenrechter kan het college volgen in zijn standpunt dat het aan de arbeidsmigranten zelf is om te beslissen of zij een unit alleen of samen (met bijvoorbeeld een partner) willen huren. Het college zou te veel ingrijpen in de financiële en relationele sfeer van de arbeidsmigranten door in de vergunning een harde eis van één persoon per slaapvertrek te stellen.\n\n21. Verder overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De Omgevingswet schrijft geen verplichte participatie voor. De aanvrager van een omgevingsvergunning is enkel verplicht om te motiveren of aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn.Tijdens de zitting heeft het college bevestigd dat de gemeenteraad geen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten heeft aangewezen op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, op grond waarvan het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is voordat een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend. Dat in het verleden een vergelijkbare vergunning zou zijn geweigerd onder verwijzing naar het gemeentelijk beleid ligt, wat daar ook van zij, in deze procedure niet ter beoordeling voor. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSpuitzone en de tuinaanleg\n\n22. Eisers voeren aan dat ook aan de oostzijde van het perceel sprake is van een overschrijding van de spuitvrije zone, daar waar er een tuin staat weergegeven op de plattegronden bij de omgevingsvergunning. Eisers stellen zich op het standpunt dat deze tuin vrij gebruikt zal gaan worden door de bewoners van de units en zij dan dus verblijven binnen de spuitzone met het risico dat zij blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen. De stelling van het college in het bestreden besluit dat dit gedeelte binnen de spuitzone als parkeerruimte is ingetekend, is feitelijk onjuist. Op de inrichtingstekening is een tuin gesitueerd direct aangrenzend aan de woonunits welke voor een groot oppervlakte doorloopt tot binnen de spuitzone. Ook om deze reden had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n23. Uit de inrichtingstekening bij de aanvraag maakt de voorzieningenrechter op dat de gronden bij de woonunits worden ingericht als een tuin. Op tekening is de aanduiding ‘groene ontwikkeling’ vermeld en is onder meer voorzien in een grasveld en een haag. Dit grasveld is volgens eisers gelegen binnen 50 meter tot de perceelsgrens en bevindt zich dus gedeeltelijk binnen de spuitzone. Het college betwist dat niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen is een tuin bij een woning een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie.Omdat de woonunits relatief klein zijn acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de bewoners vanaf het voorjaar tot het najaar regelmatig gebruik zullen maken van de tuin. Zij zullen geregeld buiten zitten om bijvoorbeeld te recreëren en te eten. Het is precies de periode waarin agrariërs gewasbeschermingsmiddelen op hun gewassen toepassen en waarin het, gelet op mogelijke gezondheidsrisico’s, van belang is dat er geen gevoelige functies binnen de spuitzone zijn. Omdat het bouwplan in zoverre een gevoelige functie mogelijk maakt op een kortere afstand dan 50 meter van gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, bevat het bestreden besluit I een gebrek.\n\nTussenuitspraak\n\n24. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen zijn er twee gebreken in de besluitvorming. Het ene gebrek is dat de units 1 en 16 zich bevinden binnen de spuitzone en niet als zodanig vergund hadden mogen worden. De poging van het college om dit te ondervangen met het voorschrift dat deze units niet gebruikt mogen worden voor langdurig verblijf is te onbepaald. Het andere gebrek is dat de vergunning er in voorziet dat gronden binnen de spuitzone zullen worden ingericht als tuin, zonder dat met een zichtbare afscheiding in de vorm van een hek of haag wordt voorkomen dat personen daarbinnen gaan verblijven. Om de gebreken te kunnen herstellen zal het college met inachtneming van de hierboven opgenomen overwegingen een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Daarbij zal de verleende omgevingsvergunning, zo mogelijk op basis van een gewijzigde tekening bij de aanvraag, moeten worden gewijzigd. Daarbij zullen de units 1 en 16 moeten komen te vervallen of zodanig moeten worden aangepast dat deze ruimten (zoals aanvankelijk met het primaire besluit II bedacht) alleen gebruikt kunnen worden voor bijvoorbeeld opslag en niet voor het verblijf van personen geschikt zijn. Ook zal een gewijzigde inrichtingstekening bij de omgevingsvergunning gevoegd moeten worden op basis waarvan de tuinaanleg bij de units zodanig wordt gewijzigd dat met een adequate afbakening in de vorm van bijvoorbeeld een hekwerk of haag vermeden wordt dat de gronden binnen de spuitzone gebruikt worden voor het verblijf van personen.\n\n25. Het college moet (in overleg met vergunninghouder) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen. Als het college gebruik heeft gemaakt van de herstelmogelijkheid, zal de voorzieningenrechter verzoekers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n26. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.\n\n27. De voorzieningenrechter houdt in de beroepszaak iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op dit beroep. Dat laatste betekent ook dat hij over de proceskosten in bezwaar en beroep nu nog geen beslissing neemt.\n\nVoorlopige voorziening\n\n28. Omdat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de bestreden besluiten gebreken kleven gaat hij over tot beoordeling van de vraag of het noodzakelijk is om een voorlopige voorziening te treffen. Hiertoe weegt hij de belangen van de verschillende partijen bij het treffen van een voorlopige voorziening.\n\n29. Uit de beoordeling van het beroep volgt dat de besluitvorming van het college gebreken vertoont, maar ook dat dat die gebreken gelet op de aard ervan herstelbaar kunnen zijn. Hoewel de gebreken nog hersteld kunnen worden, zal de voorzieningenrechter een voorziening treffen. De voorzieningenrechter sluit namelijk niet uit dat de nieuwe besluitvorming door het college ertoe kan leiden dat de omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd. Verder is het, zoals na iedere tussenuitspraak, niet zeker dat de gebreken door het college hersteld worden. Daar komt bij dat vergunninghouder niet op de zitting is verschenen en ook niet schriftelijk heeft gereageerd, zodat onbekend is in hoeverre hij tot de nodige aanpassingen bereid is. Gelet op deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning schorsen voor zover het betreft de units 1 en 16 en de tuinaanleg binnen de spuitzone. Met het oog op de ingebruikneming van de overige units zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat een (voorlopige) afscheiding aanwezig is, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen. Deze voorlopige voorziening vervalt automatisch als er einduitspraak wordt gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\ndraagt het college op binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen;\n\nstelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\nhoudt iedere verdere beslissing in de bodemzaak aan;\n\nschorst bij wijze van een voorlopige voorziening de omgevingsvergunning van 2 oktober 2024 voor zover deze ziet op:\n\n1. units 1 en 16;\n\n2. het inrichten van de gronden binnen de spuitzone als tuinaanleg.\n\n- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat zodra de andere vergunde units in gebruik zijn, een zichtbare afscheiding is aangebracht, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nDe griffier is verhinderd om de\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\nTegen deze tussenuitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Op grond van artikel 8:86 van de Awb.\n\n Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407, rechtsoverweging 12.2.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1973, rechtsoverweging 9.1.\n\n Artikel 8.1, vijfde lid, van het afwijkingenbeleid.\n\n Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling en artikel 16.55 lid 6 van de Omgevingswet.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4133, rechtsoverweging 10.3.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:00.821Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"1783","ECLI:NL:RBMNE:2026:1474","ecli-nl-rbmne-2026-1474","2026-03-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F2876\n einduitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen\n\n 1. [eiser 1], en\n\n2. [eiser 2],\n\nbeiden uit [plaats] ,\n\nsamen eisers,\n\n(gemachtigde van eiser 2.: eiser 1.),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. S. Aperloo).\n\nAls derde partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V.(vergunninghoudster) (gemachtigde: mr. C. Schipperus).\n\nPartijen worden in deze uitspraak eisers, gedeputeerde staten en vergunninghoudster genoemd.\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (de omgevingsvergunning)die gedeputeerde staten aan vergunninghoudster hebben verleend voor het opzettelijk beschadigen en\u002Fof vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026. Vergunninghoudster heeft deze omgevingsvergunning aangevraagd, omdat zij vijf grondgebonden koopwoningen wil ontwikkelen op een perceel dat is aangemerkt als foerageergebied van de das. Eisers wonen rondom het plangebied en hebben tegen de besluitvorming van gedeputeerde staten bezwaar gemaakt en beroep ingesteld.\n\n2. De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 tussenuitspraak gedaan in deze zaak.Voor een uitgebreide beschrijving van het procesverloop verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank gedeputeerde staten in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van 1 april 2025 te herstellen.\n\n3. Bij brief van 5 december 2025 hebben gedeputeerde staten de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn met vier weken te verlengen. Met de tweede tussenuitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank de termijn uit de eerste tussenuitspraak met vier weken verlengd tot 6 januari 2026.\n\n4. Gedeputeerde staten hebben op 5 januari 2026 een herstelbesluit genomen. Eisers hebben op 28 januari 2026 hun zienswijze gegeven op dit herstelbesluit. Op 10 februari 2026 hebben gedeputeerde staten een aanvullende reactie gegeven. Vergunninghoudster heeft geen reactie gegeven.\n\n5. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 11 februari 2026 gesloten.\n\nOverwegingen\n\n6. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.\n\nDe tussenuitspraak\n\n7. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat gedeputeerde staten niet deugdelijk en concreet hebben gemotiveerd dat de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in de lokale behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment in Soest. Gedeputeerde staten hebben daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het nodig is de omgevingsvergunning te verlenen voor de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat gedeputeerde staten in hun besluitvorming onvoldoende hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn. Gedeputeerde staten kunnen de geconstateerde gebreken herstellen door:\n\ntoereikend te onderbouwen dat sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Daarvoor is noodzakelijk dat gedeputeerde staten een specifiek op dit bouwproject toegesneden motivering geven van de kwalitatieve noodzaak van dit project en de effecten daarvan op andere segmenten van de woningmarkt in (de regio) Soest; en\u002Fof\n\nnader te onderbouwen dat het bouwplan noodzakelijk is in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden: en\n\ninzichtelijk te maken welke alternatieven gedeputeerde staten bij hun beoordeling hebben betrokken en waaruit volgt dat deze alternatieven niet of minder geschikt zijn dan het bestaande plan. Dit gebrek is hersteld als inzichtelijk is gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat die minder verstrekkende gevolgen heeft voor het essentieel foerageergebied van de das.\n\nHet herstelbesluit\n\n8. Gedeputeerde staten hebben de noodzaak voor dit bouwproject in het herstelbesluit van 5 januari 2026 nader gemotiveerd. Gedeputeerde staten hebben zich daarvoor gebaseerd op het rapport ‘Onderbouwing Bouwplan 1e Heezerlaantje Soest’ van de Stec-Groep van 22 december 2025 (het Stec-rapport). Uit het Stec-rapport volgt dat de woningmarktregio, gelet op de inkomende verhuisbewegingen, bestaat uit Soest, Amersfoort, Utrecht, Zeist, Baarn en Hilversum. In de woningmarktregio zal het aantal huishoudens tot 2035 groeien met 38.125. Daarmee groeit ook de behoefte aan even zoveel nieuwe woningen, terwijl de bestaande woningbouwplannen daar niet volledig in kunnen voorzien. Er is dus een kwantitatieve behoefte in de woningmarktregio aan woningen. Vervolgens volgt uit het Stec-rapport dat het bouwplan ook voorziet in een kwalitatieve behoefte aan dure grondgebonden koopwoningen. Volgens het Stec-rapport gaat het daarbij om koopwoningen vanaf € 405.000,- . In het Stec-rapport wordt onderkend dat lokaal (in Soest) weliswaar geen behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment, maar in de woningmarktregio waar Soest deel van uitmaakt wél. Bovendien kan het aanbod aan grondgebonden koop in Soest niet volledig in de behoefte in de woningmarktregio voorzien, zodat het bouwplan daadwerkelijk voorziet in een behoefte en dus noodzakelijk is. Bovendien volgt uit het Stec-rapport dat het realiseren van nieuwe woningen leidt tot doorstroming op de woningmarkt, waarbij het bouwen van grondgebonden koopwoningen in het hoge segment leidt tot gemiddeld drie verhuisbewegingen. Hiervoor is gebruik gemaakt van het Stec-doorstroommodel. Gelet hierop kan het bouwplan in deze zaak ook bijdragen aan het oplossen van het tekort aan kleinere en betaalbare woningen in de woningmarktregio en biedt het dus kansen voor starters en sociale huurders.\n\n9. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten verder toegelicht dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn die minder verstrekkende gevolgen hebben voor het essentieel foerageergebied van de das. Gedeputeerde staten hebben zich daarbij gebaseerd op de bijlage bij het Stec-rapport. Daarin zijn 21 alternatieve locaties in Soest beoordeeld op zes gelijke onderdelen, te weten: ligging binnen de rode contour, bandbreedte, ontsluiting, kwalitatieve geschiktheid, beschikbaarheid en bestaande bestemming. Uit dit overzicht volgt dat voor de meeste locaties geldt dat de functie ‘wonen’ op basis van het geldende bestemmingsplan niet is toegestaan. Voor twee locaties geldt dat deze al planologisch zijn vastgesteld voor een ander bouwplan. Op basis hiervan is de conclusie volgens gedeputeerde staten dat er geen redelijke, gelijkwaardige en op korte termijn realiseerbare alternatieve locatie beschikbaar is waarmee de doelstellingen van dit project kunnen worden gehaald. Gedeputeerde staten hebben er ten slotte nog op gewezen dat de negatieve effecten van het bouwplan zoveel mogelijk worden beperkt door alternatief foerageergebied te realiseren op korte afstand van het plangebied. De te treffen compenserende en mitigerende maatregelen zijn beschreven in het mitigatieplan van 25 juni 2024.\n\nDe zienswijze van eisers\n\n10. Eisers stellen zich op het standpunt dat gedeputeerde staten er met het herstelbesluit en het Stec-rapport niet in zijn geslaagd om de kwalitatieve noodzaak van het bouwproject te onderbouwen. Eisers voeren aan dat het Stec-rapport is opgesteld in opdracht van vergunninghoudster, zodat geen sprake is van een onafhankelijk onderzoek door gedeputeerde staten. Tegen het Stec-rapport hebben eisers aangevoerd dat daarin de woningmarktregio zeer ruim wordt vastgesteld, terwijl de verhuisbewegingen daartoe geen aanleiding geven. Uit het rapport volgt dat juist 40 procent van de verhuisbewegingen binnen Soest plaatsvindt en dat er een grote restcategorie is, die niet nader is gedefinieerd. Als uitgegaan zou moeten worden van de brede woningmarktregio dan is volgens eisers de vraag of de bouw van vijf woningen daadwerkelijk een groot openbaar belang is, terwijl daar de aantasting van essentieel foerageergebied van de das tegenover staat. Eisers wijzen er verder op dat het uitgangspunt in het Stec-rapport van een prijs van € 405.000,- voor een dure grondgebonden koopwoning niet bij het bouwplan in deze zaak past. Het voorgenomen bouwplan realiseert woningen die een vraagprijs hebben beginnend bij € 900.000,-, zodat met het rapport onvoldoende is gemotiveerd dat daar binnen de brede woningmarktregio wel vraag naar is. Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat onvoldoende inzichtelijk is hoe het Stec-doorstroommodel werkt, zodat de uitkomsten daarvan voor eisers niet verifieerbaar zijn. Ten aanzien van de verhuisbewegingen is volgens eisers onvoldoende inzichtelijk gemaakt tot welke verhuisbewegingen het bouwproject in deze zaak leidt.\n\n11. Over de andere bevredigende oplossingen hebben eisers aangevoerd dat gedeputeerde staten zich ten onrechte hebben beperkt tot een achteraf opgesteld rapport met de beoordeling van alternatieve locaties. De daarbij beoordeelde locaties zijn in sommige gevallen niet-realistisch of onvoldoende onderzocht op de haalbaarheid. Eisers wijzen er verder op dat de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de huidige voorgenomen locatie niet als alternatief bij de beoordeling is betrokken.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe noodzaak\n\n12. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de totstandkoming van het herstelbesluit hebben gebaseerd op het Stec-rapport. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan zich voor de motivering van een besluit in beginsel mag baseren op de inhoud van het rapport dat door een deskundige is opgesteld. Het bestuursorgaan moet daarvoor wel nagaan of het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Gelet hierop overweegt de rechtbank dat gedeputeerde staten het Stec-rapport aan het herstelbesluit ten grondslag konden leggen. De stelling van eisers dat het Stec-rapport in opdracht van vergunninghoudster is uitgevoerd en door haar is gefinancierd brengt niet met zich dat gedeputeerde staten niet uit mochten gaan van de onafhankelijkheid en zorgvuldigheid van dit onderzoek. Als eisers de inhoudelijke overwegingen van het Stec-rapport willen betwisten dan ligt het op de weg van eisers om daarvoor een tegenrapport te laten opstellen. Dat hebben eisers niet gedaan.\n\n13. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit en het daaraan ten grondslag liggende Stec-rapport voldoende deugdelijk en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat het bouwproject voorziet in een kwalitatieve noodzaak en dat het realiseren van dit project een positief effect heeft op de verhuisbewegingen in de woningmarktregio. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.\n\n14. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de noodzaak van het bouwproject baseren op een dwingende reden van groot openbaar belang, gelegen in de behoefte aan woningbouw. Een behoefte aan woningbouw kan onder omstandigheden een dwingende reden van groot openbaar belang opleveren. Het belang moet dan zowel “openbaar” als “groot” zijn, wat impliceert dat dit belang zo groot is dat het kan worden afgewogen tegen de door de Habitatrichtlijnnagestreefde doelstelling van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor deze zaak betekent dit dat de rechtbank moet beoordelen of de aard van de beoogde woningbouw en de door gedeputeerde staten aangevoerde belangen zodanig groot en openbaar zijn dat zij als voldoende zwaarwegend kunnen worden aangemerkt in verhouding tot de belangen die door artikel 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3° van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden beschermd. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin zij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over dwingende redenen van groot openbaar belang in het kader van gebiedsbescherming bij toepassing van de Habitatrichtlijn, ook van toepassing verklaart in het kader van soortenbescherming.\n\n15. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten zich, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat er lokaal in Soest geen behoefte is grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. Daarentegen is met het Stec-rapport inzichtelijk gemotiveerd dat deze behoefte in de woningmarktregio, waartoe Soest behoort, wel bestaat. Uit het Stec-rapport volgt dat ongeveer 24 procent van de verhuisbewegingen in de woningmarktregio plaatsvindt. Tezamen met de verhuisbewegingen in Soest vormt dit het overgrote deel van het aantal verhuisbewegingen in en naar Soest. De rechtbank kan daarmee volgen dat gedeputeerde staten zich voor hun onderbouwing hebben gebaseerd op de vastgestelde woningmarktregio voor de onderbouwing van de behoefte aan woningen. Dat de woningmarktregio volgens eisers ten onrechte te breed is vastgesteld om daarmee het belang van Soest als vestigingsplaats te benadrukken, volgt de rechtbank niet. Met de in het Stec-rapport weergegeven verhuisbewegingen is inzichtelijk gemaakt dat een relevant aandeel van de verhuisbewegingen plaatsvindt van omliggende gemeenten naar Soest. Dit is onderbouwd met data van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Gedeputeerde staten mochten zich in het herstelbesluit op de behoefte in de woningmarktregio baseren. Bij de rechtbank is geen rechtspraak bekend (en ook eisers hebben dat niet aangedragen) waaruit volgt dat een groot openbaar belang bij het realiseren van woningen uitsluitend kan worden onderbouwd door een bestaande lokale behoefte. Ook als het bouwproject in deze zaak uitsluitend in een regionale behoefte voorziet, kan daarmee nog steeds sprake zijn van een groot openbaar belang voor het realiseren van de woningen. Dat het realiseren van woningen in Soest voorziet in een regionale behoefte is met het Stec-rapport en de toelichting in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\n16. De rechtbank overweegt verder dat in het Stec-rapport ook een deugdelijke onderbouwing is gegeven voor de behoefte aan grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. In het rapport is inzichtelijk gemotiveerd dat in de woningmarktregio behoefte bestaat aan grondgebonden koopwoningen, ook in het hoge segment. Het vergelijken van de behoefte met het aanbod aan dit type woningen maakt inzichtelijk dat er in de woningmarktregio een resterende behoefte bestaat. Het bouwproject in deze zaak kan daarin voorzien. Bovendien is inzichtelijk gemaakt dat het realiseren van dure, grondgebonden koopwoningen gemiddeld drie verhuisbewegingen oplevert. Het realiseren van woningen in het hoge segment draagt daarmee ook bij aan het verlagen van de druk op andere segmenten in de woningmarkt en dient daarmee het openbaar belang. Wat eisers tegen de kwalitatieve behoefte hebben ingebracht is onvoldoende voor een ander oordeel. Eisers hebben in algemene bewoordingen toegelicht waarom zij zich niet kunnen vinden in het Stec-rapport, maar hebben nagelaten om hun beweringen met een tegenrapport te onderbouwen. Dat de werking van het Stec-doorstroommodel onvoldoende is toegelicht volgt de rechtbank niet. In het Stec-rapport is een toelichting gegeven op de methode en de gegevens die door het model worden gebruikt. De rechtbank acht daarmee voldoende inzichtelijk op welke wijze de uitkomsten van het doorstroommodel tot stand zijn gekomen.\n\n17. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij bij haar beoordeling het belang van woningbouw moet wegen tegenover het belang van de das om ongestoord gebruik te maken van zijn foerageergebied. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in deze zaak om een relatief klein bouwproject gaat waarin vijf woningen worden gerealiseerd. De bijdrage die het project levert aan de behoefte op de woningmarkt is daarmee beperkt. Gezien de beperkte omvang van het project is echter de verstoring van het beschermde foerageergebied van de das ook beperkt. De woningen worden gerealiseerd op één perceel in een landelijke omgeving, maar die wel al is omgeven door woningen. Bovendien wordt met de mitigerende maatregelen, in de vorm van vervangend foerageergebied nabij het bestaande foerageergebied, voldoende compensatie geboden voor de aantasting van het foerageergebied van de das.\n\n18. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat gedeputeerde staten erin is geslaagd het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen voor zover dat ziet op de noodzaak voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Dit betekent dat het wettelijk belang voor het verlenen van de omgevingsvergunning is gelegen in een regionale behoefte aan woningen en daarmee voorziet in een dwingende reden van groot openbaar belang. De rechtbank zal daarom niet meer ingaan op het wettelijk belang van de omgevingsvergunning voor zover dat ziet op de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.\n\nAlternatieven\n\n19. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten in het herstelbesluit ook voldoende concreet en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat met minder verstrekkende gevolgen. De rechtbank overweegt daarover dat gedeputeerde staten 21 alternatieve locaties op geschiktheid hebben onderzocht. Daarbij hebben gedeputeerde staten in redelijkheid als uitgangspunt genomen dat de alternatieve percelen geschikt moeten zijn voor het doel van het project, te weten het realiseren van nieuwe woningen om daarmee het woningtekort terug te brengen. Het onderzoek naar alternatieve locaties is opgenomen in de bijlage bij het hiervoor besproken Stec-rapport. Daarin is inzichtelijk gemaakt welke alternatieve locaties in Soest bij de beoordeling zijn betrokken, op welke variabelen de alternatieve locaties zijn beoordeeld en wat de uitkomst van deze beoordeling is. Uit de beoordeling volgt dat geen van de onderzochte locaties een redelijk en op korte termijn bruikbaar alternatief biedt. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Eisers hebben nog aangevoerd dat de bestemming van de beoordeelde percelen niet in de weg zou mogen staan aan de geschiktheid van het alternatief. Het huidige plangebied was oorspronkelijk immers ook niet bestemd voor woningbouw. Deze stelling van eisers leidt echter niet tot een ander oordeel. Een bestemmingsplanwijziging kan immers een tijdrovende procedure zijn waardoor een eventuele alternatieve locatie niet op korte termijn beschikbaar is. Bovendien kan de bereidheid van het college om mee te werken aan een bestemmingswijziging in de weg staan aan de bruikbaarheid van een alternatieve locatie. Dit betekent dat gedeputeerde staten de bestaande bestemming van de alternatieve locaties wel degelijk bij het beoordelen van de alternatieve locaties mochten betrekken. De rechtbank overweegt ten slotte dat gedeputeerde staten de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de voorgenomen locatie in redelijkheid niet bij de beoordeling van de alternatieven hebben hoeven betrekken. Vergunninghoudster heeft al in een eerder stadium toegelicht dat het realiseren van minder woningen voor haar als ontwikkelaar geen optie is, omdat het project ook rendabel moet blijven. Gedeputeerde staten moeten de aanvraag beoordelen zoals deze door vergunninghoudster is ingediend. Dat het realiseren van minder woningen op het voorgenomen plangebied niet bij de beoordeling van de alternatieven is betrokken, leidt daarom niet tot een ander oordeel.\n\n20. Uit het voorgaande volgt dat gedeputeerde staten met het herstelbesluit het geconstateerde gebrek voor zover dat ziet op de beoordeling van alternatieve locaties hebben hersteld.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Uit de tussenuitspraak volgt dat het beroep van eisers gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit deze einduitspraak volgt vervolgens dat gedeputeerde staten de geconstateerde gebreken hebben hersteld en dat de resterende beroepsgronden niet slagen. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het bestreden besluit om die reden in stand laten. Dit betekent dat de door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning voor het opzettelijk beschadigen en\u002Fof vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de das voor de periode van 1 oktober 2024 tot en met 30 september 2026 in stand blijft. Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning voor het beschadigen of vernielen van essentieel foerageergebied van de das in het kader van het door haar te realiseren woningbouwproject, overeenkomstig de door gedeputeerde staten gestelde voorwaarden en voorschriften.\n\n22. Met deze einduitspraak vervalt de voorlopige voorziening die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft getroffen. Dit betekent dat de schorsing van de verleende omgevingsvergunning wordt opgeheven en dat vergunninghoudster gebruik mag maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning.\n\n23. Omdat het beroep gegrond is, moeten gedeputeerde staten het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit van 1 april 2025;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;\n\n- draagt gedeputeerde staten op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eisers te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak\u002Ftussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:5410.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2025:7504.\n\nRichtlijn 92\u002F43\u002FEEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.\n\n De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2588 (Circuit Zandvoort), overweging 6.4 en het daarin aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2012, ECLI:EU:C:2012:82 (Solvay), punten 73-77.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1474","2026-04-13T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:38.622Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"530","ECLI:NL:RBMNE:2022:3609","ecli-nl-rbmne-2022-3609","2022-08-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F3946\n uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2022 in de zaak tussen\n Stichting Laat Woerden Niet Zakken, uit Woerden, eiseres\n\n(gemachtigden: E. Bom en L. Sonneveld),\n\nen\n\nde Minister van Economische Zaken en Klimaat (verweerder)\n\n(gemachtigden: mr. M.A.G. Stolker en drs. J.L.M. Oomers).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Vermilion Energy Netherlands B.V.uit Amsterdam (Vermilion)\n\n(gemachtigde: mr. M. Israëls).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 11 augustus 2021 waarin het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vermilion heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres, de gemachtigden van verweerder en de gemachtigde van Vermilion. Namens verweerder zijn verder mr. [A] en [B] verschenen.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. Verweerder heeft aan Vermilion op 7 juni 2006 een winningsvergunning voor koolwaterstoffen verleend als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van de Mijnbouwwet voor het winningsgebied Papekop. Vermilion heeft op 26 oktober 2020 een aanvraag bij verweerder ingediend waarin is verzocht om wijziging van deze winningsvergunning, namelijk om verkleining van het vergunningsgebied. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 29 december 2020 toegewezen. Hiermee is het vergunningsgebied verkleind van 68,89 km² tot een oppervlakte van 35,3 km².\n\n5. Eiseres heeft tegen het besluit van 29 december 2020 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres volgens hem geen belanghebbende is bij het besluit.Beoordeling door de rechtbank\n\n6. Eiseres voert in beroep aan dat zij gelet op haar statuten belanghebbende is bij het besluit van 29 december 2020 waarbij het winningsgebied wordt verkleind. Het belang van de stichting staat haaks op de winningsvergunning. De winningsvergunning heeft het doel om in een later stadium schadelijke koolwaterstoffen te winnen. Dit is een opmaat naar extra uitstoot van broeikasgassen, waaronder CO2 en methaan, die aantoonbaar slecht zijn voor het klimaat en waarbij sprake is van een onomkeerbaar proces. Het besluit tot verlening van de winningsvergunning is dus één van de besluiten waarmee een volgende stap wordt gezet in het proces naar winning. Datzelfde geldt daarom ook voor een wijziging van die vergunning, ook als die wijziging een verkleining van het winningsgebied inhoudt. Daar komt bij dat eiseres belang heeft om bij de wijziging opnieuw en accuraat de risico’s voor de winningsvergunning te laten beoordelen. Een wijziging vereist namelijk dat de vergunning getoetst moet worden aan de huidige wetgeving. De nieuwe Mijnbouwwet die geldt per 1 januari 2017 stelt meer eisen aan veiligheid en risico’s. Eiseres wijst daarbij specifiek op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Mijnbouwwet. Verweerder moet hieraan toetsen. Dat betekent dat verweerder - voordat een besluit tot wijziging van de vergunning kan worden gekomen - locatiespecifieke risico’s moet inventariseren en kwantificeren, waarbij rekening moet worden gehouden met de kwetsbare context van het veenweidegebied. Eiseres wijst erop dat in de herziene vergunning sprake is van overlap met drinkwaterwinningsgebieden. Dit is ten onrechte niet bij het besluit tot verkleining betrokken.\n\n7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van eiseres niet rechtstreeks betrokken is bij het besluit van 29 december 2020, waarin het verzoek om verkleining van het winningsgebied is ingewilligd. Een winningsvergunning biedt de vergunninghouder slechts het alleenrecht om in een bepaald gebied delfstoffen zoals koolwaterstoffen te mogen winnen en op te sporen en bepaalt dus voor wie en welk gebied de vergunning geldt. Een winningsvergunning biedt de houder geen recht om handelingen te verrichten die kunnen leiden tot effecten op de fysieke leefomgeving, zoals proefboren of het onttrekken van delfstoffen aan de bodem. Het belang van eiseres wordt met de onderhavige vergunning en de verkleining van het gebied niet rechtstreeks geraakt, omdat het nog steeds niet vaststaat of, en zo ja, waar, wanneer en hoe fysiek ingrijpen is voorzien. Dit is een beoordeling die pas plaatsvindt als er een actueel winningsplan zou komen waarmee wordt ingestemd en als er wordt besloten om een omgevingsvergunning te verlenen. Dat gaat dus om een onzekere toekomstige ontwikkeling, die eraan in de weg staat eiseres aan te kunnen merken als belanghebbende bij het besluit waarin het verzoek om verkleining van het winningsgebied is ingewilligd.\n\n8. Vermilion stelt zich op het standpunt dat een winningsvergunning slechts een marktordeningsinstrument is en verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 november 2021.Na verkrijging van een winningsvergunning dient verweerder nog in te stemmen met een winningsplan voordat tot winning kan worden overgegaan. Daarnaast is daarvoor ook een aantal omgevingsrechtelijke toestemmingen nodig, zoals een omgevingsvergunning. Eiseres richt zich gelet op de statuten op fysieke activiteiten in haar werkgebied. De winningsvergunning, laat staan de verkleining van het gebied, geeft geen recht om fysieke activiteiten uit te voeren. Daarom is het bezwaar van eiseres volgens Vermilion terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder belanghebbende wordt verstaan: “degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.\" Artikel 1:2, derde lid, van de Awb luidt: \"Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\" Het is vaste jurisprudentie dat alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en (rechts)persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.\n\n10. Eiseres heeft, voor zover van belang, op grond van haar statuten ten doel een evenwichtig en gezond, schoon, natuurlijk en landschappelijk leef- en woonmilieu te behouden en bevorderen in de gemeente Woerden en aangrenzende gemeenten. Verder heeft eiseres ten doel het tegengaan en voorkomen van rechts- en feitelijke handelingen die aan de natuur, het milieu of het landschap, bodem of ondergrond, onroerend goed, wegen of andere weren in het gebied, materiële dan wel immateriële aantasting, directe dan wel indirecte schade, inklinking, verzakking, trilling, vervuiling, straling, hinder, gebruiksbeperking of waardedaling toebrengen of zouden kunnen toebrengen.Eiseres probeert onder meer met alle wettelijke middelen rechts- en feitelijke handelingen tegen te gaan en te voorkomen die een risico zouden kunnen opleveren voor de hiervoor genoemde doelen.\n\n11. De rechtbank overweegt als volgt. Een winningsvergunning is een vergunning voor het winnen en opsporen van delfstoffenen is een eerste stap om tot daadwerkelijke ontplooiing van activiteiten te komen. De houder van een vergunning heeft de zekerheid dat anderen deze activiteit niet mogen uitvoeren in het desbetreffende gebied. De winningsvergunning heeft dan ook het karakter van een concessie.\n\n12. Het gaat in deze zaak om de wijziging van de winningsvergunning, namelijk de verkleining van het gebied waarvoor de vergunning is verleend. Dit is een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 18 van de Mijnbouwwet. Op grond van dit artikel kan verweerder een vergunning wijzigen op verzoek van de houder van de vergunning of als sprake is van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten. Een aanvraag om verkleining van het gebied van een winningsvergunning kan verweerder op grond van artikel 18, vierde lid, van de Mijnbouwwet alleen inwilligen met inachtneming van het bepaalde in artikel 11, derde en vierde lid, van de Mijnbouwwet. Daaruit volgt dat voor de afbakening van het gebied de begrenzing aan de oppervlakte wordt aangegeven en dat deze afbakening zodanig moet gebeuren dat de uitoefening van de activiteiten uit technisch en economisch oogpunt op zo goed mogelijke wijze kan plaatsvinden. Als aan deze voorwaarde is voldaan, is verweerder bevoegd om aan het wijzigingsverzoek tegemoet te komen. Dit betekent echter niet dat verweerder, als aan deze voorwaarde is voldaan, onder alle omstandigheden gehouden is tot toewijzing van het verzoek. Verweerder heeft in dit verband een zekere ruimte om op grond van een belangenafweging van verkleining af te zien. De ruimte die deze belangenafweging biedt kan niet groter zijn dan de ruimte die verweerder op basis van hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet heeft bij de beslissing over verlening of weigering van een winningsvergunning.\n\n13. De rechtbank trekt voorgaande conclusie naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS van 14 maart 2018.Deze zaak zag weliswaar op de verlenging van een opsporingsvergunning op grond van artikel 18, derde lid, van de Mijnbouwwet, maar de rechtbank ziet aanleiding dezelfde lijn te volgen bij de verkleining van het vergunningsgebied van een winningsvergunning. Een verzoek om een verkleining is, net als een verzoek om een verlenging van een opsporingsvergunning, een wijziging van een vergunning op grond van artikel 18 van de Mijnbouwwet.\n\n14. De vraag is vervolgens welke belangen verweerder bij zijn afweging in ieder geval moet betrekken. Dat zijn in de eerste plaats de belangen van Vermilion als houder van de winningsvergunning. Daarnaast spelen de belangen een rol die in hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet worden genoemd. Het gaat dan bijvoorbeeld om natuur- en milieubelangen, de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van (kort gezegd) schade. Deze belangen volgen namelijk uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Mijnbouwwet, wat onderdeel uitmaakt van hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet.\n\n15. Dat deze belangen een rol spelen bij de te maken belangenafweging in het kader van een wijzigingsbesluit van de winningsvergunning, blijkt niet alleen uit bovenstaande rechtspraak en wetssystematiek, maar bevestiging daarvoor kan ook worden gevonden in de wetsgeschiedenis. Zo blijkt uit de wetswijziging van de Mijnbouwwet van 1 januari 2017 dat uitdrukkelijk is beoogd om te bewerkstelligen dat (in ieder geval) de belangen van milieu en natuur bij de beoordeling van een vergunningaanvraag als weigeringsgrond dienen. Daarbij is voorzien dat het amendement Van Tongeren c.s. zal bewerkstelligen dat in elk van de drie fasen– (i) opsporings- en winningsvergunning; (ii) winningsplan; (iii) Wabo-vergunning – getoetst zal worden aan de belangen van voorkoming van schade en negatieve gevolgen voor milieu en natuur.Daarbij is in de wetsgeschiedenis een en andermaal over de natuur- en milieubelangen toegelicht dat in de fase van de winningsvergunning nog geen sprake is van daadwerkelijke winningsactiviteiten zodat er bij de verlening van een winningsvergunning, en ook bij de wijziging daarvan, beperkt zicht is op de gevolgen van die vergunning voor natuur en milieu.Er is dus aandacht geweest voor het punt dat er nog geen sprake is van daadwerkelijke winningsactiviteiten, maar dat heeft niet tot een andere keuze van de wetgever geleid.\n\n16. Dit betekent dat verweerder onder meer de natuur- en milieubelangen en de belangen van de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van schade bij de beoordeling van het verzoek van Vermilion om verkleining van de winningsvergunning had moeten betrekken. Omdat eiseres die belangen op grond van haar statuten en feitelijke werkzaamheden behartigt, is haar belang rechtstreeks bij de wijzigingsvergunning betrokken. Eiseres zet zich immers in voor milieu- en natuurbelangen, de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van (kort gezegd) schade. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit eiseres ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Verweerder heeft daarom het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten en de verletkosten van de gemachtigde E. Bom. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 8,20 voor reiskosten en € 176,- voor verletkosten voor het bijwonen van de zitting. De gevraagde verletkosten voor de hoorzitting in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking. Verweerder dient daarover een beslissing te nemen in de nieuwe beslissing op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 184,20.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, mr. A.A.M. Elzakkers en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2022.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2634.\n\n Artikel 2, eerste lid, van de statuten.\n\n Artikel 2, tweede lid, van de statuten.\n\n Artikel 1, aanhef en onder k, van de Mijnbouwwet.\n\n Memorie van Toelichting 2015-2016, 34 348, nr. 3, p. 5.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:869, rechtsoverweging 6.\n\n Nader gewijzigd amendement van het lid Van Tongeren c.s. ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 23, 2015-2016, 34 348, nr. 41.\n\n Memorie van Toelichting 34 348, nr. 3, p. 7-9 en 33-34; Eerste Kamer, 34 041 (en 34 348), E, pagina 10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3609","2022-09-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.048Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":55,"fullText":56,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":57,"sourceTimestamp":55,"parsedAt":31,"updatedAt":58},"2012","ECLI:NL:RBMNE:2022:1791","ecli-nl-rbmne-2022-1791","2022-05-10T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 22\u002F810 en UTR 22\u002F811\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 mei 2022 in de zaken tussen\n\n1. Stichting Behoud het Weteringgebied, gevestigd in Langbroek;Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede, gevestigd in Wijk bij Duurstede;\n\nDe Loonbrouwerij B.V.,;\n\nTapkoel Holding B.V., beide gevestigd in Cothen;\n\n [verzoeker sub 1]uit [woonplaats] ;\n\n2. Stichting Instandhouding Sterkenburg,;\n\nLandgoed Hardenbroek B.V., beide gevestigd in Driebergen-Rijsenburg;Ridderhofstad Hindersteyn B.V.;Poggel B.V.;Klein Hindersteyn B.V.;Hindersteyn C B.V.;Landgoed Dondersteyn B.V.;Landgoed Rhodesteyn B.V.;Landgoed Dijkhoeve B.V.;Landgoed De Lange Akkers B.V., alle gevestigd in Langbroek;\n\n3. 29 29 personenuit [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] ;\n\n3. 29 [verzoeker sub 3.1] de [woonplaats] (Landgoed [landgoed 1] );\n\n [verzoeker sub 3.2] (Landgoed [landgoed 2] ), beiden uit [woonplaats] ;\n\n [verzoeker sub 3.3] en [verzoeker 3.4] ( [naam] );\n\n [verzoeker sub 3.5] (Landgoed [landgoed 3] ), beiden uit [woonplaats] ;\n\nsamen: verzoekers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. H.S. Heite)\n\nVerder heeft als partij aan het geding deelgenomen:\n\nGroene Energie Kromme Rijn & Heuvelrug B.V., gevestigd in Leersum\n\n(gemachtigde: mr. F.H. Damen).\n\nPartijen worden hierna verzoekers, gedeputeerde staten en Kromme Rijn & Heuvelug genoemd.\n\nInleiding\n\nKromme Rijn & Heuvelrug heeft het voornemen om aan de Graaf van Lynden van Sandenburgweg in Cothen, gemeente Wijk bij Duurstede, een installatie voor de opwekking van bio-energie te realiseren. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken. Deze gebieden zijn gevoelig voor stikstof. Gedeputeerde staten zijn op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verantwoordelijk voor de beoordeling van de gevolgen op de Natura 2000-gebieden van plannen en projecten in de provincie Utrecht.\n\nOp 30 maart 2017 hebben gedeputeerde staten aan de rechtsvoorganger van Kromme Rijn & Heuvelrug een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een (co-)vergistingsinstallatie met be- en verwerking van digestaat. Op diezelfde datum hebben gedeputeerde staten aan de rechtsvoorganger van Kromme Rijn & Heuvelrug voor het oprichten van die installatie een vergunning verleend op grond van de Wnb. Deze natuurvergunning is verleend met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en in de vergunning zijn de gevolgen van het project voor het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek beoordeeld.\n\nDe biovergistingsinstallatie is nog niet gereed en niet in gebruik. Als onderdeel van de installatie is er inmiddels een loods gebouwd; de overige bouw- en aanlegwerkzaamheden zullen de komende tijd verder plaatsvinden. Kromme Rijn & Heuvelrug heeft het streven om de installatie medio 2023 in werking te stellen.\n\n4. Met de uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het PAS onverbindend verklaard.Verzoekers hebben gedeputeerde staten om die reden op 12 mei 2021 verzocht om de natuurvergunning in te trekken. Zij hebben daarbij ook verzocht om de omgevingsvergunning in te trekken.\n\n5. Gedeputeerde staten hebben nog niet beslist op het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken. Het verzoek om de natuurvergunning in te trekken hebben zij met het besluit van 9 september 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 februari 2022 hebben gedeputeerde staten het bezwaar van verzoekers daartegen ongegrond verklaard. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld. Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 26 april 2022. Stichting Behoud het Weteringgebied heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] . Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voorzitter [C] . Zij werden bijgestaan door en de overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde en door deskundige [D] . Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [E] . Kromme Rijn & Heuvelug heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door deskundige [F] .\n\n7. Na de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat meer onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.Overwegingen over het beroep - ontvankelijkheid\n\n8. Gedeputeerde staten hebben de vraag of verzoekers allemaal als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij de intrekking van de natuurvergunning voor een deel van de verzoekers in het midden gelaten en hebben alle bezwaren ontvankelijk geacht. De voorzieningenrechter kan die praktische afdoeningswijze niet toepassen: hij moet de belanghebbendheid van verzoekers beoordelen om het beroep te kunnen afdoen. Bij die beoordeling is bepalend dat alleen een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als aanvraag in behandeling moet worden genomen. Er moet dus worden beoordeeld of alle verzoekers belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het door hen gevraagde besluit om de natuurvergunning in te trekken.\n\n9. Stichting Behoud het Weteringgebied en Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede zijn belanghebbenden bij het gevraagde besluit. Zij zijn rechtspersonen die blijkens hun statuten opkomen voor de algemene bij dat besluit betrokken belangen, waarbij uit de feitelijke werkzaamheden blijkt dat zij die behartigen. Ook De Loonbrouwerij B.V., Tapkoel Holding B.V. en [verzoeker sub 1] zijn belanghebbenden bij het gevraagde besluit, omdat zij op korte afstand in de directe omgeving van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt zijn gevestigd of wonen en daarvan rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden. De in de kop van deze uitspraak onder 1. genoemde (rechts)personen zijn ontvankelijk in hun beroep en hun beroepsgronden zullen hierna inhoudelijk worden beoordeeld.\n\n10. De in de kop van deze uitspraak onder 2. genoemde rechtspersonen zijn landgoederen in de omgeving van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt. Onder 3. zijn 29 personen genoemd die in de omgeving wonen. Van de onder 4. genoemde personen kan op basis van de overgelegde machtigingen worden geconstateerd dat zij optreden namens landgoederen in de omgeving die geen rechtspersoon zijn. De voorzieningenrechter heeft via Googlemaps kunnen vaststellen dat deze (rechts)personen allemaal zijn gevestigd of wonen op een afstand van meer dan 500 meter van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt. Deze afstand loopt op tot ongeveer 3.350 meter. Gelet op deze afstanden is niet aannemelijk dat deze (rechts)personen van de biovergistingsinstallatie rechtstreeks feitelijke gevolgen zullen ondervinden die van enige betekenis zijn voor hun woon-, leef- of bedrijfssituatie. Zij zijn daarom geen belanghebbenden bij het gevraagde besluit om de natuurvergunning in te trekken. Voor zover het verzoek is ingediend door de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen is het verzoek daartoe daarom geen aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De afwijzing daarvan is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college had de bezwaren in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren en heeft dat ten onrechte niet gedaan. Het beroep is daarom gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom (in zoverre) vernietigen en zal zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen niet-ontvankelijk te verklaren.\n\nOverwegingen over het beroep - inhoudelijkBeoordelingskader\n\n11. Deze zaak gaat over de vraag of gedeputeerde staten het verzoek van verzoekers om intrekking van de natuurvergunning van Kromme Rijn & Heuvelrug hebben mogen afwijzen. Verzoekers vinden dat gedeputeerde staten de vergunning hadden moeten intrekken op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, dan wel artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Als leidraad voor de beoordeling van de zaak kijkt de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 (Logtsebaan), waarin is uiteengezet onder welke omstandigheden een natuurvergunning kan of moet worden ingetrokken en welke eisen aan de motivering van een beslissing op een verzoek om intrekking of wijziging van een natuurvergunning worden gesteld. Daarnaast is de uitspraak van deze rechtbank van 22 september 2021 (Westbroek)relevant, waarin al is ingegaan op een rechtsvraag die in deze zaak ook speelt.\n\n12. Artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb bepaalt dat een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd als de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend. Het gaat om een zogenoemde discretionaire bevoegdheid van gedeputeerde staten. Dit betekent dat gedeputeerde staten niet verplicht zijn om deze bevoegdheid te gebruiken. Zij zullen een afweging van de betrokken belangen moeten maken. Tot die belangen behoort ook het belang van de rechtszekerheid van de vergunninghouder.\n\n13. Artikel 5.4, tweede lid van de Wnb bepaalt dat een vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voorziet in een permanente beschermingsverplichting en strekt ertoe dat passende maatregelen getroffen worden als verslechtering of significante verstoring van natuurlijke habitats en habitats van soorten dreigt.\n\n14. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat het eerste en tweede lid van artikel 5.4 van de Wnb in samenhang moeten worden gelezen, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5.4. De Afdeling heeft overwogen dat als de c- of d-grond uit het eerste lid van toepassing is én uit de herbeoordeling van de vergunde activiteit volgt dat deze, anders dan ten tijde van de vergunningverlening werd verondersteld, leidt tot een (dreigende) verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden, dat dan ook artikel 5.4, tweede lid, van belang is.In artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb ligt besloten dat een grond voor intrekking of wijziging van een natuurvergunning aanwezig is als een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied dreigt en de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend effecten heeft op die natuurwaarden. Anders dan bij het eerste lid, hebben gedeputeerde staten bij toepassing van het tweede lid geen ruimte voor een belangenafweging. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat gedeputeerde staten bij toepassing van dit artikel wel beoordelingsruimte hebben bij de keuze van de maatregelen die passend zijn om verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen voor de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen. Het intrekken of wijzigen van een natuurvergunning is in het licht daarvan niet altijd een passende maatregel die moet worden getroffen. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgen duidelijke kaders voor de vraag waaraan de motivering van het bevoegd gezag moet voldoen als het niet kiest voor intrekking of wijziging van de natuurvergunning als passende maatregel. De enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, zullen of al worden getroffen, is onvoldoende. Het bevoegd gezag moet inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare tijd.\n\nStandpunten van partijen over bevoegdheid lid 1\n\n15. Gedeputeerde staten stellen zich in het bestreden besluit – in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie – op het standpunt dat de intrekkings- en wijzigingsgrond uit artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb niet van toepassing is, omdat de natuurvergunning niet is verleend in strijd met wettelijke voorschriften. Toen de vergunning werd verleend was dat immers in overeenstemming met de toen geldende PAS-regelgeving. Gelet hierop wordt volgens gedeputeerde staten niet toegekomen aan een beoordeling van de vraag of de natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb moet worden ingetrokken.\n\n16. Verzoekers betwisten deze insteek en verwijzen daarbij naar de PAS-uitspraak van de Afdeling en naar de uitspraak Westbroek van de rechtbank.Oordeel over bevoegdheid lid 1\n\n17. De rechtbank heeft in de uitspraak Westbroek overwogen dat een onverbindendverklaring jegens een ieder geldt, niet beperkt is tot de in de uitspraak voorliggende zaak, in zoverre terugwerkende kracht heeft en dat dit betekent dat het PAS niet in de wet had mogen worden opgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de in die zaak voorliggende natuurvergunning, ondanks dat deze in rechte onaantastbaar was, is verleend in strijd met wettelijke voorschriften.De voorzieningenrechter overweegt dat dit ook geldt voor de natuurvergunning in deze zaak en dat hij geen aanleiding ziet om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de uitspraak Westbroek. Gedeputeerde staten hebben ten onrechte niet onderkend dat de in artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb genoemde omstandigheid zich voordoet en dat zij op grond daarvan bevoegd zijn de natuurvergunning voor Kromme Rijn & Heuvelrug in te trekken. De beroepsgrond slaagt.\n\n18. Gelet hierop hadden gedeputeerde staten vervolgens moeten beoordelen of de natuurvergunning moet worden ingetrokken op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Gedeputeerde staten hebben dat ten onrechte nagelaten. Ook deze beroepsgrond slaagt.\n\n19. Het bestreden besluit moet gelet op het voorgaande (ook) worden vernietigd voor zover daarbij inhoudelijk op de bezwaren van verzoekers is beslist.\n\nStandpunten van partijen over belangenafweging lid 1 en beoordeling lid 2\n\n20. Gedeputeerde staten hebben de voorzieningenrechter verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, in het geval waarin tot vernietiging wordt overgegaan. In dat kader hebben zij het standpunt ingenomen dat zij bij de belangenafweging in de zin van artikel 5.4, eerste lid, van de Wnb in redelijkheid meer belang kunnen hechten aan de rechtszekerheid van Kromme Rijn & Heuvelrug. Ten aanzien van de te maken afweging op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb wijzen gedeputeerde staten op hun verweerschrift uit de bezwaarfase, waarin wordt ingegaan op verschillende maatregelen die zijn uitgewerkt in het beheerplan Kolland & Overlangbroek en waaruit volgens hen volgt dat intrekking van de natuurvergunning van Kromme Rijn & Heuvelrug geen noodzakelijke passende maatregel is.\n\n21. Verzoekers vinden dat het belang bij het voorkomen van een aantasting van de natuurwaarden zwaarder moet wegen dan de mogelijkheid voor Kromme Rijn & Heuvelrug om met haar plan door te kunnen gaan. Over de beoordeling van de te treffen maatregelen uit het beheerplan voeren verzoekers aan dat onvoldoende duidelijk is dat dit passende maatregelen zijn en wanneer en hoe zij effectief zullen zijn.Oordeel over beoordeling lid 2\n\n22. De voorzieningenrechter zal eerst op dit laatste punt – de beoordeling op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb – ingaan en hij geeft verzoekers ook hier gelijk. Partijen zijn het erover eens dat bij de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden dreigt, én dat de voorgenomen activiteiten van Kromme Rijn & Heuvelrug daarop effecten hebben. Gedeputeerde staten hebben in het verweerschrift uit de bezwaarfase gewezen op de maatregelen uit het beheerplan voor Kolland & Overlangbroek. Binnen de deelgebieden worden hydrologische maatregelen uitgevoerd om de grondwaterstand te verhogen en de afvoer van overtollig zuur (regen)water te verbeteren. Er wordt een hydrologische scheiding aangebracht tussen het agrarische gebied en de natuurgebieden, waarbij wordt verwezen naar het daartoe op grond van de Waterwet opgestelde projectplan. De maatregelen hebben als doel het tegengaan van verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie en op de zitting is toegelicht dat zij voor het grootste deel inmiddels zijn uitgevoerd. Gedeputeerde staten wijzen daarnaast op de gebiedsgerichte aanpak door de provincie en op de landelijke aanpak van de stikstofproblematiek.\n\n23. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gedeputeerde staten niet zijn ingegaan op de vraag welke passende maatregelen worden genomen in het Natura 2000-gebied Rijntakken en hoe daarmee voor dat gebied uitvoering wordt gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie. De door hen gegeven motivering gaat immers alleen over het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek en alleen al om deze reden kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven.\n\n24. Met betrekking tot het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek overweegt de voorzieningenrechter gelijkluidend als de rechtbank heeft gedaan in de uitspraak Westbroek over de in die zaak gepresenteerde maatregelen voor het Natura 2000-gebied dat daar aan de orde was. Net als in die zaak hebben gedeputeerde staten alle hiervoor genoemde (natuur)herstelmaatregelen geduid als passende maatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Niet is toegelicht of gemotiveerd waarom deze maatregelen als passende maatregelen zijn aan te merken. Weliswaar hebben gedeputeerde staten beoordelingsruimte als het gaat om de vraag welke maatregelen getroffen gaan worden, maar bij de keuze mogen alleen passende maatregelen betrokken worden en niet andersoortige maatregelen. Gedeputeerde staten zijn er zonder motivering van uitgegaan dat de genomen en te nemen maatregelen passende maatregelen zijn, terwijl gelet op de aard van de maatregelen niet valt uit te sluiten dat het om andersoortige maatregelen gaat. De verwijzing naar de gronden van het hoger beroep dat gedeputeerde staten tegen de uitspraak Westbroek hebben ingesteld volstaat ook niet. Zij hebben daarin gewezen op de aard van passende maatregelen en instandhoudingsmaatregelen in het licht van de bepalingen uit de Habitatrichtlijn. Juist omdat de Habitatrichtlijn instandhoudingsmaatregelen definieert als maatregelen die in een beheerplan kunnen worden opgenomen en het in deze zaak gaat om maatregelen uit het beheerplan, moet nader gemotiveerd worden waarom de maatregelen desondanks (ook) als passende maatregel moeten worden aangemerkt. De voorzieningenrechter volgt verder de overwegingen van de bezwaarschriftencommissie over de gebiedsgerichte aanpak: daarvan is onduidelijk wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn en wat de effecten zijn. Gedeputeerde staten hebben niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de maatregelen bijdragen aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. Hoewel het niet nodig is om concreet aan te geven welke maatregel tot dezelfde reductie van de stikstofdepositie leidt als de intrekking of wijziging van de natuurvergunning zou leiden, moet wel duidelijk worden gemaakt of de maatregelen effectief zijn en op welke termijn.Conclusie\n\n25. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit, omdat het in strijd is met artikel 5.4, eerste lid, onder c en het tweede lid, van de Wnb. Gedeputeerde staten moeten het verzoek om de natuurvergunning in te trekken in een nieuwe beslissing op de bezwaren van de verzoekers die in de kop van de uitspraak onder 1. zijn genoemd opnieuw beoordelen in het licht van wat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld. Daarvoor geeft hij hen niet via een bestuurlijke lus de gelegenheid, omdat onvoldoende duidelijk is of de weigering om de natuurvergunning in te trekken alsnog toereikend kan worden gemotiveerd.\n\n26. De voorzieningenrechter zal een termijn stellen waarbinnen gedeputeerde staten het nieuwe besluit moeten nemen. Daartoe is aanleiding omdat zowel verzoekers als Kromme Rijn & Heuvelrug er baat bij hebben dat er duidelijkheid komt over het wel of niet kunnen voortzetten van de plannen. De termijn wordt bepaald op 4 weken na deze uitspraak. Dat is een haalbare termijn, omdat er al is geadviseerd door de bezwaarschriftencommissie en de standpunten van partijen duidelijk zijn.\n\nOverwegingen over het verzoek om een voorlopige voorziening\n\n27. Omdat uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak moet het separate verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. Ook als de voorzieningenrechter op het beroep beslist kan hij daarbij echter zo nodig een voorlopige voorziening treffen, op de grondslag van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.\n\n28. Verzoekers hebben gevraagd om dat te doen in de vorm van een bouwstop. Zij vrezen voor stikstofdepositie, ook tijdens de bouwfase van de biovergistingsinstallatie die op korte termijn zal starten. Bovendien wordt het terugdraaien van het project volgens hen steeds moeilijker naarmate de bouw vordert en er meer investeringen zijn gedaan.\n\n29. Kromme Rijn & Heuvelrug heeft gewezen op het belang dat zij heeft om met haar plannen door te kunnen gaan, juist vanwege de investeringen die al zijn gedaan en de gemaakte planning. Zij heeft aan de hand van een AERIUS-berekening onderbouwd dat er in de bouwfase geen sprake is van stikstofdepositie.\n\n30. De voorzieningenrechter weegt de belangen van partijen bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van het nieuwe besluit van gedeputeerde staten. Hij beperkt zijn oordeel tot de bouwfase, omdat niet aannemelijk is dat de biovergistingsinstallatie op korte termijn in gebruik zal worden genomen en omdat er op basis van deze uitspraak een korte beslistermijn voor gedeputeerde staten geldt. Bij de huidige stand van zaken heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de AERIUS-berekening over de bouwfase. Verzoekers hebben er wel op gewezen dat die berekening pas op een laat moment in de procedure is gemaakt en dat zij deze door een deskundige willen laten toetsen en op die wijze willen betwisten. Het is echter de aard van de voorlopigevoorzieningprocedure dat er nog laat stukken kunnen worden gewisseld. De voorzieningenrechter heeft daarom op de zitting toegestaan dat dit stuk aan het dossier wordt toegevoegd en ziet geen reden om de berekening nu niet bij zijn belangenafweging te betrekken. Daarvan uitgaande is er geen reden om de bouw nu te verbieden vanwege de vrees voor onherstelbare schade aan de Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Het belang van Kromme Rijn & Heuvelrug moet dan zwaarder wegen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat zij voor eigen risico verder bouwt: het is immers nog niet zeker dat de biovergistingsinstallatie ook in gebruik kan worden genomen en de intrekking van de natuurvergunning hangt nog steeds in de lucht. De uitkomst van de belangenafweging geldt bovendien bij de huidige stand van zaken. Verzoekers kunnen bij het uitblijven van nadere besluitvorming, als zij de AERIUS-berekening alsnog inhoudelijk willen betwisten, gebruik maken van hun verdere rechtsbeschermingsmogelijkheden via een beroep vanwege niet tijdig beslissen.\n\n31. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen op grondslag van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.\n\nOverwegingen over de kosten\n\n32. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, moeten gedeputeerde staten aan verzoekers het door hen in de beide procedures betaalde griffierecht vergoeden.\n\n33. Omdat het beroep gegrond is, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Gedeputeerde staten moeten die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.277,-.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 15 februari 2022;\n\nverklaart de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen niet-ontvankelijk en bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;\n\ndraagt gedeputeerde staten op om binnen 4 weken opnieuw op de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 1. genoemde (rechts)personen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;\n\ndraagt gedeputeerde staten op het voor het beroep betaalde griffierecht van € 365,- aan verzoekers te vergoeden;\n\ndraagt gedeputeerde staten op het voor het verzoek om een voorlopige voorziening betaalde griffierecht van € 365,- aan verzoekers te vergoeden;\n\nveroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van verzoekers in het beroep tot een bedrag van € 2.277,-;\n\nwijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2022.\n\nde griffier is verhinderd om\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u voor zover op het beroep is beslist een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1603.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2021:4524.\n\n Overweging 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Richtlijn 92\u002F43\u002FEEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.\n\n Overwegingen 6.4. en 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Overweging 7.3 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Overweging 17 van de uitspraak Westbroek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1791","2026-07-13T00:29:49.842Z",{"id":60,"ecli":61,"slug":62,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":63,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":64,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":65},"509","ECLI:NL:RBMNE:2022:567","ecli-nl-rbmne-2022-567","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F1250\n uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2022 in de zaak tussen\n Vereniging Vrienden van 't Gooi, uit Huizen, eiseres\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. M. Bekooy).\n\nDe partijen worden in het vervolg van deze uitspraak aangeduid als: de VVG en het college.\n\nInleiding\n\n1. Bij de Stichtse Brug in Blaricum ligt het Voorland, een natuurgebied met een recreatiestrand. Het Voorland is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Begin 2019 is in opdracht van de gemeente het strand deels afgegraven en met zand opgehoogd. Ook zijn een volleybalveld en een pad aangelegd. De VVG heeft het college om handhaving verzocht.\n\n2. In het besluit van 14 november 2019 heeft het college het handhavingsverzoek met betrekking tot het volleybalveld toegewezen en met betrekking tot de strandverbreding en de verhardingen afgewezen. De VVG heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. In de beslissing op bezwaar van 20 januari 2021 heeft het college de motivering van het besluit aangevuld. De VVG is het niet eens met die beslissing op bezwaar en heeft daartegen beroep ingesteld.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 14 december 2021 op zitting behandeld, gelijktijdig met een beroepszaak over de plaatsing van een strandpaviljoen (UTR 21\u002F98). De VVG is vertegenwoordigd door voorzitter ing. [A] en mr. [B] , vergezeld door deskundigen dr. J.A.M. Janssen en P.A. Bakker. Het college is vertegenwoordigd door gemachtigde mr. M. Bekooy, vergezeld door teamleider [C] en deskundige D. Grote Beverborg. Ook aanwezig was [D] , namens [bedrijf] B.V., de vergunninghouder van het strandpaviljoen.\n\n4. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden in verband met een nadere uitwisseling van stukken over de ontvankelijkheid van het beroep. Het college heeft stukken ingediend en de VVG heeft daarop gereageerd. Partijen hebben aangegeven geen gebruik te maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft op 6 januari 2022 het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n5. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep van de VVG niet-ontvankelijk, omdat het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn is ingediend.\n\n6. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel gekomen is.\n\nWas er sprake van een termijnoverschrijding?\n\n7. De beslissing op bezwaar is genomen op 20 januari 2021. Het college heeft stukken ingediend waaruit blijkt dat het besluit op 21 januari 2021 bij PostNL is aangeboden om aangetekend verzonden te worden. Uit de ‘Track & Trace’ gegevens van PostNL blijkt dat het poststuk op 26 januari 2021 bij het PostNL-punt is aangekomen en op 27 januari 2021 is afgehaald. Het pro forma beroepschrift is op 16 maart 2021 door de rechtbank ontvangen.\n\n8. Aan de beslissing op bezwaar ligt een salderingsovereenkomst ten grondslag. Deze salderingsovereenkomst is niet met de beslissing op bezwaar meegezonden, maar is op verzoek van de VVG op 9 februari 2021 per e-mail naar de VVG verzonden. De VVG voert aan dat de beroepstermijn pas is aangevangen na de verzending van het salderingsbesluit, omdat dat een belangrijk onderdeel van de beslissing op bezwaar is. Volgens de VVG was eerder niet voldaan aan artikel 14 van de Bekendmakingswet.\n\n9. Naar het oordeel van de rechtbank is de beroepstermijn aangevangen op 22 januari 2021, de dag na verzending van de beslissing op bezwaar. Daarmee was het besluit op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Uit artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat dat de start van de beroepstermijn is. Dat de salderingsovereenkomst op dat moment niet is meegezonden maakt daarvoor geen verschil. Die overeenkomst ligt wel ten grondslag aan het besluit, maar is geen onderdeel van het besluit zelf. De overeenkomst is daarom niet bepalend voor de bekendmaking van het besluit, en daarmee ook niet voor de start van de beroepstermijn.\n\n10. De beroepstermijn is op grond van artikel 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht 6 weken vanaf de dag na de verzenddatum. De rechtbank stelt vast dat de beroepstermijn afliep op 4 maart 2021. Het beroepschrift is op 16 maart 2021 ingediend, dus pas na het verstrijken van de beroepstermijn.\n\nWas de termijnoverschrijding verwijtbaar?\n\n11. Uit artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat een beroep toch ontvankelijk is, als de termijnoverschrijding de indiener redelijkerwijs niet kan worden verweten.\n\n12. De VVG voert aan dat het te laat indienen van het beroep haar niet kan worden verweten. De VVG stelt dat zij pas na ontvangst van de salderingsovereenkomst kon beoordelen of er reden was om beroep in te stellen. Vervolgens moest ook nog beslist worden of er een bureau zou worden ingeschakeld voor een contra-expertise, en welk bureau dat dan zou kunnen doen. De VVG wijst er ook op dat voor het instellen van beroep en het besteden van middelen uit de verenigingskas bestuursbesluiten nodig zijn en verantwoording moet worden afgelegd aan de leden, en dat kost ook tijd.\n\n13. Naar het oordeel van de rechtbank kan de termijnoverschrijding de VVG redelijkerwijs worden verweten. Er was geen reden waarom de VVG niet al tijdens de beroepstermijn in ieder geval pro forma, dus nog zonder inhoudelijke gronden, beroep had kunnen instellen. Dat kon de VVG al doen vóór de ontvangst van de salderingsovereenkomst, en na ontvangst van de overeenkomst waren er bovendien ook nog ruim drie weken van de beroepstermijn over. Voor het instellen van beroep is het ook niet nodig dat er al is beslist over het inschakelen van een bureau voor een contra-expertise. Dat er tijd gemoeid is met interne besluiten en procedures binnen de vereniging komt voor risico van de VVG.\n\nConclusie\n\n14. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. A. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 februari 2022 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is niet in de gelegenheid\n\nom deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:567","2026-07-13T00:28:34.023Z",1,20]