[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-environmental-permit-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":58,"limit":59},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},93,"environmental-permit-nl","Environmental Permit","NL","2026-07-08T16:55:59.522Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2022-05-10T00:00:00.000Z","2026-06-16T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,51],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1517","ECLI:NL:RBMNE:2026:3289","ecli-nl-rbmne-2026-3289","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F6779\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2026 op het beroep in de zaak tussen\n [eiser] uit [plaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van Dijkgraaf en Heemraden van Waterschap Zuiderzeeland, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. T. de Beet en mr. M.L. Lanz).\n\nInleiding\n\n1. Eiser is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Met het besluit van 25 augustus 2025 heeft het waterschap aan de gemeente Almere een omgevingsvergunning verleend voor het graven en verbreden van watergangen en het leggen van dammen met duikers in Oosterworld, ter compensatie van de toename van verhardingen in het gebied. De omgevingsvergunning ziet ook op het graven van een watergang langs het perceel van eiser.\n\n2. Het waterschap heeft de omgevingsvergunning bekendgemaakt middels publicatie in het Waterschapsblad van 28 augustus 2025. De omgevingsvergunning is hierin als volgt omschreven: “De vergunning is verleend voor het graven en verbreden van watergangen voor de compensatie van de toename verharding in Oosterwold (fase 3) op percelen van Staatsbosbeheer en het leggen van dammen met duikers in de nieuwe watergangen tussen de [straat] , de [straat] , de [straat] , de [straat] en de A27 te [plaats] .” Verder is de volgende kaart gevoegd:\n\n3. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken, dus uiterlijk op 6 oktober 2025, bezwaar maken tegen de omgevingsvergunning. Eiser heeft zijn bezwaarschrift op 7 november 2025 ingediend. Omdat het bezwaar te laat is en eiser daar volgens het waterschap geen goede reden voor heeft, heeft het waterschap het bezwaar van eiser met het besluit van 24 november 2025 (hierna: het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.\n\n4. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Het waterschap heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 22 april 2026 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser is verschenen. Het waterschap heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door [A] , vergunningverlener water.\n\nHet beroep\n\n5. Eiser voert aan dat hij door de onduidelijke publicatie niet kon weten dat de omgevingsvergunning ook zag op het graven van een watergang langs zijn perceel. Allereerst is de omschrijving van de locatie volgens eiser onduidelijk. Genoemde wegen sluiten niet precies op elkaar aan. Zo loopt de [straat] ten oosten van de A27 nog acht kilometer door en houdt de [straat] halverwege het gebied op. Om hoeveel watergangen het gaat wordt ook niet vermeld.\n\n6. Ook de kaart is volgens eiser onduidelijk. Daarop is langs het perceel van eiser géén blauwe lijn ingetekend. Eiser is ervan uitgegaan dat de blauwe lijnen stonden voor de watergangen. Op de kaart bij publicatie van de ontgrondingsvergunning (voor hetzelfde gebied) was dat immers wél het geval. Dat de ingetekende lijnen de begrenzing van het gebied vormen is volgens eiser onlogisch. Niet alleen omdat de lijnen blauw gekleurd zijn (blauw staat normaliter voor water), maar ook omdat de lijnen niet op elkaar aansluiten en daardoor geen net afgebakend gebied vormen. Dit had anders kunnen zijn als het gebied was gearceerd, maar ook dat is niet gebeurd.\n\n7. Verder gaat het om een gebied van maar liefst 17 vierkante kilometer. Volgens eiser kan niet van alle bewoners binnen dat gebied worden verwacht dat zij de stukken opvragen om na te gaan of de omgevingsvergunning ook op hun perceel ziet. Bovendien stond in de ontgrondingsvergunning niet vermeld dat er watercompensatie nodig zou zijn. Als dat wél was gebeurd, had eiser alert kunnen zijn op besluitvorming daarover.\n\n8. Volgens eiser had het waterschap kunnen weten dat hij bezwaren zou hebben tegen het besluit. Eiser heeft namelijk al op 5 juli 2025 (toen hij op de hoogte raakte van de aanvraag) gevraagd om inzage in de omgevingsvergunning, maar daar toen geen reactie op gekregen. Toen de omgevingsvergunning uiteindelijk werd verleend had het waterschap eiser dan ook moeten informeren. Eiser wijst er op dat hij nota bene één dag na de vergunningverlening nog bij het waterschap op gesprek geweest, maar de omgevingsvergunning ook toen niet te berde is gebracht. Eiser kan zich hierdoor niet aan de indruk onttrekken dat het waterschap hem met opzet buiten de boot probeert te houden.\n\n9. Tot slot wijst eiser erop dat zijn belang bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar groot is, omdat de watergang zeer negatieve gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding op zijn perceel.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n10. De rechtbank stelt voorop dat besluiten die niet gericht zijn tot één of meer belanghebbenden, zoals de onderhavige omgevingsvergunning, worden bekendgemaakt door publicatie.Het waterschap publiceert zijn wettelijk voorgeschreven kennisgevingen in het Waterschapsblad, in de vorm van een zakelijke weergave van de inhoud (een korte omschrijving) met vermelding van de wijze waarop en de periode waarin de stukken waar de kennisgeving betrekking op heeft voor eenieder ter inzage liggen.\n\n11. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geldt als hoofdregel dat als een vergunning is gepubliceerd, de overschrijding van de termijn bij het indienen van een bezwaar daartegen niet verschoonbaar kan worden geacht. Het uitgangspunt is namelijk dat belanghebbenden via de publicatie tijdig kennis hadden kunnen nemen van het besluit. Bij de vraag of de inhoud van het besluit voldoende is weergegeven, moeten alle onderdelen in de publicatie in onderlinge samenhang worden bezien. De zakelijke weergave van het besluit moet voldoende adequaat en duidelijk zijn. Dat het mogelijk is om een locatie nog specifieker weer te geven, betekent op zichzelf niet dat de gegeven locatieomschrijving niet voldoende duidelijk is.\n\n12. Naar het oordeel van de rechtbank is de publicatie van de omgevingsvergunning in dit geval voldoende adequaat en duidelijk geweest. De genoemde vijf straten vormen een afgegrensd gebied. Op de kaart zijn deze straten ingetekend met blauwe lijnen die her en der inderdaad te ver doorgetrokken of te vroeg afgebroken zijn, maar in samenhang bezien met de gegeven locatieomschrijving is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat het hier gaat om het gebied dat tussen deze straten ligt. Daar komt bij dat het perceel van eiser zich midden in het gebied bevindt. Het had dan ook op eisers weg gelegen om bij onduidelijkheid navraag te doen bij het waterschap. Dat het specifieker had gekund door het betreffende gebied te arceren of de lijnen netter in te tekenen, maakt de locatieomschrijving zoals gezegd, nog niet onduidelijk.\n\n13. De rechtbank vind het, anders dan eiser, ook niet zonder meer logisch dat de blauwe lijnen op de kaart in dit geval zouden staan voor watergangen, enkel vanwege de kleur. De lijnen volgen immers de genoemde vijf (verharde) wegen. Dat de blauwe lijnen bij publicatie van de ontgrondingsvergunning wél voor watergangen stonden, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De ontgrondingsvergunning is immers verleend (en gepubliceerd) door gedeputeerde staten van de provincie, niet door het waterschap. Het is dus niet zo dat het waterschap ineens een andere werkwijze heeft laten zien. Verder geldt dat het waterschap moet beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend, en de aanvraag ziet nu eenmaal op dít gebied van zeventien vierkante kilometer. Die grootte maakt de publicatie naar het oordeel van de rechtbank evenmin onduidelijk.\n\n14. De rechtbank concludeert verder dat, naast het feit dat dit ook niet is vereist, een vermelding van de nodige watercompensatie in de ontgrondingsvergunning geen enkel verschil had gemaakt. Eiser wist immers op 5 juli 2025, dus alsnog ruim op tijd, dat de gemeente Almere een omgevingsvergunning voor watercompensatie had aangevraagd en dat er dus een besluit daarover aanstaande was.\n\n15. Tot slot is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van opzet aan de kant van het waterschap. Hoewel de rechtbank zich eisers frustratie kan voorstellen, is de omgevingsvergunning op een voldoende adequate en duidelijke manier gepubliceerd en is het waterschap dan niet gehouden om belanghebbenden individueel te informeren. Tot slot kan het belang dat eiser heeft bij een beoordeling van zijn bezwaar, niet worden meegewogen bij de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.\n\nConclusie\n\n16. Omdat de beroepsgronden van eiser niet slagen, is het beroep van eiser ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit waarin het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk is verklaard, in stand blijft.\n\n17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is op 16 juni 2026 in het openbaar gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier.\n\n(de griffier is verhinderd om\n\nde uitspraak te ondertekenen)\n\ngriffier rechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 3:42, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 12, eerste lid van de Bekendmakingswet, Kamerstukken II2018\u002F2019, 35218, nr. 3, pag. 44.\n\nZie de uitspraken van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1022, 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1373 en 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4876.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3289","2026-06-15T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:25.018Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"539","ECLI:NL:RBMNE:2023:2552","ecli-nl-rbmne-2023-2552","2023-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F3971\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2023 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. B. Eising)\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [A] h.o.d.n. [derde-partij]\n\n(gemachtigde: mr. S.H. van den Ende).\n\nPartijen worden hierna aangeduid als: de [eiseres] , het college en [derde-partij] .\n\nInleiding\n\n1. Deze zaak gaat over de afwijzing van het verzoek van de [eiseres] om handhavend op te treden tegen de vergunningvoorwaarden bij de omgevingsvergunning die aan [derde-partij] is verleend.\n\n2. De [eiseres] is gevestigd op het perceel [adres 1] in [vestigingsplaats] . [derde-partij] exploiteert in het pand op het perceel [adres 2] het [derde-partij] . In 2015 is aan [derde-partij] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een sporthal en fysiotherapiepraktijk en het realiseren van een bovenwoning met dakterras op dit perceel. De [eiseres] is opgekomen tegen de omgevingsvergunning omdat zij zorgen heeft over de parkeersituatie. De twee percelen hebben allebei een onbebouwd gedeelte. Op het onbebouwde deel van het perceel van de [eiseres] wordt geparkeerd door medewerkers en patiënten. Dit deel van het perceel grens aan het onbebouwde deel van het perceel van [derde-partij] , dat ook voor parkeren wordt gebruikt. Dat betekent dat zowel op het perceel van de [eiseres] als op het perceel van [derde-partij] parkeerplaatsen zijn. Om die parkeerplaatsen (aan beide kanten) te bereiken moet een auto over de middenstrook rijden. In het midden van die middenstrook bevindt zich de perceelsgrens. Het college heeft aan de omgevingsvergunning twee voorwaarden verbonden met betrekking tot het parkeren. Met de uitspraak van 30 maart 2020 heeft deze rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van de [eiseres] tegen deze omgevingsvergunning.\n\n3. De [eiseres] heeft het college op 8 september 2020 verzocht om handhavend op te treden tegen [derde-partij] vanwege overtreding van de vergunningvoorwaarden. Het college heeft dit verzoek beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een overtreding van de vergunningvoorwaarden. De afwijzing van het handhavingsverzoek is met de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2021 in stand gebleven. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de [eiseres] tegen deze beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit).\n\n4. Voordat de rechtbank het beroep inhoudelijk zal beoordelen, zal zij het procesverloop in beroep schetsen, wat uitgebreider ingaan op de voorgeschiedenis en de vorige uitspraak van de rechtbank.\n\nProcesverloop in beroep\n\n5. De [eiseres] heeft op 21 september 2021 beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 13 augustus 2021 en op 1 november 2021 de gronden ingediend. [derde-partij] heeft een korte schriftelijke reactie gegeven op het beroepschrift. De [eiseres] heeft nog een nader stuk met daarbij opnames van een rijproef toegestuurd.\n\n6. De rechtbank heeft het beroep op 22 november 2022 op zitting behandeld. Namens de [eiseres] zijn [B] en [C] verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. T.A.M. van Oosterhout. De gemachtigde van het college is verschenen. Namens [derde-partij] heeft [A] deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door mr. S.H. van den Ende.\n\n7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of hun conflict door middel van mediaton kan worden opgelost. Er heeft een verkennend gesprek met een mediator plaatsgevonden, maar de mediator heeft daaruit geconcludeerd dat een mediationgesprek onvoldoende perspectief biedt om tot een gezamenlijke oplossing te komen. De mediator heeft opgemerkt dat wellicht een gesprek met de gemeente nog openingen kan bieden. [derde-partij] heeft aan de [eiseres] kenbaar gemaakt dit niet op voorhand af te wijzen, maar hier pas voor open te staan nadat uitspraak is gedaan op dit beroep.\n\n8. Met toestemming van partijen is geen nadere zitting gehouden. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 april 2023 gesloten.\n\nEerdere procedures\n\n9. Partijen zijn al lang in conflict met elkaar over de parkeersituatie op de percelen. Het is begonnen in 2015 toen aan [derde-partij] een omgevingsvergunning is verleend voor het verbouwen van een sporthal en fysiotherapiepraktijk en het realiseren van een bovenwoning met dakterras op het perceel [adres 2] . Voor die tijd was dit perceel niet in gebruik waardoor de beschikbare ruimte ook gebruikt kon worden door de [eiseres] . Tegen de verleende omgevingsvergunning heeft de [eiseres] bezwaar en beroep ingesteld. Met de uitspraak van 6 maart 2018 vernietigde deze rechtbank de beslissing op bezwaar, waarmee de omgevingsvergunning in stand was gebleven, en kreeg het college de opdracht opnieuw op het bezwaar te beslissen.\n\n10. Met een nieuwe beslissing op bezwaar handhaafde het college de omgevingsvergunning, onder aanvulling van de motivering en met toevoeging van twee aanvullende voorwaarden. Het daartegen ingediende beroep van de [eiseres] is met de uitspraak van 6 maart 2020 gegrond verklaard, omdat deze rechtbank vond dat een deel van voorwaarde 2 vaag was geformuleerd en daardoor rechtsonzeker was. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en voorwaarde 2 gelet op het belang dat het college voor ogen stond bij het opleggen van deze voorwaarde gewijzigd vastgesteld. Voorwaarde 1 is ongewijzigd in stand gebleven. Verder oordeelde de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n11. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of het college het handhavingsverzoek van de [eiseres] terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van de [eiseres] . De rechtbank zal eerst de formele beroepsgrond beoordelen en daarna de inhoudelijke beroepsgronden.\n\nHeeft het college op alle bezwaargronden beslist?\n\n12. De [eiseres] voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat het college niet op alle bezwaargronden is ingegaan. Zo is het college niet ingegaan op de bezwaargrond dat het handhavingsverzoek niet alleen zag op een overtreding van de vergunningvoorschriften, maar ook een overtreding van het bestemmingsplan. Ook is het college niet ingegaan de bevindingen van de rijproef dat de middenstrook tussen de parkeerplaatsen op beide percelen vrij moet worden gehouden en de paaltjes en belijning dus strak tegen de parkeervakken geplaatst moeten worden om zonder problemen te kunnen in- en uitparkeren.\n\n13. De rechtbank stelt vast dat de bezwaren in het bestreden besluit samengevat staan weergegeven. Bij de beoordeling staat vermeld dat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het plaatsen van paaltjes bij de parkeerplaatsen door [derde-partij] tot gevolg heeft dat de [eiseres] niet overeenkomstig de in het bestemmingsplan opgenomen (maatschappelijke) bestemming kan worden gebruikt. Omdat op deze bezwaargrond is ingegaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat verder niet op alle bezwaren afzonderlijk is ingegaan, geeft de rechtbank ook geen reden om te oordelen dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de heroverweging zijn betrokken.\n\nHandhavingsverzoek\n\n14. De [eiseres] heeft verzocht om handhavend op te treden tegen het overtreding van de vergunningvoorwaarde 1, omdat [derde-partij] belemmert dat de parkeerplaatsen van de [eiseres] goed bereikbaar zijn en gebruikt kunnen worden. [derde-partij] heeft paaltjes geplaatst voor de parkeerplaatsen op zijn perceel, terwijl volgens de [eiseres] de middenstrook volledig vrij moet blijven. Ook vindt de [eiseres] dat het college erop moet toezien dat zij op juiste wijze invulling kan geven aan de bestemming die op het perceel rust.\n\nVergunningvoorwaarden\n\n15. Vergunningvoorwaarde 1 bepaalt dat vergunninghouder verplicht is om de negen parkeerplaatsen die zijn vereist om aan de parkeerbehoefte te voldoen, uiterlijk binnen drie maanden na dagtekening van dit besluit te hebben gerealiseerd. Tevens is hij verplicht om de negen parkeerplaatsen vervolgens beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar te houden ten behoeve van het gebruik van het pand aan de [adres 2] . Het is vergunninghouder toegestaan om deze parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar te houden met behulp van een verwijderbare ketting of opklapbaar hekje per parkeerplek met inachtneming van het in voorwaarde 2 gestelde.\n\n16. Vergunningvoorwaarde 2, zoals door de rechtbank vastgesteld, luidt als volgt: Het plaatsen van een hekwerk of andersoortige erfafscheiding door [derde-partij] op de perceelsgrens wordt niet toegestaan.\n\nMiddenstrook\n\n17. De [eiseres] betoogt dat [derde-partij] de vergunningvoorwaarden heeft overtreden. Door het plaatsen van paaltjes en het aanbrengen van belijning zijn hun eigen parkeerplaatsen praktisch onbereikbaar en ontoegankelijk. De [eiseres] wijst erop dat de middenstrook tussen de parkeerplaatsen op beide percelen vrij moet worden gehouden om zonder problemen te kunnen in- en uitparkeren. Dit blijkt klip en klaar uit de rijproef die heeft plaatsgevonden. Volgens de [eiseres] heeft de rechtbank in de vorige procedure de uitdrukkelijke aanwijzing gegeven dat het vrijhouden van de middenstrook de enige oplossing is van het conflict. Het college is hiervan ook op de hoogte.\n\n18. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft een inspecteur van het college in september 2020 twee controles op het perceel uitgevoerd. Daarbij zijn foto’s gemaakt van de situatie ter plaatse. Op de foto’s is te zien dat een erfafscheiding is geplaatst die bestaat uit losstaande paaltjes die door middel van een koord met elkaar verbonden zijn. Het college is van mening dat deze erfafscheiding, die niet op de perceelsgrens is geplaatst, niet in strijd is met de vergunningvoorschriften. In vergunningvoorwaarde 2 is geen specifieke afstand opgenomen waarbinnen het [derde-partij] niet is toegestaan de erfafscheiding te plaatsen.\n\n19. Het college heeft alleen bij een overtreding van een wettelijk voorschrift de bevoegdheid om handhavend op te treden. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het niet volledig vrijhouden van de middenstrook tussen de haakse parkeerplaatsen op beide percelen strijd oplevert met de vergunningvoorwaarden. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is. Daartoe overweegt zij dat in de vergunningvoorwaarden niet expliciet is bepaald dat de middenstrook volledig vrij gehouden moet worden. Dat volgens de [eiseres] in de vorige procedure door de rechtbank het advies is gegeven om de middenstrook vrij te houden, laat onverlet dat bij de vraag of sprake is van een overtreding gekeken moet worden naar de vergunningvoorwaarden. De [eiseres] is niet in hoger beroep gegaan tegen de eerdere uitspraak van de rechtbank, waardoor de omgevingsvergunning met de voorwaarde 1 en de (gewijzigde) voorwaarde 2 in rechte is vast komen te staan en als uitgangspunt geldt in deze handhavingszaak. De inhoud van de vergunningvoorwaarden kan niet meer in deze procedure aan de orde gesteld worden.\n\n20. Op grond van vergunningvoorwaarde 1 mag [derde-partij] de parkeerplaatsen op het eigen perceel beschikbaar houden met behulp van een verwijderbare ketting als voorwaarde 2 in acht wordt genomen. De vergunningvoorwaarden 1 en 2 moeten in samenhang gelezen worden. Vergunningvoorwaarde 2 staat het niet toe dat een erfafscheiding op de perceelsgrens wordt geplaatst. In het bestreden besluit is uiteengezet dat [derde-partij] de paaltjes niet op de perceelsgrens heeft geplaatst, maar op enige afstand. De [eiseres] heeft gesteld dat belijning niet overeenkomst met de perceelsgrens, maar dat deze grens vóór de belijning ligt. Op basis hiervan kan vastgesteld worden dat de paaltjes met koorden niet op de perceelsgrens staan. Verder is van belang dat de paaltjes geen permanent karakter hebben en eenvoudig te verplaatsen zijn. Op basis van de dossierstukken en wat op zitting is besproken kan de rechtbank niet vaststellen dat met het plaatsen van de paaltjes sprake is van een overtreding van de vergunningvoorwaarden. Het beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar houden van parkeerplaatsen, zoals in voorwaarde 1 staat, heeft betrekking op de parkeerplaatsen van [derde-partij] . De handelwijze van [derde-partij] maakt niet dat hier niet aan voldaan wordt. De rechtbank ziet ook het belang van een goede bereikbaarheid van de parkeerplaatsen van de [eiseres] , maar dat kan geen reden zijn om te oordelen dat [derde-partij] de vergunningvoorwaarden heeft overtreden.\n\nReclamebord\n\n21. De [eiseres] brengt ook naar voren dat het bij de toegang van de inrit geplaatste reclamebord een onnodige belemmering vormt. Het reclamebord staat op het perceel van [derde-partij] . De rechtbank is het met het college eens dat dit bord niet tot gevolg heeft dat de parkeerplaatsen van [derde-partij] niet beschikbaar, bruikbaar en bereikbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank levert het reclamebord geen strijd met de vergunningvoorwaarden op.\n\nBestemmingsplan\n\n22. Volgens de [eiseres] wordt een inbreuk gemaakt op het bestemmingsplan. Omdat [derde-partij] het goed in-en uitrijden belemmert komt de spoedeisende zorg in gevaar.\n\n23. Het perceel van de [eiseres] heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemming “Maatschappelijk”. Op deze bestemming en de bestemming “Sport” zoals dat op het perceel van [derde-partij] geldt, zijn ook parkeervoorzieningen toegestaan. Dat de huidige parkeersituatie door de [eiseres] als een probleem wordt ervaren, betekent niet dat dat perceel niet meer voor de maatschappelijke bestemming gebruikt kan worden. Van een overtreding van het bestemmingsplan door [derde-partij] is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.\n\nAlternatieven\n\n24. De [eiseres] wijst erop dat er alternatieven voorhanden zijn waardoor alle parkeerplaatsen toegankelijk zijn, zoals het plaatsen van beugels of boorden voor de parkeerplaatsen van [derde-partij] . De rechtbank overweegt dat dit geen rol kan spelen bij de vraag die in deze zaak ter beoordeling voorligt. Dat laat onverlet dat een aanpassing van de huidige parkeersituatie een oplossing kan bieden voor de door de [eiseres] ervaren problemen. De rechtbank merkt in dit verband op dat zowel de [eiseres] als [derde-partij] kunnen onderzoeken wat zij zelf kunnen doen om tot een oplossing te komen. Zij zijn immers als eigenaren van de percelen gelijkwaardige partijen van elkaar.\n\nCollege is niet vooringenomen\n\n25. De [eiseres] meent dat het college vooringenomen is geweest, omdat bij de besluitvorming geen rekening is gehouden met de belangen van de [eiseres] . De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat het college vooringenomen is geweest is bij de beoordeling van het handhavingsverzoek. Naar aanleiding van dit verzoek hebben controles plaatsgevonden en op basis daarvan is het handhavingsverzoek beoordeeld. De besluitvorming geeft ook geen blijk van vooringenomenheid.\n\nConclusie en gevolgen\n\n26. De conclusie van de rechtbank is dat het college terecht heeft geconstateerd dat geen sprake is van een overtreding en dat hij daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden. Het handhavingsverzoek is terecht afgewezen.\n\n27. Het beroep is ongegrond. De [eiseres] krijgt geen gelijk. Dit betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft.\n\n28. De [eiseres] krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2023.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2020:1260.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2018:900.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:2552","2023-05-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.774Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":46,"fullText":47,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":48,"sourceTimestamp":49,"parsedAt":31,"updatedAt":50},"1316","ECLI:NL:RBMNE:2023:1249","ecli-nl-rbmne-2023-1249","2023-03-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 22\u002F4218\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren\n\n(gemachtigde: A. Debie).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]\n\nInleiding\n\nEiser woont aan de [adres 1] in [woonplaats] . Derde-partij woont naast eiser op het perceel aan de [adres 2] in [woonplaats] . Op 15 december 2017 is aan de vorige eigenaar van het perceel aan de [adres 2] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning met een toegangsbrug. Vervolgens is op 22 april 2020 een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een tijdelijke woning op de [adres 2] .\n\nDerde-partij heeft een nieuwe aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning omdat hij zijn woning op een andere manier wil bouwen dan is toegestaan in de omgevingsvergunning van 15 december 2017. Het college heeft in het besluit van 18 februari 2022 (het primaire besluit) de omgevingsvergunning verleend aan derde-partij voor de bouw van een woning aan de [adres 2] (de planlocatie).\n\nOp 9 mei 2022 heeft het college, na verzoek daartoe van derde-partij, de omgevingsvergunning van 15 december 2017 gedeeltelijk ingetrokken. De gedeeltelijke intrekking ziet op de bouw van de woning.\n\nHet bezwaar van eiser tegen het primaire besluit is ongegrond verklaard in het besluit van 18 juli 2022 (het bestreden besluit). Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft beroep ingesteld.\n\nHet college heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld op de zitting van 13 februari 2023. Eiser is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook derde-partij is verschenen. Op de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en medegedeeld dat er binnen zes weken uitspraak wordt gedaan.\n\nNadat de rechtbank het onderzoek op de zitting heeft gesloten, heeft het college nadere stukken naar de rechtbank toegestuurd. Omdat de stukken zijn toegestuurd nadat het onderzoek is gesloten, heeft de rechtbank deze stukken niet betrokken bij het onderzoek.Beoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\nVolgens het college is het bouwplan in overeenstemming met de regels uit het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Ook is het bouwplan in overeenstemming met de redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit 2012 en de bouwverordening. Dat betekent dat er geen weigeringsgronden zijn zoals bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In dat geval heeft het college geen andere keuze dan de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Uit de bezwaargronden van eiser volgt volgens het college niet dat er wel een weigeringsgrond is. De verleende omgevingsvergunning blijft daarom in stand en de bezwaren van eiser worden door het college ongegrond verklaard.\n\nHet geschil\n\nEiser is het niet met het college eens dat er geen weigeringsgronden zijn. Volgens eiser wordt door het bouwplan het maximale bebouwingsoppervlakte van het bestemmingsplan overschreden. Het college is uitgegaan van bebouwingsoppervlakte van maximaal 230 m², terwijl dit volgens eiser maximaal 190 m² is. Verder is eiser van mening dat bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte het college ten onrechte de inrit niet heeft meegerekend, nu met de aanleg van de inrit er ook een bouwwerk zal worden gerealiseerd.\n\nOok stelt eiser zich op het standpunt dat met de bouw van de woning een tweede woning wordt toegestaan terwijl volgens het bestemmingsplan maar één woning is toegestaan aan de [adres 2] . Eiser vreest dat er hierdoor twee woningen blijven bestaan en dat vindt eiser onwenselijk. Tot slot heeft het college volgens eiser verzuimd om na te gaan of de bouw van de woning mogelijk is binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Volgens eiser staat het bestemmingsplan een woning binnen dat gebied niet toe.\n\nHet planologische kader\n\n4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘ [locatie] 2013’ (hierna: het bestemmingsplan). Op grond van dit bestemmingsplan geldt de enkelbestemming ‘Wonen’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied 1’.\n\n5. De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordelen of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in overeenstemming is met de regels uit het bestemmingsplan.\n\nWat is het maximale bebouwingsoppervlakte?\n\n6. Volgens eiser is de afstand tussen de te bouwen woning en de zijdelingse perceelsgrenzen minder dan tien meter. Bij een afstand van minder dan tien meter tussen de te bouwen woning en de zijdelingse perceelsgrenzen is het maximale bebouwingsoppervlakte volgens het bestemmingsplan 190 m² en niet de 230 m² waar het college vanuit is gegaan. Dat betekent volgens eiser dat de te bouwen woning te groot is.\n\n7. De rechtbank volgt eiser niet. In artikel 19.2.1, lid a, onder 2, van de planregels staat dat de maximale bebouwingsoppervlakte 230 m² is als de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen groter is dan 10 meter. Daarbij is het volgens dat artikel niet van belang of er al bouwwerken aanwezig zijn in die strook van tien meter tussen de te bouwen woning en een van de zijdelingse perceelsgrenzen. De rechtbank merkt daarbij op dat uit dit artikel voldoende duidelijk wordt wat qua bebouwing is toegestaan. De toelichting op het huidige of voorgaande bestemmingsplan is dan niet relevant voor de uitleg van artikel 19.2.1, lid, onder 2. Uit de bouwtekeningen die bij de aanvraag zijn ingediend blijkt dat de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 24.42 meter is. Dat is meer dan 10 meter. Dat betekent dat het college terecht heeft geconcludeerd dat het maximale bebouwingsoppervlakte 230 m² is en niet 190 m². De beroepsgrond slaagt niet.\n\nDe inrit\n\n8. Eiser vindt dat het college bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte de oppervlakte van de inrit ook had moeten betrekken. Aan weerszijden van de inrit wordt een muur gebouwd. Door deze muren aan weerzijden van de inrit wordt het maximale bebouwingsoppervlakte overschreden, aldus eiser.\n\n9. De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 19.2.1, lid a, de totale bebouwingsoppervlakte niet meer mag bedragen dan 30% van het bouwperceel. Aan de voorzijde van de woning wil derde-partij een oprit realiseren met aan weerzijden een muur. Het college heeft toegelicht dat deze muren van de oprit niet betrokken hoeven te worden bij de berekening van het maximum bebouwingsoppervlakte en heeft daarbij verwezen naar artikel 27.1, van de planregels. Artikel 27.1 luidt: Een in de planregels aangegeven percentage geeft aan hoeveel van het desbetreffende bouwperceel ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en overkappingen.\n\n10. De rechtbank vindt dat het college terecht de oppervlakte van de inrit niet heeft betrokken bij de berekening van het totale bebouwingsoppervlakte. Uit artikel 27.1, volgt dat uitsluitend gebouwen of overkappingen betrokken mogen worden bij de berekening van het maximale bebouwingsoppervlakte. Volgens artikel 1.51 van het bestemmingsplan is een gebouw elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt. Het is niet in geschil dat de inrit met bijbehorende muren geen gebouw of overkapping is nu de inrit niet overdekt is. Dat betekent dat het college terecht de inrit met bijbehorende muren niet heeft meegenomen in de berekening van het totale bebouwingsoppervlakte. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nTweede woning\n\n11. Eiser voert aan dat op grond van het bestemmingsplan één woning is toegestaan op de planlocatie en dat met de omgevingsvergunning van 22 april 2020 al een (tijdelijke) woning toegestaan is. Met het primaire besluit wordt een tweede woning toegestaan en dat is in strijd met het bestemmingsplan. Het college is in het bestreden besluit volgens eiser ten onrechte bij het standpunt gebleven dat voor de bouw van de tweede woning geen omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit handelen in strijd met het bestemmingsplan.Eiser vreest dat er permanent twee woningen worden toegestaan aan de [adres 2] .\n\n12. De rechtbank stelt vast dat op 22 april 2020 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een tijdelijke woning. Deze tijdelijke woning dient als woning tijdens de bouwfase van de nieuwe woning die is vergund in het primaire besluit. De rechtbank is het met eiser eens dat met het verlenen van het primaire besluit er een tweede woning toegestaan wordt binnen het bestemmingsvlak op de planlocatie. Op hetzelfde moment zijn er dus twee woningen toegestaan, de tijdelijke woning en de nieuwe woning. Dat is in strijd met artikel 19.2.2, lid a, van het bestemmingsplan, nu volgens dat artikel slechts één woning per bestemmingsvlak is toegestaan. In het primaire besluit heeft het college uitsluitend een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen en niet ook voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Dat had het college wel moeten doen. De beroepsgrond slaagt.\n\n13. De rechtbank zal in de conclusie nader ingaan op de gevolgen voor het bestreden besluit.\n\nIs het bouwplan in strijd met de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’?\n\n14. Volgens artikel 28.1, lid a, van de planregels zijn bouwwerken binnen de gebiedsaanduiding 'milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’ alleen toegestaan als deze bouwwerken ten behoeve van het grondwaterbeschermingsgebied zijn. Volgens artikel 28.1, onder b, van de planregels kan het college bij omgevingsvergunning afwijken van onder a.\n\n15. De rechtbank stelt vast dat de bouw van de woning in strijd is met artikel 28.1, onder a, omdat de woning geen bouwwerk is ten behoeve van het grondwaterbeschermingsgebied. Dat betekent dat eiser voor de bouw van zijn woning ook een omgevingsvergunning nodig heeft voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Die activiteit is ook niet vergund in het primaire besluit voor het bouwen van de woning in strijd met artikel 28.1, onder a, van het bestemmingsplan. Dat levert een gebrek op in de besluitvorming.\n\n16. Het bestemmingsplan biedt het college de mogelijkheid om via artikel 28.1, onder b, een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van de woning in strijd met artikel 28.1, onder a. Voorwaarden voor het verlenen van die omgevingsvergunning zijn dat het belang van het grondwaterbeschermingsgebied niet onevenredig wordt geschaad en dat eerst advies is ingewonnen bij de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied. Het college heeft een dergelijk advies niet overgelegd in de procedure bij de rechtbank. Het college verwijst in het bestreden besluit en op de zitting bij de rechtbank naar een advies van 25 november 2020. Dit advies is niet als stuk toegevoegd aan het bestreden besluit. Het college heeft het advies van 25 november 2020 ook niet overgelegd in de procedure bij de rechtbank. Het is daarom voor de rechtbank onduidelijk wat er in het advies staat en van wie dit advies afkomstig is. De rechtbank kan niet beoordelen of uit het gestelde advies van 25 november 2020 blijkt dat de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied vindt dat het belang van het grondwaterbeschermingsgebied niet onevenredig wordt geschaad. De beroepsgrond slaagt.\n\n17. Ook voor dit gebrek zal de rechtbank in de conclusie nader ingaan op de gevolgen voor het bestreden besluit.\n\nConclusie\n\n18. Het beroep is gegrond. Het college heeft – gelet op de rechtsoverwegingen 12 en 15 – ten onrechte geconcludeerd dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan.\n\n19. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken de tijd.\n\n20. In de nieuwe beslissing op bezwaar moet het college onderzoeken of hij voor de bouw van de tweede woning en de bouw van de woning binnen het grondwaterbeschermingsgebied wil meewerken aan een omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.\n\n21. Volgens artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het college die omgevingsvergunning alleen verlenen als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college moet daarom in de nieuwe beslissing op bezwaar ingaan op de vraag of het (tijdelijk) toestaan van een tweede woning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Ook moet het college in de nieuwe beslissing op bezwaar motiveren – na eerst advies te hebben ingewonnen bij de beheerder van het grondwaterbeschermingsgebied – of het belang van het grondwaterbeschermingsgebied onevenredig wordt geschaad met de bouw van de nieuwe woning.\n\n22. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 15 juli 2022;\n\n- draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2023.\n\n(De rechter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen)\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:1249","2023-03-21T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:15.603Z",{"id":52,"ecli":53,"slug":54,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":55,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":56,"sourceTimestamp":18,"parsedAt":31,"updatedAt":57},"2012","ECLI:NL:RBMNE:2022:1791","ecli-nl-rbmne-2022-1791","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 22\u002F810 en UTR 22\u002F811\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 mei 2022 in de zaken tussen\n\n1. Stichting Behoud het Weteringgebied, gevestigd in Langbroek;Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede, gevestigd in Wijk bij Duurstede;\n\nDe Loonbrouwerij B.V.,;\n\nTapkoel Holding B.V., beide gevestigd in Cothen;\n\n [verzoeker sub 1]uit [woonplaats] ;\n\n2. Stichting Instandhouding Sterkenburg,;\n\nLandgoed Hardenbroek B.V., beide gevestigd in Driebergen-Rijsenburg;Ridderhofstad Hindersteyn B.V.;Poggel B.V.;Klein Hindersteyn B.V.;Hindersteyn C B.V.;Landgoed Dondersteyn B.V.;Landgoed Rhodesteyn B.V.;Landgoed Dijkhoeve B.V.;Landgoed De Lange Akkers B.V., alle gevestigd in Langbroek;\n\n3. 29 29 personenuit [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] ;\n\n3. 29 [verzoeker sub 3.1] de [woonplaats] (Landgoed [landgoed 1] );\n\n [verzoeker sub 3.2] (Landgoed [landgoed 2] ), beiden uit [woonplaats] ;\n\n [verzoeker sub 3.3] en [verzoeker 3.4] ( [naam] );\n\n [verzoeker sub 3.5] (Landgoed [landgoed 3] ), beiden uit [woonplaats] ;\n\nsamen: verzoekers\n\n(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. H.S. Heite)\n\nVerder heeft als partij aan het geding deelgenomen:\n\nGroene Energie Kromme Rijn & Heuvelrug B.V., gevestigd in Leersum\n\n(gemachtigde: mr. F.H. Damen).\n\nPartijen worden hierna verzoekers, gedeputeerde staten en Kromme Rijn & Heuvelug genoemd.\n\nInleiding\n\nKromme Rijn & Heuvelrug heeft het voornemen om aan de Graaf van Lynden van Sandenburgweg in Cothen, gemeente Wijk bij Duurstede, een installatie voor de opwekking van bio-energie te realiseren. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken. Deze gebieden zijn gevoelig voor stikstof. Gedeputeerde staten zijn op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verantwoordelijk voor de beoordeling van de gevolgen op de Natura 2000-gebieden van plannen en projecten in de provincie Utrecht.\n\nOp 30 maart 2017 hebben gedeputeerde staten aan de rechtsvoorganger van Kromme Rijn & Heuvelrug een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een (co-)vergistingsinstallatie met be- en verwerking van digestaat. Op diezelfde datum hebben gedeputeerde staten aan de rechtsvoorganger van Kromme Rijn & Heuvelrug voor het oprichten van die installatie een vergunning verleend op grond van de Wnb. Deze natuurvergunning is verleend met toepassing van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en in de vergunning zijn de gevolgen van het project voor het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek beoordeeld.\n\nDe biovergistingsinstallatie is nog niet gereed en niet in gebruik. Als onderdeel van de installatie is er inmiddels een loods gebouwd; de overige bouw- en aanlegwerkzaamheden zullen de komende tijd verder plaatsvinden. Kromme Rijn & Heuvelrug heeft het streven om de installatie medio 2023 in werking te stellen.\n\n4. Met de uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het PAS onverbindend verklaard.Verzoekers hebben gedeputeerde staten om die reden op 12 mei 2021 verzocht om de natuurvergunning in te trekken. Zij hebben daarbij ook verzocht om de omgevingsvergunning in te trekken.\n\n5. Gedeputeerde staten hebben nog niet beslist op het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken. Het verzoek om de natuurvergunning in te trekken hebben zij met het besluit van 9 september 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 februari 2022 hebben gedeputeerde staten het bezwaar van verzoekers daartegen ongegrond verklaard. Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld. Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 26 april 2022. Stichting Behoud het Weteringgebied heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] . Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voorzitter [C] . Zij werden bijgestaan door en de overige verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde en door deskundige [D] . Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, bijgestaan door [E] . Kromme Rijn & Heuvelug heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door deskundige [F] .\n\n7. Na de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat meer onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.Overwegingen over het beroep - ontvankelijkheid\n\n8. Gedeputeerde staten hebben de vraag of verzoekers allemaal als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij de intrekking van de natuurvergunning voor een deel van de verzoekers in het midden gelaten en hebben alle bezwaren ontvankelijk geacht. De voorzieningenrechter kan die praktische afdoeningswijze niet toepassen: hij moet de belanghebbendheid van verzoekers beoordelen om het beroep te kunnen afdoen. Bij die beoordeling is bepalend dat alleen een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als aanvraag in behandeling moet worden genomen. Er moet dus worden beoordeeld of alle verzoekers belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb bij het door hen gevraagde besluit om de natuurvergunning in te trekken.\n\n9. Stichting Behoud het Weteringgebied en Vereniging Natuur en Milieu, IVN-afdeling Wijk bij Duurstede zijn belanghebbenden bij het gevraagde besluit. Zij zijn rechtspersonen die blijkens hun statuten opkomen voor de algemene bij dat besluit betrokken belangen, waarbij uit de feitelijke werkzaamheden blijkt dat zij die behartigen. Ook De Loonbrouwerij B.V., Tapkoel Holding B.V. en [verzoeker sub 1] zijn belanghebbenden bij het gevraagde besluit, omdat zij op korte afstand in de directe omgeving van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt zijn gevestigd of wonen en daarvan rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden. De in de kop van deze uitspraak onder 1. genoemde (rechts)personen zijn ontvankelijk in hun beroep en hun beroepsgronden zullen hierna inhoudelijk worden beoordeeld.\n\n10. De in de kop van deze uitspraak onder 2. genoemde rechtspersonen zijn landgoederen in de omgeving van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt. Onder 3. zijn 29 personen genoemd die in de omgeving wonen. Van de onder 4. genoemde personen kan op basis van de overgelegde machtigingen worden geconstateerd dat zij optreden namens landgoederen in de omgeving die geen rechtspersoon zijn. De voorzieningenrechter heeft via Googlemaps kunnen vaststellen dat deze (rechts)personen allemaal zijn gevestigd of wonen op een afstand van meer dan 500 meter van de locatie waarvoor de natuurvergunning geldt. Deze afstand loopt op tot ongeveer 3.350 meter. Gelet op deze afstanden is niet aannemelijk dat deze (rechts)personen van de biovergistingsinstallatie rechtstreeks feitelijke gevolgen zullen ondervinden die van enige betekenis zijn voor hun woon-, leef- of bedrijfssituatie. Zij zijn daarom geen belanghebbenden bij het gevraagde besluit om de natuurvergunning in te trekken. Voor zover het verzoek is ingediend door de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen is het verzoek daartoe daarom geen aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De afwijzing daarvan is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college had de bezwaren in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren en heeft dat ten onrechte niet gedaan. Het beroep is daarom gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom (in zoverre) vernietigen en zal zelf in de zaak voorzien door de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen niet-ontvankelijk te verklaren.\n\nOverwegingen over het beroep - inhoudelijkBeoordelingskader\n\n11. Deze zaak gaat over de vraag of gedeputeerde staten het verzoek van verzoekers om intrekking van de natuurvergunning van Kromme Rijn & Heuvelrug hebben mogen afwijzen. Verzoekers vinden dat gedeputeerde staten de vergunning hadden moeten intrekken op grond van artikel 5.4, eerste lid, onder c, dan wel artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Als leidraad voor de beoordeling van de zaak kijkt de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 januari 2021 (Logtsebaan), waarin is uiteengezet onder welke omstandigheden een natuurvergunning kan of moet worden ingetrokken en welke eisen aan de motivering van een beslissing op een verzoek om intrekking of wijziging van een natuurvergunning worden gesteld. Daarnaast is de uitspraak van deze rechtbank van 22 september 2021 (Westbroek)relevant, waarin al is ingegaan op een rechtsvraag die in deze zaak ook speelt.\n\n12. Artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb bepaalt dat een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd als de vergunning in strijd met wettelijke voorschriften is verleend. Het gaat om een zogenoemde discretionaire bevoegdheid van gedeputeerde staten. Dit betekent dat gedeputeerde staten niet verplicht zijn om deze bevoegdheid te gebruiken. Zij zullen een afweging van de betrokken belangen moeten maken. Tot die belangen behoort ook het belang van de rechtszekerheid van de vergunninghouder.\n\n13. Artikel 5.4, tweede lid van de Wnb bepaalt dat een vergunning wordt ingetrokken of gewijzigd indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.Artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voorziet in een permanente beschermingsverplichting en strekt ertoe dat passende maatregelen getroffen worden als verslechtering of significante verstoring van natuurlijke habitats en habitats van soorten dreigt.\n\n14. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat het eerste en tweede lid van artikel 5.4 van de Wnb in samenhang moeten worden gelezen, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5.4. De Afdeling heeft overwogen dat als de c- of d-grond uit het eerste lid van toepassing is én uit de herbeoordeling van de vergunde activiteit volgt dat deze, anders dan ten tijde van de vergunningverlening werd verondersteld, leidt tot een (dreigende) verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden, dat dan ook artikel 5.4, tweede lid, van belang is.In artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb ligt besloten dat een grond voor intrekking of wijziging van een natuurvergunning aanwezig is als een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden in een Natura 2000-gebied dreigt en de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend effecten heeft op die natuurwaarden. Anders dan bij het eerste lid, hebben gedeputeerde staten bij toepassing van het tweede lid geen ruimte voor een belangenafweging. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgt dat gedeputeerde staten bij toepassing van dit artikel wel beoordelingsruimte hebben bij de keuze van de maatregelen die passend zijn om verslechteringen of verstoringen met significante gevolgen voor de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied te voorkomen. Het intrekken of wijzigen van een natuurvergunning is in het licht daarvan niet altijd een passende maatregel die moet worden getroffen. Uit de Logtsebaan-uitspraak volgen duidelijke kaders voor de vraag waaraan de motivering van het bevoegd gezag moet voldoen als het niet kiest voor intrekking of wijziging van de natuurvergunning als passende maatregel. De enkele constatering dat andere passende maatregelen kunnen, zullen of al worden getroffen, is onvoldoende. Het bevoegd gezag moet inzichtelijk maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare tijd.\n\nStandpunten van partijen over bevoegdheid lid 1\n\n15. Gedeputeerde staten stellen zich in het bestreden besluit – in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie – op het standpunt dat de intrekkings- en wijzigingsgrond uit artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb niet van toepassing is, omdat de natuurvergunning niet is verleend in strijd met wettelijke voorschriften. Toen de vergunning werd verleend was dat immers in overeenstemming met de toen geldende PAS-regelgeving. Gelet hierop wordt volgens gedeputeerde staten niet toegekomen aan een beoordeling van de vraag of de natuurvergunning op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb moet worden ingetrokken.\n\n16. Verzoekers betwisten deze insteek en verwijzen daarbij naar de PAS-uitspraak van de Afdeling en naar de uitspraak Westbroek van de rechtbank.Oordeel over bevoegdheid lid 1\n\n17. De rechtbank heeft in de uitspraak Westbroek overwogen dat een onverbindendverklaring jegens een ieder geldt, niet beperkt is tot de in de uitspraak voorliggende zaak, in zoverre terugwerkende kracht heeft en dat dit betekent dat het PAS niet in de wet had mogen worden opgenomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de in die zaak voorliggende natuurvergunning, ondanks dat deze in rechte onaantastbaar was, is verleend in strijd met wettelijke voorschriften.De voorzieningenrechter overweegt dat dit ook geldt voor de natuurvergunning in deze zaak en dat hij geen aanleiding ziet om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan in de uitspraak Westbroek. Gedeputeerde staten hebben ten onrechte niet onderkend dat de in artikel 5.4, eerste lid, onder c, van de Wnb genoemde omstandigheid zich voordoet en dat zij op grond daarvan bevoegd zijn de natuurvergunning voor Kromme Rijn & Heuvelrug in te trekken. De beroepsgrond slaagt.\n\n18. Gelet hierop hadden gedeputeerde staten vervolgens moeten beoordelen of de natuurvergunning moet worden ingetrokken op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb. Gedeputeerde staten hebben dat ten onrechte nagelaten. Ook deze beroepsgrond slaagt.\n\n19. Het bestreden besluit moet gelet op het voorgaande (ook) worden vernietigd voor zover daarbij inhoudelijk op de bezwaren van verzoekers is beslist.\n\nStandpunten van partijen over belangenafweging lid 1 en beoordeling lid 2\n\n20. Gedeputeerde staten hebben de voorzieningenrechter verzocht om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, in het geval waarin tot vernietiging wordt overgegaan. In dat kader hebben zij het standpunt ingenomen dat zij bij de belangenafweging in de zin van artikel 5.4, eerste lid, van de Wnb in redelijkheid meer belang kunnen hechten aan de rechtszekerheid van Kromme Rijn & Heuvelrug. Ten aanzien van de te maken afweging op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb wijzen gedeputeerde staten op hun verweerschrift uit de bezwaarfase, waarin wordt ingegaan op verschillende maatregelen die zijn uitgewerkt in het beheerplan Kolland & Overlangbroek en waaruit volgens hen volgt dat intrekking van de natuurvergunning van Kromme Rijn & Heuvelrug geen noodzakelijke passende maatregel is.\n\n21. Verzoekers vinden dat het belang bij het voorkomen van een aantasting van de natuurwaarden zwaarder moet wegen dan de mogelijkheid voor Kromme Rijn & Heuvelrug om met haar plan door te kunnen gaan. Over de beoordeling van de te treffen maatregelen uit het beheerplan voeren verzoekers aan dat onvoldoende duidelijk is dat dit passende maatregelen zijn en wanneer en hoe zij effectief zullen zijn.Oordeel over beoordeling lid 2\n\n22. De voorzieningenrechter zal eerst op dit laatste punt – de beoordeling op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb – ingaan en hij geeft verzoekers ook hier gelijk. Partijen zijn het erover eens dat bij de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken een verslechtering of significante verstoring van natuurwaarden dreigt, én dat de voorgenomen activiteiten van Kromme Rijn & Heuvelrug daarop effecten hebben. Gedeputeerde staten hebben in het verweerschrift uit de bezwaarfase gewezen op de maatregelen uit het beheerplan voor Kolland & Overlangbroek. Binnen de deelgebieden worden hydrologische maatregelen uitgevoerd om de grondwaterstand te verhogen en de afvoer van overtollig zuur (regen)water te verbeteren. Er wordt een hydrologische scheiding aangebracht tussen het agrarische gebied en de natuurgebieden, waarbij wordt verwezen naar het daartoe op grond van de Waterwet opgestelde projectplan. De maatregelen hebben als doel het tegengaan van verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie en op de zitting is toegelicht dat zij voor het grootste deel inmiddels zijn uitgevoerd. Gedeputeerde staten wijzen daarnaast op de gebiedsgerichte aanpak door de provincie en op de landelijke aanpak van de stikstofproblematiek.\n\n23. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gedeputeerde staten niet zijn ingegaan op de vraag welke passende maatregelen worden genomen in het Natura 2000-gebied Rijntakken en hoe daarmee voor dat gebied uitvoering wordt gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie. De door hen gegeven motivering gaat immers alleen over het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek en alleen al om deze reden kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven.\n\n24. Met betrekking tot het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek overweegt de voorzieningenrechter gelijkluidend als de rechtbank heeft gedaan in de uitspraak Westbroek over de in die zaak gepresenteerde maatregelen voor het Natura 2000-gebied dat daar aan de orde was. Net als in die zaak hebben gedeputeerde staten alle hiervoor genoemde (natuur)herstelmaatregelen geduid als passende maatregelen in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Niet is toegelicht of gemotiveerd waarom deze maatregelen als passende maatregelen zijn aan te merken. Weliswaar hebben gedeputeerde staten beoordelingsruimte als het gaat om de vraag welke maatregelen getroffen gaan worden, maar bij de keuze mogen alleen passende maatregelen betrokken worden en niet andersoortige maatregelen. Gedeputeerde staten zijn er zonder motivering van uitgegaan dat de genomen en te nemen maatregelen passende maatregelen zijn, terwijl gelet op de aard van de maatregelen niet valt uit te sluiten dat het om andersoortige maatregelen gaat. De verwijzing naar de gronden van het hoger beroep dat gedeputeerde staten tegen de uitspraak Westbroek hebben ingesteld volstaat ook niet. Zij hebben daarin gewezen op de aard van passende maatregelen en instandhoudingsmaatregelen in het licht van de bepalingen uit de Habitatrichtlijn. Juist omdat de Habitatrichtlijn instandhoudingsmaatregelen definieert als maatregelen die in een beheerplan kunnen worden opgenomen en het in deze zaak gaat om maatregelen uit het beheerplan, moet nader gemotiveerd worden waarom de maatregelen desondanks (ook) als passende maatregel moeten worden aangemerkt. De voorzieningenrechter volgt verder de overwegingen van de bezwaarschriftencommissie over de gebiedsgerichte aanpak: daarvan is onduidelijk wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn en wat de effecten zijn. Gedeputeerde staten hebben niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de maatregelen bijdragen aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. Hoewel het niet nodig is om concreet aan te geven welke maatregel tot dezelfde reductie van de stikstofdepositie leidt als de intrekking of wijziging van de natuurvergunning zou leiden, moet wel duidelijk worden gemaakt of de maatregelen effectief zijn en op welke termijn.Conclusie\n\n25. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit, omdat het in strijd is met artikel 5.4, eerste lid, onder c en het tweede lid, van de Wnb. Gedeputeerde staten moeten het verzoek om de natuurvergunning in te trekken in een nieuwe beslissing op de bezwaren van de verzoekers die in de kop van de uitspraak onder 1. zijn genoemd opnieuw beoordelen in het licht van wat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld. Daarvoor geeft hij hen niet via een bestuurlijke lus de gelegenheid, omdat onvoldoende duidelijk is of de weigering om de natuurvergunning in te trekken alsnog toereikend kan worden gemotiveerd.\n\n26. De voorzieningenrechter zal een termijn stellen waarbinnen gedeputeerde staten het nieuwe besluit moeten nemen. Daartoe is aanleiding omdat zowel verzoekers als Kromme Rijn & Heuvelrug er baat bij hebben dat er duidelijkheid komt over het wel of niet kunnen voortzetten van de plannen. De termijn wordt bepaald op 4 weken na deze uitspraak. Dat is een haalbare termijn, omdat er al is geadviseerd door de bezwaarschriftencommissie en de standpunten van partijen duidelijk zijn.\n\nOverwegingen over het verzoek om een voorlopige voorziening\n\n27. Omdat uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak moet het separate verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen. Ook als de voorzieningenrechter op het beroep beslist kan hij daarbij echter zo nodig een voorlopige voorziening treffen, op de grondslag van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.\n\n28. Verzoekers hebben gevraagd om dat te doen in de vorm van een bouwstop. Zij vrezen voor stikstofdepositie, ook tijdens de bouwfase van de biovergistingsinstallatie die op korte termijn zal starten. Bovendien wordt het terugdraaien van het project volgens hen steeds moeilijker naarmate de bouw vordert en er meer investeringen zijn gedaan.\n\n29. Kromme Rijn & Heuvelrug heeft gewezen op het belang dat zij heeft om met haar plannen door te kunnen gaan, juist vanwege de investeringen die al zijn gedaan en de gemaakte planning. Zij heeft aan de hand van een AERIUS-berekening onderbouwd dat er in de bouwfase geen sprake is van stikstofdepositie.\n\n30. De voorzieningenrechter weegt de belangen van partijen bij het al dan niet treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van het nieuwe besluit van gedeputeerde staten. Hij beperkt zijn oordeel tot de bouwfase, omdat niet aannemelijk is dat de biovergistingsinstallatie op korte termijn in gebruik zal worden genomen en omdat er op basis van deze uitspraak een korte beslistermijn voor gedeputeerde staten geldt. Bij de huidige stand van zaken heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de AERIUS-berekening over de bouwfase. Verzoekers hebben er wel op gewezen dat die berekening pas op een laat moment in de procedure is gemaakt en dat zij deze door een deskundige willen laten toetsen en op die wijze willen betwisten. Het is echter de aard van de voorlopigevoorzieningprocedure dat er nog laat stukken kunnen worden gewisseld. De voorzieningenrechter heeft daarom op de zitting toegestaan dat dit stuk aan het dossier wordt toegevoegd en ziet geen reden om de berekening nu niet bij zijn belangenafweging te betrekken. Daarvan uitgaande is er geen reden om de bouw nu te verbieden vanwege de vrees voor onherstelbare schade aan de Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Het belang van Kromme Rijn & Heuvelrug moet dan zwaarder wegen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat zij voor eigen risico verder bouwt: het is immers nog niet zeker dat de biovergistingsinstallatie ook in gebruik kan worden genomen en de intrekking van de natuurvergunning hangt nog steeds in de lucht. De uitkomst van de belangenafweging geldt bovendien bij de huidige stand van zaken. Verzoekers kunnen bij het uitblijven van nadere besluitvorming, als zij de AERIUS-berekening alsnog inhoudelijk willen betwisten, gebruik maken van hun verdere rechtsbeschermingsmogelijkheden via een beroep vanwege niet tijdig beslissen.\n\n31. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen op grondslag van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.\n\nOverwegingen over de kosten\n\n32. Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, moeten gedeputeerde staten aan verzoekers het door hen in de beide procedures betaalde griffierecht vergoeden.\n\n33. Omdat het beroep gegrond is, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Gedeputeerde staten moeten die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.277,-.Beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 15 februari 2022;\n\nverklaart de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 2., 3. en 4. genoemde (rechts)personen niet-ontvankelijk en bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;\n\ndraagt gedeputeerde staten op om binnen 4 weken opnieuw op de bezwaren van de in de kop van de uitspraak onder 1. genoemde (rechts)personen te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;\n\ndraagt gedeputeerde staten op het voor het beroep betaalde griffierecht van € 365,- aan verzoekers te vergoeden;\n\ndraagt gedeputeerde staten op het voor het verzoek om een voorlopige voorziening betaalde griffierecht van € 365,- aan verzoekers te vergoeden;\n\nveroordeelt gedeputeerde staten in de proceskosten van verzoekers in het beroep tot een bedrag van € 2.277,-;\n\nwijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2022.\n\nde griffier is verhinderd om\n\nde uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u voor zover op het beroep is beslist een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:1603.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:71.\n\n ECLI:NL:RBMNE:2021:4524.\n\n Overweging 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Richtlijn 92\u002F43\u002FEEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.\n\n Overwegingen 6.4. en 6.5 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Overweging 7.3 van de Logtsebaan-uitspraak.\n\n Overweging 17 van de uitspraak Westbroek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:1791","2026-07-13T00:29:49.842Z",1,20]