[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-immigration-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":176,"limit":177},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},146,"immigration-law-nl","Immigration Law","NL","2026-07-08T16:58:36.005Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},21,{"min":18,"max":19},"2024-10-02T00:00:00.000Z","2026-06-30T00:00:00.000Z",[],[22,33,42,49,56,63,70,78,85,92,99,106,113,120,127,134,141,150,158,167],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"1584","ECLI:NL:RBDHA:2026:18523","ecli-nl-rbdha-2026-18523","","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.9713\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister, waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18523","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:28.431Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":38,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":39,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":41},"575","ECLI:NL:RBDHA:2026:18738","ecli-nl-rbdha-2026-18738","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5043\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , eiseres\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister waarin haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiseres heeft een dergelijk besluit gekregen. Zij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiseres geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiseres geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiseres een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiseres recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiseres dan ook geen feitelijke betekenis meer. Zij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiseres voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat het procesbelang van eiseres bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18738","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:37.544Z",{"id":43,"ecli":44,"slug":45,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":46,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":47,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":48},"584","ECLI:NL:RBDHA:2026:18740","ecli-nl-rbdha-2026-18740","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5049\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18740","2026-07-13T00:28:38.080Z",{"id":50,"ecli":51,"slug":52,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":53,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":54,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":55},"590","ECLI:NL:RBDHA:2026:18746","ecli-nl-rbdha-2026-18746","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5053\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18746","2026-07-13T00:28:38.300Z",{"id":57,"ecli":58,"slug":59,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":60,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":61,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":62},"607","ECLI:NL:RBDHA:2026:18754","ecli-nl-rbdha-2026-18754","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5226\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nFeiten\n\n2. De zaak heeft betrekking op de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.1.. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat hij is vertrokken uit Nederland.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake meer is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n3.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n3.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser Nederland heeft verlaten en naar Ierland is vertrokken. Op 7 januari 2025 heeft eiser daar een asielaanvraag ingediend. De Ierse autoriteiten hebben de Nederlandse autoriteiten verzocht om de behandeling van de asielaanvraag over te nemen op grond van de Dublinverordening. De Nederlandse autoriteiten hebben ingestemd met dit verzoek. Hiertegen heeft eiser in Ierland beroep ingesteld. De Ierse autoriteiten hebben verzocht om verlenging van de termijn om de overdracht uit te voeren vanwege de schorsende werking van het beroep. HetHet is de minister niet gebleken dat eiser weer in Nederland verblijft.\n\n3.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. In zijn gronden heeft eiser het bovenstaande niet betwist. De rechtbank overweegt dat, doordat eiser Nederland heeft verlaten de vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV voor hem geen feitelijke betekenis meer heeft. Dit maakt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er in beginsel geen procesbelang is. Het is weliswaar mogelijk dat eiser op enig moment aan Nederland zal worden overgedragen door Ierland, maar dat is een onzekere toekomstige gebeurtenis waar nu geen procesbelang aan kan worden ontleend. Bovendien zal eiser op dat moment, zoals in het bestreden besluit staat vermeld, in beginsel recht hebben op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers vanwege de door hem in Ierland ingediende asielaanvraag, die dan door Nederland moet worden overgenomen en zal worden beoordeeld.\n\n4. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n4.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18754","2026-07-13T00:28:39.020Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":67,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":68,"sourceTimestamp":40,"parsedAt":31,"updatedAt":69},"617","ECLI:NL:RBDHA:2026:18755","ecli-nl-rbdha-2026-18755","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F5295\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18755","2026-07-13T00:28:39.485Z",{"id":71,"ecli":72,"slug":73,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":74,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":75,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":31,"updatedAt":77},"1815","ECLI:NL:RBDHA:2026:18255","ecli-nl-rbdha-2026-18255","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4976\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een beroepsprocedure aanhangig heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn herhaalde asielaanvraag. Hij heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening. In deze procedure is nog geen uitspraak gedaan. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18255","2026-07-03T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:40.162Z",{"id":79,"ecli":80,"slug":81,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":82,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":83,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":31,"updatedAt":84},"1809","ECLI:NL:RBDHA:2026:18249","ecli-nl-rbdha-2026-18249","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4962\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18249","2026-07-13T00:29:39.950Z",{"id":86,"ecli":87,"slug":88,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":89,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":90,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":31,"updatedAt":91},"1812","ECLI:NL:RBDHA:2026:18252","ecli-nl-rbdha-2026-18252","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4968\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18252","2026-07-13T00:29:40.057Z",{"id":93,"ecli":94,"slug":95,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":96,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":97,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":31,"updatedAt":98},"1752","ECLI:NL:RBDHA:2026:18232","ecli-nl-rbdha-2026-18232","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4904\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18232","2026-07-13T00:29:37.041Z",{"id":100,"ecli":101,"slug":102,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":103,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":104,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":105},"1608","ECLI:NL:RBDHA:2026:18530","ecli-nl-rbdha-2026-18530","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.36355\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n [eiseres] ,V-nummer: [V-nummer] , eiseres (tezamen; eisers)\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: H.H.M. van Dooren).\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\nIn het besluit van 1 juli 2024 heeft de minister de aanvraag van [referent] (referent) tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) voor zijn ouders (eisers) afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juli 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\nEisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, [eiser] , de broer van referent, R. Najjar als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Het beroep is ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eisers voor een mvv terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAanvraag\n\n2. Eisers hebben allebei de Syrische nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1965 en eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1975. Eiser is de vader van referent en eiseres is de moeder van eiser. Referent heeft op 26 januari 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv voor eisers.\n\nWat heeft de minister geoordeeld?\n\n3. De minister heeft de aanvraag eerst afgewezen omdat de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent niet aannemelijk was gemaakt. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de minister de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent wel aangenomen. Ook heeft de minister familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen omdat referent valt onder het bereik van het jongvolwassenenbeleid. De minister heeft de belangenafweging echter in het nadeel laten uitvallen en zich op het standpunt gesteld dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eisers om het familieleven met referent in Nederland uit te oefenen.\n\nWat voeren eisers aan?\n\n4. Eisers voeren aan dat de minister de belangen niet goed heeft afgewogen. Over de aard en intensiteit van het gezinsleven heeft referent aangevoerd dat de minister de medische verklaringen uit de Dublinprocedure, de asielprocedure en deze procedure, ten onrechte tegenover elkaar heeft gezet. Toen referent naar Europa kwam, wilde hij bij zijn broer verblijven. Dat was ook logisch omdat zijn broer de in Europa verblijvende persoon was. Uit de medische verklaringen volgt dat er een directe link is tussen de zorgen van referent over de veiligheid van zijn ouders en de mogelijkheid dat hun aanwezigheid stabiliserend en ondersteunend kan zijn. De minister heeft gesteld dat de medische feiten tegenstrijdig zijn, zonder dat rekening is gehouden met de psychische gesteldheid van referent. Verder voeren eisers aan dat de binding van eisers met Turkije ten onrechte wordt meegewogen. Kennelijk is het voor referent onvoldoende veilig om het gezinsleven daar uit te oefenen, omdat referent een verblijfsvergunning heeft gekregen.\n\nTen aanzien van de belangen van de staat hebben eisers aangevoerd dat het restrictief toelatingsbeleid niet als belang kan worden meegewogen. Over het economisch belang heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de woning van referent niet toereikend zou zijn. Daarnaast is het de verwachting dat sprake zal zijn van een verbetering in de gezondheidssituatie van referent als eisers naar Nederland komen. Verder is de aanname dat eisers voor langere tijd gebruik moeten maken van publieke voorzieningen te algemeen.\n\nWat is het toetsingskader?\n\n5. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de rechter zonder terughoudendheid moet toetsen of de minister alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. De vraag of de minister alle feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken, moet de rechtbank vol toetsen dus zonder terughoudendheid. De uitkomst van de belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of de minister in de belangenafweging in redelijkheid de nadelige punten voor eisers zwaarder mocht laten wegen dan de voordelige punten. Daarbij is nog van belang dat bij de toepasselijkheid van het jongvolwassenbeleid ook een belangenafweging moet plaatsvinden. Er is namelijk sprake van twee verschillende beoordelingskaders waarbij de weging van feiten kan verschillen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\nAard en intensiteit familieleven\n\n7. De minister heeft in het nadeel mogen meewegen dat de aard en intensiteit van het gezinsleven van referent met eisers sterk is verminderd. Daarbij heeft minister kunnen betrekken dat referent doelbewust naar Nederland is gekomen om bij zijn broer te kunnen zijn. Dat volgt onder andere uit de zittingsaantekeningen van de Dublinzitting van 23 september 2021. Toen heeft referent verklaard:\n\n‘Ik beschouw mijn broer als mijn vader voor het leven dat ik in Nederland graag wilde leiden. Sinds ik in [plaats] ben heb ik nooit een bloemrijke dag gezien, mijn leven is heel zwart. We hebben moeilijke omstandigheden gehad in Syrië. Toen ik uit elkaar moest gaan met mijn broer was mijn leven een grote puinhoop. Als ik weer uit elkaar wordt gehaald van mijn broer dan wil ik dit leven niet meer.’\n\n8. Ook volgt uit de medische verklaring van GZ-psycholoog [naam] van 2 april 2021 dat referent doelbewust naar Nederland is gekomen voor zijn broer. Daarin staat het volgende opgenomen:\n\n‘Zijn reden om te vluchten naar Nederland was om bij zijn broer te zijn. Volgens [referent] is zijn broer de enigste persoon die hem kan helpen met zijn psychisch welzijn. [referent] gaf aan dat andere familieleden hem niet steunen en begrijpen. [referent] is vanaf zijn 15de alleen achtergebleven bij zijn ouders en zus. Het feit dat zijn broer plotseling naar het buitenland is gegaan heeft veel impact gehad op de sociale-emotionele ontwikkeling van [referent] .\n\n [referent] heeft vanaf kind af aan altijd van zijn ouders moeten horen dat hij het nooit goed doet. De ouders van [referent] zijn analfabeet en leunden veel op de oudste broer van [referent] . Zijn broer was de enige die hem rust, liefde en regelmaat gaf zoals een kind deze zou moeten krijgen. Hij is een vader voor [referent] en zijn maatje met wie hij alles kan delen.’\n\n9. Tijdens de hoorzitting in bezwaar zijn de hiervoor weergegeven verklaringen aan referent voorgehouden en daarop heeft referent verklaard: ‘Toen ik naar Nederland vertrok zocht ik liefde. Niemand is liever dan vader en moeder. Ik kan niet zonder mijn ouders leven. Ik ben altijd bij hen geweest. Ik kan mij niet voorstellen zonder hen te leven. Ze houden veel van mij en zorgden goed voor mij. Ik kan niet zonder hen leven.’\n\n10. Over de verklaringen die referent tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft gegeven, heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat die moeilijk te rijmen zijn met de hiervoor weergegeven verklaringen. Eerst was de broer van referent het belangrijkst voor referent, en tijdens deze procedure zijn ouders. Referent heeft niet duidelijk kunnen uitleggen waarom zijn beeld zo is veranderd. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat uit de verklaring van referent dat zijn ouders hem niet begrijpen en dat zijn broer de enige die rust en liefde gaf, al volgt dat de aard en intensiteit van het gezinsleven verminderd is.\n\n11. Daarnaast volgt uit de medische verklaringen van 8 april 2021, 12 januari 2022 en 4 juni 2025 dat referent kampt met traumaklachten en depressieve symptomen. Ook maakt referent zich zorgen over het welzijn van eisers. Uit de verklaring van 4 juni 2025 volgt de verwachting dat de overkomst van eisers een positieve invloed zou kunnen vormen op de klachten van referent. Uit die verklaring volgt echter niet dat de overkomst van eisers de oplossing is van alle problemen van referent. Voor deze conclusie had de minister geen medisch deskundige hoeven in te schakelen. In de medische verklaring van 4 juni 2025 staat namelijk; ‘De prognose is op dit moment matig tot ongunstig, gezien de ernst van de klachten, de beperkte behandelrespons tot nu toe en de blijvend psychosociale stressoren. De aanwezigheid van zijn ouders in Nederland zou een beschermende factor kunnen vormen en mogelijk bijdragen aan stabilisering van het ziektebeeld.’ Daaruit volgt – naar het oordeel van de rechtbank - dat het slechts een verwachting is dat de overkomst van de ouders van referent een beschermende factor zou kunnen zijn.\n\n12. Verder heeft de minister van belang kunnen vinden dat referent inmiddels meer dan vier jaar zonder zijn ouders woont en dat referent het merendeel van de tijd bij zijn broer verblijft. Over de aard en intensiteit van het familieleven heeft de minister zich dus op terecht op het standpunt gesteld dat die sterk verminderd is. Dit heeft de minister in het nadeel van eisers kunnen meewegen in de belangenafweging.\n\nTurkije\n\n13. De minister heeft verder licht in het voordeel kunnen meewegen dat referent afkomstig is uit Syrië. Daarnaast wonen eisers sinds 2014\u002F2015 in Turkije. De minister heeft daarom kunnen stellen dat eisers een band hebben opgebouwd met Turkije. De minister heeft dat niet ten onrechte in het nadeel kunnen meewegen. Overigens is niet gebleken dat referent eisers niet kan opzoeken in Turkije, en op die manier zijn gezinsleven met eisers kan uitoefenen.\n\nRestrictief toelatingsbeleid – economisch belang\n\n14. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister het restrictief toelatingsbeleid als belang heeft kunnen laten meewegen. Het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid is onderdeel van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en ziet dus op meer dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas. Naast de vraag in hoeverre de komst van de vreemdelingen naar Nederland ten laste van de openbare middelen zal komen, kan dus ook relevant zijn in hoeverre zij in Nederland aanspraak zullen maken op al dan niet schaarse andere onderdelen van de maatschappelijke infrastructuur, zoals woningen of zorg.\n\n15. De minister heeft gelet op het voorgaande ook niet ten onrechte betrokken dat referent en eisers onvoldoende middelen van bestaan hebben. De minister verwacht niet onrechte dat referent niet financieel voor eisers kan zorgen, omdat hij geen inkomen heeft uit loondienst. De verwachting van referent dat de kansen op de arbeidsmarkt voor referent worden vergroot als eisers in Nederland zijn, hebben eisers niet onderbouwd. Eisers hebben in beroep geen stukken overgelegd waaruit volgt dat referent bezig is met een opleiding of met het vinden van werk.\n\n16. Verder heeft de minister in het nadeel kunnen meewegen dat eisers voor een langere tijd een beroep moeten doen op de openbare kas. Eisers spreken immers de Nederlandse taal en cultuur niet, dus zouden niet op korte termijn kunnen gaan werken als zij in Nederland zijn aangekomen.\n\n17. Tot slot heeft de minister niet ten onrechte meegewogen dat referent niet beschikt over een geschikte woonruimte voor eisers. Tijdens de bezwaarprocedure heeft referent verklaard dat de woning niet geschikt is voor eisers, omdat het klein is. De minister heeft hierbij de opmerking kunnen plaatsen dat het voorzienbaar is dat eisers een eigen woning zullen aanvragen, en dat dit extra druk oplevert op de woonvoorzieningen in Nederland.\n\n18. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister heeft het economisch belang van de staat in het nadeel van eisers heeft mogen laten meewegen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra - Foppen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.4.\n\n Zie pagina 6 van het verslag van de hoorzitting in bezwaar d.d. 26 mei 2025.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18530","2026-07-13T00:29:29.427Z",{"id":107,"ecli":108,"slug":109,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":110,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":111,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":112},"1721","ECLI:NL:RBDHA:2026:18561","ecli-nl-rbdha-2026-18561","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4992\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18561","2026-07-13T00:29:35.769Z",{"id":114,"ecli":115,"slug":116,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":117,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":118,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":119},"1726","ECLI:NL:RBDHA:2026:18569","ecli-nl-rbdha-2026-18569","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4993\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18569","2026-07-13T00:29:36.003Z",{"id":121,"ecli":122,"slug":123,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":124,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":125,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":31,"updatedAt":126},"1796","ECLI:NL:RBDHA:2026:18244","ecli-nl-rbdha-2026-18244","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4942\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nFeiten\n\n2. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.1.. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n3.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n3.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een verblijfsvergunning heeft gekregen. Hierdoor is eiser voor onderdak en ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie niet langer aangewezen op de Staat der Nederlanden. Hij kan de gemeente vragen om bemiddeling naar of voorrang bij de toewijzing van een woonruimte of onderdak.Ook kan hij bij de gemeente bijstand in de noodzakelijke kosten van bestaan aanvragen.De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze mogelijkheden.\n\n3.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de mogelijkheden die onder 3.2. zijn vermeld. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n4. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n4.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).\n\n Op grond van de Huisvestingswet, de plaatselijke huisvestings- of woonruimteverordening of de reguliere dak- en thuislozenregeling.\n\n Op grond van de Participatiewet.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18244","2026-07-13T00:29:39.372Z",{"id":128,"ecli":129,"slug":130,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":131,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":132,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":31,"updatedAt":133},"1800","ECLI:NL:RBDHA:2026:18245","ecli-nl-rbdha-2026-18245","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4946\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18245","2026-07-13T00:29:39.526Z",{"id":135,"ecli":136,"slug":137,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":37,"fullText":138,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":139,"sourceTimestamp":76,"parsedAt":31,"updatedAt":140},"1802","ECLI:NL:RBDHA:2026:18247","ecli-nl-rbdha-2026-18247","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F4952\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nFeiten\n\n2. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.1.. In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n3.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n3.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een verblijfsvergunning heeft gekregen. Hierdoor is eiser voor onderdak en ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie niet langer aangewezen op de Staat der Nederlanden. Hij kan de gemeente vragen om bemiddeling naar of voorrang bij de toewijzing van een woonruimte of onderdak.Ook kan hij bij de gemeente bijstand in de noodzakelijke kosten van bestaan aanvragen.De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze mogelijkheden.\n\n3.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de mogelijkheden die onder 3.2. zijn vermeld. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n4. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n4.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).\n\n Op grond van de Huisvestingswet, de plaatselijke huisvestings- of woonruimteverordening of de reguliere dak- en thuislozenregeling.\n\n Op grond van de Participatiewet.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18247","2026-07-13T00:29:39.616Z",{"id":142,"ecli":143,"slug":144,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":145,"fullText":146,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":147,"sourceTimestamp":148,"parsedAt":31,"updatedAt":149},"1083","ECLI:NL:RBDHA:2026:18637","ecli-nl-rbdha-2026-18637","2026-04-24T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8138\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\nDeze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 24 april 2025 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel - artikel 8 EVRM (de aanvraag).\n\nOverwegingen\n\nDe rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1\n\nVoor aanvragen die zijn ingediend op of na 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van uiterlijk negen maanden na indiening daarvan. De minister kan deze termijn verlengen in geval van bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag.2 De minister heeft van deze bevoegdheid geen gebruik gemaakt.\n\n3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3\n\n1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n2 ECLI:NL:RVS:2025:5787.\n\n3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\nIs het beroep van eiser gegrond?\n\n4. Eiser heeft een ingebrekestelling ingediend. De minister heeft de ontvangst daarvan bevestigd op 4 februari 2026. De minister heeft de ingebrekestelling niet geweigerd.4 In de uitspraak van 13 februari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat een elektronisch ingediende ingebrekestelling via “veilig mailen” rechtsgeldig is als de minister de ontvangst daarvan heeft bevestigd.5 Dit geldt ook als de ingebrekestelling niet via de door de minister voorgeschreven weg is ingediend. Anders dan de minister stelt, is de rechtbank van oordeel dat de ingebrekestelling geldig is en onderdeel uitmaakt van het dossier. Het standpunt van de minister dat het beroep niet-ontvankelijk is, volgt de rechtbank dan ook niet.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat de termijn waarbinnen de minister had moeten beslissen op de aanvraag is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Dit betekent dat het beroep terecht is ingediend. Het beroep is kennelijk gegrond.\n\nWelke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?\n\n6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.6 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7\n\n7. In de uitspraak van 17 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat bij nareisaanvragen sprake is van zo'n bijzonder geval.8 Ook heeft de rechtbank in die uitspraak uitgangspunten geformuleerd voor het opleggen van een passende nadere beslistermijn. De rechtbank zal deze uitgangspunten ook in deze zaak toepassen.\n\n8. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Hierin heeft de minister aangegeven dat hij de aanvraag naar verwachting in april 2028 in behandeling neemt. Hierbij is onduidelijk wanneer de minister gaat beslissen op de aanvraag. De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak moet beslissen. Dit ligt anders als de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en hij dat schriftelijk aan eiser meedeelt. In dat geval moet de minister het besluit binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak bekend maken.\n\n4 Artikel 2:15, vierde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van de ontvangstbevestiging van de ingebrekestelling.\n\n5 ECLI:NL:RBDHA:2026:3820.\n\n6 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n7 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.\n\n8 ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.\n\nLegt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?\n\n9. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.9 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van\n\n€ 15.000,-.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 7. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.\n\n11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5) die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken dan wel aan eiser nader onderzoek aan te bieden en dit aan eiser mee te delen;\n\ndraagt de minister op om, in het geval nader onderzoek wordt aangeboden, binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;\n\nbepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;\n\nbepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 200,- vergoedt;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van R.M. Houmad, griffier.\n\n9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https:\u002F\u002Fwww.rechtspraak.nl\u002FOnderwerpen\u002FOverheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd\u002FPaginas\u002Fextra-dwangsom.aspx.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n24 april 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18637","2026-07-07T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:03.158Z",{"id":151,"ecli":152,"slug":153,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":154,"fullText":155,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":156,"sourceTimestamp":148,"parsedAt":31,"updatedAt":157},"1166","ECLI:NL:RBDHA:2026:18648","ecli-nl-rbdha-2026-18648","2026-01-12T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.12902\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Orhan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de vraag of eiser voldoende middelen van bestaan heeft en daarom een verblijfsvergunning voor economisch niet-actieve langdurig ingezeten derdelanders moet krijgen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht die vergunning niet heeft verleend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.\n\nHierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor economisch niet-actieve langdurig ingezeten derdelanders. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n1.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de neef van eiser [naam] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser voert aan dat hij voldoende stabiele en regelmatige inkomsten heeft. Hij beschikt over een spaartegoed van € 11.538,15. Dit blijkt uit de schermafbeelding die eiser heeft verstrekt. Eiser heeft dus vermogen dat voldoende is om niet ten laste te komen van de sociale bijstand in Nederland. Verder voert eiser aan dat het moeten aantonen van de herkomst van zijn vermogen in strijd is met de Richtlijn voor langdurig ingezetenen, rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) en een uitspraak van de\n\nrechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam.1 Ook handelt de minister in strijd met Europees recht door te vragen of er nog inkomen is naast het vermogen en te vragen wat de herkomst van het vermogen is. Met die toets werpt de minister onrechtmatige discriminatoire drempels op. Ten slotte voert eiser aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase en dat daarmee de hoorplicht is geschonden.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat een aanvraag voor de gevraagde verblijfsvergunning slechts wordt verleend als de aanvrager (onder meer) zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (het zogeheten middelenvereiste).2 Middelen van bestaan in de vorm van eigen vermogen zijn duurzaam als zij voor een aaneengesloten periode van een jaar beschikbaar zijn geweest en nog beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.3 De minister accepteert alle middelen van bestaan ongeacht de bron waaruit deze afkomstig zijn.43.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen, omdat eiser niet voldoet aan het middelenvereiste. Er is niet komen vast te staan dat eiser daadwerkelijk over het gestelde vermogen beschikt. In het dossier zit slechts een ongedateerde schermafbeelding van een bankrekening op naam van [eiser] met een banksaldo van € 11.538,15. Niet duidelijk is wanneer eiser over dit vermogen beschikte en of dit vermogen dus duurzaam is. De minister heeft dit daarom onvoldoende onderbouwing mogen vinden. In beroep heeft eiser verder niet alsnog concrete informatie overgelegd over het banksaldo. Het is daarnaast ook niet aan de rechtbank om op de zitting via internetbankieren het banksaldo te controleren; het is aan een aanvrager om voldoende concrete gegevens aan de minister aan te leveren voor het te nemen besluit.3.2.. Aangezien niet is komen vast te staan dat eiser over vermogen beschikt, hoeven de beroepsgronden over de herkomst en de hoogte van het bedrag niet meer te worden besproken. Voor zover eiser daarnaast aanvoert dat de minister in strijd met Europees recht handelt en\u002Fof onrechtmatige discriminatoire drempels opwerpt, slaagt deze stelling niet. Eiser heeft deze stelling verder niet onderbouwd en de rechtbank is ook niet gebleken dat daarvan sprake is.3.3.. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. Als uitgangspunt geldt dat de minister een bezwaarmaker in de gelegenheid stelt om zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten tijdens een hoorzitting.5 Afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval kan daarvan worden afgeweken. Daarbij is onder meer van belang of alle relevante informatie is overgelegd en of er nog onduidelijkheden bestaan over het te beoordelen feitencomplex.6 In dit geval vindt de rechtbank dat de minister eiser niet heeft hoeven horen. Concrete gegevens over het vermogen zijn essentieel voor de beoordeling van de middelen van bestaan. De minister heeft eiser tijdens de bezwaarfase ook in de gelegenheid gesteld om die onderbouwing aan te leveren. In reactie daarop heeft eiser alleen de schermafbeelding verstrekt. Eiser heeft (ook in beroep) niet uitgelegd waarom hij geen concretere informatie kon verstrekken. Dat eiser in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om een hoorzitting, heeft de minister – afgezet tegen de andere omstandigheden van het geval – onvoldoende reden voor een hoorzitting mogen vinden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n1. Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. De arresten van het Hof van 3 oktober 2019,\n\nECLI:EU:C:2019:830 en van 21 april 2016 (Khachab), ECLI:EU:C:2016:285 en van 4 maart 2010 (Chakroun), ECLI:EU:C:2010:117. De uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 6 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5714.\n\n2 Artikel 3.29a, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n3 Artikel 3.75, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n4 Paragraaf B11\u002F2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n5 Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en Werkinstructie 2022\u002F20 Horen en mandatering bezwaar.\n\n6 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.\n\n12 januari 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18648","2026-07-13T00:29:07.754Z",{"id":159,"ecli":160,"slug":161,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":162,"fullText":163,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":164,"sourceTimestamp":165,"parsedAt":31,"updatedAt":166},"323","ECLI:NL:RBDHA:2025:14763","ecli-nl-rbdha-2025-14763","2025-07-17T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers: NL24.28766 en NL24.31658\n\nuitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n [eiseres] ,V-nummer [V-nummer] , eiseres samen aangeduid als eisers\n\n(gemachtigde: mr. D. Karasahin), en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N.N. Bontje).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de intrekking met terugwerkende kracht van eisers verblijfsvergunningen regulier over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 en de afwijzing van de aanvragen van eisers voor verblijfsvergunningen onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’. Eisers zijn het niet eens met de intrekking van hun verblijfsvergunningen en de afwijzing van hun aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunningen en de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken en dat de minister de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ mocht afwijzen.Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Inleiding en procesverloop\n\n2. Eisers hebben de Russische nationaliteit. Aan eiser, geboren op [geboortedatum] 1985,was een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ verleend die geldig was van 21 september 2019 tot 1 december 2024. Aan eiseres, geboren op [geboortedatum] 1988, is een van eiser afhankelijke vergunning verleend.\n\n2.1.. Op 28 februari 2022 heeft [bedrijf 1] B.V. aan de minister gemeld dat eiser met ingang van 28 februari 2022 niet meer werkzaam is bij deze werkgever.\n\n2.2.. Eisers hebben op respectievelijk 28 augustus 2023 en 1 september 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’.\n\n2.3.. Vervolgens heeft de minister op 27 september 2023 eisers geïnformeerd dat hij voornemens is hun verblijfsvergunningen in te trekken, omdat niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan omdat eiser sinds 28 februari 2022 niet werkzaam is bij een erkend referent. Eiser heeft op dit voornemen gereageerd en aangegeven dat hij met ingang van 1 maart 2022 werkzaam was bij [bedrijf 2] en dat hij inmiddels werkzaam is bij [bedrijf 3] . Bij besluit van 22 november 2023 heeft de minister de verblijfsvergunning van eisers met terugwerkende kracht ingetrokken voor de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023, omdat eiser in die periode niet voldeed aan de voorwaarden. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 20 juni 2024 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Het beroep dat eisers hiertegen hebben ingesteld is geregistreerd onder zaaknummer NL24.28766.\n\n2.4.. Bij separate besluiten van 27 februari 2024 heeft de minister de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken verblijf in Nederland op basis van een niet-tijdelijke verblijfsvergunning. Het bezwaar hiertegen heeft de minister bij besluit van 23 juli 2024 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard. Het beroep dat eisers hiertegen hebben ingesteld is geregistreerd onder zaaknummer NL24.31658.\n\n2.5.. De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, mevrouw A. Avakyan als tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nNL24.28766 – de intrekking van de verblijfsvergunningen\n\nMocht de minister de vergunningen intrekken?\n\n3. De minister heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat eiser over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 niet voldeed aan de voorwaarden. Na de melding van [bedrijf 1] B.V. aan de minister dat eiser daar met ingang van 28 februari 2022 niet meer werkzaam is heeft de minister geen melding ontvangen van een andere werkgever of van eiser. Uit onderzoek van de minister is gebleken dat eiser in de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 augustus 2022 werkzaam is geweest bij een erkend referent, namelijk [bedrijf 2] . Vervolgens is eiser met ingang van 1 september 2022 in dienst getreden bij [bedrijf 3] B.V. en dat is geen erkend referent. De minister heeft daarom, met inachtname van de zoekperiode van drie maanden, met ingang van 1 december 2022 de vergunningen van eisers ingetrokken.\n\n4. De rechtbank stelt vast dat op artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder van de Vw de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden kan ingetrokken indien niet (langer) wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Dit betreft dus een discretionaire bevoegdheid.\n\n5. In paragraaf B1\u002F6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is invulling gegeven aan deze discretionaire bevoegdheid door te bepalen dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop niet (meer) wordt voldaan aan de in die paragraaf vermelde voorwaarden.\n\n6. De rechtbank stelt vast dat eisers niet betwisten dat [bedrijf 3] B.V. geen erkend referent is, dat eiser daarom over de periode in geding niet voldeed aan de voorwaarden van zijn vergunning en dat de minister daarom de verblijfsvergunningen mocht intrekken. Eisers voeren aan dat de intrekking van hun vergunningen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.\n\nHet evenredigheidsbeginsel\n\n7. Eisers voeren aan dat de minister van intrekking had moeten afzien, omdat de gevolgen voor hen onevenredig zijn. Eisers vinden intrekking van hun verblijfsvergunningen niet noodzakelijk en niet evenwichtig. Eisers zijn van mening dat de minister met een alternatief, lichter middel had moeten volstaan, zoals een boete voor de werkgever van eiser. Eisers voeren in dit kader aan dat eiser niet wist dat zijn werkgever geen erkend referent was en dat het hem niet valt te verwijten dat zijn werkgever een fout heeft gemaakt. Eiser was werkzaam bij een erkend referent, [bedrijf 2] , en is bij brief van 3 augustus 2022 door zijn werkgever geïnformeerd dat hij per 1 september 2022 werkzaam is bij [bedrijf 3] B.V., maar dat dit geen gevolgen heeft voor zijn arbeidsvoorwaarden. Door de intrekking is er voor eisers een verblijfsgat ontstaan en zal het langer duren voordat zij permanent verblijf in Nederland kunnen krijgen, terwijl eisers hiermee al bezig waren en hun toekomstplannen daarop hadden afgesteld. Ook wijzen zij op de memorie van toelichting bij de Wet modern migratiebeleid waar uit volgt dat niet altijd hoeft te worden ingetrokken bij het niet voldoen aan de voorwaarden en juist de plicht tot maatwerk wordt opgelegd.\n\n8. In de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een algemeen kader geformuleerd voor de toetsing van op een discretionaire bevoegdheid rustende besluiten, zoals hier ook het geval is, aan het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling heeft onder 7.10 van die uitspraak overwogen dat, als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, de bestuursrechter de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de besluiten, zal toetsen aan de norm die is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van een veelheid aan factoren en verschilt daarom van geval tot geval. Geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid spelen daarbij een rol, maar de toetsing daaraan zal niet in alle gevallen op dezelfde wijze plaatsvinden. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1938, r.o. 13.1).\n\n9. De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling (waaronder de uitspraak van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2285) volgt dat intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ in beginsel evenredig is, omdat een juiste toepassing van de kennismigrantenregeling een legitiem belang is. De Afdeling heeft in een uitspraak van 30 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3294, geoordeeld dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet modern migratiebeleid volgt dat de koppeling tussen de referentstelling en de verblijfsvergunning van een vreemdeling die verblijf beoogt als kennismigrant, bewust is aangebracht om te voorkomen dat een werkgever, zonder zich referent te stellen, toch het gewenste verblijf van de desbetreffende vreemdeling kan bewerkstelligen. Dit betekent dat de gevolgen van het handelen van de werkgever in beginsel voor rekening van de vreemdeling mag worden gebracht.\n\n10. Uit de door eiser overgelegde brief van 3 augustus 2022 blijkt dat hij er in die brief op is gewezen dat hij met ingang van 1 september 2022 een formeel andere werkgever had: “Through this letter, [bedrijf 2] AB and you mutually agree that, with effect from September 1,2022, your employment will transfer to [bedrijf 3] B.V., who will be your new formal employer.\n\nThe transfer merely constitutes a change of your formal employer. (…)\n\nYour employment with [bedrijf 2] AB will therefore terminate in mutual consent upon the transfer to [bedrijf 3] on September 1, 2022 (…)”\n\n11. Eiser was dus in kennis gesteld van het feit dat sprake was van een formeel andere werkgever. Het had daarom (ook) op zijn weg gelegen om aan de minister door te geven dat hij met ingang van 1 september 2022 een andere werkgever had. Eiser was namelijk op grond van artikel 4.26 van het Vreemdelingen Voorschrift 2000 (VV) ook zelf verplicht om wijziging van een werkgever door te geven. De stelling van eisers dat uit de toelichting op artikel 4.26 van het VV blijkt dat deze meldingen door de werkgevers gemaakt moeten worden en niet door de kennismigranten zelf volgt de rechtbank niet. De tekst van artikel van het VV biedt geen ruimte voor deze uitleg van eisers:\n\n“De vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, studie, seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, als houder van de Europese blauwe kaart of in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016\u002F801, verstrekt inlichtingen indien hij van uitwisselings- of au pairorganisatie, onderwijsinstelling of werkgever wijzigt.”\n\n12. De stelling van eisers ter zitting dat meldingsformulieren die zijn ingediend door kennismigranten niet door de minister in behandeling worden genomen onder vermelding dat zij zich moeten wenden tot de referent die de melding moet doen, is een handelwijze die door de minister uitdrukkelijk wordt bestreden. De rechtbank merkt hierover op dat eisers niet hebben gesteld op enig moment actie te hebben ondernomen om de minister op de hoogte te brengen of te doen brengen van de wijziging van werkgever, waardoor de gestelde werkwijze van de minister niet kan leiden tot een ander oordeel.\n\n13. De rechtbank overweegt verder dat het feit dat de intrekking als gevolg heeft dat er een verblijfsgat is ontstaan en dat eisers daardoor pas op een later moment in aanmerking kunnen komen voor verlening van verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd en ook pas later kunnen naturaliseren, de minister geen aanleiding heeft hoeven geven om van de intrekking van de verblijfsvergunningen af te zien. Deze nadelige gevolgen zijn niet onevenredig in verhouding tot de met de intrekking beoogde doel en daarbij is ook van belang dat eisers op dit moment in het bezit zijn van geldige verblijfsvergunningen en zij hun verblijf in Nederland dus kunnen voortzetten. De rechtbank verwijst in dit kader naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 november 2017. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan dus niet slagen. De beroepsgrond dat de minister ten onrechte geen aparte belangenafweging voor eiser en eiseres heeft gemaakt kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de besluitvorming volgt duidelijk dat de minister in de belangenafweging zowel de belangen van eiser als die van eiseres heeft betrokken.\n\nHet gelijkheidsbeginsel\n\n14. Eisers voeren verder aan dat de intrekking van hun verblijfsvergunningen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In dit kader verwijzen eisers naar een overzicht van zaken waarin volgens hen ook sprake is van kennismigranten die niet aan de voorwaarden van de vergunning hebben voldaan wegens een fout van hun werkgever. Eisers verwijzen verder naar de (niet-gepubliceerde) uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 2 februari 2024 (NL22.15214) en zittingsplaats Amsterdam 8 mei 2024 (NL23.20232) waar ook een beroep is gedaan op het door eiser overgelegde overzicht.\n\n15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. De minister heeft in het bestreden besluit I en het verweerschrift de door eisers genoemde uitspraken afzonderlijk besproken en uiteengezet waarom geen sprake is van gelijke gevallen. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillen in de gezinsomstandigheden, de perioden waarin niet is voldaan aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en verschillen de voorwaarden waar niet aan is voldaan. De minister heeft ter zitting toegelicht dat het gaat om een optelsom van omstandigheden waarom in die zaken is besloten om af te zien van intrekking. Eisers hebben ter zitting desgevraagd niet duidelijk kunnen uitleggen waarom volgens hen toch sprake is van gelijke gevallen.\n\nConclusie intrekking\n\n16. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken.\n\nNL24.31658 – de afwijzing van de aanvragen\n\nAmbtshalve toetsing van de bevoegdheid\n\n17. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit gewijzigd van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de Minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het bestreden besluit II ten onrechte is genomen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld.\n\nMocht de minister de aanvragen van eisers afwijzen?\n\n18. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ ten grondslag gelegd dat zij niet voldoen aan de voorwaarden, omdat zij niet minimaal vijf jaar onafgebroken in Nederland hebben verbleven op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet tijdelijk verblijfsdoel. Eisers hebben namelijk over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 geen geldige verblijfsvergunning gehad.\n\n19. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte hun aanvragen heeft afgewezen en dat dit in strijd is met de Richtlijn langdurig ingezetene (Richtlijn 2003\u002F109\u002FEG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen). Eisers stellen dat zij in de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 formeel beperkt verblijfsrecht hadden. Eisers verwijzen in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3447 en twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 14 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21072 en 24 januari 2024, NL23.16560.\n\n20. Op grond van artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder a, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen, indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag ononderbroken en rechtmatig verblijf heeft gehad.\n\n21. Zoals de rechtbank onder 17 heeft geoordeeld heeft de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mogen intrekken. Dat betekent dat eisers over deze periode geen rechtmatig verblijf hebben gehad. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eisers over deze periode een formeel beperkt verblijfsrecht hebben gehad.\n\n22. In paragraaf D1\u002F2.2. van de Vc is opgenomen dat sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht als bedoeld in artikel 45b, eerste lid onder b, van de Vw als:\n\nDe vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning; of\n\nDe vreemdeling verblijf heeft gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen of wijzigen en gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure, gericht tegen een intrekking van een verblijfsvergunning.\n\n23. De rechtbank stelt vast dat de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 niet onder een van deze voorwaarden valt. De rechtbank is verder van oordeel dat de jurisprudentie waar eiser naar verwijst en de Richtlijn langdurig ingezetene onvoldoende aanknopingspunten bieden om de periode in geding aan te kunnen merken als formeel beperkt verblijfsrecht. In de uitspraak van 23 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3447 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister ‘terecht’ de periode waarin een vreemdeling niet beschikte over rechtmatig verblijf heeft aangemerkt als formeel beperkt verblijfsrecht en heeft de Afdeling ter motivering verwezen naar een andere uitspraak van de Afdeling van 3 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1435. Zoals de minister in het verweerschrift heeft opgemerkt, gaat het in de uitspraak van 3 april 2012 om een andere situatie. In die zaak ging het namelijk om een vreemdeling die in afwachting was van een besluit op zijn aanvraag om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning regulier en dat is een situatie die volgens paragraaf D1\u002F2.2. van de Vc wel een formeel beperkt verblijfsrecht oplevert. De rechtbank ziet daarom in de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016 onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 als formeel beperkt verblijfsrecht moet worden aangemerkt. De rechtbank is verder van oordeel dat de Richtlijn langdurig ingezetene evenmin aanknopingspunten biedt om de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 als formeel beperkt verblijfsrecht aan te merken. Artikel 4 van de Richtlijn bepaalt immers uitdrukkelijk dat lidstaten de status van langdurig ingezetene toekennen aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek op het grondgebied van de lidstaat verblijven. Nu de minister over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 de verblijfsvergunningen van eisers heeft mogen intrekken hebben zij over die periode geen rechtmatig verblijf gehad.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n24. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit II in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en verwijzen ter onderbouwing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 14 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21072.\n\n25. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De enkele verwijzing naar (met name 5.1. van) de uitspraak van Amsterdam is onvoldoende onderbouwing dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De minister heeft bovendien bestreden dat sprake is van een vaste gedragslijn inhoudende dat de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning de opbouw van de verblijfsjaren in de zin van de Richtlijn langdurig ingezetenen niet onderbreekt en ook in dat geval een formeel beperkt verblijfrecht wordt aangenomen over de periode waar het verblijfsgat op ziet.\n\nHoorplicht\n\n26. Eisers voeren aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. Uit vaste rechtspraak en WI 2022\u002F20 volgt dat van een kennelijk ongegrond bezwaar slechts sprake kan zijn als er bijvoorbeeld sprake is van een herhaling van zetten en daar is geen sprake van.\n\n27. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan alleen van horen worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. In de bezwaargronden hebben eisers argumenten aangevoerd om te onderbouwen dat hun aanvragen ten onrechte zijn afgewezen, omdat sprake was van formeel beperkt verblijfsrecht. Over die rechtsvraag heeft verweerder eisers niet hoeven horen.\n\nConclusie afwijzing aanvragen\n\n28. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvragen van eisers heeft mogen afwijzen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n29. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de minister verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken en dat de minister de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ mocht afwijzen. Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgen eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzitter, en mr. S.G.M. van Veen en mr. E.R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n17 juli 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14763","2025-08-08T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:24.393Z",{"id":168,"ecli":169,"slug":170,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":171,"fullText":172,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":173,"sourceTimestamp":174,"parsedAt":31,"updatedAt":175},"635","ECLI:NL:RBDHA:2025:6692","ecli-nl-rbdha-2025-6692","2025-04-15T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.1577\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de weigering eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor amv heeft mogen weigeren.1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de weigering een verblijfsvergunning te verlenen in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 11 mei 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. De minister heeft met het bestreden besluit van 7 januari 2025 deze aanvraag (opnieuw) afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister beslist dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt op grond van het buitenschuldbeleid voor amv. Verder heeft de minister beslist dat eiser om medische redenen uitstel van vertrek krijgt voor de duur van zes maanden.2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en de heer Z. Gharbaoui als tolk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n3. Een eerder ingediend beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser is door deze rechtbank en zittingsplaats op 19 januari 2023 gegrond verklaard.1 Hierbij is het eerder door de minister genomen besluit2 op de asielaanvraag van eiser vernietigd, maar alleen voor zover daarin een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op basis van het buitenschuldbeleid amv is afgewezen en een terugkeerbesluit is genomen. Het gedeelte van het besluit dat betrekking heeft op de asielaanvraag van eiser is wel in stand gelaten. De rechtbank stelt daarom vast dat de afwijzing van de aanvraag voor zover deze betrekking heeft op het verzoek om internationale bescherming niet meer aan de orde is. Die staat in rechte vast. Ter beoordeling ligt dan ook enkel nog het niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv voor. Ter zitting hebben partijen bevestigd dat het geschil zich hiertoe beperkt.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft geoordeeld dat eiser niet (met terugwerkende kracht) in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid amv. Eiser is inmiddels meerderjarig geworden en adequate opvang kon niet gedurende de minderjarigheid van eiser worden vastgesteld. De minister overweegt dat dit komt doordat het gelet op adviezen van Medifirst niet mogelijk was om eiser in persoon te horen over eventuele opvangmogelijkheden in Marokko. De minister heeft daarom bij meerderjarigheid van eiser bezien of eiser alsnog in aanmerking komt voor vergunningverlening. Nu eiser echter na het beantwoorden van schriftelijke vragen onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang is dit niet het geval, aldus de minister. De minister wijst er in dat kader onder meer op dat eiser geen adres- of telefoongegevens van de ooms, bij wie hij eerder in Marokko had verbleven, heeft verstrekt. Dit terwijl eiser bij de beantwoording van de vragen had aangegeven dit na te moeten vragen bij zijn moeder, met wie hij regelmatig telefonisch contact heeft. Deze ooms hebben eerder voor eiser gezorgd en gesteld noch gebleken is dat zij dit niet opnieuw hadden kunnen doen.\n\nHeeft de minister voortvarend gehandeld bij het onderzoek naar adequate opvang?\n\n5. Eiser voert aan dat de minister niet voortvarend heeft gewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Ook is er niet door de minister gemotiveerd waarom het onderzoek niet afgerond kon zijn binnen de daartoe gestelde maximale termijn van een jaar. Gelet hierop en onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)3 is eiser van mening dat hem een vergunning in het kader van het buitenschuldbeleid amv had moeten worden verleend.\n\n6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie4 (HvJ) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 20225 volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Verder volgt uit die uitspraken van de Afdeling dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, de minister niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aan te tonen. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Of de minister voortvarend handelt vergt een casuïstische beoordeling waarbij onder meer vertragende factoren die niet aan de minister kunnen worden toegerekend en de medewerking van de vreemdeling een rol spelen, aldus de Afdeling.\n\n1. Uitspraak van deze rechtbank in de zaak NL22.26206.\n\n2 Van 30 november 2022.\n\n3 Uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 ECLI:NL:RVS:2022:1530 en van 12 juli 2023,\n\nECLI:NL:RVS: 2023:2670.\n\n4 Arrest van 14 januari 2021, zaak C-441\u002F19.\n\n5 ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 mei 2021 een aanvraag heeft gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Op 30 november 2022 heeft de (rechtsvoorganger van de) minister deze aanvraag afgewezen en geconcludeerd dat er adequate opvang aanwezig is in Marokko in de persoon van de moeder van eiser. De minister is daarbij uitgegaan van de omstandigheid dat de ouders van eiser inmiddels waren gescheiden. Op 19 januari 2023 heeft de rechtbank het beroep van eiser hiertegen gegrond verklaard en geoordeeld dat het onderzoek naar een opvangmogelijkheid in Marokko ontoereikend is geweest. Eiser moet verder worden bevraagd of er moet op een andere manier informatie worden ingewonnen over de vraag of de vader van eiser zich al dan niet bij zijn moeder bevindt en of de opvang bij zijn moeder daarmee adequaat is. Ook de gezondheidssituatie van eiser moet hierbij worden betrokken.\n\n8. Na deze uitspraak heeft de minister, zo blijkt uit het voornemen, op 25 april 2023, 30 mei 2023, 19 september 2023, 13 oktober 2023 en 9 januari 2024 medisch advies ingewonnen om te laten beoordelen of eiser medisch in staat is om gehoord te worden over opvangmogelijkheden in Marokko. Uit deze adviezen blijkt steeds dat eiser ofwel zonder bericht niet was verschenen op het spreekuur ofwel eiser (nog) niet kon worden gehoord. Op 1 februari 2024 heeft de minister uiteindelijk eiser schriftelijke vragen voorgelegd met betrekking tot zijn opvangmogelijkheden in Marokko. Deze heeft eiser bij brief van 11 maart 2024 beantwoord. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat niet eerder voor het stellen van schriftelijke vragen is gekozen omdat het in persoon horen sterk de voorkeur geniet boven het stellen van zakelijke vragen op papier, zeker in het geval van een kwetsbare minderjarige. Ook heeft de minister hierbij laten meewegen dat de artsen steeds verzochten om eiser na een bepaalde termijn (1 à 3 maanden) opnieuw te zien waardoor bij de minister de hoop bleef bestaan dat eiser alsnog in persoon gehoord kon worden. De minister heeft steeds na (ongeveer) de door Medifirst geadviseerde termijn opnieuw een medisch onderzoek laten doen. Verder heeft DT&V in die periode nader onderzoek gedaan door meerdere keren (vergeefs) te proberen telefonisch contact op te nemen met de ouders van eiser. Ook is er een gesprek gevoerd met de voogd van eiser. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende inzichtelijk heeft gemaakt welke stappen zijn ondernomen en wat de redenen zijn geweest voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang. Deze zijn gelegen in de medische situatie van eiser waardoor horen steeds niet mogelijk is gebleken. Tot de meerderjarigheid van eiser is er geen positief hooradvies uitgebracht door Medifirst. Dit is een omstandigheid die niet aan de minister kan worden toegerekend. Hierbij acht de rechtbank het gelet op de uitleg van de minister niet onbegrijpelijk dat de insteek steeds is gebleven om eiser in persoon te horen. De minister heeft daarom, onder de gegeven omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank voortvarend gehandeld en dit op voldoende wijze inzichtelijk gemaakt. Anders dan eiser betoogt, wordt door de Afdeling in de uitspraak van 8 juni 2022 geen maximumtermijn van één jaar aan het onderzoek naar adequate opvang verbonden. Door de Afdeling wordt in dit verband juist benoemd dat deze termijn per situatie kan verschillen waarbij de minister wel gehouden is om voortvarend te handelen.6 De beroepsgrond slaagt dan ook niet.\n\nHeeft eiser voldoende meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang?\n\n9. Eiser stelt dat hem ten onrechte is tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiser verwijst hierbij naar de nota van DT&V van 8 februari 2024 waarin wordt geconcludeerd dat het onderzoek naar adequate opvang niet binnen de gestelde onderzoekstermijn kon worden vastgesteld maar dat dit evident niet te wijten valt aan een gebrek aan medewerking van eiser. Verder is eiser van mening dat de later verkregen gegevens uit het schriftelijke gehoor niet tegen hem kunnen worden gebruikt. Een schriftelijk gehoor is niet gelijk te stellen met een gehoor in persoon en eiser heeft psychische beperkingen om bepaalde onderwerpen te bespreken.\n\n10. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat, anders dan uit het bestreden besluit zou kunnen worden afgeleid, aan eiser niet wordt tegengeworpen dat hij gedurende zijn minderjarigheid onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang. Eiser kon immers niet worden gehoord wegens medische omstandigheden, hetgeen hem niet is toe te rekenen. Bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd was hierom nog niet vastgesteld of adequate opvang aanwezig is in Marokko terwijl dit niet aan eiser te wijten was. Daarom heeft de minister bij de meerderjarigheid van eiser beoordeeld of en zo ja, op welke wijze aan eiser een verblijfsrecht volgens het amv-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen en wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid7. De minister heeft vervolgens op grond van de antwoorden van eiser op de schriftelijke vragen geconcludeerd dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang en dat hij daarom niet (met terugwerkende kracht) in aanmerking komt voor vergunningverlening.\n\n11. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de minister hiermee niet in lijn met eerdergenoemde jurisprudentie van de Afdeling over het toetsingskader in zaken van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen heeft gehandeld. De stelling van eiser dat uit die jurisprudentie volgt dat bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd ofwel adequate opvang moet zijn vastgesteld ofwel een vergunning dient te worden verleend8, leest de rechtbank hierin niet terug. De rechtbank is van oordeel dat de minister op grond van de reactie van eiser op de schriftelijk aan hem gestelde vragen niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat hij onvoldoende meewerkt aan het onderzoek naar adequate opvang in Marokko. Eiser heeft in zijn antwoorden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud aangegeven dat hij voor wat betreft de adres- en telefoongegevens van zijn ooms navraag moet doen bij zijn moeder. Nu hij regelmatig contact onderhoudt met zijn moeder en dit basale informatie betreft, valt niet in te zien waarom hij vervolgens heeft nagelaten de gevraagde gegevens te verschaffen. De medische problematiek van eiser leidt hierbij niet tot een ander oordeel. Hierbij wijst de rechtbank erop dat deze informatie geen betrekking heeft op de vader van eiser, met wie hij zeer moeizame relatie onderhoudt. Hierom valt niet in te zien waarom van eiser niet verlangd zou kunnen worden dat hij de gevraagde basale informatie verstrekt. Nu eiser niet met medische stukken heeft onderbouwd dat dit medisch gezien niet van hem kan worden verlangd, slaagt de beroepsgrond niet.\n\n6 Afdeling 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, overweging 19.2.\n\n7 Overeenkomstig Afdeling 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2670.\n\n8 Onder verwijzing naar Afdeling 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, overweging 19.2.\n\nOpvang bij moeder\n\n12. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat hij de beroepsgrond die betrekking heeft op adequate opvang bij zijn moeder, niet langer handhaaft. Dit nadat de minister had bevestigd eiser hieromtrent geen verwijt te maken.\n\nPrejudiciële vragen\n\n13. Eiser heeft op de zitting de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen om duidelijkheid te verkrijgen over een eventuele maximale termijn tussen het moment dat een vreemdeling illegaal wordt en het moment dat een terugkeerbesluit moet zijn genomen. De rechtbank stelt echter vast dat, hoewel er wel een voornemen hiertoe was, in het bestreden besluit door de minister geen terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd. Reeds hierom bestaat geen aanleiding te voldoen aan dit verzoek van eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n15 april 2025\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:6692","2025-04-22T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:40.361Z",1,20]