[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-inheritance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":42,"total":16,"page":25,"limit":79},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},48,"inheritance-law-nl","Inheritance Law","NL","2026-07-08T16:53:53.156Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},4,{"min":18,"max":19},"2026-04-01T00:00:00.000Z","2026-06-08T00:00:00.000Z",[21,26,30,33,36,39],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122778","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","art. 71 lid 2",1,{"provisionId":27,"code":28,"article":29,"count":25},"122779","Burgerlijk Wetboek","art. 4:195 lid 1",{"provisionId":31,"code":23,"article":32,"count":25},"123657","art. 227 lid 2",{"provisionId":34,"code":23,"article":35,"count":25},"123659","art. 225 lid 2",{"provisionId":37,"code":23,"article":38,"count":25},"123660","art. 227 lid 1",{"provisionId":40,"code":28,"article":41,"count":25},"123661","art. 3:171",[43,54,63,72],{"id":44,"ecli":45,"slug":46,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":48,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":50,"sourceTimestamp":51,"parsedAt":52,"updatedAt":53},"903","ECLI:NL:RBMNE:2026:3773","ecli-nl-rbmne-2026-3773","","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nAfdeling Toezicht\n\nBureau Erfrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F16\u002F602824 \u002F BE RK 25-50\n\nBeschikking van 8 juni 2026\n\nop het verzoek aan de rechtbank van\n\n [bewindvoerder] B.V.,\n\nkantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,\n\nin diens hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van mevrouw [verzoeker],\n\nverzoeker,\n\nhierna te noemen: [bewindvoerder] ,\n\nadvocaat: mr. A.H. de Jong te Doorn,\n\nBelanghebbenden bij dit verzoek zijn: 1. [belanghebbende 1],\n\n wonende te [woonplaats 1] ,\n\n mentor van [verzoeker] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 1] ,\n\n2. [belanghebbende 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] ( [land] ),\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 2] ,\n\n3. [belanghebbende 3],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\nhierna te noemen: [belanghebbende 3] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nhet aan de rechtbank gerichte verzoekschrift van 7 november 2025, strekkende tot de benoeming van een vereffenaar;\n\nhet verweerschrift met tegenverzoeken van [belanghebbende 3] van 17 december 2025; strekkende tot ontslag van [bewindvoerder] als beschermingsbewindvoerder, het bewind aan de familie terug te geven en hemzelf naast [belanghebbende 1] als mede-mentor aan te wijzen;\n\nde brief van mrs. M.E.V. Maas en R.P.G.H. Heijnen, beoogd vereffenaars van 27 februari 2026;\n\nhet verweerschrift van [bewindvoerder] van 6 maart 2026 op de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] ;\n\nhet e-mailbericht met bijlagen van [belanghebbende 1] van 9 maart 2026;\n\nde brief van [belanghebbende 3] van 12 maart 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij zijn verschenen:\n\nmw. [A.] namens [bewindvoerder] ;\n\nmr. A.H. de Jong, advocaat van [bewindvoerder] ;\n\n [belanghebbende 3] ;\n\n [belanghebbende 1] ;\n\n [belanghebbende 2] ;\n\nmw. [B.] en mw. [C.] , toehoorders.\n\n1.3.. Ter zitting heeft de rechtbank bij mondelinge beslissing de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] op grond van artikel 71 lid 2 Rv voor verdere behandeling in de stand waarin zij zich bevinden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. Redengevend hiervoor is dat niet de rechtbank maar de kantonrechter absoluut bevoegd is op deze tegenverzoeken te beslissen. De behandelend rechter heeft de tegenverzoeken, met instemming van alle betrokkenen, als kantonrechter verder ter zitting behandeld. Aangezien de behandeling van de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] met gesloten deuren dient plaats te vinden is aan [B.] en [C.] in de kantonprocedure bijzondere toegang verleend. Op de tegenverzoeken van [belanghebbende 3] zal in een separate beschikking worden beslist.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op [datum overlijden] 2024 is in [plaats] overleden de heer [erflater], hierna te noemen: erflater. Hij woonde voor het laatst in [plaats] .\n\n2.2.. Op het moment van overlijden was erflater gehuwd met mevrouw [verzoeker] , hierna te noemen: [erflater] . Dit huwelijk is door zijn overlijden ontbonden. Binnen het huwelijk zijn drie kinderen geboren, namelijk [belanghebbende 1] , [belanghebbende 3] en [belanghebbende 2] .\n\n2.3.. Erflater heeft op 4 april 1989 voor het laatst een testament opgemaakt. In dit testament heeft hij [erflater] en zijn kinderen tot zijn erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel. Daarbij heeft hij bepaald dat de Ouderlijke Boedelverdeling geldt.\n\n2.4.. De nalatenschap is door [erflater] , [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiaire aanvaarding).\n\n3. Het verzoek, de tegenverzoeken en het verweer\n\n3.1.. \n\n [bewindvoerder] verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. mr. M.E.V. Maas en mr. R.P.G.H. Heijnen te benoemen tot vereffenaars van de nalatenschap van erflater, althans een vereffenaar te benoemen als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;\n\nII. te bepalen dat de kosten van deze procedure als vereffeningskosten in de nalatenschap van erflater dienen te worden aangemerkt.\n\n3.2.. \n [belanghebbende 3] voert verweer tegen het verzoek om benoeming van een vereffenaar.\n\n3.3.. \n [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] stemmen in met het verzoek van [bewindvoerder] om een vereffenaar te laten benoemen.3.4.. De rechtbank zal hierna slechts op de stellingen van partijen ingaan voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.\n\n4. De beoordeling\n\nVerzoek benoeming vereffenaar4.1.. Door [bewindvoerder] wordt verzocht om een vereffenaar te benoemen van de nalatenschap van erflater. Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [bewindvoerder] dat de nalatenschap van erflater als gevolg van de beneficiaire aanvaarding vereffend dient te worden. Dit moeten de erfgenamen gezamenlijk doen. Het blijkt echter niet mogelijk te zijn om hierin samen te werken, mede door het uitblijven van een reactie van [belanghebbende 3] . Daarnaast omvat de nalatenschap ook een aantal juridische en feitelijke complexe situaties. De ontbonden gemeenschap van goederen tussen erflater en [erflater] moet nog worden afgewikkeld. Onderdeel van deze gemeenschap is een vordering uit hoofde van geldlening op stichting [naam] , van welke stichting erfgenaam [belanghebbende 3] UBO (ultimate beneficial owner) is, waarvan onbekend is of hiervan nog een bedrag open staat en zo ja, wat de hoogte van dit bedrag is.\n\n4.2.. De rechtbank zal het verzoek toewijzen. Deze beslissing zal hierna toegelicht worden.\n\n4.3.. Op grond van artikel 4:203 lid 1 sub a BW kan de rechtbank na beneficiaire aanvaarding op verzoek van een erfgenaam een vereffenaar benoemen.\n\n4.4.. Uit de overgelegde stukken en tijdens de zitting is het de rechtbank gebleken dat de verhouding tussen de broers ernstig verstoord is. Daarbij is er sprake van onderling wantrouwen. Dat de drie broers de nalatenschap gezamenlijk kunnen afwikkelen, zoals [belanghebbende 3] stelt, ziet de rechtbank dan ook niet in en wordt bovendien door [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] ontkend. Met zijn verweer gaat [belanghebbende 3] er bovendien aan voorbij dat op grond van artikel 4:195 lid 1 BW alleerfgenamen gezamenlijk de nalatenschap moeten vereffenen, waarbij ook [bewindvoerder] (namens [erflater] ) betrokken dient te worden.\n\n4.5.. In aanmerking genomen dat de erfgenamen tezamen niet in staat blijken te zijn om de nalatenschap te vereffenen en af te wikkelen, acht de rechtbank het van belang om hiervoor een onafhankelijke vereffenaar aan te stellen. Dat een vereffenaar geld kost, zoals [belanghebbende 3] aanvoert, doet hier niet aan af. De hoogte van die kosten zal overigens mede afhangen van de wijze waarop de erfgenamen zich tegenover de vereffenaar opstellen.\n\n4.6.. \n [bewindvoerder] heeft mr. M.E.V. Maas, notaris, en mr. R.P.G.H. Heijnen, kandidaat-notaris, bereid gevonden om als vereffenaars van de nalatenschap op te treden. Tegen de benoeming van deze personen is, behoudens dat zij geld kosten, geen verweer gevoerd. De rechtbank zal hen dan ook tot vereffenaars benoemen.\n\nProceskosten4.7.. Voor wat betreft de proceskosten verzoekt [bewindvoerder] om te bepalen dat de kosten van deze procedure als vereffeningskosten in de nalatenschap van erflater worden aangemerkt. [belanghebbende 3] vraagt om te kosten te compenseren.\n\n4.8.. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat, gelet op de familierelatie, iedere partij zijn eigen kosten draagt. Desgewenst kunnen partijen de facturen voor de door hen gemaakte kosten indienen bij de vereffenaars. Het is dan aan de vereffenaars om te beoordelen of deze kosten als vereffeningskosten zullen worden aangemerkt.\n\nUitvoerbaar bij voorraad4.9.. De rechtbank zal ten slotte de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als er hiertegen hoger beroep wordt ingesteld. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een beslissing heeft genomen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. benoemt:\n\nmr. M.E.V. Maas, notaris, enmr. R.P.G.H. Heijnen, kandidaat-notaris,\n\nkantoorhoudende te 3962 CE Wijk bij Duurstede, Hogesteeg 1, tot vereffenaars van de nalatenschap van:\n\n [erflater],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1926,\n\noverleden te [plaats] op [datum overlijden] 2024,\n\nlaatst gewoond hebbende te [plaats] ,\n\n5.2.. draagt de griffier op de benoeming van deze vereffenaars in het boedelregister in te schrijven;\n\n5.3.. draagt de vereffenaars op de benoeming bekend te maken in de Staatscourant;\n\n5.4.. compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt;\n\n5.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2026, in aanwezigheid van de griffier.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3773","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:53.846Z",{"id":55,"ecli":56,"slug":57,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":58,"fullText":59,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":60,"sourceTimestamp":61,"parsedAt":52,"updatedAt":62},"1359","ECLI:NL:RBMNE:2026:3627","ecli-nl-rbmne-2026-3627","2026-05-27T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nAfdeling Toezicht, Bureau Erfrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F609637 \u002F BE ZA 26-15\n\nVonnis in incident van 27 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna: [eiseres] ,\n\neisende partij in het incident,\n\nadvocaat: mr. J. van Andel, werkzaam in Driebergen,\n\ntegen\n\n1. [verweerster 1] ,\n\nwonende in [plaats 2] ,\n\nhierna: [verweerster 1] ,\n\nverwerende partij in het incident,\n\n2. [verweerster 2],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\nhierna: [verweerster 2] ,\n\nadvocaat: mr. M. Jozefzoon-Flipse, werkzaam in Utrecht.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 t\u002Fm 7\n\n- de conclusie van antwoord\n\n- de akte van [eiseres] van 21 oktober 2025 met producties 8 t\u002Fm 10\n\n- de antwoordakte van [verweerster 1] van 29 oktober 2025\n\n- het vonnis van 1 april 2026 van de afdeling Familierecht van deze rechtbank waarin de zaak is verwezen naar de afdeling Toezicht van deze rechtbank.\n\n2. Waar gaat dit incident over?\n\n2.1.. \n [eiseres] , [verweerster 1] en [verweerster 2] zijn zussen. Hun vader, [erflater] , is in september 2024 een procedure bij deze rechtbank begonnen tegen [verweerster 1] . Daarin heeft hij heeft gevorderd dat zij wordt veroordeeld om bepaalde goederen die (mede) aan hem toebehoren af te geven. [verweerster 1] heeft verweer gevoerd.\n\n2.2.. Op 13 augustus 2025 heeft [verweerster 1] de rechtbank per e-mail bericht dat [erflater] is overleden. In haar akte van 21 oktober 2025 heeft [eiseres] verklaard dat zij de procedure van haar overleden vader overneemt en dat de procedure wordt hervat op de voet van artikel 227 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). [verweerster 1] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Volgens haar is de procedure niet rechtsgeldig hervat, onder meer omdat [verweerster 1] en [verweerster 2] mede-erfgenamen zijn en [eiseres] niet alle erfgenamen vertegenwoordigt. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden en [eiseres] verzocht nader te onderbouwen waarom zij de procedure mag voortzetten.\n\n2.3.. \n [eiseres] heeft daarop exploten laten uitbrengen waarin [verweerster 1] en [verweerster 2] zijn gedagvaard tegen een bepaalde datum ter hervatting van de procedure op de voet van artikel 227 lid 2 Rv, gevolgd door een herstelexploot vanwege een verkeerd vermelde roldatum.\n\n2.4.. In het vonnis van 1 april 2026 heeft de rechtbank de zaak in de stand waarin deze zich bevond ambtshalve verwezen naar de afdeling die erfrechtzaken behandelt.\n\n2.5.. De rechtbank moet nu eerst beoordelen of de procedure op rechtsgeldige wijze is geschorst en hervat. Om dat te kunnen beoordelen is meer informatie nodig. De rechtbank zal [eiseres] gelasten die informatie te verstrekken (artikel 22 Rv).\n\n3. De beoordeling in incident\n\njuridisch kader\n\n3.1.. Het overlijden van een partij is een grond voor schorsing van een lopende procedure (artikel 225 lid 1 onder a Rv). Schorsing vindt plaats door aanzegging van de schorsing aan de andere partij bij exploot of door een akte ter rolle (artikel 225 lid 2 Rv). Bevoegd tot schorsing is uitsluitend de rechtsopvolger van de partij aan wier zijde de schorsingsoorzaak zich voordoet. De procedure wordt hervat doordat direct bij het exploot tot schorsing wordt verklaard dat het geding wordt hervat of doordat later met instemming van de andere partij een akte ter rolle wordt genomen of bij exploot wordt verklaard dat het geding wordt hervat (artikel 227 lid 1 Rv). Indien de procedure niet bevoegdelijk is geschorst en hervat, hebben de aangezegde schorsing en hervatting geen (rechts)gevolg gehad.In dat geval wordt de procedure voortgezet op naam van de overleden partij (artikel 225 lid 2 Rv).\n\nuitwerking\n\n3.2.. \n [eiseres] heeft in de exploten verklaard dat zij als een van de erfgenamen van [erflater] in haar hoedanigheid van erfgenaam de procedure hervat. Omdat ook [verweerster 2] erfgenaam is en er volgens [eiseres] sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft zij [verweerster 2] ook in het geding betrokken. [eiseres] heeft in haar toelichting gesteld dat zij als erfgenaam op de voet van artikel 4:182 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in alle rechten en plichten van haar overleden vader treedt en dat zij geen volmacht van de andere erfgenamen heeft.\n\n3.3.. Bij de exploten is een uittreksel uit de basisregistratie personen gevoegd van 6 juni 2025. Daaruit blijkt dat [erflater] is geboren op [geboortedatum 1] 1939 in [geboorteplaats] (Turkije) en is overleden op [datum overlijden 1] 2025 in [plaats 3] (Turkije). Hij heeft op 27 januari 1998 de Nederlandse nationaliteit verkregen en stond van 7 juni 1973 tot [datum overlijden 1] 2025 ingeschreven in de gemeente [plaats 1] . Uit de dagvaarding en de producties van [eiseres] blijkt dat [erflater] in gemeenschap van goederen was gehuwd met [erflaatster] , de moeder van [eiseres] , [verweerster 1] en [verweerster 2] . [erflaatster] is geboren op [geboortedatum 2] 1950 in [geboorteplaats] (Turkije) en is overleden op [datum overlijden 2] 2023. De goederen waarvan in de hoofdzaak afgifte wordt gevorderd zijn een aantal gouden armbanden en munten. Volgens [eiseres] hebben haar ouders deze sieraden en goudstukken vanaf circa 1980 aangeschaft en liggen ze in een kluis die op naam van [verweerster 1] staat.\n\n3.4.. Op dit moment kan de rechtbank niet beoordelen of [eiseres] de procedure op rechtsgeldige wijze heeft geschorst en hervat. Het ontbreekt aan gegevens waaruit kan worden afgeleid welk recht op de nalatenschap van [erflater] van toepassing is en wie zijn erfgenamen zijn. Ook is niet duidelijk of hij een testament had en wat de inhoud daarvan is. [eiseres] zal daarover meer informatie moeten verstrekken en antwoord moeten geven op in ieder geval de volgende vragen:\n\n- welk recht is van toepassing op de nalatenschap van [erflater] ?\n\n- is [eiseres] enig erfgenaam van [erflater] ? Zo nee, wie zijn de andere erfgenamen?\n\n- op grond waarvan kan [eiseres] de procedure overnemen?\n\n- procedeert zij ten behoeve van de gemeenschap van nalatenschap?\n\n- als dit laatste het geval is én Nederlands recht van toepassing is, hoe verhoudt zich dat dan tot het feit dat artikel 3:171 BW (dat bepaalt dat iedere deelgenoot ten behoeve van de gemeenschap een vordering kan instellen) niet geldt als het gaat om een vordering tegen een deelgenoot?\n\n3.5.. De rechtbank zal [eiseres] in de gelegenheid stellen de benodigde informatie, zo mogelijk met gelegaliseerde stukken, bij akte over te leggen. In afwachting daarvan zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.\n\n4. De beslissing\n\nin het incident\n\n4.1.. verwijst de zaak naar de rol van 24 juni 2026voor akte uitlating aan de zijde van [eiseres] conform het in 3.4. gegeven bevel,\n\n4.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.\n\n Hoge Raad 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3192.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3627","2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:17.708Z",{"id":64,"ecli":65,"slug":66,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":67,"fullText":68,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":69,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":71},"1904","ECLI:NL:RBMNE:2026:2065","ecli-nl-rbmne-2026-2065","2026-04-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nKantonrechter\n\nlocatie Utrecht\n\nzaaknummer: 12035943 UB VERZ 25-536\n\nBeschikking van 2 april 2026\n\nInzake het verzoek van:\n\n [verzoekster],\n\nwonend in [plaats 1] ,\n\ngemachtigde: mr. P.J. Hentenaar-Polderman, advocaat,\n\nverder te noemen: verzoeker.\n\nVerzoeker heeft het verzoek gedaan in haar hoedanigheid van belanghebbende in de nalatenschap van:\n\n [erflater] ,geboren in [plaats 2] op [1979] , overleden in [plaats 3] op [2024] , laatste woonplaats in [plaats 3] , verder te noemen: erflater.\n\nOok als belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [belanghebbende], wonend in [plaats 4] ,\n\nhandelend als wettelijk vertegenwoordiger van:\n\n [minderjarige], geboren op [2014] .\n\n1. De procedure\n\n1.1.. De griffie heeft op 24 december 2025 een verzoek ontvangen waarin verzoeker vraagt om haar ontslag als executeur en de benoeming van een opvolgend executeur van de nalatenschap van erflater.\n\n1.2.. Op 9 januari 2026 heeft de griffie aanvullende producties ontvangen.\n\n1.3.. De griffier heeft op 25 februari 2026 aanvullende informatie opgevraagd aan verzoeker. De aanvullende informatie heeft de griffie op 23 maart 2026 ontvangen.\n\n1.4.. De kantonrechter acht zich op basis van de toegezonden stukken voldoende geïnformeerd. Daarom zal een beschikking worden gegeven zonder dat een zitting wordt bepaald.\n\n2. Het verzoek en de beoordeling\n\n2.1.. Verzoeker vraagt de kantonrechter om haar ontslag te verlenen als executeur van de nalatenschap van erflater en om Bonnerman & Partners B.V., gevestigd in [plaats 5] , te benoemen tot opvolgend executeur.\n\n2.2.. Nu er sprake is van een eigen verzoek tot ontslag, zal het verzoek worden toegewezen.\n\n2.3.. Bonnerman & Partners B.V. heeft zich bereid verklaard om tot executeur te worden benoemd, onder de voorwaarde dat zij haar uurtarief van (in 2026) € 205,00 exclusief omzetbelasting in rekening mag brengen.\n\n2.4.. \n [belanghebbende] , handelend als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] , die door erflater als enige erfgename is benoemd, heeft verklaard in te stemmen met de benoeming van Bonnerman & Partners B.V. als opvolgend executeur.\n\n2.5.. Aangezien Bonnerman & Partners B.V. zich bereid heeft verklaard tot executeur te worden benoemd, het testament de kantonrechter de bevoegdheid geeft om een opvolgend executeur te benoemen en [belanghebbende] , handelend als gemeld, heeft verklaard met de benoeming van Bonnerman & Partners B.V. in te stemmen, zal de kantonrechter Bonnerman & Partners B.V. benoemen tot executeur van de nalatenschap van erflaatster. De kantonrechter zal bepalen dat Bonnerman & Partners B.V., omdat zij een professionele partij is, haar uurtarief voor haar werkzaamheden in rekening mag brengen.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n- ontslaat [verzoekster]als executeur van de nalatenschap van[erflater];\n\n- benoemt Bonnerman & Partners B.V., gevestigd in [plaats 5] , als executeur van de nalatenschap van[erflater];\n\n- bepaalt dat Bonnerman & Partners B.V.voor haar werkzaamheden als executeur haar uurtarief van (in 2026) € 205,00 exclusief omzetbelasting in rekening mag brengen;\n\n- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n- wijst het verzoek af\u002Fwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem . Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2065","2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:44.726Z",{"id":73,"ecli":74,"slug":75,"caseNumber":47,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":76,"summary":47,"language":7,"source":49,"sourceUrl":77,"sourceTimestamp":70,"parsedAt":52,"updatedAt":78},"1905","ECLI:NL:RBMNE:2026:2059","ecli-nl-rbmne-2026-2059","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F604707 \u002F BE ZA 25-69\n\nVonnis in incident van 1 april 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\nte [plaats] , 2. [eiseres sub 2],\n\nte [plaats] , 3. [eiseres sub 3],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partijen in de hoofdzaak,\n\neisende partijen in het incident,\n\nhierna samen te noemen: [eisers] ,\n\nadvocaat: mr. I. Lieberwerth,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\ngedaagde partij in het incident,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. C. Waanders.\n\n1. Het verloop van de procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding, tevens houdende een eis in incident, met producties 1 t\u002Fm 13;\n\nde conclusie van antwoord in incident, met producties 1 t\u002Fm 7.\n\n1.2. Daarna is bepaald dat er uitspraak wordt gedaan in het incident.\n\n2. De beoordelingHet geschil in het incident2.1. \n [eisers] hebben in het incident gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van alle bankafschriften over de periode van 1 december 2018 tot 1 juli 2024 die (mede) op naam staan van de hierna te noemen erflater, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.\n\n2.2. \n [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van het incident.\n\nDe beslissing in het incident2.3. De rechtbank zal de vordering in het incident afwijzen en de proceskosten in het incident compenseren. De rechtbank zal deze beslissing hieronder toelichten, nadat de rechtbank eerst heel kort het geschil in de hoofdzaak heeft toegelicht.\n\nWaar gaat de hoofdzaak over2.4. \n [eisers] zijn de kinderen van [erflater] , hierna te noemen: erflater. Erflater is van 1957 tot 1976 gehuwd geweest met hun moeder. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden. Erflater is op [datum] 1978 gehuwd met [gedaagde] onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende koude uitsluiting. Dit huwelijk is op [datum] 2024 ontbonden door de dood van erflater.\n\n2.5. Erflater heeft op 27 maart 2017 voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt. In zijn testament heeft hij [eisers] onterfd en [gedaagde] benoemd tot enig erfgenaam en executeur. [eisers] hebben een beroep gedaan op hun legitieme. Zij vorderen in de hoofdzaak dat de rechtbank de hoogte van hun legitieme vaststelt en [gedaagde] veroordeelt om de legitieme aan hen uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nHet toetsingskader2.6. Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW heeft een legitimaris die niet erfgenaam is tegenover de erfgenamen, dan wel als er een met beheer belaste executeur in functie is, de executeur, aanspraak op inzage in en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Ook moeten zij hem op zijn verzoek alle benodigde inlichtingen verschaffen. Dit informatierecht moet ruim worden opgevat, maar is (zoals uit de tekst van het wetsartikel blijkt) wel beperkt tot gegevens die de legitimaris voor de berekening van zijn legitieme portie nodig heeft. Artikel 4:78 geeft de legitimaris geen algemeen recht op rekening en verantwoording en ook geen algemeen recht op inzage in het uitgavepatroon de erflater. Pas als de legitimaris voldoende aannemelijk maakt dat inzicht in het verloop van de bankrekeningen nodig is om de omvang van de legitieme vast te stellen, weegt zijn recht zwaarder dan het recht van de erflater en diens erfgenaam\u002Fpartner op privacy.\n\n2.7. \n [eisers] hebben gesteld dat zij de bankafschriften nodig hebben om de verklaring van [gedaagde] te controleren dat er geen schenkingen zijn gedaan die van belang zijn voor de omvang van de legitieme, door [gedaagde] gesteld op € 1.426,82 per kind. Verder hebben [eisers] gesteld dat de bankafschriften nodig zijn om te kunnen onderzoeken of erflater leningen heeft verstrekt en\u002Fof er sprake is van een vergoedingsrecht van erflater (en dus van de nalatenschap) op [gedaagde] of van een vordering op grond van artikel 3 van de huwelijks voorwaarden (kosten huishouding).\n\n2.8. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] aan [eisers] voldoende informatie heeft verstrekt om de legitieme te kunnen berekenen en controleren. Daarvoor hebben [eisers] de bankafschriften niet nodig. [gedaagde] heeft aan [eisers] namelijk onder meer al de volgende documenten ter beschikking gesteld:\n\neen boedelbeschrijving, met onderliggende bescheiden over onder meer de kosten van de uitvaart;\n\nafschriften van de vier en\u002Fof-rekeningen van [gedaagde] en erflater per datum overlijden bij ABN AMRO;\n\nfinanciële jaaroverzichten van ABN AMRO vanaf 2020 t\u002Fm 2023 waaruit het verloop van deze vier rekeningen bij ABN AMRO blijkt;\n\nde gezamenlijke IB-aangiften en aanslagen 2018 t\u002Fm 2023 van erflater en [gedaagde] , waaruit onder meer het inkomen van beiden en hun vermogen in box 3 blijken;\n\nReeningafschriften ter onderbouwing van de wijze waarop de aflossing van de hypotheek volgens [gedaagde] is gefinancierd.\n\n2.9. Partijen zijn het over eens dat de helft van de saldi op de vier en\u002Fof-rekeningen tot de nalatenschap behoort en dat [eisers] geen privébankrekeningen had. In lijn daarmee heeft [gedaagde] de helft van die saldi per sterfdatum opgenomen in de boedelbeschrijving. Uit de financiële jaaroverzichten en de IB-aangiften blijkt dat de saldi van deze vier en\u002Fof-rekeningen vanaf 2019 over de jaren heen een geleidelijke stijging laten zien. Gegeven het relatief bescheiden inkomen dan erflater en [gedaagde] (AOW en pensioen), afgezet tegen de gebruikelijke kosten van levensonderhoud, wijst die stijging er niet op dat schenkingen zijn verricht die meegenomen zouden moeten worden bij de berekening van de legitieme. Verder duidt dit er evenmin op dat er leningen zijn verstrekt. Uit de aangiften inkomstenbelasting blijkt ook niet van het bestaan van uitstaande vorderingen, die alsnog op de boedelbeschrijving zouden moeten worden geplaatst.\n\n2.10. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] evenmin voldoende belang bij de rekeningafschriften om te onderzoeken of sprake is van een vordering op grond van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden. Het is wel waarschijnlijk dat erflater meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan [gedaagde] , maar daar was hij ook toe verplicht omdat zijn inkomen hoger was. Verder duidt de toename van de saldi op de en\u002Fof-rekeningen er niet op dat het gezamenlijke inkomen ontoereikend was om de kosten van de huishouding te betalen. Een onderzoek of wel naar rato van vermogen is bijgedragen in de kosten van de huishouding is daarom niet aan de orde. Overigens bevatten de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding van een jaar voor verrekening van te veel betaalde kosten van de huishouding.\n\n2.11. Wat dan rest is een eventueel vergoedingsrecht van de nalatenschap op [gedaagde] , dat zou kunnen volgen uit de wijze waarop de hypotheekschuld is afgelost. [eisers] hebben expliciet op die aflossing gewezen. Deze hypotheekschuld betrof de woning, waarin erflater en [gedaagde] samenwoonden en die uitsluitend eigendom was en is van [gedaagde] . Deze bedroeg op 1 januari 2018 nog € 42.500,-, op 1 januari 2019 € 36.125,- en op 1 januari 2021 € 30.706,-, waarna de hypotheekschuld in 2021 geheel is afgelost. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] echter voldoende uiteengezet en met stukken onderbouwd hoe de aflossingen zijn gefinancierd. Daarvoor is niet nodig dat zij alle afschriften van de en\u002Fof-rekeningen verstrekt. Overigens volgt uit hetgeen [gedaagde] zelf stelt dat er in 2021 uit gezamenlijke middelen € 16.000,- is afgelost op de hypotheekschuld, hetgeen duidt op een vermogensoverdracht van [eisers] naar [gedaagde] van € 8.000,-. De beoordeling van de stelling van [gedaagde] dat dit de voldoening van een natuurlijke verbintenis betrof is van juridische aard. Ook daarvoor zijn de bankafschriften niet nodig.\n\n2.12. De rechtbank geeft partijen overigens dringend in overweging met elkaar in overleg te treden ten behoeve van een minnelijke regeling, gelet op het geringe financiële belang van de zaak en het feit dat de legitieme, anders dan waarvan [eisers] bij dagvaarding nog uitgingen, niet eerder dan na het overlijden van [gedaagde] opeisbaar is. Het ware beter geweest als [gedaagde] [eisers] hiervan tijdig in kennis had gesteld door hen niet alleen een uittreksel van het testament, waaruit dit niet bleek, maar het testamant in zijn geheel ter beschikking te stellen.\n\nProceskosten2.13. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in het incident tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nHet verdere verloop van de procedure2.14. De rechtbank zal de hoofdzaak verwijzen naar de rol van 13 mei 2026 voor het nemen van een conclusie van antwoord.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n3.1. wijst het gevorderde af;\n\n3.2. compenseert de kosten van het incident in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;\n\nin de hoofdzaak\n\n3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol van 13 mei 2026zal komen voor het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak;\n\n3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2059","2026-07-13T00:29:44.770Z",20]