[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-insurance-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":26,"total":16,"page":25,"limit":46},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},70,"insurance-law-nl","Insurance Law","NL","2026-07-08T16:54:31.274Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-03-18T00:00:00.000Z","2026-06-10T00:00:00.000Z",[21],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"124056","Burgerlijk Wetboek","art. 6:162 lid 3",1,[27,38],{"id":28,"ecli":29,"slug":30,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":32,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":34,"sourceTimestamp":35,"parsedAt":36,"updatedAt":37},"1621","ECLI:NL:RBMNE:2026:3578","ecli-nl-rbmne-2026-3578","","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: 11819212 \\ UC EXPL 25-6229\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nFBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,\n\ngevestigd in Leeuwarden,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: FBTO,\n\ngemachtigde: mr. D. de Waard,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [plaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Aygün.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2. De zaak is op 28 april 2026 besproken tijdens de mondelinge behandeling. Namens FBTO was [.] (gemachtigde) aanwezig. [gedaagde] en zijn gemachtigde mr. M. Aygün waren aanwezig.\n\n1.3.. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. Op 2 augustus 2021 in [plaats 1] heeft tussen [gedaagde] en [A] een voorval plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] aan [A] letsel heeft toegebracht. [A] heeft hiervoor een medische behandeling moeten ondergaan. FBTO heeft als ziektekostenverzekeraar van [A] de door hem gemaakte medische kosten vergoed. FBTO wil in deze procedure het bedrag van € 1.895,26 dat zij aan schade heeft vergoed verhalen op [gedaagde] . Volgens FBTO is er sprake van een onrechtmatige daad van [gedaagde] en is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade. [gedaagde] betwist aansprakelijk te zijn voor de schade. Ook stelt [gedaagde] dat er sprake is van eigen schuld van [A] waardoor een groot deel van de schade voor FBTO moet blijven. De kantonrechter wijst de gevorderde schade gedeeltelijk toe.\n\n3. De beoordeling\n\n [gedaagde] heeft onrechtmatig tegenover [A] gehandeld\n\n3.1.. Vooropgesteld wordt dat op grond van het bepaalde in artikel 161 van het Wetboek van Rechtsvordering een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. In het onderhavige geval staat vast dat [gedaagde] door de strafrechter bij vonnis van 7 september 2022 is veroordeeld voor poging tot doodslag.De strafrechter heeft bewezen verklaard dat [gedaagde] [A] heeft gestoken met een mes in de romp. Het vonnis van de strafrechter is onherroepelijk. Dat betekent dat – behoudens tegenbewijs – als vaststaand dient te worden aangenomen dat [gedaagde] [A] met een mes heeft gestoken, waardoor [A] lichamelijk letsel heeft opgelopen. [gedaagde] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat dit bewezen verklaarde feit in déze procedure niet als vaststaand feit kan worden aangenomen. Het enkel stellen dat het mes nooit is teruggevonden en dat hij [A] met een huissleutel een vuistslag heeft gegeven is daartoe niet voldoende. Dit had [gedaagde] kunnen weten omdat de strafrechter deze stelling al als ‘volstrekt ongeloofwaardig’ heeft aangemerkt. De vaststaande messteek in de romp leidt in beginsel tot de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [A] heeft gehandeld.\n\nIs er sprake van een rechtvaardigingsgrond?\n\n3.2.. Van onrechtmatig handelen is geen sprake als komt vast te staan dat voor het handelen van [gedaagde] een rechtvaardigingsgrond bestaat.De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond doet namelijk een daad, welke naar algemene omschrijving onrechtmatig zou zijn, in het concrete geval geheel haar onrechtmatig karakter verliezen.3.3.. De kantonechter is van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond niet slaagt. De kantonrechter legt hierna uit waarom. Overmacht of noodweer wordt als rechtvaardigingsgrond aangemerkt. Onder noodweer (in strafrechtelijke zin) wordt verstaan een gedraging die geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De wijze van verdediging moet voldoen aan het proportionaliteits- en het subsidiariteitsvereiste: er mag geen wanverhouding bestaan tussen de wijze van verdediging en de ernst van de aanranding, en degene die zich op noodweer beroept moet niet met een minder schadelijke wijze van verdediging hebben kunnen volstaan. Het bestaan van de rechtvaardigingsgrond moet – als bevrijdend verweer – in een civiele procedure als hier aan de orde, door [gedaagde] worden bewezen.\n\n3.4.. Volgens [gedaagde] was er sprake van noodweer. [gedaagde] heeft daartoe gesteld dat hij zich heeft moeten verdedigen tegen de agressie van [A] . [gedaagde] stond namelijk met een groep jongens bij een bankje op het [locatie] . Zij werden opeens door tien tot vijftien jongens van de groep waar [A] toe behoort omsingeld. [A] kwam toen op de groep af rennen op zoek naar mensen om te slaan. Daarbij heeft hij een vriend van [gedaagde] en [gedaagde] zelf geslagen. [gedaagde] voelde zich bedreigd omdat hij veel kleiner is dan [A] . Ook kon [gedaagde] naar eigen zeggen niet weg uit deze situatie omdat hij werd omsingeld door de jongens uit de groep van [A] . [gedaagde] heeft daarom [A] een vuistslag gegeven. FBTO heeft daar tegenover gesteld dat het hier ging om een vechtpartij met een vriend van [gedaagde] en niet met [gedaagde] zelf. Volgens FBTO was er wel ruimte voor [gedaagde] om zich te onttrekken aan de vechtpartij. Ook stond het door [gedaagde] gekozen middel om zijn vriend te verdedigen niet in verhouding tot de ernst van de aanval. [gedaagde] heeft daarom niet proportioneel gehandeld.\n\n3.5.. De kantonrechter stelt vast dat op 2 augustus 2021 de groep waartoe [A] behoort op zoek was naar de groep van [gedaagde] . De kantonrechter verwijst daartoe naar de bij de politie afgelegde verklaring van [A] waaruit dit blijkt. [A] heeft namelijk verklaard: “(…)Toen ik aan kwam (…) was er geen groep jongens meer(…) In het dorp kwamen we nog wel wat jongens tegen maar dat waren niet degene die mijn vriend lastig hadden gevallen. Later zijn we met de hele groep, we waren met 10 à 15 man, in de richting van het plein gelopen. Daar was de groep jongens, het zijn allemaal jonge jongens die mijn vriend hadden lastig gevallen.”[A] en de groep waartoe hij behoort waren duidelijk uit op een gevecht. De kantonrechter stelt op basis van de door [gedaagde] overgelegde foto’s van de politie camerabeelden rondom het incident vast dat [A] zich doelbewust in de vechtpartij heeft gemengd.Dat [A] op [gedaagde] is afgekomen en naast zijn vriend ook [gedaagde] zelf een klap heeft gegeven, zoals [gedaagde] ter zitting heeft gesteld, is niet te zien op de foto’s van de camerabeelden en wordt ook door FBTO weersproken.Op de foto’s is ook niet te zien dat de groep van [A] de groep van [gedaagde] heeft omsingeld zoals [gedaagde] heeft gesteld.Zo is niet te zien of er achter de bomen op het plein ook jongens uit de groep van [A] stonden. Het lag op de weg van [gedaagde] om dat aan te tonen. Dat had [gedaagde] bijvoorbeeld kunnen doen door op een plattegrond met een inrichting van het plein aan te geven waar de jongens uit de groep van [A] precies stonden. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.\n\n3.6.. De kantonrechter overweegt dat gezien de onder 3.5 genoemde omstandigheden er sprake was van een bedreigende situatie voor de vriend van [gedaagde] en niet zozeer voor [gedaagde] zelf. Dat [gedaagde] zich genoodzaakt voelde zijn vriend te verdedigen acht de kantonrechter gerechtvaardigd. Maar de wijze waarop [gedaagde] zijn vriend (en mogelijk ook zichzelf) heeft verdedigd staat niet in verhouding tot de ernst van het handelen van [A] tegenover [gedaagde] . [A] heeft een klap aan de vriend van [gedaagde] uitgedeeld waarop hij door [gedaagde] met een mes is gestoken. Zoals FBTO onweersproken heeft gesteld, had dit nog veel ernstiger kunnen aflopen. Dit blijkt ook uit het strafvonnis waarin het volgende citaat van een forensisch arts is opgenomen: ‘Gezien de plaats van de steekwond op de overgang van buik en borst had dit kunnen leiden tot dodelijke bloedingen en zeer ernstige orgaanbeschadigingen.’Naar het oordeel van de kantonrechter had [gedaagde] zich op een minder ingrijpende wijze kunnen verdedigen. Zo had [gedaagde] weg kunnen komen door uit de vechtende groep te stappen. Dat [gedaagde] geen ruimte had om weg te komen omdat hij volledig was omsingeld is, zoals onder 3.5 is overwogen, niet gebleken. Daarom heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat hij niet met een minder schadelijke wijze van verdediging heeft kunnen volstaan. Dat betekent dat noodweer niet kan worden aangenomen. Het handelen van [gedaagde] moet dus als onrechtmatig handelen worden aangemerkt.\n\nGeen sprake van een overmachtssituatie\n\n3.7.. Ook heeft [gedaagde] een beroep gedaan op de aanwezigheid van een schulduitsluitingsgrond, namelijk noodweerexces, die aan toerekenbaarheid van een onrechtmatige daad in de weg staat.Toerekening van de daad aan de dader vindt plaats wanneer deze is te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens wet of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Een terecht beroep op noodweerexces staat aan aansprakelijkheid in de weg.\n\n3.8.. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake was van een overmachtssituatie. Dat [gedaagde] bang was en dacht dat [A] hem iets ging aandoen is daarvoor niet voldoende. De strafrechter heeft hierover al overwogen dat de omstandigheid dat [gedaagde] bang was om zelf te worden geslagen, onvoldoende is voor het aannemen van een dergelijke hevige gemoedstoestand.Ter zitting heeft [gedaagde] gesteld dat hij bang was omdat hij klein en tenger was en [A] veel groter was dan hij en omdat hij eerder een vechtpartij heeft meegemaakt. Omdat [gedaagde] niet zelf door [A] is aangevallen zijn deze omstandigheden echter onvoldoende om in deze (civiele) procedure wel aan te nemen dat [gedaagde] in een hevige gemoedstoestand verkeerde die ertoe leidde dat de noodzakelijke verdediging verder ging dan in die situatie geboden was.\n\n3.9.. De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat het onrechtmatig handelen van [gedaagde] aan hem kan worden toegerekend.\n\nEigen schuld en billijkheidscorrectie\n\n3.10.. Naar het oordeel van de kantonrechter moet een deel van de door [A] geleden schade als eigen schuld voor zijn rekening en risico blijven. De kantonrechter legt hierna uit waarom. Artikel 6:101 BW geeft als uitgangspunt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. Deze laatste toets wordt aangeduid als de billijkheidscorrectie.3.11.. Volgens [gedaagde] heeft [A] met de groep waartoe hij behoort moedwillig het gevecht met de andere groep opgezocht. Ook heeft [A] in plaats van zich afzijdig te houden zich doelbewust in het gevecht gemengd. Daarmee heeft [A] het risico genomen om gewond te raken. Omdat [A] heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade moet een deel van de medische kosten voor rekening van FBTO blijven. Volgens FBTO heeft [A] niet doelbewust het risico opgezocht om met een mes gestoken te worden. Het verdedigingsmiddel door het gebruik van een mes stond niet in verhouding tot de ernst van de aanval van [A] die met blote vuisten het gevecht aan ging. FBTO betwist dan ook dat er sprake is van eigen schuld van [A]\n\n3.12.. \n\nDe kantonrechter stelt vast dat zowel [gedaagde] als [A] hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Uit de foto’s van de camerabeelden rondom het incident met bijbehorende beschrijving volgt dat de mishandeling door [gedaagde] niet kan worden gezien als een op zichzelf staand feit. Uit de hiervoor onder 3.4 weergegeven omstandigheden kan worden afgeleid dat [A] de confrontatie met [gedaagde] niet uit de weg is gegaan. In tegendeel, [A] heeft zich doelbewust in het gevecht gemengd. Op de foto’s is te zien dat [A] om zich heen slaat en ook na het door [gedaagde] toegebrachte letsel de confrontatie met andere mensen bleef opzoeken.Door zo agressief te handelen heeft [A] bewust een gevaarzettende situatie opgezocht, en het reële risico aanvaard dat hij bij de vechtpartij betrokken zou raken en daarbij letsel zou kunnen oplopen. Daarmee is sprake van enige mate van eigen schuld aan de zijde van [A] als bedoeld in artikel 6:101 BW. FBTO heeft onvoldoende ingebracht om dat anders te zien. De kantonrechter acht wel de rol van [gedaagde] bij het ontstaan van de schade van [A] groter omdat de verdediging met een mes door [gedaagde] in dit geval disproportioneel is. [A] hoefde niet te verwachten dat hij als gevolg van zijn eigen handelen ernstig gewond zou raken en zelfs het leven zou kunnen laten door een messteek. [gedaagde] had ook kunnen verwachten dat [A] als gevolg daarvan medisch behandeld zou moeten worden en daardoor schade zou lijden en heeft de aanmerkelijk kans op ernstiger letsel aanvaard. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de aan [A] toe te rekenen omstandigheden voor 25% bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De kantonrechter ziet dan ook reden 25% van de schade voor rekening van [A] te laten.\n\nBillijkheidscorrectie3.13.. \n [gedaagde] doet een beroep op de billijkheidscorrectie en komt tot een 80% aansprakelijkheid van [A] . Volgens [gedaagde] dient er rekening mee gehouden te worden dat [A] zich niet afzijdig heeft gehouden en heeft gezorgd voor een voor hem bedreigende situatie. [gedaagde] heeft zich door de bedreiging van de grotere groep van [A] en de aanval van [A] zelf geïntimideerd en angstig gevoeld.\n\n3.14.. De kantonrechter acht voor de beoordeling of er op grond van de billijkheid een andere verdeling moet komen van belang dat [gedaagde] bedreigd werd door een aanzienlijk grotere groep, hij zich daardoor geïntimideerd voelde en dat hij erg angstig was. Door de chaotische situatie en zijn angst is het zeer goed mogelijk dat [gedaagde] het gevoel heeft gehad dat hij geen kant meer op kon. De kantonrechter vindt het zeer kwalijk dat [A] vanuit [plaats 2] naar [plaats 1] is gekomen om te vechten terwijl hem zelf niets was aangedaan. [gedaagde] is dan ook door [A] in deze situatie terecht gekomen. [gedaagde] heeft weliswaar verkeerd gehandeld door [A] met een mes te steken maar dat neemt niet weg dat [A] de aanstichter van de vechtpartij is geweest. Deze omstandigheden maken dat in dit geval tot een andere verdeling van de schade op grond van de billijkheidscorrectie wordt gekomen dan die op basis van de causaliteit. De kantonrechter komt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden tot 50% aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de door [A] geleden schade.\n\nSchadevergoeding\n\n3.15.. FBTO vordert € 1.895,26 aan (materiële) schade. Dit zijn de medische kosten die [A] heeft moeten maken voor behandeling in het ziekenhuis.FBTO heeft tegen de gevorderde schade geen verweer gevoerd. De gevorderde schade wordt daarom toegewezen met inachtneming van het percentage eigen schuld van [A] . Vanwege de 50% eigen schuld van [A] dient [gedaagde] een bedrag van € 947,63 te vergoeden.\n\n [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen\n\n3.16.. FBTO vordert de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 2 februari 2023. Dit zal worden toegewezen over het toegewezen bedrag van € 947,63 tot aan de dag van volledige betaling.\n\n [gedaagde] moet de door FBTO gemaakte buitengerechtelijke kosten vergoeden\n\n3.17.. FBTO vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. FBTO heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat sprake is van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Aan de voornoemde criteria is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 172,- inclusief btw worden toegewezen.\n\n3.18.. \n [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n146,14\n\n- griffierecht\n\n€\n\n385,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n432,00\n\n(3 punten × € 144,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n72,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.035,14\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan FBTO van een schadevergoeding van € 947,63 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 februari 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2. veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 172,00 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw,\n\n4.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.035,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.5. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door A.L. Poort-Gleusteen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026\n\n Productie 1 bij de dagvaarding\n\n Artikel 6:162 lid 2 BW\n\n Productie 1 bij de conclusie van antwoord\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord pagina 3, 4 en 5\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord\n\n Onder 4.3.van het strafvonnis van 7 september 2022 productie 1 bij de dagvaarding\n\n Artikel 6:162 lid 3 BW\n\n Zie onder 7 van het strafvonnis van 7 september 2022, productie 1 bij de dagvaarding\n\n Productie 2 bij de conclusie van antwoord pagina 6\n\n Zie specificatie van de gemaakte medische kosten productie 3 bij de dagvaarding","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3578","2026-06-21T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:30.075Z",{"id":39,"ecli":40,"slug":41,"caseNumber":31,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":42,"summary":31,"language":7,"source":33,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":44,"parsedAt":36,"updatedAt":45},"932","ECLI:NL:RBMNE:2026:1236","ecli-nl-rbmne-2026-1236","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F598299 \u002F HA ZA 25-418\n\nVonnis van 18 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V. T.H.O.D.N. [handelsnaam],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\nadvocaat: mr. A.C. van Schaick,\n\ntegen\n\nASR SCHADEVERZEKERING N.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: ASR ,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de incidentele conclusie tot het treffen van een voorlopige voorziening van [eiseres]\n\n- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiseres] staat particulieren bij die letselschade hebben geleden. In een aantal letselschadezaken die [eiseres] behandelt, is ASR de verzekeraar van de partij die aansprakelijk is voor de schade van de cliënt van [eiseres] . ASR weigert [eiseres] nog langer als belangenbehartiger en heeft [eiseres] geregistreerd in verschillende (fraude)registers. De rechtbank oordeelt dat ASR [eiseres] als belangenbehartiger mocht weigeren en [eiseres] mocht registreren in de registers. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.\n\n3. Achtergrond van de zaak\n\n3.1.. Per brief van 24 juni 2025 heeft ASR aan [eiseres] medegedeeld dat zij [eiseres] niet langer als belangenbehartiger zal accepteren. Daarbij heeft ASR ook gemeld dat zij voornemens is om [eiseres] intern en extern te registreren. ASR heeft haar weigering tot verdere samenwerking gebaseerd op de handelwijze van [eiseres] in het algemeen, maar in het bijzonder op de behandeling van het dossier van de heer [A] (hierna: [A] ).\n\n3.2.. De zaak [A] ging kort gezegd om het volgende. [A] heeft op 22 november 2016 een verkeersongeval gehad, waarvoor ASR op 10 januari 2017 aansprakelijkheid heeft erkend. Voor de schadeafwikkeling heeft [A] zich eerst laten bijstaan door ARAG. Op 19 november 2020 heeft [A] [eiseres] benaderd met het verzoek de belangenbehartiging over te nemen. Uiteindelijk is in februari 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan ASR totaal € 152.500,- aan schadevergoeding aan [A] heeft betaald en daarnaast € 21.216,- aan buitengerechtelijke kosten aan [eiseres] .\n\n3.3.. Op 18 maart 2025 neemt [A] zelf contact op met ASR met klachten over [eiseres] . ASR constateert vervolgens - naar eigen zeggen - onoorbare praktijken in de werkwijze van [eiseres] . Volgens ASR gaat het onder meer om misleiding rondom de overeenkomst van opdracht met [A] en de wijze van declareren en communiceren daarover. Zo wordt er een succesfee gehanteerd, die niet aan ASR is gemeld. In de brief van 24 juni 2025 aan [eiseres] bespreekt ASR deze zaken uitgebreid en wijst er daarbij op dat uit eerdere uitspraken blijkt dat [eiseres] vaker zo heeft gehandeld.\n\n3.4.. Namens [eiseres] wordt op 1 juli 2025 gereageerd richting ASR. [eiseres] stelt dat er geen sprake is van onoorbare praktijken. Daarbij wordt onder andere betoogd dat het hanteren van een succesfee richting een cliënt is toegestaan en dat een verzekeraar daar buiten staat. Er bestaat volgens [eiseres] geen reden om hem te weigeren als belangenbehartiger en hem te registreren in (fraude)registers.\n\n3.5.. Per brief van 29 juli 2025 heeft ASR gereageerd richting [eiseres] . ASR licht toe bij haar standpunt te blijven en dus [eiseres] niet meer te accepteren als belangenbehartiger en over te gaan tot de interne en externe registraties en een melding bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (hierna: CBV). Ook meldt ASR dat zij [eiseres] in de gelegenheid stelt dit zelf aan zijn cliënten mede te delen en als dit niet binnen vier weken gebeurt, ASR hen zelf direct zal aanschrijven. Hierbij geeft ASR ook aan de dossiers te blijven monitoren en contact te houden met de cliënten om de voortgang in de afwikkeling van de zaken te bewaken.\n\n3.6.. \n [eiseres] is vervolgens deze procedure gestart. [eiseres] vordert - samengevat - een gebod dat ASR [eiseres] blijft aanvaarden als belangenbehartiger en de registraties ongedaan maakt, een verbod voor ASR om aan derden onjuiste mededelingen te doen over [eiseres] en een veroordeling van ASR tot vergoeding van schade en proceskosten.\n\n4. De beoordeling\n\nin het incident en de hoofdzaak\n\n4.1.. De door [eiseres] ingestelde incidentele vorderingen en de vorderingen in hoofdzaak zijn vrijwel hetzelfde. Daarom zal de rechtbank deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.\n\nASR mocht [eiseres] als belangenbehartiger weigeren\n\nJuridisch kader: (wanneer) mag een verzekeraar een belangenbehartiger weigeren?\n\n4.2.. In de kern gaat deze procedure over de vraag of een verzekeraar verplicht is om de schade van een benadeelde te regelen met de door de benadeelde gekozen belangenbehartiger. In het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2024is in een deels vergelijkbare zaak geoordeeld dat een verzekeraar onder bepaalde omstandigheden een belangenbehartiger mag weigeren. Daar moeten ‘goede redenen’ voor zijn, die het gerechtshof nader heeft geconcretiseerd.\n\n4.3.. Hierbij zijn twee uitgangspunten in ogenschouw genomen. Ten eerste dat het een benadeelde vrijstaat om de belangenbehartiger te kiezen die zij wil.Het is in beginsel niet aan de verzekeraar, of een ander, om eisen te stellen aan of beperkingen op te leggen aan de door de benadeelde te kiezen belangenbehartiger. Daarbij geldt wel dat als tussen de benadeelde en de belangenbehartiger een overeenkomst van opdracht wordt gesloten, wat meestal het geval is, de belangenbehartiger de zorg van een goed opdrachtnemer in acht zal moeten nemen.\n\n4.4.. Het tweede, ook door het gerechtshof geformuleerde, uitgangspunt is dat een verzekeraar het recht heeft om te bepalen met welke belangenbehartigers zij ‘zaken wil doen’.Ook hierbij gelden kanttekeningen. De verzekeraar moet er, overeenkomstig de Gedragscode Behandeling Letselschade, voor zorgen dat de schaderegeling vlot en in harmonie met de benadeelde verloopt. Het weigeren van een door de benadeelde voorgestelde belangenbehartiger kan tot vertraging van het schaderegelingsproces en tot verstoring van de verhoudingen leiden. Bovendien kan het recht van een verzekeraar om ‘geen zaken te doen’ met bepaalde belangenbehartigers ertoe leiden dat verzekeraars belangenbehartigers weigeren die hun werk juist goed doen en voldoen aan de vereisten van goed opdrachtnemerschap met als (eigenlijk) motief dat deze belangenbehartigers meer dan gemiddelde resultaten voor hun cliënten behalen en daardoor een hogere schadelast bij de verzekeraars veroorzaken. [eiseres] heeft in deze procedure ook op dat gevaar gewezen.\n\n4.5.. \n\nDeze twee uitgangspunten zijn niet zonder meer met elkaar te verenigen. Het antwoord op de vraag of een belangenbehartiger mag worden geweigerd is dan ook niet eenduidig en zal in een concreet geval afhankelijk zijn van de afweging van een aantal in dat geval relevante feiten, omstandigheden en belangen. Van goede redenen zal, zo heeft het gerechtshof geformuleerd, met name sprake zijn als er gegronde redenen zijn om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege de belangenbehartiger niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen, omdat de belangenbehartiger er blijk van heeft gegeven:\n\n- niet (voldoende) betrouwbaar te zijn, bijvoorbeeld door onjuiste informatie te verstrekken, en\u002Fof - klaarblijkelijk niet te beschikken over de kennis en ervaring die noodzakelijk is voor het adequaat begeleiden van de benadeelde in het schaderegelingsproces, en\u002Fof - onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening te brengen.4.6.. De verzekeraar mag bij haar beslissing om een belangenbehartiger te weigeren ook betekenis toekennen aan het feit dat de belangenbehartiger ‘ongebonden’ is. Verzekeraars kunnen niet aan brancheorganisatie en kwaliteitskeurmerken verbonden belangenbehartigers niet aanspreken op in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hen indienen indien zij niet aan die normen voldoen.\n\nDe redenen waarom ASR de samenwerking met [eiseres] mocht beëindigen\n\n4.7.. Zoals gezegd heeft ASR haar weigering tot verdere samenwerking gebaseerd op de handelwijze van [eiseres] in het algemeen en in het bijzonder op de behandeling van het dossier van [A] . Nadat [A] bij ASR klachten heeft geuit, blijkt na onderzoek door ASR onder andere het volgende.\n\nTwee versies overeenkomst van opdracht4.8.. \n [eiseres] stelt niet één, maar twee overeenkomsten van opdracht op: één waar een door [A] verschuldigde succesfee van 25% plus btw van het behaalde resultaat in wordt bedongen en één waar dit beding niet in wordt genoemd. In beide overeenkomsten staat ook dat buitengerechtelijke kosten rechtstreeks aan de wederpartij (ASR) worden gedeclareerd. De versie zonder succesfee-beding heeft [eiseres] aan ASR gestuurd ter bevestiging van de opdracht. Van deze e-mail krijgt [A] geen cc. Van de e-mail aan ARAG waarin [eiseres] meldt dat hij de behandeling overneemt krijgt [A] wel een cc.\n\n4.9.. \n [A] geeft in een schriftelijke verklaringaan dat hij niet wist dat er een verschil zat tussen de beide overeenkomsten. De rechtbank heeft geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Normaal gesproken bestaat er immers maar één overeenkomst van opdracht. Bovendien is de wijze van communiceren hierover door [eiseres] opvallend. [eiseres] licht in zijn e-mail aan [A] waarin hij vraagt ‘de beide overeenkomsten’ te tekenen en retourneren niks toe. Wel staat onder de beide overeenkomsten:“Aldus in tweevoud opgemaakt en ondertekend”, wat nog eens extra de indruk wekt dat de overeenkomsten hetzelfde zijn.\n\nCommunicatie rondom declareren4.10.. \n [A] verklaart ook niet op de hoogte te zijn van het feit dat [eiseres] , naast van [A] zelf, direct van ASR vergoedingen kreeg (de buitengerechtelijke kosten). Ook dit neemt de rechtbank aan gelet op overige feiten in het dossier. Weliswaar staat daar wel een bepaling over in de overeenkomst opgenomen, maar die is voor een leek niet aanstonds duidelijk. Dat de overeenkomst aan duidelijkheid te wensen overlaat blijkt overigens ook uit de rechtspraak over geschillen over die(zelfde) overeenkomst tussen [eiseres] en voormalig cliënten, waar ASR naar heeft verwezen. Daarbij komt dat [eiseres] [A] steevast buiten de correspondentie houdt over de buitengerechtelijke kosten. [A] ontvangt van de berichten daarover aan ASR (bewust) geen cc. Als [eiseres] een regelingsvoorstel van ASR aan [A] doorstuurt, schrijft hij daarbij: “Het hoofdstuk BGK is niet voor u van toepassing”. [A] krijgt gedurende het schaderegelingstraject rekeningen van [eiseres] waarbij hem de 25% succesfee over de tot dan door ASR betaalde vergoedingen in rekeningen worden gebracht. Van deze betalingen door [A] weet ASR niks. Andersom weet [A] niks van de betalingen door ASR aan [eiseres] . Niet dat er betaald wordt en niets over de hoogte.\n\nMisleidend4.11.. Deze handelwijze van [eiseres] kan niet door de beugel en is misleidend. Nog los van de vraag of dubbel declareren zoals hier gebeurt – met een succesfee én vergoeding van buitengerechtelijke kosten – in een zaak als deze geoorloofd is, is dat in ieder geval niet geoorloofd wanneer daarbij op bovengenoemde wijze wordt gehandeld. Door:\n\nde manier van communiceren over kosten en vergoedingen, waarbij berichten óf alleen aan ASR óf alleen aan [A] worden gestuurd en met toevoegingen als ‘is niet voor u van toepassing’, waardoor vergoedingen buiten het zicht van [A] en ASR worden gehouden,\n\nhet gebrek aan duidelijke communicatie over de beloningsstructuur en de gevolgen daarvan richting [A] ,\n\nen bovenal het hanteren van twee versies van de overeenkomst van opdracht, waarbij ASR er slechts één krijgt en richting ASR wordt gedaan alsof dat dé overeenkomst is en [A] in de waan wordt gelaten dat er slechts één bestaat,\n\nkan deze werkwijze van [eiseres] slechts bedoeld zijn om de realiteit over de door hem ontvangen (buitengerechtelijke) vergoedingen te verhullen, daarover van de betrokken cliënt en betrokken verzekeraar geen lastige vragen te krijgen, en daarmee slechts het oogmerk hebben te misleiden en zo hogere vergoedingen op te strijken.\n\n4.12.. Hierbij is van belang dat [eiseres] weet hoe over dubbel declareren wordt gedacht binnen de letselschadebranche. Weliswaar heeft [eiseres] zich nergens aan gebonden (branchorganisatie, keurmerk), maar de binnen de branche gemaakte afspraken geven anders dan [eiseres] betoogt wel de gangbare praktijk en opvattingen weer. Zo staat in de Gedragscode Behandeling Letselschade (waar vele verzekeraars en belangenbehartigers bij zijn aangesloten) dat dubbel declareren onethisch en onaanvaardbaar is. Dat is [eiseres] bekend. [eiseres] weet dus in ieder geval dat deze informatie relevant is en van invloed kan zijn op vergoedingen.\n\n4.13.. Deze informatie is ook van belang om de volgende reden. Artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat ook redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (sub b) en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (sub c) onder vermogensschade vallen. De aansprakelijke verzekeraar moet in een letselschadezaak die redelijke kosten betalen aan de benadeelde (of zijn belangenbehartiger). De vergoeding strekt ertoe dat de benadeelde ook op het punt van de gemaakte kosten komt te verkeren in de vermogenspositie waarin hij zonder ongeval zou hebben verkeerd. Deze regel legt een bijzondere maatschappelijke verantwoordelijkheid op de schouders van verzekeraars, namelijk tot het enerzijds faciliteren van buitengerechtelijke afwikkeling en anderzijds het binnen de perken houden van de kosten daarvan.In het verlengde hiervan geldt dat de verzekeraar de redelijkheid van die kosten moet kunnen inschatten en daarin dus ook een maatschappelijke taak heeft. Dat kan niet als betrokkenen niet transparant zijn over de financiële afspraken of erger: de werkelijke afspraken bewust buiten het zicht houden.\n\n4.14.. Het voorgaande betekent ook dat, anders dan [eiseres] stelt, de (werkelijke) financiële afspraken tussen [eiseres] en [A] , ASR wel degelijk aangaan en ASR daar niet ‘volledig buiten staat’.4.15.. Het gevolg van de misleidende handelwijze van [eiseres] is dat [A] 25% (plus nog btw) van zijn schadevergoeding van € 152.500 heeft moeten afstaan aan [eiseres] . Dit terwijl 1) die schadevergoeding juist bedoeld is om hem in de vermogenspositie te brengen waarin hij zonder het ongeval zou hebben verkeerd en de hoogte daarop is afgestemd en 2) [eiseres] daarnaast de volledige redelijke buitengerechtelijke kosten van € 21.216,- krijgt van ASR.\n\n4.16.. De stelling van [eiseres] dat er bij het dossier van [A] bepaalde extra kostenrisico’s waren waardoor een succesfee gerechtvaardigd was, is niet relevant. Het gaat er primair om dat [eiseres] daar niet transparant over is geweest en door zijn handelwijze [A] en ASR heeft misleid. Daar komt bij dat ASR aansprakelijkheid al had erkend en [eiseres] , zo begrijpt de rechtbank uit de stukken, de succesfee al had bedongen zonder het dossier in bezit te hebben en te hebben bestudeerd. Afgevraagd kan daarom worden of er daadwerkelijk concrete risico’s waren die aanleiding gaven voor de succesfee.\n\n4.17.. De rechtbank heeft oog voor de stellingen van [eiseres] over de macht die een verzekeraar kan hebben rondom het weigeren van een belangenbehartiger en rondom redelijke kostenvergoedingen, juist als die belangenbehartiger bovengemiddelde resultaten behaalt voor zijn cliënten (zoals [eiseres] stelt de doen, ook in deze zaak) en daardoor een hogere schadelast bij de verzekeraars veroorzaken. Daar kan, gelet op de dubbele rol van verzekeraars, een spanningsveld zitten. Per zaak moet een rechter dat kritisch beoordelen. In deze kwestie heeft de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat ASR als eigenlijk motief heeft [eiseres] te weigeren als belangenbehartiger vanwege behaalde resultaten.\n\nOnbetrouwbaar4.18.. De conclusie van het voorgaande is dat [eiseres] op een dermate misleidende wijze te werk is gegaan, dat ASR terecht heeft vastgesteld dat [eiseres] niet (voldoende) betrouwbaar is als belangenbehartiger. Hierbij weegt de rechtbank ook mee dat ASR onderbouwd naar voren heeft gebracht, onder meer door naar rechtspraak te verwijzen, dat [eiseres] niet alleen in de zaak [A] , maar vaker op deze wijze te werk gaat. [eiseres] heeft dat zelf overigens ook bevestigd, zij het dat partijen het niet eens zijn over de frequentie.\n\nOnredelijk hoge buitengerechtelijke kosten4.19.. ASR heeft het weigeren van [eiseres] als belangenbehartiger daarnaast onderbouwd door te wijzen op de onredelijke hoge buitengerechtelijke kosten die [eiseres] – nog los van de succesfee – in rekening brengt. De rechtbank volgt ASR ook daarin.\n\n4.20.. ASR wijst erop dat [eiseres] een uurtarief hanteert van € 375,00 exclusief 10% kantoorkosten en exclusief 21% btw, waarbij [eiseres] bovendien niet handelt overeenkomstig artikel 38 Wet op de omzetbelasting 1968, door de prijs zonder btw aan te bieden. Feitelijk komt het uurtarief neer op € 499,12 inclusief btw en € 412,50 exclusief btw. Met ASR is de rechtbank van oordeel dat dit exorbitant hoog is. In de rechtspraak wordt in letselzaken zelden een uurtarief van meer dan € 300,- aanvaardbaar gevonden, en alsdan slechts als het gaat om zeer gespecialiseerde advocaten en\u002Fof zeer complexe zaken. Veelal ligt het bedrag lager.Daar komt nog bij dat [eiseres] weliswaar al jaren als belangenbehartiger in letselzaken optreedt, maar geen advocaat (meer) is, ongebonden is (zich niet verbonden heeft aan brancheorganisatie en kwaliteitskeurmerken) en geen of zeer beperkt bijscholing volgt. Bovendien maakt [eiseres] bij het factureren geen onderscheid tussen juridische werkzaamheden en administratieve werkzaamheden (zoals kopiëren). Ook voor administratieve, secretariële, werkzaamheden wordt het hoge uurtarief gerekend. Dat is volstrekt onredelijk.\n\n4.21.. \n [eiseres] heeft een aantal keer gewezen op een uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 14 maart 2017, waarin het uurtarief van [eiseres] van € 300,- is aanvaard en als ‘niet ongebruikelijk voor rechtshulpverleners in letselschadezaken’ is bestempeld. De rechtbank gaat, mede gelet op de voornoemde overwegingen, niet in dat oordeel mee. Deze opvatting van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch stemt naar het oordeel van de rechtbank ook niet overeen met de gangbare praktijk en de daarin aanvaarde tarieven. Ter illustratie: in een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 augustus 2024 is het uurtarief van [eiseres] bijgesteld naar € 200,-.\n\n4.22.. De conclusie is dat [eiseres] onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten in rekening brengt en ASR dat terecht als reden heeft meegenomen bij haar beslissing om [eiseres] te weigeren als belangenbehartiger.Bij deze conclusie weegt de rechtbank niet alleen het exorbitante uurtarief op zichzelf mee, maar ook het feit dat [eiseres] daarnaast nog een succesfee bedingt en daar op misleidende wijze over communiceert.\n\nOngebonden belangenbehartiger4.23.. ASR heeft tot slot terecht meegewogen dat [eiseres] , zoals hiervoor al is besproken, ongebonden is. Hij heeft zich bewust bij geen enkele brancheorganisatie aangesloten, omdat in zijn beleving de daarbij behorende gedragsregels soms ‘nodeloos knellend’ zijn. Dat mag zo zijn en geeft wel te denken, maar betekent ook dat een verzekeraar als ASR [eiseres] daardoor niet kan aanspreken op de in de branche geldende kwaliteits- of gedragsnormen of een klacht tegen hem kan indienen, bijvoorbeeld als minder verstrekkend alternatief in een zaak als deze. Uit het betoog van ASR en de rechtspraak waar naar is verwezen, volgt bovendien dat [eiseres] , ondanks de nodige klachten en geschillen daarover, zijn werkwijze niet aanpast. ASR heeft aan die ongebondenheid terecht betekenis toegekend.\n\nConclusie: ASR mocht [eiseres] als belangenbehartiger weigeren\n\n4.24.. Alle voornoemde redenen samengenomen vormen voldoende grond voor ASR om de samenwerking met [eiseres] te beëindigen. Daarbij gaat het met name om de gebleken onbetrouwbaarheid, in combinatie gezien met het declareren van onredelijk hoge buitengerechtelijke kosten. Dit levert gegronde redenen op om te vrezen dat het schaderegelingsproces tussen de verzekeraar en de benadeelde vanwege belangenbehartiger [eiseres] niet goed zal verlopen of onnodige vertraging zal oplopen.\n\n4.25.. Omdat de rechtbank in het hiervoor besprokene al voldoende reden ziet voor de weigering, worden de overige door ASR naar voren gebrachte argumenten niet besproken.\n\n4.26.. Doordat ASR de samenwerking met [eiseres] mocht beëindigen, worden de (incidentele) vorderingen van [eiseres] om ASR te gebieden [eiseres] te blijven aanvaarden als belangenbehartiger en de cliënten van [eiseres] hierover te informeren, afgewezen.\n\nASR mocht [eiseres] registreren in de registers\n\n4.27.. ASR heeft de persoons- en bedrijfsgegevens van [eiseres] geregistreerd voor de duur van 8 jaar in de Gebeurtenissenadministratie (hierna: de GA) en het Interne Verwijzingsregister (hierna: het IVR) en voor de duur van 5 jaar in het Incidentenregister (hierna: het IR) en het Extern Verwijzingsregister (hierna: het EVR). [eiseres] vordert verwijdering van zijn persoons- en bedrijfsgegevens uit de registers.\n\n4.28.. De GA en het IVR vormen het interne waarschuwingssysteem van ASR (en de ASR groep). Het IR en het EVR zijn registers die samen het extern waarschuwingssysteem vormen voor de hele branche.\n\n4.29.. Het gaat bij de registraties om een verwerking van persoonsgegevens, zodat voldaan moet worden aan de eisen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: de AVG). Het verbond van verzekeraars heeft in de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (hierna: de Gedragscode) een sectorspecifieke vertaling van de AVG neergelegd en deze Gedragscode is door de leden van het verbond als bindende zelfregulering goedgekeurd. Artikel 4.5.3 van de Gedragscode bepaalt:\n\n“Verzekeraars houden een Gebeurtenissenadministratie bij ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de dienstverlening en de sector. Verzekeraars informeren Betrokkenen over het bestaan en de mogelijkheid tot Verwerking van Persoonsgegevens in dit verband. De afdeling Veiligheidszaken of een andere daartoe aangewezen afdeling bij een Verzekeraar kan besluiten de Persoonsgegevens uit de Gebeurtenissen administratie op te nemen in een Intern Verwijzingsregister (IVR). In het IVR nemen Verzekeraars uitsluitend Persoonsgegevens op van (rechts)personen die een risico vormen voor de veiligheid en\u002Fof integriteit van de Verzekeraar of de Groep waartoe de Verzekeraar behoort. Indien een gebeurtenis voldoet aan de criteria uit het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (PIFI), nemen Verzekeraars de relevante Persoonsgegevens op in een Incidentenregister en, in voorkomende gevallen, het Extern Verwijzingsregister (EVR). In overeenstemming met artikel 2.2.2 van de Gedragscode is het PIFI van toepassing op deze Verwerking.”\n\n4.30.. Bij interne registraties moet het aldus gaan om gebeurtenissen die van belang zijn voor de kwaliteit, veiligheid en integriteit van de verzekeraar, de groep waartoe de verzekeraar behoort en de verzekeringsbranche, en\u002Fof een risico vormen voor de veiligheid en\u002Fof integriteit.\n\n4.31.. Bij externe registraties ligt de lat hoger. Dan moet ook zijn voldaan aan de in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: PIFI) neergelegde vereisten. Het is vaste rechtspraak dat het PIFI voldoende waarborgen biedt voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Het PIFI dient daarom tot uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of opname van de gegevens van [eiseres] in het IR en het EVR gerechtvaardigd is.\n\n4.32.. \n\nVoor vastlegging van gegevens in het IR is op grond van artikel 3.1.1 van het Protocol vereist dat sprake is van een ‘(mogelijk) incident’, in artikel 2 van het PIFI omschreven als:\n\n“een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een Financiële Instelling, de Financiële Instelling zelf of de financiële sector als geheel in het geding zijn of kunnen zijn, zoals het falsificeren van nota’s, identiteitsfraude, skimming, verduistering in dienstbetrekking, phishing en opzettelijke misleiding (…)”.\n\n4.33.. Op grond van artikel 5.2.1 van het PIFI is opname in het EVR, kort gezegd, slechts geoorloofd indien:\n\nde gedraging(en) van de te vermelden persoon een bedreiging vormen voor (i) de (financiële) belangen van cliënten en\u002Fof de financiële instelling zelf of (ii) de continuïteit en\u002Fof de integriteit van de financiële sector;\n\nin voldoende mate vaststaat dat de desbetreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Dit betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte wordt gedaan;\n\nhet proportionaliteitsbeginsel in acht is genomen in die zin dat wordt vastgesteld dat het belang van opname prevaleert boven de mogelijk nadelige gevolgen van opname in het EVR voor de desbetreffende persoon.\n\n4.34.. Uit de tekst van artikel 5.2.1 en de Annex bij het PIFImaakt de rechtbank op dat het niet per definitie om strafbare feiten, althans een verdenking daarvoor, moet gaan. Ook andere onoorbare gedragingen kunnen onder de norm vallen. Wel geldt steeds dat de te verwerken gegevens - de verweten gedragingen - in voldoende mate moeten vaststaan. In geval van vermeende strafbare feiten moet het dan gaan om een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld.\n\n4.35.. ASR heeft gemotiveerd aangevoerd dat in het geval van [eiseres] voldaan wordt aan de voornoemde vereisten voor alle registraties omdat er sprake is van strafbaar handelen en hoe dan ook van onoorbaar gedrag, dat kwalificeert als gebeurtenis en gedraging als bedoeld in de regelgeving.\n\n4.36.. De rechtbank oordeelt dat voldaan wordt aan de in de voornoemde regelgeving opgenomen vereisten. Of het handelen van [eiseres] nu tot een bewezenverklaring van een strafbaar feit zou leiden of niet, voldoende vast staat dat [eiseres] door de hiervoor reeds uitgebreid besproken handelwijze dermate misleidend te werk is gegaan, dat dit onoorbare gedragingen opleveren als bedoeld in artikel 5.2.1 sub a van het PIFI. Het zijn gedragingen die een bedreiging vormen voor de (financiële) belangen van cliënten en verzekeraar zelf of de continuïteit en\u002Fof de integriteit van de financiële sector.4.37.. In het kader van de proportionaliteitsafweging (artikel 5.2.1 sub c PIFI) heeft ASR de noodzaak van de registraties onderbouwd toegelicht, in het bijzonder het belang dat andere verzekeraars opmerkzaam moeten worden gemaakt op de verweten gedragingen. Dit zal mogelijk grote gevolgen hebben voor de praktijk van [eiseres] , die bestaat uit het afhandelen van letselschadeclaims met verzekeraars. [eiseres] heeft zijn belang bij het kunnen voortzetten van zijn praktijk ook duidelijk voor het voetlicht gebracht. Toch vindt de rechtbank dat bij de afweging van de wederzijdse belangen van partijen, het belang van de verzekeraar in dit geval moet prevaleren, omdat het hier om een groot maatschappelijk belang gaat. Ook de registratieduur heeft ASR voldoende onderbouwd. [eiseres] heeft ook onvoldoende concrete argumenten aangedragen om die duur te verkorten. De rechtbank zal de duur daarom in stand laten.\n\n4.38.. De slotsom is dat de registraties gerechtvaardigd zijn en de daarmee samenhangende vorderingen moeten worden afgewezen.\n\n4.39.. Het voorgaande betekent dat ASR ook een melding mocht doen bij het CBV.Deze vordering van [eiseres] , die hij overigens bovendien onvoldoende heeft toegelicht, wordt daarom ook afgewezen.\n\nOverige vorderingen\n\n4.40.. Ook de (incidentele) vorderingen van [eiseres] die zien op het verbod om aan derden onjuiste mededelingen over [eiseres] te doen en het gebod om eerdere mededelingen de rectificeren worden afgewezen. Volgens [eiseres] zou het handelen van ASR in dit verband onrechtmatig zijn, maar hij stelt niet concreet waarom dit handelen onrechtmatig is. Mede gelet op al het voorgaande en de vastgestelde gedragingen aan de kant van [eiseres] , ziet de rechtbank hierin ook geen onrechtmatig handelen van ASR. ASR mocht cliënten informeren over het beëindigen van de samenwerking met [eiseres] en het vervolg van het schaderegelingstraject.\n\n4.41.. \n\nVoor een veroordeling van ASR tot vergoeding van de schade van [eiseres] bestaat geen grondslag. Ook die vordering wordt afgewezen.\n\n [eiseres] wordt in de proceskosten veroordeeld\n\nin de hoofdzaak\n\n4.42.. \n [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in de hoofdzaak (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n4.43.. \n\nDe gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin het incident\n\n4.44.. \n [eiseres] moet als verliezende partij de proceskosten in het incident van ASR betalen. De proceskosten in het incident worden begroot op nihil, omdat niet is gebleken dat zij als gevolg van de incidentele vorderingen van [eiseres] extra kosten heeft moeten maken. De incidentele vorderingen komen vrijwel helemaal overeen met de vorderingen in hoofdzaak.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de hoofdzaak en het incident\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\nin het incident\n\n5.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van ASR, tot dusver begroot op nihil,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.3.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.\n\n5.5.. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken door mr. J.K.J. van den Boom op 18 maart 2026.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.23.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.24.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.25.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.26.\n\n Productie 5 bij conclusie van antwoord.\n\n Zie ook WODC rapport: W. van Boom e.a., De belangenbehartiger bij letselschade, WODC Project nr. 3396, p. 125.\n\n Zie bijv. A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025\u002F2.\n\n Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 14 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1012.\n\n Gerechtshof Den Haag 27 augustus 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1495 en zie ook A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025\u002F2.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.25.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6313, r.o. 4.26.\n\n Annex Protocol Incidenten waarschuwingssysteem Financiële Instellingen, p. 44-45: “Uitgangspunt bij plaatsing in het EVR is dat in een gerechtelijke procedure moet kunnen worden aangetoond dat afdoende bewijs aanwezig is om de kwalificatie fraude of een andere onoorbare of strafbare gedraging te dragen ten opzichte van een aantoonbaar betrokken (rechts)persoon. Ontbreekt een van deze elementen dan behoort geen registratie plaats et vinden. Zij vormen de criteria voor plaatsing in het EVR als aangegeven in artikel 5.2.1., onder a en b Protocol.”.\n\n Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4720.\n\n Artikel 4.6 Protocol Verzekeraars & Criminaliteit.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1236","2026-03-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.372Z",20]