[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-utrecht-mining-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":40,"limit":41},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},63,"Utrecht","nl","utrecht",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},114,"mining-law-nl","Mining Law","NL","2026-07-08T16:56:56.694Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2022-08-29T00:00:00.000Z","2022-09-30T00:00:00.000Z",[],[22,32],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":30,"updatedAt":31},"302","ECLI:NL:RBMNE:2022:3914","ecli-nl-rbmne-2022-3914","","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F4153\n uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2022 in de zaak tussen\n het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden, eisers\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Schipper),\n\nen\n\nde minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister\n\n(gemachtigde: mr. drs. M.A.G. Stolker).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Vermilion Energy Netherlands B.V., uit Amsterdam, Vermilion\n\n(gemachtigde: mr. R. Olivier).\n\nInleiding\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaren tegen het besluit tot verlenging van de aan Vermilion verleende opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen Utrecht.\n\nDe minister heeft de aanvraag van Vermilion om verlenging van de opsporingsvergunning met het besluit van 15 maart 2021 (het primaire besluit) ingewilligd.\n\nMet het bestreden besluit van 3 september 2021 heeft de minister de bezwaren van eisers hiertegen niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vermilion heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 5 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, namens de provincie Utrecht mr. [A] en drs. [B] , namens de minister zijn gemachtigde en drs. [C] en mr. [D] , namens Vermilion de gemachtigde en [E] .Totstandkoming van het besluit\n\nBij besluit van 25 april 2007 is aan de rechtsvoorganger van Vermilion een opsporingsvergunning koolwaterstoffen Utrecht verleend (Stc. 3 mei 2007, nr. 85). Deze vergunning is verschillende malen verlengd, de laatste keer met het primaire besluit van 15 maart 2021. De opsporingsvergunning geeft Vermilion het alleenrecht om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van delfstoffen en gegevens daarover onder andere door middel van het verrichten van een proefboring.\n\nEisers hebben tegen de verlenging van de opsporingsvergunning bezwaar gemaakt. De minister heeft de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij naar zijn mening geen belanghebbenden zijn bij het besluit. De minister heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd. De aan Vermilion verleende vergunning geeft haar het alleenrecht om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van delfstoffen en gegevens daarover met gebruikmaking van een boorgat. Dit onderzoek kan bestaan uit bureaustudie, seismisch onderzoek en een eventuele proefboring. Bureaustudie en seismisch onderzoek hebben geen feitelijke gevolgen van enige betekenis voor de ruimtelijke ordening. Het doen van een proefboring kan dat wel hebben. De verleende vergunning geeft echter geen toestemming voor het feitelijk uitvoeren van de proefboring. Voor het verrichten van een proefboring is eerst nog een omgevingsvergunning nodig. Aan eisers is het belang van de ruimtelijke ordening toevertrouwd, maar dit belang wordt door het besluit niet geraakt. De verlenging van de opsporingsvergunning heeft als zodanig immers geen feitelijke gevolgen voor de ruimtelijke ordening van de gemeenten en provincie. Beoordeling door de rechtbank\n\nEisers zijn het niet eens met het besluit van de minister. Zij vinden dat ze wel belanghebbenden zijn bij het besluit tot verlenging van de opsporingsvergunning.\n\nOp grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb worden de aan een bestuursorgaan toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(de Afdeling) is een belang aan een bestuursorgaan toevertrouwd als een wettelijk voorschrift aan dit bestuursorgaan een bevoegdheid tot behartiging van dit belang toekent.\n\n5. De ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente is een mede aan het college van burgemeester en wethouders toevertrouwd belang. Hetzelfde geldt voor de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een provincie, dat is een aan het college van gedeputeerde staten van de provincie toevertrouwd belang. Dit volgt uit diverse bepalingen in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).Aan gedeputeerde staten van de provincie is verder het belang van de drinkwaterwinning toevertrouwd. Op grond van bepalingen in de Wet bodembescherming en de Wet milieubeheer zijn gedeputeerde staten verantwoordelijk voor de bescherming van de bronnen waaruit water wordt gewonnen voor de drinkwatervoorziening.\n\n6. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de belangen van de ruimtelijke ordening en de drinkwaterwinning rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit tot het verlengen van de opsporingsvergunning.\n\n7. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De verlening, wijziging en verlenging van vergunningen voor de opsporing en winning van delfstoffen en aardwarmte is geregeld in hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet. In dit hoofdstuk is uitputtend geregeld welke gronden aanleiding kunnen of moeten geven voor weigering van een vergunning, welke voorschriften daaraan kunnen worden verbonden en wanneer een verleende vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Artikel 18, derde lid, van dit hoofdstuk van de Mijnbouwwet regelt de verlenging van een opsporingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een vergunning geldt slechts ingewilligd indien het in de vergunning vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten waarvoor de vergunning geldt, te voltooien en deze activiteiten zijn verricht in overeenstemming met de vergunning. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft hierover in een uitspraak van 14 maart 2018overwogen dat het niet zo is dat de minister, indien aan deze voorwaarde is voldaan, onder alle omstandigheden gehouden is tot verlenging van de vergunning. De minister heeft in dit verband een zekere ruimte om op grond van een belangenafweging van verlenging af te zien. Deze ruimte kan, gelet op het limitatief-imperatieve karakter van de in hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet neergelegde regeling, niet groter zijn dan de ruimte die de minister in zoverre heeft bij de beslissing over verlening of weigering van een opsporingsvergunning.\n\n8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn, gezien het voorgaande, de gronden voor het weigeren van een opsporingsvergunning, genoemd in artikel 9 van de Mijnbouwwet, aldus ook voor een besluit tot verlenging van de vergunning van belang.\n\n9. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Mijnbouwwet bepaalt dat een vergunning geheel of gedeeltelijk kan worden geweigerd indien het in de aanvraag aangeduide gebied door onze minister niet geschikt wordt geacht voor de in de aanvraag vermelde activiteit om reden van het belang van: 1º. de veiligheid voor omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, 2°. het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen, 3°. nadelige gevolgen die voor het milieu worden veroorzaakt, of 4°. nadelige gevolgen die voor de natuur worden veroorzaakt.\n\n10. Hieruit volgt dat de belangen van de ruimtelijke ordening – effecten voor natuur en milieu – (onder 1º, 3º en 4º) en de drinkwaterwinning (onder 2º) een rol kunnen spelen bij de beslissing over de verlenging van een opsporingsvergunning. Deze aan eisers toevertrouwde belangen zijn dus rechtstreeks bij het besluit betrokken en dit maakt eisers belanghebbenden bij het primaire besluit.\n\n11. De stelling van verweerder en derde-partij dat een opsporingsvergunning een marktordenend karakter heeft en nog geen feitelijke gevolgen heeft, omdat voor een proefboring nog een omgevingsvergunning nodig is, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Voor dit oordeel zijn twee argumenten redengevend. Het eerste argument is dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9 van de Mijnbouwwet blijkt dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu (inclusief waterkwaliteit) en de natuur als weigeringsgronden voor het verlenen van een opsporingsvergunning in de wet op te nemen en dat daarbij is voorzien dat dit tot gevolg heeft dat in elk van de drie fasen– (i) opsporings- en winningsvergunning, (ii) winningsplan, (iii) omgevingsvergunning – getoetst zal worden aan de belangen van voorkoming van schade en negatieve gevolgen voor milieu en natuur. Dat deze toetsing hierdoor zo vroeg mogelijk in het proces plaatsvindt is gerechtvaardigd vanwege de impact van mijnbouwactiviteiten.De consequentie hiervan is dat partijen die deze belangen behartigen hun standpunt hierover ook in de opsporingsfase naar voren moeten kunnen brengen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat er voor het feit dat in de fase van de opsporingsvergunning nog geen sprake is van daadwerkelijke winningsactiviteiten waardoor er beperkt zicht is op de gevolgen van die vergunning voor natuur, milieu en de winning van grondwater voor drinkwater, aandacht is geweest. Dat heeft echter niet tot een andere keuze van de wetgever geleid.\n\n12. Het tweede argument is dat de verlenging van de opsporingsvergunning een noodzakelijke voorwaarde is om uiteindelijk gaswinning te kunnen realiseren en draagt daarom bij tot het openen van de weg naar realisatie daarvan. De omstandigheid dat voor het daadwerkelijk getroffen zijn in het belang nog nadere besluitvorming is vereist, staat naar het oordeel van de rechtbank daarom in dit geval niet in de weg aan het aannemen van belanghebbendheid. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de rechtspraak van de Afdeling over de Wet geluidhinder.Uit die rechtspraak volgt dat beroep tegen een eerder besluit uit de besluitvormingsketen mogelijk dient te zijn wanneer zulk een besluit naar zijn strekking leidt tot de mogelijkheid dat een natuurlijke of rechtspersoon door het nadere besluit in zijn belang zal worden geschaad. Dat eisers door het verrichten van proefboringen en uiteindelijk gaswinning in hun belangen worden geraakt, staat niet ter discussie.Conclusie en gevolgen\n\n13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eisers belanghebbenden zijn bij het primaire besluit en dat hun bezwaar daartegen ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. Omdat de minister nu gehouden is om inhoudelijk te reageren op de bezwaren van eisers, is het ook zo dat de minister eisers alsnog een volledig inhoudelijk dossier ter beschikking zal moeten stellen.\n\n15. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.518,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 3 september 2021;\n\n- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 360,- aan eisers moet vergoeden;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.518,- aan proceskosten aan eisers.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzitter, en mr. L.A. Banga en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.\n\ngriffier\n\nDe voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2230.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:869\n\n Nader gewijzigd amendement van het lid Van Tongeren c.s. ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 23, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 34348, nr. 41\n\n Memorie van Toelichting, 34 348, nr. 3, pp. 7 - 9 en 33- 34; Eerste Kamer, 34 041 (en 34 348), E, pagina 10.\n\n ECLI:NL:RVS:2009:BJ1097","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3914","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:23.467Z",{"id":33,"ecli":34,"slug":35,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":36,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":37,"sourceTimestamp":38,"parsedAt":30,"updatedAt":39},"530","ECLI:NL:RBMNE:2022:3609","ecli-nl-rbmne-2022-3609","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 21\u002F3946\n uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2022 in de zaak tussen\n Stichting Laat Woerden Niet Zakken, uit Woerden, eiseres\n\n(gemachtigden: E. Bom en L. Sonneveld),\n\nen\n\nde Minister van Economische Zaken en Klimaat (verweerder)\n\n(gemachtigden: mr. M.A.G. Stolker en drs. J.L.M. Oomers).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Vermilion Energy Netherlands B.V.uit Amsterdam (Vermilion)\n\n(gemachtigde: mr. M. Israëls).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van 11 augustus 2021 waarin het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vermilion heeft ook schriftelijk gereageerd.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres, de gemachtigden van verweerder en de gemachtigde van Vermilion. Namens verweerder zijn verder mr. [A] en [B] verschenen.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. Verweerder heeft aan Vermilion op 7 juni 2006 een winningsvergunning voor koolwaterstoffen verleend als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van de Mijnbouwwet voor het winningsgebied Papekop. Vermilion heeft op 26 oktober 2020 een aanvraag bij verweerder ingediend waarin is verzocht om wijziging van deze winningsvergunning, namelijk om verkleining van het vergunningsgebied. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 29 december 2020 toegewezen. Hiermee is het vergunningsgebied verkleind van 68,89 km² tot een oppervlakte van 35,3 km².\n\n5. Eiseres heeft tegen het besluit van 29 december 2020 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres volgens hem geen belanghebbende is bij het besluit.Beoordeling door de rechtbank\n\n6. Eiseres voert in beroep aan dat zij gelet op haar statuten belanghebbende is bij het besluit van 29 december 2020 waarbij het winningsgebied wordt verkleind. Het belang van de stichting staat haaks op de winningsvergunning. De winningsvergunning heeft het doel om in een later stadium schadelijke koolwaterstoffen te winnen. Dit is een opmaat naar extra uitstoot van broeikasgassen, waaronder CO2 en methaan, die aantoonbaar slecht zijn voor het klimaat en waarbij sprake is van een onomkeerbaar proces. Het besluit tot verlening van de winningsvergunning is dus één van de besluiten waarmee een volgende stap wordt gezet in het proces naar winning. Datzelfde geldt daarom ook voor een wijziging van die vergunning, ook als die wijziging een verkleining van het winningsgebied inhoudt. Daar komt bij dat eiseres belang heeft om bij de wijziging opnieuw en accuraat de risico’s voor de winningsvergunning te laten beoordelen. Een wijziging vereist namelijk dat de vergunning getoetst moet worden aan de huidige wetgeving. De nieuwe Mijnbouwwet die geldt per 1 januari 2017 stelt meer eisen aan veiligheid en risico’s. Eiseres wijst daarbij specifiek op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Mijnbouwwet. Verweerder moet hieraan toetsen. Dat betekent dat verweerder - voordat een besluit tot wijziging van de vergunning kan worden gekomen - locatiespecifieke risico’s moet inventariseren en kwantificeren, waarbij rekening moet worden gehouden met de kwetsbare context van het veenweidegebied. Eiseres wijst erop dat in de herziene vergunning sprake is van overlap met drinkwaterwinningsgebieden. Dit is ten onrechte niet bij het besluit tot verkleining betrokken.\n\n7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van eiseres niet rechtstreeks betrokken is bij het besluit van 29 december 2020, waarin het verzoek om verkleining van het winningsgebied is ingewilligd. Een winningsvergunning biedt de vergunninghouder slechts het alleenrecht om in een bepaald gebied delfstoffen zoals koolwaterstoffen te mogen winnen en op te sporen en bepaalt dus voor wie en welk gebied de vergunning geldt. Een winningsvergunning biedt de houder geen recht om handelingen te verrichten die kunnen leiden tot effecten op de fysieke leefomgeving, zoals proefboren of het onttrekken van delfstoffen aan de bodem. Het belang van eiseres wordt met de onderhavige vergunning en de verkleining van het gebied niet rechtstreeks geraakt, omdat het nog steeds niet vaststaat of, en zo ja, waar, wanneer en hoe fysiek ingrijpen is voorzien. Dit is een beoordeling die pas plaatsvindt als er een actueel winningsplan zou komen waarmee wordt ingestemd en als er wordt besloten om een omgevingsvergunning te verlenen. Dat gaat dus om een onzekere toekomstige ontwikkeling, die eraan in de weg staat eiseres aan te kunnen merken als belanghebbende bij het besluit waarin het verzoek om verkleining van het winningsgebied is ingewilligd.\n\n8. Vermilion stelt zich op het standpunt dat een winningsvergunning slechts een marktordeningsinstrument is en verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 november 2021.Na verkrijging van een winningsvergunning dient verweerder nog in te stemmen met een winningsplan voordat tot winning kan worden overgegaan. Daarnaast is daarvoor ook een aantal omgevingsrechtelijke toestemmingen nodig, zoals een omgevingsvergunning. Eiseres richt zich gelet op de statuten op fysieke activiteiten in haar werkgebied. De winningsvergunning, laat staan de verkleining van het gebied, geeft geen recht om fysieke activiteiten uit te voeren. Daarom is het bezwaar van eiseres volgens Vermilion terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\n9. De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder belanghebbende wordt verstaan: “degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.\" Artikel 1:2, derde lid, van de Awb luidt: \"Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.\" Het is vaste jurisprudentie dat alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en (rechts)persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.\n\n10. Eiseres heeft, voor zover van belang, op grond van haar statuten ten doel een evenwichtig en gezond, schoon, natuurlijk en landschappelijk leef- en woonmilieu te behouden en bevorderen in de gemeente Woerden en aangrenzende gemeenten. Verder heeft eiseres ten doel het tegengaan en voorkomen van rechts- en feitelijke handelingen die aan de natuur, het milieu of het landschap, bodem of ondergrond, onroerend goed, wegen of andere weren in het gebied, materiële dan wel immateriële aantasting, directe dan wel indirecte schade, inklinking, verzakking, trilling, vervuiling, straling, hinder, gebruiksbeperking of waardedaling toebrengen of zouden kunnen toebrengen.Eiseres probeert onder meer met alle wettelijke middelen rechts- en feitelijke handelingen tegen te gaan en te voorkomen die een risico zouden kunnen opleveren voor de hiervoor genoemde doelen.\n\n11. De rechtbank overweegt als volgt. Een winningsvergunning is een vergunning voor het winnen en opsporen van delfstoffenen is een eerste stap om tot daadwerkelijke ontplooiing van activiteiten te komen. De houder van een vergunning heeft de zekerheid dat anderen deze activiteit niet mogen uitvoeren in het desbetreffende gebied. De winningsvergunning heeft dan ook het karakter van een concessie.\n\n12. Het gaat in deze zaak om de wijziging van de winningsvergunning, namelijk de verkleining van het gebied waarvoor de vergunning is verleend. Dit is een wijzigingsbesluit in de zin van artikel 18 van de Mijnbouwwet. Op grond van dit artikel kan verweerder een vergunning wijzigen op verzoek van de houder van de vergunning of als sprake is van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten. Een aanvraag om verkleining van het gebied van een winningsvergunning kan verweerder op grond van artikel 18, vierde lid, van de Mijnbouwwet alleen inwilligen met inachtneming van het bepaalde in artikel 11, derde en vierde lid, van de Mijnbouwwet. Daaruit volgt dat voor de afbakening van het gebied de begrenzing aan de oppervlakte wordt aangegeven en dat deze afbakening zodanig moet gebeuren dat de uitoefening van de activiteiten uit technisch en economisch oogpunt op zo goed mogelijke wijze kan plaatsvinden. Als aan deze voorwaarde is voldaan, is verweerder bevoegd om aan het wijzigingsverzoek tegemoet te komen. Dit betekent echter niet dat verweerder, als aan deze voorwaarde is voldaan, onder alle omstandigheden gehouden is tot toewijzing van het verzoek. Verweerder heeft in dit verband een zekere ruimte om op grond van een belangenafweging van verkleining af te zien. De ruimte die deze belangenafweging biedt kan niet groter zijn dan de ruimte die verweerder op basis van hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet heeft bij de beslissing over verlening of weigering van een winningsvergunning.\n\n13. De rechtbank trekt voorgaande conclusie naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS van 14 maart 2018.Deze zaak zag weliswaar op de verlenging van een opsporingsvergunning op grond van artikel 18, derde lid, van de Mijnbouwwet, maar de rechtbank ziet aanleiding dezelfde lijn te volgen bij de verkleining van het vergunningsgebied van een winningsvergunning. Een verzoek om een verkleining is, net als een verzoek om een verlenging van een opsporingsvergunning, een wijziging van een vergunning op grond van artikel 18 van de Mijnbouwwet.\n\n14. De vraag is vervolgens welke belangen verweerder bij zijn afweging in ieder geval moet betrekken. Dat zijn in de eerste plaats de belangen van Vermilion als houder van de winningsvergunning. Daarnaast spelen de belangen een rol die in hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet worden genoemd. Het gaat dan bijvoorbeeld om natuur- en milieubelangen, de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van (kort gezegd) schade. Deze belangen volgen namelijk uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Mijnbouwwet, wat onderdeel uitmaakt van hoofdstuk 2 van de Mijnbouwwet.\n\n15. Dat deze belangen een rol spelen bij de te maken belangenafweging in het kader van een wijzigingsbesluit van de winningsvergunning, blijkt niet alleen uit bovenstaande rechtspraak en wetssystematiek, maar bevestiging daarvoor kan ook worden gevonden in de wetsgeschiedenis. Zo blijkt uit de wetswijziging van de Mijnbouwwet van 1 januari 2017 dat uitdrukkelijk is beoogd om te bewerkstelligen dat (in ieder geval) de belangen van milieu en natuur bij de beoordeling van een vergunningaanvraag als weigeringsgrond dienen. Daarbij is voorzien dat het amendement Van Tongeren c.s. zal bewerkstelligen dat in elk van de drie fasen– (i) opsporings- en winningsvergunning; (ii) winningsplan; (iii) Wabo-vergunning – getoetst zal worden aan de belangen van voorkoming van schade en negatieve gevolgen voor milieu en natuur.Daarbij is in de wetsgeschiedenis een en andermaal over de natuur- en milieubelangen toegelicht dat in de fase van de winningsvergunning nog geen sprake is van daadwerkelijke winningsactiviteiten zodat er bij de verlening van een winningsvergunning, en ook bij de wijziging daarvan, beperkt zicht is op de gevolgen van die vergunning voor natuur en milieu.Er is dus aandacht geweest voor het punt dat er nog geen sprake is van daadwerkelijke winningsactiviteiten, maar dat heeft niet tot een andere keuze van de wetgever geleid.\n\n16. Dit betekent dat verweerder onder meer de natuur- en milieubelangen en de belangen van de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van schade bij de beoordeling van het verzoek van Vermilion om verkleining van de winningsvergunning had moeten betrekken. Omdat eiseres die belangen op grond van haar statuten en feitelijke werkzaamheden behartigt, is haar belang rechtstreeks bij de wijzigingsvergunning betrokken. Eiseres zet zich immers in voor milieu- en natuurbelangen, de veiligheid van omwonenden en het voorkomen van (kort gezegd) schade. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit eiseres ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Verweerder heeft daarom het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n17. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.\n\n18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten en de verletkosten van de gemachtigde E. Bom. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 8,20 voor reiskosten en € 176,- voor verletkosten voor het bijwonen van de zitting. De gevraagde verletkosten voor de hoorzitting in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking. Verweerder dient daarover een beslissing te nemen in de nieuwe beslissing op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan eiseres te vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 184,20.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, mr. A.A.M. Elzakkers en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2022.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2634.\n\n Artikel 2, eerste lid, van de statuten.\n\n Artikel 2, tweede lid, van de statuten.\n\n Artikel 1, aanhef en onder k, van de Mijnbouwwet.\n\n Memorie van Toelichting 2015-2016, 34 348, nr. 3, p. 5.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:869, rechtsoverweging 6.\n\n Nader gewijzigd amendement van het lid Van Tongeren c.s. ter vervanging van dat gedrukt onder nr. 23, 2015-2016, 34 348, nr. 41.\n\n Memorie van Toelichting 34 348, nr. 3, p. 7-9 en 33-34; Eerste Kamer, 34 041 (en 34 348), E, pagina 10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:3609","2022-09-09T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:35.048Z",1,20]