[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zutphen-road-traffic-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},68,"Zutphen","nl","zutphen",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},65,"road-traffic-nl","Road Traffic","NL","2026-07-08T16:54:19.226Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-23T00:00:00.000Z","2026-07-03T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"846","ECLI:NL:RBGEL:2026:5294","ecli-nl-rbgel-2026-5294","","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummer: 05\u002F048594-25\n\nDatum uitspraak : 3 juli 2026\n\nTegenspraak (279 Sv)\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] te [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. R.J.A. van den Munckhof, advocaat in Amsterdam.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en\u002Fof onachtzaam heeft gereden, hierin\n\nbestaande dat verdachte,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) en\u002Fof zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg (de A28) niet\u002Fonvoldoende heeft gevolgd en\u002Fof in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fof over de kop is gegaan\u002Fgeslagen,\n\nen aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft\n\nplaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven letten op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) en\u002Fof zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fof de weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van, de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg (de A28) niet\u002Fonvoldoende heeft gevolgd en\u002Fof in strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fof over de kop is gegaan\u002Fgeslagen,\n\nen door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en\u002Fof het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A28, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met het door hem bestuurde voertuig gecrasht en\u002Fof over de kop gegaan\u002Fgeslagen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nTen aanzien van feit 2\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 13 januari 2025, p. 199 t\u002Fm 202;\n\n- het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t\u002Fm 80.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie is het verkeersongeluk te wijten aan de schuld van verdachte (in de zin van ernstigeschuld) en heeft [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval niet tot de conclusie leiden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Verdachte was zich niet bewust van het feit dat hij de maximumsnelheid heeft overschreden. De enkele omstandigheid van te hard rijden is niet voldoende voor overtreding van artikel 6 WVW. Het rijden zonder rijbewijs kan een verzwarende factor zijn, maar maakt op zich niet dat artikel 6 WVW is overtreden. Het korte moment van onoplettendheid van verdachte toen hij de telefoon voor de navigatie wilde pakken is mogelijk verwijtbaar onvoorzichtig, maar niet aanmerkelijkverwijtbaar onvoorzichtig.\n\nDe raadsman refereert zich ten aanzien van het letsel van [slachtoffer] aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe raadsman heeft zich tevens ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet verkeersongeval\n\nOp 7 oktober 2024, omstreeks 01:50 uur, heeft er op de Rijksweg A28, ter hoogte van\n\nHattem, een enkelzijdig verkeersongeval plaatsgevonden waarbij een personenauto betrokken was. In de personenauto zaten drie inzittenden. De bestuurder van de personenauto reed op de Rijksweg A28 links, komende uit de richting van Zwolle en gaande in de richting van Wezep. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid betrof 100 kilometer per uur.\n\nHet verkeersongeval vond plaats op een recht weggedeelte. Naast de rijbaan lag aan de rechterzijde een ongeveer 3 meter brede vluchtstrook die door middel van een onderbroken kantstreep van de rijbaan was gescheiden. Rechts naast de vluchtstrook lag een grasberm. De straatverlichting was in werking. Ter hoogte van hectometerpaal 85,5 is de auto van de rijbaan geraakt en in de grasberm gekomen. De auto heeft een 74 meter lang sporenbeeld achtergelaten. De eerste ongeveer 60 meter van dit sporenbeeld bestond uit twee parallel afgetekende bandensporen. Aan het einde van deze 60 meter bevond zich een verhoging in de grasberm. Hierna waren de sporen, over een afstand van ongeveer 14 meter, richting de vluchtstrook afgetekend. Na het raken van de verhoging is de auto terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen tegen de rijrichting in op de vluchtstrook tot stilstand gekomen. De afstand tussen het begin van de eerste sporen en de eindpositie van de personenauto was ongeveer 105 meter. Op de vluchtstrook waren over een afstand van ongeveer 30 meter, tot de eindpositie van de personenauto, gras, glas- en voertuig(onder)delen, een rode, op bloed gelijkende, vlek met daar omheen verpakkingen van medisch handelen en krassporen te zien. De passagier, die op de achterbank zat, was uit de auto geslingerd en gewond geraakt.\n\nVoertuigonderzoek\n\nHet voertuig werd onderzocht op mogelijke technische gebreken, welke een rol gespeeld zouden kunnen hebben in het ontstaan van het ongeval. Dergelijke gebreken werden niet aangetroffen. De auto was voorzien van een event datarecorder (EDR). Deze recorder heeft data opgeslagen die in verband zijn te brengen met het ongeval. De recorder heeft geregistreerd dat de auto voorafgaand aan het ongeval op de cruise control en met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur heeft gereden. Er waren geen aanwijzingen dat verdachte door middel van remmen probeerde het ongeval te voorkomen. Volgens de EDR droegen de inzittenden vóórin de auto de voor hen bestemde autogordel. De linker en rechter gordel achter in de auto waren volgens het EDR-systeem niet vastgeklikt.\n\nVerklaring van verdachte\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij door [benadeelde] is gevraagd om in haar auto van Assen naar Amsterdam te rijden. Zij was moe en niet in staat om te rijden. Verdachte stemde in, hoewel hij zich er bewust van was dat hij niet over de benodigde rijbevoegdheid beschikte. Voordat zij vertrokken, nam hij nog twee hijsjes van een wietsigaret. [benadeelde] zat naast hem en [slachtoffer] zat op de achterbank achter [benadeelde] . Verdachte verklaarde dat het heel donker was en dat vond hij vervelend. Hij reed 120 of 130 kilometer per uur en op de cruise control. De telefoon met de navigatie lag op schoot van [benadeelde] en verdachte moest steeds opzij kijken om de route te zien. Hij vroeg [benadeelde] om hem de telefoon aan te reiken. Terwijl zij hem de telefoon wilde geven, probeerde hij de telefoon van haar schoot af te pakken, maar greep hij mis omdat zij de telefoon al gepakt had. Door dit misverstand was zijn blik even niet op de weg gericht. Daarna ging het allemaal heel snel en sloeg de auto over de kop. Zij vonden [slachtoffer] bewusteloos en bebloed buiten de auto.\n\nSchuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994\n\nOf er sprake is van ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVW hangt af van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding of verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een op zijn minst aanmerkelijkemate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Het moet gaan om méér dan een moment van onoplettendheid.\n\nVerdachte was op 7 oktober 2024 rond 01:53 de bestuurder van de Volkswagen Polo toen deze betrokken raakte bij een eenzijdig ongeval op de A28 te Hattem. Verdachte reed, zonder dat aan hem een rijbewijs voor dit type motorvoertuig was afgegeven, ongeveer 30 kilometer per uur te hard. De navigatie stond ingeschakeld op de telefoon van [benadeelde] die op haar schoot lag. Verdachte moest steeds opzij kijken om de navigatie te kunnen zien en vroeg of hij de telefoon kon krijgen. [benadeelde] gaf hem de telefoon aan terwijl hij op datzelfde moment de telefoon van haar schoot wilde pakken en mis greep. Hierdoor was verdachte afgeleid en was zijn blik niet op de weg gericht.\n\nHet was donker, het ongeval vond plaats op een recht stuk weg met straatverlichting en verdachte reed op de cruise control. Toch is de auto, zonder te remmen, van de rijbaan geraakt, via de vluchtstrook in de grasberm terecht gekomen, heeft een heuvel geraakt, is terug op de vluchtstrook gekomen en op zijn dak gerold. Uiteindelijk is de auto op zijn wielen, tegen de rijrichting in, tot stilstand gekomen op de vluchtstrook. [slachtoffer] , die geen gordel droeg, is door het ongeval de auto uit geslingerd en gewond geraakt. Het kan niet anders zijn dan dat verdachte gewoonweg niet (voldoende) op de weg heeft gelet. Als gevolg hiervan heeft verdachte zijn voertuig niet voldoende onder controle gehouden en kon hij het voertuig niet op tijd tot stilstand brengen. De rechtbank is van oordeel dat dit – gelet op het bovenstaande - méér dan een moment van onoplettendheid oplevert.\n\nVan iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op komende verkeerssituaties en voortdurend (geestelijk en lichamelijk) in staat is zijn voertuig onder controle te houden om veilig aan het verkeer deel te nemen en om de daarvoor benodigde verkeershandelingen te verrichten. Verdachte heeft zich niet aan deze zorgplicht gehouden. Immers, hij heeft zijn voertuig niet onder controle gehouden door op een recht stuk weg van de weg af te raken, de berm in te rijden en over de kop te slaan. Dit terwijl hij geen rijbewijs had en 30 kilometer per uur te hard reed. Daar komt nog bij dat verdachte niet bekend was met de situatie ter plaatse, er twee inzittenden bij hem in het voertuig zaten en bij hem 3,0 microgram cannabis per liter bloed, de maximum toegestane grenswaarde, is gemeten.\n\nGelet op het geheel aan verdachtes gedragingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het eenzijdige verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft daarom schuld aan het verkeersongeval zoals bedoeld in artikel 6 WVW.\n\nLetsel\n\nUit de medische verklaring blijkt dat [slachtoffer] door het ongeluk het volgende letsel heeft opgelopen:\n\n een schedelbasisfractuur met bloeding rondom de stam;\n\n een sternum fractuur met mediastinaal hematoom;\n\n fractuur thoracale Th3 en Th4;\n\n pulmonale matglas afwijkingen dd contusie dd aspiratie;\n\n hematoom mediastinum;\n\n een sternum fractuur met verhoogde troponines geduid als corcontusie;\n\n een fractuur Lamina c2 bdz.;\n\n 1e Ford type 2 fractuur en sinus maxillaris fractuur.\n\n [slachtoffer] verklaarde dat hij twee weken in coma heeft gelegen. In eigen bewoordingen gaf hij aan dat hij een breuk bij zijn nek had, een schaafwond op zijn achterhoofd en op zijn voorhoofd. De kaak en vier ribben waren gebroken. De druk in de hersenen was heel hoog en hij had bloedingen in de hersenen. In totaal moest hij zes weken in het ziekenhuis in Zwolle blijven. Daarna is hij naar Revalidatiecentrum Overtoom-Reade in Amsterdam gegaan. Het herstel ging langzaam. Naar schatting zou hij wel kunnen genezen, maar kon niet worden voorspeld hoelang dat ging duren en of hij eventueel blijvend letsel of klachten zou houden.\n\nDe rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel van belang zijn. De rechtbank is van oordeel dat het letsel zoals hiervoor omschreven gelet op de aard en de gevolgen naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair tenlastegelegde kan worden bewezen dat verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto),\n\nkomende uit de richting van Zwolle, gaande in de richting van Wezep, daarmede heeft gereden over de A28,\n\nzeer, althansaanmerkelijk,onvoorzichtig, onoplettend en\u002Fofonachtzaam heeft gereden, hierin\n\nbestaande dat verdachte,\n\nzonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorvoertuigen, waartoe dat motorvoertuig behoorde,\n\nheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van (ongeveer) 130 kilometer per uur en\u002Fof\n\nniet of in onvoldoende mate heeft gelet en\u002Fof is blijven lettenop de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fofopde weg (de A28) en\u002Fofzijn aandacht gedurende enige tijdniet, althansin onvoldoende mate,op de (verkeers)situatie ter plaatse en\u002Fofde weg (de A28) heeft gericht en\u002Fof\n\nin strijd met artikel 43, derde lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV90) anders dan in een noodgeval, heeft gereden over\u002Fop, althans gebruik heeft gemaakt van,de vluchtstrook en\u002Fof\n\nhet verloop van de rijbaan en\u002Fof de weg(de A28) niet\u002Fonvoldoendeheeft gevolgd en\u002Fofin strijd met artikel 10, eerste lid, RVV90 met het door hem bestuurde voertuig door de berm heeft gereden en\u002Fof\n\nin strijd met het gestelde in artikel 19 RVV90 de snelheid van het door hem bestuurde voertuig (personenauto) niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was en\u002Fof\n\nmet het door hem bestuurde voertuig is gecrasht en\u002Fofover de kop isgegaan\u002Fgeslagen,\n\nen aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft\n\nplaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks7 oktober 2024 te Hattem als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de A28, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1 primair en feit 2:\n\nde eendaadse samenloop van\n\novertreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;\n\nen\n\novertreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 primair gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot\n\n een taakstraf van 160 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 dagen;\n\n een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte schuldig wordt verklaard, maar dat aan hem geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van de zaak. Verdachte is jong. Hij is first offender. Hij handelde met goede bedoelingen om juist een gevaarlijke situatie te voorkomen. Voor de raadsman zijn dit redenen om ten gunste van verdachte van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van het feit\n\nDe verdachte is met te hoge snelheid met de auto van de weg geraakt en in de berm terechtgekomen. De auto is daardoor over de kop geslagen. Door met hoge snelheid te rijden heeft de verdachte zichzelf de mogelijkheid ontnomen om adequaat op de verkeerssituatie te kunnen anticiperen en de controle over het voertuig te behouden. Verdachte had geen rijbewijs en was onder invloed van een bewustzijnsbeïnvloedende stof (THC). De hoeveelheid in zijn bloed betrof weliswaar de grenswaarde, maar in samenhang met de andere verwijten heeft verdachte hiermee onverantwoorde risico’s genomen voor zichzelf en anderen. [slachtoffer] heeft ernstig letsel opgelopen. Het is nog niet te voorzien of het letsel blijvende klachten ten gevolge heeft en welke invloed dat zal hebben op zijn toekomst.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nUit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 21 mei 2026 blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hij is daarom aan te merken als ‘first offender’.\n\nUit het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 17 november 2025 komt naar voren dat verdachte zijn leven goed op orde heeft en in staat is zijn zaken goed te regelen. Volgens de reclassering is sprake van een incident. Verdachte heeft niet aan de mogelijke gevolgen gedacht. Met name de gevolgen van zijn handelen (het ernstige letsel van het slachtoffer) hebben een recidivebeperkende werking. Verdere bemoeienis door de reclassering lijkt niet geïndiceerd.\n\nProceshouding\n\nVerdachte heeft bij de politie uitgebreid verklaard over zijn handelen. Echter heeft hij ervoor gekozen om niet ter terechtzitting te verschijnen. Daardoor heeft hij de mogelijkheid verstek laten gaan om de rechtbank te overtuigen dat hij spijt heeft van zijn handelen en om het slachtoffer zijn excuses aan te bieden.\n\nStraftoemeting\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nBij het bepalen van de strafmaat zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor het veroorzaken van een verkeersgeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van ‘aanmerkelijke schuld’, die een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden indiceren. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan ziet de rechtbank geen redenen om van de LOVS-oriëntatiepunten af te wijken en zal een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden, met inachtneming van eendaadse samenloop, aan verdachte opleggen.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nDe rechtbank zal ten aanzien van feit 2 volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nDe benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 13.588,25 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering ziet op de kosten van het eigen risico voor het ambulancevervoer ter hoogte van € 241,04 en het restantbedrag in verband met de leaseovereenkomst voor de auto ter hoogte van € 13.347,21. Verder is om toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces is.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wellicht sprake is van een (gedeelte) eigen schuld van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek en dat de vordering niet binnen de strafprocedure kan worden afgewikkeld, zonder afbreuk te doen aan fundamentele waarborgen die het civiele recht biedt. Derhalve dient de benadeelde partij volgens de verdediging niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard, zodat de vordering in een civiele procedure kan worden behandeld.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafproces op, nu de vordering te ingewikkeld is. Niet duidelijk is of de benadeelde partij ervan op de hoogte was dat verdachte niet over een rijbewijs beschikte toen zij hem de auto liet besturen. Daarnaast zijn de schadeposten onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij kan de vordering alsnog aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 9, 22 c, 22d, 55 en 62 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\n legt op een taakstraf van 120 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen;\n\n ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van\n\n6 maanden;\n\n verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;\n\nTen aanzien van feit 2\n\n bepaalt dat ten aanzien van feit 2 geen straf of maatregel wordt opgelegd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Verkroost (voorzitter), mr. A.P Sno en mr. G.L.C. van den Bosch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. U. Posthumus, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juli 2026.\n\nMr. P. Verkroost en mr. G.L.C. van den Bosch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024470076, gesloten op 8 februari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal Verkeersongevalsanalyse d.d. 21 oktober 2024, p. 89, 90, 93, 99.\n\n Proces-verbaal Forensische Opsporing Verkeer d.d. 27 november 2024, p. 103, 111.\n\n Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 10 oktober 2024, p. 72 t\u002Fm 80.\n\n Medische verklaring d.d. 12 oktober 2024, p. 192.\n\n Proces-verbaal verhoor van slachtoffer [slachtoffer] d.d. 20 november 2024, p. 16 t\u002Fm 17.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5294","2026-07-06T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:50.927Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1675","ECLI:NL:RBGEL:2026:5218","ecli-nl-rbgel-2026-5218","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Zutphen\n\nParketnummers: 05.223831.25 en 05.114360.25 (tul)\n\nDatum uitspraak : 23 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nop dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .\n\nraadsvrouw: mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks 12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan\n\nvan [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, immers heeft\n\nverdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: \"Als ik zaterdag\n\nmijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik\n\nvarkensvoer van haar\", van welke bedreiging(en)\u002Fdreigende woorden voornoemde\n\n [aangever 1] kennis heeft genomen;\n\n2\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst\n\n [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3]\n\nheeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 2] en\u002Fof [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik maak\n\njullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd\n\nom het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin\" en\u002Fof door het\n\nversturen van tekstberichten met de tekst \"Ik ruim jullie 2 op\" en\u002Fof \"Kop der af\",\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval\n\nin Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een\n\npersonenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet\n\n1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te\n\nverlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht\n\nte blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en\u002Fof aan de verplichting\n\ngevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het\n\nonderzoek gegeven aanwijzingen;\n\n4\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juni 2025 tot en met\n\n18 augustus 2025 te Voorst, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig\n\nopzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten\n\ndie van [aangever 1] door:\n\n- die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en\u002Fof foto’s en\u002Fof youtubelinkjes te\n\nsturen (al dan niet met bedreigende en\u002Fof intimiderende inhoud) en\u002Fof\n\n- meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,\n\nmet het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te\n\ndulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit wegens onvoldoende bewijs. Zij heeft aangevoerd dat aangeefster de gestelde bedreiging via een derde, [hulpverlener] , heeft vernomen, die hiervan ook melding bij de politie heeft gedaan. De informatie is daarom afkomstig uit dezelfde bron. Daarnaast biedt de verklaring van de getuige [getuige] onvoldoende steun, nu deze ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Voorts heeft de buurman, op wie de verklaring van [getuige] is gebaseerd, zelf geen verklaring afgelegd.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niemand getuige is geweest van het telefoongesprek. Nu onvoldoende bewijs voorhanden is, dient vrijspraak te volgen.\n\nDe raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nFeit 1\n\nBewijsmiddelen\n\nAangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van [hulpverlener] heeft gehoord dat verdachte heeft gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet zie, dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik varkensvoer van haar’.\n\n [hulpverlener] , ambulant hulpverlener vanuit [instelling] , heeft op 12 augustus 2025 gebeld naar de politie. Hij heeft verklaard dat hij net bij verdachte op het adres [adres] in [woonplaats] was geweest en dat hij had medegedeeld dat hij zijn kinderen aanstaande zaterdag niet te zien zou krijgen. Verdachte heeft toen tegen hem gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet krijg, maak ik [aangever 1] van kant.’ Verdachte heeft hem opgedragen deze boodschap aan aangeefster over te brengen.\n\nGetuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van de buurman van verdachte heeft gehoord dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij [aangever 1] ‘van kant zou maken’ indien hij zaterdag de kinderen niet zou krijgen.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank volgt het standpunt van de raadsvrouw dat de informatie uit dezelfde bron komt niet. De verklaring van aangeefster betreft weliswaar geen eigen waarneming, maar vindt op essentiële onderdelen steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin is vastgelegd dat [hulpverlener] melding heeft gemaakt van een door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Daarnaast vindt deze verklaring steun in de verklaring van [getuige] . Hoewel aan laatstgenoemde verklaring, nu deze is gebaseerd op informatie van horen zeggen, in beginsel minder bewijskracht toekomt dan aan een verklaring uit eigen waarneming, kan zij wel dienen als ondersteuning van ander bewijsmateriaal. De rechtbank volgt de raadsvrouw ook niet in haar standpunt dat de verklaring van aangeefster ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de verklaring van [hulpverlener] als die van [getuige] betrekking heeft op een op of omstreeks 12 augustus 2025 door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Dat de bedreiging op verschillende momenten op 12 augustus 2025 aan derden is medegedeeld, maakt niet dat sprake is van verschillende gebeurtenissen. De verklaringen zijn in essentie gelijkluidend en ondersteunen elkaar op wezenlijke onderdelen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.\n\nConclusie\n\nOp grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster op 12 augustus 2025 met enig misdrijf tegen het leven heeft bedreigd.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen\n\nAangever [aangever 2] heeft verklaard dat verdachte op 8 augustus 2025 telefonisch tegen hem heeft gezegd ‘ik maak jullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen, en jullie krijgen drie dagen de tijd om het huis te verlaten dan zet ik een verkoopbord in de tuin’. Dit was gericht tegen mij en mijn vrouw [aangever 3] .\n\nHet dossier bevat afbeeldingen van een WhatsAppgesprek tussen aangever en verdachte. Daarin zegt verdachte onder meer: “Ben onderweg” met vier emoticons van vuisten, “Kop der af” en “Ik ruim jullie 2 op”. In het laatstgenoemde bericht zijn drie emoticons van een pistool te zien.\n\nUit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat verdachte bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’.\n\nDe verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze berichten heeft verzonden.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte aangever en [aangever 3] op 8 augustus 2025 telefonisch heeft bedreigd door onder meer te zeggen ‘ik maak jullie dood’. Die verklaring vindt ondersteuning in de WhatsApp-berichten die verdachte diezelfde dag aan aangever heeft verzonden, waarin verdachte onder meer heeft geschreven dat hij onderweg was en de tekst ‘kop der af’ en ‘ik ruim jullie twee op’ gevolgd door emoticons van pistolen en vuisten. Daarnaast volgt uit het proces-verbaal van aanhouding dat verdachte zich bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 agressief en dreigend heeft uitgelaten en heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’. Naar hun aard en inhoud waren de uitlatingen van dien aard dat bij aangever en diens echtgenote in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ten uitvoer zou leggen.\n\nConclusie\n\nGelet op de inhoud van de telefonische uitlatingen, de daaropvolgende WhatsApp-berichten en de overige door de verdachte geuite bedreigingen, bezien in onderlinge samenhang, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte aangever [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nFeit 3\n\nEr is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen\n\n- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 42-43;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.\n\nFeit 4\n\nEr is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 7-9;\n\nhet proces-verbaal tijdlijn in stalkingszaken, p. 19-25;\n\nhet aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2025, nummer PL0600-2025360830-18;\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025 zeer vaak contact heeft gezocht met aangeefster, terwijl aangeefster had gezegd geen rechtstreeks contact meer te willen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging heeft schuldig gemaakt in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025. Voor zover de tenlastelegging ziet op de periode na 15 augustus 2025 ontbreekt het bewijs, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:\n\n1\n\nhij op of omstreeks12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan\n\nvan [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig\n\nmisdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, immers heeft\n\nverdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: \"Als ik zaterdag\n\nmijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik\n\nvarkensvoer van haar\", van welke bedreiging(en)\u002Fdreigende woorden voornoemde\n\n [aangever 1] kennis heeft genomen;\n\n2\n\nhij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst\n\n [aangever 2] en\u002Fof[aangever 3]\n\nheeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [aangever 2] en\u002Fof[aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik maak\n\njullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd\n\nom het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin\" en\u002Fofdoor het\n\nversturen van tekstberichten met de tekst \"Ik ruim jullie 2 op\" en\u002Fof\"Kop der af\",\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\n3\n\nhij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval\n\nin Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een\n\npersonenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet\n\n1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te\n\nverlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht\n\nte blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en\u002Fof aan de verplichting\n\ngevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het\n\nonderzoek gegeven aanwijzingen;\n\n4\n\nhij op één of meertijdstippen inof omstreeksde periode van 27 juni 2025 tot en met\n\n15 augustus 2025 te Voorst, althansin Nederland, wederrechtelijk stelselmatig\n\nopzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten\n\ndie van [aangever 1] door:\n\n- die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en\u002Foffoto’s en\u002Fofyoutubelinkjes te\n\nsturen (al dan niet met bedreigende en\u002Fof intimiderende inhoud) en\u002Fof\n\n- meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,\n\nmet het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te\n\ndulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\nfeit 2:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;\n\nfeit 3:\n\novertreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;\n\nfeit 4:\n\nbelaging.\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) waarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.\n\nVerder heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met ingang van 23 juni 2026 om 13.30 uur, onder de voorwaarden die aan de maatregel van terbeschikkingstelling worden verbonden, zodat verdachte vanaf die datum kan worden opgenomen in de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [afdeling] .\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft, nu er concreet zicht is op een behandelplek voor verdachte, geen verweer gevoerd tegen de gevorderde tbs-maatregel als zodanig. Ten aanzien van de aan die maatregel te verbinden voorwaarden heeft zij primair verzocht geen locatieverbod op te leggen. Subsidiair heeft zij verzocht de omvang van het locatieverbod te beperken, omdat het vastgestelde gebied volgens de verdediging te omvangrijk is. Daarnaast heeft zij verzocht geen maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nErnst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging met de dood van zijn ex-partner en zijn moeder en stiefvader. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan belaging van diezelfde ex-partner en heeft hij geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Met de bedreigingen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers. Bedreigingen met de dood zijn ernstige feiten die diep kunnen ingrijpen in het leven van degenen tegen wie zij zijn gericht. Dat geldt temeer wanneer deze plaatsvinden binnen de familiaire of relationele sfeer. Door zijn ex-partner gedurende langere tijd stelselmatig te benaderen en haar berichten te sturen, heeft verdachte bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft zich kennelijk niet kunnen neerleggen bij het einde van de relatie en heeft met zijn handelen het gevoel van vrijheid en veiligheid van het slachtoffer aangetast. De rechtbank rekent verdachte de feiten zwaar aan. Verder heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Daarmee heeft hij de handhaving van de verkeersveiligheidswetgeving belemmerd. Het vaststellen of een bestuurder onder invloed van alcohol verkeert, is van groot belang voor de verkeersveiligheid.\n\nStrafblad\n\nUit de justitiële documentatie van 12 mei 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld tegen zijn (ex)partner, laatstelijk op 9 mei 2025. Dit weegt de rechtbank mee in strafverzwarende zin. Verdachte liep van de laatste veroordeling nog in een proeftijd. De veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nToerekenbaarheid\n\nTer beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de psycholoog van 13 maart 2026 en het rapport van de psychiater van 31 maart 2026.\n\nUit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een psychotisch toestandsbeeld en een stoornis in het gebruik van alcohol. Zijn denken, voelen en handelen werden hierdoor beïnvloed, mede door een verstoorde realiteitstoetsing, verhoogde prikkelbaarheid en verminderde impulsbeheersing. Als gevolg daarvan was verdachte verminderd in staat zijn gedrag te sturen en de gevolgen van zijn gedragingen te controleren en in redelijkheid af te wegen. Hierbij handelde verdachte vanuit onvoldoende adequate coping vaardigheden. De psycholoog adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.\n\nUit het rapport van de psychiater blijkt dat bij verdachte sprake is van een schizofrenieforme spectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en een stoornis in de realiteitstoetsing. Verdachte heeft weinig adequate copingmechanismen, waardoor hij bij oplopende spanningen de neiging heeft de problemen te vermijden\u002Fde stress te dempen door overmatig alcohol te gebruiken. Hierdoor bestaat het risico dat verdachte achterdochtig reageert, wat dusdanige vormen aan kan nemen dat de realiteitstoetsing verstoord raakt en hij, met andere woorden, psychotisch kan worden. De psychotische stoornis was ten tijde van de tenlastelegging niet zo ernstig dat deze zijn oordeelsvermogen en daaruit voortkomend gedrag in die mate beïnvloedde dat hij geen enkele vrijheid van denken of handelen meer had. Dit neemt niet weg dat de combinatie van deze stoornissen als psychische stoornis in de zin van de wet, het denken, voelen, oordelen en handelen wel beïnvloedde en daarmee doorwerkte in het tenlastegelegde. De psychiater adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.\n\nDe rechtbank is, gelet op het advies van de rapporterende deskundigen, van oordeel dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.\n\nTbs maatregel met voorwaarden\n\nDe psycholoog schat het risico op recidive in als hoog. Daarbij wijst de psycholoog op de aanwezigheid van meerdere risicofactoren voor gewelddadig gedrag. Bij de combinatie van stoornissen zoals hiervoor genoemd, zijn beschermende factoren slechts beperkt aanwezig. Gelet hierop is een hoge mate van externe structurering noodzakelijk om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en de kans van slagen van die behandeling te vergroten. Complicerend in het geval van verdachte is dat het hem ontbreekt aan ziektebesef en -inzicht en intrinsieke behandelmotivatie. Gezien de behandelings- en delicthistorie heeft verdachte tot op heden onvoldoende geprofiteerd van de geboden behandeling en begeleiding. Ondanks eerder ingezette ambulante hulpverlening en reclasseringstoezicht heeft verdachte opnieuw strafbare feiten gepleegd. De psycholoog adviseert daarom een klinische behandeling binnen een forensisch psychiatrische kliniek. De behandeling dient gericht te zijn op stabilisering van het psychotisch toestandsbeeld, gevolgd door intensieve outreachende ambulante behandeling door een forensisch FACT-team. De psycholoog acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Daarbij kan, indien verdachte de gestelde voorwaarden niet naleeft, alsnog worden voorzien in een tbs met dwangverpleging. Volgens de psycholoog biedt deze maatregel voldoende waarborgen om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en het behandeltraject duurzaam voort te zetten.\n\nUit het rapport van de psychiater blijkt eveneens dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Volgens de psychiater is voor de aanpak van de combinatie van een schizofreniespectrum\u002Fpsychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol een klinisch forensische behandeling noodzakelijk. Daarbij dient niet alleen aandacht te worden besteed aan de verslavingsproblematiek, maar ook aan de psychotische kwetsbaarheid van verdachte en zijn beperkte copingvaardigheden. Van belang is dat verdachte een duurzame behandelrelatie opbouwt, waarin open kan worden gesproken over zijn aandeel in de ontstane problematiek. De psychiater acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Binnen dat kader kan een klinische behandeling plaatsvinden, gevolgd door een ambulant behandeltraject. Indien verdachte zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, bestaat de mogelijkheid de maatregel om te zetten in een tbs-maatregel met dwangverpleging. Volgens de psychiater biedt dit voldoende waarborgen voor zowel de behandeling van verdachte als de bescherming van de veiligheid van anderen.\n\nUit het reclasseringsrapport van 8 mei 2026 blijkt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. De reclassering acht een klinische behandeling binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk. Een dergelijk kader biedt de mogelijkheid om de draagkracht van verdachte te vergroten, zijn inzicht in de problematiek te bevorderen en hem langdurig te ondersteunen bij het verminderen van het recidiverisico. De reclassering adviseert in het maatregelenrapport daarom tbs met de volgende voorwaarden: geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan time-out, niet naar het buitenland, meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, drugsverbod, alcoholverbod, contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod met elektronische monitoring. Verder adviseren zij de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden en daarnaast om een GVM op te leggen.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting van 9 juni 2026 verklaard zich aan alle geadviseerde voorwaarden te zullen houden.\n\nGelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van de bij verdachte aanwezige problematiek, het recidiverisico en de noodzaak van behandeling, de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.\n\nGelet op de inhoud van de rapporten van de psychiater, de psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat opname in een zorginstelling (klinische opname) noodzakelijk is om het risico op recidive te verlagen. Uit de voornoemde rapporten blijkt dat verdachte een beperkt ziekte-inzicht heeft en dat gelet op de combinatie van stoornissen een intensieve klinische behandeling noodzakelijk is.\n\nGelet op de beschikbare behandelplek, de bereidheid van verdachte om zich aan de voorwaarden te houden en mee te werken aan de behandeling, en het positieve advies van de reclassering, acht de rechtbank een terbeschikkingstelling met voorwaarden passend en geboden. De rechtbank wijst verdachte er wel op dat niet-naleving van de voorwaarden of als verdachte anderszins onvoldoende meewerkt aan de behandeling, omzetting van de maatregel in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging tot de mogelijkheden behoort.\n\nDe bewezenverklaarde feiten zijn geen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook in duur gemaximeerd, indien verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en later alsnog dwangverpleging wordt bevolen.\n\nTer bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen stelt de rechtbank voorwaarden betreffende het gedrag. De rechtbank neemt de voorwaarden over die de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank ziet, gelet op het recidiverisico, geen aanleiding om af te zien van het locatieverbod, zoals door de raadsvrouw verzocht. De rechtbank overweegt dat de regio waarvoor het locatieverbod geldt door de reclassering kan worden aangepast als de reclassering dat nodig of wenselijk acht, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de reclassering regelmatig zal evalueren of het (volledige) locatieverbod in stand moet blijven. De rechtbank zal om die reden geen wijziging aanbrengen in het locatieverbod.\n\nDe rechtbank zal de aan de terbeschikkingstelling met voorwaarden verbonden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte aansluitend onder schorsingsvoorwaarden kan worden opgenomen in de FPA, zodat onmiddellijke uitvoering van de voorwaarden noodzakelijk en passend is.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nZoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden. De rechtbank stelt vast dat de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf van 6 maanden, gelet op de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geheel is ondergaan. Nu aan verdachte tevens de maatregel van tbs met voorwaarden wordt opgelegd en een van die voorwaarden strekt tot verplichte klinische opname in een forensische zorginstelling, ziet de rechtbank aanleiding het bevel voorlopige hechtenis niet op te heffen. Deze opname brengt een vrijheidsbeneming mee. Gelet daarop staat artikel 67a, derde lid, van het wetboek van Strafvordering (Sv) niet aan voortduring van de voorlopige hechtenis in de weg totdat de klinische opname is aangevangen. De rechtbank zal daarom het bevel tot voorlopige hechtenis handhaven. De rechtbank heeft wel aanleiding gezien de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van heden. Daarvan is een afzonderlijke schorsingsbeslissing opgemaakt.\n\nGedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe rechtbank leidt uit de stukken af dat bij verdachte sprake is van meervoudige en complexe problematiek, gecombineerd met een beperkte ontvankelijkheid voor interventies die gericht zijn op gedragsverandering. De inschatting van de deskundigen is dat bij verdachte langdurig enige mate van controle en zicht noodzakelijk is. Door het opleggen van een GVM is het mogelijk om ook na afloop van de (gemaximeerde) terbeschikkingstelling toezicht uit te blijven oefenen op verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opleggen van de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr aangewezen is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen. Aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.\n\n8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05.114360.25)\n\nDe politierechter heeft verdachte op 9 mei 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe officier van justitie vordert de afwijzing van de tenuitvoerlegging van die straf.\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat verdachte in de onderhavige zaak ook al een flink aantal voorwaarden opgelegd krijgt. Subsidiair heeft de raadsvrouw gevraagd om het voorwaardelijk strafdeel af te trekken van de straf in de hoofdzaak.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen nu tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf de voorwaarden verbonden aan de maatregel tbs doorkruist. De rechtbank ziet verder aanleiding de voorwaarden te wijzigen in die zin dat deze komen te vervallen. De rechtbank acht hierbij van belang dat verdachte zich in het kader van de maatregel tbs dient te houden aan diverse voorwaarden. De eerder opgelegde bijzondere voorwaarden hebben daarom geen meerwaarde.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 maandenen beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstellingde volgendevoorwaardenbetreffende het gedrag van verdachte:\n\nVerdachte zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit.\n\nVerdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:\n\n• Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.\n\n• Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om zijn identiteit vast te stellen.\n\n• Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.\n\n• Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.\n\n• Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.\n\n• Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en\u002Fof behandeling door andere instellingen of hulpverleners.\n\n• Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.\n\n• Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en\n\n instanties die contact met hem hebben, als dat van belang is voor het\n\n toezicht.\n\n3. Verdachte laat zich opnemen in FPA [afdeling] dan wel een soortgelijke forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start op 23 juni 2026 om 13.30 uur en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n4. Verdachte stelt zich na de klinische fase onder behandeling bij door de reclassering aan te wijzen instelling(en) voor forensische verslavingszorg en\u002Fof forensische psychiatrie en houdt zich aan de huisregels van die zorginstelling(en) en aan de aanwijzingen die hem in het kader van zijn behandeling door zijn behandelaren zullen worden gegeven zolang de reclassering dit nodig acht. Het innemen van medicijnen en het afnemen van urinecontroles kan onderdeel van de behandeling zijn.\n\n5. Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan hij voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.\n\n6. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.\n\n7. Verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n8. Verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek\u002Fademonderzoek\u002Fspeekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\n9. Verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met: - mevrouw [aangever 1] , geboren op [geboortedag] 1985; - mevrouw [aangever 3] , geboren op [geboortedag] 1950; - de heer [aangever 2] , geboren op [geboortedag] 1960.\n\n10. Verdachte zal zich niet bevinden in het verboden gebied; beschrijving van het verboden gebied is van Apeldoorn tot en met Delden en Haaksbergen en van Raalte tot en met Eerbeek en Groenlo, zoals omschreven is in de afbeelding in de bijlage, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en\u002Fof aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.\n\n11. gedurende de duur van het elektronisch toezicht verlaat verdachte Nederland niet zonder toestemming van de reclassering;\n\n geeft de Reclassering opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;\n\n beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende maatregel\n\n legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z Sr;\n\nVordering tenuitvoerlegging\n\n wijstde vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 05-114360.25afen past de voorwaarden onder dat parketnummer aan, in die zin dat alle bijzondere voorwaarden komen te vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen, voorzitter, mr. W.H.S. Duinkerke en mr. O. El Kadi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025386900, gesloten op 16 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 8.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 14.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 11.\n\n Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 10.\n\n Afbeelding van een WhatsAppgesprek, p. 55.\n\n Proces-verbaal van aanhouding van 8 augustus 2025, p. 18.\n\n Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5218","2026-07-02T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:32.939Z",1,20]