[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zwolle-employment-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":21,"total":16,"page":41,"limit":42},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},57,"Zwolle","nl","zwolle",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},28,"employment-law-nl","Employment Law","NL","2026-07-08T16:53:14.144Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-06-19T00:00:00.000Z","2026-07-07T00:00:00.000Z",[],[22,33],{"id":23,"ecli":24,"slug":25,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":27,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":29,"sourceTimestamp":30,"parsedAt":31,"updatedAt":32},"278","ECLI:NL:RBOVE:2026:3908","ecli-nl-rbove-2026-3908","","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 11939378 \\ CV EXPL 25-3408\n\nVonnis van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiseres 1] ,\n\n wonende in [woonplaats 1] , 2. [eiseres 2],\n\n wonende in [woonplaats 2] , 3. [eiseres 3],\n\n wonende in [woonplaats 3] , 4. [eiseres 4],\n\n wonende in [woonplaats 4] , 5. [eiser],\n\n wonende in [woonplaats 5] , 6. [eiseres 5],\n\n wonende in [woonplaats 6] , 7. [eiseres 6],\n\n wonende in [woonplaats 7] , 8. [eiseres 7],\n\n wonende in [woonplaats 8] , 9. [eiseres 8],\n\n wonende in [woonplaats 9] , 10. [eiseres 9],\n\n wonende in [woonplaats 10] ,\n\neisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , en afzonderlijk bij hun achternaam,\n\ngemachtigde: mr. S.M.M. Hamers,\n\ntegen\n\nde stichting\n\nSTICHTING [vestigingsplaats] ZIEKENHUIS,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats],\n\ngedaagde partij, hierna te noemen: het [vestigingsplaats] Ziekenhuis,\n\ngemachtigden: mr. M.G.N. de Jonge en mr. S.W. Kleijer.\n\n1. De kern van de zaak\n\n1.1.. Deze zaak gaat over de uitleg van de begrippen bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst in de cao Ziekenhuizen. [eisers] vinden dat de door hen gewerkte oproepdiensten bereikbaarheidsdiensten zijn en willen daarnaar worden beloond. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vindt dat sprake is van consignatiediensten.\n\n1.2.. De kantonrechter komt in deze procedure tot het oordeel dat de diensten die [eisers] werken, moeten worden aangemerkt als bereikbaarheidsdiensten. De kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid de gevolgen van dat oordeel voor het gevorderde salaris van de verpleegkundigen in een akte nader uit te werken.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 21 oktober 2025;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- de aanvullende producties van de zijde van [eisers] ;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waar beide partijen spreekaantekeningen hebben voorgedragen en overgelegd en waar de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat er verder is besproken.\n\n2.2.. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] zijn bij het [vestigingsplaats] Ziekenhuis werkzaam (geweest) als Specialistisch Verpleegkundige Dialyse op de afdeling Dialyse. [eiseres 1] werkt inmiddels in een ander ziekenhuis en [eiseres 3] op een andere afdeling.\n\n3.2.. \n [eiser] , [eiseres 5] , [eiseres 6] , [eiseres 7] , [eiseres 8] en [eiseres 9] zijn bij het [vestigingsplaats] Ziekenhuis werkzaam als Laborant Hartfunctie op de afdeling Cardiologie.\n\n3.3.. Op de arbeidsovereenkomsten van deze medewerkers is de cao Ziekenhuizen van toepassing. In de cao Ziekenhuizen 2023-2025 is het volgende opgenomen:\n\n“Artikel 10.1 Definities\n\n1. Onder bereikbaarheidsdienst wordt verstaan een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, naast de bedongen arbeid, verplicht is om bereikbaar te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.\n\n2. Indien de werknemer na oproep binnen 15 minuten op de werkplek aanwezig dient te zijn om onmiddellijk de arbeid te kunnen verrichten, dan wordt de bereikbaarheidsdienst aangemerkt als een aanwezigheidsdienst in de zin van de Arbeidstijdenwet en wordt deze dienst bovendien conform artikel 10.5a en 10.6 vergoed als aanwezigheidsdienst.\n\n3. Onder aanwezigheidsdienst wordt verstaan een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, naast de bedongen arbeid, verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.\n\n4. Onder consignatie wordt verstaan een periode tussen twee opeenvolgende diensten of tijdens een pauze, waarin de werknemer uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden, zoals spoedgevallen en storingen, op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.\n\n5. In de lid 1, 3 en 4 genoemde diensten wordt aangesloten bij de wettelijke definities.\n\n(…)\n\n3.4.. Deze definities van de verschillende diensten stonden ook in de cao 2021-2023 en zijn gehandhaafd in de cao 2025-2027.\n\n3.5.. De toelichting bij artikel 10.1 uit de cao vermeldt het volgende:\n\n“10.1 Verschil bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst\n\nEen bereikbaarheidsdienst is een bijzondere vorm van consignatie. Verschil is dat bij een bereikbaarheidsdienst vooraf al duidelijk is dat er 1 of meer oproepen zullen volgen. Daarnaast kent een bereikbaarheidsdienst ook afwijkende bepalingen voor wat betreft het maximaal aantal bereikbaarheidsdiensten en arbeidsduur.\n\nEen bereikbaarheidsdienst inclusief de afwijkende bepalingen mag alleen worden toegepast in de sectoren genoemd in het arbeidstijdenbesluit. Het arbeidstijdenbesluit stelt dat de bereikbaarheidsdienst uitsluitend van toepassing is op arbeid die bestaat uit verpleging of verzorging. Met de volgende nadere toelichting: “verpleging en verzorging: de verpleging, de verzorging, de begeleiding, de medische behandeling of het medisch onderzoek van personen in verband met hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid dan wel hun gevorderde leeftijd”\n\nHet verschil tussen consignatie en bereikbaarheidsdienst is dat het opgeroepen worden in een bereikbaarheidsdienst een normaal onderdeel is van de functie en dus niet alleen plaatsvindt in noodgevallen. Denk bijvoorbeeld aan een verloskundige.\n\nNog een verschil is dat er in het geval van een consignatie dienst 14 oproepvrije dagen in 28 dagen zijn. Het aantal oproepdiensten is daarmee wel beperkt.\n\nOmdat een bereikbaarheidsdienst een grotere belasting kan zijn voor een werknemer zou je kunnen beargumenteren dat de compensatie hiervoor ook hoger is dan voor een consignatiedienst. Bij consignatie is tenslotte niet altijd zeker dat er een oproep volgt en zijn er minimaal 14 oproepvrije dagen (in 28 dagen).\n\nsamengevat: er is sprake van een bereikbaarheidsdienst bij een samenloop van: Oproep is normaal onderdeel van de functie; vrijwel zeker dat er 1 of meerdere oproepen volgen; specifiek voor bepaalde functies in de zorg.”\n\n3.6.. In de cao 2021-2023 werden de BAC-diensten (bereikbaarheidsdiensten, aanwezigheidsdiensten en consignatiediensten) tot 1 juli 2022 gelijk beloond. In de cao 2021-2023 is vanaf 1 juli 2022 een verhoging in de beloning van bereikbaarheidsdiensten ingevoerd, waardoor de bereikbaarheidsdiensten vanaf dat moment beter werden beloond dan consignatiediensten. In de cao 2023-2025 is de beloning voor bereikbaarheidsdiensten per 1 juli 2023 verder gewijzigd. In de cao 2025-2027 zijn de beloningen gelijk gebleven aan die van de cao 2023-2025.\n\n3.7.. Vanaf 1 maart 2024 is het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de oproepdiensten gaan aanmerken en belonen als consignatiediensten.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\n [eisers] willen dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de consignatiediensten – met terugwerkende kracht – als bereikbaarheidsdiensten gaat kwalificeren en belonen. Daarom vorderen [eisers] – samengevat – dat de kantonrechter het [vestigingsplaats] Ziekenhuis zal veroordelen om:\n\nten aanzien van [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] :\n\n- binnen vijf dagen na de datum van het vonnis de aan [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] toegekende vergoeding (in geld en\u002Fof tijd) betreffende de consignatiediensten in de periode van 1 maart 2024 tot 1 juli 2025 vast te stellen (inclusief specificatie) en te delen met [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] , op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000,00;\n\n- binnen veertien dagen na de datum van het vonnis het te laat betaalde salaris (het verschil tussen hetgeen het [vestigingsplaats] Ziekenhuis had moeten betalen en hetgeen zij heeft betaald) aan [eiseres 1] , [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiseres 4] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nten aanzien van [eiser] , [eiseres 5] , [eiseres 6] , [eiseres 7] , [eiseres 8] en [eiseres 9] :\n\n- binnen zeven dagen na de datum van het vonnis het door hen berekende achterstallige loon (het verschil tussen hetgeen het [vestigingsplaats] Ziekenhuis had moeten betalen en hetgeen zij heeft betaald) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nen in alle gevallen dat de kantonrechter:\n\n- voor recht zal verklaren dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vanaf 1 maart 2024 ten onrechte oproepdiensten heeft gekwalificeerd (en beloond) als zijnde consignatiediensten en dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vanaf 1 maart 2024 de consignatiediensten (met terugwerkende kracht) dient te kwalificeren (en te belonen) als bereikbaarheidsdiensten;\n\n- voor recht zal verklaren dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de cao Ziekenhuizen (2023-2025) onjuist interpreteert door ervan uit te gaan dat pas sprake kan zijn van een bereikbaarheidsdienst in het geval van een oproepfrequentie hoger dan 30%;\n\n- het [vestigingsplaats] Ziekenhuis zal veroordelen om binnen zeven dagen na de datum van het vonnis deugdelijke salarisspecificaties aan [eisers] te verstrekken in de periode van 1 maart 2024 tot heden, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00;\n\n- het [vestigingsplaats] Ziekenhuis zal veroordelen om de buitengerechtelijke incassokosten van € 884,12 te betalen;\n\n- met veroordeling van het [vestigingsplaats] Ziekenhuis in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n5. De beoordeling\n\nHet geschil5.1.. In deze zaak is tussen partijen in geschil of de diensten van de verpleegkundigen op de afdelingen Cardiologie en Dialyse moeten worden aangemerkt als consignatiediensten of als bereikbaarheidsdiensten. In de cao Ziekenhuizen wordt onderscheid gemaakt tussen bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiediensten. In de cao staan definities van deze diensten (die overigens vrijwel gelijk zijn aan de definities in de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit). Aanvankelijk was het onderscheid tussen de diensten niet relevant, omdat de diensten hetzelfde werden beloond. Dit werd anders toen de vergoeding voor bereikbaarheidsdiensten in de cao per 1 juli 2022 werd verhoogd. Aanvankelijk heeft het [vestigingsplaats] Ziekenhuis voor de oproepdiensten van [eisers] de hogere vergoeding voor bereikbaarheidsdiensten betaald, maar sinds 1 maart 2024 merkt het [vestigingsplaats] Ziekenhuis de oproepdiensten van de verpleegkundigen aan als consignatiediensten.\n\n5.2.. \n [eisers] willen dat de door het [vestigingsplaats] Ziekenhuis als consignatiediensten vergoede oproepdiensten per 1 maart 2024 alsnog worden aangemerkt en beloond als bereikbaarheidsdiensten. [eisers] stellen zich op het standpunt dat de diensten van de verpleegkundigen in deze zaak bereikbaarheidsdiensten zijn. De verpleegkundigen stellen dat de oproepdiensten die zij draaien altijd bereikbaarheidsdiensten zijn geweest. Het verschil tussen een bereikbaarheidsdienst en een consignatiedienst zit volgens [eisers] in de voorzienbaarheid van de oproep. In de praktijk is een oproep voorzienbaar en een normaal onderdeel van de werkzaamheden. [eisers] weerspreken het oproeppercentage dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis stelt. Volgens [eisers] is duidelijk dat de verpleegkundige met oproepdienst in veel diensten zal worden opgeroepen en dat zorg zal moeten worden verleend. Dat is dus geen onvoorziene omstandigheid, aldus [eisers]\n\n5.3.. Het [vestigingsplaats] ziekenhuis heeft de diensten aangemerkt als consignatiediensten in plaats van bereikbaarheidsdiensten. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis is pas sprake van een bereikbaarheidsdienst wanneer vrijwel zeker is dat een oproep zal volgen, maar alleen onduidelijk is op welk moment. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis vindt maar in een beperkt aantal oproepdiensten (voor sommige diensten maar in 2 à 3 procent van de gevallen) een oproep plaats. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis heeft naar aanleiding van de nieuwe cao 2023-2025 beleid ontwikkeld om de oproepdiensten te kunnen onderverdelen in consignatiediensten en bereikbaarheidsdiensten. Daarin gaat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis er kort gezegd van uit dat als een medewerker in de praktijk in minder dan 30% van de gevallen wordt opgeroepen tijdens een dienst, de dienst als consignatiedienst heeft te gelden. Daarbij merkt het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op dat zij nog een ruime uitleg hanteert, omdat ‘zeker’ of ‘vrijwel zeker’ eigenlijk neerkomt op een percentage van (bijna) 100%. Nu het gemiddeld aantal oproepen van de verpleegkundigen onder de 30% ligt, is volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis geen sprake van een zekere of vrijwel zekere oproep. Daarom is volgens het ziekenhuis sprake van consignatiediensten. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis wordt de cao hiermee binnen de hele organisatie in gelijke omstandigheden op dezelfde manier toegepast.\n\n5.4.. Partijen interpreteren de begrippen bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst in het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op een verschillende manier. [eisers] redeneren vanuit het begrip onvoorziene omstandigheden zoals is vereist voor een consignatiedienst en komen vanwege de voorzienbaarheid en aard van de tijdens een oproepdienst te verrichten werkzaamheden tot de conclusie dat geen sprake is van een consignatiedienst. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis redeneert vanuit het feit dat in de toelichting op de Arbeidstijdenwet en de cao wordt uitgelegd dat bij een bereikbaarheidsdienst een oproep ‘zeker’ of anders ‘vrijwel zeker’ is. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis koppelt daar een percentage van 30% aan en betoogt dat als er een kans van minder dan 30% is dat een verpleegkundige in een dienst wordt opgeroepen, er dus geen sprake is van een zekere of vrijwel zekere oproep en dus niet van een bereikbaarheidsdienst.\n\n5.5.. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het kenmerkende verschil in de definities van onvoorziene omstandigheden, de diensten moeten worden aangemerkt als bereikbaarheidsdiensten en motiveert dat oordeel als volgt.\n\nHet toetsingskader5.6.. In de cao Ziekenhuizen is opgenomen wat moet worden verstaan onder consignatiediensten en bereikbaarheidsdiensten. Partijen verschillen van mening over de uitleg hiervan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet een cao worden uitgelegd aan de hand van de zogeheten cao-norm. Deze norm houdt in dat een bepaling in een cao naar objectieve maatstaven moet worden uitgelegd, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarmee komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.\n\nUitleg van de cao5.7.. De definities van bereikbaarheidsdienst en consignatiedienst in de cao verschillen van elkaar in die zin dat bij een consignatiedienst de werknemer uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden de bedongen arbeid te verrichten. Als voorbeelden van onvoorziene omstandigheden worden in de cao spoedgevallen en storingen genoemd. Bij een bereikbaarheidsdienst is de werknemer verplicht om bereikbaar te zijn om de bedongen arbeid te verrichten, waarbij de eis van onvoorziene omstandigheden dus niet wordt gesteld. Uitgaande van de tekst van de cao wordt het verschil tussen de bereikbaarheidsdienst en de consignatiedienst dus bepaald door het al dan niet aanwezig zijn van onvoorziene omstandigheden. Deze definities sluiten aan bij de definities in de Arbeidstijdenwet.\n\n5.8.. In de toelichting bij artikel 10.1 van de cao komt het begrip onvoorziene omstandigheden niet terug. Wel wordt daarin vermeld dat sprake is van een bereikbaarheidsdienst wanneer vrijwel zeker is dat er 1 of meerdere oproepen zullen volgen. Dit sluit aan bij de Memorie van Toelichting bij de Arbeidstijdenwet, waarin over het begrip onvoorziene omstandigheden is opgemerkt: “Bij een consignatiedienst moet de werknemer bereikbaar zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten. Bij een bereikbaarheidsdienst is op voorhand duidelijk dat een of meer oproepen zullen plaatsvinden om zo spoedig mogelijk arbeid te verrichten.”In de toelichting op de cao wordt ten aanzien van het verschil tussen een consignatiedienst en een bereikbaarheidsdienst ook vermeld dat het opgeroepen worden in een bereikbaarheidsdienst een normaal onderdeel is van de functie en dus niet alleen plaatsvindt in noodgevallen. Daarnaast wordt beschreven dat de bereikbaarheidsdienst in het Arbeidstijdenbesluit mogelijk is gemaakt voor beroepen in de verpleging en de verzorging.\n\n5.9.. Hieruit volgt dat aan de hand van het begrip ‘onvoorziene omstandigheden’ moet worden vastgesteld of sprake is van een consignatiedienst. Dat is kenmerkend voor de consignatiedienst. Bij een bereikbaarheidsdienst is op voorhand duidelijk dat een of meer oproepen zullen plaatsvinden. In de toelichting op de cao staat daarover dat de oproep bij een bereikbaarheidsdienst vrijwel zeker is. Daarnaast is van belang of het opgeroepen worden een normaal onderdeel van de functie van de verpleegkundigen is.\n\n5.10.. Bij de oproepdiensten van de verpleegkundigen in deze zaak is geen sprake van onvoorziene omstandigheden. Tijdens de zitting hebben [eisers] toegelicht dat het gaat om normale zorgwerkzaamheden van een verpleegkundige (voortvloeiend uit de aard van het werk) die voortduren in het weekend of in de avond. Het gaat niet (alleen) om nieuwe spoedgevallen die niet voorzienbaar zijn. Ter zitting heeft [eiseres 1] namens de medewerkers van de afdeling Dialyse toegelicht dat vaak een dag van tevoren al duidelijk is of de oproepbare medewerker de dag erna terug moet komen voor het voortzetten van een behandeling. [eiser] heeft namens de medewerkers van de afdeling Cardiologie toegelicht dat van de patiënten die bijvoorbeeld op vrijdag binnenkomen al vast staat dat zij op zaterdag moeten worden onderzocht, omdat dat onderzoek nu eenmaal binnen 24 uur moet plaatsvinden. Doordeweeks voeren de medewerkers met een reguliere dienst dit onderzoek uit, in het weekend wordt die behandeling uitgevoerd door de medewerkers met een oproepdienst. In de gevallen die deze medewerkers hebben beschreven zijn een oproep en de te verrichten werkzaamheden niet onvoorzien. Zij hebben ook toegelicht dat ze met een oproepdienst in de praktijk rekening (moeten) houden bij hun privéplannen gedurende de dienst. Er is dus geen sprake van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in de definitie van een consignatiedienst. Ook de werkzaamheden die het [vestigingsplaats] Ziekenhuis beschrijft, zoals het uitvoeren van een katheterisatie of een acute dialysebehandeling en het bieden van ondersteuning bij complicaties of acute medische problemen, kunnen niet als (het gevolg van) onvoorziene omstandigheden worden aangemerkt. Ook dit zijn werkzaamheden die voortvloeien uit de aard van het werk in de zorg. De aard van dit werk brengt mee dat op elk moment een extra verpleegkundige op de afdeling nodig kan zijn. Van werkelijk onvoorziene omstandigheden is dan geen sprake. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de oproepen dan ook een normaal onderdeel van de functie van de verpleegkundigen.\n\n5.11.. Zoals hiervoor is overwogen, is daarbij tevens van belang dat de werkzaamheden die de verpleegkundigen ter zitting hebben beschreven een normaal onderdeel van de functie zijn. Er is niet (altijd) sprake van noodgevallen. Aan de hand van de toelichting op de cao leidt dat eveneens tot de conclusie dat sprake is van een bereikbaarheidsdienst. Deze uitleg sluit aan bij het feit dat bereikbaarheidsdiensten in § 5.19 van het Arbeidstijdenbesluit specifiek voor onder andere de beroepsgroep ‘verpleging en verzorging’ mogelijk zijn gemaakt; deze diensten zijn dan ook geschikt en gebruikelijk voor personeel in de zorg. Deze uitleg staat ook in de toelichting bij de cao.\n\n5.12.. Het standpunt van het [vestigingsplaats] Ziekenhuis dat bij de diensten van deze verpleegkundigen sprake is van consignatiediensten kan niet worden gevolgd. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis heeft uitgelegd dat zij heeft gezocht naar een hanteerbare norm om de diensten in het ziekenhuis te duiden. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis hanteert vanuit het begrip ‘(vrijwel) zeker’ onder andere als onderscheidende grens een oproepfrequentie van 30%. Als het percentage oproepen voor een dienst lager is, is volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis in beginsel geen sprake van een bereikbaarheidsdienst, maar van een consignatiedienst. Die uitleg en de feitelijke toepassing daarvan volgen echter niet uit de cao en de toelichting daarop. Een lage oproepfrequentie maakt de oproep en de werkzaamheden gelet op het voorgaande niet direct onvoorzien. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis baseert de kans dat iemand in een dienst wordt opgeroepen bovendien op het gemiddeld aantal oproepen in de periode daarvoor. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis geeft daarmee een invulling aan de cao en de daarin genoemde eis van onvoorziene omstandigheden die niet uit de tekst van de cao volgt. Zoals hiervoor is overwogen is niet de oproepfrequentie op zichzelf doorslaggevend voor de vraag of bij de oproep sprake is van onvoorziene omstandigheden, maar de aard en voorzienbaarheid van de werkzaamheden. Ondanks het relatief lage aantal oproepen (partijen verschillen van mening over het percentage, maar tussen partijen staat wel vast dat dit onder de 30% ligt) kan niet worden aangenomen dat de oproepdiensten gericht zijn op onvoorziene omstandigheden zoals bij consignatiediensten is vereist. Het is niet in lijn met de cao om op basis van een percentage te bepalen of sprake is van een consignatiedienst. Dat op voorhand niet per dienst te zeggen is met welk percentage van zekerheid de oproepbare medewerker zal worden opgeroepen, is dan ook niet voldoende om te oordelen dat de werkzaamheden het gevolg zijn van onvoorziene omstandigheden. De diensten van [eisers] kunnen niet worden aangemerkt als consignatiedienst in de zin van de cao.\n\n5.13.. De stelling van het [vestigingsplaats] Ziekenhuis dat het bestaan van een consignatiedienst illusoir zou worden wanneer de oproepdiensten van deze verpleegkundigen als een bereikbaarheidsdienst zouden worden aangemerkt, volgt de kantonrechter niet. Dit is afhankelijk van de reden en aard van de dienst. Bovendien is een consignatiedienst bijvoorbeeld ook mogelijk voor andere medewerkers in het ziekenhuis die zich niet direct met zorgverlening bezig houden, zoals ook ter zitting aan de orde is gekomen.\n\nConclusie5.14.. Uit het voorgaande volgt dat de diensten van de verpleegkundigen in deze zaak moeten worden aangemerkt als bereikbaarheidsdiensten in de zin van de cao. Het [vestigingsplaats] Ziekenhuis dient vanaf 1 maart 2024 de consignatiediensten (met terugwerkende kracht) te kwalificeren en te belonen als bereikbaarheidsdiensten. De daarop gerichte verklaringen voor recht zullen in het eindvonnis worden toegewezen.\n\nDe loonvorderingen5.15.. Ten aanzien van de loonvorderingen van [eisers] overweegt de kantonrechter als volgt. [eisers] heeft de loonvorderingen per medewerker berekend. De hoogte van deze loonvorderingen wordt door het [vestigingsplaats] Ziekenhuis betwist, in die zin dat zij de hoogte van de uurlonen betwist. Volgens het [vestigingsplaats] Ziekenhuis heeft [eisers] met de huidige hoogte van de lonen gerekend, in plaats van met het geldende loon ten tijde van de ingeroosterde diensten. Ook voert het [vestigingsplaats] Ziekenhuis aan dat niet met de juiste duur van diensten is gerekend. Zoals besproken tijdens de zitting zullen [eisers] in de gelegenheid worden gesteld de (uitgangspunten voor de) loonvorderingen schriftelijk nader toe te lichten. Ook kunnen [eisers] dan reageren op het aantal diensten dat het [vestigingsplaats] Ziekenhuis in nr. 3.35. van de conclusie van antwoord heeft genoemd.\n\n5.16.. \n [eisers] zullen in de gelegenheid worden gesteld om op een termijn van vier weken een akte te nemen over hetgeen in 5.15. is overwogen. Daarna mag het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op een termijn van vier weken een antwoordakte nemen.\n\n5.17.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. stelt [eisers] in de gelegenheid om op een termijn van vier weken, dus op de rol van 4 augustus 2026, een akte nemen over het bepaalde in r.o. 5.15., waarna het [vestigingsplaats] Ziekenhuis op een termijn van vier weken een antwoordakte mag nemen;\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.(SB)\n\no.a. HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5961 en recenter HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1622.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3908","2026-07-08T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:28:22.244Z",{"id":34,"ecli":35,"slug":36,"caseNumber":26,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":37,"summary":26,"language":7,"source":28,"sourceUrl":38,"sourceTimestamp":39,"parsedAt":31,"updatedAt":40},"1873","ECLI:NL:RBOVE:2026:3663","ecli-nl-rbove-2026-3663","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12206949 \\ EJ VERZ 26-130\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [partij A],\n\ngemachtigde: mr. M.F. Riepma,\n\ntegen\n\nSTICHTING DEVENTER ZIEKENHUIS,\n\ngevestigd te Deventer,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Deventer Ziekenhuis,\n\ngemachtigde: mr. M.G.N. de Jonge.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. Het tegenverzoek van werkgever tot betaling van de kosten voor het inschakelen van een deskundige wordt eveneens afgewezen, aangezien geen sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van werknemer.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 12,\n\n- het verweerschrift, met een zelfstandig tegenverzoek, met producties 1 tot en met 20,\n\n- de brief met aanvullende productie 13 van [partij A],\n\n- de brief met aanvullende productie 21 van Deventer Ziekenhuis\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [partij A],\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van Deventer Ziekenhuis\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [partij A] is van 1 september 2018 tot en met 27 februari 2026 in dienst geweest bij Deventer Ziekenhuis. De functie van [partij A] was specialistisch verpleegkundige SEH (Spoedeisende hulp) met een loon van € 4.203,61 bruto per maand exclusief emolumenten. [partij A] had, naast zijn reguliere werkzaamheden, samen met één andere collega de taak om de medicijnkamer te ordenen en opgeruimd te houden.\n\n3.2. In week 3 van 2026 heeft een werknemer die werkzaam is op de afdeling SEH, bij de afdelingsmanager (dhr. [naam 1], hierna te noemen: [naam 1]) gemeld dat het geneesmiddel Midazolam neusspray (hierna te noemen: Midazolam) een niet te verklaren, hogere consumptie heeft dan de gebruikelijke hoeveelheid van één à twee flesjes per week.\n\n3.3. In de periode van 19 tot en met 26 januari 2026 hebben vier andere werknemers op eigen initiatief de voorraad Midazolam dagelijks gemonitord. Op 26 januari 2026 hebben deze vier werknemers hun bevindingen, namelijk dat de voorraad Midazolam zonder verklaring afneemt, bij [naam 1] gemeld.\n\n3.4. In de periode van 26 januari 2026 tot en met 2 februari 2026 heeft [naam 1] de voorraad Midazolam zelf gemonitord en geconcludeerd dat er flesjes Midazolam zijn weggenomen en dat [partij A] hiervoor verantwoordelijk is.\n\n3.5. Op 2 februari 2026 is [partij A] na een gesprek met [naam 1] en mw. [naam 2] (HR-adviseur) over de verdenkingen op non-actief gesteld.\n\n3.6. Op 3 februari 2026 heeft Deventer Ziekenhuis Bravo Recherche- en onderzoeksbureau (hierna te noemen: Bravo) opdracht gegeven om onderzoek te doen naar het verdwijnen van Midazolam. Op 25 februari 2026 is [partij A] door Bravo gehoord.\n\n3.7. \n\nOp 27 februari 2026 is [partij A] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“Deventer Ziekenhuis neemt het jou kwalijk dat jij geruime tijd stelselmatig tijdens en buiten diensttijd medicatie hebt weggenomen, dat jij gedurende werktijd veelvuldig geen werkzaamheden hebt verricht en dat jij geen verantwoordelijkheid hebt willen nemen voor jouw gedrag. (…)\n\nDe dringende reden van jouw ontslag is er onder meer in gelegen dat\n\nuit intern en extern onderzoek is gebleken dat jij herhaaldelijk en ongeoorloofd de medicijnkamer hebt betreden op momenten waarop vervolgens Midazolam neusspray bleek te ontbreken;\n\ndeze vermissingen waren niet te relateren aan patiëntenzorg, voorschriften of andere legitieme werkzaamheden;\n\ner een patroon is vastgesteld tussen jouw diensten en aanwezigheid in het ziekenhuis en het verdwijnen van de Midazolam neusspray;\n\njij de medicijnkamer zevenmaal hebt betreden terwijl je niet was ingeroosterd voor werkzaamheden op de SEH;\n\njij geen plausibele en verifieerbare verklaring hebt kunnen geven voor onder andere jouw aanwezigheid in de medicijnkamer terwijl je niet aan het werk was;\n\ndat jij ten onrechte volstrekt onbereikbaar bent gebleven voor zowel Bravo als jouw werkgever;\n\njij ernstig in strijd hebt gehandeld met de op jou rustende verplichtingen als specialistisch verpleegkundige en het in jou gestelde vertrouwen op grove wijze geschonden;\n\njouw handelen heeft geleid tot risico's voor de patiëntveiligheid en tot een onherstelbare vertrouwensbreuk.\n\nAlle omstandigheden in overweging nemende zijn wij van oordeel dat de voornoemde ernstige constateringen ieder voor zich en\u002Fof in onderling verband beschouwend een dringende reden (…) voor een onmiddellijke beëindiging van jouw dienstverband opleveren.”\n\n4. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n4.1. \n [partij A] verzoekt de kantonrechter:\n\nprimair:\n\nI. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding aan\n\n [partij A] van € 59.089,00 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nII. Aan [partij A] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen van € 12.185,27 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nIII. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de transitievergoeding van € 14.878,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nsubsidiair:\n\nIV. voor zover de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 27 februari 2026, om Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 14.878,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nmeer subsidiair:\n\nV. voor zover het ontslag op staande voet terecht is gegeven en tevens sprake is van ernstige verwijtbaarheid om veroordeling van Deventer Ziekenhuis tot betaling van de transitievergoeding van € 14.878,06 bruto, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;\n\nprimair, subsidiair en meer subsidiair:\n\nVI. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling aan [partij A] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de bedragen tot aan de dag van algehele voldoening;\n\nVII. Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot het verstrekken van een deugdelijke eindafrekening;\n\nVIII. Deventer Ziekenhuis te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n4.2. \n [partij A] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat geen sprake is van een dringende reden, omdat hij geen geneesmiddelen heeft weggenomen. Het ontslag op staande voet is daarom onterecht gegeven. Door de melding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, die Deventer Ziekenhuis heeft gedaan, is hij in zijn goede naam aangetast en kan bij niet binnen redelijke afstand van zijn woonplaats in de zorg werken.\n\n4.3. Deventer Ziekenhuis voert verweer en stelt dat de verzoeken van [partij A] moeten worden afgewezen. Deventer Ziekenhuis voert ‑ samengevat ‑ aan dat er wel degelijk sprake is van een dringende reden en zij [partij A] daarom rechtsgeldig op staande voet heeft ontslagen. Deventer Ziekenhuis heeft daarnaast een tegenverzoek gedaan, waarbij zij verzoekt om een verklaring voor recht dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven en om [partij A] te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten van € 16.561,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2026, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten.\n\n5. De beoordeling van het verzoek\n\n5.1. Aan de kantonrechter ligt de vraag voor of Deventer Ziekenhuis de arbeidsovereenkomst met [partij A] rechtsgeldig heeft opgezegd. Voor de vraag of in strijd met artikel 7:671 BW is opgezegd, dient te worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW. Ingevolge art. 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij Deventer Ziekenhuis als werkgever.\n\nDe dringende reden5.2. \n\nIn de ontslagbrief zijn meerdere redenen voor ontslag genoemd. Uit de bewoordingen van de ontslagbrief en het verweer in deze procedure blijkt dat de dringende reden volgens Deventer Ziekenhuis - kort gezegd – is gelegen in het feit dat\n\n [partij A] Midazolam heeft weggenomen. Gezien de stellingen van [partij A] in dezeprocedure is het hem ook steeds duidelijk geweest dat dit de dringende reden is die tot de opzegging heeft geleid.\n\n5.3. Nu [partij A] ontkent Midazolam te hebben weggenomen, zal de kantonrechter in deze procedure moeten beoordelen of Deventer Ziekenhuis voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat dat wel het geval is. Van een werkgever mag in geval van een verwijt als dit worden verwacht dat hij een zoveel mogelijk uitgewerkt dossier voorlegt met daarin de nodige overtuigingsstukken waaruit blijkt dat de verweten gedraging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is gepleegd. De kantonrechter is van oordeel dat Deventer Ziekenhuis dat in deze procedure heeft gedaan en overweegt daartoe als volgt.\n\n5.4. \n\nDat [partij A] gedurende een aantal jaren Midazolam heeft weggenomen blijkt volgens Deventer Ziekenhuis uit het onderzoek door de vier werknemers, het individuele onderzoek door [naam 1] en het rapport van Bravo. Uit het rapport van Bravo volgt dat zij naar aanleiding van de door Deventer Ziekenhuis aangeleverde stukken tot de conclusie is gekomen dat alleen [partij A] telkens aanwezig was op alle dagen dat er Midazolam verdween. Vervolgens heeft Bravo een overzicht opgesteld op basis van de dienstroosters van de jaren 2024, 2025 en 2026, de voorraadlijsten, de medicatieopdrachten van de apotheek en de badgemeldingen van [partij A] bij de medicijnkamer van 22 maart 2025 tot 2 februari 2026. Uit dit overzicht blijkt dat er telkens Midazolam verdween wanneer\n\n [partij A] dienst had, met name in de nachtdiensten, terwijl in de perioden dat\n\n [partij A] afwezig was, geen verdwijningen werden geconstateerd. Er werden onder andere geen vermissingen geconstateerd tijdens de vakanties van [partij A], maar kort ervoor en direct erna wel. Verder constateert Bravo dat [partij A] aan het einde van zijn dienst vaak de medicijnkamer bezocht, terwijl alle andere verpleegkundigen zich op dat moment elders verzamelden voor de overdracht van de diensten. Ook heeft Bravo geconstateerd dat [partij A] in de periode van april tot en met augustus 2025 in totaal acht keer in de medicijnkamer is geweest, waarvan zeven keer op momenten dat hij geen dienst had, en één keer terwijl hij een interne training volgde op een andere afdeling. Verder legt Deventer Ziekenhuis nog een anonieme verklaring aan haar stelling ten grondslag waaruit blijkt dat een werknemer de jas van [partij A] in de kleedruimte van de kapstok heeft laten vallen en zij toen een flesje Midazolam uit de jaszak van [partij A] heeft zien vallen, waarna zij deze heeft teruggeplaatst.\n\n5.5. \n [partij A] betwist dat hij Midazolam heeft weggenomen. Hij voert aan dat de Midazolam mogelijk door anderen is weggenomen, maar niet door hem. Wat betreft zijn aanwezigheid in de medicijnkamer buiten zijn diensten heeft [partij A] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een aantal keer in het ziekenhuis aanwezig was vanwege een medische afspraak voor zijn zoontje. De cursus vond bovendien plaats op een afdeling vlakbij de SEH. [partij A] heeft verder verklaard dat hij zich niet kan herinneren waarom hij op die momenten de medicijnkamer zou hebben betreden. Hij zegt dat hij mogelijk een pijnstiller heeft gepakt of iets heeft opgeruimd. Hij verklaart verder nooit Midazolam te hebben gebruikt en dit ook niet in zijn jaszak te hebben gehad.\n\n5.6. De kantonrechter is van oordeel dat [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat hij Midazolam heeft weggenomen. Hierbij is met name van belang dat hij geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij als enige dienst had op alle dagen dat Midazolam verdween, er telkens Midazolam verdween als hij in de medicijnkamer was geweest en er geen Midazolam verdween als hij geen dienst had of op vakantie was. Verder acht de kantonrechter van belang dat [partij A] geen verklaring heeft kunnen geven over zijn bezoeken aan de medicijnkamer op de spoedeisende hulp (waarna er ook Midazolam verdwenen bleek te zijn) op de momenten waarop hij geen dienst had. Een bezoek aan het ziekenhuis voor zijn zoontje verklaart immers niet een bezoek aan de medicijnkamer.\n\n5.7. \n [partij A] heeft wel aangevoerd dat de Midazolam, gelet op de diensten, kan zijn weggenomen door meerdere andere collega’s gezamenlijk, maar dat acht de kantonrechter niet geloofwaardig, mede gelet op het feit dat er geen Midazolam verdween tijdens de vakanties of afwezigheid van [partij A]. Voor zover [partij A] verder stelt dat hij door de zwart gelakte stukken in het rapport van Bravo niet kan nagaan of hij de enige is geweest die op de momenten van de wegneming van Midazolam altijd dienst had, oordeelt de kantonrechter dat uit de conclusies van Bravo blijkt dat hij de enige was. Verder volgt uit de lijst die de vier werknemers van de SEH van 19 tot en met 26 januari 2026 hebben opgesteld (en waarop geen namen zijn zwart gelakt) dat [partij A] de enige werknemer is die steeds dienst had wanneer er in die periode Midazolam verdween. Tot slot volgt de kantonrechter [partij A] ook niet in zijn betoog dat het mogelijk is dat iemand de medicijnkamer is binnengekomen zonder een badge te gebruiken door achter een andere medewerker aan mee naar binnen te lopen en dat deze persoon de Midazolam heeft weggenomen. [partij A] heeft de stelling dat dit is gebeurd, laat staan dat dit gebeurde met het oogmerk om Midazolam weg te nemen, niet op enige wijze onderbouwd en Deventer Ziekenhuis heeft ook betwist dat dit gebeurt. Bovendien is het ten aanzien van dit alternatieve scenario niet begrijpelijk waarom de Midazolam alleen zou zijn verdwenen op de momenten dat (ook) [partij A] in de medicijnkamer is geweest.\n\n5.8. Gezien het voorgaande stelt de kantonrechter met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast dat [partij A] zich schuldig heeft gemaakt aan het ongeoorloofd wegnemen van Midazolam. Deventer Ziekenhuis heeft aangevoerd dat Midazolam een benzodiazepine is, verslavend werkt, op de zwarte markt verkocht kan worden en zeer schadelijke gevolgen kan hebben wanneer het verkeerd wordt gebruikt. [partij A] was er bovendien van op de hoogte dat hij het middel niet zonder toestemming voor eigen gebruik of anderszins mocht wegnemen. Door dit toch te doen heeft [partij A] het door Deventer Ziekenhuis in hem gestelde vertrouwen ernstig geschaad en heeft hij zijn verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst ernstig geschonden. [partij A] heeft zelf overigens ook gesteld dat diefstal van medicijnen kwalificeert als dringende reden.\n\n5.9. Bij de beoordeling van de vraag of de gedragingen van [partij A] in dit geval ook een dringende reden opleveren, wordt ook acht geslagen op zijn persoonlijke omstandigheden. [partij A] heeft in dat verband geen bijzondere persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht. De kantonrechter heeft wel gekeken naar de leeftijd en de duur van het dienstverband van [partij A] en naar het feit dat er een melding is gedaan bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. De kantonrechter begrijpt dat de gevolgen van het ontslag voor [partij A] ingrijpend zijn. In aanmerking moet echter worden genomen dat hij welbewust, gedurende een langere periode en op grote schaal Midazolam heeft weggenomen, wetende dat dit niet was toegestaan. Een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van het handelen leiden er in dit geval toe dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.\n\n5.10. Gezien het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat het handelen van [partij A] kwalificeert als een dringende reden tot onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Het ontslag op staande voet is daarom rechtsgeldig.\n\nDe verzochte vergoedingen5.11. Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is. Hetzelfde geldt voor het (subsidiaire en meer subsidiaire) verzoek om Deventer Ziekenhuis te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen van [partij A] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is Deventer Ziekenhuis geen transitievergoeding aan [partij A] verschuldigd.\n\nProceskosten5.12. De proceskosten komen voor rekening van [partij A], omdat [partij A] in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van Deventer Ziekenhuis worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.13. De door Deventer Ziekenhuis gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beoordeling van het tegenverzoek\n\nVerklaring voor recht6.1. Uit het bovenstaande blijkt dat sprake was van een dringende reden op grond waarvan Deventer Ziekenhuis de arbeidsovereenkomst met [partij A] onmiddellijk mocht opzeggen. Het verzoek van Deventer Ziekenhuis om een verklaring voor recht dat het ontslag rechtsgeldig is gegeven, zal daarom worden toegewezen.\n\nKosten voor onderzoek Bravo6.2. Deventer Ziekenhuis verzoekt verder om [partij A] te veroordelen tot betaling van de kosten die zij heeft moeten maken voor het inschakelen van Bravo. Dit betreft een bedrag van € 16.561,88. Deventer Ziekenhuis stelt dat sprake is van redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [partij A]. Daarover overweegt de kantonrechter als volgt.\n\n6.3. \n\nOp grond van artikel 6:96 lid 2 sub a BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. In deze procedure is echter niet gesteld dat sprake is van aansprakelijkheid en een daaruit voortvloeiende verplichting tot betaling van schadevergoeding van [partij A]. De vastgestelde dringende reden levert niet automatisch aansprakelijkheid voor schade van [partij A] op. Omdat in deze procedure geen oordeel wordt gevraagd over de aansprakelijkheid van [partij A] en dus ook geen aansprakelijkheid van [partij A] is vastgesteld, kan in deze procedure ook geen vergoeding worden gevorderd van kosten ter vaststelling van die aansprakelijkheid. De kantonrechter zal het verzoek van Deventer Ziekenhuis tot betaling van het bedrag van\n\n€ 16.561,88 afwijzen.\n\nProceskosten tegenverzoek6.4. De kantonrechter zal bepalen dat partijen in het tegenverzoek ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat het tegenverzoek voor zover dat wordt toegewezen voortvloeit uit de beoordeling van het hoofdverzoek door [partij A], en het tegenverzoek tot betaling wordt afgewezen.\n\n7. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n7.1. wijst het verzoek af,\n\n7.2. veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n7.3. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n7.4. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n7.5. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de beslissing onder 7.1.\n\nop het tegenverzoek\n\n7.6. verklaart voor recht dat het door Deventer Ziekenhuis aan [partij A] verleende ontslag op staande voet op 26 februari 2026 rechtsgeldig is gegeven,\n\n7.7. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\nEA\n\n Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3663","2026-06-30T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:29:43.102Z",1,20]