[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zwolle-personal-injury-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":35,"total":16,"page":25,"limit":54},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},57,"Zwolle","nl","zwolle",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},155,"personal-injury-nl","Personal Injury","NL","2026-07-08T17:00:27.741Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":20},2,{"min":18,"max":19},"2026-04-30T00:00:00.000Z","2026-06-17T00:00:00.000Z",[21,26,29,32],{"provisionId":22,"code":23,"article":24,"count":25},"122847","Burgerlijk Wetboek","art. 7:658",1,{"provisionId":27,"code":23,"article":28,"count":25},"124151","art. 6:173",{"provisionId":30,"code":23,"article":31,"count":25},"124152","art. 6:181 lid 1",{"provisionId":33,"code":23,"article":34,"count":25},"124154","art. 6:181",[36,46],{"id":37,"ecli":38,"slug":39,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":19,"fullText":41,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":43,"sourceTimestamp":19,"parsedAt":44,"updatedAt":45},"1683","ECLI:NL:RBOVE:2026:3383","ecli-nl-rbove-2026-3383","","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F333755 \u002F HA ZA 25-174\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. M. Bennami,\n\ntoevoegingsnummer: [nummer],\n\ntegen\n\n1. FIT FOR FREE 47 B.V.tevens h.o.d.n. SportCity Deventer,\n\ngevestigd te Deventer, 2. LIBERTY MUTUAL INSURANCE EUROPE SE,\n\nstatutair gevestigd te Luxemburg, kantoorhoudende te Den Haag,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: Sportcity c.s. (in vrouwelijk enkelvoud)\n\nen afzonderlijk: Sportcity en Liberty,\n\nadvocaat: mr. J.A. Kopp.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [eiser] verzoekt de rechtbank terug te komen op de beslissing van de deelgeschilrechter. Ook verzoekt [eiser] de rechtbank om verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd om tot de conclusie te komen dat de beslissing van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Daarom is de rechtbank gebonden aan de beslissing van de deelgeschilrechter. Omdat de rechtbank gelijk een eindvonnis zal wijzen, kan [eiser] daarnaast zonder verlof in hoger beroep. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 17 september 2025,\n\n- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,\n\n- de mondelinge behandeling van 7 april 2026,\n\n- de spreekaantekeningen van [eiser] en Sportcity c.s.2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 24 januari 2023 is [eiser] geblesseerd geraakt aan zijn hamstrings tijdens het gebruik van een fitnesstoestel, de ‘seated leg curl’, bij Sportcity te Deventer. De ‘seated leg curl’ is een fitnesstoestel waarop de hamstrings kunnen worden getraind.\n\n3.2.. Bij het gebruik van het fitnesstoetstel door [eiser] is op enig moment de weerstand van de gewichten weggevallen. [eiser] heeft zich daarna bij de balie gemeld en meegedeeld dat hij daardoor pijn aan zijn hamstrings heeft ondervonden. Vervolgens is hij naar huis gegaan. Op 26 januari 2023 heeft [eiser] in verband met zijn klachten de huisarts bezocht en enige weken later zijn fysiotherapeut.\n\n3.3.. \n [eiser] heeft een deelgeschilprocedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt om de aansprakelijkheid van Sportcity c.s. voor het ongeval met de ‘seated leg curl’ vast te laten stellen op grond van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:181 lid 1 BW, dan wel artikel 6:162 BW.\n\n3.4.. Bij beschikking van 9 juli 2024 heeft de rechtbank (hierna: de deelgeschilrechter) het verzoek van [eiser] afgewezen. De deelgeschilrechter heeft overwogen dat niet is gebleken dat de ‘seated leg curl’ gebrekkig was in de zin van artikel 6:173 BW jo artikel 6:181 BW. Ook is niet gebleken dat Sportcity c.s. onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [eiser] in de zin van artikel 6:162 BW. In deze beschikking is onder andere overwogen:\n\n‘‘5.4. Gelet op deze verklaringen en het gebrek aan onderbouwing van de gestelde\n\ntoedracht in het dossier kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen wat de oorzaak van\n\nhet wegvallen van de weerstand is geweest. Het meest aannemelijke scenario lijkt te zijn dat de pin tussen twee gaten is blijven hangen en op enig moment is losgeschoten. Als dat tot uitgangspunt wordt genomen rijst de vraag of Sportcity aansprakelijk kan worden gehouden voor het wegvallen van de weerstand en de gevolgen die dit volgens [eiser] heeft gehad.\n\nBeoordeeld moet worden of er voldoende juridische grondslag bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat ieder zijn eigen schade draagt.\n\n(…)5.7.. De rechtbank is van oordeel dat van een gebrek aan het toestel onvoldoende is gebleken. Bij een normaal gebruik valt de pin in een gat op de verstelschijf en dan is van belang dat de pin niet uit het gat schiet. Dat daarvan sprake is geweest is echter niet aannemelijk en wordt ook niet (meer) gesteld. Aangezien in deze procedure tot uitgangspunt wordt genomen dat de pin is blijven hangen tussen twee gaten moet ten eerste worden beoordeeld of dit is veroorzaakt door een gebrek aan het toestel. In dat kader stelt de rechtbank vast dat [eiser] zelf de pin tussen de gaten heeft geplaatst. Dat de slijtage op de verstelschrijf ertoe heeft geleid dat de pin is blijven hangen wordt niet gevolgd. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat bij uitgesleten gaten een verdikking ontstaat (in plaats van een glad oppervlak), waardoor de pin meer grip had op de verstelschijf en daardoor is blijven hangen. Daar komt bij dat niet is gebleken dat een pin niet kan blijven hangen op een nieuwe schijf. Dat betekent dat geen verband kan worden gelegd tussen het blijven hangen van de pin en de slijtage.’’\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair: terug zal komen op de beslissing van de deelgeschilrechter van 9 juli 2024 en bijgevolg voor recht zal verklaren dat Sportcity c.s. volledig aansprakelijk is jegens [eiser] en daarom gehouden is zijn schade als gevolg van het incident met de seated leg curlte vergoeden waaronder een veroordeling in de betaling van de kosten van het deelgeschil welke zijn begroot op € 7.933,00;\n\nSubsidiair: verlof zal verlenen voor het tussentijds hoger beroep;\n\nSportcity c.s. zal veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten.\n\n4.2.. Sportcity c.s. voert verweer en concludeert dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om alsnog van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen, het verlofverzoek van [eiser] zal afwijzen respectievelijk de vorderingen van [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren althans deze af te wijzen, en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening, uitvoerbaar bij voorraad.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nDe rechtbank komt niet terug op de beslissing van de deelgeschilrechter\n\n5.1.. Primair vordert [eiser] om terug te komen op de beslissing van de deelgeschilrechter van 9 juli 2024 en bijgevolg voor recht te verklaren dat Sportcity c.s. volledig aansprakelijk is jegens [eiser] om zijn schade te vergoeden, waaronder de kosten van het deelgeschil. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat volgens hem de slijtage van het fitnessapparaat de oorzaak moet zijn geweest voor het ongeval en dat Sportcity c.s. daarvoor aansprakelijk is. De deelgeschilrechter heeft hierover al een beslissing genomen en deze redenering van [eiser] afgewezen. Voordat kan worden toegekomen aan de vraag of Sportcity c.s. aansprakelijk is voor de schade en de kosten van het deelgeschil, moet eerst de vraag worden beantwoord in hoeverre de rechtbank gebonden is aan die beslissing van de deelgeschilrechter.\n\nHet toetsingskader\n\n5.2.. Als in een deelgeschil uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer feitelijke of juridische geschilpunten tussen partijen over hun materiële rechtsverhouding, is de rechter in de daaropvolgende bodemprocedure op dezelfde wijze aan die beslissingen gebonden als wanneer deze beslissingen waren gegeven in een tussenvonnis in die bodemprocedure (artikel 1019cc lid 1 Rv). In beginsel is de rechter aan bindende eindbeslissingen gebonden voor het verdere verloop van de procedure bij de rechtbank. Dit heeft te maken met de eisen van de goede procesorde en een vlot procesverloop. Als partijen het niet eens zijn met een beslissing is het in beginsel de bedoeling dat een rechtsmiddel wordt ingesteld. Dit uitgangspunt geldt echter niet onverkort. De eisen van de goede procesorde kunnen ook meebrengen dat de rechtbank van zo’n eindbeslissing terugkomt. Een van deze redenen is dat de rechtbank bevoegd is een eindbeslissing te heroverwegen als is gebleken dat die eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en handhaving van deze onjuiste lezing zou leiden tot een einduitspraak waarvan zij overtuigd is dat deze ondeugdelijk is (Zie conclusie A-G bij HR 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1591, ECLI:NL:PHR:2023:850 r.o. 3.2 en verder).\n\n5.3.. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of sprake is van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. De rechtbank stelt vast dat de deelgeschilrechter in de beschikking van 9 juli 2024, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud het volgende heeft beslist. Het meest aannemelijke scenario voor de oorzaak van het wegvallen van de weerstand lijkt naar het oordeel van de deelgeschilrechter te zijn geweest dat de pin tussen twee gaten is blijven hangen en op enig moment is losgeschoten. Dit volgt uit de geciteerde passages onder r.o. 3.4. Daarnaast heeft de deelgeschilrechter beslist dat de stelling van [eiser] niet wordt gevolgd dat de slijtage op de verstelschijf ertoe heeft geleid dat de pin is blijven hangen. Daarbij was (onder meer) niet gebleken dat een pin niet kan blijven hangen op een nieuwe schijf, waardoor er geen verband kon worden gelegd tussen het blijven hangen van de pin en de slijtage. De deelgeschilrechter heeft op grond van deze feiten de aansprakelijkheid ex artikel 6:173 BW jo 6:181 lid BW afgewezen. De rechtbank is aan deze beslissingen van de deelgeschilrechter dus gebonden, tenzij blijkt dat de beslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag.\n\nEr is niet gebleken van een onjuiste feitelijke grondslag\n\n5.4.. \n [eiser] heeft zich er ten eerste op beroepen dat het oordeel van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste feitelijke grondslag. [eiser] stelt zich op het standpunt dat na de beschikking van de deelgeschilrechter nieuwe feiten bekend zijn geworden met betrekking tot zijn beroep op de artikelen 6:173 BW jo 6:181 lid 1 BW. Volgens [eiser] is na de deelgeschilprocedure feitelijk gebleken dat de selectiepin niet kan blijven hangen op een onversleten schijf. De deelgeschilrechter ging, vanwege het ontbreken van deze (nieuwe) informatie, ervan uit dat er geen verband bestond tussen het blijven hangen van de selectiepin en de slijtage op de verstelschijf. Dit is feitelijk onjuist gebleken, aldus [eiser].\n\n5.5.. Sportcity c.s. betwist dat sprake is van nieuwe feiten. Volgens Sportcity c.s. gaat het om eerder ingenomen en door de deelgeschilrechter beoordeelde stellingen van [eiser]. Onder verwijzing naar hetgeen zij reeds heeft aangevoerd in de deelgeschilprocedure betwist Sportcity c.s. het door [eiser] gestelde vermeende gebrek aan het fitnesstoetstel bestaande uit de slijtage aan de verstelschijf. Volgens Sportcity c.s. is de door [eiser] gestelde schade niet veroorzaakt door een versleten schijf maar door onjuist gebruik van het fitnesstoestel door [eiser] zelf. Verder voert Sportcity c.s. aan dat het door [eiser] gestelde ongeval ook had kunnen plaatsvinden bij een (nagenoeg) nieuwe schrijf.\n\n5.6.. \n [eiser] onderschrijft het oordeel van de deelgeschilrechter dat de pin is losgeschoten, maar volgens [eiser] is dat het gevolg van slijtage aan het apparaat en is Sportcity c.s. daarvoor aansprakelijk. [eiser] voert in dit kader aan dat de selectiepin niet kan blijven hangen op een onversleten schijf. Dit is volgens [eiser] een nieuw feit. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door [eiser] is aangevoerd onvoldoende concreet is om terug te komen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter dat niet kan worden vastgesteld dat het losschieten van de pin het gevolg is van slijtage aan het apparaat. Ter onderbouwing van zijn stelling dat de pin niet kan blijven hangen op een onversleten schijf, heeft [eiser] met name een beroep gedaan op een e-mail van 20 december 2024 van [naam], marktverantwoordelijke voor de verkoop van Precor toestellen (het fitnesstoestel waarmee het door [eiser] gestelde ongeval heeft plaatsgevonden). Hierin schrijft [naam]: ‘‘Wat verstellen van rugleuning of kussens betreft dat gaat via een draai & pull beweging en als de pin na de juiste instelling weer wordt losgelaten dan komt ze in het daarvoor voorziene gat. Indien het gat niet juist voor de pin zit zal deze verschuiven tot de pin er in zit.’’ De e-mail bevat een algemene beschrijving van de werkwijze van het fitnesstoestel. Hieruit blijkt niet voldoende concreet dat het niet mogelijk is dat de pin uit het gat kan schieten bij een onversleten schijf. Deze enkele e-mail is dan ook mede in het licht van de beoordeling in de deelgeschilbeschikking onvoldoende om feitelijk vast te stellen dat het blijven hangen van de pin het gevolg is van slijtage. Ook de andere door [eiser] overgelegde producties bieden geen steun voor het door [eiser] ingenomen standpunt dat sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag. Die producties bevatten verklaringen ter onderbouwing van de in de deelgeschilprocedure al ingenomen standpunten van [eiser]. Deze argumenten zijn inhoudelijk al in de deelgeschilprocedure beoordeeld. Dat betekent dat niet kan worden aangenomen dat de deelgeschilrechter uitgegaan is van onjuiste feiten of dat anderszins sprake is van een onjuiste feitelijke grondslag ten aanzien van de beoordeling van artikel 6:173 BW jo 6:181 lid 1 BW. De rechtbank zal niet terugkomen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter.\n\n5.7.. Ten aanzien van de beoordeling van de zorgplichtschending ex artikel 6:162 BW heeft [eiser] niet expliciet toegelicht op grond waarvan volgens hem bij die beoordeling sprake is geweest van een onjuiste feitelijke grondslag. [eiser] heeft de eerder in de deelgeschilprocedure ingenomen stellingen aangevoerd. Dat is niet genoeg om terug te komen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter dat Sportcity c.s. niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW.\n\nEr is ook niet gebleken van een onjuiste juridische grondslag\n\n5.8.. Ter zitting is door [eiser] aanvullend aangevoerd dat ook sprake is van een onjuiste juridische grondslag die aanleiding geeft om terug te komen op een bindende eindbeslissing. Volgens [eiser] had de deelgeschilrechter als zij geen gebrek aan het fitnestoestel kon aannemen de bewijslast moeten omkeren omdat Sportcity c.s. bewijs heeft vernietigd door de verstelschijf weg te gooien.\n\n5.9.. Ook hierin volgt de rechtbank [eiser] niet. De deelgeschilrechter is niet aan bewijslevering toegekomen en heeft geen expliciet oordeel gegeven over de bewijslastverdeling. Ten aanzien van de bewijslastverdeling is geen sprake van een bindende eindbeslissing. Dit wil echter niet zeggen dat de deelgeschilrechter dit standpunt van [eiser] niet in de beoordeling heeft betrokken. In het verzoekschrift waarmee [eiser] de deelgeschilprocedure is gestart, wordt namelijk ook al feitelijk gesteld dat de oude schijf inmiddels was weggegooid en heeft [eiser] al een beroep gedaan op omkering van de bewijslast. Dit was ook in de deelgeschilprocedure dus al een bekende stelling. De deelgeschilrechter heeft vervolgens op feitelijke gronden geoordeeld dat de oorzaak van het wegvallen van de pin niet kan worden vastgesteld en dat in het verlengde daarvan aansprakelijkheid niet kan worden aangenomen. De rechtbank kan in beginsel niet treden in deze inhoudelijke beoordeling van de deelgeschilrechter nu niet is gebleken van een onjuiste feitelijke grondslag. Overigens volgt uit de stellingen van [eiser] ook niet dat de toepassing van de stelplicht en bewijslast in de deelgeschilprocedure berusten op een onjuiste juridische grondslag. Uit de beschikking leidt de rechtbank af dat ten aanzien van de stelplicht de hoofdregel uit artikel 150 Rv. is toegepast. Afwijking daarvan door omkering van de bewijslast is een uitzondering die terughoudend en slechts onder bijzondere omstandigheden moet worden toegepast. Tegen deze achtergrond kan niet worden aangenomen dat het inhoudelijke oordeel van de deelgeschilrechter berust op een onjuiste juridische grondslag. De rechtbank ziet in deze fase van de procedure ook geen grond voor een andere toepassing van de verdeling van de stelplicht en bewijslast. Voor zover [eiser] meent dat de deelgeschilrechter op dit punt een onjuist oordeel heeft gegeven, ligt het op zijn weg om daartegen op te komen door het instellen van een rechtsmiddel. Dit levert ook geen grond op om in deze procedure terug te komen op de bindende eindbeslissing van de deelgeschilrechter.\n\nConclusie\n\n5.10.. De conclusie is dat de rechtbank niet terugkomt op de beslissing van de deelgeschilrechter en bijgevolg dus ook niet toekomt aan een nieuwe beoordeling van de vraag of Sportcity c.s. aansprakelijk is om de schade van [eiser] te vergoeden en de kosten van het deelgeschil. De primaire vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.\n\nDe rechtbank hoeft geen verlof voor tussentijds hoger beroep meer te verlenen\n\n5.11.. Voor het geval de rechtbank gebonden is aan de beslissing van de deelgeschilrechter, dan verzoekt [eiser] subsidiair om verlof te verlenen om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de deelgeschilrechter.\n\nHet toetsingskader\n\n5.12.. Bij de beoordeling van het verzoek tussentijds hoger beroep toe te staan stelt de rechtbank het volgende voorop. Ingevolge artikel 1019bb Rv staat tegen de beschikking van de deelgeschilrechter geen voorziening open, onverminderd het bepaalde in artikel 1019cc lid 3 Rv. In artikel 1019cc lid 3 Rv is bepaald dat in de procedure ten principale van de beschikking van de deelgeschilrechter, voor zover zij beslissingen als bedoeld in het eerste lid bevat, bij het gerechtshof hoger beroep kan worden ingesteld als van een tussenvonnis. Dat beroep moet op grond van dat artikel binnen drie maanden worden ingesteld, te rekenen vanaf de eerste roldatum, zijnde 11 juni 2025. Ook moet binnen dezelfde termijn aan de (bodem)rechter een verzoek worden gedaan tot het verlenen van verlof. In het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924 is bepaald dat de appeltermijn van drie maanden gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend. Daarnaast kan hoger beroep worden ingesteld tegen de deelgeschilbeschikking tegelijk met het hoger beroep tegen het eindvonnis (sub b van artikel 1019cc lid 3 Rv)\n\nDe rechtbank wijst eindvonnis\n\n5.13.. \n [eiser] heeft primair een oordeel gevraagd over de bindende eindbeslissing in de deelgeschiluitspraak. De rechtbank begrijpt de vordering en de toelichting zo dat [eiser] heeft beoogd dat eerst in de bodemprocedure bij de rechtbank zou worden beoordeeld of aanleiding bestond om terug te komen op een bindende eindbeslissing. [eiser] heeft eerst subsidiair gevraagd verlof te verlenen voor tussentijds hoger beroep. De rechtbank zal het verlofverzoek van [eiser] om tussentijds hoger beroep in te stellen afwijzen nu met dit vonnis al een eindvonnis zal worden gewezen en [eiser] in zoverre geen belang meer heeft bij tussentijds beroep. Daarvoor is van belang dat [eiser] primair uitsluitend vordert dat de rechtbank terugkomt op de bindende eindbeslissing en een verklaring voor recht geeft dat Sportcity c.s. aansprakelijk is. Die vordering zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. Er zijn verder door [eiser] geen vorderingen ingesteld waarop de rechtbank in deze instantie nog een beslissing moet nemen. De in de deelgeschilbeschikking vervatte beslissingen zijn dan ook niet langer cruciaal en bepalend voor de afloop van deze bodemzaak. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank eindvonnis wijzen. Op grond van artikel 1019cc lid 3 onder b Rv kan [eiser] tegen dit eindvonnis, alsmede tegen de beschikking van de deelgeschilrechter, in hoger beroep om welke reden de rechtbank geen verlof meer hoeft te verlenen.\n\n [eiser] moet de proceskosten betalen\n\n5.14.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Sportcity c.s. worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3383","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:33.367Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":40,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":40,"language":7,"source":42,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":52,"parsedAt":44,"updatedAt":53},"941","ECLI:NL:RBOVE:2026:2510","ecli-nl-rbove-2026-2510","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11967647 \\ EJ VERZ 25-314\n\nBeschikking van 30 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\ngemachtigde: mr. M.L. de Jong,\n\ntegen\n\nTALEN 4G B.V.,\n\ngevestigd te Staphorst,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Talen,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met vijf bijlagen,\n\n- de per e-mail van 28 november 2025 door [verzoeker] overgelegde correspondentie tussen partijen,\n\n- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij [verzoeker] pleitaantekeningen heeft overgelegd.\n\n1.2. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. \n [verzoeker] was via uitzendbureau B+B gedetacheerd bij Talen. Zijn werkzaamheden bestonden onder meer uit het in elkaar zetten van pallets met behulp van een nietpistool.\n\n2.2. Op 23 april 2025 was [verzoeker] aan het werk bij Talen. Tijdens het werk is [verzoeker] een bedrijfsongeval overkomen. [verzoeker] is met zijn rug tegen een nietpistool gebotst, waardoor een kram van 45 mm zijn long heeft geperforeerd. Als gevolg daarvan heeft [verzoeker] een klaplong opgelopen.\n\n2.3. Op 30 april 2025 heeft [verzoeker] Talen aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het bedrijfsongeval.\n\n2.4. Talen is voor aansprakelijkheid verzekerd bij MSIG (voorheen: MS Amlin). De verzekeraar heeft Sedgwick ingeschakeld om onderzoek te doen naar het bedrijfsongeval. Op 22 juli 2025 is de heer [naam] van Sedgwick op bezoek geweest bij [verzoeker]. In het rapport van het huisbezoek is het volgende opgenomen over het ongeval:\n\n‘De tacker die werd gebruikt had een lange steel die aan een katrol was bevestigd op ongeveer anderhalve meter hoogte. Daardoor kon ergonomisch worden gewerkt, zodat de tacker niet steeds opgetild hoefde te worden. De steel die aan de tacker was bevestigd diende ervoor het nieten in licht gebogen houding te kunnen uitvoeren.\n\nDe Oekraïense collega die overigens via en ander uitzendbureau te werk gesteld was bij uw verzekerde (uitzendbureau Bikkel?) had al lange tijd het plan opgevat om sneller te werken door de beveiliging van de trekker van het nietpistool te omzeilen, althans te modificeren door een elastiek om de trekker heen te doen. Daarmee kon forse tijdwinst behaald worden.\n\nDoor het omzeilen van deze beveiliging ontstond er een extra risico, een risico dat belanghebbende al ettelijke keren bij zowel de Oekraïense collega alsook bij het management van Talen kenbaar heeft gemaakt, maar hier werd niets tegen gedaan. Belanghebbende heeft ettelijke keren het elastiek van de tacker verwijderd.\n\nEen aantal weken voor het ongeluk heeft de Oekraïense collega op deze manier zichzelf al verwond door in zijn vinger te nieten.\n\nOp de dag van het ongeval bukte belanghebbende om een doos te pakken en liep daarbij met zijn rug onder de tacker door. Daarmee kwam zijn rug in aanraking met de beugel van het nietpistool, waardoor deze afging aangezien de trekker in de schietstand stond. Een niet van 4,5 centimeter (een U-vorm) boorde zich in zijn rug.’\n\n2.5. Na afloop van huisbezoek hebben de gemachtigde van [verzoeker] en de verzekeraar over en weer gecorrespondeerd over de aansprakelijkheid. Per e-mail van 12 november 2025 laat MSIG het volgende weten aan [verzoeker]:\n\n‘Wij zijn van mening dat de aansprakelijkheid wel gegeven is maar begrepen dat onze verzekerde deze mening niet deelt.\n\nNu wij het dossier weer zelf behandelen hebben wij onze verzekerde zelf nogmaals meegedeeld dat naar onze mening de aansprakelijkheid is gegeven. Zij dragen een hoog eigen risico dus uiteindelijk is het aan hen om te willen regelen of niet.’\n\n2.6. De gemachtigde van [verzoeker] heeft Talen meermaals verzocht om de aansprakelijkheid te erkennen en de schade te regelen, maar daar heeft Talen geen gehoor aan gegeven.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1. Samengevat verzoekt [verzoeker] de kantonrechter om te verklaren voor recht dat Talen tekort is geschoten in de zorgplicht jegens [verzoeker] en aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade en te gelasten dat Talen meewerkt aan een schaderegeling. Daarnaast verzoekt [verzoeker] om betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 3.500,00, de kosten van de deelgeschilprocedure te begroten en toe te wijzen en Talen te veroordelen tot het betalen van € 5.000,00 als voorschot op de buitengerechtelijke kosten.\n\n4. De beoordeling\n\nDeelgeschilprocedure4.1. \n [verzoeker] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.2. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of Talen aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden als gevolg van het bedrijfsongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\nTalen is niet verschenen4.3. Talen is niet op de mondelinge behandeling verschenen en heeft ook geen verweerschrift ingediend. Het is de kantonrechter bekend dat Talen wel is opgeroepen voor de mondelinge behandeling door middel van een aangetekende brief die geadresseerd is aan het juiste adres van Talen en dat deze brief ook is ontvangen door Talen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat Talen op de hoogte was van de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Nu Talen niet is verschenen en de stellingen van [verzoeker] niet heeft weersproken, staan die stellingen daarmee vast.\n\n [verzoeker] heeft schade opgelopen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden4.4. Op grond van artikel 7:658 BW is de werkgever aansprakelijk jegens de werknemer voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij heeft voldaan aan zijn zorgplicht of er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van de werknemer. Gelet op de strekking van artikel 7:658 BW is het aan [verzoeker] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij schade heeft opgelopen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. In dit geval is het ontstaan van schade bij de uitvoering van de werkzaamheden komen vast te staan. [verzoeker] heeft namelijk gesteld dat hem op 23 april 2025 een ongeval is overkomen op het werk en dat hij daarbij letselschade aan zijn rug en long heeft opgelopen. Talen heeft dat niet betwist. Dit betekent dat Talen als werkgever in aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als werknemer heeft opgelopen, tenzij Talen aan haar zorgplicht heeft voldaan of wanneer er aan de zijde van [verzoeker] sprake zou zijn geweest van opzet of bewuste roekeloosheid.\n\nTalen heeft niet aan haar zorgplicht voldaan4.5. Om aan te tonen dat Talen aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW heeft voldaan, moet zij stellen en zo nodig bewijzen dat zij al die maatregelen heeft genomen en al die aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig zijn om de schade te voorkomen. De zorgplicht van de werkgever beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en als gevolg daarvan niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade.\n\n4.6. Nu Talen niet is verschenen gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [verzoeker]. [verzoeker] stelt dat het nietpistool gemodificeerd is door een collega als gevolg waarvan de kans op het ontstaan van letsel aanzienlijk is vergroot. Talen had erop moeten toezien dat het nietpistool niet gemodificeerd werd en collega’s moeten waarschuwen. Niet is gebleken dat Talen deze of andere maatregelen heeft getroffen. Daarom oordeelt de kantonrechter dat Talen niet aan haar zorgplicht heeft voldaan.\n\nGeen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid4.7. Tussen partijen staat niet ter discussie of er sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de kant van [verzoeker].\n\nConclusie: Talen is aansprakelijk4.8. \n [verzoeker] heeft letsel opgelopen tijdens zijn werk en Talen heeft haar zorgplicht geschonden. Dat leidt tot het oordeel dat Talen aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] lijdt als gevolg van het ongeval dat hem op 23 april 2025 bij de uitvoering van zijn werkzaamheden is overkomen. De verzochte verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.\n\nVoorschot op de schadevergoeding4.9. \n [verzoeker] heeft voldoende gemotiveerd onderbouwd dat hij als gevolg van het ongeval schade heeft geleden. Zo heeft hij onder meer zijn eigen risico voor zijn zorgverzekering moeten betalen ter hoogte van € 385,00 vanwege behandeling van het letsel in het ziekenhuis. Daarnaast heeft de gemachtigde van [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [verzoeker] als gevolg van het letsel langdurig hersteld is en daarvan last heeft ondervonden en als gevolg daarvan recht heeft op een smartengeldvergoeding. Ook is voldoende concreet geworden dat er gedurende zes maanden sprake is geweest van inkomensschade. Deze schadeposten zijn door Talen niet weersproken. Het verzochte voorschot op de schadevergoeding van € 3.500,00 is dan ook toewijsbaar.\n\nKosten deelgeschil4.10. De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.\n\n4.11. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.12. De kantonrechter is van oordeel dat het door de gemachtigde van [verzoeker] gehanteerde uurtarief, gelet op de door hem gevolgde specialisatieopleiding redelijk is. De tijd (7,8 uren exclusief de mondelinge behandeling) die de gemachtigde van [verzoeker] heeft besteed aan deze deelgeschilprocedure acht de kantonrechter ook redelijk. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak, inclusief de mondelinge behandeling, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter worden begroot op 10 uren × € 283,00 exclusief btw. Inclusief 21% btw gaat het om een bedrag van € 3.424,30, nog te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 257,00, totaal: € 3.681,30. Talen zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.\n\nVoorschot op de buitengerechtelijke incassokosten4.13. Tot slot verzoekt [verzoeker] om betaling van een voorschot op de gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 5.000,00. Volgens [verzoeker] bedraagt de totale post buitengerechtelijke kosten inclusief de kosten van het deelgeschil € 6.511,01 inclusief 21% btw. Hiervoor is door de kantonrechter reeds een bedrag van € 3.424,30 toegewezen. Uit de door [verzoeker] overgelegde urenoverzichten blijkt dat na aftrek van de kosten voor het deelgeschil nog een bedrag van € 3.086,71 inclusief 21% btw aan buitengerechtelijke kosten resteert. Dit bedrag komt de kantonrechter redelijk voor en zal dan ook als voorschot worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1. verklaart voor recht dat Talen aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade als gevolg van het bedrijfsongeval dat [verzoeker] is overkomen op 23 april 2025,\n\n5.2. gelast Talen om mee te werken aan een schaderegeling in verband met de schade die [verzoeker] stelt te hebben geleden en\u002Fof in de toekomst nog zal lijden als gevolg van het hiervoor genoemde bedrijfsongeval,\n\n5.3. veroordeelt Talen tot betaling van een bedrag van € 3.500,00 aan [verzoeker] als zijnde een voorschot op zijn materiële en immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW indien Talen dit bedrag niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis voldoet,\n\n5.4. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.424,30 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 257,00 en veroordeelt Talen tot betaling daarvan aan [verzoeker],\n\n5.5. veroordeelt Talen tot betaling aan [verzoeker] van € 3.086,71 inclusief btw als voorschot op de buitengerechtelijke kosten,\n\n5.6. gelast Talen de onder 5.3. tot en met 5.5. toegewezen bedragen aan [verzoeker] te betalen binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking,\n\n5.7. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.\n\n Hoge Raad 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2510","2026-05-11T00:00:00.000Z","2026-07-13T00:28:55.959Z",20]