[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-category-zwolle-tenancy-law-nl":3},{"court":4,"category":9,"stats":15,"decisions":34,"total":16,"page":24,"limit":60},{"id":5,"name":6,"country":7,"slug":8},57,"Zwolle","nl","zwolle",{"id":10,"slug":11,"name":12,"country":13,"createdAt":14},30,"tenancy-law-nl","Tenancy Law","NL","2026-07-08T16:53:14.176Z",{"totalDecisions":16,"dateRange":17,"topProvisions":19},3,{"min":18,"max":18},"2026-06-23T00:00:00.000Z",[20,25,28,31],{"provisionId":21,"code":22,"article":23,"count":24},"124104","Burgerlijk Wetboek","art. 7:230",1,{"provisionId":26,"code":22,"article":27,"count":24},"123048","art. 7:213",{"provisionId":29,"code":22,"article":30,"count":24},"123049","art. 7:214",{"provisionId":32,"code":22,"article":33,"count":24},"123050","art. 7:219",[35,46,53],{"id":36,"ecli":37,"slug":38,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":40,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":42,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":44,"updatedAt":45},"1063","ECLI:NL:RBOVE:2026:3795","ecli-nl-rbove-2026-3795","","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 11983032 \\ CV EXPL 25-3765\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting STICHTING WOONBEDRIJF IEDER1,\n\ngevestigd in Deventer,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Ieder1,\n\ngemachtigde: mr. J.J. Pullen en mr. R.F.A. Rorink\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende in [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\ngemachtigde: mr. E.J. Bijl.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1. \n [gedaagde] huurt een woning van Ieder1. Ieder1 vordert in deze procedure ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning, omdat volgens Ieder1 [gedaagde] zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan vrouwen die zichzelf hebben geprostitueerd vanuit de woning. [gedaagde] heeft verklaard geen wetenschap te hebben van de prostitutieactiviteiten.\n\n1.2. De kantonrechter wijst de vordering van Ieder1 toe. Kort gezegd is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] rekening had te houden met prostitutieactiviteiten vanuit zijn woning en dat Aldi heeft nagelaten maatregelen te treffen die van hem als huurder verlangd hadden mogen worden.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, uitgebracht op 11 november 2025, - de conclusie van antwoord, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\n- spreekaantekeningen van beide partijen.2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Ieder1 verhuurt met ingang van 16 januari 2025 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning). De huur bedraagt € 650,43 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.\n\n3.2. Meerdere omwonenden, als ook een huismeester en een installateur die werkte in opdracht van Ieder1, hebben in mei en juni 2025 verklaringen aan Ieder1 afgelegd die er – kort samengevat – neerkomen dat bij hen het vermoeden bestaat dat er illegale prostitutie plaatsvindt vanuit de woning.\n\n3.3. Op 18 juni 2025 zijn twee medewerkers van Ieder1 en de wijkagent op huisbezoek geweest bij de woning. Diezelfde dag heeft Ieder1 aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin zij [gedaagde] heeft gevraagd de huur vrijwillig op te zeggen en heeft aangegeven dat zij anders een procedure tegen [gedaagde] zou starten. [gedaagde] heeft de huur niet opgezegd.\n\n3.4. Ieder1 is op 29 juli 2025 een kort geding tegen [gedaagde] begonnen, met als doel ontruiming van de woning. Bij vonnis van 26 augustus 2025 heeft de kantonrechter de vordering van Ieder1 afgewezen, kort gezegd omdat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] op de hoogte was van illegale prostitutie in de woning of daarmee rekening moest houden.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. Ieder1 vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.\n\n4.2. \n [gedaagde] voert verweer.\n\n4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1. De kern van het geschil is de vraag of sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Uit artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat iedere tekortkoming van een partij en de nakoming van één van haar verplichtingen kan leiden tot gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij beantwoording van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Daarnaast is een huurder op grond van artikel 7:213 BW gehouden zich ten aanzien van het gebruik van het gehuurde als goed huurder te gedragen en op grond van artikel 7:214 BW verplicht het gehuurde overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Op grond van artikel 7:219 BW kan de huurder ook aansprakelijk worden gesteld voor gedragingen van hen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarin bevinden.5.2. Gelet op wat er in het gehuurde is geconstateerd tijdens het huisbezoek van 18 juni 2025, de verklaringen van omwonenden en een installateur werkzaam in opdracht van Ieder1, en de advertenties van Kinky.nl ziet de kantonrechter geen reden om eraan te twijfelen dat de tijdens het huisbezoek in het gehuurde aangetroffen personen in de woning aanwezig waren met als doel het verrichten van prostitutieactiviteiten. Overigens is dit door [gedaagde] ook niet met zoveel woorden t weersproken.\n\n5.3. Deze zaak spitst zich toe op de vraag of [gedaagde] weet had van de prostitutieactiviteiten, of dat hij dit redelijkerwijs had moeten weten. [gedaagde] stelt dat dit niet zo is, en dat er daarom geen sprake is van een tekortkoming.\n\n5.4. \n\nDe kantonrechter overweegt dat een huurder op grond van artikel 7:219 BW met betrekking tot gedragingen van derden, die zich met zijn instemming in het gehuurde bevinden, ook zelf is tekortgeschoten, bijvoorbeeld door niet in te grijpen of onvoldoende toezicht te houden. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er voldoende verband bestaat tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen (ECLI:NL:HR:2007:\n\nAZ8743).\n\n5.5. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op de wijze waarop zijn (inmiddels) ex-vriendin gebruik maakte van de woning. Voor dit oordeel is van belang dat [gedaagde] zijn ex-vriendin, die hij eind mei 2025 in het centrum van Deventer op straat heeft leren kennen, vrijwel meteen een sleutel van de woning heeft gegeven en haar heeft toegestaan zijn woning te gebruiken op momenten dat hij zelf niet thuis was. Dit terwijl [gedaagde] naar eigen zeggen overdag vaak weg van huis was, bijvoorbeeld naar vrienden in Rotterdam, en dus geen zicht had op wat er in die woning gebeurde op die momenten. Verder is van belang dat [gedaagde] heeft verklaard dat zijn ex-vriendin op dat moment geen werk had, en dus niet om die reden zijn woning zou verlaten. De kantonrechter is van oordeel dat als je de sleutel van je woning onder deze omstandigheden aan iemand geeft die je nauwelijks kent, dit een bepaald risico met zich brengt. Hiermee heeft [gedaagde] zich niet als een goed huurder gedragen en is hij tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst\n\n5.6. Daar komt bij dat de kantonrechter het niet aannemelijk acht dat [gedaagde] helemaal geen weet had van wat er in zijn woning gebeurde. Hoewel [gedaagde] – zoals hij zelf stelt – overdag vaak van huis was, sliep hij naar eigen zeggen wel iedere nacht in de woning. Dit terwijl uit een van de verklaringen van omwonenden blijkt dat de prostitutieactiviteiten tot laat in de avond doorgingen. Dit maakt dat de kantonrechter het onwaarschijnlijk acht dat [gedaagde] niets gemerkt heeft van wat er zich in zijn woning heeft afgespeeld. Verder is van belang dat [gedaagde] op de zitting heeft verklaard dat de spullen die tijdens het huisbezoek zijn aangetroffen, onder andere condooms, vrouwelijke cosmeticaproducten en lingerie, eerder ook al steeds in zijn woning aanwezig waren. Dit had naar het oordeel van de kantonrechter bij [gedaagde] de nodige argwaan moeten wekken.\n\n5.7. Een tekortkoming rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, tenzij de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op de uitzondering van artikel 6:265 lid 1 BW.\n\n5.8. De kantonrechter is van oordeel dat het laten plaatsvinden van illegale prostitutie in een sociale huurwoning geen tekortkoming van geringe betekenis is. Het is een feit van algemene bekendheid dat prostitutie kan leiden tot overlast voor de leefomgeving in een wijk. Daar komt bij dat Ieder1 een zwaarwegend belang heeft om hiertegen op te treden, en dat zij wat dit betreft een zero tolerance beleid hanteert. Verder heeft Ieder1 een zwaarwegend belang dat haar woningen worden gebruikt als woonruimte en niet voor andere doeleinden, mede gelet op haar taak om schaarse sociale huurwoningen te verdelen. De kantonrechter begrijpt dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning voor [gedaagde] ingrijpend zal zijn, gelet op zijn uitkeringsrecht, de samenhang van die uitkering met zijn taalcursus en het belang daarvan voor de integratie van [gedaagde], die waarschijnlijk komt stil te staan wanneer hij de woning moet verlaten. Maar dit belang weegt gelet op het voorgaande niet op tegen het belang van Ieder1.\n\n5.9. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen.\n\nLangere ontruimingstermijn\n\n5.10. \n [gedaagde] heeft gevraagd om een langere ontruimingstermijn, namelijk van drie maanden. Hiertoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij geen familie of vrienden heeft naar wie hij kan toegaan voor tijdelijk onderdak. De kantonrechter acht een termijn van een drie maanden te lang, maar ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, zoals door Ieder1 gevraagd is, te kort voor [gedaagde] om onderdak te regelen. Een ontruimingstermijn van een maand na betekening van dit vonnis acht de kantonrechter in deze omstandigheden redelijk.\n\nDe proceskosten\n\n5.11. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ieder1 worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n145,45\n\n- griffierecht\n\n€\n\n135,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n108,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n822,95\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.12. Ieder1 heeft gevraagd om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, terwijl [gedaagde] heeft gevraagd om die af te wijzen. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat Ieder1 het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hij hoger beroep heeft ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Het uitgangspunt is dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van Ieder1 om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. De belangen die hierbij worden meegewogen, zijn onder meer genoemd onder 5.8. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de belangen van Ieder1 zwaarder wegen dan de belangen van [gedaagde]. Daarom zal het vonnis volgens het uitgangspunt uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres],\n\n6.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen een maand na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Ieder1 zijn, en de sleutels af te geven aan Ieder1,\n\n6.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 822,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.5. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026. (wv)","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3795","2026-07-04T00:00:00.000Z","2026-07-08T16:52:53.682Z","2026-07-13T00:29:02.190Z",{"id":47,"ecli":48,"slug":49,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":50,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":51,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":44,"updatedAt":52},"1078","ECLI:NL:RBOVE:2026:3796","ecli-nl-rbove-2026-3796","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 12124292 \\ CV EXPL 26-718\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING SALLANDWONEN,\n\nte Raalte,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: SallandWonen,\n\ngemachtigde: BJK Gerechtsdeurwaarders Incassospecialisten,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. S. de Vaal.\n\nDe zaak in het kort\n\nSallandWonen vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van de woning en betaling van een huurachterstand van € 4.525,96. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de huurachterstand erkent en dat deze ten tijde van de dagvaarding zes maanden bedroeg. Hoewel de achterstand is ontstaan door de intrekking van zijn bijstandsuitkering, is deze ernstig genoeg om ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. De vorderingen van SallandWonen worden daarom toegewezen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1. SallandWonen verhuurt met ingang van 23 oktober 2024 aan [gedaagde] de woning aan het adres [adres] in [woonplaats 1] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 753,65 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.\n\n2.2. \n [gedaagde] heeft (een deel van) de huur niet betaald. SallandWonen heeft [gedaagde] aangemaand onder andere op 9 september 2025 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.\n\n2.3. SallandWonen heeft [gedaagde] schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. [gedaagde] heeft daarop niet afwijzend gereageerd. SallandWonen heeft [gedaagde] daarna bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering.\n\n3. Het geschil\n\n3.1. SallandWonen vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 4.525,96 aan huurachterstand met nevenvorderingen.\n\n3.2. SallandWonen legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens SallandWonen de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.\n\n3.3. \n [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord aangegeven dat de problemen zijn ontstaan door de intrekking van zijn bijstandsuitkering. In dit kader lopen er nog diverse procedures. [gedaagde] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. De kantonrechter heeft vastgesteld dat SallandWonen heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.\n\n4.2. \n [gedaagde] erkent de huurachterstand, maar geeft aan dat deze door omstandigheden is ontstaan. Door de intrekking van zijn bijstandsuitkering kon [gedaagde] niet aan zijn betalingsverplichting voldoen. De conclusie uit het voorgaande is dat er berekend tot en met februari 2026 sprake is van een huurachterstand van € 4.525,96. Dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.\n\n4.3. Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.\n\n4.4. Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand zes maanden. De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.\n\nMinderjarige kinderen\n\n4.5. In een procedure tot ontruiming van een woning behoort tot de relevante omstandigheden van het geval of er kinderen in de woning wonen. Als dat zo is, dan moeten de belangen van deze kinderen in kaart worden gebracht.Bij de beoordeling of de tekortkoming van de huurder ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt moeten deze belangen als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen.Dat betekent niet dat een ontruimingsvordering steeds moet worden afgewezen indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.\n\n4.6. Volgens de gegevens uit de Basisregistratie Personen staan op het adres van het gehuurde twee minderjarige kinderen ingeschreven. Naar aanleiding hiervan heeft de verhuurder contact opgenomen met het Centrum voor Jeugd en Gezin [plaats 1]. Daaruit is gebleken dat de kinderen, hoewel zij op het adres van het gehuurde staan ingeschreven, feitelijk bij hun moeder in [plaats 2] wonen. Zij verblijven daar structureel en gaan daar ook naar school. [gedaagde] heeft deze feiten erkend.\n\n4.7. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.\n\n4.8. SallandWonen wil ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 753,65, te rekenen vanaf de maand maart 2026 tot het moment dat [gedaagde] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten en rente\n\n4.9. De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vordering relevante bedingen in artikel 13.1 tot en met 13.3 van de Algemene Huurvoorwaarden zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.\n\n4.10. SallandWonen vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. SallandWonen heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 522,94 worden toegewezen.\n\n4.11. \n [gedaagde] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n4.12. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SallandWonen worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,96\n\n- griffierecht\n\n€\n\n559,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n360,00\n\n(1 punt × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.216,96\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] in [woonplaats 1] ,\n\n5.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van SallandWonen zijn, en de sleutels af te geven aan SallandWonen,\n\n5.3. veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan SallandWonen:\n\n- € 4.525,96 aan achterstallige huur tot en met februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,\n\n- € 753,65 per maand vanaf 1 maart 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,\n\n5.4. veroordeelt [gedaagde] om aan SallandWonen te betalen een bedrag van € 522,94 aan buitengerechtelijke kosten,\n\n5.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.216,96, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026. (jb)\n\n Artikel 6:265 BW.\n\n HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)\n\n HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799.\n\n Artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3796","2026-07-13T00:29:02.979Z",{"id":54,"ecli":55,"slug":56,"caseNumber":39,"courtId":5,"decisionDate":18,"fullText":57,"summary":39,"language":7,"source":41,"sourceUrl":58,"sourceTimestamp":43,"parsedAt":44,"updatedAt":59},"1660","ECLI:NL:RBOVE:2026:3800","ecli-nl-rbove-2026-3800","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: 11781627 \\ CV EXPL 25-2062\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nWONINGSTICHTING RENTREE,\n\nuit Deventer,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Rentree,\n\ngemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel,\n\ntegen\n\n [bewindvoerder],handelend onder de naam [bedrijf],\n\nin zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde],\n\nuit [vestigingsplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de Bewindvoerder,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\n1. Samenvatting\n\n1.1. \n [gedaagde] huurt een woning van Rentree. Volgens Rentree onderhoudt [gedaagde] de woning niet. Daarom vraagt Rentree de kantonrechter om de huurovereenkomst te beëindigen (ontbinden).Rentree en de bewindvoerder hebben op de mondelinge behandeling afgesproken dat de zaak wordt aangehouden zodat Rentree de woning kan bezichtigen en er eventueel afspraken kunnen worden gemaakt met [gedaagde]. Mr. Aan het Rot heeft de kantonrechter vervolgens verzocht vonnis te wijzen. Of een huisbezoek heeft plaatsgevonden, zo nee, waarom niet en zo ja, wat de staat van de woning is, is de kantonrechter niet meegedeeld. Daarom wijst de kantonrechter een tussenvonnis waarin hij partijen verzoekt zich daarover uit te laten. Ook overweegt de kantonrechter alvast dat het verweer van de bewindvoerder dat Rentree niet-ontvankelijk is, niet slaagt.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding met producties van 2 juli 2025;\n\nde conclusie van antwoord met producties;\n\nproducties 5A tot en met 7E van de bewindvoerder;\n\nde mondelinge behandeling van 23 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2. \n\nNa de mondelinge behandeling is de zaak enige tijd aangehouden zodat\n\ner een afspraak kan worden gemaakt voor een huisbezoek door Rentree bij [gedaagde] en om\n\neventueel (onderhouds)afspraken te maken.\n\n2.3. \n\nPer e-mail van 22 mei 2026 heeft mr. Aan het Rot de griffie met kopie aan mr. Van\n\nWezel de kantonrechter verzocht om vonnis te wijzen. De griffie heeft van mr. Van Wezel\n\ngeen afzonderlijk bericht ontvangen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Sinds 25 november 2010 huurt [gedaagde] van Rentree de woning inclusief tuin aan de [adres] (hierna: het gehuurde).\n\n3.2. Bij verstekvonnis van 6 juli 2021 is de huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming van het gehuurde toegewezen door de rechtbank Overijssel vanwege een huurachterstand die [gedaagde] had laten ontstaan.\n\n3.3. Rentree heeft de ontruiming niet doorgezet. [gedaagde] is in het gehuurde blijven wonen.\n\n3.4. Op 25 augustus 2021 zijn alle goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde], wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden door de rechtbank Overijssel onder bewind gesteld en is de bewindvoerder benoemd.\n\n3.5. Op 1 februari 2024 hebben Rentree en [gedaagde] in verband met de staat van de woning en de tuin een ‘allonge huurovereenkomst in het kader van gedragsaanwijzing’ (hierna: de gedragsaanwijzing) gesloten. In de gedragsaanwijzing staat – kort gezegd – hoe [gedaagde] het gehuurde moet onderhouden.\n\n3.6. Op 12 februari 2024 bericht de hulpverlener aan Rentree dat [gedaagde] hulp afhoudt. Hierna vindt er meermaals een multidisciplinaire overleg (hierna: MDO) plaats met verschillende hulpverleningsorganisaties en -instanties.\n\n3.7. Op 21 november 2024 ontvangt Rentree het bericht dat de hulpverlener van [gedaagde] de begeleiding per direct stopt in verband met de onveilige situatie die de honden van [gedaagde] veroorzaken en het gebrek aan eerlijkheid, samenwerking en vertrouwen. Hierna worden geplande huisbezoeken meerdere keren door [gedaagde] afgezegd.\n\n3.8. Op 15 mei 2025 vindt de laatste MDO plaats. In het verslag concluderen de ketenpartners dat de situatie onhoudbaar is en de grens is bereikt.\n\n3.9. Op 28 mei 2025 stuurt Rentree [gedaagde] een brief. In de brief wijst Rentree erop dat [gedaagde] zich al langere tijd niet aan de gedragsaanwijzing. Daarom kondigt Rentree aan dat zij naar de rechter gaat om de huurovereenkomst te laten ontbinden met het gevolg dat [gedaagde] het gehuurde zal moeten verlaten.\n\n4. Het geschil\n\nWat vordert Rentree en waarom?\n\n4.1. \n\nRentree vordert – samengevat en onder uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring – primair ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.\n\nSubsidiair vordert Rentree ontbinding van de huurovereenkomst onder de opschortende voorwaarde dat [gedaagde] zich niet houdt aan de verplichtingen ervoor te zorgen dat:\n\nhet gehuurde in goede staat wordt onderhouden, schoon en opgeruimd is en blijft,\n\nde tuin in goede staat wordt onderhouden, schoon en opgeruimd is waarbij de tuin een nette en verzorgde indruk moet maken,\n\nzij zich als een goed huurder zal gedragen, en\n\nzij op afspraak medewerkers van Rentree ten minste twee keer per jaar tot de woning toelaat om het gehuurde te inspecteren.\n\nIn het geval dat de huurovereenkomst is ontbonden vanwege een van de opschortende voorwaarden, vordert Rentree ontruiming. Tot slot vordert Rentree veroordeling van de bewindvoerder tot betaling van de proceskosten.\n\n4.2. Aan haar vorderingen legt Rentree ten grondslag dat [gedaagde] tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst waardoor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is.\n\nWat vindt de bewindvoerder daarvan?\n\n4.3. De bewindvoerder voert verweer. Volgens hem moet de vorderingen tot (voorwaardelijke) ontbinding niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de huurovereenkomst al is ontbonden. Daardoor kan Rentree volgens de bewindvoerder ook geen rechten aan de gedragsaanwijzing, die verbonden is aan de huurovereenkomst, ontlenen. Verder voert de bewindvoerder aan dat [gedaagde] de gedragsaanwijzing heeft getekend zonder te kunnen overzien wat de gevolgen daarvan waren. Dat maakt de gedragsaanwijzing een nietige rechtshandeling dan wel een rechtshandeling die vernietigd moet worden, want volgens de bewindvoerder heeft Rentree misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden. [gedaagde] weerspreekt dat zij overlast (heeft) veroorzaakt en de bewindvoerder voert aan dat de tekortkomingen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming niet rechtvaardigen. Voor het geval de kantonrechter tot het oordeel zou komen dat ontbinding wel gerechtvaardigd is, verzoekt de bewindvoerder een termijn van maximaal één maand voor de ontruiming. Tot slot vraagt de bewindvoerder de kantonrechter om Rentree te veroordelen in de proceskosten. Mocht de bewindvoerder ongelijk krijgt, dan vraagt hij de kantonrechter om de proceskosten in verband het beschermingsbewind te compenseren.\n\n4.4. De kantonrechter gaat hierna, voor zover dat nodig is voor zijn beslissing, verder in op de stellingen van beide partijen.\n\n5. De beoordeling\n\nNiet-ontvankelijkheid\n\n5.1. Het meest verstrekkende verweer van de bewindvoerder is de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van Rentree omdat de huurovereenkomst op 6 juli 2021 al is ontbonden, daardoor niet meer bestaat en dus niet nogmaals kan worden ontbonden.\n\n5.2. Dit verweer slaag niet. De kantonrechter stelt namelijk vast dat er geen uitvoering is gegeven aan het vonnis van 6 juli 2021. In plaats daarvan is bewind ingesteld en is de gedragsaanwijzing gesloten. Het gehuurde is ook niet ontruimd. [gedaagde] woont er met goedvinden van Rentree nog steeds en blijft ook (dezelfde) huur betalen. Dat brengt met zich dat de huurovereenkomst gelet op artikel 7:230 BW voor onbepaalde tijd is verlengd. Dat partijen een andere bedoeling hadden, is niet gesteld en de kantonrechter ook niet gebleken.\n\nIs er sprake van een tekortkoming door [gedaagde]?\n\n5.3. Volgens de wet kan een huurovereenkomst worden ontbonden als een van de partijen niet goed nakomt (tekortschiet), tenzij dat tekortschieten op grond van de bijzondere aard of geringe betekenis ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 en 7:231 van het Burgerlijk Wetboek). Bij de beoordeling of ontbinding mogelijk is, moet rekening worden gehouden met alle aangevoerde omstandigheden van het geval. In een huursituatie valt daaronder het woonbelang van de huurder en het belang van de verhuurder. Die belangen moet de kantonrechter tegen elkaar afwegen.\n\n5.4. De eerste vraag die de kantonrechter moet beantwoorden, is of [gedaagde] tekortgeschoten is. Volgens Rentree is dat het geval, omdat [gedaagde] het gehuurde slecht onderhoudt en haar honden geluids- en stankoverlast veroorzaken. Ter onderbouwing van haar standpunt over de staat van het gehuurde, heeft Rentree onder andere gewezen op een MDO verslag uit mei 2025 waarin de hulpverlener van [gedaagde] meedeelt dat het gehuurde er ‘verschillelijk uitziet’. Hierna zijn volgens Rentree geen berichten meer ontvangen over de staat van het gehuurde. Op de mondelinge behandeling heeft mevrouw [naam] (woonconsulent bij Rentree) toegelicht dat zij vijf maanden geleden voor het laatst in het gehuurde is geweest en over de staat van nu niets kan zeggen. Daartegenover staat dat de bewindvoerder foto’s heeft overgelegd van de woning en [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft uitgelegd dat het er nu netjes uitziet.\n\n5.5. Naar aanleiding van het debat dat partijen hebben gevoerd, hebben zij op de mondelinge behandeling afgesproken dat Rentree op huisbezoek zal komen zodat zij de actuele staat van het gehuurde kan beoordelen en er eventueel (onderhouds)afspraken kunnen worden gemaakt met [gedaagde]. Vervolgens heeft mr. Aan het Rot de kantonrechter verzocht vonnis te wijzen. Over de staat van de woning heeft geen van partijen iets meegedeeld, terwijl de kantonrechter die informatie nodig heeft om te kunnen beoordelen of er op dit moment sprake is van een zodanige tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt en waardoor ontruiming op zijn plaats is.\n\n5.6. De kantonrechter wil dan ook geïnformeerd worden over de huidige staat van het gehuurde. Hij zal partijen in de gelegenheid stellen zich daarover uiterlijk 21 juli 2026uit te laten. Indien er geen huisbezoek door Rentree heeft plaatsgevonden, dienen partijen zich uit te laten over de reden waarom dat niet is gebeurd. Als er wel een huisbezoek heeft plaatsgevonden, dienen zij zich gemotiveerd uit te laten over de huidige staat van het gehuurde.\n\n5.7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 21 juli 2026voor het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder overweging 5.6., waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd;\n\n6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3800","2026-07-13T00:29:32.127Z",20]