[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"legal-provision-richtlijn-art. 3":3},{"detailData":4,"statistics":22,"related":28},{"id":5,"code":6,"article":7,"title":8,"fullText":8,"country":9,"decisions":10,"decisionsTotal":21},"124528","Richtlijn","art. 3",null,"nl",[11],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":15,"courtName":16,"decisionDate":17,"fullText":18,"language":9,"source":19,"summary":14,"slug":20},"1927","ECLI:NL:RBDHA:2026:17196","",58,"Den Haag","2026-06-25T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F129649-23\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres]\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 juni 2024, 18 juni 2024, 28 augustus 2024, 21 november 2024, 18 februari 2025, 4 juli 2025, 23 september 2025 (pro forma), 20 januari 2026 (regie) en 11 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.B.M. Poppelaars naar voren is gebracht.\n\nDe officier van justitie heeft op de terechtzitting van 11 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 11 juni 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.\n\n3. Bewijsuitsluiting\n\n3.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft - overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota en kort samengevat - ter terechtzitting betoogd dat de SkyECC-data op grond van artikel 359a lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat dit bewijs onrechtmatig verkregen en verwerkt zou zijn.\n\n3.2.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van rechtmatige interceptie en rechtmatige verwerking van de verkregen informatie en dat de SkyECC-data gebruikt kan worden voor het bewijs.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Algemene overwegingen\n\nDe rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om uit te gaan van een wezenlijk andere vaststelling van de gang van zaken rondom de vergaring en verwerking van de SkyECC-data in dit onderzoek, dan zoals weergegeven in de beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913). In die beslissing heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken en het toetsingskader geformuleerd voor het gebruik van dergelijke berichten voor de bewijsbeslissing.\n\nIn aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het onlangs gewezen arrest van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670\u002F22 (M.N. (EncroChat)) voor het genoemde toetsingskader. De Hoge Raad heeft in de beslissing van het HvJEU aanleiding gezien het toetsingskader als volgt bij te stellen:\n\n“dat de regeling van artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU niet uitsluitend verband houdt met, kort gezegd, de soevereiniteit van de betrokken landen en het daaraan verbonden uitgangspunt dat het aan de autoriteiten van een land is om te bepalen welke opsporingsactiviteiten op het eigen grondgebied plaatsvinden. Deze regeling beoogt mede de rechten van gebruikers op wie een interceptiemaatregel is gericht, te beschermen. Het gaat daarbij om het recht op eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft. Dit betekent dat als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU worden nageleefd, de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, wordt aangetast in zijn rechten, en dat dit een relevant gezichtspunt kan vormen bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de niet-naleving van die voorschriften. In dit verband kan van belang zijn of het – in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval – te verwachten zou zijn geweest dat, als de intercepterende lidstaat wel tijdig de autoriteit van de andere lidstaat in kennis\n\nhad gesteld van de interceptie, door die autoriteit tegen die interceptie bezwaar zou zijn gemaakt.” (r.o. 4.13).\n\nVooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 het toetsingskader dat in de prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 omtrent - onder andere - het interstatelijke vertrouwensbeginsel is geformuleerd in stand laat, met inachtneming van de bovengenoemde bijstelling.\n\n3.3.2.. Beoordeling van de verweren\n\nOnrechtmatig verkregen bewijs\n\nDe rechtbank stelt vast dat bij de interceptie van zowel EncroChat- als SkyECC-gegevens sprake is geweest van opsporing in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612, overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (Joint Investigation Team, hierna: JIT), waar hier ook sprake van was, het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een JIT wordt uitgeoefend leidend is en dat - kort gezegd - het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat niet meebrengt dat de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek alsnog op Nederland is komen te rusten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest.\n\nDoor de verdediging zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor doorbreking van het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt in dat geval met zich dat van de rechtmatigheid van die interceptie (en de daarop volgende verstrekking) moet worden uitgegaan.\n\nHet behoort dan ook niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter hiervoor een machtiging heeft kunnen verlenen. De taak van de Nederlandse strafrechter is in dit geval ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Voor zover de verdediging een beroep heeft willen doen op de schending van artikel 6 EVRM, heeft zij niet onderbouwd waarin het concrete nadeel voor verdachte heeft bestaan, bijvoorbeeld wat betreft de mogelijkheid van verdachte om de inhoud of betrouwbaarheid van de SkyECC-berichten te betwisten.\n\nSchending evenredigheidsbeginsel\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de bulkinterceptie tot een ernstige inbreuk op de privacy van gebruikers heeft geleid, zonder dat vooraf een concrete relatie tussen individuele accounts en strafbare feiten was vastgesteld. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat niet alleen het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan toetsing van de rechtmatigheid van de interceptie, maar ook overigens het verweer geen doel treft. Het verkrijgen van de SkyECC-gegevens richt zich immers tot een afgebakende groep gebruikers, van één specifieke telecomdienst, terwijl er een concrete verdenking bestond dat deze dienst gebruikt zou worden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten hebben beziggehouden.\n\nArtikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU\n\nDoor de verdediging is gesteld dat artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU van toepassing is in het onderhavige geval en de bevoegde autoriteit in Nederland - de rechter-commissaris - dus had moeten worden genotificeerd door de Franse autoriteiten over de hack.\n\nIn artikel 30 en 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU staan regels geformuleerd voor Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) voor de interceptie van telecommunicatie in een andere lidstaat. Artikel 30 bepaalt dat een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is. Indien de intercepterende lidstaat telecommunicatie wenst te intercepteren van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, moet de intercepterende lidstaat op grond van artikel 31 de bevoegde autoriteiten van die lidstaat in kennis stellen van de interceptie door middel van een formulier dat als bijlage C bij de richtlijn is gevoegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit artikel 3 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU en het daarmee samenhangende artikel 5.4.1 lid 3 Sv volgt dat onderzoeksactiviteiten van een joint investigation team (JIT) (zoals hier aan de orde) nadrukkelijk niet onder het bereik van Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU vallen, waardoor er geen sprake is van een notificatieverplichting aan de rechter-commissaris.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande worden alle verweren van de raadsman die zien op de verkrijging en verwerking van gegevens van SkyECC verworpen. De rechtbank acht de SkyECC-berichten bruikbaar voor het bewijs en ziet geen aanleiding om de SkyECC-data van het bewijs uit te sluiten.\n\n4. De bewijsbeslissing\n\n4.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.\n\n4.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 en 2, en partieel dient te worden vrijgesproken van feiten 3, 4 en 5.\n\n4.3.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\n4.4.. Bewijsoverwegingen\n\n4.4.1.. Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3: In- en uitvoer van cocaïne, handel in cocaïne en de voorbereidingshandelingen\n\nIn- en uitvoer van cocaïne\n\nDe rechtbank leidt uit de gesprekken tussen de verdachte en de tegencontacten af dat in de periode van 14 november 2020 tot en met 27 november 2020 in totaal 231 kilogram aan cocaïne is geëxporteerd.\n\nOp 14 november 2020 neemt de verdachte deel aan een chatgesprek waarin een foto wordt gedeeld van een wit blok met een ‘NY’ stempel. Uit de chat blijkt dat er ’50’ wordt meegegeven en dat de verdachte mee gaat rijden tot de grens. In een andere chat geeft de verdachte aan dat hij via een bepaalde route rijdt en dat er geen files of controles zijn. In diezelfde chat wordt besproken dat ’61 stuks’ zijn afgegeven en worden foto’s van witte blokken met stempels gedeeld. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte betrokken is bij het over de grens vervoeren van cocaïne. Dit wordt verder ondersteund door verschillende chatberichten waarin gesproken wordt over verschillende hoeveelheden cocaïne die worden vervoerd. Zo wordt er gesproken over ’61 stuks afgegeven’, ’ik geef 50 mee’, ‘ik rij met vogel achter je chauffeur tot aan de grens’. Dat de verschillende transporten daadwerkelijk uitgevoerd zijn, blijkt onder andere uit berichten als ‘af gegeven bro’, ‘ontvang bro’ en ‘mission complete’. Op grond hiervan kan de rechtbank concluderen dat er in totaal 231 kilo cocaïne is in- en uitgevoerd. Bovendien blijkt uit de chatgesprekken dat de blokken cocaïne worden verhandeld in zowel Nederland als België.\n\nDe politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt de uitleg van de politie, ook omdat deze duiding past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd.\n\nDe rechtbank merkt op dat geen twijfel kan bestaan dat gehandeld wordt in cocaïne. Door de verdachte zijn verschillende keren foto’s van blokken met een stempel erop verstuurd. Voorts wordt gesproken over prijzen die passen bij de prijs van een kilo cocaïne. Tevens wordt gesproken over ‘colo’ en ‘boli’, termen die volgens de politie worden gebruikt om cocaïne uit Colombia dan wel Bolivia aan te duiden. Mede gelet daarop en op de andere gebruikte begrippen en de context waarbinnen de gesprekken hebben plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat het hier gaat om cocaïne.\n\nHandel in cocaïne\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende een periode van ongeveer een jaar heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank overweegt hiertoe dat er meerdere chats zijn waaruit blijkt dat sprake is van voltooide transacties. Zo wordt in deze gesprekken informatie uitgewisseld over hoeveel stuks er afgegeven zijn of moeten worden, over de prijzen van blokken cocaïne en over hoeveel geld het heeft opgeleverd. Ook blijkt uit de chats dat de verdachte zelf over een blok cocaïne heeft beschikt en heeft afgegeven. Daarnaast treedt hij regelmatig op als tussenpersoon voor de ontvangende en de betalende partij.\n\nVoorbereidingshandelingen\n\nIn het verlengde van het voorgaande stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte in vereniging voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de handel in cocaïne. Uit een aantal SkyECC-gesprekken blijkt bijvoorbeeld dat de verdachte meerdere keren vooruit is gereden om de routes en grenzen te controleren. Er zijn concrete gesprekken gevoerd waarin informatie is uitgewisseld over de beschikbaarheid, hoeveelheden en prijzen van cocaïne. Ook blijkt uit meerdere chats dat de verdachte tegencontacten in contact bracht met een garage waar voertuigen konden worden voorzien van zogenaamde stashplekken. De verdachte was ook betrokken bij het ophalen en wegbrengen van die voertuigen. Gelet op de context van de cocaïnehandel waar de verdachte voor lange tijd bij betrokken was, acht de rechtbank aannemelijk dat deze aanpassingen waren bedoeld voor het verbergen en vervoeren van cocaïne. Dit blijkt ook uit de chats waarin een tegencontact aangeeft ruimte te willen hebben voor ‘7-10 stuks’. Dergelijke handelingen zijn naar hun aard gericht op het mogelijk maken van het in- en uitvoeren en het verhandelen van partijen cocaïne als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit de chats blijkt dat de verdachte met meerdere personen drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd waarin concrete informatie is uitgewisseld over onder meer beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen van verdovende middelen. De hierboven genoemde gedragingen vonden plaats in structurele afstemming met andere betrokkenen binnen hetzelfde samenwerkingsverband. De verdachte stond in de chats in nauw contact met zijn tegencontacten en had zowel een faciliterende als uitvoerende rol. De verdachte leverde daarmee een bijdrage van voldoende gewicht aan de voorbereiding van de voorgenomen Opiumwetfeiten. Onder deze omstandigheden is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel van de verdachte zich, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 14 november 2020 tot en met 27 november 2020 schuldig heeft gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne van in totaal 231 kilogram. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 22 januari 2020 tot en met 12 januari 2021 zich ook schuldig heeft gemaakt aan de handel in cocaïne en samen met anderen tevens van 22 januari 2020 tot en met 7 maart 2021 voorbereidende handelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet heeft verricht. De rechtbank acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.4.2.. Ten aanzien van feit 4: Voorbereiding van wapenhandel\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 chatgesprekken heeft gevoerd over – kortgezegd – de handel in vuurwapens. De verdachte heeft foto’s van vuurwapens gedeeld en gesprekken gevoerd over verschillende soorten (automatische) vuurwapens en munitie, waaronder Walters, Glocks en handgranaten. Uit de chats is af te leiden dat de verdachte enerzijds beschikt over contacten die vuurwapens hebben en anderzijds over contacten die geïnteresseerd zijn in vuurwapens De chatgesprekken laten zien dat de verdachte bemiddelde in de aan- en verkoop van wapens en munitie. Gelet op de aard en de frequentie van de betrokkenheid van de verdachte bij de wapenhandel, die naar hun karakter zijn gericht op financieel voordeel, leidt de rechtbank daaruit af dat er sprake is geweest van ‘een beroep’. Tot slot had de verdachte geen erkenning om wapens te verhandelen.\n\nMedeplegen\n\nZoals reeds hiervoor is overwogen met betrekking tot het medeplegen, volgt ook hier uit de chatberichten dat de verdachte nauw en bewust samen heeft gewerkt met zijn tegencontacten en dat dus sprake is van medeplegen.\n\nConclusie\n\nOp grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van wapenhandel zoals onder 4 tenlastegelegd.\n\n4.4.3.. Ten aanzien van feit 5: Witwassen\n\nDe rechtbank leidt uit de inhoud van de in het dossier opgenomen chatberichten af dat de verdachte betrokken was bij de handel in cocaïne en daar zelf ook geld aan verdiende. Dit blijkt onder andere uit een chat waar de verdachte zegt ‘ik pak 250’en uit een chat waarin een tegencontact zegt dat de verdachte blij zal zijn als zij 250 kunnen delen, gezien de financiële situatie van de verdachte. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte met de handel van cocaïne geld heeft verdiend. Tegen deze achtergrond is bij een doorzoeking in de woning van de moeder van de verdachte een aanzienlijk geldbedrag aangetroffen. Uit het dossier volgt verder dat de verdachte, wanneer hij zich in Nederland bevond, regelmatig op dit adres verbleef. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat de verdachte over het aangetroffen geld kon beschikken.\n\nDe moeder van de verdachte heeft verklaard dat een deel van het geld haar spaargeld is. Deze verklaring is echter niet onderbouwd met concrete gegevens of stukken waaruit de opbouw of herkomst van het spaargeld kan worden afgeleid. Voor het overige geld heeft zij verklaard niets te weten. Ook de verklaringen van de broers en zussen van de verdachte acht de rechtbank niet geloofwaardig. Zij hebben verklaard dat zij gedurende een langere tijd geldbedragen bij hum moeder thuis hebben ondergebracht als spaargeld. Deze lezing past niet bij de verklaring van de moeder zelf, die juist aangeeft geen enkele wetenschap te hebben van het aangetroffen geld. Opvallend is dat het geld bestond uit coupures die niet afkomstig zijn uit Nederlandse geldautomaten. Daarnaast was het geld samengebonden op een wijze die kenmerkend is voor crimineel geld. Gelet op al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een aannemelijke legale herkomst van het aangetroffen geld. Gelet op de eigen betrokkenheid bij de handel in cocaïne, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de criminele herkomst van dit geld.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het witwassen van in totaal een geldbedrag van € 29.320,-.\n\n4.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1 hij op meer tijdstip(pen) in de periode van 14 november 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en 61 kilo en 100 kilo en 20 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2 hij op meer tijdstippen in de periode van 22 januari 2020 tot en met 12 januari 2021 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3 hij op meer tijdstippen in de periode van 22 januari 2020 tot en met 7 maart 2021 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en - het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en - het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en\u002Fof (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, en- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en of om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en - zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - één of meerdere PGP-telefoon(s), althans encryptie-telefoon(s), voorhanden te hebben gehad en\u002Fof daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en\u002Fof leverancier(s) en\u002Fof afnemer(s) en\u002Fof andere derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en\u002Fof verkopen en en\u002Fof in ontvangst te nemen en\u002Fof vervoeren en\u002Fof betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en\u002Fof geleverd en\u002Fof afgenomen en\u002Fof verder vervoerd en - (aan\u002Fbij) de kopende en\u002Fof verkopende partij(en) en\u002Fof derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en\u002Fof te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en\u002Fof samenstelling van (de partij(en)) verdovende middelen en - een of meer foto’s van een of meer partij(en) verdovende middelen te hebben gemaakt en\u002Fof te hebben laten maken en\u002Fof (vervolgens) te hebben verzonden\u002Fdoorgestuurd aan de kopende partij(en) en\u002Fof mededader(s) en\u002Fof derde(n) en - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om verborgen ruimtes in één of meer vervoermiddelen te laten bouwen, ten behoeve van vervoer en\u002Fof opslag van cocaïne;\n\n4 hij op meer tijdstippen in de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en\u002Fof het (zonder erkenning) overdragen en\u002Fof het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk - informatiedragers, te weten (een) mobiele telefoon(s) met daarop een applicatie Sky ECC voor encrypte\u002Fversleutelde communicatie, en - één of meer (vuur)wapens van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch) van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, door telkens - gebruik te maken van Sky ECC-accounts\u002F-ID’s, te weten “ [Sky ECC account 1] ” en\u002Fof “ [Sky ECC account 2] ” en\u002Fof “ [Sky ECC account 3] ”, en - aan encrypted Sky-ECCchats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens en\u002Fof munitie, en - (chat)berichten te sturen naar en\u002Fof te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en\u002Fof anderen, en - in een of meerdere (chat)berichten wapens en\u002Fof munitie aan te bieden en\u002Fof aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en\u002Fof aankoop van wapens en\u002Fof munitie, door aan en\u002Fof van een of meer anderen afbeeldingen en\u002Fof specificaties van de betreffende wapens (o.a. “appels”, “bazooka”, “granaatwerper”, “walter 9mm”, “9mm met demper cz en 765”, “glock”, “cz”) te sturen en\u002Fof te ontvangen en\u002Fof het verkoopbedrag en\u002Fof aankoopbedrag van de betreffende wapens en\u002Fof munitie door te geven en\u002Fof te vragen;\n\n5 hij op 1 maart 2024 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten - één of meer (grote) geldbedragen (van in totaal 29.320 euro), - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den) en\u002Fof - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig eigen misdrijf.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De strafoplegging\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie een geldboete van € 80.000,- gevorderd.\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht rekening te houden met minimale rol van de verdachte en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in de strafmaat en heeft verwezen naar soortgelijke zaken waar gevangenisstraffen tussen de 3 en 6 jaren zijn opgelegd.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.\n\nDe rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal maanden schuldig gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne, de handel van cocaïne en voorbereidingshandelingen ten aanzien van deze feiten. Met zijn handelen droeg de verdachte bij aan de (internationale) cocaïnehandel en hij is dan ook deels verantwoordelijk voor de gevolgen van deze handel. De grootschalige handel in cocaïne heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Zo zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid en veroorzaakt het gebruik daarvan overlast en criminaliteit. Daarnaast gaan - zoals ook blijkt uit de chatgesprekken waaraan verdachte heeft deelgenomen - in de georganiseerde handel van harddrugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt dikwijls geweld gebruikt. Van de drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht dat er voor de georganiseerde handel in cocaïne lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting van de maatschappij waar de dader indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van vrijheidsstraffen tot doel anderen ervan te weerhouden zich met deze vorm van georganiseerde criminaliteit in te laten.\n\nNiet alleen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan cocaïnehandel. Tegelijkertijd heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen die afkomstig waren uit deze handel. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.\n\nOok heeft de verdachte zich gedurende een periode van ruim acht maanden schuldig gemaakt aan de voorbereiding van wapenhandel, in de hoedanigheid van wapenmakelaar. Het ongecontroleerde bezit van wapens in zijn algemeenheid brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De illegale handel in wapens dient dan ook streng te worden bestraft.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 november 2024. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de proceshouding van de verdachte; hij heeft bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbaar handelen en evenmin inzicht daarin gegeven.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die tijdens de terechtzitting door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht. Voorts is gebleken dat er geen sprake is van recidive.\n\nDe straf\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vijf jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In essentie kent de rechtbank grotere betekenis dan de officier van justitie toe aan de omstandigheid dat sprake is van een samenhangend feitencomplex en dat een deel van de feiten ziet op voorbereidingshandelingen, reden waarom zij tot een lagere straf komt dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen reden om aan de verdachte een geldboete op te leggen. De officier van justitie heeft de geldboete bedoeld als afroomboete, gericht op het ontnemen van het voordeel dat de verdachte met de strafbare feiten zou hebben genoten. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen welk financieel voordeel de verdachte daadwerkelijk heeft behaald. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde geldboete op te leggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\n8. De inbeslaggenomen voorwerpen\n\n8.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) zullen worden verbeurdverklaard.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen. Voorts is een deel van deze voorwerpen bestemd tot het begaan van de bewezenverklaarde misdrijven.\n\n9. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf is gegrond op de artikelen:\n\n- 33, 33 a, 46, 47, 55, 56, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10, 10 a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;\n\n- 9, 26, 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.4 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feiten 1, 2 en 3:\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nen\n\nmedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nen\n\nmedeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om een ander trachten te bewegen daartoe gelegenheid en inlichtingen te verschaffen, zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 4:\n\nmedeplegen van de voorbereiding handelen in strijd met artikel 9, eerste lid en artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en\u002Fof een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, terwijl het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt;\n\nten aanzien van feit 5:\n\nmedeplegen van witwassen.\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van5 (vijf) JAREN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nverklaart verbeurd de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten:\n\nbaken\u002Fgps\u002Fvoorzien van simkaart, (Omschrijving: PL1500-DHRAA22108_807047 baken\u002Fgps\u002Fvoorzien van simkaart, zwart, merk: Portable Pro);\n\n1 STK Gereedschap (Omschrijving: PL1500-DHRAA22108_807048 Sealapparaat, Wit, merk: Blokker);\n\n16.000,00 EUR Geld (Omschrijving: DHRAA22108_807031);\n\n13.040,00 EUR Geld (Omschrijving: DHRAA22108_807024);\n\n280,00 EUR Geld (Omschrijving: DHRAA22108_807027).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. B.J. van de Griend, voorzitter,\n\nmr. L.K. van Zaltbommel, rechter,\n\nmr. J.E. van Essen, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en C.W.I. Ostendorf, griffiers,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\n1 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 november 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en\u002Fof 150 kilo en\u002Fof 61 kilo en\u002Fof 100 kilo en\u002Fof 9 kiloen\u002Fof 20 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 januari 2020 tot en met 12 januari 2021 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 januari 2020 tot en met 7 maart 2021 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en\u002Fof - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en\u002Fof (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en\u002Fof - zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en\u002Fof - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - één of meerdere PGP-telefoon(s), althans encryptie-telefoon(s), voorhanden te hebben gehad en\u002Fof daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en\u002Fof leverancier(s) en\u002Fof afnemer(s) en\u002Fof andere derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en\u002Fof verkopen en\u002Fof te bewerken en\u002Fof in ontvangst te nemen en\u002Fof vervoeren en\u002Fof betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en\u002Fof bewerkt en\u002Fof geleverd en\u002Fof afgenomen en\u002Fof verder vervoerd en\u002Fof - (aan\u002Fbij) de kopende en\u002Fof verkopende partij(en) en\u002Fof derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en\u002Fof te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en\u002Fof samenstelling van (de partij(en)) verdovende middelen en\u002Fof - een of meer foto’s van een of meer partij(en) verdovende middelen te hebben gemaakt en\u002Fof te hebben laten maken en\u002Fof (vervolgens) te hebben verzonden\u002Fdoorgestuurd aan de kopende partij(en) en\u002Fof mededader(s) en\u002Fof derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om verborgen ruimtes in één of meer vervoermiddelen te laten bouwen, ten behoeve van vervoer en\u002Fof opslag van cocaïne;\n\n4 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en\u002Fof het (zonder erkenning) overdragen en\u002Fof het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk - informatiedragers, te weten (een) mobiele telefoon(s) met daarop een applicatie Sky ECC voor encrypte\u002Fversleutelde communicatie, en\u002Fof - één of meer (vuur)wapens van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch) van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, door telkens - gebruik te maken van Sky ECC-accounts\u002F-ID’s, te weten “ [Sky ECC account 1] ” en\u002Fof “ [Sky ECC account 2] ” en\u002Fof “ [Sky ECC account 3] ”, en - aan encrypted Sky-ECCchats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens en\u002Fof munitie, en - (chat)berichten te sturen naar en\u002Fof te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en\u002Fof anderen, en - in een of meerdere (chat)berichten wapens en\u002Fof munitie aan te bieden en\u002Fof aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en\u002Fof aankoop van wapens en\u002Fof munitie, door aan en\u002Fof van een of meer anderen afbeeldingen en\u002Fof specificaties van de betreffende wapens (o.a. “appels”, “bazooka”, “granaatwerper”, “walter 9mm”, “9mm met demper cz en 765”, “glock”, “cz”) te sturen en\u002Fof te ontvangen en\u002Fof het verkoopbedrag en\u002Fof aankoopbedrag van de betreffende wapens en\u002Fof munitie door te geven en\u002Fof te vragen en\u002Fof over de verkoopprijs en\u002Fof aankoopprijs te onderhandelen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 27 november 2020 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer (vuur)wapen(s) van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch) van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;\n\n5 hij op of omstreeks 1 maart 2024 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten - één of meer (grote) geldbedragen (van in totaal 29.320 euro), - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den) en\u002Fof - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf.","rechtspraak_nl","ecli-nl-rbdha-2026-17196",1,{"totalDecisions":21,"byYear":23,"byCourt":26},[24],{"year":25,"count":21},2026,[27],{"courtId":15,"courtName":16,"count":21},[29,31,34,37],{"id":30,"code":6,"article":14,"title":8,"country":9},"121844",{"id":32,"code":6,"article":33,"title":8,"country":9},"123639","art. 12",{"id":35,"code":6,"article":36,"title":8,"country":9},"124526","art. 31",{"id":38,"code":6,"article":39,"title":8,"country":9},"122839","art. 4 lid 2"]