[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"legal-provision-wetboek-van-burgerlijke-rechtsvordering-no-article":3},{"detailData":4,"statistics":20,"related":21},{"id":5,"code":6,"article":7,"country":8,"decisions":9,"decisionsTotal":19},"121850","Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering","","nl",[10],{"id":11,"ecli":12,"caseNumber":7,"courtId":13,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":8,"source":17,"summary":7,"slug":18},"310","ECLI:NL:RBZWB:2026:5387",64,"Breda","2026-05-19T00:00:00.000Z","beschikking\n\nRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nTeam Familie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F443877 \u002F FA RK 26-165\n\nDatum uitspraak: 19 mei 2026\n\nbeschikking over gezamenlijk gezag\n\n in de zaak van\n\n [de man],\n\nhierna: de man,\n\nwonende in [woonplaats 1] ,\n\nadvocaat: mr. T. van Riel in Breda,\n\ntegen\n\n [de vrouw],\n\nhierna: de vrouw,\n\nwonende in [woonplaats 2] ,\n\nadvocaat: mr. M.M.H.B. Stoffels in Zevenbergen,\n\nover de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016, hierna: [minderjarige 1] ,\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021, hierna: [minderjarige 2] .\n\nOp grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.\n\n1. Het procesverloop1.1. Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:\n\n- het op 10 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;\n\n- het stelbericht van mr. Stoffels van 26 januari 2026;\n\n- het F9-formulier met bijlagen van mr. Van Riel van 26 maart 2026, betreffende de geboorteakten van de minderjarigen;\n\n- het op 3 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlage;\n\n- het F9-formulier met bijlage van mr. Van Riel van 9 april 2026, betreffende productie 6.\n\n1.2. Op 15 april 2026 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord, partijen bijgestaan door hun advocaten. Ook is aanwezig een medewerker namens de Raad.\n\n1.3. Tevens was bij de zitting een kantoorgenoot van mr. Van Riel aanwezig, aan wie de rechtbank bijzondere toestemming heeft verleend om als toehoorder bij de zitting aanwezig te mogen zijn.\n\n1.4. Gelet op zijn leeftijd is de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken bij een zogenoemd ‘kindgesprek’ of via het schrijven van een brief. [minderjarige 1] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Daarnaar gevraagd geeft de vrouw aan dat zij [minderjarige 1] te jong vond om over het verzoek met de kinderrechter in gesprek te gaan. De kinderrechter betreurt dit. Zij had graag met [minderjarige 1] gepraat.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).\n\n2.2. De man heeft de minderjarigen erkend.\n\n2.3. De vrouw heeft van rechtswege alleen het gezag over de minderjarigen.\n\n2.4. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 januari 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben en dat de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken gedurende een weekend. Tevens heeft de rechtbank een bedrag aan kinderalimentatie bepaald en is bepaald dat de overige regelingen uit het ouderschapsplan deel uit maken van de beschikking.\n\n3. De verzoeken\n\n3.1. De man verzoekt om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man en de vrouw gezamenlijk worden belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2016 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats] , kosten rechtens.\n\n3.2. \n\nDe vrouw is het niet eens met het verzoek en verzoekt, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair:\n\n- het verzoek van de man om hem tezamen met de vrouw te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , beiden geboren te [geboorteplaats] , af te wijzen;\n\nsubsidiair:\n\n- de Raad voor de Kinderbescherming te verzoeken een onderzoek in te stellen naar\n\n de (on)wenselijkheid van gezamenlijk gezag en de veiligheidsrisico's binnen de\n\n gezinssituatie;\n\n- iedere verdere beslissing aan te houden.\n\n4. De standpunten en het advies van de Raad\n\n4.1. De man legt aan zijn verzoek, samengevat, het volgende ten grondslag. Partijen gingen ervan uit dat zij gezamenlijk gezag hadden over de minderjarigen, maar dit bleek niet zo te zijn. Ook de rechtbank ging er in een eerdere procedure onterecht van uit dat partijen belast waren met het gezamenlijk gezag. De man heeft de vrouw gevraagd om het gezamenlijk gezag alsnog samen te regelen, maar de vrouw verleende hieraan geen medewerking. De vrouw onderbouwt niet waarom zij het gezamenlijk gezag niet wil regelen, terwijl gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en er geen onaanvaardbaar risico is dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders als er gezamenlijk gezag zou zijn. Het verzoek tot gezamenlijk gezag voldoet dan ook aan de wettelijke maatstaven. De stelling van de vrouw dat er sprake zou zijn van disproportioneel straffen van [minderjarige 2] , grensoverschrijdend gedrag en stalking wordt door de man betwist. De vrouw onderbouwt haar stellingen bovendien niet. De e-mailcorrespondentie tussen partijen die de vrouw in het geding heeft gebracht, laat niets raars zien; sterker nog, de man toont zich betrokken en probeert invulling te geven aan zijn rol als vader. Als de man zorgpunten heeft over de minderjarigen, brengt hij dat bij de vrouw onder de aandacht. Zij reageert daar dan niet op. De man staat ervoor open om aan de communicatie tussen partijen te werken. Dit lijkt hem zinvol voor de toekomst. Dat de communicatie tussen partijen niet optimaal is, is geen reden om het verzoek van de man af te wijzen. De communicatie is niet dermate slecht dat er sprake is van het ‘klem-criterium’.\n\n4.2. \n\nDe vrouw verweert zich tegen het verzoek van de man. Zij voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Tussen partijen is sprake is van een extreem verstoorde verstandhouding waarin constructief overleg onmogelijk is. Volgens de vrouw is de communicatie tussen partijen structureel verstoord. De vrouw heeft de man en zijn partner moeten blokkeren vanwege aanhoudende stalking en grensoverschrijdend gedrag richting de vrouw. De man misbruikt de telefoon van [minderjarige 1] om contact met de vrouw af te dwingen. Volgens de vrouw moet bij de beoordeling van het verzoek van de man rekening worden gehouden met het verdrag van Istanbul. Tussen partijen is in het verleden sprake geweest van fysiek geweld, waarvan de vrouw aangifte heeft gedaab. Uit de jurisprudentie volgt dat het verzoek om gezamenlijk gezag afgewezen wordt bij een extreem verstoorde verstandhouding tussen de ouders en het ontbreken van communicatie. Daarvan is in deze zaak sprake. De minimale basis die nodig is voor communicatie ontbreekt.\n\nDaarnaast stelt de vrouw dat de minderjarigen stress-signalen vertonen na het contact met de man. Dit heeft geleid tot een melding bij Veilig Thuis. [minderjarige 2] wordt onderworpen aan disproportionele straffen. Hij heeft de vrouw verteld dat de man hem slaat. De pedagogische onmacht van de man vormt een contra-indicatie voor gezamenlijk gezag. Tevens bagatelliseert de man de emotionele staat van de kinderen. Volgens de vrouw laat de man na om bij te dragen aan de kosten van de kinderen. Hij heeft een alimentatieachterstand van\n\n€ 8.000,=. De man zou hierin zijn verantwoordelijkheid moeten nemen.\n\nGelet op al het voornoemde is er volgens de vrouw geen basis voor gezamenlijk gezag. Handhaven van eenhoofdig gezag is de enige manier om rust en veiligheid van de minderjarigen te waarborgen.\n\nDesgevraagd verklaart de vrouw dat zij geen tijd heeft gehad om de aangiften in het geding te brengen en dat zij niet reageert op de e-mails van de man, omdat deze vol staan met verwijten aan haar adres. Ook geeft de vrouw aan dat partijen een ingang hebben bij het CJG voor hulpverlening. Partijen zijn daar al bekend. De vrouw staat ervoor open om het CJG te vragen om hulpverlening in te zetten voor het verbeteren van de oudercommunicatie. De vrouw zegt toe om partijen bij het CJG aan te melden voor hulpverlening.\n\n4.3. De Raad adviseert de rechtbank als volgt. De Raad acht de communicatie tussen partijen zorgelijk. Zij hebben daarin het belang van de minderjarigen niet voor ogen. Ook de Raad heeft de e-mailberichten van de man aan de vrouw gelezen. De Raad ziet dat de man daarin neutraal is in zijn bewoordingen en hij zijn zorgen bespreekbaar probeert te maken. Zichtbaar is dat de man graag met de vrouw in gesprek wil om de zorgen samen op te lossen. Dat hiermee vervolgens niets wordt gedaan, baart de Raad zorgen. De Raad heeft ter voorbereiding op deze zaak contact opgenomen met Veilig Thuis. Daaruit is gebleken dat er een melding is gedaan bij Veilig Thuis door de man over de zorgen die hij heeft en die hij vervolgens niet bespreekbaar kan maken. De zaak staat bij Veilig Thuis op de wachtlijst voor verder onderzoek. De Raad verwacht dat Veilig Thuis gaat kijken naar hulpverlening rondom de communicatie tussen partijen en dat onderzocht gaat worden in hoeverre de minderjarigen worstelen met hun loyaliteit. De Raad kan zich daarbij voorstellen dat er voor de minderjarigen een kindbehartiger wordt ingezet. Dat er iets met de oudercommunicatie moet gebeuren, staat voor de Raad buiten kijf. Nu partijen bij Veilig Thuis op de wachtlijst staan, kan dat daar verder worden opgepakt. Partijen kunnen zich alvast bij het CJG melden, zodat de hulpverlening gedurende het onderzoek van Veilig Thuis alvast in gang kan worden gezet.\n\n5. De beoordeling\n\nWat zegt de wet?\n\n5.1. In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.\n\n5.2. Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarigen kunnen voordoen.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n5.3. Gelet op hetgeen door partijen is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om in deze zaak af te wijken van het wettelijk uitgangspunt. Uit de stukken en de zitting is niet gebleken dat van uitzonderingsgronden voor gezamenlijk gezag sprake is. De stellingen van de vrouw over grensoverschrijdend gedrag van en stalking door de man worden niet met enige stukken onderbouwd. Van aangiften is niets gebleken. Ook van fysiek geweld in het verleden blijkt niets. Ook noemt de vrouw geen concrete voorbeelden. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt bovendien niet dat sprake is van misstanden tussen partijen of van een dermate verstoorde verhouding dat gezamenlijk gezag niet mogelijk zou zijn. De rechtbank ziet weliswaar dat de man veelvuldig e-mailt, echter uit de e-mails blijkt niet dat hij de vrouw in bewoordingen onheus bejegent, beledigt of zwartmaakt. De man probeert zijn zorgen over de minderjarigen met de vrouw te bespreken, maar krijgt daarop geen reactie. Anders dan de vrouw stelt, kan de rechtbank op basis van de overlegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken, niet vaststellen dat sprake is van een situatie waarvan kan worden geconcludeerd dat de minderjarigen klem en verloren zullen raken tussen hun ouders wanneer sprake zal zijn van gezamenlijk gezag. Gelet hierop is de jurisprudentie waarnaar de vrouw in haar verweerschrift verwijst niet van toepassing. In die gevallen is er aantoonbaar sprake geweest van fysiek geweld en zijn er forse veiligheidszorgen. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Ook is, anders dan in de door de vrouw aangehaalde jurisprudentie, sprake van structureel contact tussen de man en de minderjarigen. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals partijen deze hebben afgesproken, wordt doorlopend nagekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de stellingen van de vrouw onvoldoende zijn onderbouwd. Daarbij komt dat de rechtbank het in het belang van de minderjarigen acht dat de man wordt betrokken bij de belangrijke beslissingen over hen, nu niet is gebleken dat hij gezagsbeslissingen zal gaan tegenwerken. Gezamenlijk gezag doet recht aan het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap.\n\n5.4. De rechtbank heeft, met de Raad, wel geconstateerd dat de communicatie tussen partijen te wensen overlaat en verbetering behoeft. Het lukt partijen bijvoorbeeld niet om samen de zorgen die de man over de minderjarigen heeft, te bespreken. Het is aan partijen om hun huidige communicatieproblemen samen op te lossen. Tijdens de zitting geven zij beiden te kennen hiervoor open te staan en hieraan te willen werken. De vrouw heeft tijdens de zitting toegezegd om partijen hiervoor aan te melden bij het CJG, waar het gezin al bekend is. De rechtbank gaat uit van deze toezegging. De rechtbank spreekt de hoop uit dat nu er met deze beschikking duidelijkheid is over het gezamenlijk gezag, er mogelijk meer ruimte is om de oudercommunicatie, alsmede de onderlinge verhoudingen te verbeteren.\n\n5.5. De rechtbank concludeert als volgt. Met inachtneming van het vorenstaande en gelet op het uitgangspunt van de wet, is er naar het oordeel van de rechtbank geen onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen bij uitoefening van het gezamenlijk gezag klem of verloren zullen raken tussen de ouders. Nu evenmin feiten of omstandigheden zijn gesteld die maken dat toewijzing van het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag anderszins niet in het belang van de minderjarigen is, zal de rechtbank het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toewijzen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een raadsonderzoek.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.6. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Het is in het belang van de minderjarigen dat er duidelijk is en blijft dat de ouders samen de belangrijke beslissingen over hen nemen.\n\nProceskosten\n\n5.7. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.\n\n5.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1. bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over de minderjarigen:\n\n- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016,\n\n- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021;\n\n6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.3. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;\n\n6.4. wijst het meer of anders verzochte af.\n\n Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.\n\nIndien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:\n\ndoor de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,\n\ndoor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.\n\nHet hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.","rechtspraak_nl","ecli-nl-rbzwb-2026-5387",1,null,[]]