[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-alkmaar":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},73,"Alkmaar","nl","first_instance","criminal",[11,24,32,41,49,57,65,73,81,90,98,106,114,123,130,138,145,153,161,169],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"1515","ECLI:NL:RBNHO:2026:8057","","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F376223 \u002F HA RK 26-68\n\nBeschikking van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: E. Donkersloot,\n\ntegen\n\nINTERNATIONAL CARD SERVICES B.V.,\n\nte Diemen,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: ICS,\n\nadvocaat: mr. C.M. Jakimowicz.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verwijzingsvonnis van de kantonrechter van 25 maart 2026,\n\n- de e-mail van [verzoeker] van 3 april 2026 met reactie op het verzoek van ICS deze zaak te voegen,\n\n- de reactie op incident van ICS van 21 april 2026 op het verzoek van [verzoeker] om inzage op grond van artikel 195 Rv,\n\n- de akte overlegging producties van [verzoeker] van 21 april 2026.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De beoordeling\n\nIn de incidenten\n\n2.1.. \n\nIn het verwijzingsvonnis van 25 maart 2026 heeft de kantonrechter de zaak, in de stand waarin deze zich bevond, verwezen naar de verzoekschriftprocedure van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Deze verwijzing treft ook het\n\nincidentele verzoek tot voeging van ICS en het incidentele verzoek op grond van artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van [verzoeker] .\n\nVerzoek tot voeging\n\n2.2.. ICS verzoekt, in haar conclusie van antwoord, dat deze zaak gevoegd zal worden behandeld met de zaak die bij de rechtbank bekend is onder het nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26\u002F67.Ter onderbouwing van dat verzoek voert ICS aan dat de feiten en de achtergrond van de zaken gelijk zijn en dat de zaken verknocht zijn. ICS verzoekt daarom op grond van artikel 285 RV de zaken gevoegd te behandelen.\n\n2.3.. \n [verzoeker] voert verweer tegen het verzoek. Hij betwist dat er sprake is van connexiteit zoals bedoeld in artikel 222 Rv. De procedures zien volgens [verzoeker] op wezenlijk verschillende rechtsvragen namelijk enerzijds naleving van artikel 12 en 15 Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) en anderzijds de rechtmatigheid van een CAAML-registratie. Dat beide zaken raken aan hetzelfde dossier is volgens [verzoeker] onvoldoende.\n\n2.4.. \n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nOp grond van artikel 285 lid 2 Rv kan een rechter, indien bij deze rechter meer verzoekschriften over een verknocht onderwerp zijn ingediend, voeging daarvan bevelen.\n\nVan verkochtheid, ook wel connexiteit, kan worden gesproken, indien tussen de onderwerpen van de verschillende verzoeken een zodanig samenhang bestaat dat die - om redenen van doelmatigheid - een gezamenlijke behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt.De rechtbank is van oordeel dat tussen deze zaak en de zaak bij de rechtbank bekend onder het nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26\u002F67 van een zodanige samenhang sprake is dat deze zaken inderdaad gezamenlijk door één en dezelfde rechter behandeld moeten worden. De rechtbank heeft bij dit oordeel acht geslagen op het feit dat beide zaken aanhangig zijn tussen dezelfde partijen, met [verzoeker] aan de ene kant als verzoeker en ICS aan de andere kant als verweerder. Ook acht de rechtbank van belang dat beide zaken in tijd gelijk lopen. Uit de inleidende dagvaardingen in beide zaken blijkt dat [verzoeker] van mening is dat beide procedures zien op de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens door ICS. In deze zaak verzoekt [verzoeker] (onder meer) voor recht te verklaren dat ICS in strijd heeft gehandeld met de AVG, waaronder, maar niet beperkt tot, de artikelen 5, 6, 10, 12, 14, 16, 22 en 35 AVG. In de zaak bij de rechtbank bekend onder nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26\u002F67 verzoekt [verzoeker] (onder meer) ook voor recht te verklaren dat ICS in strijd heeft gehandeld met de artikelen 5, 6, 10, 12, 14, 15 en 16 van de AVG. Op grond van deze omstandigheden zal het verzoek van ICS om de zaken gevoegd te behandelen worden toegewezen.\n\nVerzoek op grond van artikel 195 Rv\n\n2.5.. \n [verzoeker] verzoekt dat ICS stukken overlegt van een gesprek dat [verzoeker] met ICS heeft gehad. Hij verzoekt daarnaast ICS inzichtelijk te maken:\n\nop welke datum of data het gestelde gesprek met [verzoeker] heeft plaatsgevonden;\n\nwelke registraties van dit gesprek bestaan, waaronder call-logs, CRM-registraties, gespreknotities of opnames;\n\nwelke persoonsgegevens van [verzoeker] daarbij zijn verwerkt;\n\nen waarom deze gegevens niet zijn verstrekt in het kader van het inzageverzoek ex artikel 15 AVG.\n\n2.6.. ICS voert verweer en stelt dat [verzoeker] al beschikt over de stukken waarvan hij inzage wenst. ICS wijst in dat verband op de door haar overgelegde producties bij de conclusie van antwoord en die bij de reactie op het incident. Omdat het incident ongegrond is verzoekt ICS [verzoeker] te veroordelen in de kosten van het incident.\n\n2.7.. Artikel 195 lid 1 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. [verzoeker] verzoekt inzage in een gesprek waaruit bleek dat een chargebackdossier betrekking had op een ING-creditcard. ICS heeft als productie 3 bij de reactie op het incident een gesprekverslag overgelegd van een gesprek dat [verzoeker] op 8 mei 2024 met ICS heeft gevoerd. Uit dat verslag blijkt dat [verzoeker] informatie wilde hebben over een kaart van ING in plaats van een creditcard van ICS. Uit het verslag blijkt ook dat [verzoeker] beaamt dat hij verkeerd zit en dat hij het ergens anders gaat proberen. Met overlegging van dit verslag heeft ICS voldaan aan het verzoek van [verzoeker] op grond van artikel 195 Rv. De rechtbank zal dit verzoek van [verzoeker] bij gebrek aan belang dan ook afwijzen.\n\n2.8.. De rechtbank wijst partijen er – volledigheidshalve – op dat het in beginsel aan een partij als ICS is om – voor zover nodig – de stukken waarop zij zich wil beroepen uit eigen beweging te overleggen. Een partij die een bepaald standpunt inneemt maar achterwege laat dat standpunt met stukken te onderbouwen, draagt de nadelige gevolgen indien de rechter dat standpunt vervolgens niet aan de hand van stukken kan verifiëren.\n\n2.9.. ICS verzoekt [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten omdat het incident ongegrond is. Hoewel ICS in haar reactie op het incident verwijst naar producties die zij bij de conclusie van antwoord heeft overgelegd, kan de rechtbank in deze producties niet de uitwerking van het gespreksverslag vinden zoals overgelegd als productie 3 bij de reactie op het incident. Gelet op deze omstandigheid en het feit dat in deze beschikking ook een beoordeling wordt gegeven op het voegingsincident ziet de rechtbank aanleiding om de beslissing over de proceskosten aan te houden in afwachting van de uitkomsten van de hoofdzaak.\n\nIn de hoofdzaak\n\n2.10.. De zaak is gereed voor het bepalen van een mondelinge behandeling. De rechtbank verzoekt partijen hun verhinderdagen op te geven over de periode van augustus 2026 tot en met januari 2027 zodat een mondelinge behandeling kan worden gepland in deze zaak en de zaak bij de rechtbank bekend onder het nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26-67.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin de incidenten\n\n3.1.. voegt deze zaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak bekend onder het nummer C\u002F15\u002F376222\u002F HA RK 26-67,\n\n3.2.. wijst af het verzoek van [verzoeker] om inzage ex artikel 195 Rv,\n\nin de hoofdzaak\n\n3.3.. bepaalt dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden,\n\n3.4.. bepaalt dat partijen hun verhinderdagen opgeven over de periode van augustus 2026 tot en met januari 2027,\n\n3.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n Deze zaak was ook ingediend bij de kantonrechter, daar was het nummer van deze zaak 11851010 CV EXPL 25-3001.\n\n Zie Hoge Raad 27 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6384.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8057","ecli-nl-rbnho-2026-8057",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"653","ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12142575 \\ EJ VERZ 26-97 WD\n\nBeschikking van 3 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. P.F. Keuchenius,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [plaats 2] ( [land] ),\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. E.Z. Anink.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, met 16 producties;\n\n- het verweerschrift, met een verzoek in het incident, met 12 producties; - de brief van mr. Keuchenius met de juiste versie van productie 12; - het verweerschrift in het incident.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. Op [datum] 2023 is [erflater] overleden (hierna: de erflater).\n\n2.2.. De erflater was bij leven in tweede echt gehuwd met [verweerder] . Zij waren getrouwd onder huwelijkse voorwaarden. In artikel 1 van de notariële huwelijksvoorwaarden is bepaald dat de vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk zullen worden bepaald door Nederlands recht, met uitzondering van het aan partijen toebehorende in Frankrijk gelegen registergoed, waarop het Franse huwelijksvermogensrecht van toepassing is verklaard.\n\n2.3.. \n [verzoeker] is de zoon van [verzoeker] uit een eerder huwelijk. Voor het overige had de erflater geen afstammelingen.2.4.. De erflater heeft ten overstaan van een Nederlandse notaris bij testament van 16 februari 2010 over zijn nalatenschap beschikt. In dit testament heeft hij, voor zover thans van belang: - bepaald dat de vererving en de wijze van afwikkeling van zijn nalatenschap zullen worden beheerst door Nederlands recht; - [verzoeker] benoemd tot enig erfgenaam; - [verweerder] benoemd tot executeur; - aan [verzoeker] gelegateerd een in [plaats 3] gelegen woning; - aan [verweerder] gelegateerd het aandeel van de erflater in de beperkte gemeenschap van inboedel, een bedrag van € 100.000,00 en het vruchtgebruik van zijn nalatenschap;\n\n2.5.. \n [verzoeker] heeft de nalatenschap van de erflater beneficiair aanvaard.\n\n2.6.. \n [verweerder] heeft haar benoeming tot executeur aanvaard en een ruimschoots verklaring afgegeven.\n\n2.7.. Tot de nalatenschap van de erflater behoren – onder meer -: - de in [plaats 3] gelegen woning; - een onverdeeld aandeel in een in Frankrijk gelegen woning; - een 100% belang in Calenus B.V. - een positief saldo bij de ING-bank - belastingschulden; - een schuld van de erflater aan Calenus B.V.3. Het verzoek en het verweer in de hoofdzaak\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt dat de kantonrechter [verweerder] ontslaat uit haar hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder\n\n3.2.. \n [verweerder] voert verweer.\n\n4. Het verzoek en het verweer in het incident\n\n4.1.. \n [verweerder] verzoekt dat de kantonrechter zich niet bevoegd verklaart om van de zaak kennis te nemen.\n\n4.2.. \n [verweerder] voert daartoe, kort gezegd, als volgt aan. De laatste verblijfplaats van de erflater was gelegen in Frankijk. Dit brengt mee dat de Franse rechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Voor zover de Nederlandse rechter bevoegd is, is dat de rechter van de rechtbank Den Haag.\n\n4.3.. \n [verzoeker] voert het volgende verweer. De afwikkeling van de nalatenschap is in vele opzichten verbonden aan de Nederlandse rechtssfeer, onder meer doordat [verweerder] een Nederlandse notaris als boedelnotaris heeft benoemd, die zich in het Nederlandse boedelregister heeft laten inschrijven. Daarbij komt dat de erflater ten tijde van het opstellen en verlijden van het testament geen rekening heeft kunnen houden met de daarna ingevoerde Europese Erfrechtverordening, waar [verweerder] zich nu op beroept. Het beroep van [verweerder] op de bevoegdheid van de Franse rechter is onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [verzoeker] verwacht dat partijen een forumkeuze overeenkomst kunnen sluiten en verzoekt hierom dat de kantonrechter een mondelinge behandeling gelast. Subsidiair verwacht [verzoeker] dat de Franse rechter zich op verzoek van [verzoeker] onbevoegd zal verklaren, omdat de Nederlandse rechter beter in staat is om uitspraak te doen over onderhavige kwestie. Daarom verzoekt [verzoeker] subsidiair dat de kantonrechter onderhavige procedure enige tijd aanhoudt.\n\n5. De beoordeling in het incident\n\n5.1.. Dit incident gaat over de vraag of de kantonrechter als Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek in de hoofdzaak kennis te nemen. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de Europese Erfrechtverordening. Deze verordening is materieel van toepassing omdat de hoofdzaak betrekking heeft op de erfopvolging in nalatenschappen van overleden personen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de erfrechtverordening en het geschil niet ziet op de in lid 2 van voornoemd artikel voorkomende uitzonderingen. De erfrechtverordening is formeel van toepassing, omdat de erflater is overleden na 17 augustus 2015 (zie artikel 83 lid 1 van de Europese Erfrechtverordening).\n\n5.2.. De Europese Erfrechtverordening bepaalt in artikel 4 als hoofdregel dat de gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel. Toepassing van de hoofdregel zou meebrengen dat niet een in Nederland zetelende kantonrechter, maar een Franse rechter bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen. Immers, tussen partijen staat vast dat de erflater ten tijde van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had in Frankrijk.\n\n5.3.. \n [verzoeker] betoogt dat in dit geval een uitzondering op voornoemde hoofdregel moet worden gemaakt. Derhalve moet de kantonrechter beoordelen of er onder de gegeven omstandigheden een uitzondering op de hoofdregel moet worden gemaakt. Anders dan [verzoeker] meent, komt bij deze beoordeling geen betekenis toe aan de eisen van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter gaat voorbij aan het op deze grond gevoerde verweer van [verzoeker] . Evenmin komt relevante betekenis toe aan het gegeven dat de erflater bij het verlijden van het testament de invoering van de Europese Erfrechtverordening niet heeft voorzien.\n\n5.4.. Dat partijen een forumkeuze-overeenkomst hebben gesloten als bedoeld in artikel 5 van de Europese Erfrechtverordening, is niet gebleken. De kantonrechter ziet geen aanleiding om hiertoe, zoals [verzoeker] voorstelt, een mondelinge behandeling te houden. Partijen, voorzien van professionele gemachtigden, zijn in staat een dergelijke overeenkomst te sluiten. Een mondelinge behandeling heeft in dat kader geen toegevoegde waarde.\n\n5.5.. De kantonrechter ziet wel aanleiding om, zoals subsidiair voorgesteld door [verzoeker] , de behandeling van deze zaak enige tijd aan te houden om verwijzing door een Franse rechter op grond van artikel 6 van de Europese Erfrechtverordening mogelijk te maken. Gelet op de rechtskeuze in het testament heeft de Franse rechter op grond van voornoemd artikel de mogelijkheid om zich onbevoegd te verklaren, indien deze van oordeel is dat de Nederlandse rechter beter in staat zal zijn om uitspraak te doen over de erfopvolging. Onder de gegeven omstandighedenacht de kantonrechter het niet onmogelijk dat de Franse rechter tot dit oordeel zou kunnen komen.\n\n5.6.. De kantonrechter zal deze zaak aanhouden tot maandag 5 oktober 2025. Beide partijen dienen zich uiterlijk op deze datum uit te laten over het opstarten en de voortgang van de in Frankrijk te voeren gerechtelijke procedure en de termijn waarbinnen zij verwachten dat de Franse rechter uitspraak doet over zijn bevoegdheid. Mocht de kantonrechter op basis van de berichtgeving van partijen tot het oordeel komen dat door één van beide partijen (of door allebei) in Frankrijk niet met voldoende voortvarendheid wordt geprocedeerd, zal de kantonrechter hieraan de gevolgen verbinden die hij gerade acht.\n\n5.7.. De behandeling van de hoofdzaak zal ook worden aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het incident6.1.. houdt de zaak aan tot maandag 5 oktober 2026 voor een akte van beide partijen over hetgeen hiervoor onder r.o. 5.6. is overwogen;\n\nin de hoofdzaak en in het incident\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.\n\n De kantonrechter ontleent deze opsomming aan de boedelbeschrijving die door [verweerder] is opgesteld en door [verzoeker] als productie 14 bij verzoekschrift in het geding is gebracht.\n\n VERORDENING (EU) Nr. 650\u002F2012 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring\n\n Zie 2.1. tot en met 2.7.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7435","ecli-nl-rbnho-2026-7435",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Verbintenissenrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"429","ECLI:NL:RBOVE:2026:3911","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nraadkamernummer : 26-014160\n\nBeschikking van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:\n\n [klaagster],\n\nwonende op het adres [adres 1],\n\nhierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.\n\n1. Het verloop van de procedure\n\nHet klaagschrift, gedateerd 27 april 2026 is op 13 mei 2026 op de griffie van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, ontvangen. Het klaagschrift betreft een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag op een personenauto van het merk Renault Clio met kenteken [kenteken 1] (hierna: de auto). Er wordt geklaagd over het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klaagster als rechthebbende.\n\nHet klaagschrift is behandeld op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. D. van Ieperen en klaagster gehoord. De belanghebbende [belanghebbende] (hierna: belanghebbende) is kennis gegeven van de behandeling van het klaagschrift. Belanghebbende heeft geen klaagschrift ingediend en is niet in raadkamer verschenen.\n\nDe raadkamer heeft kennisgenomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak naar aanleiding waarvan de inbeslagneming heeft plaatsgevonden. De raadkamer heeft daarnaast kennisgenomen van de door de officier van justitie overgelegde conclusie en de aanvulling daarop met betrekking tot de omstandigheden waaronder het beslag heeft plaatsgevonden en het standpunt van het Openbaar Ministerie met betrekking tot het al dan niet handhaven van het beslag.\n\n2. De standpunten van klaagster en de officier van justitie\n\nHet standpunt van klaagster\n\nKlaagster heeft bezwaar gemaakt tegen de inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave van de auto aan klaagster. In haar klaagschrift heeft klaagster aangevoerd dat zij de auto op 13 december 2024 heeft gekocht van de heer [naam 1] (hierna [naam 1]) voor een bedrag van € 10.250,00. Bij aankoop beschikte klaagster over alle vereiste documenten, waaronder een kentekenbewijs, de tenaamstellingscode, het vrijwaringsbewijs en overige bijbehorende documentatie. Voorafgaand aan de aankoop heeft klaagster gecontroleerd of het kenteken als gestolen geregistreerd stond. Dit was niet het geval. De auto is tien maanden zonder problemen in het bezit van klaagster geweest. Op 4 februari 2025 heeft klaagster melding gedaan bij de RDW over een verdachte overschrijvingspoging. Hier is destijds geen vervolg aan gegeven. Na een verzoek van de RDW tot identificatie bleek dat het voertuig als gestolen geregistreerd stond. Voor klaagster was dit op geen enkele wijze kenbaar. De auto is inbeslaggenomen omdat deze als gestolen geregistreerd bleek te staan. Ten tijde van de aankoop stond het kenteken niet als gestolen geregistreerd en de auto voerde geen gestolen kenteken. Onder deze omstandigheden bestond er voor klaagster geen enkele aanleiding om te vermoeden dat de auto uit misdrijf afkomstig zou zijn. Klaagster stelt als bezitter te goeder trouw te hebben gehandeld. Het voortduren van het beslag is voor klaagster zeer belastend en onevenredig. Klaagster is voor haar dagelijkse functioneren afhankelijk van de auto en is het geld dat zij voor de auto heeft betaald nu kwijt. Klaagster stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift gegrond moet worden verklaard en verzocht wordt om te gelasten dat de inbeslaggenomen auto per heden wordt teruggegeven aan klaagster. Klaagster heeft de tenaamstellingscode, het vrijwaringsbewijs, kentekenbewijs, de gegevens van de verkoper, de banktransactie, de advertentie en de aangifte als bijlagen bij haar klaagschrift gevoegd.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.\n\n3. De bevoegdheid van de rechtbank\n\nDe rechtbank Overijssel is bevoegd van het klaagschrift kennis te nemen.\n\n4. De ontvankelijkheid\n\nHet klaagschrift is ontvankelijk.\n\n5. De beoordeling\n\nOp grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.\n\nMaatstaf\n\nHet beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De raadkamer dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen dient te worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.\n\nHet belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave, indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen. De raadkamer stelt hierbij voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Niet gevergd kan worden dat ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak wordt getreden.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nOp 24 oktober 2025 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de auto. Klaagster heeft op 13 december 2024 de auto gekocht van een particulier, [naam 1], voor een bedrag van € 10.250,00 in [adres 2] naar aanleiding van een advertentie op www.marktplaats.nl. De auto voerde het kenteken [kenteken 1]. Klaagster en haar man hebben een proefrit gemaakt met de auto en [naam 1] vertelde dat hij de auto had gekregen van een tante, maar dat de auto te klein is voor zijn gezin. De man van klaagster heeft het bedrag van € 10.250,00 via bankoverschrijving overgemaakt op het rekeningnummer van [naam 1]. Daarna heeft klaagster de auto via de website van de RDW overgeschreven op haar naam. Klaagster heeft alle benodigde documenten gekregen en (reserve) sleutels meegekregen. Klaagster heeft niet het chassisnummer van de auto gecontroleerd en op 13 december 2025 geen contact gehad met de RWD. Ook heeft klaagster geen onderzoek gedaan naar de verkoper. Na een verzoek van de RDW tot identificatie bleek dat het voertuig als gestolen geregistreerd stond en is de auto door politie inbeslaggenomen. Blijkens de aangifte van [naam 2] namens [belanghebbende] B.V. bleek de auto, inclusief (reserve) sleutels op 9 december 2024 te zijn verduisterd door [naam 1], nadat hij de auto had meegenomen voor een proefrit. Het originele kenteken is [kenteken 2]. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2025 volgt dat [naam 1] een veelpleger is die al meermalen in beeld is gekomen wegens verduistering, dan wel diefstal. Klaagster stelt dat zij te goeder trouw gehandeld heeft. Zij wist niet dat de auto als gestolen geregistreerd stond en de auto voerde geen gestolen kenteken.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.\n\nBeoordeling\n\nVoor beoordeling van de onderhavige zaak is artikel 3:86 BW van belang. Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91, of 93 van een roerende zaak, niet registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is. Niettemin kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstalheeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van de diefstal, als zijn eigendom opeisen, tenzij de verkrijger als natuurlijke persoon niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf de zaak heeft gekocht van een persoon die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken, anders dan als veilinghouder, zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte.\n\nDe raadkamer heeft onweersproken vastgesteld dat klaagster op 13 december 2024 bezitter is geworden van een auto die blijkens de stukken op zijn minst genomen van verduistering afkomstig is. Op basis van de stukken en de toelichting op de zitting is de raadkamer van oordeel dat klaagster niet als derde verkrijger te goeder trouw kan worden aangemerkt nu zij meer onderzoek had moeten doen naar de herkomst van de auto en de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper. Klaagster heeft de auto gekocht van een particulier. Derhalve rustte op klaagster de last van onderzoek doen naar de auto en de verkoper. Klaagster heeft naar de verkoper geen onderzoek verricht. Hem is niet eens om een identiteitsbewijs gevraagd. Ook naar de auto zelf is onvoldoende onderzoek gedaan. Het chassisnummer is niet gecontroleerd, terwijl dit een fundamenteel onderdeel van de controle zou moeten zijn die een koper uit hoofde van zijn onderzoekplicht zou moeten uitvoeren. Aldus kan klaagster niet als te goeder trouw worden aangemerkt.\n\nNadere overwegingen.\n\nOok indien zou worden aangenomen dat klaagster wel als te goeder trouw zou kunnen worden aangemerkt (quod non), dan geldt het volgende. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat het in art. 3:86 lid 3 BW gehanteerde begrip \"diefstal\" ruim geïnterpreteerd dient te worden, in die zin dat hiertoe alle vormen van bezitsverlies ten gevolge van een strafbaar feit gerekend dienen te worden, derhalve ook verduistering, waarvan in het onderhavige geval klaarblijkelijk sprake is. (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0823 en ECLI:NL:HR:2005:AU2555).\n\nHieruit volgt dat klaagster, zelfs als zij te goeder trouw zou zijn, in de onderhavige zaak toch geen eigenaar van de auto is geworden omdat ingevolge art. 3:86 lid 3 BW de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door onvrijwillig bezitsverlies - i.c. verduistering - heeft verloren, deze gedurende drie jaren te rekenen vanaf de dag van dat onvrijwillige bezitsverlies als zijn eigendom kan opeisen.\n\nHet arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:1999:ZD1744) doet daaraan niet af nu er met de later gewezen arresten (ECLI:NL:GHLEE:2005:AU0823 en ECLI:NL:HR:2005:AU2555) kennelijk sprake is van voortschrijdend inzicht op basis waarvan onder diefstal in artikel 3:86 lid 3 BW iedere vorm van onvrijwillig bezitsverlies moet worden begrepen.\n\nDe raadkamer merkt op dat in de onderhavige zaak niet alleen klaagster maar ook garage [belanghebbende] in [plaats] door [naam 1] is opgelicht. Ook van garage [belanghebbende] had in dit geval – net als van klaagster – meer onderzoek verwacht mogen worden alvorens de auto op 9 december 2024 aan [naam 1] voor een proefrit mee te geven. Door klaagster werd ter zitting medegedeeld dat zij begrepen heeft dat [belanghebbende] inmiddels schadeloos gesteld is door de verzekeraar. Dat was niet bekend bij de rechtbank en het Openbaar Ministerie. Na ongegrondverklaring van het klaagschrift van klaagster is het nu aan de officier van justitie om de auto terug te geven aan de redelijkerwijs rechthebbende. Na schadeloosstelling van [belanghebbende] zou dit de in rechten getreden verzekeraar kunnen zijn.\n\nDe raadkamer zou zich kunnen voorstellen dat het Openbaar Ministerie bij de beslissing aan wie de auto wordt afgegeven zich rekenschap geeft van de gang van zaken in deze kwestie waarbij de aanstichter van dit alles, de heer [naam 1] in [adres 2], - voor zover tot dusver bekend - ongemoeid is gebleven.\n\nConclusie\n\nDe raadkamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.\n\n6. De beslissing\n\nDe raadkamer verklaart het klaagschrift ongegrond.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.T.H. Praster, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3911","ecli-nl-rbove-2026-3911",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht",{"id":42,"ecli":43,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":44,"language":7,"source":17,"sourceUrl":45,"summary":14,"slug":46,"metadata":47},"1513","ECLI:NL:RBNHO:2026:8056","beslissingRECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nWrakingskamer\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F379601 KG RK 26-478\n\nBeslissing van 1 juli 2026\n\nOp het verzoek tot wraking ingediend door:\n\n [verzoekster], te [woonplaats]\n\nverzoekster.\n\nHet verzoek is gericht tegen:\n\nmr. J.H. Gisolf\n\nhierna te noemen: mr. Gisolf.\n\n1. Procesverloop\n\n1.1. Verzoekster heeft op 30 juni 2026 om 13:57 uur schriftelijk de wraking verzocht van mr. Gisolf in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Bewind, locatie Alkmaar aanhangige wrakingsprocedure met als zaaknummer C\u002F15\u002F378781 \u002F KG RK 26\u002F423, hierna te noemen: de eerste wrakingsprocedure.\n\n1.2. De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. \n\nTussen verzoekster en [verweerder] , wonende te [woonplaats] , is een verzoekschriftprocedure aanhangig waarbij verzoekster de kantonrechter – onder meer - heeft verzocht om [verweerder] te ontslaan uit zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] , geboren op [geboortedatum] 1931, overleden op 29 juni 2015. Deze procedure wordt hierna aangeduid als de verzoekschriftprocedure.\n\nDe verzoekschriftprocedure is onder behandeling van mr. J.S. Reid (hierna: de kantonrechter).\n\n2.2.. Op 2 juni 2026 heeft in de verzoekschriftprocedure een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat op 30 juni 2026 uitspraak zou worden gedaan in de verzoekschriftprocedure.\n\n2.3.. Op 5 juni 2026 heeft verzoekster de wrakingskamer schriftelijk verzocht om de kantonrechter te wraken (de eerste wrakingsprocedure). De wrakingskamer heeft hierop bepaald dat de mondelinge behandeling van dat verzoek zal plaatsvinden op 1 juli 2026 om 14:30 uur. De eerste wrakingsprocedure is onder behandeling van mr. Gisolf als voorzitter en mrs. H. Bakker en C.H. De Jonge van Ellemeet als leden van de wrakingskamer.2.4.. Op 30 juni 2026 om 13:57 uur heeft verzoekster schriftelijk de wraking van mr. Gisolf verzocht (de tweede wrakingsprocedure).\n\n3. Het standpunt van verzoekster3.1.. \n\nVerzoekster heeft onder verwijzing naar verschillende bijgevoegde bijlages ter onderbouwing van het tweede wrakingsverzoek – kort gezegd – het volgende aangevoerd.\n\nMr. Gisolf is niet als kantonrechter werkzaam en is de laatste jaren evenmin als kantonrechter werkzaam geweest. Nog afgezien daarvan heeft hij geen kennis van het erfrecht. Dit alles brengt mee dat mr. Gisolf niet beschikt over de volgens het Wrakingsprotocol vereiste expertise om de eerste wrakingsprocedure te behandelen. Dit geldt ook voor de andere rechters die de eerste wrakingsprocedure behandelen.\n\nDaarnaast heeft verzoekster in 2024 tijdens de mondelinge behandeling van een kort geding al aanvaringen met mr. Gisolf gehad. De onderlinge relatie tussen hen is slecht. Het in 2024 gevoerde kort geding en de verzoekschriftprocedure gaan allebei over hetzelfde onderwerp: de executele van de nalatenschap van [erflater] . Verzoekster heeft bij de mondelinge behandeling in kort geding geen gelegenheid gekregen om haar standpunt naar voren te brengen. Mr. Gisolf vond dat verzoekster haar mond moest houden. Mr. Gisolf legde de in het kort geding neergelegde eis van verzoekster uit als een weigerachtige houding van haar kant. Verzoekster heeft in de kortgedingprocedure van mr. Gisolf ongelijk gekregen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een partij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Beslissend daarvoor is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is.\n\n4.2.. Verzoekster stelt dat mr. Gisolf niet werkzaam is (geweest) als kantonrechter en verbindt daaraan de conclusie dat hij niet kan worden belast met de behandeling als voorzitter van het eerste - tegen een kantonrechter gericht – wrakingsverzoek. De wrakingskamer stelt vast dat deze grond niet ziet op de eventuele (vrees voor) het ontbreken van de rechterlijke onpartijdigheid van mr. Gisolf. Reeds daarom kan dit niet met succes aan het wrakingsverzoek ten grondslag worden gelegd.\n\n4.3.. Daarbij komt dat, anders dan verzoekster aanvoert, het Wrakingsprotocol rechtbank Noord-Holland niet vereist dat de voorzitter (of een lid) van de wrakingskamer die is belast met de behandeling van een wrakingsverzoek, in dezelfde afdeling werkzaam is (geweest) als de rechter tegen wie een wrakingsverzoek zich richt. Dat mr. Gisolf de laatste jaren niet als kantonrechter werkzaam is of is geweest, brengt dan ook niet mee dat hij niet kan worden belast met de behandeling als voorzitter van het eerste - tegen een kantonrechter gericht - wrakingsverzoek. Datzelfde geldt ook voor het gegeven dat mr. Gisolf geen kennis van of ervaring met zaken op het gebied van erfrecht zou hebben.4.4.. De door verzoekster aangedragen feiten en omstandigheden over de in 2024 ten overstaan van mr. Gisolf gevoerde kortgedingprocedure, kunnen evenmin met succes aan het wrakingsverzoek ten grondslag worden gelegd. Een onwelgevallig oordeel van een rechter in een eerdere juridische procedure is op zichzelf geen grond voor wraking. Een dergelijk oordeel doet namelijk niet af aan het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat zowel de kortgedingprocedure als de verzoekschriftprocedure waarin de wraking van de kantonrechter is verzocht betrekking zouden hebben op de executele van dezelfde nalatenschap, maakt hiervoor geen verschil.\n\n4.5.. Over de door verzoekster gestelde gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling van de in 2024 gevoerde kortgedingprocedure overweegt de wrakingskamer als volgt. De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter die een zaak behandelt, de regie voert en verantwoordelijk is voor de orde in de zittingszaal. De rechter bepaalt het verloop en de voortgang van de procedure en de zitting en de wijze van behandeling. De rechter heeft in deze regierol een aanzienlijke vrijheid. Een voor verzoekster onwelgevallige vraag of opmerking van de rechter in dat verband leidt daarom in beginsel niet tot (een gerechtvaardigde vrees voor) het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de stijl of de toon van de rechter bij het stellen van vragen voor verzoekster (in haar beleving) onaangenaam is geweest.\n\n4.5.. Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat de over de mondelinge behandeling in 2024 aangedragen feiten en omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzing vormen dat mr. Gisolf jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert. Evenmin kan uit deze feiten en omstandigheden worden afgeleid dat de bij verzoekster bestaande vrees voor partijdigheid van mr. Gisolf objectief gerechtvaardigd is.4.6.. De door verzoekster aangedragen gronden kunnen niet leiden tot wraking van mr. Gisolf. De wrakingskamer zal het verzoek afwijzen.\n\n5. Beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. wijst het verzoek af,\n\n5.2. beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, mr. Gisolf, de kantonrechter en de wederpartij in de verzoekschriftenprocedure een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,\n\n5.3. beveelt dat het eerste wrakingsverzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het tweede wrakingsverzoek.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. N. Boots, voorzitter, mr. F.J. Lourens en mr. A.E. Merkus, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\ngriffier voorzitter\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8056","ecli-nl-rbnho-2026-8056",{"courtName":6,"legalDomain":48,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Burgerlijk procesrecht",{"id":50,"ecli":51,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":52,"fullText":53,"language":7,"source":17,"sourceUrl":54,"summary":14,"slug":55,"metadata":56},"1818","ECLI:NL:RBNHO:2026:6281","2026-05-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F368386 \u002F HA RK 25-119\n\nBeschikking van 19 mei 2026\n\nin de zaak van\n\nASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: ASR,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk,\n\ntegen\n\n1. [verweerder sub 1] 2. [verweerder sub 2] ,\n\nbeiden in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de ouders,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de beschikking van 12 november 2025, waarin een nieuwe mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de e-mailberichten van de ouders van 16, 19, 21,22, 25 en 28 november 2025, 22 december 2025, 5 en 6 januari 2026;\n\n- de e-mail van ASR van 8 januari 2026;\n\n- de e-mailberichten van de ouders van 9 en 12 januari en 3 februari 2026;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken te proberen het geschil op te lossen door middel van mediation. De zaak is vervolgens aangehouden om partijen daartoe de gelegenheid te geven.\n\n1.3.. Bij e-mails van 3 april respectievelijk 4 april 2026 hebben de ouders en ASR de rechtbank bericht dat de mediation die heeft plaatsgevonden geen resultaat heeft opgeleverd.\n\n1.4.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De verdere beoordeling\n\n2.1.. Tijdens de eerste mondelinge behandeling van 1 oktober 2025 heeft ASR de rechtbank verzocht (ambtshalve) een bijzondere curator te benoemen. Omdat de ouders niet aanwezig waren bij die zitting, heeft de rechtbank bij beschikking van 12 november 2025 een nieuwe mondelinge behandeling gelast om de ouders in de gelegenheid te stellen hun standpunt daarover kenbaar te maken. Dit hebben de ouders gedaan in de e-mails die zij aan de rechtbank hebben gestuurd en tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2026. In deze beschikking zal de rechtbank de verzoeken van ASR en het verweer van de ouders beoordelen.\n\nIs de zaak geschikt voor behandeling in deelgeschil?\n\n2.2.. ASR heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen in het geval een persoon een ander aansprakelijk houdt voor schade die hij lijdt door dood of letsel. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van in dit geval letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissingen kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n2.3.. De ouders voeren aan dat dit deelgeschil zich er niet voor leent de buitengerechtelijke afwikkeling van de letselschade te bevorderen. Dit verweer volgt de rechtbank niet. ASR verzoekt de rechtbank om de ouders te bevelen om – kort gezegd – mee te werken aan de schadeafwikkeling en het inschakelen van een zorgregisseur. Met een oordeel over de vraag of de ouders daartoe gehouden zijn, zou de ontstane impasse tussen partijen kunnen worden doorbroken en zou het schadetraject kunnen worden voortgezet.\n\n2.4.. De ouders voeren verder aan dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. In dit verband wijzen de ouders erop dat de kern van het geschil niet alleen de schadeafwikkeling binnen het kader van de WAM (Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) is, maar ook het institutioneel en moreel falen van ASR. De ouders hebben hierover een groot aantal klachtbrieven aan ASR gestuurd, maar deze zijn inhoudelijk onbeantwoord gebleven. Kort gezegd beklagen de ouders zich over de manier waarop ASR is omgegaan met het schadetraject. ASR zou in samenspraak met de toenmalige belangenbehartiger van de ouders aan schadesturing hebben gedaan. Daarnaast heeft ASR de schijn van partijdigheid gewekt door de ouders niet te informeren dat zij konden kiezen voor een eigen medisch adviseur in plaats van een gezamenlijke. ASR heeft ook een zorgregisseur ingeschakeld die bij ASR werkzaam is geweest. Ten slotte beklagen de ouders zich over het uitblijven van een inhoudelijke reactie op hun klachten. ASR betwist de verwijten die de ouders haar maken.\n\n2.5.. In dit deelgeschil kan de rechtbank niet beoordelen of de verwijten die de ouders ASR maken over de wijze waarop het dossier is behandeld terecht zijn. Dat staat echter niet in de weg aan de beoordeling van de verzoeken die ASR in dit deelgeschil doet. Er is namelijk geen sprake van een onlosmakelijke samenhang tussen de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] en de wijze van institutionele behandeling van de zaak door ASR, zoals de ouders betogen. Partijen kunnen het traject over de afwikkeling van de schade die [minderjarige] als gevolg van het ongeval heeft geleden en lijdt (weer) oppakken zonder dat het geschil over de verwijten die de ouders ASR maken al wordt beslecht. Dat geschil kunnen de ouders desgewenst in een (afzonderlijke) procedure aan de rechter of een andere daarvoor in aanmerking komende instantie voorleggen, zoals zij zeggen voornemens te zijn.Een dergelijke procedure kan dan eventueel parallel lopen met het reguliere schadetraject.\n\nMoet een bijzondere curator worden benoemd?\n\n2.6.. Het meest verstrekkende standpunt van ASR is dat de rechtbank een bijzondere curator als bedoeld in artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) benoemt, die [minderjarige] zowel in als buiten rechte zal vertegenwoordigen met betrekking tot de schadeafwikkeling. Volgens ASR moet deze stap gezet worden, omdat de ouders niet bereid blijken de schadeafwikkeling op de reguliere manier te hervatten, wat niet in het belang van [minderjarige] is.\n\n2.7.. De ouders zijn het daarmee niet eens. Zij voeren aan dat er geen sprake is van een tegenstrijdig belang tussen ouders en kind.\n\n2.8.. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 1:250 lid 1 BW (voor zover van belang) is bepaald dat als een zaak aanhangig is, de desbetreffende rechter een bijzondere curator kan benoemen voor aangelegenheden over het vermogen van de minderjarige. De rechter zal dit alleen doen als hij dit noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige en wanneer de belangen van de ouders in strijd zijn met die van de minderjarige.\n\n2.9.. \n [minderjarige] is het slachtoffer geworden van een verkeersongeval, waarbij hij rijdend op zijn fiets in botsing is gekomen met een bestelbus. Hij heeft daardoor zeer ernstig (hersen)letsel opgelopen. ASR heeft als WAM-verzekeraar van de bestelbus erkend dat haar verzekerde aansprakelijk is voor het ongeval en dat zij de volledige schade van [minderjarige] die het gevolg is van het ongeval zal vergoeden. [minderjarige] heeft er belang bij dat de ongevalsgerelateerde schade wordt vergoed. Dit belang hebben de ouders ook. In zoverre zijn de belangen van de ouders en die van [minderjarige] niet tegenstrijdig.\n\n2.10.. De schadeafwikkeling is in een impasse geraakt nadat de ouders het standpunt hebben ingenomen dat sprake is van moreel en institutioneel falen van ASR en dat dit onderdeel moet zijn van de schadeafwikkeling. De ouders hebben in dit verband in meerdere brieven aan ASR aanspraak gemaakt op schadevergoeding, inmiddels oplopend tot een bedrag van 175 miljoen euro. ASR is het niet eens met de visie van de ouders en heeft hen laten weten niet bereid te zijn dergelijke bedragen te betalen. ASR wil het schadetraject wel verder oppakken, maar heeft daarbij de medewerking van de ouders nodig voor onder meer het verstrekken van inlichtingen en het inschakelen van deskundigen. Het schadetraject is sindsdien stil komen te liggen.\n\n2.11.. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat het schadetraject weer wordt hervat. Op dit moment is ASR verstoken van informatie over het precieze letsel van [minderjarige] , welke zorg hij ontvangt en\u002Fof zou moeten ontvangen en wat de verwachtingen zijn over het (eventuele) herstel. ASR is daardoor niet in staat te bepalen of het uitkeren van een nader voorschot op de schade aan de orde kan zijn, en zo ja tot welk bedrag. Ook kan ASR niet beoordelen of van haar als WAM-verzekeraar wordt verwacht dat zij een bijdrage levert aan het inschakelen van de zorg die [minderjarige] nodig heeft. Dat dit allemaal niet gebeurt, is niet in het belang van [minderjarige] .\n\n2.12.. Van de ouders mag daarom worden verwacht dat zij in het belang van [minderjarige] (verder) meewerken aan het voortzetten van het schadetraject. Dit houdt kort gezegd in dat in kaart moet worden gebracht welke zorg [minderjarige] nodig heeft en of deze op dit moment voldoende wordt ingezet, en welke schade [minderjarige] als gevolg van het ongeval heeft geleden en lijdt en wat de omvang daarvan is. Ook moet gekeken worden naar de toekomstverwachtingen. Het ligt in een zaak als deze voor de hand dat dit onder meer dient te gebeuren door deskundigen in te schakelen die daarover rapporteren. Daartoe zullen de ouders relevante informatie over [minderjarige] met (de medisch adviseur van) ASR en\u002Fof in te schakelen deskundigen moeten delen om dat mogelijk te maken. Dit alles in het belang van [minderjarige] .\n\n2.13.. Hoewel de rechtbank ziet dat de ouders daaraan tot op heden onvoldoende meewerken en dit de belangen van [minderjarige] kan schaden, zal zij geen bijzondere curator benoemen. Dit vindt de rechtbank (vooralsnog) een te vergaande maatregel en (nog) niet noodzakelijk. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling van 9 februari 2026 de indruk gekregen dat de ouders het beste met hun zoon voor hebben. Zij hebben aangevoerd dat geen sprake is van stagnatie van medische behandeling of van een situatie waarin het vermogen of welzijn van [minderjarige] direct gevaar loopt. Dat wil echter niet zeggen dat de manier waarop zij tot op heden met het schadetraject omgaan, ook in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank benadrukt nogmaals, dat zij hun verwijten over het institutioneel en moreel falen van ASR zullen moeten scheiden van de stappen die moeten worden gezet om te komen tot een (reguliere) afwikkeling van de schade van [minderjarige] . Door dat als een geheel te blijven zien, blijft de impasse bestaan en ligt de schadeafwikkeling volledig stil. Hoewel het vanuit het perspectief van de ouders te begrijpen is dat zij hun verwijten moeilijk los kunnen zien van de schadeafwikkeling en dat zij geen vertrouwen hebben in ASR, is het belang van [minderjarige] er wel mee gediend dat stappen gezet worden in het schadetraject.\n\n2.14.. Zoals de rechtbank hierna zal toelichten , zullen de ouders daarom moeten meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur. De rechtbank hoopt dat die stap en wat zij hiervoor verder heeft overwogen, de ouders ertoe zal aanzetten weer mee te werken aan het schadetraject. De ouders moeten zich wel realiseren, dat als zij dit niet gaan doen, later over de benoeming van een bijzondere curator anders geoordeeld zou kunnen worden.\n\nMoeten de ouders meewerken aan de totstandkoming van deskundigenrapporten en de benodigde informatie verstrekken?\n\n2.15.. ASR verzoekt onder I de ouders te gelasten om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan en inlichtingen te verstrekken voor het volgens de in Nederland geldende regels in kaart brengen van de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] , onder meer maar niet alleen door onafhankelijke deskundigen. Uit de toelichting op dit verzoek begrijpt de rechtbank dat ASR hiermee voornamelijk wil bereiken dat de ouders gaan meewerken aan de totstandkoming van deskundigenrapporten en dat zij ASR en\u002Fof de deskundigen de benodigde informatie zullen verstrekken.\n\n2.16.. De ouders voeren aan dat een verplichting tot meewerken zonder heldere kaders of waarborgen onbepaald is en potentieel eenzijdig in te vullen. Dit verweer slaagt. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek te algemeen en te weinig concreet is geformuleerd om te kunnen toewijzen. Zo is niet duidelijk welke deskundigenonderzoeken nodig zijn, welke deskundigen dat zouden moeten uitvoeren en welke vragen aan een deskundige moeten worden voorgelegd. De ouders moeten daarover afzonderlijke standpunten kunnen innemen en daarmee verdraagt het verzoek zoals dat is geformuleerd zich niet. Daarnaast is onvoldoende concreet omschreven wat de noodzakelijke medewerking zou moeten inhouden en welke informatie zou moeten worden verschaft. De rechtbank wijst verzoek I om die redenen af.\n\n2.17.. Het voorgaande neemt niet weg, dat het in het belang van [minderjarige] is dat de ouders weer gaan meewerken aan het schadetraject(zie 2.11 en 2.12). De rechtbank doet een dringend beroep op de ouders om dit gaan doen. Daarbij kan het behulpzaam zijn als de ouders (weer) een belangenbehartigerin de arm nemen om hen daarin te begeleiden en te adviseren. Dit alles betekent niet dat de ouders klakkeloos moeten instemmen met wat ASR voorstelt, zij mogen over de verschillende te zetten stappen hun eigen standpunten innemen. Bij de schadeafwikkeling zijn partijen wel - hoewel zij geen contractuele relatie met elkaar hebben - gehouden zich tegenover elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. In het geval over concrete punten een geschil ontstaat, kan de meest gerede partij dat (in een daarvoor geëigende procedure) voorleggen aan de rechtbank.\n\nMoeten de ouders meewerken aan het inschakelen van een zorgregisseur?\n\n2.18.. Het tweede verzoek van ASR is dat de ouders moeten meewerken aan het inschakelen van een onafhankelijke zorgregisseur om de zorg die [minderjarige] nodig heeft te kunnen vaststellen. Dit verzoek zal de rechtbank op de hierna te melden wijze toewijzen. Zoals hiervoor overwogen, is het namelijk in het belang van [minderjarige] (en ASR) dat de zorg(behoefte) in kaart wordt gebracht en dat de zorg waar nodig (door of met behulp van ASR) wordt ingeschakeld. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ook verklaard niet afwijzend tegenover het inschakelen van een zorgregisseur te staan.\n\n2.19.. De rechtbank zal de ouders niet verplichten mee te werken aan het inschakelen van de zorgregisseur die ASR voorstelt (Trivium Advies). De ouders hebben weinig tot geen vertrouwen in ASR en daarom zal de rechtbank bepalen dat de ouders een zorgregisseur mogen kiezen die is ingeschreven bij het Nationaal Keurmerk Letselschade. De ingeschreven zorgregisseurs zijn te vinden op de website https:\u002F\u002Fdeletselschaderaad.nl\u002Fnkl\u002Fberoepsgroep-categorie\u002Fherstelgerichte-dienstverleners. De ouders zullen hun keuze binnen drie weken na deze beschikking schriftelijk aan de advocaat van ASR moeten doorgeven en toestemming moeten geven voor het inschakelen van de betreffende zorgregisseur. Ook zullen de ouders moeten meewerken met de zorgregisseur, zodat deze zijn werkzaamheden kan uitvoeren, en de inlichtingen aan de zorgregisseur moeten verstrekken die de zorgregisseur nodig acht.\n\nKosten deelgeschil\n\n2.20.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure aan de zijde van de ouders begroten. Niet gebleken is dat zij kosten hebben gemaakt voor het voeren van de procedure, anders dan het griffierecht dat bij hen in rekening zal worden gebracht. De rechtbank zal de kosten van de ouders daarom begroten op een bedrag van € 331,00 aan griffierecht. ASR zal tot betaling daarvan aan de ouders worden veroordeeld.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1.. gelast de ouders mee te werken aan het inschakelen van een zorgregisseur door:\n\neen zorgregisseur te kiezen die is ingeschreven bij het Nationaal Keurmerk Letselschade (https:\u002F\u002Fdeletselschaderaad.nl\u002Fnkl\u002Fberoepsgroep-categorie\u002Fherstelgerichte-dienstverleners) en binnen drie weken na deze beschikking de zorgregisseur van hun keuze schriftelijk aan de advocaat van ASR door te geven;\n\naan (de advocaat van) ASR schriftelijke toestemming te geven voor het inschakelen van die zorgregisseur;\n\nmee te werken aan de werkzaamheden van de zorgregisseur en aan de zorgregisseur de inlichtingen te verschaffen die deze nodig acht,\n\n3.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 331,00 voor het door de ouders te betalen griffierecht en veroordeelt ASR tot betaling daarvan aan de ouders,\n\n3.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6281","ecli-nl-rbnho-2026-6281",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":58,"ecli":59,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":60,"fullText":61,"language":7,"source":17,"sourceUrl":62,"summary":14,"slug":63,"metadata":64},"1791","ECLI:NL:RBNHO:2026:5735","2026-05-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F368453 \u002F HA ZA 25-463\n\nVonnis van 13 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nadvocaat: mr. M.B. Bollen,\n\ntegen\n\n1. de ontbonden vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid\n\n [VvE Bungalowpark],\n\nte [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. L.E. Huard, 2. de ontbonden besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nSCHATZENBURG B.V.,\n\nte Menaldum, gemeente Menaldumadeel,\n\nadvocaat: mr. K. Straathof,\n\ngedaagde partijen,\n\nen\n\n3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nLECC EXPLOITATIE DE HORN B.V.,\n\nte Tuitjenhorn, gemeente Schagen,\n\ngevoegde partij aan de zijde van de gedaagde partijen,\n\nadvocaat: mr. K. Straathof.\n\nPartijen zullen hierna [eiser] , de VvE, Schatzenburg en Lecc Exploitatie genoemd worden.\n\nDe zaak in het kort\n\nLecc Exploitatie exploiteert een bungalowpark. [eiser] is eigenaar van twee huisjes op het bungalowpark. [eiser] is van mening dat een aantal artikelen uit de leveringsakte van 2003 (waaronder een kettingbeding) ontbonden dan wel waardeloos verklaard moeten worden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af. De leveringsakte kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van de koopovereenkomst. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. Ten overvloede wijst de rechtbank er nog op dat in een groot aantal uitspraken van deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam al is geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie daarvan. Gelet daarop is er nog wel een schuldeiser die [eiser] kan aanspreken op grond van de leveringsakte. [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten die hoger zijn dan het gebruikelijke liquidatietarief, omdat er sprake is van misbruik van recht.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 24 december 2025;\n\n- de mondelinge behandeling van 25 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Bollen heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen;\n\n- het door mr. Bollen ter zitting overgelegde kadasterdocument.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Bungalowpark De Horn (hierna: het bungalowpark) is een in Dirkshorn gelegen bungalowpark met circa 250 houten en circa 90 stenen huisjes.\n\n2.2.. Op enig moment heeft De Horn B.V. het bungalowpark gekocht. De Horn B.V. heeft in 2003 de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. verkocht daarnaast houten huisjes met ondergrond aan particulieren.\n\n2.3.. Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). De in die algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva van het bungalowpark (behoudens registergoederen en daaraan verbonden leningen) zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie.\n\n2.4.. Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij aan Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven.\n\n2.5.. \n [eiser] is sinds 2003 eigenaar van een kadastraal perceel met daarop een houten huisje. Sinds 2015 is hij ook eigenaar van een tweede huisje.\n\n2.6.. \n\nIn de akte van levering van 12 december 2003 bij de koop van het eerste huisje is op pagina 6 en volgende onder andere het volgende opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen:\n\n“Gebruik gemeenschappelijke voorzieningen\n\nArtikel 1\n\na. De koper is bevoegd gebruik te maken van de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde voorzieningen welke in het bungalowpark waarin het hierbij verkochte is gelegen, zijn aangebracht. De koper dient jaarlijks aan de beheerder een bedrag van vier honderd vijftig euro € 450,00) exclusief omzetbelasting te betalen als bijdrage in de kosten (…).\n\n(…)\n\nInstandhouding van kleuren\n\nArtikel 2\n\n(…)\n\nGebruik opstal\n\nArtikel 3\n\n(…)\n\nBestemmingsplan\n\nArtikel 4\n\n(…)\n\nKettingbeding\n\nArtikel 5\n\nDe in artikel 1, 2, 3 en 4 vermelde verplichtingen en verboden, alsmede de onderhavige verplichting (artikel 5) gelden niet slechts voor de koper in deze maar ook voor zijn opvolgers in de eigendom en dienen bij iedere eigendomsoverdracht bij wijze van kettingbeding ten behoeve van de verkopers aan de verkrijger te worden opgelegd, zodanig dat deze rechtstreeks nakoming van de nieuwe eigenaar kunnen vorderen op straffe van een direkt opeisbare boete van twee en twintig duizend zeven honderd euro (€ 22.700,00) aan en ten behoeve van de verkopers verschuldigd.”\n\n2.7.. Bij vonnis van deze rechtbank van 18 februari 2015is onder meer beslist dat [eiser] gebonden is aan de hiervoor in de akte van levering genoemde regelingen, waaronder het kettingbeding. Het vonnis is bekrachtigd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016.Kort gezegd staat in het arrest dat het gerechtshof: “verklaart voor recht dat de eigenaren gehouden zijn tot betaling aan Lecc Exploitatie van een parkbijdrage per object of samenstel van objecten dat aan hen is geleverd bij een afzonderlijke leveringsakte waarin het kettingbeding is opgenomen.”\n\n2.8.. \n\nBij vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 5 januari 2022is - voor zover van belang - het volgende geoordeeld over het kettingbeding in de leveringsakte van 2003:\n\n“4.7. Vaststaat dat voornoemd arrest van het gerechtshof Amsterdam(toevoeging rechtbank: het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016)voor [eiser] in kracht van gewijsde is gegaan. Immers, [eiser] was partij bij dat arrest en is niet in cassatie gegaan. Het bepaalde in artikel 236 Rv brengt dan mee dat het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van [eiser] op voornoemde geschilpunten onherroepelijk heeft beslist, en dat deze geschilpunten in deze procedure niet opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld.\n\n4.8.. Dit geldt ook voor de rechtsoordelen die zijn vervat in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, waarop Lecc zich ook beroept. In dat hoger beroep heeft [eiser] het in het arrest van 25 oktober 2016 als tardief gepasseerde verweer opnieuw gevoerd, te weten dat de rechten uit het kettingbeding niet rechtsgeldig door De Horn B.V. aan de VvE zijn gecedeerd omdat een mededeling daarvan zou ontbreken. Het gerechtshof heeft daarop op 5 februari 2019 geoordeeld dat het feit dat de VvE na de cessie gefactureerd heeft voor de parkbijdragen, te beschouwen is als toereikende mededeling van de overdracht van het recht op de parkbijdragen en dus van de rechten uit het kettingbeding. Vast staat dat [eiser] niet in cassatie is gegaan tegen dit arrest.\n\n4.9.. De kantonrechter neemt de onherroepelijke rechtsoordelen en beslissingen van het gerechtshof Amsterdam in de hierboven genoemde uitspraken dus als uitgangspunt, en gaat voorbij aan hetgeen [eiser] in deze procedure opnieuw aan de orde stelt over het doorbreken van het kettingbeding, zijn gebondenheid daaraan tegenover Lecc en zijn daaruit voortvloeiende verplichting om parkbijdragen te betalen, de rechtsgeldigheid van de cessie, de volmacht van [naam 2] en de afvalkosten. De daarover door [eiser] aangevoerde argumenten stuiten af op het gezag van gewijsde.”\n\n2.9.. Het gerechtshof Amsterdam heeft dit vonnis van de kantonrechter van 5 januari 2022 bekrachtigd bij arrest van 19 december 2023.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, na eisvermindering ter zitting, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair\n\nI. de artikelen 1, 2, 3 en 5, zoals vermeld op pagina 6 tot en met 9 van de akte van levering d.d. 12 december 2003, zoals als productie 2 overgelegd, ontbindt;\n\nII. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nsubsidiair\n\nIII. de inschrijving van de artikelen 1, 2, 3 en 5, zoals vermeld op pagina 6 tot en met 9 van de akte van levering d.d. 12 december 2003, zoals als productie 2 overgelegd, in de openbare registers waardeloos verklaart ex artikel 3:29 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);\n\nIV. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Bij de akte van levering van 29 december 2003 heeft Schatzenburg het resterende deel van haar eigendom verkocht aan de VvE. In deze akte van levering zijn alle rechten van Schatzenburg op [eiser] aan de VvE gecedeerd. Schatzenburg is per 8 februari 2016 ontbonden, terwijl de VvE is ontbonden per 27 december 2022. Er is derhalve thans niemand meer die [eiser] kan aanspreken op grond van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de akte van levering van 12 december 2003. Op grond van artikel 6:259 lid 1 sub a BW verzoekt [eiser] dan ook dat de overeenkomst tussen [eiser] en de VvE wordt ontbonden, in die zin dat de artikelen 1, 2, 3 en 5 geen toepassing meer kennen. Volgens [eiser] is het namelijk in strijd met het algemeen belang om een verplichting te laten voortduren waar niemand belang meer bij heeft. Daarnaast is er geen schuldeiser meer, Schatzenburg heeft immers haar rechten gecedeerd aan de VvE en die laatste is ontbonden. Subsidiair vordert [eiser] dat de rechtbank de inschrijving van de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de leveringsakte van 12 december 2003 in de openbare registers waardeloos verklaart ex artikel 3:29 BW.\n\n3.3.. De VvE voert aan dat zij in 2012 haar registergoederen aan [naam 1] heeft geleverd en dat de VvE in 2016 is ontbonden. Voor het overige heeft de VvE zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.4.. Lecc Exploitatie en Schatzenburg voeren verweer.\n\n3.4.1.. \n\nLecc Exploitatie heeft aangevoerd dat de toenmalige eigenaren het bungalowpark hebben verkocht aan De Horn B.V. In 2003 heeft De Horn B.V. vervolgens de algemene delen van het bungalowpark verkocht en geleverd aan de VvE. De Horn B.V. heeft daarnaast de houten huisjes met ondergrond en parkeerplaatsen aan particulieren verkocht. Op 27 januari 2012 heeft de VvE de algemene delen van het bungalowpark geleverd aan [naam 1] . De in de algemene delen van het bungalowpark begrepen registergoederen heeft [naam 1] diezelfde dag nog geleverd aan Lecc Vastgoed B.V. De activa en passiva (behoudens de registergoederen en daaraan verbonden leningen) van het bungalowpark zijn diezelfde dag door [naam 1] geleverd aan Lecc Exploitatie. Op 1 februari 2012 is tussen Lecc Vastgoed B.V. en Lecc Exploitatie een overeenkomst gesloten waarbij Lecc Exploitatie het alleenrecht van exploitatie van het bungalowpark is gegeven. Lecc Exploitatie voert aan dat de vorderingen voortvloeiende uit het kettingbeding steeds rechtsgeldig zijn gecedeerd aan de rechtsopvolgers en dat zij [eiser] kan aanspreken op basis van dat kettingbeding. [eiser] is dan ook gebonden aan het kettingbeding zoals in de akte van levering van 12 december 2003 opgenomen. Dit is al in meerdere uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam bepaald.\n\nBovendien weet [eiser] dat hij de rechtbank verkeerd voorlicht door te stellen dat er geen partij meer is die hem kan aanspreken op basis van het kettingbeding en gebruikt hij steeds al in eerder gevoerde procedures aangevoerde (en in die procedures beoordeelde) argumenten opnieuw.\n\n3.4.2.. Schatzenburg heeft samengevat aangevoerd dat [eiser] het tegen beter weten in doet voorkomen alsof er na het cederen van alle rechten door Schatzenburg aan de VvE geen nadere cessie heeft plaatsgevonden. Dit terwijl bij vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2016is overwogen dat de rechten en verplichtingen van De Horn B.V. jegens [eiser] voortvloeiend uit het kettingbeding in de akte van levering van 12 december 2003 steeds rechtsgeldig van kracht zijn gebleven en op correcte wijze zijn overgedragen aan de opeenvolgende kopers. [eiser] is dan ook gehouden een parkbijdrage te betalen aan Lecc Exploitatie. [eiser] heeft de rechtbank gelet op het voorgaande bewust onjuist en onvolledig voorgelicht en daarmee bewust in strijd met 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) gehandeld.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Deze zaak komt er in het kort op neer dat [eiser] van mening is dat er geen schuldeiser meer is die rechtsgeldig een beroep kan doen op het kettingbeding zoals opgenomen in de akte van levering van 12 december 2003 (zie hiervoor onder 2.6) en dat de bepalingen 1, 2, 3 en 5 van die leveringsakte daarom in strijd zijn met artikel 6:259 lid 1 sub a BW en\u002Fof artikel 3:29 BW. Lecc Exploitatie heeft betwist dat er geen schuldeiser meer is en heeft toegelicht hoe de rechten en verplichtingen van De Horn B.V. voortvloeiende uit de akte van levering van 12 december 2003 - na aan een aantal andere partijen te zijn overgedragen - gecedeerd zijn aan Lecc Exploitatie. Volgens Lecc Exploitatie heeft [eiser] dan ook geen grondslag om zich te beroepen op de hiervoor genoemde artikelen. Daarbij voert Lecc Exploitatie aan dat de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam al een aantal keer hebben bepaald dat de rechten en plichten ten opzichte van [eiser] uit de leveringsakte keer op keer correct zijn gecedeerd aan een opvolgende partij en zo uiteindelijk bij Lecc Exploitatie zijn komen te liggen.\n\nBeoordeling op grond van artikel 6:259 lid 1 sub a BW4.2.. \n [eiser] beroept zich primair op artikel 6:259 lid 1 sub a BW en subsidiair op artikel 3:29 BW. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat de advocaat van [eiser] ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat het gevolg van de ontbinding van artikelen 1, 2, 3 en 5 van de leveringsakte van 12 december 2003 zou moeten zijn dat de inschrijving van die artikelen waardeloos verklaard moet worden (ex artikel 3:29 BW). De rechtbank leidt daaruit af dat [eiser] bedoelt dat artikel 3:29 BW een uitvloeisel is van artikel 6:259 lid 1 sub a BW en dat daaraan aldus geen zelfstandige betekenis toekomt. Hierna zal de rechtbank dan ook alleen het standpunt van [eiser] ten aanzien van artikel 6:259 lid 1 sub a BW beoordelen.\n\nAfwijzen vorderingen [eiser]4.3.. \n\nIn het petitum van de dagvaarding heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank de artikelen 1, 2, 3 en 5 van de akte van levering van 12 december 2003 zal ontbinden. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] dit bevestigd na vragen hierover van de rechtbank.\n\nGelet daarop oordeelt de rechtbank als volgt. De leveringsakte van 12 december 2003 kwalificeert niet als een overeenkomst tussen twee partijen, maar is een notarieel document en een uitvloeisel van een koopovereenkomst tussen twee partijen. Ontbinding van die leveringsakte is daarom niet mogelijk. De conclusie die daaruit volgt is dan ook dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden.\n\nGezag van gewijsde4.4.. In het voorgaande heeft de rechtbank geconcludeerd dat de vorderingen van [eiser] afgewezen moeten worden. Maar zelfs al zou de rechtbank tot de conclusie zijn gekomen dat de leveringsakte wel (gedeeltelijk) ontbonden zou kunnen worden of gedeeltelijk waardeloos zou kunnen worden verklaard (hetgeen dus niet het geval is), dan zouden de argumenten van [eiser] niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan [eiser] heeft gesteld, is er nog wel een schuldeiser die hem kan aanspreken op grond van de leveringsakte van 12 december 2003.\n\n4.5.. Het gerechtshof Amsterdam heeft (zie 2.7 en 2.8) immers in 2016 al geoordeeld over het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie en heeft toen bepaald dat de eigenaren gehouden zijn tot betaling aan Lecc Exploitatie van een parkbijdrage per object of samenstel van objecten dat aan hen is geleverd bij een afzonderlijke leveringsakte waarin het kettingbeding is opgenomen. Vervolgens is in uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam in 2018,2019,2022en 2023herhaald dat het kettingbeding rechtsgeldig is gecedeerd aan Lecc Exploitatie dan wel dat sprake is van gezag van gewijsde inzake het kettingbeding, waardoor de rechtbank gebonden is aan de eerdere beslissingen over hetzelfde feitencomplex voor wat betreft de geldige cessie en het voortbestaan van het kettingbeding in de leveringsakte van 2003.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft weliswaar op de zitting erkend dat in uitspraken van de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam (onder andere) is uitgemaakt dat het kettingbeding rechtsgeldig is gecedeerd aan Lecc Exploitatie, maar volgens hem heeft het gerechtshof Amsterdam in 2016 met haar uitspraak een juridische dwaling begaan en is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, waardoor het gezag van gewijsde doorbroken zou moeten worden. [eiser] voert daar grofweg drie argumenten voor aan: (1) het door [eiser] ter zitting overgelegde kadaster-stuk van 12 juli 2011; (2) een verklaring van notaris Sterel uit 2012 naar aanleiding van een door [eiser] tegen Sterel ingediende klacht; en (3) het feit dat [eiser] geen cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 heeft ingesteld omdat hij geen cassatieadvocaat kon vinden die heil zag in een cassatieberoep en hij daarvoor bovendien onvoldoende steun kreeg vanuit de VvE.\n\n4.7.. De rechtbank komt tot de conclusie dat het gezag van gewijsde niet doorbroken kan worden. [eiser] heeft ten eerste niet toegelicht wat hij met het door hem ter zitting ingebrachte kadaster-stuk van 12 juli 2011 wil aantonen, zodat dit geen onderbouwing van zijn standpunt vormt. Voor zover [eiser] zich verder beroept op een volgens hem nieuw aan het licht gekomen verklaring van notaris Sterel, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze verklaring reeds uit 2012 stamt en, zoals aangevoerd door Lecc Exploitatie, die verklaring gaat over de vraag of [naam 1] en Lecc Exploitatie huisjeseigenaren kunnen houden aan verplichtingen die zij jegens de VvE op zich hebben genomen door ondertekening van een beheersovereenkomst. Dat onderwerp en deze verklaring zijn eerder al aan de orde is gekomen in het arrest van 5 februari 2019,zodat ook dit geen nieuw feit is of nieuwe omstandigheden zijn. Verder staat vast dat [eiser] geen cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016. Dat heeft tot gevolg dat hij aan het oordeel van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016 is gebonden. Waarom [eiser] geen cassatie heeft ingesteld, is niet relevant.\n\n4.8.. De conclusie is dan ook dat ook deze rechtbank is gebonden aan de eerder (onherroepelijk) gedane uitspraken, waaronder de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 oktober 2016, over het rechtsgeldig cederen van het kettingbeding aan Lecc Exploitatie. Deze uitspraak is immers in gezag van gewijsde gegaan en het gezag van gewijsde kan op grond van het voorgaande niet worden doorbroken.\n\nProceskosten4.9.. \n\n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Lecc Exploitatie heeft verzocht om af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief, omdat [eiser] volgens haar misbruik van procesrecht maakt. Er is onder andere sprake van misbruik van procesrecht als het innemen van stellingen - gelet op de evidente ongegrondheid daarvan - in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Dat is hier het geval. [eiser] had op voorhand moeten begrijpen dat zijn herhaalde stellingen over (kort gezegd) het kettingbeding en de rechtsgeldigheid van de cessie geen kans van slagen hadden, omdat daarop al onherroepelijk door deze rechtbank en het gerechtshof Amsterdam is beslist. Door die stellingen in de onderhavige procedure opnieuw in te nemen, heeft [eiser] onnodig en tegen beter weten in geprocedeerd. Daardoor heeft hij gedaagden nodeloos op (extra) kosten gejaagd. Bovendien heeft [eiser] de rechtbank bij dagvaarding onvolledig en onjuist voorgelicht door achterwege te laten dat er eerdere procedures tussen partijen zijn gevoerd waarin al is bepaald dat Lecc Exploitatie recht heeft op de parkbijdrage door geldige cessies van het kettingbeding. Daarmee heeft [eiser] gehandeld in strijd met artikel 21 Rv. Daarom is afwijking van het uitgangspunt dat het salaris advocaat volgens het toepasselijke liquidatietarief wordt berekend gerechtvaardigd. Het toepasselijke liquidatietarief van € 653,- zal worden vermenigvuldigd met twee, tot € 1.306,- per proceshandeling.\n\nTen aanzien van VvE zal de rechtbank het normale liquidatietarief in rekening brengen, omdat de VvE geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiser] en zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n4.10.. De proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n3.918,00\n\n(3 punten × € 1.306,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n4.821,00\n\n4.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.12.. De proceskosten van VvE worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie van € 4.821,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van Schatzenburg en Lecc Exploitatie als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van VvE van € 2.209,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,5.5.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.\n\n AFS\u002FBdM\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4267.\n\n Rechtbank Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:168.\n\nGerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.\n\n Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:3451.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Zie onder andere: Gerechtshof Amsterdam 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4267. Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:110. Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283. Rb. Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:2022:168. Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3451.\n\n Gerechtshof Amsterdam 16 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:110.\n\n Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.\n\n Rb. Noord-Holland 5 januari 2022, ECLI:NL:2022:168.\n\n Gerechtshof Amsterdam 19 december 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3451.\n\n Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:283.\n\n Zie eerder al overwogen bij deze rechtbank in r.o. 4.5-4.7. van ECLI:NL:RBNHO:2022:168.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5735","ecli-nl-rbnho-2026-5735",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":66,"ecli":67,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":68,"fullText":69,"language":7,"source":17,"sourceUrl":70,"summary":14,"slug":71,"metadata":72},"1757","ECLI:NL:RBNHO:2026:5734","2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F375585 \u002F KG ZA 26-118\n\nVonnis in kort geding van 29 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\nadvocaat: mr. D.W. Ruys,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nin hoedanigheid van executeur en erfgenaam van de nalatenschap van [erflaatster],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. J. Bouter.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 13 maart 2026, met producties 1-6;\n\n- de producties 1-16 namens [gedaagde] ; - de mondelinge behandeling van 13 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van mr. Ruys, - de pleitnota van mr. Bouter.\n\n1.2.. De zaak is na afloop van de mondelinge behandeling een week aangehouden, om partijen de gelegenheid te geven afspraken te maken. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen en hebben de voorzieningenrechter daarom verzocht om vonnis te wijzen.\n\n2. De uitgangspunten\n\n2.1.. Mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) is overleden op 15 september 2023. Op 16 november 2021 maakte zij haar laatste testament op, waarin zij haar echtgenoot, [gedaagde] , en haar twee kinderen ( [eiseres] en [zoon ] ) tot erfgenamen benoemde. [gedaagde] werd bovendien tot executeur benoemd.2.2.. In het testament is bepaald dat op de nalatenschap de wettelijke verdeling van toepassing is. Volgens het testament komt aan [gedaagde] 3\u002F6e deel, aan [zoon ] 2\u002F6e deel en aan [eiseres] 1\u002F6e deel van de nalatenschap toe. Het erfdeel van [eiseres] komt overeen met haar legitieme portie.\n\n2.3.. \n [gedaagde] heeft een boedelbeschrijving opgesteld. In de boedelbeschrijving zijn onder de schulden van de nalatenschap onder andere een schuld van € 82.911,36 opgenomen wegens openstaande declaraties van het kantoor van mr. J. Bouter en een schuld aan [zoon ] van € 20.000,-.\n\n2.4.. \n [eiseres] heeft [gedaagde] verzocht inzage te geven in alle bankafschriften over vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster, declaraties ter onderbouwing van de schuld aan het advocatenkantoor en betaalbewijzen in verband met de opgenomen schuld aan [zoon ] . [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiseres] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan [eiseres] een afschrift van alle bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen op naam van erflaatster en\u002Fof [gedaagde] te verstrekken, over een periode van vijf jaar voor het overlijden, integraal en ongeschoond;\n\nII. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, inzage te verstrekken in en afschrift te geven van alle declaraties, urenspecificaties en betaalbewijzen die ten grondslag liggen aan het in de boedelbeschrijving als schuld opgevoerde bedrag van € 82.911,36 wegens advocaatkosten van het kantoor van mr. J. Bouter;\n\nIII. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, inzage te verstrekken in en afschrift te geven van alle stukken waaruit zou blijken dat sprake is van een daadwerkelijke schuld van erflaatster aan haar zoon de heer [zoon ] ten bedrage van € 20.000,-, waaronder schriftelijke overeenkomsten, correspondentie en bankmutaties betreffende de gestelde betaling(en) en eventuele terugbetaling(en);\n\nIV. bepaalt dat [gedaagde] in privé bij gebreke van (tijdige) nakoming van de onder I. tot en met III. gevorderde verplichtingen een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag(deel) dat hij in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;\n\nV. [gedaagde] in privé veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n\n [eiseres] legt kort gezegd aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 4:16 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben erfgenamen jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. Dit omvat ook bewijsstukken van opgevoerde schulden. Verder zijn [eiseres] en [gedaagde] als erfgenamen krachtens artikel 3:166 lid 1 BW deelgenoten in de nalatenschap van erflaatster. Op grond van artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang met artikel 6:2 BW dienen deelgenoten jegens elkaar de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht te nemen. Een deelgenoot in een nalatenschap heeft in die zin tegenover de andere deelgenoten recht op inzage van alle stukken die deel uitmaken van de nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en de waarde van die nalatenschap van belang zijn.\n\nDaarnaast is in artikel 4:148 BW bepaald dat een executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven. Om te beoordelen of de legitieme portie van [eiseres] door schenkingen bij leven van erflaatster is geschonden en zij mogelijk een aanvullend beroep op haar legitieme portie dient te doen, heeft zij recht op de gevraagde bankafschriften en deze zelf te onderzoeken. Daarnaast wil [eiseres] controleren of de in de boedelbeschrijving opgenomen schulden aan het advocatenkantoor en [zoon ] kloppen.\n\n3.3.. \n\n [gedaagde] voert verweer en vindt dat hij de gevorderde stukken niet hoeft te verstrekken. Hij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. [gedaagde] verzet zich tegen het overleggen van vertrouwelijke correspondentie tussen advocaat en cliënt alsmede gedetailleerde urenspecificaties waaruit de inhoud van de behandeling van de zaak tussen [gedaagde] en de zoon van [eiseres] blijkt. [eiseres] heeft geen recht op onbeperkte inzage in vertrouwelijke informatie tussen advocaat en cliënt. Zelfs facturen behoeven volgens het verschoningsrecht niet te worden overgelegd.\n\nTen aanzien van de lening van € 20.000,- bij [zoon ] heeft [gedaagde] producties overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat na ontvangst van dat geld, [gedaagde] en erflaatster dit bedrag diezelfde dag en de dag erna aan de advocaat hebben betaald onder vermelding van de desbetreffende factuurnummers. Bovendien is er een schuldbekentenis opgemaakt tussen [zoon ] en [gedaagde] en erflaatster. Daarmee is voldoende inzage gegeven.\n\nVerder heeft [gedaagde] aangevoerd dat een bevel tot overleggen van alle bankafschriften het recht op eerbiediging van het privéleven raakt, artikel 4:16 lid 4 BW geen algemene controlerecht over iemands privé-uitgaven schept en [eiseres] geen beroep kan doen op artikel 4:148 BW omdat [gedaagde] zijn werkzaamheden als executeur al heeft voltooid.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nGeen spoedeisend belang4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft.\n\n4.2.. \n [eiseres] stelt dat haar spoedeisend belang gelegen is in het stagneren van de afwikkeling van de nalatenschap, zolang zij geen volledig en controleerbaar inzicht heeft in de omvang en juistheid van de opgevoerde advocaatkosten, de juistheid en toelaatbaarheid van de opgevoerde schuld aan haar broer en het verloop van de relevante bankrekeningen in de vijf jaren voorafgaand aan het overlijden van erflaatster. Zonder deze informatie kan [eiseres] haar erfdeel niet correct vaststellen, noch bepalen of en in hoeverre zij een aanvullend beroep op haar legitieme portie dient te doen. Bovendien verslechtert de bewijspositie van [eiseres] met het verstrijken van de tijd en wordt het herstel van eventuele onjuiste onttrekkingen of ten onrechte opgevoerde schulden praktisch steeds lastiger. In de komende maanden dreigen belangrijke bankafschriften verloren te gaan (in verband met de geldende wettelijke bewaartermijn voor banken), die mogelijk ook zien op de gemaakte advocaatkosten, lening en schenkingen. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang van [eiseres] betwist.4.3.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiseres] ontbreekt. Dit concludeert hij op basis van het feit dat [eiseres] - zoals zij zelf ook heeft gesteld - nog tot 15 september 2028 een aanvullend beroep op haar legitieme portie kan doen en de verklaring van mr. Bouter ter zitting dat hij (digitaal) beschikt over de gevraagde bankafschriften van de periode van vijf jaar voor het overlijden van erflaatster. [eiseres] hoeft dus niet te vrezen dat de gevorderde bankafschriften verloren zullen gaan. Verder beschikt [gedaagde] over de advocatendeclaraties van het kantoor van mr. Bouter. Ook hiervoor geldt dus dat de gevorderde stukken beschikbaar zijn, zodat niet gevreesd hoeft te worden dat deze er niet zullen zijn als pas in een bodemprocedure zou worden geoordeeld dat [gedaagde] daar afschriften van moet verstrekken. Ten aanzien van de gestelde lening aan [zoon ] heeft [gedaagde] in deze procedure al stukken overgelegd op basis waarvan [eiseres] haar standpunt daarover kan bepalen. Ook uit het willen verkrijgen van duidelijkheid over haar rechtspositie en het mogelijk stagneren van de afwikkeling van de nalatenschap, leidt de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang af.\n\n4.4.. De vorderingen van [eiseres] worden vanwege het voorgaande afgewezen. De overige standpunten van partijen behoeven daarom geen bespreking.\n\nProceskosten4.5.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om anders te beslissen over de proceskosten.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiseres] af,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5734","ecli-nl-rbnho-2026-5734",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":74,"ecli":75,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":76,"fullText":77,"language":7,"source":17,"sourceUrl":78,"summary":14,"slug":79,"metadata":80},"905","ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","2026-04-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F363642 \u002F HA ZA 25-176\n\nVonnis van 22 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de man,\n\nadvocaat: mr. H.I. Park,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. V. Goudriaan.\n\nDe zaak in het kort\n\nPartijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samengewoond in de woning, waarvan zij ieder voor de helft eigenaar zijn. In 2024 is de relatie van partijen beëindigd. Partijen zijn er niet in geslaagd onderling afspraken te maken over de verdeling van de woning. De rechtbank stelt de verdeling vast. Daarnaast beslist de rechtbank over een aantal geldvorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;\n\n- de akte vermeerdering eis tevens overlegging van producties van de man;\n\n- het bezwaar van de vrouw tegen de akte vermeerdering eis;\n\n- de reactie daarop van de man;\n\n- de beslissing van de rechtbank van 9 februari 2026 over het toelaten van de vermeerdering van eis;\n\n- de aanvullende productie 10 van de vrouw;\n\n- de mondelinge behandeling van 13 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De advocaat van de vrouw heeft spreekaantekeningen overgelegd en de vrouw heeft haar eis vermeerderd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De man en de vrouw hebben vanaf april 2020 een affectieve relatie gehad. Zij woonden samen in een woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] (hierna: de woning). De man en de vrouw zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning.\n\n2.2.. De relatie van de man en de vrouw is in juli 2024 beëindigd.\n\n2.3.. In november 2024 is de man een kortgedingprocedure gestart, waarin hij het uitsluitend gebruik van de woning vorderde. Naar aanleiding van de zitting in kort geding hebben partijen afgesproken opdracht te geven voor een taxatie van de waarde van de woning. De woning is getaxeerd op € 405.000,-.\n\n2.4.. Op 20 januari 2025 heeft de man aan de vrouw bericht dat hij de woning kan herfinancieren en gevraagd of zij ook de wens heeft en in staat is de woning over te nemen. De vrouw heeft laten weten dat dit het geval is. Dit heeft niet tot (verdere onderhandelingen over) de overname van de woning door een van partijen geleid.\n\n2.5.. Bij kortgedingvonnis van 24 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de vordering van de man om hem het exclusieve gebruik van de woning toe te kennen, afgewezen.\n\n2.6.. Partijen zijn er ook daarna niet in geslaagd om onderling afspraken te maken over verdeling van de woning.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. De man vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nPrimair\n\nI. bepaalt dat de woning tegen een waarde van € 405.000,-, of een nog te taxeren waarde, aan de man wordt toebedeeld, onder de verplichting om de vrouw te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening;\n\nII. de vrouw veroordeelt om binnen acht weken nadat de man een bindend hypotheekadvies heeft ontvangen haar medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke levering van de woning;\n\nIII. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder II. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nSubsidiair\n\nIV. de vrouw veroordeelt om binnen 14 dagen na dit vonnis alle medewerking te verlenen aan een zo spoedig mogelijke verkoop en levering van de woning door onder meer een verkoopopdracht te geven aan Luca Makelaardij, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nV. bepaalt dat, indien de door de rechtbank aangewezen makelaar zich terugtrekt, de man gerechtigd is een andere makelaar de verkoopopdracht te verstrekken en de vrouw ten aanzien van die makelaar gehouden is tot het onder IV. gevorderde;\n\nVI. bepaalt dat wanneer de vrouw weigert om medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van de voor de verkoop benodigde machtiging en handelingen van de vrouw;\n\nVII. de vrouw veroordeelt om medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen van de verkoopovereenkomst van de woning, waarbij de leveringstermijn door de kopers wordt bepaald, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nVIII. de vrouw veroordeelt om te verschijnen bij de door de kopers gekozen notaris op een door de notaris vast te stellen tijdstip, de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren dat door de notaris voor de levering noodzakelijk wordt geacht, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nIX. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder VI. tot en met VIII. gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nX. de vrouw veroordeelt de helft van de makelaarskosten en de helft van de notariskosten te betalen, alsmede de helft van eventuele andere kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning;\n\nXI. bepaalt dat de vrouw de notaris opdracht dient te geven de overwaarde van de woning bij helfte te delen, met dien verstande dat de man gerechtigd is om zijn vorderingen zoals omschreven onder XII en XIII op de vrouw met het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst te verrekenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nZowel primair als subsidiair\n\nXII. bepaalt dat de vrouw de helft van € 88.056,58, derhalve een bedrag van € 44.028,29 aan de man dient te voldoen uit hoofde van door de man gedane investeringen in de woning, waarbij de man gerechtigd is om dit bedrag te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIII. bepaalt dat de vrouw gehouden is om over de periode van 1 juni 2025 tot aan het moment dat de man het exclusief gebruik krijgt over de woning, bij te dragen in de helft van de aan de woning verbonden lasten, te weten € 688,57, waarbij de man gerechtigd is om al hetgeen de vrouw te weinig heeft betaald te verrekenen met de door hem aan de vrouw te betalen uitkoopsom, althans met het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst;\n\nXIV. bepaalt dat de vrouw haar medewerking zal verlenen aan verrekening van de onder XII en XIII genoemde vorderingen met de door de man aan haar te betalen uitkoopsom, dan wel het aan de vrouw toekomende deel van de verkoopopbrengst, door de notaris opdracht te geven om de onder XII en XIII genoemde vorderingen in mindering te brengen op c.q. te verrekenen met de aan de vrouw toekomende uitkoopsom, dan wel aan de man te voldoen vanuit de aan de vrouw toekomende verkoopopbrengst;\n\nXV. bepaalt dat wanneer de vrouw haar medewerking niet verleent aan het onder XII, XIII en XIV gevorderde, dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de vrouw aan die rechtshandelingen;\n\nXVI. bepaalt dat de goederen aan de man worden toebedeeld conform de door de man als productie 31 overgelegde inboedellijst;\n\nXVII. bepaalt dat de man het exclusieve woongenot van de woning zal hebben vanaf de datum van afgifte van dit vonnis, waarbij de man de volledige eigenaarslasten en gebruikerslasten voor zijn rekening neemt als gebruiksvergoeding en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man betreedt.\n\n3.2.. De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.4.. De vrouw vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nter zake van de geldlening\n\na. de man veroordeelt aan de vrouw de lening van € 6.500,- terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 november 2020 dan wel 24 juli 2025 tot aan de dag van algehele betaling en de wettelijke incassokosten van € 700,-;\n\nter zake van de gebruiksvergoeding\n\nprimair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op vijf procent van de helft van de overwaarde per jaar, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nsubsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen die wordt berekend op de helft van de eigenaarslasten en gebruikerslasten van de woning, vanaf 27 juli 2025 en zolang de vrouw hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening;\n\nmeer subsidiair\n\nde man veroordeelt om aan de vrouw een gebruiksvergoeding te betalen ter hoogte van een bedrag dat de rechtbank redelijk acht;\n\nter zake van de verdeling van de woning\n\nprimair\n\n- bepaalt dat de woning zal worden verkocht aan een derde, waarbij de man binnen één week na afgifte van het vonnis drie erkende verkoopmakelaars aan de vrouw noemt, waarvan de vrouw er binnen één week daarna één uitkiest die belast wordt met de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat, indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtbevestiging erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, de makelaar de vraagprijs bindend voor partijen vaststelt;\n\n- bepaalt dat als partijen geen overeenstemming kunnen bereiken over de verkoopprijs, partijen of één van hen aan de makelaar kunnen\u002Fkan verzoeken om de verkoopprijs bindend vast te stellen;\n\n- bepaalt dat, als de verkoopprijs bindend is vastgesteld, beide partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan de koper(s);\n\n- bepaalt dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering aan een derde te dragen;\n\n- bepaalt dat de netto-verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld;\n\n- bepaald dat de man een dwangsom dient te betalen van € 300,- voor iedere dag dat hij geen medewerking verleent aan de verkoop van de woning;\n\n- bepaalt dat wanneer de man zijn medewerking niet verleent aan het onder f. gevorderde, het vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de man aan die rechtshandelingen;\n\nsubsidiair\n\nde woning toedeelt aan de vrouw voor de waarde van € 420.000,- waarbij de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt gedeeld, onder verplichting van de vrouw de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan en onder voorwaarde dat partijen ter zake van de woning schriftelijk verklaren dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben;\n\nter zake van de vergoedingsrechten van de vrouw\n\nbepaalt dat de man aan de vrouw op grond van vergoedingsrechten een bedrag aan haar dient te betalen van € 17.830,44, dan wel een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, vermeerderd met de wettelijke rente;\n\nter zake de proceskosten\n\nde man veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente.\n\n3.5.. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw.\n\n3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\n4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.\n\nUitgangspunten\n\n4.2.. Partijen twisten over een groot aantal zaken. Deels gaat de discussie over de wijze waarop de gemeenschappelijke woning verdeeld moet worden, waarbij de vraag voorop staat of de man of de vrouw nog de gelegenheid moet krijgen om te proberen het aandeel van de ander in de woning over te nemen en zo ja, tegen welke waarde. Deels gaat de discussie over het exclusief gebruik van de woning en de vraag wie van partijen (welk deel van) de kosten van de woning moet betalen. Ook zijn er vorderingen ingesteld die zien op goederen op een inboedellijst en een geldlening. Ten slotte gaat het over vorderingen uit hoofde van vergoedingsrechten die partijen over en weer menen te hebben. Bij de beoordeling van al die geschilpunten gelden de volgende uitgangspunten.\n\n4.3.. In beginsel vindt verdeling van gemeenschappelijke goederen plaats op basis van de waarde van het betreffende goed ten tijde van de verdeling. Dat is slechts anders indien, kort gezegd, partijen iets anders overeenkomen of de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.\n\n4.4.. Waar het gaat om de diverse vorderingen\u002Fvergoedingsrechten die partijen op elkaar menen te hebben, is van belang dat partijen niet gehuwd waren en hun samenleving ook niet geregeld hadden in een samenlevingsovereenkomst. Daarmee zijn partijen zogenaamde informele samenlevers. Tussen partijen bestaat een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de beoordeling van de diverse vorderingen van partijen zal de rechtbank aan de hand van het algemene verbintenissenrecht moeten beoordelen of een partij ter zake van zijn\u002Fhaar uitgaven ten behoeve van de ander, zo deze vast komen te staan, een vergoedingsrecht jegens de ander geldend kan maken. Daarbij ligt het op de weg van degene die stelt een vorderingsrecht te hebben te stellen en zo nodig te bewijzen dat partijen daarover uitdrukkelijke dan wel stilzwijgende afspraken hebben gemaakt. Daarnaast is mogelijk dat een van de informeel samenlevenden, indien aan de voorwaarden van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking is voldaan, op een van die gronden een aanspraak heeft op teruggave of vergoeding van bepaalde uitgaven die zijn gegeven aan of ten gunste zijn gekomen van de andere informeel samenlevende.\n\n4.5.. Verder bestaat tussen informeel samenlevenden een rechtsverhouding die mede door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Ook als ter zake van bepaalde uitgaven niet een vergoedingsrecht van de ene samenlevende jegens de andere samenlevende kan worden aangenomen op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek geregelde rechtsfiguren, kan zo’n vergoedingsrecht in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in artikel 6:2 lid 1 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Het ligt op de weg van de samenlevende die aanspraak maakt op vergoeding van een investering om de bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een vergoedingsrecht bestaat.4.6.. \n\nDe rechtbank zal in het vervolg van dit vonnis ingaan op de volgende geschilpunten:\n\n- de verdeling van de woning;\n\n- het exclusief gebruik van de woning;\n\n- de gebruiksvergoeding en de eigenaarslasten;\n\n- de vergoedingsrechten;\n\n- de inboedellijst;\n\n- de geldlening.\n\nDe verdeling van de woning\n\n4.7.. Partijen zijn het erover eens dat de woning die zij gezamenlijk in eigendom hebben, verdeeld moet worden. De man vordert dat de woning tegen een waarde van € 405.000,- aan hem wordt toebedeeld. De vrouw vordert primair dat de woning aan een derde wordt verkocht, en subsidiair dat de woning tegen een waarde van € 420.000,- aan haar wordt toebedeeld.\n\n4.8.. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de (wijze van) verdeling vaststellen. Bij deze vaststelling moet de rechtbank rekening houden met de belangen van partijen en met het algemeen belang. De rechtbank heeft daarom een mate van vrijheid. Zij is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en zij hoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren.\n\n4.9.. Beide partijen hebben de wens het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de woning pas verkocht hoeft te worden, als blijkt dat geen van partijen in staat is de woning over te nemen. Vervolgens is het de vraag wie van partijen als eerste de mogelijkheid krijgt het aandeel van de ander in de woning over te nemen. De man voert aan dat zijn belang bij behoud van de woning is dat zijn twee kinderen uit een eerdere relatie in hun vertrouwende omgeving kunnen blijven en een goede omgang met hun vader kunnen hebben. Het belang van de vrouw om het volledige eigendom van de woning te verkrijgen is dat zij op dit moment zwanger is en de woning waar zij nu verblijft te klein is voor haar gezin.\n\n4.10.. De rechtbank zal de man als eerste de mogelijkheid geven om het aandeel van de vrouw in de woning over te nemen. Hij heeft zijn belang bij overname van de woning voldoende onderbouwd en de vrouw is eind februari 2025 uit de woning vertrokken. Mocht de man er niet in slagen de woning over te nemen, dan mag de vrouw een poging doen. Als beiden er niet in slagen de woning over te nemen, zal de woning verkocht moeten worden aan een derde.\n\n4.11.. De volgende vraag is tegen welk bedrag eerst de man en eventueel daarna de vrouw de woning mag proberen over te nemen. In dat kader stelt de rechtbank voorop dat als peildatum voor de waardering van de woning als hoofdregel geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat daarvan afgeweken moet worden.\n\n4.12.. De rechtbank stelt vast dat van een afspraak tussen partijen over de (peildatum van de) waarde niets is gebleken. Dan rest de vraag of er op basis van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan. De man legt aan zijn vordering een taxatierapport ten grondslag waarin de marktwaarde op 19 december 2024 is vastgesteld op € 405.000,-. De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw voert als primair standpunt aan dat – overeenkomstig de hoofdregel – moet worden uitgegaan van de waarde op de datum van de feitelijke verdeling en dat het door de man voorgestelde bedrag door de ontwikkelingen op de woningmarkt geen recht doet aan de werkelijke waarde van de woning op de datum van feitelijke verdeling. Subsidiair voert zij aan dat – voor het geval dat de rechtbank reden ziet af te wijken van de hoofdregel – de woning voor een waarde van € 420.000,- aan haar moet worden toebedeeld. Dit bedrag is gebaseerd op de recente verkoopprijs van een vergelijkbare woning in de buurt.\n\n4.13.. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zowel de man als de vrouw onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van een andere peildatum dan wel een andere waarde van de woning moet worden uitgegaan dan de hoofdregel voorschrijft. Het bestaan van een taxatierapport uit december 2024 en de verwijzing naar een verkoopprijs van een mogelijk vergelijkbare woning in oktober 2025 zijn daarvoor onvoldoende.\n\n4.14.. Dit betekent dat de actuele marktwaarde van de woning getaxeerd moet worden. Ter zitting heeft de rechter met partijen besproken en afgesproken op welke wijze dit (praktisch) zal plaatsvinden. De man mag drie taxateurs voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken na de datum van dit vonnis. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde taxateurs uitkiezen. Zij krijgt daarvoor ook een termijn van twee weken, vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen. Partijen dienen vervolgens binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk opdracht te geven aan de taxateur voor de taxatie van de actuele marktwaarde van de woning. Partijen dragen ieder de helft van de kosten daarvan.\n\n4.15.. Ter zitting hebben partijen verklaard dat de uitkomst van de taxatie voor partijen bindend zal zijn.\n\n4.16.. Uiterlijk twee weken na ontvangst van het taxatierapport, dient de man aan de vrouw schriftelijk mee te delen of hij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de man de woning wenst over te nemen, zal de woning aan hem worden toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de hiervoor genoemde termijn van twee weken plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.\n\n4.17.. Mocht de man de woning niet willen of niet (onder de hiervoor genoemde voorwaarden) kunnen overnemen, dan mag de vrouw proberen de woning over te nemen. In dat geval dient zij binnen twee weken na het bericht van de man dat hij de woning niet wenst over te nemen of na het verstrijken van de termijn van drie maanden, aan de man schriftelijk mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarde wenst over te nemen. Indien de vrouw de woning wenst over te nemen, zal de woning aan haar worden toegedeeld onder dezelfde (opschortende) voorwaarden die in de vorige overweging zijn genoemd.\n\n4.18.. In het geval de woning aan de man of de vrouw wordt toegedeeld, dienen zij mee te werken aan de notariële overdracht. De kosten daarvan komen voor rekening van de partij aan wie de woning wordt toegedeeld.\n\n4.19.. Op het moment dat duidelijk is dat beide partijen niet in staat zijn de woning over te nemen, moet de woning in de verkoop gezet worden. De rechtbank zal beschrijven hoe dit proces zal moeten verlopen.\n\n4.20.. De man mag drie makelaars voorstellen. Hiertoe krijgt hij een termijn van twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet kan overnemen. De vrouw mag één van de door de man voorgestelde makelaars uitkiezen. Zij krijgt hiervoor een termijn van twee weken vanaf de datum dat zij het voorstel van de man heeft ontvangen.\n\n4.21.. Partijen verlenen in dat geval binnen een week nadat de vrouw haar keuze kenbaar heeft gemaakt, gezamenlijk de opdracht tot verkoop van de woning aan de makelaar. Partijen zullen in onderling overleg en met de makelaar binnen twee weken na opdrachtverlening de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen. Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen.\n\n4.22.. Partijen moeten de aanwijzingen van de makelaar opvolgen. Zij moeten hun volledige medewerking verlenen aan het verkoopproces, waaronder het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar voor het (laten) maken van foto’s van de woning en bezichtigingen door potentiële kopers. Partijen mogen zelf niet aanwezig zijn bij die bezichtigingen.\n\n4.23.. Indien een bod op de woning wordt gedaan, dienen partijen dit te accepteren als de makelaar dit adviseert. Partijen dienen na het tot stand komen van een koopovereenkomst mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst. Partijen dienen ook mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken. De kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning dragen partijen ieder voor de helft.\n\n4.24.. In het geval een van partijen het aandeel van de ander in de woning overneemt, geldt dat de overnemende partij de helft van de overwaarde (de getaxeerde waarde van de woning minus de hypothecaire geldlening) aan de andere partij dient te betalen. In het geval de woning moet worden verkocht, is het uitgangspunt dat partijen allebei recht hebben op de helft van de overwaarde.\n\n4.25.. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de wijze van verdeling zal vaststellen, zoals in de beslissing is bepaald.\n\n4.26.. Partijen hebben beide gevorderd dat de rechtbank de andere partij veroordeelt tot medewerking aan de verdeling en dat de rechtbank aan die medewerking een dwangsom verbindt. Waar het gaat om rechtshandelingen die partijen jegens elkaar verplicht zijn te verrichten, zal de rechtbank op grond van artikel 3:300 lid 1 BW bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van partijen in het geval een partij zijn of haar medewerking weigert. Nu beide partijen daarnaast ter zitting hebben verklaard dat zij hun medewerking zullen verlenen aan de verdeling van de woning, ziet de rechtbank geen aanleiding om over en weer dwangsommen aan partijen op te leggen.\n\nHet exclusief gebruik van de woning\n\n4.27.. De man vordert het exclusief gebruik van de woning. Ter zitting heeft de vrouw verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen, in die zin dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt vanaf 1 mei 2026. Dit betekent dat de man vanaf 1 mei 2026 de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen.\n\nGebruiksvergoeding en eigenaarslasten\n\n4.28.. De vrouw vordert dat de man een gebruiksvergoeding aan haar betaalt vanaf 27 februari 2025 tot het moment dat zij niet meer hoofdelijk verbonden is aan de hypothecaire geldlening van de woning. De man vordert dat de vrouw gehouden is de helft van de vaste lasten die zijn verbonden aan de woning te dragen over de periode vanaf 1 juni 2025 tot het moment dat hij exclusieve gebruik krijgt.\n\n4.29.. De rechtbank stelt vast dat partijen tot op heden geen afspraak hebben gemaakt over wie wanneer in de woning mag verblijven. Ook is er niets afgesproken over de verdeling van de eigenaars- en gebruikerslasten.\n\n4.30.. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij in februari 2025 de woning heeft verlaten nadat de spanningen tussen partijen opliepen. Vanaf maart 2025 woonde zij niet meer in de woning, maar kwam zij eens in de twee dagen nog wel kort in de woning om post op te halen en haar katten te verzorgen. De man heeft dat niet betwist. Hij woonde vanaf maart 2025 dus alleen in de woning, met dien verstande dat de vrouw af en toe nog langs kwam voor de katten en de post. De man heeft ter zitting verklaard dat ook hij de woning heeft verlaten en in of omstreeks juni 2025 ”uit zelfbescherming” tijdelijk elders is gaan wonen. De vrouw betwist dat de man de woning heeft verlaten. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover de man niet meer in de woning verbleef, dit een eigen keus van de man was.\n\n4.31.. De vrouw kan daarom ten laste van de man aanspraak maken op een gebruiksvergoeding vanwege het gemis van gebruik en genot van de woning. Daar staat het volgende tegenover.\n\n4.32.. De man en de vrouw dienen als mede-eigenaren van de woning in beginsel ieder de helft van de eigenaarslasten van de woning te dragen. Vanaf 27 februari 2025 heeft de man alleen in de woning gewoond, zodat de gebruikerslasten vanaf die datum voor zijn rekening komen. De rechtbank stelt de eigenaarslasten met betrekking tot de woning als volgt vast:\n\n- Hypotheek\n\n€\n\n843,35\n\n- Nationale Nederlanden\n\n€\n\n28,62\n\n- Univé\n\n€\n\n76,12\n\n- Hoogheemraadschap\n\n€\n\n41,70\n\nTotaal\n\n€\n\n989,79\n\nDit betekent dat de man en de vrouw in beginsel ieder een bedrag van € 494,89 per maand verschuldigd zijn voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.33.. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de eigenaarslasten aan de verschillende instanties heeft betaald. Ook staat niet ter discussie dat de vrouw maandelijks een bedrag aan de man heeft betaald. In april 2025 was dit € 234,03, in mei 2025 € 678,00, in juni 2025 € 436,50 en vanaf juli 2025 € 270,95 per maand. Dit betekent dat de man in beginsel nog een vordering op de vrouw heeft voor de eigenaarslasten van de woning.\n\n4.34.. De rechtbank vindt het echter praktisch en redelijk de gebruiksvergoeding waarop de vrouw nog aanspraak kan maken en de eigenaarslasten waarop de man nog aanspraak kan maken, tegen elkaar weg te strepen (met elkaar te verrekenen), zodat zij over en weer in dit kader niets van elkaar te vorderen hebben. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat een hogere gebruiksvergoeding redelijk is, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.\n\n4.35.. Voor de periode vanaf 1 mei 2026 geldt, zoals hiervoor in 4.27 is overwogen, dat de man de volledige eigenaars- en gebruikerslasten voor zijn rekening moet nemen. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank het niet redelijk de man nog een (aanvullende) gebruiksvergoeding aan de man te laten betalen vanaf die datum.\n\n4.36.. De vorderingen over de betaling van een gebruiksvergoeding en de eigenaars- en gebruikerslasten worden dan ook over en weer afgewezen.\n\nVergoedingsrechten man\n\n4.37.. De man stelt dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft, omdat hij met zijn privévermogen verschillende investeringen in de gezamenlijke woning heeft gedaan. Het gestelde vergoedingsrecht bestaat uit twee delen:\n\nEen bedrag van € 33.803,- dat hij bij aankoop van de woning heeft ingelegd;\n\nEen bedrag van € 54.235,58 aan investeringen die hij in de woning heeft gedaan.\n\nIn totaal gaat het daarmee om een vordering van € 88.056,58. Volgens de man is de vrouw hem de helft van dit bedrag – een bedrag van € 44.028,29 – verschuldigd.\n\n4.38.. De man stelt primair dat partijen al bij de aankoop van de woning hebben afgesproken dat er een vergoedingsrecht zou zijn op het moment dat de relatie zou eindigen. Er is een “rondetafelgesprek” geweest bij de notaris waar is besproken hoe, en wat daarvoor schriftelijk zou moeten worden vastgelegd. Dat zag zowel op de inbreng van de man bij de aankoop van de woning als op toekomstige investeringen. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verklaringen overgelegd van zowel de heer C. Luca (makelaar) als mevrouw S. Hartog (hypotheekadviseur), waaruit de afspraak over de vergoedingsrechten zou blijken. Hoewel het klopt dat partijen vervolgens geen werk hebben gemaakt van het schriftelijk vastleggen van de afspraak, is overeengekomen dat de vrouw de helft van de door de man ingelegde bedragen moe terugbetalen, aldus de man.\n\n4.39.. De vrouw betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Het klopt dat de man financieel heeft bijdragen bij de aankoop van de woning en dat er bij de aankoop van de woning een adviesgesprek is geweest over het maken van afspraken daarover. Partijen hebben er vervolgens echter voor gekozen om van het maken van afspraken en het schriftelijk vastleggen daarvan af te zien. Volgens de vrouw heeft zij zelf veel aan werk aan de woning gedaan en heeft de man toen op enig moment gezegd “ik werk hard, jij werkt hard, we doen het samen” en “laat maar zitten”.\n\n4.40.. Niet in geschil is dat de man het door hem genoemde bedrag heeft ingelegd bij de aankoop van de woning en dat hij na aankoop investeringen in de woning heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat partijen hebben gesproken over het maken en vastleggen van een afspraak over de vergoedingsrechten. Dat er over gesproken is volgt ook uit de verklaringen die door de man zijn overgelegd. Zowel de makelaar als de hypotheekadviseur hebben geadviseerd om een en ander schriftelijk te laten vastleggen. Uit de verklaringen blijkt echter niet dat partijen onderling overeenstemming hadden over het bestaan dan wel het vastleggen van zo een afspraak. De hypotheekadviseur heeft partijen ook gewezen op het ontbreken van wederzijdse rechten bij gebreke van een samenlevingscontract. De rechtbank stelt vast dat het advies van de makelaar en de hypotheekadviseur uiteindelijk niet is uitgevoerd en dat er schriftelijk niets is vastgelegd. Dat partijen bij de notaris een adviesgesprek hebben gevoerd, is onvoldoende voor het aannemen van een tussen partijen geldende afspraak over de vergoedingsrechten. Het ligt op de weg van de man om te stellen en aannemelijk te maken dat er tussen partijen (stilzwijgende) bindende afspraken gemaakt zijn. In het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft gesteld om vast te kunnen stellen dat er afspraken tussen de man en de vrouw zijn gemaakt die inhouden dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw wegens door zijn financiële inbreng bij aankoop van de woning of voor latere investeringen in de woning die de man uit privévermogen heeft betaald. De rechtbank komt daarom niet toe aan bewijslevering.\n\n4.41.. Dit betekent dat de man op de door hem primair aangevoerde grondslag geen vorderingsrecht op de vrouw heeft. De man heeft nog drie andere grondslagen aangevoerd op grond waarvan de vrouw hem een vergoeding verschuldigd zou zijn: onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en de redelijkheid en billijkheid. Deze grondslagen zal de rechtbank hierna bespreken.\n\nOnverschuldigde betaling\n\n4.42.. Van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW is sprake, indien door een partij een geldsom is betaald zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestaat die de betaling rechtvaardigt.\n\n4.43.. \n\nDe man stelt dat hij uit privémiddelen heeft bijgedragen aan de gezamenlijke woning en dat deze investeringen niet gebaseerd zijn op een overeenkomst of een afspraak die hem verplichtte te betalen, zodat er sprake is van onverschuldigde betaling.\n\nDe vrouw voert aan dat het aan de man is om feiten en omstandigheden te stellen waaruit moet worden afgeleid dat een rechtsgrond voor de investeringen ontbreekt. Dit heeft de man volgens de vrouw onvoldoende gedaan, zodat zijn vordering op grond van onverschuldigde betaling moet worden afgewezen.\n\n4.44.. De rechtbank wijst de vordering van de man op de vrouw op grond van onverschuldigde betaling af. De man heeft de betreffende betalingen niet aan de vrouw gedaan, zodat alleen al om die reden geen sprake is van onverschuldigde betaling aan de vrouw en zij op deze grondslag dus niet gehouden is enig bedrag terug te betalen aan de man. Zelfs als zou komen vast te staan dat een rechtsgrond voor de door de man betaalde bedragen ontbreekt, geldt dus dat de man de ontvanger van de (onverschuldigd) betaalde gelden zou moeten aanspreken en niet de vrouw.\n\nOngerechtvaardigde verrijking\n\n4.45.. De man stelt dat de gezamenlijke woning van partijen in waarde is gestegen door de investeringen die hij in de woning heeft gedaan. De man heeft de investeringen uit privémiddelen betaald, zonder dat hij daarvoor een tegenprestatie heeft gekregen. De man is daardoor verarmd, terwijl de vrouw als gevolg van de waardestijging van de woning is verrijkt. Volgens de man is er daarom sprake van onrechtvaardige verrijking van de vrouw en moet zij de helft van de door hem gedane investeringen vergoeden.\n\n4.46.. Ongerechtvaardigde verrijking in de zin van artikel 6:212 BW is pas aan de orde indien aan de navolgende voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van (1) een verrijking van de vrouw, (2) ten koste van de man en (3) deze verrijking moet ongerechtvaardigd zijn.\n\n4.47.. De rechtbank oordeelt als volgt. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat de woning door de gedane investeringen in waarde is gestegen. De rechtbank stelt voorop dat een eventuele waardestijging in ieder geval niet het gevolg is van de inleg van de man bij de aankoop van de woning. Dat de waarde van de woning als gevolg van de investeringen is gestegen wordt door de man wel gesteld, maar niet onderbouwd. Zonder nadere toelichting van de man blijkt niet wat het effect van de verbouwing is geweest voor de waarde van de woning. De rechtbank kan daarom niet beoordelen of de vrouw door de verbouwing is verrijkt doordat de waarde van de woning is toegenomen.\n\n4.48.. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad kan ook in het geval een verbouwing niet heeft geleid tot een waardestijging van een woning toch sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking, indien de kosten ten behoeve van de verbouwing voor rekening van één partij zijn gekomen en de andere partij zich die kosten heeft bespaard. Voor het oordeel dat de andere partij zich de kosten van de verbouwing heeft bespaard en aldus is verrijkt, is nodig dat als de eerste partij die kosten niet voor zijn rekening had genomen, de andere partij de kosten zelf zou hebben gemaakt of verplicht was te maken.\n\n4.49.. Het is dus de vraag of de vrouw de kosten voor de gedane investeringen in de gezamenlijke woning zou hebben gedaan, als de man dat niet had gedaan. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij dat niet zou hebben gedaan, omdat zij daar financieel niet toe in staat geweest was. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat de vrouw de kosten voor de investeringen zou hebben gemaakt, zodat niet valt in te zien dat de betalingen door de man ongerechtvaardigd zijn gedaan. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking daarom af.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n4.50.. Om een vergoedingsrecht aan te nemen uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid, dient de man bijzondere feiten en omstandigheden te stellen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat er een vergoedingsrecht bestaat. De man heeft slechts gesteld dat het zijn geld was en dat het niet eerlijk is dat de vrouw daar nu van profiteert. Dit zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden, zeker niet nu uit de processtukken en wat is besproken op de zitting het beeld rijst dat de vrouw ook betalingen heeft verricht ten behoeve van de woning en de gezamenlijke huishouding. De rechtbank wijst de vorderingen van de man uit hoofde van de redelijkheid en billijkheid af.\n\nVergoedingsrechten vrouw\n\n4.51.. De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht heeft op de man van € 17.830,44. Van een afspraak tussen partijen over het bestaan van dit vergoedingsrecht is niet gebleken. Ter zitting heeft de vrouw ook verteld dat er geen afspraken zijn geweest. Dat sprake zou zijn van een vergoedingsrecht op grond van onverschuldigde betaling of de redelijkheid en billijkheid is door de vrouw niet gesteld. De vrouw heeft wel gesteld dat er een vergoedingsrecht bestaat uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, maar zij heeft dit niet inhoudelijk toegelicht. De rechtbank wijst de vordering van de vrouw daarom bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing af.\n\nInboedellijst\n\n4.52.. De man vordert dat de goederen op de inboedellijst zoals overgelegd in productie 31 bij de dagvaarding aan hem worden toebedeeld. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij al haar spullen al uit de woning heeft meegenomen. De rechtbank zal de vordering van de man daarom toewijzen.\n\nGeldlening\n\n4.53.. De vrouw stelt dat de man op 6 november 2020 een bedrag van € 6.500,- van haar heeft geleend. De man heeft erkend dat hij dit bedrag heeft geleend van de vrouw, zodat de vordering van de vrouw tot terugbetaling van dit bedrag kan worden toegewezen.\n\n4.54.. De vrouw vordert ook wettelijke rente over het geleende bedrag. Primair vordert zij de wettelijke rente vanaf 6 november 2020. De rechtbank stelt voorop dat partijen niet zijn overeengekomen dat de man rente over de hoofdsom hoeft te betalen. De rechtbank overweegt dat de man daarom pas rente over de hoofdsom verschuldigd is vanaf het moment dat hij in verzuim verkeert. De man verkeerde op 6 november 2020 niet in verzuim, zodat de wettelijke rente niet vanaf die dag verschuldigd kan zijn. Subsidiair vordert de vrouw de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie. Het is juist dat een conclusie als ingebrekestelling kan dienen. Daarvoor is echter wel vereist dat die conclusie dan voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 6:82 BW.In de conclusie wordt het bedrag van de geldlening voor het eerst opgevraagd en wordt door de vrouw niets gezegd over een termijn waartegen het bedrag moet zijn ontvangen. Dit betekent dat de conclusie niet voldoet aan de gestelde vereisten, zodat de man geen wettelijke rente is verschuldigd over het bedrag van de geldlening.\n\n4.55.. Ten slotte vordert de vrouw incassokosten. De rechtbank is van oordeel dat niet is gesteld of gebleken van verrichte incassowerkzaamheden, zodat er geen incassokosten verschuldigd zijn.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad en zekerheidstelling\n\n4.56.. De vrouw heeft in de conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de vordering van de man om dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en subsidiair verzocht om te bepalen dat de man zekerheid stelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw laten weten dat dit verweer alleen geldt als de rechtbank de woning aan de man toedeelt tegen een waarde van € 405.000,-. Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt dat die situatie zich niet voordoet. De rechtbank zal dit verweer daarom verder niet bespreken en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad (zonder zekerheidstelling) verklaren.\n\nProceskosten\n\n4.57.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie en reconventie\n\n5.1.. gelast de navolgende wijze van verdeling van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] en bepaalt:\n\ndat de man binnen twee weken na de datum van dit vonnis drie taxateurs aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken daarna één uitkiest die belast wordt met de taxatie van de woning;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt opdracht dienen te verstrekken aan de taxateur om de woning te taxeren tegen de actuele marktwaarde;\n\ndat de uitkomst van de taxatie voor beide partijen bindend is en dat beide partijen de helft van de kosten van de taxatie dienen te betalen;\n\ndat de man binnen twee weken nadat de getaxeerde waarde van de woning schriftelijk aan partijen kenbaar is gemaakt, aan de vrouw schriftelijk dient mee te delen of hij de woning tegen die getaxeerde waarde wenst over te nemen;\n\ndat de man, indien hij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de man de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) hij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 4 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de man slaagt in het bepaalde onder 5, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man en dat de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de man komen;\n\ndat, indien de man niet binnen de 4 genoemde termijn aan de vrouw meedeelt dat hij de woning wenst over te nemen of meedeelt de woning niet willen overnemen of indien hij niet slaagt in het bepaalde onder 5, de vrouw binnen twee weken daarna aan de man schriftelijk dient mee te delen of zij de woning tegen de getaxeerde waarden wenst over te nemen;\n\ndat de vrouw, indien zij de woning wenst over te nemen, de woning krijgt toegedeeld onder de (opschortende) voorwaarden dat (a) de vrouw de hypothecaire lening als eigen schuld op zich neemt, (b) zij ervoor zorgt dat de levering van de woning ten overstaan van de notaris uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van de onder 7 vermelde termijn plaatsvindt, en (c) de vrouw uiterlijk ten tijde van de levering is of wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;\n\ndat, indien de vrouw slaagt in het bepaalde onder 8, partijen moeten meewerken aan de notariële overdracht van het aandeel van de man in de woning aan de vrouw en de kosten van het notariële transport van de woning voor rekening van de vrouw komen;\n\ndat, indien geen van partijen de woning wenst over te nemen of er in slaagt de woning over te nemen tegen de taxatiewaarde, de woning verkocht dient te worden;\n\ndat de man dan binnen twee weken vanaf de datum waarop duidelijk is geworden dat de vrouw de woning niet wil of kan overnemen drie makelaars aan de vrouw voorstelt, van wie de vrouw er binnen twee weken één uitkiest;\n\ndat partijen binnen één week nadat de vrouw haar keuze aan de man kenbaar heeft gemaakt, opdracht dienen te verstrekken aan de gekozen makelaar om de woning te verkopen;\n\ndat partijen binnen twee weken na opdrachtverlening in onderling overleg en met de makelaar de vraagprijs en de voorwaarden van de verkoop vaststellen, Indien partijen dit niet in onderling overleg kunnen afspreken, zullen zij de adviezen van de makelaar hierover moeten opvolgen. Ook moeten partijen alle verdere adviezen en aanwijzingen van de makelaar over het verkooptraject opvolgen;\n\ndat partijen moeten meewerken aan de verkoop van de woning door het verlenen van toegang tot de woning aan de makelaar of door hem ingeschakelde hulppersonen voor onder meer het maken van foto’s van de woning en aan de makelaar en potentiële kopers voor bezichtigingen van de woning. Partijen zullen niet aanwezig zijn bij bezichtigingen;\n\ndat partijen, indien een bod op de woning wordt gedaan, dit dienen te accepteren als de makelaar dit adviseert;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan het opstellen en ondertekenen van de koopovereenkomst;\n\ndat partijen dienen mee te werken aan de levering van de woning ten overstaan van de notaris door de leveringsakte na behoorlijke oproeping bij de notaris te ondertekenen of daartoe (op eigen kosten) een getekende volmacht aan de notaris te verstrekken;\n\ndat partijen ieder de helft van de kosten die verband houden met de verkoop en levering van de woning (kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering) dragen;\n\ndat de verkoopopbrengst na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire lening dient te worden aangewend;\n\ndat partijen een eventuele overwaarde of een eventuele restschuld bij helfte dienen te verdelen.\n\n5.2.. bepaalt dat partijen verplicht zijn hun medewerking te verlenen aan het bepaalde onder 5.1.,\n\n5.3.. bepaalt dat indien één van partijen niet (tijdig) meewerkt aan het bepaalde onder 5.1., dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 1 BW dezelfde kracht heeft als een door de betreffende partij ondertekende volmacht aan de andere partij om de in deze veroordeling omschreven rechtshandeling(en) te verrichten,\n\n5.4.. bepaalt dat de man het exclusief gebruik van de woning verkrijgt en de vrouw de woning niet zonder toestemming van de man mag betreden vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde,\n\n5.5.. bepaalt dat vanaf 1 mei 2026 tot het moment dat de woning aan één van partijen wordt toebedeeld of de woning is verkocht en geleverd aan een derde de volledige eigenaars- en gebruikerslasten van de woning voor rekening van de man komen,\n\n5.6.. bepaalt dat de goederen die op de inboedellijst (productie 31 van de man) staan aan de man worden toebedeeld,\n\n5.7.. veroordeelt de man een bedrag van € 6.500,- aan de vrouw te betalen,\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.10.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.\n\n De man heeft afgesproken de waterschapsbelasting in tien termijnen van € 50,04 te betalen. Dit komt neer op een last van € 41,70 per maand (€ 50,04 x 10 = € 500,40 : 12 maanden).\n\n Hoge Raad 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707.\n\n Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1012","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6975","ecli-nl-rbnho-2026-6975",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":82,"ecli":83,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":84,"fullText":85,"language":7,"source":17,"sourceUrl":86,"summary":14,"slug":87,"metadata":88},"1296","ECLI:NL:RBNHO:2026:3952","2026-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummers \u002F rekestnummers: 12136677 \\ AO VERZ 26-25 en 12132774 \\ AO VERZ 26-24 (NE)\n\nBeschikking van13 april 2026 (bij vervroeging)\n\nin zaaknummer 121436677:\n\n [verzoeker 1],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. P.F. Keuchenius,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap FiFi4Marine B.V.,\n\nte Zwaag,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: FiFi4Martine,\n\ngemachtigde: mr. N. Bulut.\n\nen\n\nin zaaknummer 12132774:\n\nde besloten vennootschap FiFi4Marine B.V.,\n\nte Zwaag,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: FiFi4Martine,\n\ngemachtigde: mr. N. Bulut,\n\ntegen\n\n [verweerder 2],\n\nte [plaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. P.F. Keuchenius.\n\nDe zaken in het kort\n\nIn de eerste zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst het verzoekt af, omdat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. De kantonrechter oordeelt dat het handelen en nalaten van de werknemer bestaande uit het kopiëren van een grote hoeveelheid bedrijfsgegevens van de bedrijfslaptop naar een externe privé harde schijf en vervolgens niet voldoen aan sommaties van de werkgever om afgifte van deze harde schijf, kwalificeert als een dringende reden. Dit handelen en nalaten van de werknemer is ook ernstig verwijtbaar, waardoor de werknemer het recht op een transitievergoeding verliest. De werkgever moet nog wel een bedrag aan niet genoten verlofuren en overuren aan de werknemer betalen en wordt daartoe veroordeeld.\n\nIn de tweede zaak verzoekt de werkgever om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding. Dat verzoek wordt toegewezen, omdat de werknemer door opzet of schuld aan de werkgever een dringende heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:\n\nin zaaknummer 12136677:\n\n- het verzoekschrift van [werknemer] met producties\n\n- het verweerschrift met voorwaardelijk tegenverzoek van FiFi4Marine met producties\n\nin zaaknummer 12132774:\n\n- het verzoekschrift van FiFi4Marine met producties\n\n- een verweerschrift van [werknemer] met producties\n\n1.2.. De gelijktijdige mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij zijn partijen met hun gemachtigden verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij FiFi4Marine gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen en [werknemer] een schriftelijke toelichting op de billijke vergoeding heeft overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Op deze zitting is het kort geding strekkende tot afgifte van de harde schijf behandeld. In deze zaak is op 13 april 2026 uitspraak gedaan.\n\n1.3.. De beschikking is bij vervroeging bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nAls onvoldoende betwist gaat de kantonrechter uit van de volgende feiten:\n\n2.1.. FiFi4Marine is een jong bedrijf met zes medewerkers in dienst en houdt zich bezig met de ontwikkeling en exploitatie van een uniek blussysteem voor lithium-batterijbranden aan bood van schepen, met internationale certificeringen. FiFi4Marine heeft jarenlang geïnvesteerd in onderzoek, ontwikkeling en internationale tests en certificeringen in verschillende landen.\n\n2.2.. \n [werknemer] is op 1 mei 2019 bij FiFi4Marine in dienst getreden in de functie van Applicatie Manager\u002FServicemonteur op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een salaris van laatstelijk € 5.087,26 bruto exclusief 8 % vakantietoeslag en overige emolumenten.\n\n2.3.. \n [werknemer] verricht servicewerkzaamheden aan boord van schepen en heeft voor de uitvoering van zijn werkzaamheden de beschikking gekregen over een bedrijfslaptop en een mobiele telefoon.\n\n2.4.. Op grond van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst is het [werknemer] verboden tijdens of na beëindiging van het dienstverband op enigerlei wijze aan derden direct of indirect, in welke vorm ook, enige mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheden over of verband houdende met het bedrijf van FiFi4Marine.\n\n2.5.. Artikel 12 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat in geval van non-actiefstelling, arbeidsongeschiktheid en einde dienstverband [werknemer] alle zich onder hem bevindende eigendommen van FiFi4Marine en bescheiden die met haar verband houden, een en ander in de ruimste zin van het woord, alsmede kopieën van dergelijke bescheiden ter beschikking te stellen aan FiFi4Marine. Dat geldt ook voor software van FiFi4Marine of kopieën daarvan.\n\n2.6.. Op 12 december 2025 heeft FiFi4Marine een functioneringsgesprek met [werknemer] gevoerd en heeft FiFi4Marine bezwaren over het gedrag en de houding van [werknemer] geuit en een verbetertraject voorgesteld.\n\n2.7.. FiFi4Marine heeft op 15 december 2025 per mail een waarschuwing aan [werknemer] gegeven, omdat [werknemer] na het functioneringsgesprek contact had opgenomen met zijn voormalig leidinggevende over een verwijt dat hem was gemaakt in het functioneringsgesprek en daarmee haar bedrijf in diskrediet bent. Ook heeft FiFi4Marine aan [werknemer] bericht dat zij zich het recht voorbehoud om bij een volgende keer dat dit zich voordoet de schade die dit aantoonbaar veroorzaakt, op hem te verhalen.\n\n2.8.. \n [werknemer] heeft zich op 17 december 2025 ziek gemeld.\n\n2.9.. FiFi4Martine heeft [werknemer] op 19 december 2025 verzocht de bedrijfslaptop met inloggegevens in te leveren in verband met een inbedrijfstelling aankomende maandag.\n\n2.10.. Op zondag 21 december 2025 heeft [werknemer] een programma genaamd “Macrium Reflect Clone” geïnstalleerd op zijn bedrijfslaptop en vervolgens zonder toestemming of medeweten van FiFi4Marine de inhoud van de bedrijfslaptop (931,51 gigabyte) gekopieerd naar een privé externe harde schijf (Samsung PSSD T7 Shield). De gekopieerde gegevens bevatten onder meer klant- en leveranciersgegevens, klantenconfiguraties, wachtwoorden van alle medewerkers en toegangscodes tot systemen, technische productontwerpen en testgegevens, ontwerp, certificeringsdocumentatie, softwarelicenties, foto’s van systemen en status van werkopdrachten en servicereizen en interne bedrijfsinformatie en correspondentie.\n\n2.11.. Op dezelfde dag heeft [werknemer] de bedrijfslaptop zonder inloggegevens op zijn bureau bij FiFi4Marine achtergelaten. De inloggegevens heeft [werknemer] later verstrekt.\n\n2.12.. De bedrijfsarts heeft op 6 januari 2026 vastgesteld dat geen sprake is van ziekte, maar van een arbeidsgeschil tussen partijen en heeft geadviseerd met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken om de problemen op te lossen gedurende een interventieperiode tot 20 januari 2026 en dat uiterlijk per die datum hersteldmelding aan de orde is.\n\n2.13.. Op 7 januari 2026 heeft de IT-specialist van FiFi4Marine de bedrijfslaptop van [werknemer] ontgrendeld en ontdekt dat [werknemer] een kopie heeft gemaakt van de bedrijfsgegevens op de laptop.\n\n2.14.. Op 8 januari 2026 heeft FiFi4Marine aan [werknemer] gemaild dat haar is gebleken dat hij bedrijfsgegevens heeft gekopieerd naar een harde schijf en heeft hem gevraagd per direct op kantoor te komen met deze harde schijf om dit te herstellen door gezamenlijk de gegevens te wissen en een verklaring af te leggen wat hij met de gegevens heeft gedaan. FiFi4Marine heeft [werknemer] er verder op gewezen dat zij bij weigering aangifte zal doen bij de politie.\n\n2.15.. \n [werknemer] heeft hierop geantwoord dat hij tijdens het functioneringsgesprek werd overvallen door kritiek en zich daar niet in herkende, hij zich ziek heeft gemeld, hij vervolgens het verzoek kreeg de laptop in te leveren en dat hij dat heeft gedaan “uiteraard” nadat hij een volledige kopie had gemaakt op een harde schijf. [werknemer] heeft verder laten weten niet te begrijpen waarom hem dit kwalijk wordt genomen, omdat hij gedurende zijn hele dienstverband over die gegevens beschikt.\n\n2.16.. FiFi4Marine heeft [werknemer] vervolgens opnieuw verzocht naar kantoor te komen met de harde schijf en deze door haar te laten wissen.\n\n2.17.. Per brief van 9 januari 2026 heeft FiFi4Marine [werknemer] opnieuw gesommeerd om binnen twee werkdagen naar kantoor te komen om alle gekopieerde bedrijfsgegevens permanent te wissen, de externe harde schijf in te leveren ter verificatie en een verklaring af te leggen dat hij geen kopieën meer in bezit heeft of aan derden heeft verstrekt. [werknemer] is er ook op gewezen dat hij in strijd met artikelen 10 en 12 van de arbeidsovereenkomst handelt en dat dit een dringende reden voor ontslag kan opleveren.\n\n2.18.. De eigenaar van FiFi4Marine heeft op 14 januari 2026 bij de politie aangifte gedaan van verduistering.\n\n2.19.. Ook per e-mail van 14 januari 2026 heeft FiFi4Marine via haar gemachtigde [werknemer] gesommeerd om uiterlijk de volgende dag voor 12:00 uur aan haar verzoeken te voldoen. Daaraan is [werknemer] onder andere per e-mail van 15 januari 2026 om 10:29 uur opnieuw herinnerd met de waarschuwing dat als daaraan geen gehoor wordt gegeven hij op staande voet zal worden ontslagen.\n\n2.20.. Per e-mail van 15 januari 2026 om 11:26 uur heeft de gemachtigde van [werknemer] geantwoord dat hij niets anders in zijn bezit heeft dan wat hij gedurende de zes jaar dat hij in dienst is van FiFi4Marine in zijn bezit heeft. Ook vraagt hij wanneer [werknemer] weer de beschikking kan krijgen over zijn laptop, waarna [werknemer] kan voldoen aan diverse verzoeken en tegelijkertijd de informatie kan behouden die hij nodig heeft voor zijn werkzaamheden en\u002Fof zijn verdediging.\n\n2.21.. De gemachtigde van FiFi4Marine heeft daarop geantwoord dat zij op verschillende manieren heeft geprobeerd contact te krijgen met [werknemer] om hem nogmaals op de deadline te wijzen.\n\n2.22.. \n [werknemer] is op 15 januari 2026 door FiFi4Marine op staande voet ontslagen wegens het zonder toestemming en medeweten van FiFi4Marine tijdens ziekteverlof op 21 december 2025 kopiëren van de complete inhoud van zijn bedrijfslaptop naar een privé harde schijf en het weigeren om deze bedrijfsgegevens terug te geven.\n\n2.23.. Ook op 16, 19, 20, 23 en 26 januari 2026 heeft FiFi4Marine [werknemer] verzocht te voldoen aan haar sommaties.\n\n2.24.. Op 20 januari 2026 heeft [werknemer] diverse bedrijfseigendommen aan FiFi4Marine teruggegeven en zijn persoonlijke spullen opgehaald. Op 26 januari 2026 heeft [werknemer] de bedrijfstelefoon bij FiFi4Marine ingeleverd.\n\n2.25.. Op 28 januari 2026 heeft FiFi4Marine aan [werknemer] bericht dat haar is gebleken dat hij de bedrijfsgegevens van de ingeleverde mobiele telefoon heeft gewist en verzocht uiterlijk 30 januari 2026 alle gewiste bedrijfsgegevens op de mobiele telefoon via zijn Apple Account te herstellen, alle toebehoren van de mobiele telefoon in te leveren, de harde schijf met bedrijfsgegevens in te leveren en een schriftelijke verklaring af te geven dat hij geen kopieën meer in zijn bezit heeft. Aan dit verzoek heeft [werknemer] niet voldaan.\n\n3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\nin zaaknummer 12136677:\n\n3.1.. \n [werknemer] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en Fifi4Marine te veroordelen tot betaling van loon. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat daarvoor geen dringende reden bestaat en het ontslag ook niet onverwijld is gegeven. Een causaal verband tussen een handeling van [werknemer] en het bezit van bedrijfsgevoelige informatie bestaat in werkelijkheid niet. [werknemer] had deze gegevens namelijk al onder zich. Deze staan op de aan hem ter beschikking gegeven laptop. Het kopiëren daarvan naar een harde schijf verandert daar niets aan. Op geen enkele manier heeft FiFi4Marine het [werknemer] verboden om de gegevens op de laptop die kuren vertoonde, veilig te stellen op een harde schijf. [werknemer] had daarmee geen ander motief en handelde juist in het belang van FiFi4Marine. [werknemer] heeft de bedrijfsgegevens ook nergens anders opgeslagen of verspreid. De eis van FiFi4Marine de harde schijf af te geven terwijl zij zelf de laptop niet aan [werknemer] retourneerde is onredelijk, ook tegen de achtergrond van het beschuldigende functioneringsgesprek en de officiële waarschuwing. [werknemer] had een gerechtvaardigd belang om te kunnen blijven beschikken over de bedrijfsinformatie.\n\n3.2.. \n\nFifi4Marine voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Fifi4Marine voert ‑ samengevat ‑ aan dat [werknemer] tijdens ziekte zonder haar toestemming en medeweten een grote hoeveelheid aan gevoelige bedrijfsgegevens van zijn bedrijfslaptop heeft gekopieerd naar een externe privé harde schijf. Ondanks verzoeken en sommaties tot afgifte van de harde schijf, heeft [werknemer] geweigerd daartoe over te gaan. Dat kwalificeert als dringende reden voor het ontslag op staande voet. Fifi4Marine heeft een tegenverzoek gedaan en verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.\n\nin zaaknummer 12132774:\n\n3.3.. FiFi4Marine verzoekt een verklaring voor recht dat [werknemer] aan haar door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven het dienstverband onverwijld op te zeggen en dat [werknemer] wordt veroordeeld tot betaling van een zogenoemde gefixeerde schadevergoeding.\n\n3.4.. \n [werknemer] voert verweer en stelt dat de verzoeken moet worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling van de verzoeken\n\nin zaaknummer 12136677:\n\nGeen voorlopige voorziening\n\n4.1.. De kantonrechter zal direct beslissen op de verzoeken in de hoofdzaak, zodat er geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nDe hoofdzaak\n\n4.2.. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of FiFi4Marine moet worden veroordeeld tot betaling van loon.\n\n4.3.. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.\n\n4.4.. Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet moet sprake zijn van een onverwijlde opzegging wegens een dringende reden en die reden moet onverwijld aan de werknemer zijn meegedeeld.\n\nDringende reden\n\n4.5.. Op grond van de wet worden voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, in onderling verband en samenhang.Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de dringende reden.\n\n4.6.. FiFi4Marine heeft in de brief van 15 januari 2026 de redenen die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet toegelicht, namelijk het zonder toestemming en medeweten van FiFi4Marine tijdens ziekteverlof op 21 december 2025 kopiëren van de complete inhoud van de bedrijfslaptop naar een privé harde schijf en het weigeren om deze (geclassificeerde) bedrijfsgegevens terug te geven. Volgens FiFi4Marine heeft [werknemer] aldus in strijd gehandeld met de artikelen 10 en 12 van de arbeidsovereenkomst en goed werknemerschap. In de ontslagbrief heeft FiFi4Marie verder verzwarende omstandigheden genoemd, waaronder dat dit is gedaan zonder overleg op een zondagmiddag wat duidt op heimelijk handelen, tijdens ziekte zodat er geen noodzaak was voor toegang tot de bedrijfsgegevens en kort na het functioneringsgesprek.\n\n4.7.. Door [werknemer] wordt niet ontkend dat hij op 21 december 2025 alle bestanden en bedrijfsgegevens van zijn bedrijfslaptop heeft gekopieerd naar een externe privé harde schijf. Volgens [werknemer] gaat het niet om geclassificeerde bedrijfsgegevens, maar als onbetwist staat vast dat hij (bedrijfsgevoelige) gegevens van FiFi4Marine op de harde schijf heeft gekopieerd.\n\n4.8.. \n [werknemer] stelt zich op het standpunt dat hij een back up heeft gemaakt van de bedrijfsgegevens in het belang van FiFi4Marine. Ook als [werknemer] niet wist dat hij de bedrijfsgegevens niet mocht kopiëren en uit moet worden gegaan van de juistheid van zijn goede bedoelingen, geldt dat hij (vertrouwelijke) bedrijfsgegevens buiten de beveiligde bedrijfsomgeving van FiFi4Marine heeft gebracht en dat hij ondanks meerdere sommaties niet heeft willen meewerken aan afgifte van de externe privé harde schijf.\n\n4.9.. Het geheimhoudingsbeding van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst verbiedt [werknemer] kort gezegd om mededelingen aan derden te doen over of verband houdende met het bedrijf van FiFi4Marine. Niet is gesteld of gebleken dat [werknemer] de gekopieerde bestanden en bedrijfsgegevens aan een derde heeft verstrekt. Ook valt niet in te zien hoe [werknemer] als een derde kan worden aangemerkt. Dat blijkt niet uit de formulering van het geheimhoudingsbeding en kan daar ook niet in worden gelezen. Het ontslag kan daarom niet op deze bepaling worden gebaseerd.\n\n4.10.. Op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst was [werknemer] verplicht tijdens ziekte alle eigendommen van FiFi4Marine ter beschikking te stellen aan FiFi4Marine. De formulering van deze bepaling is taalkundig duidelijk. Het gaat om alle eigendommen van FiFi4Marine in de ruimste zin van het woord. Redelijke uitleg houdt in dat partijen niet anders hebben bedoeld dan dat daaronder ook vallen bestanden en andere bedrijfsgegevens van FiFi4Marine die op de aan [werknemer] voor zijn functie in gebruik gegeven bedrijfslaptop staan en kopieën daarvan. Het verweer van [werknemer] dat de harde schijf zijn eigendom is, gaat niet op. Evident is dat het belang van afgifte van de harde schijf ziet op bescherming van het - onbetwiste - eigendom van FiFi4Marine van haar vertrouwelijke bedrijfsgegevens. Omdat vast staat dat [werknemer] deze gegevens vanuit zijn laptop heeft gekopieerd op de betreffende harde schijf moest [werknemer] deze schijf afgeven aan FiFi4Marine om – zoals nader toegelicht op de zitting – haar in staat te stellen te beschikken over haar eigendommen en te controleren welke bedrijfsgegevens [werknemer] op deze harde schijf heeft gekopieerd.\n\n4.11.. Tijdens de zitting heeft [werknemer] voor het niet meewerken aan de afgifte aangevoerd dat hij zich bedreigd voelde vanwege de waarschuwing van FiFi4Marine om schade op hem te verhalen en dat hij bang was dat de harde schijf bij afgifte wordt gesaboteerd door FiFi4Marine. Dat laatste verweer heeft [werknemer] niet eerder gevoerd en is niet onderbouwd. Bovendien heeft FiFi4Marine voorgesteld om gezamenlijk naar de gegevens op de harde schijf te kijken, zodat [werknemer] hierin niet wordt gevolgd. Ook wordt [werknemer] niet gevolgd in het aangevoerde verdedigingsbelang, alleen al vanwege het feit dat niet is gebleken dat hij deze bedrijfsgegevens heeft gebruikt in deze ontslag op staande voet procedures of voor de kort geding procedure. Op vragen van de kantonrechter heeft [werknemer] dat ook erkend.\n\n4.12.. Het belang van FiFi4Marine bij afgifte van de externe privé harde schijf is evident. [werknemer] heeft daaraan, ondanks alle sommaties, niet willen meewerken. Integendeel, [werknemer] heeft in reactie op de sommaties gevraagd wanneer hij weer de beschikking kan krijgen over zijn laptop zodat hij in staat is aan de verzoeken te voldoen en tegelijkertijd de informatie kan behouden die hij nodig heeft voor zijn werkzaamheden en\u002Fof verdediging. [werknemer] gaat met zijn opstelling eraan voorbij dat FiFi4Marine een eigen gerechtvaardigd belang heeft om de harde schijf te (laten) verifiëren, omdat het om haar (vertrouwelijke) bedrijfsgegevens gaat. Dit handelen en nalaten van [werknemer] kwalificeert als een dringende reden voor het ontslag op staande voet.\n\nOnverwijld\n\n4.13.. Ook moet worden beoordeeld of het ontslag onverwijld is gegeven. Hiervoor is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen.\n\n4.14.. Op 7 januari 2026 is FiFi4Marine bekend geworden met de gemaakte kopieën van de bedrijfsgegevens op een externe privé harde schijf. Vervolgens heeft FiFi4Marine [werknemer] in de gelegenheid gesteld om de harde schijf af te geven en daarvoor een uiterste termijn gegeven. Toen die termijn was verstreken en haar duidelijk werd dat [werknemer] niet wilde voldoen aan de sommaties, heeft FiFi4Marine [werknemer] direct op staande voet ontslagen. De kantonrechter is van oordeel dat FiFi4Marine voortvarend heeft gehandeld, zodat sprake is van een onverwijld gegeven ontslag op staande voet waarbij de dringende reden onverwijld is meegedeeld.\n\nConclusie: het ontslag is rechtsgeldig gegeven\n\n4.15.. De kantonrechter is concluderend van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en wijst het verzoek van [werknemer] tot vernietiging van het ontslag op staande voet daarom af. Ook de verzoeken tot wedertewerkstelling en betaling van loon worden daarom afgewezen. Het subsidiaire verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding behoeft geen behandeling, aangezien [werknemer] zijn primaire verzoek tot vernietiging heeft gehandhaafd en dus niet de switch heeft gemaakt. Overigens is het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven, zodat [werknemer] geen aanspraak heeft op een billijke vergoeding.\n\nGeen recht op een transitievergoeding\n\n4.16.. \n [werknemer] vordert subsidiair, voor het geval het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd, toekenning van een transitievergoeding. Omdat het handelen en nalaten van [werknemer] moet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar heeft [werknemer] daar geen recht op.\n\nUitbetaling van verlofuren en overuren\n\n4.17.. \n [werknemer] maakt aanspraak op uitbetaling van verlofuren en overuren van in totaal 938,15 uur, zijnde -\u002F- 121,25 aan wettelijke verlofuren, 291 aan bovenwettelijke verlofuren, 509,25 aan ADV en 266,15 aan TVT\u002Foveruren. [werknemer] stelt verder dat dit bij een uurloon van € 31,70 leidt tot een vordering van € 29.739,00. Ook heeft [werknemer] een overzicht overgelegd met door FiFi4Marine verstrekte verlofsaldi over 2020 tot en met 2026 en een berekening van de verlofsaldi waar volgens [werknemer] vanuit moet worden gegaan. FiFi4Marine betwist deze vordering en stelt dat als uitgangspunt het in haar salarissysteem geregistreerde verlofsaldo van 410,15 moet gelden en dat zij deze na een correctie op de overuren bij de eindafrekening aan [werknemer] heeft betaald. De kantonrechter overweegt als volgt.\n\n4.18.. Wat betreft de wettelijke en bovenwettelijke verlofuren heeft [werknemer] verwezen naar artikel 6 van de arbeidsovereenkomst. Daarin staat dat [werknemer] recht heeft op 28 vakantiedagen per jaar, wat neerkomt op 160 wettelijke en 64 bovenwettelijke verlofuren per jaar. Volgens FiFi4Marine moet worden uitgegaan van een andere CAO en heeft [werknemer] daarom recht op 40 in plaats van 64 bovenwettelijke verlofuren, maar daarbij gaat zij voorbij aan de verlofuren waarop [werknemer] volgens zijn arbeidsovereenkomst recht heeft. [werknemer] heeft tijdens de zitting betwist dat een addendum bij de arbeidsovereenkomst is overeengekomen waarin andere afspraken zijn gemaakt. Hier tegenover heeft FiFi4Marine onvoldoende ingebracht. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de berekening van [werknemer] .\n\n4.19.. \n [werknemer] heeft verder onder verwijzing naar artikel 6 van de arbeidsovereenkomst gesteld dat hij jaarlijks recht heeft op twaalf roostervrije dagen (ADV) en dat FiFi4Marine deze alleen in 2020 heeft toegekend. Dit is door FiFi4Marine onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat ook hier wordt uitgegaan van de berekening van [werknemer] .\n\n4.20.. Partijen gaan beiden uit van 266,15 overuren, maar FiFi4Marine stelt zich op het standpunt dat daarop vanaf 2025 twee correcties moeten worden toegepast. In 2025 is volgens FiFi4Marine met [werknemer] uitdrukkelijk besproken dat hij geen overuren mag schrijven die niet vooraf door zijn leidinggevende zijn goedgekeurd. In 2025 heeft [werknemer] voor 70 werkdagen een werktijd van tien uur in plaats van acht uur geregistreerd, zonder vooraf toestemming te hebben verkregen. Uit coulance heeft FiFi4Marine 70 x één uur gecorrigeerd. Verder heeft FiFi4Marine vanaf 30 juli 2025 67,5 overuren gecorrigeerd waarvoor geen akkoord van de leidinggevende is gegeven aan [werknemer] . In totaal heeft FiFi4Marine 137,5 overuren in mindering gebracht op de geregistreerde overuren. [werknemer] heeft de instructie over het registreren van overuren onvoldoende weersproken. Daarnaast heeft [werknemer] onvoldoende concreet toegelicht dat hij op 70 werkdagen tien in plaats van de gecorrigeerde negen uren heeft gewerkt. De kantonrechter is daarom van oordeel dat FiFi4Marine op goede gronden een correctie heeft toegepast.\n\n4.21.. Partijen zijn het tenslotte niet eens over het uurloon. De kantonrechter gaat uit van het uurloon waar [werknemer] zich op baseert, omdat [werknemer] de berekening van het uurloon van € 31,70 heeft gemotiveerd (€ 5.087,26 x 1,08 x 12\u002F52\u002F40) en FiFi4Marine de juistheid daarvan verder niet heeft betwist.\n\n4.22.. De conclusie is dat [werknemer] recht heeft op uitbetaling van € 25.380,61 aan verlofuren en overuren (= 938,15 -\u002F- correctie van 137,5 x € 31,70). Bij de eindafrekening heeft FiFi4Marine € 8.002,17 bruto betaald, zodat de vordering tot een bedrag van € 17.378,44 bruto zal worden toegewezen.\n\nGeen medewerking overzetting telefoonnummer\n\n4.23.. \n [werknemer] verzoekt veroordeling van FiFi4Marine tot medewerking aan het overzetten van zijn telefoonnummer. Aan dit verzoek legt [werknemer] ten grondslag dat partijen een perfecte overeenkomst over nummerbehoud hebben gesloten. [werknemer] verwijst ter onderbouwing hiervan naar de e-mails van 20 januari 2026 van FiFi4Marine waaruit hij citeert “Voor wat betreft het behoud van het mobiele nummer is dat akkoord” en van [werknemer] waarin hij FiFi4Marine bedankt en vraagt wat van hem wordt verwacht om dat mogelijk te maken en vervolgens van Fifi4Marine waarin zij schrijft dat [werknemer] zoals toegezegd het nummer mag behouden en dat dit door haar zal worden geregeld. FiFi4Marine stelt zich op het standpunt dat de toezegging conditioneel was op het nakomen van de integrale pakketafspraken van 20 januari 2026, namelijk inlevering van de harde schijf en onder andere de bedrijfstelefoon en afgifte van een verklaring dat er geen kopieën van de bedrijfsgegevens meer bestaan. Omdat [werknemer] deze afspraken niet is nagekomen is volgens Fifi4Marine ook de conditionele toezegging tot nummerbehoud komen te vervallen.\n\n4.24.. De door [werknemer] voorgestane uitleg van de e-mails van 20 januari 2026 dat een afzonderlijke afspraak is gemaakt over nummerbehoud, volgt de kantonrechter niet. Partijen waren met elkaar in overleg over afgifte van de harde schijf en vervolgens over afgifte van alle bedrijfseigendommen vanwege het ontslag op staande voet. Onder deze omstandigheden kan het akkoord van FiFi4Marine met nummerbehoud niet los van die context worden gezien en kon [werknemer] redelijkerwijs niet verwachten dat sprake was van een afzonderlijke afspraak over nummerbehoud. Dit leidt tot afwijzing van dit verzoek van [werknemer] .\n\nGeen vergoeding kosten van rechtsbijstand\n\n4.25.. \n [werknemer] maakt aanspraak op kosten van rechtsbijstand die hij heeft gemaakt in de periode voorafgaand aan het opstellen van het verweerschrift. De kantonrechter overweegt dat kosten van rechtsbijstand onder omstandigheden op een werkgever die zich niet als goed werkgever gedraagt, kunnen worden verhaald.In dat geval kunnen deze kosten als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, voor zover deze geen betrekking hebben op (de voorbereiding van) de procedure. De kosten voor de procedure vallen immers onder de proceskosten waarbij de hoogte wordt vastgesteld conform het liquidatietarief.\n\n4.26.. Hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Ook is geoordeeld dat FiFi4Marine niet hoefde mee te werken aan nummerbehoud. Verder heeft [werknemer] onvoldoende toegelicht dat FiFi4Marine ongefundeerde beschuldigingen heeft geuit. Er is dan ook geen sprake van een situatie dat deze kosten zijn veroorzaakt door een handelen of nalaten van FiFi4Marine in strijd met goed werkgeverschap. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.\n\nProceskosten komen voor rekening van [werknemer]\n\n4.27.. De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . De proceskosten aan de zijde van FiFi4Martine worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nHet tegenverzoek\n\n4.28.. De voorwaarde waaronder het tegenverzoek is gedaan, is niet vervuld, omdat het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd. Het tegenverzoek hoeft dus niet te worden beoordeeld en er hoeft niet op te worden beslist.\n\nin zaaknummer 12132774:\n\n4.29.. Op grond van de wet is degene die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd, als de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.\n\n4.30.. Hiervoor is geoordeeld dat FiFi4Marine de arbeidsovereenkomst geldig heeft opgezegd vanwege een dringende reden. Voor zover [werknemer] vanuit goede bedoelingen de bedrijfsgegevens heeft gekopieerd op een externe privé harde schijn, is in ieder geval sprake van opzet of schuld aan het niet meewerken aan afgifte van de harde schijf. De verzochte gefixeerde schadevergoeding is daarom toewijsbaar. FiFi4Marine heeft de vergoeding berekend op een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon (inclusief vakantiegeld) over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had moeten voortduren, zijnde over de periode 16 januari 2026 tot 1 maart 2026 [werknemer] heeft de hoogte van het verzochte bedrag niet betwist, zodat de verzochte vergoeding van € 8.241,36 bruto toewijsbaar is. Voor de afzonderlijk verzochte verklaring voor recht heeft FiFi4Marine onvoldoende belang.\n\n4.31.. De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat hij ongelijk krijgt. Vanwege de samenhang met de zaak onder nummer 12136677 wordt het salaris van de gemachtigde van FiFi4Marine begroot op nihil en komt alleen het griffierecht van € 559,00, de nakosten van € 144,00 en de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing, voor toewijzing in aanmerking.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin zaaknummer 12136677:\n\n5.1.. wijst het verzoek af,\n\n5.2.. veroordeelt FiFi4Marine tot betaling aan [werknemer] van € 17.378,44 wegens niet genoten vakantiedagen, ADV-uren en TVT-overuren,\n\n5.3.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nin zaaknummer 12132774:\n\n5.6.. veroordeelt [werknemer] tot betaling van de gefixeerde vergoeding van € 8.241,36 bruto,\n\n5.7.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 703,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.8.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. wijst af het meer of anders verzochte,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.\n\n Artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW.\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2022:860 (Divi Phoenix).\n\n Artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW.\n\n Artikel 7:611 BW jo. artikel 6:96 BW en vergelijk de Hairstyle-beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187\n\n Artikel 7:677 lid 2 jo. 3 sub a BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3952","ecli-nl-rbnho-2026-3952",{"courtName":6,"legalDomain":89,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Arbeidsrecht",{"id":91,"ecli":92,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":93,"fullText":94,"language":7,"source":17,"sourceUrl":95,"summary":14,"slug":96,"metadata":97},"1017","ECLI:NL:RBNHO:2026:3806","2026-04-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummers: 12107695 \\ KG EXPL 26-25 en 12133212 \\ KG EXPL 26-43\n\nVonnis in kort geding van 10 april 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nSTICHTING WOONWAARD NOORD-KENNEMERLAND,\n\ngevestigd in Alkmaar ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Woonwaard,\n\ngemachtigden: mr. K. Straathof, mr. M.J. Dekker en mr. K. Hollenberg,\n\nin de zaak- rolnummer 12107695 \\ KG EXPL 26-25 tegen:\n\n1. [gedaagde 1 (26-25)] ,\n\n2. [gedaagde 2 (26-25)],\n\nbeiden wonende in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden (26-25)] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Weel.\n\nen in de zaak- rolnummer 12133212 \\ KG EXPL 26-43 tegen:\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\n2. [gedaagde 2],\n\n3. [gedaagde 3],\n\n4. [gedaagde 4],\n\n5. de besloten vennootschap VAN AMERONGEN BEWINDVOERING B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van[naam 1],\n\nniet verschenen,\n\n6. [gedaagde 6],\n\n7. [gedaagde 7]en[gedaagde 7],\n\n8. [gedaagde 8],\n\n9. [gedaagde 9],\n\n10. [gedaagde 10]en [gedaagde 10],\n\n11. [gedaagde 11],\n\n12. [gedaagde 12],\n\n13. [gedaagde 13]en [gedaagde 13],\n\n14. [gedaagde 14],\n\n15. [gedaagde 15]en[gedaagde 15],\n\n16. [gedaagde 16],\n\n17. [gedaagde 17]\n\n18. [gedaagde 18],\n\n19. [gedaagde 19],\n\n20. [gedaagde 20],\n\n21. [gedaagde 21] ,\n\n22. [gedaagde 22],\n\n23. de besloten vennootschap BERGEN BEWIND B.V., in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van[naam 2],\n\n24. [gedaagde 24],\n\n25. [gedaagde 25],\n\n26. [gedaagde 26],\n\n27. [gedaagde 27],\n\nniet verschenen,\n\n28. [gedaagde 28],\n\nniet verschenen,\n\n29. [gedaagde 29],\n\nniet verschenen,\n\n30. [gedaagde 30],\n\nniet verschenen,\n\n31. [gedaagde 31],\n\nniet verschenen,\n\n32. [gedaagde 32],\n\nallen wonende\u002Fgevestigd in [plaats] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: de bewoners,\n\nprocederend in persoon, dan wel procederend in persoon vertegenwoordigd door [gedaagde 1] .\n\nTen behoeve van de leesbaarheid worden de zaken in de rest van het vonnis als volgt aangehaald: de zaak met zaak- \u002F rolnummer 12107695 \\ KG EXPL 26-25 als 26-25 en de zaak met zaak- \u002F rolnummer 12133212 \\ KG EXPL 26-43 als de zaak 26-43.\n\nGedaagden zullen hierna zowel in de zaak 26-25 als in de zaak 26-43 gezamenlijk de bewoners genoemd worden.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak wil een verhuurder (Woonwaard) met het oog op verduurzaming de woningen in een wooncomplex in [plaats] aansluiten op het warmtenet. Een deel van de bewoners van het wooncomplex wil daaraan niet meewerken. Daarom vordert de verhuurder in kort geding medewerking van deze bewoners aan de werkzaamheden die volgens de verhuurder dringend zijn. De kantonrechter wijst de vordering van de verhuurder toe. De kantonrechter oordeelt dat de werkzaamheden noodzakelijk zijn en niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld (de verhuurder moet nu verduurzamen), dat de verhuurder bij de uitvoering van deze werkzaamheden een spoedeisend en zwaarwegend belang heeft en dat dit belang prevaleert boven de belangen van de bewoners.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het dossier in de zaak 26-25 bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 20,\n\nde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 10,\n\nde aanvullende producties 21 tot en met 29 van de zijde van Woonwaard,\n\nde aanvullende producties 30 tot en met 32 van de zijde van Woonwaard.\n\n1.2.. Het dossier in de zaak 26-43 bestaat uit de volgende processtukken:\n\n- de dagvaarding van 23 maart 2026 met producties 1 tot en 24,\n\n- de overgelegde producties 1 tot en met 15 van de zijde van de bewoners, - de conclusie van antwoord, versie 28 maart 2026, met productie 16,\n\n- de aanvullende producties 25 tot en met 27 van de zijde van Woonwaard, - de verstekverlening tegen de niet verschenen gedaagden.1.3.. De gelijktijdige mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. De gemachtigden van Woonwaard, [gedaagden (26-25)] en [gedaagde 1] namens de bewoners hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.\n\n1.4.. In zaak 26-43 heeft Woonwaard haar vordering ten aanzien van gedaagden, [gedaagde 27] (gedaagde sub 27), [gedaagde 30] (gedaagde sub 30) en [gedaagde 31] (gedaagde sub 31) ingetrokken.\n\n1.5.. Partijen hebben op vragen van de kantonrechter en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is [gedaagde 1] met instemming van partijen nog drie dagen de tijd gegeven om een machtiging van de bewindvoerders van [naam 1] (gedaagde sub 5) en [naam 2] (gedaagde sub 23) in de zaak 26-43 te overleggen. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] een machtiging van de bewindvoerder van [naam 2] in de zaak 26-43 overgelegd. Tegen de niet verschenen gedaagden is verstek verleend.\n\n1.6.. Tot slot is vonnis in de zaken 26-25 en 26-43 bepaald op 14 april 2026, of zoveel eerder als mogelijk.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Woonwaard is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet. Zij is werkzaam op het gebied van volkshuisvesting en is eigenaar van ongeveer 17.000 woningen.\n\n2.2.. De bewoners zijn allen huurders van woningen die onderdeel uitmaken van het [complex] in [plaats] (hierna: [complex] of het wooncomplex). [complex] bestaat uit totaal 93 appartementen en 13 bedrijfsruimten en is gelegen in de [buurt] in de [wijk] .\n\n2.3.. Op alle afzonderlijke huurovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte van Woonwaard van toepassing verklaard.\n\n2.4.. Woonwaard wil haar woningen in (onder meer) [complex] verduurzamen. Hiervoor moeten werkzaamheden worden uitgevoerd. Het gaat om de aansluiting van de woningen op het warmtenet van HVC, waarvoor de cv-ketels en gasmeters uit de woningen worden weggehaald en een warmte-unit wordt geplaatst en aangesloten op het warmtenet.\n\n2.5.. Voor deze werkzaamheden ontvangt Woonwaard een subsidie van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) in het kader van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (hierna: SAH). De subsidie bedraagt € 3.922,50 per woning en verkrijgt Woonwaard alleen als de werkzaamheden vóór 1 mei 2026 zijn uitgevoerd.\n\n2.6.. In verband met de voorgenomen aansluiting heeft Woonwaard op 12 april 2024 alle bewoners uitgenodigd voor een informatiebijeenkomst op 30 april 2024 over aansluiting op het warmtenet. De bijeenkomst heeft op 30 april 2024 plaatsgevonden.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze bijeenkomst heeft Woonwaard een nieuwsbrief aan alle bewoners gestuurd. In januari 2025 heeft Woonwaard vervolgens een informatiebrochure naar alle bewoners gestuurd waarin de praktische en financiële consequenties voor de bewoners uiteen zijn gezet.\n\n2.8.. Op 8 april 2025 heeft Woonwaard het definitieve besluit genomen om alle woningen van [complex] aan te sluiten op het warmtenet. Dit is bij brief van 9 april 2025 aan alle bewoners medegedeeld. Ook is in deze brief uitleg gegeven over het warmtenet en de te maken stappen voor aansluiting daartoe, waaronder een huisbezoek.\n\n2.9.. Woonwaard heeft daarnaast op 11 april 2025 een flyer over het huisbezoek op verschillende plekken in het wooncomplex opgehangen.\n\n2.10.. \n\nWoonwaard heeft op 11 juli 2025 vervolgens aangekondigd dat zij vanaf\n\n18 augustus 2025 zou beginnen met de voorbereidende werkzaamheden in het complex. Hierin is ook aangekondigd dat zij verwacht in het eerste kwartaal 2026 te kunnen starten met de werkzaamheden in de woning.\n\n2.11.. In oktober 2025 zijn de bewoners per brief ingelicht over huisbezoeken aan het gehuurde. Deze huisbezoeken hebben in november 2025 plaatsgevonden.\n\n2.12.. De SAH is per 1 januari 2026 vervallen.\n\n2.13.. In januari 2026 heeft Woonwaard per adres aangekondigd wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd.\n\n2.14.. De bewoners hebben aangegeven niet te willen meewerken aan de uitvoering van de werkzaamheden door en namens Woonwaard. Onder andere bij brief van 12 en 18 februari 2026 zijn de bewoners gesommeerd vrijwillig mee te werken aan de uitvoering van de werkzaamheden. Daaraan hebben zij geen gehoor gegeven.\n\n2.15.. Tot op heden is ongeveer twee derde van de woningen in het wooncomplex aangesloten op het warmtenet. De woningen van de bewoners zijn tot op heden niet op het warmtenet aangesloten.\n\n3. Het geschil\n\nin de zaak 26-25 en in de zaak 26-43:\n\n3.1.. Woonwaard vordert op grond van artikel 7: [nummer 21] Burgerlijk Wetboek (BW) medewerking van de bewoners aan de aansluiting op het warmtenet, waartoe volgens Woonwaard de volgende (dringende) werkzaamheden moeten worden verricht: het weghalen van de cv-ketel, het plaatsen van de warmte-unit, het aansluiten van de warmte-unit op het verwarmingssysteem in de woning, het vervangen van de radiator in de keuken en woonkamer, het vervangen van de radiatorknoppen in alle ruimtes, het aanbrengen van roosters in de vensterbanken (indien nodig), het maken van een perilex stopcontact en een extra groep in de meterkast (als dit nog niet is gebeurd), het weghalen van de gasmeter (door Liander) en het maken van planken in de stookruimte (als de bewoners daarvoor gekozen hebben). Woonwaard vordert daarom van de kantonrechter – enigszins samengevat – bij wijze van voorlopige voorziening:\n\nI. (hoofdelijke) veroordeling van elk van de individuele bewoners om binnen één dag na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de dringende werkzaamheden in en aan de woning inclusief aanhorigheden die de bewoners van Woonwaard huren, alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom;\n\nII. veroordeling van elk van de individuele bewoners om voor de duur van de werkzaamheden de woning te ontruimen en ontruimd te houden, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonwaard te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;\n\nIII. de bewoners hoofdelijk, in zowel zaak 26-25 als zaak 26-43, te veroordelen in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, en te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. De bewoners voeren hiertegen gemotiveerd verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Woonwaard in de proceskosten. Voor zover enige voorziening wordt overwogen verzoeken zij:\n\nin de zaak 26-25\n\nI. de aanleg van het warmtenet in de woning van [gedaagden (26-25)] voor (on)bepaalde duur op te schorten;\n\nVoor zover de rechtbank van oordeel is dat de werkzaamheden aan het warmtenet doorgang dient te vinden:\n\nII. te bepalen dat [gedaagden (26-25)] niet meer zullen betalen dan hun huidige energielasten, althans dat eventuele meerkosten volledig door Woonwaard wordt gecompenseerd;\n\nIII. te bepalen dat voorafgaand aan de werkzaamheden voor de aanleg van het warmtenet de gebreken aan de woning worden vastgesteld en hersteld;\n\nIV. de veroordeling te beperken tot concreet omschreven werkzaamheden;\n\nV. geen dwangsom vast te stellen;\n\nVI. de vordering tot tijdelijke ontruiming van de woning en afgifte van sleutels af te wijzen;\n\nVII. te bepalen dat de werkzaamheden dienen aan te vangen vanaf 10:00 uur.\n\nin de zaak 26-43\n\nI. te bepalen dat de voorgenomen werkzaamhedenworden opgeschort totdat in een bodemprocedure duidelijkheid bestaat dan wel rechtsgeldige instemming is verkregen, zodat de bewoners hun rechten kunnen uitoefenen en eventuele schade of beperkingen kunnen worden voorkomen;\n\nII. te bepalen dat de bewoners niet gehouden zijn de woning tijdelijk te ontruimen of sleutels af te geven, en dat werkzaamheden dienen plaats te vinden terwijl de bewoners in de woning verblijven en zelf toegang verlenen, om de redelijkheid en veiligheid te waarborgen tijdens de uitvoering;\n\nIII. te bepalen dat, ook indien sprake zou zijn van dringende werkzaamheden, Woonwaard gehouden blijft om werkzaamheden in de woning, inclusief de meterkast die zich in de algemene ruimte bevindt, maar exclusief gekoppeld is aan de individuele woning, tijdig en schriftelijk aan te kondigen met een redelijke termijn, zodat de bewoners voorafgaand aan de uitvoering hun positie kunnen bepalen;\n\nIV. te bepalen dat Woonwaard zonder voorafgaande schriftelijke aankondiging van minimaal vijf werkdagen en zonder toestemming van gedaagden geen toegang verkrijgt tot de woning, waaronder de meterkast, behoudens aantoonbare acute calamiteiten, ter waarborging van naleving en bescherming van de belangen van de bewoners;\n\nV. te bepalen dat Woonwaard een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per overtreding voor iedere keer dat zonder voorafgaande aankondiging en zonder toestemming werkzaamheden in de woning, inclusief de meterkast, worden verricht; alsmede te bepalen dat Woonwaard een dwangsom verbeurt van € 150,00 per dag (of gedeelte daarvan) voor iedere dag dat de bewoners, in strijd met het vonnis, afgesloten zijn of worden gehouden van essentiële voorzieningen, waaronder gas, verwarming en warm water, dan wel dat de cv-installatie is verwijderd, buiten werking is gesteld of niet functioneert, met een maximum van € 10.000 per woning, een en ander na betekening van het vonnis, althans naar de kantonrechter begrijpt een in goede justitie te bepalen dwangsom.3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De aard van een kort geding brengt mee dat toewijzing van de gevorderde voorziening, die in de kern neerkomt om het verlenen van medewerking aan de aansluiting op het warmtenet, afhankelijk is van een belangenafweging. Mede gelet op wat partijen over en weer hebben aangevoerd, neemt de kantonrechter bij deze belangenafweging in elk geval het voorlopig oordeel over de aard en kwalificatie van de werkzaamheden, de spoedeisendheid bij de gevraagde voorziening, het ingrijpende en onomkeerbare karakter van de voorziening en de wederzijdse belangen in aanmerking. Daarbij merkt de kantonrechter op dat zij geen uitspraak doet over de vraag of de aansluiting op het warmtenet al dan niet wenselijk is. Zij beslist alleen of, met inachtneming van het hiervoor genoemd kader, over de vraag of het Woonwaard moet worden toegestaan de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet in de woningen van de betrokken bewonersin [complex] uit te voeren. Die vraag beantwoordt zij bevestigend. Dat wordt hierna uitgelegd.\n\nde zaken lenen zich voor kort geding\n\n4.2.. De bewoners stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat deze zaken zich niet lenen voor een beoordeling in kort geding, omdat de gevraagde voorziening een definitief en onomkeerbaar karakter heeft. Na verwijdering van de cv-installatie en de gasaansluiting is terugkeer naar de oude situatie feitelijk uitgesloten. Bovendien bestaat er tussen partijen een fundamenteel verschil van mening over onder meer de kwalificatie van de werkzaamheden en de gevolgen van de aansluiting op het warmtenet voor de bewoners.\n\n4.3.. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Dat toewijzing van de gevraagde voorziening leidt tot feitelijke gevolgen die niet of alleen met veel moeite of tegen hoge kosten ongedaan kunnen worden gemaakt, maakt op zichzelf genomen niet dat deze zaken op voorhand ongeschikt moeten worden geacht voor een beoordeling en beslissing in kort geding. Wel is dit een element dat, zoals hierboven al weergegeven, een rol speelt in de afweging bij de vraag of de gevraagde voorziening toewijsbaar is. Het belangrijkste punt van discussie tussen partijen betreft in de kern een juridische vraag, namelijk de vraag of sprake is van dringende werkzaamheden. Daarbij speelt in de zaak van [gedaagden (26-25)] de bijkomende vraag of de beoogde werkzaamheden moeten worden aangemerkt als renovatiewerkzaamheden. Deze juridische vraag kan worden beantwoord in kort geding en partijen hebben daarover ook, zowel in hun schriftelijke stukken voorafgaand aan de mondelinge behandeling als op de mondelinge behandeling, een standpunt kunnen innemen. Op deze standpunten baseert de kantonrechter de beslissing. Daarbij beschikt de kantonrechter met alle stukken die partijen hebben verstrekt ook overigens over voldoende informatie om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen.\n\ner is sprake van dringende werkzaamheden en niet van renovatie\n\n4.4.. In de wet is bepaald dat de huurder gelegenheid moet geven om dringende werkzaamheden aan de woning uit te voeren.Een huurder moet deze werkzaamheden dus gedogen. Dringende werkzaamheden zijn werkzaamheden die niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Het nadeel kan bestaan uit schade, maar bijvoorbeeld ook uit extra kosten. De huurder moet ook renovatiewerkzaamheden aan de woning gedogen, als de verhuurder daartoe een redelijk renovatievoorstel heeft gedaan aan de huurder.Van renovatie is (onder meer) sprake bij gedeeltelijke vernieuwing van de woning door veranderingen of toevoegingen aan te brengen waardoor het woongenot objectief gezien toeneemt.\n\n4.5.. Namens [gedaagden (26-25)] is betoogd dat de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet moeten worden aangemerkt als renovatiewerkzaamheden, omdat deze diep ingrijpen op de woning, de installatie, het gebruik en het comfortregime. Daarbij wijzen de bewoners er op dat ook Woonwaard zelf uitgaat van de voordelen van verduurzaming, zoals comfort en toekomstbestendigheid en bijvoorbeeld een beter energielabel. Volgens Woonwaard kwalificeren de werkzaamheden uitdrukkelijk niet als renovatie, omdat deze niet zijn gericht op toename van het woongenot. De aansluiting op het warmtenet leidt daar volgens Woonwaard niet toe. Het gaat simpelweg om het vervangen van het ene verwarmingssysteem door het andere verwarmingssysteem, zonder dat daaraan noemenswaardige voor- of nadelen kleven voor een huurder, waartoe Woonwaard onder meer verwijst naar de rapporten van de door haar ingeschakelde deskundige [technisch adviesbureau] .Er worden volgens Woonwaard geen andere werkzaamheden uitgevoerd dan het aansluiten van de woningen op het warmtenet en, zo nodig, het vervangen van radiatoren en de woningen hebben al een goed energielabel, variërend van (in een paar gevallen) B tot A++. Bijkomende werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld isolatiewerkzaamheden, zijn niet nodig en worden dus niet verricht.\n\n4.6.. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat werkzaamheden die zijn gericht op toename van het woongenot kwalificeren als renovatiewerkzaamheden. In dat geval gelden andere regels dan voor het verrichten van (alleen) dringende werkzaamheden. Een verhuurder moet in zo’n geval immers een redelijk voorstel doen en mag er daarbij bovendien voor kiezen om de huur te verhogen. Niet iedere werkzaamheid die mede leidt tot een toename van woongenot moet echter worden gekwalificeerd als renovatie. Ook het uitvoeren van enkel dringende werkzaamheden kan immers mede tot gevolg hebben dat sprake is van toegenomen woongenot, zonder dat de werkzaamheden daar primair op zijn gericht. Daarbij valt te denken aan de situatie van dringende reparaties of preventief onderhoud. De wet beperkt het begrip dringende werkzaamheden niet tot deze situaties. Ook bijvoorbeeld het uitvoeren van energiebesparende maatregelen, zoals hier aan de orde is, kan onder dat begrip worden gebracht. De aansluiting op het warmtenet die in dit geval plaatsvindt moet worden gezien als een noodzakelijke maatregel die primair is gericht op het voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen en -verplichtingen van Woonwaard en het nakomen van de door Woonwaard daarover gemaakte afspraken, en niet als een maatregel die primair is gericht op het vermeerderen van het wooncomfort van de bewoners.Om die reden is in dit geval sprake van dringende werkzaamheden in de zin van de wet. Hoewel niet uitgesloten is dat de werkzaamheden ook hier een toegenomen wooncomfort tot gevolg zullen hebben (hoewel de bewoners daaraan twijfelen), leidt dat dus niet tot de conclusie dat sprake is van renovatie. Van bijkomende werkzaamheden die objectief gezien wel zijn gericht op het vermeerderen van het woongenot, zoals bijvoorbeeld isolatiewerkzaamheden, is geen sprake, zoals Woonwaard heeft toegelicht.\n\n4.7.. Hoewel sprake is van een voorlopig oordeel in kort geding, realiseert de kantonrechter zich dat dit een oordeel is dat voor bewoners ingrijpende gevolgen kan hebben en dat zij zich daardoor geconfronteerd kunnen zien met een warmtevoorziening waar zij grote zorgen over hebben. De kantonrechter hecht er echter aan op te merken dat alleen een oordeel wordt gegeven over de aard van de werkzaamheden in deze specifieke zaak. In elk geval waarin een verhuurder verduurzamingsmaatregelen wil treffen en daartoe wil overgaan op bijvoorbeeld aansluiting op het warmtenet, zal steeds moeten worden nagegaan of inderdaad sprake is van (alleen) dringende werkzaamheden in de zin van de wet, en niet (ook) renovatie. Het oordeel in deze zaak betekent dus niet dat per definitie ieder ander geval ook kwalificeert als het verrichten van dringende werkzaamheden, zeker niet als de werkzaamheden in die andere gevallen niet primair zijn gericht op verduurzaming en deze werkzaamheden worden uitgevoerd samen met andere werkzaamheden gericht op vermeerdering van het woongenot. Ook staat het iedere verhuurder vrij om, ook als alleen sprake zou zijn van dringende werkzaamheden, desondanks te kiezen voor de weg van het redelijk renovatievoorstel om de acceptatie onder de betrokken bewoners te vergroten.\n\n4.8.. Omdat in dit geval sprake is van dringende werkzaamheden en niet van renovatiewerkzaamheden, wordt aan de vraag of aan de bewoners een redelijk voorstel is gedaan niet toegekomen.\n\nde werkzaamheden zijn noodzakelijk en kunnen niet zonder nadeel worden uitgesteld\n\n4.9.. Woonwaard heeft de noodzaak tot het verrichten van de dringende werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet goed uitgelegd. Verduurzaming is voor Woonwaard geen keuze, maar zij is daartoe daadwerkelijk gehouden. Niet alleen op basis van het Klimaatakkoord uit 2019, maar ook op basis van haar eigen Duurzaamheidsbeleid 2026-2030,de [plaats] Warmtevisie en de bindende prestatieafspraken die zij op grond van de Woningwet als toegelaten instelling verplicht is te maken met de gemeente. Om aan de landelijke doelen te voldoen moeten in 2050 alle woningen in [plaats] volledig aardgasvrij zijn en daarvoor moeten de gemeente en de corporaties, in samenwerking met de andere betrokken partijen, een strakke planning en gemeentelijke (sub)doelstellingen hanteren. Daarbij staat vast dat op korte termijn de wijken [buurt] en [wijk] helemaal aardgasvrij moeten zijn.Er is voor Woonwaard geen ruimte om te onderhandelen of om andere keuzes te maken, zelfs als zij dat zou willen. Die ruimte heeft zij ook niet bij de totstandkoming van de nieuwe prestatieafspraken (op grond van de Woningwet) met de gemeente voor de periode 2026-2030. Bepalend voor deze afspraken zijn immers, naast de landelijke doelstellingen uit het Klimaatakkoord, onder meer de Woonvisie [plaats] 2040 en de [plaats] Warmtevisie 2025, waarin het uitgangspunt van 1.600 bestaande woningen per jaar aardgasvrij maken onverkort is gehandhaafden waarin [wijk] en [buurt] als eerste en belangrijkste startbuurt zijn aangewezen. Tegen deze achtergrond is de aansluiting van [complex] op het warmtenet dan ook noodzakelijk en onvermijdelijk. Daarbij geldt dat aan Woonwaard als eigenaar van de woningen in beginsel de vrijheid toekomt om een keuze te maken tussen de verschillende verduurzamingsmaatregelen, en dus te kiezen welk systeem van warmtevoorziening zij het meest geschikt acht. In dat kader is van belang dat zij als toegelaten instelling zorgvuldig en verantwoord moet omgaan met gemeenschapsgeld en dus financiële overwegingen daarin een belangrijke rol mag laten spelen.Van belang is verder dat inmiddels ongeveer 80% van de hele wijk aardgasvrij is en dat ongeveer 66% van de woningen in het wooncomplex van de bewoners is aangesloten op het warmtenet. Om haar doelstellingen te halen moet Woonwaard daarom ook de overige bewoners in het complex, degenen waar het in deze zaken om gaat, op het warmtenet kunnen aansluiten.\n\n4.10.. Naast een goede uitleg over de noodzaak van de werkzaamheden heeft Woonwaard ook voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd dat de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet niet zonder nadeel kunnen worden uitgesteld. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat dit nadeel in de eerste plaats is gelegen in het niet behalen van de klimaatdoelstellingen en de verplichtingen die in dat kader op Woonwaard rusten. Daarnaast is echter ook sprake van aanzienlijk financieel en organisatorisch nadeel. In het geval van dringende werkzaamheden moet onder nadeel ook worden begrepen het mislopen van subsidie, extra kosten of het mislopen van voordeel door werkzaamheden projectmatig uit te voeren. Dat is hier aan de orde. Woonwaard heeft subsidie aangevraagd en aan haar is ook subsidie verleend voor de aansluiting van de woningen op het warmtenet op basis van op grond van de – inmiddels vervallen – SAH. Deze subsidie is verleend voor in totaal 594 woningen voor een totaalbedrag van € 2.329.965,00, dus € 3.922,50 per woning. Daarbij is de helft van het subsidiebedrag bij wijze van voorschot uitgekeerd en zal de andere helft worden uitgekeerd als is voldaan aan de voorwaarde dat de woningen volledig aardgasvrij zijn. Woonwaard heeft geen ruimte om de aansluiting op het warmtenet (verder) uit te stellen, de aansluiting op het warmtenet van deze bewoners achterwege te laten dan wel te kiezen voor een ander verwarmingssysteem. De subsidie betreft immers nadrukkelijk de aansluiting op het warmtenet en is verleend voor specifieke adressen (waaronder de woningen van de bewoners in deze zaken). Toegelicht is dat inmiddels op alle adressen waarvoor subsidie is verleend de aansluiting op het warmtenet is uitgevoerd, behalve bij deze bewoners. Woonwaard is op grond van de subsidiebeschikking bovendien verplicht de aansluiting op het warmtenet te realiseren binnen vijf jaar na de aanvraagdatum van 1 mei 2020, met een verlengingsmogelijkheid van een jaar. Deze (verlengde) periode is inmiddels bijna verstreken. Kortom, als Woonwaard de aansluiting op het warmtenet van de bewoners niet vóór 1 mei 2026 realiseert, loopt zij een reëel risico de daarvoor verleende subsidie mis te lopen, wat alleen daarom al leidt tot veel hogere kosten. Op de mondelinge behandeling is daarover namens de bewoners nog gesteld dat als Woonwaard deze subsidie misloopt zij mogelijk aanspraak zou kunnen maken op een andere subsidie, gelet op de toezeggingen van het nieuwe kabinet. Dit betreft echter niet meer dan een enkele toezegging. Van Woonwaard kan, gelet op haar doelstellingen en verplichtingen op korte en op langere termijn op het gebied van verduurzaming, niet worden gevergd de huidige toegekende subsidieaanspraak te laten lopen en af te wachten of zij misschien op basis van een eventuele nieuwe regeling in de toekomst opnieuw aanspraak zou kunnen maken op subsidie, met alle onzekere gevolgen van dien.\n\n4.11.. Naast het mislopen van subsidie heeft het niet aansluiten van deze bewoners bovendien ook andere nadelige gevolgen. Het projectmatig en in een aaneengesloten stroom aansluiten van de bewoners van het wooncomplex op het warmtenet is dan immers niet meer mogelijk, wat onder meer leidt tot hogere kosten voor de aannemer. Deze kosten zijn begroot op een bedrag van ongeveer € 1.800,00 per bewoner,zodat het niet (tijdig) aansluiten op het warmtenet per woning in totaal ongeveer € 5.700,00 kost. Daarbij is, zoals Woonwaard op de mondelinge behandeling heeft toegelicht, nog geen rekening gehouden met eventuele extra personeelskosten van Woonwaard en schade door huurderving. Dat is, anders dan namens de bewoners is betoogd, een concreet en aannemelijk nadeel dat in een geval als dit zwaar weegt. Woonwaard is immers niet zomaar een bedrijf dat een ondernemersrisico loopt, maar is een toegelaten instelling die maatschappelijk verantwoord met gemeenschapsgeld moet omgaan. Tot slot heeft Woonwaard ook een rol mogen laten spelen dat de levensduur van de cv-installaties van de bewoners ergens in de komende jaren mogelijk tot een einde komt, gelet op de gemiddelde levensduur van dergelijke installaties, ook al doen zich nu nog geen technische problemen of defecten voor. Van Woonwaard kan niet worden verwacht dat zij de werkzaamheden uitstelt tot dat de levensduur van de cv-installaties daadwerkelijk zijn verstreken of dat zij tegen die tijd nieuwe cv-ketels ophangt. Dat verdraagt zich niet met klimaatdoelstellingen en de op haar rustende verduurzamingsverplichtingen.\n\n4.12.. De bewoners hebben terecht de vraag aan de orde gesteld of Woonwaard zichzelf niet in deze situatie heeft gebracht met de door haar gekozen aanpak van de verduurzamingsmaatregelen, waarbij zij onder meer wijzen op het in een vroegtijdig stadium aanvragen van subsidie voor een groot aantal woningen. Deze vraag is ook op de mondelinge behandeling aan de orde gekomen en Woonwaard heeft daarop een overtuigende toelichting gegeven. Het Klimaatakkoord uit 2019, met de daarin neergelegde klimaatdoelstelling, en de daaruit voortvloeiende subsidieregeling waren voor alle partijen, en dus ook voor Woonwaard, op het moment van het aanvragen van de subsidie een relatief nieuw en onbekend fenomeen. Duidelijk was al wel dat er verduurzaming op grote schaal moest plaatsvinden en Woonwaard wilde niet het risico lopen dat de regeling zou vervallen, waardoor zij subsidie zou mislopen. Daarom heeft zij de keuze gemaakt om de subsidie voor 594 woningen tegelijk aan te vragen. Op dat moment kon zij redelijkerwijs niet voorzien dat de ruime subsidietermijn van vijf jaar niet zou worden gehaald. Niet voorzienbaar was dat de feitelijke uitvoering vanwege maatschappelijke en organisatorische ontwikkelingen (waaronder ook het gezamenlijk optrekken met de gemeente, HVC, Liander en aannemer Hemubo) zoveel meer tijd in beslag zou nemen dan verwacht.\n\n4.13.. Ook heeft Woonwaard toegelicht dat zij er inderdaad al in juni 2024 door het indienen van een petitie van op de hoogte was dat niet alle bewoners van het wooncomplex achter de aansluiting op het warmtenet stonden, maar dat zij er niettemin voor heeft gekozen om pas in een laat stadium, kort voor het verstrijken van de verlengde subsidietermijn, een juridische procedure te beginnen. Procederen tegen haar huurders is voor Woonwaard een allerlaatste stap en het uiterste middel. Gezien haar rol en positie als sociale verhuurder is haar handelen er vooral op gericht om tot een onderlinge oplossing en draagvlak te komen door de bewoners waar mogelijk te informeren en het gesprek aan te gaan. Daarin is Woonwaard ook voor een groot deel geslaagd, omdat aanvankelijk ongeveer 94% van de bewoners van dit wooncomplex bezwaren had tegen de aansluiting op het warmtenet en daar nu nog slechts ongeveer 30% van over is. Inmiddels resteert ten aanzien van deze laatste groep bewoners alleen nog de juridische weg, hoewel op de mondelinge behandeling ook gebleken is dat de vordering ten aanzien van drie bewoners is ingetrokken, omdat zij in weerwil van hun aanvankelijke bezwaren alsnog wilden instemmen met de aansluiting op het warmtenet. Gezien deze toelichting is de keuze van Woonwaard om zo lang mogelijk te wachten met procederen een begrijpelijke en de kantonrechter volgt dan ook niet het standpunt dat Woonwaard de bewoners eerder in rechte had moeten betrekken om het werk uitgevoerd te krijgen en zichzelf dus in deze positie heeft gebracht.\n\ntussenconclusie: Woonwaard heeft een zwaarwegend en spoedeisend belang\n\n4.14.. Dat sprake is van dringende werkzaamheden maakt dat de bewoners gehouden zijn de werkzaamheden ten behoeve van de aansluiting op het warmtenet te gedogen en daaraan hun medewerking te verlenen. De dringende aard van de werkzaamheden maakt ook dat Woonwaard daarbij een zwaarwegend en spoedeisend belang heeft.\n\nhet belang van Woonwaard prevaleert boven de belangen van de bewoners\n\n4.15.. Tegenover het belang van Woonwaard moeten de belangen van de bewoners worden afgewogen.\n\n4.16.. Duidelijk is dat er bij de bewoners onrust en zorgen bestaan over de aansluiting op het warmtenet en dat in algemene zin binnen de [gemeente] de ontwikkelingen rond het warmtenet eveneens een onderwerp van zorg en gesprek zijn. Dat blijkt ook uit het feit dat de gemeenteraad op 2 maart 2026 een motie heeft aangenomen die er kort gezegd toe strekt met HVC en Woonwaard in gesprek te gaan om bewoners die in financiële problemen zijn gekomen te compenseren of ondersteunen en problemen met het warmtenet op te lossen, en uit het feit dat ook de woonbond zich kritisch heeft uitgelaten over de voorgenomen aansluiting op het warmtenet, zoals de bewoners hebben aangevoerd. Dat staat echter, gezien het belang van Woonwaard daarbij, niet in de weg aan aansluiting van dit specifieke wooncomplex op het warmtenet. In juridisch opzicht bestaat daarvoor onvoldoende grond.\n\n4.17.. \n\nAnders dan de bewoners betogen, heeft Woonwaard de geschiktheid van dit –\n\nrelatief jonge (2002) en goed geïsoleerde – wooncomplex voor de aansluiting op het warmtenet met de rapporten van [technisch adviesbureau] voldoende toegelicht en onderzocht. Op basis van een warmtetransmissieberekening is vastgesteld hoeveel vermogen er nodig is om de woningen warm te krijgen en of het nodig is om de capaciteit van het afgiftesysteem (de radiatoren) te verhogen, waarbij vervolgens per woning de capaciteit van de radiatoren is gecontroleerd. Dit onderzoek is later – vanwege de zorgen van de bewoners – aangevuld met een controle ter plaatse (in ieder geval drie woningen, waarvan één op de begane grond boven de parkeergarage, één op de vijfde verdieping en één verdeeld over twee verdiepingen) om na te gaan of de uitgangspunten uit de berekening overeenkomen met de werkelijkheid. Op basis hiervan is geconcludeerd dat het wooncomplex in bouwkundig opzicht geschikt is voor de aansluiting op het warmtenet. Er zijn geen situaties geconstateerd die tot grote verliezen en hoge energieverbruiken zullen leiden. Wel is er een aantal aanbevelingen gedaan om een goede werking van het warmtenet te bevorderen,maar deze maken niet dat op voorhand moet worden aangenomen dat de installatie niet goed zal functioneren.\n\n4.18.. Er is geen reden voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de door Woonwaard ingeschakelde deskundige. De bewoners hebben daar niet een onderzoek van een eigen deskundige tegenover gesteld. Zij hebben er op gewezen dat het onderzoek is gebaseerd op een 3D-model met uitgangspunten uit 2002, maar daaruit volgt, anders dan zij menen, niet dat het onderzoek niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Het wooncomplex zelf is en wordt immers niet aangepast (er is energetisch dus niets gewijzigd), zodat op zichzelf genomen van de definitieve bouwtekeningen en situatie uit 2002 mocht worden uitgegaan, zoals ook volgt uit de rapporten van de deskundige. Bovendien heeft de deskundige daarmee niet volstaan, omdat, zoals hiervoor al vermeld, daarnaast in een aantal woningen feitelijk is nagegaan of de gehanteerde uitgangspunten nog steeds van toepassing zijn. Daarmee voldoet het onderzoek aan wat daarvan mag worden verwacht, waarbij ook van belang is de stelling van Woonwaard dat er iedere drie of vier jaar een visuele inspectie van het complex plaatsvindt en dat uit het meest recente rapport van 2025 blijkt dat de conditie van de gevels en kozijnen als uitstekend is aangemerkt.\n\n4.19.. Tot het verrichten van een woningspecifiek onderzoekkan Woonwaard niet worden gehouden. De stelling dat er in een deel van de woningen sprake zou zijn van gebreken, zoals bijvoorbeeld tocht bij ramen of deuren of spouwmuurproblematiek, die van invloed zouden kunnen zijn op het functioneren van het warmtenet (en daarmee ook de hoogte van verbruikskosten) leidt daar niet toe. Los van het feit dat bij Woonwaard maar drie woningen uit het complex bekend zijn waar sprake is van gebreken, waar zij bezig is deze te verhelpen, geldt, zoals Woonwaard terecht stelt, hiervoor de reguliere gebrekenregeling.Op grond van die regeling zijn bewoners gehouden eventuele gebreken bij Woonwaard te melden (dat geldt ook voor eventuele storingen in de werking van het warmtenet als zodanig) en Woonwaard als verhuurder is vervolgens op haar beurt gehouden deze binnen redelijke termijn te (laten) verhelpen, bij gebreke waarvan de huurders aanspraak kunnen maken op huurvermindering of vergoeding van schade. De aanwezigheid van eventuele gebreken staat dan ook los van de voorgenomen aansluiting op het warmtenet en heeft geen invloed op het algemene uitgangspunt dat het wooncomplex daarvoor in bouwkundig opzicht geschikt is. Bovendien moet worden aangenomen dat eventuele bouwkundige gebreken ook nu al invloed zullen hebben op de huidige warmtelevering door gas. Er is in dit verband niet gebleken van een relevant verschil tussen verwarming door gas dan wel door het warmtenet. Dat geldt evenzeer voor het verschil in ligging van de verschillende appartementen (waaronder begrepen de invloed van zon, wind, specifieke isolatie en aanwezigheid van bijvoorbeeld boven- en onderburen), waarop de bewoners hebben gewezen. Er is geen reden om aan te nemen dat een verschil in ligging in het complex bij het warmtenet tot wezenlijk andere gevolgen zal leiden dan bij verwarming door de huidige cv-installatie. De kantonrechter kan Woonwaard dan ook volgen in de conclusie dat als verwarmen met gas lukt, aangenomen moet worden dat dit ook lukt met het warmtenet.\n\n4.20.. De onzekerheid van de bewoners over de financiële gevolgen van de aansluiting op het warmtenet kan niet volledig worden weggenomen, maar dat behoort ook niet tot de taak en verantwoordelijkheid van Woonwaard. Sommige prijsontwikkelingen zijn immers mede afhankelijk van omstandigheden die buiten de invloedssfeer van Woonwaard liggen, zoals bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen (waaronder ontwikkelingen op de energiemarkt door de situatie in de wereld en de ontwikkeling van het Consumentenprijsindex (CPI)). Dit geldt bovendien ook in geval van warmtelevering door middel van gas. Ook daar kan sprake zijn van prijsstijgingen buiten toedoen van Woonwaard. Niet aannemelijk is geworden dat het warmtenet per definitie een duurdere warmtevoorziening is dan gasen dat de aansluiting van de bewoners op het warmtenet daadwerkelijk tot een substantiële verhoging voor warmtekosten zal leiden. Naast de bescherming die de Warmtewet (via het Niet-Meer-Dan-Anders-principe)en de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM) (via de jaarlijkse vaststelling van maximale tarieven) al bieden, heeft Woonwaard zich in voldoende mate ingespannen om aan de bewoners tegemoet te komen door de aansluiting op het warmtenet zoveel mogelijk met (financiële) waarborgen te omkleden. Zo heeft Woonwaard zich door middel van een afzonderlijke overeenkomst met HVC verbonden een deel van het vast recht van de bewoners voor haar rekening te nemen (een vast bedrag van € 263,75 exclusief btw per jaar). Dit zal Woonwaard doen zolang de huurovereenkomst met de huidige bewoners voortduurt. Daarnaast hanteert HVC een lager verbruikstarief dan volgens de ACM is toegestaan en wordt bovendien een korting van 5% gegeven aan huurders van Woonwaard die worden aangesloten op het warmtenet, dus ook aan deze bewoners. Los daarvan compenseert Woonwaard in individuele gevallen nog extra, waaronder in het geval van [gedaagden (26-25)] vanwege lagere netbeheerkosten. Hieruit volgt dat Woonwaard zich rekenschap heeft gegeven van mogelijke nadelige financiële gevolgen en heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om deze gevolgen te voorkomen. Een garantie dat de kosten van warmte helemaal gelijk blijven kan en hoeft zij niet te geven.\n\n4.21.. In het geval van [gedaagden (26-25)] blijkt verder uit de overgelegde proefberekening niet dat er sprake zal zijn van een substantiële verhoging van de warmtekosten. Daaruit moet juist worden opgemaakt dat de kosten min of meer gelijk zullen blijven, nu er in die berekening geen rekening mee is gehouden dat Woonwaard een bedrag van € 263,75 exclusief btw aan vastrecht voor haar rekening neemt. Namens de andere bewoners is naar voren gebracht dat hun zorg niet zozeer de kosten van het warmtenet als zodanig betreft, maar dat het hen gaat om de vrees voor hogere kosten vanwege de aanwezigheid van gebreken. Daarover is hierboven echter al overwogen dat eventuele gebreken los staan van de noodzakelijk geachte dringende werkzaamheden en dat daarvoor de reguliere gebrekenregeling geldt. Het ligt dus op de weg van bewoners om melding te doen van aanwezige gebreken en indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, kunnen zij zich wenden tot de huurcommissie of de rechter. Dat er bij de aansluiting op het warmtenet geen vrije keuze meer bestaat tussen energieleveranciers, zoals de bewoners ook naar voren hebben gebracht, is nu eenmaal het gevolg van deze vorm van warmtelevering en om de onwenselijke gevolgen daarvan te voorkomen is voorzien in regulering en aanvullende maatregelen op de hiervoor omschreven wijze.4.22.. Tot slot vinden de bezwaren van de bewoners mede hun grondslag in de door hen ervaren gebrekkige informatievoorziening door Woonwaard en het gebrek aan serieuze aandacht voor hun bezwaren en omstandigheden. De kantonrechter heeft echter moeten vaststellen dat zich in het dossier veel concrete informatie bevindt over onder meer de werking van het warmtenet, de financiële gevolgen en de aard, omvang en duur van de werkzaamheden. Deze informatie is in de periode vanaf april 2024 tot en met maart 2026 ook aan de bewoners beschikbaar gesteld. Ook in deze procedure en op de mondelinge behandeling is Woonwaard niet terughoudend geweest in het verstrekken van informatie en heeft zij benadrukt open te staan voor het gesprek. Gelet hierop kan de stelling dat de bewoners niet adequaat zijn geïnformeerd niet zonder meer worden gevolgd, waarbij ook van belang is dat Woonwaard als verhuurder niet gehouden is om een gedetailleerd antwoord te geven op alle vragen die worden gesteld, en er op de bewoners als huurders op hun beurt ook verplichtingen rusten. Dat er bewoners zijn die zich niet serieus genomen hebben gevoeld en het gesprek met Woonwaard zo hebben ervaren dat zij onder druk werden gezet, is – ook volgens Woonwaard zelf – betreurenswaardig en dat kan ook niet de bedoeling zijn geweest. In de juridische beoordeling kan dat echter verder geen rol spelen.\n\nconclusie: de gevorderde medewerking aan de aansluiting op het warmtenet wordt toegewezen\n\n4.23.. De conclusie is dat de gevorderde medewerking aan de aansluiting op het warmtenet, ofschoon ingrijpend en moeilijk ongedaan te maken, in dit kort geding toewijsbaar is. Het spoedeisende en zwaarwegende belang van Woonwaard prevaleert boven de belangen van de bewoners en gelet op de dringende aard van de werkzaamheden kan van Woonwaard niet worden gevraagd dat zij een bodemprocedure aanhangig maakt. Dat de bewoners hun medewerking moeten verlenen, betekent dat zij de werkzaamheden moeten gehengen en gedogen en dat zij op eerste verzoek toegang moeten verschaffen aan Woonwaard en degenen die de werkzaamheden uitvoeren. Dit verschaffen van toegang kan door thuis te blijven, een buur te vragen de deur te openen of een sleutel af te geven aan Woonwaard.\n\n4.24.. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, ondanks de toezegging van [gedaagden (26-25)] dat bij een toewijzend vonnis medewerking zal worden verleend. Gelet op de korte termijn waarbinnen de werkzaamheden moeten worden verricht en de hoeveelheid bewoners die in deze procedure betrokken zijn, is begrijpelijk dat Woonwaard een dwangsom noodzakelijk acht als stok achter de deur om vertraging te voorkomen. Daarbij hoeven de bewoners indien zij hun toezegging dat zij mee zullen werken gestand doen, zich geen zorgen te maken over het verbeuren van een dwangsom. De dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 500,- per dag of dagdeel dat de bewoners in gebreke blijven de veroordeling na te komen, met een maximum van € 7.500,-.\n\nde overige vorderingen van Woonwaard worden ook toegewezen\n\n4.25.. Naast medewerking door het gehengen en gedogen van de werkzaamheden en het verlenen van toegang vordert Woonwaard ook de tijdelijke ontruiming van de woningen (voor de duur van de werkzaamheden) onder afgifte van de sleutels. De bewoners verzetten zich hiertegen en wensen in hun woning te kunnen blijven tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Hoewel de werkzaamheden in beginsel kunnen uitgevoerd, terwijl de bewoners in hun woning verblijven en het begrijpelijk is dat zij dat willen, heeft Woonwaard toch een belang bij de gevorderde tijdelijke ontruiming, namelijk in de situatie waarin bewoners toch niet volledig meewerken en gedwongen toegang en het tijdelijk vertrek uit de woning onverhoopt toch nodig blijkt. Voorstelbaar is dat een veroordeling tot tijdelijke ontruiming onder afgifte van de sleutels voor de bewoners als een ingrijpende maatregel voelt, maar dit is op zichzelf genomen een gebruikelijke maatregel bij het verrichten van werkzaamheden door een verhuurder, waarvan alleen gebruik wordt gemaakt als het niet anders kan en die beperkt is tot de duur van de werkzaamheden. Ook hier zal een gematigde dwangsom van € 500,- met een maximum van € 7.500,- worden vastgesteld.\n\nde overige vorderingen en verzoeken van de bewoners worden afgewezen\n\n4.26.. Bij deze uitkomst is er geen grond om de vordering van de bewoners tot het opschorten van de werkzaamheden (in beide zaken) toe te wijzen.\n\n4.27.. In de zaak 26-25 heeft [gedaagden (26-25)] verder verzocht om te bepalen dat er niet meer hoeft te worden betaald dan de huidige energielasten dan wel dat volledige compensatie van de meerkosten moet plaatsvinden. Uit wat hiervoor onder 4.20 is overwogen blijkt dat dat verzoek, voor zover dat zich al leent voor toewijzing in kort geding, moet worden afgewezen.\n\n4.28.. In die zaak is verder nog gevraagd om Woonwaard te veroordelen tot het beoordelen van de gebreken aan de woning en deze te herstellen. Ook die vordering wordt afgewezen: het is aan [gedaagden (26-25)] om van gebreken melding te doen bij Woonwaard en haar te verzoeken deze binnen een redelijke termijn op te lossen. De inhoudelijke beoordeling van eventuele gebreken valt buiten het bestek van deze procedure.\n\n4.29.. Aan het verzoek om de medewerking te beperken tot concreet omschreven werkzaamheden, wordt reeds door Woonwaard zelf voldaan doordat zij die werkzaamheden bij haar vordering al concreet heeft omschreven. Daarbij kan echter niet worden uitgesloten dat er voorafgaand of tijdens de uitvoering van de werkzaamheden meer of ook andere werkzaamheden nodig blijken te zijn om te komen tot een aansluiting op het warmtenet. Ook aan die werkzaamheden zal medewerking moeten worden verleend.\n\n4.30.. Ook het verzoek van [gedaagden (26-25)] om te bepalen dat de werkzaamheden aanvangen vanaf 10.00 uur in plaats van vanaf 7.30 uur komt niet voor toewijzing in aanmerking. Dat zou immers betekenen dat bij een werkdag tot ongeveer 16.00 uur, er veel minder tijd beschikbaar is voor het uitvoeren van de werkzaamheden in deze woning. Dat kan van Woonwaard redelijkerwijs niet worden gevergd. Daarbij komt dat Woonwaard heeft toegezegd met de persoonlijke situatie van [gedaagden (26-25)] rekening te zullen houden bij de planning van de werkzaamheden en waar mogelijk later dan om 7.30 uur te zullen beginnen.\n\n4.31.. In de zaak 26-43 hebben de bewoners tot slot nog verzocht te bepalen dat Woonwaard tijdig en schriftelijk de uitvoering van het werk moet aankondigen met een redelijke termijn, zodat de bewoners voorafgaand aan de uitvoering hun positie kunnen bepalen. Ook dat zal worden afgewezen. De uitvoering van de werkzaamheden is immers al aangekondigd en Woonwaard heeft toegezegd binnen een termijn van drie dagen na de mondelinge behandeling een gewijzigde planning aan alle bewoners te doen toekomen. Daarmee weten de bewoners wanneer hun woning aan de beurt is en dus ook waar zij aan toe zijn.\n\nde proceskosten\n\n4.32.. De bewoners zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten betalen).\n\n4.33.. De proceskosten van Woonwaard worden in de zaak 26-25 begroot op:\n\nkosten van de dagvaarding € [nummer 10] ,09\n\ngriffierecht € 139,00\n\nsalaris gemachtigde (tarief € 1. [nummer 10] ,00) € 1. [nummer 10] ,00\n\nnakosten € 144,00 +(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal: € 1.591,09\n\n4.34.. De proceskosten van Woonwaard worden in de zaak 26-43 begroot op:\n\nkosten van de dagvaarding € 185,32\n\ngriffierecht € 139,00\n\nsalaris gemachtigde (tarief € 1. [nummer 10] ,00) € 1. [nummer 10] ,00\n\nnakosten € 144,00 +(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal: € 1.622,32\n\n4.35.. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hieronder vermeld.\n\nhoofdelijkheid\n\n4.36.. \n\nDe veroordeling wordt, zoals gevraagd in de gevallen waar sprake is van meerdere gedaagden per adres en waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere gedaagde kan worden gedwongen tot medewerking aan het uitvoeren van de werkzaamheden voor zover het zijn of haar gehuurde betreft en ook dat iedere gedaagde kan worden gedwongen tot ontruiming. Verder wordt de hoofdelijkheid eveneens uitgesproken ten aanzien van de proceskosten. Dat betekent dat iedere gedaagde ten aanzien van de proceskosten kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.\n\nuitvoerbaarheid bij voorraad\n\n4.37.. Dit vonnis wordt, zoals gevorderd in de zaak 26-25 en 26-43, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat hiertegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin de zaak 26-25\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de werkzaamheden zoals vermeld onder 3.1 in hun woning inclusief aanhorigheden te ( [postcode] ) [plaats] aan [adres] , alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de dringende werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijven om deze veroordeling ten aanzien van hun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.2.. veroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, de woning inclusief aanhorigheden te ( [postcode] ) [plaats] aan [adres] tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden als genoemd onder 5.1, te ontruimen en ontruimd te houden, met alle zich daarin van hen, de hunnen en derden aanwezige personen en zaken, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels aan Woonwaard ter vrije beschikking te stellen van Woonwaard, teneinde Woonwaard in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden als genoemd onder 5.1 uit te (doen laten) voeren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] in gebreke blijven om deze veroordeling ten aanzien van hun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.591,09, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen de kosten van betekening indien [gedaagde 1 (26-25)] en [gedaagde 2 (26-25)] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de zaak 26-43\n\nten aanzien van de woningen gelegen aan de [buurt] met de huisnummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 6] , [nummer 7] , [nummer 8] , [nummer 9] , [nummer 10] , [nummer 11] , [nummer 12] [nummer 13] , [nummer 14] , [nummer 15] , [nummer 16] , [nummer 17] , [nummer 18] , [nummer 19] , [nummer 20] , [nummer 21] , [nummer 22] , [nummer 23] , [nummer 24] , [nummer 25] , [nummer 26] , [nummer 27] , en de woningen die gedaagde sub 20 ( [gedaagde 20] ) en sub 29 ( [gedaagde 29] ) van Woonwaard huren:5.4.. veroordeelt iedere bewoner afzonderlijk, en hoofdelijk in geval zij gezamenlijk huurder zijn, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis, hun medewerking te verlenen aan het uitvoeren van de werkzaamheden zoals vermeld onder 3.1 in de woning die hij\u002Fzij van Woonwaard huurt\u002Fhuren, alsmede die werkzaamheden die ter beoordeling van Woonwaard voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden en tijdens de werkzaamheden nodig blijken te zijn, door alle werkzaamheden te gehengen en te gedogen en door aan Woonwaard en de door Woonwaard ingeschakelde aannemer en allen die in haar opdracht werkzaamheden dienen te verrichten op eerste verzoek toegang te verschaffen tot hun huurwoning om de dringende werkzaamheden uit te voeren, telkens opnieuw en voor zolang de werkzaamheden nog niet zijn afgerond, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat hij\u002Fzij in gebreke blijft\u002Fblijven om deze veroordeling ten aanzien van zijn\u002Fhaar\u002Fhun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.5.. veroordeelt iedere bewoner afzonderlijk, en hoofdelijk in geval zij gezamenlijk huurder\u002Fbewoner zijn, om binnen 1 dag na betekening van dit vonnis zijn\u002Fhaar\u002Fhun woning die zij van Woonwaard huurt\u002Fhuren tijdelijk, voor de duur van de werkzaamheden als genoemd onder 5.4, te ontruimen en ontruimd te houden, met alle zich daarin van hen, de hunnen en derden aanwezige personen en zaken, en de woning in die periode onder afgifte van de sleutels aan Woonwaard ter vrije beschikking te stellen van Woonwaard, teneinde Woonwaard in de gelegenheid te stellen om de werkzaamheden als genoemd onder 5.4 uit te (doen laten) voeren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat de betreffende bewoner(s) in gebreke blijft\u002Fblijven om deze veroordeling ten aanzien van zijn\u002Fhaar\u002Fhun huurwoning na te komen, met een maximum van € 7.500,00,5.6.. veroordeelt de bewoners hoofdelijk in de proceskosten van € 1.622,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen de kosten van betekening indien de bewoners niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin de zaak 26-25 en in de zaak 26-43\n\n5.7.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.\n\n waaronder het verwijderen van cv-installaties, het loskoppelen van gasaansluitingen en de aansluiting op het warmtenet.\n\n Van de in totaal 93 appartementen betreft deze zaak 30 appartementen.\n\n Artikel 7:220 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:220 lid 2 BW.\n\n Rapportages van 8 december 2025 en 9 januari 2026, onder meer onder 3.0: “De stadsverwarming moet worden gezien als de nieuwe cv-ketel, maar dan gevoed vanuit het warmtenet van HVC in plaats van de gasleiding van Liander. Omdat het gebouw zelf niet wordt aangepast zal de energiebehoefte in de woningen niet veranderen.”.\n\n Vgl. ECLI:NL:RBNHO:2024:11673.\n\n Tot 2030 moet ongeveer 50% en 4000 woningen aangesloten zijn op het warmtenet van HVC.\n\n Wijkuitvoeringsplan [plaats] [wijk] en [buurt] .\n\n Aanvankelijk werd deze subdoelstelling niet gehaald. Inmiddels worden gemiddeld 1.660 woningen per jaar van het gas gehaald.\n\n Volgens het Wijkuitvoeringsplan is aansluiting op een warmtenet de goedkoopste aardgasvrije optie, waarbij ook de belasting van het elektriciteitsnet minder is dan bij een warmtepomp.\n\n Besluit minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (RVO) van 4 augustus 2020.\n\n De totale kosten voor aansluiting op het warmtenet per woning bedragen op dit moment ongeveer € 11.182,29 exclusief btw.\n\n Vgl. emailbericht Hemubo van 25 februari 2026 waarin de kosten per woning worden begroot op € 1.769,78 per woning.\n\n Zoals het aanbrengen van roosters of sleuven in de vensterbanken en een aanvullende isolatie met PUR isolatieschuim in het plafond van de parkeergarage.\n\n Dat wil zeggen een onderzoek per afzonderlijke woning.\n\n In artikel 7:204 BW en verder.\n\n Volgens het Nationaal Programma Landelijke Warmtetransitie zal de verwachte kostenstijging voor warmtenetten in de toekomst lager zijn dan de kosten voor gas of een warmtepomp.\n\n In de toekomst te vervangen door de Wet collectieve warmte.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3806","ecli-nl-rbnho-2026-3806",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":99,"ecli":100,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":101,"fullText":102,"language":7,"source":17,"sourceUrl":103,"summary":14,"slug":104,"metadata":105},"1299","ECLI:NL:RBNHO:2026:4200","2026-03-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12020648 \\ AO VERZ 25-104 en 12031483 \u002F AO VERZ 25-108 (SJ)\n\nBeschikking van 26 maart 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. J. du Bois,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap Vomar Voordeelmarkt B.V.,\n\nte Alkmaar,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Vomar,\n\ngemachtigde: mr. D.C.J. Bogerd.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een ontslag op staande voet en loondoorbetaling. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer zich bij herhaling schuldig heeft gemaakt aan beledigend en grensoverschrijdend gedrag dat een ontslag op staande voet rechtvaardigt.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n [verzoeker] heeft een verzoek gedaan om vernietiging van een ontslag op staande voet. Vomar heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend. Dit tegenverzoek is ook als zelfstandig verzoek gedaan.\n\n1.2.. Op 26 februari 2026 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Partijen hebben ook pleitaantekeningen overgelegd.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] , geboren [geboortedatum] , is sinds 3 februari 2025 in dienst bij Vomar op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. De functie van [verzoeker] is teamleider voor 40 uur per week, met een loon van € 2.876,32 bruto per vier weken.2.2.. Op 30 april 2025 heeft in de supermarkt waar [verzoeker] werkzaam was een incident plaatsgevonden tussen [verzoeker] en een klant. Hierover heeft Vomar een gesprek met [verzoeker] gevoerd en hem tijdelijk naar een andere supermarkt overgeplaatst.\n\n2.3.. In een Whatsapp-bericht van 23 mei 2025 heeft [verzoeker] naar aanleiding van een loonbeslag aan zijn manager onder meer geschreven: ‘Dus vomar verwacht dat ik naar werk kom vndg? Terwijl dit niet in orxe is’, ‘Dit is voor mij de lijn Ik maak geen grappen omtrent geld’ en ‘Ik kom niet vndg Tot ze dit shit geregeld heb’.\n\n2.4.. Vervolgens heeft op 23 mei 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , eerdergenoemde manager en [naam] (hierna: [naam] ), HR Business Partner van Vomar, over het loonbeslag.2.5.. In een brief van 23 mei 2025 heeft Vomar aan [verzoeker] een schriftelijke waarschuwing gegeven in verband met zijn gedrag bij het gesprek van 23 mei 2025. In de brief staat dat [verzoeker] zich richting [naam] heeft geuit op een wijze die als onprettig en onveilig is ervaren en dat [verzoeker] op ongepaste wijze tegen [naam] heeft gezegd dat zij ‘maar normaal moest gaan kijken’.2.6.. In een e-mail van 23 mei 2025 heeft [verzoeker] in reactie op de schriftelijke waarschuwing aan [naam] geschreven: ‘Ik adviseer je om mij niet te mailen en met rust te laten. Je gaat te ver. Ik ga ook al een grote klacht tegen jou indienen. Jou gedrag is ongepast (…) Dit is een finale waarschuwing’. En in Whatsappberichten van 23 en 24 mei 2025 heeft [verzoeker] vervolgens geschreven:‘Ya’ll are gonna pay (…) Ik kom voorlopig niet Ik ben ziek Gezien wat julllie doen Hoe jullie alles doen en vies spelen Fuck [naam] ’en‘Nogmaals Ik ben ziek Stik erin Wnr ik beter ben of voel of behoefte heb aan een gesprek met jullie samen met mijn advocaat Laat ik dit weten Now suck on it’.2.7.. In een brief van 26 mei 2025 heeft Vomar aan [verzoeker] bericht dat hij is geschorst vanwege het vertonen van ongewenst en grensoverschrijdend gedrag.\n\n2.8.. In een brief van 27 mei 2025 heeft Vomar [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 30 mei 2025. [verzoeker] is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen. Ook op de hierna geplande gesprekken van 4 juni 2025 en 11 juni 2025 is [verzoeker] niet verschenen.2.9.. In een e-mail van 29 mei 2025 heeft [verzoeker] aan Vomar onder meer geschreven: ‘Vanaf vrijdag 23-05-2025 heb ik mijnzelf ziek gemeld (…) Ik wil een bedrijfs arts spreken. Erna zal ik beslissen wat de beste en volgende stappen zijn’.\n\n2.10.. Op 30 juni 2025 en 22 juli 2025 is [verzoeker] bij de bedrijfsarts geweest.\n\n2.11.. In september en oktober 2025 hebben partijen geprobeerd hun geschil op te lossen door mediation. Dit is niet gelukt, waarna de mediation is beëindigd.2.12.. In een e-mail van 22 oktober 2025 heeft Vomar [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 27 oktober 2025 om te bespreken hoe de resterende maanden van het dienstverband moeten worden ingevuld.\n\n2.13.. In een e-mail van 23 oktober 2025 heeft [verzoeker] aan [naam] in reactie op deze uitnodiging onder meer geschreven: ‘Droom lekker verder vetklep ( [naam] ). Dit weiger ik. Als je mij wilt spreken wordt het in het bijzijn van het mediation of mijn nieuwe advocaat. Ik voel me totaal niet veilig rond jullie alleen dus dikke pech heb je (…)’.\n\n2.14.. In een e-mail van 24 oktober 2025 heeft Vomar aan [verzoeker] geschreven dat het onacceptabel is wat [verzoeker] in zijn e-mail van 23 oktober 2025 heeft geschreven. Vomar heeft [verzoeker] tot 27 oktober 2025 om 12.00 uur de kans gegeven om met excuses te komen en heeft vermeld dat ontslag wordt overwogen als [verzoeker] vóór die tijd niets van zich laat horen.\n\n2.15.. \n [verzoeker] heeft niet gereageerd vóór het verstrijken van de termijn die is genoemd in de e-mail van 24 oktober 2025.\n\n2.16.. Met een brief van 27 oktober 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Hierin heeft Vomar als dringende reden voor ontslag op staande voet genoemd dat [verzoeker] bij herhaling grensoverschrijdend gedrag laat zien door één of meer medewerkers te beledigen en ongepast te bejegenen, terwijl hij hiervoor eerder is gewaarschuwd en desondanks zijn gedrag niet heeft aangepast. Daarbij is door Vomar gesteld dat de uitlatingen van [verzoeker] in hiervoor genoemde e-mail van 23 oktober 2025 de druppel is die de emmer deed overlopen.\n\n2.17.. In een e-mail van 27 oktober 2025 van 16.29 uur heeft [verzoeker] aan Vomar onder meer geschreven: ‘Excuses. Nee de afspraak van vandaag gaat niet door. Ik voel mij niet veilig en zeker niet beschermd of gehoord. Schakel de mediation weer in dan. (…) Ook wil ik een excuses van jou voor jou steeds over de grens gedrag.’\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om het ontslag op staande voet te vernietigen en Vomar te veroordelen tot betaling van het achterstallig salaris vanaf 23 mei 2025. Subsidiair vordert [verzoeker] een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. [verzoeker] stelt – samengevat – dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat de beschuldigingen aan zijn adres ongegrond zijn en uit hun verband gerukt, en dat wordt miskend dat sprake is van structurele overbelasting en psychische nood. [verzoeker] stelt dat hij nooit opzettelijk of verwijtbaar heeft gehandeld en dat van een dringende reden geen sprake is. Verder is het ontslag volgens [verzoeker] niet proportioneel, omdat Vomar de zwaarwegende persoonlijke belangen en de medische situatie van [verzoeker] geheel heeft genegeerd. Daarnaast is het ontslag volgens [verzoeker] ook niet onverwijld gegeven.\n\n3.2.. Vomar voert aan – kort weergegeven – dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, gelet op de ernst van de gedragingen van [verzoeker] , en dat het ontslag ook onverwijld is gegeven. Vomar betwist dat er sprake is geweest van een structurele overbelasting van [verzoeker] en wijst erop dat zij daarover geen melding heeft ontvangen en een overbelasting ook niet blijkt uit de urenregistratie. Vomar vindt de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] geen rechtvaardiging voor zijn gedrag en stelt dat uit de informatie van de bedrijfsarts ook niet blijkt van een dergelijke rechtvaardiging. Verder meent Vomar dat zij na de e-mail van [verzoeker] van 23 oktober 2025, die voor haar de directe aanleiding was voor het ontslag op staande voet, en na het uitblijven van een excuus van [verzoeker] , voldoende voortvarend heeft gehandeld door op 27 oktober 2025 over te gaan tot ontslag.\n\n4. De beoordeling van het verzoek van [verzoeker]\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Vomar moet worden veroordeeld tot betaling van loon.\n\n4.2.. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.4.3.. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is.De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, in onderling verband en samenhang.Daarbij moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de dringende reden. Verder zijn onder meer van belang de aard en de duur van de dienstbetrekking, het functioneren van de werknemer, en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet heeft. Ook als zo’n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn, met name vanwege de aard en de ernst van de dringende reden.\n\n4.4.. Vomar heeft als dringende reden voor het ontslag op staande voet vermeld de feiten en omstandigheden genoemd in de ontslagbrief van 27 oktober 2025. Daarbij is de hiervoor aangehaalde e-mail van [verzoeker] van 23 oktober 2025 door Vomar betiteld als de druppel die de emmer deed overlopen. Vomar heeft in de ontslagbrief van 27 oktober 2025 gesteld dat eerdere gedragingen van [verzoeker] mede bepalend zijn geweest voor het ontslag op staande voet, waarbij eerdergenoemde gedragingen van 30 april 2025, 23 mei 2025, 24 mei 2025 en 29 mei 2025 zijn genoemd, naast het niet verschijnen op gesprekken, een eerdere waarschuwing en de schorsing van 26 mei 2025.\n\n4.5.. Bij de beoordeling of een bepaalde gedraging een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert, kunnen ook vroegere en eerdere gedragingen een rol spelen. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat daarvoor is vereist dat die eerdere gedragingen aan de werknemer zijn meegedeeld.Aan die eis wordt hier voldaan, omdat de eerdere gedragingen zijn genoemd in de ontslagbrief van 27 oktober 2025.\n\n4.6.. De kantonrechter is met Vomar van oordeel dat de e-mail van [verzoeker] van 23 oktober 2025, mede bezien in het licht van de hiervoor genoemde eerdere gedragingen, waarschuwing en schorsing, een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert.\n\n4.7.. Daarbij wordt in de eerste plaats de aard en de ernst van de uitlating van [verzoeker] in de e-mail van 23 oktober 2025 in aanmerking genomen. De bewoordingen die [verzoeker] daarin heeft gebruikt, vindt de kantonrechter een grove belediging en grensoverschrijdend. Dat geldt met name voor de uitlating ‘Droom lekker verder vetklep ( [naam] )’en de weigering van [verzoeker] om een gesprek aan te gaan, met de toevoeging‘dus dikke pech heb je (…)’, De kantonrechter is het met Vomar eens dat dit onaanvaardbaar gedrag is.\n\n4.8.. Verder neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat [verzoeker] op 30 april 2025 betrokken is geweest bij een incident met een klant in de supermarkt waar hij werkzaam was. Uit de door Vomar overgelegde videobeelden blijkt dat [verzoeker] zich onprofessioneel en intimiderend richting een klant heeft gedragen. [verzoeker] is op zijn gedrag en zijn voorbeeldfunctie als teamleider door Vomar aangesproken en tijdelijk overgeplaatst. De stelling van [verzoeker] dat niet hij, maar de klant zich agressief en intimiderend heeft gedragen, vindt geen steun in de videobeelden. [verzoeker] is hier dus al gewezen op zijn gedrag en gewaarschuwd.\n\n4.9.. Vervolgens heeft [verzoeker] op 23 mei 2025 een waarschuwing gekregen vanwege zijn gedrag rondom de discussie over het loonbeslag. [verzoeker] heeft zijn manager in eerdergenoemd Whatsapp-bericht van 23 mei 2025 laten weten dat hij niet bereid was zijn werkzaamheden te hervatten zolang de situatie met het loonbeslag niet naar zijn tevredenheid was opgelost. Een dergelijke houding vindt de kantonrechter in strijd met goed werknemerschap. Vomar is immers wettelijk verplicht om zich aan het loonbeslag te houden en kan hieraan niets doen. Aan deze waarschuwing is verder ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zich tijdens het gesprek over het loonbeslag heeft uitgelaten op een wijze die als onprettig en onveilig is ervaren en dat hij tegen [naam] heeft gezegd dat zij ‘maar normaal moest gaan kijken’. [verzoeker] heeft dit alles niet gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Ook hier was dus sprake van een waarschuwing dat [verzoeker] ongepast gedrag achterwege moest laten.\n\n4.10.. Daarna is [verzoeker] op 26 mei 2025 geschorst wegens het vertonen van ongepast gedrag. Daarbij ging het om de door [verzoeker] gebruikte bewoordingen in de e-mail van 23 mei 2025 aan [naam] , onder andere ‘Ik adviseer je om mij niet te mailen en met rust te laten. Je gaat te ver. Ik ga ook al een grote klacht tegen jou indienen. Jou gedrag is ongepast […] Dit is een finale waarschuwing’. Ook zag die schorsing op de bewoordingen in Whatsappberichten van [verzoeker] uit die periode aan zijn leidinggevende, namelijk‘Ya’ll are gonna pay’en‘Hoe jullie alles doen en vies spelen Fuck [naam] Moet bij deze uit mn buurt blijven We gaan dit via de rechtbank doen Hele wijze van jullie is niks.’De kantonrechter overweegt dat ook deze bewoordingen beledigend en grensoverschrijdend zijn en dat de schorsing mede als een waarschuwing moet worden aangemerkt.\n\n4.11.. De kantonrechter concludeert dat gelet op het voorgaande sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet, omdat [verzoeker] zich in zijn e-mail van 23 oktober 2025 op onaanvaardbare wijze heeft uitgelaten, terwijl [verzoeker] zich ook al eerder schuldig had gemaakt aan wangedrag en hij daarvoor is gewaarschuwd.\n\n4.12.. \n [verzoeker] is door Vomar nog in de gelegenheid gesteld om excuses aan te bieden voor zijn beledigende woorden in de e-mail van 23 oktober 2025, maar [verzoeker] heeft daarvan geen gebruik gemaakt binnen de gestelde termijn. Overigens blijkt uit de e-mail van [verzoeker] van 27 oktober 2025, die na de gestelde termijn is verstuurd, niet duidelijk waarvoor hij excuses maakt. Die reactie van [verzoeker] doet daarom niet af aan de dringende reden voor het ontslag op staande voet.\n\n4.13.. Een verklaring voor zijn gedrag heeft [verzoeker] niet gegeven. Wel heeft [verzoeker] gesteld dat hij zelf is beledigd en gediscrimineerd door Vomar. Vomar heeft dit gemotiveerd weersproken, zodat het op de weg van [verzoeker] had gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. [verzoeker] heeft ook niet toegelicht wat er in dit kader feitelijk is gezegd of gebeurd. En uit de stukken blijkt hiervan ook niets. [verzoeker] noemt in zijn verzoekschrift en op de zitting nog een incident op 5 mei 2025, maar concretiseert dit verder niet. De kantonrechter ziet hierin dus geen omstandigheid waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van het ontslag op staande voet.\n\n4.14.. Naar de kantonrechter begrijpt, doet [verzoeker] ook een beroep op zijn medische situatie. [verzoeker] onderbouwt echter op geen enkele wijze dat zijn gedrag kan worden verklaard door zijn medische gesteldheid. De kantonrechter kan [verzoeker] op dit punt daarom niet volgen. Ook overigens is uit de stukken niet op te maken dat er een verband bestaat tussen zijn gedrag en zijn medische gesteldheid. Weliswaar heeft de bedrijfsarts in zijn rapport van 30 juni 2025 opgemerkt dat er agressieregulatie speelt, maar een verdere toelichting ontbreekt. Er zijn dus geen medische redenen die een verklaring of excuus kunnen opleveren voor het gedrag van [verzoeker] . Bovendien gaat het hier niet om uitlatingen die in een emotionele opwelling zijn gedaan. [verzoeker] heeft zijn uitlatingen immers (voornamelijk) in e-mails en via Whatsappberichten gedaan. Hij heeft dus de tijd gehad om erover na te denken wat hij zou opschrijven. Daarbij heeft hij, zoals hiervoor al is overwogen, gelegenheid gekregen om zijn excuses te maken en die gelegenheid heeft hij ook niet (tijdig) gebruikt.\n\n4.15.. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te oordelen dat Vomar had moeten volstaan met een minder verstrekkende maatregel, zoals [verzoeker] aanvoert. Daarvoor wegen de aard en de ernst van de dringende reden te zwaar. Er is ook geen sprake van een langdurig dienstverband dat daartegenover gewicht in de schaal kan leggen ten gunste van [verzoeker] . [verzoeker] heeft geen (andere) persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die aan een ontslag op staande voet in de weg staan. De kantonrechter vindt het niet aannemelijk dat [verzoeker] , gelet op de arbeidsmarkt en zijn leeftijd, niet in staat zal zijn om ander werk te vinden. Dat [verzoeker] nog steeds arbeidsongeschikt is, doet hieraan niet af. Uit de informatie van de bedrijfsarts komt naar voren dat de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] voor een groot deel werk gerelateerd is. De verwachting is dan ook gerechtvaardigd dat [verzoeker] spoedig zal herstellen.\n\n4.16.. Verder is voor de geldigheid van een ontslag op staande voet vereist dat de arbeidsovereenkomst onverwijld wordt opgezegd, onder onverwijlde mededeling van de dringende reden daarvoor aan de werknemer.Anders dan [verzoeker] , vindt de kantonrechter dat het ontslag onverwijld is gegeven, om de volgende reden.\n\n4.17.. De e-mail van donderdag 23 oktober 2025 was voor Vomar de druppel die de emmer deed overlopen, zoals hiervoor is overwogen. Vast staat dat Vomar op vrijdag 24 oktober 2025 aan [verzoeker] de kans heeft geboden om tot maandag 27 oktober 2025 om 12.00 uur zijn excuses aan te bieden. Op de zitting heeft Vomar verklaard dat zij [verzoeker] het weekend de tijd wilde geven om zijn bewoordingen te laten bezinken of eventueel een rechtsbijstandverlener te raadplegen. Nadat Vomar duidelijk was dat [verzoeker] niet tijdig excuus had aangeboden, is Vomar direct overgegaan tot ontslag op staande voet met de brief van haar advocaat van 27 oktober 2025. Gelet op deze gang van zaken heeft Vomar voldoende voortvarend gehandeld en is het ontslag onverwijld gegeven.\n\n4.18.. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst door het ontslag op staande voet op 27 oktober 2025 rechtsgeldig is geëindigd. De door [verzoeker] verzochte vernietiging van dat ontslag en de daarbij behorende nevenverzoeken worden daarom afgewezen. Aan [verzoeker] komt dan ook geen loon toe na 27 oktober 2025.\n\n4.19.. \n [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift loonbetaling gevorderd vanaf 23 mei 2025. Op de zitting heeft [verzoeker] erkend dat Vomar het loon vanaf 23 mei 2025 tot de datum van het ontslag op staande voet gewoon heeft betaald. Vervolgens heeft [verzoeker] op de zitting zijn vordering gewijzigd in de zin dat (ook) vertragingsschade wegens het te laat betalen van het loon wordt gevorderd. De kantonrechter merkt deze wijziging aan als een vermeerdering van eis en die vermeerdering wordt buiten beschouwing gelaten. Die vermeerdering is namelijk in strijd met een goede procesorde, omdat deze veel te laat is gedaan en Vomar schaadt in haar mogelijkheden om daartegen verweer te voeren.\n\n4.20.. De kantonrechter begrijpt dat de subsidiaire verzoeken van [verzoeker] om toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging voorwaardelijk bedoeld zijn, namelijk voor het geval [verzoeker] zou willen berusten in het einde van het dienstverband en een zogenoemde ‘switch’ zou willen maken. Zo’n ‘switch’ heeft [verzoeker] niet gemaakt. De kantonrechter komt daarom niet toe aan beoordeling van het voorwaardelijke verzoek. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat er ook geen grond is voor toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, omdat het ontslag op staande voet terecht is gegeven.\n\n4.21.. Er is geen reden om Vomar te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding, omdat Vomar wordt gevolgd in haar stelling dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De feiten en omstandigheden die een dringende reden zijn voor het ontslag op staande voet, leveren in dit geval ook ernstig verwijtbaar handelen op van [verzoeker] . Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [verzoeker] heeft daarover ook niets aangevoerd.\n\n4.22.. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoeker] .\n\n4.23.. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat [verzoeker] ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . De proceskosten aan de zijde van Vomar worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beoordeling van het (tegen)verzoek van Vomar\n\n5.1.. Vomar heeft als tegenverzoek (en als zelfstandig verzoek) verzocht om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, op voorwaarde dat het verzoek tot toekenning van de billijke vergoeding en de transitievergoeding wordt afgewezen. Hiervoor is overwogen dat het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding niet hoeft te worden beoordeeld. Dit betekent dat de voorwaarde waaronder Vomar haar (tegen)verzoek heeft gedaan, niet (in zijn geheel) is vervuld. Het verzoek kan daarom niet worden beoordeeld en er hoeft ook niet op te worden beslist.\n\n5.2.. Op de zitting heeft Vomar, nadat de kantonrechter hierover vragen heeft gesteld, haar verzoek gewijzigd in die zin dat ook om een gefixeerde schadevergoeding wordt verzocht voor het geval dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. De kantonrechter laat ook deze eiswijziging en -vermeerdering niet toe, om dezelfde reden als genoemd onder 4.19.\n\n5.3.. Er wordt geen beslissing genomen op het verzoek van Vomar en er is daarom ook geen reden voor een proceskostenveroordeling of een beslissing daarover.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n6.1.. wijst het verzoek van [verzoeker] af;\n\n6.2.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, in samenwerking met mr. S.C. Jacobs, griffier\u002Fjuridisch adviseur, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.\n\n Artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2022:860 (Divi Phoenix).\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2000, te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:HR:2000:AA4436 (Hema).\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 1981, gepubliceerd in NJ 1982\u002F100 (De Gier\u002FSchaap) en van 15 februari 1991, gepubliceerd in NJ 1991\u002F340 (Bots\u002FRoussel).\n\n Artikel 7:677 lid 1 BW.\n\n Artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4200","ecli-nl-rbnho-2026-4200",{"courtName":6,"legalDomain":89,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":107,"ecli":108,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":109,"fullText":110,"language":7,"source":17,"sourceUrl":111,"summary":14,"slug":112,"metadata":113},"1585","ECLI:NL:RBNHO:2026:6977","2026-03-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F349529 \u002F HA ZA 24-109\n\nVonnis van 25 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nAVANTI SYSTEEMBOUW B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: Avanti,\n\nadvocaat: mr. R. van der Hooft,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nRINGERS BEHEERMAATSCHAPPIJ B.V.,\n\ngevestigd te Alkmaar,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: Ringers,\n\nadvocaat: mr. B.J.H. Kesnich.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 26 februari 2025 - het getuigenverhoor van 11 april 2025 - het getuigenverhoor van 27 juni 2025\n\n- de conclusie na getuigenverhoor van Avanti\n\n- de antwoordconclusie van Ringers.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nin conventie en in (voorwaardelijke) reconventie\n\nStand van zaken\n\n2.1.. In het tussenvonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank Avanti opgedragen te bewijzen:\n\ndat is overeengekomen de werkzaamheden die zien op het aanbrengen van wanden en plafonds in de panden van Ringers uit te voeren tegen de voorwaarden en prijzen die worden genoemd in de offerte van 29 juni 2022, en\n\ndat zij de werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van de wanden en plafonds heeft uitgevoerd in de omvang zoals deze in de eindafrekening van 15 mei 2023 zijn vermeld en dat en hoeveel materialen zij voor die werkzaamheden heeft geleverd.\n\n2.2.. \n\nIn het kader van de bewijslevering heeft er op 11 april 2025 een getuigenverhoor plaatsgevonden en op 27 juni 2025 een tegenverhoor.\n\nTijdens het getuigenverhoor zijn de volgende getuigen gehoord:\n\nde heer [getuige 1] (hierna: [getuige 1] );\n\nde heer [getuige 2] (hierna: [getuige 2] );\n\nde heer [getuige 3] (hierna: [getuige 3] );\n\nde heer [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ).\n\nTijdens het tegenverhoor zijn de volgende getuigen gehoord:\n\nde heer [getuige 5] (hierna: [getuige 5] );\n\nde heer [getuige 6] (hierna: [getuige 6] ).\n\n2.3.. Vervolgens hebben zowel Avanti als Ringers een conclusie overgelegd. Avanti concludeert daarin dat zij het opgedragen bewijs heeft geleverd en volgens Ringers is Avanti daarin niet geslaagd.\n\nPartijgetuigen en betrouwbaarheid verklaringen\n\n2.4.. Volgens artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) kan de getuigenverklaring van een partij geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Deze bepaling is met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht vervallen. Gelet op artikel XIIa van deze wet blijft de bepaling in deze zaak gelden, omdat de procedure al aanhangig was toen de wet op 1 januari 2025 in werking trad.\n\n2.5.. \n\nIn haar conclusie voert Ringers aan dat twee van de door Avanti gehoorde getuigen – [getuige 1] en [getuige 2] – partijgetuigen zijn met een dubbele belangenverstrengeling.\n\n [getuige 2] is directeur-grootaandeelhouder (DGA) van Avanti en heeft daarom ook een direct financieel belang bij de uitkomst van het onderhavige geschil. In zijn verklaring heeft [getuige 2] daarnaast toegegeven dat hij vooraf met [getuige 3] en [getuige 4] , die inkomensafhankelijk zijn van hun werkgever Avanti, heeft gesproken: “We hebben onderling besproken wat we hier gaan verklaren”.\n\nHoewel [getuige 1] destijds optrad als opdrachtnemer en vertegenwoordiger van Ringers, is de relatie tussen beide inmiddels sterk verslechterd. [getuige 1] heeft inmiddels een eigen omvangrijke vordering tegen Ringers ingesteld. Daarnaast heeft [getuige 1] een goede en zakelijke en vriendschappelijke relatie met [getuige 2] . Dit maakt [getuige 1] partijdig, aldus Ringers.\n\n2.6.. De rechtbank overweegt dat [getuige 2] als (indirect) bestuurder van Avanti een partijgetuige is in de zin van artikel 164 lid 2 Rv (oud). Dit betekent dat er nader bewijs nodig is om gewicht toe te kennen aan zijn verklaring. Het standpunt dat ook [getuige 1] een partijgetuige is, volgt de rechtbank niet. Hij is immers niet verbonden aan een van de partijen. De verklaring van [getuige 1] behoeft dus geen steunbewijs.\n\n2.7.. Dat er kennelijk een geschil bestaat tussen [getuige 1] en Ringers, maakt zijn verklaring op zich niet onbetrouwbaar. Dat [getuige 1] er financieel belang bij zou hebben dat de vordering van Avanti op Ringers wordt toegewezen, is in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] bij de beoordeling kan worden betrokken en ziet geen reden deze als onbetrouwbaar terzijde te stellen.\n\n2.8.. Ook de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] vindt de rechtbank niet onbetrouwbaar. Zij hebben weliswaar voorafgaand aan de getuigenverhoren met elkaar gesproken, maar uit de inhoud van de verklaringen blijkt niet dat deze op elkaar afgestemd zijn. Bovendien maakt het enkele feit dat deze getuigen allen werkzaam zijn voor Avanti, niet dat hun verklaring onbetrouwbaar is.\n\nDe offerte van 29 juni 2022\n\n2.9.. De rechtbank is van oordeel dat Avanti het bewijs heeft geleverd dat is overeengekomen de werkzaamheden die zien op het aanbrengen van wanden en plafonds in de panden van Ringers uit te voeren tegen de voorwaarden en prijzen die worden genoemd in de offerte van 29 juni 2022. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n2.10.. In het tussenvonnis van 6 november 2024 is al vastgesteld dat Avanti op 29 juni 2022 een offerte had uitgebracht voor het aanbrengen van wanden en plafonds in de panden van Ringers, en dat dit destijds niet tot een overeenkomst had geleid. Ringers had voor deze werkzaamheden een overeenkomst gesloten met [naam 1] . Op 10 maart 2023 heeft [de holding] - als vertegenwoordiger van Ringers - de samenwerking met [naam 1] beëindigd, waarna Avanti is benaderd om werkzaamheden in de panden uit te voeren.\n\n2.11.. \n [getuige 2] heeft als getuige verklaard dat hij vervolgens met [getuige 1] (van [de holding] ) ter plaatse heeft gekeken naar het werk en dat zij hebben besproken dat de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd volgens de offerte die Avanti eerder had uitgebracht. [getuige 2] heeft gezegd dat hij de offerte van juni 2022 aanhield en [getuige 1] vond dat prima. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . Hij heeft verklaard dat tijdens een schouw van het werk de laatste offerte van Avanti erbij is gepakt en dat de eenheidsprijzen uit de laatste offerte van Avanti zijn afgesproken. Getuige [getuige 3] , projectmanager bij Avanti, heeft verklaard dat hij erbij aanwezig was dat [getuige 2] en [getuige 1] afspraken de offerte die eerder was gemaakt te hanteren.\n\n2.12.. Ringers voert aan dat een schriftelijke bevestiging ontbreekt, wat haar ernstig doet twijfelen aan de gestelde prijsafspraak. Hierin volgt de rechtbank Ringers niet. Dat de daarover gemaakte afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd, wat overigens in de bouwwereld niet ongebruikelijk is, betekent niet dat de gestelde afspraak niet is gemaakt. Bovendien stond de offerte al op papier. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [getuige 2] daarover verklaard dat haast geboden was omdat [naam 1] al was vertrokken, wat de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt.\n\n2.13.. Ook het verweer dat de offerte geen definitieve overeenkomst was, maar slechts een basis, kan Avanti niet baten. Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] volgt dat de eenheidsprijzen zoals opgenomen in de offerte van 29 juni 2022 waren overeengekomen. Omdat [naam 1] al werkzaamheden had verricht, was verder afgesproken dat zou worden gekeken wat Avanti precies moest maken en wat in mindering moest worden gebracht op de eenheidsprijzen gelet op de materialen die er nog waren en die Avanti kon gebruiken. Die omstandigheden brengen niet mee dat geen definitieve afspraak tussen partijen was gemaakt. De afspraak houdt juist in dat de prijzen en voorwaarden uit de offerte van 29 juni 2022 gelden, met dien verstande dat alleen betaald moet worden voor het werk dat Avanti daadwerkelijk verricht, onder aftrek van kosten voor de nog aanwezige materialen die Avanti zou gebruiken (en die Avanti dus niet hoefde te leveren).\n\n2.14.. Tot slot betoogt Ringers dat het hanteren van een vaste vierkante meter prijs bedrijfseconomisch gezien zo onlogisch en irrationeel is in de onderhavige situatie, dat de gestelde prijsafspraak ongeloofwaardig is. Afrekenen op regiebasis is in een situatie waarin een deel van het werk al is verricht en aanwezige materialen kunnen worden gebruikt veel realistischer. Ook gelet op de hoge inflatie van destijds is het onrealistisch dat zou zijn afgesproken om te werken volgens een offerte die op dat moment al negen maanden oud was, aldus Ringers. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat uit de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] volgt dat is afgesproken te werken volgens de offerte van 29 juni 2022. Dat dit bedrijfseconomisch voor Avanti wellicht niet de meest verstandige keuze is geweest en regiebasis in de ogen van Ringers meer voor de hand lag, maakt dit niet anders.\n\nDe omvang van de werkzaamheden van Avanti\n\n2.15.. De rechtbank heeft Avanti verder opgedragen te bewijzen dat zij de werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van wanden en plafonds heeft uitgevoerd in de omvang zoals deze in de eindafrekening van 15 mei 2023 is vermeld en dat en hoeveel materialen zij voor die werkzaamheden heeft geleverd. Op deze eindafrekening wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende uitvoeringen. In dit vonnis gaat het nog om Uitvoering A, Uitvoering C, Uitvoering E en Uitvoering H, alsmede het leveren van een aantal materialen. De rechtbank zal deze posten hierna bespreken.\n\nUitvoering A: Gipsplafonds\n\n2.16.. Uitvoering A ziet op gipsplafonds. Uit de stellingen van partijen en de verklaringen van de getuigen begrijpt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat Avanti werkzaamheden heeft verricht aan de plafonds van een aantal units. Over de omvang van de werkzaamheden door Avanti zijn partijen het niet eens.2.17.. \n\nOp de eindafrekening staat dat er door Avanti 625 m² aan gipsplafonds is geplaatst.\n\nAvanti heeft bij haar Akte uitlating bewijslevering bouwtekeningen overgelegd waarin staat aangegeven welke werkzaamheden er in een bepaalde ruimte zijn verricht. De rechtbank begrijpt uit de bouwtekeningen het volgende:\n\nIn gebouw B is er op de begane grond 91.00 m² + 365.39 m² aan gipsplafonds aangebracht;\n\nIn gebouw C is er op de begane grond 83.94 m² aan gipsplafonds aangebracht;\n\nIn gebouw D is er op de begane grond 84.54 m² aan gipsplafonds aangebracht.\n\nIn totaal is er volgens de tekeningen 624,87 m² - afgerond 625 m² - aan gipsplafonds aangebracht. Dit komt overeen met de oppervlakte die door Avanti is opgenomen in de eindafrekening.\n\n2.18.. Ringers voert aan dat de genoemde tekeningen achteraf voor deze procedure zijn opgesteld. Dat is ook erkend door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of de genoteerde oppervlaktes gebaseerd zijn op een inmeting die volgens Avanti op 8 mei 2023 heeft plaatsgevonden. Avanti heeft de resultaten van die inmeting (ten aanzien van het aanbrengen van plafonds) in ieder geval niet in het geding gebracht. De overgelegde bouwtekeningen zijn dus op zichzelf onvoldoende om het bewijs te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter aanvullend bewijs dat Avanti 625 m² aan gipsplafonds heeft aangebracht in de panden van Ringers. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\n2.19.. In de offerte van 29 juni 2022 staat dat het onder Uitvoering A voor het totale werk om 2.700 m² aan gipsplafond ging. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] een deel van dat werk al had gedaan toen Avanti de werkzaamheden overnam, en dat Avanti een deel van het werk van [naam 1] opnieuw moest doen. In rechtsoverweging 4.18 van het tussenvonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank overwogen dat Avanti onweersproken heeft aangevoerd dat zij alleen op de begane grond van de panden plafonds heeft aangebracht. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat Avanti de plafonds op de begane grond had gemaakt. Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij bij de oplevering in september 2023 heeft gezien dat de plafonds erin zaten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat Avanti de gipsplafonds op de begane grond van de panden van Ringers heeft gemaakt. Ringers betwist niet dat het totale oppervlak van de plafonds op de begane grond van de verschillende panden in totaal 625 m² is, zoals op de overgelegde bouwtekeningen is vermeld. Dat het inderdaad om 625 m² ging wordt overigens ook bevestigd door een bij dagvaarding overgelegde schriftelijke verklaring van de heer [naam 2] , die als zelfstandige in opdracht van Avanti aan de gipsplafonds heeft gewerkt.\n\n2.20.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat Avanti heeft bewezen dat zij 625 m² aan gipsplafonds heeft geplaatst.\n\n2.21.. In de eindafrekening hanteert Avanti een tarief van € 46,50 per m², overeenkomstig de offerte van 29 juni 2022. De rechtbank begrijpt dat in dat tarief is verdisconteerd de kosten voor montage, de levering van platen en de levering van een 60\u002F27 systeem. Uit de door partijen gemaakte afspraken volgt dat van dit tarief moet worden afgetrokken de kosten voor de nog aanwezige materialen die Avanti heeft gebruikt (en die Avanti dus niet hoefde te leveren). Uit de eindafrekening blijkt dat door Avanti voor Uitvoering A geen platen zijn geleverd, zodat € 2,62 per m² in mindering moet worden gebracht op het afgesproken tarief. In de eindafrekening is ten aanzien van “geen montage platen” voor 365 m² € 8,00 per m² in mindering gebracht. Avanti is er echter niet in geslaagd te bewijzen dat voor de overige 260 m² wel sprake is geweest montage van platen. De getuigen hebben daarover niet (specifiek) verklaard en ook anderszins is daarvan geen bewijs geleverd. Dit betekent dat de rechtbank voor de volledige 650 m² € 8,00 per m² aan kosten zal aftrekken van het overeengekomen tarief. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in totaal € 10,62 per m² in mindering brengt op het tarief uit de offerte, zodat Ringers een bedrag van € 35,88 per m² verschuldigd is. De rechtbank ziet geen reden voor een verdere aftrek van kosten. Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] blijkt namelijk dat Avanti een 60\u002F27 systeem heeft geleverd, terwijl ook [getuige 5] als getuige heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat er materiaal voor het plafond is geleverd door Avanti.\n\n2.22.. De rechtbank is van oordeel dat Ringers voor de werkzaamheden aan de plafonds een bedrag van (625 m² x € 35,88 =) € 22.425,- (exclusief btw) aan Avanti verschuldigd is.\n\nUitvoering C: Metalstud wanden\n\n2.23.. Uitvoering C ziet op werkzaamheden met betrekking tot het plaatsen van metalstud wanden. Op de eindafrekening staat dat Avanti 689 m² aan wanden heeft geplaatst.\n\n2.24.. Partijen zijn het erover eens dat de wanden nog niet af waren toen Avanti het werk van [naam 1] overnam en dat Avanti daaraan gewerkt heeft. Partijen zijn het echter niet eens over de omvang van de werkzaamheden die door Avanti zijn verricht.\n\n2.25.. Avanti verwijst wederom naar de later voor deze procedure ingetekende bouwtekeningen. De rechtbank begrijpt uit de bouwtekeningen het volgende:\n\nIn gebouw B is er op de begane grond 486,81 m² aan eenzijdige (wand)beplating aangebracht;\n\nIn gebouw C is er op de begane grond 105,45 m² aan eenzijdige beplating aangebracht;\n\nIn gebouw D is er op de begane grond 63,60 m² aan eenzijdige beplating geplaatst en is er 33.67 m² aan gehele wanden geplaatst.\n\nIn totaal is er volgens de tekeningen 689,53 m² – afgerond 689 m² - aan wanden geplaatst. Dit komt overeen met de oppervlakte die door Avanti is opgenomen in de eindafrekening.\n\n2.26.. Gelijk aan wat de rechtbank hierover in 2.18 heeft overwogen, is de bouwtekening onvoldoende om het bewijs te leveren. Daarvoor is aanvullend bewijs nodig en daarover overweegt de rechtbank het volgende.\n\n2.27.. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] blijkt dat Avanti wanden in de panden van Ringers heeft geplaatst, maar niet hoeveel. Zij verklaren weliswaar over een inmeting op 8 mei 2023, maar bij gebrek aan overlegging van de meetresultaten kan niet worden vastgesteld tot welke uitkomst dit heeft geleid. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] volgt ook dat Avanti wanden in de panden van Ringers heeft geplaatst. Volgens een inschatting van [getuige 1] gaat het om 22 eenheden van ongeveer 30 à 35 m² per eenheid. Dit komt dan neer op 660 à 770 m², wat aansluit bij de 689 m² die Avanti stelt te hebben geplaatst. Dit komt overeen met hetgeen uit de door Avanti overgelegde bouwtekeningen blijkt. Dat er 689 m² aan wanden is geplaatst wordt verder nog bevestigd door de schriftelijke verklaring van de heer [naam 2] , die als zelfstandige in opdracht van Avanti aan de metalstud wanden heeft gewerkt. Uit de offerte van 29 juni 2022 volgt bovendien dat er in totaal 2.375 m² aan metalstud wanden geplaatst moest worden, zodat de rechtbank het ook aannemelijk vindt dat Avanti nog 689 m² aan metalstud wanden heeft geplaatst.\n\n2.28.. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat Avanti heeft bewezen dat zij 689 m² aan metalstud wanden heeft geplaatst.\n\n2.29.. In de eindafrekening hanteert Avanti voor deze werkzaamheden het tarief van € 66,00 per m², wat overeenkomt met het tarief dat wordt genoemd in de offerte van 29 juni 2022. Omdat in dit tarief kosten voor materiaal verdisconteerd zijn, heeft Avanti in de eindafrekening in mindering gebracht (voor het aantal uitgevoerde m²) een bedrag van € 11.754,34 voor niet geleverde platen, € 1.481,35 voor niet geleverde isolatie en € 702,78 voor niet geleverde metalstud. De rechtbank zal hier ook rekening mee houden. Daarnaast heeft Avanti bedragen afgetrokken voor 654 m² “geen platen montage” en 626 m² “geen isolatie montage. Avanti heeft niet toegelicht waarom voor deze onderdelen niet de volledige 689 m² in mindering is gebracht. Uit het bewijs blijkt ook niet dat voor de overige vierkante meters wel sprake is geweest van de montage van platen en\u002Fof isolatie. Dit betekent dat de rechtbank in aftrek zal brengen voor “geen platen montage” een bedrag van € 4.134,00 (689 m² x € 6,00 per m²) en voor “geen isolatie montage” € 689,00 (689 m² x € 1,00 per m²).\n\n2.30.. \n\nHet voorgaande leidt tot de volgende berekening:\n\nAanbrengen wanden: € 45.474,00 (689 m² x € 66,00 per m²)\n\nIn mindering: € 18.761,47\n\n__________\n\n € 26.712,53 (exclusief btw).\n\nDit bedrag is Ringers aan Avanti verschuldigd voor de werkzaamheden aan de metalstud wanden.\n\nUitvoering E en Uitvoering H\n\n2.31.. \n\nUitvoering E betreft het bekleden van de binnenzijde van de houten buitengevels\n\nen Uitvoering H het stellen van 67 deurkozijnen. Daarover hebben de getuigen niet (specifiek) verklaard. Ook anderszins heeft Avanti geen bewijs bijgebracht dat deze werkzaamheden zijn verricht. De enkele overlegging van de bouwtekening, waarop uitvoering E zou zijn vermeld, is daartoe onvoldoende. De op de eindafrekening vermelde bedragen van € 3.233,00 (exclusief btw) voor uitvoering E en € 3.517,50 (exclusief btw) voor uitvoering H zullen dan ook worden afgewezen.\n\nGeleverde materialen\n\n2.32.. Tot slot maakt Avanti aanspraak op verschillende materialen die zij stelt te hebben geleverd. Avanti heeft toegelicht dat deze materialen zijn gebruikt ten behoeve van de trappenhuizen. Op de eindafrekening staan genoteerd:\n\n2.33.. De getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard dat Avanti dit soort materialen heeft geleverd. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de plafonds in de trapopgangen ook waren opgebracht en hij denkt dat het gaat om vijf of zes trappenhuizen. Daarmee heeft Avanti voldoende bewijs geleverd om als vaststaand aan te nemen dat de plafonds in die trappenhuizen zijn aangebracht en dat daarvoor materiaal is geleverd. De hoeveelheid in rekening gebracht materiaal komt de rechtbank gelet op het aantal trappenhuizen waarin werkzaamheden zijn verricht ook aannemelijk voor. De rechtbank zal deze materiaalkosten genoemd op de eindafrekening dan ook toewijzen tot het totaal bedrag van € 4.791,68 (exclusief btw).\n\nConclusie ten aanzien van het door Ringers aan Avanti verschuldigde bedrag\n\n2.34.. In het vonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank beslist dat Ringers voor het afwerken van wanden en plafonds en het aanbrengen van flexcorners een bedrag van € 28.823,00 exclusief btw verschuldigd is aan Avanti. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 34.875,83.\n\n2.35.. In het vonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank ook beslist dat Ringers voor diverse werkzaamheden een bedrag van € 1.947,50 exclusief btw verschuldigd is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 2.356,48. De rechtbank heeft in het vonnis ook beslist dat Ringers de twee meerwerkfacturen van € 3.678,40 en € 4.138,20 inclusief btw aan Avanti verschuldigd is.\n\n2.36.. In het voorgaande van dit vonnis heeft de rechtbank beslist dat Ringers voor de werkzaamheden aan de plafonds een bedrag van € 22.425,00 exclusief btw aan Avanti verschuldigd is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 27.134,25.\n\n2.37.. In het voorgaande van dit vonnis heeft de rechtbank ook beslist dat Ringers voor de werkzaamheden aan de metalstud wanden een bedrag van € 26.712,53 exclusief btw verschuldigd is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 32.322,16.\n\n2.38.. Tot slot heeft de rechtbank in dit vonnis geoordeeld dat Ringers voor enkele andere geleverde materialen een bedrag van € 4.791,68 exclusief btw moet betalen. Inclusief btw is dat € 5.797,93.\n\n2.39.. In totaal gaat het dus om een verschuldigd bedrag van € 110.303,25 (inclusief btw). Ringers heeft echter al een bedrag van in totaal € 68.625,00 aan Avanti betaald. Dit betekent dat Ringers nog een bedrag van € 41.978,25 (inclusief btw) aan Avanti verschuldigd is. Dit bedrag zal als hoofdsom worden toegewezen.\n\nWettelijke handelsrente\n\n2.40.. De wettelijke handelsrente zal door de rechtbank worden toegewezen, nu – anders dan Ringers heeft aangevoerd – tussen partijen sprake is van een handelsovereenkomst. Op grond van artikel 6:119a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is Ringers de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de dag volgend op de overeengekomen datum van uiterste betaling. Eerder in dit vonnis is geoordeeld dat partijen zijn overeengekomen te werken volgens de voorwaarden uit de offerte van 29 juni 2022. Daarin staat dat facturen binnen veertien dagen betaald moeten worden. Ringers voert in de conclusie van antwoord aan dat Avanti de eindafrekening van 15 mei 2023 pas op 12 juni 2023 aan haar heeft toegezonden. Avanti heeft in reactie daarop een e-mail van 16 mei 2023 overgelegd waarin de eindfactuur is gestuurd aan [getuige 5] , die in deze kwestie handelt namens Ringers. Ringers had de hoofdsom daarom uiterlijk binnen 14 dagen na de factuurdatum van 15 mei 2023 moeten betalen, oftewel uiterlijk 29 mei 2023. De wettelijke handelsrente zal dus worden toegewezen vanaf 30 mei 2023.\n\n2.41.. Op 30 mei 2023 was Ringers - die toen al € 36.300,00 had betaald - een bedrag van € 74.303,25 aan Avanti verschuldigd. Op 15 september 2023 heeft Ringers een bedrag van € 32.325,00 betaald. Dit betekent dat Ringers de wettelijke handelsrente moet voldoen over het bedrag van € 74.303,25 vanaf 30 mei 2023 tot 15 september 2023 en over een bedrag van € 41,978,25 vanaf 15 september 2023 tot de dag van volledige betaling.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n2.42.. Avanti vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 1.625,19. Ringers voert daartegen aan dat niet blijkt dat Avanti buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. In de dagvaarding stelt Avanti dat zij een ingebrekestelling heeft verstuurd. Dit zijn echter werkzaamheden die zien op de voorbereiding van gedingstukken en de instructie van de zaak, waarvoor de vergoeding wordt geacht te zijn begrepen in de proceskosten. Avanti stelt niet dat en zo ja welke andere buitengerechtelijke incassowerkzaamheden er zijn verricht. Ringers is daarom in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) toewijsbaar is. De wettelijke rente daarover zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, zijnde 19 februari 2024, tot de dag van betaling.\n\nGevolgen voor de vorderingen in conventie en reconventie\n\n2.43.. De rechtbank zal de vorderingen van Avanti in conventie toewijzen, zoals omschreven onder randnummers 2.39, 2.41 en 2.42.\n\n2.44.. De rechtbank zal de vorderingen van Ringers in (voorwaardelijke) reconventie afwijzen. In het vonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank reeds overwogen dat de eerste reconventionele vordering - die ziet op door Avanti verschuldigd zijn van een schadevergoeding in verband met gestelde gebreken - wordt afgewezen.\n\n2.45.. Ook de tweede reconventionele vordering wordt afgewezen. Deze vordering ziet op een bedrag dat Ringers onverschuldigd aan Avanti zou hebben betaald, zodat Avanti een bedrag van € 40.037,15 aan Ringers zou moeten terugbetalen. De rechtbank heeft in het voorgaande van dit vonnis overwogen dat Ringers in totaal een bedrag van € 110.303,25 aan Avanti verschuldigd is voor de verrichte werkzaamheden, waarvan op dit moment nog een bedrag van € 41.978,25 resteert. Van een onverschuldigde betaling door Ringers aan Avanti is dus geen sprake.\n\nProceskosten in conventie\n\n2.46.. Ringers is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van Avanti worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n115,22\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.889,00\n\n- kosten getuigen\n\n€\n\n157,50\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.856,00\n\n(4 punten × € 1.214,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n139,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n8.156,72\n\n2.47.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nProceskosten in reconventie\n\n2.48.. Ringers is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De proceskosten van Avanti worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.821,00\n\n(1,5 punten × € 1.214,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n139,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.960,00\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n3.1.. veroordeelt Ringers tot betaling aan Avanti van een bedrag van € 41.978,25 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente uit artikel 6:119a BW over het bedrag van € 74.303,25 vanaf 30 mei 2023 tot 15 september 2023 en over een bedrag van € 41.978,25 vanaf 15 september 2023 tot de dag van volledige betaling,\n\n3.2.. veroordeelt Ringers tot betaling aan Avanti van een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, ter vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 februari 2024 tot aan de dag van volledige betaling,\n\n3.3.. veroordeelt Ringers in de proceskosten van € 8.156,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Ringers niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.4.. veroordeelt Ringers tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\nin (voorwaardelijke) reconventie\n\n3.5.. wijst de vorderingen van Ringers af,\n\n3.6.. veroordeelt Ringers in de proceskosten van € 1.960,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Ringers niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin conventie en reconventie\n\n3.7.. verklaart dit vonnis, wat betreft 3.1, 3.2, 3.3, 3.4 en 3.6, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n3.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.\n\nMB\u002FNB","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:6977","ecli-nl-rbnho-2026-6977",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":115,"ecli":116,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":117,"fullText":118,"language":7,"source":17,"sourceUrl":119,"summary":14,"slug":120,"metadata":121},"1823","ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","2026-03-05T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F360255 \u002F FA RK 24-6431 en C\u002F15\u002F366942 \u002F FA RK 25-3302\n\nBeschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. A.C. Mens, gevestigd te Hoofddorp,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] , [land] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. B.R. de Boer-Kühn, gevestigd te Amsterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 17 december 2024;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 20 mei 2025;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 24 juni 2025;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 18 september 2025;\n\n- het gewijzigd verzoek van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 26 januari 2026 en 27 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 3 februari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is burger van de Bondsrepubliek Duitsland.\n\n2.2.. Scheiding\n\n2.2.1.. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.2.2.. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n2.2.3.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de man zich in Nederland bevond, deze daar sinds ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had en ten tijde van de indiening reeds de Nederlandse nationaliteit bezat, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n2.2.4.. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\n2.2.5.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.3.. Onderhoudsbijdrage\n\n2.3.1.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) moet betalen van € 1.500,- per maand.\n\n2.3.2.. De vrouw heeft zich verweerd tegen dit verzoek en heeft verzocht de partnerbijdrage op nihil te stellen. De rechtbank begrijpt dat de vrouw verzoekt het verzoek tot het vaststellen van een partnerbijdrage af te wijzen, omdat van nihilstelling pas sprake kan zijn als eerder een partnerbijdrage is vastgesteld.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.3.3.. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (nr. 4\u002F2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.\n\n2.3.4.. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.\n\nBehoefte\n\n2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond.\n\nIngangsdatum\n\n2.3.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.\n\nBehoefte\n\n2.3.6.. De man heeft zijn huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend, waartegen de vrouw zich niet heeft verweerd. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van partijen beoordelen aan de hand van het netto gezinsinkomen van partijen over 2023, zijnde het laatste volledige jaar voordat partijen medio 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat de behoefte moet worden berekend aan de hand van het inkomen van één echtgenoot. Tijdens haar studie heeft de vrouw immers evenals de man gewerkt en in Duitsland heeft de man ook gewerkt gelijktijdig met de vrouw. De rechtbank constateert verder dat geen van partijen duidelijk en volledig inzage heeft gegeven in zijn of haar inkomen over 2023. Van de vrouw is een salarisspecificatie van juni 2023 overgelegd, waaruit een netto inkomen volgt van € 2.048,- per maand, exclusief extra’s zoals de kerstbonus die zij stelt jaarlijks te ontvangen. Zij heeft zelf gesteld dat zij een netto besteedbaar inkomen had van € 2.115,- per maand, wat de rechtbank gelet op het bovenstaande netto inkomen van de vrouw niet onaannemelijk voorkomt, zodat hierbij zal worden aangesloten. De man heeft gesteld dat hij tijdens het huwelijk een salaris had van € 1.933,- netto per maand, welk bedrag door de vrouw niet is betwist, zodat de rechtbank daar eveneens van zal uitgaan.2.3.7.. Op grond van bovenstaande inkomens van partijen, bedroeg het netto besteedbaar inkomen van partijen in 2023 € 4.048,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedroeg dan 60% hiervan, te weten € 2.429,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.3.8.. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud. De man heeft gedurende het huwelijk altijd gewerkt en heeft voldoende mogelijkheden om een baan te vinden. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man gelijk aan het minimumloon voor een 36-urige werkweek ter hoogte van € 2.304,- netto per maand. De man heeft gesteld dat hij niet in staat is te werken vanwege zijn psychische gesteldheid. Hij lijdt aan een depressie als gevolg van de scheiding van partijen en de situatie waarin hij hierdoor is komen te verkeren. De man ontvangt sinds mei 2025 een bijstandsuitkering, waarbij hij is vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht.\n\n2.3.9.. De rechtbank stelt vast dat de man al langere tijd een bijstandsuitkering ontvangt. De man heeft verder voldoende onderbouwd dat hij om psychische redenen nu niet in staat is te werken. Om die reden zal de rechtbank niet uitgaan van een hogere verdiencapaciteit aan de zijde van de man. Wel wordt rekening gehouden met een eigen inkomen ter hoogte van de bijstandsuitkering die de man ontvangt van € 782,- netto per maand. Na aftrek van deze eigen inkomsten, resteert een aanvullende behoefte van de man van € 1.647,- netto per maand.\n\nDraagkracht vrouw\n\n2.3.10.. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\n2.3.11.. Bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw, sluit de rechtbank aan bij haar inkomen zoals blijkt uit haar salarisspecificatie van november 2025. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voldoende gegevens zijn af te leiden over het inkomen van de vrouw, mede gelet op de toelichting die de vrouw ter zitting heeft gegeven, zodat voorbij zal worden gegaan aan het verzoek van de man de vrouw te gelasten haar jaaropgave 2025 te overleggen, temeer nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat deze in beginsel niet wordt verstrekt in Duitsland.\n\n2.3.12.. Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht moet worden berekend aan de hand van het netto inkomen van de vrouw, omdat zij in Duitsland belastingplichtig is. Uit de salarisspecificatie van november 2025 blijkt een netto inkomen van de vrouw van € 2.358,- per maand, wat neerkomt op € 28.296,- netto per jaar. De vrouw heeft gesteld dat zij daarnaast jaarlijks een “kerstbonus” krijgt, welke in 2025 € 888,- netto bedroeg. De rechtbank houdt daarom rekening met een totaal inkomen van de vrouw van € 29.184,- netto per jaar.\n\n2.3.13.. Verder houdt de rechtbank rekening met de forfaitaire woonlast. De man heeft gesteld dat de vrouw bij haar ouders woont en geen woonlasten heeft. De vrouw heeft deze stelling weersproken en gesteld dat zij inmiddels weer een eigen woning heeft en hiervoor maandelijks huur betaalt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt om rekening te houden met de forfaitaire woonlast.\n\n2.3.14.. Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank de draagkracht van de vrouw op € 202,- netto per maand. De rechtbank zal een door de vrouw aan de man te betalen partnerbijdrage vaststellen ter hoogte van dit bedrag, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De rechtbank zal de partnerbijdrage vaststellen als netto bijdrage, omdat partijen niet weten of deze bijdrage aftrekbaar is voor de vrouw in Duitsland.\n\n2.4.. Verdeling\n\n2.4.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.4.2.. Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.\n\n2.4.3.. Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.\n\n2.4.4.. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.\n\n2.4.5.. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.\n\n2.4.6.. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Nu geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het Nederlandse recht, van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.\n\n2.4.7.. Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden opgesteld. Dit betekent dat tussen hen een wettelijke beperkte huwelijksgemeenschap is ontstaan.\n\nPeildatum\n\n2.4.8.. De rechtbank stelt voorop dat de wettelijke peildatum voor de omvang van de gemeenschap de datum van indiening van het verzoekschrift is, zijnde 17 december 2024. Vanaf dat moment is de gemeenschap ontbonden en vatbaar voor verdeling.\n\n2.4.9.. Voor wat betreft de waarde van de bestanddelen zal ten aanzien van de banksaldi en de schulden in beginsel worden uitgegaan van de waarde per peildatum. Ten aanzien van de overige bestanddelen is het uitgangspunt de waarde op het moment van de feitelijke verdeling, waarvan partijen in onderling overleg kunnen afwijken. Voor wat betreft schulden van partijen geldt dat deze niet kunnen worden verdeeld. De rechtbank kan enkel een beslissing nemen over de onderlinge draagplicht van partijen.\n\nBestanddelen\n\n2.4.10.. De rechtbank zal hieronder de bestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen in de verdeling moeten worden betrokken.\n\n2.4.11.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. Inboedel\n\n2.4.12.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een bedrag van € 500,- zal voldoen aan de man, zijnde de helft van de verkoopopbrengst van de inboedel. Nu partijen het hierover eens zijn, hoeft de rechtbank op dit punt geen beslissing meer te nemen.\n\n2. Bankrekeningen\n\n2.4.13.. De man had op de peildatum een bankrekening bij de ABN AMRO met rekeningnummer [nummer] . Uit de door man overgelegde bankafschriften leidt de rechtbank af dat het saldo op deze bankrekening op de peildatum (nagenoeg) nihil was, zodat partijen in zoverre niets meer met elkaar hebben te verdelen.\n\n2.4.14.. De vrouw heeft geen inzage gegeven in haar banksaldi per peildatum. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling van de banksaldi vaststellen, inhoudende dat de vrouw alsnog inzage dient te geven aan de man in haar banksaldi per 17 december 2024, waarna deze saldi bij helfte tussen partijen zullen worden verdeeld, dan wel waarbij zij ieder voor de helft draagplichtig zijn voor het negatieve saldo.\n\n3. Waarborgsom\n\n2.4.15.. Vast staat dat de waarborgsom voor de huurwoning van partijen € 2.400,- bedroeg. Partijen verschillen van mening over de vraag hoe deze waarborgsom moet worden verdeeld.\n\n2.4.16.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw in haar verweerschrift heeft gesteld dat de waarborgsom van partijen nog niet is vrijgegeven, omdat de nevenkosten nog moesten worden voldaan en de hoogte daarvan nog moest worden vastgesteld. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de nevenkosten moeten worden verrekend met de waarborgsom die de vrouw heeft teruggekregen en dat het restant tussen partijen moet worden verdeeld. Uit de door de vrouw overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat over 2023 een bedrag van € 1.290,97 aan nevenkosten in rekening is gebracht en over 2024 een bedrag van € 588,-, derhalve in totaal € 1.878,97. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zij de waarborgsom niet heeft teruggekregen en dat bovenstaande nevenkosten hier bovenop in rekening zijn gebracht. Nu de nevenkosten de waarborgsom niet overstijgen, zal de rechtbank bepalen dat het resterende deel van de waarborgsom bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen (€ 2.400 - € 1.878,97 \u002F 2).\n\n4. Tegemoetkoming DUO\n\n2.4.17.. Tussen partijen staat vast dat de vrouw tijdens het huwelijk een tegemoetkoming heeft ontvangen van de DUO ter hoogte van € 1.800,-. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van dit bedrag aan hem moet voldoen. De vrouw heeft hiertegen naar voren gebracht dat de tegemoetkoming niet in de gemeenschap valt, omdat deze is verknocht aan haar.\n\n2.4.18.. De rechtbank stelt voorop dat naar vaste rechtspraak alleen in uitzonderlijke gevallen op grond van bijzondere verknochtheid kan worden afgeweken van de hoofregel dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten omvat. De vraag of een goed op bijzondere wijze is verknocht en zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De omstandigheid dat de vrouw een tegemoetkoming heeft ontvangen, omdat zij in coronatijd is afgestudeerd, betekent niet reeds dat sprake is van verknochtheid. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van de verknocht rust op de vrouw.\n\n2.4.19.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de tegemoetkoming die zij heeft ontvangen van de DUO, aan haar is verknocht. De tegemoetkoming is een financiële compensatie waar studenten tijdens de corona epidemie onder voorwaarden aanspraak op hebben, wat niet kan worden aangemerkt als verknocht aan de vrouw. Dit betekent dat de tegemoetkoming bij helfte moet worden verdeeld tussen partijen, wat betekent dat de vrouw een bedrag van € 900,- aan de man moet voldoen.\n\n5. Schulden\n\n2.4.20.. Uit de door de man overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat op de peildatum een schuld aan de belastingdienst aanwezig was in verband met teveel ontvangen zorgtoeslag over de jaren 2018 tot en met 2020. De man heeft daarnaast gesteld dat op de peildatum een creditcardschuld aanwezig was van de ABN AMRO Credit Card, welke schuld is ontstaan tijdens het huwelijk. Ook heeft de man gesteld dat hij daadwerkelijk een schuld heeft aan [naam] vanwege een lening die hij heeft afgesloten om in de kosten van zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De man heeft daartoe ook een lening overeenkomst overgelegd.\n\n2.4.21.. Nu de vrouw niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat bovenstaande schulden huwelijkse schulden betreffen die aanwezig waren op de peildatum, zal de rechtbank bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van deze schulden per peildatum (17 december 2024).\n\n2.5.. Proceskosten\n\n2.5.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de vrouw € 202,- per maand dient te betalen aan de man als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.3.. gelast de wijze van verdeling van de banksaldi van partijen aldus, dat de vrouw de man inzage moet geven in de saldi van de op haar naam staande bankrekeningen per peildatum (17 december 2024), waarna zij de helft van de banksaldi aan de man moet betalen;\n\n3.4.. bepaalt verder in het kader van de verdeling dat de vrouw een bedrag van € 260,52 aan de man moet voldoen uit het restant van de waarborgsom, alsmede een bedrag van € 900,- inzake de tegemoetkoming van DUO;\n\n3.5.. bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de hoogte van de schuld aan de belastingdienst, de creditcardschuld bij de ABN AMRO en de schuld aan [naam] per peildatum (17 december 2024);\n\n3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;\n\n3.8.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2240","ecli-nl-rbnho-2026-2240",{"courtName":6,"legalDomain":122,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Personen- en familierecht",{"id":124,"ecli":125,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":117,"fullText":126,"language":7,"source":17,"sourceUrl":127,"summary":14,"slug":128,"metadata":129},"1816","ECLI:NL:RBNHO:2026:2239","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F338474 \u002F FA RK 23-1569 en C\u002F15\u002F343343 \u002F FA RK 23-4088\n\nBeschikking d.d. 5 maart 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. N.J. Josipovic, gevestigd te 's-Gravenhage,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. M.E.M. Beijersbergen, gevestigd te Den Haag.\n\nIn verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure opgeroepen:\n\nde Raad voor de Kinderbeschermingte Haarlem,\n\nhierna te noemen: de Raad.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 31 maart 2023;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 6 juli 2023;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 21 augustus 2023;\n\n- het aanvullend\u002Fgewijzigd verzoek van de man, ingekomen op 7 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 8 januari 2026;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 23 januari 2026.\n\n1.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen:\n\n- de vrouw, bijgestaan door mr. N.J. Josipovic;\n\n- de man, bijgestaan door mr. M.E.M. Beijersbergen;\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] . Partijen zijn tijdens het huwelijk huwelijkse voorwaarden aangegaan, waarbij zij iedere gemeenschap hebben uitgesloten. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n2.2.. De minderjarige kinderen van partijen zijn:\n\n- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] en\n\n- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .\n\n2.3.. Bij beschikking van deze rechtbank van 7 maart 2023 is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat [de minderjarige 1] wordt toevertrouwd aan de vrouw, is een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige 1] vastgesteld en is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast is een door de man te betalen kinderbijdrage vastgesteld van € 330,- per maand. Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud is afgewezen.\n\n2.4.. Bij beschikking van deze rechtbank van 4 maart 2024 is een aanvullende zorgregeling vastgesteld tussen de man en de minderjarige [de minderjarige 2] . Verder zijn partijen in de bodemprocedure verwezen naar de hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA).\n\n2.5.. De vrouw heeft in een afzonderlijke procedure op grond van artikel 1:253a BW – kort gezegd – verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarigen te verhuizen naar [plaats] , [de minderjarige 1] in te schrijven op een school in [plaats] en haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen op vakantie te gaan. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 november 2024 zijn de verzoeken van de vrouw tot vervangende toestemming tot verhuizing en inschrijving van [de minderjarige 1] op een school afgewezen en is de man vervangende toestemming verleend om [de minderjarige 1] in te schrijven op de basisschool [basisschool] in [plaats] . Daarnaast is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met de kinderen op vakantie te gaan naar Disneyland Parijs.\n\n2.6.. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding van 11 december 2025 blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling gedurende de kerstvakantie 2025\u002F2026. Partijen hebben elkaar verder toestemming verleend om op vakantie te gaan met de kinderen.\n\n2.7.. Scheiding\n\n2.7.1.. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.7.2.. Op grond van artikel 815, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid 6 Rv).\n\n2.7.3.. Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat partijen niet in staat zijn om met elkaar afspraken te maken over de kinderen. Hulpverlening in het kader van het UHA is onvoldoende van de grond gekomen. Nu de vrouw voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.\n\n2.7.4.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.8.. Verblijfplaats\n\n2.8.1.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zal zijn.\n\n2.8.2.. De man heeft zich hiertegen verweerd en heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem zal zijn. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen aan het oordeel van de rechtbank overlaat, maar dat hij van mening is dat de hoofdverblijfplaats in ieder geval bij hem moet worden bepaald als de vrouw niet in [plaats] of omgeving blijft wonen.\n\n2.8.3.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen de hoofdverzorger is geweest. De man en [de minderjarige 2] hebben nimmer in gezinsverband samengeleefd, omdat hij pas is geboren nadat partijen feitelijk al uit elkaar waren. Om die reden sluit de hoofdverblijfplaats bij de vrouw het meest aan bij de situatie zoals die al enkele jaren is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn. Dit betekent dat haar verzoek daartoe zal worden toegewezen en dat het verzoek van de man op dit punt zal worden afgewezen.\n\n2.9.. Vervangende toestemming verhuizing\n\n2.9.1.. De vrouw heeft, na wijziging en aanvulling van haar verzoek, verzocht haar toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats] aan [adres] . Daarbij heeft zij verzocht haar vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige 1] in te schrijven op de [basisschool] in [plaats] , de kinderen in te schrijven bij de huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] te [plaats] , de kinderen in de schrijven bij [tandartspraktijk] en om [de minderjarige 1] in te schrijven op zwemles bij [zwembad] te [plaats] .\n\n2.9.2.. De vrouw stelt dat na de beschikking van 8 november 2024, waarin haar verzoek tot vervangende toestemming om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen is afgewezen, een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden.\n\n2.9.3.. De man heeft zich verweerd tegen het verzoek van de vrouw. Hij heeft gesteld dat de beschikking van 8 november 2024 in kracht van gewijsde is gegaan en tussen partijen ook gezag van gewijsde heeft. De rechtbank heeft het verzoek van de vrouw destijds beoordeeld aan de hand van dezelfde criteria als waar de vrouw zich nu op beroept. Zij heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht.\n\n2.9.4.. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om haar vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen, afwijzen. Vast staat dat de meervoudige kamer van deze rechtbank bij beschikking van 8 november 2024 hetzelfde verzoek van de vrouw reeds heeft afgewezen. In tegenstelling tot wat de vrouw heeft gesteld, betrof dit een beslissing op een bodemverzoek op grond van artikel 1:253a BW en was dit geen voorlopige maatregel. De vrouw heeft geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking, waarmee de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Daarmee heeft de beslissing ook gezag van gewijsde gekregen, wat betekent dat de beslissing in de onderhavige procedure bindend is voor partijen. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat er na de beschikking van 8 november 2024 een wijziging van omstandigheden heeft plaatsgevonden die een nieuw verzoek en nieuwe beoordeling rechtvaardigen, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. De feiten en omstandigheden die de vrouw aanvoert, waren in de eerdere procedure al aan de orde en zijn meegenomen bij de beoordeling door de rechtbank.\n\n2.9.5.. Het voorgaande brengt mee dat de overige met de verhuizing samenhangende verzoeken van de vrouw over de inschrijving van de kinderen op school, bij de huisarts, de tandarts en zwemles, eveneens zullen worden afgewezen.\n\n2.10.. Verdeling zorg- en opvoedingstaken\n\n2.10.1.. Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.\n\n2.10.2.. De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen om de week van vrijdag na school (dan wel 17.00 uur) tot zondag 17.00 uur bij de man verblijven, alsmede iedere woensdag na school (dan wel 12.00 uur) tot donderdag naar school (dan wel 8.30 uur). De vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld. Daarnaast kunnen de man en de kinderen contact via Facetime hebben op maandag en dinsdag om 7.30 uur, voordat zij naar school gaan. Op studiedagen die aansluiten op de zorgregeling, zullen de kinderen bij de man zijn.\n\n2.10.3.. De man heeft bij wijze van zelfstandig verzoek, na wijziging van zijn verzoek, verzocht een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen in de oneven weken van maandag naar school tot woensdag 8.00 uur bij de vrouw en van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de man verblijven en vervolgens van vrijdag 17.00 uur tot woensdag 17.00 uur bij de vrouw en van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man. Daarnaast heeft de man verzocht een verdeling van de vakanties en feestdagen vast te stellen.\n\n2.10.4.. Uit de stukken en hetgeen partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, leidt de rechtbank af dat de man een grotere rol in de verzorging en opvoeding van de kinderen wenst. Hij heeft verklaard dat hij in staat is de door hem verzochte zorgregeling na te komen, omdat hij zijn werk flexibel kan inrichten en hij veel kan thuiswerken. De vrouw heeft verklaard dat zij de kinderen te jong vindt voor een co-ouderschapsregeling, mede omdat zij nog borstvoeding geeft aan [de minderjarige 2] . Zij wil een opbouwregeling vaststellen, zodat [de minderjarige 2] eraan kan wennen dat hij met zijn vader mee gaat.\n\n2.10.5.. De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat er geen redenen zijn om de door de man verzochte zorgregeling niet toe te wijzen. De rechtbank sluit hierbij aan. Daartoe overweegt de rechtbank dat de man, gelijk aan de vrouw, ouder is van de kinderen. [de minderjarige 1] is gewend aan het contact met zijn vader en ook [de minderjarige 2] heeft inmiddels meermalen bij de man overnacht. Niet gebleken is dat de man niet in staat is een groter gedeelte van de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Ook de kinderen laten geen signalen zien waarom dat niet mogelijk zou zijn. Dat zij zich na terugkomst bij de vrouw anders gedragen, is niet ongebruikelijk, omdat zij moeten schakelen tussen hun ouders. De rechtbank acht het voor de kinderen van belang dat zij een gelijk contact hebben met beide ouders en er geen onderlinge verschillen zijn. De leeftijd van de kinderen vormt evenmin een belemmering voor uitbreiding van de zorgregeling. De keuze van de vrouw om nog borstvoeding te geven aan [de minderjarige 2] , maakt dit niet anders, temeer nu [de minderjarige 2] niet meer afhankelijk is van borstvoeding en dit dus geen belemmering vormt om langer aaneengesloten bij de man te verblijven.\n\n2.10.6.. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de door de man verzochte zorgregeling zal toewijzen, inhoudende dat de kinderen in de oneven weken van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij hem zullen zijn en in de even weken van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur. Nu beide kinderen al contact hebben met de man, ziet de rechtbank geen reden een opbouwregeling vast te stellen, zoals door de vrouw is verzocht. De rechtbank geeft partijen in overweging de hulpverlening vanuit het Centrum voor Jeugd en Gezin (Wijkteam) te hervatten, zodat zij ondersteuning kunnen krijgen in het verder vormgeven van het co-ouderschap. Van belang is namelijk dat de vrouw vertrouwen heeft in de man als vader en dat zij de kinderen emotionele toestemming kan geven om bij de man te zijn. Voor zover zij twijfels of negatieve gevoelens heeft over de zorgregeling, zal dit zijn weerslag hebben op de kinderen, wat mogelijk tot loyaliteitsproblemen kan leiden bij hen.\n\n2.10.7.. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de vakanties bij helfte moeten worden verdeeld. Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen erkend dat het praktisch is als de kinderen de eerste helft van de vakantie zullen verblijven bij de ouder waar zij het weekend daaraan voorafgaand zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen aan de hand van dit uitgangspunt jaarlijks samen tot een verdeling van de vakanties kunnen komen. Een meer gedetailleerde verdeling, zoals door de man is verzocht, acht de rechtbank niet uitvoerbaar, omdat de vakanties per jaar mogelijk kunnen verspringen naar even weken of oneven weken.\n\n2.10.8.. Voor wat betreft de verdeling van de feestdagen zal de rechtbank de verdeling vaststellen zoals hierna te melden. De rechtbank volgt daarbij het verzoek van de man, omdat de vrouw niet heeft onderbouwd waarom een andere verdeling moet gelden.\n\n2.11.. Woning\n\n2.11.1.. De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van drie dan wel zes maanden.\n\n2.11.2.. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen voor de duur van zes maanden, nu de man zich niet, althans onvoldoende onderbouwd, heeft verweerd tegen dit verzoek. De vrouw heeft hiermee de gelegenheid een andere woning in de omgeving van de echtelijke woning te zoeken waar zij met de kinderen kan wonen.\n\n2.11.3.. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de termijn van zes maanden de wettelijke maximum termijn is. Dit laat onverlet dat als de vrouw eerder andere woonruimte kan betrekken, de woning eerder zou kunnen worden geleverd aan de man.\n\n2.12.. Onderhoudsbijdragen\n\nKinderbijdrage\n\n2.12.1.. De vrouw heeft, na wijziging van haar verzoek, verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 383,- per kind per maand.\n\n2.12.2.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.\n\n2.12.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport Alimentatienormen. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nBehoefte\n\n2.12.4.. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen, geïndexeerd naar 2026, € 1.700,- per maand bedraagt, wat neerkomt op € 850,- per kind per maand. De rechtbank zal hierbij aansluiten.\n\n2.12.5.. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen op welke wijze deze kosten van de kinderen moeten worden verdeeld tussen de ouders.\n\nDraagkracht man\n\n2.12.6.. De man is in loondienst. Zijn fiscaal loon volgens de jaaropgave over 2025 bedroeg € 175.131,-. Volgens de man is dit loon inclusief de bijtelling van zijn auto van de zaak. Uit de salarisspecificatie van de man over december 2025 blijkt dat de totale bijtelling over dat jaar € 18.271,44 bedroeg, zodat dit bedrag op het fiscaal loon van de man in mindering zal worden gebracht. De rechtbank gaat daarom uit van een fiscaal loon van de man over 2025 van € 156.860,-.\n\n2.12.7.. Op basis van dit inkomen van de man, berekent de rechtbank zijn netto besteedbaar inkomen op € 7.440,- per maand. Hij heeft daarmee een draagkracht voor het betalen van een kinderbijdrage van € 2.690,- per maand.\n\nDraagkracht vrouw\n\n2.12.8.. De vrouw is in loondienst. Zij heeft een salaris van € 5.159,- bruto per maand, te vermeerderen met het wettelijk vakantiegeld en een dertiende maand waarvoor zij € 430,- per maand opbouwt. Daarnaast heeft de vrouw de beschikking over een EBB budget van € 600,- per maand. De vrouw heeft toegelicht dat zij dit budget naar keuze kan inzetten voor bijvoorbeeld de aanschaf van een fiets of extra verlofuren en dat dit daarom niet moet worden meegenomen bij haar inkomen. Nu de vrouw heeft verklaard dat zij het afgelopen jaar het EBB budget niet heeft ingezet en dit bedrag volledig is uitbetaald, zal de rechtbank hiermee rekening houden bij de berekening van haar draagkracht. Verder houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie die de vrouw betaalt van € 245,- per maand en de PAWW-premie van € 5,- per maand.\n\n2.12.9.. De vrouw maakt aanspraak op een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 5.043,- per jaar.\n\n2.12.10.. Op basis van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 5.017,- per maand. Zij heeft dan een draagkracht van € 1.503,- per maand.\n\nDraagkrachtvergelijking\n\n2.12.11.. De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 4.193,- per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 1.700,- per maand en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 1.091,- per maand en het aandeel van de vrouw bedraagt dan € 609,- per maand.\n\n2.12.12.. Op het berekende aandeel van de man dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Gelet op de zorgregeling zoals die in deze beschikking wordt vastgesteld, is een zorgkorting van 35% van toepassing. De zorgkorting beloopt € 596,- per maand. De man wordt geacht dit bedrag minimaal te besteden aan de kinderen bij de uitoefening van zijn zorgtaken. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen na aftrek van de zorgkorting bedraagt € 495,- per maand, ofwel € 247,- per kind per maand.\n\nIngangsdatum\n\n2.12.13.. De vrouw heeft verzocht voor de ingangsdatum voor wat betreft [de minderjarige 1] uit te gaan van de datum van deze beschikking en voor wat betreft [de minderjarige 2] met ingang van de dag van zijn geboorte, te weten [geboortedatum] , omdat de man tot op heden geen kinderbijdrage voor hem heeft voldaan. De man heeft zich hiertegen niet verweerd, zodat de rechtbank van deze ingangsdata zal uitgaan.\n\nConclusie\n\n2.12.14.. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man een kinderbijdrage voor de kinderen van € 247,- per kind per maand aan de vrouw moet betalen, voor [de minderjarige 1] met ingang van de datum van deze beschikking en voor [de minderjarige 2] met ingang van [geboortedatum] . Daarbij geldt dat de kinderbijdrage voor beide kinderen voor het eerst zal worden geïndexeerd met het wettelijke percentage met ingang van 1 januari 2027.\n\nPartnerbijdrage\n\n2.12.15.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 2.187,- per maand vast te stellen.\n\n2.12.16.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek.\n\n2.12.17.. De rechtbank zal ook dit verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport Alimentatienormen. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nBehoefte\n\n2.12.18.. De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte aan de hand van de zogenoemde Hofnorm berekend. De rechtbank zal hierbij uitgaan van de inkomens van partijen over het jaar 2023, omdat zij in dat jaar feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Uitgaande van het loon volgens de jaaropgave van de man van € 142.863,- per jaar en het loon volgens jaaropgave van de vrouw van € 67.207,- per jaar, heeft de vrouw het netto besteedbaar inkomen van partijen over 2023 berekend op € 10.824,- per maand. Na aftrek van de kosten van de kinderen ter hoogte van € 1.460,- per maand, bedroeg de huwelijksgerelateerde behoefte volgens de vrouw € 5.619,- netto per maand. De rechtbank zal van deze behoefte uitgaan, nu de man zich daartegen niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft verweerd. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte dan € 6.648,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.12.19.. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen in hoeverre de vrouw zelf in deze behoefte kan voorzien. Daarbij houdt de rechtbank rekening met haar inkomen uit loondienst zoals hierboven in het kader van de kinderbijdrage is vermeld, waarbij geen rekening wordt gehouden met het kindgebonden budget dat zij ontvangt. Op basis van deze gegevens heeft de vrouw een netto besteedbaar inkomen van € 4.597,- per maand. Dit betekent dat zij een aanvullende behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 2.051,- netto per maand, wat neerkomt op € 4.045,- bruto per maand.\n\nDraagkracht man\n\n2.12.20.. Voor de draagkracht van de man verwijst de rechtbank naar hetgeen hierboven is overwogen in het kader van de kinderbijdrage, waaruit volgt dat de man een netto besteedbaar inkomen heeft van € 7.440,- per maand.\n\n2.12.21.. De rechtbank houdt rekening met het aandeel van de man in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) van € 1.091,- per maand. Hij heeft dan een resterende draagkracht van € 1.215,- netto per maand, wat gebruteerd neerkomt op € 1.945,- per maand.\n\nInkomensvergelijking\n\n2.12.22.. \n\nDe man heeft verzocht een inkomensvergelijking te maken. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat de onderhoudsgerechtigde (in dit geval de vrouw) na ontvangst van de partnerbijdrage niet méér heeft te besteden dan de onderhoudsplichtige (in dit geval de man). Een inkomensvergelijking wordt gemaakt om te berekenen welk bedrag de vrouw maximaal kan ontvangen zonder dat zij in een betere financiële positie komt te verkeren dan de man. Uit de inkomensvergelijking volgt dat partijen in een gelijke financiële positie komen te verkeren als de man een partnerbijdrage voldoet van € 955,- bruto per maand, zodat de rechtbank dit bedrag zal vaststellen.\n\nIngangsdatum\n\n2.12.23.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op deze datum.\n\nConclusie\n\n2.12.24.. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 955,- per maand.\n\n2.13.. Verdeling\n\n2.13.1.. Partijen hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen worden verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze. De rechtbank zal hieronder de vermogensbestanddelen bespreken die volgens partijen of één van hen moeten worden verdeeld.\n\n2.13.2.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. De echtelijke woning aan [adres]\n\n2.13.3.. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op deze woning rust een hypothecaire geldlening bij Nationale Nederlanden.\n\n2.13.4.. De man heeft gesteld dat hij al duidelijkheid heeft dat hij in staat is de woning te financieren. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan de man zal worden toebedeeld tegen de waarde waarvoor deze conform het hierna bepaalde wordt getaxeerd, onder de voorwaarde dat de man uiterlijk 5 juni 2026 ervoor dient zorg te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, met de bepaling dat aan haar de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd (dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen).\n\n2.13.5.. Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de rechtbank bepalen dat partijen gezamenlijk een makelaar taxateur van onroerend goed opdracht dienen te geven de woning te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De vrouw heeft drie NVM-makelaars voorgesteld om de taxatie te laten uitvoeren, te weten [makelaarskantoor] , [makelaarskantoor] en [makelaarskantoor] . De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat hij een taxatie wil via het NWWI, zodat andere makelaars ook naar het taxatierapport kijken om de onafhankelijkheid te waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank is een taxatie door een NVM-makelaar met voldoende waarborgen omkleed. De rechtbank zal daarom niet bepalen dat de taxatie via het NWWI moet plaatsvinden. De man dient binnen een week na de datum van deze beschikking één van bovenstaande makelaars, die door de vrouw zijn voorgesteld, te kiezen.\n\n2.13.6.. De vrouw heeft gesteld dat de man een rentevoordeel heeft, indien hij de woning overneemt met behoud van de huidige hypotheekrente. Zij stelt dat de man hiermee ongerechtvaardigd wordt verrijkt en dat hij de vrouw hiervoor moet vergoeden. De vrouw heeft dit verzoek verder niet geconcretiseerd en onderbouwd. Om die reden zal de rechtbank het verzoek afwijzen als te onbepaald.\n\n2. Bankrekeningen\n\n2.13.7.. Partijen zijn het erover eens dat de bankrekening op naam van partijen wordt opgeheven nadat de echtelijke woning aan de man is geleverd, waarbij het dan aanwezige saldo bij helfte zal worden verdeeld tussen partijen. In de tussenliggende periode wordt deze bankrekening gebruikt om de lasten van de echtelijke woning van te betalen. Nu partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen.\n\n2.13.8.. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij voortaan alleen het beheer over de spaarrekening van [de minderjarige 1] zal hebben, zal worden afgewezen. Op grond van artikel 1:253i BW voeren de ouders gezamenlijk het bewind over het vermogen van hun minderjarige kinderen. Partijen kunnen onderling wel andere afspraken maken, zoals het voorstel van de man om het saldo te splitsen zodat ieder van partijen voortaan apart voor [de minderjarige 1] kan sparen.\n\n3. Inboedel\n\n2.13.9.. De vrouw heeft verzocht de volledige inboedel aan de man toe te delen tegen een waarde van € 6.045,-, onder vergoeding van de helft van deze waarde aan de vrouw. De man heeft hiertegen naar voren gebracht dat hij inboedel in onderling overleg met de vrouw wil verdelen.\n\n2.13.10.. Voor het geval partijen geen afspraken kunnen maken over de verdeling van de inboedel, zal de rechtbank de wijze van verdeling gelasten op de navolgende wijze. Partijen dienen dan gezamenlijk een inboedellijst te maken, waarop alle te verdelen inboedel staat vermeld. Door middel van het opgooien van een dobbelsteen wordt bepaald wie begint met kiezen van een goed (degene die het hoogst gooit, mag als eerste kiezen) en vervolgens kiezen partijen om de beurt een inboedelgoed, een en ander zonder nadere verrekening, totdat alle inboedelgoederen zijn verdeeld.\n\n2.14.. Proceskosten\n\n2.14.1.. Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [makelaarskantoor] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n3.3.. bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:\n\nde kinderen verblijven in de oneven weken van woensdag 8.00 uur tot vrijdag 17.00 uur bij de man en in de even weken van woensdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur;\n\nde vakanties worden bij helfte verdeeld tussen partijen, waarbij de kinderen de eerste helft van de vakantie zijn bij de ouder waar zij het weekend direct voorafgaand aan de start van de vakantie zijn;\n\nde feestdagen worden als volgt verdeeld:\n\nin de even jaren: op Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop zullen de kinderen bij de man zijn;\n\nin de oneven jaren: op Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop zullen de kinderen bij de vrouw zijn;\n\nin de even jaren: op Koningsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop en Sinterklaas uit school\u002Fcrèche, of 13.00 uur indien de kinderen die dag geen crèche en\u002Fof school hebben, tot naar school\u002Fcrèche, of bij geen school\u002Fcrèche 9.00 uur de dag daarop, zullen de kinderen bij de vrouw zijn;\n\nin de oneven jaren: op Koningsdag vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de dag daarop en Sinterklaas uit school\u002Fcrèche, of 13.00 uur indien de kinderen die dag geen crèche en\u002Fof school hebben, tot naar school\u002Fcrèche, of bij geen school\u002Fcrèche 9.00 uur de dag daarop, zullen de kinderen bij de man zijn;\n\nTenzij Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag, Koningsdag of Sinterklaas in de vakantie valt, dan is de vakantieverdeling bepalend;\n\nop hun verjaardagen zijn de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;\n\nop de verjaardag van de man en Vaderdag: de kinderen zijn vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag bij de man;\n\nop de verjaardag van de vrouw en Moederdag: de kinderen zijn vanaf 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag bij de vrouw;\n\n3.4.. bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;\n\n3.5.. bepaalt dat de man € 247,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, voor [de minderjarige 1] met ingang van de dag van deze beschikking en voor [de minderjarige 2] met ingang van [geboortedatum] , telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.6.. bepaalt dat de man € 955,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.7.. gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning van partijen en de daaraan verbonden hypothecaire lening overeenkomstig het hierboven in rechtsoverweging 2.13.4 en 2.13.5 bepaalde;\n\n3.8.. gelast de wijze van verdeling van de inboedelgoederen aldus, dat partijen de inboedel in onderling overleg zullen verdelen. Voor het geval partijen hierover geen overeenstemming bereiken dienen zij gezamenlijk één inboedellijst te maken, waarna partijen om beurten een goed kiezen. De partij die het hoogste aantal ogen gooit met een dobbelsteen mag beginnen met kiezen;\n\n3.9.. verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, het voortgezet gebruik van de woning, de kinderbijdrage, de partnerbijdrage en de verdeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.10.. bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;\n\n3.11.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C.S. Goedèl, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 5 maart 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2239","ecli-nl-rbnho-2026-2239",{"courtName":6,"legalDomain":122,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":131,"ecli":132,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":133,"fullText":134,"language":7,"source":17,"sourceUrl":135,"summary":14,"slug":136,"metadata":137},"1808","ECLI:NL:RBNHO:2026:1591","2026-02-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F353131 \u002F FA RK 24-2783 en C\u002F15\u002F368177 \u002F FA RK 25-3963\n\nBeschikking d.d. 19 februari 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] , gemeente [gemeente] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. D. Klein, gevestigd te IJmuiden,\n\ntegen\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. S. Verhoef, gevestigd te Alkmaar.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de man, ingekomen op 21 mei 2024;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 31 juli 2024;\n\n- het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 10 maart 2025;\n\n- het verweerschrift op het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 30 mei 2025;\n\n- nadere stukken van de vrouw, ingekomen op 22 december 2025 en 12 januari 2026;\n\n- het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 15 januari 2026.\n\n1.2.. De man heeft nadere stukken ingediend op 16 januari 2026, waartegen de vrouw bezwaar heeft gemaakt. Zoals ter zitting is medegedeeld aan partijen, zal de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laten, omdat deze te laat zijn ingediend gelet op het bepaalde in artikel 7.8 van het procesreglement scheiding.\n\n1.3.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn, onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , [land] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man heeft gesteld dat de vrouw daarnaast de Tsjechische nationaliteit heeft.\n\n2.2.. Partijen hebben een meerderjarige zoon, [de meerderjarige zoon] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] .\n\n2.3.. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis in kort geding van 26 september 2024 de vorderingen van de man, onder meer tot het betalen van een voorschot op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, afgewezen.\n\n2.4.. Bij beschikking van 30 oktober 2024 van deze rechtbank is bij wijze van voorlopige voorziening een door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud vastgesteld van € 7.109,- per maand, met ingang van 5 augustus 2024. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof Amsterdam heeft de vrouw bij beschikking van 4 februari 2025 niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep en haar veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.\n\n2.4.1.. De door de vrouw te betalen voorlopige partnerbijdrage is bij beschikking van deze rechtbank van 17 november 2025 gewijzigd naar een bedrag van € 3.277,- per maand met ingang van 15 januari 2025.\n\n2.5.. Scheiding\n\n2.5.1.. De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.5.2.. De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting betwist en gesteld dat de man niet in staat is zijn wil te bepalen ten aanzien van de echtscheiding. De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen. Voor het geval de rechtbank de vrouw hierin niet direct volgt, heeft zij aanvullend verzocht een deskundigenonderzoek te gelasten en een VIA-deskundige te benoemen ter beoordeling van de wilsbekwaamheid van de man ter zake zijn wens tot echtscheiding per mei 2024 en per heden.\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n2.5.3.. Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.\n\n2.5.4.. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.\n\nWilsbekwaamheid van de man\n\n2.5.5.. De rechtbank stelt voorop dat voor de vraag of de man bekwaam is een verzoek tot echtscheiding in te dienen, moet worden beoordeeld of hij in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen en de betekenis van het verzoek tot echtscheiding te begrijpen. Is hieraan niet voldaan, dan is de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.\n\n2.5.6.. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de man sinds 2020 aan Parkinson lijdt en dat hij in oktober 2023 is gediagnosticeerd met Lewy Body-dementie. Op basis van de stukken stelt de rechtbank vast dat de toestand van de man in het najaar van 2023 ernstig achteruit is gegaan. De overgelegde medische stukken vermelden dat de man al in 2023 last had van toenemende cognitieve stoornissen en hallucinaties, dat zijn geheugen achteruit gaat en hij de weg naar het toilet minder goed kan vinden. De verslechterde situatie van de man heeft ertoe geleid dat hij op 4 december 2023 een CIS-indicatie heeft gekregen voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg. In dat kader heeft een beoordeling van de man plaatsgevonden. De man verblijft sinds januari 2024 in een verpleeghuis. Ook tijdens de mondelinge behandeling was de man verward, kon hij zinnen niet afmaken en viel hij terug in het verleden. Zo verkeerde hij in de veronderstelling dat hij nog dagelijks in het pand aan de [adres] komt, waar zijn kantoorboekhandel was gevestigd, wat volgens de vrouw niet juist is.\n\n2.5.7.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat hij van de vrouw wil scheiden, omdat zij hem zou hebben gezegd een andere partner te hebben. De vrouw ontkent dat zij dit heeft gezegd. Volgens haar is er geen sprake van dat zij een andere partner heeft. Ook anderszins is de rechtbank hiervan niet gebleken. Niet duidelijk is in hoeverre deze gedachte – en daarmee de wens van de man om te scheiden – is ingegeven door de ziekte van de man.\n\n2.5.8.. De man heeft ter onderbouwing van zijn wilsbekwaamheid een verklaring overgelegd van 23 april 2024 van [huisarts in opleiding] , huisarts in opleiding, die heeft verklaard dat de man wilsbekwaam is inzake het beheer van zijn vermogen en zijn levenstestament vanwege een op handen zijnde echtscheiding. Volgens de arts kon de man zijn verhaal helder uiteenzetten. De voormalige huisarts van de man, [de voormalige huisarts] , heeft op 11 november 2024 verklaard dat bij de man eind 2023 al sprake was van een snelle achteruitgang van zijn cognitieve vermogens en dat hij in dat licht niet begrijpt dat de man in april 2024 nog wilsbekwaam is verklaard. Uit de verklaring van [naam] , werkzaam in de geriatrische psychiatrie en neurologie, van 23 juni 2025 blijkt verder dat een verstoord beoordelingsvermogen en een verstoorde waarneming van de realiteit veel voorkomend zijn bij patiënten met Parkinson en Lewy Body-dementie. De cognitieve vermogens kunnen in korte tijd sterk wisselen, wat betekent dat het beoordelingsvermogen van de patiënt niet kan worden beoordeeld aan de hand van een enkel onderzoek. Van belang is dat de beoordeling wordt gedaan door een arts met veel ervaring en deskundigheid op het gebied van Parkinson en Lewy Body-dementie en wordt uitgevoerd door een arts die de patiënt goed kent. Gelet op de verklaringen van [de voormalige huisarts] en [naam] , heeft de man met de door hem overgelegde verklaring van [huisarts in opleiding] onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij wilsbekwaam was ten tijde van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.\n\n2.5.9.. Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de man in staat is zijn wil om te scheiden te bepalen en hij dus wilsonbekwaam is. Dit betekent dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot echtscheiding.\n\n2.6.. Overige verzoeken\n\n2.6.1.. \n\nNu de man niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek tot echtscheiding, kunnen er geen nevenvoorzieningen als bedoeld in artikel 827 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden getroffen. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat deze verzoeken geen bespreking behoeven als de echtscheiding niet wordt uitgesproken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot echtscheiding.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 19 februari 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1591","ecli-nl-rbnho-2026-1591",{"courtName":6,"legalDomain":122,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":139,"ecli":140,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":133,"fullText":141,"language":7,"source":17,"sourceUrl":142,"summary":14,"slug":143,"metadata":144},"1811","ECLI:NL:RBNHO:2026:1590","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F345962 \u002F FA RK 23-5442 en C\u002F15\u002F364479 \u002F FA RK 25-2045\n\nBeschikking d.d. 19 februari 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. P. Dorhout, gevestigd te Egmond aan den Hoef,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. S. Kuijs, gevestigd te Heiloo.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 18 oktober 2023;\n\n- het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 30 november 2023;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 25 januari 2024;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 6 maart 2024;\n\n- het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 30 juli 2024;\n\n- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 9 oktober 2024;\n\n- het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 19 februari 2025;\n\n- het verweerschrift van de man, ingekomen op 16 april 2025;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 12 januari 2026, 13 januari 2026 en 15 januari 2026;\n\n- het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 13 januari 2026.\n\n1.2.. Tijdens de mondelinge behandeling is medegedeeld dat de door de vrouw overgelegde productie 35 buiten beschouwing zal worden gelaten.\n\n1.3.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn, onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , thans gemeente [gemeente] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n2.2.. \n\nUit het huwelijk van partijen is geboren de inmiddels jongmeerderjarige:\n\n- [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboortedatum] .\n\n2.3.. De rechtbank heeft bij beschikking van 22 februari 2024 voorlopige voorzieningen getroffen. Daarbij is [de jongmeerderjarige] toevertrouwd aan de vrouw, is een voorlopige zorgregeling vastgesteld en is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast is een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage bepaald van € 575,- per maand en een partnerbijdrage van € 571,- per maand.\n\n2.4.. Scheiding\n\n2.4.1.. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.4.2.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.5.. Hoofdverblijfplaats en zorgregeling\n\n2.5.1.. Partijen hebben hun verzoeken over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling ingetrokken, omdat [de jongmeerderjarige] inmiddels meerderjarig is. Dit betekent dat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.\n\n2.6.. Onderhoudsbijdragen\n\nKinderbijdrage\n\n2.6.1.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 563,- per maand, met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoek (30 november 2023).\n\n2.6.2.. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Nu [de jongmeerderjarige] inmiddels meerderjarig is, de vrouw niet is gemachtigd om [de jongmeerderjarige] te vertegenwoordigen voor wat betreft de onderhoudsbijdrage die aan hem moet worden betaald en de bijdrage die de man sinds de voorlopige voorzieningen betaalt, hoger is dan de door de vrouw verzochte bijdrage, zal het verzoek van de vrouw worden afgewezen. De man heeft ter zitting toegezegd dat hij de onderhoudsbijdrage van 575,- per maand, zoals die in de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgesteld, zal blijven voldoen aan [de jongmeerderjarige] . De rechtbank gaat ervan uit dat hij zich hieraan zal houden.\n\nPartnerbijdrage\n\n2.6.3.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 5.000,- per maand.\n\n2.6.4.. De man heeft daartegen verweer gevoerd. Hij betwist de door de vrouw gestelde huwelijksgerelateerde behoefte. Ook stelt de man dat de vrouw vanwege haar verdiencapaciteit geen aanvullende behoefte heeft en dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen.\n\n2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nIngangsdatum\n\n2.6.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.\n\nBehoefte\n\n2.6.6.. De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte berekend aan de hand van de zogenoemde Hofnorm, waarbij zij is uitgegaan van de inkomens van partijen over het jaar 2022, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan van partijen. Voor zover de man zich op het standpunt heeft gesteld dat de Hofnorm niet kan worden toegepast en de vrouw haar behoefte moet onderbouwen aan de hand van haar daadwerkelijke inkomsten en uitgaven (behoeftelijst), volgt de rechtbank hem daarin niet. De Hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van de echtgenoten gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. De Hofnorm biedt een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling dat niet van de Hofnorm kan worden uitgegaan, onvoldoende onderbouwd, zodat dit geen aanleiding vormt om hiervan af te wijken.\n\n2.6.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk een netto besteedbaar inkomen had van € 1.633,- per maand, zodat hiervan zal worden uitgegaan.\n\n2.6.8.. Verder is tussen partijen niet in geschil dat bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk, moet worden uitgegaan van het salaris dat de man ontving als DGA van [BV] ter hoogte van € 48.075,- bruto per jaar in 2022 en met inkomsten van de man uit ter beschikking gesteld vermogen van in totaal € 14.561,- per jaar (opbrengst € 17.092,- minus kosten € 545,- en vrijstelling € 1.986,-). De vrouw stelt dat daarnaast rekening moet worden gehouden met een dividenduitkering die is gedaan of had kunnen worden gedaan aan de man vanuit [onderneming] (hierna: [onderneming] ) ter hoogte van gemiddeld € 183.826,-. Zij heeft daartoe gesteld dat [onderneming] een grote onderneming met meerdere vestigingen is in Peru en dat er hoge winst wordt behaald. De man heeft verklaard dat hij de afgelopen jaren geen dividenduitkering heeft ontvangen, omdat de resultaten mede vanwege de corona epidemie wisselend waren. De afgelopen jaren zijn de resultaten goed geweest, zodat dit jaar zal worden bekeken of een dividenduitkering weer tot de mogelijkheden behoort, aldus de man.\n\n2.6.9.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd weersproken dat hij jaarlijks inkomsten heeft vanuit [onderneming] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De man heeft geen stukken overgelegd van [onderneming] waaruit blijkt wat het resultaat is geweest en of en zo ja, tot welk bedrag er sprake is geweest van een dividenduitkering. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de man de afgelopen jaren niets heeft ontvangen vanuit [onderneming] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man heeft gesteld dat hij de door hem ontvangen dividenduitkeringen heeft gebruikt om de jaarlijkse aflossingen op de hypotheekschuld van partijen te voldoen. Vast staat verder dat de man in staat is geweest het pand aan [adres] te kopen zonder hiervoor financiering te hoeven afsluiten en de man heeft niet weersproken dat hij een zeer luxe levensstijl heeft, waarbij hij grote uitgaven heeft gedaan voor onder andere een auto (BMW) en horloge (Rolex). Gelet op de hoogte van het inkomen dat de man in Nederland heeft, concludeert de rechtbank dat sprake moet zijn van dividenduitkeringen vanuit [onderneming] om de aankopen van de man te bekostigen. Dat dergelijke dividenduitkeringen niet steeds zichtbaar zijn in de aangifte Inkomstenbelasting van de man, doet hieraan niet af, omdat de gelden ook op een buitenlandse bankrekening kunnen zijn gestort.\n\n2.6.10.. Uit de overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van de man blijkt dat hij in 2015 een dividenduitkering vanuit [onderneming] heeft ontvangen van € 93.457,- en in 2021 van € 56.800,-. De rechtbank zal in redelijkheid rekening houden met een dividenduitkering gelijk aan het gemiddelde hiervan, te weten € 75.129,- per jaar.\n\n2.6.11.. Op basis van bovenstaande inkomsten van de man, berekent de rechtbank zijn netto besteedbaar inkomen in 2022 op € 6.907,- per maand.\n\n2.6.12.. Partijen hadden een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 8.540,- per maand, waarop de kosten van [de jongmeerderjarige] in mindering moeten worden gebracht. Deze kosten bedroegen in 2022, gemaximeerd bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van meer dan € 6.000,- per maand, € 800,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw kan dan worden vastgesteld op 60% van het resterende gezinsinkomen, zijnde € 4.644,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 5.681,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.6.13.. De rechtbank zal vervolgens beoordelen in hoeverre de vrouw in staat is zelf in haar behoefte te voorzien. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Zij kan in staat worden geacht 28 tot 32 uur per week te werken, aldus de man. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat zij haar arbeidsduur heeft uitgebreid naar 20 uur per week. Haar nettoloon bedraagt € 1.480,- per maand. Daarnaast geeft zij bijles gedurende twee uur per week, waarmee zij € 27,- per uur verdient. De vrouw heeft verklaard dat zij voornemens is dit uit te breiden naar vier uur per week.\n\n2.6.14.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw heeft nagelaten inzage te geven in haar huidige inkomsten, zodat de rechtbank niet kan vaststellen wat haar precieze inkomsten zijn. Gelet op de leeftijd en werkervaring van de vrouw, is de rechtbank evenwel van oordeel dat niet van haar kan worden verwacht volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Nu de vrouw haar werkzaamheden sinds het uiteengaan van partijen heeft uitgebreid en voornemens hierin nog een volgende stap te zetten, zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een inkomen dan wel verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.000,- netto per maand. Dit betekent dat zij een aanvullende behoefte heeft van € 3.681,- netto per maand.\n\nDraagkracht man\n\n2.6.15.. Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn DGA-salaris uit [BV] over 2025 van € 51.882,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de cumulatieven vermeld op zijn salarisspecificatie over december 2025. Daarnaast houdt de rechtbank bij gebrek aan meer recente gegevens rekening met inkomsten van de man uit ter beschikking gesteld vermogen zoals blijkt uit zijn aangifte Inkomstenbelasting 2024 van in totaal € 21.014,- per jaar (opbrengst € 24.600,- minus kosten € 720,- en vrijstelling € 2.866,- ). Verder houdt de rechtbank rekening met een dividenduitkering uit [onderneming] van gemiddeld € 75.129,-, zoals hierboven bij de behoefte is overwogen.\n\n2.6.16.. Op basis van deze gegevens heeft de man een netto besteedbaar inkomen van € 7.051,- per maand. Rekening houdend met de onderhoudsbijdrage die de man aan [de jongmeerderjarige] betaalt van € 575,- per maand, heeft de man een resterende draagkracht van € 2.471,- bruto per maand.\n\nConclusie\n\n2.6.17.. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage vaststellen op € 2.471,- per maand, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Deze bijdrage overschrijdt de aanvullende behoefte van de vrouw niet.\n\n2.7.. Woning en gebruiksvergoeding\n\n2.7.1.. De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. De vrouw wenst in de woning te blijven wonen met de zoon van partijen. Zij heeft geen andere beschikbare woonruimte, terwijl de man een andere woning heeft waar hij verblijft.\n\n2.7.2.. Nu de man niet zelf om het voortgezet gebruik van de woning heeft verzocht en hij voorts geen of onvoldoende zwaarwegende argumenten heeft aangevoerd die tot afwijzing van het verzoek van de vrouw dienen te leiden, zal de rechtbank het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw toewijzen.\n\n2.7.3.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan hem moet betalen van 3% over de helft van de overwaarde van de echtelijke woning, vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (18 oktober 2023), subsidiair de datum van het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man (25 januari 2024), tot de dag dat de woning wordt geleverd aan de vrouw, dan wel de man of derden, en te bepalen dat de vrouw deze vergoeding aan de man dient te betalen, dan wel dat dit wordt verrekend met overige vorderingen.\n\n2.7.4.. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Uitgangspunt is dat beide partijen de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning dragen, nu dit hun gezamenlijk eigendom is. De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd dat hij structureel bijdraagt in de lasten van de echtelijke woning. Nu de vrouw deze lasten (nagenoeg) volledig voor haar rekening neemt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een gebruiksvergoeding vast te stellen. De vrouw voldoet immers ook het aandeel van de man in de eigenaarslasten, wat kan worden verrekend met een eventuele gebruiksvergoeding die zij aan de man zou moeten betalen.\n\n2.8.. Verdeling\n\n2.8.1.. Partijen zijn onder uitsluiting van iedere gemeenschap met elkaar gehuwd. Zij hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen worden verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.\n\nBestanddelen\n\n2.8.2.. De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of één van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.\n\n2.8.3.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. De echtelijke woning aan [adres]\n\n2.8.4.. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de Rabobank. Partijen hebben verder een spaarpolis bij de ASR met nummer [nummer] en een beleggingsrekening bij de ASR met nummer [nummer] .\n\n2.8.5.. De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld tegen de waarde waarvoor de woning conform het hierna bepaalde wordt getaxeerd. Dit onder de voorwaarde dat zij ervoor dient zorg te dragen dat de man uiterlijk drie maanden na de datum van deze beschikking wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening en met de bepaling dat aan hem de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen.\n\n2.8.6.. Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de vrouw binnen een week na deze beschikking drie makelaar taxateurs voorstellen aan de man, waarna de man binnen een week één van deze drie makelaars zal kiezen. Partijen dienen vervolgens gezamenlijk binnen twee weken opdracht te geven de woning te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde. Indien partijen niet binnen voormelde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd de opdracht tot verkoop te geven. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De rechtbank gaat ervan uit dat de taxatie bindend zal plaatsvinden voor partijen.\n\n2.8.7.. Indien het de vrouw lukt de woning aan haar te laten toedelen, dan zal de aan de hypothecaire lening gekoppelde polis en beleggingsrekening bij de ASR worden overgenomen door de vrouw, waarbij de waarde op het moment van verdeling bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.\n\n2.8.8.. Indien de vrouw niet aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde. Partijen hebben verzoeken gedaan teneinde de verkoop van de woning te bewerkstelligen. De rechtbank zal een zogenaamd spoorboekje vaststellen die de rechtbank geraden voorkomt, zoals hierna vermeld.\n\n2.8.9.. In geval van verkoop van de woning, dienen partijen binnen twee weken nadat duidelijk is dat de woning moet worden verkocht, gezamenlijk een opdracht tot verkoop te geven aan de makelaar die zij hebben gekozen voor de taxatie. Indien partijen niet binnen voormelde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd de opdracht tot verkoop te geven.\n\n2.8.10.. Partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs.\n\n2.8.11.. Voorts zullen partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten kunnen bepalen.\n\n2.8.12.. Beide partijen zijn gehouden – indien en voor zover de vrouw de woning niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan overnemen – aan de verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken en de aanwijzingen van de makelaar op te volgen.\n\n2.8.13.. Voorts is ieder der partijen gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.\n\n2.8.14.. Na verkoop en overdracht van de woning zal de aan de woning verbonden hypothecaire lening worden afgelost, waarna de resterende overwaarde gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dienen te dragen en voldoen.\n\n2.8.15.. In dit kader zal de aan de hypothecaire lening verbonden polis en beleggingsrekening bij de ASR worden afgekocht. De afkoopwaarde zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld, dan wel in mindering worden gebracht op de restschuld.\n\n2. Bankrekening\n\n2.8.16.. Partijen hebben een gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [nummer] . Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening zal worden opgeheven nadat de echtelijke woning is geleverd aan de vrouw of een derde, waarbij het dan resterende saldo bij helfte zal worden verdeeld tussen partijen. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.\n\n3. Inboedel\n\n2.8.17.. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de man de kano zal ophalen uit de tuin van de echtelijke woning, alsmede zijn kleding en dozen met foto’s en brieven. De overige inboedel wordt aan de vrouw toebedeeld, zonder verrekening van waarde. Gelet op de overeenstemming tussen partijen, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.\n\n4. Camper\n\n2.8.18.. Tussen partijen staat vast dat de camper, type Fiat [type Fiat] , zal worden verkocht en dat de vrouw in het kader van de verdeling reeds een bedrag van € 12.500,- heeft ontvangen, zodat hierover geen beslissing meer hoeft te worden genomen.\n\n2.9.. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden\n\n2.9.1.. Partijen hebben verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.\n\n2.9.2.. In de huwelijkse voorwaarden van partijen is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:\n\n“Algehele uitsluiting\n\nArtikel 1\n\nDe echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.\n\n(…)\n\nVergoedingen\n\nArtikel 3\n\nDe echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.\n\nDeze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.\n\n(…)\n\nKosten huishouding\n\nArtikel 7\n\nDe kosten van de gemeenschappelijke huishouding (…), worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, huurpenningen voor de echtelijke woning en renten van geldleningen voor de financiering van de echtelijke woning, de inboedel en de gezinsauto.\n\nDe echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragen terug te vorderen van de ander echtgenoot.\n\nHet recht het aldus teveel bijgedragen terug te vorderen vervalt, indien betaling of verrekening daarvan niet binnen vijf jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar heeft plaatsgevonden of schriftelijk is gevorderd.\n\n(…)”\n\nVergoedingsrechten\n\n2.9.3.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 14.832,- aan hem dient te voldoen. Hij heeft daartoe gesteld dat hij een bedrag van € 29.664,- meer dan de vrouw heeft afgelost op de hypothecaire lening van partijen en dat zij de helft hiervan aan hem moet vergoeden.\n\n2.9.4.. De vrouw heeft op haar beurt gesteld dat zij vanuit privévermogen een bedrag van € 126.454,- heeft afgelost op de hypothecaire lening van partijen en daarnaast een bedrag van € 33.940,- heeft betaald aan verbouwingen van de woning. De rechtbank begrijpt hieruit dat zij stelt op die grond een vergoedingsrecht te hebben en vult de rechtsgrond in zoverre aan.\n\n2.9.5.. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben in artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden een regeling getroffen over de vergoedingsrechten. Hieruit volgt dat een vergoedingsrecht nominaal is.\n\n2.9.6.. Het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de verbouwingskosten zal worden afgewezen. Zij heeft niet met stukken onderbouwd dat de verbouwingen zijn gefinancierd vanuit haar privévermogen.\n\n2.9.7.. Voor wat betreft de aflossingen op de hypothecaire lening overweegt de rechtbank als volgt. Uit de overgelegde aangiftes Inkomstenbelasting van partijen over de jaren 2012 tot en met 2022 blijkt de hypotheekstand per 31 december van het betreffende jaar, waaruit kan worden afgeleid wat in welk jaar is afgelost door partijen. De door de vrouw gestelde aflossingen bedragen circa de helft (of minder) van de totale aflossingen in een jaar, zodat dit de stelling van de man ondersteunt dat partijen altijd voor gelijke delen hebben afgelost. In zoverre heeft geen van partijen recht op vergoeding van deze aflossingen, omdat de aflossingen van partijen tegen elkaar kunnen worden weggestreept. De rechtbank moet dan enkel nog vaststellen of de man in 2019 en 2020 meer heeft afgelost dan de vrouw, zoals door hem is gesteld.\n\n2.9.8.. \n\nUit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de totale aflossing in 2019 € 34.900,- bedroeg. De man heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij op 17 januari 2019 € 24.532,- heeft afgelost. De vrouw heeft gesteld dat zij in 2019 € 10.404,- én € 10.000,- heeft afgelost, maar zij heeft hiervan geen betaalbewijzen overgelegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij in 2019 een bedrag van € 10.368,- heeft afgelost, te weten het verschil tussen de totale aflossingen in 2019 volgens de aangifte Inkomstenbelasting over dat jaar en het bedrag dat de man heeft voldaan. Dit betekent dat de man in 2019 € 14.164,- meer heeft afgelost dan de vrouw.\n\nIn 2020 bedroeg de totale aflossing € 36.500,-. Beide partijen hebben gesteld dat de vrouw in dat jaar een bedrag van € 10.500,- heeft afgelost. De man heeft met stukken onderbouwd dat hij in 2020 een bedrag van € 26.000,- heeft afgelost. Dit betekent dat de man in dat jaar € 15.500,- meer heeft afgelost dan de vrouw.\n\n2.9.9.. In totaal heeft de man dus € 29.664,- meer afgelost dan de vrouw. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag vanuit de gemeenschap aan de man moet worden vergoed.\n\n2.9.10.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aanvullend gesteld dat zij privévermogen, afkomstig van een pand dat eerder aan haar in privé toebehoorde, heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning. Dit betreft de waarde van de aan de woning verbonden polis ter hoogte van € 10.000,-, die is overgegaan naar de echtelijke woning, en de overwaarde van haar eerdere woning van € 16.000,-, wat is gestort in een bouwdepot voor de echtelijke woning. De man heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank zal bepalen dat een bedrag van € 26.000,- vanuit de gemeenschap aan de vrouw moet worden vergoed.\n\n2.9.11.. De vergoedingsrechten van partijen kunnen met elkaar worden verrekend, wat betekent dat de man nog een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap betreffende de echtelijke woning ter hoogte van € 3.664,-. Dit betekent dat de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 1.832,- aan de man moet voldoen.\n\nKosten huishouding\n\n2.9.12.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man uit hoofde van verrekening van de kosten van de huishouding aan haar een bedrag van € 362.496,- dient te betalen, binnen vijf dagen na de dag van de beschikking, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie bepaalt, dan wel een zodanige afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen als de rechtbank redelijk acht. Daarbij heeft zij verzocht te bepalen dat de man de wettelijke rente is verschuldigd over voornoemd bedrag vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.\n\n2.9.13.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek van de vrouw. Hij heeft daartoe gesteld dat de vrouw haar vordering niet inzichtelijk heeft gemaakt. Bovendien zijn partijen in de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding overeengekomen, zodat een vordering over de kosten van de huishouding van vóór 2020, is vervallen.\n\n2.9.14.. De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de vrouw betrekking heeft op artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn daarin overeengekomen dat de kosten van de huishouding door de echtgenoten worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan, en voor zover deze inkomsten ontoereikend zijn, uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. De vrouw heeft gesteld dat zij haar vermogen heeft aangewend om de kosten van de huishouding te voldoen, terwijl de man niet naar evenredigheid heeft bijgedragen in deze kosten. Dit blijkt volgens de vrouw uit het feit dat haar vermogen gedurende het huwelijk is afgenomen, terwijl het vermogen van de man is gestegen.\n\n2.9.15.. Het is de rechtbank niet gebleken dat één van beide partijen meer heeft bijgedragen dan waartoe hij of zij op grond van de huwelijkse voorwaarden gehouden was. De vrouw heeft geen gespecificeerd overzicht overgelegd waaruit blijkt wat de kosten van de huishouding waren per jaar en wat de inkomsten\u002Fvermogen van ieder van partijen was, in welke verhouding is bijgedragen in de kosten van de huishouding en in welke verhouding partijen hierin hadden moeten bijdragen. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor de vordering zoals door de vrouw geformuleerd, zodat dit verzoek van de vrouw zal worden afgewezen en de overige hiermee samenhangende stellingen en verzoeken geen bespreking meer behoeven.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , thans gemeente [gemeente] op [huwelijksdatum] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;\n\n3.3.. bepaalt dat de man € 2.471,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.4.. gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning van partijen, de daaraan verbonden hypothecaire lening, spaarpolis en beleggingsrekening overeenkomstig het hierboven in rechtsoverweging 2.8.5 tot en met 2.8.15 bepaalde;\n\n3.5.. bepaalt dat de man een vordering heeft op de eenvoudige gemeenschap van € 3.664,- (drieduizend zeshonderd vierenzestig euro), of een vordering op de vrouw van € 1.832,- (duizend achthonderd tweeëndertig euro);\n\n3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot het voortgezet gebruik van de woning, de partnerbijdrage, de verdeling en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 19 februari 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1590","ecli-nl-rbnho-2026-1590",{"courtName":6,"legalDomain":122,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":146,"ecli":147,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":148,"fullText":149,"language":7,"source":17,"sourceUrl":150,"summary":14,"slug":151,"metadata":152},"1023","ECLI:NL:RBNHO:2026:1723","2026-02-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F355531 \u002F HA ZA 24-438\n\nVonnis van 18 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser], in zijn hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van [erflaatster] ,\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser] , 2. [eiseres],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nadvocaat: mr. R.A. van Liere,\n\ntegen\n\n [gedaagde], in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van\n\n [erflater] en pro se,\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. H.J.M. van Schie (voorheen mr. S.L.D. van den Brink).\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze erfrechtzaak gaat het onder meer om de vraag of de executeur bepaalde kosten ten laste van de nalatenschap mocht brengen. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat de executeur dit niet mocht. Verder bepaalt de rechtbank in dit vonnis hoe de nalatenschap is samengesteld. Ook gelast de rechtbank de wijze van verdeling.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 5 maart 2025, waarin de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen.\n\n1.2.. Deze mondelinge behandeling heeft op 28 oktober 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt. De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. De rechtbank heeft ter zitting de brief van mr. Van den Brink van 16 oktober 2025 en de akte houdende aanvullende producties tevens akte eiswijziging met producties 23 tot en met 25 van [gedaagde] aan het procesdossier toegevoegd. Aan het eind van de zitting heeft de rechtbank bepaald dat in deze zaak vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De heer [erflater] (hierna: erflater) is op 30 mei 2020 overleden. Hij had drie kinderen: [gedaagde] , [dochter van erflater] en [erflaatster] . [eiseres] is het kind van [dochter van erflater] en dus het kleinkind van erflater. [erflaatster] is op 23 november 2024 overleden. [eiser] was de levenspartner van [erflaatster] . [eiser] is de executeur in de nalatenschap van [erflaatster] en één van [erflaatster] erfgenamen.\n\n2.2.. Op 21 december 2010 heeft erflater zijn testament op laten maken. Daarin heeft hij [erflaatster] , [eiseres] en [gedaagde] tot enige erfgenamen benoemd, ieder voor een derde deel. Aan [dochter van erflater] heeft erflater een legaat toegekend ter grootte van haar legitieme. Erflater heeft [gedaagde] tot executeur benoemd.\n\n2.3.. Alle erfgenamen hebben de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard. [gedaagde] heeft ook zijn benoeming tot executeur aanvaard.\n\n2.4.. In 2017 hebben erflater en [gedaagde] een overeenkomst met elkaar gesloten over de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] in [woonplaats]. De tussen erflater en [gedaagde] op 2 april 2017 opgemaakte onderhandse akte (hierna ook: de overeenkomst) luidt als volgt (waarbij met ondergetekende 1 is bedoeld erflater en met ondergetekende 2 [gedaagde] ):\n\n“(…)\n\nOverwegende dat:\n\nDat ondergetekende 2 op dit moment geen financiering kan krijgen voor de aankoop van een woning;\n\nDat ondergetekende 1 onder voorwaarden bereid is te helpen bij het verkrijgen van financiering;\n\nDat ondergetekende 1 geen kosten wenst te maken voor deze financiering (het verkrijgen ervan en gedurende de looptijd van de financiering), maar ook niet deelt in de opbrengsten behoudens 10 procent van een eventueel bij leven te realiseren (netto-) verkoopwinst (saldo aankoop en verkoopprijs min alle gemaakte en te maken kosten gecorrigeerd met inflatie);\n\nDat ondergetekende 1 zich evenmin bezighoudt met de exploitatie van de woning;\n\nDat uitgangspunt is dat erfgenamen op geen enkele wijze worden benadeeld of bevoordeeld door de aankoop en het in eigendom hebben van de woning, niet tijdens leven en of overlijden van ondergetekenden;\n\n(…)\n\nKomen overeen:\n\nOndergetekende 1 (hierna “1”) en ondergetekende 2 (hierna “2”) kopen de nieuwbouwwoning in [woonplaats] en vragen hiervoor een hypotheek aan;\n\nUitgangspunt is dat 80 tot 90 procent marktwaarde extern wordt gefinancierd en ondergetekende 2 de lasten van deze financiering volledig draagt;\n\nDe resterende 20 tot 10 procent wordt betaald door 2;\n\nDe eigenaarslasten (…) en alle overige lasten waaronder vanzelfsprekend de (gedeeltelijke) aflossing van de hypotheek en hypotheekrente komen volledig voor rekening van 2. De huuropbrengsten komen volledig ten goede aan 2. Een positief saldo waarde woning min schuld (dat wellicht steeds groter wordt door verplichte aflossingen van 2 en mogelijk waardestijging van de woning) komt te allen tijde ten goede aan 2. Ook na overlijden van 1. Het door 2 opgebouwde kapitaal wordt buiten een erfenis gehouden of zover dit onmogelijk is zullen de erfgenamen ondergetekende 2 volledig moeten compenseren voor een eventueel te genieten voordeel als gevolg van aflossingen en waardestijging van de woning;\n\nFiscaal vindt optimalisatie plaats. Ondergetekenden spannen zich daar maximaal voor in. Een eventueel nadeel daarbij voor 1 wordt gecompenseerd door 2. (…)\n\n(…)\n\n8. Bij (plotseling) gewijzigde (onvoorziene ernstige) omstandigheden zoals bijvoorbeeld\n\noverlijden ernstige ziekte wijziging in financiële situatie fiscale positie of anderszins van\n\nondergetekenden hebben ondergetekenden het recht het huis te verkopen aan derden hetzij het pand over te dragen op basis van aankoopwaarde (koopsom plus betaald meerwerk op datum transport bij notaris in 2017) aan ondergetekende 2. Het laatste prevaleert als er voldoende middelen zijn om de transactie te doen slagen in ieder geval zal alvorens de woning aan derden te koop wordt aangeboden ondergetekende 2 in de gelegenheid worden gesteld het eigendom van de woning volledig te verwerven. Daartoe zal een gebruikelijke aanbiedingsprocedure worden doorlopen waarvan in ieder geval deel uitmaakt het doen van het voorstel tot verkoop de mogelijkheid om binnen vier weken na ontvangst van dit voorstel aan te geven of de wens tot overname bestaat en vervolgens een termijn van 3 maanden om een eventueel gewenste overdracht van (de helft van de) woning concreet vorm te geven\n\n 9. Ondergetekende 2 staat garant voor het opbrengen van alle directe en indirecte kosten\n\n(…) Ondergetekende 1 draagt geen enkel risico.\n\n(…)”\n\n2.5.. Erflater en [gedaagde] zijn eigenaar geworden van de [adres 1] : erflater voor een vierde onverdeeld aandeel en [gedaagde] voor drie vierde onverdeeld aandeel.\n\n3. De vorderingen in conventie en in reconventie\n\n3.1.. \n\n [eiser] en [eiseres] vorderen, samengevat:\n\nI. een verklaring voor recht dat de taak van [gedaagde] als executeur in de nalatenschap van erflater is geëindigd;\n\nII. een verklaring voor recht dat het beheer van de goederen van de nalatenschap van erflater toekomt aan de gezamenlijke erfgenamen;\n\nIII. veroordeling van [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap van erflater vanaf het moment van overlijden van erflater tot vandaag dan wel vanaf een door de rechtbank te bepalen datum waarop [gedaagde] het beheer verkreeg of geacht wordt te hebben verkregen tot aan de datum waarop rekening en verantwoording wordt afgelegd, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nIV. veroordeling van [gedaagde] om met [eiser] en [eiseres] over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van erflater;\n\nV. dat de rechtbank de (wijze van) verdeling van de nalatenschap van erflater gelast conform randnummers 23 tot en met 55 van de dagvaarding. Specifiek voor de [adres 1] vorderen [eiser] en [eiseres] , kort gezegd, dat het onverdeelde aandeel van [eiser] en [eiseres] in de [adres 1] aan [gedaagde] wordt toegedeeld tegen de vrije verkoopwaarde in het economische verkeer en dat [eiser] en [eiseres] worden ontslagen uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Als [gedaagde] financieel niet in staat is om hieraan mee te werken of als de levering aan [gedaagde] niet binnen twee maanden na betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, vorderen [eiser] en [eiseres] dat zij op grond van artikel 3:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden gemachtigd om de [adres 1] aan een derde te verkopen door tussenkomst van een makelaar en tegen een door de makelaar te bepalen prijs. Verder vorderen [eiser] en [eiseres] dat de rechtbank [gedaagde] beveelt om alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor deze toedeling of verkoop van de [adres 1] en de overdracht daarvan, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nVI. een verklaring voor recht dat [gedaagde] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel heeft verbeurd in (i) de huurinkomsten van de [adres 1] en (ii) in de huurinkomsten van de [adres 2] en dat [gedaagde] een betalingsverplichting jegens de nalatenschap heeft ter grootte van deze huurinkomsten;\n\nVII. dat de rechtbank [gedaagde] in de proceskosten veroordeelt en dit vonnis (zoveel mogelijk) uitvoerbaar bij voorraad verklaart.\n\n3.2.. \n\n [gedaagde] heeft een aantal tegenvorderingen ingesteld. [gedaagde] vordert, samengevat en na eiswijziging, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. dat de rechtbank de (wijze van) verdeling van de [adres 1] zo vaststelt dat het onverdeelde aandeel van [eiser] en [eiseres] in de [adres 1] wordt geleverd aan de zoon van [gedaagde] ( [zoon] ), althans dat hun onverdeelde aandeel daarin aan [gedaagde] wordt toebedeeld zodat [gedaagde] dit aan zijn zoon kan leveren;\n\nII. medewerking van [eiser] en [eiseres] aan het onder I. gevorderde en dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde (rechts)handelingen als [eiser] en [eiseres] daaraan niet meewerken;\n\nIII. een verklaring voor recht dat aan [eiser] en [eiseres] geen enkele vergoeding toekomt met betrekking tot de [adres 1] , uit hoofde van overbedeling of uit welke hoofde dan ook;\n\nIV. dat de rechtbank aan [eiser] en [eiseres] opdraagt om met de bewindvoerder van [dochter van erflater] in gesprek te gaan over de uitvoering van de wil van erflater, te weten dat er na zijn overlijden voldoende geld uit zijn nalatenschap beschikbaar is als aanvulling op het inkomen van [dochter van erflater] en voor de betaling van haar zorgkosten, welk geld (mede) uit het erfdeel van [eiser] en [eiseres] dient te komen;\n\nV. hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [eiseres] om alle foto’s die erflater op het moment van zijn overlijden in zijn bezit had aan [gedaagde] over te dragen;\n\nVI. een verklaring voor recht dat [eiser] en [eiseres] niets meer uit hoofde van de nalatenschap te vorderen hebben en dat zij geen vordering op [gedaagde] hebben die op enigerlei wijze zijn oorsprong in de nalatenschap vindt;\n\nVII. een verklaring voor recht dat op wat [eiser] en [eiseres] al uit de nalatenschap hebben verkregen een bedrag van € 1.440,00 aan opslagkosten in mindering komt;\n\nVIII. dat de rechtbank [eiser] en [eiseres] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en tot betaling van de door [gedaagde] gemaakte advocaatkosten van € 10.000,00.\n\n3.3.. Partijen voeren over en weer verweer. De rechtbank zal ingaan op de stellingen en verweren van partijen als dat voor de beoordeling van de vorderingen nodig is.\n\n4. De beoordeling in conventie en in reconventie\n\n4.1.. De vorderingen van [eiser] en [eiseres] en de tegenvorderingen van [gedaagde] strekken tot afwikkeling van de nalatenschap van erflater. De rechtbank zal de vorderingen daarom gezamenlijk bespreken en beoordelen.\n\nExecutele\n\n4.2.. De vorderingen van [eiser] en [eiseres] die te maken hebben met de executele zal de rechtbank toewijzen. Dat zijn de vorderingen die in 3.1.I. tot en met 3.1.III. van dit vonnis zijn genoemd. Alleen de gevorderde dwangsom vindt de rechtbank niet toewijsbaar.\n\n4.3.. Dit betekent in de eerste plaats dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de executeurstaak van [gedaagde] is geëindigd. [gedaagde] zegt tegen toewijzing van deze verklaring voor recht immers geen bezwaar te hebben. Bovendien heeft [gedaagde] niet weersproken dat de (opeisbare) schulden van de nalatenschap zijn voldaan. [gedaagde] heeft zijn werkzaamheden als executeur dus voltooid, waarmee zijn taak als executeur op grond van artikel 4:149 lid 1 sub a BW is geëindigd.\n\n4.4.. Dat de taak van de executeur is geëindigd, betekent niet automatisch dat de executeur niet meer het beheer over de goederen van de nalatenschap heeft en de erfgenamen tot het beheer zijn bevoegd. De executeur beëindigt zijn beheer door de goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen ter beschikking te stellen (artikel 4:150 lid 1 BW). De erfgenamen kunnen de bevoegdheid van de executeur tot beheer op grond van artikel 4:150 lid 2 sub b BW beëindigen als anderhalf jaar is verstreken nadat de executeur de nalatenschap in beheer heeft kunnen nemen. De rechtbank beschouwt het beheer van [gedaagde] als beëindigd omdat [eiser] en [eiseres] zich op dit laatstgenoemd artikel onweersproken hebben beroepen en [gedaagde] zegt er geen bezwaar tegen te hebben als de erfgenamen de nalatenschap beheren. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht dat het beheer aan de erfgenamen toekomt daarom toewijzen.\n\n4.5.. De executeur van wie de bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd, is op grond van de wet (artikel 4:151 BW) verplicht om aan (in dit geval) de erfgenamen rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer op de manier als voor bewindvoerders is bepaald. Volgens [gedaagde] heeft hij al aan deze verplichting voldaan met zijn als productie 5 overgelegde e-mail van 19 januari 2022 met bijlagen. De rechtbank kan [gedaagde] daarin niet volgen, (reeds) omdat de periode waarover [gedaagde] rekening en verantwoording moet afleggen loopt tot en met het einde van zijn beheer. Productie 5 ziet slechts op de periode tot (maximaal) 19 januari 2022. Omdat [gedaagde] geen ander relevant verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde rekening en verantwoording, zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen. De rechtbank zal aan deze veroordeling geen dwangsom verbinden, omdat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij vrijwillig aan een veroordeling op dit punt zal voldoen.\n\nDe nalatenschap van erflater - juridisch kader\n\n4.6.. Voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de bezittingen en schulden die bij de nalatenschap horen, geldt het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater (30 mei 2020) als peilmoment. Als het gaat om de peildatum voor de vaststelling van de waarde van de bezittingen, is de hoofdregel dat het moment van verdeling moet worden aangehouden. Partijen hebben over de verdeling geen volledige overeenstemming kunnen bereiken. Verderop in dit vonnis zal de rechtbank daarom op de voet van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling gelasten. Daarbij heeft de rechtbank naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de wijze van verdeling gelast, is niet gebonden aan wat partijen hebben gevorderd en hoeft niet expliciet in te gaan op wat partijen aanvoeren. Verder is het zo dat bij een verdeling iedere erfgenaam kan verlangen dat op het aandeel van een andere erfgenaam wordt toegerekend wat deze aan de nalatenschap schuldig is (artikel 4:228 BW). Ten slotte speelt in deze zaak artikel 3:194 lid 2 BW een rol. Op grond van dit wetsartikel verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot.\n\nWat valt in de nalatenschap?\n\n4.7.. Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap van erflater, op de dag van zijn overlijden, uit de volgende bestanddelen bestond:\n\n- een vierde onverdeeld aandeel in de [adres 1] en de op de [adres 1] rustende hypothecaire geldlening. Volgens de onweersproken stellingen van [gedaagde] bedroeg deze hypothecaire schuld op de dag dat [gedaagde] zijn conclusie van antwoord heeft ingediend een kleine € 200.000,00;\n\n- de onroerende zaak aan de [adres 2] (waar erflater woonde);\n\n- een onverdeeld aandeel in de loods aan de [adres 3] in Schagen (hierna: de loods);\n\n- de creditsaldi van de bij de Rabobank aangehouden rekeningen (de betaalrekening met nummer [rekeningnummer] (hierna: de ervenrekening) en de spaar- en beleggingsrekening);\n\n- contanten van € 1.200,00;\n\n- een auto, merk Audi (TT);\n\n- inboedel.\n\nAuto\n\n4.8.. \n [gedaagde] heeft de auto aan zijn zoon overgedragen zonder dat zijn zoon daar iets voor hoefde te betalen. [eiser] en [eiseres] hebben ter zitting van 28 oktober 2025 verklaard dat zij hiermee bij nader inzien akkoord zijn en dat, naar de rechtbank begrijpt, aanspraken van de nalatenschap die met de auto te maken hebben buiten beschouwing gelaten kunnen worden. Bij de beoordeling zal de rechtbank de auto daarom verder niet betrekken.\n\nDe ervenrekening\n\n4.9.. Tussen partijen is niet in geschil dat zij als erfgenamen (dezelfde) voorschotten van de ervenrekening hebben ontvangen en dat van de ervenrekening € 5,65 aan [gedaagde] moet worden betaald vanwege voorgeschoten bankkosten. Ook staat vast dat de saldi van de spaar- en beleggingsrekeningen naar de ervenrekening zijn overgemaakt.\n\n4.10.. Na het overlijden van erflater zijn de [adres 2] en de loods aan een derde verkocht en geleverd. De verkoopopbrengst is naar de ervenrekening overgemaakt. De koper van de loods heeft voor de loods aanvullend € 5.000,00 in contanten betaald. Volgens [eiser] en [eiseres] heeft [gedaagde] dit bedrag buiten de nalatenschap gehouden. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist en in dat verband gewezen op een overgelegd bankafschrift waaruit volgens [gedaagde] is af te leiden dat het betreffende bedrag van € 5.000,00 naar de ervenrekening is overgemaakt. [eiser] en [eiseres] hebben dit niet weersproken. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat het bedrag van € 5.000,00 is overgemaakt naar de ervenrekening en dus al in het banksaldo van de ervenrekening is verdisconteerd.\n\n4.11.. \n\nPartijen zijn het erover eens dat na voornoemde bij- en afschrijvingen uitgegaan moet worden van een creditsaldo op de ervenrekening van € 83.572,08. Op de zitting van\n\n28 oktober 2025 is duidelijk geworden dat dit saldo inmiddels met ruim € 30.000,00 is verminderd omdat [gedaagde] een aantal kosten, die [eiser] en [eiseres] hebben betwist, al van de ervenrekening heeft betaald. [gedaagde] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het gaat om de volgende kosten:\n\n- verbouwingskosten;\n\n- loon executeur;\n\n- juridische advieskosten;\n\n- opslagkosten;\n\n- de kosten van de tandemasser.\n\n4.12.. De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet ten laste van de nalatenschap konden worden gebracht. Hierna legt de rechtbank uit waarom.\n\nVerbouwingskosten\n\n4.13.. \n [gedaagde] heeft na het overlijden van erflater in (een bijgebouw van) de [adres 2] twee slaapkamers gecreëerd. Volgens [gedaagde] heeft deze verbouwing er aan bijgedragen dat de [adres 2] voor ruim € 100.000,00 meer dan de getaxeerde waarde werd verkocht. [gedaagde] stelt dat de verbouwing € 5.000,00 heeft gekost en dat deze kosten redelijkerwijs voor rekening van de nalatenschap komen.\n\n4.14.. \n [eiser] en [eiseres] hebben daartegen ingebracht dat de verbouwingskosten niet zijn onderbouwd en dat er geen (juridische) grond is om deze kosten ten laste van de nalatenschap te brengen. Volgens [eiser] en [eiseres] heeft [gedaagde] de verbouwing doorgevoerd zonder met hen te overleggen. Toen zij erachter kwamen dat de [adres 2] was verbouwd, zegde [gedaagde] hen toe dat hij de verbouwing zou terugdraaien maar daaraan heeft [gedaagde] zich niet gehouden, aldus [eiser] en [eiseres] .\n\n4.15.. De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde] als executeur bevoegd was tot beheer van de goederen van de nalatenschap. Voor de aan het beheer te ontlenen bevoegdheden kan aansluiting worden gezocht bij artikel 3:170 lid 2 BW. Volgens deze bepaling zijn onder beheer begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn. Ook was [gedaagde] tot handelingen bevoegd die dienen tot gewoon onderhoud of tot behoud van een goed van de nalatenschap en tot handelingen die geen uitstel kunnen leiden (artikel 3:170 lid 1 BW).\n\n4.16.. De rechtbank ziet niet dat de verbouwing voor een normale exploitatie van de [adres 2] dienstig kon zijn. [gedaagde] heeft hierover ook niets gesteld. De verbouwing betrof ook geen gewoon onderhoud en de verbouwing was niet noodzakelijk voor het behoud van de woning. Bovendien is de verbouwing niet terug te voeren op een tussen [gedaagde] en de erfgenamen gemaakte afspraak. [gedaagde] stelt in ieder geval niet dat hij hierover met de (andere) erfgenamen een afspraak heeft gemaakt. [gedaagde] heeft de verbouwing dan ook niet bevoegdelijk verricht, zodat de daarmee gepaarde kosten ook niet ten laste van de nalatenschap mochten worden gebracht.\n\nLoon executeur en juridische advieskosten\n\n4.17.. \n\n [gedaagde] heeft zich als executeur een loon toegekend van € 18.000,00. [gedaagde] stelt dat hij op grond van onvoorziene omstandigheden recht heeft op dit loon, omdat zijn taak als executeur meer tijd en moeite bleek te kosten dan was voorzien. [gedaagde] kwam tot deze conclusie nadat zijn dochter hem hierover juridisch had geadviseerd. Ter zitting van\n\n28 oktober 2025 is gebleken dat de dochter van [gedaagde] voor dit advies € 2.904,00 in rekening heeft gebracht en dat [gedaagde] deze kosten heeft aangemerkt als kosten van executele.\n\n4.18.. \n [eiser] en [eiseres] betwisten dat dit schulden van de nalatenschap zijn. Zij wijzen op het testament waarin is bepaald dat de executeur geen recht heeft op loon en dat [gedaagde] de kantonrechter had moeten vragen om hem toch een beloning toe te kennen. Volgens [eiser] en [eiseres] zou de kantonrechter [gedaagde] echter geen beloning hebben toegekend omdat geen sprake is van onvoorziene omstandigheden. Verder bestrijden [eiser] en [eiseres] dat de juridische kosten van € 2.904,00 zijn aan te merken als kosten van executele.\n\n4.19.. De rechtbank is het met [eiser] en [eiseres] eens dat [gedaagde] geen recht heeft op loon. Erflater heeft in zijn testament bepaald dat de executeur geen loon toekomt. [gedaagde] heeft de kantonrechter ook niet gevraagd om hem op grond van onvoorziene omstandigheden toch een beloning toe te kennen (op grond van artikel 4:144 lid 3 in samenhang gelezen met artikel 4:159 lid 3 BW), zodat een toewijzende beschikking van de kantonrechter ook niet voorhanden is. Het juridisch advies over zijn aanspraak op loon, heeft [gedaagde] uitsluitend ten behoeve van zichzelf ingewonnen. De rechtbank ziet dan ook niet dat dit kosten zijn die [gedaagde] , gelet op de hem door de wet of erflater toegedachte taak, in redelijkheid heeft kunnen maken. De juridische advieskosten zijn daarom niet aan te merken als kosten van executele. Deze kosten en het bedrag aan loon voor de executeur hadden dus niet van de ervenrekening mogen worden betaald.\n\nOpslagkosten en kosten van de tandemasser\n\n4.20.. \n\n [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij jarenlang de resterende inboedel van de nalatenschap heeft opgeslagen in twee van zijn zes inboedelboxen. Volgens [gedaagde] verhuurt hij de inboedelboxen normaal gesproken voor € 600,00 per box per jaar. [gedaagde] heeft\n\n€ 4.800,00 aan opslagkosten van de ervenrekening betaald (twee boxen voor € 600,00 per box per jaar × vier jaar). Voor het vijfde jaar (2025) geldt een verhoogd tarief van (totaal) € 1.440,00, aldus [gedaagde] . Gelet op de verklaring voor recht die [gedaagde] onder 3.2.VII vordert, gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde] dit bedrag van € 1.440,00 nog niet van de ervenrekening heeft betaald. Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij indertijd zijn tandemasser 40 dagen ter beschikking heeft gesteld om spullen uit de [adres 2] naar de stort te brengen, waarvoor [gedaagde] € 2.000,00 (€ 50,00 per dag × 40 dagen) heeft gerekend. Omdat [eiser] en [eiseres] onderhavige procedure zijn begonnen, heeft [gedaagde] besloten om de kosten van de tandemasser en de opslagkosten alsnog in rekening te brengen, aldus [gedaagde] .\n\n4.21.. \n [eiser] en [eiseres] betwisten dat deze kosten ten laste van de nalatenschap komen. Zij voeren aan dat [gedaagde] deze kosten niet onderbouwt en dat de opslagkosten onnodig zijn gemaakt. Volgens [eiser] en [eiseres] kan [gedaagde] deze kosten de erfgenamen na zo’n lange periode in ieder geval in redelijkheid niet tegenwerpen.\n\n4.22.. \n\nAls zou komen vast te staan dat de opslagkosten € 1.200,00 (of inmiddels\n\n€ 1.440,00) per jaar bedragen, dan vindt de rechtbank dat [gedaagde] deze kosten in redelijkheid niet heeft kunnen maken, althans niet zonder voorafgaand overleg met de (andere) erfgenamen. Deze opslagkosten staan namelijk in geen verhouding tot de waarde van de opgeslagen inboedel. Die waarde is immers volgens de eigen stellingen van [gedaagde] nihil. [gedaagde] heeft het van tevoren ook niet met de andere erfgenamen over deze opslagkosten gehad. [gedaagde] kan deze opslagkosten daarom niet na vier of vijf jaar ‘zomaar’ ten laste van de nalatenschap brengen. Dit betekent voor de verklaring voor recht, die [gedaagde] met betrekking tot de opslagkosten ter hoogte van € 1.440,00 vordert (zie 3.2.VII.), dat de rechtbank deze verklaring voor recht zal afwijzen.\n\n4.23.. Ook de kosten van de tandemasser kunnen niet ten laste van de nalatenschap worden gebracht. Hoe het ter beschikking stellen van de tandemasser [gedaagde] € 2.000,00 kan hebben gekost, heeft [gedaagde] namelijk niet gemotiveerd gesteld.\n\n4.24.. \n\nHet voorgaande brengt mee dat [gedaagde] een bedrag van € 32.704,00 (€ 5.000,00 +\n\n€ 18.000,00 + € 2.904,00 + € 4.800,00 + € 2.000,00) aan de nalatenschap moet vergoeden, omdat [gedaagde] deze kosten onbevoegd van de ervenrekening heeft betaald.\n\n [adres 2]\n\n4.25.. Wat betreft de [adres 2] hebben partijen over twee punten een geschil. Het eerste geschilpunt heeft te maken met de huuropbrengsten van de [adres 2] en het tweede geschilpunt gaat over de gebruiksvergoeding die [gedaagde] volgens [eiser] en [eiseres] aan de nalatenschap is verschuldigd omdat [gedaagde] na het overlijden van erflater in de [adres 2] heeft gewoond.\n\nHuuropbrengsten\n\n4.26.. Vaststaat dat de [adres 2] na het overlijden van erflater is verhuurd. In de dagvaarding hebben [eiser] en [eiseres] vermeld dat zij de huuropbrengsten niet hebben kunnen terugvinden op de bankafschriften van de ervenrekening. Volgens [eiser] en [eiseres] rechtvaardigt dit de conclusie dat [gedaagde] de huuropbrengsten opzettelijk heeft verzwegen of verborgen heeft gehouden en dat [gedaagde] zijn aandeel in de huuropbrengsten daarom heeft verbeurd.\n\n4.27.. In reactie hierop heeft [gedaagde] gemotiveerd toegelicht dat de [adres 2] in 2020 twee keer voor een korte periode verhuurd is geweest en dat de verschuldigde huur van in totaal € 3.000,00 aan de nalatenschap ten goede is gekomen, wat volgens [gedaagde] is af te leiden uit de door hem overgelegde factuur en overgelegd betalingsbewijs (producties 14 en 15). Volgens [gedaagde] zijn de huuropbrengsten van € 3.000,00 wel degelijk op de ervenrekening bijgeschreven en dus al in het banksaldo van de ervenrekening verdisconteerd. Deze gemotiveerde betwisting hebben [eiser] en [eiseres] niet bestreden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de huuropbrengsten naar de ervenrekening zijn overgemaakt. Van het opzettelijk verzwijgen of verborgen houden van de aan de nalatenschap toekomende huuropbrengsten is dan ook geen sprake. Daarom faalt het beroep van [eiser] en [eiseres] op artikel 3:194 lid 2 BW. Dit betekent dat de rechtbank de verklaring voor recht die [eiser] en [eiseres] met betrekking tot deze huuropbrengsten hebben gevorderd (zie 3.1.VI.) zal afwijzen.\n\nGebruiksvergoeding\n\n4.28.. Volgens [eiser] en [eiseres] is [gedaagde] op grond van artikel 3:169 BW aan de nalatenschap een gebruiksvergoeding verschuldigd van € 2.847,31. Daartoe stellen [eiser] en [eiseres] dat [gedaagde] tussen 30 mei 2020 en 15 januari 2021, verspreid over vier periodes, in de [adres 2] heeft gewoond. Dat [gedaagde] hen daarbij ook het gebruik van de woning heeft ontzegd, blijkt volgens [eiser] en [eiseres] uit het overgelegde appbericht van [gedaagde] van 2 augustus 2020. In dit bericht schrijft [gedaagde] dat hij in de woning verblijft, dat de andere erfgenamen niet meer op visite mogen komen en dat ongeoorloofd binnentreden geldt als huisvredebreuk.\n\n4.29.. \n [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding. Met de hoogte van de gebruiksvergoeding is [gedaagde] het ook niet eens. [gedaagde] voert aan dat hij de [adres 2] niet heeft “geclaimd”. Ter zitting van 28 oktober 2025 heeft [gedaagde] (onweersproken) verklaard dat hij de andere erfgenamen heeft voorgehouden dat het niet goed is om de woning onbewoond te laten en dat hij hen heeft gevraagd op welke data zij de woning zouden willen gebruiken. Alleen [eiseres] heeft gezegd de woning te willen gebruiken. Hijzelf heeft de woning korte periodes bewoond. Volgens [gedaagde] heeft hij zich met zijn appbericht van 2 augustus 2020 de woning niet exclusief willen toe-eigenen. Hij had in die tijd een nieuwe vriendin en zag het als een inbreuk op zijn privacy als de andere erfgenamen zonder vooraankondiging langskomen. In die emotionele context moet zijn appbericht worden gelezen, aldus [gedaagde] .\n\n4.30.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:169 BW iedere erfgenaam in principe bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken. Als een erfgenaam een goed echter met uitsluiting van de andere erfgenaam gebruikt, dan kan die erfgenaam worden verplicht om de erfgenaam die verstoken blijft van het gebruik en het genot waarop hij recht heeft schadeloos te stellen (in de vorm van bijvoorbeeld een gebruiksvergoeding). Daarbij geldt dat de rechtsbetrekking tussen de erfgenamen wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid.\n\n4.31.. \n [gedaagde] is geen gebruiksvergoeding aan de nalatenschap verschuldigd. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat ook de andere erfgenamen de [adres 2] konden gebruiken. [gedaagde] heeft het gebruik met de andere erfgenamen afgestemd. Feitelijk heeft ook niet alleen [gedaagde] het uitsluitend gebruik van de woning gehad. Nadat [gedaagde] het appbericht van 2 augustus 2020 had gestuurd, heeft [eiseres] nog in de woning gewoond. [eiseres] heeft op de zitting van 28 oktober 2025 namelijk verklaard dat zij in november 2020 tien dagen in de [adres 2] heeft gewoond. Voor een gebruiksvergoeding is daarom geen plaats.\n\nHuuropbrengsten [adres 1]\n\n4.32.. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of (een deel van) de huuropbrengsten van de [adres 1] in de nalatenschap (valt) vallen. [eiser] en [eiseres] menen van wel omdat de nalatenschap gerechtigd is tot een vierde onverdeeld aandeel in de [adres 1] . [eiser] en [eiseres] stellen dat [gedaagde] ook deze huuropbrengsten opzettelijk heeft achtergehouden en dat hij zijn aandeel daarin heeft verbeurd.\n\n4.33.. \n [gedaagde] betwist dat de huuropbrengsten in de nalatenschap vallen. Volgens [gedaagde] komen de huuropbrengsten op grond van de overeenkomst volledig aan hem toe, zodat hij zijn aandeel daarin niet kan hebben verbeurd.\n\n4.34.. De rechtbank volgt [gedaagde] in zijn verweer. In artikel 4 van de overeenkomst staat namelijk duidelijk dat de huuropbrengsten volledig ten goede komen aan [gedaagde] . Dat het desondanks de bedoeling van erflater en [gedaagde] was dat erflater aanspraak zou kunnen maken op (een deel van) de huuropbrengsten stellen [eiser] en [eiseres] niet en dit blijkt ook nergens uit.\n\n4.35.. \n [eiser] en [eiseres] zijn gebonden aan de tussen erflater en [gedaagde] gemaakte afspraak dat alle huuropbrengsten aan [gedaagde] toekomen. [eiser] en [eiseres] hebben in de conclusie van antwoord in reconventie de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Voor zover [eiser] en [eiseres] zich op het standpunt hebben willen stellen dat de over de huuropbrengsten gemaakte afspraak niet meer geldt omdat de overeenkomst is ontbonden, verwerpt de rechtbank dit standpunt. [eiser] en [eiseres] kunnen de overeenkomst als (twee van de drie) deelgenoten namelijk niet ontbinden. Ook het beroep van [eiser] en [eiseres] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt. Waarom het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [gedaagde] gerechtigd is tot de (volledige) huuropbrengsten, hebben [eiser] en [eiseres] niet duidelijk gemaakt. [eiser] en [eiseres] hebben hierover niets concreets gesteld.\n\n4.36.. Omdat (een deel van) de huuropbrengsten geen onderdeel zijn (is) van de nalatenschap, kan [gedaagde] zijn aandeel daarin niet hebben verbeurd. De verklaring voor recht dat [gedaagde] zijn aandeel in de huurinkomsten van de [adres 1] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd, is daarom niet toewijsbaar (vordering onder 3.1.VI.).\n\nNotariskosten\n\n4.37.. De rechtbank moet zich nog buigen over de notariskosten van € 5.660,65. De vraag is of deze kosten, die [eiser] en [eiseres] stellen te hebben voorgeschoten, ten laste komen van de nalatenschap. Volgens [eiser] en [eiseres] is dat het geval. Zij stellen dat zij de notaris als partijnotaris hebben ingeschakeld om de afwikkeling van de nalatenschap in der minne met [gedaagde] te regelen. De notaris heeft daartoe een conceptakte opgesteld. Dit rechtvaardigt volgens [eiser] en [eiseres] de conclusie dat deze kosten ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht. [gedaagde] bestrijdt dit. [gedaagde] voert aan dat hij met het inschakelen van deze notaris niet heeft ingestemd en dat de werkzaamheden van de notaris niets hebben bijgedragen aan de afwikkeling van de nalatenschap.\n\n4.38.. De rechtbank oordeelt dat de notariskosten voor rekening van [eiser] en [eiseres] dienen te blijven. Op grond van wat [eiser] en [eiseres] hebben gesteld ziet de rechtbank niet dat het hier gaat om een schuld van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 BW. [eiser] en [eiseres] hebben dit onvoldoende gemotiveerd gesteld.\n\nFoto’s\n\n4.39.. \n [gedaagde] vordert dat de rechtbank [eiser] en [eiseres] veroordeelt om alle foto’s die erflater op het moment van zijn overlijden in zijn bezit had aan [gedaagde] over te dragen. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. [eiser] en [eiseres] betwisten namelijk dat zij de foto’s hebben. Bovendien is het enige dat [gedaagde] ter onderbouwing van deze vordering stelt dat hij in januari 2021 heeft geconstateerd dat alle foto’s zijn verdwenen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat [eiser] en\u002Fof [eiseres] de foto’s hebben weggenomen en in hun bezit hebben. Wel wil de rechtbank [eiser] eraan herinneren dat hij op de zitting van 28 oktober 2025 heeft verklaard dat hij thuis gaat kijken of hij nog (eigen) foto’s van [gedaagde] heeft die hij aan [gedaagde] kan overhandigen.\n\nDe wijze van verdeling\n\n4.40.. Daarmee komt de rechtbank toe aan de verdeling van de nalatenschap. Voor een veroordeling van [gedaagde] om met [eiser] en [eiseres] over te gaan tot verdeling van de nalatenschap is geen plaats, omdat de rechtbank de wijze van verdeling gelast. De rechtbank gelast de wijze van verdeling als volgt.\n\n [adres 1]\n\n4.41.. Het een vierde onverdeeld aandeel in de [adres 1] ( [postcode] [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadastraalnummer] ) wordt toegedeeld aan [gedaagde] , zonder verrekening van enige waarde, en onder de voorwaarde dat [eiser] en [eiseres] binnen zes maanden na vandaag worden ontslagen uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld (die volledig door [gedaagde] dient te worden gedragen).\n\n4.42.. De reden dat de rechtbank vindt dat het onverdeeld aandeel aan [gedaagde] moet worden toegedeeld is dat alle partijen toedeling aan [gedaagde] wensen en [gedaagde] al eigenaar is van het andere (drie vierde) onverdeeld aandeel. Omdat het onverdeeld aandeel aan [gedaagde] wordt toegedeeld, hoeft de aanbiedingsprocedure van artikel 8 van de tussen erflater en [gedaagde] met betrekking tot de [adres 1] gesloten overeenkomst, voor zover van toepassing, niet te worden gevolgd.\n\n4.43.. De rechtbank volgt [eiser] en [eiseres] niet in hun betoog dat [gedaagde] door deze toedeling is overbedeeld. Net als [gedaagde] legt de rechtbank de met betrekking tot de [adres 1] gesloten overeenkomst namelijk zo uit dat van overbedeling van [gedaagde] geen sprake kan zijn. In de overeenkomst staat immers dat erflater niet deelt in de opbrengsten behoudens 10% van een eventueel bij leven te realiseren (netto-) verkoopwinst en dat de erfgenamen op geen enkele wijze worden bevoordeeld (of benadeeld) door het in eigendom hebben van de woning, niet tijdens leven en of overlijden van erflater. In artikel 4 staat bovendien letterlijk:\n\n“Een positief saldo waarde woning min schuld (dat wellicht steeds groter wordt door verplichte aflossingen van 2 en mogelijk waardestijging van de woning) komt te allen tijde ten goede aan 2. Ook na overlijden van 1. Het door 2 opgebouwde kapitaal wordt buiten een erfenis gehouden of voor zover dit onmogelijk is zullen de erfgenamen ondergetekende 2 volledig moeten compenseren voor een eventueel te genieten voordeel als gevolg van aflossingen en waardestijging van de woning;”.\n\nHet was dan ook duidelijk de bedoeling van erflater en [gedaagde] dat de erfgenamen van erflater niet van enige opbrengst of overwaarde zouden profiteren. Dat in artikel 8 is bepaald dat de [adres 1] aan [gedaagde] kan worden overgedragen op basis van “aankoopwaarde (koopsom plus betaald meerwerk op datum transport bij notaris in 2017) (…) als er voldoende middelen zijn om de transactie te doen slagen (…)” zet de hiervoor genoemde (duidelijke) bepalingen van de overeenkomst niet opzij. Anders dan [eiser] en [eiseres] ziet de rechtbank in ieder geval niet dat [eiser] en [eiseres] op grond van artikel 8 toch aanspraak kunnen maken op een deel van de waarde of recht hebben op een overbedelingsvergoeding. Daarbij geldt dat [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd dat met deze passage uit artikel 8 slechts duidelijk werd gemaakt dat [gedaagde] te zijner tijd aan de geldverstrekker moet kunnen laten zien dat hij genoeg middelen heeft om de hypothecaire geldlening als enige voor te zetten.\n\n4.44.. Dat de toedeling aan [gedaagde] plaatsvindt zonder verrekening van enige waarde en dat de volledige hypotheekschuld door [gedaagde] dient te worden gedragen, strookt ook met de door [gedaagde] onweersproken geschetste achtergrond van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] wilde hij de [adres 1] kopen als investering voor hemzelf. Indertijd kwam hij echter onverwacht in een WW-situatie terecht, waardoor hij de financiering in z’n eentje niet rond kreeg. Erflater was bereid [gedaagde] te helpen en zich dus hoofdelijk te verbinden tot terugbetaling van de hypotheekschuld. Van deze hypotheekschuld wilde erflater echter geen last hebben en ook andere kosten met betrekking tot de [adres 1] moesten door [gedaagde] worden gedragen. Alle voordelen van de [adres 1] (behalve de in de overeenkomst genoemde 10% (zie 4.42 van dit vonnis)), zouden echter wel aan [gedaagde] te goede komen, aldus [gedaagde] .\n\n4.45.. Naast de ontbinding van de overeenkomst, die de rechtbank al in 4.35 van dit vonnis heeft verworpen, hebben [eiser] en [eiseres] zich nog beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [eiser] en [eiseres] hebben echter geen feiten en\u002Fof omstandigheden gesteld op grond waarvan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat aan [gedaagde] het onverdeeld aandeel wordt toegedeeld zonder verrekening van enige waarde. Het beroep van [eiser] en [eiseres] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt dus.\n\n4.46.. De overige vorderingen van [eiser] en [eiseres] die met de [adres 1] te maken hebben (zie 3.1.V.), zal de rechtbank afwijzen. Volgens [gedaagde] kan hij namelijk (inmiddels) aan de in 4.41 van dit vonnis weergegeven wijze van verdeling voldoen. Omdat alle partijen willen dat het onverdeeld aandeel in de [adres 1] aan [gedaagde] wordt toegedeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om het door [eiser] en [eiseres] gevorderde bevel (onder 3.1.V.) en de medewerking die [gedaagde] onder 3.2.II. vordert, toe te wijzen.\n\nDe ervenrekening en contanten\n\n4.47.. Ieder van partijen komt een derde deel toe van de (resterende) nalatenschap (de ervenrekening en contanten), waarbij op het aandeel van [gedaagde] wordt toegerekend dat wat hij nog aan de nalatenschap verschuldigd is (zie 4.24 van dit vonnis). Dat [eiser] en [eiseres] toerekening op het aandeel van [gedaagde] willen (en dus op artikel 4:228 BW een beroep hebben willen doen), maakt de rechtbank op uit wat van de kant van [eiser] en [eiseres] op de zitting van 28 oktober 2025 is verklaard, namelijk dat zij hun aandeel willen ontvangen op basis van een fictief saldo: het saldo van vóór de onbevoegde betalingen. Het bedrag dat [gedaagde] na deze toerekening, en na ontvangst door [eiser] en [eiseres] , nog aan de nalatenschap is verschuldigd, dient [gedaagde] op de ervenrekening over te maken. Dat bedrag komt ieder van partijen voor een derde deel toe. Daarmee is de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] en [eiseres] niets meer van [gedaagde] met betrekking tot de nalatenschap te vorderen hebben (vordering onder 3.2.VI.), niet toewijsbaar.\n\nDe resterende inboedel\n\n4.48.. Ieder van partijen is gerechtigd tot een derde deel van de resterende inboedel. Dat [gedaagde] zich de resterende inboedel heeft toegeëigend, hebben [eiser] en [eiseres] niet gemotiveerd gesteld. De resterende inboedel is opgeslagen. Partijen hebben niet duidelijk gemaakt dat zij bepaalde roerende zaken toegedeeld willen krijgen. De resterende inboedel dient in onderling overleg te worden verdeeld, zonder verrekening van waarde. Als verdeling in onderling overleg niet lukt, dan dient de inboedel te worden verkocht. De verkoopopbrengst komt (na aftrek van eventuele kosten) toe aan partijen, ieder voor een derde deel.\n\n [dochter van erflater]\n\n4.49.. De vordering van [gedaagde] betreffende [dochter van erflater] (vordering onder 3.2.IV.) zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank ziet geen grond om deze vordering toe te wijzen. Tot dit inzicht is ook [gedaagde] gekomen. Op de zitting van 28 oktober 2025 is van de kant van [gedaagde] namelijk onderkend dat deze vordering in deze procedure niet thuishoort.\n\nAdvocaatkosten\n\n4.50.. \n [gedaagde] vordert € 10.000,00 aan advocaatkosten. Daaraan legt [gedaagde] ten grondslag dat sprake is van misbruik van procesrecht. Volgens [gedaagde] is hij, na een half jaar niets van [eiser] en [eiseres] te hebben gehoord, rauwelijks gedagvaard, zonder enige noodzaak.\n\n4.51.. De rechtbank geeft [eiser] en [eiseres] gelijk dat zij geen misbruik van procesrecht hebben gemaakt door onderhavige procedure te starten. Van rauwelijks dagvaarden is geen sprake. Over de afwikkeling van de nalatenschap werden partijen het niet eens, ook niet na daartoe gedane schikkingspogingen. Het stond [eiser] en [eiseres] vrij om onderhavige (deels toewijsbare) vorderingen tegen [gedaagde] in te stellen. De rechtbank vindt de gevorderde advocaatkosten al om die reden niet toewijsbaar.\n\nProceskosten\n\n4.52.. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank doet dit omdat partijen familie van elkaar zijn en de rechtbank geen aanleiding ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. verklaart voor recht dat de taak van [gedaagde] als executeur in de nalatenschap van erflater is geëindigd,\n\n5.2.. verklaart voor recht dat het beheer van de goederen van de nalatenschap van erflater toekomt aan de gezamenlijke erfgenamen,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap van erflater vanaf het moment van overlijden van erflater tot vandaag,\n\nen verder in conventie en in reconventie\n\n5.4.. gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflater zoals in 4.41, 4.47 en in 4.48 van dit vonnis is vermeld,\n\n5.5.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis, wat betreft 5.3 en 5.4, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. M.C. van Rijn, rechter, bijgestaan door mr. N.M. Bindhammer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.\n\n Zie Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5985","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1723","ecli-nl-rbnho-2026-1723",{"courtName":6,"legalDomain":122,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":154,"ecli":155,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":156,"fullText":157,"language":7,"source":17,"sourceUrl":158,"summary":14,"slug":159,"metadata":160},"1300","ECLI:NL:RBNHO:2026:2395","2026-01-14T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: 11635673 \\ CV EXPL 25-1241\n\nVonnis van 14 januari 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. E.M. de Ruiter,\n\ntegen\n\nAANNEMERSBEDRIJF [de B.V.] B.V.,\n\nte Den Helder,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [de B.V.] ,\n\ngemachtigde: mr. L.C. Dufour.\n\nDe zaak in het kort\n\n [eiser] heeft tijdens zijn werk voor [de B.V.] letsel opgelopen als gevolg van een arbeidsongeval. [eiser] stelt [de B.V.] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk voor zijn schade. De kantonrechter is van oordeel dat [de B.V.] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] . De kantonrechter wijst een tussenvonnis en stelt [eiser] in de gelegenheid een akte te nemen om zijn schade te onderbouwen. De kantonrechter ziet daarbij aanleiding om [de B.V.] te veroordelen om - in afwachting van het verloop van de verdere procedure - een voorschot van € 5.000,- aan [eiser] te betalen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 25 maart 2025, met producties 1 tot en met 13;\n\n- de conclusie van antwoord;\n\n- het tussenvonnis van 2 juli 2025;\n\n- het bericht van de advocaat van [de B.V.] met een aanvullende productie;\n\n- de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Door mr. [eiser] zijn spreekaantekeningen overgelegd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 26 juni 2017 is [eiser] gewond geraakt tijdens zijn werkzaamheden voor [de B.V.] . [eiser] verrichte samen met collega’s werkzaamheden op een bouwplaats. Bij het omhoog hijsen van een dakpaneel is het dakpaneel losgeraakt en omlaag gevallen. Het vallende dakpaneel heeft [eiser] geraakt. Als gevolg hiervan heeft [eiser] letsel opgelopen, waaronder breuken in zijn middenvoetsbeentjes en een scheur in zijn bekken.\n\n2.2.. \n [eiser] is op 27 juni 2016 in dienst getreden bij [de B.V.] . Zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd liep op 28 juli 2017 af. [eiser] is in verband met een verminderd arbeidsvermogen door mentale beperkingen via bemiddeling van het UWV bij [de B.V.] in dienst gekomen.\n\n2.3.. Bij brief van 2 juli 2017 heeft [eiser] [de B.V.] aansprakelijk gesteld voor het ongeval en de door hem geleden schade.\n\n2.4.. Door EMN is in opdracht van [de B.V.] een aansprakelijkheidsonderzoek uitgevoerd. Van het onderzoek is een rapport opgemaakt dat op 2 februari 2018 beschikbaar was. In het rapport zijn verklaringen opgenomen van enkele getuigen: de heer [getuige 1] , de heer [getuige 2] , de heer [getuige 3] en de heer [getuige 4] . Ook is een verklaring van een politiemedewerker opgenomen.\n\nDe heer [getuige 1] heeft onder meer verklaard:\n\n“Ik zag de prefab plaat half in de takels hangen en nog half op de grond staan. Er ging iets niet goed, je zag ook dat de mannen een beetje onrustig waren. De plaat werd verder omhoog gehesen en het kraakte enorm. Op een gegeven moment sprong een van de mannen op de dakplaat die in de takel hing. Er zat iets niet goed bij de verbinding tussen de takel en de plaat denk ik. Op het moment dat hij in de takel of tegen de plaat sprong was het ‘pats’. In een fractie van een seconde klapte het geheel op straat met die knul eronder”.\n\nDe heer [getuige 2] heeft onder meer verklaard:\n\n“Op de genoemde datum waren wij met 4 timmerlieden en 1 kraanmachinist […] op deze bouwlocatie. Die dag gingen we dakpanelen plaatsen. […] Ik was met [eiser] ( [eiser] ) beneden om de platen aan te pikken en om met de kraanmachinist te communiceren. […] We gingen het een na laatste element hijsen. […] Het aanhaken en hijsen ging de hele tijd prima, wel moest ik [eiser] continu sturen, dat hij aan de kant moest gaan, te dichtbij stond, dat soort zaken. [eiser] heeft dat altijd al gehad, hij ziet geen gevaar. Ik dorst hem niet alleen dingen te laten doen.\n\nNadat ik de machinist had aangegeven dat hij kon hijsen. Toen de plaat omhoog ging hoorde ik wat kraken. Ik brulde tegen [eiser] dat hij weg moest gaan. Ik nam afstand en had op dat moment geen direct zicht op [eiser] of het paneel. Ik heb niet gezien wat [eiser] deed maar kort erop, enkele seconde later, viel het paneel uit de kraan en zag ik [eiser] eronder liggen.\n\nDe heer [getuige 4] heeft onder meer verklaard:\n\n“Het werk bestond uit het plaatsen van prefab dek elementen. […] [eiser] en [getuige 2] ( [getuige 2] ) haakten de dakpanelen aan waarna deze omhoog gehesen werden en [getuige 3] ( [getuige 3] ) en ik deze monteerden. De klus ging lekker en we schoten goed op. Bij het hijsen van het laatste element voor die zijde van het dak ging het mis. Ik hoorde een hoop lawaai en keek naar beneden wat er aan de hand was. Ik hoorde [getuige 2] heel luid roepen ‘Wat doe je?’ en ik zag [eiser] in het dak element springen. Het element is daardoor gaan kantelen waardoor de schroeven waaraan werd gehesen zijn gebroken. […]”\n\n2.5.. Bij brief van 5 maart 2018 heeft [de B.V.] de aansprakelijkheid afgewezen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nvoor recht verklaart dat [de B.V.] aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade;\n\n [de B.V.] veroordeelt om aan [eiser] alle door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\n [de B.V.] veroordeelt tot betaling van een voorschot aan [eiser] ;\n\n [de B.V.] veroordeelt in de proceskosten, inclusief de nakosten.\n\n3.2.. \n\n [eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag.\n\n [eiser] stelt dat hij letsel heeft opgelopen tijdens het uitvoeren van werkzaamheden voor [de B.V.] . Artikel 7:658 BW legt een zware zorgplicht op de werkgever om te voorzien in een veilige werkomgeving en om toe te zien op de naleving van veiligheidsinstructies en procedures. [de B.V.] heeft niet aan deze zorgplicht voldaan en dient de schade die [eiser] lijdt en zal lijden als gevolg van het opgelopen letsel te vergoeden.\n\n3.3.. \n\n [de B.V.] voert verweer en voert het volgende aan.\n\n [de B.V.] voert aan dat zij haar zorgplicht uit hoofde van artikel 7:658 BW is nagekomen. Het is niet de bedoeling van artikel 7:658 BW om een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het in artikel 7:658 BW bedoelde gevaar. De bedoeling van het artikel is om werknemers in zoverre tegen dit gevaar te beschermen als redelijkerwijs in verband met de arbeid van de werkgever gevergd kan worden. [de B.V.] heeft ervoor gezorgd dat [eiser] onder begeleiding en directe instructie van een collega werkte. [de B.V.] hoefde niet te verwachten dat [eiser] naar de vallende last toe zou bewegen, in plaats van daarvandaan zoals hem was geïnstrueerd. Er waren geen veiligheidsmaatregelen die het handelen van [eiser] hadden kunnen voorkomen. Dit betekent dat [de B.V.] de maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van haar konden worden gevergd en dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [eiser] .\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nJuridisch kader\n\n4.1.. \n [eiser] stelt [de B.V.] als werkgever aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW. Op grond van het bepaalde in artikel 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee de werknemer de arbeid moet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden, alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Uit het tweede lid van het artikel volgt dat een werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever heeft voldaan aan de zorgplicht uit het eerste lid of de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.\n\n4.2.. Artikel 7:658 BW houdt een ruime zorgplicht in. Er wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW beoogt daarentegen ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.\n\nIn de uitoefening van de werkzaamheden\n\n4.3.. \n\nDe kantonrechter stelt vast dat [eiser] en [de B.V.] het niet eens zijn over de toedracht van het ongeval. [de B.V.] verwijst naar het rapport van EMN, waaruit zou blijken dat [eiser] het ongeval heeft veroorzaakt door op of tegen het dakpaneel te springen. [eiser] betwist dat hij op of tegen het paneel gesprongen is. Ter zitting heeft hij verklaard dat het paneel juist naar hem toezwaaide, omdat het paneel eerst aan één kant losraakte.\n\nNaar het oordeel van de kantonrechter is het voldoende dat vast staat dat er tijdens het verrichten van werkzaamheden een dakpaneel naar beneden is gevallen en dat [eiser] daar onder terechtgekomen is. De precieze toedracht kan daarom in het midden blijven. [eiser] heeft in de uitoefening van zijn werkzaamheden letsel opgelopen en dit betekent dat [de B.V.] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van [eiser] , tenzij [de B.V.] aannemelijk kan maken dat zij alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die in redelijkheid van haar mochten worden verwacht.\n\nZorgplicht\n\n4.4.. De kantonrechter stelt vast dat het werk dat [eiser] voor [de B.V.] verrichte op 26 juni 2017 gevaarlijk werk was. De zware dakpanelen werden met een hijskraan omhoog gehesen naar het dak. De gevaarlijke aard van het werk zou naar het oordeel van de kantonrechter met zich moeten brengen dat er zorg voor wordt gedragen dat er tijdens het hijsen van de panelen geen werknemers onder de panelen staan voor het geval er iets misgaat. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid bij deze gevaarlijke werkzaamheden lag niet alleen bij [eiser] als werknemer, maar in zwaardere mate met name ook bij zijn werkgever [de B.V.] . Op de dag van het ongeval werkte [eiser] onder begeleiding van de heer [getuige 2] . [getuige 2] hield namens [de B.V.] toezicht op de werkzaamheden van [eiser] en gaf [eiser] instructies. De verantwoordelijkheid van [de B.V.] voor de veiligheid van [eiser] werd die dag dus uitgevoerd door [getuige 2] , zodat [getuige 2] zich ervan had moeten vergewissen dat [eiser] zich aan de veiligheidsinstructies hield.\n\n4.5.. Tussen partijen is daarbij niet in geschil dat [eiser] zich soms onvoorzichtig en onstuimig gedroeg, dat men hem goed in de gaten moest houden en dat hij geen werkzaamheden alleen kon doen. Dit wordt door [getuige 2] zelf ook bevestigd in zijn verklaring die is opgenomen in het rapport van EMN.\n\n4.6.. Uit de verklaring van [getuige 2] in het EMN rapport blijkt voorts dat hij tijdens het hijsen van het dakpaneel geen zicht had op [eiser] : “Toen de plaat omhoog ging hoorde ik wat kraken. Ik brulde tegen [eiser] dat hij weg moest gaan. Ik nam afstand en had op dat moment geen direct zicht op [eiser] of het paneel. Ik heb niet gezien wat [eiser] deed maar kort erop, enkele seconde later, viel het paneel uit de kraan en zag ik [eiser] eronder liggen.”.De kantonrechter leidt hieruit af dat [getuige 2] zijn toezichthoudende taak daarmee heeft verzaakt. Juist bij een werknemer als [eiser] , waarvan bij zowel [de B.V.] als [getuige 2] bekend was dat extra toezicht en instructie noodzakelijk was, had [de B.V.] - in de persoon van [getuige 2] - meer moeten doen om zich ervan te vergewissen dat [eiser] zich aan de veiligheidsinstructies hield door voldoende afstand te nemen en te houden.\n\n4.7.. De kantonrechter is van oordeel dat [de B.V.] niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Dit betekent dat [de B.V.] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] , tenzij er aan de zijde van [eiser] sprake was van bewuste roekeloosheid.\n\nBewuste roekeloosheid\n\n4.8.. Van bewuste roekeloosheid is alleen sprake als de werknemer – in dit geval [eiser] – zich onmiddellijk voorafgaand aan de schade toebrengende gebeurtenis daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag. Het het feit dat [eiser] na de geschreeuwde waarschuwing niet op tijd voldoende afstand heeft genomen of heeft kunnen nemen is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is geweest van bewust roekeloos gedrag. Of [eiser] op of tegen het paneel is gesprongen – [eiser] betwist dit uitdrukkelijk – kan daarbij in het midden blijven, omdat daarmee onvoldoende zou zijn onderbouwd dat hij zich daarbij daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedrag.\n\nAansprakelijkheid\n\n4.9.. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] schade opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, heeft [de B.V.] haar zorgplicht jegens [eiser] geschonden en is er geen sprake van bewuste roekeloosheid aan de zijde van [eiser] . Dit betekent dat [de B.V.] aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade.\n\nSchade(staat)\n\n4.10.. \n [de B.V.] vordert dat de zaak wordt verwezen naar de schadestaat. De kantonrechter gaat hier niet in mee. Het ongeval heeft ruim acht jaar geleden plaatsgevonden en er is sprake van een medische eindtoestand. Dit betekent dat [eiser] in staat moet zijn om zijn schade inzichtelijk te maken. De kantonrechter zal [eiser] de gelegenheid geven een akte te nemen om zijn schade te onderbouwen. Voor het nemen van deze akte krijgt [eiser] een termijn van vier weken.\n\nVoorschot\n\n4.11.. \n [eiser] verzoekt de kantonrechter om [de B.V.] te veroordelen tot het betalen van een voorschot. Dat [de B.V.] aansprakelijk is voor de schade van [eiser] staat voor de kantonrechter vast. Daarbij staat ook vast dat [eiser] schade heeft geleden, alleen de omvang van de schade is nog onbekend. In ieder geval zal [eiser] recht hebben op een vergoeding voor de geleden pijn en het ervaren ongemak, waarbij rekening moet worden gehouden met het gegeven dat [eiser] ook nu nog vaak pijn ervaart. Verder heeft [eiser] verklaart dat hij als gevolg van het opgelopen letsel een aantal hobby’s niet meer kan uitoefenen, zoals windsurfen en bergbeklimmen. De kantonrechter zal [de B.V.] gelet op deze overwegingen veroordelen om in afwachting van de verdere procedure een voorschot van € 5.000,- aan [eiser] te betalen.\n\n4.12.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 februari 2026voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 4.10,\n\n5.2.. veroordeelt [de B.V.] om aan [eiser] een voorschot op de schade van € 5.000,- te betalen en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2395","ecli-nl-rbnho-2026-2395",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":162,"ecli":163,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":164,"fullText":165,"language":7,"source":17,"sourceUrl":166,"summary":14,"slug":167,"metadata":168},"1833","ECLI:NL:RBNHO:2025:16064","2025-11-12T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F368386 \u002F HA RK 25-119\n\nBeschikking van 12 november 2025\n\nin de zaak van\n\nASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Utrecht,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: ASR,\n\nadvocaat: mr. Chr.H. van Dijk,\n\ntegen\n\n1. [verweerder sub 1]\n\n2. [verweerder sub 2],\n\nbeiden in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige zoon [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ),\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: de ouders.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift dat op 8 augustus 2025 door de rechtbank werd ontvangen, met producties 1 tot en met 19;\n\n- aanvullende productie 20 van ASR;\n\n- de e-mailberichten van 22 augustus 2025, 24 augustus 2025, 23 september 2025, 25 september 2025 en 28 september 2025 van de ouders, met de daarbij gevoegde stukken;\n\n- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. De ouders zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen en hebben zich ook niet laten vertegenwoordigen door een advocaat. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel geen kennis mag nemen van de door de ouders toegestuurde berichten en stukken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASR uitdrukkelijk aangegeven dat zij er geen bezwaar tegen heeft dat de rechtbank kennisneemt van de berichten van de ouders en dat de rechtbank deze bij de beoordeling van de zaak betrekt. De rechtbank heeft deze stukken daarom toegevoegd aan het procesdossier.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De relevante feiten\n\n2.1.. Op 21 oktober 2024 heeft de zoon van de ouders, [minderjarige] , als gevolg van een verkeersongeval ernstig letsel opgelopen. [minderjarige] was op dat moment 13 jaar oud.\n\n2.2.. ASR heeft erkend dat haar verzekerde aansprakelijk is voor de door [minderjarige] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade en dat zij als WAM-verzekeraar de ongevalsgerelateerde schade zal vergoeden.\n\n2.3.. Tussen de ouders en ASR is over het schaderegelingstraject een conflict dan wel impasse ontstaan.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. In dit deelgeschil verzoekt ASR de rechtbank om:\n\nde ouders te gelasten om de noodzakelijke medewerking te verlenen aan en inlichtingen te verstrekken voor het volgens de in Nederland geldende regels in kaart brengen van de ongevalsgerelateerde schade van [minderjarige] , onder meer maar niet alleen door onafhankelijke deskundigenrapporten;\n\nde ouders te gelasten medewerking te verlenen aan het inschakelen van Trivium Advies of een andere te goeder naam en faam bekendstaande zorgregisseur en aan de werkzaamheden van deze de medewerking te verlenen en de inlichtingen te verstrekken die deze nodig acht.\n\n3.2.. ASR stelt daartoe - samengevat - dat het schadetraject is komen stil te liggen na indiening van klachten van de ouders over de schadebehandeling. De ouders maken ASR allerlei onterechte verwijten en willen niet meer meewerken aan een reguliere schadeafwikkeling. Zonder onderbouwing vorderden de ouders in maart 2025 een schadebedrag van € 16.000.000, wat inmiddels in de tiende klachtbrief is opgelopen tot € 175.000.000. Ondanks pogingen van ASR om de ouders te bewegen de schaderegeling weer op gang te brengen, is dit niet gelukt. De ouders worden niet langer bijgestaan door een belangenhartiger of een advocaat. Het is niet in het belang van [minderjarige] en ASR dat de schaderegeling niet wordt voortgezet. ASR trekt zich het belang van [minderjarige] aan en roept daarom de hulp in van de deelgeschilrechter om de schaderegeling weer op gang te brengen.\n\n4. Het verweer\n\n4.1.. De ouders voeren verweer in de e-mails die zij aan de rechtbank hebben gestuurd. Kort gezegd voeren de ouders het volgende aan. Zij vinden dat de zaak zich niet leent voor een beperkte behandeling in deelgeschil. De kern van het conflict ziet namelijk niet alleen op de schadeafwikkeling, maar op institutioneel en moreel falen van ASR. De ouders hebben daarover inmiddels tien klachtbrieven aan ASR gestuurd, die inhoudelijk niet zijn beantwoord. Daarnaast is het proces-verbaal van de politie nog niet volledig en loopt er nog een forensische expertise, zodat een zorgvuldige beoordeling op dit moment niet mogelijk is. Verder schetst ASR in het verzoekschrift een beeld dat volgens de ouders niet overeenstemt met de werkelijkheid. De ouders worden ten onrechte weggezet als “onredelijke ouders”, die niet handelen in het belang van hun zoon.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ASR de rechtbank verzocht om “ambtshalve” een bijzondere curator te benoemen in de zin van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de zaak aan te houden om de ouders in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord. Gelet op de impasse die is ontstaan en het feit dat de ouders ook niet naar de zitting zijn gekomen om de zaak te bespreken, dient deze stap in het belang van [minderjarige] te worden overwogen, aldus ASR.\n\n5.2.. \n\nIn artikel 1:250 lid 1 BW is (voor zover van belang) bepaald dat als een zaak aanhangig is, de desbetreffende rechter een bijzondere curator kan benoemen voor aangelegenheden over het vermogen van de minderjarige. De rechter zal dit alleen doen als hij dit noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige en er sprake is van een belangenstrijd tussen de belangen van de minderjarige en de belangen van zijn ouders.\n\nAls er een bijzondere curator benoemd wordt, betekent dit dat de bijzondere curator [minderjarige] zowel in als buiten rechte zal vertegenwoordigen. De bijzondere curator zal dan in plaats van de ouders beslissingen nemen ten aanzien van de (vermogensrechtelijke) belangen van [minderjarige] in het kader van de schaderegeling.\n\n5.3.. Het aanstellen van een bijzondere curator is dus een vergaande en ingrijpende maatregel. De ouders waren er niet van de op de hoogte dat ASR tijdens de zitting zou vragen een bijzondere curator te benoemen. Zij hebben hun standpunt daarover dus nog niet naar voren kunnen brengen. De rechtbank kan niet beslissen over het wel of niet benoemen van een bijzondere curator zonder de ouders eerst in de gelegenheid te stellen hierover gehoord te worden. De rechtbank zal daarom een nieuwe mondelinge behandeling gelasten. De rechtbank vindt het belangrijk dat de ouders bij de volgende zitting aanwezig zijn om de zaak te bespreken. De rechtbank zal daarom bepalen dat zij daarbij aanwezig moeten zijn.\n\n5.4.. De rechtbank zal op dit moment nog geen beslissing nemen over de verzoeken die ASR in haar verzoekschrift heeft gedaan en de verweren die de ouders hebben gevoerd. Of ASR ontvankelijk is in de verzoeken en zo ja, of de verzoeken zullen worden toe- of afgewezen, zal dus pas na een volgende zitting worden beoordeeld.\n\n5.5.. De rechtbank adviseert de ouders – gelet op de mogelijk vergaande gevolgen van het benoemen van een bijzondere curator – dringendom zich in het vervolg van deze procedure te laten bijstaan door een advocaat.\n\n5.6.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaat, met het doel dat in 5.3 is omschreven, door mr. N. Boots, in het gerechtsgebouw te Alkmaar, Kruseman van Eltenweg 2, op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,\n\n6.2.. bepaalt dat de heer [verweerder sub 1] en mevrouw [verweerder sub 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat ASR dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,6.3.. bepaalt dat partijen uiterlijk woensdag 26 november 2025schriftelijk opgave moeten doen van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaat in de maandendecember 2025tot en metfebruari 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,\n\n6.4.. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,\n\n6.5.. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,\n\n6.6.. wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 90 minutenzal worden uitgetrokken,\n\n6.7.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. N. Boots, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:16064","ecli-nl-rbnho-2025-16064",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":170,"ecli":171,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":172,"fullText":173,"language":7,"source":17,"sourceUrl":174,"summary":14,"slug":175,"metadata":176},"536","ECLI:NL:RBNHO:2024:13002","2024-12-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 23\u002F6073\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2024 in de zaak tussen\n\n [eiseres], uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. J.F.R. Eisenberger),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer, verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren gericht tegen het opleggen van een last onder dwangsom bij besluit van 13 januari 2022 en tegen de invorderingsbeschikking van 22 november 2022. De rechtbank moet zich bij de toetsing van het bestreden besluit beperken tot de vraag of verweerder de bezwaren van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat zij haar bezwaren te laat heeft ingediend. Aan een beoordeling van de inhoud van de zaak komt de rechtbank daarom niet toe.\n\n1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.2. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door [adviseur] (adviseur), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.\n\nTotstandkoming van de besluiten\n\n2.1. Eiseres is sinds 30 november 1996 eigenaar van het perceel met opstal (een recreatieverblijf) aan [adres] ( [nummer] ) te [plaats] . Het perceel is gelegen in een recreatiegebied waar slechts recreatieve bewoning is toegestaan. Eiseres staat sinds 13 juni 2018 op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Eiseres verblijft permanent in de woning op het perceel.\n\n2.2. Verweerder heeft naar aanleiding van controles door toezichthouders vastgesteld dat eiseres de woning gebruikt voor niet-recreatieve bewoning. Verweerder heeft bij brief van 4 oktober 2021 eiseres een vooraankondiging tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd, omdat het gebruiken van een recreatieverblijf ten behoeve van permanente bewoning op grond van de geldende beheersverordening ter plaatse niet is toegestaan. Tegen de vooraankondiging is geen zienswijze ingediend door eiseres.\n\n2.3. Bij brief van 13 januari 2022 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd waarin zij is gelast binnen zes maanden na dagtekening het gebruik van haar recreatieverblijf ten behoeve van niet-recreatieve bewoning te beëindigen en beëindigd te houden. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres na afloop van de begunstigingstermijn nog steeds stond ingeschreven op het adres.\n\n2.4. Bij brief van 31 oktober 2022 heeft verweerder een vooraankondiging tot het invorderen van de dwangsom kenbaar gemaakt omdat deze van rechtswege is verbeurd.\n\n2.5. Bij brief van 22 november 2022 heeft verweerder meegedeeld de verbeurde dwangsom van € 25.000,- in te vorderen. Bij brief van 15 december 2022 heeft verweerder eiseres aangemaand tot betaling met het verzoek om binnen twee weken het verschuldigde bedrag te betalen.\n\n2.6. Bij brief van 6 april 2023 heeft verweerder een dwangbevel uitgevaardigd tot voldoening van het bedrag van de dwangsom. Het dwangbevel is op 19 april 2023 door de deurwaarder aan het adres van eiseres betekend.\n\n2.7. Bij afzonderlijke bezwaarschriften van 2 mei 2023, door verweerder ontvangen op 3 mei 2023, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikking. Eiseres heeft daarbij eveneens verzocht om uitstel van betaling. Met het besluit van 25 mei 2023 heeft verweerder het verzoek om uitstel van betaling afgewezen. Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres beide niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren te laat zijn ingediend.\n\nStandpunt eiseres\n\n3.1.. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de besluiten niet in werking zijn getreden. Eiseres voert daartoe aan dat de besluiten niet op de juiste wijze zijn uitgereikt en toegezonden als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres betwist dat de besluiten haar bij aangetekend poststuk zijn aangeboden en zij stelt allereerst dat de besluiten niet aangetekend zijn verzonden en voor zover dat wel zo is, dat zij daar nooit een afhaalbericht voor heeft ontvangen en dat de besluiten niet naar een afhaalpunt zijn gebracht. Eiseres heeft als gevolg daarvan de bestreden besluiten voor het eerst vernomen per deurwaardersexploot eind april 2023. Eisers stelt dat gelet hierop sprake is van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De bezwaarschriften van 2 mei 2023 zijn, aldus eiseres, daarom tijdig ingediend.\n\n3.2.. Ter onderbouwing wijst eiseres op de grote kwaliteitsproblemen rondom de postbezorging van PostNL in het algemeen. Verder stelt eiseres dat de postbezorging op het recreatiepark chaotisch is. Daarvoor heeft zij vier verklaringen van andere parkbewoners overgelegd waarin dat volgens haar wordt bevestigd, waaronder een verklaring van een bewoner die een keer heeft gezien dat een busje van de bezorgdienst langs het park reed zonder te stoppen en zij geen afhaalbericht had ontvangen, terwijl het verwachte pakket bij een afhaalpunt bleek te zijn gebracht. Eiseres heeft de mogelijkheid genoemd dat de postbezorger het betreffende adres of de brievenbus van eiseres niet heeft kunnen vinden, en de zending rechtsreeks naar een afhaalpunt heeft gebracht. Eiseres merkt op dat zij alleen het dwangbevel van 6 april 2023 heeft ontvangen omdat deze door het kattenluikje is geduwd. Eiseres voert verder aan dat het op de weg van verweerder had gelegen om – wetende dat eiseres de zending niet had ontvangen – een poging te doen om de zending opnieuw aan eiseres in het bezit te stellen. Zo had verweerder de brief per gewone post kunnen zenden. Verweerder heeft ervoor gekozen om voor uitreiking van het dwangbevel de deurwaarder langs te sturen. Verweerder had ook ambtenaren of handhavers kunnen langs sturen om de besluiten uit te reiken.\n\n3.3.. Tot slot voert eiseres aan dat in het geval dat wordt aangenomen dat het invorderingsbesluit van 22 november 2022 wel rechtsgeldig is verzonden, maar het eerdere besluit van 13 januari 2022 niet, sprake is van zogenaamde ketenbesluitvorming. Volgens eiseres kan in het geval het eerdere besluit geen rechtskracht heeft het vervolgbesluit dat ook niet hebben. In dat geval zou het in redelijkheid niet zo kunnen zijn dat verweerder toch tot invordering van de dwangsom overgaat.\n\nStandpunt verweerder\n\n4.1.. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de besluiten op de juiste wijze bekend zijn gemaakt. De beide besluiten zijn per aangetekende post verstuurd. Verweerder stelt dat uit de track & trace-gegevens blijkt dat de stukken vergeefs zijn aangeboden en vervolgens twee weken konden worden afgehaald, wat niet is gebeurd. De bezwaartermijn is volgens verweerder daarom zes weken na de verzenddatum aangevangen, beide bezwaarschriften zijn ruim na de bezwaartermijn ingediend en van een verschoonbare overschrijding is volgens verweerder geen sprake. De problemen die eiseres aanvoert over de postbezorging komen voor eigen rekening en risico van eiseres. Verweerder ziet in de door eiseres opgegeven redenen dus geen grond om haar te laat ingediende bezwaarschrift alsnog inhoudelijk te behandelen en handhaaft de conclusie dat de bezwaarschriften kennelijk niet-ontvankelijk zijn.\n\n4.2.. Verweerder stelt onderzoek te hebben gedaan naar de verzending van de besluiten en heeft daarvan stukken overgelegd. Van de aangetekende verzending van het dwangsombesluit van 13 januari 2022 is de bewaarstrook met daarop de track&trace-code overgelegd. Deze komt overeen met de track&trace-code op de envelop die verweerder retour heeft ontvangen. In de overgelegde postregistratie is vermeld dat het invorderingsbesluit van 22 november 2022 is geregistreerd, verzonden en retour is ontvangen nadat de zending niet is afgehaald. Ten overvloede merkt verweerder op dat een medewerker van PostNL heeft bevestigd dat eiseres een fysieke kennisgeving\u002F afhaalbericht heeft ontvangen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt aan de hand van wat door partijen is aangevoerd.\n\n6. Als uitgangspunt bij de beoordeling geldt dat de dag van de terpostbezorging van een besluit bepalend is voor de aanvang van de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift. Voor de vaststelling dat de beroepstermijn is aangevangen, moet zowel de verzending als de aanbieding van de zending vast komen te staan, dan wel voldoende aannemelijk zijn gemaakt. De verzender dient aannemelijk te maken dat een besluit is verzonden. Bij aangetekende verzending vangt de termijn aan op de dag na afstempeling door de postdienst. Indien de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, zal onderzocht moeten worden of het stuk door de postdienst op regelmatige wijze aan het adres van de betrokkene is aangeboden.Wanneer de postdienst bij aanbieding van het stuk niemand thuis aantreft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het afhaalpunt voor rekening en risico van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.\n\n7.1.. \n\nAllereerst betwist eiseres dat de besluiten aangetekend zijn verzonden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aangetekende verzending van de beide besluiten voldoende aannemelijk is. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat onduidelijk is gebleven wat verweerder verzonden heeft. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\n7.2.. \n\nMet betrekking tot het dwangsombesluit van 13 januari 2022 stelt verweerder dat de gesloten envelop met daarin het besluit retour is ontvangen en dat die bij binnenkomst tezamen zijn gescand. Anders dan eiseres betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te betwijfelen dat het dwangsombesluit is verzonden in de envelop die retour is ontvangen.\n\nDe datum van de poststempel op de envelop komt overeen met de datum op de brief. Dat de postcode die is vermeld op de retoursticker niet overeenkomt met de postcode van verweerder op de envelop zelf, geeft geen aanleiding om te betwijfelen dat de brief in de betreffende envelop is verzonden. Die postcode is blijkens de verklaring van verweerder van Werksaam West-Friesland, de partij die namens verweerder retour verzonden poststukken scande. Dat op de brief geen track&trace-code is vermeld, en dat uitsluitend een sticker met die code op de vensterenvelop is geplakt, is evenmin voldoende aanleiding tot twijfel. Anders dan eiseres betoogt, volgt uit de jurisprudentie niet dat de track&trace-code op de brief zelf moet zijn vermeld. Verder blijkt uit het postregistratiesysteem van verweerder dat het dwangsombesluit is geregistreerd en op 13 januari 2022 is verzonden. Uit de overgelegde bewaarstrook blijkt dat de code van de geregistreerde zending op 13 januari 2022 gericht aan eiseres overeenkomt met de code op de retour ontvangen envelop.Dat verweerder geen verzendgegevens van PostNL heeft kunnen overleggen, omdat bij gebreke van een digitaal zakelijk account in de betreffende periode die gegevens niet bewaard zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Vast staat immers dat verweerder de envelop retour heeft ontvangen met daarop een sticker van PostNL dat de aangetekende zending niet is afgehaald.\n\n7.3.. Met betrekking tot het invorderingsbesluit van 22 november 2022 stelt verweerder eveneens dat de gesloten envelop met daarin het besluit retour is ontvangen en dat die bij binnenkomst tezamen zijn gescand. Anders dan eiseres betoogt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te betwijfelen dat het invorderingsbesluit is verzonden in de envelop die retour is ontvangen. Dat er in de track&trace-gegevens ‘afzender onbekend’ staat vermeld, doet daar niet aan af nu op de retourenvelop het adres van verweerder vermeld is. Dat op de brief geen track&trace-code is vermeld, en dat uitsluitend een sticker met die code op de vensterenvelop is geplakt, is eveneens onvoldoende voor twijfel. Anders dan eiseres betoogt volgt uit de jurisprudentie niet dat de track&trace-code op de brief zelf moet zijn vermeld. Uit het postregistratiesysteem van verweerder volgt dat het invorderingsbesluit is geregistreerd en verzonden op 22 november 2022. Van de betreffende track&tracecode heeft verweerder een uitdraai van PostNL van “de reis van je pakket” overgelegd waarop is vermeld dat de bezorging niet lukte en dat de zending naar een PostNL-punt is gebracht, daar niet is afgehaald en daarna retour afzender is bezorgd op 14 december 2022. Vast staat dat verweerder de envelop retour heeft ontvangen met daarop een sticker van PostNL dat de aangetekende zending niet is afgehaald.\n\n7.4.. Gelet op het hiervoor vermelde bestaat geen aanleiding om aan de aangetekende verzending te twijfelen. De rechtbank gaat ervan uit dat de beide besluiten per aangetekende post naar het adres van eiseres zijn verzonden.\n\n8.1.. Voor zover de besluiten aangetekend zijn verzonden, betwist eiseres dat de aangetekend verzonden besluiten zijn aangeboden en voert in dat verband aan dat zij de afhaalberichten van PostNL nooit heeft ontvangen.\n\n8.2.. Van de verzending van het dwangsombesluit van 13 januari 2022 zijn geen track&trace-gegevens meer beschikbaar. In de door verweerder overgelegde track&trace-gegevens van de zending van het invorderingsbesluit van 22 november 2022 is vermeld dat op 23 november 2022 bezorging niet is gelukt en de zending naar een PostNL-punt gaat. De rechtbank is van oordeel dat door eiseres geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de aanbieding van de aangetekende post door achterlating van een afhaalbericht redelijkerwijs kan worden betwijfeld. De verwijzing naar de algemene stelling dat er veel mis is bij de postbezorging door PostNL is daarvoor onvoldoende. Dat de postbezorging op het recreatiepark chaotisch verloopt, leidt niet tot het oordeel dat kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Een chaotische postbezorging laat bovendien onverlet dat het op de weg van eiseres ligt om ervoor te zorgen dat zij post kan ontvangen. Dat geldt te meer nu zij permanent woonachtig is op een recreatiepark. Uit de overgelegde verklaringen van andere parkbewoners valt af te leiden dat de parkbewoners, net als eiseres, op de hoogte zijn van problemen met de postbezorging, en om die reden hebben gekozen voor alternatieve adressen waarop zij hun (pakket-)post laten bezorgen. Daarbij komt ook dat eiseres in ieder geval vanaf oktober 2021 door bezoek van toezichthouders van de gemeente op de hoogte was van de handhaving door verweerder tegen permanente bewoning op het park, zodat de stelling van eiseres dat zij geen rekening had hoeven houden met berichtgeving daarover niet opgaat. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft eiseres geen feiten aannemelijk gemaakt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat de afhaalberichten zijn achtergelaten op het adres van eiseres. Het betoog van eiseres dat zij korte tijd na het ontvangen van de besluiten via een deurwaardersexploot alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen beide besluiten en contact heeft gezocht met verweerder, waaruit volgens haar blijkt dat zij de besluiten van gewicht vond en ze dus ook zou hebben afgehaald als er een afhaalbericht was achtergelaten, maakt het oordeel niet anders.\n\n9. Zowel de verzending als de aanbieding van beide besluiten zijn voldoende aannemelijk gemaakt. Anders dan eiseres betoogt, heeft verweerder geen inlichtingenplicht om de geadresseerde over retourontvangst van het per aangetekende post verzonden besluit op de hoogte te stellen, evenmin bestaat een plicht om eiseres in geval van retourontvangst op andere wijze van de besluitvorming op de hoogte te stellen. Het blijft voor rekening en risico van eiseres dat zij de aangetekende zendingen niet heeft opgehaald en de besluiten niet tijdig na bekendmaking heeft ontvangen.\n\n10. Gelet op het hiervoor vermelde is de rechtbank van oordeel dat de beide besluiten op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Dat betekent dat de termijnen voor beide besluiten zijn aangevangen op respectievelijk 14 januari 2022 en 23 november 2022. Nu de bezwaren van eiseres dateren van 2 mei 2023, is sprake van een overschrijding van de termijn voor het indienen van de bezwaarschriften.\n\n11. In wat eiseres heeft aangevoerd is gelet op het hiervoor overwogene ook geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Al het hiervoor vermelde betekent dat verweerder de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2024.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vergelijk de uitspraken van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499 en 25 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4046.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:13002","ecli-nl-rbnho-2024-13002",{"courtName":6,"legalDomain":177,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht"]